-1

-

Aflevering 2 van 4

« De Messiaanse Verwachting
als Motivatie voor Christus’ Kruisiging »

Kunsthistorisches Museum - Wenen, door Caracciolo (ofwel Caravagio)

In het vorige artikel hebben wij stilgestaan bij de messiaanse verwachting onder de Joden in
Jezus’ tijd, waartoe wij zijn uitgegaan van een interpretatie van Psalm 2 en enkele passages uit
het boek Daniël, daarbij gebruik makend van een zeer vroeg Christelijk geschrift van een
auteur waarvan wordt verondersteld dat die uit de school van Hillel komt. Op grond van mate-
riaal dat in de Bijbel zelf voorhanden is, en met citaten van Tacitus en Suetonius, komt deze
auteur tot enkele opmerkelijke conclusies. Hij concludeert dat de hardnekkige opinie post had
gevat, bij zowel vriend als vijand, dat het voor deze tijd was voorbeschikt dat vanuit Judea
degenen moesten voortkomen die de alleenheerschappij zouden verwerven over al hun vijanden
rondom. Volgens hem tekende dit de sfeer in Palestina tijdens Jezus’ bediening, en verklaart het
diens schroom om zich als de Messias te presenteren en zijn neiging zich af te zonderen zodra
de menigte zich aan Hem opdrong en aanstalten maakte Hem tot koning te maken. Dit ano-
nieme geschrift vormt een voortzetting op het thema dat in het vorige artikel aan bod kwam.

1 – De stem van een roepende in de woestijn
«« Terwijl dit de verwachting van de Joden was, zoals wij kunnen aflezen uit de profane
geschiedenis, begon een man met bijzondere gewoontes en een uitzonderlijk voorkomen
in een verafgelegen streek van Judea te prediken, waar slechts weinig grote steden waren
(Mt. 3:2): “Bekeert u, want het Rijk der Hemelen is nabij!” Deze man was van de
priesterlijke stam en door de belofte van de Nazireeër vanaf zijn kindsheid aan God
toegewijd. Zijn kleding en gewoontes pasten bij een kluizenaar, zijn voedsel bestond uit
wat hij in de velden en bossen tegenkwam. (Mt. 3:4) Hij was letterlijk (Jes. 40:3, Joh.
1:19-31): “De stem van een roepende in de woestijn. Bereidt de weg van de Heer. Maakt
-2-

recht in de woestijn een heirbaan voor onze God.” Hij beweerde door goddelijke
ingeving gedreven te zijn om de onmiddelijke komst van de Messias aan te kondigen.
Een man met zulk een uitzonderlijk voorkomen die zo’n belangrijke boodschap uitdroeg,
veroorzaakte een grote sensatie en ontlokte de sterkste nieuwschierigheid. Menigten uit
alle delen van Judea trokken op om hem te kunnen zien en horen. Sommigen dachten dat
hij de Messias was. Zijn faam bereikte al spoedig Jeruzalem, en de Joodse autoriteiten
zonden een gezantschap van priesters en Levieten om te informeren wie hij was. Hij
vertelde hen dat hij niet de Messias was, maar dat hij gezonden was om Hem te
introduceren. “Ik ben gekomen om Hem aan Israël aan te duiden.” Hier werd
ongetwijfeld de ware reden getoond waarom hij door de Goddelijke Voorzienigheid was
grootgebracht om aldus de Joodse geest voor te bereiden op de door hen te ontvangen
grote boodschap van God, om vorm te geven aan hun ideeën binnen een ruwe corpus van
overleveringen die hen had tot enige gelijkenis had gemaakt met de inrichting die de
Messias op het punt stond om op te richten. “Er was een mens door God gezonden,
wiens naam Johannes was. Deze kwam tot een getuigenis opdat alle mensen door hem
zouden geloven. Hij was niet het Licht maar kwam om te getuigen van het Licht.” (Joh.
1:6-8)

De leerlingen bezoeken Johannes in het gevang

Zijn prediking had precies het gewenste effekt. Johannes had een sterke invloed op
de publieke opinie en, ondanks dat hij geen wonderen deed, hield iedereen hem voor een
profeet. Hij vertegenwoordigde een groot contrast, en wellicht met opzet, tegenover de
pretendenten voor een goddelijke missie die rond die tijd furore maakten. Het is op grond
hiervan dat de massa’s, die zich rondom hem schaarden, geen wantrouwen opwekten bij
de overheden. Een mens die zich als Johannes in de grofste kleding had uitgedost in een
land waar men in de betere kringen zeer gehecht was aan uiterlijk vertoon, en waar ieder
die prat ging op het bekleden van een hogere waardigheid, kon worden herkend aan de
meest schitterende gewaden, ontliep natuurlijk elke verdenking van politieke ambitie.
(Mt. 11:7-10, Lukas 7:24-25)
-3-

(…) Het lijkt er niet op dat Johannes speciaal iemand op het oog had toen hij met zijn
zending begon. God, die hem had uitgestuurd om te gaan prediken, had slechts
aangegeven dat de Messias door een of andere wonderbaarlijke verschijning aan hem zou
worden geopenbaard. Hij had Hem eerder als iemand van grote vroomheid en
uitmuntendheid gekend, want toen Jezus naar hem toekwam om door hem te worden
gedoopt, sprak Johannes (Mt. 3:13): “Ik moet door U gedoopt worden, en U komt tot
mij!?” Maar van zijn waardigheid als de Messias, daar had hij geen weet van. Hij getuigt
immers (Joh. 1:33): “Ik kende Hem niet”, dat wil zeggen niet als de Messias, “maar Hij
die mij heeft gezonden om met water te dopen zei tot mij: ‘Op wie je de Geest ziet
neerdalen en op Hem rusten, deze is het die met de Heilige Geest doopt’ ”. Johannes
verzamelde een groep leerlingen om zich heen die hij in de verborgenheden van de
godsdienst onderwees en velen van hen schijnen hem trouw te zijn gebleven nadat hij in
de gevangenis was geworpen, totdat hij door Herodes werd onthoofd.
(…) De gedachtengang van Johannes de Doper is een opmerkelijk voorbeeld van wat
wij vaak tegenkomen, van gedeeltelijke goddelijke verlichting, de duidelijkste kennis op
sommige punten en absolute onwetendheid op andere. Dankzij het licht der inspiratie
schetste hij in enkele woorden de aard van het Rijk der Hemelen, waar hij de komst van
voorspelde, en hij gaf aan dat het iets totaal anders was dan de verwachting van de Joden,
zoals die vanuit de oudste tijden was overgeleverd; maar ten aanzien van de details
schijnen zijn ideeën nogal vaag te zijn geweest, en hij schijnt geen zekere kennis te
hebben gehad van het feit dat Jezus de Messias was, alhoewel hij Hem had gedoopt en
het hemelse teken had gekregen wat hem van tevoren was meegedeeld. »»

Johannes had geen zekere kennis van de Messias
De opmerking “Johannes de Doper schijnt geen zekere kennis te hebben gehad van het
feit dat Jezus de Messias was” behoeft enige toelichting. Toen Jezus gedoopt werd meen-
de Johannes de Doper over de zekere kennis te beschikken dat Jezus de Messias was. Tot
dan toe kende hij Hem persoonlijk, en achtte Hem hoger dan zichzelf, maar pas toen het
voorzegde teken van de Heilige Geest had plaatsgevonden, die als een duif op Jezus
neerdaalde, en de ‘Bath kole’ - de Stem van God - uit de hemel had weerklonken met (Mt.
3:17): “Gij zijt Mijn geliefde Zoon in wien Ik Mijn welbehagen heb”, toen pas wist Johan-
nes dat deze Jezus de door de eeuwen heen voorspelde Messias was. In de zekerheid van
die dagen kon hij uitroepen (Joh. 1:34-35): “Deze is de Zoon van God!, en ‘s anderdaags,
ziende op Jezus: Ziet, het Lam Gods!” Maar later, toen hij in het uitzichtloze stinkende
cachot van de viervorst Herodes zat en zijn verwachtingen aangaande een glorierijke en
zegevierende Messias werden gelogenstraft, werd hij heen en weer geslingerd aangaande
de zekerheid van zijn verwachting en de zekerheid van de tekenen die hem waren geopen-
baard, die hem nu als een verre herinnering toeschenen, en begon hij knagende twijfels te
hebben over Jezus' messiasschap, die toch óók zijn neef was.

2 – God heeft alle mensen lief
«« Eén waarheid, die Johannes de Doper verkondigde, heeft het kenmerk van boven-
natuurlijke oorsprong – omdat het dwars tegen de overtuigingen en vooroordelen uit zijn
tijd inging – dat de Messias en diens koninkrijk niet bedoeld waren om een nationale
aangelegenheid te zijn, niet rechtens en exclusief aan Abrahams nageslacht
toebehoorden. Er is een gezegde in de geschriften van de rabbi’s dat even courant is als
de letters van het alfabet, dat “Geheel Israël zal deelnemen aan de komende wereld”, dat
wil zeggen aan het messiaanse rijk, uitsluitend dankzij hun afstamming van Abraham.
Dat het een koninkrijk moest worden waarbij Israël samen met andere naties zou worden
uitverkoren, een nieuwe gemeenschap vormend die op geen enkele wijze verband hield
met Abrahams zaad, daar hadden de mensen geen flauw benul van. Dat het een moreel
en geestelijk koninkrijk moest worden, stond ook ver bezijden hun opvattingen. “Bekeert
-4-

u, want het Rijk der Hemelen is nabij! … Brengt dan vruchten voort uw bekering
waardig, en zegt niet: wij hebben Abraham tot vader, want God kan zelfs uit deze stenen
aan Abraham kinderen verwekken.” (Mt. 3:2, 9) Denk maar niet dat jullie tot het Rijk
Gods behoren op grond van alleen het feit dat jullie van Abraham afstammen. God is bij
machte om kinderen aan Abraham te schenken uit een bron die jullie nu even
onwaarschijnlijk voorkomt als de stenen onder jullie voeten, ja zelfs uit de heidenen, die
jullie gewend zijn honden te noemen en als het schuim der aarde te zien. Een scheiding is
zich aan het voltrekken, niet tussen de kinderen van Abraham en de andere naties, maar
tussen de goeden en de kwaden, en dat zelfs onder de Joden.
(…) Maar na al deze kennis die Johannes de Doper over de aard van het koninkrijk
bezat en zo u wilt het Christendom, en nadat hij Jezus eigenhandig had gedoopt en de
goddelijke getuigenis had ontvangen waarvan hij reeds eerder op de hoogte was, had hij
nog zoveel Joodse vooroordelen aangaande de tijdelijke macht en pracht van de Messias,
en was hij zo ontmoedigd door zijn langdurige gevangenschap, dat hij twee van zijn
leerlingen zond om te vragen of Hij inderdaad de Messias was. Jezus zond ze terug om
alles wat ze gezien en gehoord hadden te vertellen om hem zo zijn eigen oordeel te laten
vormen, daaraan toevoegend, hetgeen licht werpt op het waarom van zijn twijfels (Mt.
11:6, Lukas 7:23): “Zalig hij die geen aanstoot aan Mij neemt”, die de nederigheid van
Mijn verschijning niet euvel duidt en onverenigbaar acht met de verhevenheid van Mijn
aanspraken. »»

De tekenen van de Messias - 1
Deze episode wordt in Mattheüs 11:2-6 besproken: “Johannes nu hoorde in het cachot
over Christus’ werken en liet Hem door zijn leerlingen vragen: ‘Bent U de Komende of
moeten wij een ander verwachten?’ Jezus antwoordde: ‘Ga Johannes zeggen wat jullie
horen en zien: blinden zien en lammeren lopen, melaatsen worden gereinigd en doven
horen, doden staan op en aan armen wordt de blijde boodschap gebracht. Zalig hij die
zich aan Mij niet ergert.’” Jezus zou hebben kunnen doorgaan: ‘…zoals ze indertijd wer-
den geërgerd toen Ik in Nazareth preekte en ze Mij van de rotsen wilden werpen.’ De ge-
noemde tekenen zijn een verwijzing naar Jesaja 61:1, de passage die in Jezus preek te
Nazareth wordt aangehaald. Ze zijn ook een verwijzing naar Jesaja 35:4-5: “Ziet, jullie
God zal wraak nemen en goddelijke vergelding zoeken! Hij zal komen om jullie te ver-
lossen. Dan zullen de ogen van de blinden worden geopend en de oren van de doven ont-
sloten. Dan danst de kreupele als een hert en juicht de tong van de stomme.” Er is een
belangwekkende vertelling in de Slavonische versie van Flavius Josephus, waar de pries-
ters het omgekeerde argument hanteren om te bewijzen dat Herodes de Grote onder geen
beding de Messias kan zijn: “Het is vastgesteld dat onder de Gezalfde de lammen zullen
wandelen en de blinden zien, dat de armen rijk zullen worden, maar onder deze man
zijn de kerngezonden lam geworden, de zienden blind en de rijken arm.”

3 – Een vredelievende Jezus, dát was onacceptabel !!
«« (…) Om de principes toe te lichten die ik uiteen heb gezet, om de wijsheid en
wonderbaarlijke kennis van Jezus aan te tonen en het volle begrip dat hij al vanaf de
aanvang van het hele systeem had, om de manier weer te geven waarmee hij in de
terminologie van het toenmalige messianisme zinspeelde op de glorierijke en eeuwige
waarheden van het Christendom, zal ik in het nu volgende relaas enkele van zijn eerste
toespraken analyseren. (…) Bij zijn komst in Nazareth, zijn vroegere woonstee, trachtte
hij in de synagoge te preken waar hij gewoon was de dienst bij te wonen. De mensen
luisterden naar het eerste deel van zijn toespraak met volle tevredenheid en waardering,
alhoewel zij volgens een sterke drang van de menselijke natuur Hem minachtend zullen
hebben bejegend als ‘zoon van de timmerman’. Maar bij de eerste leerstellige aanwijzing
dat het nieuwe bestel niet alleen bedoeld was als een nationale religie, niet alleen kon
-5-

worden toegepast op de Joden maar ook op de heidenen, ontstaken zij in grote woede.
Door de wijze waarop Hij de markante passage van Jesaja voorlas (Jes. 61:1-2, Luk.
4:18-19), konden zij Hem ervan verdenken dat Hij niet geheel orthodox was betreffende
een Messias die de heidenen moest vernietigen: “De Geest des Heren rust op Mij, omdat
Hij Mij gezalfd heeft om aan armen het goede nieuws te brengen. Hij heeft Mij gezonden
om hen te genezen die gebroken van hart zijn, om gevangenen vrijlating te verkondigen
en blinden ziende te maken, om gebondenen in vrijheid te stellen, om het aangename
jaar van de Heer uit te roepen.” – hier stopte Hij. Het vervolg van de zin is (nog steeds
Jes. 61:2): “…en de dag van wraak van onze God.” Indien Hij de rest van de zin zonder
uitleg had geciteerd als zijnde op zichzelf van toepassing, dan zouden zij begrepen

hebben dat Hij hun verwachting onderschreef dat Hij de andere naties van de wereld, in
plaats van te redden, wilde vernietigen, en zouden zij misschien hebben geroepen:
“Hosanna aan de zoon van David!” Maar Hij negeerde niet enkel dit uiterst belangrijke
motief van de messiaanse tradities, die voor hen zo geruststellend klonk onder de huidige
politieke onderdrukking, maar Hij ging verder door te laten doorschemeren dat de
heidenen niet alleen gespaard zouden worden, maar ook in het Koninkrijk van de
Messias toegelaten (Luk. 4:25-27): “Maar wat Ik zeg is waar: Er waren veel weduwen in
Israël in de dagen van Elias (…) en tot geen van hen werd Elias gezonden behalve tot
Sarepta, een stad in Sidon, tot een vrouw die weduwe was. En er waren veel melaatsen in
Israël ten tijde van Eliseüs de profeet, en niemand van hen werd genezen behalve
Naäman de Syriër.” Dit ging te ver. Een Messias die de heidenen aanvaardde en hen
gunstig gezind was, dát was onacceptabel. “En zij allen in de synagoge werden woedend
-6-

toen zij dit hoorden, en zij stonden op en gooiden Hem eruit tot buiten de stad, en Hij
werd bovenop de berg geleid waarop hun stad was gebouwd, om Hem van de klif af te
gooien. Toen baande Hij zich midden tussen hen een weg, liet ze achter en daalde af
naar Kapernaüm, een stad van Galilea, en onderwees daar op de sabbatdagen.” (Luk.
4:28-31) »»

Jeruzalem aan de vooravond van de eerste Romeinse oorlog (66 AD)

Deze uiteenzetting illustreert de militante houding van de meerderheid van de Judeërs in
Jezus’ tijd, hetgeen nog eens extra wordt belicht door de Qumran rollen die nabij een militaire
buitenpost van die naam werden gevonden, een plaats die de wegen overziet via de noorde-
lijke route rond de Dode Zee. Tijdens de Grote Oorlog met Rome, die in 66 AD begon en die
met het beleg van Massada eindigde (1), werden deze rollen hier naartoe gebracht en ook naar
andere plaatsen in de Wildernis van Judea die zich van Jericho uitstrekte tot helemaal aan
Massada, hetwelk de militaire buitenpost was aan de zuidelijke route rond de Dode Zee. Het
wordt nu door veel geleerden aanvaard, niet in het minst dankzij de aandrang en argumenten
van professor Norman Golb en professor Alan D. Crown, dat er geen Esseense communiteit
in Qumran bestond. Het zou kunnen dat veel rollen kopieën waren van de tempelarchieven in
Jeruzalem, geen originelen, omdat de rebellen op het houtdragersfeest alles in brand hadden
gestoken om de schuldpapieren te verwoesten. Op die manier hoopten ze de shuldenaars op
hun hand te krijgen. (Joodse Oorlog 2:247) De gevonden rollen in Qumran en omgeving moe-
ten zijn beschouwd als voorwerpen van grote waarde die hoe dan ook tegen de oorlogsravage
dienden te worden beschermd, nu dat het tempelarchief was verwoest. Deskundigen hebben
in Qumran de overblijfselen getraceerd van 870 afzonderlijke rollen. Ze vertegenwoordigen
een kostbare schat aan informatie ten aanzien van de geestelijke vitaliteit tijdens de zoge-
naamde Tweede Tempelperiode, en ze geven een kaleidoscopisch beeld van het toen bloei-
ende Joods literaire leven.

4 – De bevrijdingstheologie uit die dagen
De historicus Neil Asher Silberman schrijft in “The Hidden Scrolls” (de verborgen rollen):
«« Het is helemaal niet onwaarschijnlijk dat zich tussen de duizenden verzetsstrijders die
in Pontius Pilatus tijd opstonden en als martelaar eindigden, een charismatisch religieus
leider bevond met de naam Jezus, die wegens zijn opruiende leer door de Romeinen ter
dood werd gebracht, en die, zoals alle andere heilige strijders en vrome slachtoffers,
lichamelijke verrijzenis uit het graf werd verzekerd volgens de uitleg van Daniël 12:2,
waar geschreven staat (in een van de Qumran rollen) dat de bevrijders “die in het stof der
-7-

aarde slapen, ontwaken zullen.” Dit krachtige geloof in de onsterfelijkheid van iedere
Jood die zich vrijwillig als godsdienstig martelaar aanbood, schijnt voor het eerst naar
voren te zijn gekomen tijdens de Maccabese periode. »» (2)

De tekenen van de Messias - 2
Jezus was vol ontferming. Dat was een der tekenen van de Messias tijdens diens rond-
reizen op aarde. Tijdens zijn missie toonde Jezus Messias medeleven en hartzeer voor zijn
landgenoten. “Bij het zien van die menigte mensen, werd Hij door medelijden bewogen,
omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder.” (Mt. 9:36) Hij had medeleven
toen ze hongerden, want zei Hij tegen zijn leerlingen: “Ik heb medelijden met deze men-
sen.” (Mc. 8:2) Hij was bewogen voor de blinden, want de Schrift zegt: “Jezus had mede-
lijden met ze en raakte hun ogen aan.” (Mt 20:34) Hij voelde met de zieken mee, want de
Schrift zegt: “Door ontferming bewogen, stak Hij de hand uit en raakte hem aan.” (Mc.
1:41) Hij was diep bewogen voor de rouwenden tijdens een begrafenis, want de Schrift
zegt: “Toen de Heer haar zag, voelde Hij met haar mee en sprak ‘Huil maar niet’.” (Lk.
7:13) Toen Hij zag dat de rouwenden jammerden over de dood van zijn persoonlijke
vriend Lazarus, zegt de Schrift: “Jezus weende”. (Joh. 11:35) Zelfs in het uur van zijn
grootste toejuichingen toen hij triomferend de grote stad binnenging, terwijl het Joodse
volk Hem als de Messias aanvaardde, weende hij: “Toen Hij naderbij kwam, liet Hij zijn
blik over Jeruzalem gaan en weende over haar.” (Lk. 19:41)

Silbermans zienswijze is niet zo dwaas, want het is de logische conclusie indien men, zoals
bij hem, niet in Christus’ verrijzenis gelooft zoals ons in de evangelieën verteld. Enkele pagi-
na’s verder bespreekt Silberman het standpunt van professor Robert Eisenman (3), hetgeen ik
voor zijn algemene strekking onderschrijf omdat het prachtig overeenstemt met de feitelijke
presentatie in “De Verwachting van de Joden”:
«« Wat Eisenman suggereert is dat het oorspronkelijke boze evangelie van het Joodse
messianisme, zoals zo duidelijk in de Qumran literatuur verwoord, kenmerkend is voor
het idealistische, fundamentalistische, zelfs revolutionaire geloof van vele eerste eeuw
Judeërs – ondanks het feit dat Josephus, de Nieuw Testamentische en ook de rabbijnse
literatuur, elk voor zijn eigen reden, ofwel de populariteit van dit apart soort bijbels
geloof wilden minimaliseren (wij zouden het bevrijdingstheologie kunnen noemen),
ofwel hun eigen deelname daaraan wilden verbergen. Voor Eisenman was de Qumran
Leraar der Gerechtigheid niet een evolutionaire voorvader van Jezus. Hij en de andere
apocalyptische leraars uit dit tijdperk waren activisten in één enkele machtige beweging,
onwrikbaar trouw aan het idee dat het de ene Ware God is die de Joden naar de over-
winning op de Romeinen zou leiden en hun verachterlijke Joodse collaborateurs – in
weerwil van het schijnbaar verpletterend overwicht dat de machten der Duisternis op dat
tijdstip ten toon spreidden. »»

Qumran rollen (4Q386 en 4Q325), gefotografeerd door Tsila Sagiv
-8-

Dit standpunt wordt verduidelijkt in de beroemde “Oorlogsrol” van Qumran, die permanent
ten toon wordt gesteld in de “Gedenkplaats van het Boek” in West Jeruzalem hetgeen, om de
woorden van Neil Silberman te gebruiken, “een soort reliekschrijn is, die is toegewijd aan het
wonder van de nationale wedergeboorte”. Deze aanzienlijk beschadigde rol beschrijft de laat-
ste wrekende oorlogshandeling, waarvan een klein fragment als volgt gaat:
«« Want in de handen der verdrukten zult Gij de [vij]anden van alle landen overleveren;
in de handen van hen die in het stof zijn nedergebogen, opdat alle machtigen der naties
worden vernederd, om de vergelding van het kwaad op de hoofden der [wederspannigen]
te doen wederkeren, om het gerechtvaardigde oordeel van uw waarheid over alle
mensenkinderen uit te spreken, en om voor Uzelf een altijddurende Naam onder de
mensen te vestigen. [Gij zult] Uzelf groot en heilig [maken door] de oorlogen waarmede
U zich voor de rest van de naties openbaart. Zo mogen [zij] weten [dat] [Gij God zijt
…als Gij] oordeel velt over Gog en al zijn heirschaar die [rondo]m [ons heen] zijn
ver[ga]derd, want tot hun [eeuwigdurende] beschaming zult Gij vanuit de [hoge]
heme[len…] strijd tegen hen voeren. »» (Rechthoekige haakjes omsluiten
gereconstrueerde woorden. Dit kan een eenvoudige gissing zijn, een berekende
waarschijnlijkheid of een woord dat nagenoeg zeker is. Die delen komen in feite niet op
de rol voor.) (4)
Hubert Luns
Wordt vervolgd
[gepubliceerd in “Positief” november 2002 – Nr. 326]

De Qumran grotten
-9-

Noten
(1) De eerste Joods-Romeinse oorlog (66-73 AD), soms De Grote Opstand (Mered Ha-Gadol)
genoemd, was de eerste grote opstand tegen het Roomse keizerrijk. Het eindigde toen Titus
Jeruzalem belegerde en haar verwoestte, en hij Herodus’ Tempel plunderde en in brand stak.
Tenslotte nam hij de vesting Massada in. De Romeinse legeraanvoerder Flavius Silva wilde
een redelijk compromis sluiten met de Joodse Zeloten (ijveraars) en trok zijn legioen terug.
De gebeurtenissen echter leidden ertoe dat hij het Massadafort belegerde. Daar moesten de
bouwkundige talenten van de Romeinen het tegen het onbarmhartige klimaat opnemen en
ruwe landschap en de passie en vindingrijkheid van Eleazar Ben Yair en zijn volk overtroeven,
die in het ‘onneembare’ fort hun toevlucht hadden gezocht.

(2) Robert Eisenman is professor aan de California State University in Long Beach. Een stu-
die Hebreeuws en geschiedenis Nabije Oosten aan de New York University sloot hij af met een
dissertatie in Islamitische wetgeving. Hierna volgde een post-doctorale studie in Israël. Enige
van zijn werken zijn: “James the Just in the Habakkuk Pesher” (samen met H. Robert) uitge-
geven door de wetenschappelijke uitgeverij Brill in Leiden, 1986, alsook van dezelfde uitgever
in 1983: “Maccabees, Zadokites, Christians, and Qumran”. In 1992 verscheen samen met Mi-
chael Wise een vertaling van een aantal Dode Zee Rollen. Eisenman is in het verleden heftig
bekritiseerd omdat hij zich, als eerste, weigerde te voegen naar de toen gangbare interpretatie
dat de rollen uit Qumran tot een Esseense secte behoorden die aldaar zouden hebben verblijf
gehouden, hetgeen thans de overheersende opinie is.

(3) Silberman Neil Asher: “The Hidden Scrolls - Christianity, Judaism, & the War for the
Dead Sea Scrolls”, A Grosset/Putnam Book - New York # 1994. Quotes from p. 186 and 190.

(4) From the English translation of Michael Wise, Martin Abegg Jr, and Edward Cook in “The
Dead Sea Scrolls: A New Translation”, HarperCollins - New York # 1996 (fragment 1QM ≈
11:13-20 on p. 161).

Comix Creators (artiest onbekend), fecit 30-8-2004

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful