Samenvatting

“Modellen”
Hoofdstuk 1

Ath. 5

Produceren is het voortbrengen van goederen en diensten met als doel het verwerven van een inkomen (door de verkoop van deze producten). Productie die geen inkomen oplevert is geen productie in economische zin. Om te produceren zijn productiefactoren nodig: arbeid, natuur, kapitaal, ondernemers-activiteit. Als deze productiefactoren worden ingeschakeld bij de productie ontvangen ze daar een inkomen voor: loon, rente, huur, pacht of winst. De som van al deze verdiende (primaire) inkomens is het Nationaal Inkomen. Per definitie is dit in waarde altijd gelijk aan het Nationaal Product. Het Nationaal Product wordt gemeten via de methode van de toegevoegde waarde: Toegevoegde waarde = Omzet – inkopen (grondstoffen, diensten van derden, etc.). Als er in de economie sprake is van een crisis gaat het in principe steeds om een daling van het Nationaal Product. Een crisis kan zijn oorzaak vinden in de aanbodzijde van de economie (= structurele oorzaak, lange termijn) of in de vraagzijde van de economie (= conjuncturele oorzaak, korte termijn). In deze lesbrief gaan we voornamelijk op conjuncturele verbanden in via allerlei modellen die de economische werkelijkheid enigszins moeten weergeven. Centraal staat hierbij het begrip Effectieve Vraag (EV). De effectieve vraag = de vraag naar goederen en diensten die beslag legt op de binnenlandse productiecapaciteit. De EV wordt ook wel vaker de omvang van de bestedingen genoemd. EV = C + I + O + E – M C = De vraag van gezinnen naar consumptiegoederen*. I = De vraag van bedrijven naar investeringsgoederen (kapitaalgoederen). O = De vraag van de overheid naar cons/invest,. goederen (de overheidsbestedingen). E = De vraag van het buitenland naar onze goederen (de export). M = De vraag naar buitenlandse goederen (de import). (*goederen zijn steeds goederen en diensten). De EV schommelt rond de normale productie, soms wat meer, soms wat minder. De normale productie bedraagt ongeveer 85% van de productiecapaciteit (bezettingsgraad is dan 85%). Er worden dan ook drie conjuncturele situaties onderscheiden: • Onderbesteding: EV < normale productie (kenmerk: conjuncturele werkloosheid). • Overbesteding: EV > normale productie (kenmerk: bestedingsinflatie). • Bestedingsevenwicht: EV = normale productie. geldeenheden EV normale productie prod.cap.

Tijd

Er is pas sprake van economische groei als het reële Nationaal Product (per hoofd) toeneemt, dus als de koopkracht stijgt. De getekende conjunctuurcyclus vertoont grofweg het volgende verloop: • Conjunctureel herstel: EV gaat stijgen (komend vanuit een dal). • Hoogconjunctuur: EV blijft alsmaar verder stijgen. • Overbesteding: EV stijgt boven de normale productie uit à bestedingsinflatie. • Recessie: Groei EV neemt af en wordt zelfs negatief. • Depressie (crisis, laagconjunctuur): EV daalt en bereikt dieptepunt à conjuncturele werkloosheid. Tijdens een depressie treden er vaak prijsdalingen op, waardoor de concurrentiepositie verbetert en de EV weer aantrekt, waarna een nieuwe cyclus begint met conjunctureel herstel, etc. Naast de EV is natuurlijk ook de productiecapaciteit bepalend voor de economische groeimogelijkheden. De productiefactor die het minst aanwezig is, bepaalt in feite hoeveel er maximaal geproduceerd kan worden in een land. In deze lesbrief gaan we er van uit dat steeds arbeid of kapitaal de knelpuntfactor vormt, dus dat er geen gebrek is aan natuur of ondernemers-activiteit (hoewel dat niet erg realistisch is, gezien de huidige uitputting van veel natuurlijke hulpbronnen). De productiecapaciteit wordt bepaald door de kwaliteit x de kwantiteit van de productiefactoren ( = productiviteit x hoeveelheid).

