You are on page 1of 16

Syllabus wetenschapsfilosofie

Wetenschapsfilosofie hangt nauw samen met kenleer. Eigenlijk gaan ze in elkaar over en een scheiding tussen beide is moeilijk te maken. De kenleer richt zich op menselijke, cognitieve kennis. Deze kennis wordt uitgedrukt in kennisoordelen: ik weet dat p. Dit zijn uitspraken die informatie verschaffen over een ding, een persoon of een stand van zaken, feitenkennis dus. De uitspraak Ik weet dat p bevat tenminste vijf claims: 1. Het is (mij) duidelijk wat met p bedoeld wordt (betekenis) 2. p is (voor mij) kenbaar, p valt binnen de grenzen van wat ik kan weten. 3. p is waar (waarheid) 4. Ik ben ervan overtuigd dat p, ik twijfel niet aan p (zekerheid) 5. Ik heb redenen voor mijn overtuiging (gerechtvaardigd) Met deze 5 claims corresponderen de kernproblemen van de kenleer en de wetenschapsfilosofie. ad 1. Betekenis. Verschil in interpretatie kan misverstanden oproepen. Onbegrip is helemaal funest als het om kennis gaat. Als je niet begrijpt wat p betekent of inhoudt kun je onmogelijk zeggen of p waar is. Betekenis van algemene termen (atoom, bewustzijn, chromosoom). Verwijzen deze termen op dezelfde manier naar dingen in de werkelijkheid als bijv. huis, fiets, man, muis? ad 2. Wat kunnen we eigenlijk weten? Wat is kenbaar? Wat is de aard en de omvang van de kennis die in ons bereik ligt? Scepticus: ik weet dat ik niets weet. Een groot deel van de geschiedenis van de kenleer houdt zich bezig met de weerlegging van de argumenten van de scepticus, zoals we hebben gezien. Het duidelijkste voorbeeld hiervan is Descartes. (deze claim hangt ook samen met de rechtvaardiging van de kennis, claim 5) ad 3. Hoe kun je weten of je kennisclaim waar is? Er is altijd de mogelijkheid van vergissing, misleiding, bedrog. Wat is waarheid? ad 4. Hoe kan ik zeker zijn van mijn kennis? Is er niet toch altijd twijfel mogelijk? Wanneer heb ik geen reden om te twijfelen? Zekerheid biedt geen garantie voor waarheid, hoewel we meestal wel verband leggen tussen beide. ad 5. Wat zijn overtuigende redenen? En welke redenen hebben bewijskracht? Als je deze vraag stelt ten aanzien van wetenschappelijke kennis gaat de kenleer over in wetenschapsfilosofie. De vijf claims tezamen definiren kennis als juiste en gerechtvaardigde overtuiging. Is dit voldoende? M.a.w. is de uitspraak S weet dat p waar, als aan alle claims is voldaan? Edmund Gettier beschreef in 1963 een aantal gevallen waarin wel aan de claims is voldaan, maar waarin we toch niet zouden zeggen dat S weet dat p. Bij zijn voorbeelden is het probleem steeds, dat je toevallig een gerechtvaardigde juiste overtuiging kunt hebben, zonder dat je kunt zeggen dat jij weet dat p. Epistemologen zijn er nog niet in geslaagd dit probleem te ondervangen.

3.5. Betekenis In de discussie over de betekenis van woorden en begrippen speelt de status van de werkelijkheid een grote rol. De grote vraag is: bestaan de dingen waarnaar onze talige uitdrukkingen verwijzen ook echt, dat wil zeggen onafhankelijk van onze waarneming of onze voorstellingen? Er zijn drie posities aan te wijzen in deze discussie: 1. Realisme: ja, de dingen waarnaar onze woorden en begrippen verwijzen bestaan echt, onafhankelijk van ons bewustzijn. Een voorbeeld van zon realistisch standpunt is natuurlijk Plato. Maar ook Aristoteles meende dat de algemene begrippen die wij gebruiken verwijzen naar dingen die werkelijk bestaan. Het gekende is iets dat onafhankelijk is van het kennen, het is er al voordat onze kennis tot stand komt. 2. Idealisme: nee, de dingen waarnaar onze woorden en begrippen verwijzen bestaan niet onafhankelijk van ons bewustzijn. Er bestaat geen werkelijkheid onafhankelijk van onze voorstellingen of waarnemingen ervan. Een voorbeeld hiervan is Berkeley. Maar ook Kant en Hegel waren idealisten. 3. Nominalisme: algemene begrippen zijn slechts producten van de menselijke geest. Het zijn tekens die we gebruiken om te kunnen denken en oordelen, maar ze verwijzen niet naar iets in de realiteit. De realiteit bestaat uit afzonderlijke dingen, die niets gemeenschappelijks of algemeens hebben. Degene die deze theorie heeft bedacht heette Willem van Ockham (12851347) en zijn opvatting staat bekend als het scheermes van Ockham. De aanname dat algemene vormen een eigen realiteit bezitten is een onnodige vermeerdering van het aantal bestaande dingen. In gewoon Nederlands: hoe eenvoudiger een verklaring, hoe beter. Dit uitgangspunt wordt ook in de moderne wetenschap nog gehanteerd. Het nominalisme heeft als bezwaar dat het geen antwoord biedt op de vraag wat de relatie is tussen de algemene begrippen en de werkelijkheid. Uiteindelijk is het maar de vraag of je vanuit een nominalistisch standpunt nog wel van waarheid en dus van kennis kunt spreken. Ludwig Wittgenstein (1889-1951) Zoals Kant de mogelijkheidsvoorwaarden en grenzen van het kennen onderzocht, deed Wittgenstein dat voor de taal. Taal is de mogelijkheidsvoorwaarde voor spreken, denken en ervaren. De vraag die hij zich stelde luidt: hoe kan het dat uitspraken die we doen over verschijnselen (standen van zaken) een relatie hebben met de werkelijkheid? (eigenlijk neemt hij de vraag van Plato weer op). Wittgenstein geeft hier twee zeer verschillende antwoorden op: in zijn vroege werk (Tractatus) en in zijn latere werk. Er wordt dan ook gesproken van Wittgenstein I en Wittgenstein II. Wittgenstein I Nietzsche vroeg zich af of taal en werkelijkheid wel verband hielden. Wittgenstein vroeg zich af hoe taal en werkelijkheid verband houden. Wat zijn de voorwaarden tussen bewering en werkelijkheid? Wittgenstein negeert psychologische aspecten van taal en meent dat filosofische problemen kunnen worden opgelost door de logische structuur van de taal aan het licht te brengen. De logica van de taal maakt betekenis mogelijk, dus de oplossing voor

filosofische problemen moet worden gezocht in de analyse van taal (linguistic turn, analytische filosofie, begripsverheldering). De grammaticale vorm van zinnen verhult vaak de logische inhoud en is daardoor misleidend. Proposities vallen niet samen met de talige vorm waarin ze zijn gegoten. Je suis une femme is in talig opzicht anders dan Ik ben een vrouw, maar de propositie is dezelfde (betekenisessentialisme). Zo is bijvoorbeeld het grammaticale subject niet altijd een verwijzing naar iets wat in de werkelijkheid bestaat. Betrand Russell, Wittgensteins leraar, gaf hiervan het volgende voorbeeld: De huidige koning van Frankrijk is kaal (1905, Frankrijk was al een republiek). Deze uitspraak is volgens Russell uiteen te leggen in drie proposities: - Er is een koning van Frankrijk - het is er n (de koning) - datgene wat koning van Frankrijk is is kaal. Logisch gezien is de hele bewering dan en alleen dan waar als alle onderdelen waar zijn. De eerste propositie is echter onwaar en daarom is ook de hele bewering onwaar. Het is een misleiding door de taalvorm. Wittgenstein meende dat het merendeel van alle filosofische problemen berustte op dit soort misleiding door de grammaticale vorm van de taal. Hij wilde deze problemen oplossen door alle uitspraken uiteen te leggen in simpele proposities en die beoordelen. Hij wilde een glasheldere theorie ontwerpen die de logische structuur van de taal zou blootleggen. Deze structuur moest vervolgens getoetst worden aan de werkelijkheid. De allersimpelste bouwstenen van de taal zijn namen. Namen zijn talige dingen die verwijzen naar (bestaande) dingen in de werkelijkheid. Met die namen kun je zinnen bouwen. Atomaire zinnen die 1 propositie bevatten kun je beoordelen als waar of onwaar (hun waarheidswaarde kun je bepalen). Een ware propositie beeldt een stand van zaken af in de werkelijkheid (deze visie past in de correspondentietheorie van waarheid). Met de elementaire proposities kun je vervolgens samengestelde (complexe) proposities samenstellen. Als deze waar zijn, zijn ze afbeeldingen van feiten (standen van zaken). De verzameling van alle feiten noemt Wittgenstein I de wereld. De wereld is alles wat het geval is. Over feiten kun je spreken. Over wat daarbuiten is (buiten de wereld) kun je niet zinvol spreken, wat niet wil zeggen dat het niet bestaat. Ethiek, religie, kunst zijn wel belangrijk, maar je kunt er geen zinvolle (dit betekent in dit geval: betekenisvolle) uitspraken over doen. Wittgenstein gaat nergens in op de vraag wat hij met een afbeelding van de werkelijkheid bedoelt. Hij beperkt zich tot de logische structuur en geeft nergens voorbeelden. De Wiener Kreis (ontstaan ca. 1920) Filosofie en wetenschap horen bij elkaar. De aanhangers van de Wiener Kreis (logisch positivisme) bouwden verder op de theorien van Wittgenstein I. Ze waren echter radicaler dan Wittgenstein. Waar Wittgenstein alleen van mening was dat uitspraken over niet-feitelijke dingen betekenisloos waren, keerden de aanhangers van de Wiener Kreis zich af van de metafysica als geheel. Zij vonden dit zinloos. Hun doel was het ontwerpen van n wetenschappelijke taal, waarin alle wetenschappelijke kennis kan worden verwoord (een volstrekt logische taal moest dit zijn). De basisbegrippen

van deze taal moesten strikt empirisch zijn, dat wil zeggen afgeleid uit zintuiglijke gegevens (sense data). Deze eis gold voor alle terreinen van wetenschap en filosofie, maar ook voor ethiek, politiek en psychologie. Vragen en uitspraken die niet in deze taal, gebaseerd op empirische gegevens, konden worden geformuleerd moesten worden uitgebannen. De logisch positivisten hanteerden het verificatiebeginsel: iedere ware bewering moet in principe kunnen worden geverifieerd, dit is: waargemaakt door middel van waarneming of experiment. De betekenis van een bewering hangt af van de verifieerbaarheid. Dit beginsel lieten ze overigens niet gelden voor de logica en de wiskunde (hun eigen instrumentarium). Dit verificatiebeginsel leidt tot reductionisme. Reductionisme betekent dat alle kennis wordt gereduceerd tot begrippen en uitspraken die rechtstreeks verwijzen naar de zintuiglijke gegevens (sense data). Hieronder vallen alleen synthetische a posteriori uitspraken en de analytische uitspraken van logica en wiskunde, omdat die onze begrippen en hun onderlinge relaties verhelderen. Buiten die twee categorien is onze taal niet cognitief. Hoewel het logisch positivisme uiteindelijk niet houdbaar is gebleken, omdat het de wetenschap te veel beperkte, heeft deze stroming grote invloed gehad op het denken in de 20ste eeuw. De opvatting dat wetenschap gebaseerd is op feiten heeft nog steeds veel aanhangers. Met een feit wordt bedoeld: een stand van zaken in de werkelijkheid. Wetenschap heeft in deze opvatting een sterk empirische basis. 3.6. Waarheid Over waarheid is in de loop van de eeuwen verschillend gedacht. De eerste die zich systematisch bezig hield met de vraag Wat is waarheid? was, voor zover wij weten, Aristoteles. Hij meende dat datgene waar was wat in overeenstemming was met de werkelijkheid. Uitspraken die overeenkomen met een ding in de werkelijkheid zijn waar. Deze opvatting van waarheid vinden we terug in de eerste waarheidstheorie, de correspondentietheorie van waarheid. 1. Correspondentietheorie Ware uitspraken komen overeen met de werkelijkheid. De waarheid is een corresponderende verhouding tussen een uitspraak en een ding uit de werkelijkheid. Wat wij zeggen over de werkelijkheid komt overeen met de werkelijkheid zelf. Waarheid is kennis van de werkelijkheid, uitgedrukt in woorden, begrippen en zinnen die overeenstemmen met de essentie (de kern) van de dingen. Deze theorie gaat ervan uit dat er n werkelijkheid is en die werkelijkheid is kenbaar. Naarmate onze kennis voortschrijdt dringt ze dieper in de werkelijkheid door. Er is dus vooruitgang in de wetenschap mogelijk. De wetenschap ontdekt de werkelijkheid. Dit impliceert een realistische visie op de werkelijkheid: er is een werkelijkheid die echt bestaat, onafhankelijk van onze waarneming ervan. Deze werkelijkheid bestaat uit een verzameling dingen en standen van zaken (feiten). De ene, kenbare werkelijkheid is voor iedereen hetzelfde. Er is objectieve kennis mogelijk. Wittgenstein I en de Wiener Kreis (logisch positivisme) zijn vertegenwoordigers van deze theorie. Kritiek op deze theorie: - De theorie is te beperkt. Veel dingen vallen er niet onder, zoals ethiek, logica, psychologie.

Hoe geven we ons rekenschap van verschillende begrippen die naar hetzelfde ding verwijzen? Welke is dan waar? Hoe kan het dat er tegelijkertijd verschillende uitspraken over hetzelfde ding gedaan kunnen worden, die allebei waar zijn? (licht als golven en licht als deeltjes bijv.) Binnen deze theorie is dat niet mogelijk. Ware kennis wordt gezien als overeenstemmend met het wezen (de essentie) van dingen. Dit is een metafysische aanname, die ter discussie staat. (Bijv. Wittgenstein II, maar ook Hume) Wat is de relatie tussen de voorstellingen in ons hoofd en de dingen of de feiten? Hoe overbrug ik die kloof als ik alleen de beschikking heb over de voorstellingen? Waarheid is immers een overeenstemming tussen voorstellingen (begrippen) en iets in de werkelijkheid.

2.Coherentietheorie (Descartes, Leibniz, Hegel) Een uitspraak is waar als hij deel uitmaakt van een set van onderling samenhangende uitspraken. Het systeem is coherent, niet de uitspraak. Zo geformuleerd zou dit leiden tot een heel brede opvatting van ware ideen. Allerlei uitspraken over Sneeuwwitje en de zeven dwergen zijn bijvoorbeeld coherent binnen het sprookje. Om dit te vermijden worden er nadere bepalingen gegeven: a. Een idee is alleen waar, als deze samenhangt met andere ware ideen. Deze bepaling lijkt tot een cirkelredenering te leiden. Wat was dan als eerste waar en hoe bepaal je dat? b. De uitspraken die deel uitmaken van het systeem van ware uitspraken zijn gebaseerd op empirische gegevens. Kritiek op deze theorie: - Het is denkbaar dat er verschillende, elkaar uitsluitende systemen zijn die alle innerlijk coherent zijn. Hoe te kiezen? Of zijn ze dan allemaal waar? - Er is geen echte vernieuwing mogelijk. Echt nieuwe inzichten passen namelijk niet in het al bestaande coherente systeem (voorbeeld: Copernicus)

3.Consensustheorie (Thomas Kuhn, Jrgen Habermas) De consensustheorie van waarheid wordt vaak gezien als een variant op de coherentietheorie, hoewel hij ook wel eens bij de pragmatische theorie van waarheid wordt ondergebracht. Binnen deze theorie geldt, dat een idee of een theorie waar is, als deze door de gemeenschap van deskundigen wordt aanvaard. In deze visie is de mens heel sterk aanwezig. Nieuwe ideen die bij de aanvaarde theorie passen zijn waar, maar in deze opvatting is het ook mogelijk tot vernieuwende of andere inzichten te komen, mits door de gemeenschap van deskundigen aanvaard.

Een voorbeeld van deze opvatting van waarheid was zichtbaar in de discussie rond de inenting tegen Mexicaanse griep. Van officile zijde werd erop aangedrongen dat mensen zich lieten inenten, waarbij gezegd werd dat mensen toch moesten vertrouwen op het oordeel van de deskundigen. Vanuit de zijde van de tegenstanders werd gewezen op het machtsaspect van deze opvatting. Natuurlijk zou het eigenlijk moeten gaan om gezag, maar dat gezag is onder vuur gekomen door de verwevenheid van economische belangen en medische wetenschap. Een kritiekpunt op deze theorie is, dat de meerderheid niet per definitie gelijk heeft. Jrgen Habermas stelde, dat het niet de gemeenschap van deskundigen is die bepaalt of iets waar is, maar de gemeenschap van alle mensen die tot communicatie in staat zijn. Dit is volgens Habermas een machtsvrije gemeenschap. Daar kun je natuurlijk vraagtekens bij zetten, maar het ideaal is mooi. Socratische gesprekken zijn een goed voorbeeld van een gemeenschap die samen zoekt naar waarheid. 4. Pragmatische theorie van waarheid (C.S. Peirce, W. James) Een bewering is waar, als deze deel uitmaakt van een theorie die werkt in de praktijk. In welke zin kunnen we zeggen dat een theorie werkt? Hierover zijn de meningen verdeeld. C. S. Peirce dacht vooral aan de praktijk van het wetenschappelijk experiment. Een theorie is waar, als hij in de experimentele praktijk in staat is die verklaringen te bieden die de wetenschappelijke gemeenschap als geheel bevredigen. Je ziet dat de consensustheorie hierbij nog een belangrijke rol speelt. Alleen is er nu een criterium bij gekomen: de experimentele praktijk moet uitwijzen of een theorie werkt. Volgens Peirce is waarheid niet subjectief, maar objectief, d.w.z. voor iedereen hetzelfde, maar niet statisch: er is wel verandering mogelijk. William James dacht aan de praktijk van het dagelijks leven. Een theorie is waar als je op grond van die theorie kunt handelen. James was een theoloog. Zijn context was niet de wetenschappelijke praktijk, maar levensbeschouwingen. Een levensbeschouwing is volgens hem waar als wij er op bevredigende wijze naar kunnen leven. En dat is het geval als een leven in overeenstemming met die levensbeschouwing zinvol is. James maakt waarheid weer subjectief (individueel). Kritiek op deze (versie van de) theorie: - deze theorie leidt tot relativisme - Nuttig/zinvol is niet hetzelfde als waar.

Wittgenstein II Na het schrijven van de Tractatus hield Wittgenstein op met de filosofie. Hij meende dat hij alle filosofische problemen had opgelost. Maar na een periode waarin hij werkte in een Londens ziekenhuis tijdens WO II dacht hij daar heel anders over: Sinds ik mij namelijk 16 jaar geleden opnieuw met filosofie ben gaan bezig houden, moest ik tot de conclusie komen, dat ik ernstige fouten gemaakt had in wat ik in het eerste boek had neergelegd. In 1952 verscheen, postuum, zijn tweede filosofische werk: Filosofische onderzoekingen.

Wittgenstein is gaandeweg tot de conclusie gekomen, dat taal te complex is om de wereld in een n-op-n verhouding te beschrijven. Het is misleidend te denken dat woorden en uitdrukkingen een referentile (verwijzings-) betekenis hebben. De betekenis van een woord of bewering is bepaald door de regels voor het gebruik van dat woord. In plaats daarvan spreekt hij van taalspelen. De leden van een groep ontwikkelen manieren van spreken, die beantwoorden aan de behoeften van die groep. Zon manier van spreken is een taalspel. Nu beperkt hij zich niet langer tot begrippen en beweringen die standen van zaken weergeven. Ook beloftes maken deel uit van een taalspel en weer een ander taalspel omvat bevelen. Zelfs de fundamentele waarheden van de rekenkunde zijn niets anders dan een taalspel. De verschillende taalspelen zijn toepasbaar op verschillende situaties, waarbij telkens een familiegelijkenis optreedt. Hoewel er voor elke situatie specifieke kenmerken zijn vast te stellen, zijn niet alle kenmerken toepasbaar op alle situaties, net zoals leden van een familie op elkaar lijken zonder dat ze precies dezelfde trekken hebben: Ze lijken allemaal wel op elkaar, maar er is ook verschil (uniciteit n gelijkenis). Het voorbeeld dat hij geeft is dat van het begrip spel (zie ook de inleiding van het boek van Geerlings, p. 28-29). Zijn uitgangspunt bleef gedeeltelijk hetzelfde: alle filosofische problemen zijn een gevolg van onduidelijk taalgebruik. Alleen was zijn oplossing nu heel anders: woorden ontlenen hun betekenis aan het gebruik ervan. Het taalgebruik maakt deel uit van verschillende praktijken. Begrippen moet je dus onderzoeken binnen de context waarin ze gebruikt worden. De meeste filosofische problemen zijn misverstanden ten gevolge van verkeerd gebruik van de taal en van verkeerde ideen die daaruit voortkomen. Begrippen moet je bekijken in hun context als ze aan het werk zijn. Vervolgens moet je de werking nauwkeurig beschrijven. Daarbij moet je goed kijken. Taalgebruik is een sociale praktijk, waarbij de regels gevormd worden door het collectieve gebruik binnen die praktijk. Niet de werkelijkheid bepaalt of een regel juist wordt toegepast, maar de overeenstemming met wat binnen een bepaalde sociale praktijk de gewoonte is. De sociale praktijk is ingebed in een soort web van gemeenschappelijke visies, overtuigingen, gewoonten e.d. Wittgenstein noemt zon samenhangend web een levensvorm. Onze taal heeft betekenis omdat zij ingebed is in een levensvorm. Je kunt niet buiten dit kader stappen, het kader vormt een grens. Filosofie moet een therapeutische praktijk zijn: het uitzuiveren van misverstanden, door de werking van de taal en de verschillende taalspelen te beschrijven: de manier waarop en de context waarin woorden en zinnen worden gebruikt. Zijn opvatting van begrippen is dus niet langer essentialistisch. Sterker nog: essentialisme wijst W. af. In onze definities en begrippen proberen we het wezen van dingen te vatten. Dat is onmogelijk. Er is geen wezensovereenkomst tussen de dingen. Dat zie je als je goed kijkt. We komen niet verder dan familiegelijkenissen. In de inleiding van Geerlings wordt dat uitgelegd. In het boek van Rede en Religie komt dit punt terug. Je moet het weten bij het examen. Wittgenstein uitte ook kritiek op Descartes: sommige dingen staan zozeer vast, dat twijfel eraan nergens op slaat. Ze vormen het fundament van de taalspelen, een fundament dat we in de praktijk van het leven niet serieus kunnen betwijfelen. Dat Descartes dat toch doet, komt doordat hij redeneert terwijl de taal op vakantie is, want:

Mijn leven toont dat ik weet, of er zeker van ben, dat daar een stoel staat, dat daar een deur is enz. Ik zeg tegen mijn vrienden bijvoorbeeld: Pak die stoel daar. Of: Sluit de deur etc. 3.7. Zekerheid Het verschil tussen menen en weten ligt in de redenen die je hebt voor je overtuiging, waardoor je er zeker van kunt zijn: p is waar en ik ben daar zeker van. Let op het onderscheid: waarheid is iets van p (het gekende). Dit is objectief, d.w.z. het hoort bij het object. zekerheid is iets van mij (de kenner). Dit is subjectief, d.w.z. het hoort bij het subject. Om ergens zeker van te zijn heb je bewijs nodig, waardoor je zekerheid gerechtvaardigd is. Sommige bewijzen zijn evident: overduidelijk, onmiddellijk inzichtelijk. Dan is er geen verder bewijs nodig. Echter: je kunt je altijd vergissen. Zekerheid is geen garantie voor waarheid. De mate van zekerheid die we hebben voor een bepaalde overtuiging hangt samen met de kenbron waaraan we die zekerheid ontlenen. Vooral de betrouwbaarheid van de waarneming en van de herinnering is beperkt. Waarnemingen en herinneringen kunnen vertekend zijn. Bovendien kun je je waarnemingen verkeerd interpreteren. Je ziet bijvoorbeeld dat de straten nat zijn, dus neem je onmiddellijk aan dat het regent. Maar er kan best een andere oorzaak zijn voor het feit dat de straten nat zijn. Het is niet voor niets dat er door allerlei filosofen gezocht werd naar kennis waarvan je absoluut zeker kon zijn. Alleen met betrekking tot a priori uitspraken kunnen we zeker zijn van onze kennis. Ontkenning daarvan zou tot tegenspraak leiden. Helaas is dit slechts een beperkt soort kennis. De feilbaarheid van onze kennis werd erkend door het fallibilimse (feilbaar, onvolmaakt): we kunnen geen 100% zekerheid eisen voor onze overtuigingen (en dus ook niet voor die van anderen). Zon eis zou irreel zijn. 3.8. Gerechtvaardigde overtuigingen Voor de wetenschap lijkt het fallibiliteitsprincipe echter niet te gelden. Wetenschappelijke kennis lijkt synoniem met waarheid, want gebaseerd op feiten. Toch zijn wetenschappers zich wel bewust van de feilbaarheid van hun theorien, reden waarom ze zoeken naar een gedegen rechtvaardiging. 3.8.1. Funderingsdenken: in de standaardopvatting van wetenschap is wetenschap gebaseerd op feiten, waaruit theorien worden afgeleid. De feiten vormen de fundering en de theorien het gebouw van de wetenschap. 3.8.2. Empirische basis: wetenschap heeft een empirische basis. De feiten waarop de wetenschap gebaseerd is, zijn ervaringsfeiten. De volgorde van het verkrijgen van wetenschappelijke kennis is in deze opvatting: waarnemingen, feiten, uitspraken, theorien. Hoewel feiten zeer betrouwbaar lijken als fundering voor het gebouw van de wetenschap, zijn ze in de praktijk nogal eens onbetrouwbaar gebleken. Vergissing is bepaald niet uitgesloten. Wat betekent dit voor de wetenschap als geheel? Francis Bacon (1561-1626) Bacon wees op het belang van onbevooroordeelde waarneming. Meestal laten mensen zich bij hun waarneming leiden door idolen: vooroordelen of drogbeelden, waardoor we als het ware verblind worden. Bacon onderscheidt vier soorten idolen:

a. b. c. d.

idolen die verbonden zijn met de menselijke natuur, bijv. de neiging te geloven wat we zien en de neiging om overal bevestiging te vinden voor wat we geloven. Remedie: wantrouwen. idolen van de grot: misvattingen ten gevolge van opvoeding en aanleg. idolen van de markt: deze komen tot ons via omgang met medeburgers, media en door de taal. idolen van het theater: filosofen die allerlei dogmas als onbetwistbare waarheiden debiteren.

Het is de vraag of we ons ooit kunnen bevrijden van deze drogbeelden. Hoe kunnen we onbevooroordeeld waarnemen? Onbevooroordeelde waarneming is echter niet haalbaar. Onze waarneming is altijd ergens op gericht en daardoor selectief. Hierop heeft de filosoof Karl Popper al gewezen. Voordat je kunt waarnemen, stelde hij, moet je al beschikken over: a. een object, een bepaalde taak, een belangstelling, een gezichtspunt, een probleem. b. een taal, waarin de het waargenomene kunt beschrijven. c. structuren als overeenkomst en classificatie, hetgeen weer een probleem of gezichtspunt vooronderstelt. Zie citaat bovenaan p. 259 van handboek 1: Je moet weten wat je moet waarnemen (object), waarom (doel), een zekere belangstelling hebben daarvoor, een gezichtpunt en een probleem (met name in het geval van waarnemingen in het kader van wetenschappelijk onderzoek). Dit zijn in feite allemaal selectiecriteria. Omdat waarneming zonder dergelijke criteria onmogelijk is, is waarneming dus altijd selectief. Wetenschappers hebben bij hun waarnemingen een theoretische interesse, hypothesen, achtergrondkennis. Tezamen vormen deze dingen het referentiekader of de verwachtingshorizon. Waarneming is een actief proces, waarbij gezocht wordt naar de beste interpretatie van de beschikbare gegevens. Bij die beschikbare gegevens hoort ook de kennis die je voor de waarneming al had op allerlei gebieden. Het is een subjectieve ervaring, omdat deze activiteit gebonden is aan het subject van de waarnemer. Subjectief is niet hetzelfde als strikt persoonlijk. Een gedeeld referentiekader zorgt er meestal voor dat mensen dezelfde dingen op dezelfde manier waarnemen. Een ander referentiekader zorgt voor andere waarnemingen. Dit staat dan nog los van interpretatieverschillen, die kunnen optreden binnen eenzelfde referentiekader. Een ander belangrijk aspect van waarneming is de hoeveelheid voorkennis die je bezit. Naarmate je ergens meer van af weet, ga je er ook meer en specifiekere dingen van waarnemen, dingen die een ander niet opvallen. Er bestaan geen waarnemingen of feiten zonder waarnemer, zonder kennend subject. Waarnemingen worden altijd gedaan binnen een bepaald referentiekader, met de nodige voorkennis en vanuit een bepaald perspectief. De feiten die waargenomen worden zijn daardoor bepaald. We kunnen dus niet spreken van objectieve feiten. Daarmee komt het fundament van de wetenschap wat minder hecht te staan dan we aanvankelijk dachten. In plaats van objectiviteit wordt tegenwoordig de eis van intersubjectiviteit gesteld: een theorie moet zo geformuleerd zijn dat zij in principe door iedere andere waarnemer kan worden getoetst (controleerbaarheid).

3.8.3. Het funderingsdenken op de helling Willard Van Orman Quine (1908 2000) Objectieve feiten bestaan dus niet. Dat heeft consequenties voor het funderingsdenken in de wetenschap (wetenschap gebaseerd op feiten, die op hun beurt berusten op onbevooroordeelde, niet selectieve waarnemingen). Het gebouw van de wetenschap wordt hierdoor wel wat wankel. Willard Quine bestreed het funderingsdenken van de wetenschappelijke kennis. Hij wees het reductionisme af, dit is de opvatting dat elke wetenschappelijke uitspraak uiteengelegd kan worden in uitspraken die uitsluitend empirische termen bevatten en a priori uitspraken. Het reductionisme was een belangrijk aspect van het logisch positivisme (Wiener Kreis). Volgens Quine zijn waarnemingen altijd theoriegeladen. Ze zijn nooit gesoleerd, maar passen in een geheel van overtuigingen en verwachtingen. Quine verdedigt een holistische visie op kennis (holisme: het samenhangend geheel is meer dan de som der delen). Een wetenschappelijke term krijgt betekenis tegen de achtergrond van dit geheel. Hij verwerpt dan ook de correspondentietheorie. Hij houdt vast aan zijn empiristische overtuiging, maar juist op grond daarvan wijst hij de gedachte aan gesoleerde zuivere waarnemingen af. Voorbeeld: antropoloog doet onderzoek bij een onbekende volksstam en wil een woordenboek opstellen van alle woorden die hij tegenkomt. Op een gegeven moment ziet de onderzoeker een konijn voorbij rennen. Zijn metgezel wijst naar het konijn en roept: Gavagai! Dit gebeurt nog een aantal keer. Toch kun je dan, volgens Quine, niet concluderen dat gavagai het inheemse woord voor konijn is. Misschien betekent het wel: hard rennen of grote oren. Er zijn dus verschillende vertalingen mogelijk die overeenkomen met dezelfde empirische gegevens. Quine stelt dan de hypothese op, dat het mogelijk is op grond van dezelfde empirische informatie vertaalwoordenboeken samen te stellen die onderling sterk verschillen, maar toch in overeenstemming zijn met die informatie. Volgens Quine is het een illusie om te veronderstellen dat we buiten de wetenschap kunnen gaan staan om haar fundamenten te formuleren. Ook de funderende feiten, gebaseerd op waarnemingen, zijn zelf al onderdeel van de wetenschap. We onderzoeken ze met gebruik van de wetenschap, binnen het wetenschappelijke taalspel en zijn dus evenzeer theorie-geladen als het huis (de wetenschappelijke theorien) dat erop gebouwd wordt. We kunnen ook niet buiten de theorie gaan staan en van buitenaf op grond van zuivere sense data de beste theorie kiezen. Volgens Quine is het goed mogelijk dat onverenigbare wetenschappelijke theorien worden geformuleerd, die niettemin empirisch gerechtvaardigd zijn. Zie het voorbeeld van licht als deeltjes en als golven. Beide theorien lijken waar te zijn. De kwantumtheorie die rond 1920 werd geformuleerd verenigt de golf- en deeltjestheorie (langs mathematische weg). Hetzelfde empirische verschijnsel laat dus inderdaad twee theorien toe. Toch lijkt de wetenschap zich niet hierbij neer te leggen. Er wordt nog steeds gezocht naar een eensluidende verklaring van het verschijnsel. 3.8.4. Het falsificationisme van Karl Popper (1902-1994) Popper had een groot wantrouwen tegen ervaringsfeiten als basis voor de wetenschap. Dit kwam door twee theorien uit het begin van de 20ste eeuw: de psychoanalyse en het marxisme. Beide theorien berusten op een groot aantal ervaringsfeiten. Popper vond deze theorien

10

echter zeer onwetenschappelijk. Hij zocht naar een criterium op grond waarvan je echte wetenschappelijke kennis kunt onderscheiden van pseudowetenschap. Deze kwestie noemde hij het demarcatieprobleem. Het verificatiecriterium van de Wiener Kreis is geen goede oplossing voor het demarcatieprobleem. Ten eerste diende dit criterium een ander doel: onderscheid maken tussen betekenisvolle en betekenisloze uitspraken, en ten tweede is het te beperkt: het sluit bijna alles wat wij wetenschap noemen uit. Popper stelde een nieuw criterium voor: wetenschappers moeten niet zoeken naar bevestiging van hun theorien en voor die bevestiging eindeloos veel voorbeelden aandragen. Daardoor wordt een theorie volgens Popper niet wetenschappelijker. In plaats daarvan moeten wetenschappers experimenten bedenken die hun theorie zouden kunnen falsifiren (weerleggen). Dit laatste was precies wat volgens Popper de marxisten en freudianen niet deden: alles wat ze aantroffen werd als bevestiging voor hun theorie beschouwd. Falsificationisme = de opvatting dat de wetenschappelijkheid van een theorie afhangt van de mogelijkheid haar te weerleggen. Het is een criterium voor wetenschappelijkheid, niet voor waarheid. Overigens betekent het feit dat een theorie in principe weerlegd zou kunnen worden niet dat ze ook feitelijk weerlegd wordt. Omgekeerd kan een wetenschappelijke theorie weerlegd zijn en dus onjuist zijn gebleken, zonder daarmee aan wetenschappelijkheid in te boeten. Wetenschappelijkheid is niet hetzelfde als juistheid of waarheid. Een theorie die niet te falsifiren is, kan best zinvol zijn en zelfs waar, maar niet wetenschappelijk. Bevestigingen van een theorie zijn, volgens dit principe, alleen van belang als ze het gevolg van zijn van riskante voorspellingen: de mogelijkheid bestaat dat het experiment leidt tot een weerlegging van de theorie. Dit risico nemen de psychoanalyse en het marxisme volgens Popper niet. Als je maar hard genoeg je best doet, je voorspellingen zo vaag mogelijk houdt en negatieve evidentie negeert of weg verklaart, dan kun je alles bewijzen. Voordeel van het falsificationisme: je omzeilt het inductieprobleem. Het principe van het falsificationisme is de modus tollens, een deductief geldige redenering. Als de premissen waar zijn (! let op: hier hangt het natuurlijk wel vanaf) is de conclusie dat ook. Modus tollens: p q q ---------p De conclusie volgt noodzakelijk uit de waarheid van de premissen. Dat geldt niet voor inductieve gevolgtrekkingen. Deze geeft alleen maar een meer of minder grote waarschijnlijkheid. Je hoeft in principe maar een tegenvoorbeeld te hebben om de conclusie van een inductieve gevolgtrekking te loochenstraffen. Hoeveel voorbeelden je ook hebt het geeft nooit een sluitend bewijs voor je conclusie. Met het verificatieprincipe wordt je theorie dus hooguit steeds waarschijnlijker, maar het blijft een hypothese die je nooit kunt bevestigen. Poppers opvattingen weerspreken het gebruikelijke beeld van wetenschappelijke onderzoek, dat schematisch kan worden weergegeven als een cirkel.

11

theorie verklaringen wetten inductie waarnemingsbasis deductie hypothesen bevestiging

Volgens Popper is het startpunt van een wetenschappelijk onderzoek niet te vinden in de waarnemingen, maar in n of ander probleem. Voor dat probleem wordt een oplossing bedacht. Die oplossing wordt vervolgens getoetst. Doorstaat de oplossing de toets niet (hij is immers falsifieerbaar!) dan wordt een nieuwe theorie ontworpen, die op zijn beurt wordt getoetst. Dit proces van trial and error (vallen en opstaan) geeft beter weer hoe wetenschappelijk onderzoek plaatsvindt dan de standaardopvatting. Het probleem n de voorgestelde oplossing (theorie) gaan vooraf aan de waarneming. Poppers positie wordt kritisch rationalisme genoemd. 3.8.5. Thomas Kuhn (1922 1996): Paradigmas Volgens Kuhn zijn wetenschappers meestal helemaal niet bezig hun theorien bloot te stellen aan risicovolle experimenten, waardoor ze gefalsifieerd zouden kunnen worden. Ze zijn veel behoudender dan Karl Popper het voorstelde. Wetenschappers houden zich over het algemeen bezig met het invullen van de puzzel en stellen de puzzel zelf niet ter discussie. Paradigmatheorie Kuhn stelde dat het paradigma van wetenschappers het uitgangspunt van het wetenschappelijke bedrijf vormt. Een paradigma is het gemeenschappelijke referentiekader van een (grote) groep wetenschappers. Het bestaat uit een begrippenkader en een stelsel van aanvaarde theorien. Het paradigma bepaalt: - wat zinvolle wetenschappelijke vragen zijn - wat onderzocht moet worden en wat niet - welke antwoorden aanvaardbaar zijn - wat relevante feiten zijn - welke methoden gevolgd moeten worden - aan welke eisen een theorie moet voldoen. Een voorbeeld van een paradigma is de evolutietheorie. Dit paradigma staat zelf niet meer ter discussie. Wetenschappers die hun tijd besteden aan contra-implicaties voor de evolutietheorie worden niet serieus genomen (voorbeeld: Intelligent Design, hoewel Geerlings dit voorbeeld zelf ook onderuit haalt, door erop te wijzen dat het niet wetenschappelijk is!)

12

Is er dan nog wel vernieuwing mogelijk? Paradigmawisselingen zijn wel mogelijk, maar zeldzaam en gaan gepaard met discussie en strijd. Het gebeurt als er teveel anomalien zijn in het bestaande paradigma. def: Anomalien zijn gegevens die niet in de puzzel passen of er zelfs mee in strijd zijn. Dergelijke anomalien die zouden kunnen leiden tot falsificatie van het paradigma worden meestal niet geaccepteerd, maar weg verklaard of zelfs verdonkeremaand. Als het probleem van de anomalie te groot is n er tijd en geld beschikbaar is wordt verder gezocht. Dan kan er een crisis ontstaan, wat ruimte biedt aan het ontstaan van een nieuw paradigma. Dit nieuwe paradigma moet een aanvaardbaar alternatief bieden en de anomalien verklaren. Een paradigmatische theorie kan niet worden verworpen, tenzij er een alternatief is. Waarom is verandering zo moeilijk? Verandering van paradigma vereist een heel nieuw perspectief, een ander wereldbeeld en een nieuw mensbeeld. Meestal zijn wereldbeeld en mensbeeld onderdeel van de levensbeschouwing van een grote groep wetenschappers, maar ook van de maatschappij, waarin zij leven en werken. Als je dat moet loslaten heb je het gevoel dat de grond onder je voeten verdwijnt. Dit roept dus veel weerstand op. Elke groep gebruikt het eigen paradigma om datzelfde paradigma te verdedigen. Je kunt er ook nauwelijks buiten stappen. Wat voor een feit doorgaat hangt bijvoorbeeld af van het heersende paradigma. Dus bewijzen voor een nieuw paradigma met behulp van nieuwe feiten worden vaak niet geaccepteerd precies omdat de nieuwe feiten binnen het oude paradigma niet als feit worden aanvaard. Een consequentie van Kuhns theorie is dat het idee van vooruitgang in de wetenschap onder druk komt te staan. We ontdekken niet meer waarheid, maar we zien de werkelijkheid in verschillende periodes in de geschiedenis op een fundamenteel andere manier. Er is altijd een periode van revolutie: het oude paradigma verkeert in een crisis, maar er is nog geen duidelijk nieuw paradigma, wel aanzetten daartoe. Duck-rabbit: je ziet het of als konijn of als eend, maar je kunt maar n van beide tegelijk zien en de omslag laat zich niet verwoorden. Hoeveel van de eend heeft iemand die een konijn ziet al opgemerkt? Kennis is dus afhankelijk van cultuur en tijd (contextbepaald). Hoewel Kuhns theorie inmiddels algemeen aanvaard is, wordt deze consequentie niet altijd getrokken. Vaak blijft het geloof in het ontdekken van meer waarheid bestaan naast het inzicht van de wisselende paradigmas. Onderzoekers die vanuit verschillende paradigmas werken gebruiken verschillende begrippen. Zelfs als ze dezelfde begrippen gebruiken, hebben het niet over hetzelfde. Beweging is bij Aristoteles bijvoorbeeld iets heel anders (verandering in kwaliteit) dan bij Galilei (verplaatsing). Daarom is het ook moeilijk een goede voorstelling te krijgen van theorien die in een ander paradigma zijn opgesteld. Om toegang te krijgen tot zon ander paradigma moet je je eerst de taal van dat paradigma eigen maken. Ieder paradigma heeft zijn eigen vocabulaire. Kuhn pleit voor een sociologie van de wetenschap: welke factoren spelen een rol bij het tot stand komen van kennis? Daarbij moet volgens hem ook gelet worden op de inhoud van de geproduceerde kennis. Dit is op zichzelf al een revolutionair voorstel. Sindsdien is de deur geopend naar kritische vragen met betrekking tot de wetenschapspraktijk, o.a. vanuit feministische hoek.

13

3.9. Hermeneutiek Tot nu toe hebben we het gehad over dat deel van de wetenschap dat met de term natuurwetenschappen wordt aangeduid. In de 19e eeuw kwamen ook de menswetenschappen of geesteswetenschappen in beeld. Vooral in Duitsland werd in die tijd veel aandacht besteed aan geschiedenis, o.a. door de filosofie van Hegel. Kenmerken van het wetenschappelijk onderzoek binnen de natuurwetenschappen: beschrijven, wat we waarnemen verklaren wat we hebben waargenomen voorspellingen afleiden en vervolgens experimenteel toetsen Dit model gaat echter niet voor de geesteswetenschappen op. Bijvoorbeeld met betrekking tot de geschiedenis: we kunnen geen voorspellingen doen over het verleden. Of moeten we concluderen dat geschiedenis geen wetenschap is? Dat zouden de logisch positivisten zeggen. En van de belangrijkste filosofen uit die tijd is Wilhelm Dilthey (1833-1911). Hij vond dat er een eigen model nodig was voor de geesteswetenschappen. Daaronder rekende hij geschiedenis, economie, rechten, godsdienstwetenschap, kunstgeschiedenis en letteren. Dilthey noemde het boek waarin hij zijn methode voor de geesteswetenschappen uit de doeken doet Kritiek van de historische rede, een duidelijke verwijzing naar het werk van Kant. Dilthey wilde voor de geesteswetenschappen een kentheoretisch fundament ontwikkelen, zoals Kant dat deed voor de natuurwetenschappen. Object van de geesteswetenschappen is volgens Dilthey de mens en dan vooral het innerlijk aspect van de mens. Hierbij moet je niet denken aan innerlijk in de zin van psyche, maar zijn mens-zijn, de menselijkheid van de mens. Dit kun je ook op andere wetenschappen toepassen: het innerlijk van de rechtswetenschap is de geest van het recht, die je kunt vinden, door alle afzonderlijke wetten in hun samenhang te bestuderen. Binnen het rechtssysteem dus. Het innerlijk aspect van de menswetenschappen kun je niet bereiken met de zintuigen, maar via de beleving. Menselijke situaties worden beleefd. Die beleving drukt zich uit in levensuitingen en kan dan worden begrepen. Een levensuiting kan van alles zijn waarmee de mens zichzelf uitdrukt: een kunstwerk, wetten, architectuur, kleding, maar ook handelingen. De levensuitingen van de mens moeten altijd begrepen worden in hun historische context. We kunnen komen tot kennis door onze beleving van de levensuitingen van anderen. Maar ook onszelf leren we zo kennen: door onszelf uit te drukken in daden, plannen, manier van kleden enz. Mensen maken deel uit van een gemeenschappelijke levenssamenhang. Daardoor kunnen we de uitingen van anderen begrijpen. Met begrijpen bedoelt Dilthey: de betekenis ervan vatten. De betekenis van wat anderen hebben gezegd, gedaan of gemaakt kunnen we begrijpen door onze beleving ervan. Maar dat dat berhaupt mogelijk is, komt doordat Dilthey vooronderstelt, dat mensen hun menselijkheid gemeenschappelijk is. We kunnen ons inleven als mens, we kunnen een ander begrijpen als mens en we kunnen er betekenis aan toekennen als mens. Hoe gaat dat begrijpen in zijn werk? Door steeds heen en weer te gaan tussen het deel en het geheel: die ene wet (deel) en het rechtssysteem (geheel) of dit ene gedicht (deel) binnen het hele werk van de dichter (geheel).

14

Natuurwetenschappen en geesteswetenschappen hebben dus een verschillende basis, verschillende methoden en een verschillend onderzoeksobject. Naast elkaar ziet het er als volgt uit: Natuurwetenschappen object: natuur (physis) basis: zintuiglijke waarneming doel: verklaren (causaal) methode: algemene wetten, voorspelling, toetsing Geesteswetenschappen object: mens (geest) basis: beleving, inleving doel: begrijpen methode: context, interpretatie, betekenis methode II: meten, waarschijnlijkheid berekenen

Causale verklaringen bevatten algemeenheden, wetmatigheden en voorspellingen. Dat is voor de geesteswetenschappen erg moeilijk. Object van onderzoek is de menselijke geest, die zich uit in intenties, ideen, waarden en handelingen. Die kun je nooit met zekerheid voorspellen. Je kunt wel proberen je te verplaatsen in iemands overwegingen, motivaties, gevoelens. Dat is voor de natuurwetenschappen weer moeilijk: hoe zou het zijn om een elektron te zijn? De discipline die zich bezig houdt met het proces van begrijpen en interpreteren heet hermeneutiek. Grondlegger van de hermeneutiek is de filosoof Friedrich Schleiermacher. (1768 1834). De hermeneutiek is geen vaste methode. In feite is de onderzoeker voortdurend in gesprek met zijn onderzoeksobject. Deze dialoog vereist een gelijkwaardige positie van de gesprekspartners. De hermeneutiek staat haaks op pogingen om een verschijnsel te beheersen. Vooronderstellingen van de hermeneutiek zijn: 1. menselijke uitingsvormen zijn te begrijpen 2. de waarnemer moet (en kan) eigen vooroordelen opzij zetten 3. het verschijnsel dat onderzocht wordt kan alleen begrepen worden in samenhang. (deel kun je niet los zien van het geheel). 4. het gaat erom de betekenis van het verschijnsel te begrijpen. Hans Georg Gadamer (1900 2002) Volgens Gadamer is begrijpen een gebeurtenis die niet geheel onder controle hebben. Dit geldt voor al het menselijk begrijpen, wetenschappelijk en niet-wetenschappelijk. Meestal gaat begrijpen vanzelf, omdat we begrippen, referentiekader, regels, gewoonten en context delen met de ander. Maar soms zijn er breuken tussen onszelf en datgene wat we willen begrijpen: een oude tekst, geschiedenis, kunst, een vreemde taal. Dan moeten we vertalen en interpreteren. Hermeneutiek is de discipline die zich bezig houdt met de voorwaarden waaronder mensen tot begrijpen komen. Volgens Gadamer maken beide werelden, de bekende wereld en de onbekende, deel uit van het hermeneutisch proces. Gadamer noemt deze twee werelden verschillende horizonnen. Begrijpen treedt op wanneer deze horizonnen met elkaar versmelten.

15

Max Weber, 1864 - 1920 Weber meende dat het mogelijk en wenselijk was ook in de sociale wetenschappen te doen aan waardenvrije wetenschap. De waardenvrije wetenschap is de opvatting dat wetenschap slechts gebaseerd moet zijn op het vaststellen van feiten, zonder dat daarbij morele overwegingen in aanmerking genomen worden. Wetenschap mag dan ook nooit politiek worden. Weber benadrukte het onderscheid tussen feit en oordeel, tussen datgene wat het geval is en datgene wat op grond daarvan zou moeten worden gedaan. Net zoals David Hume meende hij dat je niet kunt overstappen van is naar ought. Hoewel hij wel het belang van begrijpen voor de sociale wetenschappen onderstreepte, meende hij dat het toch mogelijk was op een objectieve manier te werken. Het begrijpen van mensen gebeurt volgens hem door je in hen in te leven. Hierbij dacht hij echter niet aan een intutieve of empathische manier van inleven, maar door het doen van onderzoek. Door het bestuderen van het menselijk handelen en de context waarin dat handelen plaats vindt, kan de wetenschapper iets zeggen over de betekenis van dat handelen. Zo is het onwaarschijnlijk dat iemand die in de kerk een kaars aansteekt dat doet om na te gaan of het gas misschien lekt. Als je verdiept in de wereld waarin iemand leeft, ben je in staat om zijn gedrag van binnen uit te begrijpen. Paul Feyerabend, 1924 1994 Feyerabend had een zeer eigenzinnige opvatting over wetenschap. Dat wordt al duidelijk als je de titels van zijn boeken bekijkt: Against Method, Science in a Free Society en Farewell to Reason. Feyerabend pleitte tegen n universele wetenschappelijke methode en voor het toepassen van een veelheid van methoden. Juist uit de niet-gangbare manieren van wetenschap bedrijven komen creatieve inzichten en uitvindingen voort. Hij was voorstander van een anarchistische manier van werken, zelf omschreef hij die als anything goes. Als voorbeeld van zon manier van werken gaf hij de werkwijze van Galileo Galilei. Deze gebruikte allerlei methoden die nu als onwetenschappelijk te boek staan, zoals het vasthouden aan al lang weerlegde theorien, propaganda in plaats van redelijke argumentaties, het negeren van de methode van inductie. Toch was hij, volgens Feyerabend, nooit tot zijn belangrijke ontdekkingen gekomen, als hij dat niet had gedaan. Wetenschap is een van de vele denkvormen die door de mens is ontwikkeld, en niet noodzakelijkerwijs de beste. Het is een opvallende, luidruchtige en schaamteloze vorm, die alleen maar inherent superieur is voor mensen die al hebben gekozen voor een bepaalde ideologie.

16