VAN DAMME Thomas (00906176) 2e Bachelor Archeologie UGent: Academiejaar 2010-2011

De herkomst van tin in het Oude Nabije Oosten

Verhandeling in het kader van het vak “Encyclopedie van de archeologie” (Prof. Dr. Roald F. Docter)

Inhoudstafel 1. Inleiding ................................................................................................................................. 2 2. Methodologie ......................................................................................................................... 2 3. Situering in tijd en ruimte....................................................................................................... 3 4. Toepassingen van tin .............................................................................................................. 3 4.1. Tin als onderdeel van brons ............................................................................................ 3 4.2. Zuiver tin ......................................................................................................................... 5 5. Onderzoek naar de herkomst van tin in het Oude Nabije Oosten .......................................... 6 5.1. Studie van oude teksten................................................................................................... 6 5.2. Geologisch en archeologisch onderzoek ......................................................................... 7 5.2.1. De voornaamste tinstreken in Afrika-Eurazië .......................................................... 8 5.2.2. De herontdekking van vergeten tinstreken............................................................... 8 5.2.3. De Kestel tinmijn en het mijnbouwdorp Göltepe, Turkije....................................... 9 5.2.4. Tinmijnen in Centraal-Azië.................................................................................... 10 5.2.5. De Deh Hosein tinmijn, West-Iran......................................................................... 11 5.3. Archeometrisch onderzoek............................................................................................ 13 6. Besluit................................................................................................................................... 13 7. Bibliografie........................................................................................................................... 14 8. Herkomst illustraties ............................................................................................................ 16

1

1. Inleiding In het Nabije Oosten zijn er geen omvangrijke tinmijnen gekend en toch is men daar al heel vroeg begonnen met de productie van brons, waarin tin een cruciale rol speelt. Om de grote hoeveelheid aan brons te verklaren moet men dus tin hebben ingevoerd, maar van waar? Deze vraag heeft veel onderzoek en debat gestimuleerd, vooral sinds Muhly in 1973 een overzicht publiceerde van de archeologische en geologische aanwijzingen hieromtrent (Molofsky et al. 2009, 4). De vraag is interessant op zich maar kan ons ook heel wat leren over de handelsconnecties van toen en over de evolutie van metallurgie. In deze tekst zal ik eerst verduidelijken waarom men omstreeks 3500 v.Chr. begon te experimenteren met tin-brons (Cathro 2005, 2); welke voordelen dit bood in vergelijking met het eerder gebruikte arsenicum-brons en wat de specifieke toepassingen waren van tin en brons. Vervolgens ga ik dieper in op de verschillende vormen van onderzoek naar de oorsprong van tin in de Bronstijd van het Nabije Oosten. Vooral studies van oude teksten, geologisch onderzoek en diverse archeometrische methoden zijn hier van toepassing.

2. Methodologie Ik kwam voor het eerst met dit onderwerp in contact nadat ik op het internet informatie zocht over “Vroege metallurgie in het Nabije Oosten”. De discussie over de herkomst van tin in het Oude Nabije Oosten bleek nog heel actueel en leek me dus een interessante topic voor mijn paper. Via de zoekfuncties van Dyabola en Aleph heb ik hierover veel informatie gevonden in de bibliotheken van Archeologie en van het Oude Nabije Oosten van de UGent. Verder bleek ook JSTOR, dat duizenden academische teksten online beschikbaar maakt, een nuttige bron van informatie. Andere websites waren vooral handig voor het raadplegen van recente artikels die nog niet in bibliotheken zijn opgenomen. Om al deze informatie overzichtelijk te houden en om het opstellen van mijn bibliografie te vergemakkelijken heb ik gebruik gemaakt van het bibliografisch programma Mendeley. Bij het verwerken van de bronnen was het voornaamste probleem dat enkele auteurs hun eigen werk als het ‘summum’ van belangrijkheid aanschouwen en zelfs klagen dat het ondergewaardeerd wordt door anderen. Aan deze bronnen schenk ik in mijn tekst minder aandacht omdat ik vrees dat ego dan in de weg staat van een objectieve benadering. Een

2

andere kwestie was dat enkele bronnen wel interessant zijn maar te veel afwijken van de kernzaak van dit verslag. De overige bronnen heb ik dan geschikt naar relevantie en aan de hand daarvan deze paper geschreven.

3. Situering in tijd en ruimte Hoewel er nog veel onenigheid is over de juiste periodisering van de Bronstijd (en dus het grootschalig gebruik van tin) in het Nabije Oosten zullen we hier aannemen dat dit ongeveer overeenkomt met de periode van 3300 tot 1200 v.Chr. Vóór 3300 v.Chr. kunnen we nog spreken van een Kopertijd of Chalcolithicum, na 1200 v.Chr. zien we een overgang naar de Vroege IJzertijd. Hoe dan ook is deze onderverdeling grotendeels artificieel; ook in de Late Kopertijd experimenteerde men al op kleine schaal met brons, gedurende de Bronstijd gebruikte men nog steeds veel koper, al omstreeks 2700 v.Chr. produceert men ijzer van lage kwaliteit en ook in de IJzertijd werd nog koper en brons geproduceerd (Cathro 2005, 2). Geografisch gezien hebben we het over het Nabije Oosten en meer specifiek de Levant, Mesopotamië en Anatolië (Kaart 1). Hoewel Egypte normaal ook tot het Nabije Oosten wordt gerekend komt het land in deze kwestie weinig aan bod.
Kaart 1: Levant, Mesopotamië en Anatolië.