Hoofdstuk 2
Er zijn twee hoofdstromingen in de economie die wij uitgebreid behandelen en die op allerlei gebieden terug te vinden zijn: a) De klassieke theorie. b) De theorie van Keynes. a) De klassieke theorie: Deze is gebaseerd op het liberalisme: laat elk individu zijn eigen belangen nastreven, dan wordt de totale welvaart het hoogste. De overheid moet zich met derhalve niet met de economie bemoeien, dat zal alleen maar verstorend werken. Centraal staat het prijsmechanisme (marktmechanisme) dat er via prijsveranderingen voor zorgt dat vraag en aanbod altijd aan elkaar gelijk worden (teveel vraag à prijs stijgt à vraag daalt weer tot het gewenste niveau, etc.). Er ontstaat dus altijd een marktevenwicht volgens de klassieken (zie grafiek). Prijs Aanbod

Vraag Hoeveelheid Een economische crisis ontstaat in dit denkbeeld alleen als de markt verstoord wordt doordat er bijvoorbeeld misbruik wordt gemaakt van scheve machtsverhoudingen

(overheid, vakbonden, samenwerkende ondernemingen of monopolisten, etc). De markt functioneert dan niet meer goed met als gevolg een crisis. Dit geldt niet alleen voor goederenmarkten, maar ook voor bijvoorbeeld de arbeidsmarkt of de vermogensmarkt. Klassieken denken vanuit individuen, dus micro-economisch. Tevens staat het aanbod (= structuur) centraal. b) De theorie van Keynes: Deze theorie –die zijn oorsprong vindt rond 1935- gaat er van uit dat er toch een crisis kan ontstaan die niet “vanzelf” door het prijsmechanisme wordt opgelost. De oplossing zal dan juist door de overheid moeten worden gevonden door wel in te grijpen in de economie. Keynes kwam tot deze theorie doordat de grote crisis in Amerika die in 1929 begon na enkele jaren van klassiek economisch beleid alleen maar erger was geworden. Door de crisis steeg de werkloosheid en hierdoor daalden de lonen. Door deze lagere lonen konden mensen steeds minder kopen à EV daalde à productie daalde à werkloosheid steeg verder, etc…. Deze negatieve spiraal kon alleen doorbroken worden als de overheid de EV zou gaan stimuleren via het anticyclische begrotingsbeleid: Te weinig EV, dan belastingen omlaag en overheidsbestedingen omhoog. Andersom bij te veel EV. Keynesianen denken vanuit grotere gehelen, dus macro-economisch. Tevens staat de vraag (= conjunctuur, bestedingen) centraal.

Hoofdstuk 3
Het grootste deel van deze lesbrief gaat over de keynesiaanse theorie die in modelvorm wordt weergegeven. Een model is niets anders dan een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid. Modellen worden binnen de economische wetenschap vaak gebruikt om de werkelijkheid te analyseren, voorspellingen op te baseren en beleidsalternatieven af te wegen. Het model dat wij bespreken in deze lesbrief is een macro-economisch conjunctuurmodel, gebaseerd op de ideeën van Keynes, waarin de EV centraal staat. Omdat het een korte termijn-model is, wordt de productiecapaciteit constant verondersteld. De opbouw is dat er eerst alleen van gezinnen en bedrijven wordt uitgegaan en daarna worden pas overheid en buitenland toegevoegd. Gesloten economie zonder overheid Gezinnen schakelen hun productiefactoren in bij de productie in bedrijven, bedrijven betalen de gezinnen hun inkomen en met dit inkomen kopen de gezinnen de producten van de bedrijven. Een deel wordt gespaard en dat kunnen bedrijven dan weer lenen om te investeren. Bij het conjunctuurmodel gaan we alleen uit van netto-investeringen: investeringen die de productiecapaciteit vergroten. Toch hebben deze investeringen in het conjunctuurmodel geen capaciteitseffect, omdat het een korte termijn-model is, d.w.z. dat de productiecapaciteit constant blijft, de vergroting van de kapitaalgoederenvoorraad komt pas in een volgende periode tot stand. De investeringen hebben wel een bestedingseffect: ze vergroten de EV. • Gezinnen besteden een deel van hun inkomen aan consumptiegoederen en er is meestal ook een deel dat onafhankelijk is van het inkomen: de eerste levensbehoeften. Daardoor ziet de consumptiefunctie er meestal als volgt uit: C = cY + Co

waarbij C = Consumptie van gezinnen c = Marginale consumptiequote Y = Nationaal Inkomen Co= Autonome Consumptie (autonoom betekent onafhankelijk binnen het model) . • De investeringen zijn in de praktijk o.a. afhankelijk van winstverwachtingen, bezettingsgraad, rentestand, etc. In eerste instantie worden ze in dit model autonoom verondersteld, zodat de investeringsfunctie luidt: I = Io waarbij I = Investeringen van particuliere bedrijven Io= Autonome investeringen EV = C + I à deze vraag leidt tot productie (W) à productie leidt tot inkomen (Y).

De investeringen worden gefinancierd uit de besparingen (S). Als er meer gespaard wordt dan vooraf werd ingeschat, zullen bedrijven met voorraden blijven zitten (= voorraadinvesteringen), waardoor achteraf toch altijd geldt dat I = S. Dit proces zal net zolang doorgaan totdat EV en W precies op elkaar zijn afgestemd en er geen gedwongen voorraadvorming meer plaatsvindt à dan ontstaat er inkomensevenwicht. We gaan er van uit dat deze situatie zich steeds zal voordoen. In de lesbrief wordt in het begin van hoofdstuk 3 vrij lang stilgestaan bij het feit dat de achteraf gedane investeringen (I ex post) niet altijd gelijk hoeven te zijn aan de vooraf verwachte investeringen (I ex ante). Dit speelt echter verder in deze hele lesbrief geen enkele rol meer, omdat er toch van uit wordt gegaan dat er steeds evenwicht gaat ontstaan (in alle verdere opgaven en ook op het examen…). Daarom wordt er in deze samenvatting ook niet verder op in gegaan. Let op dat inkomensevenwicht niet hetzelfde is als bestedingsevenwicht! Alle vergelijkingen bij elkaar leveren het standaard conjunctuurmodel voor een gesloten economie zonder overheid op (zie blz …?). De hoogte van het inkomensevenwicht kan daarna gevonden worden door alle bekende getallen in te vullen uitgaande van de evenwichtsvergelijking W = EV (of soms S = I). De spaarfunctie kan hier trouwens gevonden worden door uit te gaan van S = Y – C. Let ook op het verschil tussen de gemiddelde consumptiequote (C/Y) en de marginale consumptiequote (∆C/∆Y). Een van de economische verschijnselen die met een model heel goed te verklaren is, is de werking van de multiplier (inkomensvermenigvuldiger). In de praktijk blijkt dat een eenmalige extra besteding van bijvoorbeeld 10 miljard uiteindelijk leidt tot een verhoging van het nationaal inkomen met (veel) meer dan 10 miljard. In modelvorm is dit eenvoudig te begrijpen: S stijgt Bijv. Io stijgt à I stijgt à EV stijgt à W stijgt à Y stijgt à C stijgt enzovoorts……

Vanaf het gesloten hokje treedt het multipliereffect op en gaat de stijging van Y groter worden dan de oorspronkelijke bestedingsimpuls. Doordat er elke keer ook een deel van het extra inkomen gespaard wordt, zal de toename van Y steeds kleiner worden en uiteindelijk tot 0 naderen, tenminste als er sprake is van een eenmalige impuls. Je hoeft de multiplier niet zelf uit een model te kunnen berekenen, maar je moet hem wel met behulp van de evenwichtsvergelijking kunnen toepassen (zie ook later…). Hoewel in het keynesiaanse model de vraagzijde centraal staat, is er natuurlijk ook een aanbodzijde. Deze aanbodzijde bepaalt de productiecapaciteit van een economie, afhankelijk van de productiviteit en de aanwezige hoeveelheid van de productiefactoren arbeid en kapitaal (zoals eerder opgemerkt blijven de andere twee productiefactoren buiten beschouwing). Indien er sprake is van arbeidsschaarste bepaalt arbeid de productiecapaciteit (Y* = Aa x a). Hierbij staat Aa voor het aanbod van arbeid (de beroepsbevolking) en a voor de arbeidsproductiviteit. De andere mogelijkheid is dat er sprake is van kapitaalschaarste. Hierbij wordt de productiecapaciteit bepaalt door Y* = Ka x k, waarbij Ka staat voor het aanbod van kapitaal (de kapitaalgoederenvoorraad) en k voor de kapitaalproductiviteit. In dit geval is er altijd sprake van structurele werkloosheid, omdat het aanbod van arbeid te groot is voor de huidige productiecapaciteit. Door de EV te vergelijken met Y* kun je zien of er sprake is van bestedingsevenwicht of niet. Meestal zal dit niet het geval zijn, maar zal er sprake zijn van onder- of overbesteding, waarna er via verschillende voorstellen bestedingsevenwicht moet worden bereikt. Vaak moet je hierbij de multiplier gebruiken om de effecten op Y (en dus EV) snel te bepalen. Ook kun je met behulp van het model de eventuele werkloosheid uitrekenen en splitsen in conjuncturele en structurele werkloosheid. Centraal hierbij staat de formule Av = Y/a, waarbij Av = de vraag naar arbeid is. Structurele werkloosheid = Aa – Av* Conjuncturele werkloosheid = Av* - Av Structurele werkloosheid ontstaat doordat er zelfs bij volledige benutting van de huidige productiecapaciteit niet genoeg vraag naar arbeid is om de hele beroepsbevolking in te schakelen. Conjuncturele werkloosheid ontstaat bij onderbesteding (EV < Y*); er zijn wel arbeidsplaatsen, maar die worden niet opgevuld omdat de EV te laag is.

