You are on page 1of 8

Leerwijzer voor Tentamen

Deze leerwijzer geeft in het kort de theorie en zijn context weer inclusief waar er informatie te vinden is over dat onderwerp.

Vooraf:

Hoofdstuk 1 van Toegepaste stromingsleer is een aanbevolen middel om de voorkennis weer even op te halen. Evenals Hoofdstuk 6.1 Fludumdebiet

1 Wat is druk:
Druk (in een punt) is gedefinieerd als:
p= F A

En dat komt overeen met:


p= aantal deeltjes V

En
p= E V

nadere info staat uitgelegd in: Presentatie Druk sheet 1, 2, 3, 6 Toegepaste Stromingsleer: 1.2, 1.8 Eenvoudige Stromingsleer: paragraaf 4.2 Voorbeeld opgaven: Een cylinder met een diameter van 5 cm voert een kracht van 100N op een bak met vloeistof, wat is de druk? De betreffende bak heeft een vloeistofinhoud van 0,06m3. Welke potentiele energie zit opgeslagen in de vloeistof? Oefen opgaven: Toegepaste stromingsleer: 1.35 t/m 1.46

2 Er zijn 3 soorten druk:


Statische druk (pstat); hydrostatische druk (phydro); dynamische druk (pdyn) Samen vormen ze de totale druk ptot
2.1

Statische druk (pstat):

Bijvoorbeeld de druk in een ruimte. Deze druk is onafhankelijk van de snelheid van het fludum. De statische druk is een gevolg van het aantal deeltjes dat aanwezig is in een ruimte en de grote van deze deeltjes. De statische druk in een fluidum kan o.a. veranderen door de in 2.2 en 2.3 beschreven drukken. Bij het vak Thermodinamica leer je ook andere factoren waar de statische druk van afhangt. De statische druk kan worden weergegeven in een absolute of relatieve druk. Nadere info staat uitgelegd in:

Powerpoint Druk sheet 5, 7, 8 Toegepaste stromingsleer: 3.1

Voorbeeldopgave: Geef de relatieve druk van 115 kPa aan als een absolute druk. De plaatselijke atmosferische druk is 98 kPa. Oefenopgaven: Vraagstukken document opgaven drukken.doc statische druk 1-5 Toegepaste stromingsleer: 3.1 t/m 3.13
2.2

Hydrostatische druk (phydro):

De druk die afhankelijk is van de hoogte: phydro= g h Nadere info staat uitgelegd in: Powerpoint Druk sheet 9, 10, 13-16 Toegepaste stromingsleer: 3.2 (3.3 ter achtergrond info) Eenvoudige stromingsleer: paragraaf 4,1; 4,2 Voorbeeldopgave: Soms zie je ze nog wel eens, Watertorens. De gemeente gebruikt ze om de waterdruk constant te houden. De watertoren in de figuur heeft een wat bijzondere vorm. De binnenkant is te beschouwen als een kegel met een afgestompte punt A. De diameter van A is 2,2 meter. De diameter van C is 5,7 meter. De hoogte van de kegel (B) is 4,6 meter. Het opslagvat staat op een mast van 20 meter. Waar een waterleiding met een diameter van 0,4 meter doorheen loopt. Bereken de druk onderaan de toren. Oefenopgaven: Vraagstukken document opgaven drukken.doc hydrostatische druk 1-4 Toegepaste stromingsleer: 3.24 t/m 3.82
2.3

C B A

Dynamische druk (pdyn):


2

De druk die afhankelijk is van de snelheid van het medium: pdyn= 1

v2
1

De dynamische druk werkt alleen in de richting van de stroming en wordt veroorzaakt doordat het ene deeltje tegen het volgende deeltje aandrukt. Wand met gaatje 2 In punt 1 is er wel een dynamische druk te meten, in punt 2 is die druk niet van invloed.

Nadere info staat uitgelegd in: Presentatie Druk sheet 25 en 26 Toegepaste stromingsleer: geen Eenvoudige stromingsleer: 4.1; 4.2 Voorbeeldopgave: Op het dak van menzis in Enschede staat een groot reclamebord. Deze draait door de wind. De deeltjes in de wind drukken tegen het bord. Welke druk veroorzaakt de wind op het gedeelte waar de M staat t.o.v. de druk veroorzaakt door de wind op het gedeelte waar de S staat? Antw: die is overal gelijk. Het oppervlak met de S is groter dan die met de M. Wat is nu te zeggen over de kracht die werkt op beide gedeeltes? Antw: De kracht is bij oppervlak S groter Oefenopgaven: Vraagstukken opgaven drukken.doc dynamische druk 1-6
2.4

Totale druk (ptot)

De totale druk is de som van alle heersende drukken in dat punt. ptot=pstat+phydro+pdyn Deze informatie staat uitgelegd in: Powerpoint Druk sheet 27 Boek: geen Oefenopgave: Vraagstuk opgaven drukken.doc totale druk 1

3 Energiebehoud
Energie gaat nooit verloren: de totale energie in punt 1 is gelijk aan de totale energie in punt 2. Dit met de voorwaarde dat de deeltjes door punt 2 ook door punt 1 zijn gegaan. Etot,1=Etot,2 Ook wel Edruk,1+Epot,1+Ekin,1+Eextern,in = Edruk,2+Epot,2+Ekin,2+Eextern,uit Dit is met p=E/V (hoofdstuk 1) en de externe energie weg gelaten, om te schrijven tot pstat,1+phydro,1+pdyn,1= pstat,2+phydro,2+pdyn,2 Gebruik deze wet o.a. bij berekeningen waar de ene vorm van energie wordt omgezet in een andere vorm. Bijvoorbeeld hoogte phydro,1 in snelheid pdyn,2 of snelheid in statische druk. Nadere info staat uitgelegd in: Presentatie Behoudswetten sheet 8-25 Toegepaste stromingsleer: 6.4, 6.5, 6.6, 6.7, 6.8 o 6.9 ter extra uitdaging Eenvoudige stromingsleer: paragraaf 5,1; 5,2; 5,3 Voorbeeldopgave: Zie presentatie Behoudswetten sheet 12-15

Oefenopgaven: Toegepaste stromingsleer: 6.46 t/m 6.80 en t/m 6.92 voor extra uitdaging Vraagstukken opgaven behoudswetten.doc

4 Massabehoud
Massa gaat nooit verloren. m , in = , uit Deze wet kan je vooral gebruiken bij m doorstoomde lichamen waarbij bekend is wat de massastroom op een punt is en/of gegevens als snelheid, afmetingen en volumedebied.

Nadere info staat uitgelgd in: Presentatie Behoudswetten sheet 2-7 Toegepaste stromingsleer: 6.1 6.2 Eenvoudige stromingsleer: hoofdstuk 3 Voorbeeldopgave Presentatie Behoudswetten sheet 5 Oefenopgaven: Toegepaste stromingsleer: 6.1 t/m 6.45 Vraagstukken opgaven behoudswetten.doc

5 Weerstand
Op een voorwerp, in een stroom, werken twee soorten weerstandskrachten: de vorm weerstand, ook wel drukweerstand. Deze is afhankelijk van de vorm van het voorwerp (visceuze) wrijvingsweerstand. Deze is afhankelijk van het stromend medium
5.1

Vorm weerstand

Als een voorwerp in de weg staat van een stromend medium, stroomt dat medium om het voorwerp. Achter het voorwerp hebben de deeltjes afstand nodig om de plek achter het voorwerp weer op te vullen. Zie figuur. Dit gedeelte achter het voorwerp heet het zog. Doordat er minder deeltjes zijn, heerst er een lagere druk in dit zog. Het voorwerp merkt zo een kracht richting het zog die tegengesteld is aan de bewegingsrichting van het voorwerp t.o.v. de stroom.

Hoe sneller het medium stroomt, hoe groter het zog wordt en hoe meer deeltjes achter het voorwerp weg gehaald worden. De druk in het zog wordt dus lager naarmate de snelheid groter is. De dynamische druk zorgt er dus voor dat de kracht richting zog groter wordt. Hoe groter het voorwerp, hoe groter de kracht.

Is het voorwerp mooi gestroomlijnd, dan wordt het zog kleiner en minder intens. De kracht wordt kleiner dan een voorwerp die geen stroomlijning heeft. Ofwel:
Fw = C D ( pdyn ) Acontact

Waarbij CD de weerstandcofficint aangeeft. Deze CD is of gegeven of af te lezen uit een gegeven tabel zoals te zien op pagina 674 en 675 van het boek. Deze drukweerstand, ook wel vormweerstand, is werkzaam loodrecht op het profiel en afhankelijk van het profiel. nadere info staat uitgelegd in: Presentatie Weerstand sheet 1-7 Toegepaste stromingsleer 17.1, 17.2, 17.3, 17.4 Eenvoudige stromingsleer: 8.3 Voorbeeldopgave Het windscherm van een antieke Stutz Beardat-auto is een platte ronde schijf met een diameter van ongeveer 0,71m. Bereken de weerstand die door het windscherm wordt veroorzaakt wanneer de auto 97 km/h in stilstaande lucht van 5oC rijdt. Oefenopgaven: In combi met 5.2 zie daar
5.2

Visceuze wrijvingsweerstand

Naast de vormweerstand, is er ook een weerstand die afhankelijk is van het stromend medium. Deze visceuze wrijvingskracht werkt in de lengterichting van de lokale stroming en dat is evenwijdig aan het oppervlak van het voorwerp.

Visceuse wrijvingskracht (Fwr): de kracht die optreedt door het onderling vasthouden van de naburige moleculen. Het onderling vasthouden is het gevolg van de materiaaleigenschap dynamische viscositeit ( ). Algemeen geldt dat naarmate de dynamische viscositeit groter is, de wrijvingskracht ook groter is. De viskeuze wrijvingskracht is afhankelijk van: de dynamische viscositeit ( ) van de stroming de lengte van het voorwerp snelheid van de stroming grenslaagdikte (valt buiten dit vak) Nadere informatie staat uitgelegd in: Presentatie weerstand sheets 8-19 Toegepaste stromingsleer: 17.5, 17.6, 17.8, 2.1, 2.2, 2.4 Voorbeeldopgave

Een grote zware machine (opp = 2m2) moet verplaats worden. Welke hoogte moet de luchtfilm hebben wanneer ik hem met een snelheid van 0.3 m/s wil verplaatsen met handkracht (300N). Antw: h= 4 mm (incl. significantie) Oefenopgaven: Toegepaste stromingsleer: 2.1 t/m 2.13, 2.18 t/m 2.35, 17.1 t/m 17.33
5.3

Wanneer welke weerstand

In de meeste gevallen waar de weerstand wordt bepaald, gaat het om een stroming met een behoorlijke stroomsnelheid loodrecht op het voorwerp. In dat geval is de visceuze wrijving zeer gering t.o.v. de vormweerstand en gebruik je de formules uit 5.1 Is de loodrechte aanstroomsnelheid zeer gering, zoals bv bij een lager, dan zul je moeten rekenen aan de visceuze wrijving. Ook bij een oliestroom over een vlakke plaat, geldt dat de vormweerstand gering is en je dus rekent met visceuze wrijving. Voor dit geval geldt de formule uit 5.2 Natuurlijk zijn er ook situaties waarbij zowel de drukweerstand als de visceuze wrijving een behoorlijke rol speeld. Een voorbeeld: XXXXXX. In die gevallen dient het totaal van beide weerstanden berekend te worden. De sinds 1800 geldende berekening, beschreven in 5.1, geeft dan problemen. Dit wordt echter opgelost door in C (weerstandscofficint) zowel de vorm als visceuze wrijving mee te nemen. De formule uit 5.1 geldt tegenwoordig dus zowel als representatie van de vormweerstand als de totale weerstand. Het verschil zit hem er in dat de C bij de totale weerstand verandert op het moment dat de verhouding tussen de twee Fw krachten verandert. Fwr Waarom de verhouding van de twee krachten en niet de snelheid als bepalingsmethode? Snelheid is niet de enige factor die bepaald of visceuze wrijving een rol speeld. Zo zal een lager in stookolie een grotere visceuze wrijving ervaren dan in waterdeeltjes en koud water veroorzaakt meer wrijving dan warm water. Als laatste zorgt een lange contactlengte met het stromende medium ook voor een hogere wrijving dan bij een korte contactlengte. Buiten de snelheid om, hebben deze factoren geen invloed op de vormweerstand maar veranderen dus wel de visceuze wrijving. Of je rekening moet houden met de visceuze wrijving wordt dus door al deze factoren bepaald. Er is af te leiden dat al deze factoren te verwerken zijn in de verhouding van de twee Fw krachten . Daar wordt als maat om aan te geven of de wrijving mee speelt in de Fwr totstandkoming van de totale weerstand. Gezien we de krachten niet afzonderlijk weten, kunnen we ze ook niet op elkaar delen. Middels onderstaand hoofdstuk 6 is aan te tonen dat uitwerking van die verhouding tot meetbare grootheden is: l v Ftr = p p p Fwr p Fw De uitkomst van wordt het Reynolds getal (Re) genoemd. [belangrijk] Fwr

6 Schaling
6.1

basis

Om een voorwerp op een schaal (bv 1:100) te kunnen testen moet het voorwerp, maar ook de stromingscondities geschaald worden. Er zijn basis schaalfactoren ( , , , ) en afgeleide factoren die een combinatie van de basisfactoren zijn. Om te bepalen wat de schaalfactor is van een grootheid die geen basisfactor heeft, kan de grootheid uitgeschreven worden als functie van de basisgrootheden. De schaalfactor bestaat uit de zelfde functie als de grootheid maar dan ingevuld met de v , m = betreffende schaalfactoren. Als voorbeeld: v = A v v , p Deze informatie staat uitgelegd in: PowerPoint op schaal testen sheets 1-8 Eenvoudige stromingsleer: hoofdstuk 7.1 Voorbeeldopgave Geef de schaalfactor van de viskeuze schruifkracht in termen van basis schaalfactoren (geometrie, dynamische viscositeit, snelheid en dichtheid) Antw:
Fwr ,m 1 = 2 = Fwr , p

Oefenopgaven: Opgaven G:\.\2.Studiemateriaal\opgaven\opgaven schaling


6.2

Gelijkvormigheid

Windkracht 10 op een geschaalde vlieger waarbij de dikte van de stof een factor 10 is verdunt, zal anders reageren dan de oorspronkelijke vlieger. Ofwel, schaal je een voorwerp en test je hem op de stromingseigenschappen, schaal dan ook de krachten van de stroming mee:
Ftr , p Fwr , s , p = Ftr , m Fwr , s , m

Dit is de gelijkvormigheidsvoorwaarde van Reynolds. Om te komen tot fysische grootheden kan dit via schaling en deling verwerkt worden tot
p l p v p m lm vm = p m

We zien hier weer de grootheden die we in hoofdstuk 5.3 zagen als bepalende factoren of visceuze stroming ook een rol speelt in het weerstandsvraagstuk. p l p v p De uitkomst van wordt het getal van Reynolds genoemd. p Deze stof wordt uitgewerkt in: presentatie op schaal testen sheets 9, 10, 11 Eenvoudige stromingsleer: hoofdstuk 7.2 en 7.3 t/m pagina 112 bovenste alinea (over reynolds) en 7.5.1

Voorbeeld opgave: presentatie op schaal testen sheets: 12 en 13 Oefenopgaven G:\......\2.Studiemateriaal\opgaven\opgaven Schaling