4. Toepassingen van tin

4.1. Tin als onderdeel van brons Koper op zich is een vrij zacht metaal. Doordat alle atomen in een zuiver metaal van dezelfde grote zijn is de kristalstructuur van dat materiaal zeer homogeen en dus kwetsbaar. Als men aan een zuiver metaal echter onzuiverheden toevoegt wordt de kristalstructuur verstoord en wordt het moeilijker om deze te ontwrichten, wat de hardheid van dat metaal ten goede komt (Northover 1989, 113). Zo ontwikkelden zich in het Nabije Oosten in de late vijfde en vroege vierde millenia v.Chr. al bronzen die een mengeling waren van koper en

3

arsenicum (Lechtman 1996, 477). Mits koper- en arsenicumertsen in de natuur frequent samen voorkomen zijn de eerste arsenicum-bronzen waarschijnlijk als een soort ‘vuil’ koper toevallig tot stand gekomen en is het dus fout om al te spreken van een echte legering, wat per definitie een opzettelijke vermenging is (Northover 1989, 117). Toch zijn er duidelijke aanwijzingen uit onder andere etno-archeologishe studies, dat in latere periodes arsenicum ook opzettelijk is toegevoegd aan koper (Lechtman 1996, 509-510). Naast het verhogen van de hardheid zorgt arsenicum ook voor een vermindering in de absorptie van gassen waardoor het koper minder poreus wordt na verwerking. Bovendien verlaagt arsenicum de smelttemperatuur van koper en is het in tegenstelling tot tin overvloedig aanwezig in het Nabije Oosten (Cathro 2005, 2-3). Al deze factoren hebben er zeker toe bijgedragen dat arsenicum-brons zelfs tot in de Midden Bronstijd (2200 tot 1600 v.Chr.) de meest voorkomende koperlegering was (Lechtman 1996, 477). Toch zijn er verschillende redenen waarom men ten minste vanaf het einde van het derde millennium v.Chr. (Reiter 1999, 169) en misschien al aan het einde van het vierde millennium v.Chr. (Gillis 1999, 140) begon met de vermenging van tin en koper voor de productie van tin-brons. Eerst en vooral was het in de Oudheid lastig om de concentratie arsenicum in een legering te controleren: bij minder dan 4% had arsenicum amper invloed op de kwaliteit van de koperlegering, en optimale concentraties van hoger dan 8% aan arsenicum waren uiterst moeilijk te bekomen. Tin daarentegen kon in alle gewenste concentraties aan koper worden toegevoegd omdat het vrij eenvoudig was zuiver tin te bekomen uit cassiteriet, het voornaamste tinerts.

Concentraties van 10-15% zijn ideaal maar ook al bij lage concentraties vertoont tinbrons betere resultaten dan arsenicumbrons (Figuur 1): tin-brons is harder en
Figuur 1: Hardheid van tin-brons vergeleken met arsenicum-brons.

sterker (Lechtman 1996, 478; Northover 1989, 113). De volgende cijfers geven een

idee van de effectiviteit van deze legering: op de hardheidsschaal van Vickers behaalt tin slechts VPN (Vickers Pyramid Number) 5 en koper VPN 50, samen scoren ze als brons echter VPN 90. Als deze legering dan verder getemperd en gehamerd wordt kan een hardheid van VPN 228 bereikt worden, meer dan dubbel zoveel als smeedijzer (Cathro 2005, 2)! De verhoogde hardheid is echter niet de enige reden voor de overschakeling op tin voor koperlegeringen. Bij het verwerken van arsenicum komen giftige gassen vrij die nefast 4

zijn voor de gezondheid van metaalsmeden. Het is dus niet verwonderlijk dat men afstapte van arsenicum eens een goed alternatief beschikbaar was (Cathro 2005, 3; Lechtman 1996, 478). Mits tin geïmporteerd moest worden was voor de grootschalige productie van tinbrons een goede administratie en aanzienlijk kapitaal nodig. Veel vorsers vermoeden daarom dat de productie geconcentreerd was in paleis- of tempelwerkplaatsen (Reiter 1999, 167). Het brons kon gehamerd of gegoten worden en werd zowel gebruikt voor wapens en werktuigen als voor waardevolle of prestigieuze objecten zoals dolken en bekers (Cathro 2005, 3; Gillis 1999, 141; Reiter 1999, 170).

