„Een geschiedenis met winnars en verliezers”

Boekbespreking Wim van den Doel, Zo ver de wereld strekt. De geschiedenis van Nederland overzee vanaf 1800. Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 2011. 506 pp. ISBN 978 90 351 2779 1. € 29,95

In de inleiding tot zijn boek belooft Wim van de Doel niet minder dan de rol van Nederland in het ontstaan van de moderne samenlevingen te behandelen. De auteur spreekt van een grote metamorfose van de menselijke maatschappij in de twintigste eeuw waarin feodale, agrarische samenlevingen plaats hebben gemaakt voor geïndustrialiseerde, stedelijke maatschappijen. Als resultaat van de technische ontwikkelingen op het gebeid van de infrastuctuur, communicatie en informatica zijn nu verre werelddelen met elkaar verbonden en de wereldeconomie wordt door grote transnationale ondernemingen gedomineerd. Hoe Nederland aan deze metamorfose een bijdrage heeft geleverd, is het thema van dit monumentele geschiedenisboek, het nieuwe deel uit de reeks Algemene Geschiedenis van Nederland. Zo ver de wereld strekt geeft een zeer complexe visie op de geschiedenis van de afgelopen tweehonderd jaar en behandelt de politieke, economische, culturele en maatschappelijke ontwikkelingen in de genoemde periode. De geschiedenis van de Nederlandse kolonisatie wordt tegen de achtergrond van de wereldgeschiedenis gepresenteerd. De wereldmachtspositie van Engeland in de negentiende eeuw en die van de VS in de twintigste eeuw, de rol van het imperialisme en het nationalisme in het ontstaan van moderne staten, de wereldoorlogen, de ontwikkelingssamenwerking en de strijd tegen terrorisme worden allemaal aangestipt om de koloniale geschiedenis van Nederland in een bredere context te plaatsen. Centraal staat echter de rol van Nederland in dit verhaal. Dit kleine land heeft vanaf de negentiende eeuw het aangezicht van de wereld sterk bepaald. Hoewel Nederland op het internationale politieke platform lang de afzijdige rol van een politieke dwerg innam, was het - gezien haar overzeese gebieden – ook een koloniale reus. Aan de internationale geschiedenis nam dus Nederland vooral door haar economisch gemotiveerde intensieve handel deel, en door de ontwikkeling van de infrastructuur en verbetering van het landbouw in ver gelegen gebieden. Na het verlies van haar kolonies laat het land haar stem in de wereldpolitiek vooral door een actieve deelname in vredesmissies en ontwikkelingsprojecten horen. De grondige beschrijving van de Nederlandse koloniale beleidsvoering met de onthoudingspolitiek en de ethische politiek, en later de beginselen van de ontwikkelingssamenwerking, helpt ook de extramurale lezer om de hedendaagse politieke cultuur en buitenlands beleid van Nederland beter te begrijpen. Wat het boek een uitstekende studie maakt, is het feit dat de auteur oog heeft voor de ontwikkeling in de Nederlandse mentaliteit omtrent koloniale landen en volkeren. Er zat altijd een ambivalentie in de Nederlandse houding ten opzichte van haar kolonieën. Eerst heeft men deze slechts als wingewesten gezien die vrij geëxploiteerd konden worden, pas later, in de periode van de zogenaamse ethische politiek kreeg men oog voor de inwoners en wilde ze – om nog meer winst uit het land te kunnen halen - opheffen, steunen en ontwikkelen. Beide meningen hebben het koloniale verleden van Nederland sterk bepaald en hebben vorm gekregen eerst in de gehechtheid aan overzees bezit en de daaruit voortvloeiende bloedige oorlogen, dan in het onstaan van de ontwikkelingssamenwerking en de verantwoordelijkheidsgevoel voor vrede en stabiliteit in de wereld.

1

Met passend gekozen citaten uit die tijd laat Van den Doel deze mentaliteiten aan elkaar botsen en tegelijk de politieke en socio-psychologische beweegredenen van de koloniale besluitmakers zien. Het aanbrengen van een groot aantal citaten is een grote aanwinst voor het boek omdat ze betrouwbaar en objectief voorstellen hoe men in het verleden over kolonialisme heeft gedacht. De voorstaanders van de ethische politiek vertrokken bijvoorbeeld in de geest van Max Havelaar naar Indië om ’de millioenen mensen die gebukt gaan onder uitzuiging, afpersing, knevelarij, roof en moord, daarvan te verlossen’. Maar ook vertegenwoordigers van een andere koloniale opvatting komen aan woord. Een vaak gehanteerd argument van de bestuurmakers tegen het verlenen van rechten aan de koloniale bevolking was dat ze ’nog op eenen lageren trap van verstandsontwikkeling staan’ en dat ze 'in zijnen nog onbeschaafden staat, en met zijnen nog zeer bekrompen denkbeelden' niet rijp waren voor de vrijheid. De auteur beschrijft zijn verhaal in een zeer objectieve toon, hij velt geen oordeel over de gevoelige vragen omtrent het koloniale verleden. Het is natuurlijk de vraag hoezeer men bij het schrijven van een geschiedenisboek neutraal kan blijven. De selectie van de behandelde materiaal is al een resultaat van bepaalde keuzes, en hun presentatie getuigt ook van een stellingname. Van den Doel kiest voor een vooruitkijkende positie. Hij beschrijft objectief de gruwelijkheden die de Nederlanders tijdens het kolonialisme en de Indische oorlogen pleegden, maar hij benadrukt veeleer de positieve verworvenheden die de kolonisatie heeft voortgebracht. Het doel van zijn studie is uiteraard om de historische rol van Nederland in de modernisering van de wereld en de hedendaagse globalisering te betogen, zoals de grondlegging van de fundamenten van moderne samenlevingen overzee, de opleiding van vakkundige ambtenaren, de ontwikkeling van de infrastructuur, landbouw en industrie. Het koloniale verleden is in de visie van Van de Doel ’een complexe geschiedenis waarop genuanceerd kan worden teruggekeken, een geschiedenis met […] zwarte pagina’s, maar ook een geschiedenis waarbinnen zich een moderniseringsproces heeft afgespeeld, een geschiedenis met winnaars en verliezers, een geschiedenis met wandaden en weldaden.’ Een vraag die echter onbeantwoord blijft is, hoe het verleden vandaag verwerkt is, hoe men in Nederland over het koloniaal verleden denkt en of de inwoners van de toenmalige kolonieën met hun trauma’s hebben afgerekend. Van den Doel beweert dat Nederland aan het begin van de eenentwintigste eeuw ’wist af te rekenen met verschillende koloniale trauma’s’, maar de opsomming van enkele politieke erkenningen in de vorm van herdenkingen en monumenten zijn nog geen overtuigende argumenten. Mijn bezwaar tegen het boek betreft de proportionele verdeling van de besproken overzeese gebieden. Van den Doel wil de geschiedenis van het Nederlandse kolonialisme behandelen, maar hij bespreekt de politieke ontwikkelingen, de samenleving en de cultuur van de Caraïbische kolonieën zeer oppervlakkig. De titel van het boek belooft dus een beetje te veel, aangezien het eerder een geschiedenis van de Oost-Indische kolonisatie aanbiedt. Problematisch is ook dat de bespreking van de West geen aparte paragrafen krijgt maar gewoon tussen het verhaal van Indië gevoegd is, waardoor het boek incoherent is. In de register zijn alleen personen opgenomen, geen geografische plaatsen, daarom is het terugvinden van informatie een moeilijke klus voor latere onderzoekers. Er komen bijzonder veel plaatsnamen voor, de opname van landkaarten en geografische namen in de register zou daarom een welkome aanwinst geweest zijn. Als extra bijdrage aan zijn verhaal voegt de Leidse historicus een wetenschapsgeschiedenis bij, beginnend met de eerste Delftse opleiding tot Indische bestuursambtenaren in de negentiende eeuw. Hij beschrijft het proces waarin deze eerste opleiding uitgroeidde tot de wetenschap van de koloniale Indologie, de voorganger van de hedendaagse antropologie en

2

niet-westerse sociologie. Ook vragen van geloof en het werk van zendingsgenootschappen worden kort aangestipt. Een zeer interessant punt van de studie is de afrekening met het romantische idee van de moderne ontwikkelingshulp. De Leidse historicus stelt namelijk in navolging van verschillende nationale en internationale critici scherpe vragen over de zin ervan. Hij citeert een aantal bezwaren tegen het praktijk van de ontwikkelingshulp. Zo zou het optreden van hulporganisaties in de zich ontwikkelende landen eigenlijk een verzachte vorm van neokolonialisme zijn, in een grond van onevenheid en afhankelijkheid geplant. Volgens de critici heeft ontwikkelingshulp alleen de ’westerse morele zelfbevrediging’ gediend en heeft behalve bureaucratie, corruptie en een enorme kloof tussen arm en rijk in de ontwikkelingslanden niets opgeleverd. Maar ondanks al de kritieken schetst de auteur in zijn conclusie geen ander toekomstbeeld voor Nederland dan intens blijven optreden voor de stabiliteit in de wereld. Joop Hopster, recensent van dit boek in de Contrast Magazine, verklaart dit met het Nederlandse gevoel dat ondanks of juist omwille van het feit dat het land haar koloniale machtspositie heeft verloren, nog steeds iets wil betekenen in de wereld. ’Het zorgen voor de ander maakt onderdeel uit van onze eigen identiteit’, aldus Jan Pronk (citaat door Van den Doel). Nederland blijft dus handelen vanuit een ’verlicht eigenbelang’, een eigenbelang dat met ’moreel en ethisch geïnspireerde daden’ gecombineerd is. De titel van dit boek staat ook symbool voor deze internationale samenwerking. ’Zo ver de wereld strekt’ – ’Qua Patet Orbis’, het wapenspreuk van het korps Mariniers van de Koninklijke Nederlandse Mariene, die door zijn actieve deelname aan de vredesmissies het Nederlandse ’verantwoordelijkheidsgevoel voor het bevorderen van de vrede en stabiliteit in de wereld’ representeert.

Flora Illes

3