Week 1 1. Wie is de wetgever in formele zin? De regering en de Staten - Generaal gezamenlijk. 2.

Welke zijn de basisprincipes van de idee van de klassieke -liberale rechtstaat? Legaliteitsbeginsel; machtsverdeling; grondrechten en rechterlijke controle. • • • • Legaliteitsbeginsel: elk overheidsoptreden moet berusten op een wettelijke grondslag die bestaat in wetgeving in formele zin dan wel de Grondwet zelf. Machtsverdeling: de wetgevende, besturende en rechterlijke macht zijn niet toevertrouwd aan eenzelfde overheidsorgaan. Grondrechten: rechten vervat in een document van hogere orde, zodat deze rechten ook grenzen stellen aan de bevoegdheid van de wetgever zelf. Rechterlijke controle: de burger dient toegang te hebben tot de onafhankelijke rechter ter toetsing van de rechtmatigheid van elk overheidsoptreden waardoor hij in zijn belangen wordt getroffen.

Legaliteitsbeginsel Rechtsstaat is een verbinding van staat en recht. In de rechtsstaat wordt de grondslag van statelijk gezag in het recht gelegd en wordt de uitoefening van dit gezag in al zijn verschijningsvormen onder de heerschappij van het recht geplaatst. Staten zijn organisatievormen waarin over de bevolking binnen een bepaald territoir van meestal grotere omvang macht in de zin van hoogste of soevereine macht wordt uitgeoefend. Een zekere mate van binding van macht aan het recht trof men reeds in het absolutistische staatsbestel aan en ook in het middeleeuwse leenstelsel. Dat is nog niet wat we een rechtsstaat noemen. Tegen het eind van de achttiende eeuw vond de gedachte ingang, dat staatsgezag principieel afhankelijk is van het recht. Macht wordt bevoegdheid: Burgers bindende machtsuitoefening is slechts geoorloofd indien en in zoverre er een rechtsregel is die daartoe de grondslag geeft. Het kenmerkende van deze ontwikkeling naar de rechtsstaat is, dat tegelijk een verandering optreedt in de opvatting over hetgeen we onder ‘recht’ moeten verstaan. De middeleeuwse opvatting over recht was dat het recht kan worden verstaan als het geheel van uit de traditie overgeleverde rechtsaanspraken. In de periode van het absolutisme was de traditie ook nog de voornaamste bron van het recht. Maar tegen het eind van de achttiende eeuw wordt in beginsel alle recht positief (gesteld). Dat betekent dat recht ontstaat door een rechtsscheppende handeling. Democratie en soevereiniteit van de wetgever In de rechtsstatelijke opvatting is de wetgever de primaire schepper van recht. Onder wetgever wordt dan begrepen: een representatief orgaan, waarin de bevolking of althans een deel daarvan gerepresenteerd is. In Nederland (art. 81 Gw) wordt bij de wetgever gedacht aan de samenwerking tussen zo’n vertegenwoordigend orgaan en de regering. Wetgeving maakt een einde aan de banden van de traditionele rechtsaanspraken (feodale privileges en ongelijkheden). Ook aan het veelal als willekeurig ervaren gezag van absolutistische vorsten. Wetgeving gaat inhouden: onderworpenheid aan regels die men zelf in het leven had geroepen. Het is het volk dat zich de wet stelt. Wetgeving vormt dan ook een essentieel

onderdeel van een emancipatoir democratiseringsproces. Deze ontwikkeling geeft op zichzelf nog onvoldoende waarborgen dat de staat een ware rechtsstaat is, want binding van overheidsgezag aan het recht biedt onvoldoende waarborgen, wanneer de wetgever zelf naar willekeur rechtsregels in het leven kan roepen. Positi-viteit van het recht is het recht als product van een rechtsscheppende handeling. Binding van de wetgever aan het recht. De betekenis van de constitutie. In de klassiek-liberale opvatting moeten wetten uit algemene regels bestaan, waarbij de algemeenheid een waarborg vormt voor onderlinge gelijkheid van alle burgers. Doordat wetten algemeen bekend worden gemaakt, wordt de rechtszekerheid gewaarborgd. Rechtsgelijkheid en rechtszekerheid zijn aldus wezenskenmerken voor wetten die hun naam waardig zijn. Wetten bevatten in deze opvatting gedragsregels (geboden en verboden) voor de justitiabelen. Geen machtsuitoefening zonder grondslag in de wet. De wet wijst tevens de criteria voor en begrenzingen van de machtsuitoefening aan. Rechtsstatelijkheid betekent ook dat de wetgever zelf door het recht gebonden dient te worden. Hiertoe dient een constitutie, welke de onderlinge verhoudingen van staatsorganen normatief vastlegt en geeft daarbij grenzen aan van hun bevoegdheden en de controlemechanismen die er toe moeten dienen die grenzen te waarborgen: • • • Waarborgen van machtsverdeling Waarborgen van fundamentele (grond-)rechten Waarborgen van een onafhankelijke rechterlijke macht, die toeziet op inachtneming van machtsverdeling en grondrechten

De soevereiniteit berust bij de grondwetgever (1814). Wil de wetgever de Grondwet wijzigen, ontmoet de wetgever zoveel barrières, dat van willekeurige of overijlde besluitvorming allerminst sprake zal zijn (art. 137 Gw = gekwalificeerde besluitvorming voor het wijzigen van de Grondwet). De constitutie is het geheel van regels dat de grondlagen van het staatsbestel bevat. Een Grondwet is een wet met een hoger rechtskarakter, waarin deze regels in hoofdzaak zijn vervat. In Nederland vindt men constitutioneel recht in de Grondwet maar ook in het statuut alsmede in sommige wetten zoals de Kieswet en in ongeschreven recht (b.v. vertrouwensbeginsel). Machtsverdeling In de rechtsstatelijke opzet is de onderlinge verhouding (machtsverdeling) van de hoogste staatsorganen door rechtsregels vastgelegd (in de Grondwet of een hoogste wet). Machtsverdeling gaat uit van de gedachte, dat overheidshandelingen functioneel van elkaar kunnen worden onderscheiden, waarbij als hoofdcategorieën worden aangemerkt: regelgeving, bestuur en rechtspraak. In een rechtsstaat worden verschillende overheidsorganen belast met de behartiging van deze onderscheiden staatstaken, waarbij zij soms gezamenlijk een functie uitoefenen en soms onderling controle uitoefenen. De wetgever vertrouwt de uitvoering van zijn wetten toe aan bestuursorganen, het bestuur op zijn beurt ontleent bevoegdheid aan de wetgever, terwijl de rechter onafhankelijk is, maar gebonden aan de wet. Een dergelijk systeem van machtsevenwicht en onderlinge controle wordt wel een stelsel van ‘checks and balances’ genoemd. Grondrechten

De eerste grondrechten waren reacties (waarborgen) op onderdrukkend overheidsbewind dat rechten en vrijheden aantastte. Grondrechten werden een soort watermerk van echte rechtsstatelijkheid. Thans zijn grondrechten algemene normen die het principieel beperkte karakter van overheidsbevoegdheden doen uitkomen. Ze hebben een vooraanstaande positie binnen de Nederlandse rechtsorde (vandaar staan ze in het eerste hoofdstuk van de Grondwet). Bij de grondwetsherziening (1983) is de band tussen de grondrechten en het legaliteitsbeginsel versterkt. Grondrechten kunnen slechts worden beperkt voorzover het betreffende grondwetsartikel dat uitdrukkelijk toestaat in de vorm van een beperkingsclausule. In het algemeen zal het de formele wetgever zijn die een dergelijke beperkingsbevoegdheid wordt verleend. Lagere wetgevers kunnen slechts beperkingen stellen als het betreffende grondwetsartikel dat expliciet toestaat (d.m.v. een delegatieterm) en de formele wetgever bovendien expliciet die beperkingsbevoegdheid aan een lagere wetgever heeft gedelegeerd. Rechterlijke controle Een nader rechtsstatelijk vereiste, dat samenhangt met machtsverdeling en het waarborgen van grondrechten, is het bestaan van een voor de belanghebbende burger toegankelijke onafhankelijke rechter, die niet alleen geschillen tussen burgers beslecht, maar ook controleert of overheidsoptreden overeenstemt met rechtmatigheidsnormen. Zowel aan geschreven rechtmatigheidsnormen als ook aan ongeschreven rechtmatigheidsnormen (de in de jurisprudentie ontwikkelde algemene beginselen van behoorlijk bestuur = abbb). Vanaf 1994 gelden deze abbb voor alle besluiten waarop de Awb van toepassing is. Omdat vele van deze besluiten nog niet in het Awb zijn vastgelegd, worden ze ongeschreven door de rechter toegepast. Belangrijk in de rechtsstaatgedachte, zoals deze in ons land tot ontwikkeling kwam, was van meet af aan de onderworpenheid van de overheid aan het commune privaatrecht in die gevallen waarin de overheid privaatrechtelijk optreedt. Het vraagstuk of rechtsstatelijkheid vereist dat het overheidsoptreden niet alleen in zijn privaatrechtelijke gedaante maar in al zijn verschijningsvormen aan een rechterlijk oordeel moet kunnen worden onderworpen, is het vraagstuk van administratieve rechtspraak versus administratief beroep. Dit vraagstuk is nu onder invloed van art. 6 EVRM vrijwel integraal ten voordele van administratieve rechtspraak beslist. 3. Waarin onderscheid zich de sociale rechtstaat van de klassieke -liberale en de democratische rechtstaat? De klassieke- liberale rechtsstaat waarborgt slechts op eenzijdige wijze, de individuele vrijheid. een dergelijke staat beschermt de competitie van gelijkwaardige vrije individuen, maar ziet over het hoofd dat voor velen deze competitie gezien de grote verschillen in uitgangspositie niet vrij is en geen gelijke kansen biedt. Een eerste aanzet om die verschillen op te heffen is het realiseren van politieke gelijkheid middels het algemeen kiesrecht. Maar democratie en rechtsstaat, algemeen kiesrecht en vrijheidsrechten zijn op zich zelf nog onvoldoende om een volwaardig bestaan te hebben. Wat is de reële betekenis van deze fundamentele rechten als niet tevens voldaan is aan zekere minimum voorwaarden ten aanzien van inkomen, wonen, onderwijs en dergelijke? Wat heb je aan de vrijheid van drukpers als je niet over de middelen kunt beschikken om van deze vrijheid gebruik te maken. Derhalve gaat de overheid, met name na de totstandkoming van de parlementaire democratie waardoor de eisen van de sociaal zwakkere duidelijker gehoord en verwoord kunnen worden, in toenemende mate in de sociaal – economische sfeer interveniëren met beschermende, stimulerende en herverdelende maatregelen. Daarmee word ook beoogd reële gelijkheid van

kansen te creëren en materiële condities te scheppen om een ieder de mogelijkheid te bieden daadwerkelijk van zijn politieke en vrijheidsrechten gebruik te kunnen maken. Deze staat heeft dus niet alleen de vrijheid en rechten van de burger in acht te nemen en te beschermen tegen inbreuken van derden, maar dient ook actief de omstandigheden te scheppen die het de burger mogelijk maakt aan zijn leven gestalte te geven. Hij kan er, anders dan de klassieke rechtstaat, niet mee volstaan enkel de “vrijheid van” (dwang), juridisch geformuleerde klassieke grondrechten, te waarborgen. Hij zal ook de “vrijheid tot” moeten garanderen door de condities te scheppen waaronder de burger daadwerkelijk in vrijheid kan leven. De taak heeft gestalte gekregen in de zogenaamde sociale grondrechten. 4. Wat wordt in de klassieke -liberale opvatting bedoeld met het begrip “wet”? Het is het instrument, het middel waarmee de individuele vrijheidssferen ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de overheid afgegrensd worden, die zeker en duidelijk moet zijn. Dit is positivering, vastleggen van de beperkingen die aan de burgers opgelegd worden in wetgeving: ongeschreven recht is hiervoor te onduidelijk en te onzeker, biedt te veel ruimte voor willekeurige machtsuitoefening, aldus de klassiek-liberale opvatting. Wetgeving: • • • Bevrijding uit banden v/d traditionele rechtsaanspraken met feodale privileges en ongelijkheden. Beëindiging van het willekeurig gezag van de absolute vorsten. Onderwerping aan rechtsregels die men zelf in het leven heeft geroepen.

5. Wat is een constitutie? Geheel van regels dat de grondslagen v/h rechtsbestel bevat. • • • • Binding wetgever a/h recht. Vastlegging verhoudingen overheidsorganen. Begrenzing van de overheidsbevoegdheden. Waarborg van een onafhankelijke rechterlijke macht.

In Nederland: constitutioneel recht in Gw., Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden, Kieswet en ongeschreven recht (bijv. vertrouwensregel). - Wat is een grondwet? Een wet met een hoger rechtskarakter, waarin de regels van de constitutie in hoofdzaak zijn vervat. In de grondwet staan de grondrechten. De eerste grondrechten waren reacties op onderdrukkend overheidsbewind dat rechten vrijheden aantaste. Het zijn waarborgen waarmee gepoogd werd herhaling van dergelijke aantastingen te voorkomen. Juist doordat in het verleden door absolutistische regimes veelal nogal kras tegen deze rechten was gezondigd werden ze tot een soort watermerk van echte rechtstatelijkheid. Veeleer zijn het algemene normen die het principieel beperkte karakter van overheidsbevoegdheden doen uitkomen. Grondrechten kunnen slechts worden beperkt voorzover en in de mate dat het betreffende grondwetsartikel dat uitdrukkelijk toestaat in de vorm van een beperkingclausule. In het algemeen zal het de formele wetgever zijn die daarin beperkingbevoegdheid wordt verleend.

De vooraanstaande positie van deze grondrechten komen tot uitdrukking in de plaatsing in de eerste hoofdstuk van de Grondwet. - Wat is een rigide grondwet? Dat is een moeilijk te wijzigen grondwet, deze wordt met een Engelse term wel “rigide” genoemd, ter onderscheiding van een flexibele grondwet. Grondwetswijziging komt toe aan de formele wetgever bij wegen van gekwalificeerde besluitvorming. De procedure is te vinden in de grondwet hoofdstuk 8. Door deze procedure (art. 137 Gw: twee lezingen met tussentijdse ontbindingen van en verkiezingen voor de tweede kamer, en een twee derde meerderheid in de tweede lezing) ontmoet de wetgever zoveel barrières op zijn weg, dat van willekeurig of overijlde besluitvorming allerminst sprake zal kunnen zijn. Integendeel: de gekwalificeerde besluitvorming maakt grondwetswijziging dusdanig lastig, dat bestaand grondwettelijk recht wordt gehandhaafd ook als er goede redenen zijn voor wijziging. Een dergelijk moeilijk te wijzigen grondwet wordt met een Engelse term wel “rigid” genoemd, ter onderscheiding van een flexibele grondwet. - Wat is een flexibele grondwet? Het meest flexibele is een grondwet die volgens de normale wetsprocedure kan worden gewijzigd. Deze wordt een flexibele grondwet genoemd. Dat komt nauwelijks voor, want de grondwet geeft dan geen extra waarborgen. Toch vind men zoiets in Engeland. Daar kent men geen grondwet, maar een aantal constitutionele wetten, die volgens de normale wetsprocedure kunnen worden gewijzigd. In praktijk zullen deze wetswijzigingen met grote terughoudendheid worden gewijzigd. Het voorbeeld van Engeland laat overigens zien dat men moet onderscheiden enerzijds de grondwet en anderzijds de constitutie. De constitutie is het geheel van regels dat de grondslagen van het staatsbestel bevat. Een grondwet is een wet met hoger rechtskarakter, waarin hoofdzakelijk deze rechtsregels in hoofdzaak zijn vervat. Elke staat – althans rechtstaat - heeft een constitutie; niet elke staat heef een grondwet. In Nederland is het constitutionele recht in hoofdzaak vervat in de grondwet. Daarnaast vindt men constitutioneel recht in het Statuut voor het koninkrijk der Nederlanden alsmede in sommige wetten zoals de kieswet en voorts in ongeschreven recht (bijvoorbeeld de vertrouwensregel) 6. Wie bezitten overheidsbevoegdheden? Dit zijn de bestuursorganen in de zin van de Awb. De voor de praktijk belangrijkste zijn de diverse organen van de staat (minister, regering), van de gemeenten (gemeenteraad, b en w, burgemeester), van de provincie (provinciale staten, gedeputeerde staten, commissaris van de koningin) en van de waterschappen (algemeen bestuur, dagelijks bestuur). Verder kunnen gedeconcentreerde ambtenaren, zelfstandige bestuursorganen en een kleine groep van privaatrechtelijke rechtspersonen en enige natuurlijke personen als bestuursorgaan worden aangemerkt. • • De diverse organen van de staat -Minister -Regering De gemeenten -Gemeenteraad -B en W -Burgemeester

dat de leden worden benoemd door de regering (art. rechtbanken en kantongerechten. De rechterlijke macht is niet uitsluitend belast met geschillenbeslissing en strafoplegging.v. 4 Gw. de regering en andere bestuurlijke overheidsorganen doordat hij toetst of hun besluiten in overeenstemming zijn met het legaliteitsvereiste.• De provincie -Provinciale staten -Gedeputeerde staten -Commissaris van de koningin -Algemeen bestuur -Dagelijks bestuur • • • • • De waterschappen Gedeconcentreerde ambtenaren Zelfstandige bestuursorganen Kleine groep privaatrechtelijke rechtspersonen Enige natuurlijke personen. Hij oefent voorts een controlerende taak uit t.b. Art. De rechter is gebonden aan zowel de formele als lagere wetgever. 7. arr. Art. De algemeen vertegenwoordigende organen. in die zin dat de rechter volgens de wet moet rechtspreken. Dat betekent dat de Nederlandse burgers niet zelf beraadslagen en beslissen over politieke kwesties. gerechtshoven. 112 Gw de mogelijkheid open. maar dat zij vertegenwoordigers aanwijzen. De rechterlijke macht is een orgaancomplex. Verschillende administratieve rechters zijn nu geïntegreerd in de rechterlijke macht.o. bij wege van zogenaamde voluntaire jurisdictie worden door de rechterlijke macht ook bestuurlijke besluiten genomen. De Grondwet laat in art. Hoe kunt u het beginsel van de machtenscheiding in verband brengen met de positie van de rechterlijke macht? In de machtenscheiding staat centraal dat er een controlerende functie moet zijn door de verschillende machten naar elkaar toe (checks and balances). als het gaat om overheidsoptreden m. Nederland is een representatieve democratie. De rechterlijke macht is onafhankelijk: de regering is niet bevoegd tot het geven van aanwijzingen aan rechters over hun taakvervulling etc. Zo is de positie van de rechterlijke macht ook geplaatst. Die onafhankelijkheid neemt niet weg. tot het privaatrechtelijke. bijvoorbeeld . 117 lid l Gw) al heeft de rechterlijke macht zelf weer beduidende invloed op deze benoemingen (Wet RO). 8. dat ook andere (administratieve) gerechten worden ondergebracht in het orgaancomplex rechterlijke macht. Via deze vertegenwoordigers hebben de burgers een indirecte invloed op de bestuurder en de besluitvorming. nader omschreven in de Wet op de Rechterlijke Organisatie. 54 Gw. Niettemin oefent de rechter controle uit op wetgevers doordat hij toetst of lagere wetgeving in overeenstemming is met hogere wetgeving. Het bestaat in hoofdzaak uit Hoge Raad.t. etc. Wie hebben er in Nederland actief kiesrecht? Een belangrijke algemene eis is dat men voor het uitoefenen van het actief kiesrecht minimaal de leeftijd van 18 jaar dient te hebben bereikt.

Bij een relatief meerderheidsstelsel. dan dienen de partijen de kiesdeler per district (10%) te behalen en daardoor vallen kleine partijen af.Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. voor zover zij geen sterke verankering hebben binnen een bepaald district. wat meebrengt dat de in de verschillende kringen behaalde resultaten bij elkaar worden opgeteld. maar getrapt door de leden van de provinciale staten. Eigenlijk vormt op die manier het gehele land één district. Omdat het meerderheidsstelsel vrijwel steeds met districten wordt gewerkt wordt het ten onrechte ook vaak als een districtenstelsel aangeduid. die ieder 10 van de 150 kamerleden mogen verkiezen. met uitzondering van de eerste kamer. Hierbij zijn meestal 2 rondes nodig. Het algemeen kiesrecht geldt tegenwoordig voor alle algemeen vertegenwoordigende organen op zowel centraal als decentraal niveau. 54 en 129 GW . De 19 kiesringen waarin ons land verdeeld is. . zoals in Engeland.(de kamers van) de Staten-Generaal. 4 GW gelijkelijk het recht leden van deze organen te kiezen (actief kiesrecht). Bij dit stelsel wordt meestal per district (kiesgebied) één kandidaat verkozen. Hierbij gaat het om een toedeling van zetels aan politieke partijen. een lijstengroep. 9. behoudens bij de wet te stellen beperkingen en uitzonderingen (zie ook art. want de in de verschillende kringen ingediende lijsten vormen tezamen.Het meerderheidsstelsel. . H 11 lid 2 van de kieswet het uitdrukt. Enerzijds wordt gedacht aan het invoeren van districten. 53 tweede lid GW) verkiezingen. De toekenning van de overige 50 zetels zou moeten geschieden op een wijze die een zekere evenredigheid garandeert tussen de . die evenredig is aan het aantal op die partijen uitgebrachte stemmen. Een variant wil Nederland verdelen in 15 districten waar 100 van de 150 zetels worden verdeeld. terwijl bij een absoluut meerderheidstelsel de kandidaat meer dan 50% van de uitgebrachte stemmen moet hebben verworven. krijgt de kandidaat de zetel die de meeste stemmen verworven heeft.Het districtenstelsel Door evenredige vertegenwoordiging te combineren met het districtenstelsel is het mogelijk om de versplintering tegen te gaan. terwijl dan bij de herstemming bijvoorbeeld tussen de twee hooggeplaatste kandidaten uit de eerste ronde moet worden gekozen. worden samengesteld op basis van vrije en geheime (art. provinciale staten en gemeenteraden. Iedere Nederlander bezit volgens art. De leden van de eerste kamer worden niet rechtstreeks gekozen. met absolute meerderheid van de stemmen of relatieve meerderheid van de stemmen. Wat wordt verstaan onder de volgende begrippen? . zoals in art. Als men echter evenredige vertegenwoordiging combineert met de instelling van bijvoorbeeld 15 districten. zijn geen gesloten districten.

De kiezer heeft echter nog een tweede stem die hij op een partij uitbrengt. is voor de tweedekamer 1/150 van het totale aantal geldig uitgebrachte stemmen. Een andere variant van het districtenstelsel wil 100 zetels verdelen in 100 enkelvoudige districten. De andere. Dit is tevens een kiesdrempel.door een partij in het hele land behaalde stemmen en de in de tweede kamer behaalde zetels (verglijkbaar met Denemarken). hiermee wordt bedoeld dat er een bepaald minimumpercentage van de uitgebrachte stemmen moet zijn behaald wil een partij een zetel krijgen toebedeeld. is dat de kiezers aangeven wie op een bepaalde lijst hun voorkeur genieten. Wat zijn enkele voor.De kiesdeler Aantal uitgebrachte stemmen : aantal beschikbare zetels. Variant van evenredige vertegenwoordiging. dat wil dus zeggen het aantal stemmen benodigd voor het behalen van één zetel.en nadelen van de verschillende kiesstelsels? Meerderheidsstelsel . 10. maar het biedt de kiezer veel kiezersruimte. In Nederland moet een partij minimaal ten minste de landelijke kiesdeler (aantal uitgebrachte stemmen : aantal beschikbare zetels) hebben gehaald en dit werkt in zoverre als een (lage) kiesdrempel. dat kleine partijen die net onder de kiesdeler blijven niet bij de restzetelverdeling alsnog een zetel in de wacht kunnen slepen. Tamelijk ingewikkeld systeem. ons huidige systeem. . de lijstenstelsel met enkelvoudige voorkeurstem. De kiesdeler. daarbij zijn twee varianten. Variant van evenredige vertegenwoordiging.000 stemmen) te krijgen om een van de 150 beschikbare zetels te behalen. Bij de tweede kamer verkiezingen hoeft een partij echter slechts ongeveer 0. Deze verdeeld het aantal zetels. Er geld geen verhoogde kiesdrempel (zoals in Duitsland 5 %): de kiesdrempel is gelijk aan de kiesdeler.66% van de stemmen ( in de praktijk meestal ruim 50. zoals het recht om binnen de lijst waarvoor men kiest de kandidaten naar voorkeur te nummeren.Het lijstenstelsel Hierbij kunnen kiezers hun stem uitbrengen op een bepaalde partij. De kandidaat die de meeste stemmen haalt in het district is verkozen. .De kiesdrempel Door een kiesdrempel kunnen de nadelen van een evenredige vertegenwoordiging enigszins gecorrigeerd worden. . . De verdeling van de overige 50 zetels moet er voor zorgen dat de deelnemende partijen uiteindelijk een aantal zetels krijgen dat min of meer evenredig is aan het aantal op deze partijen uitgebrachte stemmen (verglijkbaar met Duitsland).Het personenstelsel Bij deze variant nummert de kiezer de kandidaten in de volgorde van zijn voorkeur.

Betrekkelijk kleine verschuivingen kunnen bij een meerderheidsstelsel tot een grote verandering in de verkiezingsuitslagen leiden. Evenredige vertegenwoordiging De voor.. Bovendien is het onaantrekkelijk voor een partij om zich reeds bij de verkiezingen voor samenwerking met een andere partij uit te spreken. Middel grote partijen verwerven in zo’n stelsel namelijk een gering aantal zetels. In zo’n geval heeft de winnende partij in veel kiesdistricten zetels met een kleine voorsprong op de naaste concurrenten binnengehaald.Bij meerderheidsstelsel gaan de stemmen die op de verliezers zijn uitgebracht verloren en krijgt men daardoor een gebrekkige afspiegeling van de kiezers. wat enerzijds democratisch is maar regeringsvormen bemoeilijkt. waarbij de kiezers eigenlijk buitenspel staan. omdat deze laatsten niet door een bepaald district gekozen worden. terwijl ze bij de verkiezingen minder dan 50% van de uitgebrachte stemmen behaalde. Een andere bezwaar van evenredige vertegenwoordiging in de zuivere vorm is de zwakke relatie tussen kiezers en afgevaardigden. Voorbeeld zie hieronder. Zo vindt daar reeds tijdens de verkiezingen overleg tot samenwerking tussen bepaalde partijen.en nadelen. Een positief punt bij meerderheidsstelsels is echter weer dat er een duidelijke band bestaat tussen de in een bepaalde district gekozen afgevaardigde en de kiezers. Dat heeft politiek gezien voor. dat echter het nadeel heeft tot versplintering te leiden. want daardoor verliest men gemakkelijk stemmen. Een probleem bij alle meerderheidsstelsels is overigens de noodzaak om de grenzen van kiesdistricten regelmatig bij te stellen. Een voordeel van dit kiesstelsel is dat de regeringsvorming na de verkiezingen meestal weinig problemen oplevert. maar hier houden kleinere partijen wat meer betekenis omdat bij de herstemmingen hun stem nodig is om de absolute meerderheid voor een bepaalde kandidaat te krijgen. en dat niet alleen voor de leden van zijn partij. wat gemakkelijk tot politieke manipulaties leidt. want op deze wijze zetten veranderingen in de opvattingen zich slechts langzaam in de parlementaire samenstelling . die in minder districten maar met een grote overmacht aan stemmen gewonnen hebben. Een stelsel van evenredige vertegenwoordiging is veel stabieler. District I District II District III Partij A 36 % Partij B 34 % Partij C 20 % Partij D 10 % Partij A 25 % Partij B 45 % Partij C 20 % Partij D 10 % Partij A 37 % Partij B 35 % Partij C 18 % Partij D 10 % Een dergelijk relatief meerderheidsstelsel bevordert het ontstaan van een tweepartijen stelsel. Het is zelfs voorgekomen dat de winnaar minder stemmen kreeg dan nummer twee.en nadelen van evenredige vertegenwoordiging vormen een spiegelbeeld van de beschreven gevolgen van meerderheidsstelsel. In Engeland heeft de winnende partij vaak een grote zetelmeerderheid in het lagerhuis. Zuiverheid is het belangrijkste voordeel van dit systeem. Vaak vervult een afgevaardigde een soort ombudsmanfunctie. Zodoende trekken de meeste partijen gescheiden op en moet na de verkiezingsuitslag via overleg geprobeerd worden een regeringscoalitie te vormen. Absoluut meerderheidsstelsel Hier ontbreekt eveneens vaak een duidelijke relatie tussen de verworven zetels en de verkregen stemmen. Aan de opkomst en afsplitsing van kleine partijen staat weinig in de weg. Hier gaan geen stemmen verloren en vindt men getrouwe weergave van de aanhang van de verschillende partijen. omdat er in de regel een duidelijke winnaar is en moeizame coalitieonderhandelingen achterwege kunnen blijven.

maar in de aanvaarding dat het rechtens zo behoort te gaan. 11. met name uitingsvrijheid en vrijheid van vereniging. in 1882 de Sociaaldemocratische Bond. Uitgaande van vrijheid en gelijkheid van een ieder beoogt democratie bij te dragen aan de menselijke zelfbepaling. Met andere woorden: democratie ziet op de legitimiteit van de bevoegdheidsuitoefening. te weten ‘links’ de socialisten en liberalen en ‘rechts’ . a. Een ieder heeft politieke grondrechten. 12. Democratisering van de politieke macht leidt tot vrijheid. het recht gekozen te worden in algemeen vertegenwoordigende colleges. niet louter in de zin van berusting door burgers. aan de procedure van besluitvorming en aan de inhoud van de besluiten. die uitsluitend haar grens vind in de vrijheid van andere gelijkwaardige individuen. In beginsel heeft eenieder het recht te worden verkozen in diezelfde vertegenwoordigende colleges (passief kiesrecht). f. Als gevolg van het vigerende kiesstelsel ontstonden er twee politieke blokken in het parlement. Vertegenwoordigende colleges hebben invloed op de besluitvorming door middel van (mede)beslissingsrecht vooraf en/of door de bevoegdheid tot controleren achteraf. Er is in de westerse literatuur een betrekkelijk eensgezindheid te vinden over een aantal eisen die het democratieprincipe stelt aan de inrichting van het openbaar bestuur. bijv door de kiesdrempel. De eerste politieke partij die in Nederland werd opgericht was de ARP in 1879.z. d. Welke eisen stelt de democratieprincipe? Over de gerichtheid van het democratisch principe bestaat grote eenstemmigheid. Daarna organiseerden de andere stromingen zich. tot van het individu. Deze minimumeisen zijn de volgende. Deze gerichtheid is tweedelig. In beginsel heeft een ieder gelijkelijk het recht via vrije en geheime verkiezingen invloed ui te oefenen op de samenstelling van vertegenwoordigende colleges die bij de besluitvorming zijn betrokken (actief kiesrecht). Om gekozen te worden zal men zich verkiesbaar moeten stellen namens een politieke partij (=volgens Lipschits een georganiseerde groep die als zodanig kandidaten stelt voor de verkiezing van een volksvertegenwoordiging). Wat is rechtvaardig? Volgens Donner geld in een democratische samenleving als rechtsregel dat de opdracht van gezag met de instemming van de burgers behoort te geschieden. in 1885 de Liberale Unie en eerst in 1904 de Algemene bond van Rooms-katholieke kiesverenigingen. Wie hebben er in Nederland passief kiesrecht? Art. In (politieke) besluitvorming wordt de meerderheidsregel gehanteerd.w. Een ieder heeft het recht om naar een politieke machtsverwerving te streven. b. 4 Gw kent in beginsel aan een ieder het passief kiesrecht toe.door. De nadelen van evenredige vertegenwoordiging zijn enigszins te corrigeren. e. d. c.

Volgens art.de confessionelen. Deze blokvorming eindigt in 1917 met de invoering van het algemeen mannenkiesrecht (strijdpunt van links). De invoering van het stelsel van EV is van grote betekenis geweest voor de partijvorming. 50 Gw vertegenwoordigen de Staten-Generaal het gehele Nederlandse volk. en de financiële gelijkstelling tussen het openbaar en bijzonder onderwijs (strijdpunt van rechts). . of zijn zetel op te zeggen als hij het partijlidmaatschap verliest. Voorts bevat art. 67 lid 3 Gw het beginsel van vrij mandaat: een afgevaardigde kan niet door een politieke partij of fractie of de vertegenwoordigden verplicht worden zijn stem op een bepaalde wijze uit te brengen. Een dergelijk stelsel dwingt niet tot coalitievorming of samengaan bij verkiezingen. Het stelsel werkt differentiatie van politieke meningen in de hand.

Tot het vernietigen van of onthouden van goedkeuring aan een besluit van een ander bestuursorgaan. omdat de hiërarchische ondergeschiktheid van ambtenaren aan een bestuursorgaan zich niet verdraagt met de essentie van delegatie. . Regelgevende bevoegdheden kunnen alleen worden geattribueerd bij de Gw of bij een wet in formele zin. Delegans: degene die overdraagt. 10:2 Awb). mandans/mandaatgever: degene die mandateert. Delegatie kan niet aan ondergeschikte ambtenaren geschieden (art. Delegatie kan alleen indien in de bevoegdheid tot delegatie bij wettelijke. De mandans blijft bevoegd de gemandateerde bevoegdheid zelf uit te oefenen (art. bijv.Week 2 1. (De Awb bevat nog geen voorschriften over attributie. 10:1 Awb). tenzij bij wett. Een door een mandataris genomen besluit geldt dus als een besluit van de mandans (art. Delegataris:Degene aan wie wordt overgedragen/gedelegeerd. 10:3 lid 1 Awb). mandataris/gemandateerde: de ontvanger van het mandaat. Mandaat: Een bestuursorgaan machtigt een ander om een bevoegdheid in naam en onder verantw. Tot het beslissen op een beroepschrift.) Delegatie: Het overdragen door een bestuursorgaan van zijn (bestaande) bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een der orgaan dat deze bevoegdheid onder eigen naam en verantwoordelijkheid gaat uitoefenen. 10:15 Awb). van het bestuursorgaan uit te oefenen (art. Wat wordt verstaan onder attributie en delegatie van wetgevende bevoegdheid? Twee manieren waarlangs overheidsinstanties aan een publiekrechtelijke bevoegdheid kunnen komen: Attributie: Een nieuwe bevoegdheid wordt gecreëerd en toegedeeld aan een ambt. 10:4 Awb). Omdat de bevoegdheid om besluiten te nemen juridisch blijft liggen bij de mandaatgever is mandaat in beginsel altijd mogelijk. voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet (art. (de wet regelt. Tot het nemen van een besluit waarvoor een gekwalificeerde meerderheid geldt. bij de wet te regelen). Een mandaat wordt meestal verleend aan hiërarchisch ondergeschikte ambtenaren. wanneer de bevoegdheid is toegekend aan personen vanwege hun kwalificaties. men moet dan voor het mandaat kiezen. Mandaat wordt niet verleend indien het betreft de bevoegdheid: • • • • Tot het vaststellen van avv’s tenzij bij de verlening van de bevoegdheid tot zodanige vaststelling in mandaatverlening is voorzien. voorschrift is voorzien (art. 10:14 Awb). zoals een examinator. dat de delegataris zijn bevoegdheden onder eigen verantwoordelijk uitoefent. voorschriften tot stand te brengen. Attributie is slechts mogelijk door een ambt dat de bevoegdheid heeft wettelijke.

Het begrip 'wet' houdt in: een besluit van regering en Staten-Generaal. 3. Het is niet de bedoeling dat ieder nieuw landsbestuur de Grondwet weer verandert. Wat is een wet in materiële zin? Algemeen verbindende voorschriften zijn het product van een regelgevende of wetgevende bevoegdheid. dat van willekeurige of overijlde besluitvorming allerminst sprake zal zijn (art. Wie is de wetgever in formele zin? Wat is een wet in formele zin? Ingevolge art. 82 Gw). De rol van de Eerste Kamer is niet vormgevend. Zij zijn. Beide bevoegdheden komen slechts aan de Tweede Kamer toe (art. 81 Gw geschiedt de vaststelling van wetten door de regering en de StatenGeneraal gezamenlijk. De rol van medewetgever van de Staten-Generaal omvat de bevoegdheid tot initiatief (het recht om wetsvoorstellen in te dienen) en tot amendement (het recht om wetsvoorstellen te wijzigen). de artt. Daarom is het veranderen van de Grondwet heel moeilijk gemaakt. Voor de zekerheid beslissen twee opeenvolgende parlementen erover. Een avv moet algemeen zijn. Hoezeer ook hetgeen bij wet moet worden vastgelegd onbepaald is. • • • • Regelgeving gebaseerd op een bevoegdheid tot het maken van regelgeving Doorgaans algemeen van karakter: gericht tot een onbepaalde groep mensen Abstract karakter: gericht tot een onbepaald aantal situaties Primair extern gericht: levert normen voor burgers op . in zekere zin wel. Bovendien verplichten de grondrechtenbepalingen tot een formeel wettelijke grondslag voor eventuele beperkingen en zijn er verscheidene andere grondwetsbepalingen die optreden van de wetgever voorschrijven. Het parlement moet een voorstel voor verandering van de Grondwet twee keer goedkeuren. Wil de wetgever de Grondwet wijzigen. maar veeleer toetsend: een wetgevingsproduct-in-wording dat inmiddels qua inhoud definitief is komen vast te staan wordt beoordeeld op technische deugdelijkheid alsmede op inachtneming van rechtsstatelijke en andere rechtmatigheidvereisten. 4. De Grondwet is de basis van de parlementaire democratie. 137 Gw = gekwalificeerde besluitvorming voor het wijzigen van de Grondwet). 82-88 Gw bevatten de wetgevingsprocedure. en gegeven door een orgaan dat de bevoegdheid tot het vaststellen direct of indirect ontleent aan de Gw of een wet in formele zin. de taak van de wetgever heeft op grond van het rechtsstatelijke legaliteitsvereiste toch wel een duidelijke oriëntatie. tot stand gekomen volgens de wetgevingsprocedure. gemaakt door de wetgever in formele zin. De soevereiniteit berust bij de grondwetgever (1814). ontmoet de wetgever zoveel barrières. Invoering van iets waar de Grondwet voor moet worden aangepast (bijvoorbeeld een referendum of een gekozen burgemeester) kan vele jaren duren. Dit is een wet in formele zin. Is de wetgever in formele zin tevens de grondwetgever? Ja. Immers alleen de formele wetgever mag in de rijkssfeer een grondslag geven voor bepalingen die door straffen worden gehandhaafd.2. want tussen de ene en de andere goedkeuring moeten verkiezingen zitten.

algemeen verbindende voorschriften van de regering). 5. . .• Zelfstandige normstelling: niet afhankelijk van de toepassing van andere regels. wordt altijd de wet in formele zin bedoeld.algemene maatregelen van bestuur (AMvB's. Er bestaan echter uitzonderingen.Algemeen verbindende voorschriften van een tot wetgeving bevoegd orgaan zijn altijd wetten in materiële zin. Meestal bevatten deze wetten algemeen verbindende voorschriften. Waar in de Grondwet het begrip 'wet' wordt gebruikt.ministeriële regelingen (algemeen verbindende voorschriften van een minister). . zodat ze tevens wetten in materiële zin zijn. In tegenstelling tot de Tweede Kamer kan de Eerste Kamer wetsvoorstellen niet meer wijzigen. Ministeriële regelingen worden door een minister uitgevaardigd op basis van delegatie door een wet in formele zin of op basis van subdelegatie door een AMvB. maar maakt daar minder gebruik van dan de Tweede Kamer. 89). .. maar veeleer toetsend: een wetgevingsproduct-in-wording dat inmiddels qua inhoud definitief is komen vast te staan wordt beoordeeld op technische deugdelijkheid alsmede op inachtneming van rechtsstatelijke en andere rechtmatigheidvereisten. De Eerste Kamer is medewetgever. Een AMvB moet worden vastgesteld bij koninklijk besluit (art. Nadat de Tweede Kamer een wetsvoorstel heeft aangenomen. De leden van Provinciale Staten kiezen de Eerste-Kamerleden. De rol van de Eerste Kamer is niet vormgevend. De Provinciale Staten worden weer wel rechtstreeks gekozen. . De Eerste Kamer beschikt wel over controlerechten (zoals het vragenrecht). De Eerste Kamer is wel een deel van de volksvertegenwoordiging. maar wordt niet rechtstreeks gekozen. namelijk: . met eveneens aan het hoofd de griffier. Heeft de eerste kamer dezelfde bevoegdheden als de tweede kamer in de wetgevingprocedure? Nee. . goedkeuringswetten voor internationale verdragen en toestemmingswetten voor het huwelijk van de koning of troonpretendent. .verordeningen van andere openbare lichamen met wetgevende bevoegdheden. zoals bij begrotingswetten (deze vormen voor de regering een machtiging voor het doen van uitgaven). Alle besluiten van regering en Staten-Generaal via de grondwettelijke procedure zijn wetten in formele zin.provinciale verordeningen (algemeen verbindende voorschriften van Provinciale Staten). Een wet in materiële zin is een besluit van een daartoe bevoegd orgaan dat algemeen verbindende voorschriften bevat. Ook ontbeert de Eerste Kamer het recht van initiatief. Men spreekt dan ook wel van 'getrapte' verkiezingen. Naast de formele wetten van regering en parlement gezamenlijk bestaan er nog meer wetten in materiële zin. moet ook de Eerste Kamer het wetsvoorstel nog goedkeuren.verordeningen van besturen van waterschappen. De regering en de Staten-Generaal vormen daarom de formele wetgever. Bij een wet in formele zin is sprake van een gezamenlijk besluit van de regering en de Staten-Generaal (Tweede en Eerste kamer) volgens een procedure die is vastgelegd in artikel 82 van de Grondwet.gemeentelijke verordeningen (algemeen verbindende voorschriften van de gemeenteraad). De ambtelijke dienst van de Eerste Kamer.verordeningen van openbare lichamen voor beroep en bedrijf. dat wil zeggen een besluit dat door de regering wordt genomen. is veel kleiner dan die van de Tweede Kamer. Er bestaan wetten in formele zin en wetten in materiële zin.

Ook recht op enquête art. Het behandelingsverloop binnen de Staten-Generaal is in beginsel eenrichtingsverkeer: eerst de tweedekamer en daarna de eerste. plenaire behandeling • Twee stemmingen: artikelsgewijs en geheel. Twee soorten: vanwege de regering en door initiatief (van de kamer) Normale gang van zaken (regeringsontwerp) • Ministerieel ontwerp • Advies Raad van State • Voorstel met advies en Memorie van Toelichting naar 2e Kamer • 2e Kamer: Commissiebehandeling (evt. 81 Gw geschiedt de vaststelling van wetten door de regering en de StatenGeneraal gezamenlijk. Het zegt niets over de inhoud. • 1e Kamer: Commissiebehandeling (hoofdlijnen). Hoe verlopen de procedures van de totstandkoming van een voorstel van wet en een initiatiefwetsvoorstel Ingevolge art. 68 Gw behoren toe aan de tweede kamer. de artt. 6 a. Daarom hebben Eerste-Kamerleden vaak een andere (hoofd)functie. plenaire behandeling • Enkele stemming • Terug naar regering • Ondertekening door Staatshoofd • Contraseignering door minister. 82-88 Gw bevatten de wetgevingsprocedure. 70 Gw en inlichtingenrecht art. • Inwerkingtreding Het feit dat een wet een wet in formele zin is zegt dus alleen iets over de wijze van totstandkoming en de plaats in de hiërarchie. In deze opzet moet dan ook na de behandeling door de tweede kamer de definitieve redactie van een wetsvoorstel vaststaan. • Publicatie in het Staatsblad (art. advocaten. In de Eerste Kamer zitten enkele hoogleraren. burgemeesters en voorzitters van adviescolleges. De rol van medewetgever van de Staten-Generaal omvat de bevoegdheid tot initiatief (het recht om wetsvoorstellen in te dienen) en tot amendement (het recht om wetsvoorstellen te wijzigen). rechters. Memorie van Antwoord). De rol van de eerste kamer is anders dan die van de tweede kamer. Dit is noodzakelijk voor de effectuering van zowel de strafrechterlijke als politieke verantwoordelijkheid van de minister voor het handelen van de Koning.Eerste-Kamerleden vergaderen als regel slechts één à twee keer per week. . Terugzending van het wetsvoorstel door de eerste kamer naar de tweede is uitgesloten. 82 Gw). Beide bevoegdheden komen slechts aan de Tweede Kamer toe (art. 3 Bekendmakingswet): uitdrukking van verbod op terugwerkende kracht.

waarop de regering antwoord met een nota na aanleiding van het nader verslag.Daarbij kan de tweedekamer gebruik maken van het recht van amendement (art. Bij de z.De ministeriële verantwoordelijkheid wordt tot uiting gebracht door ondertekening van de memorie van toelichting door de betreffende minister(s) e/of staatsecretaris(sen). volgt bekendmaking van deze wet en wordt de kamer ontbonden. . zij het dat wegens het ontbreken van amendementsrecht de plenaire beraadslaging niet wordt uitgesplitst tussen behandeling van de algemene strekking en artikelsgewijze behandeling.Nadere beschrijving van de procedure: Wetsvoorstellen afkomstig van de regering worden bij de tweede kamer ingediend bij koninklijke boodschap. 39 RvOTK.Kan de regering het amendement niet aanvaarden.137 e. eerste lezing wordt het voorstel op gelijke wijze behandeld als een gewoon wetsvoorstel. dan zal zij het moeten intrekken. Doen zij dit niet. Ook deze kamer kent geen “wetgevingsoverleg”. . De bevolking kan zich nu over de wijziging indirect uitspreken bij de nu volgende verkiezingen voor de tweedekamer. . wordt het door de regering bekrachtigd en in het staatsblad gepubliceerd. vervolgens over de afzonderlijke artikelen. Hierna volgt een tweede lezing.Wordt een amendement aangenomen dan maakt het daarna deel uit van het wetsvoorstel. waarbij de verantwoordelijke bewindspersonen de verdediging voeren.n. . zie voorts artt. 43 en 102 RvOTK). In de praktijk laat men deze onbindingsverkiezingen echter altijd samenvallen met de periodieke verkiezingen van de tweede kamer.).Pas op het moment van indiening bij de tweedekamer zijn het voorstel en de memorie van toelichting officieel openbaar. waarbij voorstellen niet . het geen wat kan geschieden middels een nota van wijzigingen. Dit om de kans op aanneming van bepaalde onderdelen te vergroten. Eerst wordt gesproken over de algemene strekking van het wetsvoorstel. Hoe verloopt de procedure van grondwetswijziging? De bij wijziging van de grondwet te volgen procedure vind men in hoofdstuk 8 van de grondwet (art. .Dit zogenaamde voorbereidende onderzoek door de Kamercommissie hoeft niet steeds (geheel) schriftelijk plaats te vinden. dan zal de regering het wetsvoorstel in geamendeerde vorm voor haar rekening moeten nemen en in de eerste kamer moeten verdedigen. . De tweedekamer kan een voorstel in twee of meer splitsen.De regering kan in de opmerkingen van de zijde van de Kamercommissie aanleiding zien om het wetsvoorstel te herzien. Het is overigens gebruikelijk om herzieningsvoorstellen hoofdstukbewijs in verschillende voorstellen te brengen.Het presidium van de tweede kamer pleegt vervolgens het wetsvoorstel in handen te stellen van een Kamercommissie. 84 Gw). . . een indieningformulier uitsluitend ondertekend door de koningin. . Als het voorstel door beide kamers is aangenomen en door de koningin is bekrachtigd.Bij het wetsvoorstel worden overlegd het advies van de raad van state en het daaromtrent door de bewindsperso(o)n(en) uitgebrachte zogenaamde nader rapport.Na afronding van het voorbereidend onderzoek vindt plenaire beraadslaging plaats. in geval dat op andere delen van een wetsvoorstel bezwaren bestaan die uiteindelijk tot verwerping van het hele voorstel kan leiden. 6 b. al of niet op voorstel van de regering.Nadat het wetsvoorstel door de eerste kamer is aanvaard. zodat de tweede kamer met behulp van het recht van amendement veranderingen kan aanbrengen. dat een reactie bevat op het advies. Met toestemming van de kamer kan de commissie besluiten tot het houden van een mondeling “wetgevingsoverleg” (art. .Gebruikelijk is dat deze schriftelijk overleg voert met de regering Dit resulteert in een verslag. Behandeling in deze kamer vindt op hoofdlijnen op overeenkomstige wijze plaats als in de tweede kamer.g.v. . .

omdat anders de kiezers uitspraak gefrustreerd zou worden. Die wettelijke bepaling waarin een opdracht tot het maken van een dergelijk amvb wordt gegeven. meestal tegelijkertijd met reguliere verkiezingen. • . Bijvoorbeeld: art. Ontbinding Tweede Kamer. Bij deze tweede lezing is voor aanneming door beide kamers een meerderheid van ten minste tweederde van de uitgebrachte stemmen vereist. Dus. 89 jo. Meerenbergarrest (1879): De koning mag amvb’s maken voor zover het betreft onderwerpen welke hem krachtens de Grondwet of wet zijn opgedragen. Voorts regelt de wet de op te leggen straffen. stellend dat er aanleiding is de Grondwet te wijziging. Rechtstreeks gebaseerd op art. Amvb in opdracht van de wetgever: onzelfstandige/gedelegeerde amvb. Dit is ook een soort amendement. als tegen de triasleer. Grondwetswijziging 1887: Een gedeeltelijke ontkrachting van het Meerenberg arrest. 8.meer gewijzigd kunnen worden nog door de kamer nog door de regering. die het Meerenburg arrest ontkrachtte. blijkt uit de mislukking bij de herziening van 1983 en 1987 van pogingen om de defensiebepalingen te moderniseren. De delictsbeschrijving vindt men dan in de amvb. • • • Gewoon wetsvoorstel wordt aangenomen. 89 Gw. Tweederde meerderheid vereist in beide kamers. Deze mogelijkheid druist niet zo zeer in tegen het legaliteitsbeginsel (zij berust nl. 2 Woningwet. In deze fase heeft de Tweede Kamer geen parlementaire rechten (amendement). Kunnen in principe ook geen strafbepalingen bevatten. Een derde barrière dus naast de twee lezingen en de kamerontbinding met nieuwe verkiezingen. de strafbepaling in de wet zelf. Wat verstaat men onder het begrip algemene maatregel van bestuur? Een besluit van de kroon (regering) op grond van art. De koning is vrij tot het maken van amvb’s onverminderd de mogelijkheid van de wetgever om hem opdrachten te geven. 892 Gw. Kunnen geen strafbepalingen bevatten. Op art. Gebaseerd op art. Hoe moeilijk verouderde grondwetsbepalingen soms te wijzigen zijn. 3 Vreemdelingenwet en art. waardoor sommige wijzigingen wel aangenomen worden en andere niet. maar de wijziging kan wel gesplitst worden. Vanaf de Grondwetswijziging van 1887. Heeft de tweede kamer het recht van initiatief bij een herziening van de grondwet? Ja. 7. Uitzondering: als in de wet op basis waarvan het amvb is gemaakt wel is voorzien in de mogelijkheid om het niet naleven van de amvb de bestraffen. 89 Grondwet). Deze amvb’s mogen géén strafbepalingen bevatten. bestaan er twee soorten amvb’s: • Amvb op eigen initiatief van de regering: zelfstandige amvb.

Het komt weinig voor (maar dit kan natuurlijk veranderen). alhoewel het formeel geen enkele bevoegdheden hiertoe heeft. Vooral de 2e Kamer kan hierdoor aanzienlijke materiële invloed uitoefenen op amvb’s (vertrouwensbeginsel). strekking. niet zijnde een avv. de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. 9. maar waarvoor geen directe of indirecte uitdrukkelijke grondslag bestaat in de Grondwet of in een wet in formele zin. Beleidsregels zijn algemene regels die een bestuursorgaan stelt voor de uitoefening van bestuursbevoegdheid richting burgers of andere bestuursorganen. Moet niet. Het is gebruik—maar nog niet recht—geworden dat amvb’s sowieso eerst aan de StatenGeneraal worden voorgelegd. verdragen.Verplichte stappen voor rechtsgeldige amvb • • • Advies Raad van State Besluitvorming in de regering Publicatie in Staatsblad. maar is vaak. Rechter moeten wel gebruik van hun mogelijkheden willen maken. Het aannemen van een vreemd amvb kan leiden tot problemen met de Staten-Generaal (motie van wantrouwen). etc. • Is een zelfstandig amvb gevaarlijk? Dit is theoretisch wel het geval—regelgeving omzeilt formele controlerende bevoegdheden van de Staten-Generaal—maar er zijn een aantal factoren die dit theoretische gevaar relativeren: • • • • Er is al erg veel bij wet geregeld waaraan kan worden getoetst. Voorhangprocedures: • In sommige formele wetten waarin opdracht tot amvb voorkomt wordt vastgelegd dat amvb ter kennisneming aan de Staten-Generaal wordt voorgelegd. De rechter kan het amvb zondermeer toetsen aan allerlei hogere vormen van recht: Grondwet. effect op wetgeving > pseudo-wetgeving. omtrent de afweging van belangen. Omdat ze gericht zijn op een onbepaalbare. Wat wordt verstaan onder beleidsregels? Dat is een bij besluit vastgestelde alg. open groep van gevallen worden zij ook wel gerekend tot besluiten van alg. Dergelijke regels hebben in principe een interne werking binnen het bestuur en zijn dus geen . het is een knappe jurist die totaal onbegonnen terrein vindt om te regelen. regel. Voor deze laatste twee geldt wel: Staten-Generaal cq. algemeen van strekking. Beleidsregels zijn regels die vaststellen op welke wijze een beschikkingsbevoegdheid moet worden toegepast. Bovendien lijken ze in hun feit.

89. Een beschikking wordt gebruikt om een avv of een ander besluit toe te spitsen op een concreet geval.w. 104 en 107 lid 1 Gw). de bevoegdheid om best. m. Probleem bij art. Desondanks kunnen burgers zich bij de rechter beroepen op beleidsregels als het bestuur hiermee bepaalde verwachtingen heeft gewekt bij de burger. de beperking ervan is uitzondering. Klassieke legaliteitsbeginsel staat in meerdere grondwetsbepalingen (art. De geschiedenis rond art. Sinds dien heeft de tijd niet stilgestaan en is de reikwijdte van dit beginsel steeds uitgebreid. Een beschikking is ook een besluit in de zin van de Awb. Voorschriften: Vooral bij begunstigende beschikkingen. bepaling waarin de beschikkingsbevoegdheid is toegekend. Wat wordt in de klassieke opvatting verstaan onder het legaliteitsbeginsel? Elk overheidsoptreden moet berusten op een wettelijke grondslag die bestaat in wetgeving in formele zin dan wel de Grondwet zelf. de verplichting elders een nieuwe boom te planten bij het verlenen van een kapvergunning. Bijv. Gebonden bevoegdheid: Wanneer het nemen van een beschikking in hoge mate gedicteerd wordt door de wett. In deze beleidsregels formuleert het besuur de wijze waarop of de voorwaarden waaronder men van de bevoegdheid gebruik maakt.a. Belastende beschikking: Beschikkingen die burgers een last opleveren die er eerder niet was. Vrije beschikking: Wanneer het wettelijk kader het bestuursorgaan bij het nemen van een beschikking beleidsvrijheid laat.algemeen verbindende voorschriften. waarin rechten/aanspraken aan hen worden toegekend. Dit betekent een evidente breuk met het verleden. want in de middeleeuwen was de enige vrije de vorst. Bijv. strekking is (art. Een eerste uitgangspunt is het primaat van de individuele vrijheid (hoofdregel). • • Niet gebaseerd op regelgevende bevoegdheid. 89 lid 2 Gw: men gaat er van uit dat burgers alleen door strafrecht sancties gebonden worden. Beschikking: een besluit dat niet van alg. oproeping voor de militaire dienst. Het is een rechtsstatelijke eis van de eerste orde dat overheidsoptreden waardoor burgers gebonden worden (in hun vrijheid beperkt worden) . sancties op te leggen wordt bij of krachtens de wet toegekend. tweede lid. Dit gebeurt echter niet. terwijl men ook bestuurlijke sancties kan uitoefenen. 10. Bijv. GW is belangrijk voor de vestiging van het klassieke legaliteitsbeginsel. 1:3 lid 2 Awb). 14. Beleidsregels. maar op de bevoegdheid van een bestuursorgaan om steeds voor concrete gevallen beslissingen te nemen (bijvoorbeeld om een vergunning te geven). Begunstigende beschikking: Beschikkingen die burgers een voordeel opleveren. een bouwvergunning of een subsidieverlening. Een verzameling verplichtingen die de burger in acht moet nemen bij het gebruik van de beschikking.

een specifieke wet of Gw-bepaling tot de vaststelling van amvb’s bevoegd zou zijn. Bij die opdracht kan de Grondwetgever ook de bevoegdheid overdragen aan de wetgever om de regeling van het ontwerp weer door te geven aan een lagere regelgever.w. Kunnen geen strafbepalingen bevatten. art. 892 Gw. 12. d.z. Twk. 89 lid 2 Gw 14. Rechtstreeks gebaseerd op art. De bevoegdheid van de Koning tot het vaststellen van amvb’s was een onbepaalde bevoegdheid. 78/79 voor uitleg over delegatie. dan wel ‘bij of krachtens. Deze mogelijkheid druist niet zo zeer in tegen het legaliteitsbeginsel (zij berust nl. en dan geldt de regel van wett. Wat wordt verstaan onder het constitutionele toetsingsverbod? Het terrein van rechterlijke controle op het bestuursoptreden is steeds verder uitgebreid (onr. als tegen de triasleer. Door gebruikmaking van welke terminologie geeft de grondwetgever aan dat delegatie van regelgevende bevoegdheden is toegestaan? De Grondwet kan ook opdrachten aan de wetgever over verdere regelingen. 89 Grondwet). omdat de formele wetgever is geen bestuursorgaan. Overheidsdaad. Met Blanketwet > fundamentele zondiging tegen rechtstatelijke regel dat een regelingsbevoegdheid altijd gespecificeerd moet zijn. Arob. Oplossingen: • • ontkenning van de onbepaaldheid van de bevoegdheid van de Koning > Meerenbergarrest 1879 bepaalde dat de Koning slechts o.’ Deze woorden geven aan dat delegatie mogelijk is. In hoeverre verschilt het Meerenbergarrest uit 1879 van de grondwetswijziging van 1887 op het terrein van de regelgevende bevoegdheid tot regelgeving? Blanketwet 1818 > stelde overtreding van amvb’s (vastgesteld door de Koning) strafbaar.op een wettelijke grondslag berust (legaliteitsbeginsel). Deze bevoegdheid tot delegatie blijkt uit het feit dat de Grondwetgever gebruik maakt van enige vorm van het woord ‘regel’. delegatie niet van toepassing. ‘regelen’. Het legaliteitsbeginsel dient ondersteund te worden door een aantal andere fundamentele rechtsstatelijke beginselen.b. 11. bijz. 13. Hier zijn de regels van de Awb m. Dus: de formele wetgever kan wel het formuleren van delictomschrijving delegeren maar moet dan wel het terrein waarop dat kan geschieden en de straf zelf bepalen. administratieve rechtsgangen) en geïntensiveerd (directe toetsing aan de abbb door de burgerlijke rechter en de contra-legem werking van deze .b. In Amvb’s mochten slechts krachtens de wet bepalingen worden opgenomen die strafbaar waren en de wet zou de straffen bepalen. Gw-herziening 1887 bepaalde dat de bevoegdheid onbepaald was en de Koning (= regering) mocht amvb’s vaststellen zolang dit niet in strijd was met de wet/Gw > kunnen ook voor burgers gelden. grondslag niet. Op art. Wat wordt verstaan onder een zelfstandig algemene maatregel van bestuur? AMvB op eigen initiatief van de regering: zelfstandige AMvB.v. niet in het kader van een bepaalde materie.t. Zie blz. Men ging ervanuit dat amvb’s burgers bindend zijn > hoeft niet.

Oorzaken hiervoor te over. maar ook dat voorschrift als zodanig aan een toetsing aan fundamentele rechtsbeginselen te onderwerpen. Het toetsingsverbod betreft zowel de inhoud als de wijze van totstandkoming van formele wetten. Een derde oorzaak van de gewijzigde positie van de rechter is gelegen in de nationale rechtsorde. Optredend in een dergelijke hoedanigheid kan de rechter zeker aangeduid worden als wetgever-plaatsvervanger.v. 23 Gw). procedurevoorschriften en wetgevingsopdrachten aan de formele wetgever.beginselen). Het grootste deel der grondwettelijke bepalingen bevat organisatierecht. Zij krijgen nadere omlijning in uitvoeringsregelingen. maar zelfs een eigen regeling te ontwerpen. Een eerste oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat de wetgever in toenemende mate onmachtig is. Van fundamenteel belang voor de positiebepaling van de Nederlandse rechter is ook de doorwerking van bepalingen in mensenrechtenverdragen. Het ligt dan op de weg van de democratisch gelegitimeerde wetgever om de grondslagen van de nadere omlijning te leggen. fundamentele politieke en wereldbeschouwelijke conflicten. Het primaat van de wet blijft overigens in zoverre bewaard dat door nadere wettelijke regeling de in de jurisprudentie ontwikkelde normen opzij gezet zouden kunnen worden. Voorzover deze bepalingen ‘een ieder verbindend’ zijn in de zin van art. Ingevolge de jurisprudentie van de afgelopen jaren acht de rechter zich niet slechts bevoegd de toepassing van een algemeen verbindend voorschrift. Redenen voor dit verbod: • Grondwetsbepalingen zijn veelal uiterst beknopt geformuleerd en tegelijk zeer principieel van karakter. en het in feite aan de rechter overlaat die normen te ontwikkelen. terwijl toetsing aan soortgelijke in verdragsbepalingen neergelegde rechten wel geoorloofd is? In concreto is vermoedelijk het enige extra dat constitutionele toetsing ter zake zou kunnen bieden gelegen in de mogelijkheid van controle op de naleving van het censuurverbod (art. Een tweede reden vloeit voort uit het gegeven dat de wet aan legitimiteitsgehalte verloren heeft. Achtergrond van dit toetsingsverbod is de overweging dat de wetgever. Allereerst kan gewezen worden op het EG-recht. Deze opzet brengt met zich. dat uit eigen kracht in de Nederlandse rechtsorde werkt.a. In sommige gevallen blijkt hij bereid te zijn zich niet te beperken tot het buiten toepassing laten van de wettelijke bepaling. 7 Gw) en op de inachtneming van de onderwijsvrijheid (Art. Er zijn andere ontwikkelingen gaande die het primaat van de wetgever zodanig in het gedrang brengen dat de rechter nu soms zelfs de taak van wetgever plaatsvervanger toegemeten krijgt. t. met gekwalificeerde besluitvorming in tweede). Een principiële . Het verdragsargument: wat is de ratio van het toetsingsverbod. die immers zelf optreedt als grondwetgever (zij het in twee lezingen. dat rechters (en ook bestuursorganen) zich van een dergelijke beoordeling hebben te onthouden. inhoudelijke normen te stellen. het meest geschikte orgaan is om de (on)grondwettigheid van zijn producten te beoordelen. 93/94 Gw dient de rechter deze toe te passen en eventueel daarmee strijdig nationaal recht (inclusief wet en Grondwet) buiten toepassing te laten. • Hiertegenover staan andere argumenten: • • Ook grondwetsbepalingen maken deel uit van herinterpretatie in het kader van ontwikkelingen in het juridisch denken. De vraag is natuurlijk hoever de rechter kan gaan bij de toetsing van wetten aan internationaal recht.

Lagere regelgeving en besluiten mogen echter in beginsel wel worden getoetst aan Grondwet.Wet in strijd met de Grondwet? Art. een geheel andere invulling geven aan de norm. dat bij de Grondwetswijziging van 1983 weliswaar de formulering van dit beginsel was veranderd maar de strekking niet. Berg dan ook de wijzigingsprocedure van art.w. Hij kan m. Andere voorbeelden van specifiek voorziene—en dus onaantastbare—onrechtmatigheden zijn trouwens ver te zoeken. 120. is hij daarbij gebonden aan de omschrijving van deze norm. Arrest v/d Berg/Staat: niet alleen de inhoud van een wet in formele zin is ontrokken aan rechterlijke toetsing wegens schending van de Grondwet.” De rechter moet dus de wetsgeschiedenis hierop nakijken. Daarbij staat van te voren geenszins vast welke invulling hij zal gaan kiezen. Grondwet moeten worden gevolgd. 120 Gw kan worden afgeleid dat een dergelijke toetsing slechts mogelijk is voorzover die beginselen in een ieder verbindende verdragsbepalingen zijn vervat. Bij de totstandkoming van de Harmonisatiewet is de rechtsonzekerheid voor lief genomen. Ook de wijze van totstandkoming valt onder de bescherming van art. Casus: Van den Berg meende dat een wet in strijd was met de Grondwet. dat deze traditie ook inhield het beginsel van de onschendbaarheid van de wet. is voorzien in de strijd met deze—specifiek genoemde en dus bewust verdisconteerde—rechtsbeginselen. dan kan hij zich losmaken van deze omschrijving. 137 e. houdt namelijk ook beoordeling van de Grondwet in: je kan alleen beoordelen of een wet een wijziging van de Grondwet inhoudt door de Grondwet zelf te interpreteren. Noot: “De contra legem werking van algemene rechtsbeginselen kan slechts aan de orde komen indien het om niet door de wetgever voorziene omstandigheden gaat. Uitzondering: indien bij het maken van formele wetgeving. Wanneer de rechter toetst aan de vrijheid van meningsuiting. art. Toetst hij aan het hieraan ten grondslag liggende beginsel.d. . 120 Gw zich er tegen verzet dat de rechter de formele wet aan fundamentele rechtsbeginselen toetst. Statuut en de algemene rechtsbeginselen. . en dat hieruit volgde dat de wet ook niet kon worden getoetst aan het Statuut voor het Koninkrijk. Toetsing aan fundamentele rechtsbeginselen blijft een heikel punt. De HR overwoog dat hij de wet weliswaar in strijd achtte met het rechtszekerheidsbeginsel. en dat op basis daarvan de wet een wijziging van de Grondwet inhield. welke de basis vormt van deze lagere regelgeving. Hoge Raad: had geen zin in deze gekunstelde stelling. noch kon zij worden getoetst aam de rechtsbeginselen. 120Gw. de norm bakent het beginsel namelijk niet af.v. maar dat de strekking van art. ook over de wijze van totstandkoming van een wet in formele zin kan de rechter geen oordeel vellen. In dat geval had volgens v.afbakening van deze toetsingsmogelijkheid voltrok de Hoge Raad in 1989 in het zogenaamde Harmonisatiewet-arrest. kan de rechter niet aan rechtsbeginselen toetsen.Wet in strijd met Statuut of algemene rechtsbeginselen? Ook jammer: Harmonisatiewetarrest: HR oordeelde dat de wet in formele zin volgens traditie niet kon worden getoetst aan de Grondwet. . 94 Gw jo. Uit art.a.

durft hij volledigere toetsing aan. HR permitteert zich om lagere regelgeving aan rechtsbeginselen te toetsen. Hier lijkt HR marginale toetsing te verlaten. door de rechter aan ongeschreven rechtsbeginselen worden getoetst? Ja. van marginale toetsing naar directe toetsing. Door het gebruik van kaderwetten en andere lagere regelgeving wordt dit verbod echter steeds meer uitgehold. krijgt de burger in principe meer bescherming. dan gaat de rechter dit onderbouwen met rechtsbeginselen.Toetsing van lagere regelgeving: marginale toetsing of directe toetsing? • Marginale toetsing (willekeurstoets): Rechter stelt zich beperkte vraag. maar beperkt zich tot een marginale toetsing. Daarbij staat van te voren geenszins vast welke invulling hij zal gaan kiezen. dan kan hij zich losmaken van deze omschrijving. een geheel andere invulling geven aan de norm. 120 Gw zich er tegen verzet dat de rechter de formele wet aan fundamentele rechtsbeginselen toetst. Hij kan m. . Aangezien belastingheffing qua traditie altijd sterker aan toetsing is onderworpen (art.a. Ingevolge de jurisprudentie van de afgelopen jaren acht de rechter zich niet slechts bevoegd de toepassing van een algemeen verbindend voorschrift. Het is zeker niet de bedoeling van de wetgever om de rechter toetsingsbevoegheid over zo’n groot deel van de regelgeving te geven: de politiek blijft veel waarde hechten aan het toetsingsverbod. maar dat de strekking van art. De HR overwoog dat hij de wet weliswaar in strijd achtte met het rechtszekerheidsbeginsel. 120 Gw kan worden afgeleid dat een dergelijke toetsing slechts mogelijk is voorzover die beginselen in een ieder verbindende verdragsbepalingen zijn vervat. Uit art. Directe toetsing: Legesverordening Beerta. • Uit deze twee arresten kan een ontwikkeling gezien worden. niet zijnde een wet in formele zin. Een principiële afbakening van deze toetsingsmogelijkheid voltrok de Hoge Raad in 1989 in het zogenaamde Harmonisatiewet-arrest. de norm bakent het beginsel namelijk niet af. welke wel aan Gw en rechtsbeginselen mag worden getoetst. art. Toetsing aan fundamentele rechtsbeginselen blijft een heikel punt. kon het bestuursorgaan in redelijkheid tot deze regel komen? Oordeelt hij van niet. Wanneer de rechter toetst aan de vrijheid van meningsuiting. . een klassiek voorbeeld van marginale toetsing.In de praktijk: door veel over te laten aan lagere regelgeving. Kan een algemeen verbindend voorschrift. Een vergelijking van deze twee arresten wekt ook de indruk dat de HR bij politiek gevoelige gevallen geneigd is zich tot marginale toetsing te beperken. is hij daarbij gebonden aan de omschrijving van deze norm. 104 Grondwet) is dit echter nog niet helemaal duidelijk. HR acht belastingheffing met terugwerkende kracht in strijd met de rechtszekerheid.w. Voorbeeld: Landbouwvliegersarrest. 15. De scheiding tussen recht en politiek wordt door de politiek bepaald. Ligt de zaak minder gevoelig. spreekt niet over marginale toetsing. 94 Gw jo. maar ook dat voorschrift als zodanig aan een toetsing aan fundamentele rechtsbeginselen te onderwerpen. Toetst hij aan het hieraan ten grondslag liggende beginsel.

Deze symboliseert de eenheid van Nederland naar binnen en buiten. 47 Gw). De regering wordt in de meestal oudere literatuur. 45 lid 2 Gw). 42 lid l jo. . 82 eerste lid GW dat voorstellen van de wet worden ingediend door of vanwege de koning bedoeld dat de regering wetsvoorstellen bij de tweede kamer kan indienen. Wie wordt bedoeld met de volgende begrippen. art. het staatsrecht wijst de regering als terzake bevoegde instantie aan (art. Art. De Raad beraadslaagt en besluit over het algemeen regeringsbeleid en bevordert de eenheid van dat beleid (art.De koning Het staatsrecht kent de koning in drie hoedanigheden. De bevoegdheden in beperkt.De ministerraad De ministers vormen tezamen de ministerraad. De ministerraad vergadert wekelijks en de minister-president. Echter. 47 Gw). die voorzitter is (art. 47 GW: geeft aan dat voor regeringsbesluiten (hetzelfde als koninklijke besluiten) de handtekening van de koning en die van een of meer ministers en/of staatssecretarissen voldoende is. 42 lid l jo. Koning als deel van de regering. Het koningschap is erfelijk. Art. . De zittende ministers en staatssecretarissen. 90 GW) Als privé-persoon zoals in art.De kroon De regering (ook wel Kroon) is de Koning plus één of meer ministers of staatssecretarissen (art. Art. maar kunnen we uit de grondwetsgeschiedenis. 34 dat voogdij regelt over de minderjarige koning. De regels hierover zijn te vinden in hoofdstuk 2 paragraaf 1 van de grondwet. Hiermee wordt bedoeld het geheel van politici binnen de regering. dan in art.De regering De regering (ook wel Kroon) is de Koning plus één of meer ministers of staatssecretarissen (art. Dat de koning staatshoofd is. Bij kabinetsformatie wijst hij de formateur of informateur aan. Verder is deze krachtens het volkenrecht bevoegd tot het sluiten van verdragen. 4 van het Reglement van Orde van de Raad van Ministers (RvoM) is een niet limitatieve opsomming van onderwerpen die tot het algemeen regeringsbeleid behoren. . brengt daarover verslag uit aan de Koning. . .Week 3 1. 45 lid 3 Gw).Het kabinet Het kabinet wordt niet genoemd in de Grondwet. Hiermee is dan ook een betere definitie voor het ambt van regering gegeven. wetgeving en jurisprudentie ook wel aangeduid met de “Kroon”. blijkt niet uit de grondwet. 42 lid 1. . Zodra er in de grondwet wordt gesproken van koninklijk besluit wordt daarmee een besluit van de regering bedoeld. art.

Zij kunnen aan de vergaderingen slechts deelnemen met raadgevende stem (art. nl. Kenmerkend voor het parlementaire stelsel is dat een regering niet kan functioneren als zij het vertrouwen mist van het parlement. De regering en haar leden zijn verantwoording schuldig aan het parlement. 44 tweede lid GW .p.De minister zonder portefeuille Dit zijn ministers die niet belast zijn met de leiding van een ministerie. parlementaire en conventionele regeringsstelsel? Globaal genomen kunnen drie regeringsvormen worden onderscheiden. Presidentieel stelsel Kenmerkend is de in beginsel vrij strikte scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht. De president vormt een regering van ministers die optreden als zijn adviseurs en uitvoerders van zijn beleid. Indien het parlement het vertrouwen in de regering opzegt. Alleen in geval van ambtsmisdrijven kunnen ministers en president tot aftreden worden gedwongen. te weten het presidentiële stelsel.v. of zij kan overgaan tot ontbinding van het parlement en het uitschrijven van nieuwe verkiezingen.. De volksvertegenwoordiging komt de wetgevende macht toe. van de minister optreedt als minister. 2. Voorts zijn zij gebaseerd op de gedachte dat er een noodzaak is tot enigerlei vorm van machtsverdeling en checks and balances. Zij kan opstappen. de wens tot het afbreken van de macht van absolute vorsten en het versterken van de democratische invloed op de besluitvorming. Parlementaire stelsel Alleen de volksvertegenwoordiging wordt middels verkiezingen aangewezen. Zowel het staatshoofd als de volksvertegenwoordiging worden door de bevolking gekozen (directe democratische legitimatie). 46 Gw staat dat de staatssecretaris i. Wat zijn de kenmerkende verschillen tussen het presidentiele. In art. Het aantal staatssecretarissen en hun takenpakket worden veelal vastgesteld bij de kabinetsformatie. Als voorbeeld kunnen we geven de minister van ontwikkelingssamenwerking art. Stelsel van checks and balances. heeft zij twee mogelijkheden. De president en de regering kunnen niet door gebrek aan vertrouwen door de volksvertegenwoordiging naar huis worden gestuurd (geen vertrouwensrelatie). De president of de regering heeft niet de bevoegdheid het parlement te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven.De staatssecretaris Staatssecretarissen zijn geen lid van de ministerraad. Hij is voor zijn optreden politiek verantwoordelijk en is ondergeschikt aan de minister. het parlementaire stelsel en het conventionele stelsel. 3 RvoM). terwijl de bevoegdheid tot uitvoering door de president en via hem door de regering wordt uitgeoefend (VS). De regering is slechts indirect democratisch gelegitimeerd (wordt ondersteund door de parlementaire meerderheid). Het parlementaire . In hun historische oorsprong hebben ze veel gemeenschappelijks. De regering is geen verantwoording schuldig aan de volksvertegenwoordiging.

Bij een parlementaire stelsel is niet in eerste aanleg niet duidelijk. Conventioneel stelsel Dit stelsel is sterk gebaseerd op het gedachtegoed van Rousseau.v. Een laatste kenmerk van de parlementaire regeringsvorm is dat de functies van staatshoofd en regeringsleider over verschillende ambtsdragers zijn verdeeld. Met een zeer bescheiden rol voor het staatshoofd. parlementaire regeringsstelsel monistische of dualistische kenmerken? en conventionele De verhouding tussen regering en parlement wordt vaak beschreven m. De volksvertegenwoordiging is zowel t. vormen de parlementaire meerderheid en de regering een eenheid. Uitgangspunt is absolute volkssoevereiniteit. De ministers worden gekozen uit en door de parlementsleden en vormen een afspiegeling van de samenstelling van het parlement.a. Nederland kent geen (extreem) dualistisch systeem. 4. waarin veelal de regering en soms het parlement sturend optreedt. ze bestaan dus niet. Doordat de formele wetgevende bevoegdheid tezamen wordt uitgeoefend en vooral door de werking van regeerakkoorden is er veel samenwerking tussen de regering en de fracties die haar ondersteunen. met als gevolg dat de controle op het regeringsbeleid terugloop. zonder machtsverdeling. Het verenigd koninkrijk kent duidelijk een monistische parlementair stelsel. Zij functioneren als een soort dagelijks bestuur dat slechts belast is met de voorbereiding en uitvoering van het beleid van de volksvertegenwoordiging. Diverse staten kennen mengvormen.stelsel is gericht op samenwerking van de centrale gezagsdragende instanties (wetgeving berust bij regering en parlement tezamen). Van een dualistische verhouding spreekt men als elk van beide een eigen bevoegdheid en beslissingsvrijheid heeft. het kan per land verschillen. Wat zijn de belangrijkste kenmerken van het Amerikaanse presidentiele regeringsstelsel? Kenmerkend is de in beginsel vrij strikte scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht. Een presidentieel stelsel is dualistisch. Bedacht moet worden dat deze stelsels in hun zuivere vorm zijn weergegeven. De ministers zijn collectief verantwoordelijk voor de uitvoering van de besluiten van de volksvertegenwoordiging. Bovendien zijn ministers lid van het parlement. In hoeverre vertonen de presidentiele. 3. terwijl de bevoegdheid tot uitvoering door de president en via hem door de regering wordt uitgeoefend (VS). wetgeving als uitvoering de hoogste macht. Zowel het staatshoofd als de volksvertegenwoordiging worden door de bevolking gekozen (directe democratische legitimatie). De regering is geen verantwoording schuldig aan de volksvertegenwoordiging. een conventioneel stelsel monistisch.b. Alleen in geval van ambtsmisdrijven kunnen ministers en president tot aftreden . Van een monistische verhouding wordt gesproken wanneer één van beide de ander overheerst en domineert. De volksvertegenwoordiging komt de wetgevende macht toe. de begrippen monisme en dualisme. elkaar aldus wederkerig beperkend. De president vormt een regering van ministers die optreden als zijn adviseurs en uitvoerders van zijn beleid. Bepalend voor de typering van een regeringsvorm is de verhouding tussen regering en parlement. In veler ogen vertoont de verhouding tussen regering en parlementaire meerderheid teveel monistische trekken. De regering is volstrekt afhankelijk van en ondergeschikt aan het parlement. De president en de regering kunnen niet door gebrek aan vertrouwen door de volksvertegenwoordiging naar huis worden gestuurd (geen vertrouwensrelatie). Mede als gevolg van een kiessysteem dat een tweepartijenstelsel in de hand werkt.v.

Hoe is het beginsel van de machtsverdeling uitgewerkt in de verhouding tussen regering en statengeneraal? Beide kunnen uit oogpunt van machtsverdeling institutioneel bezien worden. zodat ook jaarlijks het budgetrecht uitgeoefend kon worden. Sinds deze voorvallen werd van de zijde van de Koning en ministers niet langer gepoogd zich teweer te stellen tegen de werking van de vertrouwensregel. De Koning is voortaan steeds afhankelijk van medewerking van ministers. dan gaat het om de taken en de bevoegdheden van beide organen. 42 Gw). Omtrent het sluitstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid. De president is uitvoerende macht en heeft hoegenaamd niets te maken met congres. En de leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks gekozen (directe democratische legitimatie). en de wetten die ze maken om uit te voeren. Zij valt hiermee echter niet samen. De president of de regering heeft niet de bevoegdheid het parlement te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven. de werking van de vertrouwensregel. ontstaat later duidelijkheid. 5. kon door niemand ter verantwoording worden geroepen. Verder werd het recht van interpellatie en amendement ingevoerd. is niet van belang. Regering: staatshoofd en ministers en staatssecretarissen Parlement: Volksvertegenwoordiging 6. Hoe heeft het Nederlandse parlementaire stelsel zich in de negentiende eeuw ontwikkeld? In de eerste grondwetten van 1814 en 1815 was het zo geregeld: ministers waren ondergeschikten van de Koning en gehouden tot uitvoering van diens aanwijzingen en louter aan hem verantwoording schuldig. Aldus was het gehele regeringsbeleid onder democratische controle gebracht. Twee incidenten van betekenis: kwestie-Mijer en de Luxemburgse-kwestie. Grondwetsherziening van 1848: formele vastlegging van de volledige ministeriële verantwoordelijkheid (art. Stelsel van checks and balances. alsmede het aantal onderwerpen dat geregeld diende te worden bij wet in formele zin. Het aantal internationale verdragen dat parlementaire goedkeuring behoefde. Presidentieel stelsel: regering en parlement worden apart gekozen (Verenigde Staten). De begroting diende voortaan jaarlijks behandeld te worden. Die onderlinge verhouding wordt mede bepaald door de wederzijdse taken en bevoegdheden.worden gedwongen. In 1840 wordt onder druk van de Tweede Kamer het contraseign ingevoerd. Hij heeft wel geld van ze nodig. Of ze hem wel of geen vertrouwen geven. waarvan de politieke binding . ?????????????????????????????????????????????????? Twee oorzaken van een toenemende tendens naar een meer monistische verhouding tussen regering en parlementaire meerderheid in de Tweede Kamer zijn: de fractiediscipline en de praktijk van het sluiten van zeer gedetailleerde regeerakkoorden. De vorst zelf. Alle Koninklijke besluiten dienden voortaan te zijn voorzien van een medeondertekening door een minister. werd uitgebreid. Zij kunnen ook in onderlinge verhouding worden bezien.

Hoezeer ook hetgeen bij wet moet worden vastgelegd onbepaald is. De belangrijkste bevoegdheden van de Staten-Generaal betreffen de relatie tot de regering: • • In de vorm van medewetgevende bevoegdheid In de vorm van het kenbaar maken van opvattingen of verlangens met een eventueel politiek effect Ingevolge art. De rol van medewetgever van de Staten-Generaal omvat de bevoegdheid tot initiatief (het recht om wetsvoorstellen in te dienen) en tot amendement (het recht om wetsvoorstellen te wijzigen). Uit een oogpunt van machtsverdeling hebben de Staten-Generaal eigenlijk weinig zelfstandige bevoegdheden tot het nemen van besluiten met externe werking. De zelfstandige besluiten van de kamers zijn meestal gericht op het eigen functioneren (artt. 7. 66.zeer groot is. Extern effect heeft wel een besluit tot het houden van een enquête (art. 108 Gw). 82-88 Gw bevatten de wetgevingsprocedure. De rol van de Eerste Kamer is niet vormgevend. de taak van de wetgever heeft op grond van het rechtsstatelijke legaliteitsvereiste toch wel een duidelijke oriëntatie. 72 Gw). 81 Gw geschiedt de vaststelling van wetten door de regering en de StatenGeneraal gezamenlijk. de artt. 58. In sommige gevallen nemen de Staten-Generaal besluiten die voorwaarde zijn voor de rechtsgeldigheid van andere besluiten (voorafgaande goedkeuring: art. 61. Het begrip 'wet' houdt in: een besluit van regering en Staten-Generaal. maar veeleer toetsend: een wetgevingsproduct-in-wording dat inmiddels qua inhoud definitief is komen vast te staan wordt beoordeeld op technische deugdelijkheid alsmede op inachtneming van rechtsstatelijke en andere rechtmatigheidsvereisten. Wat houdt de vertrouwensregel in? Hoe wordt de regel toegepast? De vertrouwensregel is in Nederland een regel van ongeschreven staatsrecht. maar door de oppositie. Beide bevoegdheden komen slechts aan de Tweede Kamer toe (art. Immers alleen de formele wetgever mag in de rijkssfeer een grondslag geven voor bepalingen die door straffen worden gehandhaafd. 91 & 96 Gw). tot stand gekomen volgens de wetgevingsprocedure. 82 Gw). De scheidslijn tussen regeringsfracties en oppositionele fracties is van grote betekenis voor de onderlinge relatie tussen regering en Staten-Generaal. De parlementaire meerderheid ziet het als haar voornaamste taak de regering in het zadel te houden. Doordat de vertrouwensregel ongeschreven is. Haar mogelijkheden zijn echter zodanig beperkt dat er van goede controle geen sprake is. Controle op het regeringsbeleid wordt dan ook nauwelijks meer door het parlementaire meerderheid uitgeoefend. Een negatieve formulering heeft de voorkeur: pas wanneer afwezigheid van . Bovendien verplichten de grondrechtenbepalingen tot een formeel wettelijke grondslag voor eventuele beperkingen en zijn er verscheidene andere grondwetsbepalingen die optreden van de wetgever voorschrijven. kan er enige onduidelijkheid ontstaan over zijn exacte formulering. Voordeel is echter een stabiele regering en bijgevolg continuïteit in het regeringsbeleid. 70 Gw) en het benoemen van de Nationale ombudsman door de Tweede Kamer (art.

Hebben alle ministers hun portefeuille ter beschikking gesteld. een kabinetsbreuk) dat gedoogd wordt. Er schijnt nog een vertrouwensregel te zijn: ministers en staatssecretarissen stappen op als hun eigen fractie het vertrouwen opzegt (zonder dit vertrouwen is het nl. Betreft het individuele bewindslieden.v. Voor alle kabinetten geldt echter. Eerst gaandeweg zette zich een ontwikkeling door. die door de samenstelling van de ministersploeg rekening hield met de. dient een minister of een kabinet op te stappen. De vertrouwensregel is het recht van het parlement (meerderheid van de kamer) en kan worden gehanteerd t. Het dan demissionaire kabinet wordt gevraagd alles te blijven doen en vervolgens begint een formatieprocedure. De verhouding tussen regering en Staten-Generaal in het kader van de machtsverdeling wordt voor het overige gekenmerkt door de vertrouwensrelatie. Deze binding komt formeel tot uiting in het karakter van het kabinet overeenkomstig de formatieopdracht. De invoering hiervan in 1848 betekende. veelal vrij ongestructureerde verlangens van de Staten-Generaal.o. De kamer moet in beginsel het initiatief nemen om de vertrouwensregel in werking te stellen. Ook is gebleken dat de regering een vertrouwensrelatie heeft met de Eerste Kamer. totdat zij nieuwe verkiezingen georganiseerd heeft. moeilijk werken). dat zij het vertrouwen behoeven van een kamermeerderheid. dat de regering zich met goed gevolg moest kunnen verantwoorden ten overstaan van de Staten-Generaal. Zogenaamde extraparlementaire kabinetten kennen niet een dergelijke grondslag.v. individuele ministers en staatssecretarissen. Hiertoe omringde de Koning zich met ministers die hierin zouden slagen. al steunt het niet op een meerderheid. Vertrouwen kan ook bestaan uit een louter gedogen. dan zal de Koning niet onmiddellijk het ontslag mogen geven (geen opvolgers). het gehele kabinet. wegens het nog ontbreken van duidelijke partij verbanden. Welke vormen van ministeriële verantwoordelijkheid worden onderscheiden? Wat houden deze verantwoordelijkheden in? De vertrouwensregel kan worden beschouwd als de sanctie op de ministeriële verantwoordelijkheid. 8. 42 lid 2 Gw). Vanaf de laatste decennia van de vorige eeuw ging een duidelijke binding ontstaan tussen ministers en regeringsfracties. Biedt de mogelijkheid van een interim-kabinet (na b. Indien bewindslieden door een wantrouwensvotum worden getroffen zullen zij hun ontslag aanbieden aan de Koning. Gevolgen hiervan: • • • • Een kabinet is parlementair gelegitimeerd zolang een blijk van wantrouwen achterwege blijft. dan zal de Koning in het ontslag bewilligen. Hiermee schrompelde de politieke betekenis van het staatshoofd geleidelijk ineen tot de ongrijpbare persoonlijke invloed alsmede tot een restverschijnsel in diens rol bij de kabinetsformatie.vertrouwen blijkt (wantrouwen). Zogenaamde parlementaire kabinetten steunen op interfractionele formatieakkoorden (regeerakkoorden) van veelal zeer gedetailleerde aard. volgens welke de meerderheid van de Tweede Kamer richting gaf aan de kabinetsformatie. In de praktijk bestaat een vrije ruime variatiebreedte ter zake van de binding tussen kamermeerderheid en regering. De nadruk lag derhalve aanvankelijk op de Koning. Verantwoordelijkheid bestaat ook zonder vertrouwensregel . Het primaire instrument om deze te effectueren is de ministeriële verantwoordelijkheid (art.

burgemeesters en voorzitters van adviescolleges. Eerste-Kamerleden vergaderen als regel slechts één à twee keer per week.(burgemeester). 68 en 69 Gw. Niet alleen de rechtmatigheid. maar veeleer toetsend: een wetgevingsproduct-in-wording dat inmiddels qua inhoud definitief is komen vast te staan wordt beoordeeld op technische deugdelijkheid alsmede op inachtneming van rechtsstatelijke en andere rechtmatigheidvereisten. Nadat de Tweede Kamer een wetsvoorstel heeft aangenomen. Wat is de functie van de eerste kamer? Nee. invloed en controle gebracht. Op grond van die hoedanigheid is een actie tegen de staat gebaseerd op b. Sinds 1855 ligt het initiatief voor een strafrechtelijke vervolging van ministers in handen van de regering en de Tweede Kamer. De minister is verantwoordelijk voor: • • • • • • • • • Zijn eigen doen en nalaten als lid van de regering en de ministerraad Zijn medewerking aan geattribueerde en gedelegeerde wetgeving alsmede het gebruik dat eventueel wordt gemaakt van subdelegatie. De Provinciale Staten worden weer wel rechtstreeks gekozen. Het aan hem ondergeschikte ambtenaren En het handelen van het onschendbare staatshoofd De voornaamste plichten die voortvloeien uit ministeriële verantwoordelijkheid blijken uit art. Ook ontbeert de Eerste Kamer het recht van initiatief. 9. De belangrijkste is de politieke verantwoordelijkheid. De rol van de Eerste Kamer is niet vormgevend. maar wordt niet rechtstreeks gekozen. onrechtmatige daad van de minister mogelijk (aansprakelijkheid). parlementaire. 2:l BW). De uitoefening van beschikkingsbevoegdheid op basis van wettelijke regelingen De uitoefening van toezicht op besluiten van lagere publiekrechtelijke lichamen De wijze waarop het buitenlands beleid wordt gevoerd De besteding van begrotingsgelden Het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen. maar maakt daar minder gebruik van dan de Tweede Kamer. Men spreekt dan ook wel van 'getrapte' verkiezingen. De ambtelijke dienst van de Eerste Kamer. . De Eerste Kamer is wel een deel van de volksvertegenwoordiging. Allereerst is er de civielrechtelijke verantwoordelijkheid. De Eerste Kamer beschikt wel over controlerechten (zoals het vragenrecht). Voorts bestaat er een strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid. De Eerste Kamer is medewetgever. is veel kleiner dan die van de Tweede Kamer.v. Ministers zijn te beschouwen als organen in privaatrechtelijke zin van de rechtspersoon de Staat der Nederlanden (art. advocaten. Daarom hebben Eerste-Kamerleden vaak een andere (hoofd)functie. maar ook de efficiëntie en effectiviteit van het regeringsoptreden kan aldus ter discussie worden gesteld. moet ook de Eerste Kamer het wetsvoorstel nog goedkeuren. Er bestaan drie soorten verantwoordelijkheid die een minister krachtens zijn ambt heeft. In tegenstelling tot de Tweede Kamer kan de Eerste Kamer wetsvoorstellen niet meer wijzigen. De leden van Provinciale Staten kiezen de Eerste-Kamerleden. Hiermee wordt al het regeringshandelen onder democratische. met eveneens aan het hoofd de griffier. rechters. In de Eerste Kamer zitten enkele hoogleraren.

want een formateur kan falen en dit is meestal de beoogde minister-president en een informateur kan niet falen. De formateur heeft tot taak heel gericht te werken aan de samenstelling van een kabinet met een bepaalde politieke kleur en een bewindsliedenploeg ter benoeming voor te dragen. De ministers dienen alle inlichtingen te geven die door de kamers of haar leden verlangd worden. 11. Sinds 1987 geldt deze plicht ook ten aanzien van individuele kamerleden. De formatie zal meestal beginnen met een informateur. hoewel op grond van een interne richtlijn deze kwestie allereerst in de ministerraad besproken zal worden. Indien kamer problemen heeft met het beroep op het belang van de staat. dus geen KB in de zin van art. kan zij haar ongenoegen natuurlijk altijd laten blijken door een wantrouwensvotum uit te spreken. Ingevolge het tweede lid van art. Of in staatsbelang kan hij een antwoord weigeren. Staat primair ter zijner beoordeling. 68 en 69 Gw. Is een motie binden? Indien een motie door de meerderheid in de kamer wordt gesteund is deze bindend. De adviezen van de fractievoorzitters worden gepubliceerd in de Staatscourant. Wat is de taak van een informateur en een formateur? De formateur heeft tot taak heel gericht te werken aan de samenstelling van een kabinet met een bepaalde politieke kleur en een bewindsliedenploeg ter benoeming voor te dragen. aangezien men een parlementair meerderheidskabinet wil formeren. 69 zal een minister gehoor moeten geven aan een uitnodiging om in de kamer te verschijnen.10. Dit houdt in dat een minister dient te antwoorden op de gestelde vragen en tevens gehouden is tot het geven van een toelichting en het argumentatief verdedigen van zijn standpunten. de voorzitters van de Tweede en Eerste Kamer en de fractievoorzitters uit de Tweede Kamer. De informateur heeft als opdracht een verkennend onderzoek te doen naar de mogelijkheden om een meerderheidskabinet te formeren. De formatie zal meestal beginnen met een informateur. Welke rol heeft de koning bij kabinetsformaties in Nederland? Zodra de uitslag van de verkiezingen vaststaat wint de Koning advies in van de vicevoorzitter van de RvS. 13. de positie van het staatshoofd moet beschermd blijven. Twee grenzen aan inlichtingsplicht: Geen informatie die het geheim van de kroon zou schenden. 12. worden de onderhandelingen gevoerd met de fractievoorzitters die veelal ruggespraak houden met hun fracties. De (in)formateur zal . 47 Gw). Art. Of een minister beroep doet op deze bepaling. want een formateur kan falen en dit is meestal de beoogde minister-president en een informateur kan niet falen. Wat houdt de inlichtingsplicht van artikel 68 grondwet in? De voornaamste plichten die voortvloeien uit ministeriële verantwoordelijkheid blijken uit de artt. Sinds 1963 wordt er gewerkt op basis van de parlementaire formatiemethode. 68 bevat een inlichtingsplicht voor de minister aan de kamers der staten – generaal. De informateur heeft als opdracht een verkennend onderzoek te doen naar de mogelijkheden om een meerderheidskabinet te formeren. Op basis van deze adviezen wijst de Koning een formateur of een informateur aan (dit is een besluit van de Koning dat hij geheel zelfstandig neemt.

onder contraseign van de nieuwe ministerpresident (art. Welke zijn nu de regels? Zodra de verkiezingsresultaat vaststaat wint de koning advies in van de vice. Tenslotte zal men moeten bepalen welke personen de posten gaan bezetten. De formateur heeft de taak heel gericht te werk te gaan aan de samenstelling van een kabinet met een bepaalde politieke kleur en een bewindsliedenploeg ter benoeming voor te dragen. door de openbaarheid van de adviezen van de fractievoorzitters wordt de vrijheid van het staatshoofd feitelijk beperkt (de fractievoorzitters zijn niet verplicht om met een (in)formateur te praten. Bij regeringsverklaring legt de minister-president verantwoording af over de personenkeuze en het te voeren beleid. Zo wees koningin Beatrix op 6 juli 1994 tot veler verrassing PvdA-voorman Kok tot informateur. Dit akkoord wordt gesloten tussen de fractievoorzitters en eventueel de fracties (geen juridische binding). Gedetailleerdere omschrijving van de formatie en de rol van de koningin. Een informateur heeft als opdracht een verkennend onderzoek te doen naar de mogelijkheden om een overheidskabinet te formeren. De formatie wordt vooral beheerst door een ongeschreven staatsrechterlijke regel. Met deze doorbraak het staatshoofd de impasse in de formatie en kon uiteindelijk het eerste paarse kabinet ontstaan. Het sluiten van een regeerakkoord is niet verplicht. Beide hebben een verschillende taak. Zij allen worden benoemd door de Koning. Er bestaat geen ministeriële verantwoordelijkheid voor de voorafgaande fases. Het eindrapport van de voorgaande informateur. waarin de kandidaat-ministers zich jegens elkaar verbinden aan de inhoud van het regeerakkoord. geen juridische. Het regeerakkoord bevat de hoofdlijnen (de laatste tijd zijn ze zeer gedetailleerd) van het door de nieuwe regering te voeren beleid. Echter. Voorts wordt er onderhandeld over het regeerakkoord (is niet verplicht). Op basis van de adviezen wijst de koning een formateur of een informateur aan. Vanzelfsprekend is de vrijheid van het staatshoofd groter als de adviezen verdeeld zijn. andere bezwaren zijn: de lange duur van de formatieprocedure. het feit dat de kiezers geen rechtstreekse invloed hebben op de politieke samenstelling van het kabinet en het gebrek aan openbaarheid. brengt hij zijn verslag uit aan het staatshoofd. De formatie geschiedt aan de hand van ongeschreven procedure regels die min of meer vaste praktijk zijn geworden. Na een geslaagde formatiepoging houdt de formateur een constituerende vergadering. Soms ook de minister van staat. Na een geslaagde formatiepoging houdt de formateur een . dat er mede toe strekt een formateur aan te wijzen.op basis van de adviezen en in overleg met de fractievoorzitters eerst een keuze moeten maken voor een bepaalde coalitie. Dit is een besluit dat de koning geheel zelfstandig neemt. Het is bijvoorbeeld geen overeenkomst waarvan de naleving kan worden afgedwongen bij de rechter. Zodra een informateur zijn werkzaamheden succesvol heeft afgerond. De adviezen van de fractie voorzitters worden in de staatscourant gepubliceerd. Vanaf dat moment kan het nieuwe kabinet functioneren. 47 GW. Zodra een informateur zijn werkzaamheden succesvol heeft afgerond. De koning speelt een belangrijke rol bij de kabinetsvorming. dat er mede toe strekt een formateur aan te wijzen. maar het gebeurt de laatste decennia steeds meer. noch de adviezen van de fractievoorzitters van de vier grote partijen wezen in die richting. Door de keuze van de (in)formateur kan de koning enige invloed uitoefenen op de politieke kleur van het toekomstige kabinet. Dit wordt gezien als een bezwaar. Het is dus geen koninklijk besluit in de zin van art. te weten de vertrouwensregel. Het regeerakkoord bevat de hoofdlijnen – maar soms ook de minieme details – van het door de nieuwe regering te voeren beleid. de voorzitters van de tweede en eerste kamer en de fractievoorzitters uit de tweede kamer. Daarna doet de beoogde minister-president de Koning een voordracht van de te benoemen ministers en eventueel de staatssecretarissen. Het breng een politieke binding.voorzitter van de raad van state. 48 Gw). brengt hij verslag uit aan het staatshoofd.

men geeft steun aan een bepaalde kandidaat-formateur in de hoop dat hij een bepaald resultaat bereikt. Hier worden de taken van de staatssecretarissen vastgesteld. maar dat hoeft niet) de koning een voordracht van de te benoemen minister – president en de overige ministers. De meerderheid van de tweede kamer aan wie verantwoording zou moeten worden afgelegd. Wordt dit resultaat niet bereikt. Daarna doet de beoogde minister president (meestal de formateur).constituerende vergadering. eventueel ook van de staatssecretarissen. Zij allen worden benoemd onder contraseign van de nieuwe minister – president (art. 48 GW). dan kan de meerderheid van de tweede kamer weigeren het vertrouwen te verlenen aan het na de formatie gepresenteerde kabinet. waarin de kandidaat ministers jegens elkaar binden aan de inhoud van het regeerakkoord dat de fractievoorzitters al hadden afgesloten. Het kabinet heeft voor de rechtsgeldig functioneren geen motie van vertrouwen nodig zoals in veel andere landen. is zelf direct of indirect bij de formatie betrokken geweest. het feit dat kiezers niet rechtstreeks invloed hebben op de politieke samenstelling van het kabinet en het gebrek aan openbaarheid. Gewezen wordt onder andere op de lange duur. Immers. . Vanaf dat moment kon het kabinet functioneren. Daarnaast kunnen de kamerleden op grond van de vertrouwensregel het kabinet meteen naar huis sturen als zij met het resultaat van de formatie niet tevreden zijn. Afgezien van ministeriële verantwoordelijkheid worden er nog andere bezwaren ingebracht tegen de huidige formatieprocedure.

Er bestaan drie ideaaltypische staatsvormen.Burgers van lidstaten Een van de dwingende uitgangspunten van de rechtsstaatgedachte is de spreiding van overheidsbevoegdheden. te weten de statenbond of confederatie. de Staten-Generaal was voornamelijk belast met de buitenlandse betrekkingen.Constitutie . bestuur en rechtspraak. Aan de hand van de mate waarin en de wijze waarop bevoegdheden binnen een staat zijn verspreid over kleinere territoriale eenheden kan men een onderscheid maken tussen verschillende staatsvormen.Alle belangen . Onder een statenbond of confederatie wordt verstaan: een samenwerkingsverband waarbij staten gezamenlijk een verdrag sluiten en daarbij taken aan een gezamenlijk gezagsorgaan toedelen. Het centrale gezag van een confederatie kan geen besluiten nemen die de burger rechtstreeks binden. De deelnemende staten bezitten het recht van secessie.z.Week 4 1.Internationale organisatie . maar voor het overige hun zelfstandigheid behouden. Confederatie . De besluitvorming verliep traag. het bestuur van de generaliteitslanden en het toezicht op de handelscompagnieën. Wat is het verschil tussen een statenbond en een bondstaat? De bondstaat of federatie bestaat uit één soevereinenstaat waarbij de constitutie de verdeling van bevoegdheden regelt. vrijheid en economische bloei. maar voor het overige hun zelfstandigheid behouden.Een specifiek doel .Verdrag . terwijl de statenbond of confederatie een samenwerkingsverband is van verschillende staten die in een verdrag bepaalde bevoegdheden overdragen aan een centraal gezag. d. de bondsstaat of federatie en de eenheidsstaat.Bond van staten . Hun gemeenschappelijk orgaan. de mogelijkheid om weer uit de statenbond te treden (is eigenlijk meer een volkenrechtelijk samenwerkingsverband). die autonoom waren op het gebied van wetgeving.Bondstaat . Het ging hier om een verbond van soevereine gewesten of provincies. Een statenbond wordt gekenmerkt door zeer sterke zelfstandige onderdelen en een zwak centraal gezag. Dit gebeurt in de vormen: horizontale en verticale machtenscheiding. De Statenbond of de confederatie kenmerken: • Onder een statenbond of confederatie wordt verstaan een samenwerkingsverband waarbij staten een verdrag sluiten en daarbij taken aan een gezamenlijk gezagsorgaan toedelen. Een voorbeeld van zo' n confederatie is de Republiek der Verenigden Nederlanden van 1579 tot 1795.w.Lidstaten Federatie . De vraag is of hier niet veel meer sprake is van een volkenrechterlijke samenwerkingsverband Zeer sterke zelfstandige onderdelen Een zwak centraal gezag • • .Soevereine staat . Het ontbreken van een sterk centraal gezag bevorderde tolerantie. defensie.

Tweekamerstelsel Enumerated powers.• Centraal gezag kan besluiten nemen die de burger rechtstreeks binden. In een senaat worden de leden door de bevolking per deelstaat gekozen (VS). of door de parlementen van de deelstaten aangewezen (India). De bevoegdheden worden onafhankelijk van elkaar uitgeoefend. wat overblijft komt dan toe aan de deelstaten (systeem van 'enumerated powers' in de VS). Bij een bondsstaat of federatie hebben we te maken met één soevereine staat bestaande uit deelstaten en een federaal gezag. Een eerste mogelijkheid is die van opsomming van de bevoegdheden van de organen van het federale gezag. Een andere mogelijke competentieverdeling bestaat uit de limitatieve opsomming van de bevoegdheden van de deelstaten (zoals in Canada). te weten het bondsraadtype en het senaatstype. Regeling en bestuur zijn exclusief in handen van de centrale wetgever en de regering. Er kunnen twee deelstaatkamers worden onderscheiden. Dit heeft echter in de VS niet kunnen voorkomen dat de federale wetgever via de 'implied powers-theorie' (: de federale wetgever heeft ook die bevoegdheden die impliciet besloten liggen in de bevoegdheden die hij al heeft) meer bevoegdheden aan zich getrokken dan er letterlijk in de constitutie staan. In een bondsraad worden de leden door de deelstaten benoemd en hebben geen vrij mandaat (BRD). kenmerkend is dat de federale constitutie een regeling bevat voor de verdeling van de bevoegdheden tussen de organen van het centrale. Beide kamers participeren in de totstandkoming van wetgeving. De senatoren hebben een vrij mandaat en zijn dus niet gebonden aan opdrachten van deelstaatsorganen. Als laatste kenmerk van een federatie wordt het bestaan van het tweekamerstelsel genoemd. Een gecentraliseerde eenheidsstaat wordt gekenmerkt door het feit dat alle bevoegdheidsuitoefening op het centrale niveau plaatsvindt. Tenslotte is er nog het systeem van de gemengde competentieverdeling (Bondsrepubliek Duitsland). implied powers-theorie limitatieve opsomming van de bevoegdheden en gemengde competentieverdeling Enumerated powers: opsomming bevoegdheden federale gezag (VS) Implied powers-theorie: de federale wetgever heeft meer bevoegdheden aan zich getrokken dan er letterlijk in de constitutie staan Limitatieve opsomming van de bevoegdheden van de deelstaten (Canada) Competentieverdeling. federale gezag en de deelstaten. De federale constitutie bevat een regeling voor de verdeling van bevoegdheden tussen de organen van het centraal gezag en de deelstaten. De samenstelling van één van de kamers is zodanig dat de deelstaten invloed kunnen uitoefenen op de totstandkoming van federale wetgeving. De éénheidsstaat kenmerken: . De bondstaat of federatie kenmerken: • • • • • • • • • Eén soevereine staat bestaande uit deelstaten en een federaal gezag. gemengd systeem (Duitsland) In de constitutie kan de competentieverdeling op verschillende manieren geregeld worden. De bevoegdheden worden onafhankelijk van elkaar uitgeoefend. De taak van de bewaking van de competentieverdeling tussen de deelstaten en de centrale overheid is toebedeeld aan onafhankelijke rechterlijke instanties.

. In beginsel kunnen de organen van de functioneel gedecentraliseerde lichamen hun (nauw omschreven) wetgevende en besturende bevoegdheden uitoefenen op het gehele Nederlandse grondgebied. Kenmerkend voor de eenheidsstaat is dat de centrale overheid toezicht kan uitoefenen op de bevoegdheidsuitoefening door de gedecentraliseerde organen. Regeling en bestuur zijn exclusief in handen van de centrale en de regering. Bij territoriale decentralisatie krijgen de organen van een bepaald openbaar lichaam in beginsel een algemene bevoegdheid tot wetgeving en bestuur op een deel van het grondgebied van de staat (gebiedsgemeenschappen zoals provincie en gemeente). 2. die onaantastbaar is voor de centrale wetgever. • Gedecentraliseerde eenheidsstaat: Nederland. 127.Belangrijke bevoegdheden komen toe aan organen van lagere publiekrechterlijke lichamen. Dit type komt eigenlijk niet meer voor. De centrale overheid in een eenheidsstaat kan toezicht uitoefenen op de bevoegdheidsuitoefening door de gedecentraliseerde organen art. Bij functionele decentralisatie gaat het om taakbehartiging met het oog op een bepaald doel (doelgemeenschappen zoals de SER). die deze bevoegdheid in beginsel zelfstandig en dus niet ondergeschikt aan het centrale gezag uitoefenen. Verschil met de deelstaten in een federatie is dat de lagere publiekrechtelijke lichamen in een eenheidsstaat niet beschikken over een constitutioneel gewaarborgde competentie. Wat is het verschil tussen een gecentraliseerde en een gedecentraliseerde eenheidstaat? Bij een gedecentraliseerde eenheidstaat komen belangrijke bevoegdheden toe aan organen van lagere publiekrechterlijke lichamen. Decentralisatie: Het toekennen of overdragen van bevoegdheden aan organen van lagere publiekrechterlijke lichamen. 127. 124.• Zuivere of gecentraliseerde eenheidstaat: . 132 GW. . die onaantastbaar is voor de centrale wetgever. Wat is het kenmerkende verschil tussen territoriale decentralisatie en functionele decentralisatie? Het verlenen van bevoegdheden aan niet centrale overheid ondergeschikte ambten kan men onderscheiden in territoriale en functionele decentralisatie. .Bevoegdheden zijn gedecentraliseerd . 124. terwijl bij een gecentraliseerde eenheidstaat alle bevoegdheden op een centraal niveau liggen.Regeling en bestuur zijn exclusief in handen van de centrale en de regering. Bevoegdheden zijn gedecentraliseerd. Decentralisatie: het toekennen of overdragen van bevoegdheden aan organen van lagere publiekrechtelijke lichamen. Dit type komt eigenlijk niet meer voor. De waterschappen zijn echter een voorbeeld van functionele decentralisatie . die deze bevoegdheden in beginsel zelfstandig en dus niet ondergeschikt aan het centrale gezag uitoefenen.Alle bevoegdheden op een centraal niveau.De centrale overheid in een eenheidsstaat kan toezicht uitoefenen op de bevoegdheidsuitoefening door de gedecentraliseerde organen art. 3. 132 GW Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Een belangrijk verschil met deelstaten in een federatie is dat lagere pubrechterlijke lichamen in een eenheidstaat niet beschikken over een constitutioneel gewaarborgde competentie. De bevoegdheden zijn gedecentraliseerd.

Door centrale en decentrale overheidsorganen ieder voor een 1 . Gebiedsgemeenschappen. De bevoegdheidsuitoefening is beperkt tot dat doel. attributie van bevoegdheden aan hiërarchisch ondergeschikte organen. immers. 28 advocatenwet). namelijk de zorg voor waterkring en waterhuihouding. Gedeconcentreerde ambten hebben wel een verantwoordingsplicht. recht van initiatief en enquete. Bij waterschappen is er een gemengde vorm van territoriale en functionele decentralisatie. Gedecentraliseerde en gedeconcentreerde ambten kunnen dus beide bevoegdheden hebben die zij op eigen naam en onder eigen verantwoordelijkheid kunnen uitoefenen. Er is geen hiërarchie. Voor de dualisering vanaf 1999-2002 waren gemeenten monistisch. functionele decentralisatie (lichamen voor bedrijf en beroep zoals Orde van Advocaten en Productschap Vee en Vlees). maar kan bij excessen tegengegaan worden door bijvoorbeeld de minister. Hiërarchisch wordt de provincie aangestuurd door het hoofd Commissaris van de Koningin. anderzijds kunnen de afzonderlijke waterschappen hun bevoegdheden alleen uitoefenen op of in samenhang met hun eigen territoir.In beginsel kunnen de organen van de functioneel gedecentraliseerde lichamen hun (nauw omschreven) wetgevende en besturende bevoegdheden uitoefenen op het gehele Nederlandse grondgebied. In functionele decentralisatie gaat het om taakbehartiging met het oog op een bepaald doel. Nu hebben de gemeenteraden een griffier. Bij territoriale decentralisatie krijgen de organen van een bepaald openbaar lichaam in beginsel een algemene bevoegdheid tot wetgeving en bestuur op een deel van het grondgebied van de staat. B & W vormen de uitvoering. 32 jo art. Een mengvorm hiervan zijn de waterschappen. 2 WBO). gecontroleerd door provinciale staten en gebeurt de uitvoering door de Gedeputeerde Staten. Doelgemeenschappen. controle van de gemeente geschiedt door de gemeenteraad. Wetgever is gemeenteraad. De remedie tegen absolutistische bevoegdheidsuitoefening is immers volgens rechtsstatelijke principes het verdelen van macht over verschillende overheidsorganen. De burgemeester heeft zijn eigen verantwoordelijkheden. terwijl de wethouders uitvoeren.1 Wethouders waren tegelijkertijd fractievoorzitter en konden via fractiediscipline de gemeenteraad domineren.m. De burgemeester op zijn beurt is de voorzitter van de gemeente(raad). enerzijds hebben zij bevoegdheid ten behoeve van een bepaalde taak. De organen van gemeenten en provincies kunnen zich op hun grondgebied in beginsel met alles bezighouden wat hun niet ontzegd is. de gemeenten en provincies. Het toerusten van gedecentraliseerde overheidsinstanties met bevoegdheden (decentralisatie) past in een rechtsstatelijke conceptie. Wat is het kenmerkende verschil tussen decentralisatie en deconcentratie? Bij deconcentratie gaat het om verlening door de wetgever d. Decentralisatie is het spreiden van (zelfstandige) bevoegdheden buiten het machtscentrum. SER (art.v. Het grote verschil is dat gedecentraliseerde organen hun bevoegdheden niet uitoefenen in ondergeschiktheid aan een hoger overheidsorgaan ten opzichte waarvan ze verantwoordingsplicht hebben. maar wel toezicht. Voorbeelden zijn. Er zijn drie vormen: territoriale decentralisatie (provincies en gemeenten). Nederlandse orde van advocaten (art. 4.(doel is de zorg voor de waterkering en waterhuishouding) die hun bevoegdheden alleen uitoefenen op of in samenhang met hun eigen territoir.

5. Er is echter wel hiërarchie. Wat is het kenmerkende verschil tussen autonomie en medebewind? Bij autonomie is er een overgelaten zelfstandige bevoegdheid van provincie of gemeentebesturen tot regeling en bestuur van eigen aangeleden (GW. 117 lid 2 Gemw en art. ontstaat er een stelsel waarin de verschillende overheidsorganen elkaar over en weer in evenwicht houden (checks and balances). De bestuurlijke inrichting van provincie en de gemeente ? . Bij medebewind is een door een hogere regeling verlangd of gevorderd medebestuur (ook regelgeving). De Algemene Bijstandswet bijvoorbeeld wordt door het Rijk ter uitvoering opgedragen aan het college van B&W. wanneer door een orgaan van die hogere bestuurslaag wordt aangetoond dat een lager bestuursorgaan deze taak niet uit kan oefenen (art. Deconcentratie Ook hier worden zelfstandige bevoegdheden verspreid. Geldt ook voor de medebewindstaken. en er is ook ambtelijk toezicht. 6. Hier mogen hogere lagen niet aanzitten. Art. Oorspronkelijk strekte de verantwoordingsplicht van Gedeputeerde Staten aan de Provinciale Staten en die van B en W aan de gemeenteraad zich slechts uit tot handelen in het kader van autonomie.deel met de uitvoering van overheidstaken en uitoefening van overheidsgezag te belasten. Bij dit alles dient bedacht te worden dat de beleidsruimte van de lagere overheden wordt beperkt door de beschikbare financiële middelen. 115 lid 2 Provw). Het Europese Handvest inzake lokale autonomie is door Nederland zonder voorbehoud geaccepteerd. Dit betekent dat aan een hogere bestuurslaag slechts dan een taak toekomt. Eigenlijk is de autonomie een restgebied geworden: de besturen van gemeenten en provincies mogen elk onderwerp waarmee een openbaar belang is verbonden ter hand nemen. De taken zijn verplichtend dan wel facultatief (‘ u mag een bestemmingsplan maken’) De provinciale en gemeentelijke autonomie is vastgelegd in art. Bij de laatste is het College van Procureur-generaals de intermediar tussen de minister en het veld bij het doorvoeren van nieuwe regels. Medebewind is opdracht tot zelfstandige (op eigen naam en verantwoordelijkheid) uitoefening van bevoegdheden binnen de grenzen van de medebewindverlangende hogere regeling. opgedragen bij hogere regeling (art. Belastingsinspecteurs en Officieren van Justitie vallen onder dit begrip. artikel 124). mits dit nog niet ter regeling is toebedeeld aan een hoger publiekrechtelijk lichaam of doelgemeenschap. Bij de taakverdeling tussen de verschillende overheden dient uitgegaan te worden van 'het beginsel van de omgekeerde bewijslast'. Wijzigingen van de Provw en de Gemw hebben ertoe geleid dat de verantwoordingsplicht van de genoemde colleges en hun individuele leden tegenwoordig ook geldt voor daden in het kader van medebewind. wanneer de autonome taken grovelijk worden verwaarloosd. 124 lid 1 Gw. 132 lid 5 Gw geeft aan wanneer de centrale overheid mag ingrijpen. 124 lid 2 Gw). Kwantitatief veel belangrijker zijn de taken en bevoegdheden die gemeenten en provincies bezitten krachtens medebewind. Op het gebied van de autonomie mogen de organen van deze lagere publiekrechtelijke lichamen in beginsel naar eigen inzicht regelend en besturend optreden. Het betreft hier de verplichte uitoefening van bevoegdheden.

Dat is echter niet meer het geval bij de bevoegdheden die rechtstreeks aan GS of B en W zijn toegekend in de verschillende medebewindswetten. raad ook de belangrijkste bevoegdheden toegekend. Het aantal statenleden en gemeenteraadsleden is afhankelijk van het aantal inwoners. 13) en de Gemw (art. Afspiegelingscollege: de fracties nemen in evenredigheid deel aan het college. 36 Gemw). medebewindsbevoegdheden is het uitgangspunt dat deze door PS en gem.v. burgemeester is de voorzitter. de provinciale en gemeentelijke volksvertegenwoordiging. Dergelijke bevoegdheden bevorderen een meer zelfstandige positie van het dagelijks bestuur t. Ze worden benoemd voor een periode van zes jaar. waarvoor hij binnen het college verantwoordelijk is. In de Provw (art. In beginsel stellen zij alle autonome verordeningen vast. De gedeputeerden worden uit en door provinciale staten gekozen. Commissaris van de Koningin/burgemeester Zij worden door de Kroon benoemd (indirecte legitimatie). Als hoogste orgaan zijn aan PS en gem. De wethouders worden uit en door de volksvertegenwoordiging gekozen. In de Provinciewet en Gemeentewet is de in de praktijk reeds gevestigde betrokkenheid van PS en gem. 125 lid 1 en 129 lid 6 Gw). 125 lid 1 Gw aan het hoofd staan van de bestuursorg.Provinciale staten/gemeenteraad Kenmerkend Voor het (oorspronkelijke) conventionele stelsel op het provinciale en gemeentelijke niveau is het feit dat de volksvertegenwoordiging (PS en gem. Provinciale staten en gemeenteraad worden voor vier jaar gekozen op basis van evenredige vertegenwoordiging (art. dan doet hij dat namens het college (mandaat).v. Het college van B en W vormt het dagelijks bestuur van de gemeente. De Provw verklaart dat de commissaris van de Koningin (voorzitter) en de gedeputeerden tezamen gedeputeerde staten vormen. Het geheel van de inrichting en samenstelling van de decentrale bestuursorganen spoort met het conventionele stelsel. 129 Gw). Als een gedeputeerde of wethouder bevoegdheden uitoefent.a. Het aantal varieert tussen drie en negen (art. raad worden uitgeoefend. 61 Provw en Gemw). De vergaderingen van PS en gem. raad uit kan oefenen (incompatibiliteiten). Ieder lid heeft een eigen portefeuille. Er dienen minimaal twee wethouders te zijn (art. Meerderheidscollege: hierin zitten fracties die de meerderheid vertegenwoordigen in de staten of de raad. Deze fracties wensen samen te werken volgens een bepaald politiek programma (ook wel programcolleges). Ook t. Hierna kan herbenoeming plaatsvinden. Voor de uitoefening van bevoegdheden door GS en B en W geldt het beginsel van de collegiale besluitvorming. 35. Gedeputeerde staten/burgemeester en wethouders Het dagelijks bestuur van de provincie berust bij gedeputeerde staten (GS). . raad bij de benoeming en herbenoeming van hun voorzitter vastgelegd (art. raad zijn in beginsel openbaar en de leden stemmen zonder last (artt. Hoe ziet de regeringsvorming ofwel collegevorming er op decentraal niveau uit? De grootste fractie neemt meestal het initiatief. raad) volgens art. 13) staan de onverenigbare betrekkingen die men niet gelijktijdig met het lidmaatschap van PS of gem.o. 35 Provw).

80 Provw. 83 en 84 jo. alsmede van het dagelijks bestuur. tezamen en ieder afzonderlijk. art. 172 e. Ook territoriale commissies. art. Hij heeft bij beide rollen bevoegdheden en verantwoordelijkheden. 163 Provw) en van B en W. 180. art.en inlichtingenplichtig zijn (art. 81 en 82 jo. 82 Gemw). Overtreding van een noodverordening is strafbaar op grond van art. art. wet en de Gemw. Tenslotte heeft hij een aantal bevoegdheden op grond van bijzondere wetten. Hij heeft op dit terrein ook bijzondere bevoegdheden met het oog op omstandigheden van nood. Voorts vertegenwoordigen zij de provincie en gemeente in en buiten rechte (art. deelgemeenteraden). De bevoegdheden van de commissaris als rijksorgaan zijn te vinden in de Instructie voor de commissarissen des Konings (ambtsinstructie). Verantwoordingsplicht en vertrouwensregel De leden van het dagelijks bestuur zijn. Gemw). want bij uitoefening van bepaalde bevoegdheden treed hij op als rijksorgaan. Aan bestuurscommissies kunnen bestuursbevoegdheden van PS en GS (art. 156 Gemw). 179 Provw. bevoegdheden en de samenstelling (art. art. dergelijke commissies kunnen bevoegdheden uitoefenen op een deel van het grondgebied van de provincie of de gemeente (deelprovincies.De commissaris en de burgemeester zijn voorzitter van de provinciale en gemeentelijke volksvertegenwoordiging. Handelen in strijd met bevelen van de burgemeester (in de praktijk namens hem gegeven door ambtenaren van politie) is strafbaar (artt. Hij is niet alleen een provinciaal orgaan. 173 lid 1 Gemw). 167 Provw en art. 7. aan PS of gemeenteraad verantwoording schuldig voor het door hen gevoerde bestuur (art. De belangrijkste bevoegdheden die hierin zijn vervat liggen op het terrein van de voorkoming en bestrijding van rampen en op het gebied van de civiele verdediging en de samenwerking met militaire autoriteiten alsmede waar het betreft de aanbeveling bij de (her)benoeming van burgemeester. Voor het handelen van de commissaris van de Koningin volgens de ambtsinstructie is hij verantwoording schuldig aan de minister van BiZa (hij is dan namelijk rijksorgaan). In zijn algemeenheid kan worden geconstateerd dat een aannemen van een vertrouwensregel past in de gewijzigde verhoudingen tussen het dagelijks bestuur en de volksvertegenwoordiging op decentraal niveau.v. De vertrouwensregel is daarom ook opgenomen in de Prov. 180 Gemw). Zij regelen daarbij tevens hun taken. De wetgever bepaalt in welke gevallen de . 443 WvSr. Commissies Provinciale staten en gemeenteraden zijn bevoegd commissies (commissies van advies en bestuurscommissies) in te stellen. Waarvoor is het van belang te onderscheiden tussen de situatie dat de commissaris van de koningin optreed als rijksorgaan en als provinciaal orgaan? Hij heeft als het ware een dubbele rol. burgemeester en de raad worden toegekend (art. De burgemeester is belast met de handhaving van de openbare orde (art. 169 Gemw). 184 WvSr). Zij vormen namelijk niet langer een conventionele eenheid (dit komt door medebewind). 176 lid 1 Provw. In de Provinciewet en Gemeentewet is een afzonderlijke bepaling gewijd aan de commissaris van de Koningin en de burgemeester om duidelijk te maken dat zij afzonderlijk verantwoordings.

Dit is een kaderwet waarin de voornaamste regels betreffende de inrichting en samenstelling van het waterschapsbestuur zijn neergelegd alsmede nadere regels omtrent instelling. 13 jo.v. Daarnaast kan het waterschapsbestuur (algemeen en dagelijks bestuur. bij AMVB en provinciale verordening met medebewindstaken worden belast. 10 WschW) bij de wet. ze mogen alleen opkomen voor hun specifieke taken op sociaal-economisch terrein en ze hebben alleen bevoegdheden t. 81 WschW). 77 WschW). Zij zijn tot stand gebracht op basis van de Wet op Bedrijfsorganisatie uit 1950 (WBO). m. Waterschappen kennen een algemeen bestuur (volksvertegenwoordiging) en een dagelijks bestuur.a. Hierna kan herbenoeming plaatsvinden. Ze worden benoemd voor een periode van zes jaar. 11 WschW). 134 Gw maakt de instelling mogelijk van openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen. In beginsel worden de leden van het algemeen bestuur voor vier jaren gekozen. voorzover deze bevoegdheden niet zijn toegekend aan het dagelijks bestuur of haar voorzitter (art. betaling en zeggenschap (art. Hoe is een waterschap bestuurlijk ingericht? Waterschappen kennen een lange geschiedenis. De Waterschapswet kent in de art. Zij worden door de Kroon benoemd (indirecte legitimatie). 41 en 46 WschW). De Waterschapswet brengt wel enige uniformering. Daaronder valt ook het vaststellen van keuren: de strafverordeningen van waterschappen (art.u. Deze algemene regels staan echter een diversiteit van waterschappen ook in de toekomst niet in de weg. De PBO-lichamen zijn typische voorbeelden van functionele decentralisatie. omdat zij algemene regels bevat waaraan het provinciale bestuur zich dient te houden bij de reglementering. art. 8. Pas in de laatste eeuw werd het een en ander gewijzigd. 9. de voorzitter die bij koninklijk besluit wordt benoemd (art. Uitsluitend als provinciaal bestuurder is de CdK verantwoording verschuldigd aan PS (art. taken en bevoegdheden bleven echter sterk verschillen (reglementering werd overgelaten aan de provincies). Per l januari 1992 is de Waterschapswet (WschW) in werking getreden. Het talrijkst zijn de openbare lichamen van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (PBO). In de Provinciewet en Gemeentewet is de in de praktijk reeds gevestigde betrokkenheid van PS en gem. Samenstelling. 119). Het algemeen bestuur is bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van de taken die het waterschap in het reglement zijn opgedragen. Het bij reglement te bepalen aantal leden van het dagelijks bestuur wordt gekozen door het algemeen bestuur. Om tot lid te kunnen worden gekozen dient men achttien jaar te zijn en niet ingevolge de Kieswet uit het kiesrecht zijn ontzet (art. dat deel van het bedrijfsleven waarvoor ze . afwijkende voorschriften zijn mogelijk (art. opheffing en reglementering van waterschappen. In de Waterschapswet blijft kenmerkend de koppeling tussen belang. 31 WschW). Bij het algemeen bestuur de verordenende bevoegdheid. 56 jo. Uit welke lichamen bestaat de publiekrechterlijke bedrijfsorganisatie? Art. Het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse aangelegenheden van het waterschap voor zover niet bij het reglement de voorzitter daarmee is belast.. raad bij de benoeming en herbenoeming van hun voorzitter vastgelegd (art. 14 WschW). 179 Provw) – ook als hij handelt in medebewind.CdK Rijksorgaan is. 19 t/m 24 per categorie belanghebbenden afzonderlijke bepalingen voor het actief kiesrecht.v. Het algemeen bestuur is samengesteld uit vertegenwoordigers van categorieën van belanghebbenden bij de uitoefening van de taken van het waterschap (art. 61 Provw en Gemw).

Wat is een gemeenschappelijke regeling? De taakverzwaring en de schaalvergroting hebben tot de conclusie geleid dat kliene gemeenten niet voldoende bestuurlijk en financieel draagvlak hebben om hun taken naar behoren uit te voeren. 1/3 door representatieve werkgeversorganisaties. grensoverschrijdend woonwerkverkeer en ontwikkelingen van economische activiteiten in het grensgebied. 8 WGR). 71 en 93 WBO). waarvan 1/3 wordt aangewezen door representatieve werknemersorganisaties. (Hoofd)bedrijfschappen zijn horizontaal gestructureerd: het gaat om bedrijven die een gelijke of verwante functie vervullen. Bij het regionale gat gaat het om taken die feitelijk te zwaar zijn voor gemeenten en te licht voor provincies. Productschappen kennen een verticale structuur. De Raad bestaat uit maximaal 45 leden. De decentrale overheden kunnen ook een publiekrechtelijke samenwerking treffen op basis van de wet gemeenschappelijke regelingen (WGR). dat wordt belast met de behartiging van bepaalde taken (art. Deze heeft tot taak het bevorderen en ondersteunen van het gezamenlijke beraad tussen colleges van GS van de provincies. WGR). terwijl de overige leden worden benoemd door de regering (de Kroonleden). 16 e. althans zich op een kleinere schaal afspelen dan de provinciale afspelen. 32 WBO). Op basis van WGR hebben provincies IPO opgericht: om Interprovinciaal overleg te verbeteren. 41-45 WBO). Het IPO treed vooral op als verdediger van belangen van provincies ten opzichte van gemeenten en het rijk. Het juridisch fundament van de laatstbedoelde samenwerkingen wordt gevormd door onder meer de Benelux . De oplossing wordt gezocht in samenwerking tussen de verschillende overheden. Bij een gemeenschappelijke regeling kan onder andere een openbare lichaam worden ingesteld of een gemeenschappelijk orgaan. De WBO maakt de instelling van bedrijfschappen. art. Daarnaast heeft de SER de taak van adviseur van de regering (art. hoofdbedrijfschappen en productschappen mogelijk. De deelnemende gemeenten of provincies houden hun invloed op het functioneren van hun gemeenschappelijk orgaan of lichaam. Verder is er nog een unie van waterschappen die optreed als belangen organisatie van de waterschappen. De SER is bevoegd tot het uitvaardigen van die (straf)verordeningen die hij in het kader van zijn taak nodig oordeelt (art. 79 Gw jo. Het nadeel van grote gemeenten is een verminderde betrokkenheid van de burger met het bestuur.en informatieverplichtingen neergelegd(art. 10. Gemeenten hebben hun belangen gebundeld in de (privaatrechterlijke) Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Daartoe zijn in de WGR de nodige verantwoordings. Denk aan milieukwesties. in die zin dat alle bedrijven die schakels in het proces van productie en verhandeling van een bepaald product vormen bijeen zijn gevoegd. het uitwisselen van kennis en ervaring en het bundelen van deskundigheid. met het te komen tot een gemeenschappelijke standpuntbepaling over zaken van gemeenschappelijk belang. De belangrijkste instantie van de WBO is de SociaalEconomische Raad (SER).zijn ingesteld (art. Veel gemeenten zijn dan ook opgeheven en samengevoegd.v. Gemeenten en provincies krijgen overigens ook meer te maken grens overschrijdende problemen. (zaken als brandweer. gezondheidszorg en afvalverwerking).

overeenkomst uit 1986 inzake grensoverschrijdende samenwerking alsmede verdrag tussen Nederland en de Duitse deelstaten Niedersachsen en NordRhein-westfahlen .

Wat zijn grondrechten? Typisch tot de rechtsstaat behoren grondrechten.v. vrijheid en eigendom van alle burgers te waarborgen en dat met het oog daarop fundamentele rechten door de overheid moesten worden gerespecteerd. Veleer is het zo dat grondrechten een terrein afgrenzen dat principieel niet aan overheidsmacht is onderworpen. behorende bij de staatsregeling van 1798.In ons land werden grondrechten voor het eerst systematisch opgenomen in de burgerlijke en staatkundige grondregels. Bij de grondwetsherziening van 1983 werd in hoofdstuk l een volwaardige grondrechtencatalogus gegeven met ook b. De zin van dit maatschappelijk verdrag lag immers juist in de waarborging van deze aan ieder toekomende rechten. Grondrechten komen de mensen als zodanig toe. Nieuw was dat in Locke's gedachtegang het maatschappelijk verdrag primair tot doel had leven. onschendbaarheid van de woning en drukpersvrijheid. In de negentiende eeuw kan de staat gekarakteriseerd worden als een klassiek-liberaal model. het betogingsrecht en de sociale grondrechten. in de systematisch uitgewerkte staatstheorie van John Locke. maar ook op zich gaat nemen zekere sociaal-economische condities te realiseren. In de aanvang van de twintigste eeuw ontwikkelt de staat zich met name door de uiteindelijke erkenning van het algemeen kiesrecht tot een democratische rechtsstaat. los van het staatsverband toekomen. vrijheid en eigendom van alle burgers te waarborgen en dat met het oogmerk daarop fundamentele rechten door de overheid moesten worden gerespecteerd. Deze wordt vervolgens na de tweede wereldoorlog uitgebouwd tot een sociale rechtsstaat. verliest zijn bestaansgrond. Na de herwinning van de onafhankelijkheid kwam in 1814 onze eerste Grondwet tot stand. Grondrechten waren er in slechts zeer beperkte mate in vervat (justitiële waarborgen en op het terrein van de godsdienst). recht op schadeloosstelling bij onteigening. In 1917 werd de Grondwet verrijkt met het algemeen kiesrecht en de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs met het openbaar onderwijs. los van het staatsverband toekomen. onschendbaarheid van het briefgeheim. In de Grondwet van 1815 werden de grondrechten uitgebreid met onder meer gelijkheidswaarborgen. een . hoewel ze eerst door het staatsverband tot effectieve waarborging komen. Van eminent belang is tenslotte de vastlegging van grondrechten (mensenrechten) in verdragen. Reeds vanaf de middeleeuwen treft men documenten aan waarin waarborgen zijn vastgelegd tegen willekeurig of oppressief overheidsgezag (Magna Carta 1215). Een staatsverband dat grondrechten niet waarborgt. waarbij overheidsgezag in het leven wordt geroepen (maatschappelijk verdrag). waarin het waarborgen van de individuele vrijheidsrechten voorop staat. In latere staatsregelingen tot aan de inlijving bij Frankrijk in 1810 nam het grondrechtenbestand gaandeweg in omvang af. In 1848 kwam het grondrechtenbestand tot een voorlopige afronding met het recht van vereniging en vergadering. Het zijn rechten die de mens van nature. Grondrechten hebben in deze gedachtegang een zogenaamd preconstitutioneel karakter. en zelfs als een soort watermerk van echte rechtstatelijkheid worden aangemerkt. Het leven. vrijheid van onderwijs en waarborging dat bij de inrichting van het openbaar onderwijs ieders godsdienstige overtuiging zou worden geëerbiedigd. hoewel ze eerst door het staatsverband tot effectieve waarborging komen. petitierecht. waarin de overheid niet alleen de individuele vrijheidssfeer in acht neemt. Grondrechten hadden in deze gedachtegang een pre-constitutioneel karakter: grondrechten zijn rechten die de mens van nature. dit was nieuw in de gedachtegang van Locke in zijn maatschappelijk verdrag. Een ontwikkeling naar grondrechten in moderne trant zette zich pas in met John Locke (1689): het staatsbestel zou berusten op een aanvankelijke overeenkomst.Week 5 1.

die heeft ook de wetgever te respecteren. grondrechten zijn gewaarborgd in de grondwet. Wat zijn de verschillen tussen klassieke en sociale grondrechten? Klassieke grondrechten zijn vrijheidsrechten. immers. maar juist als een verbod voor de overheid om op een bepaalde vrijheid inbreuk te maken. De heerschappij van het recht kan zelf onderdrukkend worden.z. zijn de sociale grondrechten in het algemeen niet in rechte afdwingbare instructienormen. Wat is het belang van grondrechten in een rechtsstaat? vrijheidsrecht vormt het uitgangspunt. Grondrechten moeten hierin ontzien: Grondrechten maken duidelijk dat rechtsschepping binnen bepaalde grenzen moet blijven. Terwijl de klassieke grondrechten in rechte afdwingbare waarborgnormen zijn. en geen doelstellingen na te streven die niet te rechtvaardigen zijn vanuit de opdracht de individuele vrijheid te waarborgen. Soms is een klassiek grondrecht niet geformuleerd als een vrijheid van de burger. een constructie ten behoeve van de handhaving en bescherming van zijn eigen en andermans vrijheid. De rechtstaat houdt in. de beperking de uitzondering. De rol van de staat is dienende. 4. wil het niet zijn legitimiteit verliezen. Daar de vrijheid de hoofdregel vormt. Immers. de matiging die veelal van het traditionele gewoonterecht uitging en de verbinding van dit recht met de gerechtigheididee is verloren gegaan. 2. hoeft zij niet gelegitimeerd te worden. Tezelfdertijd vindt codificatie van grondrechten plaats op internationaal vlak in de vorm van mensenrechtenverdragen. Hoe heeft de grondwetgever de beperkingsystematiek van de grondrechten in de grondwet opgenomen? . 3.w. dat de grondslag van statelijk gezag in het recht wordt gelegd en de uitoefening van dit gezag onder de heerschappij van het recht wordt geplaatst. maar dragen de overheid juist op bepaalde activiteiten te ontplooien. normen die aangeven dat de overheid een bepaalde bevoegdheid juist niet bezit: ze heten dienovereenkomstig ook wel afweerrechten. Deze heeft weliswaar een algemene bevoegdheid tot wetgeving. behoeft zij geen rechtvaardiging. Overheidsoptreden moet de vrijheidssfeer respecteren. wanneer het recht niet bepaalde begrenzingen in acht neemt. Hij behoort geen eigen belang te hebben. Het positieve recht als uiting van de op zich arbitraire wil van de wetgever heeft dus een rechtsstatelijke beveiligingsmechanisme nodig tegen ontsporing. dat ze een dam opwerpen tegen overheidsoptreden dat als willekeurig of onderdrukkend wordt ervaren. Op grond van deze bepaling dienen metterdaad maatregelen genomen te worden. bevatten taakstellingen voor de overheid.taakstelling waarvan de sociale grondrechten een belangrijke juridische uitdrukking vormen. Juist grondrechten zijn hierbij van fundamenteel belang. d. Het behoort tot de essentie van de klassieke grondrechten. Juist omdat het recht positief wordt – dat wil zeggen niet meer uit traditie tot ons komt. De staat is een instrument. maar een resultaat is van rechtsscheppende handelingen (wetgeving) – kan het dubbel en dwars oppersief worden. Deze grondrechten worden wel aangemerkt als 'negatieve competentienormen'. Zij waarborgen niet een vrijheidssfeer van de burgers tegenover de overheid. Die grenzen gelden ook voor de formele wetgever. Sedert de grondwetsherziening van 1983 zijn de klassieke grondrechten aangevuld met zogenaamde sociale grondrechten. maar dient bij de uitoefening daarvan wel de grondrechten in acht te nemen.

Aan de hand van welke methode kunnen klassieke grondrechten worden beperkt? Aan de hand van doelcriteria.d. Is de beperking echt nodig om in de clausule genoemde doeleinde te bereiken? 7.v. 6. 6 lid 2 en 9 lid 2 . Tevens verbiedt de Grondwet de formele wetgever te treden in de religieuze of levensbeschouwelijke richting van het bijzonder onderwijs. 5. Het belangrijkste element van de beperkingssystematiek van de grondrechten wordt echter gevormd door de aanwijzing van het tot beperking bevoegde orgaan d. het betreffende grondrecht ter behartiging van een of meer van de in de clausulering genoemde doeleinden beperkingsbevoegdheid heeft overgedragen. de vrijheid van meningsuiting geldt bovendien als waarborg dat voorafgaand toezicht (censuur e. Als de formele wetgever een beperkende bevoegdheid wil delegeren. Deze basis bestaat met betrekking tot de meeste van deze rechten in de zogenaamde clausuleringen. Soms is deze motiveringsplicht nog nader gespecificeerd doordat de beperkingsclausule aangeeft dat een wettelijke regeling uitsluitend toelaatbaar is met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Een voorbeeld van zo'n specifieke wet is de Wet openbare manifestaties die.t. dat een vrijheidsrecht wordt erkend. Waarom heeft de grondwetgever er de voorkeur aan gegeven een strikte beperkingsystematiek te hanteren? Omdat het de regelgeving op die manier duidelijk maakt en om te voorkomen dat de rechterlijke macht belangen van deze grondrechten zelf inkleurt.) zelfs door de formele wetgever niet opgelegd mag worden. Hierin wordt bepaald op welke manier te werk moet worden gegaan bij de uitoefening van de bevoegdheid om het grondrecht te beperken. Art. democratisch geconstitueerde wetgever aangebracht worden. Soms ook wordt een beperking gebonden aan procedurevoorschriften.a. in de zin dat hij ter zake een specifieke wet geeft. waarbij op de wetgever de plicht rust deze beperkingen te motiveren. Beperkingen van de uitingsgrondrechten ter zake van de inhoud van de uiting kunnen alleen door de formele. verslag etc. Hoe heeft de grondwetgever deze strikte beperkingsystematiek weer afgezwakt? De beperkingclausules zijn onderworpen aan een proportionaliteitstoets. 12 Gw (binnentreden) bevat ook procedurevoorschriften: last. met het ook op welk belang mag het grondrecht worden beperkt? En aan de hand van procedurevoorschriften. competentievoorschriften. uitdrukkelijk beperkingsbevoegdheid delegeert aan gemeentelijke organen. waarbij uit de tekst of de wetsgeschiedenis blijkt dat hij m. Stelsel van beperkingen van grondrechten .v. waarna een beperkingsclausule volgt waarin aan de formele wetgever de bevoegdheid wordt gegeven zekere beperkende voorschriften te stellen.m. Men spreekt dan van de beperkingsclausule volgens zogenaamde doelcriteria. T.b. dan zal hij dat uitdrukkelijk moeten doen.Voor beperking van grondwettelijke grondrechten moet een basis in de Grondwet zelf aanwezig zijn. De typisch rechtsstatelijke structuur van een grondrecht is deze. hiertoe gemachtigd door art.

Het belangrijkste element van de beperkingssystematiek van de grondrechten wordt echter gevormd door de aanwijzing van het tot beperking bevoegde orgaan d. Een voorbeeld van zo'n specifieke wet is de Wet openbare manifestaties die. Deze basis bestaat met betrekking tot de meeste van deze rechten in de zogenaamde clausuleringen. De vragen: a. 6 lid 2 en 9 lid 2 Gw. op elke plaats en op iedere wijze uitgeoefend mogen worden. 3. Als de formele wetgever een beperkende bevoegdheid wil delegeren. T.ook door de grondwetgever voorgestane . Het belangrijkste element van de beperkingssystematiek van de grondrechten wordt echter gevormd door de aanwijzing van het tot beperking bevoegde orgaan d. Staat er “behoudens”. competentievoorschriften. de vrijheid van meningsuiting geldt bovendien als waarborg dat voorafgaand toezicht (censuur e. drukpers. Tevens verbiedt de Grondwet de formele wetgever te treden in de religieuze of levensbeschouwelijke richting van het bijzonder onderwijs. 9 Gw die uitgewerkt zijn WOM. dan mag de overheid regels stellen. het betreffende grondrecht ter behartiging van een of meer van de in de clausulering genoemde doeleinden beperkingsbevoegdheid heeft overgedragen. in de zin dat hij ter zake een specifieke wet geeft. openbaarmaking door de drukpers en het geven van onderwijs. dan zal hij dat uitdrukkelijk moeten doen. De vraag was of de praktijken onder vrijheid van godsdienst vielen. Bestaat er voor dit grondrecht een beperkingsclausule? Voor beperking van grondwettelijke grondrechten moet een basis in de Grondwet zelf aanwezig zijn.Specifieke (bijzondere) beperking genoemd in beperkingsclausule bij de grondwet. In principe was het een bordeel. Een . Bijvoorbeeld de beperkingsclausule bij art.v.v.Reikwijdte van een grondrecht. democratisch geconstitueerde wetgever aangebracht worden. competentievoorschriften. De vraag is. hiertoe gemachtigd door art. waarbij uit de tekst of de wetsgeschiedenis blijkt dat hij m. uitdrukkelijk .b.m.) zelfs door de formele wetgever niet opgelegd mag worden. rijst niet alleen de vraag of er sprake is van godsdienstige belijdenis. 6 en art. maar ook of de grondrechtelijk gegarandeerde vrijheid om deze handelingen te verrichten daadwerkelijk beperkt wordt door het bestreden overheidsoptreden.a.d. b.1. Dat was niet het geval want er werden voor de praktijken betaald.t.v. Beperkingen van de uitingsgrondrechten ter zake van de inhoud van de uiting kunnen alleen door de formele.m. is er nog wel of niet meer sprake van een grondrecht? Bij de vaststelling van de reikwijdte van een grondrecht als de vrijheid van godsdienst. onderwijs etc. Competentie: Wie mag beperken? (De formele wetgever of is delegatie mogelijk).redelijke uitleg van grondrechten brengt met zich mee dat de door deze rechten gegarandeerde vrijheden geacht worden niet zover te gaan dat ze waarborgen dat de betreffende activiteiten te allen tijde. Als voorbeeld kunnen we het Walburga-arrest nemen.

HR oordeelt dat Christelijke feestdagen algemeen zijn. 7 Gw kan niet worden ingeroepen tegen de Hinderwet. beperkende wet/regel is toegestaan indien voldaan is aan voorwaarden van de beperkingsclausule. Een redelijke uitleg volgt dan door de rechter. Voldoet beperkende wet/regel niet aan voorwaarden. hij weegt dan de belangen af. 12 Gw. De typisch rechtsstatelijke structuur van een grondrecht is deze. stelt dat niet-toekennen hiervan een inbreuk is op de vrijheid van godsdienst. c. Zij hebben niet tot doel de vrijheid van drukpers te beperken. Suikerfeestarrest: Vrouw eist vrije dag voor suikerfeest.b. want deze wet beoogt niet dit recht te beperken. 8. staat aangegeven in de beperkingsclausule.Algemene beperkingen De wet/regel beperkt een grondrecht onbedoeld. Met het oog op welk belang mag het grondrecht worden beperkt. Wat wordt bedoeld met algemene beperkingen? Dat is wanneer de wet of een regel een grondrecht onbedoeld beperkt. Bijv: vergunning drukkerij wet milieubeheer.beperkingsbevoegdheid delegeert aan gemeentelijke organen. Men spreekt dan van de beperkingsclausule volgens zogenaamde doelcriteria. Voorbeelden: Arrest Hinderwetbesluit en Drukpers: De Hinderwet en het daarop gebaseerde Besluit zijn tot stand gekomen met het oogmerk geluidsoverlast tegen te gaan. de zelfstandige naamwoorden “regels”en “regeling” of de term “(bij of) krachtens gebruikt wordt is delegatie geoorloofd. is het een probleem waarin rechter beslist 1. waarbij op de wetgever de plicht rust deze beperkingen te motiveren. Rechtsregel: bij de uitoefening van grondrechten dient rekening gehouden te worden met de belangen van anderen. in dit geval die van de werkgever. Slechts wanneer enigerlei vorm van het werkwoord ‘regelen”. b. deze niet. . In dit geval leidt de belangenafweging tot beperking van het grondrecht. en zijn ook niet ontstaan om het grondrecht te beperken. Procedure regels: Welke procedure moet worden gevolgd? Art. dat een vrijheidsrecht wordt erkend. als neveneffect. Of de wetgever bevoegd is om te delegeren hangt af van de vraag of er een delegatieterm voorkomt. Wanneer beperken: Doelcriteria d. maar brengen wel met zich mee dat deze vrijheid niet onbeperkt gebruikt kan worden. Art. waarna een beperkingsclausule volgt waarin aan de formele wetgever de bevoegdheid wordt gegeven zekere beperkende voorschriften te stellen. Soms ook wordt een beperking gebonden aan procedurevoorschriften. a. Zie dan 2. 3. Soms is deze motiveringsplicht nog nader gespecificeerd doordat de beperkingsclausule aangeeft dat een wettelijke regeling uitsluitend toelaatbaar is met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. als neveneffect. Algemene beperkingen zijn niet gebaseerd op het grondrecht.

een belangenafweging pleegt waarbij de uitoefening van het grondrecht een zwaarwegend belang vormt dat die open begrippen a. Suikerfeestarrest is hier een voorbeeld van.h. Wat wordt verstaan onder horizontale werking van grondrechten? Grondrechten in de rechtsbetrekkingen tussen burgers onderling. In de rechtsbetrekkingen tussen burgers onderling worden ontplooiing en zelfverwezenlijking juist gewaarborgd door de mogelijkheid van individuele wilsbestemming (contractsvrijheid). In hoeverre kunnen grondrechten horizontale werking hebben? Nu zien wij de mens als een naar ontplooiing en zelfverwezenlijking strevend element in een maatschappelijke samenhang. Juridisch betekent dit: horizontale werking van grondrechten. Dan ligt het voor de hand om die maatschappelijke samenhang zelf op de inachtneming van grondrechten af te stemmen. 10. openbare orde en goede zeden. Veelal gaat de rechter uit van een indirecte horizontale werking. waarbij hij in het kader van de interpretatie van open privaatrechtelijke begrippen. . Ook in de sfeer van de (vermeende) onrechtmatige daad kunnen dergelijke problemen opduiken. In de verticale werking van grondrechten – verhouding overheid en burger gelden grondrechten onverkort.w. dat de mogelijkheid tot uitoefening van grondrechten wordt beperkt. inkleurt. Welk grondrecht heeft bij botsing voorrang? Ter gelegenheid van grondwetsherziening van 1983 hebben regering en Staten-Generaal zich dan ook niet met een ondubbelzinnig ja of nee durven uitspreken. Grondrechten hebben naar hun oorspronkelijke bedoeling uitsluitend verticale werking. Aan de rechter werd overgelaten om in concrete gevallen een passende oplossing te vinden. Bedacht dient te worden dat met horizontale werking van grondrechten ook de problematiek van botsing van grondrechten is gegeven. zijn historisch gezien op de gezagrelatie tussen overheid en burger.Er zijn drie gronden waarop grondrechten kunnen worden beperkt buiten de Grondwet om: • • • Verandering van heersende rechtsopvatting Ontwikkeling van rechtsinstellingen (bijv. Grondrechten hebben naar hun oorspronkelijke bedoeling uitsluitend verticale werking. dit ter onderscheiding van verticale werking in de zin van werking in de rechtsbetrekkingen tussen overheid en burgers. Kenmerk van deze indirecte horizontale werking is dat indien de belangenafweging leidt tot afwijzing van de grondrechtenclaim deze afwijzing niet herleid hoeft te worden tot de beperkingsclausule. teneinde aldus de mogelijkheden tot ontplooiing en zelfverwezenlijking in alle opzichten te verzekeren. In de huidige tijd is echter een in krachten betekenis steeds toenemende tendens ontstaan om de gelding van grondrechten ook uit te doen strekken over rechtsbetrekkingen tussen burgers onderling en tussen burgers en particuliere organisaties. zoals de begrippen: onrechtmatig. 9. De verbintenisscheppende overeenkomst kan echter juist tot doel of gevolg hebben. wetten: Hinderwet) Redelijke uitleg of redelijke toepassing van grondrechten: grondrechten kunnen niet onbeperkt ad infinitum worden ingeroepen.

125a Aw 12. Het valt niet onder de vrijheid van godsdienst. Worden de activiteiten van de zusters van Walburga beschermd door art.Slechts in uitzonderingsgevallen past de rechter een grondrecht inclusief de beperkingsclausule rechtstreeks in de verhouding tussen burgers onderling toe (directe horizontale werking). 6 van de grondwet? Nee. 11. . Zie art. Kunnen ambtenaren ten opzichte van de overheid onverkort een beroep doen op grondrechten? Er zijn beperkingen. Het is erotisch en er wordt voor de praktijken betaald.

Het primaire doel van de organisatie is het handhaven van de internationale vrede en veiligheid. Het probleem is echter dat niet altijd duidelijk is of de kwalificatie van een verdrag door de regering als ‘uitvoeringsverdrag’ wel juist is. Zo beschikken de bovengenoemde internationale organisaties over eigen besluitgevende bevoegdheid. Naast verdragen zijn er ook andere vormen van internationaal recht. in de zin dat de lidstaten hun soevereine beslissingsmacht in beginsel volledig hebben behouden. Soms wordt een belangrijk verdrag ten onrechte als een uitvoeringsverdrag bestempeld en daardoor buiten de parlementaire . De nationaal-democratische controle op de vorming van internationaal recht door verdragen (chronologisch): Op internationaal niveau: • • • • onderhandelingen ondertekening door de regering bekrachtiging (ratificatie) inwerkingtreding Op nationaal niveau: • • publicatie in Tractatenblad parlementaire goedkeuring Een uitvoeringsverdrag vormt als het ware de gebonden implementatie van het daaraan ten grondslag liggende 'moederverdrag'. De Raad van Europa is de grootste Europese internationale organisatie. en hun gedelegeerden in deze organisaties optreden ter behartiging van het nationale belang. sociale en culturele rechten (IVESCR of Esocul) De eerste heeft in tegenstelling tot de tweede veel een ieder verbindende bepalingen. In dit kader zijn mensenrechten gepositiveerde in het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook is er veel aandacht voor mensenrechten met een belangrijke verdragen tot gevolg: • • Het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR of BUPO).Week 6 1. opgericht om naast de VN bij te dragen tot de oplossing van de naoorlogse problemen. Het Internationaal verdrag inzake economische. Welke zijn de belangrijkste internationale mensenrechtenverdragen? De Verenigde Naties (VN) is een mondiale volkerenorganisatie met een veelheid van instellingen. Hieraan zijn Protocollen en het Elementair Sociaal Handvest (ESH) toegevoegd. Het zijn 'gewone' internationale (volkenrechtelijke) organisaties. Met de goedkeuring van het moederverdrag is ook de goedkeuring van de gebonden tenuitvoerlegging in de vorm van het uitvoeringsverdrag geïmpliceerd. Het EVRM bevat zeer veel een ieder verbindende bepalingen.

2. In de toekomst zal deze gang van zaken vermoedelijk niet meer voorkomen. Het Nederlandse staatsrecht gaat uit van een gematigd monisme. 93 en 94 Gw leggen het monisme vast.goedkeuringsprocedure gehouden. In een constitutie die uitgaat van een dualistisch stelsel vormen de internationale en de nationale rechtsorde strikt gescheiden sferen. Artt. Veelal zal de in het verdrag gelegen bevoegdheidsgrondslag een ruime zijn. Waar is in het Nederlandse staatsrecht vastgelegd dat Nederland een monistisch stelsel van doorwerking heeft? Het internationale recht eist dat de nationale staat zijn internationaal-rechtelijke verplichtingen nakomt. De bovengeschetste stelsels zijn ideaaltypen en komen bijna nooit in zuivere vorm voor.g. De internationale verplichtingen moeten gerealiseerd worden op een manier die de lidstaten zelf mogen kiezen. Derhalve is het zaak om zonodig al invloed uit te oefenen op de totstandkoming van de tekst van het verdrag. De Tweede Kamer heeft een amendement aangenomen op het ontwerp van Rijkswet goedkeuring en bekendmaking van verdragen. Er zijn ook dualistische trekken. 93 en 95 Gw zeggen bijv. als ze in nationaal recht zijn omgezet (via transformatie). De internationale normen hebben de voorrang boven nationale regels. De burger kan op geschikte internationale normen een beroep doen. . 94 Gw. De eindresultaatverplichtingen kunnen binnen het nationale recht op twee manieren ten uitvoer worden gelegd: op een monistische of een dualistische. De toekenning van besluitgevende bevoegdheden aan internationale bevoegdheden zal berusten op door het parlement goedgekeurde verdragen. maar de rechter zal deze zien als nationaal recht. Zie ook art. De internationale normen hebben de voorrang boven nationale regels. Vanuit internationaal-rechtelijk perspectief zijn het internationale en het nationale recht gescheiden rechtsorden. In een constitutie die uitgaat van een monistisch stelsel wordt daarentegen niet uitgegaan van twee gescheiden rechtssferen. De burger kan op geschikte internationale normen een beroep doen. Artt. Internationale rechtsnormen hebben pas gelding in het nationale recht. Gevolg is dat zo'n (inmiddels) nationale regel ondergeschikt kan zijn aan een hogere of latere regel. dat een ieder verbindende bepalingen van verdragen en volkenrechtelijke besluiten slechts in de nationale rechtsorde toegepast worden nadat ze conform de eisen van het nationale recht bekend zijn gemaakt. kan dit wel. Als deze normen getransformeerd zijn. maar wordt de nationale rechtsorde gezien als een onderdeel van de (hogere) internationale rechtsorde. In een constitutie die uitgaat van een monistisch stelsel wordt daarentegen niet uitgegaan van twee gescheiden rechtssferen. zullen de gedelegeerden een grote onderhandelingsruimte moeten krijgen en zal de verantwoording achteraf de besluitvorming niet ongedaan kunnen maken.v. hoewel dat soms lastig is omdat over bepaalde teksten nog onderhandeld wordt. er is geen transformatie nodig. De nationale staat moet het internationale recht ten uitvoerleggen o. Hierbij kan de burger bij de rechter geen beroep op internationale normen doen. 26 en 27 Weens Verdragenverdrag. maar wordt de nationale rechtsorde gezien als een onderdeel van de (hogere) internationale rechtsorde.

voorzover de rechtspositie van de burger daarbij al maatgevend wordt geacht. Hij stelt tevens een grens aan de toetsingsbevoegdheid aan de rechter. 94. Terwijl art. 93 gaat om een verplichting voor de burger. gaat het bij art. 93 Grondwet? Art. want slechts ten aanzien van verplichtingen die uit een bepaling van internationaal recht voortvloeien voor de burger. (Zie ook artt. Nederland: inzake de werking van verdragen binnen de nationale rechtsorde de monistische visie aanhangt. dat rechtstreeks toepasselijk verdragsrecht voorrang heeft. Wat is de functie van art. Het blijkt dat de grondwetgever slechts heeft beoogd de interne werking van internationaal recht ten aanzien van de burger vast te leggen: uit verdragsbepalingen voortvloeiende verplichtingen van de burger kunnen niet aan hen worden opgelegd als ze niet zijn bekend gemaakt. We constateren dat een ieder verbindende bepalingen uit art. 5. hebben verbindende kracht nadat zij bekend zijn gemaakt. vooral om aanspraken of rechten van de burger. Terwijl art. 6. indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden. in weer wil van de letterlijke tekst. maar de primaire functie van art 94 is het stellen van een grens van de bevoegdheid van de rechter. 94 Gw Binnen het koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing. voorzover de rechtspositie van de burger daarbij al maatgevend wordt geacht. 94. Volkenrechtelijk verbindende . Deze schakelbepaling houdt in. We constateren dat een ieder verbindende bepalingen uit art. Wat is de precieze betekenis van de begrippen “een ieder verbindende bepaling” in artikel 93 Gw. 93 en 94 niet dezelfde betekenis hebben. vooral om aanspraken of rechten van de burger. in weer wil van de letterlijke tekst.3. 93 gaat om een verplichting voor de burger. Met andere woorden: bekendmaking is noodzakelijk voor de toepassing jegens de burger. 93 Gw Bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechterlijke organisaties. gaat het bij art. indien nationale wetgeving hiermee strijdig is. 93 legt partieel het monistisch systeem vast. Wat is de precieze betekenis van de begrippen “een ieder verbindende bepaling” in artikel 94 Gw. 94 Grondwet? Art. Wat is de functie van art. 93 en 94 niet dezelfde betekenis hebben. Art. 120 Gw) Hoewel de tekst van artikel 93 wel de indruk wekt dat de grondwetgever een algemene uitspraak doet over internationale werking van internationaal recht in het Nederlandse recht. dan zou men daaruit kunnen concluderen dat daarin de grondwet een toetsingsbevoegdheid aan de rechter attribueert. 88. is de bedoeling van de grondwetgever met de opening van dit voorschrift een hele andere geweest. 4. Blijkens de grondwetsgeschiedenis is de bepaling weliswaar ook gericht tot de genoemde instanties.

In het kader van de VN functioneert het Internationaal Gerechtshof als geschillenbeslechter. wordt beoordeeld door de Kamer of in bepaalde ‘lastige’ gevallen door een Grote Kamer. de toepassing van nationale wettelijke voorschriften te toetsen op overeenstemming met een ieder verbindende verdragsbepaling. maar is nadere regelgeving noodzakelijk. Het Hof kent een Comité van drie rechters. Op de naleving van het IVBPR wordt toegezien door een Comité voor de rechten van de mens. 7.verdragen werken eo ipso binnen de nationale rechtsorde. Kamers van zeven rechters een Grote Kamer van zeventien rechters. Het Comité doet geen rechterlijke uitspraken in eigenlijke zin. zowel het Comité als de Commissie. zetelend in Genève. Is de Nederlandse rechter bevoegd de bepalingen van hoofdstuk 1 van de grondwet (grondrechten) te toetsen aan het europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden? Op verschillende wijzen is voorzien in internationale rechterlijke controle. inclusief de Grondwet.v. is ongetwijfeld dat het gaat om ‘bepalingen die betrekking hebben op door de overheid jegens de burgers te verrichten prestaties’: dergelijke bepalingen kunnen . art.g. Voorts zijn tegen de staat gerichte klachten van particulieren mogelijk bij het Comité resp. 5 Facultatief Protocol). Wat is de functie van de Human Rights Act 1998 in het Britse recht? De functie hiervan is om verdragsbepalingen te transformeren naar het nationale recht. De Straatsburgse rechtsgang is daarentegen wel als een rechterlijke procedure aan te merken. sociale rechten niet een ieder verbindend zijn. Ook iedere Nederlandse rechter is bevoegd o. dan prevaleren deze volgens artikel 94 Gw boven het nationale recht. Dit zijn ze steeds meer gaan doen. doch uitsluitend indien de staat dit klachtrecht heeft erkend. Een belangrijke taak van al deze rechterlijke instanties ligt op het terrein van het statenklachtrecht. Er bestaat geen internationale instantie die de naleving van de uitspraken van de genoemde internationale instanties afdwingt. beiden zetelend te Straatsburg. geeft slechts kennis van haar inzichten (art.t. zelfs verplicht. 8. Kan een Britse rechter een engelse wet vernietigen wegens strijd met human rights Act 1998? 9. Als grove vuistregel ten aanzien van mensenrechtenbepalingen kan aangehouden worden dat klassieke vrijheidsrechten wel. Een verzoekschrift dat ontvankelijk is verklaard. Het Comité geeft een bindend dictum ingeval van niet-ontvankelijk verklaren. dan is de betreffende bepaling dus niet een ieder verbindend. Ten behoeve van de naleving van het EVRM zijn ingesteld de Europese Commissie en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.b. Bevat een verdrag bovendien zogenoemde een ieder verbindende (directly applicable) bepalingen. bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens. 94 Gw. Een belangrijke reden om bepalingen die sociale rechten toekennen veelal als niet een ieder verbindend te kwalificeren. Nederland heeft zulks gedaan m. Wanneer brengt nu de inhoud van een bepaling van internationaal recht met zich mee dat deze wel of niet een ieder verbindend is? Kan de bepaling als zodanig niet toegepast worden.

In het algemeen streven Nederlandse rechters bij de interpretatie van internationale mensenrechtenverdragen naar nauwgezette afstemming op de jurisprudentie van internationale rechters. . zodat rechtstreekse werking niet voor de hand ligt.in het algemeen bezwaarlijk zonder nadere uitwerking in de rechtsorde functioneren.