4.2. Zuiver tin Omdat zuiver tin snel oxideert en poederig wordt, en bovendien aangetast kan worden door tinpest is het utilitair gezien minder waardevol dan tin-brons (Gillis 1999, 141). Toch is zuiver tin onder andere teruggevonden als armbandjes in kindergraven (Moorey 1985, 132) en wordt het Oud-Babylonische woord voor tin, an-na, geassocieerd met ‘dolken, tronen en stoelen der goden’. An-na kan overigens in een religieuze context vertaald worden als ‘hemels’ of ‘goddelijk’. Al dit wijst erop dat tin waarschijnlijk een belangrijke socioeconomische symboliek had. Bovendien stelt men vast dat het net als goud en zilver soms als deklaag werd gebruikt voor beeldjes, vaatwerk en stenen (Reiter 1999, 169). Heel interessant hierbij is echter dat deze tinfolie, wanneer verhit tot net onder het smeltpunt, oxideert tot een nieuwe kleur die in alle opzichten gelijk is aan goud! Vorsers vermoeden dus dat tin door zijn zeldzaamheid, zijn cruciale rol in de productie van brons en zijn ‘magische’ eigenschap om te kunnen variëren in kleur van wit tot puur goud, op een bepaald moment minstens zo waardevol moet zijn geweest als zilver, en waarschijnlijk bijna zo waardevol als echt goud (Gillis 1999, 142-144).

5

5. Onderzoek naar de herkomst van tin in het Oude Nabije Oosten

5.1. Studie van oude teksten Wanneer de vraag naar de oorsprong van tin in het Nabije Oosten voor het eerst gesteld werd, keerde men aanvankelijk naar oude Sumerische, Assyrische, Akkadische, Babylonische en andere spijkerschriftteksten: misschien hadden deze volkeren in hun paleisen tempelarchieven zelf wel sporen achtergelaten naar de oorsprong van het tin dat zij gebruikten. De aanzet hiertoe is vooral gegeven door Muhly (Moorey 1985, 128). De eerste moeilijkheid was de interpretatie van de woorden im-an-na, annaku en anna (zie supra) die vertaald kunnen worden als ‘tin-steen’ of tin maar waar vorsers ook verschillende andere vertalingen voor opperden (Dayton 2003, 167; Moorey 1985, 128; Reiter 1999, 171). Als we veronderstellen dat deze woorden inderdaad met tin mogen geassocieerd worden is het volgende probleem dat vele van de teksten zuiver economisch zijn. Zo is uit verschillende teksten de prijsverhouding tussen tin en zilver af te leiden. Hoewel de prijs schommelt afhankelijk van het gebied en de periode waarin het verhandeld werd, zijn vooral in de latere teksten de prijzen van tin soms zo laag (16 eenheden tin voor één eenheid zilver) dat er zeker geen schaarste van tin was, en dat men aanneemt dat het metaal in grote hoeveelheden geïmporteerd werd (Moorey 1985, 129). Dit is interessant maar zegt ons weinig over de oorsprong ervan. Mits heel wat teksten aangeven uit welke naburige stad een bepaalde lading tin is aangekocht, kan men stapsgewijs handelsroutes reconstrueren. Hoewel het uiteindelijke oorsprongsgebied van die tin daarom nog niet gekend is, heeft men zo bijvoorbeeld wel kunnen bepalen dat voor Mesopotamië tijdens de Oud-Babylonische periode het meeste tin via Susa in Zuid-Mesopotamië werd verhandeld. Zo kwam tin over land of via de Perzische Golf aan in Susa en werd het voornamelijk over de Eufraat en de Tigris van stad tot stad verder verhandeld over de rest van Mesopotamië (Moorey 1985, 129; Reiter 1999, 167-168). Op dezelfde wijze heeft men vastgesteld dat in de Oud-Assyrische periode tin via Assur tot in Anatolië werd geïmporteerd (Moorey 1985, 129). Deze reconstructies zijn een goede bron van informatie voor de betreffende (relatief korte) periodes en kunnen als synthese een goed overzicht geven van de verschuivingen van handel doorheen de Bronstijd. Tenslotte vermelden enkele teksten ook echt een oorsprongsgebied van tin! Toch kampt men ook hier met moeilijkheden. Enerzijds waren de plaatsen die genoemd worden