Hoofdstuk 4
De gesloten economie met overheid Door de overheid bij het conjunctuurmodel te betrekken komen er twee variabelen bij die ook in andere functies terug te vinden zijn: De overheidsbestedingen (O) en de belastingen (B).

•De overheidsbestedingen bestaan uit overheidsconsumptie en overheidsinvesteringen. Omdat deze zaken vaak via de begroting vastgelegd worden, worden ze meestal autonoom verondersteld in het model: O = Oo Door de introductie van de overheidsbestedingen verandert ook de EV: EV = C + I + O • De belastingen worden meestal voor het grootste deel afhankelijk van het nationaal inkomen (= endogeen) verondersteld en voor een deel exogeen (autonoom), waardoor de belastingfunctie er als volgt uit komt te zien: B = bY + Bo waarbij B = totale belastinginkomsten overheid b = marginale belastingquote (= ∆B/∆Y) Bo = Autonome belastingen Doordat gezinnen nu ook belasting moeten gaan betalen, verandert de consumptiefunctie in: C = c(Y-B) + Co waarbij (Y – B) het besteedbaar inkomen voorstelt, soms ook met Yb weergegeven. Het model is nu dus iets ingewikkelder geworden en ook is er een multiplier bijgekomen, nl. een negatieve multiplier voor de autonome belastingen. Die van de autonome overheidsbestedingen is hetzelfde als van de autonome consumptie/investeringen, althans in het standaardmodel. Daarnaast zal er een extra “lek” ontstaan bij de multiplierwerking, omdat de stijging van Y voor een deel naar (een stijging van) de belastingen zal gaan. Hierdoor daalt de (absolute) waarde van de multiplier. Naast de normale evenwichtsoplossing (EV = W), kun je nu ook weer de andere evenwichtsvergelijking tegenkomen: S+B=I+O Deze wordt ook wel vaker omgebouwd tot: (S – I) + (B – O) = 0 waarbij (S – I) het particuliere spaarsaldo wordt genoemd en (B – O) het overheidssaldo (of begrotingssaldo). Samen vormen deze twee saldi het nationaal spaarsaldo dat per definitie gelijk is aan het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans. Omdat het buitenland nog niet in het model opgenomen is, geldt dat het hier 0 moet zijn. Door de overheid te introduceren kunnen allerlei beleidsalternatieven worden doorgerekend in opgaven. Zo kan de overheid haar bestedingen verhogen/belastingen verlagen om onderbesteding om te buigen in

bestedingsevenwicht en omgekeerd bij overbesteding (= anticyclische begrotingsbeleid). Let er goed op dat hierbij in-of uitverdieneffecten optreden: bijv. als de overheid haar bestedingen verhoogt, zal daardoor het nationaal inkomen stijgen, waardoor de belastinginkomsten toenemen en het overheidstekort minder zal stijgen dan verwacht.

Hoofdstuk 5
De open economie met overheid Als laatste wordt nu de sector buitenland aan het model toegevoegd. Hierdoor komen er een export- en een importvergelijking bij. • Export. Deze wordt meestal bepaald door factoren die niet door het land zelf beïnvloed kunnen worden, zoals de omvang van de wereldhandel, vandaar dat de export vaak autonoom wordt verondersteld: E = Eo • Import. Deze wordt voornamelijk bepaald door het eigen nationaal inkomen, omdat als er meer verdiend wordt er ook meer gekocht wordt in het buitenland en omdat er voor meer productie ook meer grondstoffen geïmporteerd moeten worden: M = mY waarbij m = marginale consumptiequote (= ∆M/∆Y)

Hierdoor verandert EV in: EV = C + I + O + E – M waardoor ook de multiplier verandert en er nog een extra lek bijkomt, namelijk een importlek: als Y stijgt door impuls stijgt nu ook de import, waardoor de multiplier weer wat lager zal worden. Er zijn dus 3 lekken: spaarlek, belastinglek en importlek in een open economie met overheid. Daarnaast wordt –naast W = EV- de andere evenwichtsvergelijking: S+B+M=I+O+E oftewel (S – I) + (B – O) + (M – E) = 0 oftewel (S – I) + (B – O) = (E – M)

waaruit blijkt dat het nationaal spaarsaldo gelijk moet zijn aan het saldo op de lopende rekening. Het stukje over de betalingsbalans wordt in een latere lesbrief nog uitgebreid behandeld, dus dat wordt hier niet opgenomen. Tenslotte: • Oefen bij opgaven over modellen vooral even goed hoe je de multiplier toepast! (dus hoe je hem uit de evenwichtsoplossing kan bepalen of berekenen en vervolgens kunt gebruiken). • Als er bij een opgave gevraagd wordt: leg uit hoe in dit model een stijging van A kan leiden tot een stijging/daling van B, moet je gewoon het model erbij nemen en steeds rechts in een vergelijking iets veranderen à daardoor verandert er links van het =teken ook iets, dat vul je ergens anders weer rechts in etc, totdat je bij het eind bent van hetgeen je moet aantonen. Niet duidelijk? Vragen! Zie ook Tips & Trucs!

Hoofdstuk 6
Omdat deze modellen opgebouwd zijn uit variabelen die allemaal met elkaar samenhangen, is er grafisch een prima kringloopschema van te maken, waarin voor elke sector de in- en uitgaande geldstromen te zien zijn. Hoe meer er in het model is opgenomen, des te uitgebreider zal de kringloop zijn. Er is een verschil tussen het Netto Nationaal Product en het Bruto Nationaal Product. Dat verschil wordt veroorzaakt doordat in het NNP alleen de netto-investeringen zijn opgenomen en in het BNP de bruto-investeringen (zie onderstaand schema). Voorraadinvesteringen Netto-investeringen Bruto-investeringen (alle investeringen) Uitbreidingsinvesteringen Vervangingsinvesteringen

Netto-investeringen vergroten de kapitaalgoederenvoorraad (en dus de productiecapaciteit in geval van kapitaalschaarste). Vervangingsinvesteringen houden de kapitaalgoederenvoorraad op hetzelfde niveau. Bij al deze kringlopen zitten links en rechts de nodige veronderstellingen die meestal bedoeld zijn om ze overzichtelijk te houden. Helaas kloppen ze daarom niet altijd even goed met de werkelijkheid. Behalve het verschil tussen bruto/netto nationaal product is er ook nog het verschil tussen nationaal inkomen tegen factorkosten of tegen marktprijzen. Tegen factorkosten (=kosten van de productiefactoren) zijn alle primaire inkomens opgeteld. De overheid heeft zich er dan nog niet mee bemoeid. Daarna worden sommige producten goedkoper gemaakt via subsidies en andere duurder via indirecte belastingen en krijg je het nationaal inkomen tegen marktprijzen (waarvoor de producten dus verkocht worden). Dus: Nationaal inkomen tegen factorkosten + Indirecte (kostprijsverhogende) belastingen - Prijsverlagende subsidies

= Nationaal inkomen tegen marktprijzen Tenslotte bestaat er nog verschil tussen het binnenlands inkomen en het nationaal inkomen. Het binnenlands inkomen is de waarde van alle verdiende inkomens binnen onze landsgrenzen (ongeacht of het door Nederlanders is verdiend of niet). Het nationaal inkomen is de waarde van alle verdiende inkomens door Nederlanders, ongeacht waar dat verdiend is. Dus: Binnenlands inkomen + Inkomen Nederlanders uit buitenland - Inkomen buitenlanders in Nederland = Nationaal inkomen

Heel beknopt kan een economie worden weergegeven met behulp van de staat van middelen en bestedingen, waarbij de middelen aangeven hoe een land aan producten komt en de bestedingen wie ze vervolgens gekocht heeft: Middelen Bestedingen Netto Nationaal Product (Inkomen)Y Particuliere Consumptie C I Import M + Particuliere Investeringen Overheidsbestedingen O+ = Nationale Bestedingen Export E + = Totale Middelen = Totale Bestedingen (Hieruit is ook weer het Nationaal Spaarsaldo af te leiden, nl Nationaal Inkomen – Nationale Bestedingen, dus Y – (C + I + O) Dat is dus hetzelfde als (S-I) + (B-O) = (E-M)

Hoofdstuk 7
Het is voor een economie van belang om te weten hoe het totaal verdiende inkomen (het Nationaal Inkomen) verdeeld is over de verschillende categorieën productiefactoren ( = de categoriale inkomensverdeling). De productiefactoren zijn – zoals hopelijk inmiddels bekend- arbeid, kapitaal, natuur, ondernemerschap. Als de ene productiefactor een groter deel van het Nationaal Inkomen krijgt, blijft er voor de overige productiefactoren een kleiner deel over, met alle mogeljke gevolgen van dien. Absoluut kunnen in principe alle inkomens tegelijk groeien, maar relatief kan het totaal natuurlijk slechts 100% zijn en blijven! Normaal gesproken worden de inkomens uit arbeid (lonen) tegenover de inkomens uit bezit gesteld (rente, huur, pacht, winst). Bij de arbeidsinkomens worden niet alleen de lonen geteld, maar ook het zogenaamde “toegerekend loon zelfstandigen” (TLZ). Dit laatste is een soort geschat loon voor het feit dat de meeste zelfstandigen in hun eigen bedrijf arbeid verrichten en een deel van de behaalde winst dus eigenlijk een soort vergoeding voor die arbeid is, dus loon. Daarom bestaan de arbeidsinkomens dan ook uit “lonen + TLZ” en de overige inkomens (ook wel vermogensinkomens genoemd) uit rente, huur, pacht en winst (- TLZ!).

Het aandeel van de productiefactor arbeid in het Nationaal Inkomen wordt dan berekend via de Arbeidsinkomens (= lonen + TLZ) arbeidsinkomensquote (aiq) = ---------------------------------------------- x 100% Nationaal Inkomen Het resterende deel is dan automatisch voor de overige productiefactoren. De aiq is vooral een belangrijk getal voor werkgevers- en vakbonden. Elk wil natuurlijk een zo groot mogelijk deel van het Nationaal Inkomen voor zichzelf. Als de aiq teveel stijgt gaat dat in de praktijk meestal ten koste van de winstgevendheid van bedrijven. Rente, huur en pacht zijn over het algemeen redelijk stabiele percentages, dus een stijging van de aiq tast rechtstreeks het winst% aan. Doordat arbeid dan relatief duurder is geworden, gaan ondernemers arbeidsvervangende investeringen (diepte-investeringen) doen, waardoor de werkloosheid op kan lopen. De aiq stijgt pas als de reële loonkostenstijging groter is dan de arbeidsproductiviteitsstijging!!! Pas dan wordt een arbeider per stuk echt duurder voor een bedrijf. Dat zit als volgt: Als de prijzen stijgen (inflatie), krijgen de ondernemers ook meer geld binnen van hun klanten, dus kunnen de lonen ook rustig met het inflatiepercentage meestijgen, zonder dat daardoor het aandeel van de lonen in de totale productiewaarde stijgt. Pas als de lonen sterker stijgen dan de inflatie kan er een probleem ontstaan, maar ook dan hoeft dat nog niet zo te zijn. Als namelijk de arbeidsproductiviteit meestijgt met de reële lonen blijven de reële loonkosten per stuk even hoog voor de ondernemers en blijft de aiq wederom gelijk. Dus de aiq stijgt pas als…. (zie boven…).

EINDE

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful