9

Mijn laatste gesprek in Sarajevo, het laatste gesprek van mijn reis ook, herinnert me aan de reden waarom ik historicus ben geworden: het gevoel van fascinatie wanneer je een steen aanraakt waar ooit Romeinen over hebben gewandeld, het gevoel wanneer je wandelt op een plaats waar een grote historische gebeurtenis plaatsvond, het gevoel wanneer je praat met iemand die nauw in contact stond met een grote historische figuur. Een familielid, bijvoorbeeld. De kleindochter van Josip Broz Tito zit voor me. De kleindochter van een man die met zijn partizanen tegen Hitler vocht in de Tweede Wereldoorlog en als president van Joegoslavië de Europese geschiedenis van de tweede helft van de twintigste eeuw mee bepaalde. In 1955 werd Svetlana Broz geboren in Belgrado als het jongste kind van Zarko Broz, de oudste zoon van Tito. Het maakt een cirkel rond: mijn verhaal begon in de tuin van Tito in Belgrado en eindigt aan tafel met zijn kleindochter in Sarajevo. Svetlana Broz is galant gekleed, heeft kort platinablond haar en spreekt perfect Engels. Ze beschouwt zich als burger van Bosnië, als Europeaan en als kosmopoliet. ‘Ik ben een kind van familie uit Joegoslavië, de Oeral, West- en Oost-Europa.’ Haar vader was gemengd Kroatisch, Sloveens en Russisch, haar moeder Tsjechisch, de stamboom van de familie Broz vertakt over heel Europa. ‘Niemand en niets heeft me ooit kunnen overtuigen voor één van die nationaliteiten te kiezen of één ervan beter te vinden. Ik heb geen etnisch lidmaatschap, geen religie, ik zweef overal wat tussen.’ De broederschap en eenheid-ideeën die haar grootvader propageerde kreeg ze met de paplepel in. Ze werd geboren tien jaar na de Tweede Wereldoorlog en groeide mee op met Joegoslavië, met Tito’s multi-etnische focus en zijn felle antinationalisme. Het heeft Svetlana gemaakt tot wie ze is. ‘Ik onderscheid mensen niet volgens etnie. Omdat ik het niet wil én omdat het niet kan: iedere persoon heeft meerdere identiteiten in zich. De Balkan is een mengelmoes. Politici en clerici doen alsof er duidelijk afgelijnde gemeenschappen bestaan, daar klopt niets van.’ Broz begon al jong als freelancejournaliste te werken. Eén jaar na de dood van haar grootvader, in 1981 – ze was 26 – werd ze cardiologe aan de Militaire Academie in Belgrado. Bij het uitbreken van de oorlog trok ze vrijwillig als dokter

296

naar het slagveld in Noord-Bosnië. In het midden van de hopeloze strijd stootte ze op hoopvolle verhalen. ‘Patiënten vertelden me dat ze de oorlog hadden overleefd dankzij de hulp van iemand die niet tot hun etnische groep behoorde. Een moslim was gered door een Serviër, een Serviër door een Kroaat, en zo hoorde ik veel getuigenissen.’ Ze raakte geïntrigeerd, begon alles te noteren en bundelde het in 1999 in een boek: Goede mensen in slechte tijden. In 2000 gaf ze haar job als cardiologe op en verhuisde ze van Belgrado naar Sarajevo. Ze was diep ontgoocheld over de stad waar ze groot was geworden. ‘Als hoofdstad van Joegoslavië was Belgrado een bruisende metropool, in de jaren negentig verloor het zijn ziel.’ De nationalistische politiek van Milosevic druiste in tegen alles waar ze voor stond. Tijdens de bombardementen op Servië stelde Svetlana vast dat de Serviërs gevangen zaten in een slachtofferschap. ‘Mensen wisten niet waarom het hen allemaal overkwam. Ik probeerde hen eraan te herinneren wat er was gebeurd in Sarajevo, Srebrenica, Vukovar, wat er in Kosovo aan de gang was. Ze ontkenden het, wendden hun hoofd af van de waarheid. “Wij hebben het niet gedaan”, “Wij weten van niets”, “Wij worden aangevallen”. Dat hoorde ik keer op keer.’ Tijdens die woelige periode verbleef Svetlana een week lang in Sarajevo. Het contrast met Belgrado kon niet groter zijn. Een openbaring, noemt ze het. ‘Ik vroeg me af of de mensen van Sarajevo verheugd waren over de acties tegen de Serviërs, of ze een revanchistische triomf voelden? Ze hadden tenslotte vier jaar lang geleden onder een Servische belegering. Ze hadden het recht om gelukkig te zijn dat de NAVO in hun plaats wraak nam, vond ik. Maar ik voelde geen overwinningsgevoel, geen leedvermaak, niets. Sarajevo had haar nobele identiteit behouden, ondanks alles.’ Mensen die ze had geïnterviewd belden haar toen ze terug was in Belgrado. ‘Of ik niet naar Sarajevo kwam, met de kinderen. Ik herinner me die telefoontjes nog goed. “We zullen alles delen met je”, zeiden ze. Mensen die niets meer hadden, wilden alles delen… Die goedheid heeft me doen besluiten naar Sarajevo te komen. Ik ben nog altijd blij met mijn keuze.’ Het thema van haar boek liet Svetlana niet los. In Sarajevo opende ze een filiaal van de internationale ngo Gardens of the Righteous Worldwide in Grbavica, waar ik met haar spreek. ‘Veel mensen hebben zich laten misleiden in de oorlog, ze hebben zich haat laten aanpraten. Met deze ngo streven we naar een karakterverandering’,

297

vertelt Broz. Ze verzamelen verhalen over gewone mensen die zich tijdens de oorlog op gevaar voor eigen leven hebben verzet tegen het nationalistische geweld en reiken ook een award uit. ‘Aan de hand van voorbeelden willen we vooral jongeren tonen dat ieder individu vrij kan kiezen om niet te gehoorzamen aan negatieve autoriteiten die mensenrechten en wetten schenden, dat het mogelijk is zich af te zetten tegen intolerantie en manipulatie: dat is burgerlijke moed.’ De ngo organiseert lezingen, publicaties, seminaries en workshops, levert materiaal aan scholen (ook over buitenlandse voorbeelden zoals de anti-Apartheidsstrijd in Zuid-Afrika), probeert politici te betrekken in het debat en helpt bij rechtszaken. ‘We hebben eigenzinnige burgers nodig’, vindt Svetlana. ‘Er zijn nog altijd veel nationalistische politici in Bosnië. Ze intimideren: “Stem voor ons of we zullen als gemeenschap weggevaagd worden.” Uit angst doen de mensen dat. De media staan onder de invloed van politieke patijen, elites van toen zijn nog steeds aan de macht. De huidige autoriteiten hebben liever blinden en gehoorzamen.’ Ik vertel haar wat ik heb ervaren. Telkens als ik mensen naar hun mening vroeg, zeiden ze verontschuldigend: ‘Het is slechts mijn mening hoor’, ‘Dit is hoe ik het zie, meer niet’. Ze relativeren hun eigen opinie. ‘Precies wat ik bedoel’, knikt Svetlana. ‘Ze moeten inzien dat ze macht hebben om dingen te veranderen. Voorlopig bestaat er veel apathie. We hebben nog werk voor de boeg.’ Svetlana zelf gaf wereldwijd honderden lezingen over deze thema’s. Ze is betrokken bij allerlei vredesinitiatieven, is lid van andere ngo’s rond multiculturalisme en publiceerde over publieke moed. Dag in dag uit zet Svetlana zich in voor meer democratie, meer inspraak van de gewone burger. Hoe kijkt ze dan terug op het Joegoslavische politieke systeem dat niet geheel democratisch was maar toch grote voordelen en vrijheden bood, een systeem bovendien van haar eigen grootvader? ‘Het was een autoritaire repressieve eenpartijstaat. Dat is zo. Maar terwijl vele leiders zo’n bestuur misbruiken, deed Tito dat niet. Hij regeerde op een morele en verantwoordelijke manier. Ik geef af en toe een lezing in de VS. In het publiek zitten altijd mensen die me vragen of mijn grootvader een dictator was. Meermaals heb ik meegemaakt dat een toehoorder rechtspringt: “Als hij een dictator was, dan willen wij er ook zo één!” Hij zorgde voor zijn burgers, hij heeft de meesten een goed leven bezorgd, en er was een sociaal zorgende staat. Da’s het minste wat je kan zeggen. Vroeger verlangde ik naar een meerpartijenstelsel, maar ik had geen idee dat dat ook heel slecht kan zijn. Ik discussieerde met mijn grootvader over het gevangenzetten van

298

Een sterke president en een dribbelwonder: Tito en Messi

nationalistische dissidenten, maar zag achteraf dat die dissidenten mijn land in de afgrond stortten.’ Het land bestaat niet meer. En toch leeft Svetlana Broz nog steeds in Joegoslavië. Psychologisch en emotioneel. ‘Voor mij blijft het hetzelfde. Alle delen van het voormalige Joegoslavië zijn mijn land. Waar ik ook ben, in Skopje, Pristina, Zagreb: ik voel me thuis.’ Ze kijkt weemoedig terug naar het land waarin ze opgroeide. ‘Als je het leven van toen en nu vergelijkt, hoe kan je dan niet nostalgisch zijn? Het gaat niet enkel om een nostalgie naar mijn jeugd, het is helaas meer dan dat. Ik denk terug aan de kwaliteit van het leven dat we toen hadden.’ In Sarajevo wandelde ik in de Titostraat, passeerde ik het Titocafé, zag ik een standbeeld van Tito. Voor mij is Tito een historische leider, over wie ik leerde op school. Een abstracte figuur met een plaats in de geschiedenis. Maar hoe voelt zij zich als ze dezelfde tocht maakt? Hoe is het om je eigen grootvader vereeuwigd te zien in straatnamen en standbeelden, om boeken over hem te lezen? Is ze trots, ongemakkelijk, triest? ‘Ik mis hem zoals ieder kleinkind haar opa mist, niet zoals het volk terugverlangt naar de leider van Joegoslavië. Het is vreemd om beelden te zien van je eigen grootvader, maar ik ben trots. Iedere dag zie ik voor zijn standbeeld in Sarajevo verse bloemen liggen. Het betekent dat ze erg van hem hielden. Tijdens de belegering liepen mensen iedere dag weer door de straat met sluipschutters om er bloemen te leggen. De stad lag in puin, om de haverklap kwamen kogels en bommen neer. De inwoners van Sarajevo hadden nauwelijks te eten, er was geen water en elektriciteit. En toch vonden ze nog ergens verse bloemen en legden ze die op gevaar voor eigen leven aan de voeten van m’n grootvader neer.’ Wie zij waren, heeft Svetlana nooit geweten. Maar het bewijst wat ze iedere dag probeert aan te tonen: in slechte tijden zijn er goede mensen. Tito staat in een tuin, een parkje met bomen en paadjes bij de universiteitscampus, in de oude barakken van het Joegoslavische leger. Boven zijn legeruniform draagt hij een zware lange mantel. Hij houdt zijn handen op zijn rug, terwijl hij met een serieuze, denkende blik en gefronste wenkbrauwen naar beneden kijkt, kin in de kraag. Hij staart. Naar de bloemen die weer volop te krijgen zijn. Naar de rozen van Sarajevo.

300