6

misschien algemeen bekend bij tijdgenoten van de Bronstijd schrijver, maar kunnen wij ons bij streken als ‘Meluhha’ en ‘Magan’ weinig voorstellen (Moorey 1985, 128). Gelukkig heeft men enkele van die gebieden aan de hand van analytisch en archeologisch onderzoek toch vrij correct kunnen identificeren. Zo weet men nu dat Magan ongeveer overeenkomt met het hedendaags Sultanaat van Oman in het zuidoosten van het Arabisch Schiereiland (Cierny et al. 2003, 23). Anderzijds zijn de oorsprongsgebieden vaak te vaag beschreven om echt bruikbare informatie te leveren. Sumerische teksten hebben het bijvoorbeeld over ‘tinbergen ten oosten van Mesopotamië’, wat nog veel ruimte laat voor interpretatie (Moorey 1985, 128). De voorafgaande paragrafen bevatten slechts enkele voorbeelden maar in het algemeen kan de informatie van spijkerschriftteksten in verband met prijzen, handelsroutes en oorsprongsgebieden van tin gebundeld worden in de volgende conclusie: “[...] the Sumerian and Akkadian sources all seem to focus on Iran, or lands to the east of it, whilst from the middle of the second millennium B.C. the region between the Upper Euphrates and northwest Iran comes to the fore. In the second half of the second millennium B.C., if annaku invariably refers to tin […], the metal is unusually plentiful and correspondingly cheap.” (Moorey 1985, 130). Het onderzoek van oude teksten geeft ons dus al enkele eerste inzichten maar er blijven nog heel wat vragen onbeantwoord. Deze teksten verklaren bijvoorbeeld nog niet hoe Anatolië zo vroeg, volgens sommigen zelfs als eerste plaats in de wereld, aan de productie van tin-brons is begonnen. Zijn er daar misschien dan toch lokale tinmijnen? En wat is de concrete locatie van tinmijnen ‘ten oosten van Mesopotamië’? Liggen die inderdaad in Iran of misschien wel verder, in Afghanistan of zelfs India? En wat verklaart de grote influx aan tin en de bijhorende val in prijzen gedurende het late tweede millennium v.Chr.? Kunnen nieuwe tinmijnen ten noorden van Mesopotamië aan de basis hiervan liggen (Moorey 1985, 130)?

5.2. Geologisch en archeologisch onderzoek Hoewel tekstonderzoek vrij goedkoop is en veel informatie kan bieden, kunnen we niet gewoon hopen op de vondst van een nieuw Bronstijd archief om alle openstaande vragen op te helderen. Daarom helpt geologisch onderzoek gekoppeld aan archeologisch onderzoek al tientallen jaren om de bevindingen van literaire studies te toetsen en om het aantal mogelijke oorsprongsgebieden van tin in te perken (Moorey 1985, 130-131). In deze

7

onderzoeksfase wordt echt op het terrein gezocht naar sporen van tinontginning in de Oudheid.

5.2.1. De voornaamste tinstreken in Afrika-Eurazië Een eerste stap is om al de gebieden waar tinertsen te vinden zijn in kaart te brengen. Deze taak werd al de voorbije eeuwen, en in toenemende mate de voorbije decennia, over de hele wereld uitgevoerd door geologen, vaak in opdracht van de plaatselijke regering. De voornaamste tinvoorraden in Afrika-Eurazië vindt men in Centraal-Afrika in de buurt van de Grote Riftvallei, in Oost-Aziatische landen als Thailand, Myanmar en Maleisië, en in WestEuropese plaatsen zoals Cornwall (Engeland) en het Erzgebirge (Duitsland) (Cathro 2005, 3; Cierny et al. 2003, 23-24; Dayton 1971, 54-58; Dayton 2003, 165-169; Moorey 1985, 131132; Yener 2000, 71-72). Hoewel deze gebieden op een beduidende afstand van het Nabije Oosten liggen, mag men niet zomaar veronderstellen dat het onmogelijk was tin over dergelijke afstanden te vervoeren. Toch zijn er, naast de afstand, verschillende redenen waarom het onwaarschijnlijk is dat tin in de Bronstijd al van deze plaatsen naar het Nabije Oosten werd geëxporteerd. Een eerste aanwijzing is dat tin-bronsproductie in deze tin-centra pas veel later is begonnen dan in het Nabije Oosten, wat onlogisch zou zijn als handelscontacten met het Nabije Oosten onderhouden werden. Voorts dateren ook de eerste archeologische bewijzen van tinontginning in deze gebieden pas van ongeveer halverwege de Bronstijd in het Nabije Oosten. Anderzijds heeft men wel aanwijzingen dat vanaf omstreeks 1000 v.Chr. de Feniciërs tin bekwamen uit Centraal-Afrika (Dayton 2003, 169) en mag het niet uitgesloten worden dat ze toen ook tin verhandelden met West-Europa (Moorey 1985, 132). Mits de Feniciërs de succesvolste handelaars van de Middellandse Zee waren zou het tin zo ongetwijfeld ook het Nabije Oosten hebben bereikt. Dit is echter ná de Bronstijd en dus irrelevant voor onze vraagstelling.

5.2.2. De herontdekking van vergeten tinstreken Mits deze grote, goedgekende tinstreken om de bovengenoemde redenen hoogstwaarschijnlijk niet het herkomstgebied zijn van het tin in het Nabije Oosten in de Bronstijd, moet het afkomstig zijn van minder bekende of zelfs onbekende tinvoorraden. Door de jaren heen werd langzaamaan en vaak per toeval een hele reeks van dergelijke plaatsen

8

ontdekt in onder andere India, Pakistan (Cierny et al. 2003, 24; Reiter 1999, 167), Tsjechië (Dayton 1971, 57-58), Transkaukasië, Turkmenistan (Moorey 1985, 131), Joegoslavië, Cyprus en rond de Egeïsche en de Zwarte Zee (Skarpelis 2003, 159-164; Yener 2000, 72). Omdat deze talrijke ontginningscentra te kleinschalig zijn voor export, maar enkelen toch duidelijk ontgonnen zijn in de Oudheid, concluderen sommige vorsers dat er ook tal van kleine lokale bronsproducenten moeten zijn geweest, naast de grote productiecentra in de steden (Skarpelis 2003, 163; Yener 2000, 75). Er zijn de laatste decennia echter ook een paar grotere ontginningsgebieden ontdekt die de discussie over tin in het Oude Nabij Oosten nieuw leven hebben ingeblazen. In de jaren 1960 heeft men bijvoorbeeld grote tinvoorraden gevonden in de woestijn in Oost-Egypte. Omdat dit zo dicht bij de productiecentra van het Nabije Oosten ligt werd het al snel aanvaard als een groot exportcentrum voor tin in de Bronstijd. Toch is het vreemd dat Egypte dan zelf zo laat begon met bronsproductie en bovendien heeft men tot op heden geen aanwijzingen gevonden dat deze tinafzettingen in de Oudheid ontgonnen werden (Dayton 1971, 54; Moorey 1985, 131). Terwijl Egypte dus aan belang verliest in deze discussie, treedt Afghanistan op de voorgrond. In de jaren 1970 en 1980 werden er twee grote zones van tinmineralisatie ontdekt, men heeft er aanwijzingen voor bronsproductie vanaf ten minste het derde millennium v.Chr., men zou het tin over land via Iran tot in Mesopotamië, de Levant en Anatolië hebben kunnen exporteren én het valt te rijmen met de vage beschrijving in Sumerische teksten van tinbergen ‘ten oosten van Mesopotamië’. Jammer genoeg is verder onderzoek in deze regio sindsdien door oorlogen bemoeilijkt en kan men dus nog geen definitieve conclusies trekken (Cierny et al. 2003, 24; Moorey 1985, 131-132). Casussen die even beloftevol zijn en wél verder bestudeerd kunnen worden zijn de Kestelmijn en het bijhorende mijnbouwdorp Göltepe in Turkije (Yener 2000, 71-76), tincentra in Centraal-Azië (Cierny et al. 2003, 23-31) en de Deh Hosein tin- en kopermijn in West-Iran (Nezafati et al. 2009, 223-236). Hierop gaan we verder in.

5.2.3. De Kestel tinmijn en het mijnbouwdorp Göltepe, Turkije Met de ontdekking in 1985 van grote hoeveelheden tin midden in het Taurusgebergte door het Turkish Geological Research and Survey Institute had men voor het eerst een tinvoorraad gevonden niet op beduidende afstand van, maar midden in één van de

9

oorsprongsgebieden van bronsproductie: Anatolië (Kaart 2). Kort daarop konden archeologen met de vondst van de Vroege Bronstijd Kestelmijn en het bijhorende mijnbouwdorpje Göltepe ook duidelijk bewijzen dat tin hier al in de Oudheid ontgonnen werd (Yener 2000, 71). Vorsers waren en zijn nog steeds vrij kritisch over de implicaties van de vondst en een felle academische dialoog werd gestimuleerd aan de hand van artikels en ‘tegenartikels’ (Muhly 1993, 239-253; Yener 2000, 72). Toch kunnen in mijn opinie al de argumenten van sceptici goed weerlegd worden en mag men ervan uitgaan dat de Taurus gedurende de Vroege Bronstijd, vanaf het late vierde millennium tot het einde van het derde millennium v.Chr., een belangrijk rol speelde in de bevoorrading van tin aan

Anatolië. Na deze periode kon de Kestelmijn door uitputting van zijn rijkste tinschachten niet langer instaan voor voldoende tinbevoorrading en schakelde

men dus in de Oud-Assyrische periode, zoals reeds vermeld in het onderdeel “Studie van oude teksten”, over op de import van tin via Assur (Moorey 1985, 129; Yener 2000, 72-76).
Kaart 2: Ligging van Kestel en Göltepe.

5.2.4. Tinmijnen in Centraal-Azië De Russische archeoloog Litvinskij meldde al in 1950 de aanwezigheid van prehistorische tinmijnen in Centraal-Azië maar zijn bevindingen ontgingen de internationale academische gemeenschap. Pas in de jaren 1990 kwam er een verregaand archeologisch onderzoek, vooral vanwege verschillende Duitse instituten. Bij exhaustieve prospectie werden in Uzbekistan en Tajikistan vier grote Late Bronstijd tinmijncomplexen ontdekt (Kaart 3). In de daaropvolgende studie werden naast de geologische condities ook de mijnbouwtechnieken en de overblijfselen van nederzettingen in de buurt onderzocht. Een belangwekkende bevinding hierbij was dat sommige tinschachten zo nauw zijn dat ze enkel door kinderen ontgonnen konden worden. Ook weet men nu dat de ertsen op zeer primitieve wijze

10

gewonnen werden: vuur werd gebruikt om de rotsen te barsten en vervolgens bewerkte men het oppervlak met ‘hamers’ van lokale kalksteen. Het resulterende gruis werd dan verder verwerkt om zuiver tin te bekomen. Hoewel mijnschachten
Kaart 3: Uzbekistan en Tajikistan.

vele als

van

deze

oude van

gevolg

Sovjetprospectie zwaar beschadigd zijn door bulldozers, heeft men kunnen concluderen

dat de mijnen het werk zijn van de Androvocultuur, dat ontginning omstreeks 2000 v.Chr. moet zijn begonnen en dat er een aanzienlijke surplusproductie was die voor export kon gebruikt worden. Deze periode van tinontginning in Centraal-Azië valt gelijktijdig met het begin van import van tin uit het oosten in Anatolië en met dalende tinprijzen en dus grotere tinimport in Mesopotamië. Daarom achten vorsers het zeer waarschijnlijk dat de surplus aan tin in Centraal-Azië naar het Nabije Oosten werd verhandeld. Toch zal men nog bijkomende (archeometrische) studies moeten doen om dit met zekerheid te kunnen bepalen (Cierny et al. 2003, 23-31).

5.2.5. De Deh Hosein tinmijn, West-Iran Door de geologische omstandigheden in delen van Iran werd al lang vermoed dat er tinmineralisaties waren, maar men had hiervoor geen harde bewijzen (Moorey 1985, 131). Dat veranderde wanneer in 2000 in West-Iran nabij het dorpje Deh Hosein aan de oostelijke rand van het Zagrosgebergte een oude tin- en kopermijn gevonden werd (Kaart 4). Elke ertsdragende zone vertoonde aan het oppervlak duidelijke sporen van bewerking in de Oudheid. De grote stapels ontginningsafval suggereren dat ook ondergronds tin gewonnen werd hoewel deze schachten tegenwoordig met puin gevuld zijn. Typologisch dateren enkele potscherven die daar gevonden zijn omstreeks 1000 v.Chr., maar
14

C-gegevens van een

intermediaire laag in de mijn dateren tot de eerste helft van het tweede millennium v.Chr., wat volgens de archeologen suggereert dat de oudste lagen van ontginning teruggaan tot ten minste het derde millennium v.Chr.! De mijn is dus zeer lang in gebruik geweest en bevat bovendien opmerkelijk hoge concentraties aan tin wat het in aanmerking brengt als oorsprongsgebied van tin in het Oude Nabije Oosten. Om deze hypothese verder te

11

ondersteunen vond men naast tin en koper ook veel arsenicum in de Deh Hosein mijn. Dit is belangrijk omdat een dergelijke combinatie van niet alleen tin en koper maar ook arsenicum typisch is voor Vroege Bronstijd bronzen in Mesopotamië. Vervolgens heeft men Lead Isotope Analysis (LIA) uitgevoerd op de metalen in Deh Hosein en op de beroemde bronzen uit het naburige Luristan en de te resultaten zijn: bleken de

compatibel

loodisotopenverhouding is in beide gevallen gelijkaardig en de metalen kunnen dus dezelfde oorsprong hebben.
Kaart 4: Ligging van Deh Hosein.

Na deze hoopvolle resultaten deed men

gelijkaardige analyses op metalen objecten uit het zuiden van de Perzische Golf, Mesopotamië en West-Turkije en ook daar bekwam men goede resultaten. De onderzoekers besluiten dus dat de Deh Hosein mijn een grote leverancier van tin zou kunnen geweest zijn voor het hele Nabije Oosten en over een tijdspanne van het derde tot het eerste millennium v.Chr.! Toch is LIA nog niet 100% betrouwbaar en zou het bijvoorbeeld kunnen dat de loodisotopenverhouding ook in andere tinmijnen gelijkaardig is aan die van Deh Hosein. Deze gegevens zijn voor andere mijnen echter nog niet beschikbaar dus verder archeometrisch onderzoek is nodig om deze hypothese te kunnen bevestigen. Hoe dan ook komt de ontginningsperiode van deze mijn chronologisch overeen met de Bronstijd, ligt het nabij het gebied van de eerste tin-bronsproductie, rijmt het met tekstuele verwijzingen naar een gebied ‘ten oosten van Mesopotamië’ en komt het woord cassiteriet (het voornaamste tinerts) van het Griekse ‘κασσιτεροζ’ wat kan vertaald worden als “van het land van de Kassieten”, wat zoveel betekent als “van Iran” (Nezafati et al. 2009, 223-236)! Hoewel de ontdekking van een tinmijn in Deh Hosein de discussie over de oorsprong van tin in het Oude Nabije Oosten nog niet afsluit lijkt het dus alvast een belangrijke component te zijn in de oplossing van dit decenniaoude mysterie.

12

5.3. Archeometrisch onderzoek Men heeft dus de voorbije decennia in de buurt van het Nabije Oosten enkele tinstreken gevonden die zouden hebben kunnen instaan voor de bevoorrading van tin in de Bronstijd. De volgende stap is dan om sluitende wetenschappelijke verbanden te leggen tussen de mijnen, hun ertsen en de metalen objecten die ervan zouden zijn gemaakt. Dit probeert men tegenwoordig aan de hand van archeometrische technieken zoals de vergelijking van loodisotopenverhoudingen (Begemann et al. 1999, 277-284; Molofsky et al. 2009, 1-46), tinisotopenverhoudingen (Budd et al. 1999, 285-290) of spoorelementen (Northover et al. 1999, 78-85; Rapp et al. 1999, 153-162) in metalen of ertsen van een gekende mijn met isotopenverhoudingen of spoorelementen in het tin of brons van historische artefacten. Vereenvoudigd weergegeven kan men dan stellen: hoe beter de isotopenverhoudingen of spoorelementen overeenkomen, hoe waarschijnlijker dat het tin uit dat artefact van die mijn afkomstig is. Hoewel deze onderzoekstechnieken nog enkele kinderziektes hebben, hebben ze hun nut al bewezen onder andere in het bovengenoemde geval van Deh Hosein. Naast het bekrachtigen van de betrouwbaarheid van gekende tinstreken als oorsprongsgebied van tin kunnen deze technieken ook helpen om meer specifiek te bepalen wanneer welke tin waar in het Nabije Oosten gebruikt is. Zo kan men dan interessante (verschuivingen in) handelspatronen reconstrueren.

6. Besluit Samengevat kunnen we dus stellen dat men in het Nabije Oosten al vroeg begon met de productie van eerst arsenicum-brons en later, vooral tussen 3300 en 1200 v.Chr., tin-brons. Als een essentieel element in bronsproductie had tin een grote utilitaire waarde maar ook zuiver tin had een eigen, voornamelijk symbolische, waarde. Hoewel het metaal in de Bronstijd dus veel gebruikt werd, waren vorsers het niet eens over de herkomst ervan. In het Nabije Oosten zelf waren immers geen tinmineralisaties gekend. In de hoop dat volkeren in de Bronstijd zelf sporen hadden achtergelaten over de herkomst van hun tin, onderzocht men eerst oude spijkerschriftteksten. Hoewel die heel wat informatie boden over tinprijzen en handelsroutes, bleven veel vragen onbeantwoord. In een volgende stap concentreerde men zich daarom op geologisch en archeologisch terreinonderzoek. Vooral de jongste jaren zijn zo een aantal tinmijnen aan het licht gekomen

13

die uit het collectief geheugen verdwenen waren maar die in de Oudheid waarschijnlijk op grote schaal ontgonnen werden. Vooral de Kestel tinmijn in Turkije, verschillende tinmijnen in Centraal-Azië en de Deh Hosein tinmijn in West-Iran komen in aanmerking als exportgebied voor tin naar het Nabije Oosten in de Bronstijd. De ontdekking van deze sites is ongetwijfeld een belangrijke stap in het onderzoek, maar dit decenniaoude vraagstuk is zeker nog niet volledig opgelost. Het is zeer waarschijnlijk dat men in de toekomst nog oude tinmijnen zal vinden, bijvoorbeeld in Afghanistan of misschien zelfs in totaal onverwachte gebieden. Ook de integratie van archeometrische methoden zou een belangrijke meerwaarde bieden aan toekomstig onderzoek, en mits perfectionering van de technieken zou het de huidige hypotheses verder kunnen staven. Hopelijk bekomt men zo een steeds overzichtelijker beeld van de zeer diverse en evoluerende vormen van tinproductie en -bevoorrading in de Bronstijd van het Nabije Oosten. Zoals Yener zegt: “It would not be surprising to find [...] a mosaic of interregional connections and commercial sophistication during this highly entrepreneurial period.” (Yener 2000, 75).

7. Bibliografie

Begemann F., Kallas K., Schmitt-Strecker S., Pernicka E., 1999. Tracing ancient tin via isotope analyses, in: Hauptmann A., Pernicka E., Rehren T., Yalçin Ü., (eds.), The Beginnings of Metallurgy: Proceedings of the International Conference "The Beginnings of Metallurgy", Bochum 1995, Bochum: Deutschen Bergbau-Museums Bochum, 277-284. Budd P., McGill R.A.R., Young S.M.M., Halliday A.N., Haggerty R., Scaife B., Pollar A.M., 1999. Isotope studies of experimental and historic bronzes, in: Hauptmann A., Pernicka E., Rehren T., Yalçin Ü., (eds.), The Beginnings of Metallurgy: Proceedings of the International Conference "The Beginnings of Metallurgy", Bochum 1995, Bochum: Deutschen Bergbau-Museums Bochum, 285-290. Cathro R.J., 2005. Tin Deposits and the Early History of Bronze, CIM Magazine 98/1088, 15.

14

Cierny J., Weisgerber G., 2003. Bronze Age Tin Mines in Central Asia, in: Giumlia-Mair A., Lo Schiavo F., (eds.), Le problème de l’étain à l'origine de la métallurgie / The Problem of Early Tin, BAR International Series 1199, Oxford: Archaeopress, 23-31. Dayton J.E., 1971. The problem of tin in the Ancient World, World Archaeology 3/1, 49-70. Dayton J.E., 2003. The problem of tin in the Ancient World (Part 2*), in: Giumlia-Mair A., Lo Schiavo F., (eds.), Le problème de l’étain à l'origine de la métallurgie / The Problem of Early Tin, BAR International Series 1199, Oxford: Archaeopress, 165-170. Gillis C., 1999. The Economic Value and Colour Symbolism of Tin, in: Young S.M.M., Pollard A.M., Budd P., Ixer R.A., (eds.), Metals in Antiquity, BAR International Series 792, Oxford: Archaeopress, 140-145. Lechtman H., 1996. Arsenic Bronze: Dirty Copper or Chosen Alloy? A View from the Americas, Journal of Field Archaeology 23/4, 477-514. Molofsky L.J., Killick D., Chesley J.T., Ruiz J., Thibodeau A., 2009. A Novel Approach to Lead Isotope Provenance Studies of Tin and Bronze, Tucson (Geen Uitgever). Moorey P.R.S., 1985. Materials and Manufacture in Ancient Mesopotamia: The evidence of Archaeology and Art, BAR International Series 237, Oxford (Geen Uitgever), 128132. Muhly J.D., 1993. Early Bronze Age Tin and the Taurus, American Journal of Archaeology 97/2, 239-253. Nezafati N., Pernicka E., Momenzadeh M., 2009. Deh Hosein; an ancient tin-coper mine in western Iran, Annual Journal of Archaeology, The Turkish Academy of Sciences (TBAAR) 12, 223-236. Northover J.P., 1989. Properties and Use of Arsenic-Copper Alloys, in: Hauptmann A., Pernicka E., Wagner, G.A., (eds.), Old World Archaeometallurgy. Proceedings of the International Symposium "Old World Archaeometallurgy", Heidelberg 1987, Bochum: Deutschen Bergbau-Museums Bochum, 111-117. Northover J.P., Gillis C., 1999. Questions in the Analysis of Ancient Tin, in: Young S.M.M., Pollard A.M., Budd P., Ixer R.A., (eds.), Metals in Antiquity, BAR International Series 792, Oxford: Archaeopress, 78-85. Rapp G., Rothe R., Jing Z., 1999. Using Neutron Activation Analysis to Source Ancient Tin (Cassiterite), in: Young S.M.M., Pollard A.M., Budd P., Ixer R.A., (eds.), Metals in Antiquity, BAR International Series 792, Oxford: Archaeopress, 153-162. Reiter K., 1999. Metals and metallurgy in the Old Babylonian period, in: Hauptmann A., Pernicka E., Rehren T., Yalçin Ü., (eds.), The Beginnings of Metallurgy: Proceedings 15

of the International Conference "The Beginnings of Metallurgy", Bochum 1995, Bochum: Deutschen Bergbau-Museums Bochum, 167-171. Skarpelis N., 2003. Ancient Potential Tin Sources in the Aegean, in: Giumlia-Mair A., Lo Schiavo F., (eds.), Le problème de l’étain à l'origine de la métallurgie / The Problem of Early Tin, BAR International Series 1199, Oxford: Archaeopress, 159-164. Yener K.A., 2000. The domestication of metals: the rise of complex metal industries in Anatolia, Leiden: Koninklijke Brill NV.

8. Herkomst illustraties

Kaart 1 in: “Absolute Location in Middle East/North Africa”, Geraadpleegd 8 januari 2010 op http://www.powayusd.com/teachers/kfarrer/Geography/Islam/absolute_location_in_mi ddle_east.htm. Figuur 1 in: Northover 1989, 113, Fig. 13.3. Kaart 2 in: “Dawn of the Bronze Age: two doabs, Tigris-Euphrates, Sarasvati-Sindhu”, Geraadpleegd 8 januari 2010 op http://www.hindunet.org/hindu_history/sarasvati/html/bronzeage1.htm. Kaart 3 in: “Uzbekistan Tajikistan Locator”, Geraadpleegd 8 januari 2010 op http://en.wikipedia.org/wiki/File:Uzbekistan_Tajikistan_Locator.png. Kaart 4 in: “Ancient Tin: Old Question & A New Answer”, Geraadpleegd 8 januari 2010 op http://www.cais-soas.com/CAIS/Science/tin.htm.

16

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful