Algemene Psychologie

Hoofdstuk 9
9.1 9.1.1 problemen oplossen inleiding y denken is een cognitief proces waarbij cognitieve representaties gemanipuleerd worden om de wereld te begrijpen en problemen op te lossen. y Probleem oplossen: wanneer we hindernissen moeten overwinnen om een vraag te beantwoorden of een doel te bereiken. o Experts hebben meer oplossingen in hun geheugen opgeslagen en kunnen die meteen oproepen. y Probleemruimte: metafoor voor het oplossen van een probleem. Zoeken van een pad in een doolhof, dat leidt van het begin naar het doel. Sommige paden zijn juist, anderen zullen fout zijn. De verschillende paden staan voor de mogelijke acties. algoritmen y algoritme: een reeks van operaties die in theorie een oplossing van het probleem garanderen. Vaak vereist dit een herhaaldelijke toepassing van een relatief eenvoudige operatie. y Volledig gestructureerd probleem: een probleem waarvan de oplossing vastligt en waarvan met zekerheid bekend is dat een oplossingspad bestaat. o Handig bij een algoritme. o Vb: toren van Hanoi. y Ongestructureerd probleem: men weet niet of er wel een oplossingspad bestaat en het is voor de oplosser niet duidelijk hoe het doel er uit ziet. o Moeilijk om een algoritme bij voor te stellen. o Vb: negen-stippen-probleem. y Algoritme heeft 3 beperkingen: o Probleem moet volledig gestructureerd zijn. o Meestal zonder veel nadenken algoritme toepassen. o Omslachtig, repetitief werk. Heuristieken y heuristieken: informele, speculatieve oplossingsstrategieën, die men ontwikkeld om bepaalde problemen aan te pakken; strategieën die we leren gebruiken omdat ze een oplossing leveren voor een specifiek probleem. het werkt sneller dan een algoritme. o Wel van toepassing op ongestructureerde problemen. o Meestal taakspecifiek. y Algemeen toepasbare heuristiek: o Subdoelanalyse: het proces waarbij een complex probleem in een reeks van kleinere, overzichtelijkere vragen opgedeeld wordt. o Middel-doelanalyse: strategie waarbij de probleemoplosser een reeks van kleine stapjes maakt en telkens nagaat wat gedaan moet worden om de afstand tot het einddoel te verkleinen. y Als heuristieken werken leiden ze tot een snellere oplossing dan algoritmen. o Als de heuristiek faalt blijkt men niet makkelijk los te komen van de heuristiek.

9.1.2

9.1.3

9.1.4

analogie y analogie: andere strategie die helpt om een probleem op te lossen door op zoek te gaan naar soortgelijke problemen.

1

9.1.5

instelling en functionele gefixeerdheid y wanneer mensen herhaaldelijk met succes gebruik gemaakt hebben van eenzelfde heuristiek om een reeks van gelijksoortige problemen op te lossen dan kan dit leiden tot een verwachtingspatroon over de oplossing van dit soort problemen. Een instelling die de juiste oplossing van het probleem bemoeilijkt. y Functionele gefixeerdheid: een type instelling voor wanneer men te zeer vastzit aan het conventionele gebruik van een voorwerp. inzicht y twee soorten problemen: o er is een stap benadering van het einddoel. De persoon start aan de begintoestand en beweegt zich door de probleemruimte naar het einddoel.  Men lijkt vooruitgang te boeken, maar dan zit men vast. Soms geraakt men hier uit dankzij de aha-erlebnis . Een plots inzicht. o Men moet een foute instelling doorbreken:  Incubatie-effect: Het probleem even aan de kant zetten en dan oplossen. Dit is effectief wanneer men een probleem moet herstructureren.  Brainstormen: Ideeën in het wilde weg spuien, en later kijken of er iets bruikbaar bij zit. Redeneren deductief redeneren y redeneren is verwant met probleemoplossend gedrag en heeft betrekking op het evalueren van de waardheid of de waarschijnlijkheid van verklaringen. y Deductief redeneren: men trekt vanuit een reeks van algemene premissen een conclusie over een specifieke gebeurtenis. y Syllogisme: het uigewerkte van een deductief probleem. o Een uitspraak van drie regels, waarvan de eerste twee premissen zijn en de derde een besluit. o 3 factoren beïnvloeden of de syllogisme geldig beoordeeld wordt.  Type syllogisme. Slechts een paar syllogismen zijn geldig.  Komt de geldigheid overeen met de geloofwaardigheid.  Personen die hoog scoren op IQ tests kunnen beter geldigheid beoordelen. o Deze 3 factoren leveren problemen voor het logicisme: de overtuiging dat rationele mensen denken volgens de regels van de logica. verklaring deductief redeneren y theorie van de mentale modellen: volgens deze theorie redeneren mensen niet op basis van regels maar door zich mentaal beelden te vormen van de toestanden die beschreven worden in de premissen. Maar dit doen ze niet altijd, zo ontstaan redeneerfouten. y Theorie van de twee systemen: een mens heeft twee systemen om te redeneren. o 1e systeem:  evolutionair oud.  We delen het met andere dieren.  Leert ons verbanden leggen tussen stimuli op basis van associatief leren.  Als het syllogisme aanvaardbaar op basis van de associaties die we vroeger geleerd hebben, dan zal dit systeem een geldig antwoord suggereren. o 2e systeem:  Recentelijker in de evolutie ontwikkeld  Beroep op het werkgeheugen.  Kan antwoord van 1e systeem onderdrukken en vervangen door een antwoord gebaseerd op logische regels of door een antwoord gebaseerd op mentale modellen.  De invloed van het 2e systeem wordt bepaald door de scholing en het IQ. y Proefpersonen interpreteren syllogismen anders dan de proefleiders van het verwachten.

9.1.6

9.2 9.2.1

9.2.2

2

9.2.3

inductief redeneren y inductief redeneren is een redeneerproces waarbij men vanuit specifieke gevallen tot algemene conclusies komt. y 3 probleemtypes worden gebruikt om inductief redeneren te bestuderen: o Classificatie o Aanvullen van reeksen o Vinden van analogieën y Probleem bij inductief redeneren: men zoekt naar een bevestigende hypothese, niet naar een ontkrachtende. confirmatieneiging y confirmatieneiging: mensen hechten meer belang aan evidentie die hun overtuigingen bevestigt dan aan evidentie die hun overtuigingen in twijfel trekt. beslissingen nemen signaaldetectiemodel y in psychofysisch experiment: o gevoeligheid: de mogelijkheid bij de persoon om een stimulus van de achtergrondruis te onderscheiden. o Antwoordcriterium: de bereidheid van de persoon om ja te zeggen wanneer hij twijfelt. y Deze processen spelen een rol bij een beslissing. factoren die de perceptie van het signaal beïnvloeden y de werkelijkheid verschilt in 2 opzichten van een experiment: o keuzes bestaan uit alternatieven met meerdere dimensies. o Je krijgt de stimuli niet zomaar, je moet zelf de voor- en nadelen bedenken. y Het subject verwachte nut: voor elke keuze het nut berekenen: o 1. voor en nadelen afwegen. o 2. waarde bepalen. o 3. kans van de kenmerken berekenen. y Kritiek: men gaat nooit alle voor en nadelen rationaal afwegen. o Er worden heuristieken gebruikt ipv algoritmen. o Heuristieken geven aanleiding tot vertekening van de keuzes. y Beschikbaarheidheuristiek: hoe toegankelijker een geheugenspoor is, hoe meer invloed het zal hebben op de uiteindelijke beslissing. o Toegankelijkheid van een geheugenspoor hangt af van: o de oproepingsaanwijzingen o de sterkte van het geheugenspoor o de recentheid van het geheugenspoor o de organisatieschema s y ervaringen met negatieve levensgebeurtenissen heeft een diepgaand effect op de risicoinschatting. y Men kan beschikbaarheidsheuristieken manipuleren. o Een vraag zo formuleren dat een bepaald antwoord waarschijnlijker wordt. y Representativiteitsheuristiek: de neiging die mensen hebben om de homogeniteit binnen een categorie te overschatten. Hierdoor denken ze dat de kenmerken van een categorie van toepassing zijn op alle instanties van die categorie. y Dwaling van de gokker: misvatting dat een toevalsproces moet leiden tot een voortdurende afwisseling van de alternatieven. y Take-the-best: 2 alternatieven verschillen op basis van andere dimensies. Men gaat een beslissing nemen op basis van de beste dimensie. y Technologische ondersteuning: computersystemen worden op gestructureerde manier gevraagd naar de nodige informatie en op basis hiervan wordt informatie gegeven over het verwachte nut van de verschillende alternatieven.

9.2.4

9.3 9.3.1

9.3.2

3

o Dit lukt door een langdurig leerproces. beslissingen evalueren y hindsight bias: verwijst naar de neiging van mensen om de voorspelbaarheid van een gevolg van een beslissing te overschatten zodra het gevolg bekend is.3 factoren die een rol spelen bij het antwoordcriterium y antwoordcriterium wordt vooral bepaald door de gevolgen van de beslissingen.4. Denken beïnvloed de taal inleiding y etnocentrisme: de kijk op andere culturen wordt bepaald door onze eigen cultuur.4. y Formuleringseffect: het feit of de gevolgen verwoord worden in termen van winst of verlies.2 9. o Vb: noorden. emotionele vertekening y soms worden beslissingen genomen op basis van emoties. y Beslissingen die verkeerd afgelopen zijn schrijven we toe aan de onkunde van de betrokken personen. y Men houdt rekening met de reacties die hun keuzes zullen uitlokken bij de groep waartoe ze behoren. o Bij winst gaat men risico s vermeiden. ruimte y in het Engels/Nederlands: een ruimtemetafoor om tijd uit te drukken. vooral bij stress. taal en kleurperceptie y mensen kunnen kleuren eerder groeperen en onthouden op basis van de woorden die ze hebben dan op basis van de perceptuele eigenschappen van de kleuren.9.3 4 .3.5 9. y Evidentie voor linguïstische relativiteit: o Als een taal slechts 2 termen heeft voor kleur dan wordt de ruimte tussen deze 2 termen verdeeld over de 2 termen. y Kinderen kunnen heel moeilijk de juiste kleurwoorden leren gebruiken. rechts van ons. o Voor ons: toekomst o Achter ons: verleden y In het Mandarijns chinees: verticale metafoor. 9.4. oosten van ons.4 9. het geld of de energie die men hierin geïnvesteerd heeft. o Vb: links. y Men kan kleuren beter groeperen indien de kleuren rond een naamgrens ligt die in hun taal bestaat. o Bovenaan: verleden o Onderaan: toekomst y In het Nederlands: voorwerpen definiëren relatief ten opzichte van andere voorwerpen. y Effect van de gemaakte kosten: bij het nemen van een beslissing houden mensen rekening met de tijd. taal.4 9. o Maakt het minder waarschijnlijk dat we lessen zullen trekken uit het verleden.1 9. maar is niet de enige bepalende factor.3. o Bij verlies is men bereidt risico s te nemen. terwijl gebeurtenissen die goed afgelopen zijn toegeschreven worden aan de wijsheid van de betrokken personen.3. y Er is een invloed van de taal op hoe kleuren gepercipieerd en onthouden worden. tijd. y Andere talen: voorwerpen op een absolute manier ten opzichte van elkaar. y Linguïstische determinisme: hetgeen mensen denken en de manier waarop ze dit doen wordt volledig door de taal bepaald. y Linguïstische relativiteit: de taal van mensen heeft invloed op hun denken.

Hoofdstuk 10 10. o De intensiteit van het gedrag. ontplooien.1.1 soorten motivatie 10.1 inleiding y motivatie: verwijst naar factoren die ertoe leiden dat een individu zich op een bepaald moment op een bepaalde manier gedraagt.1. o Behoeftegebaseerde visie heeft problemen om zelfdestructief gedrag te verklaren. o Motivatietheorie van Maslow: onderscheid tussen 5 soorten behoeften. o Opwindingstheorie: mensen streven naar een optimaal opwindingsniveau. Wanneer iets negatief moet meegedeeld worden zal men proberen om het zo gunstig mogelijk te formuleren. Het niveau van lichamelijke opwinding kan gemeten worden door te kijken naar de hersenactiviteit. 10. y Volgorde van de niveaus is niet voor iedereen gelijk.  Oplossing: de niveaus naast elkaar zetten. hartslag of spierspanning. o De volharding van het gedrag.  Volgens Maslow was een persoon enkel gemotiveerd door een behoefte als aan de behoeften op alle lagere niveaus voldaan was. o Instincttheorie: gedragingen van mensen en dieren worden bepaald door instincten. o Motivaties kunnen het gedrag in een bepaalde richting trekken door doelen. Motivatie beïnvloedt: o de richting van het gedrag.2 motivatie en behoeften y mensen schrijven hun gedrag toe aan een innerlijk verlangen. 5 . y Doel: een cognitieve representatie van een gewenste of ongewenste eindtoestand. 10.3 motivatie en doelen y visie op basis van behoeften is een negatieve visie: o verklaard waarom een organisme een stabiele situatie in stand houdt.9. onvrijwillige gedragingen die uitgelokt worden door een stimulus en een genetische basis hebben. resulteert het in een drift. o Motivatie komt voort uit behoeften binnen het individu y Homeostase: een lichamelijke evenwichtstoestand die door het individu in stand gehouden moet worden. y Een drift is een psychologische toestand die de mens aanzet tot daden om de drift te reduceren.  Laag: verveelt  Hoog: put uit  Verklaart waarom mensen exploratiegedrag vertonen. y 2 manieren waarop de richting van het gedrag beïnvloed kan worden: o Motivaties kunnen het gedrag in een bepaalde richting duwen door behoeften.1. niet waarom een organisme wil groeien.  Probleem: y Hoe groter de voldoening hoe belangrijker de behoefte.4.4 taal en sociale cognitie y afhankelijk van de taal waarin je de opdracht uitvoert wordt het stereotype wel of niet geactiveerd. Als die behoefte niet bevredigd wordt. y Taal wordt overigens geregeld gebruikt om attitudes van mensen te beïnvloeden. o Driftheorie: gebaseerd op het principe van homeostase:  Fysiologische deficits geven aanleiding tot een lichamelijke behoefte. o Motivaties worden verondersteld voort te komen uit het huidige functioneren van een persoon. die het gedrag stuurt.

10. 6 . o Kauwen en proeven van eten. Intrinsieke motivatie: motivatie gericht op het uitvoeren van een activiteit wegens het plezier dat men vindt in de activiteit zelf. o Hormoon bij vetafzetting: leptine  Wanneer het leptine niveau in het bloed te hoog is vermindert de honger waardoor de voedselinname beperkt wordt. y Suikergehalte in het bloed is te laag. o 3. tot het doel gerealiseerd is. Kwaliteit en intensiteit van gedragingen veranderen wanneer de doelstellingen van een persoon veranderen.  Men moet niet alleen voldoende voedsel binnen krijgen maar ook voldoende verschillend voedsel. diëten. Of wanneer er kunstmatige smaakversterkers aan toegebracht zijn. Extrinsieke motivatie: motivatie om bepaalde activiteiten te vertonen omdat deze activiteiten leiden tot het bereiken van een ander doel. o Lange termijn: lang toekomstperspectief. zodat het lichaam alle stoffen heeft die nodig zijn voor een goed functioneren.2 cognitieve en sociaal-culturele invloeden y aanbod.  Een letsel in de zijkant (LH) zorgt ervoor dat er minder gegeten wordt. o 2. y Gewichtsregeling op lange termijn: o Mechanisme dat over langere tijd opereert en ervoor zorgt dat de energieopname min of meer overeenstemt met het energieverbruik. hoe beter de prestatie zal zijn. y Hersenmechanismen voor honger en verzadiging: o Hypothalamus: een structuur in het midden van de hersenen die anatomisch onderverdeeld kan worden in een aantal afzonderlijke kernen. y eten meer maaltijden. o Toediening van CCk in de hersenen doet dieren stoppen met eten.2. o 1. Toekomstperspectief: verwijst naar de tijdsafstand van de doelen die men nastreeft. y Leidt tot minder alertheid in het algemeen. o Men eet meer als er meer variatie is in eten.1 biologische signalen voor honger & verzadiging y suikergehalte in het bloed: wanneer er voldoende glucose in het bloed beschikbaar is voor de cellen. o Korte termijn: kort toekomstperspectief. dan neemt het hongergevoel af en ervaart het organisme verzadiging. hoe hoger het doel gesteld wordt. motivatie ontstaat doordat een doel aantrekkingskracht heeft.y y y y y Actie krijgt betekenis door doelstellingen die een individu nastreeft.2 Honger 10. zodat het lichaamsgewicht stabiel blijft. o Motiverende kracht hangt af van 2 componenten:  De waarde van het doel. prestatie hangt af van het engagement dat men aangaat om doel te bereiken Behoeftegebaseerde en doelgerichte motivatie sluiten elkaar niet uit. y Andere signalen: o Mate waarin de maag gevuld is. o Streefgewicht: het stabiele gewicht dat een lichaam op lange termijn probeert te handhaven. leren en negatieve gevoelens: o mensen eten meer wanneer het op een aantrekkelijke manier gepresenteerd wordt. Daarom gaat een persoon dichter naar het doel toe trekken.  De verwachting van de kans dat het doel gerealiseerd wordt. Goal-setting theory: belangrijke doelgebaseerde motivatietheorie. o o 10.  Een letsel in het midden (VMH) zorgt ervoor dat er teveel gegeten wordt.2. o Verkleinen van de afstand tussen de huidige toestand en een gewenst doel wordt als aangenaam ervaren.

o Geslachtsgemeenschap verhoogt de kans op verspreiding van levensbedreigende bacteriën/virussen.3 Sociaal-culturele factoren y kinsey-rapport: een rapport dat voor ophef zorgde wegens een grotere frequentie en verscheidenheid van seksuele omvang dan verwacht. o Ze moeten tegen veel vooroordelen opboksen.3. o Eetgedrag wordt bepaald door een vermijden van honger.1 inleiding y dit gedrag bevat een reeks kenmerken die de kans op voortplanting verkleinen: o hoeveelheid tijd en energie verloren gaan door het zoeken van een partner.  Concordantiegraad bij tweelingen wijst op de invloed van zowel biologische als omgevingsfactoren. bij mannen. o Mannelijke foetus met weinig mannelijk hormoon: homo. eerder dan het aanvullen van een tekort aan voedsel. 10.  Verschillende genetische verschillen tussen hetero s en homos. o Seksualiteit gaat gepaard met frustratie en agressie. o Eetsnelheid: hoe trager je eet.y Dieet: een voorbeeld van hoe honger en eetgedrag onder cognitieve controle kunnen staan.3. 7 .3. hoe meer we eten.  Men let niet op de signalen van het lichaam. y Hormonenspiegel in de baarmoeder o Vrouwelijke foetus met veel mannelijk hormoon: lesbisch. Sociaal-culturele invloeden: o We eten meer als we in groep zijn.  Eten meer wanneer cognitieve barrière wegvalt.  Seks hebben met partner van hetzelfde geslacht. o Naar gelang de definitie krijgt men een schatting van het voorkomen. y Genetisch materiaal van 2 individuen zorgt voor variatie. o Minder seks bij proefpersonen omdat ze weten dat ze dit moeten noteren. o Hoe meer we voorgeschoteld krijgen. o 10. y Oorsprong: o Zowel biologisch als cognitieve en sociaal-culturele factoren. y 3 tal anatomische verschillen tussen homo en hetero. 10. y Biseksualiteit: o Komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.4 Homoseksualiteit en Biseksualiteit y homoseksualiteit o verschillende soorten definities:  gevoelens voor hetzelfde geslacht. hoe sneller verzadigd je bent. o Moment van geslachtsgemeenschap is moment van verhoogde kwetsbaarheid. 10. o Sommige mensen gaan eten om emotionele gevoelens te ontwijken.3 Seks 10. o Door de stress zijn er meer psychische problemen.3. o Overschatten van de proefpersonen.2 hormonen en seksueel gedrag y geslachtshormonen o vrouwen: oestrogeen en progesteron o mannen: testosteron y seksueel gedrag heeft verband met het niveau van de mannelijke hormonen. y Coolidge-effect: Na gemeenschap met een partner brengt de introductie van een andere partner meestal een snellere hernieuwde activiteit teweeg. o De invloed van testosteron kan verklaren waarom mannen op allerlei maten van seksueel verlangen hoger scoren dan vrouwen.

2 prestatiemotivatie wordt geleerd y prestatiedrang en faalangst worden geleerd op basis van de opvoeding die mensen krijgen en de ervaringen die ze tijdens hun leven meemaken. Bang zijn om negatief beoordeeld te worden. o Prestatiedoelen beneden of ver boven hun capaciteiten stellen. Mensen met sterke egodoelen hechten veel belang aan de indruk die ze op anderen maken. o Tijdens de opvoeding leren kinderen dat het succesvol uitvoeren van een opdracht leidt tot positieve stimuli. o Na verloop van tijd verminderd de reactie en gaat het kind een grotere uitdaging aangaan. y Prestatiemotivatie op basis van doelen: o De grootte van de prestatiedrang wordt niet bepaald door de prestatiebehoefte in een persoon. Beter doen dan anderen. y Positieve egodoelen: toenadering uitloggen. o Deze positieve stimuli zorgen ervoor dat het kind de activiteit opnieuw uitvoert. y Door de negatieve reacties op falen. y Komt overeen met de prestatiedrang en de intrinsieke motivatie.  Opvoeding heeft weinig effect bij kinderen die het goed doen. y Prestatiedrang: de behoefte om iets te verwezenlijken en dit goed te doen o Stabiele persoonlijkheidseigenschap y Faalangst: de angst voor schaamte bij een mislukking. o Stabiele persoonlijkheidseigenschap y De balans tussen prestatiedrang en faalangst bepaalt de richting en de intensiteit van de prestaties. y Taakmotivatie en de aantrekking door positieve egodoelen verworden. y Biedt het kind de mogelijk zich competent te voelen in de activiteiten.10. o Geloof van de ouders:  De verwachtingen en overtuigingen van de ouders hebben een invloed op hoe kinderen tegen hun eigen competentie aankijken. o Opvoedingsstijl: onderscheid tussen controlerende opvoeding en een opvoeding gericht op het bevorderen van de autonomie van het kind.4. 10. o Prestatiemotivatie wordt door 3 componenten bepaald:  Taakmotivatie: men wil de activiteit tot een goed einde brengen. maar door de waarde van het doel voor de persoon en de verwachting die de persoon heeft om het doel te bereiken. o Zelf-handicappen:  een manier om aan faalangst te ontsnappen.4 Prestatiemotivatie 10. 8 .1 verschillende componenten van prestatiemotivatie y prestatiemotivatie: de motivatie om iets te verwezenlijken en dit goed te doen.  Controlerende opvoeding leidde tot minder goede resultaten.4. y Negatieve egodoelen: vermijding induceren.  Tactiek waarbij de gevolgen van falen voor zichzelf geminimaliseerd worden en de gevolgen van succes gemaximaliseerd worden door externe factoren. y Evidentie: o De mate van stimuli thuis. o Mate van faalangst hangt af van de sterkte van de negatieve gevolgen bij een mislukking.  Egodoelen: gericht op het prestatieniveau en op de positie ten opzichte van anderen.

5.  2 bewijzen: y Duidelijke overeenkomst tussen emotie bij mensen en dieren. o 6 basisemoties zijn universeel en aangeboren:  Stam in Nieuw-Guinea herkent ze.y Na verloop van tijd hoeft de bekrachtiging niet meer van de ouders of leerkrachten te komen maar verkrijgt men zelfbeloning door de voldoening die men voelt bij het succesvol afwerken van een opdracht. o Primaire emoties:  Blijheid  Droefheid  Angst  Woede  Verrassing  Walging o 2 soorten glimlachen:  Authentieke glimlach: echte vreugde. o Ouderen zijn slechter in het herkennen van emotionele gezichtsuitdrukkingen.6. y Wisselwerking tussen emotie en motivatie verhoogt de overlevingskans. o Realistische doelen stellen. o Discussie van theorie van Darwin:  Opkomst behaviorisme: gedrag wordt verworven op basis van leren en er is geen plaats voor aangeboren eigenschappen. 10.  Gespeelde glimlach: vals. o Negatieve gevoelens zijn een straf en verhinderen ons om die activiteit te herhalen. y 3 aspecten in de emotie: o Evaluatie van de stimulus o Respons o Subjectieve ervaring y Emotie: een reactie op een stimulus die bestaat uit een fysiologische opwinding en gepaard gaat met een evaluatie van de stimulus. o Expliciete kortetermijn doelen gebruiken. y Geen samentrekking.  Blinden hebben dezelfde emoties. o Positieve gevoelens zijn een bekrachtiger en zorgen dat we de activiteit herhalen. Zelfregulatie: het proces waarbij iemand zich doelen stelt en zichzelf beloont bij het bereiken van die doelen o Tastbare beloningen te gebruiken. y Alle mensen gebruiken dezelfde emotionele expressies.  Maatschappelijk verantwoordelijkheidsgevoel. o expressie van emoties is tot stand gekomen door evolutieprincipes.  Zo kunnen individuen elkaar verkeerd begrijpen. o Mensen herkennen beter emoties bij mensen van hun eigen etnische groep. y Gezichtsuitdrukkingen van emoties herkennen.5 Emotie 10. ook al is de communicatie gebaseerd op dezelfde universele gezichtsuitdrukkingen. y Samentrekken van de circulaire oogspier. y Hypothese over de gezichtsfeedback: 9 .1 inleiding y emotie speelt een belangrijke rol bij motivatie.6 Lichamelijke component van Emotie 10. een gezichtsuitdrukking en een subjectieve ervaring.1 gezichtsuitdrukking y universele uitdrukkingen: Darwin. o 10. o Toch zijn er culturele verschillen: culturele uitingsregels.

o het parasympathische zenuwstelsel: actief tijdens momenten van ontspanning. o Herbeoordeling: Reduceren van emoties door de betekenis van de stimulus te veranderen of door te focussen op 1 bepaald aspect van de situatie.1 3 verschillende theorieën y James-Lange-Theorie: stimuli uit de omgeving zullen automatische een lichamelijke reactie uitlokken die naderhand door onze hersenen als een emotie ervaren wordt. y Fysiologische opwinding draagt bij tot de intensiteit van emoties. komen meer negatieve herinneringen naar boven en dit bevestigd het negatieve gevoel. 10 .2 rol van het sympathische zenuwstelsel y autonome zenuwstelsel bestaat uit: o het sympathische zenuwstelsel: actief tijdens sterke emoties. waarop verschillende moordwapens te zien zijn. en de hersenen.7 emoties onder cognitieve controle 10. Zo komt men in een depressie. o Hartslag. We worden ook blijer als e foto s zien van mensen die gelukkig zijn. o Onderdrukking: Veranderen van de gedragsmatige reacties op emotie-uitlokkende stimuli. 10. y Amygdala wordt heel actief bij het waarnemen van bedreigende stimuli.7. y Theorie van de cognitieve beoordeling: eerst moet een stimuli als positief of negatief ervaren worden. die zorgen voor de emotionele beleving. dat zorgt voor de lichamelijke opwinding. y Mensen gaan meer aandacht besteden aan stimuli die aansluiten bij hun gevoelens. Als de verdachte bij elke stimuli hetzelfde reageert dan is hij onschuldig. 10. Dan kan er fysiologische opwinding voorkomen. 10.7.6.2 onbewuste processen bij de stimulusbeoordeling y 2 verschillende herkenningsroutes waarbij emoties betrokken zijn: o Onbewuste o Bewuste y Capgraswaan: de overtuiging dat vertrouwde mensen en dieren opeens hun vertrouwdheid verloren hebben en vervangen lijken te zijn door dubbelgangers.7. y guilty knowledge test : verdachte confronteren met een reeks van dia s. y Cannon-Bard-Theorie: een emotieopwekkende situatie stimuleert gelijktijden het sympathische zenuwstelsel. y Verhoogde activiteit in het sympathische zenuwstelsel kan door een leugendetector geregistreerd worden.3 cognities beïnvloeden de subjectieve ervaring y twee verschillende manieren waarop cognities automatisch uitgelokte emoties kunnen regelen. o Er kan geen emotie optreden zonder lichamelijke opwinding. y Mensen hebben de neiging om dubbelzinnige stimuli te interpreteren op een manier die in overeenstemming is met hun gevoelens. bloeddruk. 10. stresssituaties. maar is niet noodzakelijk.4 invloed van emoties op cognities y doordat men zich slecht voelt.7.o o o Stelt dat de emotionele ervaring van een persoon versterkt of verzwakt wordt door de bijbehorende spieractiviteit in het gezicht. y Het patroon van lichamelijke veranderingen ten gevolge van emoties is niet specifiek genoeg om een emotie te identificeren. 10. Belemmering van de glimlach is een significante predictor van de depressiescore. o Rationalisatie kan de emotionele respons op een stimulus onderdrukken.

14. gedachten en gevoelens van de persoon.1 14. Een stoornis verbeterd uit zichzelf. o Cognitieve neuropsychiatrie: Om de stoornis te veranderen moet men eerst de cognities of gedachten veranderen die aan de basis liggen. y Persoonlijk lijden: o De gevolgen van de gedragingen.  Abnormaliteit is dus cultuurafhankelijk. o Statistische criterium: iemand wordt als abnormaal gezien wanneer hij lager of hoger scoort dan twee standaarddeviaties van het gemiddelde. y Psychopathologie: het deel van de wetenschap dat zich bezig houdt met de aard.  Soms laat het onaanvaardbaar gedrag geen emotioneel leed na. y biologische perspectief: lichamelijke disfuncties zijn de oorsprong van mentale stoornissen. o Humanisme: mentale stoornis komt door een belemmering aan groei.1 Mentale stoornissen inleiding y mentale stoornis: een patroon van gedachten.  Soms door externe factoren. gevoelens en gedrag dat leidt tot persoonlijk lijden en een significante daling in het sociale en arbeidsgerelateerde functioneren. o Aan het eind van de 19de eeuw door Jean Martin Charcot is het startpunt.Hoofdstuk 14 14. als ze zich kunnen ontplooien. o Sociale criterium: abnormaal gedrag staat gelijk met gedrag dat afwijkt van de maatschappelijke norm.1. o Hecht ook belang aan de genetische bijdrage tot mentale stoornissen. y Psychoanalyse is lang dominant maar wordt weggedrongen door 3 andere stromingen.  Onder hypnose liet hij patiënten een verlamming krijgen of verdwijnen. o Persoonlijke criterium: wanneer een persoon chronisch lijdt of wanneer een gedrag door de persoon zelf als nutteloos of schadelijk ervaren wordt.  Freud heeft Charot zijn theorie veralgemeend tot de Psychoanalyse.1. y Overtreden van een sociale norm: o In een samenleving of cultuur zijn bepaalde gedragsvormen aanvaardt en andere niet. y een grote afwijking van het gemiddelde: o bijna alle menselijke eigenschappen hebben een normaalverdeling. 3 criteria om mentale stoornissen te definiëren.2 14. de totstandkoming en de mogelijke behandeling en preventie van mentale stoornissen. o Ook in de klassieke oudheid dacht men dit.3 11 .1. Men moet ze een ander gedrag leren. o Behaviorisme: mentale stoornis komt door een verkeerd leerproces. factoren die een rol spelen bij een mentale stoornis.  5% van de bevolking is abnormaal. o Ontdekking van een biologische factor bij een stoornis zorg voor een verandering in behandeling van de stoornis. y Psychische perspectief: abnormaal gedrag vindt zijn oorsprong in de mentale processen die ten grondslag liggen aan het gedrag.

Er is een grotere interbeoordeelaarsbetrouwbaarheid.  Beïnvloed door de leefomstandigheden. wordt bepaald door de kwetsbaarheid van de persoon en de mate van stress in de omgeving. Classificeren: DSM y Betrouwbaarheid van de beoordeling: Men moet een onderscheid maken tussen welke fenomenen bij elkaar horen en welke niet.  Maakt het moeilijker om weer normaal te functioneren. 12 . o Systeem is enkel beschrijvend zonder theorie. o DSM-III wordt opgevat als een gedetailleerde beschrijving van de symptomen die met een bepaalde stoornis gepaard gaan.  5: algemene beoordeling van het functioneren. y Kritiek op DSM: o Mentale stoornissen benaderen vanuit een medisch model: een stoornis is een ziekte.1. o Sociale factoren verhogen de kans op een stoornis.  2: welke persoonlijkheidsstoornis. y DSM-III en DSM-IV: o De eerste twee edities van DSM waren psychoanalytisch geïnspireerd. o Of de kwetsbaarheid zich in een stoornis zal omzetten hangt af van de mate van stress waarmee een individu geconfronteerd wordt. Mensen worden in hokjes ondergebracht. o Sterk beklemtoond toen de antipsychiatrie ontstond: gaf de schuld van de stoornissen aan de ziekmakende factoren in klinieken en in de maatschappij.  3: lichamelijke symptomen en klachten.  Stress door de omgeving  Stress door de manier waarop de persoon gebeurtenissen waarneemt. Diathese-stress-model: de kans dat iemand een stoornis vertoont. o Mensen met een stoornis worden achteruitgeschoven. o De kwetsbaarheid wordt:  Geërfd.4 Sociale perspectief: de psychopathologie stelt in zijn extreemste vorm dat abnormaal gedrag niets anders is dan gedrag dat zich niet houdt aan de regels en de criteria van de maatschappij. o DSM-IV: verfijnde versie van DSM-III. psychische en sociale factoren tot elke mentale stoornis begrepen kunnen worden. o Onderscheid tussen as 1 en as 2 is niet even duidelijk. y DSM: diagnostic and statistical manual of mental disorders. y Validiteit: er moet een bruikbaar classificatieschema zijn.  Afhankelijk van de denkstijlen.  1: welke klinische stoornis. zonder speculatie over de oorzaken van die symptomen. o DSM-IV heeft 5 assen. o DSM is een typologie. o De inhoud van waanideeën en hallucinaties verandert van de maatschappelijke evoluties.y y y 14.  4: psychosociale en omgevingsgerelateerde stressfactoren. o Het diathese-stress-model vormt een algemeen denkkader waarin de bijdragen van biologische. Demonologisch perspectief: de mogelijkheid dat de stoornis te wijten is aan bezetenheid door een geest wordt niet als valide beschouwd. vooral bij biologisch kwetsbare personen.

(steeds meer nodig hebben) o Ontwenningsverschijnselen.2.1 14. o Lange tijd spenderen om aan het middel te komen.  Bij anderen is het taalbegrip ernstig verstoord. y Misbruik van een middel verwijst naar een patroon van onaangepast gebruik dat significante beperkingen veroorzaakt. y Autisme is grotendeels erfelijk bepaald. o Daarom wordt de diagnose gegeven aan normaal of hoogbegaafde kinderen met autistische symptomen. y Kenmerk: o Houterigheid. de sociale relaties of het werk beginnen te lijden. herhaling en vaste ritmen: autisten kunnen opgaan in herhaling van monotone. o Problemen met communicatie en taal: 20% leert nooit spreken.  Dit kunnen autistische kinderen niet.  Verstoring van deze patronen kan woede uitlokken.  Moeite om een theory of mind te ontwikkelen: de gedachten van anderen niet of onvoldoende kunnen lezen . o Omstandigheden in het gezin van herkomst verklaard ook 1/.2 14.2 14.3.3. y Pervasieve ontwikkelingsstoornis niet anders omschreven: Als kinderen niet voldoen aan alle kenmerken. o Gebruik voortzetten ondanks de kennis dat gebruik slecht is. o Het andere deel is individugebonden.1 Stoornissen in de kinderleeftijd Autisme y kenmerken: o problemen in de sociale interactie: het kind vindt aandacht niet prettig. y Afhankelijkheid van een middel wordt gedefinieerd als misbruik dat gepaard gaat met minstens 3 kenmerken: o Tolerantie voor het middel.2 13 .3 14. Syndroom van Asperger y onderscheid tussen autisme en syndroom van Asperger is vooral gelegen in het ontbreken van een klinisch significante beperking in de taal en het cognitieve vermogen bij het syndroom van Asperger. o Behoefte aan structuur. o Ontbreken van symbolisch spel: voorwerpen in een spel krijgen een andere betekenis. o Langer gebruik dan geplant. y Mannen hebben minder reactiviteit op alcohol dan vrouwen.  Genetische factoren verklaren 1/3 van het ontstaan. y Factoren die alcoholafhankelijkheid vergroten: o Er is evidentie voor een erfelijke component bij alcoholafhankelijkheid. Alcoholmisbruik en afhankelijkheid y alcohol heeft een dubbel effect op de gemoedstoestand: o kalmeringsmiddel. kinderen spelen een rol van iemand anders. o Motorische ontwikkeling is trager er blijft stuntelig. y Mannen maken meer kans om een alcoholafhankelijkheid te ontwikkelen. 14. o Eerste delen die onderdrukt worden zijn de inhibitorische centra. Aan een middel gebonden stoornissen Inleiding y aan een middel gebonden stoornis: wanneer een persoon een psychoactief middel gebruikt waaronder de eigen gezondheid.2. maar er wel voldoende vertonen om van een stoornis te spreken. eenvoudige handelingen. o Geen succesvolle pogingen om gebruik in de hand te houden.14.

14. o Negatieve symptomen: er ontbreekt iets bij het normale functioneren  Vb: gevoelsuiting. hallucinaties.4. 14. o Anderen kunnen zijn gedachten lezen en beïnvloeden.  Ernstige schommelingen in emoties. Schizofrenie y schizofrenie: de incoherente mentale processen en het gebrek aan voeling met de sociale realiteit die sommige mentaal gestoorde patiënten karakteriseren.  De patiënt kan geen onderscheid meer maken tussen interne en externe stimuli.1 Psychotische stoornissen inleiding y bij deze stoornissen komen wanen. y Gedachten worden uitgezonden: o Denken dat hun gedachten voor iedereen hoorbaar zijn. y Kenmerken: o Wanen: is een overtuiging die wordt gehandhaafd ondanks argumenten en evidentie die voldoende moet zijn om haar te weerleggen  Soorten wanen: y Verkeerde identificatie of interpretatie van sociale situaties.  Semantische en syntactische regels van de taal worden gevolgd maar de patiënt springt van de hak op de tak en gebruikt niet-bestaande woorden. normen overnemen van de groep waarin men zit. y Niet meer in staat zijn om andere verklaringen te overwegen. o Hallucinaties: perceptuele ervaringen zonder bijbehorende fysische stimulus.  Wanen + hallucinaties  Geagiteerde bewegingen + affectvervlakking o Positieve symptomen: men voegt iets toe aan het normale functioneren  Vb: emotionele beroering. y Beinvloedingswaan: overtuiging dat men niet meer uit vrije wilt denkt. motorische agitatie. wanen. o Observerend leren. hallucinaties en incoherente spraak voor. y Schizofrenie is stabiel over verschillende culturen. geagiteerd of teruggetrokken. maar gecontroleerd wordt door iets anders. o Chaotisch of katatoon gedrag: gedrag als chaotisch bizar. y Positieve en negatieve symptomen: o Bovengenoemde symptomen komen vaak in paren voor. o Vervlakking van affect.2 14 . y Betrekkingswaan: normale voorwerpen of gedragingen van andere personen hebben een speciale betekenis en zijn relevant voor patiënten. communicatieve vaardigheden.  Hardnekkigheid van de wanen heeft 3 oorzaken: y Geen andere mogelijkheid om met interne ervaringen om te gaan. maar ligt hoger bij mannen dan bij vrouwen. y De voor de hand liggende verklaring (ik word gek) is te bedreigend.: emotionele reacties zijn verminderd of helemaal verdwenen. Het horen van stemmen die commentaar geven op wat de persoon doet en denkt. in sommige omstandigheden krijgt men zin in alcohol.4. Door de leerprocessen zijn er belangrijke culturele verschillen in de mate van misbruik en afhankelijkheid van alcohol.y y Psychologische factoren die afhankelijkheid vergroten: o Positieve bekrachtiging door aangename effecten. o Klassieke conditionering. o Onsamenhangende spraak: logische opeenvolging in gedachten gaat verloren.4 14. handelt of voelt.  Meestal onderdeel van achtervolgingswaan of grootheidswaan.

o Elementen die de patiënt en de familie helpen:  De patiënt en familie goed informeren. Stress is een externe factor.1 15 . y Stemmingsstoornissen verschillen op basis van: o De ernst van de stoornis. Het is meestal minder intens als een emotie en niet gericht op een stimulus.  Familie is sterk begaan met de patiënt.  Waardoor de patiënt in een fantasiewereld gaat leven.  waarbij bizarre gedragingen bekrachtigd werden door de aandacht die ze trokken.5 14. y Frontale cortex: controleren van gedragingen y Subcorticale systemen: vlotte uitvoering van bewegingen.4 14. o Sociale factoren spelen een rol omdat ze de manier van manifesteren van symptomen beïnvloeden. o De duur van de stoornis. o Dopaminehypothese: patiënt lijdt aan ofwel  Te hoge concentraties van de neurotransmitter dopamine in de hersenen  Een extreme hoge gevoeligheid voor dopamine.  Ze zijn hyperkritisch en wrokkig.  Elementen die bescherming bieden bij de patiënt. o Expressed emotion komt meer voor bij negatieve symptomen dan bij positieve symptomen.  Actief proberen omgaan met het horen van stemmen. gepaard met levendige hallucinaties.3 Types van schizofrenie y er zijn 5 subtypes van schizofrenie: o het katatone type: een afwisseling van periodes met agitatie en periode met verregaande teruggetrokkenheid.  Dopaminebanen spelen een rol bij: y Limbische systeem: regelen van emotioneel gedrag. y Psychische factoren: o De psychoanalyse:  het gevolg van een regressie naar een vroeger stadium. o Resttype: lichtere indicaties van schizofrenie. o Expressed emotion: er is spanning voor de patiënt en de familie voor terugval waardoor het risico op terugval verhoogt. y Sociale factoren: schizofrenie is niet volledig erfelijk bepaald. denken dat ze veel over hebben voor de persoon. Oorzaken van schizofrenie y biologische factoren: schizofrenie wordt gedeeltelijk erfelijk bepaald.4. o Paranoïde type: onlogische en snel veranderende wanen. o Ongedifferentieerde type: snel veranderende mix van de belangrijkste symptomen van schizofrenie. vooral bij individuen in remissie. De kans op terugval is groter naarmate de stress toeneemt.  Voorbereiden op een terugval.5.4.14. o De behavioristen:  een gevolg van een uit de hand gelopen bekrachtigingproces. 14. stemmingsstoornissen inleiding y een stemming is een emotionele toestand die tamelijk lang duurt. y Stemmingsstoornissen zijn verstoringen in de stemming die leiden tot een neerslachtigheid of opgetogenheid. o Deze 2 verklaringen zijn niet bruikbaar.

en zorgt zo voor een depressieve episode. o Manische episode is een toestand van intense en onrealistische gevoelens van opwinding en euforie.14. o Verlaagde noradrenalineactiviteit zorgt voor vertraagde bewegingen en minder vermogen om plezier te beleven.  Vooral bij mensen met minder sociale vaardigheden.  Onder invloed van stressfactoren in de omgeving zijn personen geneigd om uit het sociale leven te stappen. Oorzaken van depressie y biologische factoren: o erfelijkheid speelt een rol.  Een depressie is een ingebeeld of symbolisch verlies.2 Bipolaire stoornis y bipolaire stoornis: een opeenvolging van 1 of meerdere manische en depressieve episodes bij een individu. o Depressieve stemming o Vermindering interesse of plezier o Gewichtsverandering o Verandering in slaappatroon o Psychomotorische agitatie o Moeheid of verlies aan energie o Gevoelens van waardeloosheid o Verminderd vermogen tot nadenken o Terugkerende gedachten aan de dood. o Cognitieve psychologie:  Negatieve gevoelens en gedragingen zijn het gevolg van negatieve gedachten. o Manische episode gaat gepaard met een groot energieverbruik. o Behaviorisme:  beschouwd dat een depressie een gevolg is van een verminderde positieve bekrachtiging vanuit de omgeving. y 4 risicogroepen voor depressieve stoornissen: o Isolerende mannen o Werklozen o Gescheiden moeders o Studenten y Depressiescores dalen naarmate de leeftijd toeneemt.5. 14.4 16 . o Activiteit van de neuronen die via serotonine met elkaar communiceren is verlaagd bij depressieve patiënten.3 14.  Een rouwend individu regresseerd naar het orale stadium (geen onderscheid tussen zichzelf en anderen).5. y Psychische factoren: o Psychoanalyse:  beschouwd een grote overeenkomst tussen depressie en rouwproces. y Verschillende culturen hebben verschillende vormen van stoornissen.  Negatieve kijkt trekt de betrokkene in een depressie  Alles wordt negatief gekleurd.  Dit zet een vicieuze cirkel in gang.5. y Naast de emotionele component zijn er ook nog cognitieve en motivationele factoren. depressieve stoornis y depressieve stoornis: 5 symptomen binnen 2 weken met een verandering tgo vroeger.

o Sociale factoren kunnen op het individu inwerken en de balans doen doorslaan naar een depressieve stoornis. o Depressie komt vaker voor bij vrouwen door:  Vrouwen hebben meer kans om met stresserende gebeurtenissen geconfronteerd te worden. globale en stabiele attributie verhoogt kans op depressie.6 14. o Het al dan niet hebben van een partner heeft ook een invloed op depressie. o Sommige mensen hebben de neiging om zich op hun gevoelens te fixeren wanneer het niet goed gaat.  Mannen vertonen meer ontsnappingsgedrag dan vrouwen y Gezond: sport doen.y y Selgiman:  Aangeleerde hulpeloosheid verklaard hoe negatieve overtuigingen ontstaan en tot depressie leiden. o 14.  Vrouwen krijgen sneller de diagnose depressie opgestempeld dan mannen.6. o Het al dan niet hebben van werk heeft ook een invloed op depressie. y Onderverdelingen: o Paniekstoornissen o Specifieke fobieën o Sociale fobieën o Veralgemeende angststoornissen o Obsessieve-compulsieve stoornissen o Posttraumatische stressstoornissen o Acute stressstoornis o Middelgeïnduceerde angststoornissen 17 . Integratie binnen het diathese-stress-model: o Biologische en psychische factoren bepalen de kwetsbaarheid van een individu en de manier waarop de persoon een gebeurtenis zal interpreteren.  Vrouwen zullen meer angststoornissen of depressies ontwikkelen. y Stabiel/veranderbaar: dit zal zo blijven/ik kan dit veranderen. en zich alleen nog bezig houden met hun symptomen. y Globaal/specifiek: het is altijd zo/het is alleen nu zo. y Ongezond: middelgebonden stoornis ontwikkelen.  Aangeleerde hulpeloosheid leidt tot 3 tekorten: y Motivationele tekorten y Cognitieve tekorten y Emotionele tekorten  Mensen proberen een situatie te verklaren door attributies te maken op 3 dimensies: y Intern/extern: het ligt aan mij/het ligt aan een ander.  Een interne.1 angststoornissen inleiding y angststoornis: een ernstige en aanhoudende vorm van angst zonder realistische aanleiding. Sociale factoren: o Depressies ontstaan meestal door een stresserende gebeurtenis.  Depressieve mensen hebben geleerd om zichzelf te beschouwen als iemand die geen controle of invloed heeft op gebeurtenissen.

ongewilde en opdringerige dwanggedachten of dwangbeelden die gepaard gaan met dwanghandelingen die de betrokkene meent te moeten uitvoeren om de dwanggedachten te neutraliseren en de gevreesde situatie te voorkomen.  Negatieve bekrachtiging: men ontsnapt aan de gevolgen. o Observerend leren: angst krijgen voor voorwerpen op basis hiervan.  Vb: autorijden.  Lichte geheugenproblemen.6. o Men vermoedt dat de dwanghandelingen in stand gehouden worden door negatieve bekrachtiging. o Operante conditionering: Vermijdingsreacties bij fobieën worden versterkt door bekrachtiging.  Positieve bekrachtiging: de persoon krijgt aandacht.5 18 . o Paniekaanval wordt gekenmerkt door symptomen:  Kortademigheid  Hartkloppingen  Zweten  Bibberen  Duizeligheid o Aanvallen zijn niet te voorspellen.6.6. o Tijdens 6 maanden 3 van de symptomen:  Rusteloosheid  Vermoeidheid  Moeite om te concentreren  Geïrriteerdheid  Spierspanning  Slaapstoornissen Paniekstoornis y paniekstoornis: krijgen van onverwachte paniekaanvallen zonder aanwijsbare oorzaak. o Heeft vaak te maken met smetvrees. waardoor ze moeilijk kunnen bijhouden wat ze al gedaan hebben. veralgemeende angststoornis y veralgemeende angststoornis: overmatige chronische bezorgdheid over een reeks van gebeurtenissen en activiteiten.14. o Anticipatorische angst: angst voor plaatsen die een dergelijke aanval zouden kunnen uitlokken. o Klassieke conditionering: een neutrale stimuli kan een schrikreactie uitlokken als die geassocieerd wordt met een schrikaanjagende ervaring.2 Fobieën y specifieke fobieën: intense angstreacties op voorwerpen of activiteiten waarvan het gevaar niet in verhouding staat tot de hevigheid van de reactie.4 14. o Agrofobie: mensen met paniekaanvallen blijven thuis omdat ze bang zijn dat ze een aanval zullen krijgen als ze naar buiten gaan.3 14. y Sociale fobieën: een angst om negatief beoordeeld te worden of in verlegenheid gebracht te worden in sociale situaties. o Ze verschillen van gewone mensen doordat ze belang hechten aan deze obsessies. obsessieve-compulsieve stoornis y obsessieve-compulsieve stoornis: gekenmerkt door het voorkomen van terugkerende. grote ruimte/menigte zijn. maar komen meer voor in situaties met lichte spanning. 14.6. o Mogelijke oorzaken:  Ontregeling in het hersencircuit dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van primitieve gedragspatronen.

2 14.  Continu: niets meer herinneren tot een bepaald punt in het verleden.3 14. o Angst ontwijken. o Een deel van het bewustzijn heeft zich afgesplitst van de rest. y Ongedifferentieerde somatoforme stoornis: lichamelijke klachten (vermoeidheid. y Verklaring: o Door post-mortem analyses blijkt dat het een gevolg kan zijn van een hersentumor. die van elkaar verschillen en elkaar afwisselen.7. o De persoon ontwaakt dan en vindt zichzelf terug in een vreemde omgeving zonder te weten hoe hij daar gekomen is. verlies van eetlust of maagdarmproblemen) zonder dat er een lichamelijke toestand is die de ernst van de symptomen kan verklaren.7.14. dissociatieve amnesie. de patiënt gelooft dat er iets fout is op medisch vlak. o Dit wordt niet gespeeld. o Levensproblemen het hoofd bieden.  Procedurele. semantische en werkgeheugen blijven intact. y Oorzaken: o Stress ontwijken.  Veralgemeend: volledige levensgeschiedenis vergeten. hypochondrie en de ongedifferentieerde somatoforme stoornis y hypochondrie: een vrees om een ernstige ziekte te hebben. o Onderscheid tussen 4 types van dissociatieve amnesie:  Gelokaliseerd: geen herinneringen uit een bepaalde periode.8 14. gebaseerd op een misinterpretatie van lichamelijke symptomen. y Dissociatieve fuge: vergeet de eigen identiteit en trekt weg uit de vertrouwde omgeving en neemt een nieuwe identiteit aan. o Behaviorisme:  Een manier om aan angst en stress te ontsnappen of om aandacht te trekken. y Dissociatieve identiteitsstoornis: dissociatie tussen 2 of meer persoonlijkheden. duizeligheid. fuge en identiteitsstoornis y dissociatieve amnesie: het onvermogen om belangrijke persoonlijke informatie te herinneren als gevolg van een traumatische of stresserende ervaring. o Amnesie is een belangrijk kenmerk in de stoornis: de ene persoonlijkheid weet niet wat de andere persoonlijkheid doet. o Vroeger werd dit hysterie genoemd.2 19 .7 14. y Somatisering: de uiting van psychische problemen via lichamelijke klachten.1 14.  Selectief: sommige dingen vergeten.8. o Psychoanalyse:  Angst ten gevolge van een verdrongen seksueel conflict wordt omgezet in een verlies aan sensorisch of motorisch functioneren. dissociatieve stoornissen inleiding y dissociatieve stoornissen: aandoeningen waarbij er een verstoring voorkomt in het identiteitsgevoel van de persoon. 14.8.7. o Bij dissociatieve amnesie wordt het episodische geheugen ontoegankelijk. conversiestoornis y conversiestoornis: men is niet meer in staat om een bepaald lichaamsdeel te gebruiken.1 somatoforme stoornissen inleiding y somatoforme stoornissen: groep van aandoeningen waarbij lichamelijke klachten en handicaps ervaren worden zonder aanwijsbare lichamelijke oorzaak.

maar ze zitten niet meer aan ketens. y Stigmatisatie: het aanbrengen van een schandvlek op iemands reputatie.1 beïnvloeding y stereotype: een verzameling van overwegend negatieve.1 Behandeling van mentale stoornissen het ontstaan y vroeger: leefden ze aan de rand van de samenleving. 20 . simplistische en overdreven gegeneraliseerde opvattingen over een groep van mensen. o Over welke periode werden de cijfers berekend?  Hoe langer de tijdsperiode.2 14. y 1793: Pinel: een humane behandeling voor de patiënten. o De behandeling blijft beperkt. o Mensen met een angststoornis hebben een verhoogde kans op een depressieve stoornis.1 15. y 16e eeuw: de invloed van de staat.10. 2 elementen: o Extern stigma verwijst naar de onfaire behandeling die men krijgt van anderen.14.9.  De media geeft een vertekent beeld. y 1950: groter verandering door: o Geneesmiddelen die ontdekt worden.  Parate kennis is gering. o Andere omgang van de samenleving.9. o Ze moeten optreden als een circus. vaststaande. prevalentie en co-morbiditeit y co-morbiditeit: het feit dat mensen aan meer dan 1 stoornis tegelijk kunnen lijden.1. o De overheid ging een doelgerichter beleid voeren ten aanzien van de randgroepen.1 prevalentie van mentale stoornissen cijfers y voor conclusies te trekken uit cijfers moet we 3 vragen stellen: o welke definitie van de stoornis werd gebruikt?  Belang van een algemeen aanvaard classificatieschema: DSM. 14.  Hoofdstuk 15 15. o Informatiebronnen waarom men zich baseert. y Een onderschatting van de prevalentie komt door: o Een aantal problemen mensen niet beletten om een normaal bestaan te leiden. o Tuchthuizen worden gesticht.  Prevalentie gaat het om hoeveel procent gevallen zijn er in de bevolking. o Gaat het om incidentie of prevalentie?  Incidentie gaat het om hoeveel procent nieuwe gevallen zijn er.  Initiatieven opzetten om ze te laten integreren en een zinvol bestaan te geven. y DSM laat ruimte voor interpretatie. y Soms wijkt de DSM af van wat mensen denken te weten over een stoornis. die niet economisch bruikbaar waren. o Sommige problemen worden verzwegen en in stilte gedragen. y Waarom hebben mensen een negatieve kijk op mensen met een mentale stoornis? o Mensen zijn slechts beperkt in aanraking gekomen met stoornissen. hoe hoger het cijfer. o Intern stigma verwijst naar de schaamte en de verwachting van discriminatie die gestigmatiseerde personen voelen en die hen weerhoudt om over hun ervaringen te praten en hulp te zoeken.9 14.10 media en stoornissen 14. o Patiënten worden er vastgeketend aan celwanden.

 Rechtstreeks inwerken op de angst.  Ernstige ontwenningsverschijnsels. Gericht op het helpen van mensen door gebruik te maken van psychotherapeutische technieken. o Benzodiazepines:  Behandeling van een veralgemeende angststoornis. Biologische therapiebenaderingen Geneesmiddelentherapie y geneesmiddelentherapie: chemische stoffen gebruiken om gedrag. y De geneesmiddelen grijpen in op de chemische component van de neuronale activiteit. y Bacheloropleidingen: psychologisch assistent. o Antidepressiva:  Tegenwoordig begint men met antidepressiva aan het begin van een geneesmiddelenkuur. y Geneesmiddelen kunnen het effect van een neurotransmitter verlagen door: o Aanmaak belemmeren. Types van Therapeuten y Psychiaters: een medicus die een aanvullende opleiding psychiatrie gevolgd heeft.1. sociaalpedagogisch hulpverlener. o Heropname verhinderen.  Tranquillizers worden gebruikt voor mensen die niet op het eerste middel reageren.  Ontwenningsverschijnselen. y Geneesmiddelen kunnen het effect van een neurotransmitter verhogen: o Aanmaak verhogen. o Ontvangende cel gevoeliger maken. emoties en cognities in gunstige zin te beïnvloeden. maatschappelijk werker.2 15. y Deze twee vormen worden nu gecombineerd binnen een geïntegreerde behandeling. y Psychotherapeutische behandelingen: gevoelens. o Zorgt ervoor dat veel mensen ambulant behandelt kunnen worden en niet opgenomen moeten worden.1.  Verslavend. Ze hebben wettelijke bevoegdheid om een biologische behandeling voor te schrijven.  Vb: valium o Bètablokkers:  Tegen hoge bloeddruk.2. y Angstdempende geneesmiddelen onderdrukken de activiteit van het centrale zenuwstelsel en hebben daardoor een kalmerend effect.1 21 . 15. o Receptoren blokkeren.  Zeer verslavend.3 15. y Klinische psychologen: universitair masterdiploma in de psychologie.  Vermindering van hartkloppingen. gedachten en gedragingen van een patiënt proberen veranderen door gesprekken.  Voorgeschreven bij mensen met plankenkoorts/vliegangst. Er zijn 4 groepen: o Barbituraten:  Zelden voorgeschreven.2 Therapeutische benaderingen y biologische behandelingen: gaat uit van een fysiologische of biochemische visie op mentale problemen.15. o Heropname bevorderen. o Men moet de lichamelijke processen veranderen door geneesmiddelen om het gedrag en de emoties te kunnen veranderen. y Verpleger psychiatrie: studie verpleegkunde met specialisatie in de psychiatrie.

3 grote types: o Tricyclische verbindingen:  Verbeterd de stemming van de patiënt. o Dopamine is nodig voor een vlotte en soepele uitvoering van bewegingen. o Bijwerkingen: Taradieve dyskinesie: controle over de spieren wordt verstoord. o Monoamine oxidase inhibitoren (MAOI):  Weinig voorgeschreven wegens grote kans op bijwerkingen. o Selectieve serotonine heropname inhibitoren:  Minste bijwerkingen.  Vb: prozac Antidepressiva zijn minder geschikt om een bipolaire stoornis te behandelen. y Last aan schildklieren. o Behandeling bij zwaar depressieve mensen.  Eerste keuze bij een behandeling.2.3 22 . 15.y y y y Antidepressiva verlichten de symptomen van een depressieve stoornis. o Bij ernstig gestoorde psychotici die extreem emotioneel en gewelddadig waren.  Verhoogt de aanwezigheid van serotonine in de synaptische spleet omdat ze de heropname van deze neurotransmitter onderdrukt. o Stuiptrekking van een spier kan tot verrekken of breuken leiden. y ECT is een controversiële maar effectieve techniek. y Frontale lobotomie: Vezels tussen de frontale lobben en emotionele controlecentra in het limbische systeem doorsnijden.  Heropname van serotonine en noradrenaline afremmen.  Neveneffecten: y Dorst. o Bijwerkingen: angst. o Daarom wordt een spierontspannend middel toegediend. o Eerst leek het een succes o Daarna bleek dat de patiënten permanent invalide waren. o Hiervoor gebruikt men Lithium.2. Tweede generatie antipsychotica: minder bijwerkingen in de bewegingscontrole. o Atypische antipsychotica: inwerken op:  Dopamine  Serotonine  Noradrenaline o Vb: Clozapine. Antispychotica zijn geneesmiddelen die gebruikt worden bij de behandeling van schizofrenie en andere psychotische stoornissen. Psychochirurgie y Psychochirurgie: men gebruikt een chirurgische ingreep om cognitieve en emotionele stoornissen te behandelen. o Vermindering van de dopaminegerelateerde activiteit in de hersenen. y Last aan nieren. geheugenverlies. desoriëntatie. o Vb: Haldol: men wordt minder slaperig en suf.2 Elektorconvulsieve therapie y elektroconvulsieve therapie (ECT): het toedienen van elektrische stroomstoten in de hersenen. 15.  Geeft de patiënt energie. y Herhaalde stimulatie van de linkse frontale lob lijkt een effect te hebben bij depressie.

y Psychomotorische therapie: o Een gebrek aan beweging heeft een negatief effect op het gemoed.2. hoe meer placebo-effect. o Psychomotorische therapie: een behandelingsvorm waarbij bewegingsactiviteiten geïntegreerd worden binnen een psychotherapie. o Placebo-effect is het gevolg van spontaan herstel. gerandomiseerde.  Patiënten moeten op toevallige wijze verdeeld worden over die condities. o Hier zijn 3 voorwaarden bij:  Twee condities: y Experimentele conditie. placebogecontroleerde studie.5 23 .  Creëren van de cognitieve verwachting dat het beter zal gaan. dan zullen de personen in de experimentele conditie zich beter voelen dan de proefpersonen in de placeboconditie.  Dit zijn mensen met een seizoensgebonden stemmingsstoornis. y Verklaringen voor het placebo-effect: o Een placeboconditie blijkt in de hersenen een vergelijkbare activiteit uit te lokken als een werkzame stof. doeltreffendheid van de biologische therapieën y Placebo-effect: een fysiologische of psychologische respons op een substantie of procedure die geen farmacologische of therapeutische componenten bevat. Dit onderdrukt de productie van melatonine.  Het placebo-effect werkt enkel als de persoon gemotiveerd is om te verbeteren. namelijk een grotere afscheiding van endorfine en dopamine. 15. y Placeboconditie. o Om het placebo-effect te onderzoeken maakt men gebruik van een dubbelblinde.0 heeft men te maken met een effectieve therapie. maar niet iedereen is symptoomvrij. o De verschillen in effectiviteit hangt samen met het placebo-effect.en stemmingsstoornissen: o Alle therapieën zijn bruikbaar. o Bij alle behandelingen treed een placebo-effect op. o 3 factoren spelen een rol bij het placebo-effect:  Klassieke conditionering van emoties door te denken dat behandeling altijd werkt.  Hoe effectiever een therapie.5  Vanaf +1.2.  Oorzaak: afscheiding van te veel melatonine door de pijnappelklier. o Hierbij gebruikt men lichttherapie: een kuur waarbij de patiënt s morgens blootgesteld wordt aan fel kunstlicht. o Therapie-effectgrootte: De mate van verandering tussen de experimentele en de placeboconditie. o Els de geteste stof werkzaam is. y Effectiviteit bij angst.  Therapie is bruikbaar wanneer een effecgrootte groter is dan +0.15.  De experimentator mag niet weten wie het placebo heeft en wie de experimentele.4 Lichttherapie en psychomotorische therapie y Lichttherapie: o sommige mensen worden depressies door een tekort aan zonlicht.

y Psychotherapeuten zijn experts die op basis van onderzoek en hun ervaring. y Psychotherapie is gebaseerd op de vaststelling dat mensen vaak problemen oplossen door er met anderen op een constructieve manier over te praten.3. o Mentale stoornissen zijn het gevolg van een onbewust conflict in het EX. o latente inhoud: waar de droom werkelijk over gaat. o Wiens waarden gaan in het nieuwe gedrag weerspiegelt zijn?  Die van de patiënt?  Die van de therapeut?  Die van de maatschappij? y Vertrouwelijkheid: het recht op privacy. o Men gaat het beheersingsgevoel herstellen door:  De symptomen te benoemen.15. y Maximale honorarium: het feit dat men bij de eigen expertise moet blijven. o De patiënt moet het gevoel krijgen dat hij zijn problemen kan beheersen.4 15. o Deze afweermechanismen werken onbewust en bestaan in een gezond geval uit verplaatsing en sublimatie:  Verplaatsing: onaanvaardbare impuls wordt op een veilige manier tot uiting gebracht. y Psychotherapeuten vertrouwen hun patiënten dat ze hun moeilijkheden zullen overwinnen. psychoanalytische therapieën Vrije associatie. interpretatie van afweermechanismen y klassieke psychoanalyse: werd ontwikkeld door Freud.1 psychologische therapiebenaderingen gemeenschappelijke kenmerken van psychotherapie y psychotherapieën zijn gericht op het helpen van patiënten door hun nieuwe en betere inzichten te bieden. welke binding men mag hebben met organisaties die een rol kunnen spelen in het leven van de patiënt en hun gezin.4. y Interpretatie van afweermechanismen: het Ich gebruikt afweermechanismen om zichzelf te vrijwaren van de angstaanjagende gedachten uit het Es. o Er moet een stappenplan gemaakt worden. o Zelf wanneer een stoornis een lichamelijke oorzaak heeft.3 15. wat zijn zeggen moet vertrouwelijk blijven.  Sublimatie: gefrustreerde seksuele energie wordt in een andere creatieve activiteit omgezet. dat tot stond gekomen is tijdens de psychoseksuele ontwikkeling en geleid heeft tot een fixatie of regressie in een van de stadia. reacties en verwachtingen een langdurig proces is dat veel energie vergt van de patiënt.2 15. y Droomanalyse: onderscheid tussen: o manifeste droominhoud: wat de patiënt zich herinnert van de droom.  Projectie: het toeschrijven van een eigen impuls aan iemand anders. dan wordt de kans groter dat elementen van het onopgeloste conflict in het Es naar buiten komen. o Die vertrouwelijkheid is wettelijk vast gelegd. y Psychose: als de patiënt regresseert naar een vorig ontwikkelingsstadium.1 24 . 15. y Neurose: Als de persoon contact behoudt met de realiteit. ethiek y men veranderd het gedrag van de persoon. y Het veranderen van verkeerd gegroeide percepties. droomanalyse. y Vrije associatie: als de patiënt ongeremd praat. y Tarasoff-beslissing: therapeuten moeten mogelijke slachtoffers van hun patiënten waarschuwen wanneer deze in gevaar zijn.  De patiënt succes te laten ervaren in de therapie.3. o Andere afweermechanismen zijn minder gezond:  Ontkenning: niet aanvaarden van een negatieve impuls. adviezen geven over het algemeen werken.

o Belang hechten aan ervaringen met andere belangrijke personen. fantasieën van de patiënt.  Klemtoon ligt in het heden. dromen.  Gedrag wordt bepaald door een aangeboren geboefte om te groeien. En verschilt van de psychoanalyse door:  Cliënt staat centraal en niet de therapeut. o Aandacht hebben voor het verleden. herinneringen. door een verkeerde perceptie.1 Cliëntgerichte therapie y Carl Rogers: grondlegger van de cliëntgerichte therapie. verlangens. wensen. Humanistische therapieën inleiding y humanistische psychologen leggen de nadruk op de subjectieve interpretaties die mensen geven aan gebeurtenissen.1 15. y Stoornissen zijn het gevolg van een blokkade in de natuurlijke groei. o Cliënt moet zich aanvaard voelen.2 weerstand. o Terugkerend patroon in de gevoelens zoeken. o Dit wordt vooral gebruikt bij een depressie. onbewuste conflicten. catharsis y onbewuste conflicten moeten in het bewustzijn gebracht worden en van hun energie ontdaan worden. 15. Het is een alternatief voor de psychoanalyse. o Open voor wensen. y Er zijn 7 kenmerken die in grote mate aanwezig zijn binnen de recente.15.5 15.5. Hierbij zijn 3 processen: o weerstand: de patiënt zal weerstand bieden tegen de pogingen van de therapeut om de conflicten te duiden.3 15. y Cliëntgerichte therapie en focustherapie zijn gebaseerd op: o Therapie is een ontmoeting tussen gelijken. o Deze problemen worden verholpen door onbewuste conflicten in het bewustzijn te brengen en van hun energie te ontdoen. o Catharsis: het wegvallen van de spanningen en angsten nadat men zich bewust geworden is van de onderdrukte ideeën. o Waarde aan therapeutische relatie en wat daarin tot uiting komt. o Overdacht: huidige en vroegere emoties ten opzichte van belangrijke personen zullen overgedragen worden op de therapeut. o Cliënten zullen zichzelf verbeteren als ze hiertoe kans krijgen.4. o Cliënten blijven verantwoordelijk voor hun denken en hun gedrag. niet door seksuele impulsen. overdracht. 25 . niet intensieve psychoanalytische therapieën: o Klemtoon op emoties o Verkennen van pogingen van de patiënt die vooruitgang belemmeren. y Catharsis in de psychoanalytische therapie wijst op 2 assumpties: o Problemen worden veroorzaakt door verdrongen.  Probleem betreft bewuste ervaringen.4. Psychoanalyse sinds Freud y interpersoonlijke psychotherapie: deze therapie heeft haar focus verlegd van de onbewuste conflicten in het individu naar het patroon van relaties dat de patiënt heeft met belangrijke anderen.5.

y Aversietherapie: wordt toegepast bij cliënten die een ongepaste stimulus of activiteit als attractief ervaren. technieken op basis van klassieke conditionering y binnen mentale stoornissen komen twee vormen van ongepaste emotionele reacties voor: o overdreven irrationele angst: fobieën. Men leert een positieve respons te geven bij een stimulus die angst uitlokt.6. technieken op basis van operante conditionering y token economy: de patiënten krijgen punten voor goed gedrag. o Een stimulushiërarchie: opstellen van een lijst met angstoproepende situaties beginnend bij zeer mild en oplopend tot zeer ernstig. y Implosietherapie: variant van floodingtherapie waarbij de angstaanjagende stimulus niet werkelijk ervaren wordt maar enkel in de verbeelding opgeroepen wordt.  Op basis van reflectie kunnen de cliënten de therapeut verbeteren of een beter inzicht geven.y y 3 kwaliteiten nodig voor een goede therapeutische relatie: o Onvoorwaardelijke positieve aanvaarding: verwijst naar de aanvaarding van de cliënt. manifesteert zich doordat de therapeut de emotionele inhoud van wat de cliënt zegt. o Ongepaste seksuele opwinding: exhibitionisme.2 15. o Authenticiteit: er moet een overeenkomst zijn tussen wat zij voelen en wat zij tegen de cliënt zeggen of hij zij zich tegenover de cliënt gedragen. voyeurisme. y Systematische desensitisatie: wordt vooral gebruikt bij angststoornissen.3 26 . ongeacht wat die zegt of doet. o Empathie: het meevoelen met wat de cliënt doormaakt. opnieuw naar de cliënt reflecteert. o Loskomen van de onrealistische verwachtingen die ze over zichzelf hebben. obsessieve-compulsieve stoornissen. begint de cliënt met zich een beeld te vormen van het minst bedreigende item uit de lijst.1 15.  Als de stimulushiërarchie is opgesteld en de relaxatietechnieken geleerd zijn.  Daarna gaat hij over naar de volgende stap. Doel: o het opheffen van de incongruentie die er bestaat tussen het actuele zelf en het ideale zelf van de cliënt. o cliënten confronteren met de gevreesde stimulus en hun te beletten het ontsnappingsgedrag te vertonen.5. Deze punten kunnen ingeruild worden voor privileges en hebbedingen. y Functionele analyse: hier worden de problematische gedragingen van de cliënt in kaart gebracht samen met de situaties die ze uitlokken. 15.6. y Flooding: men confronteert cliënten met een situatie die voor hen beangstigend is en laat hen ervaren dat de angst niet beantwoordt aan de daadwerkelijke gevolgen. 15. gedragstherapieën inleiding y gedragstherapie: een vorm van psychotherapie die het gedrag van een cliënt probeert te veranderen door de wetten en de principes van de leertheorie toe te passen. De aanvankelijk attractieve stimulus werd onaantrekkelijk gemaakt door hem te paren aan onaangename of aversieve gebeurtenissen.  Deze techniek leidt tot extinctie van de geconditioneerde angst.6.6 15.2 focussen y focustherapie: ons focussen op de lichamelijke reacties om te leren wat goed en niet goed is voor ons. Mensen met een mentale stoornis hebben verkeerde gedragingen aangeleerd.

Dit geeft aanleiding tot negatieve gevoelens. o Overgeneralisatie.2 15. zodat de cliënten minder kwetsbaar zijn in hun omgang met de wereld. y De therapeut zal letten op irrationele uitspraken bij de cliënt en die ter discussie stellen. y Er zijn twee types mensen extra kwetsbaar voor het ontwikkelen van een depressie: o Sociaal afhankelijke type. o Problemen doordat mensen ervaringen toeschrijven aan verkeerde oorzaken. y Attributieverandering: aan attributie is het toeschrijven van oorzaken aan de gedragingen die mensen vertonen. o Mensen die sterk prestatiegericht zijn en kritisch over hun prestaties tot dusver. o Stap voor stap worden de irrationele overtuigingen overwonnen.15. o Alle negatieve gebeurtenissen op zichzelf betrekken. y Observerend leren is een essentiële component van groepstherapie. y Cognitieve therapie van beck: veranderen de cliënten hun overtuigingen niet op basis van een debat zoals bij de RET maar worden ze aangemoedigd om zelf informatie over hun overtuigingen te winnen. y Positief denken: mensen die positief denken voelen zich minder snel wanhopig en geblokkeerd bij een uitdaging. maar men moet ook de cognities veranderen. 15. o Zwart-wit denken.7. omdat de deelnemers hier kunnen leren door elkaar te observeren.6. die hen ertoe aanzetten om irrationeel gedrag te stellen en hen ook te vaak een gevoel geeft van mislukking.3 15. het leven is zinvol als er goede relaties zijn. de toekomst en de wereld. Is mogelijk bij elke leeftijdsgroep.4 27 . y Ter discussie stellen van die uitspraken gebeurd adhv 5 stappen (abc van de emoties) o Activating event: welke situatie lokt een emotie uit? o Beliefs: welke opvattingen zijn er op dat moment? o Consequences: welke gevolgen hebben deze opvattingen? o Dispute: zijn deze opvattingen rationeel? o Effect: welk effect kan er verwacht worden? y De therapeut leert de cliënt om op een betere manier om te gaan met de realiteit. o Onrealistisch uitvergroten van een detail. y Probleemoplossingvaardigheden verbeteren: leren van betere vaardigheden om problemen op te lossen en beslissingen te nemen.4 technieken op basis van observerend leren y Modeling: men gaat cliënten gedragingen aanleren door ze voor te doen.1 15.7.7 15. andere cognitieve technieken y stop zeggen: het herkennen van een spiraal van negatieve gedachten en deze op tijd stoppen. rationeel-emotieve therapie y rationeel-emotieve therapie (RET): gaat uit van de veronderstelling dat veel mensen onrealistische en perfectionistische overtuigingen hebben. y Cognitieve therapieën: concentreren zich op het ter discussie stellen en vervangen van slecht aangepaste overtuigingen die de cliënten hebben.7. inclusief de gedragingen die men zelf vertoont.7. Factoren die hiertoe bijdragen: o Neiging om conclusies te trekken op basis van de gevoelens die men heeft. Cognitieve therapie van Beck y mensen met psychische problemen hebben disfunctionele cognities over zichzelf. y Ze slepen de persoon mee in een negatieve spiraal die een depressie veroorzaakt en in stand houdt. cognitieve therapieën inleiding y om gedrag te veranderen volstaat het niet om het gewenste gedrag te bekrachtigen en het ongewenste gedrag straffen. y Rationele herstructurering: problematische attitudes en gedachten gaat men op een rationele manier structureren. o Maakt dikwijls deel uit van flooding.

waarbij de begeleiding minder intens is en de klemtoon ligt op de reïntegratie van de bewoners in de maatschappij. o Niet rustig te bespreken.8. o Secundaire preventie: getroffenen in een zo vroeg mogelijk stadium op te sporen en te helpen.8 15. inspanningen en tijd. De leden kennen elkaar niet.en gezinstherapie y systeemtherapie: een therapie waarbij men ervan uitgaat dat veel problemen niet louter persoonsgebonden zijn.15. maar ook van het feit dat men de getroffenen meer mogelijkheden bood om in de maatschappij te blijven functioneren. zonder dit te beseffen. maar ontstaan en onderhouden worden binnen de context van relaties waarin de betrokkene zich bevindt. o Binnen een gedragstherapeutisch kader zal men nagaan hoe leden van een gezin ongewenst gedrag bekrachtigen. o Minder eenzaamheid. o Uiteenlopende verwachtingen. y Preventie: verhinderen dat iemand in een inrichting opgenomen wordt.  Doelgroep: personen met een verhoogd risico. o Tertiaire preventie: zelfredzaam maken en houden van mensen bij wie een aandoening is vastgesteld zodat zij onafhankelijk en optimaal kunnen blijven functioneren.8. y Huwelijkstherapie: man en vrouw worden samen behandeld. y Zelfhulpgroepen: deze groepen worden meestal bijeengeroepen door patiënten/familieleden die met eenzelfde situatie geconfronteerd worden. o Ontrouwheid van een partner. y Gezinstherapie: gedragsmoeilijkheden bij peuters en kleuters en relatieproblemen met kinderen in de adolescentie. gemeenschapsvoorzieningen y desinstitutionalisering uit de jaren 50-601 was niet enkel een gevolg van de beschikbaarheid van geneesmiddelen.8. o Feedback van de groep.1 andere therapieën huwelijks. y Tussenhuis: een huis in een gewone buurt. Er wordt gekeken naar hun relatiemoeilijkheden. y De voordelen: o Besparing in kosten. o Elkaar helpen zorgt voor een goed zelfbeeld. o Meer over zichzelf prijs geven. o Leren door observeren. 15. Een gemeenschappelijk doel.  Doelgroep: gezonde populatie.2 15. o Cliënten met elkaar zien omgaan. y 3 vormen van preventie: o Primaire presentie: een aandoening voorkomen door de oorzaken weg te nemen. y De groepsleden delen iets belangrijks. o Meer relatievormen mogelijk.  Ambulante gezondheidscentra: richt zich tot iedereen die in geestelijke nood zit en een vorm van begeleiding wil. Problemen: o Niet allebei de partners zijn even gemotiveerd.3 28 . groepstherapie y hier zijn meerdere cliënten aanwezig onder leiding van een therapeut.

raad en initiatief. cognitieve en sociale bijdragen tot het menselijke functioneren. demogelijkheid om te praten. Ze zullen hun aanpak aanpassen afhankelijk van het probleem.2 Hoofdstuk 18 18. Door: o placebocondities minder sterk op behandelingscondities lijken.9 15. o De therapiesessies verlopen grotendeels gelijksoortig. y Factoren die wel een verschil maken: o Sommige stoornissen zijn beter te behandelen dan andere. creëert orde. o Duidelijke rapportage.1. o Toepassen van kennis over de biologische. o Therapeuten hebben de basistechnieken van de verschillende benaderingen. welke factoren bepalen succes y er bestaat weinig evidentie voor systematische verschillen tussen de grote therapiebenaderingen. y Bonafide therapieën: therapieën waarbij een grote groep in de gemeenschap gelooft dat ze heilzaam zijn omdat: o Ze gebaseerd zijn op een coherente psychologische theorie. o Gebruik maken van de beschikbare onderzoeksmogelijkheden. o Gegeven worden door officieel opgeleide therapeuten. o Overeenkomst tussen verwachtingen van de cliënt en de oriëntatie van de therapeut. o De cliënt is zelfden helemaal blind over het feit in welke conditie hij zit. o Ze een wetenschappelijke basis hebben. y Grote overeenkomst tussen de effectgroottes van de psychotherapieën en de geneesmiddelentherapieën. y Het effect van de 5 therapierichtingen is nagenoeg gelijk. 15. y Succes van psychotherapieën bij de behandeling van specifieke fobieën en obsessievecompulsieve stoornissen. theorieën en technieken van de wetenschappelijke psychologie toe te passen: o Doornemen van de bestaande empirische evidentie.1 de doeltreffendheid van psychotherapieën werkt psychotherapie y er zijn iets lagere placebo-effecten bij psychotherapieën dan bij farmacotherapieën. o Vaardigheden van de therapeut en de kwaliteit van de relatie tussen therapeut en cliënt.9.15. o Empirisch onderzoek. y Toegepast onderzoek: het uitgangspunt is een praktisch probleem.dat men probeert op te lossen door de principes. y Factoren die ertoe bijdragen dat alle bonafide therapieën gelijklopen: o Elke therapie biedt hoop.1 18. o Persoonskenmerken van een cliënt.1 omgevingspsychologie inleiding y fundamenteel onderzoek: wordt uitgevoerd om de werking van een fenomeen te begrijpen en een wetenschappelijke theorie daarover te ontwerpen. o Kenmerken van de therapeut.9. 29 .

y Overbevolking zorgt voor constante stroom van stimuli. y Overbevolking: een toestand waarbij de bevolking te talrijk is in verhouding tot de aanwezige middelen van bestaan. o Voorspelbaarheid van het lawaai en de controle die men erover heeft. o Zelf wanneer mogelijk storende variabelen verwijderd werden.18.  Inventaris opstellen van de specificaties waaraan een gebouw of omgeving moet voldoen. o Individuele verschillen.  Verschil moet 50 decibel zijn. opnames in een instelling is positief gecorreleerd.  Wanneer er meer mensen dan kamers zijn per wooneenheid dan krijgen bewoners een gevoel van overbevolking. y Mensen ervaren een aangeboren rustgevoel bij het zien van een kalme natuur.1.  Wanneer de persoonlijk ruimte onder invloed van omgevingsfactoren doorbroken wordt dan zullen mensen een symbolische afstand bewaren door onpersoonlijk met elkaar om te gaan en oogcontact vermeiden. sociale uitkering. o Een evaluatie na ingebruikname: nagaan hoe goed een gebouw of een andere omgeving beantwoordt aan de vooropgestelde vereisten. y De relatie tussen bevolkingsdichtheid en sterftecijfer.2 omgevingspsychologie y omgevingspsychologie: de studie van de relatie tussen de omgeving en het gedrag. 18. deze stroom wekt stress op en verhindert dat de stress weer afneemt. y Patiënten zijn blij met hun tehuis. criminaliteit. o Uitvoeren van een participatieplanning: betrekken van de toekomstige gebruikers bij het ontwerp door naar hun voorkeuren en meningen te luisteren.  Bij het doorbreken van de persoonlijke ruimte ontstaat een stressreactie. net zoals ze een aangeboren angst hebben voor slangen en grote hoogtes. lawaai in de buurt y verschillende factoren hebben een invloed op de aard van de reacties bij lawaai: o de sterkte van het lawaai.1.4 30 . o Bereidheid tot dienstverlening ervaren. y Drie manieren om een omgeving beter te doen aansluiten bij de behoeften en verlangens van de gebruiker: o Opstellen van een architectuurprogramma.1. o het tijdstip van het lawaai. overbevolking y overbevolking bij ratten leidt tot agressie.  Meer klachten s nachts dan overdag. vruchtbaarheid. y Bevolkingsdichtheid: het aantal inwoners per vierkante kilometer. o De mate waarin het lawaai noodzakelijk en onvermijdbaar is. kannibalisme. als de realiteit hun verwachtingen overtrof met betrekking tot: o Zichzelf herkennen in de omgeving. o Zich veilig voelen. abnormaal seksueel gedrag en een hoog sterfteaantal van jonge dieren. o Mensen hebben een persoonlijke ruimte rondom zich waar anderen alleen in uitzonderlijke situaties in mogen komen. o Zich welkom voelen.  Meer klachten bij sterk lawaai.3 18. o Sociale contacten onderhouden. o De mate waarin behuizing tegemoetkomt aan de privacybehoefte die mensen hebben is een bepalende factor bij overbevolking.

ooggetuigen y er is een groot verschil tussen het herkennen van vertrouwde gezichten en het herkennen van nieuwe gezichten. o Verhoogde bloeddruk. voorspellen van geweld y risicofactor: factoren die het risico op geweld vergroten.2 18.2. vervroegde vrijlating. o Voorspellingswaarde vermindert naarmate het tijdsinterval groter wordt. o Advies bij een gerechtelijk onderzoek en tijdens een rechtszaak.2.4 31 . o Stressreactie.y Effecten van lawaai op lange termijn: o Slaapproblemen. o Hoge score op psychopathologielijst o Geschiedenis van geweld o Man zijn o Impulsiviteit o Negatief affect o Misbruik van middelen o Sociale relaties o Therapietrouw o Gebrek aan inzicht y Waarom is gewelddadig gedrag moeilijk te voorspellen: o Het gedrag van een misdadiger wordt geobserveerd in een bepaald kader. o Minder goede prestaties. o Onbekenden herkent men amper.1 Rechtspsychologie inleiding y in welke situaties doen rechters. o Verhoogde geïrriteerdheid. o Psychische overmacht: psychisch onder druk komen te staan zodat iedereen dezelfde misdaad zou begaan zijn. 18. o Advies ivm kinderen. aanklagers en advocaten een beroep op psychologen: o advies over mentale mogelijkheden en de persoonlijkheid van beklaagden/getuigen. o Advies in verband met voorlopige invrijheidstelling.3 18. o Bekende gezichten herkent men snel. alternatieve straffen. o Het al dan niet optreden van geweld hangt af van een reeks gebeurtenissen. o Controle op gevangenen die voorwaardelijk vrij zijn. o Begeleiding van gevangenen. y Beschermingsfactor: factoren die het risico op geweld verkleinen.2. ontoerekeningsvatbaar y hoe kan men vrijstelling van straf krijgen: o ontoerekeningsvatbaarheid: de verdachte is niet in staat om de betekenis van zijn handelen te overzien.2.2 18. 18.

o De ondervrager minimaliseert de gevolgen van een bekentenis.5 Arbeid. y Een verkeerde interpretatie van de niet-verbale signalen kan leiden tot verkeerd beoordelen van de waarheid. y Behoefte aan zelfstraf. omdat ze te veel op hun woorden moeten letten. y Onmogelijkheid om de werkelijkheid en fantasie te onderscheiden. y Organisatiepsychologie: richt zich op het functioneren en het welbevinden van individuen en groepen in organisaties.en organisatiepsychologie 18.en organisatiepsychologie is de wetenschap van het menselijke gedrag in organisaties die producten of diensten leveren.  Redenen: y Pathologische behoefte aan bekendheid. o Voordien mogen ze niet betrokken zijn geweest bij de zoektocht naar de dader. maar komen voor doordat de verdachte ervan overtuigd raakt dat de beschuldigingen wel eens waar zouden kunnen zijn.2. y Binnen de arbeidspsychologie zijn er 2 thema s: o Personeelspsychologie spitst zich toe op de selectie en opleiding van werkkrachten en op de registratie van hun prestaties. Er is slechts een kleine correlatie tussen de zelfzekerheid van de getuigen en de juistheid van hun identificatie.5.5 kijken wie de waarheid spreekt y leugenaars maken minder gebaren. y 3 vormen van valse bekentenis: o Vrijwillige valse bekentenissen: mensen geven zonder enige druk zichzelf op als misdadiger. y Mensen kunnen iets beter dan het toeval zeggen of personen liegen of niet. y Verlangen om iemand te beschermen.y y y y Line-up: manier om een ooggetuige een onbekende persoon te laten aanwijzen. 18. 18. organisatieklimaat. efficiënt leiderschap. 32 . o Ondervrager maximaliseert de evidentie tegen de verdachte. o Gedwongen valse bekentenissen: worden afgelegd tijdens een verhoor om te ontsnappen aan ondraaglijke situaties. o Er moet vermelding zijn dat de kans bestaat dat de echte dader er niet tussen zit. Zij bestuderen groepsdynamiek. o Geïnternaliseerde valse bekentenissen: worden afgelegd tijdens een verhoor. o Begeleider geeft signalen over het juiste antwoord. y Factoren die de kans op een afgedwongen valse bekentenis doen toenemen: o Mate van geïsoleerdheid en uitputting.  Optimale werving en selectie voor een job. Fouten bij line-up: o Afleiders niet goed kiezen: personen moeten dezelfde kenmerken hebben.1 inleiding y arbeid. o Psychologische analyse van de taakinhoud en de arbeidsomstandigheden. y Valse bekentenis: wanneer iemand een bekentenis aflegt terwijl hij niets gedaan heeft. Perceptuele-deskundigheidshypothese: Getuigen kunnen moeilijker gezichten herkennen van een ander ras dan van hun eigen ras.

5.  Wijs mensen aan die als rolmodel fungeren. o Ongestructureerd interview: de vragen liggen niet vast. Men gaat na waardoor dit kwam. evaluatie van de prestatie: o Informatie verzamelen over het personeel om uit de selectiefouten te leren. functieanalyse: o een zo volledig mogelijke omschrijving van de vereisten van de functie. y 6.  Hobbyisten: beschouwen hun baan als hun hobby. o Begint met een gestructureerd interview.  Sedentaire werknemers: tegenpool van zwervers. werving: o Om potentiële werkkrachten aan te trekken gaat men het bedrijf zo positief mogelijk voorstellen. socialisatie binnen het bedrijf: o 3 adviezen voor een organisatie:  Geef de persoon realistische informatie over wat verwacht wordt. iedereen krijgt dezelfde vragen. 18. carrièrebegeleiding: o Het begeleiden van werknemers die op zoek zijn naar een andere baan.18. maar maken fouten. o Gebaseerd op de position analysis questionnaire (PAQ)  Input  Mentale processen  Output  Relatie met anderen  Context  Andere karakteristieken y Techniek van de kritieke voorvallen: men gaat op zoek naar momenten waarop iets misliep of waarop alles uitzonderlijk goed verliep.  Relevante praktische intelligentie: geeft informatie over de vaardigheden van de kandidaat voor de baan zoals die door de functieanalyse omschreven wordt. o Situationele interview: type gestructureerd interview: hypothetische werksituatie geschetst op basis van de functieanalyse. tests o Gestandaardiseerde tests worden gebruikt bij personeelsselectie.2 Personeelsselectie y 1. 33 .  Zorg voor voldoende steun en geruststelling. o Classificaties van carrières:  Zwervers: geen doelen.5. o 3 tests vormen de kern van het psychodiagnostisch onderzoek:  Analytische intelligentie. y 7.  Planners: hebben duidelijke doelen voor ogen.  Springers: maken snel carrière. o Dit kan nadelig zijn omdat de werknemer teleurgesteld kan zijn en zal afhaken. er wordt ingespeeld op wat de ondervraagde antwoord. y 3. interviews o Gestructureerd interview: de vragen liggen vast. y 2.  Persoonlijkheidstest: informatie over de persoon. y 5.3 werkmotivatie en arbeidsvreugde y werkmotivatie : wat werknemers motiveert en hoe managers de werksituatie zo kunnen organiseren dat zij zowel aan de behoeften van de werknemer als aan die van de werkgever tegemoetkomen. y 4.

 Taakgerichte leidersstijl: structuurveranderingen aanbrengen. 40. 34 . maar hebben een duidelijke structuur in de werksituatie. 1927: hawthorne-effect: toename in productiviteit ten gevolge van het feit dat men deelneemt aan een interventiestudie en dus aandacht krijgt.  Soms kan men beter kijken naar het gedrag van de leider. o Taylorisme: een scheiding tussen denken en doen: het management dacht en de werknemer voert uit. o Loon is belangrijk maar niet de enige motiverende factor. o Human-rescource-beweging: mensen zijn uit zichzelf gemotiveerd en intrinsiek bereid om werk uit te voeren. o Nastreven van haalbare. o Maslow en rogers: werksnemers zijn individuen met een behoefte om hun potentieel te realiseren en de werkplek diende hen hierbij.4 efficiënt leiderschap y efficiënt leiderschap kan onderverdeeld worden in 3 groepen theorieën. gezamenlijke doelen is een bron van motivatie. o De assemblage aan de lopende band. o Arbeidsvreugde is afhankelijk van 3 factoren:  Regels en procedures binnen de organisatie. 1960: expansie in de economie en welvaart. Behalve op neuroticisme.  12 trekken die een goede leider moet hebben: y Gefocust op de realiteit y Betrouwbaar y Onafhankelijk y Actieve geest y Intelligent y Met een visie y Gepassioneerd y Engageer zich tot actie y Ambitieus y Doorzetter y Respect voor capaciteiten y Oog voor rechtvaardigheid  Een goede leider scoort hoog op de Big Five persoonlijkheidstrekken. 18. o Hangt af van het gedrag van de leider:  Werknemergerichte leidersstijl: Goede leiders zorgen voor hun werknemers.  Verschillende types leiders: y Transactionele leiders: steun en advies bieden op hun werkvloer en ervoor zorgen dat de werknemer voldoening vind in zijn baan. o Persoonlijkheidstrekken van de leider. Arbeidsvreugde: wenneer een baan voldoet aan de behoeften van een individu of wanneer een uitdagend doel bereikt wordt. o Werknemers het gevoel geven dat ze belangrijk zijn.50: human-relations-beweging: Mayo beklemtoond de menselijke waardigheid en de sociale verbondenheid van de werknemers.5.  Eigenschappen van het personeelslid.y y y y y 19e eeuw: industriële revolutie o Geld is motivatie. richting geven aan ondergeschikten. y Transformationele leiders: moedigen werknemers aan om doelstellingen boven hun verwachtingen te bereiken door hun een visie te geven en het gevoel dat elk individu belangrijk is.  Specifieke aspecten van de baan. o Rendement van de werknemers verbeterd omdat ze aandacht krijgen.

y De machtspositie van de leider. y Structuur van de taken.6 ergonomie 18. 18. 18. o Een vlakke weg met 4 banen nodigt uit tot snel rijden.o Juiste gedragingen in de juiste situaties:  Leiderschap en situatie worden met elkaar in verband gebracht.1 inleiding y ergonomie handelt over de samenwerking tussen mens en machine y de taak van de ergonomen is om een harmonieuze relatie te creëren tussen de talloze voorwerpen in de omgeving en de gebruikers.6.3 machines gebruiksvriendelijk maken y vuistregels bij de ergonomie: o stimulus-respons-compatibiliteit: er moet compatibiliteit zijn tussen perceptie en de actie.6. hoe eenvoudiger de controle moet zijn. o Standaardisatie: de controlebehandeling volgen die bij veel toestellen gebruikt wordt. o Effecten van gsm-en en rijden.  Er is een onderscheid tussen een werkergerichte leidersstijl en een taakgerichte leidersstijl op basis van 3 dimensies: y Relaties tussen de leider en de ondergeschikten.6. o Rekening houden met de opvattingen van de gebruikers over hoe een controle waarschijnlijk werkt. o Relatie tussen de frequentie van een handeling en het gemak van de handeling: hoe vaker een actie moet gedaan worden. o Onmiddellijke feedback over een uitgevoerde handeling. 18. 35 .2 verkeersveiligheid y voorbeelden van ergonomie in het verkeer: o introductie van het derde remlicht. o Mapping: overeenkomst tussen de controlebediening en het gevolg dat men van de handeling verwacht.

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful