You are on page 1of 13

HYDROTHERMALE BRONNEN EN HET ONTSTAAN VAN HET LEVEN

- een geologisch/filosofisch perspectief

Johan Vandaele & Harry Zekollari Masteropleiding in de Geologie & Geografie

Evolutie van de Geobiosfeer Academisch jaar 2010-2011 In opdracht van Prof. Dr. L. Brendonck

.. hetgeen leidt tot de hoge temperaturen en hun hoge concentratie opgeloste (zwavel)mineralen en organische materie (Martin et al. Ze komen voor op diepe. 2008). Speijer et al. Hiernaast bestaan er ook white smokers (Figuur 4) waar lichtere mineralen (qua kleur) zoals bariet. en waarvan de pluimen meestal een lagere temperatuur bezitten (Selley et al. Yellowstone) en black smokers (Figuur 2) in de oceaan (e. 2004).. Belangrijk hierbij is ook aandacht te hebben voor de tegenargumenten en dus niet enkel het werk uit het “pro” kamp te bekijken. 2002). IJsland. 2009.2 Ga) (Martin et al. waarin de nadelen van de theorie niet of amper worden vermeld. Deze laatsten. Figuur 1: Strokkurgeiser (Speijer et al. 2008.. Het ontdekken van hydrothermale systemen in 1977 heeft geleid tot een ingrijpende verandering in de manier waarop we de geologische.Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 2 1. William Martin (Heinrich-Heine Universität Düsseldorf). John Baross (University of Washington. met ook interesse voor nieuwe ontwikkelingen in het onderzoeksgebied. meestal anaerobe plaatsen waar vulkanisme plaatsvindt (voornamelijk bij divergentie en hotspots: zie Figuur 5). Inleiding Hydrothermale bronnen/schouwen (E: “hydrothermal vents”) zijn spleten. 2004). hun onderzoek zal dan ook meermaals aan bod komen. Tot slot zal ook de leerstof die tijdens de lessen werd gezien (Speijer et al. op aarde vrijwel altijd water.g.. Typische vormen van hydrothermale bronnen zijn warme bronnen. 2010) worden beschouwd. hebben vaak een typische schoorsteenstructuur (Figuur 3) opgebouwd uit mineralen voornamelijk gevormd bij het afkoelen van het hydrothermaal fluïdum. fumarolen en geisers op het land (Figuur 1) (e. Mid-Atlantische rug) (Selley et al.. . Dit zal worden gedaan door gebruik te maken van referentiewerken uit de literatuur. Bovendien was de hydrothermale activiteit toen veel groter. Vanaf de jaren ‘80 heeft hier veel onderzoek rond plaatsgevonden en een overzicht hiervan zal in dit werkstuk worden gegeven. al van zodra vloeibaar water op de aarde accumuleerde (zijnde meer dan 4. zeker wanneer er wordt “uitgezoomd” en de context waarin de aarde zich bevond wordt geanalyseerd. 2004. Pioniers in dit onderzoeksveld zijn onder andere Günter Wächtershäuser (Regensberg Universität).g.. 2010). scheuren of schouwen waaruit hydrothermale vloeistoffen. die werden ontdekt in 1977 op de Oost-Pacifische rug. 2004. Deze systemen kunnen leven ondersteunen zonder input van fotosynthese en herbergen levensvormen met symbiotische relaties. 2010). wat maakt dat ze mogelijk een belangrijke rol hebben gespeeld bij het ontstaan van het leven. calciet en kwarts worden afgezet. Seattle) en Sarah Hoffman (Oregon State University). geochemische en ecologische geschiedenis van de aarde bekijken.. daar de warmteflux van het binnenste van de aarde naar de ruimte toen ook veel groter was (Lal. Claudia Huber (Technische Universität München). Selley et al. 2010). Schopf. Ook zijn ze al zeer lang aanwezig. 2008. Selley et al. Figuur 2: Een black smoker (UVic.. Speijer et al. Hierdoor vormen ze een unieke biotoop. onder hoge druk naar buiten komen (Pirajno. 2010)..

Speijer et al. Figuur 4: Een white smoker (AquaCare. Wächtershäuser.. Speijer et al. 2010.. 1988b. . waarbij pyriet wordt geproduceerd onder anaerobe condities: Fe2+ + 2HS → FeS2 + H2. Günter Wächtershäuser Diepzeeschouwen beschikken over de noodzakelijke prebiotische moleculen (op hun metaalsulfiden) om voor het ontstaan van het leven te zorgen (Speijer et al. 2010). De gevormde H2 reduceert vervolgens CO2 tot organische moleculen aan het oppervlak (Drobner et al. 1998.. biogeochemische cyclus (PMEL.. 2010). 1992). 2. Figuur 5: Diepzee hydrothermale bron. Taylor et al.Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 3 Figuur 3: Diepzeeschouwen (Speijer et al. Wächtershäuser.. 2010). 1990. 2010). Een ander sterk argument in het voordeel van de hydrothermale bronnen als plaatsen voor het ontstaan van het leven is het feit dat de voorouders van de huidige prokaryoten genetisch het meest gerelateerd zijn aan de archaebacteriën die momenteel in diepzeeschouwen worden teruggevonden (Huber & Wächtershäuser.. Vaak wordt het ontstaan van het leven bij hydrothermale schouwen gelinkt aan de pyriet-wereld hypothese van de al eerder genoemde Günter Wächtershäuser. 1979. 2010).

waarvolgens theoriën rationeel moeten worden benaderd en falsifieerbaar moeten zijn indien ze enige betekenis willen hebben (Kesteloot. Woese. zijn professor fysische chemie en één van pioniers van de RNA-wereld hypothese (e. 2010). samen met andere mensen achter de voorloper van de latere RNA-wereld theorie (van Nobelprijs-winnaar Walter Gilbert (1986)). . Figuur 8: Karl Popper (1902-1994) (Astrosafor. In een interview (Astrosafor. maar ook in te gaan op fundamentele vragen over het ontstaan van het leven. Zo bestond volgens Wächtershäuser de nodige atmosfeer uit de “soep-theorie” bijvoorbeeld niet en hetzelfde geldt voor de vermoedelijke organische materie uit kometen en meteorieten. waarin het ontstaan van het leven uit een totaal ander perspectief wordt benadered. zijn mentor en de grondlegger van het kritisch rationalisme (Kesteloot. zoals Carl Woese (e. in 1982. Wächtershäuser. Dit standpunt wordt door meerdere publicaties van Wächtershäuser in filosofische tijdschriften en boeken geïllustreerd (e. 2010) Popper zorgde in de twintigste eeuw voor een aangrijpende verandering in het wetenschappelijk denken met het invoeren van zijn kritisch rationalisme. Het zal zijn ontmoeting zijn met Karl Popper.) (Astrosafor.. Het toepassen van Popper’s kritisch rationalisme onder de vorm van biochemische retrodictie.g. 2009). 2010) vertelt Wächtershäuser hoe hij in 1972/3 beginnen na te denken is over het ontstaan van het leven en hoe hij indertijd (naïef) dacht dat de “soep-theorie” van Kuhn (en eerder verwant pionierswerk van wetenschappers als Alexander Oparin (e. als het ware een methodologie van rationele theorie-evolutie. Figuur 7: Hans Kuhn (1919-1990) (Astrosafor. 1963. 1976.1. Popper. waarbij hij enkele werkstukken schrijft waarin steunpilaren van de “soep-theorie” en voorlopers van de RNA-wereld hypothese in twijfel worden gebracht. die de definitieve doorslag zal geven en leiden tot de befaamde pyriet-wereld hypothese. 1968). 1990). 2009. Wächtershäuser als wetenschapper Günter Wächtershäuser. Zoals werd gezegd heeft ook het werk van Kuhn. 1924)) het probleem had opgelost en dat de zaak beklonken was. is één van de immer terugkerende steunpilaren in Wächtershäuser’s werk. een grote rol van belang gespeeld voor Wächtershäuser. Figuur 6: Günter Wächtershäuser (1938-. een bekende octrooiadvocaat uit München en chemist van opleiding. Twee belangrijke personen hierbij zijn Karl Popper enerzijds.g. 2010). Dit mede door niet enkel de aandacht te vestigen op geochemische aspecten.. bereikte met zijn werk een breed publiek (bijvoorbeeld interviewartikel in Time Magazine). Met de loop der jaren begint hij dit echter in vraag te stellen.g. deze zouden het smelten van de jonge aarde niet overleefd kunnen hebben.Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 4 2. 1981). en Hans Kuhn anderzijds. Wächtershäuser. Oparin.g. Van Bendegem. Kuhn. Kuhn & Waser. geschreven volgens een complexe filosofische theorema/postulaat opbouw. 2009). De meeste werkstukken hieromtrent worden echter niet afgewerkt en zullen uiteindelijk meestal links worden gelaten.g. 1987) en is ook duidelijk terug te vinden in de opbouw van bepaalde artikels (e.

wat leidt tot een auto-katalytische feedbacklus. Vervolgens werden deze mineralen dan via hydrothermale schouwen in de oceaan gestuuwd. een artikel met een typerende filosofische opbouw (8 theorema’s en 5 postulaten). Wächtershäuser’s theorieën: de “pyrietwereld” en “metabolisme eerst” Wächtershäuser’s theorieën en kernbegrippen als “pyrietwereld” en het belang van metabolisme bij het ontstaan van het leven. 2. 1988a). en zal er aandacht worden besteed aan belangrijke terugkerende concepten. Volgens Wächtershäuser is het leven niet ontstaan in oceanische bulkoplossingen (cf. wordt er verder ingegaan op concepten betreffende metabolisme.h. Het ontstaan van een oppervlaktemetabolisme maakt dat het eerste organisme een composiet was van enerzijds een mineraal (want nood aan een oppervlak) en anderzijds een ligand sfeer (Wächtershäuser.Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 5 In eerste instantie zal er nu verder worden ingegaan op het werk van Wächtershäuser (§2. maar als lipideblaasjes op de oppervlakte van mineralen (e. Vervolgens (§3.2. 1992.g. 2000).2. Wächtershäuser (1988a.d. komen in meerdere werkstukken terug.. 1990. en dus de vorming van composieten. Onder metabolisme wordt er een cyclus van energieproducerende chemische reacties verstaan. 1990).) zal het geheel uit een breder perspectief worden benaderd en zal ander gerelateerd onderzoek. In deze autokatalytische terugkoppelingsmechanismen speelt ijzersulfide een essentiële rol en dit vormt de basis voor de “pyrietwereld”-hypothese van enkele jaren later (Wächtershäuser. (1990). Het oppervlaktemetabolisme werd gestuurd door de oxidatie van CO naar CO2 en door een trapsgewijze oxidatie van Fe tot FeS2. Wächtershäuser & Huber (2007)). H2S. 1992) en zullen in dit onderdeel nader worden beschouwd. verder worden besproken. Drobner et al. autotroof oppervlaktemetabolisme van laagmoleculaire organische verbindingen. 1990. deze energie kan later worden aangewend door andere processen (Wächtershäuser. FeS2 en NiS). Hierin wordt voorgesteld dat een vroege vorm van metabolisme gedomineerd zou hebben op genetica bij het ontstaan en de evolutie van het vroege leven op aarde. . 1998). oftewel de genetica. waarin het ontstaan van het leven bij hydrothermale schouwen vaak aan bod komt.v. Het leven is ontstaan als een auto-katalytisch. 2010). Uiteindelijk blijkt een belangrijk deel van deze processen plaats te vinden bij hydrothermale bronnen (na reacties diep in de aardkorst) en het is dan ook niet verwonderlijk te bemerken dat de laatste universele gemeenschappelijke voorouder (LUCA: “last universal common ancestor”) door Huber & Wächtershäuser (1998) in een black smoker terug is gevonden. De dynamische analoge informatie van feedbacklussen is dus een voorganger van de structurele informatie van sequenties. CO2. waar de stappen naar een ontwikkeling van leven zich verderzetten (Speijer et al. 1992). “soep-theorie”). In Wächtershäuser (1990). Bijgevolg kan de interne chemie (anders) evolueren en wordt deze verschillend aan het chemisch reactiemilieu van de omgeving (Wächtershäuser. Hierdoor kan éénmaal een primitieve metabolische cyclus is opgebouwd deze zelf aanleiding geven tot meer complexe verbindingen (Wächtershäuser. 1990). die voor het eerst werden aangehaald in Wächtershäuser (1988a). steeds met de nadruk op hydrothermale bronnen en het onstaan van het leven. 1988b. Deze werden initieel gevormd door CO-fixatie en in een later stadium door CO2 fixatie in een vulkanische omgeving (met veel CO.en nikkelsulfide. zoals bijvoorbeeld in zijn referentiewerken: Wächtershäuser (1988a. zoals “de pyrietwereld” (naar analogie met de RNA-wereld) en het belang van metabolisme bij primair leven (“metabolisme eerst”). als bijproduct van vulkanische activiteit diep in de aardkorst. NH3) (zie ook Figuur 5) op de oppervlakte van bijvoorbeeld ijzer. Het binden aan mineraaloppervlakken. Huber & Wächtershäuser (1997.). De theorie van Wächtershäuser omtrent het ontstaan van het leven zou als volgt kunnen worden samengevat (a. wordt gezien als de voorloper van cellulaire omsluiting: voor het eerst ontstaat er een dichotomie tussen organisme en omgeving. 1988b. zoals wordt geïllustreerd in Figuur 9. 1988a).

In dit onderdeel zal er nu dus meer naar rechtstreekse elementen worden gekeken.. • vorming van pyruvaat van FeS en CO bij hoge druk (Cody et al. .Ni)S (Huber & Wächtershäuser. 1998) en • metabolische peptidecycli als katalysatoren voor en gedreven door de verandering van CO naar CO2 (Huber et al. zeker uit filosofisch perspectief (zie hoger). 1990. 3. Het werk van Wächtershäuser is theoretisch zeer sterk. • CO-fixatie tot acetylthioester in aanwezigheid van (Fe. maar dit zou niet mogelijk zijn indien er geen experimentele ondersteuning zou zijn. 2008.. naast de eerder vermelde vorming van pyriet en H2 (Drobner et al. aanleiding gevende tot meer complexe verbindingen (Wächtershäuser. Wächtershäuser niet of amper wordt vermeld en dus zijn theorie wordt gecatalogeerd als verschillend.. 1979). 2005. Hydrothermale bronnen en hun rol bij op het ontstaan van het leven: andere/aanvullende perspectieven De theorie van Wächtershäuser die tot hier werd beschouwd focust zich vooral op het indirect effect van hydrothermale schouwen bij het ontstaan van het leven.Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 6 Figuur 9: Voorbeeld van een primitieve metabolische cyclus. 2003). • productie van aminozuurprecursoren en verbinden van aminozuren tot peptides met CO en (Fe. zijn de volgende: • vorming van CH3SH van CO2 bij FeS (Heinen en Lauwers.g. Holm & Anderson.Ni)S (Huber & Wächtershäuser. Taylor et al. Martin et al... 1988). 2003). Miller & Bada. • stikstoffixatie door FeS (Dorr et al.. 1996). Enkele van de belangrijkste experimentele ondervindingen die zijn theorie ondersteunen (niet allemaal door Wächtershäuser zelf uitgevoerd). 1997). Het is dan ook zo dat in veel (overzichts)artikels waarin het ontstaan van het leven bij hydrothermale systemen wordt beschouwd (e. 1990). 2000).

maar in overige literatuur (e. Hierdoor komen er dus diverse omgevingen rond hydrothermale bronnen voor en zijn verschillende trajecten voor de abiotische synthese van chemische verbindingen mogelijk en voor de uiteindelijke evolutie van organismen (Baross & Hoffman. Bemerk dat een groot deel van theorie die hieraan wordt gekoppeld echter afgeleid is uit het werk van Wächtershäuser.3. Pirajno. zoals bijvoorbeeld in het referentie-artikel van Martin & Russell (2003). 2010). vandaar methanogenese/methanogenen. (1) Hierbij wordt dus methaan (CH4) geproduceerd. De nadruk ligt hierbij voornamelijk op de de temperatuursgradiënt. etc. 2009). behorende tot de hyperthermofielische Archaea.) en aminozuursynthese (§4. 1990). Het is zo dat de hydrothermale systemen van dit moment meer dan voldoende geochemische energie leveren voor het microbieel metabolisme en de organische synthese aldaar (Wiegel & Adams.. met een belangrijke rol voor de omgeving rond en de directe rol van hydrothermale schouwen. halen hun nodige energie uit CO2-reductie via volgende reactie: CO2 + 4H2 → CH4 + 2H2O.2.d. waarbij aminozuursynthese plaatsvindt diep in de aardkorst en deze aminozuren vervolgens naar boven worden gestuuwd in het koude water (zie ook §4. 4. is het belang van fysische en chemische gradiënten bij hydrothermale schouwen. (Martin et al. (2) . wat impliceert dat de huidige samenstelling van hydrothermale fluïda niet exact representatief is voor de toenmalige (Speijer et al. waarin terug wordt vertrokken van een gestructeerde neerslag van FeS2. Wel is het zo dat de samenstelling van de oceaan alsook van de oceanische korst veranderde/verandert doorheen de tijd.v. 1985. 2003) vaak wordt aangehaald. Ook zal het belang van mineralen aangetoond worden (Martin et al. 4. organische synthese en het belang van mineralen in hedendaagse hydrothermale systemen Doorheen de geologie als wetenschap is het vaak gebleken dat processen die we vandaag de dag waarnemen kunnen aanhalen om de geologische geschiedenis te verklaren. concentratie. Deze wordt berekend als volgt: ∆Gr = ∆G0r + RTlnQr. Dit wordt aangetoond a. Op mogelijk kleine details na.1. 2008. Het heden als sleutel tot het verleden: voorbeelden van microbieel metabolisme..). 1988b.2.h.1.3. 1991). methanogenese (§4. 2009). aanwezig in de hydrothermale schouwen zelf en in het onderliggend gesteente behorend tot de oceanische korst (§4. is aantrekkelijk door de overvloed aan CH4 en NH3 dat hier aanwezig is. 2003). Baross & Hoffman. Deze gradiënten zijn een rechtstreeks gevolg van de interactie tussen uitgebreide hydrothermale activiteit in de aardkorst en de daarbovenliggende oceaan (Pirajno. 2008). Methanogenese Methanogenen die momenteel voorkomen in hydrothermale systemen. Mede dankzij de lage temperaturen en aanwezigheid van kleimineralen (zie ook §4. en komt er energie vrij. is dit voor hydrothermale systemen niet anders. Deze energie kan men kwantificeren gebruik makend van “de Gibbs vrije energie van de reactie (∆Gr)” (Hertogen. Wiegel & Adams.).g. 1988a.).) wordt hiermee de vorming van peptides en protocellen bevorderd (Tunnifliffe. Naast temperatuursgradiënten zijn er ook gradiënten in pH. 2003).Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 7 Het werk van Tunnifliffe (1991) bouwt deels verder op dat van Wächtershäuser (e. energie-leverende en organische verbindingsynthetiserende processen. Een ander element dat in het werk van Wächtershäuser een minder prominente rol speelt.. Martin & Russell. 2009). 1985.g. Deze hypothese. twee van dergelijke hedendaags voorkomende.

De activiteit van water kan men gelijkstellen aan 1. zoals de naam het zegt. Aminozuursynthese Niet alleen leveren deze reacties (mogelijk) energie (= exergone reacties) maar er worden ook. Dit gebruik makend van het “Helgeson-KirkhamFlowers” (HKF) model voor de berekening van de verschillende G0i. maar tot nu toe is er nog geen organisme gevonden die deze reactie gebruikt (Wiegel & Adams. 1988).3 kJ oftewel 7 cal per kg hydrothermaal fluïdum. R de universele gasconstante. 2009.rG0i. representatief voor een submariene hydrothermale schouw. dient men voor de berekening van de verschillende G0i.hydrothermaal fluïdum.5x1011 kg biomassa door methanogenese (een globale flux van hydrothermaal fluïdum van 3x1013 kg/jaar aannemend) (Wiegel & Adams.2.T te werken met het “Helgeson-Kirkham-Flowers” (HKF) model (Hertogen. Deze aminozuren hebben verschillende functies in de stofwisseling. 4. komt men op een hoeveelheid energie die vrijkomt van 29. 1997. 2010). 2003). Deze reacties verschillen wel steeds in de hoeveelheid energie die daarbij vrijkomt. Qr.P. Naast methanogenese gebruiken chemolithoautotrofen nog vele andere reacties om aan hun nodige energie te komen (Figuur 10).P. Een voorbeeld van een exergone aminozuursynthese wordt gegeven door de volgende reactie. G0i. de aanmaak van alanine (CH3CHNH2COOH). daar dit in overvloed aanwezig is (Hertogen. hierbij worden dus inorganische bestanddelen van hydrothermale fluïda opgebruikt voor de synthese van een aminozuur en komt er energie vrij: .3 kJ oftewel 7 cal per kg mengsel van 100 °C (Wiegel & Adams. er van uitgaand dat H2 de limiterende factor is in reactie (1) (minder H2 dan CO2 aanwezig).T (3) waarbij vi. Shock & Helgeson.P. Bemerk dat reductieve reacties enkel energie leveren bij hoge temperaturen (> 45 °C). Sulfaatontbinding (reactie k in Figuur 10) levert een enorme hoeveelheid aan energie. 2003). Wanneer men dit omrekent. maar de belangrijkste is ongetwijfeld de aanmaak van eiwitten. De ∆G0r bij een bepaalde druk P en bepaalde temperatuur T wordt gegeven door: ∆G0r.Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 8 Hierbij is ∆G0r de standaard Gibbs vrije energie van de reactie. Daar temperaturen en drukken in hydrothermale systemen hoog zijn. deze laatsten chemische bouwstenen van het leven (Speijer.P. wordt gegeven door: Qr = a(CH 4 )(a ( H 2 O)) 2 a (CO2 )(a( H 2 )) 4 (4) waarbij a staat voor de activiteit van het respectievelijke species.P.r = 4). Aangezien alle H2 afkomstig is uit de submariene hydrothermale schouw komt dit op zijn beurt overeen met 29.T staat voor de standaard Gibbs vrije energie van het i-de species in de reactie. aminozuren mee aangemaakt. 2009). uitvoerig bestudeerd dankzij het belang ervan in de diagenese en de genese van koolwaterstoffen (KWSen) (Swennen & Muchez. Met een dergelijke hoeveelheid vrijgekomen energie kunnen methanogenen zich voor zo’n 4 mg reproduceren.8 kcal/mol. niet alle aminozuuraanmakende reacties zijn exergoon (Wiegel & Adams. wat uiteindelijk overeenkomt met een jaarlijkse productie van 1.g. en oxidatieve enkel bij lagere temperaturen. bekomt men een waarde van 103. dewelke op zijn beurt afhangt van de activiteitscoëfficiënt en de concentratie van dat species in het mengsel zeewater . T de temperatuur in kelvin en Qr het activiteitsproduct onder normale omstandigheden.T = ∑vi.r staat voor de stoichiometrische reactiecoëfficiënt van het i-de species in de reactie.7 kJ/mol oftewel -24. Opgepast. voor H2: vH2. zoals bijvoorbeeld bacteriële sulfaatreductie (BSR). het activiteitsproduct onder normale omstandigheden.T en van de activiteiten zoals gegeven in McCollom & Shock. 2010). deze is positief voor de producten en negatief voor de reagentia (e. Wanneer men de ∆Gr berekent voor een druk van 300 bar en een temperatuur van 100 °C. 2003). 2003).

4.3. Men kan dus concluderen dat mineralen niet alleen belangrijk zijn voor het voorzien van een oppervlak. Dit alles om aan te tonen dat hedendaagse hyperthermofielen in hydrothermale schouwen vele eenvoudige organische verbindingen. bruciet.g.2. en §4. (5) De berekening van de hoeveelheid vrijgekomen energie is gelijkaardig aan deze uitgevoerd in §4. Deze barrières verhinderen het spontaan van start gaan van de reacties. Het is hier dat katalysatoren als enzymen maar ook mineralen een belangrijke rol vervullen door het verlagen van deze barrières. KWSen en meest belangrijk: H2. 2003). het moedergesteente van de hydrothermale systemen was mogelijk minder SiO2-rijk dan nu (wat maakte dat er meer H2 gegenereerd kon worden via de reductie van water) en de atmosfeer en het zeewater waren toen waarschijnlijk minder geoxideerd (Lal. Via het principe “het heden als sleutel tot het verleden” zou men kunnen stellen dat hyperthermofielen dat ook konden ten tijde van de vroege aarde.1. er moet als het ware eerst een activatie-energie in geïnvesteerd worden. 3CO2(aq) + NH4+ + 6H2(aq) → CH3CHNH2COOH(aq) + H+ + 4H2O. 2008). Wanneer het hydrothermaal fluïdum circuleert doorheen de onderliggende oceanische korst zal het interageren met het gesteente.Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 9 Figuur 10: Verschillende reacties zoals gebruikt door chemolithoautotrofen voor het voorzien in hun energiebehoefte (Wiegel & Adams. een plaats voor het metabolisme maar ook voor de eigenlijke reacties zelf. Mineralen als montmorilloniet (een kleimineraal). §4. Bovendien waren omstandigheden toen veel extremer. nodig voor hun celgroei.. Het belang van mineralen als katalysator en bron van species Het moet gezegd worden dat eer bovenvermelde methanogenese en aminozuursynthese van start kan gaan kinetische barrières overwonnen dienen te worden. Een voorbeeld hiervan is serpentinisatie: (Mg.). magnetiet (een Fe-oxide) en bepaalde ijzersulfiden worden in deze context meestal aangehaald als mogelijke katalysatoren (Wiegel & Adams. 2008. 2003). Nog een belangrijke functie van mineralen in dit verhaal is het voorzien van de nodige species (Figuur 5). 2003).1.Fe)2SiO4 + H2O + C → Mg3Si2O5(OH)4 + Mg(OH)2 + Fe3O4 + CH4 + C2-C5 + H2. Het is dit H2 dat als elektrondonor wordt opgebruikt in energie-producerende en synthetiserende reacties (e. kunnen aanmaken en daarbovenop energie winnen. magnetiet. Wiegel & Adams. Het is hier dat vele van de nodige species voor het mogelijk ontstaan van leven in/aan hydrothermale bronnen geproduceerd worden door de water-gesteente interactie (Martin et al. bovenvermelde methanogenese en aminozuursynthese. de warmteflux aan en de intensiteit en verbreiding van hydrothermale systemen was groter. . (6) Hierbij wordt olivijn omgezet in serpentien (een groep van polymorfe mineralen).

Wel is het zo dat volgens sommige onderzoekers (e. 2009. Ook zou het reeds vermelde oppervlaktemetabolisme hogere temperaturen kunnen verdragen. Dit is echter niet mogelijk. Vervolgens wordt ook het gebruik van heterogene. Zo zou het volgens Wächtershäuser bijvoorbeeld interessant zijn om metingen uit te voeren onder zeer hoge druk. Ook zijn de middelen om eerste stappen in deze richting te zetten te gelimiteerd. Ook mogelijk volgens Pirajne. waar de temperaturen gevoelig lager zijn. Verder bestaat er enige discussie rond de stabiliteit van organische moleculen bij hoge temperaturen die heersen rond hydrothermale systemen. aangezien er momenteel geen technieken zijn om veilig te werken met koolstofmonoxide onder zeer hoge druk.. Speijer et al.g. met name de hyperthermofielen (Brock. levende katalysatoren vaak in twijfel gebracht. zouden deze lang genoeg kunnen overleven om deel te kunnen nemen aan de prebiotische synthese van macromoleculen? Dit wordt echter gecounterd door wetenschappers (e. waar honderden miljoenen dollars zijn in geïnvesteerd gedurende 60 jaar door tal van onderzoeksgroepen. Het aangehaalde argument van vergiftiging wordt vaak geweerd op analoge wijze als voor de hoge temperaturen (zie hoger): extromofielen (Brock. Eén van de meest voorkomende tegenargumenten (e. wat deze discussie omtrent temperatuur zo goed als overbodig zou maken. maar de nodige bewijzen ontbreken hier echter voor (Pirajno. 1999) de LUCA dan weer geen hyperthermofiel was. 1978). Hierin stopt in fenylalanine-conversie-experimenten (van meer dan 120 uur) de reactie na minder dan 20 uur en wordt in totaal maar een kleine fractie van het aminozuur verbruikt. Er kan als tegenargument worden geponeerd dat deze chemische concentraties bij het ontstaan van het leven veel hoger waren. Ross. Wächtershäuser een dergelijke hyperthermofiel. weliswaar vroeg in de aardse geschiedenis maar significant ná het leven ontstaan. opgeloste bestanddelen).g. Galtier et al. meestal unicellulaire microben (Bacteria en Archaea) die in extreme omstandigheden . De reeds vermelde LUCA bijvoorbeeld. maar eerder een mesothermofiel. dat nochtans een voorstander is van het ontstaan van leven door hydrothermale activiteit. deze inhoud is een betrouwbare indicator voor de omgevingstemperatuur.o. 1978). 1990) gebeuren met veel hogere concentraties dan in de natuur en dus onrealistisch zijn (Pirajno. 2009 is dat het leven op enige afstand van de bronnen kan zijn ontstaan. 2008) is het feit dat veel van de zaken die in laboratorische omstandigheden worden gereproduceerd (e. Dit pijnpunt wordt bijvoorbeeld geïllustreerd door het onderzoek van Huber et al. Volgens hen is hyperthermofilie een secundaire adaptatie. H2 productie: Drobner et al. (2003). zoals in de werkelijkheid (Wächtershäuser. Martin et al.. 2009). 2007). is de experimentele capaciteit in het onderzoek rond hydrothermale schouwen en hun rol bij het ontstaan van het leven veel kleiner.v. meer nog. 2008) die het ontstaan van het leven bij hydrothermale bronnen steunen en die hiervoor verwijzen naar organismen die in extreem hoge temperaturen kunnen leven. wordt het ontstaan van het leven bij hydrothermale schouwen door veel wetenschappers in twijfel getrokken en het is dan ook één van de vele mogelijke hypothesen die in de literatuur terug te vinden zijn.g.Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 10 5. 2010). 2002). Waarom hydrothermale bronnen niet aan de oorsprong van het leven zouden hebben gestaan Ondanks een hele reeks sterke argumenten. aangezien deze korte levenstijden kennen en bovendien zeer onderhevig kunnen zijn aan vergiftiging (Ross. Een ander punt dat vaak wordt bekritiseerd aan de theorie zijn de slecht reproduceerbare omstandigheden.. wordt er vaak verweten dat de temperaturen te hoog zijn om stabiliteit van deze organische moleculen te garanderen. het zou er zelfs nood hebben aan (dit heeft te maken met een nauwere Boltzmann-verdeling van kinetische energie van gebonden t. Niettegenstaande chemische reacties sneller verlopen en toenmalige afbrekende enzymen minder efficiënt werkten onder hogere temperaturen (Schopf. door diens hoog corrosief karakter en de onveiligheid bij zeer extreem gecompresseerd CO. Deze onderzoekers baseren zich op de inhoud aan gyanine plus cytosine van de DNA-genen die coderen voor rRNA. 2008).a. is volgens o.g.. In tegenstelling tot de soep-theorie. Bijvoorbeeld ribose alsook andere suikers zijn uitgesproken thermolabiel.

Dit doordat het opreageert met basalten aanwezig in de onderliggende oceanische korst (Bashkin. Zo zijn er bij discussies omtrent het ontstaan van het leven ook filosofische aspecten. goed te worden verifieerd. Nature. Conclusie & werkwijze De hier besproken hypothese omtrent het ontstaan van het leven is één van de vele mogelijke scenario’s die in de literatuur zijn terug te vinden. De tegenargumenten die hier werden aangehaald behoren tot de belangrijkste kritieken die er bestaan t. zoals duidelijk het geval was bij Wächtershäuser en diens intense samenwerking met Karl Popper (e.a. maar hierbij dient altijd de wetenschappelijke waarde van het argument. Er bestaan er echter nog vele andere. één van de species nodig in de theorie van o. zoals werd besproken. Uiteindelijk werd er getracht een zo goed mogelijk overzicht te geven van de bestaande literatuur en de theorieën van Wächtershäuser en collega’s op een duidelijke manier te schetsen. de lipidenwereld. Belangrijk te bemerken is dat. “het heden als sleutel tot het verleden”). Tot slot werd het onderwerp als zeer moeilijk ervaren. Het hydrothermaal ontstaan van het leven heeft veel sterke punten (§2. na een initiële twijfel. 1990). exogenese. velden waar we veel meer kennis over hebben. 2010). PNAS). aangezien hydrothermale bronnen belangrijke regulators waren en nog steeds zijn van de samenstelling van oceaan en atmosfeer. Verder is het belangrijk altijd om de context te analyseren waarin het onderzoek plaatsvindt en dus niet enkel de aandacht te vestigen op de geochemische aspecten (vnl.).. Science.). om het werk van Wächtershäuser erbij te betrekken.g.o. Ondanks dit werd er uit interesse toch voor dit thema geopteerd en werd een oplossing gezocht door de nadruk te leggen op geologische en filosofische aspecten van het onderzoek. Ook werd er besloten. & §3.Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 11 kunnen overleven.bevatten (Figuur 5). hebben weinig last van vergiftiging. 2008. Naar onze mening is Wächtershauser een zeer interessante figuur en kan zijn werk (al dan niet onrechtstreeks) wel degelijk worden gekoppeld aan hydrothermale systemen voor het ontstaan van het leven. de (weliswaar dan indiricte) invloed van hydrothermale bronnen op het ontstaan van het leven niet ontkend kan worden. (Lal. hetgeen een ander perspectief biedt dan een klassiek wetenschappelijk artikel. daar er in de literatuur naast de voor ons meer vertrouwde geochemie ook veel chemie uit een voor ons weinig gekende tak (biochemie?) wordt aangehaald. Wächtershäuser. door zoveel mogelijk gebruik te maken van referentiewerken uit befaamde tijdschriften (e. 2003). §4). Wächtershäuser. De redenen waarom hij soms anders wordt gecatalogeerd.).. but the mere prospect that it could have is reason enough to probe the environments further” (Martin et al. die soms miniem/afwezig is en veelal gebaseerd is op speculatie. indien deze theorie verworpen wordt. 6. de proteïnenwereld. zoals bijvoorbeeld het feit dat hij het belang van temperatuursgradiënten bij hydrothermale systemen relativeert (Pirajno. Dit ondanks het feit dat hij vaak wordt aanzien als een buitenstaander met een eigen theorie. etc.3. Hier werd dan ook aandacht aan besteed in dit werkstuk.v. de theorie die in dit werkstuk wordt besproken. eerder dan in te gaan op de pure chemie. . Hiernaast zijn er bijvoorbeeld ook: de kort aangehaalde “soep-theorie” en RNA wereld (belangrijk is wel te bemerken dat deze compatibel is met de pyriet wereld). 2008). maar ook een paar nadelen (§5. 2009) en de aandacht meer vestigt op interne kortsprocessen. die niet rechtstreeks verbonden is aan het ontstaan van het leven bij hydrothermale bronnen. Speijer et al. hydrothermale fluïda te weinig tot bijna geen PO43.g. Ook bestaan er andere mechanismen om te katalyseren (§4. Tot slot wordt er geopperd dat huidige. Toch is het interessant om deze hypothese verder te volgen naar de toekomst toe en ze te blijven benaderen als één van de mogelijke scenario’s: “Life need not have evolved this way. Het was (en is) dus een meerwaarde hem in het verhaal te (blijven) betrekken. en dus waarschijnlijk ook vroegere (cf. situeren zich voornamelijk in enkele fundamenteel verschillende standpunten.

2008. W. On the origins of cells: a hypothesis for the evolutionary transitions from abiotic geochemistry to chemoautotrophic prokaryotes.. hydrogen sulfide and carbon dioxide in an anaerobic acqeous environment..net (laatst bezocht: 24 december 2010). W. K. 1999. 220–21. Kassbohrer... 2008.. Grunert. Brock. J. W. 1981. Model consideration for the origin of life . Leuven. 1997.. Cursusnota’s Bachelor Geologie KUL. . 4375-4391.. J.M. 313pp. 574 pp. 1998. Cody. Wächtershäuser. H. Günter Wächtershäuser. Science 289.J... Angewandte Chemie International Edition 20. Geochemie. Thermophile Microorganisms and Life at High Temperatures.de (laatst bezocht: 19 december 2010). Eisenreich. New York. A nonhyperthermophilic common ancestor to extant life forms. E. C.E. Hydrothermal vents and the origin of life. H... Angewandte Chemie International Edition 42. Kesteloot.A. 245-247. 742-744.. G. Wächtershäuser.. wanneer ze vermeld werden in geraadpleegde literatuur. Molecular self-organization and the origin of life. 2003. W... 938-940... Geilmann.Environmental structure as stimulus for the evolution of chemical systems... Stetter. Holm. Hydrothermal Simulation Experiments as a Tool for Studies of the Origin of Life on Earth and Other Terrestrial Planets: A Review. Andersson. A possible primordial peptide cycle. Dorr. Submarine Hydrothermal Vents and Associated Gradient Environments as Sites for the Origin and Evolution of Life. Huber. Brand. http://www.A.. 131-150. T.... Science 281. Nature Reviews Microbiology 6. 68-80. J. Sharma. 1976. R.Z. S. 805-813.. 618-618. A. Baross. Scott. Tourasse.aquacare. Origins of Life and Evolution of the Biosphere 26(2). Hechts. Huber. Geochimica et Cosmochimica Acta 61. 2003. Martin. R. Astrophysics and Space Science 317.. Origin of Life. Yoder. Shock. M. Hazen. Baross.H.A. Weigand.G. C. M..... Hertogen. Martin.Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 12 7. Leuven. Drobner.M... 1990. C. A. J.. Astrobiology 5. * Bemerk hierbij dat meerdere artikels en boeken niet altijd volledig werden gelezen bij het opstellen van dit werkstuk..J. Organic sulfur compounds resulting from the interaction of iron sulfide... G.N.. Boctor. Referentielijst* AquaCare. Heinen. sommige zelfs werden enkel aangehaald om correct te refereren.Fe)S surfaces: Implications for the origin of life. 2010. M. Lauwers. Kluwer Academic Publishers. Pyrite Formation Linked with Hydrogen Evolution under Anaerobic Conditions.S. Primordial carbonylated iron-sulfur compounds and the synthesis of pyruvate.M. Science 276. Activated acetic acid by carbon fixation on (Fe. 2000.. 2010. Bashkin.. History and Epistemology of Geography.. 1986. Cursusnota’s Master Geografie KUL/VUB. Dordrecht. N.. Kreisel. Agrupacion Astronomica de la Safor... A. W. Interview with Dr. Peptides by activation of amino acids with CO on (Ni.D. M.. E. T. Werner. Robl. Gilbert. Wächtershäuser.. 267-278. 327-345. V. N. Huber. 1985. 1997.. H. G. 2009. Wächtershäuser. 1337-1340..L. Geochemical constraints on chemolithoautotrophic metabolism by microorganisms in seafloor hydrothermal systems. J. R. Origin of Life: The RNA World. C. Filley. E. Huber. T. Rose.. and from prokaryotes to nucleated cells. 500-520. W. A possible prebiotic formation of ammonia from dinitrogen on iron sulfide surfaces.Ni)S under primordial conditions... C. H. Philosophical Transactions of the Royal Society of London Series B: Biological Sciences 358. 1540-1543. H. Apfel. 2009.. D.. G. G. 2003. Kelley. Galtier. Nature 346. 2003. W. Astrosafor. C. D...R.astrosafor. Russell. Lal. McCollom. 670-672.. J. Naturwissenschaften 63.K. 2005. Hoffman. 59-83. S. Kuhn. Waser. N. Gouy. N. G. 444-460. Kuhn. Nature 319. Russell... Science 283.O. Springer. 1978. http://www. Origins of Life 15. Modern Biogeochemistry. 1996. Science 301.

. 1979. Cursusnota’s Master Geologie KUL/Geografie VUB. The Biology of Hydrothermal Vents: Ecology and Evolution. 367 pp... R. Groundworks for an Evolutionary Biochemistry: The Iron Sulfur World.. G.pmel. Plimer. Microbiological Reviews 52(4). 200pp.noaa. Springer Verlag. 2010. R. http://www. 200-204. Claeys. Routledge. Journal of Inorganic and Nuclear Chemistry 41. Brussel. Debating evidence for the origin of life on Earth: Response. Wächtershäuser. Hydrothermal Processes and Mineral Systems. F. Progress in Biophysics & Molecular Biology 58(2). Wiegel.uvic. 1968.. L. T. 2000.. 2010..W. Taylor & Francis. 1307-1308..S. 2003. Oparin. P. G.ca/sciweb/photos-hydrothermal-vents. Harper & Row. The 1st Energy-Source for Life: a Hypothesis.C. J.. Schopf. Encyclopedia of Geology. UVic. H. 1250pp. 1988b. 1683-1687. Brendonck. Ross.. 2009. 2002. 2009. Swennen.L. Filosofie van de Wetenschappen. Moscow. 2750 pp. . E.L.. R. University of Victoria: Institute for Coastal and Ocean Research. 207-210.. Leuven.. The Genetic Code. 85-201. Astrobiology 8. C. Taylor.P. 319-408. R. Wächtershäuser.. London. Berlin. 1988a.. A.. Evolution of the Geobiosphere. 2004. 1990.. Foubert. Leuven.. S. J. Reactions of iron monosulfide solids with aqueous hydrogen sulfide up to 160°C. Light and Life: on nutritional origins of sensory perception. Science 289. Rationality and the Sociology of Knowledge.. 1992. 267-272. G. 1963. Van Bendegem.E. Swennen. Nature 334. Selley. 2010. Oceanography and Marine Biology Annual Review 29. Before Enzymes and Templates: Theory of Surface Metabolism.gov/vents/chemistry/information. Wächtershäuser. London. Wächtershäuser. Adams. Huber. G.. Science 315.html (laatst bezocht: 19 december 2010). 216 pp. Wächtershäuser. Moscow Worker Publisher... Evolutionary Epistemology. Tunnifcliffe. Speijer. A Quantitative Evaluation of the Iron-Sulfur World and Its Relevance to Life’s Origins. Cursusnota’s Master Geologie KUL. http://web. 2010. I. 412pp. 1991. Proceeding of the National Academy of Science 87.W. P. Owen. Systematic and Applied Microbiology 10(3). R.L. London. Pacific Marine Environmental Laboratory. P. G.. G. University of California Press. Pyrite Formation. 1924. 1987. Shock. G. V. 938-939. Wächtershäuser. 609611. 1988. A. The origin of Life (in het Russisch).I.. Pirajno.Hydrothermale bronnen en het ontstaan van het leven – door Johan Vandaele en Harry Zekollari 13 Miller. D.. Geochimica et cosmochimica Acta 52. Popper. J. Woese. Origin of Life: Life as We Don’t Know It. Elsevier Academic Press. Thermophiles. Life’s origin. Muchez.. PMEL. 2009-2036. 2008. 2007. K. Conjectures and Refutations: The Growth of Scientific Knowledge. J. Helgeson. New York. Evolution of the first metabolic cycles.. Cursusnota’s Bachelor Geografie VUB. M. 452-484. Cocks.. Submarine hot springs and the origin of life..... 1988.html (laatst bezocht: 19 december 2010). Diagenesis and Low Grade Metamorphism. Rummery. Bada..W.. C. D. R..G. Wächtershäuser.