-1

-

Aflevering 1 van 4

« De Messiaanse Verwachting
als Motivatie voor Christus’ Kruisiging»

In navolging van mijn artikel over de geboortedatum van Jezus ga ik nu uitweiden over de mes-
siaanse verwachting in de intertestamentaire tijd, waarvan de bevindingen in zekere zin een
uitvloeisel zijn van de ontdekking dat Johannes de Doper met zijn missie in het jaar 19 begon
en dat Christus na zeven jaar werd gekruisigd. Het zal blijken dat de messiaanse verwachting in
het Joodse gemenbest destijds vooral een oorlogszuchtige was, en bovendien een exclusief
Joodse aangelegenheid, dus niet gebaseerd op een veronderstelde heilsbestemming voor álle
volkeren. Parallellen kunnen worden getrokken met de messiaanse verwachtingen zoals die
thans leven, in ongeveer hetzelfde gebied, maar nu onder de Islamitische groeperingen. Hun
messias, die aan het eind der tijden orde op zaken zal stellen, heet de ‘al-Mahdi’. Tot aan diens
komst behoort het tot de heilige plicht van iedere Moslim om zijn komende rijk te helpen be-
spoedigen, waarbij de tactiek van misleiding en terreur het door de Koran gepropageerde mid-
del is.

1 – Een wrekende God
De Joodse oorlogszuchtige messiaanse verwachting was voornamelijk gebaseerd op een in-
terpretatie van Psalm 2, in samenhang met Daniël 9:25, waarin volgens de toen geldende
interpretatie staat dat God aan Israël de heidenen tot erfdeel zal geven en hun vijanden – de
bezettende macht – zal verbrijzelen met een ijzeren knots. Voluit gaat Psalm 2 als volgt:
-2-

Psalm 2
1 Waarom zijn de volken opstandig,
gaan zinloos de heidenen te keer?
2 Hoe posteren zich wereldse heersers,
spannen samen de groten der aarde,
de Heer en zijn Gezalfde trotserend:
3 “Wij moeten hun ketenen verbreken,
hun boeien werpen wij af !”
4 Die troont in de hemel, Hij lacht;
Hij maakt, de Heer, hen tot spot.
5 Maar dàn spreekt Hij tot hen in vergramdheid,
slaat hen door zijn toornen met schrik:
6 “Heb Ik hem niet gezalfd tot Mijn koning
op de Sion, Mijn heilige berg?”
7 Zo gewaag ik van ‘s Heren besluit;
Hij sprak tot Mij: “Gij zijt Mijn zoon,
Ik heb U heden verwekt.
8 Vraag het Mij slechts en Ik geef
volkeren U tot een erfdeel,
U tot een eigen bezit
de aarde tot aan haar randen.
9 Heersen moogt Gij over hen met ijzeren knots,
hen als lemen kruiken vergruizelen.”
10 Komt heden, heersers, tot inzicht;
laat u leren, bestuurders der aarde!
11 Dient de Heer met ontzag,
betoont uw vreugd met spoed,
12 en weest de Zoon onderdanig,
opdat Hij niet zich vertoornt
en gij omkomen zoudt op uw weg.
want licht kan ontbranden zijn gramschap !
Gelukkig te prijzen dan allen
die toevlucht vinden bij Hem !

In Psalm 2 is de Zoon in woede ontstoken tegen de groten der aarde en verbrijzelt hen met
een ijzeren knots, een tafereel dat aan een wrekende God doet denken. Maar wat is zijn wraak
nou precies? Gerechtigheid en barmhartigheid staan nooit los van elkaar. Het ene zoeken
zonder het andere bedriegt de Waarheid. Gerechtigheid zonder barmhartigheid loochent het
karakter van de Vader die Liefde is, terwijl barmhartigheid zonder gerechtigheid de indruk
zou wekken dat ieder naar eigen goeddunken kan handelen, want immers: ‘God is goed’.
Maar dit diepzinnig concept, dat hadden de meeste Joden in Jezus tijd nog niet door zoals ook
-3-

Herdenkingsmunt met profiel van Keizer Hadrianus
werd bewezen tijdens de Bar Kochba opstand, ruim
honderd jaar later. De vermaarde Rabbi Akiba erkende
toen als de messias, Simeon Bar Kochba (zoon van
een ster), toen deze een guerillastrijd had ontketend
tegen de Romeinse bezetting, wiens naam een ver-
wijzing is naar Numeri 24:17: “Een ster zal uit Jakob
opgaan en een staf zal uit Israël voortkomen die het
voorhoofd van de Moabieten verbrijzelt en alle zonen
van het geraas uitroeit.” Deze opstand werd bloedig
onderdrukt en ook rabbi Akiba heeft dit met de dood
moeten bekopen. In later tijden werd deze revolutio-
nair door de Joodse schriftgeleerden met Bar Koziba
aangeduid, of Zoon van een Leugenaar.

2 – De Verwachting van de Joden
De algemeen heersende verwachting in de intertes-
tamentaire periode was voor een tijdelijke verlosser en
oorlogszuchtige koning, en dat gold zelfs voor de
apostelen. Deze verlosser zou met een ijzeren staf de Keizer Hadrianus
vreemde machten versplinteren om zo de superioriteit
van de Joodse Natie te bevestigen. (Dan. 9:25, Ps. 2) Dit wordt perfect geïllustreerd in een
anonieme verhandeling, niet eerder geschreven dan het begin van de tweede eeuw na Chris-
tus, door iemand die in het Joods gedachtengoed was doorkneed en oorspronkelijk zelf een
Jood moet zijn geweest. Dit 35-pagina-lange document, “De Verwachting der Joden” gehe-
ten, wordt bewaard in het Romeins senatoriaal archief in het Vaticaan en werd voor het eerst
in 1884 vertaald, en is beschikbaar in een publikatie “The ArchkoVolume”, dat kort daarna
werd gepubliceerd. Het is in de vorm van een apologie geschreven en geldt als een steun-
betuiging voor het Christendom, dat door de schrijver werd gezien als de enige logische
voortzetting van het Joodse geloof. Alhoewel het auteurschap een raadsel blijft, vertegen-
woordigt “De Verwachting…” een meesterwerk van het vroeg Christelijk-Joodse denken.
Hier volgen enkele citaten die nieuw licht werpen op de bijbelse boodschap, verband
houdende met het messianisme uit die tijd:
«« De verwachting (in Jezus tijd) schijnt te zijn geweest dat de Messias een profeet
moest zijn net als Mozes, doch groter. (…) (Maar) een andere en veel grotere groep
mensen legde een wereldser betekenis in de messiaanse profetieën. De grote persoonlijk-
heid, wiens komst spoedig werd verwacht, moest een koning zijn, maar groter dan wie
ooit op de Joodse troon had gezeten. Het was kennelijk dit vooruitzicht waarom Jezus
leerlingen Hem gedurende zijn gehele zending volgden. En zelfs na zijn verrijzenis lijkt
het dat zij nog een korte tijd dit soort hoop koesterden. Een van de vragen die zij Hem na
zijn opstanding stelden, was (Hand. 1:6): “Gaat U in deze tijd het koninkrijk voor Israël
herstellen?” En tijdens het laatste avondmaal twistten zij over “wie van hen de grootste
zou zijn” (Lukas 22:24), dat wil zeggen: wie van hen de hoogste functie zou bekleden in
het nieuwe koninkrijk dat Hij op het punt stond op te richten. Het was met deze gedachte
dat Hij door de menigte werd toegejuicht bij zijn komst in Jeruzalem onder de kreet
“Hosanna aan de Zoon van David”. (Mt. 21:9) Op deze gedachte doelde Nathanaël toen
hij een aanwijzing kreeg dat Hij een profeet was (Joh. 1:49): “Rabbi, U bent de Zoon
van God, U bent de koning van Israël” Dat het zijn tijdelijk karakter was waarop
Nathanaël doelde, wordt voldoende aangeduid in de informatie waarmede zijn aandacht
in eerste instantie op Jezus werd gevestigd (Joh. 1:45): “Wij hebben hem gevonden over
wie Mozes in de wet en de profeten geschreven heeft - Jezus van Nazareth, de zoon van
Jozef.”
-4-

Het gedeelte in het Oude Testament waaruit deze titel en verwachting ontsproot,
betreft hoofdzakelijk de tweede Psalm. De in deze Psalm beschreven persoon, wordt
voorgesteld als iemand die door God wordt verheven op de Berg Sion in Judea. De
heidenen die daar omheen staan worden als razenden afgebeeld. Maar God heeft
niettemin besloten dat Hij heersen zal en zet zijn zoon als koning op zijn troon, terwijl
hij nog leefde, en dus verhief God, als hoogste koning van Israël, deze persoon om te
delen in zijn autoriteit, en belooft hem om met zijn eigen macht diens troon veilig te
stellen. Eén van de ideeën van het koninkrijk van de Messias, op deze Psalm gebaseerd,
was dat hij niet alleen zou heersen over de Joden, maar ook alle andere naties te niet zou
doen. Deze Psalm werd door bijna alle Joden geïnterpreteerd als betrekking hebbende op
de Messias, te meer daar de titel Gezalfde in het tweede vers in de (Griekse vertaling van
de) Septuagint als Christos wordt vertaald, zodat daar staat: “Hoe posteren zich wereldse
heersers, spannen samen de groten der aarde, de Heer en zijn Christus trotserend (i.p.v
zijn Gezalfde).” De Messias moest daarom op de Berg Sion regeren, één van de hoogten
waarop Jeruzalem was gebouwd, en over de Joden heersen en de heidenen met Gods
hulp en door oorlog en verovering onderwerpen, hen met een ijzeren staf breken en ze in
stukken slaan als bij een lemen kruik. Dit was het koninkrijk dat de grote meerderheid
van de Joden verwachtte om door hun Messias te worden gevestigd.
De uitdrukking ‘Rijk der Hemelen’ is ontleend aan het tweede hoofdstuk van het
boek Daniël. Nadat voorspeld is dat er vier grote monarchieën zullen opstaan, de
Babylonische, de Perzische, de Griekse en tenslotte de Romeinse - waarvan de laatste
een ijzeren koninkrijk zou zijn - gaat hij verder (Dan. 2:44): “Maar in de dagen van die
koningen zal de hemelse God een koninkrijk oprichten dat in der eeuwigheid niet zal
worden omvergeworpen; en dat koninkrijk zal aan geen ander volk worden
toevertrouwd; het zal al die koninkrijken verbrijzelen en beëindigen, maar het zal zelf in
alle eeuwigheid blijven voortbestaan.” In een andere passage staat (Daniël 7:13-14): “Ik
had ‘s nachts een visioen en aanschouwde er Een die kwam met de wolken der hemelen,
die eruit zag als een mensenzoon, en Hij kwam tot de Oude van Dagen, en zij brachten
Hem tot vlak voor Hem. En Hem werd heerschappij en eer gegeven en het koninkrijk
opdat alle volkeren, natiën en tongen Hem eren zouden. Zijn heerschappij is een
altijddurende heerschappij en aan zijn rijk komt geen einde.”
(…) De nieuwe bedeling onder het aspect van een koninkrijk was het onderwerp van
het eerste verzoek van een van de hoofdgebeden die in de synagogen van Sabbat op
Sabbat werd gebeden en dat al eeuwenlang. Er is een tijd van zeventig weken, aangeduid
in het boek Daniël, welke gesitueerd lag tussen de bouw van de Tweede Tempel en de
‘tijden’ van de Messias, waarvan volgens de profetische stijl een dag telt voor een jaar,
hetgeen de periode van zijn komst om en nabij de tijd plaatst dat Johannes de Doper met
zijn prediking begon.
Deze verwachting was zo algemeen geworden dat het tot buiten het heilige land was
geraakt. Tacitus, een historicus die in Italië schreef, stelt vast dat onder velen “de
overtuiging leefde dat in de oude boeken van het priesterschap geschreven stond dat op
exact dit moment het Oosten machtig zou worden, en dat zij die uit Judea voortkwamen
over de wereld zouden heersen”. Suetonius, een andere Latijnse historicus, schrijft “dat
in het Oosten een oude en hardnekkige opinie had postgevat dat het voor deze tijd was
voorbeschikt dat vanuit Judea degenen moesten voortkomen die de alleenheerschappij
zouden verwerven.”
Deze vaste overtuiging van de Joden had reeds niet geringe politieke beroering
veroorzaakt. Het was de trotse anticipatie op algehele verovering die hen onder het
Romeinse bestuur zo onhandelbaar had gemaakt. Dat zij die voorbestemd waren om over
de wereld te regeren – en wiens Messiaskoning de heidenen tot erfdeel zou krijgen en de
aarde tot aan haar randen tot een eigen bezit, die hen met een ijzeren knots mocht breken
en als lemen kruiken vergruizelen – onderhorig moesten zijn aan een vreemde macht,
was meer dan zij konden verdragen. Josephus vertelt dat tegen de tijd dat Christus
-5-

geboren werd, toen Quirinius een (tweede) volkstelling in Judea ging houden, dat (een
zekere) Judas, een inwoner van Gamala in Galilea, opstond en zich tegen de Romeinse
Gevolmachtigde verzette, en een grote rebellie ontketende. (Oudh. 18:1) Hij wordt
tevens genoemd door Gamaliël in zijn toespraak tot het Joodse Sanhedrin, toen de
apostelen daar waren gebracht omdat zij direct na zijn ten hemel opneming Jezus als de
Messias hadden verkondigd (Hand. 5:37): “Na deze man (Theudas genaamd) stond
Judas de Galileër in de dagen van de belastingheffing op en hitste velen op; ook hij
verging, en allen die naar hem luisterden zijn verstrooid geworden.” (1) Josephus
spreekt in algemene termen over de problemen uit deze periode zonder in te gaan op de
onderliggende oorzaak: “En Judea, nu, was vol banditisme en aangezien verscheidene
groepen afvalligen bereid waren eenieder te volgen die van zins was leiding te geven,
maakten zij hem onmiddelijk koning en zodoende richtte hij kwaad aan bij het volk”.

Dit tekent precies de sfeer in het land tijdens Jezus bediening, en het verklaart zijn
voorzichtigheid om zichzelf als de Messias te presenteren, en de neiging zich af te
zonderen zodra de menigte zich aan Hem opdrong en aanstalten maakte tot enige onrust
of verstoring. Het is over Hem op schrift gesteld na de wonderbare voedsel-
vermenigvuldiging voor de vijf duizend en na de verklaring die op Hem betrekking had
(Joh. 6:14): “Dit is waarlijk de Profeet die in de wereld komen moest”, dat Jezus –
wetende dat zij zouden komen om Hem met geweld mee te voeren en koning te maken –
-6-

opnieuw en geheel alleen naar een berg vertrok; en bij een andere gelegenheid vond iets
dergelijks plaats toen Hij de man had genezen bij het badwater van Bethesda (Joh. 5:13):
“En die genezen was, wist niet wie Hij was, want Jezus had zich teruggetrokken omdat
zich een menigte op die plaats bevond”. »»

Hubert Luns
Wordt vervolgd
[gepubliceerd in “Positief” juni 2002 – Nr. 323]

Noot
(1) De auteur van deze verhandeling vergist zich. Hier wordt verwezen naar Oudheden 18:2-4
waarin Josephus het ontegenzeggenlijk heeft over de tweede volkstelling van 6-9 AD, terwijl
Jezus tijdens de eerste volkstelling werd geboren in 8 BC. (zie artikel “Werd Jezus in Beth-
lehem geboren?”)

“Gij moogt hen als lemen kruiken vergruizelen” (foto Hussain Isa)

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful