You are on page 1of 130

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Nummer 1.
Esoterische Kring. 11 September 1962.
Ik heb enkele organisatorische mededelingen. In de eerste plaats: In verband met de
gebrekkige vorderingen of de beschaamde verwachtingen onzerzijds (dat is misschien beter
uitgedrukt) in vorige groepen en cursussen is de leiding daarvan overgedragen aan een lid van
de Witte Broederschap, zodat wij ons qua methode, werkzaamheden en lesmateriaal aan zijn
oordeel zullen onderwerpen. De leider is Langden Adekpath, Heer der Zeven Wijsheden, zoals
dat heet.
Verder kan ik u mededelen, dat uit verschillende groepen medewerkers zijn aangetrokken,
maar dat in vele gevallen het materiaal zal worden gebracht door sprekers van onze Orde zelf.
Er zullen op deze avonden bepaalde experimenten worden besproken en bepaalde esoterische
leringen worden gegeven. Wij zullen daarover zo weinig mogelijk discussiëren, maar zullen
trachten aan het einde van elke lering kort gelegenheid te geven tot aanvraag ter
verduidelijking. Zo nodig zal na enkele lessen een uur worden besteed aan beantwoording van
de vragen, die daarbij zijn gerezen.
De experimenten, die eventueel worden beschreven en de aanwijzingen, die daarbij worden
gegeven, kunnen worden toegepast. De verantwoordelijkheid ligt bij degenen, die de
experimenten uitvoeren. Gezien het feit, dat wij hier niet werken onder leiding van de Orde
zelf, menen wij dat wij hierop moeten wijzen. Natuurlijk zullen wij helpen, waar wij kunnen.
Maar het is mogelijk dat iemand, die niet ver genoeg is gevorderd, zich met experimenten
bezighoudt, die voor hem te zwaar of te gevaarlijk zijn; in welk geval schade zou kunnen
ontstaan. Denk daarom goed na over al, wat u tracht in praktijk te brengen. Wanneer
bepaalde praktijkregels met nadruk worden gegeven, zijn ze niet gevaarlijk en zijn ze bestemd
voor een ieder, die verder wil komen op dit terrein.
De indeling van de leringen is ongeveer aangegeven in het programma. Wij zullen daarvan,
indien nodig, afwijken. Wij hopen in korte tijd zeer veel tot stand te kunnen brengen en menen
dat u dus verplicht bent de gegeven materie eventueel nader te bestuderen, indien u dit
noodzakelijk lijkt. Dan zou ik nu graag overgaan tot een eerste onderwerp.
Het zal u duidelijk zijn, dat wij op deze avond hernieuwd moeten kennismaken. In sommige
gevallen zal daarom oud materiaal door mij worden herhaald, zij het kort. De bedoeling is
echter dat u bepaalde gebieden zelf verder bestudeert.
Mijn eerste lezing gaat over de achtergrond van magie en esoterie en wel in de meest
practische zin. Ik zal trachten zo mogelijk toepassingen voor deze dagen hieraan toe te
voegen.
De achtergrond van alles, wat men magie en occultisme noemt en zelfs van elke esoterische
bestreving, is tweeledig. Alle bereikingen zijn afhankelijk van wil plus geloof. Menselijke rede is
een hulpmiddel, maar is niet beslissend. Wanneer wij alleen uitgaan van ons eigen weten en
onze redelijke argument en, zullen wij zelden werkelijk iets bereiken. Een aanvaarden van het
onbekende is daarom noodzakelijk.
Het gebied, waarmede wij het meest in aanraking zullen komen zeker wanneer wij ons in het
begin bezighouden met occultisme en zelfs spiritisme is het gebied dat men wel het astrale
vlak pleegt te noemen. Dit astrale vlak is voor een groot gedeelte bevolkt met z. g.
schijnvormen. Over deze vormen is in het verleden voldoende medegedeeld. Ik volsta met te
zeggen, dat zij niet bezield zijn. Daarnaast kunnen entiteiten uit andere sferen, mensen die
nog op de wereld leven en anderen zich daar schijnvormen opbouwen, die in dit geval door
middel van hun meester bezield zijn. Dit gehele astrale gebied ligt onmiddellijk naast de
denkwereld van de mens; en dat wil zeggen dat uw gedachtenleven, uw wijze van denken en
reageren onmiddellijk inwerkt op het astrale vlak, terwijl uzelf door dit astrale vlak bij uw
denken sterk kunt worden beïnvloed.
Het astrale vlak is te zien als een gebied van semi-materiele kracht; welke kracht voor een
deel ook levenskracht is, althans in een voor de stof aanvaardbare en bruikbare vorm, terwijl
omgekeerd bepaalde astrale manifestaties kunnen plaatsvinden door stoffelijke krachten (ook
menselijke levenskracht) daarvoor te gebruiken.

EK 62 - 63 1
Orde der Verdraagzamen

U zult begrijpen, dat het gevaarlijk is om te gaan experimenteren zonder meer. Elk experiment
moet immers uitgaan van een beheersing, een geloof en een sterke wil, De beheersing kunnen
wij alleen verkrijgen door het opnemen van een zekere hoeveelheid theoretische kennis. Deze
theoretische kennis op zichzelf is een werktuig. Ze kan later worden gebruikt om het “IK” te
ontwikkelen en een ieder zal naar eigen geaardheid voor zichzelf de nodige instrumenten
kunnen vormen. Wij vinden vooral in de magie maar ook in de esoterie vaak bepaalde rituelen.
Alle ritueel en alle impedimenta, die bij de magie worden gebruikt, zijn hulpmiddelen en niet
meer dan dit; d. w. z. dat zij worden gebruikt, omdat de wil van de mens, zijn denk en
voorstellingsvermogen, zijn geloof tekort schieten. Hierdoor zal het mogelijk zijn elk
hulpmiddel bij een magische procedure door een ander hulpmiddel te vervangen. Maar in alle
gevallen. zal de mens zelf in dit hulpmiddel moeten geloven. Het is dus een vervanging van
eigen absoluut geloof in werelden, die de meesten van u nog niet volledig kennen.
In de esoterie heeft u geleerd dat elke mens verscheidene voertuigen in zich bergt, die
gezamenlijk de werkelijke persoonlijkheid, het totale ego vormen. De kern daarvan is de ziel,
een deel van de goddelijke Vlam, van de goddelijke Kracht. Alles, wat zich binnen dit “IK”
afspeelt, zal worden weerkaatst op elk niveau, waarop dit “IK” bewust is. Alle acties, die
plaatsvinden zonder bewustzijn, kunnen worden vergeleken met dierlijke handelingen; d. w. z.
zij staan onder supervisie van een gemeenschapsgeest of groepsgeest, die deze op het terrein
waar men zelf nog niet bewust en tot oordelen bekwaam is regelt en het bewuste handelen en
het bewuste streven ten dele vervangt door instinctieve drang. Daaruit volgt dat wij in vele
werelden instinctief zullen leven, terwijl wij slechts in enkele werelden bewust zijn. Op het
ogenblik, dat wij in een hogere wereld bewustzijn verworven hebben, zullen wij alle daaronder
gelegen werelden - ook wanneer wij daarin op dit ogenblik niet bewust leven - kunnen
beheersen. Dit is belangrijk.
De ontwikkeling van het eigen “IK”, de zin van het bekende Ken uzelf, is dus gelegen in het
ontdekken van steeds hogere, steeds fijnere waarden in uw persoonlijkheid, waardoor u een
steeds groter gezag krijgt over een groter deel van uw ego. De ontwikkeling van het ego zelf
geschiedt geleidelijk en in vele gevallen is het aan de hand van eigen ervaringen niet mogelijk
te zeggen welk punt men heeft bereikt. Voor alles moet u twee dingen onthouden.
In de eerste plaats; Alles, wat u innerlijk afwijst, wat u vreest, dient u terzijde te stellen, tot u
voor uzelf de overtuiging hebt dat de vrees niet belangrijk is en dat zij kan worden
overwonnen.
In de tweede plaats; In alle geestelijk en occult streven dient men een volledige vrijheid van
alle wetten en geloofsartikelen te aanvaarden, die niet in het eigen “IK” verankerd liggen en
zal men moeten handelen naar beste overtuiging, weten en geloof.
Ik mag hierbij opmerken, dat wij in de loop van deze cursus ongetwijfeld enkele methoden
zullen bespreken, die door velen van u minder aanvaardbaar of minder redelijk worden geacht.
Wanneer zij worden besproken echter, geschiedt dat, omdat zij deel uitmaken van het geheel.
Het al of niet hanteren van deze middelen en methoden is geheel uw eigen zaak.
Terugkerend tot de esoterie wil ik nu vaststellen;
Wat ik van mijzelf besef is een waanbeeld. Ik ken mijzelf niet volledig. De waarheid, die ik
omtrent mijzelf kan erkennen in een stoffelijk leven, is in verhouding gering. Een zeer groot
gedeelte van mijzelf zal ik nooit volledig kunnen erkennen voor dat wat het is. Dit geldt zelfs
voor delen van het stoffelijke. Ik moet uitgaan van het standpunt, dat ik volgens mijn beste
weten omtrent mijzelf zowel als de wereld voortdurend moet handelen in positieve zin. Want
evenals de aarde een positieve en een negatieve pool heeft, vinden wij ook in de geest een z.
g. negatief en een positief gebied. Begrijp wel, dit zijn geen vormen; het zijn abstracte
begrippen, die wij over het algemeen uitdrukken door voor het goede of het lichte te zeggen;
het positieve, en het negatieve vaak het duistere of het chaotische noemen.
Deze omschrijvingen zijn maar ten dele waar. Een mens, die het absolute bereikt -
onverschillig aan welke pool - treedt binnen in een eenheid met het Groot-Goddelijke; die
toestand, die men in een bepaalde streek Nirwana. noemt, Nirwana wil zeggen; een volledige
verbondenheid met God, waar elke maatstaf ontbreekt behalve die ene; de erkende goddelijke
wil en de eenheid van het “IK” met het goddelijk Wezen.

2 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Daarom bestaan goed en kwaad voor ons slechts als maatstaven en zijn wij bij het oordeel
omtrent goed en kwaad voortdurend gebonden aan ons eigen beperkte wezen. Een deel
daarvan is waan. Wij kunnen ons daaraan echter niet onttrekken. Om zelf verder te kunnen
gaan zullen wij steeds het volgens óns goede en positieve moeten zoeken. Daarbij is het niet
belangrijk dat wij in ons het goede erkennen. Want wat wij in ons aan goed erkennen, kan
waar zijn, maar het zal voor een groot gedeelte ook waan kunnen zijn. Een invloed van dit
innerlijk erkende goed op de wereld, waarin wij leven is niet waarschijnlijk. Een invloed op
onszelf is echter wel waarschijnlijk, en wel een invloed die ons van de wereld vervreemdt. Een
vervreemding van de wereld kunnen wij niet aanvaarden, ook niet wanneer wij innerlijk
streven en het innerlijk pad volgen. Daarom stellen wij:
Ik zoek steeds het goede en het lichte in alles en allen, die rond mij zijn. Ik vraag mij niet af,
of ikzelf goed of kwaad ben. Ik vraag mij af, of de wereld goed of kwaad is volgens mijn beste
begrip en wend mij tot het lichte, het goede. Zolang ik het begrip goed vanuit mijzelf hanteer
en daarbij al, wat ik als goed en juist in de cosmos en in de wereld rond mij erken, bevorder
en in mijzelf weerkaats, zal ik n. l. de voor mij positieve werkelijkheid leren kennen en daarin
voor mijzelf de nodige kennis en beheersing verwerven.
Kennis verwerf ik door de ervaring. Beheersing echter door het begrip dat de innerlijke
onwaarheid, die een deel uitmaakt van mijn beperkt ik-begrip, kan worden vervangen door
een observeren van het geheel, waarin ik leef (de werkelijkheid rond mij) en mijzelf zodanig te
beheersen, dat een redelijke en harmonische aanpassing daaraan mogelijk wordt.
De kwestie van leringen en filosofie is over het algemeen vooral voor de esotericus moeilijk.
Men gaat vaak van het standpunt uit, dat hoe ingewikkelder de stelling is, hoe vager en
mystieker de woorden klinken, hoe waardevoller het gegevene of gestelde zal zijn. Laat ons
aan het begin van deze cursus vaststellen, dat vage begrippen en woorden, ingewikkelde
mystiek ongetwijfeld hun nut hebben. Dit nut is grotendeels suggestief. Het brengt de mens in
een bepaalde stemming en toestand en uit deze stemming en toestand leert hij voor zich een
zekere harmonie, een zekere vrede winnen.
Behalve dit nut echter is eenvoud te prefereren. Eenvoud (ook wel rechtlijnigheid van streven
genoemd) betekent dat wij voor alle problemen, die wij ontmoeten, de eenvoudigste en meest
directe weg en oplossing kiezen. Wij zijn dit aan onszelf verplicht. Want elke stelling, die u
opbouwt omtrent het hiernamaals, omtrent God en de sferen, verliest haar betekenis, als zij
niet in de werkelijkheid staat. Wanneer ik echter in de werkelijkheid steeds de meest directe
en eenvoudige oplossing voor elk probleem zoek, voor al datgene wat in mijn leven en het
leven van anderen een rol speelt, dan volgt hieruit dat ik mij zal aanpassen aan het werkelijk
zijnde.
God is eenvoud, waarheid en eenvoud. Eenvoud brengt de waarheid dichter bij de mens. Dit
principe zullen wij ongetwijfeld ook in deze cursus moeten toepassen. Allereerst daarom het
volgende;
Op het ogenblik dat u zich gaat beroepen op andere autoriteiten en niet uit uzelf en uw eigen
gevoelens spreekt, zult u uw werkelijk wezen niet uiten en u zult niets scheppen, dat werkelijk
belangrijk is. Kortheid en eenvoud brengen echter met zich, dat u waarheden beseft, dat u de
verantwoordelijkheid voor uw beslissing zelve nemende en u oriënterend op al wat licht en
goed is in de wereld rond u, automatisch positief streeft en aanvaardt.
Zoals ik reeds zeide brengt deze ervaring kennis. Kennis is het product der ontwikkeling, niet
haar oorzaak. Uitgaande van kennis alleen zullen wij weinig of niets bereiken. Uitgaande van
de praktijk zullen wij echter een kennis verwerven, die het mogelijk maakt deze praktijk te
beheersen en te richten. Dat geldt voor alle krachten in de mens. Een esoterische
bewustwording is niet mogelijk zonder gelijktijdig een esoterisch streven. Stof en geest zijn
voor uw bewustzijn zolang u in de stof leeft onverbrekelijk met elkaar verbonden. Al wat uw
bewustzijn ook het geestelijk bewustzijn betreft, zal daarom met het stoffelijke verbonden zijn.
Een hanteren van twee maatstaven, een voor de geest en een voor de stof is dus niet
mogelijk.
Wij spreken altijd over God. Het woord is erg mooi. Het is ook erg belangrijk, zolang het voor
ons een begrip uitdrukt; het begrip van eenheid van het heelal. God op Zichzelf is echter
zonder meer eeuwig, geen kracht. Ook woorden als eeuwigheid, God e. d. hebben slechts, de

EK 62 - 63 3
Orde der Verdraagzamen

inhoud, die wij zelf daaraan toekennen. Dit geldt voor alle abstracte begrippen. Daarom is het
niet mogelijk een abstracte lering zodanig te geven, dat een ongeveer gelijke interpretatie bij
allen wordt bereikt. Wil men een zo groot mogelijke gelijkheid althans van begrip
bewerkstelligen, dan zal men daarom tot de grondlijn (de basis), tot het principe moeten
terugkeren.
Als u wordt gezegd goed te denken, dan betekent dit niet, dat alleen uw denken goed moet
zijn. Dan betekent dat, dat uw denken het goede in de wereld moet erkennen, voor zichzelf
bevestigen, ook metterdaad en als zodanig in geheel de wereld zien. Het heeft geen zin een
ander af te keuren in zijn handelingen, daden, denken en waarderingen. Dit is niet positief. Het
is wel zinrijk om van uzelf uitgaande steeds de positieve waarden zelf te verwerkelijken en in
de wereld te zoeken naar gelijksoortige positieve elementen, die voor u dus een versterking
van uw streven en een vergroting van uw kennis en bereiking kunnen betekenen.
Mag ik aannemen dat deze punten duidelijk zijn? Dit is natuurlijk een inleidend betoog. Dat
zult u moeten begrijpen. Later zullen wij nog wel ter zake komen.
Dan wil ik u nu graag het een en ander vertellen over de grondregels, die in deze tijd vooral
gelden voor de persoonlijke bewustwording, harmonie met de omgeving en al wat erbij hoort.
Want dit is zeer belangrijk.
Wij kunnen niet gelijktijdig met onze omgeving disharmonisch leven en innerlijk iets bereiken.
Het is niet mogelijk gelijktijdig verkeerd te handelen en geestelijk het goede te doen. Daarom,
vrienden, zou ik u graag het volgende willen voorleggen.
In de eerste plaats; Elk oordeel, dat u over een ander spreekt, zonder daarbij onmiddellijk uw
eigen positie te bepalen, is waardeloos. Elke veroordeling van een ander is nutteloos, want u
kunt door uw veroordeling niets wijzigen.
Elk begrip voor een ander en elk inzicht in het standpunt van een ander implkeert een zekere
band met die ander en een mogelijkheid tot harmonie. Altijd zult u moeten uitgaan van het
standpunt, dat de ander het recht heeft op zijn eigen visie en u bent nimmer gehouden aan
het aanvaarden van die visie, maar u zult haar ook nimmer mogen verwerpen voor die ander.
Dit is een belangrijk punt. Want de menselijke verhoudingen en daarmee ook de houding van
de mens t. o. v. de maatschappij is grotendeels gebaseerd op vooroordelen. Men heeft zijn
eigen denkwijze, zijn eigen visie; en deze visie acht men zo belangrijk, dat een ieder zich
daarbij heeft neer te leggen. Men heeft het volste recht zijn eigen denkwijze en visie tot
uitdrukking te brengen en iemand, die een ander daarin tracht te hinderen, toont zich
daardoor reeds diens mindere. Maar men heeft niet het recht om wanneer eenmaal een
mening is gezegd deze te beschouwen als een agressie of als iets, dat zonder meer terzijde
kan worden gesteld. Maar men moet echter beseffen dat elke meningsuiting en elk oordeel
onverschillig of zij belangrijke of onbelangrijke waarden betreft het eigen gedragspatroon en
daarmede ook het innerlijk leven van de mens tot uitdrukking brengt. Dit geldt zelfs voor de z.
g. holle sociale vormen als beleefdheid. Ze zijn niet belangrijk, maar ze geven uitdrukking aan
hetgeen in de mens leeft alleen door de wijze, waarop hij het doet.
Wie dit beseft, zal in de eerste plaats voor zichzelf zoeken naar harmonie met de omgeving.
Hij zal dit het best doen door tegenover de omgeving niet agressief te zijn maardoor passief te
zijn in alle gevallen waarbij eigen interessen, belangen of ontwikkelingen niet verknoopt zijn
door rechtstreeks tegenover de omgeving uiting te geven van datgene wat z. i. belangrijk is,
zonder daarom te vergen dat de omgeving dit accepteert of dat de omgeving daarnaar
handelt.
U zou denken dat dit geen esoterie is. Maar een juiste houding in het dagelijks leven, het
scheppen van enige harmonie in uw eigen milieu, het scheppen van een zeker zelfvertrouwen
is het begin van elke geestelijke ontwikkeling. Op het ogenblik dat u tegen uzelf verdeeld bent,
dat u zich laat beïnvloeden door allerhand begrepen en onbegrepen waarden, als u zich laat
opzwiepen tot melancholie, tot alleen maar aanvaarden van hetgeen anderen zeggen of doen,
onverschillig of dit uit de geest of uit de stof komt, verliest u uw persoonlijke interesse, uw
persoonlijke mogelijkheid tot lering. Speelbal zijn betekent altijd nadeel lijden in geestelijk
zowel als in stoffelijk opzicht.
Het is hier misschien goed op te merken, dat niemand het recht heeft een ander mens te
veroordelen om bepaalde stoffelijke handelingen, gedachten of daden. In een ideale situatie

4 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

zou elke mens elke medemens moeten vrijlaten om op elk terrein uiting te geven aan zijn
eigen behoeften en verlangens, mits hij daardoor niet ingaat tegen het gemeenschappelijke
belang en de gemeenschappelijke mogelijkheden tot harmonie. Wij kunnen dit natuurlijk voor
de grote gemeenschap nimmer vergen, maar wij kunnen in eigen omgeving trachten elk
oordeel terzijde te stellen en slechts onze eigen taak zo goed mogelijk te verrichten.
Vele mensen zijn geneigd de belangen en zorgen van anderen tot de hunne te maken. Hoe
fraai dit op zichzelf ook kan zijn, men heeft daartoe zelfs niet het recht. Want ik kan nimmer
de taak van een ander vervullen. Ik kan nimmer de belangen van een ander zo behartigen als
deze het zelf zou wensen en zou doen. Ik kan slechts mijn eigen taak volgens beste inzicht zo
volledig mogelijk vervullen en daarbij zo harmonisch samenwerken met alle anderen die elk
hun eigen weg gaan.
Vriendelijkheid is een deel van de esoterie.
Men zegt wel eens, dat een ingewijde de goedheid uitstraalt, alsof er rond hem een sfeer van
vrede zou zijn.
In feite is deze mens alleen vredig en vriendschappelijk tegenover heel de wereld en daardoor
zal die wereld beter reageren.
Doordat hij deze vrede rond zich kent en schept, zal hij OOK andere gebieden gemakkelijker
kunnen benaderen. Want en dit is ook weer een punt dat ik in uw bijzondere aandacht
aanbeveel op het ogenblik, dat een mens door zijn denken, door zijn gevoelswereld, negatief
is, zal hij negatieve krachten aantrekken en omgekeerd, onverschillig of deze krachten bezield
zijn of niet. Deze krachten werken op hem door.
Positief geldt precies hetzelfde. Iemand, die innerlijk rustig en vredig is, zal dus op astraal
gebied onmiddellijk in contact staan met hogere of lichtender krachten, al dan niet bezield
door hogere wezens. Het goede van de natuur zowel als het goede van de andere sferen
benadert u. Wanneer u in uzelf zoekt naar de grote waarheid, dan zult u naar toch m. i. voor
een ieder duidelijk is daaraan zeer veel steun hebben en zullen voor u ervaringen, belevingen
en krachten geopend worden, die anders gesloten zijn.
Nu wil ik nog een opmerking maken t. a. v. de menselijke vitaliteit, die bij dit alles eveneens
een rol speelt.
Vitaliteit of levenskracht is niet gereleerd met het krachtverbruik, ofschoon men dat
verkeerdelijk aanneemt. In vele gevallen kan inspanning meer kracht opleveren dan
ontspanning. De doorsneemens, die de leeftijd van 35 jaar heeft overschreden, heeft behoefte
aan dagelijks 2 korte rustperioden van 2 tot 3 uur. Heeft hij deze, dan kan hij verder actief
bezig zijn, mits hij daarbij zorg draagt bij opkomende vermoeidheid tot een andere bezigheid
over te gaan. Het is juist de eenzijdigheid van werken, waardoor een grote vermoeidheid kan
ontstaan. Het is de eenzijdigheid van denken en van eigen visie op de wereld, die practisch alle
vitaliteit doet afvloeien, alsof er geen kracht meer over zou zijn.
Het is natuurlijk mogelijk een deel van die krachten langs autosuggestieve kracht te
herwinnen. De eenvoudigste methode is echter deze; Zorg ervoor dat u niet uw rust het
hoogste acht. Rust zoveel noodzakelijk is om een zeker welbehagen te kennen, maar rust
nimmer meer dan noodzakelijk is.
Maatstaf; Wanneer ik mijn rustperiode onderbreek, moet ik het gevoel hebben dat ik nog
verder zou willen rusten. Maar ik moet reeds voldoende bewustzijn hebben om onmiddellijk op
mijn omgeving te reageren. Een onmiddellijk opvoeren van inspanning geestelijk of stoffelijk
dan wel het met uitbarstingen van energie plotseling verrichten van geestelijke of stoffelijke
taken, verteert meer kracht dan noodzakelijk is en kan in vele gevallen toestanden van
lusteloosheid en uitputting doen ontstaan. Een zekere gelijkmatigheid van werktempo is
noodzakelijk. Dit werktempo moet zo zijn gesteld, dat het even beneden de grens van grootste
kunnen ligt en in overeenstemming of in harmonie blijft met de omgeving, waarin de prestatie
wordt geleverd.
Ik mag verder opmerken, dat bij velen tot betrekkelijk gevorderde leeftijd het sexueel element
hierbij een rol speelt. Een vervlakken van sexuele activiteiten, vaak omdat men lusteloos of
vermoeid is, pleegt een verdere lusteloosheid of vermoeidheid te bevorderen. Hiervoor zijn

EK 62 - 63 5
Orde der Verdraagzamen

bepaalde chemische oorzaken aan te geven, maar een zekere mentale situatie speelt daarbij
ook een rol.
Actief zijn is noodzakelijk. Die activiteit moet redelijk verdeeld zijn. Men beginne nimmer te
zeggen; Dit moet vandaag gedaan worden naar wat de buitenwereld ervan zegt. Maar voor
zichzelf te stellen; Ik wil voor mijzelf vandaag trachten deze taak te presteren. Stel deze
prestatie naar uw erkennen van eigen mogelijkheden vast. Indien u dit steeds doet, hebt u
niet alleen de mogelijkheid om in de materie zowel als in de geest voortdurend goed werkzaam
te zijn en een goede prestatie te leveren, maar u zult gelijktijdig ontdekken, dat naarmate u
dit langer doet uw veerkracht en vitaliteit toenemen.
Belangrijk voor de vitaliteit is verder de voeding. Ook dit is, zij het zijdelings, deel van esoterie
en magie. Laat mij het volgende vaststellen.
Elke voeding die overmatig is, schadelijk. Elke voeding, die meer dan normaal wet bevat, is
schadelijk. Alle vleessoorten, die te zwaar zijn bewerkt of gekruid, zijn schadelijk. Maaltijden
laat op de dag genoten dienen beperkter te zijn dan maaltijden vroeg op de dag gebruikt.
Geestelijke activiteiten vangt men bij voorkeur eerst aan ongeveer een uur, nadat een
redelijke maaltijd werd genoten, niet woordien. Lichamelijke activiteiten daarentegen kan men
wel degelijk onmiddellijk op de maaltijd doen aansluiten. Het is beter na een betrekkelijk grote
eerste maaltijd te volstaan met een groter aantal kleine maaltijden, vooral wanneer deze naast
de noodzakelijke voedingsmiddelen ook veel fruit bevat. De soorten fruit zult u zelf kunnen
uitmaken, maar voor Nederland zou b. v. de appel en de peer belangrijker en beter zijn dan b.
v. steenfruit. Citrusvruchten zijn eveneens aanvaardbaar.
Wanneer u een maaltijd gebruikt, wijd uw aandacht aan die maaltijd. Neem er uw tijd voor.
Weest nimmer gejaagd gedurende uw maaltijd. Neem desnoods een half uur extra van uw tijd
af om rustig te eten. Volbreng tijdens de maaltijd zo weinig mogelijk andere taken of
bezigheden en voorkom vooral dat u zich nog even bezighoudt met het nazien van bepaalde
notities, of erger nog met de courant of lectuur. Zelfs de meest geestelijke lectuur is schadelijk
voor het lichaam bij de maaltijd. Het lichaam dient zich geheel op de spijsvertering te kunnen
instellen. Voor de vitaliteit is verder een goede ademhaling zeer belangrijk. Wen u aan om
regelmatig, wanneer u zich in de frisse lucht bevindt, enkele malen diep of zuchtend adem te
halen, Het resultaat zal zijn dat uw bloedsomloop en stofwisseling worden bevorderd.
Zeg nimmer dat iets boven uw vermogen gaat, maar stel altijd dat een taak in zo klein
mogelijke trappen moet worden verdeeld en trapsgewijs volbracht.
Deze gegevens ofschoon zij niet schijnen te passen in deze lezing zijn naar ik meen belangrijk
voor u.
Want alleen de mens, die een redelijke vitaliteit heeft kan rekenen op een goede geestelijke
prestatie en ontwikkeling.
Alleen de mens, die voldoende vitaliteit bezit, zal de wil kunnen opbrengen, welke noodzakelijk
is voor een magisch bereiken.
Alleen de mens, die voor zich een zekere vitaliteit weet te handhaven, kan aan zijn
verplichtingen tegenover zichzelf en de wereld voldoen. Wanneer er ergens een gebrek aan
vitaliteit is, dient men daaraan iets te doen, eventueel langs medische weg, indien andere
eenvoudige methoden niet helpen.
Dit sluit dan zo’n beetje de inleidende les af. Naar ik meen, bent u nog in staat om nog een
korte werkelijke les van mijn kant te aanvaarden.
Op het ogenblik, dat een mens in zichzelf even rust zoekt, zal hij trachten alle gedachten af te
weren. Zolang dit niet geschiedt met een zeer bepaald doel, b. v. uittreding of z. g. mediale
bezigheden, is het verstandiger de meest aangename beelden te nemen, die men kent. Laat
een dagdroom zich een ogenblik bewust ontwikkelen. Stel, dat geen enkele
verantwoordelijkheid op zo’n ogenblik voor u ook maar iets te zeggen heeft. Wanneer u die
toestand bereikt, bent u innerlijk rustig. De dagdroom zal langzaam vervagen en een andere
vorm aannemen. De vorm, die hij aanneemt; is over het algemeen een uitdrukking van
datgene, wat voor u belangrijk is. Probeer dit nooit geheel te verwerkelijken, dat gaat meestal
toch niet, maar zie er een indicatie in van datgene, wat voor u geestelijk of lichamelijk

6 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

belangrijk is. Weten wat voor jezelf belangrijk is, maakt het je mogelijk de juiste instelling te
vinden op het ogenblik, dat je magisch gaat streven.
Wij kennen in de magie verschillende vormen. Een van de minder bekende (demonologie)
houdt in het bezweren of oproepen van geesten. Laat mij u hier onmiddellijk vertellen, dat de
meeste van deze geesten astrale wezens zijn en dat de doorsneeverschijning, die op deze
wijze tot stand wordt gebracht, althans een astraal voertuig heeft gekozen. Wanneer wij een
bepaalde geest of entiteit of een bepaalde persoon aanroepen, dan is het dus nimmer zeker
dat wij deze persoon zelf zien verschijnen. Dit is echter ook niet belangrijk. De instelling van
onze eigen gedachten. Het geloof en de wil waarmee wil werken, zal bij elk aanroepen of
oproepen, van een entiteit, bepalen met welke kracht in het Al wij in verbinding staan.
Op het ogenblik dat ik andere mensen zou willen corrigeren door middel van geweld, krijg ik
een kracht, die ik kan vergelijken met Jehova of Jahwe; nl. met een toornige en wraakzuchtige
God. Ik moet wel beseffen, dat indien ik voor anderen deze correctie wens, zij mijzelf zal
worden gegeven. Wanneer ik in een dergelijke toestand een ander schrik zou willen aanjagen,
dan moet ik beseffen, dat de echo van zijn angst mij onmiddellijk beroert. Ik ben dus niet in
staat om zelfstandig te handelen, tenzij ik ten goede streef.
Op het ogenblik dat egoïsme of een overwaardering van eigen persoonlijkheid of een poging
om zichzelf machtiger en sterker te maken tegenover anderen de hoofdrol speelt, zullen de
resultaten voor het “IK” gevaarlijk zijn.
Wanneer wij echter anderen willen helpen, wanneer wij niet voor onszelf streven, dan kiezen
wij automatisch al de meer altruïstische en daarom meestal meer positieve kant van alle
kracht. Wanneer ik voor mijzelf weet (dat is geloof), dat elke kracht, die ik nodig heb mij
wordt gegeven, en ik kan daarop blijven vertrouwen, dan zal die kracht mij in staat stellen om
alle levensprocessen bij mijzelf en bij iedereen met wie ik harmonisch ben zodanig te
beheersen dat een optimaal resultaat (dus het grootst mogelijke en beste resultaat) wordt
bereikt. Op het ogenblik dat ik daarvan niet overtuigd ben en experimenteer met iets, waarin
ik maar half geloof en op vertrouw, sta ik voor een mislijkking, het kost mij veel meer kracht
en het resultaat is navenant. Maar uitgaande van het feit, dat ik een mens wil helpen, kan ik
voor die mens alles doen. Ik kan zijn toekomst en zijn verleden zien. Niet omdat die toekomst
of dat verleden voor mij wordt geprojecteerd of mij wordt geopenbaard door iemand, maar
omdat verleden en toekomst vast liggen in het astrale vlak. Zelfs voor iemand, die overleden
is, kan ik een betrekkelijk lange tijd ditzelfde vaststellen. Want ook deze gegevens zijn astraal
aanwezig en d. w. z., dat mijn gedachten ze onmiddellijk kunnen absorberen. Pas wanneer
door de veelheid van levende mensen en de weinige herinnering aan de persoon de indrukken
in het astrale zijn vervaagd, kan ik een dergelijke kracht, een dergelijk verleden niet meer
terugvinden.
Het heeft weinig zin een mens te helpen zonder je gelijktijdig af te vragen, wat eigenlijk de
toekomst is. Velen zullen zeggen;Ja, maar ik wil b. v. alleen genezen. Dat is volledig waar.
Maar ik kan een mens pas werkelijk genezen, wanneer ik inzicht heb in zijn toekomstige
mogelijkheden en behoeften. Want ik zal mij niet kunnen aanpassen aan het moment nl. Nu is
immers verleden op het ogenblik, dat ik de kracht ontlaad. Ik moet mij altijd richten op de
toekomst. En dus zal ik in alles, wat ik geestelijk of magisch tot stand breng, in de toekomst
moeten denken en handelen. Dit is mogelijk; en aan de hand van experimenten zult u
ontdekken, dat het heel goed mogelijk is om laten we zeggen een toestand van 3 á 4 uren tot
zelfs 3 á 4 weken vooruit te beheersen
Men spreekt bij hypnose wel eens van een posthypnotisch effect; d. w. z. een zeker bevel of
een zekere dwang, die blijft vastliggen en die dus het gedrag ten goede kan beïnvloeden in
een periode, dat de directe beïnvloeding reeds ten einde is.
Wanneer ik als magiër ten goede van een ander werk, hetzij in genezende of in andere zin,
dan moet ik beseffen wat de toekomstige behoefte is en deze met een volledig vertrouwen in
de kracht, die door mij werkt, en met een volledige wil om deze over te brengen, leggen in de
ander. Wanneer ik weet dat iemand over een jaar depressies krijgt, dan zal, ik beseffen dat
alle vitaliteit, die ik nu schep, in die depressie te gronde kan gaan. Maar besef ik dat die
depressie komt en welke oorzaak zij zou kunnen hebben, dan is het mij mogelijk een deel van
deze depressie te ontgaan. Ik kan de kracht, die ik nu geef zo stellen, dat zij door deze

EK 62 - 63 7
Orde der Verdraagzamen

deprimerende invloeden in de toekomst niet of slechts ten dele worden aangetast. Dit kan bij
het behandelen (het magnetiseren) van patiënten belangrijk zijn. Maar het kan even belangrijk
zijn bij een samenwerking op magisch terrein, een esoterische samenwerking en al wat erbij
hoort.
Zelfs t. o. v. geesten met wie u samenwerkt, zult u zich moeten afvragen; Wat is hun
ontwikkeling? Is hun ontwikkeling er een, die snel naar het licht gaat en beseft u dit, dan
zullen zij uit het hogere licht een grotere kracht voor u kunnen zijn. Indien u dit echter niet
beseft en uitgaat van een bestaande toestand, een soort gewoonte, dan komt er het ogenblik
dat deze geestelijke krachten u ontgroeid zijn en omdat u zich niet tijdig op hen hebt
ingesteld, gaat het contact verloren.
Begrijp wel, dat het zeer belangrijk is, dat een samenwerking steeds wordt gebaseerd op
toekomstige mogelijkheden en niet slechts op het nu. Het heden is slechts de bevestiging van
datgene, wat wij in de toekomst als goed, als zeker vermoeden, aanvoelen of zien.
U zult zeggen, dat u geen voorspellend vermogen hebt. Elke mens heeft tot op zekere hoogte
een voorspellend vermogen. Zover het zijn eigen lot betreft en datgene, wat met zijn eigen lot
onmiddellijk is verbonden, zal de doorsneemens in staat zijn enkele jaren zij het
fragmentarisch vooruit te zien, d. w. z. dat hij een indruk kan verwerven omtrent hetgeen de
toekomst brengt. Indien men zich aanwent om niet slechts redelijk, maar ook inspiratief
toekomstige mogelijkheden te ondergaan, zal men in staat zijn in zeer vele gevallen zijn eigen
houding geestelijk, esoterisch, magisch en zuiver materieel te gebruiken om een goede, een
betere toekomst, een grotere ontwikkeling, een snellere groei te bewerkstelligen.
Deze lessen zijn overigens niet van mij. Ik geef ze door. De lessen die wij moeten geven zijn
gebaseerd op dit grondbeginsel. U zult voor uzelf a. h. w. ziende naar de toekomst een zo
gunstig mogelijke situatie moeten scheppen. Het heden dient niet alleen te zijn de basis voor
toekomstig gebeuren zoals bij de doorsneemens, maar slechts de bevestiging van ons
toekomstig streven. Wanneer u geestelijk werkt en streeft, zult u ontdekken, dat deze
vestiging van toekomstige bestrevingen in het heden van groot belang is voor de contacten
met hogere werelden, dus het zich bewustworden van en zichzelf leren beheersen in werelden,
waar men tot op heden op meer instinctieve wijze nog door hogere krachten wordt geregeerd.
Het einddoel van elke mens dient te zijn; een perfecte kennis van zijn eigen wezen, een
perfecte beheersing van dit wezen en een zo juist mogelijk gebruik van alle krachten, die aan
dit wezen inhaerent zijn om een zo groot mogelijke harmonie met het erkende Al of een zo
groot mogelijk deel daarvan tot stand te brengen. De wijze, Waarop de harmonie wordt
uitgedrukt, doet niet ter zake. Zij kan van geval tot geval, van ogenblik tot ogenblik
verschillen. De harmonie echter moet bestaan.
En nu meen ik dat ik u hiermede voorlopig als inleiding en met een kleine les materiaal heb
gegeven, dat meer inhoudt dan u op het eerste gehoor denkt.
Houdt u zich ermee bezig en overdenk dit. Trek hieruit voor uzelf de conclusies, die voor u van
toepassing en zo positief mogelijk zijn. Zet deze om in praktijk en ga bij deze praktijk uit van
het feit dat samenwerking (dus harmonie met de omgeving) noodzakelijk is voor elk
voortgaan. Slechts de hoogstbewusten kunnen - ondanks of tegen de invloeden rond hen - in
de hoogste harmonieën tot stand brengen. De doorsneemens is wel degelijk afhankelijk van
zijn milieu.
Dan besluit ik hiermede het eerste gedeelte. In het tweede krijgt u enigszins andere
beschouwingen, die hoofdzakelijk Perzisch georiënteerd zijn, aangezien ik heb gehoord dat Sri
Adek (?) van de Witte Broederschap zich voor de inhoud van het tweede gedeelte garant wil
stellen.

Besef ook, dat wij nu beginnen. Meent u dat dit reeds te zware materie is, bedenk dan drie
maal voor u verdergaat
Dit tweede gedeelte van uw eerste avond wil ik graag met u spreken over;

8 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

ACHTERGRONDEN van MAGIE, MAGISCHE BELEVING, MYSTIEK en ESOTERISCHE
BEWUSTWORDING
Want zoals ook mijn voorganger heeft gedaan, wij moeten wel allereerst proberen om de
grondslagen weer vers in de herinnering te brengen.
Dan zijn er natuurlijk voor vele mensen vragen. Maar een vraag vindt haar eigen oplossing. Er
zijn nimmer raadselen in de wereld, wanneer wij ons beperken tot datgene, wat behoort bij
onze ogenblikkelijke ontwikkeling.
Een mens leeft in zijn lot. Men noemt dat wel eens karma; men noemt dit fatum. Maar in feite
leeft hij binnen een vaste vorm en die vorm heeft hij bewust of onbewust vroeger zelf
gekozen. Daarin ligt niet vast, wat er precies in je leven gaat gebeuren maar wel de wijze,
waarop je zult ervaren. Misschien ook de lichamelijke mogelijkheden, die je zult hebben. Dit lot
gaat gepaard met problemen, die precies bij ons eigen leven horen.
Elke mens maakt tijden door, waarin hij met zo’n raadsel, met zo’n probleem wordt
geconfronteerd, dat hem of haar in het bijzonder aangaat. De mensen, die zwak zijn, vluchten
vaak daarvoor, dat zijn degenen, die zelfmoord plegen of die een leven beginnen, waarin
zijzelf niet meer geloven. Anderen hervinden zichzelf, overwinnen hun mismoedigheid en
schijnen opeens het positieve te kunnen zien om voor zich het juiste tot stand te brengen. Dat
wil alleen zeggen, dat zij hun probleem hebben opgelost, meer niet.
Wanneer u voor een probleem komt te staan, dan heeft dat natuurlijk geestelijke en stoffelijke
achtergronden. Ge moet echter altijd wel beseffen, dat een geestelijke achtergrond van een
probleem meestal gelegen is in een te hoog grijpen.
Wanneer je 1 meter groot bent, kun je niet met een schrede een trap met treden van 5 meter
betreden. Dat is onmogelijk. En wanneer je geboren bent om te zingen, dan zal elke poging
om de hoge filosofie tot uiting te brengen je eigenlijk frustreren en kun je niet meer verder.
Het heden brengt zijn probleem, maar ook zijn oplossing, indien wij niet te ver grijpen.
Alles wat je in jezelf vindt en gevoelt, alles wat je uit jezelf. naar de Wereld zendt, wordt
geboren uit dit deel van je bestaan. Al was je duizend maal een hoogbewuste geest in het
verleden, in het heden is je probleem hetzelfde als van een onbewuste geest; als je dit lot hebt
gekozen tenminste. Daarom, vrienden beginnen wij met de oude wijsheid, de eenvoudigste
wijsheid, die er bestaat;
Wanneer gij in het heden de oplossing vindt voor het heden en morgen niet vreest, is elke
komende dag rijker.
Wanneer ge uw aarzeling van heden overwint, zo zal morgen uw kracht groter zijn.
En zo ge heden handelt, zult ge morgen meer kunnen bereiken. Maar wie vandaag grijpt naar
het hoogste, is morgen arm en bezit niets meer,
Geen slaaf kan vorst worden in een dag en een vorst kan het probleem van een slaaf niet
oplossen, al wil hij het nog zo graag. Wees bewust en verstandig in uw leven.
Wanneer ge voor een geestelijke keuze staat, wanneer er een stoffelijke moeilijkheid optreedt,
vraag u niet af; Hoe zal het zijn, zoals ik mij dat idieel voorstel? Vraag u af; Wat kan ik doen?
Wat is nu de eerste oplossing? En denk niet dat ge daarbij fouten maakt van uit het standpunt
van de Eeuwige. Want al zal een mens misschien later uw oplossing veroordelen, ge hebt
daarmede voor uzelf de ervaring gewonnen, die gij noodzakelijkerwijze moet meebrengen om
geestelijk verder te stijgen.
Zeg ook niet, dat uw leven u geen gelegenheid laat tot geestelijk werk; of dat het geestelijk
werk u geen tijd laat om uw stoffelijke taak te vervullen. Want deze beide mogen niet
gescheiden zijn, zij moeten samenwerken.
Wanneer ik in de stof iets bouw, zo zal ik in de geest meebouwen. En de kracht van mijn
stoffelijke inspanning is gelijktijdig. De rijkdom van mijn geest. Maar wil ik afzonderlijk
geestelijk bouwen, beide bouwsels (het stoffelijke en het geestelijke) worden bedreigd.
Denk nimmer dat ge in uzelve God kunt vinden en daarmee een einddoel bereiken. Want door
het lot waarin ge hier leeft, de keuze die ge eens hebt gedaan, zult ge eerst de geestelijke

EK 62 - 63 9
Orde der Verdraagzamen

bewustwording en wijsheid moeten vinden waarschijnlijk in een andere wereld en dan pas zult
ge misschien eens de werkelijkheid van uw God dagelijks kennen.
Hier begint de eenvoud, waarover mijn voorganger sprak. Niet wat ik morgen zal doen, maar
wat ik zo dadelijk zal doen, is de vraag die ik het eerst moet beantwoorden. Niet wat ik over 5
weken zal doen, maar wat de dag van morgen is, is hetgeen ik het eerst moet afhandelen.
Wanneer ik zo werk, ben ik sterk en dan groeit in mij een verbondenheid met het lot, met.
deze keuze, die ik heb gedaan. Een volkomen eenheid, waarbij mijn geest uit elke stoffelijke
handeling en ervaring voor zich nieuwe waarden en krachten puurt.
De achtergronden van de mystiek zijn hetzelfde. Ik kan mij natuurlijk verdiepen in het mystiek
beleven van het Hogere. Ik kan ondergaan in een oceaan van lichtende krachten en ik kan
trachten deze oceaan in mij op te nemen. Maar evenmin als een kind met een stukje
speelgoed een zee kan vatten, kunt gij de mystieke werkelijkheid omvamen en in uw eigen
wereld stellen. Ge kunt er slechts krachten uit putten.
Alle mystiek en mystieke beleving is een vlucht van het “IK”, niet om blijvend hoog te zijn,
maar slechts de vlucht van het “IK”, dat zich verfrist en krachten haalt en deze krachten doet
nederdalen in de eenvoud van het stoffelijke.
Zeg niet, dat een mystieke beleving of een mystieke bestreving ooit kan zijn een ontvluchting
van de werkelijkheid. Er zijn mensen, die mystiek dachten en streefden. Zij hielden
gesprekken met hun God, zij waren één met de engelen der sferen en trokken zich terug uit
het stoffelijk leven. En ziet, terugkerend tot de geest moesten zij ontdekken dat zij hadden
gefaald. Want al hadden zij leren kennen verre landen van hooggeestelijke en lichtende kracht,
de sleutel die de poort tot die landen opent hadden zij vergeten.
Leef de eenheid met al het hogere, waarvan gij droomt; maar leef die eenheid slechts in de
krachtbron. Als ge denkt dat uw God of een geestelijke kracht of meester u onmiddellijk
bijstaat, puur daaruit krachten voor uzelf, maar tracht niet om steeds in dat andere te leven,
Degeen, die mij deze lezing heeft voorbereid, gaf mij daarbij een aardig beeld, dat ik zal
trachten in woorden om te zetten.
Dichter staat men bij het hoge doel en bij de werkelijkheid, wanneer de snaren klinken en de
fluit speelt, wanneer het hart vreugdig is en de bokaal wordt geheven, dan in de eenzaamheid.
Want in de volheid van het leven ligt de mystieke werkelijkheid verborgen en niet kan het
leven vanuit een hoger mystiek besef beheerst zijn. En hij zeide mij;
Ziet, velen die feest vieren en schijnbaar lichtzinnig door de wereld gaan, leren voortdurend en
zij scheppen voortdurend het goede.
En zij kennen hun ogenblikken van verrukking en eenheid met het Hogere, maar zij blijven
dansen in de wereld.
Gelooft ge niet dat als er een vorst is in de hemelen, dat hij hun, die voor hem dansen
dankbaar zal zijn. Maar dat hij hen, die met plechtstatigheid trachten hem te tonen, hoezeer
zij hem gelijk zijn, zal uitlachen en verachten, zoals de mens de aap die zijn gebaren na-aapt?
Er zijn vele punten in de mystiek en in de esoterie, waarbij wij geneigd zijn de werkelijkheid
achter ons te laten. Laat ons simpel terugkeren tot wat wij op aarde moeten zijn.
Een mens, die op aarde leeft, is geest gebonden in stoffelijke vorm. Kracht der geest gehuwd
met kracht der materie. En deze zijn een twee-eenheid, tot het voorbestemde ogenblik van
scheiden, waarop de geest verzadigd zegt tot de stof; Ziet, leeft gij verder in het levende en
laat mij gaan in het bewustzijn en de gedachte, waaruit ik ben voortgekomen. Zo zijn wij in
eenvoud stof en geest. En wie een God dient met zijn gedachten, zal Hem moeten dienen met
zijn lichaam. Soms lijkt dat overdreven. Maar de oude priester, die mij het beeld gaf, dat ik u
tracht voor te leggen, sprak als volgt;
Is het niet beter te bidden tot stenen goden, opdat het hart de ware Godheid beroert, dan in
rede te zeggen; Dit is slechts steen en daardoor het contact met de eeuwigheid te verliezen?
Het beeld van de God, Die je dient, het beeld van de taak, die je je stelt in het leven, kan
abstract zijn, maar hij is nooit je werkelijke persoonlijkheid. Je werkelijke persoonlijkheid is dit
voor jezelf haast onverbrekelijk verbonden mengsel van stof en geest. En daarom moet je ook

10 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

wanneer je zoekt naar het magische, naar de macht a. h. w. beseffen dat zij is gebouwd uit
stof en geest.
Wanneer ik met mijn gedachten de demon niet vrees en mijn lichaam siddert voor hem, zo
ben ik toch zijn slaaf. Daarom mag ik nooit een kracht wekken, die groter is dan ikzelf. Maar
omgekeerd mag ik nimmer trachten mijn eigen krachten en mogelijkheden te onderdrukken,
alleen omdat ik de consequentie daarvan vrees.
Ga in uzelf en denk na. Gij zijt stof. Stof heeft hersenen om de ervaringsbeelden vast te
leggen. De materie ontmoet de materie en vormt de materie uit de gedachte. Maar de geest,
die gij zijt, is ook geest met krachten van de geest. En er kan geen mens leven op aarde, die
niet gelijktijdig de taak tot stoffelijk beleven en vormgeven en de taak tot het beleven van
geestelijke krachten is opgelegd.
Hoe nu deze geestelijke krachten te zien? De geest leeft uit haar eigen wet. We krijgen kracht;
en deze kracht is niet in overeenstemming met het stoffelijk gekende. Zij ligt buiten het gebied
der rede. Het is een wereld, die geen volgorde kent van tijd en ruimte zoals UW eigen wereld.
Ze kent krachten, wier trillingen zo hoog zijn, dat zij zelfs onvoorstelbaar zijn voor hen, die de
hoogste trillingen van de stof reeds kunnen meten. Maar die kracht leeft in u; die trilling is er,
dat vermogen is er. Nu stelt ge de rede terzijde. Niet voor de resultaten in de stof, want dat is
uw stoffelijk werken. Maar het gaat om het gevolg in de materie, daar zult ge zelf mogen
constateren en redelijk zijn. Maar waar het gaat om het hanteren van de krachten van de
geest, daar zal de rede moeten stilstaan en daarvoor in de plaats moet de zekerheid komen.
Ook ik ben deel van hoge Lichte wereld ook in mij bestaat de kracht, waarmee ik scheppen
kan. En zo ik niet voor mijzelf vraag maar voor het Al, zal heel het Al, dat mijn geest beseft,
zich uiten voor mij en door mij spreken, handelen en zijn werken doen.
Een vreemd woord misschien, maar onze goede Meester zeide mij; Gij allen, gij tracht de
mens te leren naar uw denken te leven. Maar de mens kan niet leven naar uw denken of naar
uw geestelijk weten; hij kan slechts leven naar wat hij ís. Zeg daarom die mens dat wat gij
suggestie noemt en in feite een vorming is van werelden, die na aan de stof verwant zijn, dat
werkt in uw wereld direct en onmiddellijk uit.
De suggestie kan de mensenogen laten zien wat niet is. Zij kan een lichaam pijnen doen
vergeten, die werkelijk waren. Ja, zij kan de gang der ouderdom stilzetten, zij kan een
ogenblik, de jeugd doen terugkeren en zij kan de droefenis veranderen in vreugde. En toch is
dit slechts een gedachte, meer niet. Maar wie op die gedachte vertrouwt en bouwt uit die
gedachte, die maakt een werkelijkheid. En dit is slechts de geringste kracht, die men bezit.
Want suggesteert niet elke mens zichzelf iets te zijn? Zoals de proever, die aan de tafel van de
vorst staat en zegt: Wee degeen, die gif gebruikt. Want ik, die proef, zal sterven en mijn vorst
zal geen zekerheid meer hebben”.
Maar de vorst glimlacht; want zoveel onderdanen als er zijn, zoveel voorproevers bezit hij. Zo
is het nu met ons. Wij zijn geneigd te denken: wij zijn uniek en onmisbaar. En wij beseffen
niet, hoe onbelangrijk wij feitelijk zijn. En die onbelangrijkheid juist is onze grote kracht. Want
ik heb vermogen. Ik heb geestelijke kracht in mij, en zolang ik geest en ook in de stof ben
behoud ik die kracht. En als de geest kan uitgaan buiten de tijd, Waarom zou ik mij dan als de
voorproever vastklampen aan de functie van het stoffelijle redelijk bestaan van het ogenblik?
Maar ik heb ook een eis te stellen. Wanneer mijn geest uitgaat over ruimte en tijd, moet dat,
wat zij mij brengt aan weten, ook bewezen zijn. Elke mens, die leeft, bezit de volgende gaven
krachtens de geest, die in hem bestaat. Hij is als geest onafhankelijk van ruimte en tijd,
want dit is eigenschap van de geest, die redelijk bewust is. Hij bezit de kracht om alle
vermogen van de geest om te zetten in kracht van de stof. Hij bezit het vermogen om het
menselijk denken beperkt als het is te maken tot een voertuig van de geest en dat zelfs
stoffelijk begripsvermogen verheft naar de hogere werelden, van waaruit men veel kan
overzien wat voor mensenogen en mensen denken gesloten blijft. De geest kent werelden van
licht en van vrede. Alle vrede, alle kracht, alle bewustzijn en licht, dat in de sferen bestaat,
waarvan ge deel uitmaakt, kunt gij brengen in de stof als een gevoel; maar een gevoel, dat
wordt tot een pulserende kracht, die de zenuwen vult, die het bloed rustiger en gestadiger
doet stromen, die handen die sidderen, vastmaakt en ogen hun veerkracht weergeeft, tot ze
schouwen, dichtbij en ver met onvergelijkelijke helderheid. Gij bezit in uzelf de kracht van de

EK 62 - 63 11
Orde der Verdraagzamen

geest om u waarlijk te verbinden met een ander. Want de geest die harmonisch is met een
ander, deelt met die ander zo hij wenst alle dingen; alle beelden van het verleden, alle
gedachten. Er is geen enkel voorbehoud, behalve dat wat door gebrek aan volledige harmonie
wordt gemaakt. I
En zo hebt gij op aarde dezelfde mogelijkheid. Indien gij uw geest doet werken op de juiste
wijze, zo deelt gij geestelijk alle dingen. En ziet, gij zult in de stof zijn als een, uw handen
zullen de taak verrichten en opdragen zonder dat gesproken of gedacht wordt, want ge zijt
één; het zijn vier handen van een denken. En uw voeten zullen gaan, en het zal zijn, als of er
vier voeten zijn en slechts een wil. En dan behoeft gij die harmonie niet te beseffen, want
soms kan de wijzere, de lichtere de onbewuste benaderen. Hij kan dit geestelijk contact tot
stand brengen en hem dragen eenvoudig door a. h. w. de geestelijke harmonie, die de ander
nog niet beseft, in zijn leven te doen doordringen en een juiste wijze van denken en handelen
te doen ontstaan, waaruit eens die ander zichzelf beseft en beantwoordend aan de harmonie.
uit zichzelf nu de vrije eenheid vindt, die noodzakelijk is. Geestelijk leven en geestelijk werken,
mijne vrienden, worden zo vaak hoog aangeslagen. Maar is het niet waarlijk zoals de ouden
zeiden; De koopman, die mij wind verkoopt, bedriegt mij en verrijkt zichzelve. De mens, die
zichzelf de gedachte van geestelijke wijsheid verkoopt maar haar niet daadwerkelijk kan uiten
in zijn eigen bestaan, bezit die eigenlijk wel iets, bedriegt hij niet zichzelf? Betaalt hij daarvoor
soms niet een hoge prijs?
Gij allen en het zou moeten gelden voor allen, die mens zijn gij zult moeten weten; wat ik ben
en wat ik doe (dus menselijk denken, voor zover het mijn geestelijk streven betreft en veel
van de menselijke gedachten), is onbelangrijk. Verlopen in de tijd, als zand dat door de
vingers glijdt. Maar wanneer er een klein stukje goud zit in dat zand van de vele gedachten,
blijft het achter; een bezit. Niet de veelheid van wat ge leert en van wat ge behoudt is
belangrijk; maar belangrijk is, dat de werkelijke waarde, die erin schuilt, voortdurend kenbaar
met u is.
Wanneer ge u beroept op de geest, waarin gij gelooft en zij helpt u niet, dan zijn er maar twee
mogelijkheden; of gij gelooft niet juist en waarlijk óf de geest bestaat niet. Want gelooft gij
aan die geest en is die geest werkelijk, dan zal zij u Kunnen helpen.
Ik wil u ook nog wijzen, zo zegt onze vriend, op oude gebruiken, die juist voor degeen, die zich
bezighoudt met esoterie zowel als met magie, een zekere richtlijn inhouden.
Wanneer in de oude tempels van de godin van de maan en van de zonnegod een mens in de
kleuren van het zilver en het goud de krachten van de goden wilde ontmoeten, zo ging hij en
bood zichzelf aan als gave. Maar hij stelde daarvoor slechts een eis; dat hij nu ook de kracht
van de zon of van de maan zou zijn.
En dan lacht men in deze dagen vaak over deze magiërs, deze esoterici in de oudheid.
Ingewijd in het begrip eenheid met hogere kracht, volbrachten zij dingen, die nu
onvoorstelbaar zijn en die men in het menselijk denken tracht te ontwijken. Want als ik mij
geef aan mijn God, aan een lichtende, voor mij positieve kracht en ik stel geen eisen behalve
die ene: Ik wil de uiting van Uw kracht zijn, dan ontstaat er een perfecte harmonie, die door
geen menselijke rede of wetenschap kan worden beperkt of verklaard. Dan leeft de kracht van
zo’n hoge geest in een mens.
De Christenen zeggen, dat Jezus God op aarde was. En zij hebben dit verklaard als een
mirakel. Maar het was eenvoudiger; de mens aanvaardde zijn God en vroeg voor zichzelf niets.
En ziet, de kracht van zijn God was in hem; zo onbeperkt als hij zich gaf, zo onbeperkt sprak
de hoge Kracht in hem.
En dit nu zult ge moeten onthouden en beseffen. Want indien ge voor uzelf iets eist, zo gaat
ge een handel aan, een overeenkomst met hoge geest of lage demon. Er zijn demonen die u
zoals in oude legenden misschien rijkdom kunnen verschaffen, en er zijn demonen, die u
bijzondere gaven kunnen geven. Maar ge vraagt voor uzelf en daarvoor moet ge betalen. Uw
levenskracht en levensvreugd en zelfs uw vrijheid van handelen verliest ge daarmee.
Wie een verdrag wil sluiten en voor zichzelf eist uit de geest, beneemt zichzelf de vrijheid en
het leven. Maar wie zich geeft aan het Hogere en toch wil leven in zijn eigen wereld als deel
van het Hogere, die brengt dat volledig tot uiting.

12 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

De grootheid van een vorst komt op twee wijzen tot uiting, zong een oude dichter, want groot
is de vorst, die met zijn strijdwagens en zijn geweld staten onderwerpt en legers verbrijzelt.
Maar groter nog is de vorst, die geeft en in zijn geven schept de vreugde en de vrede, tot allen
gelijkkig zijn uit zijn gaven. Dit geldt voor de magiër en voor de esotericus.
Ge kunt uittrekken en met uw kennis en uw weten de onbekende gebieden van het mystieke
en het occultisme overwinnen. Gij kunt. heersen; en misschien zult ge groot zijn. Maar de
waarlijk groten zijn zij, die leren te schenken zonder voorbehoud en voortdurend. Niet met een
eis of een doel, “ik” alleen omdat zij één willen zijn met de grote Kracht.
Hier aarzelt mijn herinnering aan het beeld mij gegeven om u voor te leggen. Want hier komen
de beelden als een volgorde van manipulaties, rituelen en van uitdrukking. En ik weet dat als
ik ze u zo voorleg, u ze niet zult misverstaan. Maar indien gij de juiste houding vindt, het juiste
gebaar, de juiste daad en uw geest daarbij in het Hogere uitzendt, zo wordt dit op zichzelf
onbelangrijk gebeuren tot een manifestatie van hoogste Kracht.
Er zijn sferen van licht, waarin de bewuste geesten leven. En deze bewuste geesten bezielen
vaak de mens, wanneer hij aanvaarden kan. Misschien beseft ge wat ik wil zeggen. Dat wil niet
zeggen dat gij plotseling in staat zijt om de taken van alle mensen over te nemen; maar dat
wil zeggen, dat ge nu zelf de taak duidelijk ondergaat, dat ge kracht hebt om haar te
volbrengen. Steeds weer zult ge u gedwongen voelen om het juiste ritueel, het juiste woord,
de juiste bezwering in uzelf te herhalen, zoals men eens zong;
Gij, Heer van Licht, Die leeft in zon en in de bliksem, daal tot in de tempel, spreek in mij Uw
bliksem, leen mij Uw licht, opdat Uw grootheid zij geopenbaard.
Drijf mij, maar laat mij toch mijzelve blijven. En dan koos de mens, die zo gebeden had, een
taak. Sommigen gingen uiten deden wonderen. Evenals de helden met de bijbel en andere
historiën gingen zij uit en sloegen water uit de rotsen, zij wekten doden op en genazen zieken;
zij drongen door in de geestelijke duisternis der mensen en brachten hen naar het licht, zodat
zij weer konden leven en ademen in hun eigen wereld. En zij deden het, omdat het licht van
Bel in hen was.
Zo werd mij het beeld getoond en meer nog.
Alle dingen hebben hun eigen band, hun eigen sympathie. Er is geen voorwerp dat niet straalt,
er is geen enkel stukje materiaal dat niet een eigen straling heeft en vaak zal degeen, die in
zich het bewustzijn draagt, ontdekken: dit materiaal vult aan wat mij tegemoet straalt uit een
mens, uit een dier of uit een plant. Breng die tezamen en het tekort is weg. En zo zullen zij
beginnen met kruiden te geven en magische rituelen te gebruiken, waarbij mens en dier, of
mens en mens in aanraking komen. Dan gaan zij beseffen; het gaat niet om het metaal maar
om de straling. Wanneer ik weet wat een mens nodig heeft, dan hoef ik hem immers niet de
stof te geven, wanneer hij behoefte heeft aan de geest.
Zo waren er in de oudheid reeds mensen sterker dan alchemisten, want zij maakten waarlijk
goud. Niet het menselijk goud, waarmee wordt betaald. Maar zij wisten dat goud soms
noodzakelijk is voor een mens, dat het zijn lichaam harmonisch kan maken en zij vonden in
zich de stralende kracht van het goud en bouwden deze op uit hun gedachten, zij wierpen dit
op de mens en hij was gezond. De starheid en stramheid van zijn leden was verdwenen en hij
was jong en levendig als een dier, dat voor het eerst in de wei komt; zonder het stoffelijk
goud. En anderen hadden een tekort aan arseen en de uitstraling van arseen werd gegeven.
En ziet, zij werden gezond. Zo ging het met alle stoffen, met de planten, met de dieren. Want
de uitstraling, zo wisten zij in de oudheid, is belangrijk.
Wij leven allen in contact met onnoemelijk veel planten, dieren en voorwerpen, om niet te
spreken van de mensen, die rond ons zijn. Welnu, elk van hen straalt iets tot ons uit en als wij
leren te voelen waar een tekort is ook al kunnen wij dit niet met een gedachte omschrijven en
wij kunnen dit tekort uit onszelf aanvullen, dan scheppen wij in de ander harmonie. Stoffelijk
en misschien geestelijk reeds scheppen wij van uit onszelf harmonie met anderen. En zo
klimmen wij in het bewustzijn van de velen, aan wie wij geven, op naar een nieuw Weten; een
wereld, waarin de harmonie der straling voor ons een bewust ervaren is geworden. En dan
zegt gij, dat ge in een wereld zijt gekomen van licht, van kleur en van straling, zoals wij in de
Orde altijd hebben gezegd. Maar zij van grote Broederschap zeggen; Dit is de wereld, waarin

EK 62 - 63 13
Orde der Verdraagzamen

alles zijn plaats heeft gevonden. Want alle trilling, alle straling, alle kracht en elk beeld zijn
samengevloeid en er is een onverbrekelijke harmonie, waarin men zelve leven kan.
Zo wordt mij dit beeld getoond en gegeven. Een ieder, die oprecht wenst en wil, die oprecht
gelooft, kan de eenheid met het Hogere verwerven. Maar dan kan ook een ieder, die dit
oprecht wenst, dit met heel zijn wezen wil en gelooft, dit begrip van stralingseenheid, van
stralingsharmonie rond zich leren bevatten. O, het is traag. Want langzaam eerst moet men
leren, als door ervaring, de instelling te vinden. Het menselijk denken is soms traag, maar
men kan het bereiken.
En hier wordt dan de synthese gegeven van magie en esoterie, van occultisme en normaal
menselijk leven.
Harmonie en evenwicht is de wet, waaruit alles groeit, waaruit alles voortkomt en a. h. w. zich
langzaam maar zeker vormt tot volmaaktheid. En zo kunt ge ook, indien ge wenst, leren. En
zeg dan niet; Ik wil weten wat het stralingstekort is van een mens, want dat zijn geleerde
woorden. Maar vraag u af; Wanneer ik de mens zie, wat komt er op mij af, wat is is hiervan te
voelen, wat is het tekort. En denk het u in een woord, in een begrip of in een kleur, denk aan
een deel, waarvan ge innerlijk een rijkdom bezit, vorm het en zend het met uw gedachten
naar die ander toe en bevestig het met uw wezen. Dan hebt ge de harmonische vorm
gevonden van bewustwording, de grote Eenheid, die eens zal moeten bestaan. Wanneer alle
krachten van de stof en alle krachten van de geestelijke werelden terugvloeien tot de grote
Eenheid.
Wanneer uw hart spreekt tot de wereld, wanneer uw wezen en uw denken de eenheid zoeken
met die wereld, dan zal die eenheid voor u werkelijk zijn. Met volgens het stoffelijk begrip dat
gij u vormt, maar in de innerlijke vervulling van uw wezen.
En dit, vrienden, is de grote les. Want zoals zij in de Broederschap een ogenblik niet meer
zichzelf willen zijn en slechts willen zijn uitdrukking van het Hoge, het Witte, dat zij kennen en
dat zich als een zee over hen uitstort, die eenheid, zo kan een ieder in het kleine de hogere
Kracht beleven,
Grijp niet naar de goden, die gij niet kent. Maar wanneer gij iets goeds kent al is het maar een
gedachte of een woord, dan heeft het zijn weerklank in het Hogere. Laat het in u klinken tot
een beeld, een begrip wordt. Zend het van u uit en het keert versterkt uit de oneindigheid, tot
u terug.
En wanneer ge weten wilt, hoeveel ge een ander kunt geven, zo laat het in uzelf groeien en
zend het die ander toe. En ziet, het is alsof hij plotseling voor u volmaakter wordt. Want
slechts als de ander, door hetgeen ge hem aan gedachten zendt, op u een volledige indruk
maakt, is er een waarheid. Dan kunt gij geven. En is uw gave niet voldoende, hebt ge een
andere, probeer dit. Maar geef uit uw denken, geef uit uw leven. Laat de nuchterheid van de
rede terugtreden voor het begrip der harmonie. En wanneer ge de harmonie in u beleeft en
haar uitzendt en het ogenblik van handelen is voorbij, schouw dan met mensenogen en ge zult
zeggen; Welk wonder is aan mij volbracht.
Een laatste punt, een laatste beeld nog wordt mij hier door Heer Adek getoond. Dit is het werk
van de Witte Broederschap; en hij gebruikt zijn beelden, en niet de onze. Maar als ik het
vertaal is het ongeveer als volgt.
Een eeuwigheid bestaat uit saamgevlochten linten van velerlei kleur. Hij, die het koord kent in
al zijn kleuren, bouwt aan de toekomst. Hij vlecht a.h.w. de losse delen samen tot zij een
geheel worden.
Dat is de taak van de Witte Broederschap, die zij op zich neemt en die zij volbrengt op een
wijze, waarvoor gij zoudt huiveren. Want soms sterven vele mensen, omdat de Witte
Broederschap ingreep; en soms trekt zij zich terug voor menselijk geweld, wanneer gij zoudt
menen dat zij zou kunnen redden. Maar zij weet; alles moet afwisselen. Niets kan altijd gelijk
blijven. De vele kleuren worden voortdurend dooreen gestrengeld en slechts wanneer het een
kleur is, die zij beheersen, kunnen zij handelen.
Zoek niet in uzelf de ongebroken continuïteit van een bestreving, maar laat steeds in u
datgene wekken, wat nu behoort tot het heden. Laat het in u klinken en vraag u af; Heb ik een
antwoord daarop? Hebt ge een antwoord, dan is het uw taak. Zo vormt ge de toekomst voor

14 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

uzelf en voor allen, die behoren tot uw wereld. Maar indien gij eist; Dit is mijn taak en
waarheid en geen andere zal er zijn, dan zal het licht van heden het licht van morgen doven;
dan zal de kracht van heden de uitputting en zwakte van morgen betekenen.
Daarom, vraag u af, hoeveel dingen er in uw leven zijn en laat ze alle afwisselend spelen,
terwijl ge voelt: nu is het de tijd. Want wanneer gij voelt; dit is de tijd en ge zendt uw
geestelijke kracht uit, dan vindt gij de stoffelijke mogelijkheid en de stoffelijke daad, dan vindt
gij de stoffelijke belangrijkheid, niet volgens redelijke beelden, maar voortvloeiend uit een
voor u redelijk niet te begrijpen noodlot misschien. En dan bouwt ge daad na daad aan uzelf,
aan uw innerlijk begrip, aan de eenheid en broederschap van allen. En daardoor alleen door dit
steeds streven met de kracht van het heden, gericht op de eenheid en de voleinding der
dingen zult ge waarlijk, mijne vrienden, magisch, esoterisch en menselijk slagen.
Hoe meer één gij kunt zijn, hoe meer ge kunt schenken. Hoe meer kracht en harmonie, hoe
groter en sterker gij zult zijn. Hoe beperkter gij zijt in uw denken en in uw daden, hoe
moeilijker het u zal zijn voort te gaan.
Dit zijn achtergronden, meer niet. Ook voor u geldt dus in dit tweede gedeelte: denk er over
na. Laat de invloed een ogenblik op u doorwerken. Laat de beelden eens opnieuw in u rijzen en
vraag u af; Wat kan ik daarmee doen? Want dit is het voetstuk, waarop wij het beeld van een
bewuste, een lichtend levende mens Kunnen bouwen. De mens, die wij zelf kunnen zijn. De
geest, die wij behoren te zijn en de ware eeuwigheid, waarvan wij deel uitmaken.
En hiermede, mijne vrienden, zijn wij voor vandaag aan het einde gekomen. Een volgende
maal zult ge misschien meer interessante stof krijgen. Maar die stof kan u nooit verder helpen,
indien gij niet begint met wat u heden is geleerd. Misschien zult ge zeggen; Belangrijk is dit.
Maar belangrijk wordt het pas, wanneer ge beseft dat ge vandaaruit moet voortgaan met
werken.
Al wat ge zult horen over magie, al wat ge zult horen over innerlijk streven en ritueel heeft
slechts zin, Wanneer het wordt gebaseerd op het persoonlijk erkennen, waaruit het “IK” kan
compenseren daar, waar een tekort is en dat het “IK” kan aanvaarden, waar een teveel is. Zo
kan eenheid worden geschapen, waarin alles zijn juiste plaats heeft, waarin alle mogelijkheden
en krachten verstrengeld zijn tot dat Ene; de Cosmische waarheid, waaruit wij alleen kracht
kunnen putten en waarin alleen het bewustzijn bereikt wordt.
Geen verder afscheid, vrienden, voor deze maal. Verontschuldig mij, als ik misschien met deze
wat onbelangrijke woorden afscheid moet nemen. Maar mijn wens vergezelt u, dat gij al wat
gebracht zal worden soms misschien zelfs door Meesters, die meer zijn dan de hogeren in onze
Orde zult aanvaarden en verwerken en dat ge niet zult zeggen; dit gaat mij te ver of te hoog.
En zo ge niet kunt aanvaarden of beleven, onderga voor een ogenblik en vergeet; want dan is
dit niet voor u bestemd.

Nummer 2
10 oktober 1962
Cosmische wetten.
Cosmische wetten zijn bepalend voor ons aller leven. In dit leven worden wij geconfronteerd
met een groot aantal schijnbaar tegenstrijdige invloeden, die men echter zowel in het kader
der esoterie als der magie tot een eenheid moet weten te herleiden. Daarom zij voorop
gesteld, dat de gebruikte woorden in het scheppingsverhaal en in vele andere werken, die zich
bezig houden met het ontstaan van de mens, een meervoudsvormen spreekt over Elohim en
ziet dit als de hoogste God. Dit blijkt uit de gehele Joodse leer en andere leerstellingen niet
juist. Er is sprake van El (de mannelijke vorm) en Elha (de vrouwelijke vorm) van hetzelfde
begrip. Beiden staan voor Goden in secundaire vorm of als u een andere term prefereert Logoï.
Wij vinden een soortgelijk onderscheid overal elders; d. w. z. dat de mensheid is gevormd
door een zeer groot aantal persoonlijkheden, entiteiten, die niet de scheppende Kracht zelve
zijn, maar slechts representanten daarvan. Elk van deze leiders heeft oorspronkelijk
meegeholpen aan de opbouw van de mensheid. Hun invloed en de verwantschap met hun
wezen is blijven bestaan in die delen van de schepping, die zij oorspronkelijk hebben
opgebouwd. Gezamenlijk zijn de Elohim of de Logoï een volledig harmonisch geheel. Zij zijn

EK 62 - 63 15
Orde der Verdraagzamen

volkomen juist aan elkaar aangepast en zij vormen t. o. v. de rest van het Al een zodanig
gesloten geheel, dat zij vanuit andere planeten en sterren zelfs zouden kunnen worden gezien
als een persoonlijkheid.
In uw wezen zijn de invloeden van deze Logoï echter werkzaam. Wij vinden daarbij verder, dat
zij niet allen gelijkelijk werkzaam zijn in de mens, omdat de mens in twee sexen uiteenvalt.
Ditzelfde speelt een rol in de magische en esoterische tekens van de oude geheimleren. Wij
horen b. v. van het Yan en Yin-principe. Wij horen van de twee pilaren. Wij horen van de twee
krachten.
Deze indeling is niet alleen bedoeld om de mens duidelijk te maken dat wij twee sexen zijn of
dat er tegenstellingen bestaan, maar wordt tevens gebruikt om aan te geven, dat er in de man
en in de vrouw een verschillende invloed van Logoï werkzaam is, zodat de in hen bestaande
eenzijdigheden, de in hen bestaande onevenwichtigheden kunnen voortkomen uit andere
cosmische verhoudingen. De man heeft dus andere cosmische verhoudingen dan de vrouw.
Het is noodzakelijk dit te stellen, opdat u zult begrijpen hoe de volgende wetten invloed op de
mens hebben.
In de wetten van harmonie treffen wij voor de meer ingewijden aan; De wet van evenwicht
wordt teruggebracht tot het evenwicht in het middelpunt. De uiting in het horizontale vlak is
slechts de weergave van het leven. De beleving echter ligt in het vertikale vlak en wordt
gedragen door het middelpunt of de as, die het volmaakte evenwicht van al het zijnde in zich
draagt.
Hierbij wordt de gedachte uitgewerkt, dat de mens onder invloed staande van de Logoï in
zichzelf een volledig evenwicht kan scheppen. Tijdens een aards bestaan zal daarbij dat is
onvermijdelijk de aanvulling van het andere geslacht noodzakelijk blijken. Maar in zich is deze
mens een geheel. Wanneer hij dit geheel echter voor zich verstoort of onevenwichtig maakt,
zo wordt hij bedreigd door vele misvattingen, zijn wezen raakt tegen zichzelf verdeeld en het
blijkt, dat zowel zelfkennis als de beheersing van zichzelf en andere waarden moeilijk te
bereiken is. Hieruit volgt;
Ten eerste; Elke mens heeft in zich een evenwicht. Dit evenwicht wordt niet alleen bepaald
door zijn eigen stoffelijk wezen, maar het wordt daarnaast bepaald door datgene, wat vanuit
de Logos of de Logoï in hem wordt geopenbaard. Waar de verhoudingen in verschillende
individuen anders kunnen zijn, zijn verschillende evenwichtsmogelijkheden aanwezig en kan
nimmer een bepaalde maatstaf voor allen worden aangelegd.
Ten tweede; Elk lichamelijk evenwicht en al datgene, wat daarmee gepaard gaat wordt ook ten
dele bepaald door de invloeden van de Logoi, die op aarde nog merkbaar zijn. Als zodanig zal
men moeten nagaan op welke wijze het eigen leven afwijkt van de norm. En wel niet van de
norm, die de wereld stelt maar van de norm, die men innerlijk aanvaardbaar acht. Eerst
wanneer men ontdekt heeft, in hoeverre men handelt in strijd met zijn eigen opvattingen,
verlangens en idealen, zal men in staat kunnen zijn te beseffen, welke krachten binnen het
“IK” werkzaam zijn,
Vele van deze krachten worden voorgesteld als deugden of zonden. Wij kennen b. v. de 7
deugden en de 7 hoofdzonden. Deze zijn op zichzelf maar een voorstelling voor inwerkingen
van de Logoi. Daarbij is het menselijk verstand gekomen en heeft getracht om deze
verhoudingen aan de hand van een menselijke maatstaf te normaliseren. Daar dit onmogelijk
is, bestaan noch de deugden noch de zonden. Wat echter wel bestaat, is het vermogen van de
mens om aan de hand van deze kwaliteiten en eigenschappen zichzelf
nader te omschrijven.
Als ik weet dat ik onevenwichtig ben, dan kan ik mij ook realiseren, dat ik aan een bepaalde
kracht een te grote invloed heb toegekend. In de meeste gevallen zal dit een invloed of een
kracht zijn, die zich in mijn wezen onvolledig heeft geuit. In eenvoudige termen gezegd:
1. Al datgene, wat in mij sterk wordt onderdrukt, is in zeer sterke mate bepalend voor mijn
gedrag, mijn houding en mijn onevenwichtigheden. Alle disharmonie komt hieruit voort. Het
herstel van dit evenwicht ten koste van alles is noodzakelijk.
2. Harmonie kan alleen ontstaan uit een juist samengaan met de buitenwereld. In die
buitenwereld word je geconfronteerd met de tegenstellingen.

16 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

In deze zin sprekende mogen wij ook de wereld verdelen in mannelijke en vrouwelijke
invloeden. Daarbij blijkt nu dat van uit een mannelijk standpunt de grootste aanvulling steeds
wordt verkregen door de vrouwelijke invloed; terwijl de meest juiste aanvulling en harmonie
van het eigen wezen voor de vrouw in de mannelijke invloed is vastgelegd. Vervanging,
sublimatie e. d. zijn hierbij hanteerbaar, maar in de meeste gevallen gevaarlijk.
Een tweede wet:
De Kracht, waaruit de Logoï hebben geschapen is een. Er is een ondeelbare kracht, waaruit het
Al bestaat. Deze kracht leeft in ons en in het levende. Ik kan die kracht niet uit en, ik kan die
kracht niet beseffen. Zij onttrekt zich aan mijn weten, aan mijn kennen, zodra ik mij daarin
verdiep; ik zal mijn persoonlijkheid verliezen. Eerst wanneer ik mijzelf volledig heb erkend en
volledig beheers, zal ik binnen deze grote kracht mijzelf toch kunnen blijven erkennen, zoals
de Logoï dat doen.
Elke mens is geschapen om geestelijk en op den duur ook met het stoffelijk voertuig het punt
van volmaaktheid te bereiken, waarin hij in de Logos opgaat. En nu spreek ik niet meer over
de Logoï (de scheppende goden) maar over de cosmische Eenheid Zelve. Alle contact tussen
het hogere en het lagere speelt zich;af via de geest en via de gedachte.
Zo zal de gedachte en de geest elk gebied, dat tussen het hoogste en het laagste is gelegen,
volledig beheersen. Daaruit volgt dat het evenwicht tussen boven en beneden eveneens in de
cosmos bestaat en dat zij ook in ons eigen wezen en leven voortdurend tot uitdrukking moet
komen. Onevenwichtigheden, waarbij een splijting tussen denken en doen ontstaat, betekenen
een verwerpen van de harmonische verhouding. Een splijting van eigen wezen, waarbij men
idealen of dromen stelt in de plaats van een gerealiseerde werkelijkheid en waarbij men zijn
eigen gedachten tracht te vormen naar zijn stoffelijke belevingen en niet omgekeerd, is
eveneens het “IK” in strijd met de werkelijkheid brengen en daardoor het scheppen van
disharmonie in het vertikaal vlak.
In de cosmos bestaat verder nog deze wet; Elke kracht, die is gevormd en wordt uitgezonden,
zal versterkt worden door al datgene wat daarmede gevormd of niet gevormd zijnde een
voldoende mate van eenheid bezit. Deze voldoende mate van eenheid kan worden uitgedrukt
als een benadering van b.v. hetzelfde vlak of de lijnverhouding, dezelfde trilling, dezelfde
instelling.
Wanneer u denkt, wordt uw gedachte dus weerkaatst door een groot gedeelte van het Al.
Omgekeerd; wanneer het Al denkt, zult u die gedachte mede ondergaan. Hier speelt wat ik zo
even heb uitgelegd een zeer grote rol. U bent ontvankelijk voor bepaalde scheppende Goden.
Dan zullen de gedachten van die scheppende goden en hun visie op het totaal der ontwikkeling
in u wel een zeer belangrijke rol spelen. Wij moeten dit aanvaarden. Het is niet mogelijk ons
aan de grote leiding van de lichtende en scheppende Krachten te onttrekken, zonder
gelijktijdig daarmede een volledige chaos voor onszelf te creëren. Alle streven dient te gaan
van uit het “ik” naar de Kracht, die ons wezen het meest regeert of die Logoi, die aan onze
geestelijke vorming en ons lichamelijk bestaan het grootste gedeelte hebben bijgedragen.
De magie nu gebruikt dit principe als volgt:
Op het ogenblik dat ik een gedachte van harmonie of eenheid schep en deze zo juist en
duidelijk mogelijk tot uitdrukking weet te brengen, zal deze gedachte door het gehele Al
weerkaatst worden. Uit het gehele Al keert deze kracht, deze gedachte tot mij terug. Er is
niets, dat ik kan uitzenden, zónder dat het tot mij terugkeert. Schep ik dus harmonie, een
contact hetzij op lager of hoger vlak dat intens en volledig is, dan zal die intensiteit op elk vlak
en elk niveau naar mij worden teruggekaatst. Elk ogenblik in het leven dat ik mijzelf
wantrouw, een gevoel heb van niet weten waarheen, zal ik een zekere disharmonie ondergaan.
Elk mens weet door de verbinding met de hogere krachten precies wat hij of zij wil, wat hij of
zij eigenlijk verlangt. Het feit dat deze verlangens, deze wil terzijde worden gezet, zonder dat
zij eerst zijn erkend, is aansprakelijk voor de gebrekkige uitingen van menselijke kracht en
gedachtenkracht in de materie, voor de grote wanorde die wij vaak vinden stoffelijk en
geestelijk in de persoonlijke ontwikkeling van de mens.
Alle kracht, die voor u beschikbaar is, is de kracht van het Goddelijke. Er is geen andere. Op
het ogenblik dat u een persoonlijke harmonie schept waar dan ook en hoe dan ook is deze
harmonie alleen werkelijk zinvol, wanneer ze gelijktijdig een doel heeft. Het doel van elke
EK 62 - 63 17
Orde der Verdraagzamen

persoonlijk geschapen harmonie dient te zijn; het tot uiting brengen van datgene, waarin men
a. h. w. instinctief, met het gevoel zowel als met de rede, volledig gelooft, datgene wat men
als het hoogste en beste doel ziet.
Ik hoop, dat deze punten tot zover duidelijk zijn. Ze zijn misschien wat abstracter dan in de
bedoeling lag, maar ze zijn noodzakelijk.
Nu beginnen wij aan een poging om in eenvoudige termen en zo volledig mogelijk uit te
leggen, wat deze krachten van harmonie betekenen, wat deze invloed van de Logoï betekent
en op welke wijze die in het menselijk lichaam en het menselijk denken kunnen worden
gebruikt, zowel voor het volgen van de innerlijke weg als voor het bereiken van resultaten
buiten het “IK”. En dan zeg ik allereerst;
Alles wat ik omtrent mijzelf niet wil of kan erkennen, is een verstoring van mijn evenwicht en
een beperking van mijn vermogen tot harmonie. Hoe meer ik mijzelf begrens, hoe zwakker ik
word. Mijn grote kracht en sterkte moet als mens en als geest steeds zijn gelegen in het niet-
aanvaarden van beperkingen en gelijktijdig in het beheersen van mijzelf in de vrijheid, die zo
voor mij ontstaat.
Beheersing betekent matiging in alle dingen. Een mens, die met voortdurende kracht streeft
naar het erkennen van het innerlijk wezen (het ware “IK”), zal daardoor zijn stoffelijke
mogelijkheden, zijn stoffelijke ontwikkeling verwaarlozen. Het resultaat is verwarring van
denken, een aantal situaties, die de mens zelf minder harmonisch maken en hem soms
opstandig kunnen maken; een gevoel van niet bereiken. Al deze gevoelens tezamen kunnen
dan weer voeren tot een z.g. meerwaardigheidscomplex, dat op een innerlijk besef van niet
volwaardig zijn is gebaseerd, waardoor men eigen onvolledige stellingen en onjuiste harmonie
aan anderen oplegt.
U zult begrijpen, dat op deze wijze een erkenning van innerlijke waarheid onmogelijk wordt.
De matigheid vergt verder, dat wij alle dingen aanvaarden en in alle dingen de matigheid, de
beperking aanvaarden, niet omdat dit noodzakelijk is, maar omdat ons eigen wezen bepaalt
wat voor ons noodzakelijk en voldoende is. Ik zal trachten het u duidelijk te maken.
Een dier, dat in de natuur leeft, zal zich over het algemeen niet meer inspannen dan
noodzakelijk is voor zijn levensonderhoud. Het zal voorkomen zich teveel te voeden, zodat
daaruit ziekte, overvoeding en onbekwaamheid zou ontstaan. Het doet dit, zoals u zegt
instinctief. Op dezelfde instinctieve wijze voegt het ongewone bestanddelen aan zijn voeding
toe, trekt soms op ongeregelde tijden naar andere gebieden, omdat dit voor zijn voortbestaan
het meest belangrijk is.
Op dezelfde wijze heeft de mens een zeker aantal instinctieve monitoren ingebouwd. U draagt
in u een groot aantal prikkels en reacties, die als u ze wilt erkennen u duidelijk maken wat uw
werkelijke behoefte en uw werkelijke noodzaak op het ogenblik zijn. Wanneer men steeds aan
deze noodzaak en behoefte voldoet, zonder daarbij ooit te overdrijven, zonder ooit meer te
vergen of te nemen dan werkelijk noodzakelijk is, zal de innerlijke evenwichtigheid daardoor
stijgen. Men zal zichzelf in de juiste verhouding zien te midden van de mensen. Men zal in zijn
geestelijk leven, gebaseerd op het reële en zelfs menselijk redelijke bestaan, ook een zeker
beeld zien rijzen van eigen mogelijkheden in andere werelden. Alle capaciteiten en kwaliteiten,
die de mens normalerwijze heeft en niet gebruikt, kunnen op deze manier eveneens worden
geactiveerd.
Ik wil hierbij nog een paar opmerkingen maken.
Onder de drangverschijnselen, die de mens beheersen, vinden wij allereerst voeding ofwel
zelfbehoud. Daarnaast vinden wij bezit, verwervingsdrang. Dit bezit wordt grotendeels
gebruikt voor de laatste factor; het zoeken naar een bevrediging. De bevrediging kunnen wij in
haar geheel sexueel noemen, ook wanneer zij niet onmiddellijk het sexueel contact alleen
inhoudt. De sexualiteit omvat ongeveer 2/3 van het denkvermogen en drukt daarop haar
stempel. Op het ogenblik dat de mens onevenwichtig is, zal hij door deze impulsen beheerst
worden. Op het ogenblik echter, dat de mensen met zelfbeheersing voor zich het juiste
evenwicht vindt, zal de dwang wegvallen van alle drie de factoren. Zij blijft weliswaar
potentieel aanwezig, maar valt tijdelijk weg. Dit betekent, dat alleen al de hersenmassa en het
zenuwstelsel de beschikking krijgen over een ongeveer twee tot driemaal grotere energie. Het
betekent, dat de mens helderder en scherper kan denken. Het betekent daarnaast echter ook,

18 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

dat al deze impulsen en inwerkingen, die wij normalerwijze paranormaal noemen, in de mens
sterker tot uiting komen en wel op volledig redelijke wijze. Dit laatste moet u vooral goed
beseffen. Op redelijke wijze.
Helderziendheid als zij op deze wijze ontstaat is niet slechts een beheerste gave, maar zij is
dan tevens deel van eigen normaal leven geworden. Telepathie, zien in de toekomst en
waarneming op afstand worden in het normale denkpatroon en het normale levenspatroon
ingevoegd.
Heeft men op deze wijze een voldoende beheersing verkregen, dan is het mogelijk de onder
bepaalde condities door het lichaam nu eenmaal opgeroepen dwangverschijnselen te
onderdrukken. Men kan omdat de mate van zekerheid, bevrediging en van verwerving, die
men eenmaal geschapen heeft en die gelijktijdig een zekerheid schept voor toekomstige
verwarringen zich bij het ontstaan van een lichamelijke noodtoestand zodanig aanpassen dat
deze beginselen niet wederom de overhand krijgen.
Het is zeer belangrijk hierop de nadruk te leggen. Want op het ogenblik, dat u op deze wijze
harmonisch bent, gebruikt u de volle intensiteit van uw denken. U hebt een zo volledig
mogelijk contact met eigen geest, een zo juist mogelijk inzicht in eigen wezen en eigen banden
met hogere Kracht. Dan eerst beseft de mens op welke wijze hij met bepaalde delen van de
scheppende Kracht in het bijzonder is verbonden. Dit beseffende, kan hij van uit die Kracht
wonderen verrichten; d. w. z. met gebruik van de normale wetten en de normale normen van
het geestelijk bestaan kan hij komen tot;
a. Het terugvinden van zijn verleden. De kennis, die eens door de geest werd opgedaan, kan
nu waar een groot gedeelte van het denken is vrijgekomen van dwang in de hersenen worden
opgenomen. Het ontstaat daarin niet als een herinneringsbeeld van het verleden, maar als een
zeer snel weer opvatten van oude bekwaamheden en kundigheden, waartoe het lichaam een
verbluffend grote aanpassingsmogelijkheid schept.
b. Hij kan op deze wijze het totaal van zijn energie - die reeds groter is - richten, zonder
daarbij persoonlijk te sterk betrokken te zijn. Het resultaat is dus dat de kracht werkelijk in
focus wordt gebracht daar, waar zij noodzakelijk is en dat het doel gezien alweer de grotere
kracht die aanwezig is, het grotere en scherpere denkvermogen dat is ontstaan zich
onmiddellijk kan concretiseren, dus wat er dient te geschieden. De voorstelling, die bij de
onbewuste soms een vage wens en dan ook b. v. een telekinetisch resultaat voortbrengt,
wordt nu een bewust scheppen, herscheppen, verplaatsen etc. van de materie, een bewust
aantrekken van geestelijke krachten en zelfs een bewust tot brandpunt worden voor vormen
van geestelijke kracht of licht, waarmee men zelf noodzakelijkerwijze niet verwant behoeft te
zijn. Ik hoop, dat ik dit punt nu zo heb verklaard, dat u met enige studie kunt begrijpen wat er
wordt bedoeld,
Het is u duidelijk dat wanneer wij spreken van goddelijke en cosmische wetten, wij nimmer
daarmee wetten kunnen bedoelen, die ergens in stenen tafelen zijn gegrift, in de rotsen zijn
uitgehouwen of desnoods ergens wonderbaarlijk op een blad van een plant zijn verschenen. De
werkelijke wetten van het leven zijn de wetten, die de mens zijn ingeschapen. Ze zijn de
grondeigenschappen van het leven zelf. Alle andere wetten zijn hetzij een nabootsing, hetzij
een vervreemding daarvan. De mens die onevenwichtig is, heeft behoefte aan een wet buiten
zich om daardoor althans enigszins zijn evenwicht te behouden. De mens, die innerlijk rijp
wordt echter, erkent dat slechts de innerlijke wet geldt en kracht heeft.
Deze innerlijke wetten zijn in feite terug te brengen tot de eenvoudige termen: Harmonie,
evenwicht en bewust beheerste uiting. Deze drie vormen samen het ideaal, de hemel, het
duizendjarig rijk, zij vormen de bewuste mens. Wanneer ik om vooruit te komen probeer te
putten uit alle boeken en geschriften, dan blijkt mij dat zij tot mij spreken, maar dat ik ze op
mijn eigen wijze interpreteer. Deze interpretatie is vaak onjuist. Toch zal ik er iets uit leren. Ik
kan mijzelf uit het boek leren kennen. Wanneer ik in de eerste plaats afga op datgene, wat ik
eruit begrijp en verwerf en niet wat een ander daarmee bedoeld heeft, benader ik op deze
manier wederom mijn eigen persoonlijkheid. Ik leer juist door de afwijkende interpretatie
erkennen wat ik ben. Ik leer juist door de afwijkende opvattingen in te zien, waar ik eventueel
tekort schiet, maar ook waar ik eventueel iets bereik.

EK 62 - 63 19
Orde der Verdraagzamen

Nu moet u goed beseffen dat het uitermate belangrijk is, dat men zich niet bindt aan een vaste
wetenschap, een vaste scholing, een vaste leer. Elke mens onverschillig hoe hij studeert en
werkt zal daaruit op zijn eigen wijze moeten putten en zal bovenal daaruit eerst zichzelf
moeten erkennen. In elke mens is het totaal der kennis, dat op het ogenblik in de mensheid
aanwezig is, potentieel ook reeds aanwezig. Niets wat er op aarde kan gebeuren en geen
enkele geestelijke kracht kan u ontwikkelen tot meer dan u bent. Men kan u slechts zover
brengen dat ge uzelf bent. Wie zichzelf is, is deel van zeer vele werelden. Als zodanig beheerst
hij alle beneden hem liggende en door zijn gedachtenwereld te bevatten vormen,
verhoudingen en spanningen. Hij kan daarmede in feite dus een groot gedeelte van de
cosmische structuur in overeenstemming brengen met zijn behoeften en noodzaken, mits hij
daarbij uitgaat van de innerlijke wetten.
Alle krachten en wetten, waarvan wij uitgaan, zijn zodra zij in woorden worden omgezet een
beginpunt. Het is nimmer volledig mogelijk de werkelijkheid van eigen wezen in woorden en
beelden zó uit te drukken, dat geen enkele vergissing, geen enkel hiaat, geen enkele
nalatigheid ontstaat. Ook dit dienen wij te beseffen, Al hetgeen in deze cursus te berde wordt
gebracht omtrent zelferkenning en magie is dan ook een begin en niet een einde.

Enkele korte aanwijzingen op magisch terrein; Eerste proef.
Realiseer u wat u wilt. Tracht datgene, wat u werkelijk, volledig en zonder voorbehoud wilt, te
toetsen aan uw begrippen van goed en kwaad. Na deze toetsing blijft een bepaalde
mogelijkheid over. Zet deze om in de praktijk. Verbind daaraan een intentie, die buiten uw
directe mogelijkheden van beheersing ligt. Kies daarvoor bij voorkeur werkingen en
verschijnselen in verband staande met levende wezens. U zult ontdekken dat u op deze wijze
niet alleen paranormale genezing of het revitaliseren van bijna dode planten e. d. kunt
bereiken, maar dat het zelfs mogelijk blijkt om aan dieren en planten impulsen te geven, die
hun gedrag voor langere tijd soms wijzigen. Het feit, dat ge voor een ogenblik volledig uzelf
waart en daarbij een juiste intentie had, heeft u ertoe gebracht die kracht uit te stralen.

Tweede mogelijkheid en een tweede proef,
Wanneer u uitgaande van een volledig vertrouwen in hogere Krachten en een redelijk groot
zelfvertrouwen voor uzelf stelt dat iets moet gebeuren, dan is daarmede in uzelf maar door uw
gedachten ook voor de wereld en uw omgeving een suggestieve factor geschapen. Herhaal dit
gedurende ongeveer 20 dagen intens, volledig, met vertrouwen en geloof. U zult ontdekken,
dat deze vorm van suggestie rond u alles heeft gepreconditioneerd in de richting van het
begeerde. Bedenk echter wel, dat zelfs als wij alles hebben voorbereid het onze eigen impuls
is, ons eigen denken en willen en in feite ook vaak de eigen daad, die het beslissend element,
de eigenlijke werking doet ontstaan. Besef wel, dat wat men magie noemt en zo sterk is
verweven met de wereld van het onderbewuste en de niet besefte werelden van de geest,
nimmer berust op een actie buiten u, Gij zijt het steeds, die de wil, de bezieling zult zijn van al
wat geschiedt. Gij zelve zijt het steeds, die zover het in uw macht en vermogen ligt ook op
redelijke en stoffelijke wijze tot de verwerkelijking moet bijdragen. Symbolische handelingen,
het gebruik van rituelen, kunnen hierbij bevorderlijk zijn, maar zijn niet noodzakelijk,
Na deze kleine omschrijving van mogelijkheden, wil ik u enkele kleine details geven over een
ander aspect van de magie, dat direct met harmonie enz. in verband staat.

Sympathische magie,
Wanneer twee voorwerpen aan elkaar gelijk zijn, kunnen ze elkander volledig vervangen. Maar
wanneer ik aan het ene voorwerp een verandering aanbreng, terwijl ze volledig gelijk zijn, dan
zal het mogelijk zijn - mits mijn gedachtenkracht dit erkent - ook het andere voorwerp op
gelijke wijze te vervormen.
Theoretisch is dit heel gemakkelijk, in de praktijk is dit moeilijk. Wanneer ik mij iets voorstel
als gelijkzijnde (dus in de gedachtenwereld aanvaard als gelijkzijnde), dan is dit voor mij
tijdelijk een volledige vervanging van een werkelijkheid. Alle krachten, die ik gedurende dit
ogenblik gebruik met volledig vertrouwen en volledig gericht op de werkelijkheid, zullen in die
werkelijkheid kenbaar worden. De speld in het poppetje en de ziekte zijn hiervan in feite een
zwartmagische vorm. Maar de andere vorm is; De zegen, het gelijk gegeven aan een
afbeelding. Een offer, een votief zelfs, gebruikt om een bepaald iets voor te stellen, doordat de

20 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

zaak feitelijk is en het gestelde vervuld. Dit laatste is ook belangrijk, wanneer u ooit hoort over
mirakelen.
Onthoud u wel dat het besef, dat iets in feite reeds bestaat, het mogelijk maakt om dit ook
stoffelijk en in elke sfeer, waarin vorm bestaat, te realiseren. Alles hangt af van eigen denken.
Sympathische magie houdt verder in dat elke harmonie, die ik op welk vlak dan ook in
mijzelve schep, alle gelijksoortige wezens en krachten zal aanspreken. Indien ik mij hiervan
bewust ben, kan ik vanuit mijn eigen wezen in een geschapen harmonie een intentie leggen in
zeer vele krachten en soms zelfs in zeer vele mensen. Het resultaat zal zijn, dat ik - zij het niet
zo onmiddellijk als deze kracht in mijzelve bestaat - buiten mij een weerkaatsing daarvan
krijg. Men zegt hierbij, dat de grootte van de kracht, waarin ik mijn eigen beeld en voornemen
projecteer, bepalend is voor de diffusering ervan, dus het minder gevormd zijn, het vager
worden. Laat ons daarom niet stellen, dat sympathische magie geen kracht heeft.
Ik wil u een ander voorbeeld geven, dat voor u practisch bruikbaar is.
Wanneer u te maken hebt met een probleem, een mens, een dier, desnoods een probleem dat
kan worden uitgedrukt in mathematische formules ofwel in nauwkeurig in betekenis
vaststaande woorden, dan kan het worden opgelost alleen reeds door ons dit probleem voor te
stellen en in onszelf te stellen dat de oplossing is gevonden. Het blijkt dan dat het
onderbewustzijn van de mens zelf maar ook het onderbewustzijn van anderen, die met het
probleem verbonden zijn, hierop reageert door de aanwezig zijnde oplossing inderdaad te
fourneren. Dit kan in vele gevallen een vereenvoudiging van uw taak, van eigen leven
betekenen.
Na alles wat ik heb gezegd omtrent de magie, wil ik nog even terugkeren naar de meer
esoterische waarde en betekenis van mijn inleiding.
Wanneer gij in uzelf een bepaalde verhouding van Logoï uitdrukt, betekent dit dat uw eigen
wezen dus niet het geheel van de cosmos of van de schepping doch slechts een deel daarvan
perfect kan weergeven. Het perfect weergeven van dit deel betekent via de Logoï verdergaan
Het is voor de mens onmogelijk een volledig begrip van de wereld te krijgen en zelfs moeilijk
om een volledig begrip omtrent zichzelf te verwerven. Maar wel kan hij de krachten beseffen,
die op dit ogenblik in hem werkzaam zijn. Het beseffen van de krachten, die nu in hem
werken, houdt in dat ge uw eigen motieven, uw beweegredenen beseft. Dat u eveneens
begrijpt welke elementen in u van geestelijke geaardheid zijn en daarnaast naar gelang van de
Logoï in u werkzaam in hoeverre deze voor u licht of duister zijn. Het wordt dan mogelijk in
uzelf bepaalde geestelijke elementen te volgen. Daardoor bouwt zich een beeld van het “IK”
op, dat nog immer niet aan het cosmische beantwoordt, maar dat toch reeds een benadering
van een groter ego betekent.
Een groter ego, dat in u beseft wordt, betekent echter dat zowel op horizontaal vlak (direct
bewustzijn en daden) als op het vertikaal vlak (beïnvloedingen en beïnvloed worden) dus een
juister omschrijvin in groter omvang kan plaatsvinden. Naarmate de mens uitgaat van de nu in
hem levende invloeden en vandaar uit een verder beeld opbouwt, zal het hem gemakkelijker
vallen door te dringen tot die Godenwereld, waarin de grote Lichtkrachten zelf onmiddellijk
onderrichtend gevend optreden.
Elk onderricht, dat terwijl men in de stof leeft wordt ontvangen uit deze hoge lichtende
Krachten, wordt vertaald in eigen normen en eigen termen. Het is niet mogelijk de hoogste
geestelijke waarheid in woorden onder te brengen. Evenmin is het mogelijk deze geestelijte
krachten en waarheden uit te drukken op een wijze, waarop zij voor een ander volledig
begrijpelijk is. Besef dit wel. Maar wat ge in uzelf hebt ervaren en beseft is voor u een vaste
maatstaf. Het betekent dat u de leringen, die u ontvangt, slechts ten dele kunt terugbrengen
en dat u in vele gevallen o.m. door uw milieu, uw opvoeding, door uw vorm van geloof en
denkgewoonten zult worden belemmerd in het juist weergeven of uitdrukken ervan. Het
betekent echter nog niet, dat zij daardoor minder nuttig zijn. Men moet slechts beseffen, dat
elke hogere lering, die in het “IK” werd bereikt en zoals voor elke esoterische bewustwording
ongetwijfeld noodzakelijk is materieel wordt gerealiseerd, steeds weer wijzigingen behoeft, tot
zij zover mogelijk aan het perfecte beeld beantwoordt. Dat daarbij een schijnbare tegenspraak
in het “IK” of een tegenspraak in de leringen kan voorkomen, is duidelijk. Want het onvolledig
inzicht maakt het niet mogelijk de geheel juiste band weer te geven, die men in feite zou

EK 62 - 63 21
Orde der Verdraagzamen

moeten scheppen. Ga daarom bij elke esoterische bestreving uit van de gedachte dat slechts
de mens, die zichzelf prijsgeeft aan het Oneindige en gelijktijdig de krachten van het
Oneindige, die hij in zichzelf erkent, durft analiseren en erkennen, in het Oneindige de vorm,
de gestalte en de taak van eigen wezen zal kunnen beseffen.
De esoterie is een geheimleer, die oorspronkelijk is voortgekomen uit de oude
mysteriescholen. In deze mysteriescholen vinden wij o.m. de gewoonte van leren door
luisteren. Ook de Pythagoreeen kenden twee jaren luisterplicht woordat men tot een meer
practische werkzaamheid kon overgaan.
Een ieder, die slechts luistert, vormt in zichzelf een beeld. En dit is noodzakelijk. Een inwijding,
een geestelijke bewustwording kan zich slechts baseren op datgene, wat in jezelf leeft. Pas
Wanneer in dat “IK” een beeld is gevormd, kan dat beeld worden ontleed en worden gebruikt
om eigen wezen vollediger te beseffen. Wij komen dan aan de vlakstructuren toe van de
mathematici, de rekenaars, die in zich komen tot een recapitulatie van eigen wezen en vaak
ook van eigen verleden aan de hand van de structurele berekening van hun eigen “IK”. Men
vergeet wel eens, dat men een zekere mate van voorstellingsvermogen en een bepaalde
mogelijkheid tot vergelijken moet bezitten. Vergelijken ook met niet geheel bekende waarden,
woordat men zichzelf volledig erkent. Het is niet noodzakelijk dat u daarvoor wiskundige bent,
het is wel nuttig. In deze periode zal de mens zich dus eerst zelf moeten ontleden en de
onbekende factoren in het “IK” zo nauwkeurig mogelijk omschrijven. Pas wanneer men in de
inwijding ook dit had geleerd, kwam het tot het laatste gedeelte;
De beheersing van de trilling. Stoffelijk uitgedrukt; de beheersing van kleur en licht in
geestelijk opzicht, waardoor men in staat was de juiste sfeer te treffen, de juiste verbindingen
met goddelijke Krachten tot stand te brengen en zichzelf te onttrekken aan de stoffelijke
werkelijkheid, zonder deze werkelijkheid daarvoor feitelijk prijs te geven of te vervalsen.
Ik geloof dat u hierin een aanwijzing kunt vinden voor de weg, die men esoterisch dient te
gaan.
Esoterie en magie vergen beide - ik herhaal het nogmaals - het zo juist mogelijk erkennen van
de krachten, die in je werkzaam zijn, het zo eerlijk en volledig mogelijk uiten van de krachten,
die in je werkzaam zijn; het erkennen van vrees en daardoor het erkennen van het gevreesde;
het erkennen van begeren en het erkennen van de begeerte en haar feitelijke betekenis. Eerst
op deze wijze kan men verdergaan en voor zich de volledige bewustwording en het juiste
inzicht bereiken.
Ik meen, dat wij met deze les kunnen volstaan. Evenals de vorige maal zal u blijken dat deze
les niet zwaar is; zij lijkt slechts zwaar. U zult daarnaast moeten constateren dat zij evenals de
vorige les in de eerste plaats teruggrijpt naar uw eigen wezen, naar uw persoonlijkheid. Mag ik
u daarom volgende zeggen?
Een daad, zonder bewustzijn omtrent de redenen van de daad, is gevaarlijk en nutteloos. Het
niet stellen van een daad, wanneer wij daarvoor de redenen kennen en de noodzaken daarvan
in onszelf hebben vastgesteld, eveneens. Slechts de juiste samenvloeing van bewustzijn, daad
en streven kan de mens de beheersing van het eigen ik, de erkenning van het eigen wezen
zowel als de beheersing van de materie rond zich schenken.
Wie zich daarbij mede op anderen baseert, zal ontdekken dat hij werkt met onbekende en
onbetrouwbare waarden en daardoor aan deze onbetrouwbare waarden, te gronde gaat; dit
zelfs wanneer anderen het tegendeel trachten te bewerkstelligen.
Mag ik aannemen, dat dit voor u voldoende is? In het tweede gedeelte zal wederom worden
getracht, mede door middel van sfeer, u het een en ander te brengen uit de Witte
Broederschap, onder wier suspiciën ik ook hedenavond tot u gesproken heb.
o-o-o-o-o-o-o
In dit tweede gedeelte wil ik graag proberen u iets duidelijk te maken van de priesters van
Sais of ook wel van Isis, dus een speciale groepering.
De mysteriën van het verleden zijn een lange tijd teruggedrongen geworden door de macht
van een tijd, die in het materialisme verzonk. Toch hebben de priesters der oudheid hun
geheimen vaak medegedeeld aan degenen, die tot de ingewijden konden behoren. Zo heeft
b.v. Plato en ook Pythagoras een dergelijke inwijding ontvangen, terwijl er ook anderen zijn

22 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

geweest, zoals Philippi, Astogni in een latere periode; die deze geheimen hebben
teruggevonden. Want een waarheid, die leeft, kan niet teloor gaan. En de Waarheid
van dit alles is wel allereerst; de waarheid van datgene, wat met het woord slechts gebrekkig
wordt uitgedrukt; de kracht van het leven zelf, de Kracht der natuur.
Wanneer je staat voor de vijver en het altaar, dan vraag je je vaak af; Wat spreekt eigenlijk?
Wat is de stem, die ik hoor? Wat is de kracht, die mij beroert?
En sommigen roepen uiti
Dit is Isis, de grote Gehorende, Zij, die de aarde treedt, huwend met DE ZON, Haar hoofd
verheffend inde hemel.
En anderen zeggen;
Het is de stem van je eigen “IK”, die je hoort.
Maar niemand weet het. En om te weten moet je doordringen achter het geheim en dan vind
je de grote cosmische Eenheid van Kracht.
Let wel; in uw dagen spreekt men u meermalen over de bezieling van alle dingen. Maar ge
kunt u niet voorstellen, dat een tempel leeft, dat een huis leeft en dat het zijn een eigen ziel
heeft.
Wanneer ik u zeg, dat een bloem verwelkt door haat en opbloeit door liefde, dan zult ge
waarschijnlijk twijfelen; en toch zijn deze dingen waar. Want in alles is kracht, in alles is leven,
in alles spreekt een ziel. En de grote geheimen van de oudheid, het geheim, dat de priesters
van Sais steeds weer in symbolen hebben overgebracht, is het geheim van de mens zelf en
zijn plaats in de natuur.
Wanneer je leeft en je denkt slechts aan mensen en je beseft niet dat Al, wat rond je leeft,
bezield is tot de nuchtere, koude, met mensenhand geschapen machine toe, dan ben je
machteloos. Dan ben je een kind, dat door het noodlot wordt gezonden en niet begrijpt
waarom.
Wanneer je daarom staat; gaande de drie treden, de zes treden en de negen treden voor het
altaar, voor de vijver, dan weet je; De stem, die tot mij spreekt, is het Al dat spreekt in mij.
En in je eigen wezen komen de beelden aanstormen, die verspreid over de tijd en de wereld
bestaan.
In de oudheid zag men reeds de droom; de paddestoelwolk, die deze tijd tot een vloek dreigt
te maken. Men sprak erover als de zuil Gods of de Levensboom, niet beseffend dat deze
dingen leven in zichzelf, maar dat hun leven de mens vaak vijandig is.
Men zag de strijders van de oudheid en het verleden zowel als de toekomst samenstormen, en
de ondergang, die wij aanschouwden, werd de ondergang uit een verleden, van een oud rijk,
vermengd met het weten van een toekomst.
En zo kwam de verwarring. Want wie is krachtig genoeg om de beelden te scheiden en de
stem in waarheid te verstaan?
De Gesluierde legt Haar sluier af voor degeen, die Haar zonder vrees benadert. Inderdaad.
Maar wat is dan de ontsluierde waarheid? Want zij is niet een beeld en zij is niet een God, zij is
niet jezelf, je eigen wezen. Neen, zij is het complex van alle dingen.
Krachten leven overal. Wanneer ik spreek en ik spreek tot een tafel en zeg; Gij tafel, luister en
hoor mij wel, dan verstaat zij. Wanneer ik spreek tot een kracht van de geest en ik zeg; Gij,
Jouneh (?), luister naar mijn woorden, dan luistert de geest en erkent mij. Want dit is het
geheim, dat alle dingen leven en alle dingen luisteren.
Wanneer mijn gedachten uitgaan, dan gaan ze uit als een bruidegom, zoekend naar een bruid.
Zij zoeken ergens de kracht, de waarde, dat een voorwerp, dat ene leven, die ene geest, die
één kan worden met die gedachte. Maar wanneer ik niet rijp ben, wanneer ik mijzelf bezoedeld
heb met menselijk bijgeloof en vooroordeel, met besef van schuld, wanneer ik mij bezoedeld
heb met een hebzucht en een begeerte zonder einde, dan vind ik geen waardige bruid.

EK 62 - 63 23
Orde der Verdraagzamen

En dit is het geheim; Wat ik uitzend keert niet slechts tot mij terug. Zoals de bruidegom
uitgaande niet alleen terugkeert tot het huis, vanwaar hij uitging, maar met zich voert zijn
bruid en haar gezellinnen, de rijkdommen die zij bezit, de bruidschat die zij brengen.
Wanneer een gedachte uitgaat, betreedt zij een rijk, dat geen ruimte kent en geen tijd. De
afstand is oneindig, en toch met een schrede overbrugd. De tijd is eeuwigheid, en toch wordt
zij overzien in een breukdeel van een seconde. Het geheim is deze ruimte, dit verblijf van de
gedachte, dat onbegrensd is; want daarin leeft de waarheid. De waarheid van al het levende,
van alle kracht, maar ook van uw eigen wezen.
En zo hebben de priesters gesproken tot hen, die inwijding zochten: Erken, o mens, in uzelf de
verwantschap met alle dingen en ontzeg u die niet.
De mens heeft gezegd; irWat is deze leer, die gij mijbrengt? Kan ik verwant zijn met de vlo die
daar springt, met de aap die dartelt, met de ezel die vermoeid en haast gebroken langs
stenige wegen gaat? En ze hebben zich afgekeerd, omdat ze zeiden; Wij zijn mensen.
Er is gezegd door de Saispriesters: Gij, die wenst en uitgaat, zoek de schat die is gelegen in de
waarheid.
En zij zijn uitgegaan. Uitgegaan, zoals wordt besohreven in het verhaal van Jason en de
Argonauten. Ze hebben misschien iets gevonden, maar ze weten niet hoeveel het waard is.
Want het is niet voldoende om een schat te veroveren, een schat van weten of een schat van
licht. Men moet haar huwen, men moet er één mee worden, want eenheid is de kracht.
Eenheid. De werkelijk besefte eenheid is de bron van alle geheimen. Zij is de band van de
schepping, zij is het weten, het besef en het leven.
De priesters hebben gesproken tot hen, die inwijding zochten;
Indien gij waarheid zoekt, beseft, ge zult gebonden zijn aan al het zijnde. Verbreek daarom de
ketenen, die u binden aan het niet-zijnde. Ze hebben gelachen en gezegd; Er zijn geen dingen,
die niet bestaan, waaraan ik gebonden ben.
En ze hebben niet beseft, hoe ze waren geketend aan hun voorstelling van eigen wezen, eigen
land en geloof, van eigen wet en eigen lust. Ze hebben niet beseft, hoe hun gedachten een
wereld hadden vervalst en zo tot een keten gemaakt.
En tot hen, die kwamen om inwijding te zoeken heeft men gezegd;
Indien gij waarheid zoekt, durft gij ingaan tot Haar, die is het tegendeel van het scheppende
Zelf, die is de uiting van de onbekende levende Kracht?
En allen hebben uitgeroepen: Ja, wij willen gaan. En velen zijn verdoold, zoals in een labyrinth
met duizenden kamers en duizenden gangen, en niet beseffend dat het labyrinth slechts is de
verwarring, die een ieder ondergaat, wanneer hij zichzelf prijs geeft. Want wie wil treden voor
de Kracht, die waarlijk leeft, die waarlijk de uiting is van de Schepper, die de ware bruid is van
de bezielende Kracht, die moet ook aanvaarden de natuur en haar leven. En wie kan de natuur
aanvaarden onder de mensen?
Wanneer ge de Onbekende, de Gesluierde ontmoet en ge ziet het licht van Haar ster, de
scherpe sikkel van de wassende maan, dan spreekt. Zij tot u;
Mens, kent gij de natuur?
Antwoord dan niet; Ik ken de natuur. Hoe kunt ge het leven kennen, die uzelf niet kent?
Antwoord daarom: O Moeder, waarlijk de natuur ken ik niet, maar ik ben deel van haar en wil
haar ervaren.
Maar spreekt gij; Ik ken haar, zo zegt Zij:
Ga en vind uw eigen weg.
En wanneer ge tot de Moeder komt en ge hebt de eerste vraag goed beantwoord, dan stelt Zij
een tweede;
Wilt ge leven?
Antwoord dan niet; Ja. Want de meesten onder ons - wanneer zij mens zijn - willen niet leven
en niet sterven Ze willen star zijn, stijf als de poppen, gesneden in een fries; stijf. Eén

24 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

verstarren één houding, één daad en één gedachte, als de beelden die getekend worden in een
grafkamer.
De mens moet leven. En vraagt ge om het leven, zo stormt het leven op u aan. Maar kunt ge
het leven verdragen? Kunt ge verdragen dat de kracht der natuur in u spreekt, telkenmale
weer? Kunt ge het verdragen dat de regen en de zon, de storm en de stilte, de vernietigende
stormende zee en het rustig water dat vruchtbaarheid geeft, alle deel zijn van u, dat uw stem
hen beroert? Ge zoudt al snel uzelf een wereld willen scheppen, maar ge zoudt ondergaan. Zeg
daarom;
Moeder, weest gij mij het leven,
Want zij is de natuur, zij leeft in u en zij toont u hoe gij leven kunt. En; eerst wanneer ge hebt
geleerd om waarlijk te leven, kunt ge beseffen wat levende kracht is.
En is ook deze vraag begrepen en beantwoord, Zij, die zich verbergt achter Haar sluier, stelt
dan een derde en laatste vraag:
Wilt gij sterven?
En de mensen roepen uit; Neen, ik wil niet sterven.
Toch is het goede antwoord anders. En het wordt geleerd, maar het heeft zijn consequenties
en de mens wil ze niet aanvaarden. Want zo leren de ingewijden van. Sais;
Gij. Moeder, zijt leven. Ik kan niet sterven in de kracht, die mij voortbrengt, Want zonder
deze kracht kan ik niet leven in u. Laat mij sterven in de kracht, die mij voortbrengt en het
leven is onbeperkt.
En dit is het antwoord. Velen hebben de weg gezocht, velen zijn gegaan tot het altaar en
hebben de treden beklommen. Enkelen zijn gegaan tot voor het beeld en de sluier van het
beeld. Velen zijn niet teruggekeerd, omdat zij de waarheid niet konden doorstaan. In uw
dagen keert dit terug.
Waarheid, vrienden, is iets anders dan alleen maar dat, wat je wilt hóren. Waarheid is de
werkelijkheid van je eigen wezen en al het zijnde. Wanneer ge zegt; Een dier is meer waard
dan een mens, dan zegt ge iets dat niet waar is. En zegt ge; Een mens is meer waard dan een
dier, dan zegt ge iets, dat niet waar is. En dat wil men niet beseffen. Maar is dan niet alle
leven uit een bron en gelijk en gelijkwaardig? Zo kan ik slechts kiezen uit de verwantschap;
want dat, wat ik ben, kan ik redden en dat, wat ik niet ben, kan ik niet redden.
Uw wereld zal u zeggen; de waarheid doet u alleen staan. Gij zijt omringd door leugen. En uw
wereld is leugen, waaruit de wereld is opgebouwd, is, de sluier die hangt voor het aangezicht
van de grote Moeder, die is het tegendeel en toch ook het evenbeeld van de Kracht, die
schept.
En zeg nu niet; Er zijn demonen. Demonen schept de mens. Er is waarheid of er is leugen; een
van beide. Maar een waarheid moet je zelf beléven, anders wordt zelfs de gesproken waarheid
tot een leugen. En de waarheid leven betekent; achter je laten alle verschillen, al het
terugtreden, alle beperking. En dat is moeilijk.
Zij, die vanuit de tijden, welke de mens als primitief beschouwt, de waarden heeft geschapen,
die werden de inwijding van de grote Moeder, die soms werd genoemd Ishtar, soms Isis, some
Astarte, die duizend namen heeft, die even goed is de goedertieren Kwan Yin als de godin van
vernietiging Deva Kali, Zij, die is alle dingen, Zij heeft gegeven het begin en de plechtigheid.
Zij heeft geschapen het ritueel, de les en het begrip. Zij bracht het rinkelen van het sistrum en
het rookbekken. Zij bracht de weerkaatsende vijver en zij bracht het altaar, dat in zijn
gebogen vorm het beeld was van haar eigen embleem. Zij bracht voor de mensen vooral de
leer van de kracht van het woord, van de klank, van de geur, de kracht van handelen en
denken. Zij bracht de leer van het schouwspel en het beleven. Van haar en van haar werk, wil
ik trachten u iets te vertellen. Want wat zijn de krachten van het verleden in deze tijd?
Als ik nu zou roepen;
O, Gij Isis, Gij Hemelkoe, Gij Gehorende, Gij Krachtige, Gij die schitterend u verheft tot aan
de hemel, Gij die huwt met de zon, Gij die geeft de vruchtbaarheid en het leven U wil ik mij
wijden, in Uw kracht wil ik zoeken het licht van de Hoogste, van Dat wat niet gekend wordt.
EK 62 - 63 25
Orde der Verdraagzamen

Dan roept uw wereld uit; Heilgschennis! En wanneer ik spreek en zeg:
Laat de muziek klinken, laat de sistrum weerklinken, laat met statig gebaar de rij der
priesteressen voorwaarts schrijden, laat het grootsymbool volbracht zijn.
Dan zegt mens Ach, foei, heidendom.
Als ik onder u zou zitten als een mens onder mensen en ik zou spreken als vanouds;
Ziet, gij mensen, gij zijt deel van alle levende kracht en weerkaatst alle levende kracht.
Maar gij, gij hebt een kracht in u van denken en van herinneren en van beleven, die veel
van het andere leven niet kent. Gij zijt daarom de brengers van verdeeldheid zowel als van
eenheid.
En zou men zich afvragen of ik een filosoof was, dan zou ik verdergaan en zeggen;
Het ware geheim van de mensheid is, dat waar zij eenheid schept, alle leven haar betaamt,
vanaf de hoge bergen, waarvan de mens droomt dat de goden wonen, tot de diepste bodem
van de oceaan, waar nooit geziene gedrochten hun spel spelen.
Dan zouden zij zeggen; Mens, ge droomt. En zou ik zeggen;
Alle kracht en alle leven antwoorden u, omdat in alles God is en goddelijke Kracht en
goddelijk Leven.
Dan zouden ze tot mij zeggen; De theorie is goed, vriend, maar zij past niet voor onze
praktijk. En dat is de Werkelijkheid.
En toch, hebben de priesters van Saïs niet altijd gestaan voor het ongeloof. Zijn zij niet als een
vreemde kleurige lijn, getrokken door de tapisserie der eeuwen, die ergens gaat van het aards
ontstaan tot aan de lichte bol van het volmaakte opgaan in de Alkracht?
Laat mij daarom voor een enkele maal stem geven aan de priesters van de goden De priesters,
die vele goden dienen. Die soms waren de hoeders van Serapis, soms de gezalfden van Re, de
dienaren van Osiris. Zij, die waren de broeders van Brahmas tempel en de wachters voor de
poorten, waarachter Shiwa rust. Want de Orde is met vele namen genoemd en in vele tijden
gekend geweest. Laat mij haar voor een korte wijle doen herleven in deze dagen.
Al leeft. In al is leven en al is kracht.
Eén is de bron van alle dingen en één is de bron, waaruit alle kracht leeft. Maar in alle
dingen leeft de kracht. Eén is de band van al wat in materie leeft en één is de band van al
wat geest is. En ene kracht, een en zonder scheiding is het leven; en het bewustzijn bloeit
op uit het leven, omdat het eenheid erkent.
Wie verdeeldheid zoekt, wie verdeeldheid brengt, is als het zwaard, dat uit zichzelve het
leven snijdt. Want waarlijk, levend zijn de goden; en sterk zijn de krachten uit de
onbekende kracht in hen gelegd. Ademen doet het Onbekende, maar spreken doen de
Goden. Erken, gij mensheid. Een is de werkelijkheid, waaruit gij leeft. Gij zijt sterk in de
kracht, die in u leeft. Gij zijt waar in de kracht, die in u leeft. Gij zijt eeuwig in de kracht,
die in u leeft. En al wat verdeeld en zwak is, is slechts uw eigen denken. Mensheid hoort;
Achttien zijn de treden tot voor het altaar en daar eerst ligt het begin. De treden, die voeren
tot de ware Kracht en bron gods tot de Alziel, waartoe wij behoren, ons daarin doen opgaan
en ademen met de Eeuwige.
Zij wordt slechts bereikt door de eenheid van streven, de eenheid van stof, de eenheid van
denken, de eenheid van spreken. Zij wordt slechts bereikt door de eenheid van
goedetierenheid, de eenheid van liefde, de eenheid van schoonheid en de eenheid van
recht.
En zo gij leeft, leef in alle dingen en besef dat al leeft in u. Doe uwe kracht gaan tot alle
dingen, opdat zij in u moge spreken. En laat de kracht komen tot u uit alle dingen, opdat zij
u moge genezen, zoals uw kracht de anderen geneest.
Besef, één zijn alle dingen; en de gestalte van alle dingen is de Almoeder, het beeld van uw
schepping.
Gij, die nu leeft in de materie en dit beseft, gij zult ook ondergaan de eenheid van alle
dingen in uzelf en weten, hoe uw weg is gelegen.

26 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Soms zegent men in de naam van God, soms in de naam van vele goden, maar er is slechts
één zegenende werkelijkheid voor hen, die zagen achter de sluier.
Gij, die leeft in mij, ik leef in u.
De kracht, die in mij is, is in u.
En de adem, die in mij is en leeft, leeft in u.
Gebonden zijn wij tot het eind der tijden door Hem, Die heeft voortgebracht.
is de Ring tot alle tijd versmelt en er slechts eenheid blijft.
Dit is nu de zegen van de pri esters van Sais, vertaald in uw taal:
Dat uit de Moeder de eenheid u worde gegeven, Dat uit de Moeder de Kracht der eenheid u
worde gegeven, u sterkend in denken en beleven, zodat uw geest zich aangordt om verder
te gaan, sterkend uwe leden, wanneer gij gaat op aarde. Dat de eenheid rond u zij als de
zekerheid, waaruit gij waarlijk uzelve zijt, waarlijk erkent de band van het Grote.
Dit zij gesproken in de naam van Haar, van wien Wij allen deel zijn;
Grote Moeder, de sterke kracht, de gesluierde Vrouw, de wassende Maan, Isis, Zij die troont
tussen hemel en aarde en verbindt mensheid en oneindigheid.
Wat meer moet ik u zeggen? Misschien vindt ge dit esoterie? Misschien noemt ge het magie of
filosofie. Maar dit is wat leeft en wat leven zal.
De zegen die ik u gaf, is een zegen die geldt in deze dagen zoals weleer. Wees niet verward,
maar aanvaard allereerst dit begrip; Alles leeft. En ik leef in alle dirigen. Dan zult ge weten,
zoals de priesterschap van Sals, zelfs nog leeft in de stof op uw aarde, zo leeft de Almoeder,
Die slechts is het lichaam en de belichaming van de Vaderkracht. Die verborgen is achter alle
dingen.
Eenheid wens ik u, harmonie wens ik u. Ik wens u de mogelijkheid tot ware irwijding, opdat ge
antwoord moge vinden in uzelf op de vragen van Haar, Die is het beeld van natuur en
natuurwet en zo de sleutel moogt verkrijgen voor dat, wat onbeperkt is.
Vrienden, ik zou graag aan deze laatste spreker nog enkele woorden toevoegen, alleen maar
verklarend. Wij hebben ook deze maal getracht iemand te vinden, die behoort tot de Witte
Broederschap en die anderszijds ook heeft behoord tot de genootschappen en groepen op
aarde, die hebben gewerkt vanuit die Broederschap door alle tijden heen. Het was ons niet
mogelijk deze spreker tevoren aan te kondigen, omdat juist de groten vaak zeer sterk
afhankelijk zijn van een sfeer, van een stemming, kortom, van alles wat daarbij behoort. Wat
u hebt doorgemaakt en wat ieder van u voor zich moet verwerken, is een manifestatie van een
oude inwijdingsleer, maar gelijktijdig ook een manifestatie van een kracht, die altijd bestaat en
- naar ik meen want er is zeker ook gesproken in verband - met uw eigen tijd en ontwikkeling
een lichtpunt is in de verwarring, die u allemaal omgeeft. De zegen, die is uitgesproken, is een
kracht; en die kunt u met u meedragen, indien u dat wilt. Maar u moet heel wel beseffen, dat
deze stellingen en deze leer op zichzelf voor u geen enkele verplichting vormen. Ge zult
moeten zoeken in uzelf naar de ware betekenis hiervan. En als ge die gevonden hebt, dan ben
ik ervan overtuigd, dat u - mede dank zij de andere lessen, die u krijgt -ook zult weten, of u
de Sluier van Isis a.h.w. wilt doen vallen en de werkelijkheid wilt aanschouwen. Gelooft u van
mij nu één ding.
Of ik nu zeg; Christus’ liefdekracht of dat ik uitroep; Isis, het is maar een naam. Maar wanneer
ik zeg harmonie en eenheid, dan spreek ik altijd over de voor ons regerende wet en kracht van
de cosmos. God is voor ons harmonie, licht en kracht. Laat u niet misleiden door de termen,
die worden gebruikt, maar besef de kracht in uw wezen en ge zult gesterkt zijn en ge zult
ontdekken dat u vitaler, gelijkkiger en prettiger kunt zijn, alleen al in het besef dat die kracht
bestaat.
Ook de volgende keren zullen wij u zo mogelijk een spreker geven, die een bepaalde sfeer kan
uitdrukken. Wij hopen dat het mogelijk zal zijn gezien de leiding van deze groep om steeds
meer en intenser magische werkingen daarmede gepaard te doen gaan. Ofschoon wij, wat dit
betreft, natuurlijk afhankelijk zijn van degenen, die tot u willen spreken.

EK 62 - 63 27
Orde der Verdraagzamen

Wij danken u voor uw aandacht deze avond en hopen dat u ergens iets gekregen hebt, dat
misschien niet helemaal met woorden te zeggen is, maar dat u toch helpt met uw eigen “IK” in
het reine te komen en u ook zal helpen in de toekomst steeds meer geestelijk en anderszins te
betekenen voor de hele wereld.

Nummer 3
Esoterisch magische groep.
13 november 1962
We hebben de vorige maal bepaalde principes besproken en zijn daarbij o. m. uitgegaan van
de tweeledigheid, die wij in de schepping vinden. Ik zou daar vandaag op door willen gaan en
wel met een paar principes, die zowel in de magie als in de esoterie van zeer groot belang
kunnen zijn. Er bestaan nl. zowel in de magie als in de esoterie een groot aantal tekens,
ritmen en dergelijke, die wij kunnen aanduiden als ideomotorisch. Dat wil zeggen dat zij
geboren worden uit een niet-bewuste reeks van ideeën en instellingen ofwel omgekeerd deze
bij de mens kunnen wekken. En daar, vrienden, hebben wij een zeer belangrijk punt te
pakken.
Wanneer de mens in de oudheid b. v. zoekt naar de uitdrukking van zijn God, dan zien wij dat
die God een aantal principes uit zijn eigen omgeving in zich behoudt. Wij vinden beelden met
dierenhoofden en mensenlichamen of omgekeerd. Wij zien het dierlijk element verder heel
vaak bij de goden afgebeeld en op deze wijze probeert de mens zijn eigen wereld, zijn eigen
redelijk denken plus zijn innerlijk ervaren, dat hij niet helemaal verklaren kan, samen te
brengen in een beeld, in een uitdrukkingswijze. Al heel snel bleek, dat de mens daarvoor
gebruik moest maken van bepaalde ritmen. Wij vinden dan ook later diezelfde
uitdrukkingswijze in b. v. de Mandala. De Mandala is een ideografische structuur, die een
innerlijke realisatie mogelijk maakt. Men zou kunnen zeggen; via een vorm van zelfhypnose,
zelfsuggestie. Maar eigenlijk gaat het wel iets verder.
Wij vinden de MUDRA, het gebaar, dat eveneens ritmisch is en dat eveneens een bepaalde
manier heeft om met zeer weinig middelen zeer veel te zeggen. Wij vinden daarnaast van
begin af aan practisch de vele zegels en stempels, die gebruikt worden als teken van de
goden; de amuletten, de talismans, die al heel snel gebaseerd zijn op mathematische vlakken.
Hier heeft de mens dus geprobeerd om datgene, wat eigenlijk niet te zeggen is, te zeggen.
Wanneer u een vijfpuntige ster bekijkt, dan vertelt die ster heel veel. Zij vertelt u alles over de
wereld, over de mens die haar beleeft, de manier waarop men invloeden ondergaat.
Wanneer je een zespuntige ster bekijkt, dan blijkt dat ook deze zeer veel te zeggen heeft,
maar weer op een andere manier. Wanneer wij b. v. (om iets anders te zoeken) kijken naar
het boedhistische rad en wij vinden dit vooral in de Thibetaanse versie uitgebeeld met hemel
en hellewerelden, dan blijkt ook hierin een bepaald ritme op te treden. En de beschouwer
wordt als het ware in de voorstelling betrokken. Hij gaat daar langzaam in op en verliest
schijnbaar althans een deel van zichzelf.
Nu kan men dit beschouwen als een zuiver esoterische werking. Maar ik ben geneigd om
eerder te spreken over een magische. Ik zal u zo dadelijk duidelijk maken waarom. Op het
ogenblik dat ik een bepaald symbool heb, een bepaald idee, dat mij persoonlijk zeer veel zegt
en dat wordt uitgedrukt in een bepaalde incantatie, in een Mudra, in een gebaar, in dus een z.
g. Mandala, dus in een ideografische voorstelling, dan kunnen wij er wel verzekerd van zijn,
dat er ergens in u (in uw gehele persoonlijkheid dus) een reactie is hierop, en dat dit voor u
een betekenis heeft, die eerst na langere beschouwing duidelijk wordt. Maar die betekenis ligt
niet alleen maar in het spreken, u ziet b.v. soms heel vaak gebruik maken van gebaren. En
wanneer ik een enkel gebaar maak, dan onderstreep ik daarmee a. h. w. mijn woorden. Maar
ik kan door die gebaren ook zelfs de betekenis van mijn woorden totaal veranderen. Hier gaat
dus klaarblijkelijk niet meer het woord, de kennelijke betekenis voorop, maar wordt zij
gemoduleerd en desnoods in haar tegendeel gewijzigd door een gebaar, dat eerder een
emotionele uitdrukking is.
Het is moeilijk om u dit allemaal in een kort bestek precies uit te leggen. En het is mogelijk dat
ik hier en daar onvolledig blijf. De hoofdzaken meen ik u vandaag inderdaad voor te kunnen
leggen.

28 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

In de eerste plaats; In de mens is een scheiding tussen de z. g. automatische funties en de z.
g. bewuste functies van het “ik”. Anders gezegd: Wanneer wij de zintuigen gebruiken, bewust,
dan ontstaat een onderbreking, die b. v. in een encephalogram duidelijk zou kunnen worden
door een plotselinge onderbreking van het ritme van de kleine hersenstromen. Wij kunnen
verder constateren, dat de mens een grote reeks van mogelijkheden in emoties bezit en deze
schijnen zijn gehele geaardheid, dus ook zijn karakter, zelfs zijn denkpatroon en zijn
handelingspatroon aanmerkelijk te kunnen wijzigen. Het is zelfs mogelijk, dat het naar buiten
optredend “IK” in zijn tegendeel verkeert. Dit is een feit. Op grond van dit eerste punt
constateer ik, dat de ideormotorische uitdrukking die de mens zoekt klaarblijkelijk deze
scheidingen ongedaan maakt en een totale samenwerking van het gehele wezen, gaande vanaf
het zuiver instincieve tot het hoogst redelijk bewustzijn, mogelijk maakt.
Verder dat. het z. g. onderbewustzijn dat zelden of nooit tot uiting komt, en waarin de geest
optreedt als instigerende factor (in zeer veel gevallen althans), ook directe toegang krijgt tot
de totale persoonlijkheid.
Conclusie naar aanleiding van punt 1;
Bij het gebruik maken van een ideomotorisch geluid, voorwerp, voorstelling, enz. ontstaat een
tijdelijke eenheid, een tijdelijke integratie van de persoonlijkheid, waardoor deze een sterker
inzicht in zichzelf kan verkrijgen, maar gelijktijdig het totaal van zijn eigen mogelijkheden kan
gebruiken.
En dan komen wij aan punt twee;
De mens heeft al deze dingen aangevoeld vanaf de tijd, dat hij probeerde zich te
onderscheiden van het dier. Hij heeft gezocht naar rationalisatie. De rationalisatie van de mens
vinden wij. terug in de godsdienst. Zolang deze persoonlijk is en persoonlijk beleefd wordt, is
zij feitelijk een samenstelling van geloofspunten (dingen dus, die je niet weet), van
wetenschap, van gevoelswaarden, plus geestelijke inhoud. Wij zien dan ook, dat elke gods-
dienst gebruik maakt van bepaalde ideomotorische werkingen. Hetzelfde ontdekken wij echter
ook bij elke levensbeschouwelijke richting, die uitgaat van een vaste of dogmatische stelling.
Wij treffen het verder aan in elke gemeenschapsverzameling, die een gezamenlijk brandpunt
heeft. Anders gezegd; Van de godsdienstige plechtigheid via de politieke vergadering tot de
voetbalwedstrijd in het stadion vinden wij een zekere bewogenheid terug, die voert tot reeksen
van handelingen, die niet meer behoren tot het redelijk patroon, maar eerder moeten worden
beschouwd als zuiver ritueel en daarnaast als onbewuste uiting van de innerlijke eenheid.
Wanneer wij dit stellen als punt twee, dan moeten wij hieruit ook weer conclusies trekken.
Klaarblijkelijk vindt de mens in zijn normale leven, in zijn redelijk denken en al wat erbij
behoort, niet de factoren die noodzakelijk zijn om hem waarlijk gelijkkig te maken, om hem
een gevoel van volkomenheid te geven, om voor hem een bewustzijn mogelijk te maken dat
andere dan de zuiver zintuigelijke werkingen omvat. En dan volgt hieruit de conclusie; De
ideomotorische (beter gezegd de ideografische voorstellingen), de rituelen en gezangen die wij
in practisch elke gemeenschap aantreffen, zijn gebaseerd op ritmen, op vlakverdeling en
lijnverdeling, op een spel van beweging. Het totaal heeft niet de godsdienstige waarde die men
daaraan toekent, maar is voor degene, die zich daarmee verbonden kan achten, een
mogelijkheid om in zich tot het Goddelijke te gaan.
Wie in zich tot het Goddelijke gaat, kan uit zich Goddelijke Kracht manifesteren.
Punt 3.
Wij komen tot de conclusie, dat een groot gedeelte van de door de mens gebruikte
uitdrukkingen, die zijn innerlijke kracht omschrijven, uiteengerafeld kunnen worden. En dan
blijken. ze te bestaan uit twee elkaar aanvullende delen of helften. In enkele gevallen is er
zelfs sprake van een absolute scheiding. Ik denk hier aan bepaalde stammen, waar een
bepaalde aparte vrouwentaal en een aparte mannentaal bestaat. Hier is de scheiding practisch
nog volledig. In de meeste kringen, in de meeste godsdiensten echter, blijkt sprake te zijn van
een samenvloeing. Men moet uitgaan van het standpunt, dat men allereerst de voor het “IK”
belangrijke, de het “IK” beroerende rituelen, voorstellingen enz, moet vinden. Eerst daarna
kan men overgaan tot het beschouwen van het geheel. Men kan dus nimmer uitgaan van het
geheel en zo streven tot zichzelf. Men moet uitgaan van zichzelf en vanuit zichzelf het geheel
benaderen. Alleen op deze wijze is het mogelijk tot een juist begrip te komen en tot de juiste
EK 62 - 63 29
Orde der Verdraagzamen

verwerking van deze krachten. Dit impliceert, dat alle gemeenschappelijk gekende symbolen
en voorstellingen in feite slechts ten dele juist zijn. Iedere mens moet voor zich de aanpassing
vinden. Die aanpassing is echter nooit te definiëren als een bepaald teken. Zij kan net zo goed
een bepaalde klank, een bepaalde kleur, een bepaalde vlakverdeling inhouden.
Mijn conclusie als gevolg hiervan is duidelijk. Elke mens die streeft naar inzicht in zichzelf,
danwel zoekt naar macht vanuit het Hogere, zal voor zichzelf moeten uitmaken welke rituelen,
welke gebaren, welke intonatie, ja, welke voorstellingen voor hem de best geldende zijn.
Vandaar uitgaande zal hij inderdaad kunnen komen tot een maximale prestatie en een
maximale innerlijke beleving, ofwel uiting van kracht.
In dit gedeelte hebben wij getracht om het geheel een ogenblik te omschrijven. Ik wil nu
allereerst bepaalde magische gebruiken bezien om U duidelijk te maken, dat hierin hetzelfde
wel degelijk een rol speelt. Wanneer een magiër een bezwering uitspreekt, dan omgeeft hij
zich met allerhand voorwerpen, die op zichzelf geen dienst hebben noch nut. Wanneer ik als
bezweerder een geestendolk hanteer, dan gebruik ik de dolk niet, omdat ik daarmee een geest
of een demon zou kunnen doden, verdrijven of bedreigen. Ik gebruik haar slechts omdat zij
voor mij de zekerheid wapen betekent; m.a.v. uitdrukking van kracht. Wanneer een magiër
een bepaald diagram uitzet, b. v. een magische cirkel of een drietal magische cirkels,
eventueel met randschriften en bijbehoren, dan bouwt hij daarmee in feite een beeld op. Een
beeld, dat niets meer te maken heeft met zijn eigen redelijke wereld, maar dat door zijn
gevoelsassociaties, door zijn gehele actie zelf, (het ritueel van het tekenen b. v., het uitzetten
van lampen enz.) hem brengt tot een toestand, die wij uit stoffelijk standpunt; kunnen
noemen; een zeer grote autosuggestie, benaderend autohypnose. In feite echter heeft de
magiër zo bepaalde delen van zijn eigen wezen geïntegreerd en heeft gelijktijdig een afstelling
bereikt van dit wezen in overeenstemming met zijn doel. Hij is niet meer alleen de stoffelijke
mens; hij is in zijn stoffelijke vorm de synthese van alle geestelijke vermogens, krachten en
kennis, die hij bezit, van alle emotionele mogelijkheden, van alle onderbewuste
mogelijkheden, ja, zelfs van het totaal van zijn lichamelijke mogelijkheden, die hij
normalerwijze niet beheerst.
Het is duidelijk, dat het grootste wapen tegen de magiër altijd de terreur is, de angst, de
paniek. Ook dit is begrijpelijk. Want op het ogenblik dat een dergelijk opgebouwde spanning
plotseling wordt verbroken, treden zeer grote zenuwspanningen op; het lichaam zelf gaat
onbeheerst reageren, de hersenen vinden niet meer de mogelijkheid tot directe actie en
daardoor is de overname van het “ik”, of delen van het “IK”, door een op zichzelf zwakkere
geest of demon zelfs mogelijk.
Ik wil u natuurlijk niet aanmoedigen om dergelijke experirnenten ooit uit te halen, ze hebben
betrekkelijk weinig nut. Maar ik wil u er wel op wijzen, dat de manier van werken van de
magiër ons iets leren kan. Wanneer u voor uzelf een bepaalde kracht wilt wekken, dan zult u
moeten zorgen, dat alles, wat voor u vanaf het instinctieve vlak tot het hoogst redelijke en
zelfs. geestelijk emotionele vlak toe maar denkbaar is, als zijnde daarbij betrokken, ook
inderdaad wordt aangeduid, al is dit maar met een symbool. Want slechts door het
samenbrengen van deze symbolen kan men zijn totale “IK”. activeren. Je zou hier kunnen
stellen, dat het z.g. super-ego, waarover zo vaak wordt gesproken, door de magiër tijdelijk (en
meestal binnen de beperking van zijn stoffelijk gekend ego) gehanteerd wordt, waardoor hij
een macht bezit aanmerkelijk groter dan zijn normale; en zelfs vermogens heeft, die eveneens
groter zijn. Dit toegepast op genezing betekent dat de juiste reeks van handelingen, de juiste
omgeving, een zeer goede, ja, zeer gunstige invloed kan hebben op genezingsprocessen, het
geven van genezende gedachten en genezende krachten; tot zelfs het vaststellen van een
kwaal of het erkennen van de bron ervan wordt door de juiste omgeving vergemakkelijkt.
Het is heel goed mogelijk dat iemand zijn stetoscoop b.v. als het een arts is alleen maar
gebruikt als een teken van waardigheid, iets wat hij hanteert en waarmee hij manipuleert,
maar wat hij in feite niet nodig heeft. Hij zal echter zijn concentratie, zijn medicus-zijn heel
vaak onbewust associëren met dit instrument. Het gevolg is dat hij, al gaat het om het
eenvoudig vaststellen van - laat ons zeggen - een griep of een ander voorbeeld rheumatiek,
haast automatisch naar dit instrument zal grijpen en wanneer het niet binnen zijn onmiddellijk
bereik is, slechter zal reageren en functioneren dan normaal.
Hetzelfde zien wij bij een priester. Zolang een priester zijn priesterlijk gewaad heeft, zijn
priesterlijke waardigheid, zijn kerkelijke omgeving, is hij inderdaad. in vele gevallen een
30 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

machtsfiguur!l Hij heeft gezag, hij heeft geweld, hij is sterk en heeft inzicht en hij kan veel
meer doen dan je eigenlijk zou verwachten. Neem je dit alles van hem weg, dan blijft er vaak
alleen maar een verwarde mens over. Sommige mensen hebben dit vervangen door middel
van b.v. een bijbeltekst of een reeks van bijbelteksten of zelfs interpretaties van bijbelteksten.
Zolang zij deze kunnen hanteren bezitten zij in zich een zekere vorm van overwicht. Er is een
grotere integratie van hun eigen persoonlijkheid dan normaal. Dat wil dus zeggen, dat de
magiër niet gebonden is aan een bepaald ritueel, dat de arts niet gebonden is aan een bepaald
instrument als het nodig is kan hij het eigenlijk ook wel zonder stetoscoop maar dat elke mens
gebonden is aan de voor hem belangrijke symbolen. Symbool, waardigheid en vermogen zijn
tot op een zeer grote hoogte belangrijk voor prestatie. Het wegnemen van de symbolen
ontwaardt de persoonlijkheid.
Hier zou ik een suggestie willen geven. U hebt allemaal ongetwijfeld bepaalde dingen, die voor
u belangrijk zijn. Voor de een is het misschien een tekening, voor de ander een kruis, voor de
derde een bepaald boek, voor de vierde een bepaald lied of een bepaald muziekstuk of zelfs
maar een gewoontegebaar. Probeer u te realiseren welke dingen u deze zekerheid geven. Leer
ze desnoods uit te drukken als een soort droedel, als een tekeningetje dat u neerkrabbelt,
wanneer u zekerheid nodig heeft. U zult ontdekken, dat u daaruit kracht put. Hiet dus door het
tekeningetje of door het voorwerp, maar door de associatie met dit symbool integreert het “ik”
en komen vele tot nu toe niet beheersbare factoren en delen van het “ik” onder de tijdelijke
beheersing van de mens.
De esotericus streeft natuurlijk een ander doel na. Hij wil in zichzelve doordringen en zlchzelf
kennen. Maar zolang hij uitgaat van het zuiver redelijke, zolang hij weigert om gebruik te
maken van de mogelijkheid in zich een bepaalde toestand te wekken, blijft zijn denken
uiteindelijk een balanceren op de grenzen van stoffelijke logika en rede. Hij kan niet verder
komen. Op het ogenblik dat hij zijn persoonlijkheid tot eenheid weet te maken echter, blijkt
plotseling dat hij nieuwe inzichten heeft. Voor de esotericus is vooral belangrijk dat deze
integratie, ook wanneer deze plaatsvindt binnen een op zich benepen kerkelijk geheel, het
gevolg is van een op zich zinloos ritueel, hem brengt tot de mogelijkheid om in zichzelve
nieuwe waarden te ontdekken. En slechts het voortdurend erkennen van de nieuwe waarden in
je wezen maakt het je mogelijk dit wezen voortdurend juist te richten op de Goddelijke kracht,
waarin je gelooft. Zonder dit bestaat die mogelijkheid niet.
Het gebruik maken van gangbare voorstellingen is natuurlijk aanvaardbaar. Maar ook de
esotericus moet zich eens afvragen wat hem beweegt en dan ontdekken we vaak fantastisch
aandoende reacties. Wij ontdekken b.v. dat een op zichzelf niet nette grap voor sommigen een
aansporing is tot innerlijk en esoterisch betrekkelijk vergaande beschouwingen. Ze vinden er
ergens een nieuw gezichtspunt in. Sommige mensen worden b. v. getroffen door de natuur,
maar anderen vinden ditzelfde in de verdoving van een berookte kroeg. Zolang wij dus hier
niet oordelen over het uiterlijk, maar ons alleen afvragen wat het middel tot stand brengt,
kunnen wij alles accepteren, mits daaruit die innerlijke gesteldheid inderdaad ontstaat; een
zien van nieuwe gezichtspunten in je eigen wezen.
Dat esoterie en magie voor een groot gedeelte met elkaar verbonden zijn, hebben wij reeds
eerder betoogd. Op grond van al hetgeen ik nu gesteld heb, wil ik er op wijzen dat:
Een volkomen sterke innerlijke beleving en werking vanuit het “IK” datgene wat wij onder
esoterisch-magisch verstaan nimmer in grotere gemeenschappen kan worden bereikt. Daar
kan slechts via een suggestieve weg een gedeeltelijke eenheid tot stand worden gebracht.
De meeste rituelen krijgen grotere inhoud naarmate zij minder deelnemers vergen. Elk spel,
elke reeks van handelingen, waarachter een symbolische betekenis verborgen is, zal voor de
deelnemers, die deze voorstellingen enz. als zodanig beschouwen, een direct zelfstandig
beleven van het Hogere kunnen inhouden. A. h. w, iemand die toneel speelt, maar in het
toneelspel een verborgen betekenis kent, beleeft niet slechts zijn acteren en de vreugde
daaraan, maar wordt bovendien in zichzelf nog eens geïntegreerd met de hogere betekenis en
verwerft dus uit het spel waarden, die er voor een ander nooit
in kunnen liggen.
De schijnbaar onbelangrijke dingen spelen een heel grote rol. Er zijn mij gevallen bekend
waarbij alleen het kopen van een nieuwe hoed aan een dame een prestatievermogen plus een

EK 62 - 63 31
Orde der Verdraagzamen

verscherping van inzicht gaf, die procentueel moeilijk direct kan worden uitgedrukt, maar toch
tenminste 1/3 van het normale bedroeg.
Er zijn gevallen waarbij een man alleen door een bepaalde klank die hij hoorde in het
voorbijgaan zodanig werd gestimuleerd, dat hij zijn oorspronkelijke ideeën herzag en met een
totaal nieuwe zakelijke procedure kon komen, die voor zijn bedrijf een grote vernieuwing
betekende.
Dit zijn gevallen die ik juist aanstip om u duidelijk te maken, dat wanneer wij voor ons een
bepaald iets hebben dat ideomotorisch is, elke beroering daarmee bewust of onbewust invloed
uitoefent. Dat wil ik hier nog verduidelijken.
Wanneer u eenmaal als dame b. v. een hoedje hebt gekocht en daar dit resultaat uit hebt
gekregen, is het niet zeker dat u een tweede maal door een hoedje te kopen dezelfde werking
kunt krijgen. (Ik bemerk dat sommige heren daarvoor dankbaar zijn. ) Maar wanneer u zich
kunt indenken, hoe u zich op dat ogenblik voelde, toen u zag hoe dat hoed je paste, het kon
betalen, en voor het eerst bewonderd de winkel uitstapte, dan hebt u in de herleving van de
herinnering het middel gevonden om dezelfde instelling te krijgen. Zet u dan een doodgewoon
oud flodderhoedje op, wat u eigenlijk al lang had moeten weggooien met diezelfde inhoud dan
zal het gebaar plus de herinnering voor u in zeer vele gevallen wel die herbeleving mogelijk
maken.
Wij moeten dan niet uitgaan van het standpunt, dat een voortdurende herhaling van het zelfde
steeds dezelfde invloed in ons wekt. Maar een eenmaal gevonden ritme want het is in feite een
ritme onverschillig voor welk zintuig het waarneembaar werd uitgedrukt, betekent voor de
mens dat een in gedachten herhalen ervan, plus een schetsmatige aanduiding naar buiten toe
ervan, de krachten en mogelijkheden daarvan doet herrijzen. De herinnering dient daarbij niet
te zijn een vergelijking met het heden, maar een tijdelijk terugtreden in het verleden: wat
betreft n. l. de eigen instelling. Het zal gemakkelijk zijn dit te doen wanneer u er rekening mee
houdt dat uw werkelijk “IK” tijdloos is en dat dus de zuiver lichamelijke kwesties, het ouder
worden enz. daar weinig of niets mee van doen hebben. Nu moeten wij komen tot het derde
deel van mijn betoog. Elke inwerking, die wij tot nu toe hebben besproken, berust dus op het
vinden van die ene eigenaardige seconde, die men de ontmoeting met God pleegt te noemen.
Ik zeg pleegt te noemen, want het is niet de ontmoeting met God, het is in feite de integratie
van alle delen van eigen wezen voor een ogenblik, waardoor men zijn ware toestand, zijn ware
plaats in de cosmos ervaart. Wanneer wij nu verder vaststellen dat wij dit kunnen uitdrukken
in symbolen, dat wij dit door symboolhandelingen kunnen doen herloven, dan blijft altijd nog
de kennis. Want het symbool dat door mij gebruikt wordt is waardeloos op het ogenblik, dat ik
de betekenis er niet van ken (tenzij er ergens een geestelijke kracht mee verbonden is, die die
betekenis wel kent).
Hierdoor zou het ook zeer moeilijk zijn voor een mens om dus het eenvoudige tekeningetje
enz. te maken en daar werkelijk resultaat mee te krijgen. Het wordt nog moeilijker wanneer je
niet kunt uitgaan van een beleving, die door toevallige omstandigheden tot stand kwam en die
je je later kunt herinneren.
Maar we hebben gelukkig ook nog te maken met iets anders; In elke mens, of liever gezegd in
elk menselijk lichaam, zijn een groot aantal factoren verwerkt, die wij grotendeels instinct
plegen te noemen of automatismen ook wel maar die in wezen zijn gegroeid als gevolg van
associaties en reacties van het ras in het verleden. Ook wanneer de geest daar niet
onmiddellijk bij betrokken is, zullen bepaalde vormen, gebaren en handelingen, associaties,
voor de mens betekenen, dat hij krachtens zijn lichamelijke instincten in een toestand van
receptiviteit komt te verkeren. Ik zal dit nog eens in een andere vorm herhalen; Wanneer u
onder uw voetzolen wordt gekieteld, dan krijgt u de slappe lach als u het weet. Als u het niet
weet ontstaat een paniekstemmingf dus wanneer het onverwacht gebeurt. Waarom? Omdat
vroeger de extremiteiten vaak de meest kwetsbare waren en een onverwachte beroering, juist
met die voetzool, betekende dat je verkeerde in een staat van niet-verdedigen en door het
onbekende de waarschijnlijke vijand werd aangetast. De reactie lachen is dezelfde
zenuwimpuls; via het bewustzijn omgezet in het ridikule; want er is geen vijand. Ontspanning,
die dus niet zuiver mentaal is, maar die instinctief is, werd een automatische associatie.
Vandaar dat je de mens kunt doodkietelen. Ze blijven lachen. Ze lachen zich letterlijk dood en
hebben helemaal geen plezier.

32 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Wanneer u zich dit even voor ogen houdt, dan kunt u zich voorstellen dat er in de mens ook
andere reacties zijn geweest. De mens heeft altijd geleefd met de natuurkrachten, met de
elementen. Die elementen hebben voor hem een bepaalde betekenis verworven. Hij heeft
geleerd die reacties langzaam maar zeker in te kleden in beelden van goden, en op den duur in
bepaalde leerstellingen. Dit neemt echter niet weg dat de reacties op zichzelf automatisch
aanwezig zijn. Wanneer nu iets ontstaat in u - of rond u - wat deze associaties wekt bij een
van uw zintuigen - want het moet dus nu gaan om een zintuigelijke prikkeling - dan zal het
lchaam reageren met dezelfde bereidheid en dezelfde spanningen, die vroeger ontstonden.
Ook wanneer dat misschien veel trager is dan vroeger en gemakkelijker wordt afgedempt en
onderdrukt. Dan kan het lichaam in verband gebracht met b. v, kleuren, vooral lichtende
kleuren, vlakken, met geuren, met ritmen, ja zelfs met tastzinwaarden, daarop reageren door
zich a. h. w. terug te trekken in de idee; geborgenheid. Op het ogenblik dat in het lichaam
onderbewust en motorisch een volledige spanning intreedt, en het eigen bewustzijn niet
bijzonder actief is, zal de geestelijke kracht gemakkelijk ingrijpen. Van buiten af of van boven
uit ontstaat wederom deze integratie waarover wij spraken.
Ik heb getracht om dit voor u wat breedvoerig uit te leggen. Het is nl. uitermate belangrijk;
want of wij nu bewust of onbewust een dergelijke integratie van de persoonlijkheid ondergaan,
of wij in het begin in staat zijn de redenen te geven voor dit optreden van de integratie of niet,
is niet belangrijk; integratie zelf is belangrijk, zowel voor het bundelen van maximale kracht
naar buiten toe als voor het vinden van een zo hoog mogelijk contact in het “IK” en misschien
zelfs met andere werelden of sferen. Het is noodzakelijk dat de mens zoekt naar de voor hem
belangrijke reacties, de op zichzelf onbetekende dingen die een persoonlijkheidsintegratie tot
stand brengen. Het eigen denken, het redelijk denken plus het herinneringsvermogen, zijn
daarbij hulpmiddel, omdat van daaruit een suggestieve kracht kan worden geschapen. Maar
ergens moet altijd ook de practische prikkel aanwezig zijn.
Kan die prikkel ook niet een acute noodsituatie zijn?
Ja, dat komt inderdaad ook voor. Dan kan ze zelfs, wanneer er leiding is bij dit proces, van
buitenaf geschapen worden; en het kan ook zijn dat de mens onder invloed van een door hem
niet bewust begrepen integratie van de persoonlijkheid komt tot absoluut onredelijke
handelingen die echter dat moeten wij wel begrijpen wanneer zij uitgaan van het grote “IK”,
een directe manifestatie zijn van lichte kracht en daarom nooit iets demonisch of duisters in
zich hunnen hebben.
Maar er kan toch ook een lichamelijke prestatie ontstaan, die ver buiten het normale ligt?
Wanneer wij hierop even moeten ingaan, dan kunnen wij inderdaad stellen dat een mens b. v.
door panische schrik iets wat ook tenslotte teruggaat tot het verre verleden van de mens zijn
bewuste denken tijdelijk verliest, sneller en zeer automatisch reageert, een veel groter
uithoudingsvermogen heeft, veel sneller presteert en eigenaardig genoeg als resultaat niet in
de eerste plaats een fysieke, maar een psychische uitputtingstoestand vertoont. Het menselijk
redelijk denken kan de spanning niet verwerken; het lichaam zelf werd door de instincten in
staat gesteld om wel te reageren. Dat is hetgeen wat het meest benadert wat u daarnet
stelde.
Nu moet ik echter nog even doorgaan. Onthoudt u dit; Wanneer wij hier bijeen zijn en er is
gedempt licht, dan is dit niet een nabootsen of een poging om een sfeer of een omgeving te
scheppen, die de vrije integratie van de persoonlijkheid zelf onmiddellijk bevordert. Het grijpen
van de mens naar het halfduister, dat hij mystiek pleegt te noemen en de sfeer, die hij op
deze wijze schept, is allereerst een terugkeer tot de geborgenheid. De lichamelijke problemen
van de mens, vooral ook zijn mentale problemen, zijn over het algemeen zo groot dat hij het
gemakkelijkst tot ontspanning pleegt te komen als hij zich a. h. w. in de moederschoot
geborgen waant. Wanneer wij in vele kerken en bij vele bijeenkomsten een dergelijke sfeer
aantreffen tot zelfs de gewoonte toe om in een zo groot mogelijke duisternis te werken,
kunnen wij ervan verzekerd zijhj dat men in de eerste plaats teruggaat tot deze geborgenheid.
Dit kan ongetwijfeld goed zijn, wanneer iemand, die reeds geïntegreerd en bewust is, leiding
geeft aan het geheel. Is dit niet het geval, dan zal een verwijdering van de werkelijkheid, en
daardoor een schokkende confrontatie met de werkelijkheid later, het gevolg zijn. Alles wat
voor de geest bestaat en wat dus vanuit de geest werkelijk is, alles wat voor het lichaam grote
zekerheid betekende vroeger, was in de eerste plaats licht of een sterke reeks van lichtduister
contrasten. Waar geen licht is, kan de mens niet zien. Waar geen licht is, dus beter gezegd;

EK 62 - 63 33
Orde der Verdraagzamen

geen contact met de cosmos en kracht uit de cosmos (dat is in feite wat wij licht noemen) zal
de geest geen werkelijk deel kunnen hebben aan het totaal van haar sfeer of wereld. Het
resultaat is wel, dat wij dus, wanneer wij zoeken naar een dergelijke integratie, moeten
uitgaan juist van licht en nimmer van het ontbreken van licht. Dat wij moeten uitgaan van
kleur: en nimmer van het ontbreken van kleur. Dat wij moeten uitgaan van varieteit van
vlakken en nimmer van eentonigheid van vlakken. De integratie van de persoonlijkheid kan
het best gewonnen worden in een lichte omgeving, waarin vreugde, activiteit en zekerheid a.
h. w reeds worden gesuggereerd, terwijl men gelijktijdig door de aanwezige symbolen, de
aanwezige rituelen, zichzelve met dit licht kan vereenzelvigen zonder beperkt te worden door
de redelijke elementen in het “IK”. U zult waarschijnlijk vinden dat deze les wat onbelangrijk
is. Maar mag ik u er op wijzen dat zij toepassingspunten voor ieder van u in zich draagt? En
dat de toepassing van deze punten van groot belang zijn.
Welke ogenblikken u een volledige integratie van het eigen wezen, een contact met het
allerhoogste bereikt. Probeer het beste punt daarvan voor uzelf a. h. w. in. de herinnering te
fixeren en door symbolen vast te leggen. Daar waar symbolische tekens, een kruis, een
zwaard, een of ander beroepsinstrument u zekerheid geven, wen u aan en daarvan desnoods
een symbooltekening te maken, wanneer het niet anders kan. Deze dingen geven zekerheid.
Wanneer u rust nodig hebt, dan kunt u zich inderdaad in het duister begeven of zelfs in een
sfeer waarin het licht b. v. blauw is, zodat u herinnerd wordt aan het pre-pluviale bestaan in
de oceanen.
Maar wanneer u geestelijke activiteit en licht wilt, dan zult u licht moeten hebben. Hoe
veelkleuriger dit licht is en hoe helderder het is, zonder u te verblinden, hoe beter het is.
Licht, vreugde, de activiteit die in zich vreugde symboliseert of uitdrukt, zijn zeer belangrijk.
Juist levensbevestiging en aanvaarding maakt een juiste integratie van de totale
persoonlijkheid mogelijk. Wanneer u deze procedure gebruikt, moet u verder onthouden;
1. elke gedachte die hierbij voorop wordt gesteld is op zichzelf een kracht. Zij fungeert als de
lens, waardoor het licht van de totale persoonlijkheid wordt geprojecteerd in een wereld, die
deze integratie op dit ogenblik nog niet bezit.
2. Alle kracht kan geleid worden via een idee, zij kan ook geleid worden via een gebaar, zij kan
worden overgedragen op elke symboolvoorstelling, die met uw eigen integratie van de
persoonlijkheid verbonden is. En zij kan via deze middelen aan anderen worden overgedragen.
Dit geldt ook voor krachten, die men naar bepaalde sferen uitzendt, waarbij een symbool vaak
als een soort reflexspiegel dient, zodat u, zonder zelf de sferen te betreden, eigen gedachten
en krachten daarop op bijzonder sterke wijze kunt projecteren; vooral voor bepaalde duistere
werelden is dat erg belangrijk.
Dan wil ik u er verder op wijzen, dat u aan de hand van voorgaande ontleding, plus hetgeen,
in de vorige les gesteld werd, moet uitgaan van hetgeen voor u persoonlijk belangrijk is, maar
dat u niet moet volstaan met alleen het persoonlijk integrerend symbool. U moet trachten te
zien hoe het deel is van symbolen die voor anderen een gelijksoortige integratie betekenen.
Want eerst in een zo groot mogelijke samenwerking met anderen in een harmonische
gemeenschap kan een maximum aan krachten ontwikkeld worden. Zodoende kan een
maximum aan innerlijk bereiken en inzicht voor een ieder worden gesteld.
Hiermee heb ik het eerste gedeelte beëindigd. De spreker na de pauze zal niet spreken vanuit
het standpunt van uw eigen wereld, maar vanuit de sferen. Zo nodig wordt daarop dan nog
commentaar gegeven.
o-o-o-o-o-o-o
In verband met de esoterie heeft men mij dus verzocht om via uw medium tot u te spreken
over inzicht, persoonlijke erkenningen en leringen zoals deze in bepaalde sferen bestaan. Het
is moeilijk om dit alles onmiddellijk in menselijke woorden om te zetten.
Wanneer ik u de leringen moet geven, dan moet ik u eerst duidelijk maken, wat eigenlijk die
wereld is, waarin die leer gegeven wordt. Er zijn werelden waarin het “IK”, het eigen wezen a.
h. w. doorzichtig is. Wanneer er een gedachte in leeft, is deze het concrete. Deze is het
kenbare. Ook al wordt ze niet meer uitgedrukt in beelden en vormen, zoals u die kent. Je bent
zelf a. h. w. een zonnestraal. Men kan je ergens afsluiten. Maar het is onmogelijk om het

34 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

wezen nog te delen of het bewustzijn te delen. Je bent een tintelend, levend en lichtend geheel
en daarin juist zoek je toch weer de kern van het “IK”. Maar alle vorm is weggevallen. Er is
geen mogelijkheid meer om te refereren aan een omgeving. Zo vluchtig zijn de gedachten dat
al rond je tot wel 1000 x per seconde verandert, menselijk gesprokens in uiterlijk, in kleur, in
aanzijn. En toch zoek je in jezelf naar het “ik” de werkelijkheid en je leert, dat uiterlijke
vormen en uiterlijke krachten erg onbelangrijk zijn.
Er is een tijd dat je meent dat het denken belangrijk is. In lagere sferen zien wij zelfs dat een
scholen van het denken behoort tot de meer gevorderde vormen van onderricht. Maar de
gedachte zelf ontleden blijkt ook weer moeilijk. Want als je wilt doordringen in de gedachte,
dan valt stukje na stukje weg. Dit is een herinnering, dat is een idee, dat geen deel is van je
eigen wezen, en het enige wat overblijft is op den duur iets dat je een motief zou kunnen
noemen, een drang tot bestaan en een drang tot leven;
U zult begrijpen dat het in een dergelijke wereld moeilijker is dan in de uwe om lering te
ontvangen en te geven. Nog moeilijker is het om die lering dan weer om te zetten in een meer
concrete gedachte. Want op het ogenblik dat ik ontdek dat ik alleen maar een impuls ben, een
bepaalde wil en verder niets, en dat die wil op zichzelf wanneer ik haar verder ontleed nog niet
eens mijn werkelijke wezen uitdrukt, maar slechts de omschrijving is van iets in mijzelf, dat ik
dan nog niet ken, dan vraag ik me af; waar, waar ligt de werkelijkheid? Gij meent misschien
de werkelijkheid binnen te treden, wanneer ge de samenhangen van het totaal van de
mensheid, van die cosmos kunt overzien. Maar zelfs dit blijft nog een spel van schijn. Ook hier
is nog niet de waarheid van het eigen wezen geopenbaard.
Voor ons, dat wil ik erbij voegen, die deze leringen mogen ontvangen en doormaken, komt
langzaam maar zeker wel een begrip naar voren. Het is een uitgezonden zijn, een partikel
uitgestraald door de een of andere zon, die je zelf niet ziet. Maar ook weer terugkerend tot die
zon, omdat er niets is buiten die zon. Het is een werking zijn van het cosmisch scheppend
principe, waaromheen zich het kennen kan ontwikkelen en waarbij de baan voor het “ik”
aanvaardbaar moet worden gemaakt, en daarom het bewuste streven wordt genoemd. O,
denk niet dat ge niet bewust kunt streven, maar ge kunt alleen bewust streven om uw eigen
baan te beseffen. Denk ook niet dat er een voorbestemming is. Want wat uw baan u brengt,
dat maakt ge zelf uit. Omdat de gedachten, die daardóór in u rijzen, van uzelf zijn. Je leert hoe
je met een enkele verandering van je eigen instelling een wereld van goden of demonen kunt
scheppen en teniet doen. Alleen met een gedachte.
Zo is dan die wereld waaruit ik proberen wil u het een en ander te vertellen, iets duidelijk te
maken, iets te zeggen van de lering, die wij daar ontvangen en geven. Laat wij beginnen met
te zeggen, dat wij niet meer kunnen geloven in een God, zoals gij dit doet. Dit klinkt heel
vreemd. Maar een God dat is iets wat buiten jezelf bestaat. Het kan niet een deel van mijzelve
zijn, en als ik deel ben van een God, is het voor mij geen God meer, alleen maar leven. Wij
geloven in de kracht van het leven. Wanneer wij denken aan de hoogste waarden, aan
Goddelijke krachten en Goddelijke waarden, dan is daar altijd weer de lering, die ons helpt om
ook die gedachte te ontbladeren, te ontdoen van alle bijkomstigheden.
En dan wordt ons gezegd; De God, waaraan je gelooft als een wezen, dat je beheerst en dat
ingrijpt, bestaat niet. Het is slechts de uitvlucht van het “ik”, dat probeert om het eigen
onvermogen, de eigen verantwoordelijkheid, het eigen beleven, door het “IK” veroorzaakt, aan
de voeten te leggen van een hoger wezen. Dan zeggen wij; maar als er geen God is, is er
dood. Dan zegt de stem; neen. Daar waar een God is, daar is het eindige. God is het einde der
dingen. En er is geen einde. Daarom juist is de kracht, is het leven zelf, dat door alles
heengaat, die grote gedachte waaruit je denkt, niet een God, niet een kracht die buiten je
staat, maar het is slechts iets, waarvan jezelve voortdurend deel bent. En dan rijzen in je de
vragen.
Want wanneer je geen God meer hebt en wanneer je denkt aan de dood en er wordt gezegd;
dood is geloven aan God, dan heb je een ogenblik de gedachte (zeker wanneer je van een
menselijke wereld komt, zoals ook ik), dat je hier in een demonische val zult stappen. Dat je
zo dadelijk het licht zult zien verdwijnen en in de plaats daarvan een ondoordringbare helse
duisternis zult vinden. Wij zijn bang, omdat wij het leven niet beseffen als deel van ons wezen;
maar het steeds willen zien als iets van een ander. Dan vraag je je af; Maar ben ik dan God?
En het antwoord is; neen, gij zijt geen God, maar uw wezen is déél van God, en God is dus

EK 62 - 63 35
Orde der Verdraagzamen

deel van uw wezen. En dit deel-zijn zelf betekent kracht en het leven. Gij zijt de kracht Gods,
waarover ge spreekt en die kracht kan alleen door uw eigen wezen tot uiting worden gebracht.
Het kan nimmer van buitenaf op u toekomen.
En dan zeg je; maar dood? Waarom dan dood? En het antwoord is eigenlijk begrijpelijk (voor
ons tenminste); Wanneer je gelooft in een God, Die het einde is der dingen, dan komt er een
ogenblik dat je ophoudt te gaan. Dat je bewustzijn weigert om voort te gaan. En het partikel
dat terugkeert tot DE ZON, wordt opgenomen, gaat tot de kern en wordt onder werkingen
weer tot een verhitte massa, die uiteenspattend delen wegwerpt. Oneindig. En dit beseffen,
het oneindige van je wezen, dat is leven. Het stellen van een grens en een afhankelijkheid van
dit leven is dood en stilstand.
Ik ben mij ervan bewust dat een dergelijke overweging velen van u wat vraagwaardig zal
klinken. Maar er ligt een kern in - die naar ik meen - ook voor de mens op aarde belangrijk is.
God is een illusie. Wij scheppen God, en niet God ons. Wij zijn deel van het leven. Het leven is,
wij zijn er deel van en door het leven worden wij uitgezonden, zeker. Maar wat wij zijn? Wat
wij denken te zijn, bouwen wij zelf. Het wezen dat de mens God noemt bestaat niet. Er bestaat
slechts een onbeschrijflijke Kracht, waarbinnen het leven zich afspeelt, met alle tijd en alle
ruimte. Wanneer je vanuit een dergelijk besef, een dergelijk leren, jezelf onderzoekt en zegt;
ik ben leven voor mijzelf kan ik alles werkelijk maken, wanneer ik mij maar niet vastklamp aan
vaste maatstaven buiten mij (dat is in onze sferen waar), dan komt er het ogenblik, dat je
zoekt naar een methode om a. h. w. een keten te maken.
Je wilt niet meer het ene partikel zijn, dat eenzaam zijn baan gaat. Je wilt niet meer zijn een
enkele trilling. Je wilt een straal van licht maken, een gesloten keten, die uitgaat van het
goddelijke en daartoe terugkeert. En elk leven dat bestaat kan daarin deel hebben. En zo zoek
je naar een weg om dit begrip van het Leven zelf als stuwende kracht over te brengen naar de
lagere sferen, naar een minder bewust deel van het leven. En dat ik tot u spreek via een
medium is eigenlijk een voorstelling, die leeft in mij en in u en die daardoor voor ons een
contact vormt. Maar is het werkelijkheid? Is alles wat rond u bestaat werkelijkheid? Een groot
gedeelte niet. U kunt dat als mens op aarde niet toegeven en daarom moet ik mijn lering
proberen te geven binnen de beperking van uw wereld en uw leven. Daarom zijn er dingen die
ik niet. kan uitspreken, niet alleen omdat er geen woorden voor zijn, maar omdat ge ze niet
zoudt verstaan op de juiste wijze. Maar de leringen die wij dus proberen te geven, wij die deel
zijn van de keten leven, zou u misschien als volgt nog kunnen aanvaarden; Het leven zelf, het
werkelijk leven is nimmer afhankelijk van een vorm. Het bestaat.
En wanneer de ene vorm verdwijnt, dan zal de ander ontstaan, zo lang als wij een vorm nodig
hebben om ons van het bestaan van het leven zelve, dat wij zijn, bewust te worden. Wij
kunnen natuurlijk de krachten van het leven, zoals ze in ons zijn, wekken en we kunnen ze
van ons afstoten. Maar dat is iets wat onszelven betreft en niet eigenlijk de wereld. Wij kunnen
niet met een groot hiaat daartussen springen van de ene tijd naar de andere, de ene wereld
naar de andere, we kunnen slechts ons denken wijzigen en dan zien we een verschil van tijd.
En nemen wij nu eeuwen in een enkele oogopslag, dan weer laten we de seconden traag gaan
als dagen, want dat is mogelijk. Het is het denken dat dit doet, het bewustzijn. Zo kan ik ook
niet een andere mens iets werkelijk leren of geven, een andere geest iets werkelijk leren of
geven.
En wat is de mens en wat is geest? Het is alles leven. Ik kan slechts trachten om mijn eigen
baan, datgene wat ik ben, te doen erkennen in de ander; en zo mijn wezen a. h. w. duidelijk
te maken als een vervolg van, of een vóórgaan van datgene wat de ander nog denkt te zijn.
Aan uw denken merk ik hoe moeilijk het enerzijds is dit te volgen en hoe anderen daar toch
weer zichzelf en hun eigen denken en leer in herkennen. Laat mij u dan eenvoudig wat
leringen geven, in de hoop, dat waar ik zou falen in duidelijkheid, een van de aanwezige
broeders van uw eigen groep daarop verder commentaar zal willen geven.
Het ogenblik waarop het bewustzijn van het leven in de geest of in de mens superieur is, is al
wat in het leven als verschijnsel kenbaar is, door die mens te beheersen, door die geest te
beheersen voor zover het henzelf betreft. Op het ogenblik dat de voorstelling van een
persoonlijke God plaats maakt voor een innerlijke gebondenheid met de Levende Kracht, is
Tijd op zichzelf te overbruggen en kan alles, wat door het denken ontstaat omgevormd
worden. Wie zijn denken durft en kan ontleden tot zijn ware bestanddelen, kan zijn leven
wijzigen. En daarvoor is het niet noodzakelijk, dat wij de eeuwige en onveranderlijke waarheid
36 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

van het bestaan zelve kennen. Het is voldoende wanneer wij onze eigen motieven kennen. Wie
zo eerlijk mogelijk het motief van zijn eigen daad, van zijn eigen wijze van leven en geloven
voor zich kan realiseren, maakt zich vrij van alles wat waan is. En de motivering zelf is de
snelheid waarmede hij zich op zijn baan terugbeweegt naar het Goddelijke, naar het
onbegrepen levens de eenheid.
De verdeeldheid van het “IK” gaat teloor op het ogenblik dat wij de grote eenheid erkennen.
Alle middelen, die de geest gebruikt om de mens te helpen, alle krachten die de mens, in zich
opwekt om anderen te helpen, ze zijn niets anders dan het leven zelf, dat een ogenblik wordt
gesteld boven de waan van de gedachte. Er zijn werelden - al liggen ze boven de mijne -
waarin wat gij gedachte noemt niet bestaat. Toch is er leven, waarin wat gij bewustzijn en
bewustwording noemt, terzijde wordt gegooid als de krullen die een timmerman wegveegt,
wanneer hij het hout schaaft. Onbelangrijk. En toch is er een persoonlijk bestaan, maar een
bestaan, dat zich een eenheid met het andere voelt. Wanneer ge vanuit een menselijk
standpunt moet omschrijven wat u scheidt als mensen in uw streven en in uw vermogen, dan
kunt u zeggen: gij zijt allen, een en dezelfde. Gij zijt het leven. In deze tijd, in deze vorm, in
deze wereld van u, in die gedachte van u. Maar die gedachte is schizofreen. Zij heeft zichzelf
verdeeld in velerlei facetten. Zij waant zich achtervolgd door delen van eigen wezen, zij ziet op
naar redding en zoekt die uiteindelijk ook vanuit zichzelf. Er is geen andere weg. Te weten dat
die eenheid bestaat, wil nog niet zeggen, dat ze beleefbaar is. Te goed herinner ik mij hoe zeer
je aan de eigen voorstelling van “IK” en persoonlijkheid gebonden bent, wanneer je in de stof
leeft. Maar te weten dat die eenheid, dit ongescheiden bestaan van allen, de werkelijkheid is,
die gij noemt de eeuwigheid, of cosmos, of God, kan u misschien helpen om de juiste
toestand, de juiste benadering te vinden in dit leven. Dit leven dat gij ziet als beperkt tot een
wereld, beperkt in de tijd. Gij roept uit; Maar wij zijn verlost. Hoe kan datgeen wat nimmer
gebonden is verlost worden? En wanneer iets gebonden is door zijn eigen gedachte, hoe kan
het zich anders verlossen dan door zijn gedachte te ontleden en te herzien?
De kracht van het leven, de kracht die wij allen gemeen hebben (het verschil is de gedachte
waarin wij leven) wanneer wij de gedachten richten. op eenheid - zelfs wanneer die imaginaire
eenheid is met een God die niet bestaat - dan zal er meer van het leven voor ons toegankelijk
zijn dan zal de kracht van het leven in ons sterker geopenbaard zijn; dan zullen wij de
verbondenheid, die alles tezamen maakt tot God, of het Leven, beseffen.
Zoek niet naar datgene wat u verdeelt of scheidt; laat uw gedachten nimmer gaan naar al
datgene wat u anders doet zijn dan anderen. Zoek naar datgene wat ge gemeen hebt, het
leven in uzelf en ge zult ontdekken, dat het motief waaruit de mens leeft, ontdaan van zijn
bijkomstigheden, haast altijd gelijk is. In dit motief van het leven, zoals ge dit op aarde kent,
ligt de kracht, waardoor gij uw mensheid kunt helpen; daarin ligt de wijsheid waaruit ge uw
eigen wezen kunt leren kennen. Daarin is de bron van de lering, die u gegeven wordt. De vorm
is onbelangrijk. Belangrijk is het besef.
Ik merk dat ik in mijn poging om duidelijk te zijn mij zelf herhaal. Ik hoop dat ge mij dit
vergeven zult. De les die ik probeerde u te geven is de les die wij leren aan hen, die ook in
andere sferen leven, ónder ons. Onder onze wereld of moet ik zeggen; beperkter in hun
denken dan onze wereld? En ik geef u de lering niet, opdat ge daaruit plotseling een
bewustzijn zult verkrijgen; maar in de hoop dat ge zult beseffen waarheen de weg van het
leven zelf u voert, wat de baan is die u terugvoert tot de waarlijk levende kracht wat ge kunt
en zúlt zijn wanneer het onderscheid van eigen wezen wegvalt.
En nu ik dit heb gezegd, kan ik alleen nog trachten u een zekere troost te geven. Misschien
heb ik hier en daar iets weggenomen, wat voor u heilig leek. Geloof mij wanneer ik u zeg, dat
de sferen gevormd worden door het denken van de mens en dat zelfs het leven, het leven dat
men dus in de stof ook kent, al beseft men niet wat het is gevormd wordt door de gedachten,
die men denkt.
Wanneer je ziet hoe het denken in eenheid, het denken zonder onderworpenheid of,
superioriteit je langzaam maar zeker één maakt, de rijkdom geeft, waarin je waarlijk zegt; Nu
erken ik reeds iets van mij zelf. Dan is dat een wereld die opbloeit, dat is een zonsopgang in
een wereld, die huiverde in de kilte van de nacht. En roep dan rustig tot uw God, het is niet
belangrijk, wanneer uw God maar een Kracht is van eenheid, wanneer het de kracht is die het

EK 62 - 63 37
Orde der Verdraagzamen

leven bindt en niet een die het leven scheidt. Als ge roept tot die God, dan zult ge vele
gedachten van verdeeldheid van u afzetten en daaruit licht en kracht gewinnen.
Ik zou u willen raden te denken aan een leven, waarin alle dingen bijkomstig. zijn. Ge zult niet
snel zo ver komen, dat ge in staat zijt om de gedachte, die ziekte heet, uit uw wezen te
bannen. Daarvoor is uw stoffelijke wereld met haar wetten te reëel voor u. Maar weet dat de
gedachte het doen kan. Besef dat wanneer de wereld buiten kaal en guur en winters is en uw
denken de zomer kent, de wereld u de zomer zal bieden. Want het is het denken, het bewuste
denken vooral in uw fase, die gesteund door het innerlijk wezen en het leven zelf, beheersen
kan al wat is. Dat zelfs de materie kan herboetseren, kan vervormen voor een korte wijle of
een lange tijd.
Gij meent dat gij uw wereld beleeft. Dat ge de sferen kent, de werelden waarin een gedachte
wordt tot een paleis en het vervallen van de gedachte het paleis plaats doet maken voor
spiegelende vijvers, voor grote wouden, eenzame vlakten of zelfs alleen maar de verlatenheid
van een Sterrenhemel, waarin het tintelend licht van de sterren zelf het enige, maar toch zo
werkelijke leven is, dan zult ge weten; Het denken bepaalt uw ervaren, het denken, meester
van uw lichaam en de geest, zijn en bewustzijn van het leven zelf, de kracht die je bent,
waarvan je deel bent en die deel is van jou. D. w. z. uitgrijpen over alle tijd en alle ruimte d.
w. z. elk beeld dat je wenst, scheppen en doen ondergaan. Want het wezen, dat “IK”, dat je
jezelf schept, gehoorzaamt aan elke gedachte die de harmonie van de waarheid in zich draagt.
Hoe moeilijk is het toch om een gedachte weer te geven, een gedachte, vluchtig samenstel,
waarbij het geraamte zelf vaak voortkomt uit de groei van het verleden en slechts het skelet
bekleed wordt met wat je meent te weten en te kennen omtrent je wereld in jezelf. Zo is het
ook nog in zomerlandsfeer. Zo is het in de vele sferen, waarin men lijdt in duister. Maar hoe
meer of je gaat uit de vorm hoe sterker je nadert tot dat punt, dat voor een mens
eenzaamheid lijkt, hoe inniger en intenser het contact is met het leven. Wanneer ik in mijn
wereld wil zien met mensenogen, dan zie ik met millioenen ogen tegelijk. En wanneer ik de
geuren van de aarde wil snuiven, dan heb ik de zintuigen van alle dieren en alle mensen, want
zij zijn leven en uit het leven put ik de impuls. Maar ik weet dat het waan is en daarom doe je
dit niet te vaak.
En geloof dan verder van. mij, dat zelfs zij, die vorm hebben achtergelaten om te spelen in een
wereld waarin de vervliedende gedachte de blankheid van het Licht nog een ogenblik besmet
en meer niet, behoefte hebben als gij aan de illusie, omdat het te moeilijk is om vaarwel te
zeggen aan het denken, het persoonlijk denken, dat je “IK” noemt, Denk niet dat wij wijzer
zijn dan gij. Wij zijn slechts wat verder gegaan op onze baan, we staan iets dichter bij de kern,
waarin het leven zichzelf steeds hernieuwt. Maar wij
zijn gelijk; gij, de engelen, de goden die ge kent, ik, allen zijn gelijk. Het is leven.
Wees stil en rustig in uzelf, vorm uw gedachten niet als een wapen tegen wat uw wereld u aan
verkeerds schijnt te bieden, maar schep in uzelf het beeld van de vredige wereld, die ge
verlangt, van het innerlijk licht, waaraan ge behoefte hebt, van het werkelijk Leven, dat ge
zijt. Wapen u nimmer met beelden van strijd en met beelden van waarheid en ge zult zien, dat
de grens tussen ons er een is van erkennen van vermogen, van macht of leven.
En daarmee hoop ik u een beeld gegeven te hebben van wat een andere wereld is., een wereld
die voor u misschien nu nog weinig waarde heeft en die toch eens ook uw werkelijkheid zal
zijn.
Ik neem afscheid van u en hoop dat uw vrienden commentaar zullen willen geven, zo
verduidelijkend, waar ik misschien gefaald heb.
Het is mij herhaalde malen opgevallen dat het begrip God gebruikt wordt maar het is nooit
goed gedefinieerd; mag ik het geven in de geest zoals u het gesteld hebt? God is het totaal
van in de cosmos aanwezige energie, geopenbaard en ongeopenbaard, plus de deze
energie beheersende wetten, enz. enz.
Het is fraai gesteld, maar is het nodig? Want als gij zó God omschrijft, is het dan ook niet uw
God en zal niet ieder ander het woord God toch weer anders zien? Daarom juist koos ik het
woord Leven. Leven is de honger, de drift, het bestaan, het denken en het ondergaan, dat ons
allen beheerst van begin tot einde. Leven is voor allen gelijk, maar het woord God wordt voor
allen een verschillende droom, zelfs als u het uitdrukt zoals u het deed. Vergeef me. Voor uw
wereld kan het nuttig zijn te definiëren, maar laat mij toeh terugkeren tot de eenvoud. Al wat
38 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

gij God noemt is waan. De werkelijkheid is het leven. Een ondanks het verschil van bewustzijn,
dat in dat leven bestaat. Dat is mijn geloofsartikel. Ik hoop dat ge mij zult toestaan nu heen te
gaan, opdat er nog commentaar gegeven kan worden.
Erg lastig om ik zou haast zeggen enigszins ex tempore commentaar te geven op al wat
gezegd is. Laat ik daarom allereerst stellen; Dit is het beeld van een wereld, die u ergens in
uzelf draagt en die u kunt aanvoelen, maar die voor u nog niet reëel is. En wat er over gezegd
is, is dus eerder iets waarvan u weten moet dat het bestaat, dan dat u het onmiddellijk in de
praktijk kunt brengen.
Natuurlijk, er zijn nuttige raadgevingen gegeven. Maar zelfs om die raad om te zetten tot iets
wat voor een mens bruikbaar is, moet je een zekere graad van inwijding ondergaan, moet je
iets dichter komen te staan bij dit mystieke geheel wat onze vriend Het Leven noemt en wat
wij en volgens hem dus fout heel vaak God noemen. Ieder heeft daar zijn eigen versie en
eigen opvatting van.
Onthoudt u verder nog dit; Wanneer onze vriend het heeft over zijn eigen wereld probeert hij
iets duidelijk te maken, waarvoor eigenlijk geen woorden in enige vocabulaire te vinden zijn.
Hij schetst dat heel summier. Wanneer ge de gevoelsindruk krijgt van dit leven waar alleen
maar gedachten bestaan, dan heeft hij al veel. bereikt. Probeer dit dus niet allemaal redelijk te
gaan verwerken. Dat kan haast niet. Gaat u hoogstens eens af op die paar dingen, die gezegd
zijn omtrent uw eigen wereld, en dan hebt u ook hier weer niet te maken met een lering, die
onomstotelijk wet moet zijn.
Het is het Wezen van iemand die dichter bij de werkelijkheid staat dan ik, en ook dan u, maar
wij leven in onze eigen wereld. Ik in de mijne en gij in de uwe. En aan die wereld kunnen wij
niet zo eensklaps ontsnappen.
Wanneer daar wordt gezegd dat de gedachte alles beheerst, dan is dat zeker waar; maar het is
b. v. bij u minder waar dan in zomerland, en in zomerland in de lagere sferen daarvan weer
minder waar dan in een hogere;. en hoe hoger je komt hoe meer het waar wordt, voor jezelf.
Je kunt proberen het enigszins waar te maken, maar stelt u zich heus niet voor, dat dit
onmiddellijk zo even, (zoals dat zo eenvoudig word gesteld) van de winter een zomer kan
maken. U kunt het misschien zover brengen dat uw wezen reageert op de winter alsof het
zomer ware. Maar veel verder komt u niet. De inhoud van hetgeen deze spreker heeft
gebracht is belangrijk, dat geef ik graag toe, maar haar als mens te willen toepassen zonder
eerst te beseffen hoe je werkelijk feitelijk leeft, werkt en denkt, zou dwaasheid zijn. Beschouw
het als de theorie waaruit je soms voor de praktijk iets kunt putten.
En dan moet ik nu sluiten, want meer commentaar kan en durf ik hier en daar toch eigenlijk
niet te geven. En ik wil dat doen in die sfeer waaruit onze vriend en broeder gesproken heeft,
overigens vise intermediair, maar daarmee hebben wij weinig last gehad.
Waarheid en leven en kracht zijn een en hetzelfde.
Dat is mijn God, mijn Wezen, mijn Kracht en mijn Werkelijkheid, voor mij. Wat kan het mij
deren, waar ik ben, waar ik leef en hoe ik besta, zo in mij de erkenning is van Licht, van goed,
van leven, van kracht. Vanuit je eigen wezen opbouwen het begrip van licht, vanuit je eigen
weten opbouwen de oneindigheid waarvan je zelf maar een beperkt deel bent, wil zeggen da
kracht van het Goddelijke of van het Leven zo ge wilt manifesteren in en door uzelf.
Zie het verschil tussen de beperkingen, die ge uzelf hebt opgelegd, die niet deel zijn van uw
wezen, en de waarheid van uw wezen en leef dan niet voor uzelf maar voor de anderen, voor
wie de beperking misschien een nood. zaak is.
Maak uw gedachte tot een bron van vrijheid, maak uw innerlijk tot een bron van kracht en ga
uw eigen weg, sterk en zeker, en zo ge niet kunt begrijpen, zeg alleen tot uzelf; Ik geloof. Ik
geloof in het leven of ik geloof in de almachtige God.
Ik geloof in de zin van mijn bestaan. Ik geloof in een waarheid die in mij leeft en die ik kan
openbaren. Ik geloof dat de waarheid, die ik in mij erken, vanuit mij gegeven kan worden aan
een ieder, die haar in harmonie kan aanvaarden.
Zeg tot jezelf: Van welk belang zijn namen? Wat is zelfs het begrip van eeuwigheid of van
beperkt leven van belang, zo lang ik nu zijnde, in mijzelf de band kan voelen met het Hogere?

EK 62 - 63 39
Orde der Verdraagzamen

En laat uit het Hogere, dat je in je erkent, in zuivere eenvoud, de kracht dan gaan waarmee je
aan de wereld de vreugde geeft die in jezelf bestaat. Denk niet aan jezelf, aan je rechten of
aan je eisen; bekritiseer je medemensen niet, maar tracht licht en kracht te geven zonder
voorbehoud en erken de verbondenheid met alle dingen, zó gevende.
En als ge dan mij vraagt of daar een woordpatroon voor te vinden is, kan ik alleen vanuit
mijzelf zeggen;
Leven is eenheid en eenheid is God. God is eenheid en eenheid is leven. Denkend erkennen
van leven en God is de kracht gegeven voor het openbaren van ons eigen levensdoel, de zin
van het bestaan, de kracht van het onbeperkte.
Misschien onvolkomen, maar ik kan hier slechts spreken vanuit mijzelf. Ik dank u allen voor
uw aandacht en ik hoop, dat ook deze les u iets heeft gebracht. Denk er over na, bestudeer
haar desnoods en probeer daarbij ook weer iets te voelen van wat u vandaag gevoeld hebt.
Wie weet ligt er voor u hier de sleutel tot een nog vrijer bereiken en aanvaarden juist in het
Hogere en een grotere gedachtenkracht. Dan zal het doel van deze leringen ook voor ons meer
verwerkelijkt zijn, zodat Wij de vreugde van het bereiken gezamenlijk kunnen delen.
Nummer 4
Esoterische kring.
December 1962.
Deze avond is het mijn taak met u te spreken over enkele aspecten van de esoterie en magie.
Een vorig maal heeft men u gewezen op de verschillende sterren en symbolen. Nu zou ik deze
maal gaarne met u willen spreken over de kern van het magisch werk, daarbij aan een tweede
spreker na de pauze overlatend om met u de symboliek verder te bespreken.
De magie is gebaseerd op een tweede werkelijkheid. Die tweede werkelijkheid is niet irreëel.
Voor de mens lijkt het of het een fantasiewereld is, en hij beseft niet hoe achter datgene wat
hij als werkelijkheid beschouwt, zich een alomvattende wereld zonder waan uitstrekt. Daarin
zijn alle elementen die in het eigen leven kunnen bestaan, dus ook de magische en de
esoterische, volledig en alomvattend vertegenwoordigd. De mens leeft nú bepaalde delen van
de werkelijkheid, dat is maya, de waan, en al het andere blijft voor hem onbereikbaar; óf hij
kent het niet óf hij kan niet aanvaarden.
De magiër grijpt naar de tweede werkelijkheid in deze zin, dat hij uit de Goddelijke
werkelijkheid zekere aspecten, die daar dus bestaan en volkomen reëel zijn, overbrengt in zijn
eigen wereld. Het is dus een tijdelijke aanvulling van de krachten, de mogelijkheden en de
werkingen, die in zijn eigen wereld bestaan.
De principiën, die in de eigen wereld regeren, licht en duister, vinden wij eveneens in de
magische wereld. Want alle leven is gebaseerd op teenstelling, omdat alleen binnen
tegenstellingen een uiting mogelijk is. Wanneer ik mij een figuur schep, die niet werkelijk is
voor mijn eigen wereld maar die voor mij werkelijkheid. wordt u misschien bekend onder de
naam Scheingestalt dan heb ik daarmee iets gerealiseerd vanuit een Goddelijke werkelijkheid.
Daarin bestaat die entiteit en dat wezen. Ik zal daar mijn persóónlijke aspecten aan
toekennen, maar het bestaat.
Op dezelfde wijze kan ik in mijzelve keren en trachten in mijzelf werkelijkheid te vinden. Dan
lijkt het mij soms alsof ik fantaseer of droom, want in mijzelf ligt een hele cosmos. Daaruit kies
ik die gedeelten die mij persoonlijk het beste lijken, die volgens mij waar zijn. En dan is die
waarheid eveneens strijdig met de werkelijkheid, waarin de mens leeft.
Het resultaat is duidelijk. Ook hier kies ik in mijzelf uit de werkelijkheid van mijn wezen de
beelden die in mijn wereld en bewustzijn nog niet als zodanig bestaan. Een Goddelijke
werkelijkheid wordt zodoende ook hier gerealiseerd. Helaas ontstaat er soms een strijd tussen
onze wereld :en onze persoonlijkheid en de aspecten die wij uit het Goddelijke voor ons
werkelijk maken. Dit is dan het z. g. demonische of kwade aspect.
Wanneer ik leef in een wereld van licht, kan duister mij een schaduw zijn in een ogenblik van
rust. Leef ik in een wereld van schaduw, dan zal het duister voor mij het ontvallen van alle
licht zijn; Demonisch.

40 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Zo moet een ieder uitgaan van zichzelf en bovendien moet hij begrijpen dat overal
verbindingen bestaan tussen mens en mens, wereld en wereld, kracht en kracht. Er is geen
enkel wezen in het gehele Al, dat niet door ontelbare lijnen van kracht verbonden is met
andere wezens en andere krachten in het Al. Een magiër gebruikt deze krachten.
De esotericus realiseert zich de werking van deze krachten in zichzelf. En zo ontstaat een
reeks van regels, die elk voor zich belangrijk zijn.
Allereerst; voor al wat er bestaat. is er het perfecte tegendeel aanwezig. Alle goed wat ik hier
doe. zal dóór iets wat nu voor mij kwaad is, elders in het Al gecompenseerd worden. Alle
kwaad wat ik doe wordt elders in het Al in de tijd en de ruimte, gecompenseerd door goed.
Een verandering in het werkelijk levende kan niemand tot stand brengen; De verandering in de
eigen persoonlijkheid scheppen is eveneens: ondenkbaar. Maar wij kunnen ons wel de
krachten realiseren.
Wanneer er een voorwerp is, waarmee ik een band heb, dan spreekt het tot mij. En wanneer
er een tweede voorwerp is, dat identiek is, dan spreek ik niet alleen tot een voorwerp, maar
tot elk voorwerp dat met het eerste identiek is. Wanneer ik een klank hoor, dan beluister ik
niet alleen die klank, maar alle krachten waarin die klank leeft. De oneindigheid manifesteert
zich in alle kleine dingen.
Indien ik als esotericus wil komen tot bewustzijn van mijn innerlijk wezen, dan behoef ik niet
alleen mijzelf te onderzoeken. Een dauwdruppel op een rozenblad, een zonnestraal in de nevel,
een ijskristal op mijn venster, een lotus in een maannacht, zij alle zijn deel van de
onwerkelijke en toch werkelijke wereld, die de eeuwige waarheid is. Wij kunnen ons dat niet
realiseren, maar wanneer ik in de dauwdruppel mijzelf besef, mij daarin verdiepend tot al wat
in mij leeft in overeenstemming daarmee meespreekt, dan openbaar ik meer van mijn eigen
werkelijkheid dan bij een kritisch onderzoek van mijn eigen persoonlijkheid volgens redelijke
maatstaven.
Wanneer ik als magiër een dauwdruppel neem op een rozenblad en ik werp het in een bokaal
tezamen met andere stoffen, dan heb ik niet alleen maar de chemische en organische.
substantie toegevoegd, ik heb al wat rozenblad is, al wat dauw is, toegevoegd. Essentieel en
niet slechts in uiterlijk.
De geest der dingen die de magiër gebruikt, zal zijn wereld voor de leek moeilijk toegankelijk
maken. Hij beseft maar al te weinig wat zijn werkelijke mogelijkheden zijn. Hij meent steeds
weer: ik moet een antwoord vinden, dat mijn wereld bevredigt, maar dat is niet juist. Ik moet
een antwoord vinden dat oosmisch bevredigend is en in mijn wereld manifest geopenbaard
wordt. De relatie tussen oneindigheid en tussen beperkte wereld en ruimte is in feite de gehele
kracht der magie. Wanneer gij in uzelve roept tot een hoge geest en ge spreekt zijn naam, dan
is het wel zeker dat die naam eigenlijk maar een waanbeeld is. Maar ergens in die naam ligt
een essentiële trilling. Ergens in die naam schuilt datgene wat u met die geest verbindt. Er is
een echo uit de oneindigheid. De ervaring van deze echo is belangrijk. Om de belangrijkheid
echter op de juiste wijze te zien moet de mens zich bewust zijn van zijn eigen persoonlijkheid.
Niet in een volledig kennen van alle aspecten, die in hem bestaan, maar in een ruwe schets,
een grondlijn. En deze grondlijn is voor de esotericus en de magiër praktisch gelijk
hanteerbaar.
Gij zijt als mens een dier. Dat wil niet zeggen, dat gij een beest zijt, dat uw mentaliteit
beestachtig of dierlijk is. Maar uw wezen zelf beantwoordt aan dezelfde structuur aan dezelfde
natuurlijke krachten als die van alle dieren die met u verwant zijn. Alle vertibraten praktisch.
Gij zijt dier en als dier leven in u de dierlijke harmonieën. Dat is niet alleen maar honger en
dorst, maar dat is ook de invloed van DE ZON en van de regen; dat is de sfeer van een woud,
de dreiging van iets wat komen gaat en toch niet. komt, zoals elk dier dit ondergaat.
Instinctieve wereld waarin ge u beweegt. Dan hebt ge daarnaast uw denken. Uw denken is het
samenvoegen van de feiten tot een beeld waardoor ge beredeneert en beheerst. Het
ontwikkelen van een toekomstbeeld dat niet slechts enkele details, maar misschien zelfs het.
lot van een wereld omvat, is denken. Hierbij gaat ge uit van uw ervaringen, van hetgeen gij
geleerd hebt. En daarmee probeert ge u een beeld te maken van uzelf, maar dat is niet juist.
Want ge laat juist daarbij de dierlijke harmonische verschijnselen buiten beschouwing. En zo

EK 62 - 63 41
Orde der Verdraagzamen

goed als men de sterk lichamelijke invloed bij de mens pleegt te onderschatten, zo onder of
overschat mende inwerking van de geest zelf.
Want in de mens is de kern als in het dier de geest. Deze geest leeft vanuit een andere sfeer,
een andere Wereld. Zij staat dichter bij de grote werkelijkheid dan de stof, omdat zij minder
beperkt is in tijd en in
duur en in leven. Maar ervaringen hebben niets meer te maken net de realiteit van de mens of
met zijn redelijk beeld. Zij hebben te maken. Met een werkelijkheid die groter is. En daarom
kan de geest vaak door het verstand moeilijk verstaan worden. En wanneer geest en lichaam
gezamenlijk tegen het weerstand in opstand komen, dan zien wij mensen die daarmee ten
onder dreigen te gaan, die niet begrijpen dat wat zij moeten zoeken niet is de redelijke
verklaring, maar in de eerste plaats de harmonie. Zolang een mens esoterisch streeft, zal hij
moeten trachten een eenheid van geestelijk leven, van denken en stoffelijk leven tot stand te
brengen. Deze eenheid is hem belangrijker dan een redelijke verklaring of een oordeel. Slechts
een mens die een geheel is kan in zijn geheel reageren op wat rond hem is.
Wanneer deze de dauwdruppel op het rozenblad beziet, dan is daar het lichaam met zijn eigen
reactie op de dauw als frisheid, als glinstering. Als haast hypnotiserende schittering misschien.
Maar de zachte teint van het rozenblad, de geur die er nog een ogenblik zweeft, deze dingen
tezamen zijn niet in de beschouwing opgenomen. Zij worden ondergaan.
Het dierlijke erkent zijn wereld zonder het te beredeneren, maar dan komt de gedachte en de
gedachte ziet de roos, waaruit het blad is gekomen. Hij ziet de wolken, die langzaam op de
aarde zijn neergedaald en daar optrekkend, de gronddamp met zich meenemende, de
dauwdruppel hebben achtergelaten. Hij ziet het proces, hij begrijpt de schoonheid ervan,
overziet hoe vele rozen er op de wereld zullen zijn, die ook het blad laten vallen, een blad
waarop een dauwdruppel ligt.
De geest erkent de levensessence van de roos en lager leven samengetrokken in het
bewustzijn van een groepsgeest, sprekende van strijd zo goed als van schoonheid. De geest
erkent in de wolken een reeks van elementaire wezens, die in de nevel spelen, denken en
streven, niet aan de mens verwant, maar toch levende natuurkracht. En de geest ziet zo een
beeld van een deel der oneindigheid.
Wanneer nu de impulsen van de stof, de impulsen van de geest, samenvloeien met het beeld
van het verstand, dan staat daar voor het “IK” in de meditatie plotseling de groepsgeest
waaruit alle rozen ontstaan zijn. Een lichtend Wezen dat speels manipuleert met de erfelijkheid
om steeds andere en nieuwe vormen voort te brengen. Hij ziet de krachten die heersen over
de kleine dienaren van de natuur. Hij staat tegenover grote lichtende geesten en hij ontdekt
hoezeer hij met hen verwant is en waar hij van hen verschilt en hij erkent zichzelf.
En de magiër die niet beseft hoe de band is tussen dierlijk lichaam en verstand en de ziel en
haar geest, ach, deze zal trachten met alleen stoffelijke middelen te werken. En hem ontgaat
de geheimzinnige uitstraling van een plant die nodig is voor zijn bezwering. Hij erkent niet de
magische resonnance van het ene woord die doorklinkt en desnoods rotsen verbrijzelt. Hij
erkent het niet. Want hij wil alleen beredeneren.
Maar het lichaam met zijn aanvoelen zal zuiverder de waarden van b. v. een rots in zich
erkennen, daardoor zuiverder afstemmen dan ooit het verstand kan doen. En de geest erkent
in zich de gebondenheid met de krachten, waaruit de aarde is geboren; de kleine geesten die
leven, gebonden met bergen en dalen, met rivieren die wonen in bomen en planten, maar ook
de grote geesten die leiding geven Tot hen roept de geest, en de stof geeft de klank waarmee
hij roept. Het verstand voegt deze beide samen tot een werktuig.
Hier ligt dan voor het belangrijke beeld van de innerlijke harmonie, de samenklank van de
delen van eigen wezen. Wie een van die delen ontkent, wie er zich voor schaamt dat hij
lichamelijk dier is, of wie er zich op beroept dat hij alleen geest is en het verstand uitschakelt,
zij zijn dwazen, zij bereiken niets. Hun eenzijdigheid ontneemt hen de mogelijkheid de
geestelijke kracht werkzaam te doen worden. Zij ontnemen zich de mogelijkheid het stoffelijk
gebeuren, de instincten en het. aanvoelen om te zetten tot een werktuig, waarmee hij in de
geest kan werken.

42 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Wanneer ge dit beseft, zult ge ook begrijpen, dat de magische banden, de harmonische
contacten van groepen en stralen en meesters tezamen moeten komen in een vast patroon,
dat toch altijd persoonlijk is.
Men heeft wel eens geprobeerd een boekwerk te schrijven over die magie. Daarin heeft men
alle recepten opgesomd en gezegd hoe men een geest oproept op een kruising van wegen, hoe
men een demon bezweert binnen de gesloten cirkel van het pentagram. Men heeft
neergeschreven hoe men doden opwekt en hoe men zieken geneest. Hoe men dood of leven
geboren doet worden en hoe men tijdelijk de illusie werkelijk maakt voor een ieder die er in
betrokken is.
Maar de mensen kunnen deze dingen niet doen. Een enkeling slaagt er in en hij zegt; dit boek
is groot en goed. Anderen proberen het 1000 x en zij slagen niet en zij zeggen; dat boek is
verkeerd, het is dwaas en onzin. Maar die enkelen die slagen hebben de persoonlijkheid een
persoonlijke sleutel die dicht ligt bij het recept, waardoor de kleine onbewuste variatie van zo’n
voorschrift voldoende is om het voor hen tot een persoonlijke sleutel te maken, tot machten
en krachten.
Degenen die niet slagen moeten beseffen, dat het hun wezen is, dat niet is aangepast aan het
recept, aan het voorschrift. Het is net niet-bestaan van de krachten, maar het niet-instellen
van jezelf op deze krachten. Wanneer u werkt met deze dingen dan realiseert u zich al snel,
dat het alleen van uzelf moet komen. Ge hebt een eigen neiging, een eigen denken. De een
werkt met sympathische magie, d. w. z. hij gebruikt overeenkomsten van mens en wezen, hij
gebruikt identifkatieverschijnselen, tussen een voorstelling en een werkelijkheid en kan
inderdaad zo veel tot stand brengen.
Een ander echter kan niet met deze vaak meer op tastzin en het visuele gebouwde waarden
werken. Hij Werkt met incantatie. Maar een incantatie, een beeld, of een tekening, een
voorstelling moeten voor míj zin hebben.
Wanneer ik denk aan de Grootgoddelijke krachten en het heeft voor mij geen zin, dan kan ik
alle machtswoorden uitspreken, die de eeuwigheid ooit gekend heeft, maar voor mij zijn zij
geen sleutel. Wanneer ik grijp naar een incantatie en zij leeft niet zo sterk in mij, dat het is als
een stroom, die haar boeien en ketenen slaakt, het denken doorbreekt en bruisend, schuimend
uitgaat, om in een roes van klank en begrip de sterkte te wekken die in mij leeft, dan is de
incantatie waardeloos.
En Wanneer ik 10000 x een beeldje naak, een poppetje maak, een foto zie en ik zeg dat is een
mens en ik kan mij er niet mee identificeren, dan blijven het gescheiden waarden. Ik moet
uitgaan van de band. De band die bestaat tussen mij en alle andere dingen.
En nu komt er voor u een reeks van dingen, waarin er een zonderlinge werking mogelijk is. Gij
kunt misschien uzelf hervinden in deze dagen. Ge kunt ook misschien falen. Wat ge moet
vinden is de sleutel van uw persoonlijkheid. Er zijn lichtende krachten en de lichtende kracht
kan worden gemaakt tot al wat ge wilt. Wanneer ge de lichtende kracht zegt; Gij zijt een
tijger, ga uit en ga op het spoor van het Kwaad, en verdelg het, zo is het een tijger, die
uitgaat.
Wanneer ge tot het licht zegt; Wees als een bliksemschicht, die leven brengt in deze, die dood
schijnt te zijn, het wekt op tot leven.
Maar gij, gij moet de sleutel kennen tot het licht. Gij moet het licht in uzelf verwerkelijken en
gij moet het middel weten waardoor het van u kan uitgaan. Daarbij zijt ge zelf beheerst, maar
de kracht die van u uitga. at mag niet beheerst worden. Een dwaas is het die DE ZON wil
berijden als een paard, wanneer zij haar baan rond de aarde maakt., Een dwaas is het die
tracht de stroomwind aan zijn wagen te koppelen, om daardoor getrokken te worden,
nietwaar?
Hoe dwaas is dan niet de mens die tracht om de krachten van de eeuwigheid in de beperkte
ban van zijn Wezen te drukken. Dat is onmogelijk. Ge kunt het eeuwige niet binden, noch met
begrip. Wanneer ge innerlijk opgaat noch met uw wil alleen. Gij kunt de kracht richten, ge
kunt bepalen waar die kracht vanuit u zal uittreden en hóe, maar ge kunt niet bepalen hoe dit
uittreden zich verder voltrekt. Hierdoor is het mij natuurlijk zeer moeilijk u directe beelden te

EK 62 - 63 43
Orde der Verdraagzamen

geven van alles wat samenhangt met dit dirigeren en dit leiden van krachten, dit oproepen van
krachten.
Wanneer ik dit doe, geldt dan ook een voorbehoud dat wij reeds eerder als ik mij niet vergis in
deze cursus hebben gemaakt, n. l. dat ge alle experimenten waarvan ge u niet zeker voelt,
zult moeten nalaten. Wanneer ge experimenteert, zullen we u helpen waar het kan, maar het
risico is voor u. En voor mijzelf maak ik nog het voorbehoud; ik geef u algemeen aanvaarde
krachten en formules, maar ge moet zelf de weg zoeken waarop zij voor u tot kracht en
formule kunnen zijn.
En dan wil ik eerst iets vertellen over de wijze waarop men een kracht voor zich tracht te
roepen. Wanneer ik een kracht roep dan begin ik altijd mij deze Kracht voor te stellen. Zeg ik;
Roep de kracht van DE ZON of hoe gij hem noemen wilt; Adonai, Akheios, dan moet ge u die
zon voorstellen als een lichtende kracht en dan spreekt ge tot die zon.
Gij, Kracht van Licht, Gij, Die de aarde licht en vruchtbaarheid schenkt, Tot U spreek ik Adonai
(of Akheios of hoe ge Hem noemen wilt)
Hoor mij aan. (want ik moet een contact hebben) Spreek tot mij uit Uw Kracht en zo ge
magische aanleg hebt zult ge zeggen
Zendt mij Uw geliefde dienaren.
En dan noemt gij een paar dienaren, als ge ze kent en als ge ze niet kent, dan zegt ge alleen;
Zendt mij Uw krachten en Uw dienaren, opdat de taak des lichts in mij vervuld worde.
Daar begint gij mee. Gij moet het beeld hebben, ge moet weten waar ge u tot. richt. Uw “IK”
moet a. h. w. lichamelijk de siddering ondergaan van hetgeen uw verstand noodzakelijk heeft
geacht. En uw geest moet uitreiken tot zij ergens in de oneindigheid dit contact gevonden
heeft. En als wij het contact hebben gevonden, als ergens de siddering spreekt, dan wordt het
zaak om te bepalen.
Gij, o dienaren van het Grote Licht, dat God in de dag aan de hemel stelt,
Hoort mij en luistert naar mijn woorden, In de naam van Hem, Die u regeert, Adonai (of hoe u
Hem noemen wilt) zeg ik U,
Hoort mijn woorden goedgunstig aan. Draag mij de krachten van Uw meester toe. Kom tot mij
en help mij mijn taak te voleinden.
Dat is logisch. Gij hebt DE ZON, gij betrekt de krachten er nu in; want gij weet, die zon zelf zal
zich hier niet volledig kunnen openbaren. Maar er zijn de krachten die meer harmonisch met
mij zijn, die meer in mijn wezen kunnen inwerken.
En nu ik alles heb voorbereid komt mijn feitelijke incantatie. Nu heb ik hier die lichtende ZON
en dat is voor mij een directe gezant Gods,
Gij zo’n, Gij parel aan de kroon der hemelen,
Gij glans van licht, waaruit de Eeuwige weerkaatst in deze wereld van schijn Zijn
werkelijkheid,
Zendt mij Uw krachten, zendt mij Uw boden en dienaren en geef mij de krachten des Lichts,
opdat ik….
en dan vult ge verder maar de formule aan.
Een ieder gebruikt zijn eigen formulering. De een spreekt tot Brahma. Gij scheppend geweld, U
bewust van Uw wezen in het duister, vorm met Uw gedachten de kracht die tot mij komt. De
ander spreekt tot Brahman.
Gij, verborgene en niet-geuite, uit wie alle krachten voorkomen in licht en duister, omvaam
mijn wezen.
Een ieder spreekt zoals het bij hem hoort. Zoals de sleutel van zijn wezen is, zo incanteert hij.
Want in die incantatie schept hij een band. En wanneer de relatie duidelijk begint te worden,
dan vindt hij vanzelf ook het symbool. Sommigen tekenen een sterrenhemel in een tempel.
Een ander neemt een klein voorwerp dat schoon is in zijn ogen, een schaal met water
misschien van gedreven koper. Een vijver, die de lucht weerspiegelt. Iets wat hem lief en

44 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

dierbaar is. En hij zegt: Kijk, dat is mijn band met het Eeuwige. En hij beschouwt dit en in hem
vormen weer dezelfde krachten, weer gaat het zoeken uit en hij maakt nu plotseling een
verbinding, waarbij het voorwerp zichtbaar in zijn wereld wordt.
Tot het ritueel, de handeling elk naar eigen aard en geneigdheid hem zegt; Hier is dus de
kracht. Nu ik het voor mij zie en ik het beschouw, nu verdiep ik mijzelf daarin. En in mijn
wezen is de kracht en ik voel, dat ze in mij werkt en er komt een ogenblik, dat ik mij voel als
een God en ik alle dingen kan doen. Ik kan niet zeggen; hoe goed is het zo te zijn. Maar te
zeggen; Laat alle kracht die in mij is van mij uitgaan tot dit éne doel. Dat is de grote kunst van
de magiër, de witmagiër.
En de esotericus?
De esotericus grijpt ook uit naar het Hogere. Maar hij spreekt niet incanterend tot DE ZON;
zend mij uw dienaren. Maar hij zegt; Gij, Licht van DE ZON, maakt gij helder wat duister is in
mijn wezen, openbaar mij de verborgenheden, die ik niet besef. Wees mij de wijsheid, die mij
ontbreekt. Zend mij Uw dienaren en Uw kracht, laat ze inwerken in mij. U beschouwend, o
zon, zie ik het gouden licht van de eeuwigheid weerkaatst in de tijd.
En dan denkt hij aan die zon en hij ziet die zon in zichzelf opgaan over zijn wereld van innerlijk
weten. Dan ziet hij plotseling de moeilijkheden en de tuinen, de rotsblokken, maar ook de
schoonheid, die in hem leeft. Dan kan hij zeggen; ziet, dit is kostbaar. Een esotericus is als
een goede tuinman. Wanneer er een kostbare plant staat, dan maakt hij rondom zorgvuldig de
aarde vrij. Hij brengt daar de most aan, die voor de esotericus is de overpeinzing, de
meditatie. Rond dit ene punt, opdat. deze ene plant haar voile rijpheid moge bewaren. En zo
manifesteert hij in zichzelf maar een facet van zijn wezen, maar in dit facet spreekt de
eeuwige kracht. Vanuit dit ene punt, dat volontwikkeld is, wordt het mogelijk de wildernis te
overzien. Zoals een boom, die tot rijpheid komt en hoog uittorenend boven de wildernis het
mogelijk maakt hem, die haar beklimt, rond te zien. Te zien waar de grenzen van de wildernis
zijn en hoe de stromen gaan.
Zo zoekt de esotericus ook in verbondenheid met een kracht zijn weg. Zo kunt ge dan
incanteren, gij kunt mediteren. Maar ge kunt meer doen. Wanneer ge in uzelf een waarheid
ontdekt hebt, dan is ze zo vluchtig. Zo snel is zij heen als de wiekslag Van een vlinder.
Waarom dan niet een lijn getekend? Gegrift in hout of steen, getekend op perkament of
papier. Een enkele lijn, die aangeeft hoe de weg was van uw gedachten. Een landkaart van uw
innerlijk Wezen. Mediteer, zie naar de beweging. De beweging die lijnen werpt. Laat uw wezen
de beweging meemaken en ge vindt dezelfde tuinen terug, dezelfde plaats, dezelfde weg.
Teken een landkaart van uw wezen. Noem het een symbool, noem het een zegel, noem het
alleen een tekening die abstract is. Als het de weg is die ge in uzelf hebt. gevonden, dan zal
het volgen van de lijn na lijn in u doen herontstaan wat ge reeds wist.
Gij zult dan in staat zijn steeds meer van uw eigen wezen te weten; steeds zuiverder te
beseffen, hoe ge het meest kostbare in uw ik kunt beschermen en verheffen. Daardoor zult ge
beseffen hoe ge beter kunt komen tot contact innerlijk met die hoge krachten waarmee ge
verwant zijt.
Als magiër doet ge hetzelfde. Als magiër zet ge de lijnen uit en ge zet de symbolen uit.
Misschien neemt ge een reeks van voorwerpen en stelt ze in een bepaalde volgorde op. Niet
dat die voorwerpen magisch of belangrijk zijn, maar omdat zij gezamenlijk voor u ten weg
betekenen naar een kracht.
Waarom dacht ge dat de magiër soms zo zorgvuldig zijn lampen zoekt? De een moet de vorm
hebben van een zwaan, de tweede van een vorst, de derde moet rechtlijnig zijn en de vierde
een kloosterling, die het licht in de holle hand draagt. Waarom? Omdat deze dingen
geassocieerd zijn met zijn Wezen.
Wanneer gij een aantal krachten in uzelf kent en ge ziet als symbool daarvan heel eenvoudig
een speld, een klein stukje hout, een klein stukje krijt, een kristallen kraal, dan hebt ge dus
punten van uw wezen, dat zijn associaties. Het is iets wat in u bestaat, het is een innerlijke
kracht.
Uw lichaam ziet deze dingen, ze tast ze a.h.w. af. Zij hebben een betekenis maar die betekenis
is vaag, ze is instinctief. En nu ga ik ze groeperen en hergroeperen en zo ontstaat een patroon.

EK 62 - 63 45
Orde der Verdraagzamen

En vreemd, op de een of andere manier boeit het mij. Zoals een kind soms speelt met blokken
en kralen en duizend keer hetzelfde patroon opbouwt tot een volwassene denkt dat het kind
dwaas is omdat het niet beter weet.
Speel rustig met uw symbolen maar bouw ze op. Bouw ze op totdat ze de weg aangeven, die
uw wezen sensueel a.h.w. door de voorstelling, maar gelijktijdig mentaal door het begrip van
wat eraan verbonden is, en geestelijk door de harmonie die is uitgebeeld, gebruiken kan om te
ontvluchten aan de beperking van de wereld van tijd en ruirite om even uit die Goddelijke
werkelijkheid de kracht te putten die noodzakelijk is.
Waarom zoudt ge uzelf te goed achten voor dergelijke dingen? Ik weet dat men lacht over de
oude priesters van China, de oude bedelaars van India, de oude priesters en gewijden van uw
eigen tijd en land of van een ver verleden, wanneer zij b.v. de knoken werpen of de
orakelstokken. Maar wat ge niet weet is dit. Deze dingen op zich, zij hebben niet te maken met
een duiding van het orakel alleen. Het zijn niet de ogen van dobbelstenen, de val van stokjes
alleen, die bepalen. Neen, het toeval, het ogenblik nu wordt uitgedrukt in het werpen van het
orakel. Daarom dient het snel en vastbesloten te geschieden, eenmaal. Dan gaat de geest
volgen, de weg van erkende symbolen, en vindt een deel van de oneindigheid en realiseert
zich dit en zegt: daarom zijn die krachten werkzaam.
Er zijn er velen die de zin daarvan verloren hebben, maar wanneer gij bepaalde
associatiepunten hebt, hetzij kleine voorwerpen, en ge wilt het heden zien, werp ze een keer
uit en laat uw geest die weg dwalen, zoals zij daar getekend is. Van beeld naar beeld, van
facet tot facet.
Ge zult zien, vrienden, dat in u ook een beeld rijst van een toekomst. Want ook gij kunt langs
de symboolpunten, die de weg van uw geest bepalen met ergens de harmonie van een grote
werkelijkheid, het lot nagaan. Het is geen zwarte magie, het is ook geen witte magie. Het is
eenvoudig een weg en wie haar goed gebruikt put er licht uit, en wie haar verkeerd gebruikt,
put er duister uit.
Zo zijn er 1000 en 1 mogelijkheden. Wanneer gij een mens aanziet en ge kunt een ogenblik
uw verstand uitschakelen, gewoon, ge laat het lichaam ontvangen wat het lichaam ontvangen
moet, de aura wat de aura ontvangen moet, ge laat de geest achter op het gebied dat van de
geest is, dan ontstaat er een beeld; dan ziet ge een mens en ge zegt; Ah, gij zijt ziek. Ach, er
is een overledene bij u. Of gij zegt; gij zijt zoeven aan een groot gevaar ontsnapt. Gij leest
gedachten, gij kent de toekomst, gij leest het wezen, gij ziet oorzaken en kwalen uit verleden
en toekomst al tesamen in dat ene wezen. Waarom? Omdat het verstand dan interpreteert wat
de mededelingen hebben gegeven, sensorisch werd waargenomen op geestelijk terrein, op
materieel terrein. Dit vloeide samen in de rede en de rede kon er een beeld van maken. Zo
kan men leren om mensen te lezen en dat is magie. Want als gij tot uzelve keert en ge laat de
stemmen van uw stoffelijk voertuig, de stem van uw geest in uzelf werken en ge probeert niet
om bewust te denken en te rationaliseren, een beeld te vormen of te verklaren, dan vrienden,
dan wordt er spontaan een gedachte geboren. Een symbool, je weet niet wat het betekent. Je
ziet een kerk, een beeld, je ziet een altaar of een boom, je ziet alle dingen en die voorstelling
begint dan langzaam te spreken en ge gaat van daaruit verder borduren. Maar voor je het
weet heb je ergens een punt van wijsheid aangeroerd, waar je innerlijk wezen op reageert. Je
gedachten zijn harmonisch met je hele wezen.
Er zijn veel mensen die een verschil maken tussen gedachten en gedachten. Er zijn magiërs b.
v die iemand die deel neemt aan hun ritueel, verbieden om te denken aan bepaalde dingen, en
dan mislijkt het altijd. Want het verbodene trekt de gedachten van de mens. Er zijn esoterci
die zeggen; ge moogt aan niets denken dan aan mij of aan een gemeenschappelijk onderwerp.
Gij moest uw woorden kuisen en zuiveren tot ze alleen nog een weergave zijn van die
harmonie en die melodie, die ik u heb voorgesproken.
Maar dat is dwaasheid want dat kunt ge niet. Gij kunt niet zeggen; ervaar. Maar in het
ervaren; ken uw doel. Laat niet uw denken bepalend zijn; laat de indruk die gij krijgt de
gedachten vormen en niet omgekeerd. Dan immers zult ge dichter bij de waarheid staan. Dan
zult ge dus ook beter begrijpen hoe ge een medemens kunt helpen. Dan zult ge begrijpen
waar hulp mogelijk is en waar die niet goed is. Ge zult begrijpen waar sprake is van een
beproeving en een inwijding of alleen van dwaasheid. Gij kunt inzien wat gebeurt. En omdat ge

46 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

weet wat gebeurt, kunt ge ook de kracht zoeken, die harmonisch is. Dat kunt ge het beste
doen.
En voor uzelf? Wanneer ge voor uzelf weet welke voorstellingen er in u leven en ge gaat die
voorstellingen niet dwingen in de nauwe vorm waar ge ze instampt als iemand die stenen
vormt, maar ge laat ze gewoon gaan vanuit een symbool, dan ontwikkelt zich in uzelf het
eigen wezen. De mens denkt dat in het menselijk leven magie eigenlijk iets buitengewoons is.
Dat esoterie eigenlijk boven de norm ligt.
Elke mens die niet zijn gedachten gebruikt als enige maatstaf voor zijn bestaan, kent magie en
kent esoterie. Wanneer wij leven, vrienden, wanneer wij bidden. Wanneer wij denken,
wanneer wij wanhopig zijn, wanneer de angst de leden voortjaagt of doet verstijven, wanneer
de vreugde een ogenblik de beheersing van elke spier doet wegvallen, dan nog leeft ge in
waarheid, maar in een grotere waarheid dan uw eigene. En laat uw gevormde gedachte die
kracht dan opvangen en richten. Want ge hebt uw magie, ge hebt uw bewustwording, uw
innerlijke stuwkracht.
Ik wil nu gaan besluiten, maar ik kan dat niet doen zonder u te wijzen op onze eigen wereld.
Onze wereld is ook een deel van de werkelijkheid, maar niet het geheel. Evenals uw wereld.
Onze wereld is misschien groter en wij kunnen vanuit onze wereld vaak gemakkelijker
opstijgen. Wij zijn lichter, wij dansen op speldenspitsen, zoals gij op grashalmen, nietwaar. Gij
zijt zwaar, voor u is dat pijnlijk, voor ons niet. Maar dat is het grootste verschil.
Onze werelden verschillen niet zoveel. En nu moet ge goed begrijpen. Een ieder die leeft in de
geest, ongeacht de wereld waarin hij leeft, kan contact opnemen met de stof. En een ieder in
de stof kan, wanneer hij bewust is van die werkelijkheid van de geest, contact opnemen met
de geest, onverschillig hoe, wanneer, waarom. Het is de innerlijke kennis, het bewustzijn, dat
het contact tussen Uw wereld en de mijne bepaalt. Wanneer ge hulp van de geest nodig hebt
dan is het niet noodzakelijk om eerst naar een medium te gaan of zelfs om te zien of te horen.
Wanneer ge de kracht in uzelf laat opwellen, door alleen maar te denken aan die sfeer, totdat
ge ergens het symbool vindt dat die sfeer voor u uitdrukt hebt dan hebt ge de sleutel. Dan
kunt ge spreken met die geest, ook al denkt ge misschien alleen dat ge met uzelf spreekt, Dan
kunt ge lezen in de toekomst, ook al denkt ge alleen maar dat ge fantaseert. Dan zijn de
wegen van de sfeer, duister of licht, voor u open. Dan kunt gij een geest helpen, ook zonder
middel, zonder middenstuk, zonder geleider van onze kant, zonder medium van uw kant. Want
dan kunt ge a. h. w. ingaan tot die wereld en daar uw kracht tonen, uw wezen tonen en
werken.
Er zijn geen feitelijke grenzen tussen uw wereld en de onze, zomin als er werkelijke grenzen
zijn tussen de natuurgeesten, die rond u soms nog zijn, en uw eigen menselijke wereld.
Alle dingen vanaf de laagste geestelijke kracht tot de hoogste Goddelijke kracht is bereikbaar.
Maar in onszelf moeten wij de sleutel vinden.
Alle hulpmiddelen die wij gebruiken, alle middelen die ons afhankelijk maken van een ander,
zijn tenslotte maar vervanging en vaak ook een gevaar voor luiheid en vertraging.
Zelf te werken in uw wereld is het beste wat wij kunnen doen. Voor u om zelf contact op te
nemen met onze wereld is het beste wat ge kunt doen. Te werken met de geest en de
krachten van de geest wil niet alleen zeggen geschenken krijgen, dat wil zeggen een sleutel
vinden, waardoor ge bewust kunt werken als deel van een andere wereld.
Leer daarom, vrienden, uzelf te mediteren; niet alleen over de geest maar vooral over de
kracht van de geest; het symbool wat die wereld voor u is.
En wanneer ge dat symbool kent, gebruik dat symbool zoals ik u beschreven heb, als een
sleutel tot een nieuwe Wereld. Dan is het voor u misschien een slang, een kruis, zoals eens
voor Mozes in de woestijn, toen zijn volk ziek was. Of het is de gekruiste slang, de
gestrengelde slang van het slangenvuur, die men later om de staf van Esculapius heeft doen
kronkelen.
Misschien is het een eenvoudig kruis of een cirkel, misschien is het een landschap, of een stuk
van een melodie. Het maakt geen verschil uit wat de sleutel is.

EK 62 - 63 47
Orde der Verdraagzamen

De sleutel is de harmonie der relatie tussen uw wereld en de onze, waardoor het bewustzijn,
deel te hebben aan een wereld, waaraan het verstand geen deel kan hebben.
En wanneer ge ooit roepen wilt tot de geest, tot een kracht of tot God, besef wel; wie spreekt
tot kleine krachten dient voor te bereiden, wat hij zegt. Wie spreekt tot de grootste kracht
doet er voldoende aan alleen het symbool van die kracht, zoals het in hen leeft, uit te zenden,
een flits van een duizendste seconde, een ogenblik dat het beeld de ban breekt van het stof
gebonden zijn en de kracht is er. Het is aan u om die kracht te leiden, zowel voor uw eigen
bewustwording als ten dienste en ten behoeve van anderen.
Daarmede is mijn bijdrage voor heden, vrienden, ten einde. Ik hoop dat de eenvoud van mijn
woorden in uw ogen niet tekort heeft gedaan aan de diepe betekenis ervan.

SYMBOLEN EN SYMBOLIEK
Zoals u uit het betoog van de eerste spreker van hedenavond hebt kunnen opmaken, is dus
symboliek vaak van buitengewoon groot belang. Daarbij hebben we te maken met persoonlijke
symbolen en daarnaast met algemeen gangbare of algemene symbolen. Zo kunnen we b. v.
stellen dat het Christuskruis dus met de langere arm naar onder toe een algemeen symbool is.
Het vreemde echter is, dat wij ditzelfde kruis in vele varianten kennen en dat deze meestal het
symbool zijn van kleinere groepen en zelfs persoonlijke symbolen.
U zult u afvragen; wat is het verschil, wat is de betekenis hiervan? Elk van ons heeft zijn eigen
plaats in het Heelal (dat weet u natuurlijk allemaal al maar ik moet het erbij vertellen). Die
eigen plaats houdt in, dat op het ogenblik dat de volmaaktheid bereikt wordt, de relatie met
alle delen van het Al volledig evenwichtigheid is. En nu zou je dus kunnen zeggen: een
gelijkarmig kruis - een z. g. Andreaskruis kan het dus ook zijn - is wel een volmaakte
uitdrukking, vooral wanneer het in een cirkel staat. Het toont aan dat je dus de
evenwichtigheid, de gelijkheid nastreeft.
Bij een Christuskruis daarentegen zeg je; wij zijn in het stoffelijke gebonden, wij moeten
vanuit het stoffelijke omhoogstreven. Het extra stukje dat erbij komt aan de onderste arm is
dan om aan te geven hoever we ons moeten vrijmaken van het algemeen stoffelijke, woordat
wij aan de gelijkwaardigheid van de eeuwigheid toe zijn.
Zo heeft ieder zijn eigen symboliek; bij de een vinden wij de swastika dat is zoals u weet niet
alleen nationaalsocialistisch, het is een heel oud symbool, wij vinden zonneraderen, wij vinden
z. g. gesloten kruiscirkels, enz.
Wanneer ik voor mijzelf een dergelijk symbool kies, dan doe ik dit voor een groot gedeelte
vanuit een persoonlijke voorkeur. En nu zien wij het vreemde, dat iemand b. v. een swastika
kiest omdat hij bij de Hindoes thuishoort. Hij kiest echter die swastika niet met de evenredige
armen, zoals men die elders ziet die een perfecte draai, een zonnerad aangeeft neen, hij
tekent ze onevenwijdig. B. v. op de horizontale as tekent hij ze iets korter dan op de vertkale
as. Zo geeft hij aan, dat in hemzelf dus de nadruk op een bepaald vlak ligt. En wanneer bij
hem de vertkale lijn de langste armen heeft, dan geeft hij toe dat hierin voor hem de meeste
onevenwichtigheden voorkomen. Hij weet het zelf niet, maar zo denkt hij erover. Die symbolen
zijn dus eigenlijk de vaak onbewuste uitdrukking van wat men zou kunnen noemen het
menselijk denken.
Een mens heeft n. l. de behoefte om bepaalde waarden uit te drukken. Hij kan dit ook doen in
woorden. Wij vinden randschriften in heel veel zegels ook bij persoonlijke zegels die b. v. in
potjeslatijn zijn gesteld; of alleen maar gewoon in de landstaal.
Hier in Nederland zou je je dus een zegel kunnen voorstellen, waarin staats de Here (of Jahwe
of Adonai) zegene dit huis en bescherme het. Een beschermzegel dus. Hier wordt het woord de
uitdrukking van een gedachtebeeld. Dit gedachtebeeld is bestemd dat moeten wij goed
onthouden.
Want elk symbool, dat algemeen is, kent zijn bestemming in de algemene leer. Als ik het kruis
zie, dan is de bestemming daarvan gelegen in de evangelieën. Wil ik dat terugbrengen tot het
minimum, dan zal ik daar b.v. een randschrift kunnen omzetten van; Bemint uw naaste gelijk
uzelve.

48 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Wanneer ik een meer persoonlijk zegel of een beperkte groepszegel heb, dan moet ik dus
ergens, aangeven waarom het gaat. Het symbool is nooit volledig wanneer het geen
randschrift heeft, hetzij idieel, hetzij reëel. Want het denken dat de omgrenzing is van het
symbool (en de betekenis ervan) is voor ons gelijktijdig het richtinggevende van de kracht, die
wij in het symbool zoeken.
U moet zich voorstellen; elke persoonlijke zegel, dat gecentreerd is, d. w. z. evenwichtig om
het middelpunt van een cirkel, wordt genoemd een z. g. cosmisch symbool. Elk zegel waarin
het middelpunt ligt buiten het middelpunt van de cirkel (dus excentrisch wordt getekend) is
een z. g. wereld symbool. Want we onderscheiden ook hierin de dingen die eeuwig zijn (de
waarden die eeuwig zijn), en speciaal iets, dat wij in de tijd zoeken. Ik wil u een eenvoudig
voorbeeld geven.
Stel, u wilt een amulet tekenen, een zegel weergeven van uw eigen persoonlijk leven en u
zoekt daarin b. v. vrede. Nu is vrede cosmisch gezien evenwichtigheid. Ik zal dan geneigd zijn
te gaan werken met b. v. een zespuntige ster of een achtpuntige ster, in ieder geval een
evenwichtige figuur. Ik zal daarin een centraal middenschrift gebruiken, dus een woord, een
naam of titel, of ook wel een bepaalde tekening; en die zal ook weer evenwichtig zijn.
Maar als ik persoonlijk vrede zoek, dan bedoel ik helemaal geen cosmische vrede want er zijn
veel mensen, die cosmische vrede niet eens kunnen verwerken, daar worden ze dol van. Zoals
de mensen die de stilte van het platte land gaan opzoeken om daar beter naar hun
transistorradio te kunnen luisteren. Die moeten dat even onevenwichtig maken, ze hebben
ergens een factor nodig die compenseert. Dan zal zo’n mens dus b.v. een reeks spaken van
een wiel tekenen, maar die spaken dan niet allemaal even lang (dus het middelpunt van de
spaken buiten het middelpunt van de cirkel). Zo gaan zij in symbolen weergeven, hoe zij zich
dat evenwicht voorstellen. Hier heb ik dan te maken met een persoonlijke interpretatie.
Het feit, dat de doorsneemens tegenwoordig die persoonlijke symbolen niet meer gebruikt,
betekent niet dat ze geen kracht en geen waarde meer hebben. Wij gaan dit heel eenvoudig
opstellen.
In de eerste plaats; elk cosmisch symbool is geconstrueerd uit mathematische vormen, die een
zekere evenwichtigheid of evenredigheid kennen, b. v. gelijkzijdige driehoeken, vierkanten en
cirkels.
Elk persoonlijk symbool daarentegen is getekend uit een combinatie van mathematisch geheel
zuivere en gelijkwaardige figuren en onregelmatige figuren. B. v. een vierkant plus ruit
tesamen kan cosmisch zijn. Maar een vierkant met een driehoek met een hoek van 90° erin
zal daarvoor niet juist zijn.
De mens gebruikt daarbij vooral voorstellingssymbolen en dat kunt u zich het eenvoudigst zo
zien; Wanneer ik een bepaald beeld heb, zoals de Christenen vroeger b. v. de vis om Jezus
weer te geven – Christos - dan kan ik met een enkele lijn iets uitdrukken, wat voor mij
onnoemelijk veel betekent. Ik weet niet wat het cosmisch betekent, ik voel het alleen maar
aan. Maar om een geheel complexe reeks van indrukken Voor mijzelf vast te leggen, teken ik
een enkele lijn.
Er zijn heel veel mensen die daarvan gebruik maken. Wanneer u kijkt naar b. v. een keur op
goud of op zilver, dan zult u ontdekken dat men daar een leeuw inzet. Waarom eigenlijk?
Omdat de leeuw het zegel is van de Staat. Waarom het zegel van de Staat? Omdat die Staat
zich Staat zich strijdvaardig en koninklijk acht, enz. En zo kun je doorgaan.
In de hieraldiek komen we veel persoonlijke symbolen tegen, die langzaam maar zeker in de
wapenschilden terecht zijn gekomen. Er is b. v. een man, die Vlootvoogd is geweest. Hij heeft
na een zeeslag een wapen nagelaten, waarop drie scheepjes evenredig op een zee van zauur
staan, met zilver. Nu is de bedoeling; met gouden scheepjes op zauur en zilver, weer te geven
dat hij vlootvoogd was. Maar er is nog iets. Die drie scheepjes zijn niet in een driehoek zuiver
regelmatig neergezet, maar een gaat voorop en twee volgen. Daar staat dus in: Ik ben een
leider van mensen, ik werk met de krachten van het water, ik voel mij verwant aan het water
en ik weet zeker dat elke poging van mij door een tweevoud van gevolgen ondersteund wordt.
Een ander voorbeeld; Wij vinden op een gegeven ogenblik een molenaar die geadeld wordt;
deze man moet dan een blazoen kiezen. Hij kiest daarvoor vreemd genoeg een molen en een

EK 62 - 63 49
Orde der Verdraagzamen

schaakstuk. De mensen denken dat het een toren van een kasteel is, maar dat is niet waar.
Waarom? Deze man was een zeer knap schaker, mathematikus, denker. (Het schaken was
toen pas populair) Hij dankte zijn adel aan zijn methode van denken, maar hij baseerde zich
op de molen; Ik heb het voedsel gemalen; zoals ik het voedsel maal, maal ik de gedachten. En
daarmee bedoelde hij dat zijn kunde lag in het abstracte denken.
Elke keer dat ik zo mijn persoonlijkheid omschrijf, omschrijf ik dus niet alleen dat wat ik nu
ben, maar ook wel degelijk een stukje van de eeuwigheid. Daarom houdt de een ervan om
overal aapjes neer te zetten en geeft een ander de voorkeur aan b. v. olifanten. Een
onbewuste associatie, zeker. Dat weten de mensen tegenwoordig niet meer, maar onbewust
associëren ze dit. De een wil macht hebben en de ander wil wijsheid. En daarom kiezen ze zich
een symbool.
En nu ik dit allemaal verteld heb, kunnen wij misschien ingaan op de symboliek, die de
mensen gebruiken, wanneer ze spreken over hogere werelden. We kennen tekeningen, waarin
de sferen precies worden uitgeduid. Dat dit kolder is, zult u wel met mij eens zijn. Want je
kunt geen directe scheiding maken.
Men tekent de levensboom, - u weet wel die abstracte voorstelling - daar zet men dan een
aantal engelen of grootkrachten in en die heeft men precies in lijnen vastgesteld. Dat is
natuurlijk dwaasheid. Zo bestaan die dingen niet. Maar als mens moet ik mij het Al in een
zekere orde voorstellen. En dat betekent dat ik elk beeld dat ik mij maak, van een godsdienst,
van een bestaan, van een leven, van de zin van het leven, eerst moet opzetten als complex.
Elk menselijk leven, elk menselijk denken begint complex.
Uit deze complexiteit gaat het terug tot het ene punt, de ene oorzaak, de ene kracht, die voor
die mens de zuivere harmonische waarde is. In de symbolen, die hij kiest, in de tekens die hij
kiest zal hij dat proces weergeven. Je vindt mensen die beginnen met. zich te omringen met
allerhand barokke voorwerpen. Dan, langzaam maar zeker gaan ze terug van het te barokke
ze vinden een lijn, die hun persoonlijke lijn is. Men zal zeggen, dit is geen symbool. Zeker wel.
De manier waarop u b. v. uw meubels kiest, is een aanwijzing voor uw persoonlijkheid, voor
de manier waarop u leeft. Wanneer wij dit dus bezien, dan zeggen wij; hé, daar heeft een
mens getracht het complexe van zijn leven uit te duiden. Later verandert dat, dát heeft hij niet
nodig, en dát niet. Hij gaat vereenvoudigen.
Hoe eenvoudiger ik word, hoe dichter ik bij de waarheid kom. En die Waarheid is niet altijd
aangenaam. Daarom vinden wij juist in de. grote eenvoud van de symbolen en van denken
heel vaak een complexe begeleidende reeks van voorstellingen.
Neem b. v. Salomo’s zegel. Het is op zichzelf zo eenvoudig als het maar kan. Het is een lijn
waarop een bliksemschicht neerslaat. God beroert mij in Zijn Kracht. Het perfecte symbool zou
ik zeggen, voor een magiër. Maar later was dat toch niet genoeg. Toen moest er een naam
bijkomen, en wij gingen een beetje de bliksemschicht veranderen; het moest ook nog een
planeetsymbool worden. Want het eenvoudige; ik sta open voor Gods Kracht en Hij werkt door
mij was te eenvoudig, dat was niet aanvaardbaar.
Ook Salomo zelf heeft daarmee te worstelen gehad, Wanneer wij b. v. zien hoe Salomo in het
begin zijn zegel heeft, dan ontdekken wij dat het een zuiver leeuwenzegel is. Hij heeft de
leeuw van Juda erin staan, zoals u die tegenwoordig nog kunt vinden in het zegel van Hailie
Selassie. Ook heeft hij een uitstorting van Goddelijke Kracht daarin staan. Hij heeft er nog een
Godsnaam in staan (want hij is een uitverkorene en gezalfde Gods) en een aantal tafelen, die
gelijktijdig zijn priesterschap en magiërschap aangeven.
Later komt hij daarvan terug. Hij komt tot het hoogtepunt van zijn leven en dan kent hij alleen
nog maar die ene bliksemschicht met die lijn eronder. Klaar. Dat is God door mij.
En dan kan hij het weer niet verwerken. Want dan is hij geen vorst meer, hij is niet groot meer
en niet machtig. Hij wil terug. En dan doet hij dat door in zijn zegel b. v. een zuiver Heidense
Godheid te symboliseren. Men zegt niet; Salomo was de grote koning der Joden, maar hij was
ook eigenlijk een Joods apostaat, een afvallige. In de laatste jaren van zijn leven heeft hij zelfs
een soort Ishtar-dienst bedreven. Hij hield zich dus bezig met verschillende Baals en
verschillende godinnen, meer dan met Jahwe.
Dit vinden we dan terug in zijn persoonlijke symbolen en ook in zijn magisch zegel. Wanneer
je nu het magisch zegel van Salomo ziet, u weet wel het bekende zegel met de Davidsster en

50 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

de verslingerde driehoeken (dus dubbel uitgevoerd, verslingerd in azuur en goud), dan vindt u
daaromheen een aantal cijfersymbolen, lettersymbolen, u vindt er het zwaard van macht, de
dolk, die de demonen weert, of het kromzwaard (zo wordt het ook vaak getekend) en nog
meer van die dingen.
Oorspronkelijk waren er alleen maar twee driehoeken, de Davidster. Want de Kracht van de
God van David en van de God. van Abraham leefde in Salomo. En dat was zijn magisch zegel,
En toen kwam daar in te staan Gods naam en dat was, als ik mij niet vergis; Adonai, Hiermee
was alles gezegd. Er was geen verschil tussen de driehoeken want voor God is wat boven is en
wat beneden is, gelijk. De microcosmos en macrocosmos, zij spiegelen de Schepper gelijkelijk
en spiegelen elkander.
Maar later was dit niet meer aanvaardbaar. Er moest iets anders komen, iets wat naar boven
toe groot was,. vandaar de goudkleur. Eerst door inlegwerk en later ook in arceringen en
tekeningen. weergegeven. En het andere moest dus de macht zijn, dag en nacht. Hier vinden
wij in het zegel terug de wijze waarop dus Salomo zich naar de goden toe beweegt. Hij erkent
niet meer de eenheid van alle dingen, maar hij heeft de godin van de nacht en de god van DE
ZON. En dan heeft hij de Heerser nodig. Hij verandert zijn Godsnaam dan in Jadubad, later in
Jahwe, en weer later in Jehova. Dit laatste is bewaard gebleven en men betwijfelt of die in
schriften wel van Salomo zelf zijn. Men neemt aan dat dit later door de Joodse magiërs is
gebeurd.
Vroeger had hij geen behoefte aan iets wat beperkt. Gods wereld, Gods evenwicht moet je zo
aanvaarden, dat is macht in zichzelf. Maar op het ogenblik dat je aan die macht begint te
twijfelen, dan ga je proberen om daar kracht te brengen. Je gaat de getallen van de symbolen
er omheen zetten, je gaat de tekens weer aparte godsnamen geven, je gaat alle magische
epedimenta afbeelden. Je gaat de slang erin brengen en de ark. En zo wordt het een zeer
ingewikkeld symbool, dat uit de eenvoud is gegroeid, omdat de eenvoud voor die mens niet
meer aanvaardbaar was.
Wanneer wij de symboliek zien van b. v. het Christelljk kruis, dan ontmoeten wij soortgelijke
beelden. In het begin was het kruis op zichzelf niet eens nodig. Men had genoeg aan een
haaltje als van een vis. Khtus (vandaar dus ich, Jezus, een anagram). Daarna echter begonnen
de mensen erover na te denken en zeiden; daar moet iets in groeien, het is dood hout, het
moet leven!
Toen kregen we dus een kruis met in het middelpunt, waar de balken elkaar beroeren, een
roos. Maar later was dat ook niet genoeg. Toen kwam er een reeks rozen omheen. En zo
komen wij dus in de richting van de symboliek die men bij de Rozenkruisers nu nog gebruikt.
Hier had de mens wel gelijk, hij zocht iets nieuws, naar hij kon niet begrijpen dat in het
eenvoudige God ligt. Dit alles vertel ik u alleen maar om u duidelijk te maken waarom zo
menigeen geneigd is om juist een mooi, ingewikkeld zegel uit te zoeken. Waarom hij aan een
symbool niet genoeg heeft. Wij moeten voor onszelf leren vereenvoudigen en dan kan elk
tel:en voor ons betekenen wat wíj wensen.
Het is dus niet zo, dat wanneer u een bepaald symbool tekent, dat toevallig voor een ander
Mars of Mercurius of Venus of Saturnus betekent, dat het voor u hetzelfde moet zeggen. Het
kan een taal zijn die men b. v. onder astrologen gebruikt en dan zult u begrijpen dat een
astroloog dit symbool anders hanteert dan u. Want voor u kan, zoals in het verleden wel
gebeurd is, Mercurius gelijktijdig een demonisch symbool zijn. En zo kan b. v. Mars voor u een.
Godssymbool zijn. Dat kunt u zelf uitmaken.
De waarde die ik zelf leg in een symbool is voor mi] bindend, zolang ik ze erken. Hebben we
dit begrepen, dan kunnen we ook zeggen; wat doen we met namen? Want namen zijn óók een
symbool. Wanneer ik zeg: Jezus, wat betekent dat dan eigenlijk? Jezus, nu ja God. Het is
zoveel. Er zijn mensen die de hele familie erbij halen, die zeggen Jezus, Maria, Jozef, enz.
Maar ze bedoelen er niets mee.
Maar als ik Jezus voor mijzelf zie als een Kracht van licht, dan zal datzelfde woord voor mij een
heel andere betekenis krijgen. Wanneer ik het uitspreek met die voorstelling, met eerbied, dan
is dat woord, dat op zichzelf dus niet belangrijk is, voor mij plotseling een krachtbron worden.

EK 62 - 63 51
Orde der Verdraagzamen

Wanneer ik een doodgewone verwensing gebruik, dan zegt dat niets. Maar op het ogenblik, dat
ik door haat en door begrip van hetgeen ik zeg, die verwensing stimuleer, wordt het een
vervloeking! En zo zijn wij omringd door allerhand dingen, die waarde variëren.
Variant en zullen we ook heel vaak aantreffen bij de z. g. normsymbolen. Wanneer u zich b. v.
bezighoudt met de ster en de stersymboliek, dan kunt u zelf zo’n ster gaan tekenen. Wanneer
u dat doet, al doet u het nog zo zorgvuldig, dan zult u ontdekken dat er een bepaalde afwijking
in voorkomt. Teken hem twintig keer en het zal blijken dat er 12 tot 14 maal dezelfde
afwijking voorkomt (dus veel meer dan gemiddeld aanvaardbaar is). Dan kunt u zeggen dat er
op dat punt van zo’n ster voor u nog een afwijking bestaat.
Tekent u een hoge priesterlijke ster bij wijze van spreken met steeds dezelfde afwijking in het
hoge vlak, dan kun je zeggen: daar moet bij mij een fout schuilen, ik ben er nog niet rijp voor.
Het symbool leeft voor mij niet zuiver. Kan ik het mij niet visualiseren, mij niet duidelijk voor
ogen stellen, dan geldt hetzelfde. Dan is dat voor mij niet zuiver. Ik kan mij nog niet op de
krachten die in die ster worden gesymboliseerd tenvolle verlaten. Het is eigenlijk zo eenvoudig
wanneer je het goed beseft. En daarmee komen wij aan het laatste stuk van mijn verhaal. Dat
is de kwestie van incantatie. Wanneer u incanteert, dan doet u dat meestal alleen met
woorden. Maar wanneer je ziet dat er iemand is, die dat goed kan, die dat goed doet, dan
moet u eens opletten. U kunt het b. v. Vrijdag op de steravond. zien. U zult dan ontdekken dat
bepaalde dingen ook uitgebeeld worden. Wanneer een spreker een incantatie tot de Hoogste
lichtende kracht geeft, dan zult u zien dat hij in 9 van de 10 gevallen een gestaffeld kruis
maakt. Twee strepen, een soort Jacobsstaf. Waarom? Omdat dit kruis niet het
verlossingssymbool is, maar het orientatie-symbool. Dus gelijktijdig is datgene wat kracht
doorgeeft naar beneden, en van onderuit voor kracht ontvankelijk maakt naar boven toe. Hij
doet dat eigenlijk zo terloops, dat je je afvraagt; waarom? Hij doet dit omdat het beeld hoort
bij de woorden die hij zegt. Zo zult u ook heel vaak zien, dat hij de hand op ten bepaalde wijze
houdt. Wanneer ik God iets smeek, dan moet ik mij ook iets voorstellen waarin ik dat smeken
kan opvangen. Nu is voor de mens die dit doen moet het eenvoudigste; de handen
omhooghouden, kracht ontvangen. Wilt u dit doen met een symbool, dan kunt u zich
voorstellen een soort graalbeker, waar van boven het licht invalt, als champagne dat
overvloeit. Zo kun je je dus allerlei voorstellen.
Wanneer we een beeld hebben dat als het even kan past bij een daad, die mede geassocieerd
is met ons ervaren van een hoogste kracht en trilling - die wij daarbij produceren - dan hebben
wij op die manier één van de machtigste dingen gekregen die bestaan. Wij hebben nl. het
vermogen gekregen, om gebaseerd op een ontrukt-zijn van alle zintuigen en gelijktijdig in een
vollediig geestelijke instelling, een geestelijke kracht te ervaren, zonder daarbij een stoffelijke
werkelijkheid geheel uit het oog te verliezen. Dat is heel belangrijk.
Deze incantaties, de magie die erbij hoort, zijn dus gebaseerd op een volledige samenwerking
van hoogste krachten. Van symbolen, hetzij in een handeling, soms ook in een uitbeelding, als
b. v. een aantal brandende kaarsen die je neerzet, (met als symbool een trilling), plus je eigen
stoffelijke werkelijkheid. Want elk symbool is uitgegaan van de materie. Vanuit de materie
werd het door de gedachten gemaakt tot een schakel tussen materie en hoge kracht. En de
hoge kracht zelf kan zich, via het symbool, in de materie uiten.
Er moet een band zijn tussen het schijnbaar eindige en de onveranderlijke, eeuwige
oneindigheid. Elk symbool dat ons daartoe kan dienen, dat wij daartoe kunnen gebruiken, is
voor ons kostbaar. Maar het is altijd ons eigen symbool in de eerste plaats. Belangrijk is
daarbij dat onze eigen instelling en gesteldheid parallel loopt met of gelijk is aan de kracht en
het symbool, waardoor wij een werking. tot stand brengen, waarmee wij een bepaald licht
willen ontvangen.
Er is hier na mij nog en gast, die u twee vormen van incantatie wil demonstreren. Er is maar
één voorwaarde aan verbonden. Wanneer u die spreker volgt, probeer er dan niet over na te
denken wát hij doet. Probeer het in de eerste. plaats te ondergaan. Later kunt u nagaan wat
ze voor u hebben betekend. Wanneer u daaraan een symbool kunt verbinden, dan hebt u
meteen een methode waarbij u vanuit uzelf de kracht weer toegankelijk kunt maken.
Dan hebt een eigen sleutel gevonden naar een nieuwe en andere wereld.
Goeden avond, vrienden.

52 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Ik zou vanavond twee incantaties voor u willen demonstreren. Ik heb daarvoor twee vormen
gekozen, die enigszins van elkaar afwijken. De eerste is gebaseerd op de oude gedachtegang,
de oude inwijdingsleer, haar symbool is het ankerkruis.
De tweede is gebaseerd op de moderne gedachte en inwijding en hierbij kunt u zich het beste
een normaal kruis voorstellen, met een lichtstraal die valt op de bovenste arm net boven het
knooppunt. Deze incantaties vragen beide een zeker gebaar van de handen. Ik zal trachten die
gebaren zo juist mogelijk te maken. U zult ontdekken dat de symboliek van het gebaar minder
verschilt dan de vorm van incantatie zelf. Ik vraag nu alleen uw welwillende medewerking en
aandacht, want dit is iets wat wij zeer kort en snel kunnen doen.
Tot U O Moeder, Gij gehoornde, Gij sieraad van het uitspansel, zetelend op aarde, richt ik mijn
ziel en mijn kracht. Zend mij Uw snelle boden, o Moeder, opdat Gij, de Lichtende en Barende,
de openbaring moogt vormen van alle krachten, die hier zijn. Opdat Gij mij geve het inzicht
van de kracht van leven en van Werken, opdat de sleutel Van het leven geopenbaard zij uit Uw
wezen. Tot U machtige Isis roep ik, ik roep tot U met Uw gezel Osiris, met Uw kind Horus, met
Uw teken en macht en Uwen Vader, Ré. Opdat Gij openbaren moogt de sleutel van leven, dat
Gij openbaren moogt de sleutel van wijsheid. Dat Gij moogt Volbrengen het Wonder van
Kra,cht aan ons.
Zo, althans in deze vorm, werd geincanteerd voor Isis. In de christelijke vorm wordt dit
anders.
In de naam van de Vader, Hij die is in de hemel. Hij die is Licht en Kracht en Wijsheid, Hij, Die
heerst over alle dingen. In de naam van de Geest die beroert al wat leeft en doordringt dit met
de. wil des Heren in de naam van de Zoon, die geopenbaard heeft het totaal van de Kracht en
de Wil des Heren, spreek ik en bid ik tot U. Gij, almachtige Christusgeest, Gij lichtend beeld
van den God, Die wij erkennen, weest met ons in deze ure. Geef ons Uw kracht en Uw liefde,
geef ons Uw weten en de sleutel tot de weg. Geef ons het wezen van Licht opdat wij vervuld
moge zijn van Uw Kracht, opdat wij worden opgenomen in de sterkte van Uw liefdeband en
vinden het geheim van den Vader, dat ligt verborgen in Uw wezen. In de naam van Christus
kracht van Leven, Liefde en Licht, in de naam van de Vader, uit wien de Christus voortkomt en
van wien Hij deel is, uit naam van de Geert die het Licht van de Christus uitdraagt over alle
werelden sfeer.
In de naam van Jezus, Die als Christusdrager op deze aarde ons heeft gegeven de Kracht van
de Christus, zij het bewustzijn over ons allen, zij de Kracht des levens in ons geopenbaard, de
waarheid van de Weg, deel van ons, die bewustzijn zoeken. Amen.
Deze demonstratie, de sfeer die u daarbij hebt gevonden, kunnen u misschien dienstig zijn bij
het zoeken van een persoonlijk contact met Hoger Licht of, zo ge dit gevonden hebt, het
contact met dit Hogere, gemakkelijker maken.
Ik beëindig hiermee mijn aandeel aan deze bijeenkomst. Goedenavond.
Nummer5
Esoterische Kring. 8 januari 1963
Wij zullen vanavond proberen om bepaalde aspecten zowel van esoterie als magie van een
meer practische kant te bezien, waarbij ik dan tevens enkele punten van de oude magie ter
sprake wil brengen. Na de pauze krijgt u weer een daarvoor in net bijzonder voor één maal
aanwezige spreker, die zal trachten u zijn inzicht te geven in de oneindigheidsverhoudingen,
zoals deze dus erkend worden in bepaalde sferen en zoals misschien in de overlevering van
sommige landen bestaat. Ik wil nu beginnen met de les.
In alle esoterie, zowel als in alle magie, zijn wij grotendeels afhankelijk van z. g. trillingen.
Trilling is hier misschien niet het meest juiste woord. Wij zouden eerder kunnen spreken over
frequentie, omdat wij eerder met een straling- dan met een trillingsverschijnsel te doen
hebben. De frequenties, voor degenen die dat interesseert; lopen in Angstrom van 10 tot de -
18e tot ongeveer 10 tot de -6e. In deze frequenties vindt dus een groot gedeelte van het z.g.
geestelijk verkeer, de magische bezwering, maar ook van de ervaring van hogere krachten
plaats.

EK 62 - 63 53
Orde der Verdraagzamen

Dit gebied door mij uitgedrukt in stralingseenheden (trillingseenheden) kan worden verdeeld
aan de hand van sferen; het kan ook worden verdeeld aan de hand van z. g. weerkaatsings- of
resonantiemogelijkheden.
In de esoterie is de kwestie van onze persoonlijke afstemming er een, die vergeleken kan
worden met een kleur, die men aanneemt. Wanneer ik nl. in mijn gedachten een stemming tot
stand breng, vergelijkbaar met een bepaalde kleur, b. v. groen, dan zal het mogelijk zijn,
wanneer ik een harmonische trilling of een harmonische frequentie kan aantrekken van een
ander gehalte, dat ik kom tot een verandering in mijn innerlijke gesteldheid. Er is een tweede
factor bijgekomen zoals dat ook in een kleurenpalet kan gebeuren en er is b. v. een vorm van
geel of heel licht groen geboren.
Ik begrijp dat dit voorbeeld voor velen van u weinig zeggend is maar het is noodzakelijk om de
verschijnselen te kunnen begrijpen, wanneer men de begrenzing dier verschijnselen meer
redelijk wil beschouwen. Eenvoudig gezegd; op het ogenblik dat ik in mijzelf een bepaalde
instelling heb, onverschillig welke, is deze vergelijkbaar met een kleur. Op het ogenblik dat
een hogere of een lagere kracht ingrijpt, werken er op mijn bewustzijn 2 kleur en in. De
eerste, die ik zelf heb gewekt en geschapen, de tweede die door de factor van buiten ontstaat.
Datgene wat in mij opleeft is altijd de resultante van die twee.
Het is dus het product van twee verschillende inwerkingen. In de esoterie kan ik niet alleen
hoger gaan, ik kan niet alleen tot een grotere innerlijke erkenning komen; ik heb altijd een
tweede factor nodig. Een tweede kracht, wier inwerking op mijn wezen en bewustzijn tijdelijk
verandert.
Uitgaande van dit standpunt moeten wij verder stellen; elke wijziging die ik in mijn
denkvermogen en mijn gevoel onderga, zal een weerslag hebben op mijn eigen lichaam. Als
zodanig zullen daardoor o. m. mijn eigen levenskracht, en ook bepaalde
bewustzijnsmogelijkheden, tijdelijk veranderen. In sommige gevallen worden verder
lichamelijke verschijnselen geboren, die soms drangverschijnselen zijn, soms een zekere
apathie, of een overgrote activiteit.
Esoterisch gezien is het voor mij dus uitermate belangrijk dat ik leer mijzelf juist af stellen. Dit
is belangrijker dan een bepaalde gedachte te volgen. In vele gevallen neemt men aan, dat we
in de esoterie gemakkelijk klaar zijn wanneer wij maar de juiste gedachte hebben en wij
daarover voldoende mediteren. Ik moet er echter op wijzen, dat het overwegen van een
gedachte altijd in zekere zin redelijk is. Het is een proces waarin het menselijk denkvermogen
een hoofdrol speelt en waarbij vele menselijk meestal niet zo gemakkelijk te aanvaarden
factoren buiten beschouwing blijven.
Op het ogenblik echter dat ik zelf sensitief ben, of mijzelf sensitief maak door mijn
concentratie in de eerste plaats op een gemoedsstemming te baseren zal elk beeld dat ik
daarin projecteer (dus ook elke gedachte, elke bespiegeling en overweging) niet alleen meer
zijn mijn overweging. Ze wordt onmiddellijk aangevuld door een soortgelijke overweging uit
een ander licht; uit een andere wereld of sfeer.
Deze harmonische verschijnselen geven dus de mogelijkheid om eigen denken opnieuw te
oriënteren. Wat het redelijk proces betreft mag hierbij worden gezegd dat de esoterische
bewustwording verstandelijk nimmer is een aanvullen het bestaan. Het is een hergroepering.
Vergelijk een kaleidoscoop, waarin vele op zich gevormde delen voortdurend verschillende
patronen kunnen vormen. Er zou een ogenblik kunnen zijn dat ze zodanig vallen dat zij
tezamen een cirkel vormen, althans voor het oog. Op dezelfde wijze kunnen de delen die ons
bewustzijn uitmaken, langzaam maar zeker gehergroepeerd worden. Eerst in vele
verschillende en meestal symmetrische patronen, tot er een ogenblik komt waarop alle delen
in elkaar sluitend, een cirkel vormen. Wij hebben daarmede dan de directe redelijke basis voor
een verdere esoterische bewustwording bereikt, Elke verdere poging om met denken meer te
bereiken, kan alleen maar leiden tot een verstoring van een bereikt evenwicht.
Het is voor ons dus belangrijk dat wij in ons denken geen losse draden hebben, geen losse
vragen. Op het ogenblik dat ik in mijzelf zoek naar waarheid en steeds nieuwe vragen poneer
zonder antwoorden te vinden, vergroot ik de onevenwichtigheid. De figuur waarmede ik mijn
redelijk denken zou kunnen uitdrukken is een klein middelpunt. Ik (met daaruit vele lijnen, die

54 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

zich naar het oneindige bewegen) de vragen. Maar dan blijf ik in het vlak van mijn eigen leven
en bestaan en dientengevolge kan ik niets bereiken.
Want de oplossing van een vraag brengt in de eerste plaats vele vragen met zich en in de
tweede plaats zal het oplossen van een vraag een onevenwichtigheid veroorzaken in mijn
denken. Ik kan niet alle vragen gelijktijdig oplossen of zelfs maar ten dele oplossen. En
daarom wil ik de esotericus de volgende raad geven; In uw zoeken naar innerlijke erkenning,
zult u in de eerste plaats moeten zoeken naar de juiste stemming, naar de juiste innerlijke
harmonie. Ge zult problemen en het daaruit redelijk voortkomende alleen moeten beschouwen
als een bijproduct, niet als de hoofdzaak.
Warmeer ge ontdekt dat uw innerlijk denken evenwichtig is en dat daarin dus alle dingen een
afgerond beeld geven, zoudt ge u niet moeten concentreren - voorzover dit het innerlijk
bewustzijn betreft - op wat er in de wereld bestaat, maar alleen op wat er in uzelf bestaat. Een
erkenning van de krachten in uzelve is n. l, een aanvulling: uit de cirkel wordt. De kegel.
Waarom rijst de kegel op uit het platte vlak?
Hij rijst op uit de cirkel, een plat vlak inderdaad.
Omdat wij ons concentreren op het middelpunt van ons eigen wezen, het Goddelijke. Dat ligt
buiten de cirkel. Maar niet buiten onze persoonlijkheid. Want de cirkel is het redelijk vlak. Wij
hebben dus de methode gevonden, waarbij een esoterische bewustwording plaats kan vinden,
zonder dat wij daarbij eisen gaan stellen aan kennis, in de redelijke zin van het woord. Wat
wel noodzakelijk is, is ervaring. De ervaring wordt geboren uit de uitdrukking van onze
evenwichtige persoonlijkheid, plus de erkenning van het Goddelijke in deze persoonlijkheid. En
op deze manier vormen wij dus vanzelf een kegel; een naar boven toe zich verlengende:
cirkel, waarbij vreemd genoeg, als wij de lijnen trekken, de doorsnee - de redelijke kennis -
steeds kleiner wordt, naarmate wij dichter bij de bron van ons bestaan komen.
Op het ogenblik dat wij het Goddelijke bereiken, is er geen redelijkheid meer. Dientengevolge
mag worden gesteld: rede, redelijke kermis, menselijk denken zijn de hulpmiddelen waarmee
wij komen tot de erkenning van de Allerhoogste; maar nimmer de middelen waarmee wij de
Allerhoogste kunnen begrenzen of omschrijven.
In de tweede plaats: in de esoterie zijn wij gewend veel aandacht aan onszelf te besteden. Elk
beeld dat wij van onszelf ontwerpen is echter een beeld, dat waan is. D. w. z. het is nooit
volledig juist. Een poging om dit beeld zo volledig mogelijk te maken zal eerder het aantal
onjuistheden in deze voorstelling vergroten dan een beter beeld van het werkelijk “IK” geven.
Elke poging tot zelfanalyse geeft de mogelijkheid tot het maken van fouten. Indien 1/10 van
de mogelijke fouten bij zelfontleding en zelfonderzoek gemaakt wordt, zal het totaal van het
“ik” op den duur slechts voor 30% echt zijn. Want naarmate de kennis omtrent het “IK”
vergroot wordt, zullen de problemen groter worden en daarmee de mogelijkheid tot het maken
van fouten.
Het is dus niet redelijk uit te gaan van een direct zelfonderzoek, waarmee het “IK” geheel
gekend zou moeten worden. De erkenning van het. ”IK” is alleen innerlijk mogelijk. En niet
aan de hand van verschijnselen, maar slechts aan de hand van een harmonie die tussen het
“IK” en een hogere kracht bestaat. Toch zullen wij tot op zekere hoogte onszelf moeten leren
kennen. Daarom is het voor de esotericus goed het volgende te overwegen;
Op het ogenblik dat ik mijn persoonlijkheid zover heb erkend, dat ik kan zeggen; dit is voor
mijn bewustzijn redelijk mijn wezen. En ik daarbij de nadruk heb gelegd op goede elementen
in dit “IK”, zal ik in staat zijn met een afgerond beeld van mijn eigen wezen metterdaad dit
wezen in de wereld tot uitdrukking te brengen. Mijn persoonlijkheid zal op den duur voor mij
worden althans redelijk en materieel datgene wat ik uit, en niet datgene wat ik feitelijk ben. Ik
heb een ontmoetingsveld geschapen in het “IK” voor hogere krachten, gebaseerd op een
kennis omtrent dit “IK”, zij het in meer uiterlijke zin. Is er eenmaal deze eerste harmonie, dan
volgt daar weer uit de erkenning van het “IK” in het innerlijk. Deze erkenning kan niet redelijk
worden uitgedrukt, zij kan alleen worden ervaren.
De bewustwording van de esotericus kunnen wij aan de hand van deze twee punten dus kort
samenvatten met de volgende woorden; de innerlijke bewustwording is een niet redelijk
proces, waarbij de rede en het bewustzijn als werktuig dienen, om het innerlijk erkennen

EK 62 - 63 55
Orde der Verdraagzamen

mogelijk te maken. De innerlijke erkenning alleen niet de gehanteerde werktuigen zal
beslissend zijn voor het resultaat.
De practische magie - want wat ik u heb gezegd over de esoterie is volledig practisch -, u kunt
er nl. vele lessen uit trekken die u zelf kunt toepassen is;
1e. Alle magie is gebaseerd op een relatie tussen het “IK” en andere krachten in het Al.
2e. De relatie die ik schep tussen mijzelf en krachten in het Al, wordt steeds veroorzaakt door
een uiting een handeling plus een instelling, uitgaande van mijzelf.
3e. Ik kan datgene beheersen in de magie, dat valt binnen de door mij aanvaarde
waarderingen zonder dat angst mij daarbij belet mijzelf te vervullen of mijn taak voort te
zetten. Bewustzijn is bij de magie slechts in zoverre nodig als de erkenning van de krachten
waarmee ik werk, eist. Feitelijke kennis van deze krachten is dus niet een vooropgezet
vereiste. Maar een aanvaarden en een niet vrezen daarvan.
En nu wij dit hebben gesteld, wil ik trachten u iets te vertellen uit de praktijk. Wij kunnen alle
magie natuurlijk baseren op het gebruik van bepaalde beelden, afbeeldingen. Wij kunnen
werken met machtswoorden, met diagrammen. Wij kunnen ook werken met incantaties, met
bezweringsformules en met rituelen.
In al deze factoren blijkt dat de eigen persoonlijkheid slechts dient als een brandpunt, waarin
de invloeden die ik rond mij schep, samenkomen.
Daaruit kan worden afgeleid, dat zover dit het materiele betreft, de beïnvloeding van mijn
eigen persoonlijkheid noodzakelijk is om de noodzakelijke frequentie te bereiken, waarop ik de
door mij gezochte krachten kan beroeren.
De middelen die de mens hiervoor gebruikt, behoeven niet te behoren tot elke willekeurige
klasse van werkingen of invloeden die het menselijk lichaam, de menselijke rede en het
menselijk gevoelsleven beroeren en daarin tijdelijke of blijvende wijzigingen tot stand brengen.
Wij moeten daarbij stellen; volksgeloof, persoonlijk denken, en wat dies meer zij, zijn van
groot belang voor alles wat ritueel wordt volbracht. Bepaalde tekenen, bepaalde letters hebben
een grote beduiding gekregen in het menselijk bewustzijn. Zij behoeven dit niet in het
persoonlijke bewustzijn van de magiër te hebben, mits hij zich bewust is van het feit, dat er
een betekenis aan gehecht wordt.
Om een voorbeeld te geven: Bij bepaalde bezweringen wordt gebruik gemaakt van een
ringensysteem. Dit systeem, meestal een drieringssysteem, bevat een ring waarop de letters
1+ Ht S worden ingeschreven, gescheiden door een kort plustoken, Daarnaast is de tweedes
daarworden C, P en ?. ! opingeschreven. Eveneens letters die geen enkele vaste betekenis
hebben, tenzij wij b. v. willen gaan zbelien bij de driekoningen of elders in de bijbel. De derde
Wordt ingeschreven met bepaalde godsnamen waarbij men bij voorkeur Joods schrif t
gebruikt. De drie. worden sanen verenigd en vormen, zoals men dat noemt, een onbreekbare
vete De magiër stelt zich meestal in de cirkel waar de I + H + S op is geschreven en heeft nu
nog twee gebieden van hogere bescherming achter zich, zodat geen enkele demon hem zal
kunnen beroeren.
Nu is de vraag: wat hebben die letters te betekenen? Wanneer ik zo’n letter zie, dan zegt ze
niets. Slechts in combinatie met andere letters heeft ze zin. Maar wanneer ik als magiër
dergelijke letters hanteer, dan weet ik dat zij een magische kracht zijn. Het feit, dat ik ze
neerschrijf bij voorkeur met gewijd krijt brengt dan verder met zich, dat ik het gevoel heb een
zekerheid, een afscherming, te bouwen
Ik schakel nu alles wat in het gemeenschappelijk bewustzijn van de mensheid daaromtrent
bestaat, in. Onderbewust heb ik daaraan deel. Ik zal mij deze dingen niet alle redelijk en
bewust realiseren, maar voor zover zij voor mij noodzakelijk zijn als gebruikswaarde, bestaan
ze. Dientengevolge zal de kracht, die ik oproep (zo zij in het totaal menselijk denken bestaat
of bestaan heeft), blijven bestaan, ook voor mij.
De mensheid gelooft dat bloed een zeer bijzonder vocht is. Zij gelooft dat zich daarin een
gedeelte van de levenskracht van de mens bevindt en daarmee de meest persoonlijke binding,
die er kan bestaan. Dit komt o. m, tot uiting in gebruiken als bloedbroederschap, bloedoffers
e. d.

56 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Voorts zal menig magiër gebruikmaken van een z. g. bezweringsstaf en daarvoor neemt hij
wederom iets wat in het volksgeloof met de magie verknoopt is; het hout van de hazelaar. Hij
zoekt een vork; die vork laat hij aan de steel de bast behouden, maar de twee takken van de
vork schilt hij ten dele af. Hij maakt ze enigszins plat en daarop schrijft hij met zijn bloed
bepaalde demonennamen, of Godsnamen. Die namen kunnen verschillen, naargelang de
magiër en zijn opleiding.
Door dit bloed nu heeft hij gezag gekregen. Hij heeft niet alleen maar de eenvoudige staf,
neen, hij heeft een wapen, een wapen dat geassocieerd is met bijzondere geestelijke krachten
( denk aan de wachters en demonenbeelden, die u bij menig heidense tempel vindt op oude
stadsmuren ook wel) en hij heeft verder zijn bloed.
Dit bloed is de band met zijn wezen en zijn wezen is gebonden met de Eeuwige. Zo kan hij dus
tot een bepaalde geest of demon zeggen; Ik bezweer U; (dan vult u maar in) In de naam van
de Allerhoogste, Hij, Die is (en dan volgen de Godsnamen die hij dus aanvaardt) b. v. : Gij die
zijt Ré, Die zijt Horus, Gij Die zijt Osiris; maar hij kan net zo goed zeggen: Gij, Die zijt Jahwe,
Adonai, El, Elohim. En in de naam van mijn bloed (en dan, strekt hij die vork uit) verschijn…...
Nu heeft hij verder het idee dat een geest iets walmachtigs is, en daarom maakt hij gebruik
van een rook, een wierookpot. Hij verbrandt daarin bepaalde aromatische stoffen. Deze
hebben natuurlijk vluchtige bestanddelen, die zich gemakkelijk verspreiden, maar die ook weer
gemakkelijk tot een vorm te brengen zijn. Het is duidelijk dat hij dus hiermee een soort
grondslag vormt, waaruit zich de gestalte zou kunnen vormen. Dit gebeurt inderdaad vaak.
Niet alleen omdat die aromatische stoffen een redelijke mogelijkheid geven er zijn andere
maar omdat die verwacht wordt.
En wanneer hij dus die vork uitstrekt, zal hij dit dus doen in de rook, want die rook moet vorm
aannemen. Op deze manier dwingt hij de beelden van een demon te verschijnen. Hierbij
moeten we rekening houden met een ander verschijnsel.
Het is volledig redelijk dat een geest of een demon kan verschijnen op die manier; vanuit de
geestenwereld. Voor de mens klinkt dit een beetje fantastisch. Maar deze mens heeft een
denkbeeld; en wanneer hij een demon aanroept, die hij werkelijk vreest, dan zal hij datgene
wat hij in zijn hart het meeste vreest de vorm zijn, waarin die demon kenbaar wordt. De
gestalte die wordt gevormd is niet alleen de uitdrukking van het wezen, van de persoonlijkheid
van de demon, maar ook van de angsten, de verwachtingen van degeen die hem oproept.
Misschien lijkt dit alles u een beetje onpractisch en ik heb u toch beloofd iets te vertellen over
de practische magie. Maar wij hebben met deze voorbeelden iets duidelijk gemaakt, n. l. dat
de middelen die ik gebruik, voor een groot gedeelte afhankelijk zijn van mijn persóónlijk
denken en leven. Dat ik alle middelen kan gebruiken die voor mijn bewustzijn, óf voor het
algemeen bewustzijn van de mensheid waarde en betekenis bezitten. Dat ik alle emoties die in
mij bestaan, zowel verwachtingen als spanningen en angsten tot uitdrukking kan zien komen
in datgene wat ik bezweer of oproep.
Is het redelijk om te bezweren en op te roepen? De experimenten die ik beschreef, zijn deel
van de magie, die dicht ligt bij de necromantie of zwarte magie. Maar ook hier geldt: het doel,
waarvoor ik werk mijn persoonlijke instelling bepaalt goed of duister. Dus de manier waarop is
allesbepalend. Zo zal een ieder die wil werken met magie, moeten uitgaan van zichzelf. Ga niet
uit van iets wat je hebt of wat je bezit alleen. Ga uit van datgene wat in de wereld ergens
bestaat. Hen zal misschien betere resultaten krijgen Wanneer men de primitiefste
cultgebruiken nabootst (die dus voor moderne beschaafde mensen zinloos zijn, maar in een
groot gedeelte van de wereld nog bestaan), dan wanneer men de meest redelijke en overlegde
experimenten uithaalt.
Wij zijn afhankelijk van het totaalbewustzijn van de mensheid waaruit wij putten, en niet
alleen van ons eigen denken. Verder moeten wij de conclusie trekken: wij zijn het die bepalen
welke riten wij volgen. Wijzelf zijn het die de symbolen bepalen, waarmee wij zullen werken.
Wijzelf zijn het die willekeurig kunnen grijpen naar machtsmiddelen, waarin men ergens ter
wereld gelooft.
Wij zijn niet afhankelijk van een vaste rite, wij zijn niet afhankelijk van vaste voorstellingen en
beelden. Wij zijn slechts afhankelijk van één ding; ons eigen bewustzijn van licht. Naarmate

EK 62 - 63 57
Orde der Verdraagzamen

wij minder van licht en de zekerheid die licht voor ons betekenen kan bewust zijn, zal het
gevaar van een magisch experiment groter worden.
Deze dagen zijn die experimenten mogelijk en kunnen ze soms met goede resultaten bekroond
worden. Dit is de reden waarom ik dit onderwerp aansnijd. Op het ogenblik dat ge innerlijke
krachten projecteert, zult u dit moeten doen volgens een rite waar u volledig zelf bij betrokken
bent. Het is niet mogelijk alleen maar met het lezen van bepaalde dingen of het eenvoudig
declameren van iets zonder meer resultaat te krijgen.
De totale voorbereiding is in feite een je concentreren en instellen. Zoals wij in het eerste
gedeelte, over de esoterie, spraken over frequentie, zo geldt ook hier hetzelfde. Door de
voorbereiding, door de maatregelen die wij treffen, door de wijze waarop wij dit alles a. h. w.
gaan beleven, stellen wij onszelf af. Wij proberen onszelf. zodanig te richten dat ons magisch
doel, plus de instelling van onze persoonlijkheid, identiek zijn. En dan gaan wij (de instelling
bereikt hebbende), daarin de kracht van onze wil leggen, uitgedrukt door het ceremonieel,
door de handeling, door de tekening, etc.
Hieruit volgt dat werkelijke magie, onredelijk als zij is, altijd krachten in beroering brengt.
In de eerste plaats krachten in mijzelf;
in de tweede plaats beroert zij de krachten van de mensheid.
En in de derde plaats: krachten die met die mensheid verwant of verbonden kunnen zijn.
Willen wij ons afvragen in hoeverre er gebruik gemaakt kan worden van deze kennis bij een
persoonlijk streven, dan stel ik u drie mogelijkheden voor. Omschrijven doe ik ze niet,
aangezien dit als een voorschrift zou kunnen worden beschouwd.
In de eerste plaats; De persoonlijke bestreving. Zij moet gebaseerd zijn op een plaats die voor
ons gewijd, of met magie verbonden is. Zij moet verder worden ondersteund door alle
invloeden die voor ons belangrijk zijn. (Hierbij te letten op de invloeden van maan en sterren
zou gunstig zijn. )
In de tweede plaats; Wij moeten tevoren weten welke krachten, welke namen of welke
tekeningen, welke symbolen of stoffen wij gebruiken. Wij moeten er zeker van zijn dat deze bij
de hand zijn.
In de derde plaats;. Wij moeten zonder enige angst en daarom zo mogelijk ook met een
onzelfzuchtig doel het ceremonieel, zoals wij dit voor onszelf hebben opgebouwd, voltrekken,
in volledige afzondering en zonder storing;
Op het ogenblik dat een storing optreedt, moeten wij onmiddellijk vanuit ons beste weten
trachten de opgeroepen krachten weg te zenden. D. w. z. dat wij in de meeste gevallen een z.
g. ontslagformule gebruiken; b. v. gij krachten, die ik heb opgeroepen, gij die tot mij zijt
gekomen, in de naam van de Allerhoogste (hebt ge bij uw bloed opgeroepen, dan) en in de
naam van mijn bloed zeg ik u; gaat heen daar vanwaar ge gekomen zijt en weest daar
gebonden. Dat is dus een bekende ontslagformule.
Daarna zal ik moeten wachten tot weer alle rust bestaat, tot ik weer alles bijeen heb, om
geheel opnieuw te beginnen, en dan hetzelfde ceremonieel weer opnieuw te voltrekken.
Daarbij wil ik u de raad geven u niet te richten op het oproepen van geesten of demonen.
Wanneer ge deze roept; dwing ze niet zich in kenbare vorm te manifesteren. Ze zijn voor de
ongeschoolde gevaarlijk, al is het alleen maar door de verwondering, de angst of de afleiding,
die daardoor ontstaat.
In de tweede plaats: wanneer u bezig bent met een magische bezwering en u doet dat alleen:
houdt u nimmer bezig met een bepreken van uw doel met de kracht die u oproept. Stel uw
doel uit de naam van God. Wijzig daaraan niets. Elke poging met een opgeroepen kracht
daarover te discussiëren of deze kracht nu lichtend of duister is heeft het gevaar dat het
eigenlijke doel uit het oog wordt verloren, terwijl bij duistere krachten bovendien degeen die
de. magische rituelen voltrekt, gevaar loopt.
Ten laatste wil ik er u op wijzen, dat wij, wanneer wij alleen werken, er steeds voor moeten
zorgen dat alles wat wij gebruiken, af is. Teken ik een pentagram,dan moet ik zeker zijn dat
dat pentagram symmetrisch
en gesloten is getekend.

58 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Schrijf ik namen, dan moet ik a. h. w. een voorbeeld bij mij hebben dat ik precies kan
natekenen, zodat ik zeker ben dat geen vergissing wordt begaan. Moet ik een lamp of een
kaars oriënteren op een van de windstreken, dan doe ik dit met een kompas, opdat ik zeker
ben dat dit punt juist geschiedt.
Een zo juist mogelijke uitvoering geeft een gevoel van zekerheid; het versterkt eigen
overtuiging en heeft daarnaast in de opgeroepen krachten plus het bewustzijn van de
mensheid, de dwingende werking, die het slordige en het onvolmaakte nu eenmaal ontbeert.
De tweede methode is de z. g. groepsmethode.
Bij deze groepsmethode kan het magisch doel worden bereikt door een gezamenlijk ritueel,
waarbij een voorgaat. Over het algemeen wordt hierbij gebruik gemaakt van een symbool. Dit
symbool zou kunnen zijn een kruis een kruis met een cirkel die dus het snijpunt van de vier
takken a. h. w. omschrijft; wij kunnen ook het ankh-kruis gebruiken.
Voor degenen die met deze krachten willen werken zou ik ten sterkste ontraden gebruik te
maken van b. v. een driehoek met de punt naar beneden op een kruis. Dit is n.l. het symbool,
waarin het volksbewustzijn met bepaalde duivelse krachten gebonden is.
Mijn voorkeur gaat uit naar het z. g. christelijke kruis of ankh-kruis. Verder moet er een
brandpunt of middelpunt zijn. Dit middelpunt kan worden aangeduid door een sterkere
lichtvalling in een overigens minder verlicht vertrek. Zij kan bepaald worden door een altaar of
een tafel; zij kan zelfs bepaald worden door het daar opstellen van b. v. heilige schrift of
gewijde symbolen.
De achtergrond wordt steeds gevormd door het teken, waaronder men werkt. De aanwezigen
zullen zich niet in rijen, maar in een ring zetten, zodat er een gesloten geheel bestaat,
waarbinnen zich de eventuele voorganger, voorgangster, celebrant, priesteres bevindt en het
altaar aansluit op de twee vleugels van de rijen.
De processen, die hier de meest eenvoudigste zijn, zijn van enigszins meditatieve geaardheid.
Er wordt in ernstige concentratie en stilte innerlijk overwogen wat men wil volbrengen.
Vervolgens wordt door degeen die leiding geeft het doel gesteld. Kort en duidelijk. De
aanwezigen herhalen dit, dus een soort koorzang.
Daarna gaat men over tot een plechtigheid waarbij deze kracht verzameld wordt. Meestal
bestaat dit uit een meditatie of gebed, waarbij men aan het einde zich tot het altaar, beeld van
God en de oneindige krachten, richt en, zich richtend tot dit altaar, een zegenformule, een
smeekformule uitspreekt, meestal gevormd dooreen zekere incantatie.
Wanneer het doel duidelijk is gesteld, zijn op deze wijze grote resultaten te bereiken. Wil men
meer bijzondere resultaten bereiken, dan dient eerst een studie te worden gemaakt, omdat
dan binnen de kring - bij voorkeur met krijt - bepaalde figuren worden getekend. Eventueel
kan de opstelling van de personen zelf in overeenstemming met een dergelijke figuur gewijzigd
worden. Verdere inlichtingen wil ik u hier voorlopig niet over geven.
De derde is de z. g. speldienst of wel verbeeldingsmagie. Ook deze kan alleen in een
groepsgemeenschap plaats vinden; zij bestaat in zekere zin uit een spel, een soort toneelspel
dat men opvoert. Hierbij worden de krachten verbeeld; d. w. z. dat als iemand de kracht van
het licht aanroept, dat hij dit licht a. h. w. met zich draagt. Dat hij dit symboliseert en zich
gedraagt. alsof hij dit licht is, dat desnoods van de een tot de ander gaat.
In de tweede plaats; de figuren van krachten, die men dwingen moet, worden eveneens
uitgebeeld. Een van de aanwezigen zou dus b. v. een demon of een hogere geest, die men wil
dwingen, of verzoeken uitbeelden en zal dan ook antwoord geven, alsof hij deze was. Hierbij
ontstaat dus een soort dramatisering. In dit spel wanneer men zich daaraan volledig kan
overgeven ontstaan alle innerlijke spanningen en emoties, die nodig zijn om ditzelfde op hoger
vlak te reproduceren.
De voornemens, beneden gemaakt, de handelingen beneden volvoerd, de incantaties, beneden
gesproken, worden dus daarboven weerkaatst. Wanneer het spel beëindigd is,volgt een stilte.
Na deze stilte zal over het algemeen een, soms ook meerderen van de aanwezigen, weer
spreken. Hun spreken is dan echter inspiratief, zij geven hun indrukken weer. Aan de hand van

EK 62 - 63 59
Orde der Verdraagzamen

deze indrukken wordt door degeen die de leiding heeft bij ten dergelijke groep besloten,
wederom met een dwingende bede of incantatie.
In al deze vormen is het mogelijk, om de bovennatuurlijke krachten, die bestaan, de krachten
uit de sferen van licht en ook de sferen van duister, de krachten van hen, die mens zijn
geweest en de krachten van hen, die geen menselijke vorm hebben gekend, te beroeren en,
voor zover zij niet lichter zijn dan de groep zelf (en de invloed waaruit zij haar kracht put) te
dwingen.
In andere gevallen kan daarmee een harmonie verkregen worden. Een groepsmagie is steeds
een samenstelling van zeer verschillende stralingen, die gezamenlijk op de juiste wijze
geconcentreerd, de emotionele beelden geven de frequentie dus waarmee een zo hoog
mogelijke kracht wordt bereikt. Vanuit deze kracht wordt al het verdere volbracht. Ik heb u
hier beelden
gegeven van drie methoden. Wanneer u werkt en u wel eens zich bezig houdt met magie of
pogingen daartoe doet, dan moet u goed begrijpen, dat een magie zónder gebruik van
impedimenta mogelijk is, maar zeer moeilijk.
De door mij beschreven eerste methode, die immers is aangepast aan uw persoonlijkheid en
aan de eigen mogelijkheden, geeft de grootste kansen tot resultaat en succes.
De tweede methode is het best geschikt voor hen, die gebruik maken van zg.
meditatiegroepen en gezamenlijke Werkgroepen.
De derde methode is alleen geschikt voor hen, die door een zeer sterk onderling rapport, plus
een absoluut terzijde zetten van werkelijkheid, bedremmeldheid e. d., een uitbeelding kunnen
geven.
Zij kunnen eventueel dan daarbij de representanten zijn van een grotere groep; maar ook
deze grotere groep moet hierin volledig mee kunnen leven. Dit laatste komt dus zelden voor
en zal eerder thuishoren in inwijdingsscholen en tempelgroepen dan in de normale magie. De
twee andere methoden zullen voor u bruikbaar zijn.
En dan het laatste van mijn lezing van vandaag. Houd er rekening mee, dat wij ons doel altijd
juist moeten stellen. Hoe beperkter het doel dat wij kiezen, hoe nauwkeuriger het omschreven
moet worden, hoe juister het moet worden aangeduid, hoe scherper wij zullen moeten
overwegen, welke krachten hiervoor dienstig zijn.
Hoe algemener het doel, waarop wij ons richten, hoe vager en hoe algemener ook onze
incantatie kan zijn, hoe vager onze instelling, hoe minder specifieke middelen wij nodig hebben
om dit doel tot uitdrukking te brengen. Verder dit: wanneer wij een doel kiezen, dat goed is,
mogen wij dit doel nimmer kiezen naar onze eigen definitie. Wat wij als vrede zien, zou de cos-
mos kunnen interpreteren als dood. Wat wij zien als liefde, zou de cosmos kunnen zien als een
wegvallen van redelijke beperkingen, enz. Wij moeten dus proberen een doel te kiezen dat
wordt overgelaten aan de Hoge Kracht, waarmee wij werken, zolang dit vaag is en algemeen.
Het Heer Uw Wil geschiede dat wij uit de bijbel kennen, mag hier zeker gebruikt worden.
Wanneer wij overgaan tot een specifiek doel, dan moet ieder van de aanwezigen daarvan
weten. Het is niet mogelijk te werken voor een doel, dat slechts aan een der aanwezigen
bekend is. Zou in de door mij als nr. 2 beschreven procedure dus een bepaald doel bekend zijn
aan degeen die leiding geeft, zo zal deze eerst in een expose zo nauwkeurig mogelijk duidelijk
moeten maken, wat eigenlijk verlangd wordt, waarvóór men samen is gekomen, voor de
samenkomst werkelijk begint. Het deelhebben van allen is noodzakelijk.
En dan het laatste woord, vrienden. Deze magie lijkt u op het ogenblik misschien nog onnut. U
vraagt u af wat u ermee kunt doen. Laat mij u zeggen dat, gedragen door uw eigen
levenshouding, uw eigen begrip t.o.v. het Goddelijke, u in staat bent om met krachten te
werken, die ver buiten de normale wetenschappelijke paden liggen, maar die bestaan. Dat u
daarmee resultaten kunt bereiken, die voor een gedeelte zelfs uniek zijn. D. w. z. dat zij niet
meer onder gelijke omstandigheden gelijkelijk herhaald kunnen worden. U kunt daarmee
dingen bereiken die voor uw persoonlijk bestaan en voor anderen van het grootste belang zijn.
Overweeg of, en in hoeverre, u deze mogelijkheden wilt gebruiken. Voor degenen die zich
alleen tot de esoterie richten geldt ook weer; houd rekening met hetgeen ik u in het eerste

60 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

deel verteld heb. Voor u is het belangrijker dat u de juiste instelling vindt dan dat u de juiste
kennis bezit.
Goedenavond, vrienden.
Ik wil dan op verzoek vandaag met u spreken over Godsbegrip. Een onderwerp dat over het
algemeen zeer abstract behandeld dient te worden, maar waar wij m. i. toch ook zuiver
persoonlijk over kunnen spreken. Een Godsbegrip kan niet alleen gebaseerd zijn op een
persoonlijkheid, althans niet voor mij.
Ik geloof in een God. Maar deze is een complex geheel. Hij is de cosmos, al het zijnde, alle
sferen en buitendien waarschijnlijk meer. Ik kan mij deze God dus niet voorstellen als een
persoon en ik kan de eigenschappen ervan moeilijk definiëren.
Een Godsbegrip kan dus ook niet zijn een begrijpen van God, maar is slechts een persoonlijke
benadering van God. Ik hoop dat u mijn overwegingen, mijn uitspraken vanavond, dan ook
wilt zien vanuit dit persoonlijk vlak, omdat ik mij geheel wens te baseren op de wijze, waarop
ik erken en beleef.
Wanneer ik het Al bezie vanuit die wereld, vrij van tijd, waarin ik mag leven, doet het mij
denken aan een kloppend hart. Langzaam zet het zich uit, langzaam krimpt het terug en
wanneer aan de ene kant in het Al een vermindering kenbaar is, zo zwelt de andere zijde.
Maar er is altijd ergens een evenwicht. De massa van het heelal is gelijkblijvend. De kracht,
daarin behouden, altijd dezelfde.
Daarom kan ik mij mijn God niet voorstellen als een wezen, dat binnen dit Al gedacht of
gesteld kan worden. Het Al is voor mij het levende, het kloppende, het eeuwige en God is de
kracht, die o. m. dit bezielt. Mijn persoonlijke verhouding tot dien God kan ik dan ook niet
uitdrukken in termen als: O, ik aanvaard mijn God, of, ik dring door tot mijn God. God ís. En
wanneer wij spreken over die dingen dan heb ik het idee, dat ik eigenlijk overbodige dingen
zeg. Als niet zovelen dit onderwerp anders zouden zien en aanvaarden, zou het ook geen zin
hebben om deze avond aan de uitnodiging gehoor te geven.
Wanneer ik mijzelf erken en ik kijk naar mijzelf, dan zie ik ook God. Niet dat ik God ben. Maar
wanneer ik naar mijzelf zie, dan is er in mij datgene wat ik erken als God. En wanneer ik mijn
herinneringen zie van ongetelde levens, wanneer ik die vele sferen en werelden zie, die ik
betreden heb, waarmee ik contact heb gehad, dan vormt dit alles zich tesamen tot een beeld
en dat beeld is God.
De oneindigheid spreekt tot mij, alleen is de eindigheid die ik ken. Omdat ik weet dat het een
deel is en niet het geheel, weet ik ook dat ik verder moet groeien, verder moet leven en mij
verder moet ontwikkelen. Ik moet leren mij vollediger te uiten en te erkennen. Maar ik kan
moeilijk zeggen, dat mijn Gods-erkenning gebaseerd is op wat ik níet ben, wat ik niet ervaren
heb en wat ik niet ken.
God is voor mij het geheel van mijn mogelijkheden, de kracht die mij beweegt; mijn beleving,
mijn hunkering. Hij is mijn werken, mijn leven, mijn denken. Hij is mijn zelfonderzoek en mijn
veroordeling, maar Hij is ook gelijktijdig mijn ontwikkeling. Dat is misschien moeilijk voor u om
dat te beseffen. Maar je kunt de dingen nu eenmaal niet anders uiten dan zoals je ze beleeft,
en om wat je beleeft goed te uiten, moet je de dingen niet alleen zien, je moet ze doorleven.
En doorleven wil zeggen; een achtergrond scheppen van gevoel.
Misschien kan ik u het beeld geven, dat het dichtst ligt bij de werkelijkheid. Ik heb altijd
geleerd, in vele verschillende vormen, dat God datgeen is dat licht geeft. Soms in een
incarnatie aanbid je het vuur of DE ZON, in andere gevallen een onbekende vaagheid, waaruit
licht of bewustzijn neerdaalt.
Wanneer ik vanuit mijn huidig standpunt zoek naar het werkelijke godsbegrip, naar de
werkelijke inhoud van mijn wezen, dan kom ik tot de conclusie, dat ik ben als een lamp. De
vlam in mij is het licht, dat naar de wereld straalt. Maar datgeen waaruit de vlam ontstaat,
datgene wat ik niet ken, is.
Er zijn beelden, waarbij je probeert om af te wijken van het normale, waarbij je probeert om
God a.h.w. onder te brengen in een menselijk of geestelijk beeld. Wie kan een zonnestraal
omschrijven? Niemand. Zo kan niemand God omschrijven. Ik heb echter dit ontdekt en het

EK 62 - 63 61
Orde der Verdraagzamen

lijkt mij voor u, juist omdat u op aarde leeft ook wel zeer belangrijk: Alle dingen die ik erken
als licht, die ik erken als een geven, die ik erken als een verbondenheid, zijn uit God. Ze zijn
Goddelijk. Ze moeten onzelfzuchtig uit mij voortkomen weliswaar, maar wanneer zij deel zijn
van de vlam, die in mij brandt, zijn ze uit God en Goddelijk. Dan zijn ze een vervulling van God
en dan zullen zij als zodanig voor mij de weerkaatsing van God kenbaar maken in zijn
omgeving, in de schepping, die Hij evenzeer is.
Men heeft u misschien wel geleerd dat ge God moet zien in alle dingen. Een vogel die zingt,
een boom die eeuwen lang ergens aan de rand van een weg staat, of middenin een veld. Mij
heeft men dat ook wel gezegd, maar kan ik God zien in een boom? Ik kan misschien voor een
ogenblik zijn trage bestaan delen of voor een ogenblik de noodzaak tot roepen en tot zingen
en tot zoeken van de vogel ondergaan. Maar kan ik leven in de boom? Kan ik leven in de
vogel? Ik kan hoogstens mijn persoonlijkheid daar tijdelijk in leggen. Ik zal mijn andere
gestalte vergeten, maar ik blijf mijzelf. Daarom zeg ik; God vind ik alleen in mijzelf. En
wanneer ik alle macht zóek, alle kracht zoek en alle mogelijkheid zoek van het heelal, dan
moet ik mij beperken tot mijzelf
Ik ben voor mijzelf de enige weg tot God. Dit is heidens in de ogen van velen. Wanneer ik tot
de Christen zeg; dat de weg en de waarheid in uzelf liggen, dan zeggen ze, dat ik een
godloochenaar ben. En wanneer ik de mensen in Indië vertel dat de ene ervaring van een
kracht in mijzelf belangrijker is dan alle goden, en dat een beeld, een voorstelling in mijzelf
van iets wat goed is, een herinnering, een vreugde, die in mij blijft voortbestaan beter is dan
alle grote Boeddhabeelden en alle pagoden, en tempels, dan noemen ze mij ook een
Godslasteraar. Toch is dat voor mij waar.
Het vreemde is, dat wanneer ik die God in mijzelf erken, wanneer ik weet dat ik datgene ben,
de lamp, waarin de vlam brandt, gevoed door het Goddelijke, dat ik met mijn stralen alles kan
doen, dan ben ik machtig. en groot. Niet uit mijzelve, Zoals de lamp niet branden kan,
wanneer er niet de kracht is, die haar doet gloeien, wanneer er niet de olie is, waaruit ze haar
vlam put.
Maar het licht komt uit de lamp. Ik ben het die God kenbaar maakt. Ik ben het die openbaart.
Niet omdat ik wil, maar omdat mijn leven alleen kan bestaan, indien ik openbaar. En zo is,
alles wat ik prijsgeef aan het Al, alles wat ik tracht te volbrengen, een deel Gods.
Zeker zolang ik daarbij mijzelve vergeet. En niet zoek het licht in mijzelf besloten, te
ontvangen. Maar het licht vrijelijk van mij uit doe gaan.
Ge zult in deze reeks van lezingen veel gehoord hebben over alles wat samenhangt met
magie, met innerlijke beschouwingen en wat erbij hoort. Ik weet dat die dingen noodzakelijk
zijn. Ze zijn een middel voor de mens om te komen tot de erkenning, die ik met u bespreek.
En die erkenning op zichzelf is de enige belangrijke.
Wanneer ik macht heb en God in mij leeft, dan is het voldoende dat ik dat licht van mij doe
uitgaan, dan ben ik licht, dan ben ik voor een wijle God. Want openbaring van Zijn Wezen gaat
door mij. En wanneer ik roepen wil tot Al, dat het licht nog niet in zichzelf erkend heeft, dan
zullen ze zeggen; daar is een stralende ster, een hoge geest. Maar als ze zich bewust worden
van hetzelfde wat in hen leeft, dan kunnen ze ook zeggen; daar gaat mijn beeld, want zo ben
ik.
Het is moeilijk om u dit alles duidelijk te maken op een manier die niet blijft stilstaan bij de
woorden en de begrippen. Maar wanneer gij voor uzelf bidt of zoekt, of een probleem hebt,
wat doet ge dan? Erkent gij God zoals Hij is? De Kracht die in u leeft, die u beroert, die u zal
vervullen, zoals het noodzakelijk is? Of stelt ge de beperking van uw rede? Want de rede, die
ge dan gebruikt is als een spiegelend vlak, dat de vlam die in u brandt, omhult; binnen een fel
licht scheppend weliswaar, maar voor de buitenwereld duisternis.
Mijn begrip van God en het Goddelijke houdt ook in, dat ik alleen leef, wanneer God vanuit mij
werkt. Wanneer Hij door mij kenbaar wordt. Ik kan die God nooit door mijzelf kenbaar maken,
wanneer ik anders wil zijn dan ik ben. Misschien klinkt u ook dit vreemd.
Maar stel dat God leeft in alle dingen, omdat Hij is de volmaaktheid, zoals men ons leert. Dat
Hij in dit krimpend en dijend Al in aeonen van jaren datgene oreeert, voortdurend
herscheppend misschien zelfs wie zal het zeggen wat Zijn Wezen is. Nu ben ik een deel daarin.
Ik ben dat deel, omdat ik nodig ben, zoals ik ben. Wanneer ik nodig ben als een geest van

62 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

licht, dan zal ik een geest van licht zijn. En wanneer ik nodig ben als een werktuig in een
lagere sfeer, dan zal ik in een lagere sfeer zijn.
Er is slechts een verschil. Ik kan de kracht erkennen die in mij werkt óf ik kan die kracht
ontkennen. Want dart schijnt ons eigen lot te bepalen en onze persoonlijke vrijheid te zijn.
Maar ik kan niet voorkomen dat datgeen wat ik moet zijn, inderdaad in de schepping wordt
geuit. Wanneer ik dus mijzelf probeer te vervalsen, anders te zijn dan ik ben, dan zal ik in feite
weigeren om God te uiten door mijzelf.
In de cosmos maakt dat geen verschil. Maar voor mij wordt de wereld duister, voor mij is de
bewustwording stilgezet. Wat er roept en wat er leeft in je wezen, wat je trekt naar een
bepaalde sfeer, naar een bepaalde beleving, naar een bepaalde wijze van God ondergaan, is
deel van de noodzaak die in je bestaat. Dat is God zelf, die in je werkt.
Erken je dat God in je werkt? Erken je dit onontkoombare? Slechts wanneer ik in mij schouw
erken ik het licht, waardoor God zich uit. Dan zul je ook erkennen: ik moet mij zelf zijn, ik
moet mijn wezen uiten volgens de taak mij gesteld. En die taak kan ik alleen vinden door
mijzelf te zijn, door het beeld, waarvoor ik geschapen ben, het deel van het geheel, dat ik
vandaag vorm en niet gisteren of morgen te vervullen.
Zo rijen zich de ogenblikken van zijn en beleving aaneen. En aan het einde daarvan staat de
eeuwigheid. De eeuwigheid waarin ik gelukkig mag leven, waaruit het soms wat moeilijk is om
het juiste punt in de tijd te vinden. Het had niet veel gescheeld of ik was in gesprek geweest
met Maarten Harmenszn Tromp i.p.v. met u. En dat is niet alleen scherts.
Die eeuwigheid is alleen maar het samenvloeien van verleden en heden. De mens denkt eraan
als een onbeperkte tijd. Maar het is eerder een nietbestaan van tijd; de afmeting tijd valt weg.
Er is geen gisteren en er is geen morgen. Er is alleen een ontzettend rijk vandaag, waarin je
gelijktijdig vele vormen hebt, vele functies en vele werkingen.
Eeuwigheid is de verveelvuldiging van je wezen en van je taak en van de mogelijkheden. En
juist daarin erken ik God op zijn grootst en z’n scherpst. Te weten dat ik gelijktijdig kan
bestaan, in vele werelden en vele wezens en tóch zijn wie ik ben; te weten dat ik tot u spreek
en dat mijn stem ook elders klinkt, en dat ik toch ook rust, omdat dit alles gelijktijdig is. Te
weten dat ik altijd tot u zal spreken, ook wanneer volgens u die tijd voorbij is. Dat is een
wonderlijke vreugde. De woorden die ik nu tot u spreek zijn voor mijn gevoel aan het begin
van de schepping gesproken. Ze blijven doorklinken totdat ergens misschien het einde van de
tijd begint; het ogenblik dat uw en mijn heelal sterft; dat het Hart niet meer klopt en er een
nieuw leven, elders geboren wordt.
Beseft ge hoe moeilijk het is om het onderwerp juist te behandelen? Op aarde heeft men God
gezocht en een ieder doet het op zijn wijze. Een ieder gebruikt zijn eigen kracht. Maar maakt
het nu werkelijk zoveel verschil uit of ik roep tot Jezus of de grote Sjimbala? Of ik roep tot Isis
of tot Jahwe, of ik roep tot Brahma of dat ik de voorkeur geef aan ShiWa, of dat ik misschien
mijn aandacht wend tot het grote Niets, waarin de Boeddha’s leven? Die dingen zijn gelijk. Dit
alles zijn de beelden, die wij ons scheppen. Godsbeelden. En elk Godsbeeld op zichzelf is
onvolmaakt.
Men denkt eraan dat men bouwt; we bouwen, zo zegt men, een tempel. We bouwen een huis.
Maar dat huis is gebouwd, de tempel is voltooid, woordat de eerste steen werd gelegd.
Wanneer je wezen terugkeert uit de tijd, dan weet je, dat al die dingen gelijktijdig zijn. Dan
weet je ook dat je zelf huis, of tempel bent, of licht. Dat je het altijd geweest bent.
Wanneer ik een vergelijking moet vinden voor God, dan zou ik zeggen; God is een stad waarin
ik leef. En gelijktijdig is Hij het leven, dat de hele stad bezielt. Zo spreek ik niet tot u, maar ik
spreek tot mijzelf. Ik weet niet over hoeveel menselijke tijd heen. Zo leef ik in een wereld als
de uwe, die dreigend schijnt en onvolmaakt en waarin u worstelt met uw problemen. En de
vraag of u iets wel of niet zult doen, of iets wel of niet geoorloofd is. Of u wel of niet gefaald
hebt. Of ge wel of niet de kracht zult hebben om te volbrengen.
Maar het is alles al gebeurd. Niet dat het voorbestemd is. Wat gij er van beleefd, wat het voor
u is, beslist ge zelf. Ge kunt kiezen, licht of donker. Maar dat wat voor de schepping bestaat is
altijd. En dat is nu juist het begrip God.

EK 62 - 63 63
Orde der Verdraagzamen

Wat maakt het voor verschil uit of ge leeft in een hoge sfeer of op aarde? Voor u lijkt het
misschien een groot, een onmetelijk groot verschil. Maar wanneer ge in die hoogste sferen zijt,
dan leeft ge óók op aarde. Niet één leven, maar vele levens gelijktijdig.
Ge meent misschien dat er een groot verschil is tussen dwaasheid en wijsheid. Maar is de
wijsheid niet slechts de aanvaarding van datgene wat de dwaasheid ondanks zichzelve
volbrengt?
Ge droomt van magie; gij zijt instrumenten, werktuigen. Het is een deel van uw werkelijk
wezen, dat hier op aarde op het ogenblik iets volbrengt. En als ge magisch moet werken, dan
kunt ge het bewust doen. Dan kan het u een vreugde en een sterkte zijn. Ge kunt het ook
onbewust doen en dan volbrengt ge het tegen beter weten in. Tegen eigen erkennen, tegen
eigen persoonlijkheid; en ge zult er misschien ongelukkig door zijn.
Maar ge kunt niets volbrengen dat niet deel is van uw wezen. En ge kunt niets beleven dat niet
werkelijk behoort bij uw “IK”, bij uw persoonlijkheid. U bent deel van God. God is het licht, dat
in je brandt en daaraan kun je niets veranderen. De lamp is zinloos zonder de brandstof die
haar tot bron van licht maakt. Wij zijn zinloos zonder de kracht, die ons beweegt. Vanuit het
tijdloze, waarin ons werkelijk “IK” bestaat.
Ik vrees dat ik voor velen van u te abstract ben. Maar wat heeft het voor zin te spreken in
mooie gebeden, welgevormde woorden. Kunt ge een antwoord in uzelf ervaren op wat ik zeg?
Kunt ge aanvaarden dat wat u gebeurt, en wat er gaat gebeuren, en wat er is gebeurd, alles
deel is van een groot geheel, van uw werkelijk wezen en dat door dat werkelijk wezen God zich
openbaart?
Dan is een verder begrip overbodig. Dan zeg ik u, wanneer ge niet beseft, kan ik met alle
woorden en alle dichterlijke beelden, met alle bezieling niets veranderen. Dat is het
wonderbaarlijke, wanneer je denkt over God. Wanneer je denkt over God moet je denken over
jezelf. Als je denkt over jezelf, dan moet je over jezelf denken in een aanvaarding van al wat
je bent geweest en wat je zijn zult, tot de banden van alle tijd, de krachten van alle tijd en het
licht van alle tijd samen die ene vlam zijn, de werkelijkheid, die ook vandaag door u schijnt.
Geloof mij, ik heb veel onderzocht. Ik heb goden gediend op planeten, waar het leven
monsterlijk en onwaarschijnlijk lijkt. Ik heb goden gediend op aarde en - al is het volgens uw
tijd nog niet voltooid - ik zal nog meegaan met een grootse leraar om een leer te brengen, die
dicht voor de voltooiing van deze aarde, althans deze mensheid, staat.
Ik weet veel. En ik kan het niet anders uitdrukken dan; wat is, is. Wat is, is uit God. Wat God
is, en wat uit God is, moeten wij erkennen als Licht. Dit Licht moeten wij erkennen in
aanvaarding. Wij moeten ons leven niet vormen volgens dat wat een wereld of een denkwijze
buiten ons verlangt. Wij moeten antwoorden op dat wat wij zijn. Nu. Wij moeten de kracht
erkennen die wij betekenen. Nu. Wij moeten zo bewust vervullen wat wij zijn. Nu.
Alleen dan hebben wij waarlijk en bewust deel aan de eeuwigheid. Ge kunt mij geloven en ge
kunt het verwerpen, maar als het nutteloos is geweest en wanneer het doel dat God heeft met.
deze bijeenkomst, die geheimzinnige lichtkracht, die ik ook niet verder ken, die mij beweegt
en die de bron is van mijn wezen, in u een begrip van deze woorden vergt, en ge begrijpt ze
niet, dan zal oneindig ditzelfde zich herhalen en zult ge in dromen en in sferen, misschien in
een werkelijk leven terugkeren, totdat ge beantwoord hebt aan het beeld dat ge zijt, daar
waar geen tijd is.
Daarom kan ik volstaan met dit alles. En is het niet nodig om meer te spreken. Licht zijt ge.
Dat God in u is. Lamp zijt ge, opdat ge het middel zijt, waardoor het ongekende tot Licht
worde. Eeuwig zijt ge, al leeft ge in de tijd, omdat uw wezen tijdloos is. En al deze dingen die
nu tijd lijken, zullen eens gelijktijdig zijn, zonder herinnering of verwachting, maar in voile
erkenning. En wanneer ge zover zijt, zult ge zeggen; Ziet, dit is God voor mij.
Nummer 6.
Esoterische Xring.
februari 1963
Voor wij aan onze les beginnen wil ik graag iets rectifkeren. Er is n. l, gesproken over een
reeks angstromeenheden van 1e tot 18e en 1e tot de 14e. Er staat min l6e en min 18e. Het

64 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

minteken moet verdwijnen. Anders krijgt u te maken met een reeks vergissingen die
ontstellend zouden kunnen zijn,

DE ACHTERGRONDEN VAN DE INWIJDINGEN.

Wij hebben over het onderwerp inwijding al meer gesproken. En het is misschien goed in dit
stadium van onze lessen deze inwijdingen eens na te gaan en te zien welke achtergrond voor
die inwijding bestaat en ook hoe bepaalde inwijdingsgebruiken tot stand zijn gekomen. Dit
alles kan n.l. verhelderend werken, wanneer wij de stellingen die u bij de Orde en elders hoort
met elkaar willen vergelijken, om zo te komen tot een juister inzicht, een beter begrip van de
innerlijke weg en eventueel ook een betere magische beheersing.
De oudste inwijdingen staan practisch alle in verband met het water. Het water is echter in de
oudheid niet alleen de representant van de zee, want aan het einde van de wereld is er een
grote waterval en daaronder ligt de wereldzee, waarin de wereld drijft. De wereld wordt
gedragen door de zee van de eeuwigheid. Die idee, dat het water belangrijk is, maakt al deel
uit van de eerste overleveringen, waarbij wij dan te maken hebben met het. shamanisme in
zijn primitieve vorm.
De opvatting blijft bestaan en er komt een tweede bij. Wij hebben dan niet alleen te maken
met eeuwigheid, maar ook met leven en levenskracht. Het is duidelijk dat hier het bloed als
drager van het leven wordt uitverkoren en dat zo water en bloed (en in de vervangende offers
t. b. v. het offer van Melchizedek water en wijn) wordt gebruikt.
Nog later gaat men zich realiseren dat een inwijding niet gebaseerd kan zijn op het totaal van
de cosmos. Er zijn dan een groot aantal verschillende inwijdingen, die elk een bepaald gebied
proberen te omvatten. Er is bv. een groot verschil in de school van Thot en die van Isis.
Isis is een school, die in de eerste plaats mystiek-magisch georiënteerd is. Thot is
wetenschapjpelijk-magisch.
De een gaat uit van de essentiële levenskrachten en de inwerking van de goden en godinnen
daarop; de ander gaat uit van de wetenschappelijk vaststelbare feiten plus de mogelijkheid om
daaraan nieuwe krachten toe te voegen, die echter niet wetenschappelijk kenbaar zijn.
Nog later voegt zich aan deze inwijdingen een derde toe; en dan zijn wij al gevorderd tot ±
5000 v. Chr. Wij krijgen dan o. m. te maken in Perzië, in India en China met de filosofische
inwijding. De filosofie van die dagen is een poging om de verhouding van de mens tot God en
de werking van God t.o.v. de mens te bepalen Ook hierin worden bepaalde geheimen
gevonden en ook deze worden neergetekend en overgeleverd.
De geheimen zoals ze thans bestaan, zijn natuurlijk voor een groot gedeelte ontluisterd. Ik
hoop dan ook u duidelijk te maken dat het begrip inwijding niet altijd gelijk is aan het door
anderen onthullen van bepaalde geheimen. Dit hebben wij nl. gevonden in de
wetenschappelijk-magische richting. De inwijdingen die op Thot of op de Hermetische
wetenschap zijn gebaseerd, zijn wetenschappelijk. Hier heeft men een sleutel nodig om de
achtergronden der dingen te leren kennen; men moet van daaruit doordringen. Zij vergt
echter een zeer grote vorming van de mens. Je kunt niet zo maar de geheime werken van
Thot, de hermetische tafelen hanteren, maar moet daarvoor kennis hebben van de bestaande
wetenschap en verder een behoorlijke ontwikkeling op het gebied van filosofie en redekunst.
Zonder dit kun je niet verder. Thot is dus eigenlijk een elite-inwijding, die grotendeels een
verstandelijke weg volgt, en slechts voor enkelen toegankelijk is.
De inwijding met Isis is een van grootste inwijdingspriesterschappen geweest op het terrein
zoals door mij gekarakteriseerd. (Wij vinden elders soortgelijke groepen.) Zij baseert zich op
de overdrachtelijke magie, die wij o.m. in de vorige lessen besproken heboen.
Hierbij is de mens een deel van het goddelijke. Hij moet dit beseffen. Zijn inwijding kan dus
niet bestaan uit een menselijk geheim of een menselijke inwijding. Er is een innerlijk en
mystiek beleven voor nodig. De mens studeert, hij houdt zich bezig met werken, met
EK 62 - 63 65
Orde der Verdraagzamen

oefeningen, hij herhaalt geheiligde spreuken, vaak in een taal die hij niet eens beseft en op
den duur ontstaat in hem een bewustzijn. Er komt een ogenblik dat hij ineens voelt, dat hij
ingewijd is. Niemand kan zeggen dat het wel of niet zo is, buiten hijzelf. In de priesterschap
betekent dit, dat hij mededeling doet aan zijn meerderen en dat deze hem dan testen. Er is
dus sprake van een inwijding die later door de toets, de beproeving, wordt bevestigd. Niet,
zoals men zich vaak voorstelt, van een beproeving die gevolgd wordt. door een inwijding. Deze
misvatting is zeer waarschijnlijk ontstaan uit de inwijding van Amon van Thebe, waarbij de
beproeving wel vooraf gaat aan de inwijding, maar de inwijding op zichzelf niets anders is dan
een enkel sleutelwoord of meditatiewoord. De gedachten van de mystieke inwijding hoop ik zo
dadelijk af te handelen. Ik wil eerst nog iets zeggen over de filosofische richting.
Bij de filosofie is het het eigen denken, dat de sleutel is van de inwijding. De meester, de
leraar heeft een grote rol evenals in de inwijdingen van Thot maar het is niet zijn taak te
verklaren. Het is zijn taak om het raadsel te scheppen. Het is zijn taak om de vaak cryptische
beantwoording te geven aan de hand van de vragen, die zijn leerlingen stellen. Wat hij zegt,
moet waar zijn. Maar het mag niet als waarheid onmiddellijk en zonder denken kenbaar
worden.
De filosofische inwijdingsrichting heeft verder grote woordelen, omdat zij zich kan baseren op
alles wat menselijk is. Zij baseert zich dus op politiek, op geloof, op economische
verhoudingen en sociale onderscheidingen en hiërarchieën. Het is misschien juist daardoor dat
de mooiste voorbeelden hiervan ontstaan zijn in een van de vroegst grootgeorganiseerde
rijken, n. l. in China.
In China was er een grote keizerlijke hofhouding en deze keizerlijke hofhouding was zelfs
zodanig belangrijk, dat het beeld van de hemelen, dat men daar kende, gebaseerd was op de
hofhouding. Dat moge blijken uit oproepingen, die men daar magisch gebruikte. Het komt b.v.
voor: Hoort mij wel, want ik spreek uit de naam van de vijf keizers der hemelen. En men heeft
mij gehoord aan het hemelse hof. Hoort wel, gij die ik roep en dan volgt de naam….. en
gehoorzaam het keizerlijk bevel.
En dan heel vaak blijkt de magiër zichzelf ook nog een rang toe te meten, die eveneens
ontleed is aan de indeling, zoals die binnen het rijk toen bestond. Het woordeel is hier
natuurlijk dat je werkt met levende waarden, met datgene wat rond je bestaat. Dat je het
mysterie het mysterie laat en dat je alleen tracht, op grond van hetgeen je beleeft en
waarneemt, een redelijk aanvaardbaar beeld op te bouwen. Daarnaast gebruik je wel
middelen, die niet meer redelijk zijn, maar je denkt er niet verder over na. De filosofische
richting heeft dus het eigen denken gescherpt om te komen tot een zo groot mogelijk concept
van de wereld met een zo juist mogelijke toepassing van onredelijke middelen, zodra men als
ingewijde optreedt.
U zult begrijpen dat wij wanneer wij al een hele tijd bezig zijn met esoterie ergens een keuze
moeten doen. En die keuze wordt moeilijker naarmate men duidelijker beseft wat er allemaal
in de wereld bestaat. Het is heel prettig om naar inwijding te zoeken aan de hand van
wetenschappelijke gegevens, dat je die heel moeilijk bereikt, vergeet je dan liever. Want je
blijf t binnen het redelijk kader en dat is binnen de mensheid erg aantrekkelijk. De filosofie
heeft het grote woordeel dat je zelfs uit vaagheden voor jezelf iets kunt distilleren, dat
waardevol is. Dat je gescherpt denkvermogen op den duur in staat is een bevredigend
wereldbeeld op te bouwen en de inwijding wanneer ze niet direct komt in de filosofie verklaard
kan worden als toch plaatsgehad hebbend. We kunnen elkaar graden gaan toekennen, die
geen werkelijke zin hebben en dit toch filosofisch volledig aanvaardbaar en redelijk maken.
De mystieke inwijding is in zekere zin de moeilijkste. Want in het mystiek-magisch karakter
krijgen wij in de eerste plaats te maken met een innerlijke beleving. Het hangt van onszelf af.
In de tweede plaats worden wij geconfronteerd met de noodzaak om onze innerlijke beleving
te toetsen; dus duidelijk te maken dat die beleving niet alleen een droombeeld is, maar dat ze
ons eigen wezen enigszins veranderd heeft. Dat we toegang hebben gekregen tot andere
macht, ander inzicht.
Ieder moet natuurlijk weten, welke weg hij kiest. U zult bij ons ongetwijfeld ook op zuiver
redelijk terrein op filosofisch terrein zeer veel aantreffen dat voor een persoonlijk zoeken naar
inwijding gebruikt kan worden, Maar de mystieke inwijding heeft wel de grootste woordelen in

66 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

onze ogen. En het is aan deze inwijdingsmethode vooral haar achtergronden dat ik vanavond
in het bijzonder aandacht wil wijden.
De mystiek is een jezelf verplaatsen in een belevingswereld, die niet je eigene is. Dat betekent
verder dat het eigen ik in die wereld, althans grotendeels, teloor gaat. De achtergrond wordt
misschien het best omschreven door een mysticus uit het Oosten, die als volgt schrijft;
Wanneer ik tot innerlijke rijpheid gekomen ben, zo ontrukt mijn ziel zich aan de wereld. Ik ken
mijzelve niet en zo, zwevend boven alle dingen, erken ik alle dingen en heb aan alle dingen
deel. Doch ik handel niet want ik besta slechts. En in het bestaan is de eenheid mij voldoende.
Hij geeft hier dus zuiver weer een verlies van persoonlijkheid, waarbij een persoonlijk
bewustzijn wel gehandhaafd blijft, maar eigen daadkracht weg valt. Wij vinden dit in de z.g.
mystieke vereniging, zoals die in bepaalde kloosterorden wordt gezocht, weer terug. Jezus of
een andere godheid, ergens anders, openbaart zich binnen het eigen wezen. De wereld heeft
geen belang meer. Men is één met deze kracht en ondergaat haar.
Psychologisch gezien brengt dat nogal wat moeilijkheden met zich mee. In de meeste gevallen
zoeken wij niet naar een ontkenning van ons eigen ik, maar naar een bevestiging, want wij
willen méér zijn, wij willen meer bewust zijn. Wij willen meer bereiken en meer beleven. Toch
zal dat “meer” ons voor een groot gedeelte terughouden van de werkelijke bereiking op
mystiek gebied. Het is niet; wat ik ben, wat ik doe, wat ik bereik, maar wat door mij geschiedt,
wat waarde heeft.
Hier staat de mens dus eigenlijk als onbelangrijke waarde tegenover zijn God. De hele wereld
is belangrijk, hijzelf niet. Het cosmisch beleven is belangrijk, hij zelf niet. Wat hij voor de
wereld betekent kan belangrijk zijn, maar nooit voor hemzelf. Er is dan ook over het algemeen
een groot verzet tegen de mystiek, tenzij men zich daar volledig aan overgeeft. En die
volledige overgave houdt dus in, dat een groot gedeelte van eigen besluit en eigen kracht
wegvalt en dat men er zich niets van aantrekt of men nu dwaas is of niet.
Wanneer wij te maken krijgen met bepaalde mystieke orden, zo treffen wij daarin altijd weer
een. reeks patronen aan, meestal rituele patronen, die schijnbaar voor een ieder openstaan. Je
kunt bij de dansende derwishen meedansen. U kunt hun incantaties, hun bewegingen
gadeslaan, u kunt er aan meedoen, niemand zal het u beletten.
Er zijn Boeddhistische tempels, waar volgens een zeker magisch ritueel, heilige woorden
worden gelezen, bepaalde gebeden worden opgezegd, beoaalde gezangen worden gezongen. U
kunt erbij zijn, u moogt meespreken en meezingen. Niemand zal het u beletten. Want de
sleutel tot deze waarde ligt zo denkt men in u zelf. De mens die zichzelf daarin verliezen kan
en daardoor de innerlijke beleving verkrijgt, is ingewijd. Hij heeft alle recht om mee te doen.
Degeen die dit niet bereikt, kan 1000 x hetzelfde doen en hij zal nooit iets bereiken. Er is dus
geen rede om een ander af te zonderen of uit te sluiten.
Deze gedachtengang is daarom zo belangrijk, wij zijn altijd geneigd om erg geheimzinnig te
doen als mensen. Wanneer wij denken, dat wij iets bereikt hebben, iets hogers, een cosmisch
geheim, dan doen wij er heel erg geheimzinnig mee. Wij houden ons alsof we alleen onder het
grootste voorbehoud onze diepzinnigheden tot uiting mogen brengen, en wanneer het er op
aan komt, dan blijkt meestal dat het geheim kan worden teruggebracht tot iets heel
eenvoudigs.
Alleen wanneer we proberen eenvoudig te zijn en wanneer wij dus een ieder eigenlijk toelating
geven om onze praktijken te zien, onze rituelen te volgen, ja, onze uitspraken aan te horen,
dan kan er altijd toch nog wel dat ene zijn. De mens zelf is een sleutelbegrip. Hijzelve is het
die zichzelf inwijdt. Hijzelf is het die in zich de mystieke vereniging met het Hogere bereikt.
Dit kan dienen om een onderscheid te maken tussen stellingen en regels, die voor u belangrijk
zijn en die niet belangrijk zijn. Het zal u heel vaak voorkomen, alsof iets te eenvoudig en te
simpel is. U hebt het altijd al geweten en het is al zo vaak gezegd; het is waardeloos
geworden. Wanneer u zo bent, zult u er ook geen waarden in vinden. Maar het kan zijn dat er
ergens een ritme, een zin, een woord in verscholen zit, die voor een ander de sleutel is tot een
nieuw innerlijk beleven. tot een nieuw inzicht en daardoor de mogelijkheid tot een mystiek
beleven.

EK 62 - 63 67
Orde der Verdraagzamen

Ik maak u hierop attent, omdat de grote waarden van de mystieke inwijding, de mystiek-
magische inwijding, vooral dus niet gelegen is in de procedure. De procedure wordt aangepast
aan de behoefte en aan de mogelijkheden. Wat belangrijk is, is alleen wat in u gebeurt en
verder niets.
Nu kunnen we natuurlijk met deze oude voorbeelden verdergaan. En nu kan ik u b.v, weer
vertellen over de Isisdienst, waarin bepaalde praktijken bestonden, die lopen, zeg maar, van
psychologisch zeer fijne kneepjes tot wat u zoudt noemen grove sexualiteit toe. Er zijn riten
bij, die naar uw inzicht misschien, gebaseerd zijn op het gevoel voor muziek of massahypnose
en er zijn ook rituelen bij, waarvan u zegt: zo eenvoudig kan alleen maar een kinderlijke mens
het Goddelijke benaderen. Het is eigenlijk onzinnig dat men zich mee bezighoudt,
Ik kan datzelfde gaan vertellen over bepaalde inwijdingsgebruiken van Joden en wij komen
niets verder,. Want als ik u alleen maar inlicht over wat er was, dan gaat u denken; daarin is
dus het geheim. Maar het geheim ligt in uzelf.
Wat is dan de mystieke sleutel? Laat mij voorop stellen dat het voor ieder mens een andere is.
Wat voor de den vol mystieke waarde is, wat hem innerlijk vrij, gelukkig en groot maakt, kan
voor een andere mens leeg zijn en zonder betekenis. En ook het ongekeerde is waar.
De sleutel zelf bestaat uit het gevoel van innerlijke eenheid. Maar daarmee hebben wij
eigenlijk veel te weinig gezegd, Elk menselijk wezen heeft een eigen grondtrilling, dat weet u.
Wij zouden kunnen zeggen; dat is zijn lotslijn, zijn kernlijn, die gaat vanaf het Goddelijke, door
alle tijden heen tot het begin van het menselijk zijn, de chaos. Deze trilling of hoe u het verder
wilt noemen, deze harmonische waarde kunnen wij ook zeggen is de eigenschap van uw
wezen. De enige bepalende, U kunt zich aan alles onttrekken, u kunt alle dingen in uw leven,
zij het tijdelijk, veranderen. Maar één ding kunt u niet veranderen. En dat is de grondwaarde
die u bindt met de schepping van begin tot einde. Het is deze kracht, deze grondwaarde, die
een verbinding vormt van voertuig tot voertuig in de mens. En of je nu 100.000 voertuigen
hebt of een, dezelfde grondwaarde zal altijd bepalend blijven voor uw wezen, voor alle
mogelijkheden daarbij.
De mystieke sleutel nu is deze grondtrilling, Wanneer er iets is dat u innerlijk zo beroert dat u
daarin het contact met het eeuwige, met het tijdloze kunt ervaren - al is het maar in een flits -
is hier voor u de enige mogelijkheid om toegang te krijgen tot de mystieke wereld. Tot die
wereld waarin ik, God en alle dingen op een wonderlijke wijze met elkaar verwant zijn en er
haast geen onderscheid tussen deze is te maken.
Uit ditzelfde grondbegrip, grondprincipe van het “ik” vloeit ook de z.g. magisohe werking
voort. Laat ons niet vergeten dat ook de mystieke inwijdingsgenootschappen en dat zullen er
heel wat zijn tenslotte een zekere macht kunnen uitoefenen, bepaalde krachten kunnen
oproepen en gebruiken. Maar zij doen dit niet op een buiten het “ik” staande basis of schaal.
Zij gaan niet van zichzelf. En hier is weer de grondwaarde die in mij bestaat, gelijk aan de
Goddelijke kracht die in mij bestaat. En die Goddelijke kracht is het die bepaalt, waar ik
weerklank vind., waar ik een weerkaatsing vind in de eeuwigheid, die bepaalt welke krachten
ik aan mij kan onderwerpen en welke niet.
De gedachte dat die grondtrilling belangrijk is kunnen wij overigens terugvinden. Wanneer wij
nl. de magie beschouwen, dan zien wij heel vaak dat namen heel belangrijk zijn. En vooral bij
de mystieke genootschappen ontdekken wij dat er hele reeksen van namen zijn, die absoluut
zinloos zijn; dat er uit oude talen iets wordt beweerd. Om u een voorbeeld te geven; In
Griekenland worden er ongeveer 300 n. C. nog magische spreuken gebruikt, die uit het
Arcadisch voortkomen; dat is een taal die dan geheel uitgestorven is. De mensen weten niet
eens wat het betekent; ook de priesters niet. Maar het gaat hen ook niet om de betekenis. Het
woord wordt de trillingssleutel. De trillingssleutel, waarmee men dus het grondwezen bereiken
kan en zo een tijdelijk contact tussen zichzelf en anderen tot stand brengt. Maar wanneer men
zelf niet harmonisch is met die waarde, wanneer het eigen grondgetal daar niet op ingesteld is,
zal men niet in staat zijn om dat woord juist te vormen, om die klank juist uit te spreken. Men
krijgt geen resultaat.
Er is hiervoor geen verklaring nodig. De mysticus vraagt geen verklaring, hij vraagt beleving.
En juist dit zal ertoe geleid hebben, dat een groot gedeelte van de mystieke wetenschap later
in filosofische inwijdingen werd gebruikt, maar dan in een poging om de juiste verhoudingen
van het Al te verklaren met alles wat erbij komt. Wij hebben echter daaraan zeker geen behoef
68 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

te. Het kan voor ons gemakkelijk zijn, vooral wanneer het gaat om het kennen van ons eigen
wezen, onze eigen mogelijkheden. Dan zullen wij zeker zoeken naar ons eigen grondgetal,
naar onze eigen grondtrilling, naar hetgeen daarmee is verbonden; Zelfkennis.
En dan zullen wij daarbij misschien grijpen naar de astrologie en de kabbalistiek, maar dat is
alleen maar voor onszelf. Het heeft niets te maken met de zuivere mystieke beleving. Laten
we dat even vaststellen. Ook niet met de magie, die op mystieke basis kan ontstaan; de
achtergrond daarvan ligt buiten redelijk. En nu ik u dit verteld heb moet ik proberen en dat is
heel erg moeilijk om een omschrijving te geven van wat deze mystieke inwijding verder
inhoudt.
Wij hebben een sleutel. Goed. Dat is ons eigen grondgetal. Onze eigen basis. Maar wij
ontmoeten er schijnbaar heel wat verschillende dingen mee. Het ene ogenblik worden wij
geconfronteerd met tegenwerking, met neerslachtigheid, zodat het lijkt alsof je
ondergedompeld bent in een zee van inkt. En het volgende ogenblik leven wij in een gulden
licht of worden wij omringd door een blauwe gloed van glans. Want elke beleving heeft weer
een eigen karakter. Het ene ogenblik ontmoet de christelijke mysticus een gloriënde Jezus, het
volgende ogenblik een menselijke, een ander ogenblik een lijdende en bijna verslagen Jezus.
Toch zijn de belevingen allemaal op hetzelfde gebaseerd. Wij kiezen dus zelf ook wat er
eigenlijk uit voortkomt. Wanneer ik n. l. de sleutel gebruik, dan ben ik ook altijd dat wat
zichzelf niet geheel verliest. Want er blijft een bewustzijn, een ervaring, een waarnemen. Mijn
eigen daden en handelen, mijn problemen, tot zelfs het weer, en het al of niet honger hebben,
spelen een rol. Mijn lichamelijke toestand speelt een rol. Al die dingen tezamen bepalen de
manier waarop ik binnen de mystiek iets bereiken kan.
Ik wil de achtergrond hiervan zo eenvoudig mogelijk schetsen en zeggen; Het is niet slechts
wat wij zijn, ons grondgetal en onze basis, maar ook hóe wij zijn, dat bepalend is voor de
ontmoeting met het eeuwige. Wij kunnen deze ontmoetingen nimmer vinden d. m. v. een
ander. Wij kunnen ook niet zeggen dat een bepaalde daad, een bepaalde handeling of een
bepaalde toestand noodzakelijk is. De ware mystiek en het waar mystiek geheim liggen n. l.
alleen in ons persoonlijk bestaan en in de wijze waarop wij ons aanpassen.
Wanneer wordt geleerd dat men in de mystieke inwijdingen alleen moet zijn, dat men zich
gedurende drie dagen van spijs en gedurende 12 uur van drank heeft te onthouden, dat het
lichaam volledig rein moet zijn, dan is dat alleen maar een poging cm de mens te beïnvloeden.
Het heeft niet met de inwijding zelf te maken. Ook wanneer wordt gezegd dat de tempelwake
belangrijk is omdat juist daar God spreekt tot de mens inwijdingen in verschillende
priesterorden en kloosterorden, ook tegenwoordig nog ridderslag, zelfs de ridderwijding, ook
een inwijdingsprincipe zoals die in de Middeleeuwen bestond. Zij alle worden door een
nachtwake voorafgegaan en wel voor een altaar. Maar ook dit altaar is eigenlijk van minder
belang. Het gaat om de geheiligdheid. Op het ogenblik dat wij iets doen, iets beleven, iets
doormaken, waarin wij onszelf volledig goed en tevreden kunnen voelen, waarin wij onszelf
kunnen wegcijferen, waarin onze gedachten het Hogere kunnen aanvaarden, zonder
onmiddellijk dit Hogere om te buigen tot een verheerlijking van of een kritiek op ons eigen
wezen, dan hebben wij weer de juiste weg,
Er bestaat voor een ieder een persoonlijk geheim. U hebt allemaal wel eens gehoord van de z.
g. geheime naam van de mens of bij anderen de geheime naam van God. En dan zal u verteld
zijn hoe deze met veel moeite wordt verworven in jezelf, letter na letter. Of hoe de naam, de
werkelijke naam die men heeft, de geheime naam zich keer op keer kan wijzigen, kan
veranderen. Dat is in zekere zin waar. Want wij bouwen dus in onszelf het begrip op van onze
grondwaarde.
Wanneer er een woord is dat ons of het nu onzin is of niet a.h.w. beroert van top tot teen, van
binnen tot in de toppen van onze haren, dan hebben wij daarmee een woord gevonden dat
voor ons belangrijk is. Dat kan voor een ander nog net zo goed onzin blijven. Wanneer wij die
sleutel naar buiten toe gaan gebruiken, dan zien wij, dat ze voor een ander niets betekent,
Vandaar dat wij in veel genootschappen; die van deze mystieke mogelijkheid gebruik wil
maken te horen krijgen, dat dit woord zo geheim is, dat men het nooit mag uitspreken, daar
het. anders zijn waarde verliest. Dat is juist. Want zodra wij de innerlijke sleutel gaan
vergelijken met anderen, baseren wij ons niet meer op de invloed die zij op ons heeft, maar op

EK 62 - 63 69
Orde der Verdraagzamen

de invloed die zij bij anderen al dan niet heeft. En wij hebben niet met anderen te maken,
maar alleen met onszelf.
Alle krachten die in het Al bestaan, kunnen door ons bereikt worden. Maar er is slechts een
betrekkelijk klein gedeelte van die krachten waarmee wij onmiddellijk verwant zijn. Voor alle
andere krachten, zal ons contact lopen via het totaal cosmische, tot het centrale punt van het
Al. Onze sleutel, onze inwijding, die wij zelve vinden is nu de bron, het woord, de trilling, het
ritueel, dat ons direct met het eeuwige in contact brengt. Op het ogenblik dat wij zeggen, dat
het eeuwige daarmee niets te maken heeft dat dit ónze daad of ónze lust is is dat eerder
verkeerd dan goed. Op het ogenblik echter dat wij daarin juist het Hogere erkennen, is het wel
goed. Dan heeft het zin en dan kunnen wij, via het Goddelijke, alle harmonische waarden
bereiken en hebben wij, wat men noemt, de absolute heerschappij der ziel. De term die
hiervoor soms gebruikt wordt is, vrij vertaald, zielenmeester of zielenheerser.
De ingewijde die deze waarde dus bereikt, leest en spreekt in de ziel van een ander. Maar hij
doet het nimmer onmiddellijk en vanuit zichzelf, het is geen telepathie. Het is een wezens-
erkennen via en vanuit het Goddelijke. Zo zal u duidelijk worden dat de God, Die de mysticus
kent, veel verschilt van de godheid die een religieuze zich b. v. voorstelt. Voor de mysticus is
God niet een mens, een figuur, een gestalte, of een punt. Hij is een onbekende ruimte, waar
alle wegen samenkomen, waar alle krachten elkaar
ontmoeten en waar dus de kennis van het Al bestaat. Meer niet en ook niet minder.
Dat hij daarnaast zijn God ook nog ziet als een bewust wezen, vloeit voort uit de godsdienstige
vorming. Maar in zijn tactiek, zijn poging om het innerlijk wezen te verhogen en binnen te
dringen in de oneindigheid, maakt hij alleen gebruik van God als een soort clearinghouse, als
het punt, van waaruit de waarheid omtrent alle dingen toegankelijk wordt.
Nu moet u goed onthouden:
1. De weg van elk wezen dat een mystieke sleutel vindt, gaat regelrecht tot het Goddelijke,
maar het bewustzijn van dit wezen ontmoet achtereenvolgens verschillende grootkrachten, die
schijnbaar de volledige waarde van het nu erkende leven voor u dus het stoffelijk bestaan in
zich draagt. Zo is elke mystieke beleving er een waarbij men vele goden ontmoet en in de
schijnbare leegte van de Godheid het contact met alle leven en alle waarden gedurende alle
tijden tot stand brengt.
2. Waar men zichzelf inwijdt is het onmogelijk te zeggen of een mens al dan niet een inwijding
heeft ontvangen. Wanneer iemand dat zegt, kun je dat aannemen. Maar wanneer de inwijding
wordt omschreven mag worden verwacht dat deze bewezen wordt.
3. Alles wat wij doen, moet passen binnen het grondpatroon van ons eigen wezen. Juist in de
mystieke inwijding is de kern van ons eigen bestaan belangrijker dan wat ook. Het overtreft in
zijn belangrijkheid alle wetten, alle regels, alle gebruiken. en alle kennen. Wat ik ben moet ik
zijn. Ik ben dit niet omdat dit voor mij bevredigend is, maar omdat ik door mijzelf te leven,
een voortdurende schepping in de wereld tot stand breng van de grondwaarde, die in mij
bestaat. Ik geef de sleutel een voortdurende uitdrukking en hoe sterker de sleutel rond mij in
de wereld wordt uitgedrukt, hoe sterker de goddelijke kracht in mij onmiddellijk werkt.
4. Elke inwijding heeft als hoofdeigenschap een innerlijke verandering. Zonder innerlijke
verandering geen inwijding. De innerlijke verandering zal over het algemeen betreffen het
gedachtenleven, daarnaast heel vaak de lichamelijke gesteldheid, de beheersing en de
gebruiken, maar zij zal in ieder geval het gevoelsleven zeer sterk beïnvloeden en wijzigen.
5. Zij, die naar een inwijding zoeken, zullen deze vanuit zichzelf moeten vinden. Alle inwijding,
die door een ander gegeven wordt, heeft geen oneindig of cosmisch nut, maar kan er ten
hoogste toe voeren dat men bepaalde handigheden verwerft, die dan echter teloor kunnen
gaan met het achterlaten van een of meer voertuigen. Dus bij uw dood. De overgang. Op het
ogenblik dat wij onze redelijke maatstaven aanleggen aan het oneindige, zullen wij God
beperken. De mens, die alleen filosofisch een inwijding zoekt, zal een grote hoogte kunnen
bereiken, maar hij bereikt nimmer het punt waarin hij, middels het Goddelijke, met alle dingen
waarlijk verbonden is. Daarom is het goed om de mystieke beleving, ook wanneer men een
andere weg heeft gekozen, toch een zeer grote nadruk te verlenen.
En dan ten laatste; Er is geen sprake van b. v. een geestelijke leiding, die voert tot inwijding.
Men kan u helpen zoveel men wil. Men kan u echter nimmer dwingen om een inwijding te

70 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

ondergaan. Men kan u er ook niet toe brengen de waarden van de inwijding innerlijk juist te
beseffen.
Wanneer ik dit allemaal heb gesteld, vrienden, dan heb ik hiermee meen ik, de achtergrond
wel geschetst van die mystieke inwijding, die voor ons zo buitengewoon belangrijk is. Nu
moeten wij wanneer wij eerlijk zoeken toch ook nog even anders gaan denken. Dit zijn wel de
feiten. Maar wij staan zelf tegenover het leven. Wij verlangen iets van het leven. Wij hebben
onze eigen wensen, wij hebben onze eigen eisen. En wij zijn gewend om die te projecteren
tegen de buitenwereld. Wij verlangen in de eerste plaats iets van een ander, pas secundair van
onszelf. Wij verwachten van de wereld een antwoord, niet van onszelf. Daardoor staan wij dus
altijd in een voor ons persoonlijk niet erg prettige relatie met het Al.
Wij worden enerzijds gedreven door wat wij zijn, door onze grondpersoonlijkheid. Wij worden
gedreven door alles wat er verder in ons bestaat en leeft en anderzijds kunnen wij dit niet
aanvaarden. Wij worden gebracht tot een veroordelen van de buitenwereld, of het stellen van
eisen aan de buitenwereld. En wanneer die niet beantwoord worden, komen wij in een
innerlijke staat die, soms haat, soms nijd, soms zelfverachting en soms zelfverheffing
tengevolge heeft.
Wij moeten goed begrijpen dat alles wat wij zijn, normaal is. En wanneer het gebaseerd is op
onze persoonlijke werking, op dat wat wij innerlijk zijn, dan is dat voor ons juist, zolang het
niet voor ons strijdig is met God. Er bestaat voor ons in feite niets hogers dan God en ook
niets anders. Er zijn geen wetten, die langzaam gewijzigd worden, er is een absolute wet. Die
absolute wet is gebaseerd op datgene wat wij nu zijn en altijd zullen zijn, onszelf.
De magie die hierbij te voorschijn komt, toont al precies dezelfde aspecten. Je kunt magisch
zeer veel bereiken door handelingen, die schijnbaar geen samenhang hebben met hetgeen je
bereiken wilt. Wanneer men iemand wil doden en men schiet een pijl af, dan is er nog een
overeenkomst. Dan kunnen wij nog zeggen; hier is een vorm van sympathische magie. Maar
wanneer iemand een ander doden wil en hij blaast alleen maar in de lucht, dan is daar geen
samenhang. Toch blijkt deze magische methode ofschoon zwart, gezien haar instelling net zo
goed te werken.
Wij kennen het aanspuwen van een mens om te genezen, maar wij zien hetzelfde om een
mens te doden. Wij ontdekken dat deze zelfde aanspuwing gebruikt wordt om demonen uit te
drijven, maar ook om duivelen samen te lokken. Het is wel heel duidelijk, dat dus het teken op
zichzelf niet zo belangrijk is. Alleen wanneer wij de zuiver sympathische magie bedrijven, die
vanuit mystiek standpunt gezien behoort tot de lagere vormen, hebben wij op
overeenstemmingen, op harmonieën e. d. te achten in de wereld.
Indien wij met de mystieke kracht werken hebben wij alleen maar te letten op ons eigen
wezen plus de erkenning van het Hoogste in ons eigen wezen. We kunnen dus soms heel
vreemde resultaten bereiken. Maar al die resultaten zijn gebaseerd op ons gevoel. Wanneer u
voelt innerlijk, dat u een medemens
kunt helpen, dan kunt u die mens helpen wanneer u het probeert. Maar indien u twijfelt
daaraan, zult u die medemens waarschijnlijk niet kunnen helpen. Voelt u dat het niet kan, dan
is Uw beste pogen nog te weinig. Dan gaat het niet.
Wanneer u probeert de toekomst te lezen en u twijfelt eraan dat het mogelijk is, dan kunt u
enkele flarden opvangen. Maar meer niet. Bent u ervan overtuigd dat het wel mogelijk is, dan
zult u meer opvangen, Maar beleeft u die werkelijkheid innerlijk, dan zal uw uitspraak altijd
juist zijn.
De banden die er bestaan tussen u en al het andere, kunnen dus, vanuit de mystieke weg
gezien, worden als delen van eigen beleven. En wanneer wij er nu verder bij zeggen dat ik
natuurlijk de weg ben dat is een oud verhaal, de meesten Uwer kennen het wel en dat die
weg. reikt van het, begin tot het einde der schepping, dan kan ik ook zeggen; alles waarmee ik
ooit gereleerd geweest ben en gereleerd zal zijn in de toekomst, is in mijn wezen behouden.
Wanneer ik uitga van de grondstelling van mijn wezen; de basiswaarde, dan zal ik uit deze
basiswaarde alles kunnen kennen waarmee mijn wezen in toekomst of verleden in verband
staat.
Hierdoor krijgen we dus een heel ander inzicht, de dingen krijgen een heel andere betekenis.
Het gaat ook niet meer om “men”. Om wat men zegt. Het gaat om wat ik ben. Een voorbeeld:
EK 62 - 63 71
Orde der Verdraagzamen

leven is in zekere zin een kunstwerk creeren. Wanneer een schilder echter schildert om de
bijval van anderen te verwerven, zal hij nooit een groot schilder zijn. Wanneer hij echter zijn
eigen innerlijk, zijn eigen visie en beleven vastlegt op het doek, zonder daarbij op anderen te
letten, zonder hun eisen daarbij belangrijker te achten dan hoogst noodzakelijk is, dan zal
diezelfde schilder een groot kunstenaar zijn. Denk u maar aan de beroemde Nachtwacht van
Rembrandt, die onder soortgelijke condities tot stand kwam.
Ons leven kunnen wij natuurlijk baseren op de wereld, het oordeel van de wereld en hoe het
vanuit het standpunt van een ander is. Doen wij dit echter, dan is ons beleven voor deze tijd,
dan is het voor dit leven. En misschien belangrijk. Het zal voor de bewustwording zijn
betekenis hebben en hoe beter we het proberen te doen, hoe groter die betekenis.
Maar gaan we de mystieke weg, dan gaat het er ons niet om iets te creeren wat nu juist is,
wat nu aanvaard wordt; dan gaat het er om iets te creeren wat zo lang wij bestaan, van begin
tot einde, voor ons aanvaardbaar blijft. En daardoor binnen het Goddelijke voor alles
aanvaardbaar is. U zult begrijpen dat daardoor de grote tegenstellingen verklaard kunnen
worden tussen de vele systemen.
Wanneer u te maken krijgt met b. v. de religieuze mystici, dan komt u tot de ontdekking dat
zij zelfkwelling, zelfontzegging e. d. gebruiken als hulpmiddel. Gaan wij daarentegen naar het
verre Oosten toe, dan bestaan er sekten, die evenzeer mystici zijn, maar die juist in een
volledig uitleven van zichzelf, hetzelfde effect proberen te bereiken. Er is tussen deze geen
verschil. Het enige verschil is de weg, die men kiest. Het is iets wat voor hen meer
aanvaardbaar is. Maar het resultaat kan bij beiden volledig gelijk zijn.
En zo is het ook met een magische handeling. Bij een sacrament, zoals dat b. v. in de
christelijke kerken gehanteerd wordt als doopsel, hebben wij ook te maken met een zekere
mystiek. Hier is de kracht ook mystiek bezielend. En het eigenaardige is alweer dat het er niet
om gaat hoe dat daarbuiten wordt beseft of hoe een kind, dat gedoopt wordt de doop zal
ondergaan, het gaat er om welke geestelijke band er bestaat binnen de kerk. En in feite wordt
de kerk gerepresenteerd door de aanwezigen onder leiding van een priester. D.w.z. dat een
sacrament dat volledig gelijk wordt toe gekend in 500 kerken, 500 maal een verschillende
betekenis en waarde kan hebben. Uiterlijke waarden zijn niet bepalend voor de innerlijke
waarden.
Het sacrament kan de meest eigenaardige vormen krijgen. Er zijn plaatsen waar men munten
achterover de schouder werpt en daarmee een zekere sacramentele band, tussen zich en een
zekere Godheid tot stand brengt. En er zijn andere methoden waar men in gebed samenkomt
en door het uitspreken
van een zegenformule ook een soort sacramentele werking tot stand brengt. Schijnbaar zijn
deze dingen verschillend, practisch kunnen zij volkomen gelijk zijn.
Dit te beseffen is belangrijk voor u. Want juist nu u aardig wat grondslagen hebt gekregen
voor magie, en wat er verder bij hoort in verschillende denkwijzen en systemen tot uiting is
gekomen, nu wordt het noodzakelijk dat u begrijpt dat uw eigen wezen beslissend is. Niet
omdat dat eigen wezen zo belangrijk is, maar omdat het de enige sleutel bevat, de kern van
uw eigen wezen, waarmee God en de goddelijke Kracht onmiddellijk bereikbaar zijn
Het is ook geen kwestie van vroomheid wanneer wij mystiek beleven. Mystici zijn niet vroom,
zij zijn niet godsdienstig, zij zijn niet heilig. Ze zijn wel in zichzelf verzonken. En de esotericus,
die met de mystiek geconfronteerd wordt, vraagt zich wel eens af of die mystiek nu wel voor
100 % aanvaardbaar is. Want, zo zegt hij, wij hebben een langzame en moeilijke weg in
onszelf af te leggen. Dat is inderdaad waar voor het bewustzijn. Maar dat geldt niet voor het
totale wezen. Wanneer u f.100, in een tas hebt, waarin nog heel veel andere dingen zitten,
dan kan het tijd kosten om die f.100, uit te tellen, ze eruit te halen, maar ze zijn er altijd. Nu
is het hele verschil tussen de esoterie, die het bewust probeert te doen en de mystiek die dus
uitgaat van de Goddelijke werking onmiddellijk deze: men weet altijd dat men die f. 100,
heeft, nl. de eeuwigheid. De mysticus schrijft een cheque uit en vraagt zich niet af hoe de
middelen staan. Hij is er van overtuigd dat het voldoende is. De esotericus probeert regelmatig
zijn bezit na te tellen om er zeker van te zijn dat hij de komende uitgaven kan dekken. Waar in
feite de esotericus zowel als de mysticus beseft dat hij de eewigheid heeft.
D.w.z. een oneindigheid van tijd en momenten; dat hij een oneindigheid van kracht heeft, n.l,
de eeuwigheid en eeuwigheid is onvergankelijkheid. Zolang daar maar enige beweging in is,

72 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

kan elke afstand dus worden afgelegd, kan elke prestatie worden verricht en zal men ook
moeten toegeven dat het heden niet zo belangrijk is.
De mysticus zegt dan ook niet vandaag. De esotericus probeert het soms te doen. Het gaat er
dus om; ga ik uit van wat ik nu schijn te zijn in mijn eigen ogen? Het “ik”, wat ik nu ben, of ga
ik uit van datgene wat ik innerlijk moet te zijn? En dan moet ik dus ook dat geloof hebben. Dat
onbewijsbare weten in mijzelf waaruit ik mijn eigen eeuwigheid besef.
Wanneer ik dit allemaal verteld heb, dan zult u vooral bij herlezing ontdekken, dat er
schijnbaar weinig nieuws is gezegd. Ik zeg schijnbaar. Maar een richting aanwijzen is altijd
eenvoudig. Ik heb u als een wegwijzer de verschillende wegen aangeduid. Ik heb u omtrent
een weg wat meer gegevens verstrekt. Nu moeten wij echter ook de praktijk van het menselijk
leven bezien.
En de praktijk van het menselijk leven schept in de eerste plaats noodzaken. D.w.z. er zijn in
ons leven onontkoombare verplichtingen en banden. Deze te ontkennen is vanuit een
menselijk standpunt dwaas. Op het ogenblik dat wij dit n.l. doen, brengen wij onszelf en onze
wereld in verwarring. In strijd met onze wereld kunnen wij onszelf niet meer beseffen. Slechts,
indien wij onverschillig zijn voor de wereld, kunnen wij het mystiek beleven, de mystieke
gebondenheid onbeperkt handhaven. En dit bestaat in de doorsneemens niet.
Wij moeten dus uitgaan van het standpunt: Wij moeten uit onze eigen wereld en haar wetten
werken. Maar wij moeten dit zodanig doen dat ons eigen wezen daarbij zoveel mogelijk tot
uiting komt. Het eigen wezen heeft nu eenmaal zijn eisen en wensen. Psychologisch en fysiek,
heeft het zijn behoeften, ook in gevoel en gevoelswaarden. Wanneer wij uitgaan van het
standpunt dat deze dingen nu eenmaal in ons bestaan en daarom aanvaardbaar zijn, dan
besparen wij ons al veel moeilijkheden.
Maar wij moeten daarbij ook rekening houden met de wereld. Op het ogenblik dat hetgeen
voor ons aanvaardbaar is, voor de wereld als zodanig onaanvaardbaar is, moeten wij er voor
zorgen dat het niet tot uiting komt of slechts in zoverre als het voor die wereld nog te
tolereren is. Het scheppen van een vijandschap tussen jezelf en een deel van het Al, betekent
vaak het verbreken van de goede, de lichtende magische band, dus het vermogen om ook
langs schijnbaar bovennatuurlijke weg te werken.
Het betekent daarnaast dat wij onszelf niet meer gaan zien de wereld, maar dat wij onszelf
gaan zien als een tegenstelling tot iets wat leeft. Vijandschap en haat zijn dodelijk.
Vijandschap en haat komen ook uit ons wezen voort, wanneer wij teveel onszelf willen uitleven
zonder daar enige beperking bij te erkennen. Maar wij kunnen altijd toch wel ergens de weg
vinden waardoor wij onszelf zijn, zonder de wereld of het leven daar om te moeten haten of
iets als vijand te zien of te bestrijden,
Zo is er ook de kwestie die in het menselijk leven een grote rol speelt, n.l, die van eerlijkheid
en rechtvaardigheid. Eerlijkheid vergt, dat men een ander niet bedriegt. Dat is volkomen waar.
Ik kan anderen echter onbewust vaak bedriegen. Op het ogenblik dat ik uitga van mijn eigen
wezen alleen en van daaruit een maatstaf stel voor anderen, dan ontstaat er n. l. het grootste
gevaar wat er maar zijn kan; een poging tot gelijkschakeling van de gehele wereld aan mijzelf.
Maar eerlijkheid is dat niet een poging om die wereld oprecht te behandelen, maar om die
wereld onderdanig te maken aan mijn maatstaven. Mijn eerlijkheid zal zich dus in de praktijk
moeten beperken tot het uiten van datgene wat noodzakelijk is en het altijd juist
beantwoorden van elke vraag die ons gesteld wordt. Wij mogen dat rustig onder een
voorbehoud doen. Wanneer ik een vraag eerlijk beantwoord is het dus niet noodzakelijk dat ik
deze vraag zodanig beantwoord dat een ander daarvoor geen enkele interpretatie buiten de
juiste kan vinden. Slechts wanneer hij verder vraagt en dus informeert of zijn mening juist is,
zullen wij moeten corrigeren. Het is misschien een beetje vreemde opvatting van eerlijkheid.
Maar een mysticus moet begrijpen dat alle eerlijkheid tenslotte ook een onwaarheid is. Want
het is een beperkt beleven. Een zeer beperkt bestaan en slechts wanneer je God in jezelf
erkent en van daaruit de waarde nooit een oordeel van een bepaalde toestand erkent, is het
mogelijk daaromtrent iets eerlijk te zeggen en dan is eerlijkheid alleen nog maar uit te
drukken in gelijkenissen, in voorbeelden, omdat zij, nu eenmaal geen directe omschrijving
meer verdraagt.

EK 62 - 63 73
Orde der Verdraagzamen

Hetzelfde is het met rechtvaardigheid. Rechtvaardig zijn tegenover een ander betekent voor de
doorsneemens: die ander niet aantasten maar die ander ook laten lijden onder de
consequenties van zijn eigen daden. Ook hierbij weet de mysticus dat deze menselijke
begrippen van rechtvaardigheid niet overeenstemmen met de Goddelijke begrippen. Wanneer
vanuit het “ik” een oordeel wordt geveld wat bij rechtvaardigheid in feite het geval is dan
betekent dit wederom het opleggen van eigen waarden aan de wereld, zonder de waarden die
de wereld zelf heeft, te erkennen of te kunnen kennen
Mijn rechtvaardigheid is op aarde altijd een middel om mijzelf uit te drukken, maar zij is niet
een uitdrukking van het Goddelijke. Ik moet beseffen dat de Goddelijke rechtvaardigheid totaal
strijdig kan zijn met mijn eigen begrippen van rechtvaardigheid. Ik geef een voorbeeld aan.
Een mens leeft volgens uw inzicht lichtzinnig en slecht. Toch krijgt die mens op zijn pad steeds
weer het goede. Die mens vindt de goede vrienden, die vindt het kapitaal. Die vindt de goede
zakenrelaties, die vindt de goede woning, en alles wat maar begeerlijk is. En tenslotte leeft hij
toch niet erg netjes, zoals u vindt, en zijn zijn handelingen heus niet altijd even eerlijk en
rechtvaardig.
U zegt dan: dit is onrecht en uw gevoel voor rechtvaardigheid zal u er vaak toe brengen om
een dergelijk mens haast vijandig te bejegenen. Hij verdient het niet. Want deze mens heeft in
een vorig leven alles aan anderen opgeofferd, hij heeft daarbij nog niet het juiste bewustzijn
gevonden, terwijl hij nu het bewustzijn, dat hem vroeger in zijn offeren beheerste, uitleeft
terwijl hij ontvangt, herstelt de cosmische wet binnen die mens alleen maar een evenwicht van
belevingswaarden. Wat hij ontvangt is volkomen zijn recht, want hij heeft het eens gegeven,
of hij zal het eens moeten geven.
Daarom is Goddelijk gezien juist, wat binnen een beperkt menselijk standpunt gezien, onjuist
is. En ook het omgekeerde kan voorkomen. Dit te erkennen is voor de mysticus gemakkelijk.
Want hij herkent de levende kracht in alle dingen. Hij oordeelt niet over omstandigheden,
maar hij zegt doodgewoon; hier is een harmonie of er is geen harmonie. En waar geen
harmonie met mijn wezen mogelijk is, heb ik niets te zeggen. Waar een harmonie ontstaat kan
ik begrijpen, kan ik beleven en kan ik zelfs helpen.
Op deze wijze zal de mysticus dus rechtvaardigheid zien als een voortdurende opbouw, terwijl
de mens - en heel vaak de filosoof - zelfs het idee rechtvaardigheid eerder ziet als een
afbreken van het onjuiste, opdat later het juiste gebouwd kan worden. Hen corrigeren. De
mysticus bevestigt. De mens corrigeert.
Alle waarden die er menselijk bestaan in uw eigen wereld, plus een groot gedeelte van de
geestelijke waarden die u in de vormkennende sferen opdoet passen binnen deze gestelde
regels.
Het zal u duidelijk zijn dat wij niet afstand kunnen doen, wanneer wij als mens leven en de
menselijke wereld ervaren van alles wat die menselijke wereld aan maatstaven hanteert. Wij
kunnen niet plotseling gaan zeggen, dat onrecht recht is en omgekeerd, omdat wij het innerlijk
voelen. Want wij hebben een vaste maatstaf nodig. Maar laten wij toegeven dat wij die
maatstaf alleen erkennen, omdat onze wereld erop gebaseerd is. Niet omdat zij cosmisch juist
is.
Laten wij niet uitgaan van een menselijk begrip van goed en kwaad, van rechtvaardigheid,
eerlijkheid of waarheid, wanneer wij tot God gaan. Laten wij tot God gaan vanuit óns eigen
wezen en vanuit Diens Waarheid, Diens rechtvaardigheid, Diens kracht, aanvaarden.
Hier ligt ook voor de filosofische inwijding een van grootste struikelblokken. De filosofie,
vrienden, komt op een gegeven ogenblik voor het zelfde punt dat ik nu aanroer. Er komt een
ogenblik dat er geen goed en geen kwaad is, er geen maatstaf meer is. Maar er moet toch
ergens een maatstaf zijn, een Orde, die alles ordent. En men komt dan tot ditzelfde punt. Maar
wanneer ik vanuit mijzelf denk, dan kan ik weliswaar theoretisch aanvaarden dat ergens een
ware wereld, een ware rechtvaardigheid enz. bestaat, maar ik kan niet aanvaarden, dat deze
ook voor mij en mijn wereld geldt. De filosofische inwijding komt echter op een ogenblik zover
dat het “ik” zich los kan maken van dit denken. Op dat ogenblik is het voor het “IK” nog steeds
een filosofische opbouw, maar voor de doorsneemens is het óók mystiek geworden, die is
verborgen achter de redelijkheid. Het is voor de mens niet meer te volgen. En datzelfde geldt
ook voor de andere vormen van inwijding. Ergens is er een grens. Wanneer wij die grens
naderen, dan vallen de waarderingen weg. Wanneer wij esoterisch bewust willen worden,
74 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

vrienden, een zeker magisch gezag willen verwerven, moeten wij beginnen met dit te
begrijpen. Mij moeten beseffen dat wij onze eigen maatstaven mogen hanteren, maar dat ze
alleen voor onszelf te hanteren zijn. Dat ze nimmer cosmisch, of een alomvattende betekenis
hebben. Dat wij banden mogen scheppen, maar dat die banden in feite niet zo bestaan. Dat de
werkelijkheid alleen gevonden kan worden, wanneer je innerlijk opgaat tot het Hoogste en
vanuit het Hoogste ontvangt.
En u kunt ook leren beseffen op die manier dat is het voordeel van de mysticus ook weer
boven de anderen, ook boven degenen, die de zuivere magisohe inwijding doen dat hier de
bron is van alle krachten en dat zo het “IK” kan opgaan tot het Hoogste, de mystieke beleving,
waaruit alle resultaten voortkomen,
Ik hoop dat ik voor vandaag hiermede mag volstaan, en ik hoop dat u deze sleutel - want het
zijn inderdaad sleutels die u hebt gekregen vanavond - ook op de vorige lessen zult toepassen.
Want de manier waarop u: in de volgende maanden hiermede werkt, zal van grote invloed zijn
op hetgeen wij met en voor u kunnen doen het volgend jaar. Ik hoop dat u ergens die
innerlijke maatstaf vindt, die voor u zo belangrijk is.
o-o-o-o-o-o-o-o-o
Goedenavond, vrienden,
Ik zou vanavond nog eens met u willen spreken over verschillende aspecten van geloof, van
godsbesef. Op het ogenblik dat iets voor mij zeker is geworden, is het een kracht die in mij
leeft. Het geloof aan een onwaarheid kan soms een grotere invloed hebben op het leven en het
bewustzijn van een mens dan een waarheid, die hij onverschillig heeft vastgesteld, maar waar
hij zich verder niet in verdiept en waarmee hij geen rekening houdt.
Hetzelfde geldt voor God. Wij kunnen aan een God geloven op een betrekkelijk onverschillige
manier. Wij weten dat Hij er is en wij menen dat wij alles omtrent Hem Weten, en wij leven
tóch ons eigen leven. Deze God kan misschien dichter staan bij de grote werkelijkheid dan de
godheid die door een ander wordt vereerd en waarmee hij elke dag leeft. Misschien dat die
godheid waarmee hij leeft alleen maar een houten beeld is. Misschien is het alleen maar een
dwaasheid, maar voor hem is het een levende god en die god werkt op hem in, uit die god put
hij zijn krachten, die god heeft voor hem betekenis.
Alle waarden die in het menselijk leven bestaan zijn betrekkelijk. En die betrekkelijkheid wordt
niet alleen tot stand gebracht door de verhoudingen in de natuur of in een grote werkelijkheid,
maar voornamelijk door de wijze waarop wij zelf daarin opgaan. Wanneer gij meent vermoeid
te zijn, zo zal uw lichaam veerkrachtig zijn en toch verlaat de kracht uw leden, ze worden loom
en loodzwaar en ge kunt niet verder. Gij zijt uitgeput. Ofwel uw lichaam kan uitgeput zijn.
Maar wanneer de geest opvlamt met een hoop, met een beweegreden, dan kan net nog
verdergaan, terwijl het onmogelijk schijnt te zijn, dat nog een schrede wordt verzet.
Hier ligt de grote waarheid van geloof, van God. En hierin ligt ook wel degelijk de waarheid van
het leven, dat wij op aarde of in de sferen slijten. De werkelijkheid rond ons is voor ons van
belang. Zij is voor ons het kader, waarbinnen wij moeten leven, waaruit wij moeten putten.
Maar dat waarin wij geloven, is voor ons het belangrijkste. En wanneer ons geloof onjuist is, zo
zullen wij er tóch nog kracht uit kunnen putten. En wanneer ons standpunt niet juist is, maar
wij zijn er innerlijk volledig één mee, zo zal het toch ons leven blijven bepalen.
Er zijn veel punten in het menselijk bestaan, waarbij wij geconfronteerd worden met de
ontgoocheling. Dat onze God niet antwoordt, dat ons geloof geen waarde schijnt te hebben.
Men zal denken dat dit dan de schuld is van de God of van het geloof, maar in feite is het de
mens zelf die schuld heeft. Want wanneer je gelooft moet je overtuigd zijn. Wanneer je gelooft
in een God Die met je is, Die je helpt, dan moet je dat zeker weten in alle dingen, niet slechts
in enkele. Pas dan kunnen die krachten volledig werken.
Rond ons is een oneindigheid. Oneindigheid van leven en van bestaan, maar ook een
oneindigheid van mogelijkheden. En elke keer dat wij een keuze doen, zo kiezen wij weliswaar,
maar alle mogelijkheden worden vervuld. Wij kiezen niet, zoals wij soms denken, in die zin dat
wij iets onmogelijk maken. Wanneer ge voor een medemens staat en ge vraagt u af, zal ik
hem doden of niet doden, zal ik hem helpen of niet helpen, dan kiest ge een van de
mogelijkheden. Maar als ge een mens doodt, zal er een wereld zijn, waar deze mens niet

EK 62 - 63 75
Orde der Verdraagzamen

gedood wordt. Er zal een wereld zijn, waarin hij u doodt. Wanneer ge die mens helpt, zal er
een wereld zijn waarin hij niet geholpen wordt, een wereld, waarin hij beantwoordt met
dankbaarheid, en een wereld waar men u beantwoordt met ondank enz.,
Wanneer dit alles stoffelijke werelden moesten zijn, dan zou het Al verzadigd zijn van elkaar
kruisende en parallelle werelden. Maar het werkelijke leven waarin de mens en het menselijke
bewustzijn bestaat, zijn werelden van gedachten. De werkelijkheid is betrekkelijk onbelangrijk
geworden, zodra het menselijk denken gaat zegevieren. Het zijn zijn gedachten, die zijn
reacties bepalen en zijn ervaren. En daarom is het, dat waar een mogelijkheid erkend is, ook
alle andere mogelijkheden erkend moeten worden. Ook wanneer
het bewustzijn ze van zich wijst. Alle dingen zijn altijd vervuld en het ligt aan u of ge die
werkelijkheid kiest, zo, dat zij beantwoordt aan uw wezen of niet.
Ge zegt: er is een God. Er zal een wereld zijn, waarin die God spreekt. Er zal een wereld zijn,
waarin Hij slechts een illusie is. Wanneer ge zegt: ik geloof, dan zal er een wereld zijn waaruit
uw geloof door de feiten wordt bevestigd, Er zal een wereld zijn, waarin uw geloof op zich het
u mogelijk maakt een deel van het geloof te bevestigen. Er zal een wereld zijn waarin alles
met dat geloof strijdig is. Want alle mogelijkheden zijn vertegenwoordigd.
Zo kiest de mens vanuit zichzelf, vanuit de oneindigheid, wat leeft, wat waarde heeft, voor
hem. En het is niet alleen maar wat rond hem bestaat of leeft, maar het is wat in hem bestaat.
De kracht die vanuit hem voortgaat, die bepalend is voor zijn beleving, voor zijn
bewustwording. Dit punt is misschien gelijktijdig ingewikkeld en eenvoudig wanneer wij het
ontleden.
Wanneer wij het werkelijke Al willen zien, zo kunnen wij het ons het best voorstellen als een
lege blaas gevuld met mogelijkheden. Niets is zeker, niets is vast. Maar alle dingen kunnen
tijdelijk vast worden, zoals schaduwbeelden vertoond op een wand. Tijdelijke vormen kunnen
we geven. Er is kracht. Levenskracht. Dan kunt ge ze noemen zoals ge wilt, maar die
levenskracht is deel van uw Wezen, ze is de enige werkelijkheid.
Alle dingen kan men ontkennen, maar nooit dat men leeft. Alles kunt ge verloochenen, maar
niet uw werkelijke ik. Alles kunt ge ontkennen, maar niet, dat uw leven ergens een
bestemming moet hebben. De levende kracht waaruit wij bestaan is de stof waaruit de
droombeelden van de tijd Worden geboetseerd. Waar wij uit duizenden mogelijkheden een
werkelijkheid kiezen. Maar wij kiezen zelf. Het goede wat ik schep, zal door mij bevestigd zijn
in anderen. Maar die anderen, zullen zij niet in het kwade geloven, het kwade, verwachten en
het kwade tot Werkelijkheid maken?
Dit te beseffen betekent ook begrijpen, dat alles aankomt op jezelf. Waar is de God Die ik ken?
Waar is de God waarop ik vertrouwen kan in alle dingen? Waar is het geloof waarnaar ik leven
kan? Waaraan ik mij voortdurend kan wijden zonder oponthoud, zonder een ogenblik van
ontkenning of aarzeling? Dat is de eerste vraag, die de wijze zich stelt. Want het leven zonder
geloof, zonder een God is haast niet mogelijk. Maar leven met een willekeurig geloof, met een
willekeurige god is evenmin mogelijk. Slechts leven met de Waarheid, die in je leeft betekent
werkelijk geloven, werkelijk je God kennen, werkelijk krachten bezitten en creeeren uit het
totaal van de mogelijkheden der tijd, het beeld dat past bij jouw wezen. Dat past bij de
oneindigheid.
Hierin ligt echter een grote vraag en een groot gevaar. Want indien ik dit zo stel, dan kunnen
alle dingen onwerkelijk zijn buiten mijn wezen. Hoe kan ik weten of anderen zien wat ik zie, en
beleven wat ik beleef?
Hoe kan ik weten hoe anderen zullen beantwoorden aan de eisen, die ik stel? Hoe kan ik weten
of mijn geloof ook voor hen juist is? Zeker, voor de beelden die ik mij van hen schep is dit
altijd juist. Maar soms zal de Wijze zich voelen of hij is de enige levende in een wereld vol
schimmen, onbezield; alsof die hele wereld alleen bestaat voor hem, niet om hem te dienen,
maar om te beantwoorden aan zijn bewustzijn.
Daarom zegt de Wijze: ik geloof in mijn God en Hij kent mijn geloof. Maar ik ben het die
handelt. Ik ben het die kiest. Hoe anderen zullen zijn en antwoorden, ik weet het niet. Maar
wanneer zij antwoord geven op mij, dan geven zij geen antwoord volgens hún wezen, maar
volgens het mijne. Wanneer ik heers, heers ik in feite alleen over mijzelf. En heers ik niet over
mijzelf, dan ben ik geen heerser. En wanneer ik dien, kan ik de hele wereld schijnbaar dienen,
maar ik ken slechts in wezen mijzelf dienen, de kracht die ik in mijzelf ken.
76 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Dit zijn grote moeilijkheden. Want een mens en een geest, zij willen zo graag een wereld
hebben, die vast is, waarin alles werkelijk is en alle regels zijn betrouwbaar en juist. En toch,
wanneer ik mijn gedachten goed uitzend, wie zegt mij niet dat de bergen zullen wandelen,
indien mijn geloof het toelaat dat bergen wandelen. Wanneer ik geloof in één God en die God
kan tot mij komen en met mij gaan, wie zegt mij, dat ik niet waarlijk wandel met God? Ik ben
het, die de wereld maakt, zoals ik haar beleef.
Achter dit alles zal een werkelijkheid liggen, dat is waar. Maar dat kan geen werkelijkheid zijn
van feiten zoals ik ze ken. Van mogelijkheden en toestanden zoals ik ze besef. Dit moet een
wereld zijn van alomvattende gedachte, meer niet. Een rust, waarin alle dingen zijn, niet
menselijk meer, maar alomvattend. Een wereld waarin de deugden en de zonden met elkaar
versmolten zijn. Een wereld waarin de waarheid en de onwaarheid gezamenlijk even waar en
onwaar zijn. Een wereld waarin de vorm vluchtig is als de geest en de geest vast en gevormd
door de vormenwereld, die men kent. De Wereld waarin de eeuwigheid en het tijdloze
gelijktijdig in de tijd zijn en de tijd tijdloos wordt. Een wereld waarin licht en duister één zijn
en het duister of licht is, naarmate ik zie naar deze waarde.
Ergens leeft een werkelijke wereld, maar ik die zoek, ik vind geen werkelijkheid buiten mijn
geloof, de kracht die in mij leeft. Buiten de God, Die ik voor mijzelf erken en waaruit ik mijn
krachten put, Scheppend is de mens geboren. Scheppend, en men weet niet waarom. In hem
leeft een wereld van rijke gedachten, zoals het Al is. En uit de volheid van gedachten, die in
hem leeft, creeert hij zijn werkelijkheid voor zich. Een beeld van het eigen “IK”, dat wisselt van
dag tot dag, zoals hij gelooft dat zijn god haar schept, die zichzelf erkent in de Schepping, dag
na dag.
Wij wezens die oneindig zijn en toch onszelf als beperkt zien, in, erkennen onbewust daarin de
waarheid van tegenstellingen die elkaar opheffen. Wij, die gelijktijdig angst hebben om dat te
zijn, te zeggen en te doen, Wat in ons leeft en toch óók Weer angst hebben om niet onszelf te
zijn. Wij erkennen hoe onpersoonlijk en persoonlijk gelijk het “IK” is. Vastomschreven wezen
in de eeuwigheid. Een gedachte maar gelijktijdig zozeer deel van andere gedachten, dat het
eigen tegendeel in het “ik” gelijkelijk tot uiting komt.
Spel van licht en schaduw wordt ons gegeven in de tijd. En soms willen wij alleen aan het licht
geloven en soms geloven wij alleen aan de schaduw. Maar zodra wij eenzijdig geloven, kunnen
wij het geheel niet erkennen en is onze bewustwording niet voltooid. Waar is de
machteloosheid die ik mij zelf toeschrijf, wanneer ik geloof aan mijn eigen macht. Waar is
jeugd of ouderdom, wanneer ik mijzelf juist zie? Waar is leven en waar is dood, wanneer ik de
eenheid van die beide erken?
De praktijk wijst uit, dat juist in de sferen dood niet bestaat en toch velen sterven. Want daar
verbleekt de schijn van een vriend en hij schijnt weg te drijven, verloren in een nevel, maar
voor zich ontwaakt hij juist in een nieuwe wereld,
Mensenwerelden zijn scherper gevormd. D.W.Z. dat de ideeën, de denkbeelden een scherper
vorm krijgen; dat de gedachten meer gebonden zijn. Maar wanneer de gedachten veranderen,
verandert de wereld. Wanneer het wezen der mensen verandert, verandert alles wat rond die
mensen is. Wanneer de mens geen angst kent, maar slechts aanvaarding, waar is het
verscheurend dier dat hem zal bedreigen? Waar de giftige slang, die hem zal bijten? Zij zijn er
niet.
De dieren beantwoorden aan zijn wil, zij erkennen dat zij schimmen zijn van zijn wezen en in
een antwoord geven zij de eigenschappen, die in de wijze leven voor, tegenover hem. En toch
zal de slang, die zich vriendschappelijk naast hem voortbeweegt, die hem beschermt en
koestert, door hem beschermd en gekoesterd wordt, hetzelfde giftige serpent blijven, dat kind
en man en vrouw doodt wanneer de wijze niet in de nabijheid is. Dezelfde tijger die als een
zoete kat speelt aan de voeten van de wijze, zijn bevelen gehoorzaamt, wordt tot een roofdier
onder andere mensen, die haten en vrezen. Waarom erkent de mens dit niet?
Wanneer je gelooft in een God moet je ook in jezelf geloven. Wie niet gelooft in zichzelf dat hij
in staat is een waarheid te bevatten, hoe klein en hoe beperkt ook, hij kan niet waarlijk in
zichzelf geloven en ook niet waarlijk in een God. Er is voor hem geen zekerhuid, geen
waarheid, er is slechts een tastend zoeken in voortdurend wisselen van meningen, een
voortdurend wisselen van overtuiging en zelfs van wil. En dan beklaagt hij zich omdat zijn

EK 62 - 63 77
Orde der Verdraagzamen

leven voortdurend strijdigheden schijnt te geven. Maar is het niet de mens zelf? Daarom wordt
alle geloof, ja zelfs het erkennen van een God teruggebracht tot dat woord: Erken o mens wat
gij zijt, opdat ge de cosmos leert kennen waarin ge leeft.
Alle gedachten worden daden. Er kan zondereen gedachte geen daad bestaan. Er zijn krachten
die de loop van de aarde denken en er zijn mensen, die zich een levensweg denken. En juist
daarom is de kracht van het geloof zo sterk. Juist daarom zijn de krachten van goden, of zij
waarlijk bestaan of niet, zo machtig. Want in feite schept de mens zichzelf zijn God. Hij is geen
God, de mens. Hij is deel van een groot geheel en die grote werkelijkheid zou men God
moeten noemen. Maar de mens bevat die werkelijkheid niet en hij schept zich een God En hij
roept tot die God: help mij. En hij stelt zich een kleibeeld ergens op een altaar en zegt: Geest
mijner voorvaderen, kom tot mij en sta mij bij. En hij krijgt antwoord. De mens schept zijn
Wereld en juist daarom kan de mens zo onnoemelijk veel scheppen en oproepen.
Ik roep tot U, o Kracht, verborgen achter Licht. Ik roep tot U, o Kracht en zeg U, hoor mij aan.
Uw machtig Wezen is mijn kracht en leven. Mijn bestaan echter is de zin van Uw Wezen. Hoor
mij, o God en hoor op mijn bevel, Ik stel een wet, want uit Uw Wezen zelf geboren spreek ik
Uw Wil, niet meer. Ik zeg1 U, hoor mij aan. Vervul mijn wens, opdat ik een zij met Uw Wezen.
Hoe trots klinkt dat niet. Ik zeg U, luister, een bevel dat een mens geeft aan een God. En toch
waarlijk, zij die deze formulering eens schiepen en haar waarlijk innerlijk kenden, zij spraken
niet tot een God in oneerbiedigheid, maar vervullend Zijn Wezen zoals zij het erkenden. Zij
zeiden slechts; dit deel van Uw Wezen ben ik, bevestig dit deel van Uw Wezen, Ze zeiden niet:
gehoorzaam, onbekende Kracht aan mij.
Zo gaat het steeds weer. De mens zoekt en hij roept zijn goden. Hij roept naar wat hij gelooft,
naar wat hij misschien zelf als beeld zich heeft geschapen. Hoor mij, ik roep tot U. Ik zeg U:
Hoor mij en vervul mijn wil, Ik roep tot U, o zuster Maan. Hoor mij, vervul mijn wil. Ik roep tot
U, o snelle bode, dienaar der goden. Hoor mij aan, vervul mijn wil. Als een lithanie klinkt het,
achter elkaar. 10 x,100 x, 1000 x een naam, een woord, ten omschrijving en dan het
dwingende; vervul mijn wil.
Maar is dat dwaasheid? Is dat het onbegrip van heidenen? Of is het misschien het waar begrip
van een wijze, die weet hoe hij leeft in een wereld van slechts denkbeelden en gedachten?
Wanneer ik roepen en spreken moet tot u, spreek ik en roep ik tenslotte niet naar mijzelf? Kan
ik dan roepen tot u? Ik kan slechts spreken tot mijn wezen, zoals het ook leeft in u; de kracht
die ik ben, het denkbeeld dat ik ben.
Wanneer ik geloof in een God of ik geloof in u als werkelijke wezens, is het dan niet redelijk
dat ik roep? Dat ik, wetend hoe de gedachte dwingt, zeg of denk of uitdruk; hoor mij en
volbreng mijn wil?
Maar ik kan slechts bevelen, wanneer ik weet wat ik ben. Niet wanneer ik mijn wezen volledig
ken, want dat is een onmogelijkheid voor een mens of geest, tenzij de laatste fase van
bewustzijn is gewonnen. Maar ik weet toch wat ik denk; ik weet toch wat ik waarlijk geloof,
wat waarlijk licht is voor mij en waarlijk duister, wat goed en wat kwaad is. Ik weet toch waar
mijn God en mijn wet in mij leven. Wanneer ik die uitdruk, zal het Al mij gehoorzamen.
Het is wonderlijk te zien hoe mensen in het westen geloven alleen in de materie. Hoe zij
geloven in goden. Maar goden zijn vaag. De werkelijke god is de machine wiens werking zij
hebben geschapen, die zij rad na rad hebben gesmeed en saamgevoegd. En in die god geloven
zij.
Maar zijn de ik-jbeelden, die een mens schept niet even bruikbaar als de raderen van een
machine? Kan men niet even goed geloven aan de kracht die in het “ik” is, de motiverende
kracht van het Leven, de werking, waaruit je bestaat? Is het iets dat je handen hebben
voortgebracht? De westerling leeft bij de klok. Het uurwerk tikt dood de seconden weg. Wijzers
bewegen over een plaat en tonen op cijfers aan, welke tijd het is. En soms gelooft die mens
meer aan die machine dan aan zichzelf. Wanneer zijn lichaam roept en zegt: het is tijd om
voeding tot u te nemen, dan kijkt hij op het uurwerk en zegt; nog twee uur en dan gaan wij
eten. Maar ik ben hongerig. Neen, hij gehoorzaamt aan het uurwerk, hij voelt zich schuldig,
wanneer hij toch eet. Is die mens geen dwaas? Er zijn mensen die zeggen; ik ben moe. Mijn
lichaam vraagt om rust, mijn leden zijn als lood. De loomheid bevangt mijn ogen. Hoe laat is
het? Zij kijken naar het zielloos aanzicht van het uurwerk, de doodstikkende machine, die

78 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

zonder mensen niet bestaan kan en zelfs zonder de kracht van de mens niet bestaat. Ze
zeggen: maar het duurt nog uren voor ik rusten mag. Zijn deze dwaas?
De mens gelooft, vooral in het westen, in het uurwerk. Hij gelooft in de kalender. Hij gelooft in
zijn wetboeken, zijn gebedenboeken. Hij gelooft in al wat hij heeft gedrukt of neergelegd, wat
hij heeft gebouwd. Hij beseft niet eens dat deze dingen het verlengstuk zijn van zijn eigen ik.
Wanneer ik tot de klok zeg; ga sneller, dan zal hij voor mij sneller gaan. Wanneer ik die klok
zeg: wacht, dan zal zij wachten. Langzaam tikkend met wijzers, die weigeren voort te
schrijden. En waarom alleen een uurwerk. Wanneer ik mij tot de cosmos richt in de zekerheid,
dat mijn wezen leeft en ik zeg; zon sta stil, dan staat zij stil aan het uitspansel, wachtend op
mijn bevel.
De mens zegt misschien; dat is een machtige god, die dat doet, maar hij is het die met zijn wil
de tijd rekt als een elastiek of doet samenkrimpen. Het is de mens, die het ervaren beheerst,
de mens die de gedachte schept. Waarom zou die mens dan dit gezag niet erkennen. Dit
gezag, dat in hem is gelegd. Het gezag van het scheppend denken. De kracht der gedachte is
machtiger dan alle dingen; maar de mens moet erin geloven. Wanneer ge niet gelooft in de
waarheid van een geestelijke kracht, kunt ge niet uit de geest genezen. Wanneer ge gelooft
aan pillen, dan helpen u pillen. En aarzelt ge daar, dan helpt niets. Wanneer ge gelooft aan
een wet, aan een structuur en ge zegt slechts; zo kan ze geboren worden en ge moet ze zelf
volledig vervullen en gij gelooft daar niet in, zij wordt tot niets.
Maar wanneer ge gelooft zijn alle dingen mogelijk. Niet, omdat het geloof een wonder doet
geschieden, maar omdat het geloof de wet is, volgens welke de mens zijn wereld vormt. Want
met het denken bouwt hij zijn werkelijkheid. Maar slechts vanuit zich kan hij die werkelijkheid
beheersen. Want er is geen kracht rond hem, die die werkelijkheid voor hem beheersen kan.
Maar indien hij tracht zich te onderwerpen: hij leeft in chaos. Chaos, helle wereld, onderwereld
bouwt hij voor zichzelf. Niet alleen in sferen, maar ook op aarde. Verterende twijfel, kloppende
begeerten, voortdurende angst, gebrek aan zelfvertrouwen, gebrek aan geloof, gebrek aan
aanvaarding, zelfs aan datgene waar hij tóch waarde aan hecht. Of de aarzeling om van zich te
stoten wat hij niet gelooft en wat hij niet kent. Zij zijn het die chaos en verschrikking brengen.
Indien hij zichzelf is en zichzelf leeft en zichzelf spreekt, wanneer hij vanuit zich het juiste
doet, kan hij anderen dwingen. Niet omdat die anderen waar en werkelijk zijn, maar omdat ze,
zoals ze voor hem bestaan, schaduwbeelden zijn. Schaduwbeelden van zijn eigen gedachten.
Ongeteld is het aantal mogelijkheden in het Al. Bij elke keuze zullen alle mogelijkheden
bestaan. De mens kiest. Daarmee kiest hij dat deel, en dat uitzicht in de wereld, wat hij zelf
moet doormaken.
Zo vrienden, is er slechts een vraag belangrijk. Gelooft gij waarlijk aan iets? Zonder twijfel,
zonder voorbehoud. Is er iets waarin ge kunt geloven? Is er een beeld van een god, godin of
wat dan ook, dat voor u het principe van de eeuwigheid is, de bron van kracht en de gezel van
uw dage. Zo ja, aanvaard dan de verplichting, die daarin ligt. Vanuit uw geloven, uit uw God te
leven, te handelen, nooit uzelf verloochenend, maar volbrengend wat ge erkent in uzelf als het
enig juiste. Dan zult ge zien hoe de wereld antwoordt op u. Dan zijt ge waarlijk de wijze, die
uit zijn Schepper de kracht heeft om te scheppen en zijt ge waarlijk mens en geest, verlichte.
En uit het scheppend spel zult ge uzelf de rust baren, waaruit ge eens de werkelijke veelheid
van gedachten, met alle mogelijkheden, zult overzien, zeggende: ziet, dit alles is en is nietjs,
en levende naar uw eigen welgevallen, wat ge verkiest uit de veelheid van mogelijkheden.
Misschien is het voor u een teleurstelling, dat niet een gast spreekt of een hoogingewijde,
maar dat slechts ik spreek. Maar ik spreek mijzelf en ik geloof dat mijn woorden kracht en zin
hebben. Daarom is dat voor mij zo en is voor mij het antwoord groot, duidelijk en klaar omdat
ik mijzelf bevestig. Er zijn andere mogelijkheden, maar die kies ik niet. Zo gij ze kiest is het
uw weg en niet de mijne. Wat zou ik meer moeten zeggen dan dit? Wanneer ge wilt kunt ge
meester zijn van alle dingen, zoals ik in zekere zin meester ben van alle dingen die behoren tot
mijn leven.
Een beter woord kan ik tot mijzelf niet richten, een beter woord kan ik zelfs niet begrijpen. Een
beter woord zal ook van mij in u niet leven. Een beter antwoord van u voor mij op wat nu is,
lijkt mij niet mogelijk. En nu breek ik deze band, die ik schep vanuit mijn bewustzijn met u, die
toch ook op dit moment delen zijt van mij en mijn wezen. Zo ge waarlijk zijt, zoals ik geloof,

EK 62 - 63 79
Orde der Verdraagzamen

en gij als levende wezens, dat ge zijt, hetzelfde moogt beseffen, dan zult ge de vrede kennen
van een heelal, d. i.: het antwoord op je eigen wezen.

Nummer 7
Esoterische Kring.
maart 1963
Wij hebben vanavond een wat ander programma dan normaal, omdat wij door
omstandigheden in staat zijn een bijzondere spreker te laten doorkomen. Wij menen dat dit
binnen deze groep wel degelijk past. Daarom zal ik mijn eerste beschouwing wat korter
houden dan gebruikelijk is.
Inwijding vlowit automatisch voort uit al hetgeen wij daaromtrent reeds hebben beschouwd.
Enkele aspecten hebben wij echter onvoldoende besproken en ik zou vandaag van de
gelegenheid gebruik willen maken om dit alsnog te doen,
Een inwijding op zichzelf is niet positief of negatief. Elke inwijding is slechts het doordringen
tot een bepaalde kracht, het erkennen van innerlijke mogelijkheden, het verwerven van een
innerlijk geheim. Wij mogen dan ook niet stellen dat de weg der inwijding verschillen zal naar
gelang het doel dat men zich stelt. Want wanneer wij zoeken naar de Christus, dan zullen wij
met precies dezelfde procedure, met precies dezelfde krachten, ook de antichrist kunnen
vinden. Zoeken wij naar het licht, zo bereiken rij precies dezelfde waarden, krachten en
sleutels in onszelf, als bruikbaar zijn voor het bereiken van het duister.
Een inwijding is dus voor een zeer groot deel gebonden aan de persoonlijkheid en aan de
persoonlijke keuze. Het maken van die keuze wordt op aarde sterk bemoeilijkt doordat wen
vaste richtlijnen heeft gesteld en vaste maatstaven, die niet altijd bruikbaar zijn, voor laat ons
zeggen een vrije ontwikkeling, heel vaak wordt de mens juist door deze wetten - met allerhand
voorbehoud - ertoe gebracht zich eerder tot het kwade te richten dan tot het goede.
Ook de verhouding binnen de inwijding van wat men goed en kwaad noemt, licht en duister
noemt, wordt wel eens verkeerd geïnterpreteerd. Een ingewijde is een mediator, d.w.z. hij is
een bemiddelaar; niet slechts tussen het hoogste weten en lagere ontwikkelingen, maar
evenzeer tussen licht en duister. Vandaar de stelling: de ingewijde is een gekruisigde; of ook
wel een gehangene. Hij is iemand die de band vormt tussen alle tegenstellingen.
De procedure van inwijding zelve kan grotelijks verschillen, maar zij komt altijd wee voor op
een innerlijke erkenning van sleutels. Het is niet mogelijk iemand in te wijden, hetzij
esoterisch of magisch, wanneer hij niet innerlijk een bepaalde reeks ervaringen doormaakt en
ín zich een kracht of sleutel vindt. Die sleutel of kracht is niet afhankelijk van de woorden,
waarin ze wordt gesteld, noch van een begrip, waarin ze wordt gevat. Ze is alleen afhankelijk
van de cosmische relatie die er voor het “IK” bestaat tussen de sleutel en het Lichtende, het
Hogere, het meer bewuste.
Wanneer wij dus op deze manier de inwijding bezien, dan kunnen wij een paar eenvoudige
regels stellen, die practisch voor iedereen bruikbaar
In de eerste plaats; alle leven is een inwijding; datgene wat inwijding wordt genoemd is een
versnelling van de procedure, hetzij eenzijdig dus in een bepaalde richting hetzij alomvattend.
In de tweede plaats: de inwijding is altijd een proces dat in de mens plaatsvindt en dat slechts
door hemzelf beleefd kan worden. Niemand kan u inwijden; men kan u hoogstens de kracht
geven of de schok doen beleven, waardoor de inwijding mogelijk wordt De verwerking van de
waarden is altijd uw eigen, de resultaten zijn slechts van uzelf afhankelijk.
In de derde plaats: elke inwijding is gebaseerd op een ontmoeting van de mens met het “IK”.
Wanneer men zichzelf niet kan erkennen voor wat men is, wanneer men weigert waarden te
aanvaarden, die aan het “IK” in een beperkte stoffelijke zin vreemd zijn, zal men over het
algemeen niet tot een resultaat kunnen komen.
In de vierde plaats; Vreest men alles wat strijdig is met eigen opvattingen en meningen,
vreest men zelfs het innerlijk begrip dat afwijkt van de norm, dan zal men daaraan ten onder
gaan. Wie faalt in het zoeken naar inwijding, zal zich kunnen terugtrekken tot de beproevingen
en belevingen (en ook de sleutels) en niet verder reikend dan het mentaal gebied. :

80 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

In de vijfde plaats: Alles in het leven heeft zijn inwijdingswaarde. Het is echter niet het
beleven of het gebeuren zelf, maar de samenhang daarvan, die bepalend is voor de werkelijke
betekenis. Zo wordt uit het mozaïek der normale dingen de sleutel der inwijding gevormd, en
is de juiste groepering van al wat men beleeft, het juist coördineren van de kennis die men
verwerft, noodzakelijk om waarlijk door te dringen tot het Hogere.
In de zesde plaats; Elke inwijding op zichzelf betekent niet een vervreemding van het leven,
maar integendeel een intensifiëring ervan. Men wordt niet minder mens wanneer men
ingewijde is, maar méér mens. Men wordt niet bovenmenselijk, maar men beleeft intenser de
menselijke krachten. Men staat niet dichter bij God, maar men beseft de inwerkingen Gods
vollediger en gebruikt de inwerkingen Gods juister en vollediger op zijn eigen niveau,
Uit deze regels vloeit reeds voort, dat inwijding iets is dat aan persoonlijke beleving gebonden
is. Die persoonlijke beleving kan niemand u geven buiten uzelf. Er zijn wat methoden te geven
wij zullen dat t. z. t. ook doen waardoor u deze kunt bereiken. En die regels zijn ook weer
gelijkelijk bruikbaar voor de esoterische inwijding en magische inwijding. Het sleutelbegrip
voor beide soorten is ook gelijk.
Het is slechts de eigen oriëntatie die op den duur over het meer esoterisch, of meer magisch
zijn van de inwijding zal beslissen. Het is dus de houding die men aanneemt tegenover het
leven; niet in de eerste plaats de vernieuwing van waarden in dit leven.
Nu hebben wij niet zoveel tijd meer om in deze reeks van lezingen tot een afronding te komen.
Pogingen om een directe inwijding tot stand te brengen zijn meerdere malen gestrand op de
neiging van de meeste mens en om zich te beroepen op anderen, op het andere, of op de
leiding en de meester.
Begrijp wel dat wij ook in deze reeks van lezingen niets anders kunnen doen dan trachten u de
sleutels in handen te geven, waarmoe u uw eigen innerlijke wezen kunt ontsluiten. Veel van
hetgeen gezegd is lijkt u herhaling, andere delen van hetgeen te berde wordt gebracht zijn u.
i. althans overbodig of vervelend. In vele gevallen lijken u de feiten die worden genoemd, de
stellingen die worden gegeven, uitermate onpractisch. Wij zijn ons daar zeer wel van bewust.
Al deze gegevens moeten echter op de juiste wijze gegroepeerd worden. Zij moeten a.h.w.
één worden in de mens, totdat hij een juist en voor hem hanteerbaar begrip krijgt van hetgeen
in zijn eigen wezen bestaat. Elke regel en elke wet die wordt gegeven; is slechts een
benadering. Want uit de regel en uit de wet, zoals die hier wordt gegeven, zult u uw
persoonlijke toepassing, uw persoonlijke beleving moeten zoeken.
Het is om al deze redenen, dat wij bijzonder blij zijn dat wij een van de hogere sprekers bereid
hebben gevonden ook in dit gezelschap een toespraak te houden. Ik wil hier echter
uitdrukkelijk stellen, dat de toespraak zelf natuurlijk geen inwijding is. Zij is slechts een
sleutelbegrip.
Hit sleutelbegrip ligt voor u allen op de volgende vlakken: het zuiver materiele, het astrale, het
levensgebied en het mentale. Ook daarboven worden sleutels verschaft, maar die zullen niet
voor een ieder onmiddellijk te bereiken en te begrijpen zijn.
Beschouw die dus niet als iets wat u alleen maar moet ondergaan. Beschouw het ook niet als
iets dat u een zekere wijding of macht geeft, ik zeg dit er uitdrukkelijk bij! Beschouw hetgeen
door deze spreker naar voren wordt gebracht - een combinatie overigens van kracht, sfeer en
van woorden - als iets wat u voortdurend moet trachten te herleven in uzelf, tot daaruit voor u
een paar belangrijke punten naar voren zijn gekomen. Dingen die u licht geven in uw eigen
leven en de problemen daarvan. Dingen die u doen begrijpen, hoe u bepaalde krachten
misschien juister of beter kunt hanteren; misschien zelfs begrippen die het u mogelijk maken,
gaven die voortdurend nog sluimeren, die niet geheel gebruikt konden worden, nu wel bewust
te gebruiken,
Dat ik deze inleiding houd vloeit voort uit het feit, dat wij zo zeer overtuigd zijn van de hoge
waarde van hetgeen gebracht wordt, dat wij a.h.w. elke druppel licht en elke sleutel daarvan,
ook gaarne gebruikt zouden zien door u, voor uw wereld en voor uzelf.
Na deze spreker volgt als gebruikelijk de pauze, daarna volgt een tweede spreker, die met u
eveneens op meer esoterisch en meditatief terrein zal spreken. Het is echter de volgende
spreker vooral voor wie absolute aandacht wordt gevraagd, Ik blijf wel aanwezig, maar ik durf
EK 62 - 63 81
Orde der Verdraagzamen

mij niet te verstouten nog een commentaar te geven. Ik neem thans afscheid van u en zal
alleen waar dit hoogst noodzakelijk blijkt als tijdelijk bemiddelaar nog optreden.
o-o-o-o-o-o-o-o-o
Goeden avond vrienden.
Wie zoekt naar de waarheid, zoekt naar zichzelve.
Wie zoekt naar de kracht en leeft uit de Kracht, zoekt dat van het Goddelijke, dat in Zijn eigen
wezen leeft en bestaat.
Deze spreuken zijn het beginsel, het principe dat voor een ieder steeds meer gelden zal. Uw
eigen wereld, uw stoffelijke wereld, is gebonden aan vele wetten en vele regels. Maar deze
wetten en regels kunnen soms overtroffen worden door andere, door sterkere wetten, regels
en krachten. En nu wil ik u zeggen, hoe dit bestaat.
Er is een Kracht, waaruit wij allen voortkomen. Een Kracht, waarin wij leven en een Kracht, die
ons wezen kan beheersen, indien wij die Kracht aanvaarden. Het is geen Kracht die ge komt
binden tot uw eigen wil, geen Kracht die ge kunt terugbrengen tot uw eigen beperking. Deze
Kracht is de wijsheid die in u leeft en wanneer die Kracht zegt: ga, dan dient ge te gaan.
Wanneer ze zegt: “Kom, zo “zult ge komen een Kracht waarin men moet geloven.
Het geloof is de kern van het leven. Want het is het geloof, de aanvaarding van ook dat, wat
wij niet kennen, het beleven ook van het omgekeerde, waarin voortdurend weer de Eeuwige
tot uiting komt.
Wanneer ge ademt, zo is uw adem niet slechts lucht. Zij is leven. En zij wordt leven omdat ook
de levende Kracht daarin is. En zo ge ademt weet dat de levende Kracht tot u komt, zo ís de
ademing de levende Kracht, die niet slechts uw lichaam in stand houdt, maar uw geest en ziel
doordringt.
Wanneer gij in eenzaamheid mediteert en gij denkt aan onderwerpen alleen, ach; zij zullen
snel zich vervormen of vervlieden. Gij zult moeten strijden met krachten die u aanbieden om
me er te bereiken voor en kort ogenblik. Ge zult echter nimmer mogen zeggen: ik mediteer
over dit punt en slechts dit punt alleen.
Ik weet dit, want wie mediteert en in zijn meditatie zich verheft boven alle dingen, hij vindt het
licht, maar hij vindt ook het duister. Wie zich dan onderwerpt aan het Lichtende, hij is
bewustzijnsloos, hij is een slaaf. Wie zich onderwerpt aan het duister of het aanbod van het
duister aanvaardt, hij is voor een korte wijle vorst en daarna een geketende.
Er is maar één Kracht die leven is. Een Kracht, waarin men geloven moet. Uit deze Kracht is de
Wet geboren. En de Wet zegt, dat men elkander moet liefhebben.
Maar dat is niet een liefde die kan worden omschreven of gedefinieerd. Het is geen liefde die
grenzen kent. Wanneer ge waarlijk lief hebt, zo is er eveneens geen beperking.
Maar kunt gij allen liefhebben? Er zijn krachten in het leven, die ge niet kunt aanvaarden en
deze kunt ge niet beminnen. En waar ge niet beminnen kunt, daar kunt ge niet uw kracht
leven en uw kracht zijn, daar kunt ge niet Gods Kracht vanuit uw wezen verwerkelijken.
Maar waar gij aanvaarden kunt en waar ge beminnen kunt, daar is de grote Kracht machtig
boven alle dingen. Want het is uit het geloof in de mens dat de Schepper spreekt in de mens;
het is uit de liefde die leeft in de mens, dat de Schepper Zich uit door de mens in de wereld.
Er zijn vele beperkingen in het menselijk bestaan. Men zal u zeggen; gij zijt niet verstandig.
Maar ik vraag u: wat is verstand wanneer de waarheid in u leeft? Leef de waarheid en vraag u
niet af wat de waarheid is. Want waarlijk, welke mens kan de Vader kennen?
Maar soms zult ge weten in uzelf: dit is nu waar voor mij. Wanneer ge dat erkent, zo zult ge
ook weten: nu is de Kracht in mij, en uit de Kracht kan ik volbrengen zonder mij af te vragen,
hoe ik denken moet.
Wanneer je rijk bent, rijk in kennis, rijk in goed, rijk in de achting van je medemensen, dan
lijkt het soms eenvoudig om goed te zijn. Maar toch is dat niet de ware goedheid. Want leeft
ge buiten uzelve, zo zult ge niet leven uit de God, Die in u is. Niet wat ge zijt, of denkt te zijn,
of te kunnen, maar alleen de Kracht, Die in u leeft kan spreken.

82 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Wanneer gij demonen ontmoet en gij vreest demonen, zij zullen u verslinden. Maar als ge de
demonen ziet en ofwel niet kunt aanvaarden, maar de wereld waarin ze leven wel kunt
liefhebben, dan wel onbevreesd zelfs de demon lief hebt, zo zeg ik u: hij is als een dier dat
zich aan u hecht, u volgend en beschermend en u de vruchten van zijn leven gevend.
Gij, die zoekt naar een weg, gij zoekt in de kennis en gij zoekt in de wereld, en ge zoekt zelfs
misschien in het geloof en ge voelt u onmachtig om te geloven. Want gij meent zo sterk te
zijn. Weet dat ge zwak zijt. Want het zijn de zwakken die de Kracht in zich als Kracht
erkennen, de vesting van het Licht dat in hen woont, waaruit zij tot sterken worden; niet om
zichzelf, maar om de Kracht, die hen beweegt.
Gij meent te mogen oordelen over de wereld en over wat zij voortbrengt. Maar ge oordeelt uit
uzelve, en uw oordeel is te beperkt om de Waarheid te kennen.
Maar in u is de Levende Kracht, Die al aanvaardt, Die al doortintelt en doorleeft in alle tijden.
De Kracht der Liefde, der Goddelijke, der Scheppende Liefde. De Vader, Die in u is. Laat Deze
dan oordelen. Niet door uw verstand maar door de Kracht Die Hij u geeft om af te wenden of
te ondersteunen. Aarzelt nimmer en weest niet kleingelovig. Weest sterk in uw zwakte door de
Kracht, Die in u woont.
Ik spreek u van de waarheden en de Wetten, die uit de Vader zijn geboren vóór er mensen
waren. En ik spreek u van de geheimen, die leven in de mens, wanneer hij ze slechts erkennen
kan. Het is goed om te leven waar ge ook zijt of hoe ge ook zijt. En het is goed om te sterven,
want sterven is herboren worden in een nieuw leven. Maar dit is niet genoeg.
Kunt ge beseffen wat de cosmische band is die ons bindt met God? Kunt gij beseffen wat de
Eeuwige Kracht is, die ons wijsheid wordt, die ons het heelal openlegt als een rijpe vrucht ons
aangeboden, tot wij ons verzadigen?
Het is de Kracht van de cosmische liefde, een aanvaarding die nooit verwerpt, een licht dat
altijd schijnt, een schaduw die altijd behoedt. Het is een wereld, die nauw geboren is en het is
een wereld die in ouderdom vergaat; en de rijkdommen van wat komen gaat en van wat is
geweest tezamen, zij leven in u door de liefde van den God, die voor u bestaat.
Gij zijt ongeduldig en gij zijt snel verveeld en gij meent snel dat ge niet meer kunt of niet meer
moogt. Gij zijt zo snel, mens. En ge meent misschien dat dit verkeerd is. Maar ik zeg u:
Wanneer ge slechts de Liefde Gods kunt aanvaarden, Die in u is, leef als een kind. Fel en
scherp, egoistisch desnoods, maar als een kind, dat elk ogenblik proeft met de volheid van zijn
wezen. Een kind waarvoor de droom een werkelijkheid is en de werkelijkheid soms een droom
waar geestelijk leven en stoffelijk leven met elkaar vervloeien tot eenheid.
Want het kind beperkt zich niet als de volwassene. Het kind vraagt niet waarom het zijn liefde
geeft, het geeft. Het kind vraagt niet waarom het haat. Het haat. En het kind beantwoordt
daarom eerlijk aan zichzelf. En wanneer dat kind dan nog geloven kan, wanneer het in zich het
zonnige, lichtende van een Goddelijke Liefde draagt, zo is dat kind God.
Ik zeg u niet dat ge God zijt, want wie zich een God denkt wil zich verheffen boven een ander.
Neen, ik zeg u dat ge gelijk zijt aan allen. Of ik leef in een wereld van licht en de hoogste
krachten mij groeten, of dat ik ben tussen u mensen, waar men mij niet kent, ik ben tussen
mijn gelijken. En zo zijt gij tussen uw gelijken.
Er is geen jeugd en geen ouderdom, er is geen komen en geen gaan, er is slechts het leven,
het leven waarin wij allen verbonden zijn door een Kracht en een Waarheid.
En als ge dit beseft, dan zult ge misschien verstaan wat het betekent, wanneer ik u zeg: Zoals
ik het Licht liefheb dat in mij leeft, zoals ik het leven liefheb dat ik ben, zo heb ik u allen lief,
omdat ik ben. Dat is licht, dat is lichtende juichende Kracht en dat is het enige leven dat waar
is.
Er bestaan formules, waarmee ge krachten kunt wekken in het Al. Maar wanneer ge in uzelf dit
gevoel van eenheid bezit, dan wekt ge geen kracht d.m.v. een machtswoord, een zegel, een
bezwering. Dan is de Kracht de uwe, omdat ze aan u gelijk en met u is. Weet dat ge gelijk zijt
aan alle dingen, behalve de bron waaruit ge leeft. Weet dat er geen geheimen voor u bestaan,
in welke wereld ook, die niet in uw wezen geschreven zijn.

EK 62 - 63 83
Orde der Verdraagzamen

Gij gaat uw gang door het leven en ge weet van uw eigen wezen slechts weinig, zeer, zeer
weinig. Ge beseft niet eens van waar ge gekomen zijt; en dat waarheen gij gaat is voor u een
vage droom, die misschien eens werkelijkheid zal worden, of zal verbleken. Maar gij leeft, gij
zijt.
Wanneer gij, en met u de mensheid, met u dat Al, waarin wij gebonden zijn door de kracht van
de Liefde die in ons allen wordt gekend en geopenbaard, gij behoeft slechts in uzelf te keren
en te zeggen; nu ben ik niet mijzelve, maar ik ben de Kracht die in mij leeft.
En dan gewordt u het woord, dan gewordt u de Kracht, dan wordt ge tot het zegel. Dan is er
niets meer voor u gesloten, wanneer gij beseft; o, ik weet waarom men mij gevraagd heeft of
ik deze maal d.m.v. een medium met u wilde spreken. Het is omdat uw harten hunkeren en
een vernieuwing, naar een inwijding, naar een opgaan. Maar ge kunt niet bulten uzelf opgaan.
Slechts in uzelf. Gij kunt niet ingewijd worden in een geheim waarvan ge geen deel zijt. Gij
kunt niets zijn buiten dat wat ge reeds zijt.
Aanvaard dan uzelve. Zoek niet uzelf nauwkeurig te omschrijven. En zo ge dit doet, beschouw
die kennis slechts als een werktuig voor uw eigen wereld, maar nimmer als een bepaling van
uw wezen. Wanneer ge de geheimen kent van alle sferen, zeg niet: ik weet. Maar beschouw
het als een werktuig om redelijk iets op te bouwen.
Wanneer ik u zeg dat ge kracht hebt, dan hebt ge die kracht, en wanneer ik u zeg, dat ge
vrede hebt, zo bezit ge de vrede, indien ge slechts aanvaardt wat in u leeft. Niets is u
onmogelijk, waar ge werkelijk weet en gelooft en kent de Kracht, die in u woont.
Er zijn oude woorden in vergeten talen, die ik niet terugvind in het middel dat ik gebruik. Oude
woorden die spreken over de band die tussen allen bestaat. Oude woorden die spreken over de
eenheid van mens en geest en God, die belangrijk is boven alle dingen.
De mensen hebben er wijsheid uit gemaakt, ze hebben er systemen van gemaakt. Ze hebben
het, uitgeschreven in hun heilige boeken; maar ze hebben vergeten dat deze dingen moeten
leven.
Is het belangrijk hóe God spreekt, wanneer Hij spreekt? Is het belangrijk hóe de kracht u
wordt gegeven wanneer zij wordt gegeven? Is het belangrijk hóe de waarheid ontstaat
wanneer zij waar blijkt te zijn?
Wanneer ge de grenzen afbreekt in uw wezen, wanneer ge niet vreest voor wat er ook bestaat
in de schepping, wetend dat de kracht en de band met de Schepper is de alaanvaardende,
alomvattende Kracht van Liefde.
Wanneer gij aanvaardt het licht, niet in het knielend, nederig zeggend; Ik ben uw dienaar,
maar zeggende; Gij, Die in mij leeft, laat mij deze Kracht beantwoorden en verwerkelijken,
voorwaar ik zeg u; Gij bezit meer
dan een eenvoudige inwijding op aarde ooit geven kan.
Men heeft mij wel gezegd; Heer, Uw woorden zijn vol wijsheid, maar wij zijn mensen en wij
kunnen Uw wegen niet gaan. Ik heb hen steeds geantwoord; ga dan uw eigen weg. Mijn eigen
weg kunt ge alleen gaan, wanneer gij met mij aankleeft de ene Kracht Die alle dingen is.
(O, geef mij nu geen naam in uw gedachten, want de naam is de spotternij die de
verdeeldheid erkent en de eenheid verwerpt.) Mijn antwoord was ook steeds weer: Dat wat gij
aanvaardt uit den Hoogste is uw deel, Dat wat gij wrkent in het Licht is uw werkelijkheid. En
zo gij vertrouwt op Uw God, zo zult ge uwen God leven. En zo gij erkent dat uw God Kracht en
Liefde is, zo zult gij niet vragen hoe en waaróm, maar ge zult. Zijn Kracht en Zijn Liefde
openbaren.
Dit is de grootste waarheid die ik u geven kan, u die mijn gelijken zijt; Broeders en zusters,
geboren uit hetzelfde Licht. Gij die of ge wilt of niet een deel van de weg moet gaan die ik
gegaan ben, omdat men vaak
moet verliezen om te bezitten. Maar gij ook in wie hetzelfde leeft wat in mij leeft; Licht, de
Kracht van de liefdevolle Vader en de Vrede, die alle dingen te boven gaat.
En wanneer ge misschien ervaart wat wij hier op dit ogenblik ervaren, is er dan niet een rust
en een stilte die Verwachting is? Elke verwachting die in u leeft is een werkelijkheid die, zo ge

84 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

haar aanvaardt,
ook in u openbaar wordt.
En met dit alles wil ik u slechts geven wat ik zo vaak heb gegeven aan hen die in wezen mijn
gelijken zijn, maar die gelijkheid nog niet in zich durven erkennen.
Dat de Vrede, de Liefde en de Kracht van den Vader met u moge zijn. Ik geef u mijn Kracht,
ik geef u mijn Vrede, ik geef u mijn Licht, ik geef u mijn Liefde, opdat wij één mogen zijn in
den Vader, Die ons voortbracht en de Vrede mogen gewinnen van Zijn Rijk. Zijn Kracht, Die
ons allen vereent.
En nu ga ik u verlaten, in deze vorm. En toch ben ik met u, zoals zo velen met u zijn, zonder
dat ge het nog beseft. Daarom, vertwijfel niet en wanhoop niet. En oordeel uzelf niet en uw
naaste niet, maar leef de Kracht, opdat ge moogt ervaren wat waarlijk uw erfdeel is. Dat de
Lichtende Vrede met u moge blijven, totdat gij bewust zijt van uzelf.
Kan ik u meer geven? Ik geef u mijzelf Om de God Die in mij woont. Ik geef u de Kracht, Die
ook door mij werkt. Maar gij, gij zult Ze moeten aanvaarden. En wanneer ge twijfelt, zoals
mensen zo vaak twijfelen, en zoals ook ik wel twijfelde, onthoudt dan dit: De Kracht is altijd
waar, zo lang ge haar aanvaardt. En wanneer ge niet meer gevoelt dat die Kracht met u is, zo
is het Uw wezen en niet de Kracht die de band tijdelijk breekt.
o-o-o-o-o-o-o-o
Wij zullen dan proberen om ondanks alles, wat hier geweest is en waarmee ik zeker niet kan of
durf te concurreren ons weer bezig te houden met de esoterie.
Nu hebt u misschien van onze grote vriend en meester wel gehoord, hoezeer zich dat eigenlijk
allemaal afspeelt binnen het “IK”. Er zijn natuurlijk heel veel visies te geven en heel veel
zienswijzen op die esoterie. Maar als je een alomvattend begrip hebt gehad, dan vraag je je
wel eens af. Heeft het werkelijk zin en door te gaan met het behandelen van een systeem? En
nu was mij dan toch gevraagd om hier vanavond het een en ander te vertellen over de meer
christelijke vormen van esoterie. Ik zou echter mijn beschouwing (gezien het voorgaande)
graag een beetje in een laat ons zeggen meer meditatieve sfeer trekken. Ik hoop niet dat u
dat erg vindt.
Wanneer je in jezelf naar waarheid zoekt, dan sta je altijd weer voor vele raadselen. Er komt
zelfs een ogenblik, dat je je afvraagt of je wel ooit de waarheid zult kunnen vinden. Want wij
zijn geneigd om te werken met onze eigen middelen en methoden. En dat wil dus zeggen, dat
wij ons gebonden achten aan de eigen wereld.
Nu kun je een beeldhouwwerk wel suggereren, of een schilderstuk, maar je kunt het nooit
volledig zichtbaar maken. Het is altijd maar een kant van de zaak. Zo gaat het ongetwijfeld
met ons, wanneer wij proberen de kennis van ons eigen wezen uit te drukken in de redelijke
termen, die wij zelf kennen. Want er zijn altijd impulsen bij, die je niet kunt terugbrengen tot
iets redelijks.
In het Christendom heeft men natuurlijk ook hiermee te worstelen gehad. En wij vinden dan
ook heel veel voorstellingen, die tenslotte ofschoon allegorisch toch ook ontsproten zijn aan
het christelijk mystiek denken, waarbij wij dat “IK” vinden voorgesteld als b. v. een soort fort
met een groot aantal poorten, meestal 42. Er is echter maar één echte poort bij. Een poort,
waardoor je de binnenplaats kunt bereiken. Wij vinden er begrippen uitgedrukt in een soort
gang der wijzen. Maar die gang der wijzen bestaat ook gelijktijdig uit een trap. En je moet
trede voor trede opgaan. Maar elke trede zou eigenlijk moeten worden omlijst door een boog,
waarin weer afzonderlijke begrippen staan. M. a. w. ook de christen heeft esoterisch de
moeilijkheid van het kennen, van het omschrijven. Hij probeert eraan te ontkomen, maar komt
dan in conflkt met de kerkelijke structuur en met de geloofsstructuur. Want daarin mag hij
zichzelf niet onbeperkt ervaren, maar alleen volgens vaste regels, die dogmatisch zijn
vastgelegd.
Nu bestaat er maar een methode om hieraan te ontkomen; een methode, die ik ook in mijn
leven heb leren kennen. De methode nl. van de mystiek. Wij kennen misschien wel het begrip
union mystico (de mystieke vereniging), die niet wordt gezien als een werkelijk gebeuren,
maar als een versmelting van het “IK” met hogere waarden.

EK 62 - 63 85
Orde der Verdraagzamen

De christen is verder gebonden aan begrippen, die hem vaak moeilijkheden bezorgen. Een
daarvan is b. v. het begrip; genade. Een ander is; schuldenlast of zonde. Het deze begrippen
kun je niet afrekenen. En daarom komt hij dus tot het aannemen van de onbekende grote
God, die gestalte krijgt in Jezus Christus; de God, Die zijn wezen a. h. w. in Zich opneemt.
Daarmede ontstaat een versmelting van alle beperkingen. Want zo de kerk met haar regels en
de wereld met haar begrippen belangrijk zijn, God (of Jezus Christus) is hoger, Hij is
belangrijker, Hij neemt de beperkingen weg. En daardoor ontwikkelt zich het gebruik van een
meditatie, waarbij men zichzelf probeert te zien opgaan in Jezus. Men erkent zichzelf daar en
deze erkenning van het “IK” wordt dan niet meer gezien als het ego (de persoonlijkheid), maar
eerder als een figuur Jezus.
Er zijn heel wat soorten discipline gevormd in de loop der tijd (een van de grote zoekers naar
een dergelijke discipline was wel Ignatius van Loyola), waardoor de mens dus ontsnapt aan de
menselijke beperking. Onze menselijke beperking is in esoterisch opzicht niet alleen maar de
religieuze of de menselijke begripsvorm, maar het is de grote beperktheid, die wij ook aan
onszelf opleggen. Door nu op te gaan in het hogere kun je die banden kwijtraken. Maar het
heeft een groot nadeel. Datgene wat je bereikt, wat je van jezelf erkent, dat: moet je dan ook
identificeren met de godheid.
Ik heb ervaringen opgedaan op dit terrein, die pijnlijk bewijzen dat je op een gegeven ogenblik
een god gaat vereren, die in feite alleen maar het eigen wezen is maar nu vrij van alle banden.
Die vrijheid van banden kun je dus als christen moeilijk aanvaarden. Dat is heel eigenaardig
omdat Jezus zelf - ofschoon ik dat pas na mijn dood heb kunnen leren - juist de grote geest
van de vrijheid zelf is. Hij is niet degeen die banden legt, hij is degeen die ketenen slaakt. Hij
is niet degeen die ons dwingt op een bepaalde manier te denken, maar hij is degeen die aan
onze gedachten een gezamenlijk doel geeft. En op deze manier wordt dus die hele complexe
reeks van christelijk esoterische voorstellingen op den duur eigenlijk ongeldig.
Zeker, het begrip van de mystieke vereniging bestaat. Het bestaat overal iets, wat de stellers
ongetwijfeld niet begrepen hebben. Maar zij grijpen daar terug naar een oudheid waarin de
mystieke vereniging een heel wat stoffelijker betekenis had. Het is het verliezen van jezelf.
En hier kom ik aan het puntje dat ik mij toch had voorgenomen met u te bespreken. Ik had dit
alles mooier en sonoor willen doen. Maar dan zou ik als een acteur moeten trachten een
grootheid te verbeelden, die ik in vergelijking tot de spreker, die u mocht ontvangen, niet
bezit. En daarom probeer ik het heel gewoon te doen, heel menselijk. Daarom laat ik zelfs
grote aspecten van mijn eigen wezen terugvallen achter het medium dat ik gebruik.
Volgens mij moeten wij dit mystieke, dat dus de esoterische weg bevat van het Christendom,
als volgt beseffen;
De grote wet die alles beheerst is niet de wet van verdeeldheid, maar van eenheid. Zo is
naastenliefde, natuurlijk. Maar ze is iets wat verder gaat dan naastenliefde. Ze is een
voortdurend zoeken naar een grote harmonie, waarin je dus de beperking van je eigen “IK”
niet beseft.
Nu zijn wij allemaal ergens deel van de Vader, van God, Wij zijn overal eigenlijk gebonden met
alle werelden en alle sfeer. Alleen…. wij zijn er ons niet van bewust. Door nu te vergeten wie
en wat wij zijn en daarvoor in de plaats te stellen alleen maar dit Hoogste of Hogere, worden
wij van onszelf bevrijd. En die bevrijding gaan wij proberen weer te geven in duizend en een
verschillende ik zou haast zeggen rituelen. Wij gebruiken er psalmen voor, magische formules
of het sacrament, dus de symbolische verbinding met het Hoogste in een bepaalde richting.
Met al die dingen bereiken wij alleen maar, dat wij dus vrij worden van de beperking, vrij
worden van de gebondenheid, die in de materie zo vaak overheerst: En daar komt als ik mij
niet vergis de eigenlijke mystieke aap wel uit de mouw.
Zolang een mens zichzelf is, is hij onderworpen aan zichzelf. Als mens bouw je je eigen
gevangenis uit je gedachten van zonden, uit je begrippen van goed en verkeerd, uit je
begrippen van verplichtingen. en van onmogelijkheden. Je bent zozeer gevangen in zo’n
leader, in zo’n kooitje van begrippen, dat je alleen maar door jezelf helemaal te verliezen vrij
kunt worden. Het lijkt mij toe dat dit niet noodzakelijk is. Want wanneer ik nu in mijzelf opga
en wanneer ik in mijzelf ga zoeken naar de hoogste kracht, dan kan ik toch ook wel erkennen,
dat die krachtin mijzelf is. Waarom moet ik dan zeggen dat Jezus handelt door mij of dat ik
handel namens Jezus, wanneer ik in mijzelf slechts handel vanuit mijzelf maar ook vanuit het
86 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

begrip van God (en dus ook van Christus), zoals dat in mij bestaat? De mystiek die zichzelf
losmaakt van het “ik”-besef, om daardoor het Hoogste te ervaren, maakt het zich onmogelijk
om ditzelfde hogere besef en begrip terug te brengen tot de wereld. En in die wereld hebben
wij het zozeer van node.
Al dat Hogere, dat wonderlijk sacramentale, dat komt wel op een gegeven ogenblik in je leven
en dat kan op een bepaald ogenblik je dus verheffen, maar je valt altijd terug. Het is geen
werkelijk klimmen meer, het is een opspringen om over de muur te kijken van de tijd en
daarachter iets van de eeuwigheid te zien. De gedachtengang die wij moeten gebruiken is dan
ook volgens mij de volgende;
Alles wat ik ben, alles Wat ik doe, alles wat ik kan doen, alles wat ik ooit zal doen, is uit God.
Het is alles uit dezelfde Kracht, uit de zelfde gemeenschap a.h.w. met het Hoogste. En al mijn
daden weerspiegelen dus ook God, zoals Hij leeft in mij. Er is geen enkele beperking of grens
gesteld daaraan, buiten de beperkingen misschien, die in mijzelf leven. Ik leef de Oneindige;
en niet slechts word ik door de Oneindige geleefd. Wanneer ik besef dat geheel mijn wezen
deel is van de oneindigheid, dan kan ik dus de eeuwigheid laten doorklinken in alle dingen.
Dan handel ik niet meer voor een kort ogenblik, maar dan besef ik, dat bij alles wat ik doe ik
een eeuwigheid aan mijzelf toevoeg.
Ja, verdergaande ontdek ik zelfs, dat een groot gedeelte van mijn stoffelijk denken, ja, zelfs
van mijn mediteren en werken terugvloeit tot een zuiver stoffelijk ritueeltje, waaraan ik geen
deel heb. Ik heb er geen deel aan. Het kan waar bestaan, het kan volkomen reëel zijn, maar
het is niet voor mij. Ik leef er niet in en daarom heef t het voor mij geen zin.
Ik leef God, zeker. Maar ik kan God alleen maar leven, zoals ik Hem in mij draag en in mij
besef. En een God die ik vrees kan ik nooit tot werkelijkheid maken. Een mens, die bang is
voor zijn God, ligt op zijn knieën en durft niet op te zien Wij echter moeten juist onze God
durven aanschouwen in alle dingen, om daardoor te komen tot een begrip van die God en van
onszelf.
Vanuit mijn standpunt dus dat is niet meer christelijk volgens de gangbare regels, al het
andere zou er nog ondergebracht kunnen worden krijg ik nu dit:
Hoezeer ik ook mijzelf besef, ik ben eerst mijzelf, wanneer ik besef hoe God in mij is. Alles wat
ik doe en niet doe, alles wat ik denk en wat ik niet denk, wat ik innerlijk beleef en wat ik
innerlijk verwerp, bepaalt hoe ik leef in God, wat God in mij wil. Ik word door een goddelijke
wet en een goddelijke wil beheerst. En wanneer ik een bepaald geloof heb en langs dit geloof
zoek naar de weg, dan komt dat ook, omdat volgens het goddelijk plan ik daar ergens binnen
behoor. Maar het is mij een leidsnoer, niet de werkelijkheid. Het is een aanwijzing, niet de weg
zelf. De weg is het voortdurend erkennen van God, zoals Hij in mij leeft. En het gelijktijdig
beseffen dat ik die God alleen waarlijk beleef, wanneer ik geen voorbehoud maak, wanneer ik
niet tegensputter, wanneer ik iets niet verwerp of beschouw als duister. Ik moet mij niet
afvragen of ik wel statig genoeg ben om God te ontmoeten, of ik wel voldoende schoon
gekleed ben. Ik moet mij slechts afvragen of ik kan beantwoorden aan God, zoals Hij in mij
leeft.
En wanneer ik dat doe in meditatie, dan is dat heel mooi en kan ik daar kracht uit putten,
maar die kracht heeft toch werkelijk pas zin, wanneer mijn meditatie niet alleen maar
gebaseerd is op een theorie, maar ook op een werkelijkheid. Alles wat je bent is niet alleen
idee. God is de idee maar God is ook de kracht, waaruit alles leeft. God is niet alleen maar de
Schepper, Hij is ook de liefdevolle Vader, Die ons confronteert met de Christus, die ik
overigens ook niet meer beschouw als alleen maar verbonden met Jezus van Nazareth. En in
die Christus, in die God, leven we. Er is niets wat daarbuiten kan liggen. Op het ogenblik dat
we er iets buiten stellen, deugt het niet. Op het ogenblik dat Wij iets daarbinnen niet kunnen
aanvaarden, moeten wij ons dus wel eens even afvragen, of het nu aan onszelf ligt, of dat het
werkelijk wordt gevoeld als een cosmische noodzaak, als iets vanuit God. Wat vanuit God voor
mij juist lijkt, dat mag ik, ja, dat moet ik proberen te zijn, te leven.
En dan wordt de mystiek dus eigenlijk omgekeerd. In de christelijke mystiek ga je op in God.
De mystieke unie, de mystieke vereniging, is de mens die opgaat in God. Maar het zou ook
moeten zijn het besef van God, Die in en door de mens werkt. Wanneer ik zeg; ik ben ziek,
dan zal ik ziek zijn; wanneer ik zeg ik; ben gezond, dan zal ik gezond zijn, wanneer ik besef

EK 62 - 63 87
Orde der Verdraagzamen

dat dit niet alleen een kwestie is van mij, van mijn lichaam of van een wereld, maar van de
Kracht die ik aanvaard. Wanneer ik zeg ik heb het weten en ik zeg ik heb het zelf, dan is mijn
weten beperkt en dan zijn er fouten. Wanneer ik erken: er is een weten en dat weten ligt in
het Hogere, dan laat ik het Hoger weten zich op die mystieke onbegrijpelijke manier verenigen
met mijn wezen en dan kan ik dat spreken, dan kan ik dat erkennen, dan kan ik profeteren als
de profeten en de waarheid zeggen als de grootste meesters op aarde, de grootste meesters in
de sferen. Er is daarin geen beperking.
U ziet dus dat deze gedachte van de christelijke esoterie op een gegeven ogenblik door haar
eenzijdigheid vastloopt. Zo is er ook de gedachte: Wij moeten alles samenbrengen onder een
geheel. Dit alles moet samenkomen onder een kerk; of allen moeten een God aanbidden; of
allen moeten onze Jezus zien als de werkelijke verlosser. Als dat zo moet zijn, dan zal God dat
doen. Neen, wij moeten niet proberen om de verschillen die in de schepping bestaan uit te
wissen. Wij moeten proberen deze te beleven binnen het Goddelijke. Wij moeten het niet zien
als iets, waarvoor wij verantwoordelijk zijn, wat wij moeten omzetten in vormen en buigen tot
het het onze is. Neen, wij moeten beseffen dat het van God is, dat het uit God leeft en
bestaat.
U ziet dus; ik heb er heel wat kritiek op. En die kritiek is natuurlijk niet gekomen in een enkel
ogenblikje van leven, dat begrijpt u wel. Ze is moeizaam verworven in meerdere levens en in
vele sferen.
Waarom dan toch hierover gesproken? Wel, ik ben tenslotte ook in de wereld waarin ik nu leef
een representant van wat men zou kunnen noemen de christelijke esoterie, de christelijke
bespiegeling. En daarbij ben ik ver afgeweken van dat, wat ik eens in mijn leven was. Maar ik
heb er iets in gevonden, dat voor mij althans - en dat is dus een zuiver persoonlijke zaak - zo
moeilijk in een andere vorm is uit te drukken. Het is niet weer te geven. Wanneer ik moet
gaan werken met allerhand Hindoe-termen, dan kan ik het ook doen, natuurlijk. Maar het is
niet klaar en helder, het is niet begrijpelijk. Het is weer een kwestie geworden van kennis en
niet meer van het mystiek erkennen. En wanneer ik het wil uitdrukken in allerhand theorieën,
dan is dat heel mooi, maar die theorieën op zichzelf hebben zo weinig waarde. Ik moet het
kunnen beleven. En als ik het beleven moet, dan moet ik het beleven in een zin, die voor mij
althans bevredigend is.
En nu ik u dit allemaal heb gezegd en daarmee dus eigenlijk toch weer een beetje ben
teruggekeerd naar de punten, die ik u wilde voorleggen, nu zou ik willen proberen u een vorm
van meditatie voor te zetten. Het is een meditatie ik zeg het er meteen bij die voor sommigen
misschien niet zo belangrijk is. Maar anderen zullen kunnen meevoelen en die zullen zeggen:
Ja, ik kan mij voorstellen dat dit de weg is, waardoor je die Christus bereikt, die grote Kracht
bereikt. En nu moet ik daarvoor dat zult u ook begrijpen ook proberen om iets meer van
mijzelf op de voorgrond te schuiven. Ik hoop niet dat u het erg vindt. Ik doe dat dus niet
uitgebrek aan eerbied tegenover degeen, die hier het voertuig gebruikt heeft. Ik doe het alleen
om mijn taak, die ik toch ook volgens zijn wil en wet mede help volvoeren, op de juiste wijze
te kunnen volbrengen.
De kern van alle leven is de Christuskracht, de Christusgeest. Zij is de levende tinteling van
begrip, die in ons doordringt. Zij is de band met de oneindigheid, boven alle sferen uitliggend,
waarin wij God vinden.
Mijn wezen zelf besef ik als klein en onbelangrijk. Maar wanneer deze Kracht in mij leeft en
door, mij werken wil, zo moet mijn leven betekenis hebben.
Waar ik ook ga, waar ik ook sta, met mij is de levende Kracht, met mij is de intensiteit van
Licht en Werking, die ik ken als de Christus, de liefdevolle uiting van de Schepper zelf.
Ik geef mij over aan deze Kracht. En geen voorbehoud maak ik tegen deze Kracht, omdat
hierin het enig belang van mijn bestaan is gelegen. Ik leef mijzelf slechts ommentwille van die
Kracht.
Wat ik ben voor mijzelf is het spel, dat ligt rond de werkelijkheid, de droom die de dag soms
aanvult of de ledige ogenblikken vullen kan. Maar slechts dat, wat ik ben krachtens het
Goddelijke en uit het Goddelijke en door het Goddelijke, de Liefde die vanuit mijn wezen zich
openbaart, de liefdekracht die ik op harmonische manier in mijn wezen uit, is van waar belang.

88 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Er is natuurlijk een weg van kennis, maar alle kennis is van mij. Zij is van mensen, zij is van
een sfeer en zij is niet leven. Maar de kracht ín mij is, meer dan alle kennis en meer dan alle
kracht en meer dan alle leven.
Wie ben ik dan, dat ik mijn kracht, mijn kennis wil meten met de Christus zelve? Ik moet
allereerst aanvaarden. En daarom aanvaard ik mijn leven. Ik aanvaard de gedachten en
Krachten, die werken in mijn leven en al wat dat leven met zich meebrengt van wereld tot
wereld en sfeer tot sfeer, onbeperkt aanvaardend de volheid, die door mij zijn volmaaktheid
tot uiting brengt.
Als deel van de Christus zelve wil ik Zijn kracht, de Goddelijke Liefde, uiten altijd en overal,
wetend dat ik de vertegenwoordiger ben van Zijn wezen, wetend dat ik kracht van Zijn Kracht
ben en leven van Zijn leven.
Uit de oneindigheid roep ik steeds tot mij deze kracht. En wanneer ik aarzel of meen niet te
Kunnen stijgen, wanneer ik meen mijn wezen niet te kunnen erkennen of verder te gaan in
waarheid, dan beroep ik mij op deze Kracht alleen. Want deze Kracht is voor mij de cosmische
waarheid.
Uit de tijd heb ik voor mijzelf gevonden de zwaarte van een stoffelijk bestaan, de moeizame
tocht door sferen heen. En ik heb leren erkennen hoe groot de illusie is, die wij stellen voor de
werkelijkheid. En daarom mag ik zeggen: Wat voor belang hebben de kleine dingen, die je
doet of laat, wat voor belang is het hoe je kijkt en hoe je doet of zelfs wat je denkt, wanneer
de drijfveer van je leven maar steeds is; God.
De illusie en de waan zijn een noodzaak, omdat wij de waarheid niet kunnen aanvaarden. Ze
zijn een genadige sluier voor het verblindende Licht, aangebracht opdat wij niet zullen
verschroeien als motten tegenover de werkelijkheid. Maar hoe meer wij ons beroepen op dat
Licht en die Kracht, hoe meer het ons verzadigen zal, hoe sterker wij in die Kracht zijnde
kunnen opgaan tot het Hogere en hoe minder ons verhuld zal zijn, niet alleen van de Hoogste
God, van de levende liefdevolle Kracht, Die alles bezielt, maar ook van onszelf.
Ik weet dat ik deel ben van een groot Al, een Al dat ik niet ken en niet overzie. Ik weet dat
elke fase van bestaan een voortzetting is van vele vorige en dat al die fasen een geheel zijn. Ik
ken mijzelf als deel van Licht en Kracht. Hoe zou ik dan aarzelen om te leven? Hoe zou ik
aarzelen om van sfeer tot sfeer te gaan of terug te keren? Het is God, Die leeft. En wanneer ik
dit erken, dan is er waarheid, dan is er werkelijkheid.
Wij zoeken niet in onze mystiek en onze esoterie naar de waarheid. Wij zoeken onze waarheid.
En zolang wij vanuit onszelf proberen op te bouwen en te streven, zo moeten wij beseffen dat
dit alleen maar is het zoeken naar ons waar-zijn, naar óns verlangen naar onze werkelijkheid.
Maar op het ogenblik dat wij stellen; Het is de Kracht van de Goddelijke Liefde die mij
beweegt, ik heb niet het recht een oordeel te spreken, zelfs niet over mijzelf, dan krijgt mijn
gestalte vorm en erken ik mijzelf, omdat ik God erken Die in mij leeft.
Er is een verbondenheid tussen alle dingen. Sommigen noemen het de Scheppende Wil,
anderen het gebod, weer anderen de adem van de Schepper zelf. Maar hoe ik deze dingen ook
noem, zij zijn de waarheid van mijn leven en niet het beeld, dat ik zonder meer mijzelf
opbouw.
Laat mij dit beseffen, laat geheel mijn wezen smeken en bidden, dat ik dit beseffen mag. Want
eerst dan zullen alle gedachten en gebruiken en methoden en rituelen hun zin krijgen, omdat
zij dan niet meer zijn een waarheld in zichzelf, maar slechts het symbool, waarmede de grote
waarheid wordt aangeduid.
Ik wil niet te lang spreken. Maar ik geloof. En het geloof, dat ik ben niet wat ik leef, maar wat
ik ben is de waarheid van mijn wezen. Want niet zal ik kunnen geloven en niet zal ik kunnen of
durven volbrengen wat niet waarlijk uit mijzelf is. En wat waarlijk uit mijzelf is, is waarlijk deel
Gods.
Ik moet mijzelf zijn. En daarom moet ik zijn dat, wat ik geloof; dat, wat ik in mij ken en
gevoel. Daarom moet ik mijzelf verwerkelijken. Niet in de trots van: hier staat een
nieuwgeboren zoon Gods; maar in het begrip; hier spreekt Gods waarheid door mij. En alleen
uit die waarheid zal ik mijzelf kennende kunnen bouwen het wezen, waarvoor ik bestemd ben,

EK 62 - 63 89
Orde der Verdraagzamen

Er is een noodlot, maar dat noodlot ben ik zelve; ik zelve en niemand anders. Geen duivel en
geen God maakt mijn lijden, mijn smart en mijn vreugde. Maar mijn waarheid, die heeft God
gemaakt. En mijn geloof, waar ik ook leef of ben, is mijn benadering van die waarheid.
Laat mij dan de waarheid leven, opdat ik het noodlot beheers. Opdat ik erkenne, dat de
Christus in mij de directe weergave is van een Goddelijke werkelijkheid. Opdat ik erkenne, dat
- zo ik Gods almachtig scheppend vermogen nog niet kan omvatten - ik - althans dit aspect -
van Zijn wezen leven kan de grote Liefde, die alle dingen doordringt, alle dingen verenigt,
niets verwerpend of scheidend en waaruit slechts de strijd voortkomt tegen de liefdeloosheid.
Ik geloof dat dit mijn taak en mijn bestemming is. Ik geloof in een God Die mij deze taak en
bestemming geeft door alle tijden en werelden. En ik geloof in de Christuskracht, in de
Goddelijke liefde in het bijzonder, die de weg is waardoor ik het bewustzijn bereiken mag,
waarin ik mijzelf waarlijk ken en de kracht van mijn God waarlijk tot uitdrukking breng.
En nu, vrienden, laat ik de beheersing maar weer wat gaan. Het beeld, dat ik u hier heb
gegeven, is mijn eigen beeld. Denk niet dat het onfeilbaar is. Want wij allen groeien naar een
waarheid toe en wij weten nooit in hoeverre we die waarheid ooit kunnen uitdrukken. Daarom
zou ik alleen nog dit willen zeggen;
Met alle respect dus ook voor de meester, die mij voorging en alle dingen erbij, ook voor u, uw
eigen leven en denken laten we verstandig zijn en laten we begrijpen dat wij altijd weer het
eigen sleuteltje nodig hebben en de waarheid en dat niemand die sleutel voor ons kan
hanteren. Dat moeten we zelf doen. En laten we er ook a.u.b. steeds bij denken, dat het toch
niet belangrijk is hoe of vanwaar de dingen ontstaan, Dat het belangrijk is, dat ze er zijn. En
wat er is, dat moet je dan ook kunnen aanvaarden, beleven en verwerkelijken, omdat het deel
is van jezelf. Wanneer je zo leeft, dan zul je er alleen spijt van hebben wanneer je ontdekt, dat
je God niet in iets erkend hebt. Maar je zult er nooit spijt van hebben, dat je iets hebt gedacht,
hebt gedaan of tot stand gebracht. En dan zul je ook nooit zeggen; ik heb ergens het systeem
niet kunnen vinden. Maar dan kun je dus alleen zeggen; ik heb ergens voor een ogenblik het
innerlijk contact, met de werkelijkheid verloren. Ik weet niet meer waarom dit God was in mij.
Dat is de mystieke vereniging, de kern van de christelijke esoterie. Ik hoop dat u daardoor iets
meer zult begrijpen van de christenheid. want er zijn heel veel christenen, die waar esoterisch
leven. Alleen zij gebruiken dit systeem en dan vaak nog binnen een dogmatische beperking.
Begrijp dat zij er ook langs hun weg komen. En begrijp dat als wij die weg zoals ik hem heb
getracht te schetsen wanneer hij bevrijd wordt van de beperking, wel mogen zien als een van
de vlotste middelen om onszelf te kennen. Niet door zelfbeschuldiging en zelfonderzoek, maar
door onszelf te leven, zoals wij God in ons erkennen. Ik besluit de avond met een kleine
zegewens;
Ik hoop dat de zegen, die u vanavond gegeven werd, als een Kracht in u mag leven; dat u die
Kracht zult ervaren en gebruiken en zo de vrijheid van het Licht zult vinden op uw wereld,
zoals wij haar in andere sferen mogen genieten.

Nummer 8.
Esoterische Kring. 9 april 1963.
Goedenavond, vrienden,
Op deze avond zou ik gaarne met u willen spreken over de sleutel van het menselijk zijn. Altijd
weer ontstaat er in de mens een verdeling van spanningen en waarden, die hij voor zichzelf
moeilijk kan rationaliseren. Zijn zoeken naar een innerlijke weg, een innerlijk pad, evenals zijn
pogen om het onbekende te beheersen, brengen hem voortdurend terug tot deze verdeeldheid
en deze strijd. Het is dus logisch, dat juist in deze innerlijke verdeeldheid van waarden ergens
de sleutel moet liggen van het, waarlijk menselijk leven.
De Kracht waaruit je leeft, is moeilijk vast te stellen. Ze is er. Vanwaar ze komt, waarheen ze
gaat, is een kwestie van hypothesen, die echter zelden met een redelijk bewijs worden
geboekstaafd. Om te komen tot het juiste inzicht doen we er dus verstandig aan allereerst af
te gaan op deze mens zelf, op zijn strijdigheden en ook op de kracht, het begrip bij die deze
tegengestelde waarden in die mens tot elkaar kunnen brengen.

90 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Immers, op het ogenblik, dat een mens als geheel functioneert, zal hij plotseling beschikken
over meer vermogens. Hij zal vaak ook lichamelijk beter reageren. En vóór alles zal hij een
zekerder inzicht hebben in alles, wat met zijn eigen leven in verband staat. Een innerlijke
bewustwording is in de eerste plaats het erkennen van wat je bent, van wat je betekent, van
wat je kunt.
Vanuit deze factoren wordt dan de bewustwording van de geest opgebouwd. En een bereiking,
een magische bereiking, wordt wederom opgebouwd uit factoren als zelfverzekerdheid (dus
eenheid van geloof en denken in het “IK”), een sterke identifkatie met de natuur (met andere
krachten). Ook hier wordt de strijdigheid in de mens uitgeschakeld. Allereerst stel ik daarom
het volgende:
De mens zelf is buitengewoon gevoelig voor velerlei soort trillingen. Dit zijn niet alleen de
zichtbare trillingen of hoorbare trillingen, die hem uit de wereld bereiken, maar ook buiten zijn
kenvermogen vallende frequenties (uitstralingen) blijken zijn persoonlijkheid te beroeren, en
onder omstandigheden te veranderen. Nu maakt de mens zich van elke trilling, die
binnenkomt, een dubbel beeld, U hoort mij u maakt zich ook van mijn woorden een beeld. Het
gehoorde en het mentale beeld, daaruit ontstaan, zijn verschillend. Zo wordt dus een
gedachtenwereld opgebouwd, die - misschien lijkt het u een herhaling - sterk verschilt van een
werkelijkheid. Een die in vele gevallen interpretaties geeft, die niets meer met werkelijke
oorzaken of mogelijkheden en werkingen uitstaande hebben.
Wanneer ik interpreteer, zal mijn interpretatie voortdurend zijn: een aanpassen van mijn
wereld aan mijn ideaal. Mijn ideaal echter én een droombeeld, waarvan ik innerlijk besef, dat
het onbereikbaar is. Zo ben ik voortdurend in strijd met mijzelf, omdat ik niet aan het ideaal
beantwoord, terwijl ik gelijktijdig in strijd ben met de mij bereikende feiten en invloeden,
omdat deze niet binnen mijn ideaalbeeld kunnen worden ingepast. Dit zou ik dus allereerst
moeten uitschakelen.
Een objectiviteit van denken, waarnemen en reageren zou ongetwijfeld het meest begeerlijk
zijn. Maar een mens komt daartoe niet, omdat juist zijn afwijkende mentale wereld een groot
gedeelte uitmaakt van zijn specifiek menselijke eigenschappen en capaciteiten. Ik moet dus
proberen het “IK” te onttrekken aan deze strijdigheden.
Altijd, wanneer er strijd is tussen mijn ideaal en de feiten, kan ik mijzelf daaraan onttrekken
door ideaal en feiten niet te verklaren of in overeenstemming te brengen, maar beide te
accepteren als bestaande waarden. Dan zal de strijd in mijzelf verminderen en door gebrek
aan interpretatie zal mijn reactie op de feiten (de mij beroerende trillingen) de werkelijkheid
meer benaderen, terwijl het ideaalbeeld voor mij niet wordt tot iets, waaraan ik moet
beantwoorden nu, maar ten hoogste iets, wat ik eens zal kunnen zijn. Ik neem aan dat dit
duidelijk is.
Een tweede punt blijkt te ontstaan, wanneer wij te maken hebben met invloeden, die niet
gezien worden. De primitieve mens kende zeer veel van die invloeden en kon deze niet
verklaren. Toch zocht hij daarvoor een verklaring en schiep zich zo een wereld van
natuurgoden, die somwijlen dichter bij de werkelijkheid stond dan de huidige
wetenschappelijke opvatting, maar ook geen onvertekend en juist beeld gaf. Zijn
onderworpenheid aan deze goden belemmerde hem echter sterk in zijn bewustwording en
ontwikkeling.
Wanneer wij uitgaan van het onbekende, dan zijn we geneigd om dit onbekende om te vormen
tot het bekende. D. w. z. wij schrijven daaraan kwaliteiten en eigenschappen toe. Wij proberen
die kwaliteiten en eigenschappen zodanig te ordenen, dat ze voor ons hanteerbaar worden. Op
het ogenblik dat ik dit doe, zal ik in strijd komen met de werkelijkheid van die onbekende
beïnvloedingen.
Een ongekende beïnvloeding is iets, dat je hebt te aanvaarden. Dat je zo weinig mogelijk
rationaliseert of verklaart, maar waarvan je wel tracht na te gaan wanneer en hóe deze
optreedt. Op het ogenblik dat ik geen verklaring zoek, maar alleen na ga onder welke
omstandigheden ik op deze invloed rekenen kan, wordt zij voor mij hanteerbaar, zonder dat ik
in strijd kom met eigen thesen en theorieën.
De sleutel, waarover ik spreek, ligt dus in de eerste plaats in een zeker je terugtrekken uit een
te speculatieve denkwereld. Dit zal menigeen, die aan filosofie doet, een klein beetje
EK 62 - 63 91
Orde der Verdraagzamen

onaangenaam in de oren klinken. Toch moeten wij allereerst leren leven met de feiten, voor
wij onszelf binnen die feiten waar kunnen beschouwen, voordat wij onszelf kunnen leren
kennen. Op het ogenblik dat ik tracht a.h.w. op een afstand te blijven van de elementen, die
mij strijd zouden kunnen bezorgen, en mijn eigen gedragspatroon bepaal aan de hand van het
bekende plus de voor mij kenbare en regelmatig optredende werkingen (waarvan de oorzaak
mij verder onbekend blijft), kom ik tot grotere objectiviteit.
Die objectiviteit kan mij helpen om mijn eigen verhouding tot de wereld nader te omschrijven.
Maar wanneer ik die verhouding nader omschrijf, mag ik niet vergeten dat dit weer theorie is.
De verhouding die ik waarneem vanuit mijzelf tot de wereld, is lang niet altijd identiek aan de
betekenis, die de wereld aan mij geeft. Daarom moet ik proberen aan de hand van de feiten
(dus de omzetting in de daad a.h.w. van al datgene, wat ik omtrent mijzelf vermoed of weet
voortdurend toetsen, of mijn gedrag, of mijn stelling, mijn inzicht, juist is.
Dit lijkt misschien moeilijk. Er zouden ongetwijfeld hier en daar bezwaren tegen kunnen
bestaan, al is het alleen maar omdat de mensheid nu eenmaal in een gedeelde waan pleegt te
leven en niet in een gedeelde werkelijkheid. Maar wie wil komen tot een zuiver inzicht, die
moet alles terugbrengen tot een zo groot mogelijke eenvoud. En die eenvoud kan hij alleen
bereiken, als hij steeds de proef op de som neemt, wanneer hij meent iets geconstateerd te
hebben.
Verder blijkt de strijdigheid in de mens voor een groot gedeelte te ontstaan aan de hand van
aanvaarding en verwerping, die niet op feiten maar ook weer op illusies, stellingen of idealen
gebaseerd zijn. Het is een zeer belangrijk punt, wanneer ik mijn betekenis voor de wereld
moet beseffen, wanneer ik vertrouwen moet hebben in mijzelf binnen die wereld, dan kan ik
dit óf doen aan de hand van een totale droomwereld maar dan is de vraag zeer groot of ik in
de werkelijkheid kan leven en werken óf ik zal moeten terugkeren tot de werkelijkheid alleen.
Daarbij mag ik dan geen rekening houden met al hetgeen ik heb opgebouwd aan ideeën
omtrent eigen belangrijkheid, de verschillen in stand en in capaciteit tussen mij en anderen.
Alleen datgene wat daadwerkelijk blijkt, is belangrijk Zó alleen kan ik af schatten wat mijn
verhouding tot de wereld is.
Verder zal u blijken, dat een groot gedeelte van deze innerlijke verdeeldheid van de mens
voortkomt uit zijn behoefte om voor die wereld betekenis te hebben en anderzijds aan zijn
behoefte om zich niet aan die wereld te binden (ook dit is in strijd met elkaar, zoals u zult
begrijpen).
Dit alles samenvattend brengt ons tot het eerste belangrijke punt, de eerste belangrijke
conclusie; De eenvoud van handelen en denken moet steeds gebaseerd zijn op feiten nimmer
op stellingen, nimmer op een geloof, dat geconstrueerd is of op denkbeelden berust.
Dit laatste zeg ik erbij, omdat ergens altijd een geloof blijft bestaan. Zolang een geloof niet
wordt omgezet in een rationele vorm, is het een kracht, waaruit wij putten. Zodra wij echter
vorm en gestalte geven, zal datzelfde geloof een keten zijn, die ons bereik van leven beperkt,
een kooi waaruit wij moeilijk kunnen ontsnappen.
Wij hebben nu dit eerste punt gesteld. Maar er zijn meer punten. Altijd weer, wanneer de
mens probeert zichzelf te ontleden, wordt hij geconfronteerd met een soort ijzeren muur. Er
zijn nu eenmaal dingen in je eigen wezen, die je niet wilt of kunt beseffen. Er zijn
werkelijkheden, die zo verschrikkelijk zijn voor de mens, dat ze niet aanvaardbaar zijn.
Wanneer wij stellen, dat wij ook deze dingen moeten erkennen, maken wij een grote fout. Heel
veel mensen gaan ten onder in hun innerlijk streven aan de poging om de diepste geheimen
van het eigen “IK” a.h.w bewust en redelijk te ontleden.
Wanneer vroeger een leger oprukte, dan werd een stad die zich niet overgaf, omsingeld. Zij
werd dus geïsoleerd. Het leger zelf ging voort. In ons eigen bewustzijn, in ons eigen zoeken,
moeten we ons niet laten ophouden door de tegenspraak of de onbegrijpelijkheden, die in
onszelf liggen en die soms ook in de wereld voorkomen. Wij moeten ze isoleren en toch
doelbewust verdergaan.
De kwestie van een doel (want voor doelbewust is een doel nodig) zal eveneens voor veel
mensen moeilijkheden baren. Een mens stelt zich nl, een doel, dat ver buiten zijn eigen bereik
of zijn eigen wereld ligt. Maar een doel, dat niet verwerkelijkt kan worden, heeft weinig zin.

92 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Het doel dat wij ons kunnen stellen, moet in direct verband staan met de eigen persoonlijkheid
en moet daarnaast althans ten dele verwerkelijkbaar zijn.
Een van de beste doelstellingen, die de mens in zijn leven kan kiezen, is deze; Ik tracht zo
gelukkig te zijn als ik kan, anderen gelijk schenkende en niemand bij mijn weten en door mijn
schuld ongeluk brengend..
Dit is een heel eenvoudige stelregel. Toch is hij belangrijk. Want wie gelukkig is, die integreert
zijn persoonlijkheid veel beter dan de mens, die ongelukkig is. Het conflikt, dat wij steeds weer
moeten ondergaan, is voor ons een lering zolang wij het kunnen aanvaarden, zolang er dus
voldoende veerkracht overblijft.
Op het ogenblik dat wij het conflict niet kunnen aanvaarden, zullen wij niet meer in staat zijn
om dat conflict zelfs maar in zijn werkelijke vorm te zien laat staan ons eigen wezen en de
verhouding tot de conflictstof ook maar enigszins juist af te schatten. Dus, vrienden, hier ligt
een volgende sleutel; Wees voor alles gelukkig!
Angst speelt zoals bekend is, ook een heel grote rol in het menselijk leven. Vaak zien wij dat
pogingen tot bewustwording in feite uit angst worden geboren. De angst voor wat zal zijn,
wanneer men niet bewust genoeg is. Het zal u duidelijk zijn, dat deze angstprikkel op zichzelf
verwerpelijk is. Wanneer ik bang ben, dan zoek ik niet te bereiken, ik zoek te ontkomen. En
wie zoekt te ontkomen, zoekt zeker niet de meest juiste weg op, de meest lichtende waarde.
Hij zoekt datgene op, wat hem naar zijn eigen inzicht het beste beschermt. De beste
bescherming vindt de doorsneemens bij waan, niet bij werkelijkheid. Bovendien zal wie streeft
door angst, in zijn streven zichzelf ongelukkig maken en anderen eveneens.
Dus vrienden, wij mogen hier nog aan toevoegen; Wat wij vrezen, moeten wij onder ogen zien
en nimmer trachten daaraan te ontkomen. Het gevreesde kan alleen overwonnen worden door
het te aanvaarden of het teniet te doen; nimmer door hulpmiddelen te gebruiken, die in een
verdere toekomst een oplossing zeggen te geven. Ik hoop dat ook dit punt duidelijk genoeg is.
We hebben dus ook eigenlijk een beetje aan psychologie gedaan. Maar deze psychologie is de
basis van de magie en van de esoterie. Een mens is niet in staat iets te bereiken, tenzij hij een
redelijk begrip heeft van zichzelf, en vooral een redelijk begrip heeft van zichzelf in zijn wereld.
Het is heel goed om daar een tweede wereld naast te stellen, wanneer je met je eigen wereld
op de juiste manier overweg kunt. Maar wanneer een tweede wereld een ontwijking wordt van
je werkelijkheid, dan kan ze nooit goed zijn.
Elke innerlijk stijgen, elk innerlijk bewust worden, betekent wel degelijk een uitbreiden van het
levensbereik. Er wordt een groter gedeelte van het leven ervaren. Denk niet dat esoterie ooit
isolatie betekent. Het is geen afzondering van de mensheid, het is een intenser deel hebben
aan de mensheid. Het is niet alleen leven in de sferen, maar het is: De krachten en de
werkingen van de sferen op aarde meer tot leven doen komen. En dat is heel iets anders.
Wanneer wij innerlijk verder gaan en wereld na wereld, sfeer na sfeer, voor ons wezen
betekenis krijgen, zijn wij geneigd om dat alles toch weer onder te brengen in een stelling, in
een theorie. Maar er is geen enkele theorie, die onze eigen innerlijke beleving volledig dekt.
Wij kunnen ten hoogste bestaande theorieën zo verwringen, dat ze althans enigszins in
overeenstemming zijn met ons wezen en beleven. Laten wij ons daarom niet binden aan
stellingen. Esoterische bewustwording wil zeggen; jezelf en de wereld beter ervaren, beter
beseffen, en - veel omvattender a. h.w. - beleven. Dat is alles, meer niet.
Hetzelfde vinden wij bij de magie. Wanneer een magisch woord wordt gesproken, dan wordt er
gewerkt met een vibratie die niet iedereen kent. Wanneer er gewerkt wordt met lichte en
geestelijke kracht, dan worden er spanningen opgewekt, die niet kunnen worden omschreven
met de gebruikelijke termen en meetbare waarden. Maar ze zijn er. Alles wat er voor u. in
deze zin bestaat, hoeft niet onderzocht te worden. De enige vraag is of het bruikbaar is.
Geloof mij wanneer ik u zeg, dat zowel esoterie als magie in hun meest omvattende vorm
practische wetenschappen behoorden te zijn. Waar dus de daad, de daadkracht, de
proefneming ontbreken, wordt weinig bereikt. Waar wij onszelf voortdurend meten a. h. w.
met de wereld, en gelijktijdig onszelf zien in de juiste verhouding tot de wereld, zullen wij
kennis opdoen van al hetgeen wij waarlijk kunnen.

EK 62 - 63 93
Orde der Verdraagzamen

De doorsneemens kan veel meer dan hij toegeeft, dan hij zichzelf toegeeft. De doorsneemens
kan veel meer verdragen dan hij aanneemt. De doorsneemens heeft veel minder nodig dan hij
pleegt te veronderstellen. Wanneer wij terugkomen tot de ware feiten, dan weten we wat we
kunnen. En dan mogen wij misschien niet precies weten waarom we het kunnen of hóe we het
kunnen, maar we kunnen het gebruiken, we kunnen ermee werken.
Ik geloof dat in deze dagen boven alles de sleutel des levens is gelegen in die ene simpele
regel; werk met elke kracht die je in jezelf beseft, zonder te vragen, waarom, hoe zij bestaat,
slechts vragende of ze resultaten geeft. Dat is wijsheid.
Iemand die leren moet op een terrein, waar geen enkel leerboek bestaat, dat alomvattend is,
kan dit alleen doen door proef na proef te nemen; door zijn eigen systeem te ontwerpen door
zijn eigen beleving tot stand te brengen. En dat systeem is dan geen systeem van theorieën,
maar alleen een nuchtere indeling van feiten: de werkelijkheid.
Indien u begrijpt wat dit betekent, kunt u misschien óók begrijpen, dat heel vaak het woord op
zichzelf waardeloos is. Een woord heeft alleen dan waarde, wanneer het past in een
werkelijkheid. Ook in de uwe. En uw werkelijkheid is niet zoals u misschien zoudt
veronderstellen dat wrat u denkt te zijn in de ogen van anderen, of dat wat u denkt te moeten
doen, of wat u zoudt willen doen.
Het is alleen wat u bent feitelijk. Punt.
Alles wat in de komende tijd aan leringen gebracht zal worden in deze groep, zal u
terugvoeren tot ditzelfde element, tot deze sleutels van menselijk leven. Menszijn wil zeggen;
experimenteren. D.w.z. net als een kind a.h.w. experimenteren met je eigen leven, met je
eigen mogelijkheden. Het onderzoeken wat je wel en wat je niet kunt doen, wat je wel en wat
je niet bent. Menszijn wil zeggen: de kinderjaren doormaken, waaraan een geestelijke
volwassenheid verder ontleend kan worden. Menszijn wil niet zeggen; volmaaktheid.
Volmaakte mensen op aarde bestaan niet. Menszijn wil juist zeggen; de onvolmaaktheid
gebruiken om te leren beseffen wat wel en wat niet past in jou; en verder niet.
De lering, die daarover wordt gegeven, krijgt dan ook over het algemeen een eigenaardig
karakter. Zij zal menigeen vaag voorkomen; vaag, omdat men niet de moed heeft zichzelf op
de proef te stellen. Zij zal menigeen zeer verstandig lijken; en toch zouden daarin misschien
althans in de interpretatie fouten kunnen schuilen, die alweer omdat men niet de proef op de
som neemt onontdekt blijven en daarom verkeerde waarden scheppen.
Alles wat ie wilt kun je volbrengen, mits je daarvoor geen tijdslimiet stelt en het leven
beschouwt als een eeuwigheid, die in vele opeenvolgende cycli van bestaan beleefd wordt. Wie
zich een tijdslimiet stelt voor een bereiking, zal over het algemeen weinig bereiken, tenzij
redelijk en aan de hand van de werkelijkheid deze tijd voldoende is tot bereiken.
Dus vaag, want het is niet iets van een dag of zelfs van een leven; maar er is een essentie in,
een denkwijze, die wel belangrijk is. Wanneer u naar sleutels zoekt. als een reeks
voorschriften, of een reeks korte wijsgerigheden, dan zult u er naast vallen. Men kan u sleutels
geven, maar wat heeft u aan een sleutel, wanneer er geen slot is, wanneer er althans geen
slot is waarop hij past? Elkeen moet voor zich zoeken naar zijn sleutel, naar zijn begrip, naar
zijn beleving. En hij moet die beleving niet zien als iets, wat buiten of boven de waarden van
het gewone leven staat. Hij moet haar zien als iets, dat er deel van uitmaakt en dat erin
bruikbaar is.
Een magische sleutel heeft soms een wat ander karakter. Hij is nl. gebaseerd op
grondwaarden, basiswaarden van het menselijk denken, het menselijk wezen. U zult begrijpen,
dat de menselijke psyche door alle tijden heen een reeks eigenschappen heeft, die ongeveer
gelijk blijft. Onveranderlijke waarden. Ze behoren nu eenmaal bij de stoffelijke opmaak van
het menselijk ras
Deze basiswaarden worden in de magie gehanteerd. Gehanteerd in verband met trilling en met
inkantaties, met symbolen, kortom met al wat erbij behoort. Wij zien dat deze zelfde
grondwaarden gehanteerd worden in kabbalistiek, in astrologie. Maar die grondwaarden
kunnen ook van mens tot mens verschillen.

94 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

We zouden dat verder kunnen uitleggen. We zouden kunnen gaan spreken over de
verschillende Heersers en Krachten, die bepalend zijn voor hetgeen men met deze essentiële
psychische waarden van het mensdom kan doen.
Niet iedereen heeft a.h.w, dezelfde vaardigheden of bekwaamheden. Maar ik kan nooit weten,
waar mijn bekwaamheid schuilt, wanneer ik ook hier niet probeer de proef te nemen. De
magie moet ik niet zien als iets, dat mij verwijdert van het dagelijks leven of dat bóven het
dagelijks leven staat. Zij is alleen werkelijk belangrijk en zij kan alleen wit-magisch zijn dus
voor ons bevorderend t.a.v. gelijk, van bewustzijn, van betekenis wanneer zij deel is van het
dagelijks leven.
Iemand die zich afzondert voor een magische procedure of een rite, zal daar ongetwijfeld wel
iets mee bereiken, maar hij heeft het buiten zijn leven gesteld. Eerst wanneer ditzelfde deel
uitmaakt van zijn leven, omdat de kracht voortdurend in dat leven gebruikt wordt en eventueel
ritueel, en wat dies meer zij, terugvalt tot een onopvallende invoeging in het dagelijks leven, is
men waarlijk magiër.
Men heeft wel eens gezegd, dat de grondwaarde van de magie zelfvertrouwen is. Ik geloof dat
dat niet helemaal waar is. Zelfvertrouwen hebben zeer veel mensen, die juist daardoor falen.
Ik zou zeggen; zelfbewustzijn. Want alleen de mens, die zich van zichzelf bewust is, heeft de
moed om krachten te gebruiken. Hij alleen kan de innerlijke zekerheid opbrengen voor het
nodige experiment. Hij alleen kan ook de objectiviteit behouden, waardoor hij zich niet buiten
de werkelijkheid een beeld van eigen krachten en mogelijkheden maakt, maar die hij door
voortdurende contrôle tot een weten, een besef in zichzelf doet groeien.
Ik heb deze sleutels van het menselijk leven aangeroerd, omdat u in de nabije toekomst in
contact zult komen met sprekers, wier wijze van betogen t.o.v. de onze misschien wat simpel,
wat erg eenvoudig is. U zult misschien de sfeer en de spanning ondergaan, u zult er misschien
een soort cultus omheen willen bouwen, maar u zult er weinig mee bereiken, tenzij u begrijpt
dat het hier weer gaat om diezelfde grondwaarde: datgene wat toegepast kan worden.
Mensen zullen zeggen; Ja, wat zij zeggen is wel allemaal mooi, maar wat moet ik ermee doen?
Bij u wordt een beeld gewekt door wat zij zeggen; zoals altijd, ook als ik spreek. Probeer na te
gaan of dat beeld in de werkelijkheid betekenis of zin heeft. Probeer na te gaan of u er iets
mee kunt doen. Niet of het mooi is, dat is niet belangrijk.
En dan wil ik u nog een laatste raad geven. Wanneer u de kernwaarde van het menszijn zoekt,
dan moet u wel begrijpen dat dit nooit een voleinde, een afgeronde waarde kan zijn. Menszijn
betekent; door je eigen onevenwichtigheden, die nu eens te ener zijde, dan te andere zijde
worden uitgebreid, langzaam maar zeker je eigen levensdebiet en vermogen vergroten.
Maak er dus geen zorgen over. Wanneer sommige dingen u wat onevenwichtig toelijken. Maak
u er alleen maar zorgen over. Wanneer u helemaal niets meer heeft, Wanneer u denkt dat u
het wel bereikt hebt. Elke bereiking is vanuit een menselijk standpunt een eenzijdige
ontwikkeling, die onmiddellijk moet worden gecompenseerd door een volgende. En wanneer je
iets bereikt, ben je gelukkig omdat je bereikt hebt. Maar je bent ook gelukkig, omdat er nog
meer bereikt kan worden.
Begrijp dat stilstand hetzij van denken, van gewoonten, van gedrag, van benadering van de
wereld, opvattingen omtrent jezelf, zelfs van geloof voor de mens dodelijk is. Dan worden zijn
menselijke waarden langzaam maar zeker verminderd. Hij wordt meer voorwerp, meer
massadier en minder levende mens.
Het is dus juist het erkennen van die onevenwichtigheid en het streven naar steeds weer een
nieuw evenwicht, zonder te verwachten dat we daarmee dus de volmaking, de voleinding nu
zullen bezitten, die in de komende tijd belangrijk zijn. Het is de kern van uw menselijk
bestaan. U slingert altijd. En op het ogenblik dat u niet meer slingert, dat u ergens vastgeroest
bent, dan dreigt u iets van uw waarlijk menszijn te verliezen.
Wanneer u, op deze manier de leringen van anderen, die zich als sprekers in deze groepen
naar ik aanneem in toenemende mate kenbaar zullen maken verwerken, dan zullen wij allen
geestelijk zowel als stoffelijk tot de conclusie moeten komen, dat steeds de vraag rijst; wat
kan ik er mee doen? En dan moeten we ook begrijpen, dat wat kan ik er mee doen, nooit
beantwoord kan worden in de zin van je ideaal, van je droom alleen.

EK 62 - 63 95
Orde der Verdraagzamen

De droom staat vaak ver van de feiten, van de werkelijkheid, begrijpt u? Het is alleen het
feitelijk bestaan, dat het antwoord kan geven. Daarom is het niet mogelijk om te zeggen, dat
een bepaalde lichtende Kracht ons zal helpen om door óns gestelde doeleinden zondor meer te
verwezenlijken. Er kan alleen worden gesteld, dat we er íéts mee kunnen verwezenlijken. Wat?
Dat zullen wij in de praktijk moeten nagaan.
Wanneer ik u op deze wijze heb voorbereid op de sleutelbegrippen speciaal van het menselijk
wezen, van het menszijn die in de toekomst zo vaak gehanteerd worden zo noem ik aan dat u
daarin voor uzelf niet allen maar wat moois of een innerlijke verheffing of een uitverkiezing
zult zoeken, maar dat u zich steeds weer zult afvragen: wat kan ik hiermee bereiken?
Het is beter een op zich onbelangrijk iets bij herhaling te bereiken dan eenmaal iets groots te
volbrengen en voortaan te falen. Ook dat moet u zich voor ogen stellen. Wie te ver grijpt,
heeft de mogelijkheid dat er een keer iets gebeurt, wat zelfs hij als een wonder beschouwt.
Maar in zijn zoeken naar de herhaling ervan zal hij elke kleinere mogelijkheid ververpen, en zo
een mislukkeling worden. Dat komt in het leven heel vaak voor, zovel op materieel als op
geestelijk terrein.
Zoek dus niet naar het grote. Zoek naar het kleine, dat herhaalbaar is. Zoek naar de trilling,
die beheerst kan worden. Zoek naar de Kracht, die altijd op een bepaalde wijze gebruikt kan
worden en altijd bepaalde al zijn het onbelangrijke effecten geeft. Vanuit de kleine feiten, die
kleine werkelijkheden, bouwt u dan op den duur een begrip op van uw waarlijk bestaan, uw
waarlijk innerlijk leven en uw werkelijk menszijn. Bedenk, dat wie de werkelijkheid erkent,
dicht bij God staat. Maar dat degeen, die in de waan zijn toevlucht zoekt, zich dichter bij het
duister dan bij het licht bevindt.
Ik hoop, vrienden, dat ik hiermee mijn betoog mag besluiten. Na de pauze zullen wij zoals ook
een vorige maal is gebeurd een gastspreker het woord geven. Ik neem aan dat die
gastsprekers steeds meer een geregelde verschijning worden; en onder omstandigheden kan
het noodzakelijk zijn, dat daarvoor de avond zelfs iets bekort wordt.
Wij zijn echter ervan overtuigd, dat juist deze gastsprekers u meer sleutels geven voor uw
eigen leven dan wij kunnen doen. En wij hopen daarom, dat u hen niet alleen wilt beleven,
ondergaan a.h.w. en desnoods later proberen te begrijpen, maar dat u vooral de vraag aan
uzelf zult stellen: wat is de praktische mogelijkheid, die ik voor mij hieruit heb geput?
Ik dank u, vrienden, voor uw aandacht.
o-o-o-o-o-o-o-o
Goedenavond vrienden.
De mensheid heeft in de laatste dagen meerdere bijzondere ervaringen doorgemaakt en het
spel van krachten op deze wereld is verstorend en verontrustend voor velen. Wij, die ons
vanuit wat u noemt de lichtende werelden tot deze aarde richten, zoeken naar een kracht en
een mogelijkheid om de mensheid te bevrijden van haar onrust, om haar tot een nieuwe
bewustwording te brengen.
Hierbij hebben wij lange tijd gezocht naar de juiste wegen en de juiste middelen. Nu echter is
er geen tijd meer om verder te zoeken en te denken, nu moeten er beslissingen worden
genomen en deze beslissingen, vrienden, staan in direct verband met de leer die wij willen
trachten deze wereld hernieuwd te brengen.
De kern van alle dingen is rust. Niet de rust van een absolute niet-zijnde wereld, maar de rust
van een aanvaarde wereld. Om een wereld te kunnen aanvaarden, moet je als mens in de
eerste plaats leren om jezelf te aanvaarden en om niet te rekenen met datgene, wat je voor
jezelf alleen begeert, maar om te zoeken naar de betekenis, die je kunt hebben voor anderen.

Een groot gedeelte van de spanning en de onrust, die uw wereld bedreigt, komt voort uit een
misverstaan van onderlinge aansprakelijkheid; onderlinge verantwoordelijkheid. Een bijna
even groot deel wordt veroorzaakt door een verkeerde neiging zichzelf steeds te stellen boven
anderen.
De leer die wij willen brengen is oud. Zij is zo oud dat zij reeds bestond voor de eerste orakels
op aarde spraken. Zij is nieuw, want zij is de kern van elke openbaring, van elke godsdienst

96 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

die ook in uw dagen bestaat. Het is het begrip van de werkelijke, de juiste naastenlief maar
ook het begrip van het luiste leven. Gij kunt nimmer het leven van een ander leven en het is
moeilijk en te weten wat voor een ander belangrijk en goed is. Maar ge kunt weten of ge aan
uw eigen aansprakelijkheden voldoet; en dit alleen is belangrijk, Wanneer ik een brug bouw,
dan vraag ik mij niet af wie over deze brug zal gaan. Ik bouw een brug. Wat wij in deze tijd is
een ware brug bouwen tussen het menselijk egoïsme en de ware harmonie die in de cosmos
regeert. Wij bouwen deze brug niet door zelfverloogening. Vele mensen menen dat je alleen de
Oneindige kunt dienen en de kracht van Eeuwige kunt wekken wanneer je jezelf verloochent.
Maar wie zichzelf ontkent, ontkent zijn God. Anderen menen dat je God alleen kunt wekken
door Hem te bevelen. Maar wie is de mens, dat hij zijn Schepper beveelt?
Wij moeten niet vragen in de zin van een eis te stellen. Wij moeten vragen; naar kracht voor
onszelf. Ik doe goed, omdat goed doen een deel van mijn wezen is, niet omdat dit goeddoen
anderen beter maakt. Ik leef in sfeer of wereld niet omdat anderen dit leven roemen of
verwerpen, maar omdat dit leven beantwoordt aan mijn persoonlijkheid.
Wanneer ik werkelijk leven kan volgens mijn eigen Wezen zonder te begeren, zo kan ik aan
alle wereld iets meedelen van mijn eigen bestaan. Dit eigen bestaan is altijd, mijne vrienden,
deel van de eeuwige. Wij zijn
met elkaar verbonden door de bron van ons leven. Wij zijn deel van één en dezelfde Kracht, en
ons bewustzijn zal moeten keren tot een en dezelfde grote gedachte. Dit te beseffen houdt in
dat men zijn naaste op de juiste wijze leert liefhebben, niet alleen als een die eist, beveelt,
vraagt, maar als een die anderen helpt, zoals het in hem gelegen is om te helpen. Een die niet
stelt: dit kost het mij, of dit kost het een ander, maar die slechts zegt; zo vind ik vrede, want
daardoor heeft mijn leven voor mij een doel.
Er zijn duizenden mogelijkheden en wegen, altijd weer, om te komen tot de waarheid. Er is
slechts één Weg, die wij allen gaan. Die weg is waarheid, die weg is het leven zelf, men heeft
wel gezegd, dat een mens of een leer de waarheid en het leven is. Maar is het leven dan niet
buiten deze leer, en is er geen waarheid, groter dan de beperkingen van menselijk begrip en
leerstelling? Ik zeg u, onze weg tot bewustwording is het leven. En uit het leven de waarheid.
De waarheid van ons bestaan.
Ik zeide u, wanneer ik een brug bouw, zo vraag ik mij niet wie erover gaat. Wanneer men in
het leven iets tot stand brengt, zo moet ge u niet afvragen voor wie, en zelfs niet waarom.
Wanneer u gezegd is te bouwen, zo bouw en weet, dat ge niet aansprakelijk bent voor hen, die
uw bouwwerk gebruiken, maar slechts voor de goede staat ervan.
Wanneer ge zoekt naar het heilige, zo zult ge vaak zoeken buiten de mens, buiten het leven.
Maar het heilige is de eerbied, die wij, hebben voor iets in onszelf. En dat iets is onze
afstamming van het onbekende, is de Vader in ons. Datgeen wat wij moeten eerbiedigen is
niet de materie, maar de zinrijkheid van ons bestaan. Het leven te vervullen betekent
allereerst het leven te aanvaarden VOOR Wat het is. Wie zijn leven baseert op wat hij bereikt,
leeft niet werkelijk. Wie zijn geld ziet als belangrijk in het leven, hij is dood en zijn geld leeft.
Wie de erkenning der mensen vergt en deze ziet als het belang van zijn leven, hij is dood. En
slechts het beeld dat hij in anderen schept, leeft. Maar wie zichzelf is en in zichzelf zoekt te
beantwoorden aan de krachten van het leven en aan den Vader, Die in hem leeft, die is
waarlijk een leven gegeven zonder einde.
De mens denkt vaak na over de dood. En hij zegt zichzelf; deze dood te overwinnen is het
belangrijkste in mijn bestaan. Maar wie zich bezighoudt met de dood, sterft reeds. Wanneer
men gaat door het duister dat de mens dood noemt, zo leeft men alleen uit de kracht, die men
dan erkent. Niet uit zichzelf, niet uit de vroegere waarden van het bestaan.
Dat wat gij erkent als eeuwig in, rond of boven uzelf, is voor u de weg die de dood doet
smelten die hem weg neemt en het duister van zijn wezen verdrijft door een nieuw licht. Vrees
de dood niet, noch voor uzelf, noch voor andoren. Voor de vrees zou men bevreesd kunnen
zijn, naar dit is dwaasheid. Waarom niet al aanvaarden zoals het is?
Het menselijk leven werd gegeven, opdat gij vreugde zoudt vinden en opdat gij bewustzijn
zoudt puren, opdat gij uw wezen telkenmale weer zoudt vervullen tot meerheid van licht, tot
meerheid van kracht, tot de veelheid van ervaringen een eenheid van bewustzijn vormt. En
daarom zeg ik u; wees niet bevreesd voor de dood. Want wie hem vreest, ziet in hem een

EK 62 - 63 97
Orde der Verdraagzamen

verschrikkelijke vijand. Maar wie hem niet vreest, tot die komt hij als een lichtende vriend, die
het leven doet voortgaan in andere en betere landen.
De mens vreest het lijden. Maar er is geen lijden dat de mens niet overwinnen kan. Hij die het
lijden niet vreest, hij bouwt zich zelfs uit de pijnen ja, uit de schijnbare ondergang en het
verval; nieuw licht en nieuwe waarden. Een herrijzenis, die een openbaring is van werkelijke
kracht. Wie pijnen vreest echter, hij gaat ten onder zelfs aan de verwachtingen daarvan.
Daarom, vreest niet bevreesd voor pijn, voor lijden, voor verandering. Aanvaard deze dingen,
wetend dat ge sterker zijt dan al deze dingen, zolang gij in uzelf slechts zoekt naar de vreugde
van bestaan, de innerlijke verlichting, die aan uw leven schoonheid geeft.
Mensen vrezen vaak mensen. Of zij veroordelen mensen en zij verlaten mensen. En soms
binden mensen zich aan mensen alsof er niets anders ware in het leven dan dit ene. Ik zeg u
echter; bind u niet aan mensen, en vrees niet de mensen. Gij, die uzelf zijt, gij die de kracht
leeft, die uw leven is, gij zijt voor alle mensen belangrijk, omdat gij mens zijt. En deze mensen
kunnen u niets aandoen, wat ge niet kunt overwinnen. En bind u niet aan mensen, want gij
behoort tot de mensheid en niet slechts tot de enkelingen van de kleine groep.
Mensen zoeken zekerheid en hij, die zekerheid zoekt wordt achtervolgd door de onzekerheid,
omdat hij steeds vreest te verliezen. De enige zekerheid die ge hebt is deze; Uit de Kracht, Die
u geschapen heeft, zult ge leiden. Verder is er voor u geen zekerheid. Streef daarom niet naar
een zekerheid maar leef. Want het leven is de waarde waaruit ge de Vader leert kennen.
Gij allen kent de wet. De Wet die is gesteld in de geboden, die wet die is verkondigd door
profeten en zieners, de wet die is neergeschreven bij vele volkeren en in vele tijden. Bedenk,
deze wet is de wet van de mens, die zijn God ontmoet. Maar het is God, Die de wet is. Niet het
woord. Niet het woord, niet het geschreven, niet het gesproken woord, dat wet heet.
Erken in uzelf dat er één Wet is boven alle. De Kracht, Die in u leeft het teven dat in u bestaat,
de Werkelijkheid waaruit gij voortgaat. Dit is de Wet. En deze wet slechts kan uitdrukken de
wáre eenheid, de ware harmonie. Daarom zeg ik u, zo men u de wet noemt, zeg: mijn wet is
de Vader, Die in mij leeft, want dit is de enig vare wet.
En zo in uw leven de Kracht in u zegt te gaan, vraag niet naar de wet, want de Kracht in u is
de wet.
Gij meent tekort te schieten tegenover anderen. Gij schiet slechts tekort tegenover anderen,
wanneer ge méér wilt zijn dan anderen. Dit is onmogelijk en uit al, wat ge hieruit schept, doet
ge anderen onrecht. Maar zo gij anderen ziet zoals gij uzelf ziet, en gij uw leven weerkaatst
ziet in het leven van anderen, zo zult gij anderen geen onrecht doen en ge zult geen
verplichting die in de cosmos bestaat, verwaarlozen.
Er wordt wel gezegd bij mensen, dat God zo moeilijk te benaderen is. Dat het Licht zo moeilijk
te ervaren is. Maar ik zeg u; Wanneer ge God wilt zien als een mens en het Licht wilt zien als
een vlam of een zon, zo zult ge deze nooit erkennen en zijn ze waarlijk ver van u. Maar zo ge
beseft dat is, dat het Licht leven is, zo zijn ze met u altijd en zonder verpozen. Zo zijn ze u
Kracht ten allen tijde. Zo zijn ze u wijsheid, die uw wezen verder doet gaan, verder langs de
weg die de uwe is.
Men zal tot u spreken; dit is uit het duister geboren en dat uit het licht. Maar indien gij niet
zien kunt, hoe weet gij dat men waarheid spreekt? En zo gij zien kunt, waarom hoort gij op de
woorden van anderen? Gij zijt mens en menszijn wil zeggen; zoon des licht, bezield door de
adem des levens, gevormd uit materie.
Gij als mens moet leren luisteren in uzelf. Gij, mens, moet leren leven met uzelf. Dan zal er
geen verschil zijn tussen licht en duister. Dan zult gij zijn: deel van het leven en niet een die
worstelt tegen het leven.
Zo zeg ik u; hoor in uzelf en waar uw wezen en uw kracht u zeggen; dit is licht, zoek dit licht.
En waar uw wezen u zegt: dit is duister, zo zeg; hiervan houd ik mij verre.
De gemeenschap der mensen is gebouwd uit menselijk leven, niet uit menselijk Weten. Het
weten is de vorm die gij aan het leven tracht op te leggen, maar is niet het leven zelf. Daarom
zeg ik u; groter is de kracht en de kennis, die in u is gelegd dan alle weten van de wereld.
Grotere wijsheid en waarheid werd u gegeven in uw ontstaan dan in alle Weten der mensheid
tot uitdrukking komt. Leef dan de Wijsheid in u niet het weten buiten u.

98 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

De mens meent steeds, dat van buitenaf krachten moeten ingrijpen en werken. Maar ik zeg u,
er is geen bron van Kracht buiten Die, Welke wij God noemen. Een deel van het Goddelijke
leeft in u; zo gij dit beseft is alle macht de uWE, zolang uw weg beantwoordt aan de wijsheid
en de wet van de God in u, en zonder Hem zijt gij machteloos,
De mens zegt, dat het zo moeilijk is om te leven volgens de leer die hem gegeven wordt. Maar
waarlijk, wie een goudstuk wegwerpt uit angst dat zijn beurs bezwijkt, is een dwaas.
De mens verwerpt vaak de waarden van het leven en de krachten van het leven, omdat hij
vreest zijn huidige bereiking en illusie te verliezen.
Ik zeg u echter; Al wat ge nu zijt en bezit zult ge verliezen. Doch dat wat gij leeft zult gij
behouden, ten eeuwige dage.
Er wordt gezegd dat de mens het Licht kennen zal, de inwijding vinden zal, indien hij bepaalde
paden gaat, bepaalde regels volgt. Ik zeg u echter: de inwijding is in uw wezen en wie de
waarheid in zich erkent, erkent alle dingen. En daarom is de wet der inwijding; leef uzelf. Heb
de wereld lief, heb uw Schepper lief, erken de wet, die in u bestaat en gebruik de Kracht, Die u
gegeven wordt.
Gij die hoort naar deze woorden, zult zo dadelijk heengaan; en wat van die woorden zal met u
blijven? Voorwaar ik zeg u; Geen woord kan u redden, bijstaan of helpen, maar wat gij maakt
uit het woord in uzelf, kan uw behoud en uw zekerheid zijn, Uw kracht van licht, uw innerlijke
sterkte, uw leven zonder einde.
Gij aarzelt steeds weer, maar ge beseft uw eigen aarzelingen niet. Gij vraagt u af, wat waar is.
Zo uw wezen u niet zegt; dit is waar, zo heeft het voor u geen betekenis. Maar waar uw wezen
u zegt; dit is waarheid, daar zult gij het leven, en niet slechts met woorden aanvaarden.
Bedrieg uzelf niet door woorden te spreken, die niet zijn daden. Want in den beginne was het
woord, maar het woord was de scheppende daad. En in den beginne was het licht, maar het
licht was de wil die tot uiting kwam.
Gij, erfgenamen van het scheppend vermogen, de kracht waaruit gij voorkwaamt, gij zult
scheppen. Maar niet wanneer gij steeds aarzelt, terwijl uw wezen zegt; dit is mijn weg of mijn
taak.
De westerse mens heeft zich het kruis als symbool verkozen. Een symbool van lijden en dood.
En ziet, hij heeft het leven gedood, in zijn aanbidding. Want het is niet het kruis dat regeert,
maar het is het licht van de herrijzenis, het is de leer die door het Wonder bewezen werd.
Deze dingen leven, het kruis is dood.
Zo zeg ik u; aanbid geen symbolen. En noem niet God, wat gij niet kent. Maar leef de kracht,
die gij zijt, opdat de Waarheid van uw wezen u de weg van het leven tone, u de poorten opene
van het begrip.
En ten laatste, mijn vrienden; gij die wilt toehoren naar de lering, die ik u geef, bedenk één
ding: Het is beter u vrienden te maken uit het onrecht, dan vijanden uit uw rechtvaardigheid.
Het is beter te voeden wat leven geeft, dan een os die dorst de muil te binden. Het is beter
een licht te kennen dat waar is voor jou, dat leeft en voortdurend een bron van sterkte is, dan
in uw dromen ten onder te gaan.
Gij zijt mensen. De stof is geen vijand, maar zij is geen werkelijk deel van uwr eeuwig
bestaan. Maakt u vrienden uit de stof. Gij zijt mensen en hebt krachten en ideeën, die mensen
eigen zijn. Maar wanneer gij gaat door het dal der schaduwen, zo laat ge dit achter. Maak u
vrienden uit uw kennis, maak u vrienden uit uw weten en uw gaven.
Maak u vrienden. en zeg niet; dit is onrechtvaardig. Want voorwaar, de mens, die uit wat men
onrecht noemt zich vrienden maakt, hij bouwt zich het leven.
Maar wie uit rechtvaardigheid anderen doodt of één gedachte of hoop in hem. doodt, hij
verliest alle dingen.
De Wet is: de liefde tot de Schepper, Die ons voortbrengt.
De Wet is; de kracht van de Schepper, Die door ons spreekt.

EK 62 - 63 99
Orde der Verdraagzamen

Het leven is de eeuwigheid, die wij uiten in het kort ogenblik van bewust bestaan. Daarom;
heb het leven lief. Heb alles lief wat u gegeven wordt aan zorgen en aan bezit, zonder het ooit
te zien als deel van uw wezen, maar wetende; dit is het middel mij gegeven ter bereiking,
Meer heb ik u voor heden niet te zeggen. Dat de Kracht, Die in u leeft, tot u moge spreken,
opdat de waarheid, die in u verscholen is, u geopenbaard worde. Vrede zij met u.

Nummer 9
Esoterische kring.
13 mei 1963.
Mag ik allereerst beginnen met op te merken, dat wij deze avond afwijken van het normale
programma. Wij krijgen vanavond twee gastsprekers en daarvoor heb ik een ogenblik de tijd
ook nog iets te zeggen.
Ik zou graag willen ingaan op de magische achtergronden van de mens. Elke mens leeft in het
totaal der bestaande dimensies; hij leeft verder in het totaal der bestaande krachten en maakt
van al deze krachten gelijkelijk deel uit. Hij heeft dus toegang tot alle werelden en kan vanuit
alle werelden werken. De enige belemmering is zijn bewustzijn. Het bewustzijn van de mens is
gebaseerd op zijn eigen wereld d.w.z. driedimensionaal met enkele andere verschijnselen.
Zodra hij komt tot een voorstelling, die ergens met de werkelijkheid harmonieert, zal hij echter
door deze voorstelling - die voor hen dus geen directe werkelijkheid behoeft te zijn - toegang
kunnen krijgen tot het gebied, waarmee hij harmonisch is, en die krachten die behoren tot dit
gebied.
Het zal u duidelijk zijn dat de mens dus, naarmate zijn eigen aanvoelen van de werkelijkheid
groter wordt, gaat beschikken over grotere krachten en grotere wijsheid, maar het daarnaast
steeds moeilijker wordt zijn innerlijke waarden uit te drukken in de wereld, waarin hij leeft.
De magie, waar de mens zich mee bezighoudt, is altijd een herscheppen op aarde (aangepast
aan de daar heersende condities) van datgene wat in andere sferen als normaal bestaat. Hij
bereikt n.l. door stoffelijke en materiele handelingen een reeks van harmonieën die vaak
gebaseerd op oerwaarden of instinctieve waarden, worden overgedragen naar het stoffelijke,
hem zo de beschikking gevend (al is dit niet langs een redelijke weg) over het totaal der
krachten van de harmonische gebieden, die hij beroerd heeft.
Als men dit begrijpt, komen wij voor de moeilijkheid te staan dat de mens zijn eigen
achtergronden nooit begrijpt. Hij heeft zijn begripsvermogen beperkt tot het stoffelijke en
hierin kan hij de voorstelling niet vinden van de gebieden, waartoe hij in wezen behoort.
Resultaat: hij zal moeten werken met het onbekende. Dit onbekende is een overheersende
factor zowel in de esoterie als in de magie, en zo ligt op de achtergrond van beide de mystiek,
z.g. de bewuste erkenning van het niet-kenbare.
Hieruit moeten wij dan conclusie trekken die practisch bruikbaar zijn. In deze dagen zal elke
mens die zich gebonden acht aan zijn wereld en de daar steeds groter wordende reeks van
regels, wetten, voorschriften en bepalingen zich overeenkomstig meer afzonderen van andere
werelden, tenzij hij beseft dat zijn eigen wereld nimmer een ontkenning of een bevestiging kan
zijn van een andere wereld. Zijn eigen wereld kan slechts voor hem de bevestiging zijn van
een andere wereld, zo de resultaten van de krachten in die andere wereld in zijn eigen wereld
kenbaar worden. Hebben wij dit eenmaal gesteld, dan vloeit hieruit voort dat alle leringen, die
worden gegeven en waarin een magische inslag verwerkt is, leringen zijn, die zich moeten
baseren op de mens. Want in de mens zelf is een onredelijk element waardoor hij antwoordt
op dingen, die eigenlijk niet eens gezegd kunnen worden, maar die in de lering meeklinken.
Zo kan hij een groter besef krijgen van zichzelf. Het is echter niet mogelijk als mens een
volledig besef te verwerven van hetzij God, hetzij een hogere sfeer. Het is slechts mogelijk
deze sfeer of deze God aan te voelen, zonder haar verder te kunnen definiëren. Het resultaat
is dat de mens vanuit zichzelf wel krachten kan gebruiken, maar de geaardheid van deze
krachten nooit volledig kan omschrijven. Dientengevolge is het niet juist wanneer een mens
oordeelt over de krachten waarmee hij werkt, hij kan slechts oordelen over de harmonie,
waaruit hij deze krachten naar voren ziet treden,

100 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Het wordt voor ons dus moeilijk om als mens te spreken over wit en zwart in de magie.
Evenmin kunnen wij spreken over een lichtend en minder lichtend pad in de esoterie. Wij
kunnen de waarde niet bepalen, waar deze waarde voor ons onbepaalbaar is, blijft er slechts
één ding over dat werkelijk belangrijk is: Wat is de voor ons harmonische weg?
De voor ons harmonische weg moet beantwoorden aan ons wezen. Het moet verder
beantwoorden aan ons denken; en het moet ten laatste beantwoorden aan onze stoffelijke
kennis en behoefte. Eerst wanneer deze alle tezamen vloeien tot een geheel, zullen wij
toegang krijgen tot de hogere gebieden van weten, zullen wij gebruik kunnen maken van de
hogere machten. Dit is dus het eerste punt. Maar de mens heeft voor zijn magie een hele
reeks achtergronden dia hij zelden beseft.
In de eerste plaats: Elke mens grijpt bij gebrek aan het redelijke naar de magie. Of hij dit nu
doet met een eedsformule of dit doet met een bezwering of met een kleine bijgelovigheid, is
van geen belang. Hij grijpt naar de bovennatuur om daardoor het onbegrijpelijk natuurlijke
verklaarbaar te maken. Hij zal evenzeer grijpen naar het bovennatuurlijke, althans
buitennatuurlijke, om daardoor resultaten te verkrijgen die hij op geen enkel andere manier
meent te kunnen verwerkelijken. Er bestaat hierbij een groot gevaar. Wanneer een mens op
een gegeven ogenblik b.v. een illusie heeft en deze illusie is gebaseerd op zijn idee van niet-
aanvaard zijn in de wereld, zijn idee van in de wereld van geen belang te zijn, dan zal hij
zoeken naar een waanvoorstelling die hem deze belangrijkheid geeft.
Op het ogenblik dat die belangrijkheid bedreigd wordt, grijpt hij naar de magie. Op het
ogenblik dat de magie faalt, is hij niet meer rationeel en handelt hij volledig instinctief en
meestal destructief. Wij kunnen dus niet zonder meer zeggen; Grijpt u maar naar de
onbekende krachten en naar de magie, want dan zult u juist bereiken. De mens heeft
instinctief de behoefte om naar het bovennatuurlijke te grijpen. En aan deze instinctieve
behoefte moet hij tot op zekere hoogte tegemoet komen. Maar hij kan ze nooit gebruiken om
zichzelf te rechtvaardigen. Op het ogenblik dat hij dit doet, zal hij een verwijdering scheppen
tussen werkelijkheid en ik, waaruit dus de door mij geschetste gevolgen kunnen voortkomen.
Een mens die magisch streeft moet uitgaan van de volgende stelling;
1. Ik mag en kan magie nimmer gebruiken om mijn eigen status in de wereld te wijzigen. Ik
kan slechts via de magie resultaten buiten mij veroorzaken en aan de hand van deze
resultaten kan misschien mijn eigen situatie in de wereld gewijzigd worden. Ik zal nimmer iets
kunnen zeggen, zien en doen, voor mijzelf. Op het ogenblik dat ik dit probeer, verwijder ik mij
van de werkelijkheid en ontstaat in mij een toestand, die zeker vanuit het stoffelijk standpunt
gezien, ziekelijk is. Ontkomen hieraan is noodzakelijk. Daarom het richten van alle krachten
buiten het “IK”.
2. Het richten van deze krachten op zodanige wijze dat althans enige malen resultaten kunnen
worden afgelezen. Wanneer u werkt met magische kracht, met gedachtenkracht, met alle
voorstelbare uitstralingen, trillingen en krachten, dan zult u daarbij steeds moet en stellen; zij
moeten een resultaat geven in de werkelijkheid. Men moet elke handeling in de wereld
associëren met een verwerkelijking, die buiten het “IK” ligt. Op deze wijze zal men kunnen
constateren in hoeverre eigen wezen en eigen handelen inderdaad schijnbaar bovennatuurlijke
effecten kan veroorzaken.
Dan zal men aan de hand van deze effecten plus eigen handelingen weten, welke riten, welke
symbolen, welke krachten voor het “IK” de meest belangrijke zijn.
Wanneer de mens zoekt naar bijzondere bekwaamheden, zoekt hij dikwijls niet naar datgene
wat aan zijn wezen inhaerent is, maar naar datgene wat hij in anderen heeft erkend en voor
zich zou begeren. Niemand kan datgene wat een ander bezit voor zichzelf verwerven, tenzij
het in hem reeds aanwezig is. Wat wij zijn en doen is zowel esoterisch als magisch beperkt
door datgene wat wij - althans potentieel – zijn. Ik kan niets worden wat ik niet ben. Ik kan
slechts datgene ontwikkelen wat in mij leeft. Daarom zal ik nooit uitgrijpen naar de gaven die
een ander heeft, ik zal nooit uitgrijpen naar gaven die voor mij nu niet bereikbaar zijn, maar ik
zal steeds trachten de gaven, die ik bezit, zo goed en volledig mogelijk te gebruiken.
Ook blijkt het dat de mens instinctief het bovennatuurlijke betrekt in zijn leven en wel méér
naarmate zijn redelijke vermogens minder in staat zijn de problemen op te lessen. D. w. z. het
grijpen naar het bovennatuurlijke geeft dan een deficientie in eigen vermogen. Gaat men op

EK 62 - 63 101
Orde der Verdraagzamen

deze wijze te werk, dan zal men slechts eigen onwaardigheid erkennen en daardoor niet in
staat zijn de gewenste resultaten beheerst tot stand te brengen. Wij moeten dus voor er
sprake is van een deficientieverschijnsel, in eigen wezen reeds overgaan tot het gebruik van
deze krachten, opdat wij ze kunnen leren beheersen en het ogenblik van onvermogen zo ver
mogelijk verschoven kan worden of zelfs geheel geëlimineerd. Een verschuiven van het
element van onmacht in het eigen “IK” kan gebaseerd worden op het volgende; Naast het
redelijke moet het onredelijke gehanteerd worden. Wanneer het onredelijke voor mij redelijk
niet-verklaarbare resultaten brengt, die ik echter in een redelijk patroon kan inpassen, kan
mijn redelijk vermogen door het onredelijke worden vergroot. Op het ogenblik echter dat ik
het onredelijke niet in verband kan brengen met het redelijke, zijn dit zodanig gescheiden
waarden dat ze voor mij geen enkel nut hebben. Ik moet mijn innerlijke wereld, bestaande uit
het redelijke en het niet-redelijke, zodanig samenvoegen dat er een geheel bestaat, dat voor
de mens vanuit het redelijke bestuurbaar is, ook wanneer geen redelijke verklaring voor het
geheel mogelijk is.
Nu zullen wij in de komende tijd steeds meer merken dat er een beroep wordt gedaan op deze
verborgen waarden in de mens. Voor ieder mens zal dat enigszins anders liggen, omdat ieder
mens een zekere voorgeschiedenis heeft. De een hoort misschien in Egypte thuis, de andere in
India en weer een ander in een ver Atlantis. De voorgeschiedenis is voor een groot deel
bepalend voor de eigenschappen, die de eigen geest bezit. Die eigenschappen van de geest
zijn weer medebepalend geweest voor de vorm van incarnatie die werd gekozen en het
moment van incarnatie, zodat het gehele wezen in hoofdzaak is afgestemd op die invloeden,
die het verst hebben doorgewerkt in het bewustwordingsproces van het ego. Hiervan
uitgaande zal het ego plus de eigen tendenties worden aangesproken door alle krachten, die
voor het “IK” een vergroting van magische bereiking, een vergroting van esoterisch inzicht
kunnen betekenen. Zij wekken een zekere weerklank in de mens en dit betekent een versnelde
bewustwording, een vergroting van potentie, een vergroting ook van werkelijke kracht.
De meesters die op het ogenblik werkzaam zijn, hebben niet alleen ten doel u meer geestelijk
bewust te maken. Voor het geestelijk bewustzijn hebt u de eeuwigheid en die eeuwigheid is
ongetwijfeld lang genoeg om elk van u tenslotte tot het licht te doen komen. Maar wanneer er
een wereld is, waarin een snelle ontwikkeling tijdelijk mogelijk is, dan is het zeer belangrijk dat
er mensen zijn, die een antwoord kunnen geven op de krachten die dan regeren en a.h.w.
kunnen worden tot magiërs. De magiër in dit geval is dus niet de tegenstelling tot de
esotericus maar hij is a.h.w. diens complement. Een mens kan dus gelijktijdig esoterisch
bewust worden en toch magisch streven.
In vele gevallen betekent zelfs een esoterische bewustwording onvermijdelijk het grijpen naar
de magie, naar de ongekende krachten en wetten om daardoor niet eigen bewustzijn aan
anderen op te leggen, maar rond het “IK” een toestand te scheppen, waardoor die
bewustwording bevorderd wordt. Bedenk dat bij alles wat deze meesters ons leren, moet
worden uitgegaan van het “IK” en nergens anders van. Er zijn veel mensen die denken dat de
magie iets is waardoor je werkt buiten jezelf. Dat is niet waar. Je werkt vanuit jezelf. Want het
is je innerlijk wezen dat bepaalt welke energieën worden opgewekt, de wijze waar op ze
worden gericht, de resultaten die ermee bereikt worden.
En nu u dit (bij herhaling) hebt gehoord, kunt u de conclusie trekken dat het dus niet mogelijk
is om magisch te werken in deze tijd zonder gelijktijdig esoterisch bewust te worden. Maar, dat
omgekeerd een waar esoterisch bewustzijn niet mogelijk is, zonder dat men gelijktijdig al zijn
krachten gebruikt om in de wereld een toestand van vrede en rust te doen ontstaan.
Let wel, wij kunnen nooit een evolutie bevorderen, ook al zouden wij dit willen, want wij zijn
niet gerechtigd en niet in staat om het werkelijke “IK” van anderen te wijzigen. Wij kunnen in
hun wezen niet ingrijpen. Wij
kunnen er slechts voor zorgen dat datgene, wat zij tot uiting brengen, in een zo groot
mogelijke harmonie tot uiting komt. Het is dus als magiër niet onze taak om te zorgen voor
een nieuw paradijs, maar om te zorgen voor een evenwicht, waarbij elk mens de kans krijgt
eigen wegen te gaan en zo eigen ontwikkeling kan vervolgen. Dit is een zwaardere taak dan
het eenvoudig vernieuwen van de wereld. En het is waarschijnlijk juist hierdoor dat de
meesters de nadruk leggen op een persoonlijk element, op een magisch element.
In deze cursus, in deze groep, zult u dus zien dat de meesters proberen veel met u te
bereiken. Ik wil niet pessimistisch zijn en zeggen dat ik persoonlijk verwacht, dat dit slechts
102 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

voor klein percentage zal gelden, want tenslotte mag ik niet oordelen over u en uw
mogelijkheden. U hebt uw grondslagen, u hebt een geloof, u hebt behoefte om het
bovennatuurlijke in te schakelen. U hebt een behoefte om te leven met meer dan uw eigen
wereld alleen. Waarom zou u daarbij blijven stilstaan? Waarom zou u die andere wereld, als
buiten u liggend, de taak opdragen het leven voor u in orde te maken? Waarom zou u
verwachten dat anderen het voor u regelen? Waarom zou u vervrachten dat u de enige bent,
die het juist kan regelen? Integendeel. U moet uitgaan van het standpunt, dat u natuurlijk in
de eerste plaats verantwoordelijk bent voor uzelf. Daar waar u niet harmonisch kunt zijn, daar
past u niet. Maar waar u in harmonie kunt werken en leven en iets voor anderen kunt
bereiken, daar zult u niet streven naar vernieuwing, naar verandering. U zult moeten. streven
om uit uzelf de harmonie te scheppen, waarin ánderen zich kunnen uiten. En U zult er ook
naar moeten streven om op uw wijze te komen tot de voor u passend riten, praktijken en
leringen.
Hetgeen de meesters geven is een algemene richtlijn; het wijst op magische kracht en (en
magisch vermogen); het is een beroep op deze oerinstincten in de mens. Maar zij kunnen u
niet leiden, zij kunnen u hoogstens voorgaan. In de magie is deze waarheid er altijd geweest;
Je kunt een kracht aan een ander overdragen, maar je kunt niet bepalen wat hij ermee doet.
Je kunt een ander inwijden in magische geheimen, maar je kunt niet bepalen hoe hij ze
gebruiken zal.
Dit betekent dat je een verantwoordelijkheid moet nemen, en wel een verantwoordelijkheid
voor dat, dat je niet kunt overzien. Zo kun je nooit aansprakelijk zijn t.a.v. anderen, maar
alleen t.a.v. jezelf. Want wat voor jouzelf zo bewust en verantwoord geschiedt, is juist.
Verder blijkt dan dat de doorsneemens niet geneigd is om zijn vermogens op de proef te
stellen. Men zegt eenvoudig; ik leef teveel in de stof, al die magie en esoterie gaan mij niets
aan. Of men zegt; ik vind het allemaal heel mooi en innerlijk zal ik het verwerken, maar de
wereld stelt nu eenmaal andere eisen. Of men zegt; ik vind het heel mooi en gaat dan over tot
de orde van de dag, zonder er verder over na te denken.
Wanneer deze meesters komen, dan doen ze een beroep op een basiswaarde in u. Op uw
behoefte om magisch te werken, uw behoefte om het bovennatuurlijke element in uw leven
belangrijker te maken. Zij geven u ook de mogelijkheid dit te doen, maar het moet van uzelf
uitgaan. U bent de bepalende factor. Niemand kan het initiatief nemen buiten u. Niemand kan
iets tot stand brengen behalve uzelf voor zover het uw eigen streven en werken betreft.
Het enige dat u moet doen is zoeken naar het antwoord in de wereld, naar een antwoord dat
voor u past, een werkwijze die voor u past, naar iets dat de voor u begeerlijke resultaten tot
stand brengt. Iets dat u de kracht en de mogelijkheid geeft te volbrengen wat u doen wilt. Of
dat voor anderen is, voor het algemeen belang of voor bijzondere personen, doet niet ter zake,
Ik heb niet veel tijd meer. Ik zou alleen nog dit willen zeggen; Ieder reageert op zijn eigen
manier; wanneer u in contact komt met een magische kracht, dan moet u niet denken dat die
kracht u domineert, tenzij die kracht zwartmagisch is. Zij kan u dragen wanneer u ermee
harmonisch bent. Wanneer ze u niet beroert, gaat ze aan u voorbij. Er zijn op het ogenblik veel
verschillende krachten en mogelijkheden, elk met eigen inhoud en lering. Enkele daarvan zult
u ook vanavond ontmoeten en wanneer wij de toekomst juist inzien, dan zal het voor deze
groep in toenemende mate, vooral in het volgende verenigingsjaar, hoofdzakelijk een kwestie
worden van lessen die de meesters willen geven. Maar uzelf moet selecteren. Onderga die
meester als u kunt, maar trek er de eigen gevolgtrekkingen uit. Zoek voor uzelf de manier
waarop u moet leven. Aan de hand van hetgeen u geopenbaard wordt. Ik geef thans het woord
aan de eerste spreker.
o-o-o-o-o-o-o-o-o
Ik groet u vrienden.
Alle leven is het gaan op een pad naar het einddoel. Alle leven is daarom zinrijk. Er is niets wat
zinloos is, maar wij moeten voor onszelf de zin der dingen erkennen. Wij hebben vele
mogelijkheden, maar wij kunnen slechts weinige van die mogelijkheden omzetten in
werkelijkheid. Soms zijn wij geneigd om het lot te laten beslissen; maar de bewuste zoekt voor
zich naar het ogenblik, dat hij bepalen kan welke keuze hij maakt. Want alleen hij, die weet

EK 62 - 63 103
Orde der Verdraagzamen

wat hij wenst, die beseft dat hij kiest uit de mogelijkheden, zal de werkelijke vruchten van zijn
leven plukken.
Een ieder zijn bepaalde krachten ingeschapen. Zo weet elke mens dat er een recht en een
rechtvaardigheid moet bestaan. Maar de rechtvaardigheid der mensen is niet de
rechtvaardigheid der eeuwigheid. Wij kunnen dus slechts trachten rechtvaardig te zijn volgens
ons eigen beste weten. Die rechtvaardigheid houdt in dat wij ons soms zullen vergissen, want
geen mens en geen geest kent het totaal der dingen. Maar wanneer ik gehandeld heb naar
mijn beste weten, heb ik voor mijzelf een schrede voorwaarts gedaan in de bewuste beleving
van de Eeuwige.
Zo is er een weg der goedheid. Wanneer ik goed ben omdat mij dat op dit ogenblik past, dan
laat ik mij leiden door omstandigheden. Wanneer ik goed ben tegenover een mens, tegenover
een levend wezen, omdat ik meen goed te zijn en bewust mij dit als doel stel, dan beantwoord
ik aan de eeuwigheid en dan zal mijn bewust doen van het goede voor mij een schrede
voorwaarts betekenen, zelfs wanneer de gevolgen van mijn goedheid, buiten mijn beheersing
vallende, niet in overeenstemming zijn met mijn verwachtingen.
Het zijn niet de verwachtingen van de mens die tenslotte bepalen wat hij is en wat hij zal
worden. Het zijn zijn daden, het is zijn werkelijkheid. Nu is de mens die op de wereld leeft deel
van de natuur. D.w.z. dat alle wetten die in de natuur gelden voor hem gelden en dat hij zich
daaraan niet kan onttrekken. Dan zal men ook moeten erkennen dat rechtvaardigheid. En
goedheid altijd kunnen worden afgeleid uit de natuur. Wanneer het zwakke sterft dan is dit
misschien wreed in de ogen van de mens. Maar wanneer het voortvloeit uit de eeuwigheid is
het rechtvaardig. Want dat wat incarneert in het zwakke, deed een verkeerde keuze en door
dit te beseffen zal het een volgende maal juister en verantwoorder kunnen incarneren.
Wanneer wij goed zijn en die goedheid wordt onjuist beantwoord, dan is onze goedheid altijd
voor ons waardevol, zolang wij daarbij niet alleen gehandeld hebben vanuit een beeld dat in
ons bestaat, maar tevens volgens de vetten die in de natuur bestaan. Ik zal dan immers
kunnen beantwoorden aan mijn eigen wezen zonder daarom de eeuwigheid te verloochenen.
En beantwoordt men de goedheid die ik geef verkeerd, dan is dit niet mijn schuld, maar is het
een oorzaak voor een verdere bewustwording voor een ander, die immers dit alles zal moeten
ondergaan.
Dan is er het pad der onthechting, daar is onthecht-zijn. Maar in de zin die mensen eraan
hechten, natuurlijk? Is de onthechting der natuur niet eerder een aanvaarding dan een
verwerping? Wanneer gij u onthecht van alle dingen en gij verloochent daarmee uw eigen
natuurlijk bestaan en wezen, zo vervreemdt ge u van de kracht waaruit ge zijt voortgekomen
en ge zult moeten terugkeren om die kracht hernieuwd te beleven. Maar zo gij handelt vanuit
uw wezen zoals dit leeft in de natuur, zo zal uw onthechting zijn een aanvaarden zonder
erkennen van bezit of bezitsrechten. Dan zal het zijn een verdedigen van datgene wat het uwe
is, zonder daarom uw recht te baseren op iets anders dan uw eigen krachten en vermogens.
Zo is onthechting goed; want onthechting is geen laf ontgaan aan het leven, maar het is een
besef dat men met de omstandigheden van het leven rekenende, slechts dit heden mag leven
en nooit dit heden mag continueren reeds nu voor komende tijden.
Wanneer ge zoekt naar vrede, zo kunt ge alleen vrede vinden wanneer ge tevreden zijt. D.w.z.
wanneer ge uw leven aanvaardt zonder verzet.
Vrede kennen en tegelijk ontevreden zijn is een onmogelijkheid. Gij kunt niet iets doen en
gelijktijdig iets laten. Gij kunt geen vrede kennen of vrede brengen en gelijktijdig strijden om
iets te bereiken of om iets te onderdrukken. Daarom zal in de mens de vrede steeds zijn; de
pauze in zijn strijd voor zichzelf en met zichzelf. En zo deze vrede hem het dichtst brengt bij
de oneindigheid, zo zal hij uit deze korte ogenblikken de kracht moeten putten om op de juiste
wijze verder te leven en te strijden
Geweldloosheid kan voor de mens belangrijk zijn. Maar er komt een ogenblik dat
geweldloosheid betekent een ondergang, die men niet aanvaarden kan. Kan men eigen
ondergang accepteren, dan is het goed om geweldloos te zijn, want daarmee wordt de meest
juiste harmonie met de eeuwigheid uitgedrukt. Maar kunt ge niet aanvaarden, zo is het beter
om te strijden dan in onvrede ten onder te gaan.

104 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Meen niet dat ge ooit iets voor alle tijden kunt bereiken, kunt beseffen, of kunt wijzigen. Gij
kunt slechts in een toestand komen waarin de juiste verhouding van alle dingen u duidelijk
wordt. Meen niet dat gij kunt dromen en gelijktijdig kunt leven. Wie droomt, leeft niet en wie
leeft, droomt niet. Maar een mens die droomt, kan soms die droom tot werkelijkheid maken.
Dan is dit een deel van zijn eigen leven en zijn eigen kracht. Wanneer hij een droom tot
werkelijkheid maakt, versmelten innerlijk leven en werkelijk leven en komt de ware vrede
meer nabij.
Waar de natuur de kern is van het menselijk bestaan, zal de natuur ook alle symbolen en
krachten geven, waardoor de mens zijn onsterfelijk wezen, zijn eeuwig bestaan, kan
rechtvaardigen of kan aantonen. Elke harmonie met de oneindigheid moet voortvloeien uit een
erkenning plus een daad in de eindigheid. Elke daad en erkenning in de eindigheid kan juist
zijn, wanneer zij voortvloeit uit de kern van ons wezen. Zij kan nimmer juist zijn, wanneer zij
buiten eigen wezen om, of met minachting van een deel van eigen wezen tot stand wordt
gebracht.
Weet wat gij zijt. Wie gij zijt, beseft gij eerst, wanneer gij uw weg hebt afgelegd. Wat gij zijt
echter, is voor u belangrijk, wat zijn uw dromen?
Zijn ze juist? Waarom droomt u ze? Tracht in uw dromen te zien wat waarlijk deel is van uw
wezen en wat slechts ijdele gedachten zijn.
Hoe handelt ge? Waarom handelt ge? Is dit deel van uw werkelijk wezen of is het misschien
een ontgaan van problemen of zelfs maar een volgen van een weg van geringe weerstand?
Wat is uw kracht? Bezit gij de kracht waarvan ge droomt? Wanneer ge kracht bezit, zult ge die
kracht moeten kunnen uiten. Vraag u af hoeveel van de kracht die ge meent te bezitten
waarlijk tot uiting komt. Eerst indien ge weet wat ge zijt, zult ge de meest juiste handelswijze
vinden in deze wereld.
Misschien verlangt gij meer te zijn dan ge bewust thans zijn kunt. Bedenk dan dit; Iedere
leerling kan de gedachten van zijn meester delen. Hij kan in de eenheid van denken met zijn
meester komen tot een begrip dat zijn eigen vermogens te boven gaat. Maar eerst op het
ogenblik dat hij het verworven begrip voor zich bevestigd heeft, is het zijn eigendom. Denk
met uw meester, bid tot uw God, mediteer over vrede, maar leef datgene wat gij leert.
Op deze avond word in uw kring magie besproken. Er bestaat geen werkelijke magie. Er
bestaat de kracht van het “IK”, de kracht van dat wat gij zijt. En dit is de enige ware kracht. Er
bestaan geen wonderen. Er bestaat slechts de volledige uiting van het eigen “IK” het wonder
of de beperkte uiting in de normale wereld.
Gij meent dat gij een wezen zijt. Maar velen van u dragen in zich honderden zielen, die toch
één geheel zijn. Want elk leven dat gij geleefd hebt, elke sfeer die gij betreden hebt, heeft iets
aan uw wezen toegevoegd, is een afzonderlijke herinnering. Eerst wanneer deze alle
saamgevloeid zijn tot één geheel, zult ge waarlijk één zijn. Zolang ge de werelden scheidt, en
de herinneringen scheidt, zo zijt ge velen. Het is dus goed te beseffen dat gij niet alleen
datgene zijt wat ge nu naar voren brengt. Gij zijt vele dingen. En het is goed dat ge vele
dingen zijt, zo ge ze tot een eenheid kunt doen samenvloeien. Daartoe dient men te erkennen
hoe groot de veelheid van krachten en wezens is, die gezamenlijk thans uw “IK” vormen.
Wanneer ge deze allen gelijkelijk aanvaardt en gelijkelijk kunt uiten, zijt gij een geheel. En hoe
wilt ge de begoocheling verwinnen, indien gij niet een geheel zijt?
De brug die de mens zich bouwt naar de oneindigheid is een illusie. De oneindigheid is nú, met
u. Ge zijt oneindig indien ge het beseffen kunt.
Er is geen land van morgen, er is slechts eeuwigheid. Wie die eeuwigheid binnengaat kan nog
vele malen een andere vorm nemen, maar hij zal altijd zichzelf blijven. Want in de verandering
zijt ge veranderlijk, maar de verandering is slechts de uiting van de werkelijkheid, die
onveranderlijk is.
Indien men u vraagt: hoe vind ik waarheid?. Zo zeg ik u; mediteer. Maar mediteer niet over de
dingen die zinrijk zijn, maar over de dingen die zinloos schijnen. Mediteer over een maan die
pootjes heeft en glimlacht. Het lijkt dwaas maar daardoor zult ge de dwaasheid van de
voorstelling beseffende, de essentie die er achter ligt kunnen aanvoelen, kunnen aanvaarden.
Mediteer niet over de mensen zoals ge die erkent en over de bloemen, zoals ze de schoonheid

EK 62 - 63 105
Orde der Verdraagzamen

geven die u nu verrukt. Stel u iets voor wat niet bestaat, een roos die eikels draagt, een
bananenboom die danst, een sagopalm, die niet in zich het melig stof draagt, dat na
verdroging tot uiting komt, maar b. v. in zich draagt een alfabet. De meditatie over het
absurde brengt voor de mens het bewustzijn van de betrekkelijkheid der waarden. Wie
glimlachen kan om de schijnbare ernst van het leven, vindt een glimlach voor zichzelf. Wie
glimlachen kan over zichzelf en zijn schijnproblemen, benadert de waarheid.
Zeg niet, dat ge krachteloos zijt of dat ge kracht hebt, maar weet dat de gedachte de waan
vormt en dat de wereld waarin ge leeft, waan is. Uw gedachte schept, maar slechts in dat wat
vergankelijk is. Uw gedachte kan herscheppen, maar slechts dat wat reeds eeuwig bestaat.
Schep uit uzelf wat ge kunt buiten waan, opdat ge in uzelf herschept de waarheid, waarin het
werkelijk begrip en de werkelijke vrede zijn gelegen.
Glimlach om uzelf, glimlach om de wereld, glimlach en de geboorte en om de dood. Want ziet,
al deze dingen zijn niet werkelijk, mits men de zin ervan begrijpt. En om de zin te begrijpen,
moet men beseffen hoe ‘n groot gedeelte waan in alle voorstellingen hiermee verknoopt leeft.
Wie beseft dat iets gelijktijdig ernstig en werkelijk en toch belachelijk en onbelangrijk kan zijn,
weet hoe hij werken kan en handelen kan.
Hij is vrij van de angst, die de mensen drijft. Hij is vrij van het begeren dat hen verstikt,
omdat hij waarlijk zichzelf is, elk ogenblik en ten allen tijde. Uzelve te zijn, de waan achter u
te laten, wil zeggen: de rust vinden, waarin het onzegbare, werkelijke voor het eerst een is
met het “IK”, Ik groet u.
o-o-o-o-o-o-o
Ik kom alleen maar om in te leiden. We krijgen dadelijk weer een gast. U moet goed
begrijpen, dat dergelijke sprekers een eigen stijl en een eigen frequentie hebben. Wanneer u
b.v. goed hebt opgelet bij de vorige spreker, dan zult u ontdekt hebben dat er ergens een
schijn van tegenstellingen in zijn betoog zat. Hij gebruikte n.l. de kwestie van absolute kracht
en absolute werkelijkheid, als tegenstelling tot de absolute kracht en absolute onwerkelijkheid.
Dat is natuurlijk niet mogelijk. Maar zijn betoog was gebaseerd op de waanwereld, op de
begoocheling, dus onwerkelijkheid, die ons omringt. En wanneer wij daarvan uitgaan klopt het
wel. Want wat dus voor u klopt, is in de werkelijkheid niet waar, en omgekeerd. Een
betrekkelijk lastige kwestie dus, waarin misschien de meer belezenen een paar principes van
het Zen-Boeddhisme hebben erkend.
We krijgen nu een spreker die m.i. meer in de westelijke denkrichting ligt. Zijn manier van
denken kent wel dezelfde basis als zijn voorganger, maar zijn ideeën liggen meer in de richting
van het menselijke en niet van het bijna bovennatuurlijke of van ons standpunt uit gezien van
het niet menselijke als bij de eerste spreker. Toch harmoniëren die twee. Alleen hun wijze van
benaderen is een andere. Het probleem dat ze zich gesteld hebben en de oplossing die ze
vinden, is uiteindelijk gelijk. Ik wijs u er op, omdat u anders geneigd zou zijn te zeggen; als de
ene meester zo spreekt en de ander zo, wat moeten wij, arme mensen, dan wel denken? En
dan geldt hier, als altijd wanneer u een gastspreker hebt, dat het erg belangrijk is te letten op
dat wat niet gezegd wordt. Want vaak is hetgeen niet gezegd wordt belangrijker dan hetgeen
gezegd wordt, als u begrijpt wat ik daarmee bedoel! Ik wens u een avond die voor u vele
vruchten kan dragen.
Goedenavond vrienden.
Wanneer een mens een mens ontmoet, ontmoet hij ergens zichzelf. Want wie door het leven
heengaat zoekt in anderen uiteindelijk de bevestiging van zijn eigen bestaan. Hoe kun je leven
zonder een ander te herkennen? Alles wat je doet en alles wat je denkt is gebaseerd op dat
ene; ik wil leven. En alles wat de wereld je geeft en je geven kan, is alleen maar de
bevestiging van het leven. Wanneer wij spreken over de noodzaak om elkander lief te hebben,
dan spreken wij in wezen over deze bevestiging van onszelf, want een mens mag zoeken naar
het gelijk, hij mag zoeken naar zijn God, hij mag zoeken naar een vervulling, maar in wezen
zoekt hij alleen naar de bevestiging van dat ik, dat hij is.
Het is misschien dwaas om je zo druk met jezelf bezig te houden, maar er is niets anders.
Wanneer ik geloof in een God, die in mij leeft, dan moet ik handelen alsof die God in mij is, of
mijzelve verloochenen. En dat is iets wat menigeen vergeet. Je kunt niet leven zonder iets in
jezelf werkelijk te aanvaarden, zonder werkelijk het leven, de wereld en de mensheid lief te

106 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

hebben. Je kunt niet leven alleen uit haat of uit wrok en uit achterdocht. Je kunt ook niet
alleen leven uit de regels, die je jezelf hebt gesteld. Je kunt alleen naar leven uit het contact,
dat je hebt met de wereld, die voor jou spreekt, die wereld waardoor je weet dat U leeft.
Wanneer u voorbij gaat aan een ander mens en u zegt; deze mens interesseert mij niet, dan
hebt u iets van uzelf verloochend. En wanneer een mens u iets te zeggen heeft en u gaat er
toch aan voorbij, dan verloochent u niet alleen uzelf, maar dan verloochent u het leven dat in
u is en dan zal er altijd een vraag blijven.
Wij leven om vragen te beantwoorden. het is gemakkelijk en te zeggen: ik sterf voor mijn
geloof, of ik leef voor mijn geloof zelfs. Maar het is heel moeilijk en te beseffen dat het geloof
dat je leeft, het leven is, en dat je niet sterft voor je God of voor je geloof, maar dat je alleen
sterft omdat je anders jezelf niet zou zijn.
De kern van de eenheid die wij erkennen met alle werelden, alle zijn en alle leven, is
gebaseerd op onszelf. Maar niet op het beperkte, egoïstische “IK”, dat zo vele mensen kennen.
Want u denkt wel aan uzelf en u probeert een oplossing te vinden, maar de oplossing die u
vindt is nooit de goede, omdat u niet denkt aan het leven, maar alleen aan de beperkte
waarden ervan. Wanneer u gezegd wordt dat ge het moet onderzoeken, dan zult ge
onderzoeken. Maar wanneer u gezegd wordt dat ge alleen het goede moet behouden, dan zegt
ge; maar sommige dingen die niet goed zijn, klinken zo verleidelijk: laat me ze nog even
behouden. En daarmede verliest ge het goede, dat ge bezit. Er zijn mensen die zeggen; het
goede is alleen van mij wanneer het mij alleen behoort, en zij beseffen niet dat zij het
daardoor vaak verliezen.
Misschien mag ik een gelijkenis geven; Er is een mens die spreekt over alle cosmische
krachten en cosmische liefde. Hij spreekt over het heelal en het leeft in hem. Maar op een dag
ontmoet hij een medemens en ziet, deze lacht om zijn cosmos en hij zegt: Voor mij is de
wereld alleen maar die kleine wereld, waarin ik besta. Een leven na de dood, daarin kun jij
geloven, maar voor mij is het dwaasheid. En wat zegt onze vriend die de cosmos tot zijn leven
heeft willen maken? Deze is dwaas en wat hij zegt is onaanvaardbaar, deze mens deugt niet.
En daarmede heeft hij zijn cosmos in gruzels geslagen. Want hij heeft ontkend dat ook de
mens, die niet aan een voortbestaan gelooft, de mens die alleen aan het kleine leven gelooft
en niet aan het grote, deel moet zijn van het bestaan.
Er is een mens die zondig leeft, en een ander zegt: Deze mens is zondig, maar ik ben
deugdzaan en dus verwerp ik hem. En zo verbreekt hij zijn eigen deugden. Want een deugd is
slechts een deugd, wanneer zij voor anderen wordt geleefd. Wanneer je voor jezelf leeft is het
geen deugd. Een deugd, die is er slechts om de fouten van anderen te compenseren. Maar als
je alleen maar deugdzaam bent, omdat je het zo prettig vindt om deugdzaam te zijn, dan
wordt de deugd zelve tot een ondeugd.
Hier zullen velen vragen; Wat is dan uw leer? Dan kan ik alleen maar antwoorden, zoals altijd;
Mijn leer is die van God in alle mensen. Een liefde die in alle mensen leeft. O, een heel
doodgewone liefde, vrienden, Wanneer Gods liefde alleen iets buitengewoons moest zijn, dan
zouden wij God niet kunnen liefhebben en God zou ons niet kunnen liefhebben. Gods liefde ligt
in de eenvoudigste dingen van het leven, ze ligt in het graan op het veld, ze ligt in ouders met
een kind, ze ligt zelfs in een man en een vrouw en in de belofte van de lente; al die dingen zijn
God.
Wanneer een mens beseft hoezeer alles deel is van het leven, dan zal hij voor zich zeggen; ik
wil er het beste van maken. En wanneer je het beste wilt maken van het leven, dan moet je
leren om te geven en niet om te eisen. Dan moet je leren en lief te hebben en geen liefde te
vergen. Dan moet je leren om gelukkig te zijn en toch niet te verwachten dat het geluk jouw
voetsporen zal treden.
Het is alles eigenlijk eenvoudig. Alle grote krachten zijn de Uwe. Wanneer, u die krachten wilt
bezitten voor uzelf, dan hebt ge ze verloren. Alle licht, alle wijsheid in de wereld is de Uwe,
maar wanneer ge ze voor uzelf begeert, hebt ge ze verloren. Wanneer gij vraagt; geef mij
kracht of geef mij licht, dan hebt ge kracht of licht, want door de vraag te stellen hebt ge
aanvaard dat die kracht en dat licht er kunnen zijn en wordt ge u ervan bewust. Maar wanneer
ge het vraagt in de gedachte dat iets voor u geschapen of u in het bijzonder gegeven wordt,
dan zult ge ze niet vinden.
EK 62 - 63 107
Orde der Verdraagzamen

Wanneer ge erkent dat er een geheim is en ge zegt; laat mij binnengaan in dit geheim, dan
hebt ge erkend dat het geheim bestaat en het zal in u groeien en het zal zich openbaren. De
poorten van het geheim gaan open en ge kunt een nieuwe wereld betreden. Maar op het
ogenblik dat ge zegt; Geef mij het geheim voor mijzelf, dan klopt ge aan een poort die niet
bestaat, want er bestaat daar geen waarlijk geheim. Het bestaat slechts in de wereld die gij
nog niet kunt beseffen, het bestaat slechts een waarheid die zich aan uw denken onttrekt.
Maar alle dingen zijn.
En zo zult ge vaak uzelf afvragen; Wat is er nodig in de wereld? Dan is altijd weer het
antwoord; Zorg dat de hongerigen verzadigd zijn, dat de dorstigen hun dorst kunnen lessen.
Troost de gevangenen, genees de zieken, breng de mensen vreugde. Breng ze troost, zorg dat
ze dichter bij God leven. Niet door over God te spreken, maar door iets van God aan hen te
geven.
Misschien is dit voor u te eenvoudig, want het is maar geloof, nietwaar? Wanneer ge zegt: geef
mij geloof, dan erkent ge dat er iets is wat ge moet geloven en dan kan er een geloof geboren
worden. Maar als ge zegt; er is geen geloof en er is niets wat ik kan geloven, ik moet alles
bewijzen, dan zult ge niets bewijzen en zult ge slechts uw eigen onvermogen zien en meer
niet,
Wanneer u in het leven soms moeilijkheden tegemoet treden of ge strijdt met anderen, dan
kunt ge zeggen: dit is voor mij noodzakelijk, want zo ben ik. Maar ge kunt ook zeggen; in die
ander is een wereld, die ik nog niet ken. Ik moet die wereld kunnen betreden.
Wanneer een mens u zondig lijkt of dwaas en ge begrijpt waarom hij zondig is of dwaas, dan
zult ge ook beseffen dat hij even dicht staat bij alle lichtende kracht, bij God zelf als gij.
Wanneer een mens genodigd wordt tot het licht, wanneer je in jezelf weet dat het licht
bestaat, dat er een kracht is, dat er een gebeurtenis zal zijn, maar je zegt; ik heb nu geen tijd,
zo dadelijk, dan komt er in de plaats daarvan het duister. Want wanneer ge licht krijgt en ge
wilt het licht niet aanvaarden, dan wordt u geen licht gegeven en blijft u alleen het tegendeel
over,
Wat het leven u geeft, dat zult ge moeten aanvaarden, anders krijgt ge het tegendeel. Wie te
ijverig streeft, zal zien dat hij met zijn streven niets bereikt, voor zichzelf. Wie te ijverig zoekt,
zal ontdekken dat hij niet vindt. Slechts wanneer het zoeken is een erkenning in de eerste
plaats, dat er verborgen dingen zijn, zullen ze zich openbaren. Wanneer u over het veld gaat,
dan zal er in de hete zon soms een hagedis op een steen rusten. En wanneer je zo kijkt, dan
zie je het diertje niet, maar ben je stil en rustig, dan opeens wordt tot weten wat je hebt
gehoopt, dat er een hagedis is die de zon geniet.
Zo is het met de waarheid. Wanneer wij zoeken, dan moeten wij niet trachten om met groot
geweld alles om te ploegen om alles te aanvaarden. Want dan zullen wij niets vinden. Dan is
dat kleine feit, wat voor ons zo belangrijk is, al lang verjaagd door het gerucht dat wij hebben
gemaakt. Maar wanneer wij rustig kunnen zijn en toch weten dat het feit er is, dan zal het zich
aan ons openbaren.
In het hele Al is er een kracht die alles domineert. Dat is de kracht die u kan doen ingaan in de
meest vreemde werelden van de geest. Het is de kracht waarmee ge duivelen kunt uitdrijven
en kunt genezen, het is de kracht die u ook stompzinnig door het leven kan doen gaan, terwijl
er niets is wat uw wezen werkelijk beroert. Die kracht is, zo vreemd als het klinkt, de liefde
voor het leven. Hoe meer gij uzelve lief hebt, hoe minder het leven u liefheeft. Hoe meer gij
het leven lief hebt, hoe meer liefde het leven u schenkt.
Waarheid, vrienden, is iets wat wij allen begeren. Maar welke waarheid kunnen wij beseffen,
als wij geen waarheid in onszelf dragen?
Slechts de mens die waar is tegenover zichzelf vindt de waarheid. Wanneer ge verraad pleegt
is dat niet erg, maar dan moet ge erkennen dat ge verraad hebt gepleegd. Wanneer ge
intrigeert dan is dat op zichzelf niet zo erg, maar ge moet erkennen dat ge intrigeert en u
afvragen of het soms anders kan.
Sommige mensen gaan gebogen onder al wat het verleden is. Hen denkt dat zonden of
sohulden of fouten dingen zijn die je altijd bij je draagt. Wanneer u gezegd wordt: gaat heen,
Uw zonden zijn u vergeven, dus uw schuld is gedelgd, het verleden is niet meer, dan móógt ge

108 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

niet eens meer terugdenken aan het verleden. Het is alsof het nooit geweest ware. Wanneer
ge dat aanvaardt, dan is dat verleden weg, dan is daarvoor in de plaats het heden gekomen.
Wanneer u gezegd wordt: heb lief zonder grenzen en ge zegt; ja, maar hoe, dan hebt ge al
gezondigd en hebt ge de liefde al weggeworpen. Wanneer u gezegd wordt: heb lief zonder
grenzen, dan betekent dit dat alles uw liefde waardig is, het lelijke en het schone. Hebt ge het
leven lief zoals het is? Ge zult leven uit die liefde en ge zult erkennen dat het hele leven tot u
spreekt.
Gij zoekt waarheid, maar kunt gij waarheid vinden, wanneer ge de waarheid wilt binden aan
uzelf? Gij zoekt God, naar kan God tegen u spreken wanneer gij niet naar God wilt luisteren?
Gij zoekt kracht, maar kunt gij wel kracht bezitten wanneer ge u voortdurend inspant om die
kracht te verkrijgen en niet wacht tot de kracht zich in u openbaart?
Tracht niet meer te zijn dan gij zijt. Wees u zelf, zoals gij zijt, zoals gij leeft. Maar verwacht in
dit leven steeds weer de mogelijkheid om blijvend meer te worden. Niet het opvlammen van
een ogenblik, uit een vreemde macht, die u weer verlaat, maar het groeien naar een
volmaaktheid van leven en kracht.
Ge zult beseffen dat dit alles maar het begin is van een leer. Want er is zeer veel wat je met
mensen moet bespreken, voordat ze iets begrijpen van de werkelijkheid, van het leven. Maar
laat mij u dan althans een paar dingen zeggen.
1 Waarom hebt gij zo vaak gehandeld tegen uzelf in? Als ge daarop een antwoord weet, dan
weet ge waarom Petrus zijn Meester verloochende. Waarom Judas Hem heeft verraden. Dan
weet ge waarom er oorlogen zijn op de wereld en dan weet ge ook waarom er geen wonderen
gebeuren. Waarom verloochent ge uzelf? Wie zichzelf verloochent, verloochent het leven en
wie het leven verloochent kan nimmer de harmonie vinden met de werkelijkheid.
2. Laat mij u een tweede vraag stellen en trachten een tweede antwoord te geven. Waarom
denkt ge dat ge belangrijk zijt? Nu? God is belangrijk. In Hem leeft gij en in Hem zijt gij
eeuwig. Maar hoe dit gebeurt zult ge nog niet beseffen. Gij zijt niet belangrijk. Uw meningen
zijn niet belangrijk. Belangrijk is slechts dat ge tracht om te leven, en uzelf te zijn. Belangrijk
is dat ge in uzelf de strijd weet te maken tot vrede.
3. Een derde waarheid; Alle mensen zoeken naar de bron des levens. Zij denken dat zij ergens
een bron vinden van wijsheid en van kracht die de eeuwigheid zal zijn, voor hen. Waarom
zoeken mensen naar datgene wat in hen leeft, altijd elders? Ook gij? Is het misschien omdat
zij bang zijn dat die bron van eeuwigheid en leven in henzelve voor hen en grote
verantwoordelijkheid betekent? Kunt gij dan uzelf ontgaan en dat wat in u leeft? Hebt ge het
recht datgene wat in u is, te ontkennen? Erken wat ge zijt, leef wat ge zijt, maar leef het niet
alleen voor uzelf, maar leef het omdat dit God is die door u spreekt. Dan zult ge weten wat de
bron des levens is.
En nu wordt het voor mij tijd u te verlaten. Toch wil ik u een klein beeld geven. Waar de
schapen geleid worden, moet de herder leiden. Waar de dwazen beschermd worden, moeten
de wijzen beschermen. Maar wie eenmaal een begin van wijsheid heeft gevonden, zal nooit tot
de dwaasheid kunnen terugkeren.
Gij, mijne vrienden, hebt meer begrip dan voor de eenvoudigen noodzakelijk is. Gij bent niet
zijn schapen. Gij zijt nog geen herders. Maar toch zult ge moeten groeien naar dit herder zijn.
En zo ge twijfelt aan uzelf, beroep u op de kracht die in u is. Het woord, dat misschien dwaas
klinkt in uw oren en dat toch een Waarheid is, waaruit kracht geput kan worden tot in het
oneindige: .
De Vader, God, leeft in mij.
In mij is Zijn kracht., in mij is Zijn wet. In mij is Zijn liefde.
Uit Hem volbreng ik,
Door Zijn wezen en kracht zal
Ik volbrengen, en Al wat geschiedt zal zijn Zijn wil
en Voeren tot de verwerkelijking van Zijn eeuwigheid.

EK 62 - 63 109
Orde der Verdraagzamen

En zo u dit niet genoeg is, roep de Vader met de naam, die ge kent. Roep Hem als Adonai,
roep Hem als Jahwe, of roep Hem als de Liefde of als de Onbekende. Want God antwoordt niet
op en naam, maar op een behoefte. Zo gij in de naam van de Kracht Die, in u leeft wilt
werken, zo ge uit die Kracht wilt volbrengen,. aanvaard die Kracht in u, beroep u op die Kracht
en werk met die Kracht.
Zo zal u de zekerheid gegeven worden van uw wezen en uw wens. Zo zult ge vrij zijn van alle
dingen die onbelangrijk zijn, en zo zult ge Waarlijk in uzelf weten wat uw leven belangrijk
maakt.
Speel met het onbelangrijke, leef uit het belangrijke en volbreng dat, wat God in u heeft
gelogd als zijnde waarlijk deel van uw leven en taak.
Vrienden, ik zal u niet mijn zegening geven, al zou ik het kunnen doen. Zegen uzelf, beroep u
op de Kracht in u en ge zult meer bezitten dan ik u ooit kan geven. Want dan zult ge het besef
hebben van Gods Liefde,. Die in u leeft. Het ga u wel. Goedenavond.

Nummer 10
11 juni 1963,
Esoterische Kring
Ik zou op deze avond met u willen spreken over een aantal aspecten van de moderne krachten
en moderne magie; en ook over de reactie daarop in onszelf en de werking vanuit onszelf in de
moderne wereld. Ik heb daarvoor een groot aantal citaten, die dit in betere woorden dan ik
misschien zelf kan vinden omschrijven. Allereerst dan dit;
Slechts daar, waar de geest vrij is van haar eigen beperking, kan zij de waarheid vinden en
de kracht, die haar in wezen toebehoort.
j van onszelf uit zoeken op te stijgen af stand doen van al hetgeen ons beleinniert. Hier
Het is belangrijk dit punt voorop te stellen. Alle beperkingen van de geest, van het verstand,
zijn eigenlijk remmingen ook voor ons innerlijk bewustzijn. Op het ogenblik dat wij van onszelf
uit zoeken op te stijgen naar het hogere, moeten we afstand kunne doen van al wat ons
belemmert.
Zolang de mens droomt, is hij een vorst. Zodra hij denkt, is hij een bedelaar.
Wij zijn vorsten in eigen recht. Wij zijn direct deel van een allerhoogste kracht, verbonden met
de zonnelogos; wij zijn in weten en leven deel van de kracht van de aarde (indien we in de stof
leven zeker)| en wij hebben dus alle vermogens, die daarbij behoren. Maar we kunnen die
vermogens niet gebruiken om de doodeenvoudige reden, dat we ze ons niet kunnen
voorstellen.
Het wiel was een ontzagwekkende ontdekking, omdat men zich realiseerde, dat een wiel
bruikbaar was. Het wiel is er altijd geweest; de mens is er altijd geweest maar eerst moest de
idee geconcipieerd worden, voordat het wiel bruikbaar werd. Nu is het een volledig de
beschaving bepalend deel van de menselijke bereiking. wanneer er geen wiel is, kan uw
beschaving niet bestaan.
Op dezelfde wijze moeten we ook rekenen met geestelijke krachten. Zodra wij met het
verstand alleen werken, zijn wij bedelaars. We vragen naar kracht, naar licht, we vragen naar
erkenning, we vragen naar bewijs en ons wordt zo nu en dan een kleine gave gegeven. Zodra
we die beperking terzijde zetten, is de idee vrij, ongelimiteerd. D.w.z. dat elk concept in ons
tot aanzijn kan komen, omdat we niet onze eigen beperkingen en die van onze wereld
vooropstellen. Het concept zelf bepaalt onze kracht.
Hier zitten we natuurlijk in de mystiek, in de gedachtengang die buiten de werkelijkheid ligt
volgens menig mens. Wanneer u echter leert om vanuit uzelf die kracht te gebruiken, dan kunt
u waarlijk zeggen:
Als god geboren, openbaar ik mij daar, waar ik mijn beperkte wezen ontken. Want één met
de Vader ben ik, zodra ik niet meer mijn beperkingen stel als mijn enige persoonlijkheid.
(Dit is van een van de vroege kerkvaders.)

110 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Hier komt de gedachte tot uiting, dat we zelf a.h.w. god zijn. Maar dit god-zijn is niet
voldoende. Want god-zijn zou aanleiding kunnen zijn tot een poging om te herscheppen. En
herscheppen kunnen we alleen onszelf, maar niet die totale wereld; omdat ze wel leeft uit
dezelfde krachten als wij, maar ons toch niet onderdanig is. In de magie en ook in de esoterie
geldt dit;
Het onbewuste of minder bewuste is altijd aan het meer bewuste onderdanig, omdat het meer
bewuste de geaardheid van het leven in het minder bewuste begrijpt, maar het omgekeerde
niet mogelijk is.
Het begrip van leven, het begrip van bestaan, van het wezen, is de kracht waardoor wij
regeren en dat houdt in dat elke kracht, waarmee wij magisch of anderszins doordringen in het
minder bewuste leven, niet inhoudt een zonder meer en aan de hand van ons eigen persoonlijk
bestaan domineren van anderen of het andere, maar neerkomt op een begrijpen van het
andere en door het begrip domineren ervan.
Nu zegt een bekend esotericus daarover het volgende;
Wanncer gij wortelt in de aarde en reikt tot de hemelen, zo zijt gij waarlijk de boom des
levens. Maar slechts indien gij uit de aarde uw sappen puurt en opstuwt tot uw kroon (die is
een deel van de hemel), zult gij bewust leven. Slechts wie bewust leeft kent zichzelf en kent
het leven. Zijn zijn is de oneindige rust, waarin hij de oneindige kracht omvaamt, het
oneindig weten in zich kent en de voleinding bereikt.
De gedachte van de mens als een levensboom lijkt op het eerste gezicht wat overdreven. Je
gaat je afvragen; wat heef t dat voor zin? Maar u behoort nu eenmaal tot het z.g. vijfde ras. In
dit vijfde ras is dus een reeks van vroegere ontwikkelingen tot uiting gekomen en daarmee is
de plaats van het stoffelijk bestaan op aarde dus op het ogenblik gedefinieerd. Het vijfde ras
moet de wereld erkennen, omdat het vierde ras de wereld vernietigd heeft. Eerst wanneer het
de wereld kent en aanvaardt, kan het zijn begrip van het hogere en het hoogste met die
wereld in verband brengen.
Ook dan nog zal de mens steeds zelf de verbinding tussen hemel en aarde moeten zijn. Voor
het vijfde ras is dus de bereiking, de samensmelting van de werkelijke materie en de
werkelijke geestelijke concepten binnen het “IK”. Kunt u me tot zover volgen?
Nu zal men in de meeste gevallen, wanneer men op aarde leeft, wel trachten om de materie te
verwerken. Men zou dus kunnen zeggen; de wortels zijn er wel. Sommigen willen ook aan de
hemel denken. Zij bouwen zich de kroon van gebladerte. Maar zij begrijpen niet dat de stam
(het verband tussen deze beide waarden) het “IK” moet zijn. Het “IK” is; oneindigheid, zichzelf
realiserend, doelend op de aarde, gekroond met de hemel.
Deze situatie moet voortkomen uit jezelf. Maar dan zal ook alles wat de aarde levert zijn
waarde eerst krijgen, wanneer het door het “IK” gepasseerd is. Het is het “IK”, het persoonlijk
wezen, dat alles overbrengt naar het hogere, dat het hogere bruikbaar maat t.o.v. het lagere
en een verband schept tussen die waarden, waartussen geen kennelijk verband in de materie
bestaat.
Men heeft dus ook de mens wel eens vergeleken (dit is een andere vergelijking) met een
waringin, die luchtwortels neerlaat. Wie op aarde is ziet alleen een nieuwe wortel komen. Wie
de boom kent weet, dat hij zich daardoor verstevigt en voedt en juist daardoor groter en hoger
kan groeien.
Deze kwesties worden in de moderne tijd vaak verkeerd begrepen. Wanneer u esoterisch wilt
denken, dan moet u beginnen met de stof te accepteren. Wie de stof niet accepteert kan
geestelijk niets bereiken. Een boom zonder wortels moet sterven. Het hoogste geestelijk
bewustzijn zonder een materiele basis moet te gronde gaan. Maar omgekeerd wortelen die
geen plant dragen, die ontberen niet alleen de lucht maar in de moeste gevallen de
mogelijkheid om zich werkolijk voort te planten, te ontplooien, hun doel te vervullen. Wij
moeten dus ook stellen, dat het “ik”-bewustzijn, dat zich boven de materie verheft,
noodzakelijk is.
In deze dagen vergeet men dat. Men gaat de mens zelf normaliseren, men gaat hem dus
terugbrengen tot het niveau van de wortel. het is net alsof je gras maait, alle sprieten moeten

EK 62 - 63 111
Orde der Verdraagzamen

gelijk afgesneden zijn; en dan moeten we ons baseren op de wortels van de grasmat. En wat
er verder bij komt, dat is een aardig verschijnsel, maar het heeft ons weinig te zeggen.
Deze vergissing maakt het natuurlijk ook onmogelijk om de werkelijke kracht te beseffen, die
het wezen als geheel heeft. Wanneer je kijkt naar de wortels, dan weet je niet dat van de stam
planken kunnen worden gemaakt, bij wijze van spreken; dat de boom vrucht kan dragen en
zich voort kan planten. Wanneer je uitgaat van het materiele alleen, zul je geen inzicht in
jezelf hebben; je zult ook de vruchten, die het eigen wezen, bestaan, en denken draagt, niet
kunnen verwerken en begrijpen. Dan zou de volgende aanhaling hier naar ik meen weer mooi
bij passen;
Wie doordringt in zichzelf en de verboren tempel van eigen wezen betreden heeft, hij kent
zichzelf en uit zichzelf de wereld waarin hij leeft en het doel der dingen. Hij beseft de
voleinding daar, waar hij in de materie slechts het begin is.
En we maken daar de vergelijking bij van de zaadkorrel, waarin de hele plant aanwezig is. En
we zeggen: Er is maar betrekkelijk weinig noodzakelijk om het innerlijk bewustzijn te bereiken.
Het jammere is, dat het innerlijk bewustzijn alleen volledig bereikt wordt, wanneer men
afstand neemt van zichzelf. Af stand nemen van jezelf doet men over het algemeen niet,
althans zelden en ongaarne.
Hier kunnen we esoterisch gezien de eerste les trekken: Om in deze dagen begrip te krijgen
voor hetgeen zich werkelijk afspeelt, moet je eerst vrij zijn van jezelf. Je móet vrij zijn van elk
dogma, elke vooropgezette mening omtrent goed en kwaad, omtrent ethiek, moraal,
godsdienst, wetenschap; alles wat er is moet je terzijde leggen.
Je moet jezelf stellen boven dat alles. Dan wordt je wezen gevoed door de kennis en de
begrijpen, die je op aarde hebt opgedaan (daar horen dus alle genoemde en nog meerdere
andere onder) Heb je het zover gebracht, dan kun je dat geheel zien, niet als een afgerond
geheel, maar als het begin van een ontwikkeling.
Doordat je de beginnende ontwikkeling in jezelf realiseert, visualiseer je en einddoel. Je ziet
dus een ander doel voor je. Dit doel soms voor de mens uitgedrukt in een stoffelijk iets, maar
uiteindelijk toch altijd weer een geestelijke kracht, een geestelijk iets houdt dan verder in; een
erkennen van het hoogste.
Wanneer ik het hoogste erken, dan kan ik handelen volgens de wetten van het hoogste.
Wanneer ik de gehele weg ken, kan ik elke hinderpaal, die zich daar normaal bevindt,
ontwijken. Ik kan sneller mijn doel bereiken en met groter zekerheid. Zo zal degeen, die
eenmaal het “IK” heeft gezien als een verbinding tussen hemel en aarde en niet als iets, dat
aan een van beide horig of gebonden is, vanuit zichzelf het doel beseffen waarheen hij leeft.
Het besef van dit doel betekent, dat je op je levensweg de juiste houding inneemt, de juiste
bereikingen ervaart. Is het tot zover weer duidelijk?
Dan stel ik verder; De gehele eeuwigheid kan worden uitgedrukt in een symbool, zelfs
wanneer die eeuwigheid niet begrepen of geconcipieerd wordt in haar volle betekenis.
Elk deel van mijn wezen kan worden uitgedrukt in een symbool, zelfs wanneer ik het wezen of
dat deel ervan in zijn geheel niet volledig erken.
Ik kan dus de essentiële waarde van elk deel van leven en bewustwording overbrengen in een
symbool. Elk symbool is willekeurig gekozen, ofschoon voor de mens daarbij de in hem meest
gangbare associaties natuurlijk een rol spelen. Zodra ik aan een symbool een betekenis heb
gehecht, zal elke groepering van symbolen voor mij niet alleen voeren tot een overzicht (dus
bv. een mentaal beeld) maar ook tot een instelling van het “IK”.
Bij de esoterie gebruikt men deze procedure schijnbaar niet, omdat men de uiterlijke middelen
van symbool e.d. nogal eens probeert te ontwijken. Maar wanneer ik zeg; er is prana, wanneer
ik door ademhaling bv. tracht prana te verkrijgen, dan heb ik daarmee ook in mijzelf een
symbool van levenskracht geschapen. D.w.z. dat de levenskracht in mij intenser en meer
bewust stroomt dan anders. Ook wanneer er geen prana in de omgeving zou zijn, zal voor mij
persoonlijk door het bewustzijn van de levenskracht de betekenis daarvan toegenomen. Is het
voorbeeld duidelijk?
Ook de esotericus werkt dus met symbolen. Hij streeft daarbij niet evenmin; als de magiër
naar een volledige uitdrukking van iets, dat hij kent, maar hij gaat uit van een zodanige

112 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

aanduiding, dat er een samenhang wordt gebouwd, die hij als gevoel, als verwachting in zich
ondergaat., zonder dat hij alle consequenties of samenhangen ook redelijk kan uitdrukken of
beseffen.
In de moderne tijd wordt het symbool wel gebruikt. Wanneer u een fototoestel of een foto
wordt aanbevolen met een meestal fraai of terloops bekleed vrouwelijk wezen, dan is dat ook
een symbool. Het is het symbool van het begeren in de man naar de vrouw, van de vrouw
naar d’elegance, naar de charme, waardoor zij elke man bekoren en veroveren kan. Dit
symbool betekent dat de gevoelens, daarmee gepaard gaand, voor een deel worden
overgedragen op het voorwerp, dat men adverteert. Door een groot aantal symbolen van die
aard te gebruiken komt men in landen zelfs zover, dat men welvaart en sexualiteit
onverbrekelijk met elkaar verbonden acht en de een van de ander niet los kan denken. Dat is
praktijk.,
Wanneer de esotericus of de magiër gebruik maakt van symbolen, dan zijn zijn symbolen
schetsmatiger. Zij doen ons denken aan het ontstaan van de eerste letterschriften, waarbij
beeldvoorstellingen in eenvoudige krabbels worden gesymboliseerd. Bij ontleding bv. van
Chinees en Japans schrift vindt u daar dus nog voorbeelden van terug.
Wanneer wij zo schrijven, schrijven wij met het symbool óns woord. Maar óns woord is een
uitdrukking van een groot aantal begrippen, die niet direct worden gerealiseerd, maar die in
het woord mee bevat zijn. Door dit aan te voelen, krijgt het woord voor ons, een bijzondere
betekenis. Door onze symbolen op de juiste wijze te stellen, is de gerichtheid van onze eigen
persoonlijkheid een andere dan normaal.
Zodra het “IK” anders dan normaal is gericht, is het vanuit het wereldlijk standpunt niet meer
redelijk of verklaarbaar. Dit kan men misschien bestrijden, maar ik geloof toch wel te kunnen
stellen, dat het redelijk verklaarbare daar ophoudt, waar onredelijke effecten (dus op zichzelf
zonder redelijke samenhang) optreden.
Het klinkt een beetje vreemd, als ik het zo formuleer, maar het is waar. Wanneer wij proberen
in onszelf de grote kracht van deze tijd te realiseren. Wanneer wij proberen met een lichtende
kracht, met een meester in verbinding te komen, dan gaan wij uit van zaken, die niet redelijk
zijn. Wanneer wij streven naar het hoogste licht, naar een nieuwe bewustwording, die ligt
buiten de materie, dan kunnen wij niet streven naar iets, wat redelijk is. Want het redelijke
moet materieel uitvoerbaar zijn. Alles wat dat niet is, is onredelijk, zelfs wanneer het
uiteindelijk effect resulteert,
Dan gaan we een stap verder. Wanneer ik erken dat mijn streven in wezen onredelijk is, zodra
ik mij tot het hogere wend, besef ik ook dat het dwaas is en de redelijkheid te gebruiken om
mijzelf te beperken. Ik vraag niet meer naar de redelijke bevestiging, maar naar de innerlijke
bevestiging, waarbij het geheel dat ik onderga voor mij niet de waarde heeft van het concrete
feit, maar van een persoonlijke beroering of bevrediging. Is dit aanvaardbaar? Is dit duidelijk?
Dan maken wij de gevolgtrekking hieruit, dat alle magie en alle esoterie zijn; de
ónredelijkheid, waaruit wij voor onszelf de kracht van de cosmos kenbaar maken. Binnen het
redelijke geen cosmische kracht kenbaar; binnen het onredelijke een voortdurende openbaring
daarvan.
Nu hebben we schijnbaar de rede afgebroken. Toch zijn er heel veel denkers, die dat anders
beschouwen. “Wanneer mijn ziel juicht en mijn hart nieuwe krachten vindt, zo vormen mijn
gedachten de weg, waardoor ik mijn gelijk met anderen kan delen.”
Wat ik innerlijk bereik kan ik niet mededelen; maar mijn denken vormt de weg, waardoor ik
die innerlijke toestand toch kan uiten.
“Hij die droomt in de spiegelende vijver, ontwaakt eerst wanneer hij zijn wereld verloren heeft.
Want wie zijn wereld verliest, ontluikt in een nieuwe wereld. Zo is sterven ontwaken; zo is
leven dromen.”(een Brahmaanse wijsheid uit de tijd van de priestervorst Acoka. )
Leven in deze zin is dus heel iets anders. Volgens deze denkers is het leven zelf een droom.
Een droom, die je móet dromen om tot de werkelijkheid te kunnen ontwaken. Er moet een
toestand van leven zijn (een droom, besloten droom) om daaruit een werkelijkheid te kunnen
erkennen.

EK 62 - 63 113
Orde der Verdraagzamen

En daarmee is de waarde omgedraaid. De mens meent over het algemeen, dat je eerst beleefd
moet hebben om te dromen. Hier wordt echter gesteld, dat je eerst moet kunnen dromen om
te kunnen beleven. Voor dat laatste is veel te zeggen, want;
In mij is het licht, vaarmoe ik de wereld verlicht. In mij is het geluid, waarvan ik de echo
buiten mij waarneem. In mij is de kracht, waardoor de wereld rond mij leeft. En zo het licht
in mij dooft, de kracht mij ontbreekt. Wanneer de stem in mij zwijgt, blijft slechts ‘t niets.
We moeten begrijpen; het is ons innerlijk dat in de wereld uitgaat. In deze tijd, in deze
moderne tijd, kan ons innerlijk alleen naar de wereld uitgaan. Wanneer we eerst de moed
hebben om te dromen, ons te realiseren wat in ons leeft.
Normalerwijze zien we alleen de echo’s. Het gehele spel der begoocheling is slechts de
beantwoording van ons eigen wezen. Wij, die vragen en eisen, ververpen en verlangen, Wij
bouwen de begoocheling, waardoor wij ons wezen en onze wereld misverstaan.
Wanneer we verkeerdelijk spreken, wanneer we denken dat alle kracht van buitenaf komt,
dat zij van buitenaf vaststelbaar is, dan zullen we daardoor een waanwereld opbouwen,
waaraan we niet kunnen ontkomen.
Al deze citaten wijzen in dezelfde richting; in mijzelf. Breng nu samen wat ik zoeven zeide over
het symbool en het woord en dit laatste. Zodra ik in het symbool of het woord vind, wat voor
mij persoonlijk de weergave is van een hogere kracht, maar gelijktijdig besef dat dit symbool
mijn persoonlijke kracht is, mijn persoonlijke uitdrukking en ik niet verwacht dat de wereld
daaraan beantwoordt, dan zal ik luisteren naar dat wat in mij leeft.
Niet aan de hand van de antwoorden van de wereld, maar aan de hand van de antwoorden die
ik mijzelf a.h.w. geef - hetzij redelijk, als emotie of als droom - de wereld meten. Dan ben ik
schijnbaar van de menselijke wereld afgezonderd, dat geef ik toe, maar staat er niet
geschreven; “Hij die de bereiking verlangt, hij die wil ingaan tot het rijk der goden, hij die wil
spreken met de stem der oneindigheid, verlate de mensheid, opdat hij 40 nachten en 40
dagen in eenzaamheid onderga; het verlangen dat gestild wordt, Wanneer men zich geheel
onvermogend en eenzaam gevoelt.”
Wij moeten eerst de eenzaamheid vinden en vanuit de eenzaamheid tot het leven komen.
Hier komt nl. de vraag of wij ons symbool direct vinden of dat het veel later komt. Veel
mensen hebben een symbool, dat zo beperkt is, dat zij niet beseffen dat het deel uitmaakt van
een geheel. Maar er is geen mens, die niet bepaalde symbolen hanteert. Sommigen gebruiken
er een woord voor, anderen een gebaar. Sommige een instelling t.o.v. de wereld, weer
anderen doen het door een voorkeur voor een bepaalde kleur, een bepaalde wijze van
handelen of bewegen te kennen te geven. Elk drukt zo een deel van het “IK” uit. Maar kan dat
deel van het “IK” voldoende zijn? Er is een tijd geweest, dat er een planeet was die nu
vergaan. is. En daarop leefden wezens, die ten dele op aarde zijn geïncarneerd. De
planeetlogos van die planeet werd gestimuleerd door een stervende ster. En de geest van die
ster noemde men wel; de Lichtende. Hij werd later in het menselijk geloof. Lucifer.
Deze Lucifer geeft kennis. Hij is de openbarende. Hij brengt bewust weten. Hij brengt oordeel.
Hij is daarom niet slecht of hij is daarom niet goed. Ons oordeel kan alleen goed zijn, wanneer
het oordeel van onszelf uitgaat; niet wanneer het gebaseerd wordt op een algemene waarde.
Er bestaat geen algemeen belang. Er bestaat slechts ónze erkenning van de wereld. En dat is
ons belang, ook wanneer we het willen uitbreiden over de gehele wereld. Het “IK” zelf is ook
hier de enige ware band tussen hogero krachten (ook de wereld van idealen en dromen) en de
werkelijkheid. Niemand, niemand kan daaraan deel hebben buiten het “IK”.
We kunnen zeggen; er is een woud met vele stammen en vele kruinen, die alle naar de hemel
reiken. Maar we kunnen niet zeggen; een stam draagt twee kruinen. Of; drie verschillende
stellen wortels - niet éénzijnde - voeden één boom. Zo is het met de mens. Wanneer wij macht
willen uitdrukken (dus magie beoefenen), wanneer wij inzicht willen gewinnen (de esoterie
beoefenen), dan zijn we daarbij dus gehouden aan het “IK”. En dat “IK”schijnt een van de
moeilijkste aspecten te zijn van het bestaan.
Aan de ene kunt is het uitermate complex; aan de andere kant is het doodeenvoudig. Enerzijds
kunnen we het grotendeels opbouwen en verklaren met stoffelijke feiten of met geestelijke

114 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

feiten; en anderzijds blijft er altijd ergens het hiaat, het onbegrepene, de missing link,
waardoor de eenheid, de continuïteit niet bewezen kan worden. Ik citeer maar weer:
Wat ben ik anders dan een leegte in een volheid van gedachten.
Wat ben ik meer dan een vraag in een wereld vol antwoorden.
Wat ben ik meer dan een eis in een wereld van overvloed.
Want mijn “ik” is voor de wereld negatief en niet kenbaar.
Maar ik kan niet leven uit de feiten; ik kan slechts leven uit mijzelf.
Zo zeg ik: Al wat waar en vast schijnt te zijn rond mij, bestaat voor mij niet.
Want daar, waar ik de wezenlijkheid van mijn persoonlijk bestaan ontken,
ontken ik alle leven, ook dat wat rond mij is.
U kunt de conclusie hier zelf aan toevoegen. Wanneer je van jezelf uitgaat, dan zul je heel
veel, wat waarschijnlijk of werkelijk lijkt, terzijde moeten leggen. Dan zul je moeten betrouwen
op je eigen innerlijk, je innerlijke stem. Ook wanneer daardoor de wereld schijnbaar niet meer
bij je past, want alleen vanuit jezelf vind je de volle betekenis.
Dan gaan we verder met andere symbolen. Want de symbolen zijn belangrijk. Er is geen ras
geweest, dat zo eigenaardig en zo intens heeft leren bidden als dit ras, dit volk. Vanaf het
ogenblik dat de mensheid tot bewustzijn ontwaakte op deze wereld - en dat was vóór hij het
genus homo was volgens de huidige normen - kende hij het bidden tot de geest, die hij
erkende. Daarna het bidden tot de krachten der natuur, het bezweren van ongekende
natuurgeesten.
Ook in deze dagen bidt hij. Bidden is hem ingeschapen. Wanneer je eenmaal een wereld
materieel te gronde hebt zien gaan zoals althans een deel der bewoners van deze wereld eens
hebben moeten meemaken, omdat ze behoren tot een vorig ras, tot een vorige golf dan blijft
je geen ander houvast dan het onwerkelijke, dat je voor jezelf werkelijk maakt en dat je God
noemt. De naam, die die God krijgt doet niet terzake. De naam is het symbool, dat je in jezelf
vindt. En in de letters, waaruit je die naam a.h.w. vormt, geef je de overeenkomst weer met
wat je daarin verlangt. Hebt u wel eens opgemerkt dat God en goed niet zoveel verschillen?
Got en gut? god en good, in vele talon.
Elders vinden we God als een aarde, die minder directe invloed heeft, maar God meer een
gevoelskwestie wordt. We vinden hen als Deos, Dieu, enz. Die naam Gods geeft aan wat de
mens erin zoekt. En zoals verschillende rassen in God verschillende waarden zoeken en
verschillende waarden erkennen (sommige een oordeel, sommige een bestaanskracht) zo
zullen wij met ons persoonlijk symbool voor het Ongekende, waartoe wij bidden en waar we
ons aan vastklampen, uiteindelijk alleen weergeven wat wijzelf zijn.
Dit ras moet rijzen tot een bewustzijn van het vrije geestelijk bestaan. Zolang het dit niet kan,
zal het aan zichzelf steeds ten onder kunnen gaan. Dan zal het zichzelf vernietigen zoals het
vorige ras, de vorige golf. Kan het er boven uit stijgen, dan zal het zijn redelijkheid in
stoffelijke zin moeten loslaten, dan zal het zijn symbolen moeten gaan beleven en stellen
boven alle andere dingen.
Dit zijn punten, waarover u verder kunt nadenken. Maar wanneer wij bidden, wat doen we
dan? Wanneer wij werkelijk bidden, dan huwen wij de emoties en de woorden. Wij geven
begrippen en idealen plus gevoelens gezamenlijk gestalte in klank. Er zijn verschillende
gebeden in de oudheid en verschillende in de moderne tijd, die een aardige weerspiegeling
kunnen zijn van wat ook voor de esotoricus en de magiër het gebed zijn. Het gebed is niet
altijd een smeken, ook al wordt het in die vorm vaak gegoten. Het is vaak een eisen.
Verder moeten wij begrijpen, dat in vele gevallen het gebed niet is een erkennen van God,
maar een zelfomschrijving. Ik citeer enkele gebeden, die elk voor zich voor mij een van deze
bijzondere waarden in zich dragen.
Gij Heer, die rijdt op de storm, Gij Heer van licht, ik roep tot U en vraag U; wil Uw dienaar
horen. Werp Uw schichten slechts om hem te beschermen. Kom tot hem en ga tot hem in,

EK 62 - 63 115
Orde der Verdraagzamen

opdat hij leven moge uit Uw Kracht en kennis. Schonk hem de gouden rijkdom van de
wapenrusting, die Gij draagt.
Hier eist de mens. Hij omschrijft zijn God als een die rijk is. Hij draagt het gouden pantser en
Hij is daardoor beschermd. Hij hanteert de bliksem (o, het is geen Griekse of Romeinse god,
waarover ik het heb). Hij heeft dus de grootste macht, die de mens zich kan voorstellen. Hij
rijdt op de volken. Hij kan vliegen. Hij is los van de aarde, van de gebondenheid, die de mens
als een bezwaar vindt.
De mens drukt zijn behoefte en geestelijk vrij te zijn uit in menselijke termen. Waar in wezen
zegt hij; Ik zou willen rijden op de wolken, vrij zijnde van mijn menselijk bestaan, gezekerd
door het harnas van goud (de rijkdom die mij ook op aarde soms beschermen kan). Ik zou de
macht willen hebben en te doen, omdat ik alleen door te doen mijzelf beschermen kan tegen
anderen. En veiligheid is: God zijn. En omdat ik dat zelf niet kan zijn moet er een God zijn, die
aan mij beantwoordt. Het symbool God is de behoefte aan kracht.
Ik vul dit aan met een citaat uit een inwijdingsleer uit diezelfde godsdienst;
En zo gij gaat voor het gouden altaar en Hem groet, Die is de zon, zo weet dat gij
aangegord zijt met die kracht. Want hij die waarlijk ingaat tot de poorten van het zevende
huis, hij kent deze kracht en hij is deze kracht. Hij gaat boven alle krachten, omdat in hem
het licht is. Zo neem de bliksem, zo neem het licht der wijsheid, zo meen het harnas der
kracht en ga tot de mens. Want uw kracht kan doden en redden door de kracht van de God,
Die gij eert.
Hier komt de overdrachtelijkheid tot uiting. Het ene gebed is openlijk; het andere is een
poging om te openbaren. Wij moeten realiseren dat wij één zijn met die God en uit die God
kunnen wij iets bereiken. Dan kunnen wij genezen, dan kunnen we doden, dan kunnen we
voorspellen. We zijn vrij van de materie en er toch deel van.
Dit laatste is een waarheid. Hoe meer ik mij bewust ben van de God in mijzelf, hoe meer ik die
God uitdrukking kan geven door mijzelf. Een tweede gebed:
Gij hebt mij Uw beden gezonden. Ik heb hun woorden gehoord en weet niet of ik ze heb
verstaan. Maar ik roep tot U, Gij Meester van alle dingen, Gij, eerste adem waaruit Al is
voortgekomen. Leer mij de boodschap verstaan; door mij de kracht te zijn, die uit Uw
kracht voortkomt en leer mij de taak, die Gij opdroeg door Uwe gezondenen, te vervullen.
Hier wordt de bede weer een andere. Het element van ik-zijn ligt er nog sterk in. De
gezondene (het element dus van de openbarende) maakt al duidelijk waarom het hier gaat.
Het is een gebed van een profeet, dat bewaard gebleven is. Deze profeet echter voelt, dat hij
met die profetie zelf niets kan beginnen. Hij weet immers niet wat ze betekent, hij kan zo niet
voldoende definiëren. En daarom doet hij een beroep op de hoogste kracht, opdat het duidelijk
worde. Voor hen is het symbool van de gezondene zeer waarschijnlijk het symbool voor zijn
eigen onbegrepen contact met andere werelden of waarden. Voor hen is het uitdrukking geven
aan de verduidelijking, die uit de hogere kracht komt, een erkennen dat zijn wezen in dit
opzicht niet volledig is. En het is gelijktijdig een overboord zetten van de behoefte en redelijk
te begrijpen. Want bewogen door een goddelijke kracht, die hij niet nader kan zien of kennen,
is alles wat eruit voortkomt voor hem automatisch goddelijk. En hij vraagt bovendien - vreemd
weer - de middelen en zijn taak te kunnen volvoeren; want hij identificeert zich met de
grootheid van de Allerhoogste en van degenen die tot hen gezonden zijn.
Deze dingen hebben op zichzelf dus een zekere potentie. En een van de meest moderne
gebeden, die dus ook een esoterische inhoud hebbon, is misschien wel dit;
Aarzelend verhef ik mij tot U, O Heer van Licht en kracht. U wijd ik mijn wezen. Want niet
bescf ik wat ik ben en waar ik moet gaan. Doch Gij, Dit, alle dingen kent, Gij kunt mijn
schreden leiden. Laat mij dan in U beseffen hoe ik een met allen kan zijn. Hoe ik met allen
gezamenlijk kan zijn: weerspiegeling van Uwr beeld. Want, mijn God, alleen uit U kan ik
vervullen en zondor U is mijn leven zinloos. (oebed van een kloosterling. )
Ik wil één zijn met God, ja, dat is goed. Natuurlijk, ik wil stijgen boven mijn eigen
beperkingen. Maar het symbool God is niet voldoende. Het symbool God moet worden
uitgedrukt in de wereld. De behoefte om de wortels en de kruin van de levensboom samen te
brengen, komt hier wel zeer sterk tot uiting. Daarom laat mij één zijn met allen. Hier is de

116 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

gedachte aan perfecte harmonie (Wereldharmonie) duidelijk, maar gelijktijdig het spiegelbeeld
van God.
Het kan niet God Zelf zijn. Want dan zou ik moeten erkennen dat ik mij volledig moet wijden
aan al wat rond mij is. Maar een spiegelbeeld van God, dat is mogelijk. Dan kan ik mij altijd
baseren op die God en zeggen: het is die God, die mij voert. Een afschuiven van
verantwoordelijkheid weer, omdat men in zijn menselijk weten en denken met bepaalde delen
van het “ik” niet klaar kan komen. En toch gebruikt men dus hier a.h.w. God als een middel
om de kracht in zichzelf te wekken.
Nu krijgen we als aardig voorbeeld, naast een paar zg. incantaties, die - gezien hun magische
inslag -schijnbaar van het gebed verschillen. Het gebed blijft smeken, de incantatie beveelt.
Maar ook in dit bevel is er een zich vereenzelvigen met een ongekende hogere kracht; is er
een schermen met een symbool, waardoor het “ik” de band tussen hogere wereld en lagere
wereld tot stand brengt. En er is nooit een ontkenning van dit “ik” als eerste oorzaak voor het
gehele verloop. het is het “ik” dat bepalend is. Wat zoudt u hiervan zeggen;
Gij geesten van de lucht, gij geesten van het vuur, gij geesten der wateren, gij geesten der
aarde, hoort mijn stem, want ik beveel u uit de geheime naam, die geschreven staat in het
zegel dat ik draag.
Ik spreek: tot u in naam van Hem, die gij kent, Hij die regeert in de zon; hoor mijn bevelen,
opdat de wil van Hem Wiens zegel ik draag vervuld zij. (En dan volgen de bevelen.)
Bij deze incantatie valt op: Ik geef mijn eigen wensen, naar ik vervul de wil van de Hoogste. Ik
spreek over een zegel (ik heb mijn totale emoties samengebracht in een beeld, dat voor mij
betekenis heeft) en de naam die daarin staat is voor mij de cosmos. En nu beroep ik mij op
alle natuurgeesten om mij te dienen, en aan mij onderworpen te zijn. Dan kan ik tot hen
zeggen; dien mij. Ik kan zeggen tot het vuur: verwarm. Tot de lucht; breng wind en koelte.
Tot de aarde; wees geduldig, vervul de kleine taken van leven, spreek tot het leven in de
mensen. Tot de wateren kan ik zeggen; behoed het vuur, zodat de warmte niet wordt de
laaiende gloed.
Dan heb ik dus een beeld gegeven. Maar dat hele beeld is afhankelijk van mijzelf. Ook hier heb
ik eigenlijk gebeden tegen God; God, laat mij God spelen. En dan kan ik incanteren als volgt;
In het woord Abraxos, in het woord Tirtos (?), in het Woord Aysos is mijn kracht.
gehoorzaan mij, gij dienaren der sterren, gij levenden der planeten, gij bezielende krachten
en geesten, gij die gaat door de natuur. Want dit is mijn wil; Laat er kracht zijn in de taak
die wij volvoeren. Laat de kracht kenbaar worden in een ieder. Opdat mijn wezen, dat de
goddelijke taak vervult, door U die ik daarvoor eren zal en erkennen, moge volvoeren te
grootse werken, mij opgelegd.
Typisch. In de eerste plaats wordt hier dus een zg. zegelwoord gebruikt; Abraxos. Dat vinden
we nl. in veel zegels terug. Ook in magische diagrammen. In de tweede plaats; Weer is het het
“ik”, dat de taak vervult. Mag ik op grond hiervan stellen;
Dit vijfde ras kan in vele symbolen het Ongekende uitdrukken. Het kan zijn eigen onbegrepen
persoonlijkheid daarin weergeven. Maar het kan geen afstand doen van zichzelf als eerste en
belangrijkste deel van dit alles.
In de tweede plaats; Zijn gezag ontlenend aan het Onbekende (aan de God die hij aanbidt)
kan de mens zich de werking van die God niet anders denken dan mede door zijn wezen.
In de derde plaats: Al zijn persoonlijke eigenschappen draagt de mens over aan zijn God of op
aan zijn God. Wanneer hij een deel daarvan ontkent, zal hij over het algemeen zijn God niet
meer zien als een vervullende kracht maar als een wrekende kracht.
Ten laatste: In magie en esoterie gelijk zoekt hij naar de bevestiging van een eeuwige kracht,
die hij vanuit zichzelf niet zonder meer hanteren kon. Hij kan dan zijn God overdragen op iets
anders. Hij kan Hem wetenschap noemen. Of hij kan Hem stellingen noemen of de theorie van
een bepaald systeem. Maar in wezen zoekt hij voortdurend hetzelfde. Hij zoekt de weg te zijn
tussen de stof, die hen niet volledig bevredigt en waarin hij niet in werkelijkheid volledig kan
leven en de droom, de hoge wereld, de sfeer, de eeuwigheid, waarmee hij zich verwant voelt,
maar die hij niet kent en waarvan hij slechts droomt. De band tussen dromen en werkelijkheid
is het “ik”. Het “ik” droomt echter, zolang het niet actief de krachten van het lage naar het
EK 62 - 63 117
Orde der Verdraagzamen

hoge en van het hoge tot het lage kan brengen. De mens vreest voor alles, wat daaruit
voortkomt en ontzegt zichzelf zo grotendeels de verwerkelijking van datgene, wat hij
theoretisch nastreeft.
Dan hebben wij, vrienden, hierbij een m.i. toch wel belangrijke les geleerd, n.l. dat ons leven
zelf, dat ook zekere symbolen en symboolhandelingen kent (zelfs gewoonten die symbolisch
zijn voor het een en ander) uiteindelijk in de plaats kan treden van het gebed, de bezwering,
ja, zelfs van de meditatie en de overweging.
Maar op het ogenblik dat het denken in strijd komt met dit wezen, roepen wij als enige
oplossing buiten ons aan en geven daarmee onszelf over aan de droom.
Zo eindig ik met een conclusie, die weer een citaat is;
Zo er een God is, leeft Hij in u. Zo er een leven is, zo is het Uw leven. Want zie, slechts wat
in uzelf is, kent gij met zekerheid en kunt ge indien ge verlangt in waarheid beseffen. Keer
u tot de waarheid, die in u leeft. En geef haar niet gestalte met woorden. Onderwerp haar
niet aan de kritiek van meesters. Maar vorm vanuit uzelf het begrip, waardoor gij leeft.
Vervul uzelf in alle dingen.
Want slechts wie zichzelf vervult zal beseffen hoe hij innerlijk leeft en wat de waarheid van zijn
wezen is. In hen wordt het Onbekende geopenbaard. Slechts wie in en vanuit zichzelf leeft en
zichzelf vervult zal de kracht bezitten, die hij nu toeschrijft aan anderen. Slechts wie zo
zichzelf verliest uit de wereld der beperkingen en ontwaakt tot de wereld der oneindigheid zal
waarlijk weten, dat God en leven gelijk zijn.
Ik hoop dat ik hiermee, vrienden, u een beschouwing heb voorgelegd, die uw interesse kan
hebben.
Wij hebben ook deze avond een leraar, die na de pauze onmiddellijk het woord tot u zal
richten en ik hoop, dat u aan zijn betoog ook de nodige aandacht zal geven. U weet, dat het
hier zeker ook geldt: ga af op hetgeen u in uzelf gevoelt en niet alleen op het woord. Vergeet
niet; het Woord is slechts het onbeholpen symbool voor de uitgebreide waarheid, die zich er
achter pleegt te verschuilen.
o-o-o-o-o-o-o-o
Tweede deal.
Leven is ervaren. De juiste ervaring is de harmonie. De harmonie is de eenheid met God in alle
dingen.
De weg van het leven is de weg der ervaring. Zo zijn er vele wegen, die alle toch één zijn. Er is
de weg van de krijgsman, die strijdt, omdat hij dit ziet als zijn plicht; hij is een waardig
krijgsman en hij vindt uit de krijg de vrede.
Hij die strijdt ommentwille van de strijd, strijdt ommentwille van zijn eigen gewin; hij strijdt
tegen zichzelve en hij vindt slechts duister.
Hij die werkt met mensen en werkt en in de mens zijn God te vinden, hij werkt met God en
met Diens krachten. Hij die werkt met de mensen om zijn eigen grootheid te bewijzen, hij
vindt zijn onmacht. Hij die werkt met de mensen en nacht te bezitten, hij gaat eraan ten
onder.
Hij die voortbrengt op de wereld, omdat in het voortbrengen zijn deel van de gemeenschap
ligt, hij vindt de harmonie met alle dingen en zo de wijsheid, die hen voert tot God. Hij die
voortbrengt om te bezitten, hij die voortbrengt voor zichzelve, hij maakt alle dingen
waardeloos en gaat eraan ten onder.
Zo is de weg het erkennen van de eenheid. Zo is het erkennen van de eenheid het ontkennen
van het persoonlijk belang.
Men zegt tot u; Heb elkander lief. Maar zo ge uzelve niet aanvaardt en bemint, hoe kunt ge
anderen beminnen?
Men zegt tot u: Doe goed aan anderen. Maar hoe kunt ge goed doen aan anderen, zo gij in
uzelf niet eerst de vrede bezit, waaruit het goede voortkomt?

118 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Zo zeg ik u; Ga uit van uzelf, want gij zijt uw weg. Zoek de harmonie die past bij uw wezen,
want zo slechts kunt gij harmonie vinden met God.
Zoek de weg van leven die past voor u, omdat gij u daarin geven kunt zonder slechts voor
uzelf te streven. Want slechts zo vervult gij uw taak binnen de gemeenschap.
Indien gij wilt ingaan tot uzelf, besef wel, dat wie zichzelve kennen wil God vindt. Want een
ieder, deel zijnde van de grote Kracht, kan zijn waarheid eerst vinden wanneer hij deze Kracht
ondergaat.
Men zegt tot u; Dit zijn de woorden, dit zijn de regels, dit zijn de wetten.
Maar ik zeg tot u: Al wat regel en wet is is dood, tenzij het voor u het levend deel is van de
God, die gij erkent.
Doe goed aan elkander, niet door aan anderen te doen wat gij als goed ziet, doch aan anderen
te geven wat zij voor zich verlangen en begeren, zo gij het geven kunt.
Want waarlijk, hij die de dorstige spijs geeft en de hongerige slechts drank, hij verbittert zijn
lot, hij kwetst anderen en hij kan nooit vanuit zich het juiste doen.
Maar wie vraagt; zijt gij dorstig? en lafenis schenkt, Wie vraagt; zijt gij hongerig? en spijs
geeft, hij leeft in de ander en door de ander leeft hij voort, deel van een groter geheel.
Men heeft gezegd; zegen uw naaste En ik zog u; Gij kunt uw naaste niet zegenen, gij kunt uw
naaste niet vervloeken, omdat dit slechts kan voortkomen uit de grote Kracht. Gij kunt slechts
geven de vrede met alle dingen, gij kunt geven de onvrede met alle dingen. En dat wat gij
anderen geeft, schenkt gij ook uzelve.
ZO vervloek niet en zegen niet, maar deel uw wezen met anderen, opdat de rijkdom van uw
persoonlijkheid deel zij van het geheel en opdat het geheel spreken moge in u persoonlijk.
Gij zoekt naar kracht. En ik zeg u; Een kracht zult gij vindon buiten u, zo gij niet eerst de
kracht vindt die in u is. Want waar wij spreken tot u, en gij niet spreekt tot uzelf, zult gij niet
horen. waar de Schepper Zelf u Zijn kracht geeft en gij niet sterk wilt zijn in uzelf, zijt gij
krachteloos. Een ieder is zelf zijn weg, een ieder is zelf zijn kracht, een ieder is zelf zijn leven.
Gij zoekt naar schoonheid. Maar indien gij niet in uzelf schoonheid draagt en ze zien wilt in de
wereld rond u, zo zal de hatelijkheid van het leven zijn de gestalte van uw eigen
persoonlijkheid. Doch zo gij uzelve geeft, de schoonheid uit uw wezen leggend in al wat gij
rond u ziet, de vrijheid van uw gedachten gevend in al wat gij rond u erkent, zo zult ge weten
wat de schoonheid is, die de schepping regeert.
Gij zoekt naar recht en naar gerechtigheid. Doch zo gij oordeelt, veroordeelt gij uzelve. En zo
gij niet oordeelt, verloochent gij uzolve. Oordool daarom slechts uzelve, wetend dat slechts gij
voor de wereld kunt spreken, indien gij spreekt over uzelve.
Doch spreek geen oordeel over uw wereld uit, opdat gij niet uzelve veroordele.
Woorden zijn u gegeven als een kostelijk goed. Maar hoe kan een woord klinken, indien gij het
niet spreekt?
U zijn gegeven dromen en gedachten. U is gegeven een leven, dat vibreert met ongekende
waarden. Maar zo gij het niet uit, hoe kan het ooit leven voor u?
Zo zog ik u; Vermijd de dood, die ontstaat door de ontkenning en aanvaard het leven, dat
komt uit de erkennende bevestiging.
Er was een mens die arm was, want niets noemde hij het zijne. Er was een mens die rijk was;
want zie, zover het oog reikte was hij heer over het land. De zon kwam en zij verschroeide het
land. En de rijke klaagde en steunde. Doch de arme koesterde zich in de stralen der zon. Er
kwam een tijd, dat vreemde groepen binnenvielen en brandden en plunderden. En zie, de
arme bleef ongedeerd, doch de rijke werd vervolgd. Want hij die niet bezat was rijk, hij die
bezat was de arme.
Wat gij niet uw eigen noemt, doch slechts ziet als een koestering van de stralen van licht en
lven, dat maakt u rijk.

EK 62 - 63 119
Orde der Verdraagzamen

Dat wat gij beschouwt als uw eigendom en beschermen wilt tegen de wereld, dat maakt u
arm. Wees daarom arm, opdat gij rijk moogt zijn.
Ik zeg niet tot u; Verwerp dat wat het leven u geeft. Maar ik zeg tot u; Neem niet dat wat het
leven u geeft als uw eigendom, als uw recht en uw verplichting, opdat gij niet arm moogt
worden in alle dingen, die eeuwige waarde hebben.
Gij zoekt naar zekerheid. Gij kunt niet zeker zijn in deze tijd, zoals gij niet zeker kunt zijn van
uzelf en van wat gij zoekt in enige wereld. Doch wie zijn zekerheid zoekt in de erkenning van
zijn bestaan en uit zijn bestaan zelve herkent de God, Die leeft, hij is zeker in alle dingen. Wie
echter vreest, hij sterft voortdurend. Hij lijdt en nimmer is hij waarlijk levend.
Gij wilt deel hebben in de kracht, die leeft. Gij wilt deel hebben in het licht, dat is. Gij wilt deel
hebben in een vrijheid, die is de vrijheid Gods, levend in alle sfeer en wereld, ook de uwe.
Daarom zeg ik tot u; Indien gij deel wilt hebben aan het licht, tracht licht te zijn. Want wie in
zich een vonk draagt, hij zal ontwaken en erkennen; ik ben als de zon. Doch wie in zich geen
vonk licht weet te maken, voor hem is het licht alsof het nooit geboren ware. Hij is een kind
der duisternis. Gij wilt deel hebben aan de kracht van deze tijd. Breng in uzelf dan een weinig
kracht op, opdat uit uw streven en wil geboren worde de kleine kracht, waarin de grote zich
uit. En gij zult zien, dat gij wonderen verricht en bergen verzet, wanneer gij ontwaakt uit uw
droom.
Doch zo ge meent dat ge zwak zijt, zo ge meent dat ondergang u bedreigt, zo ge meent dat ge
niet kunt volbrengen slechts het weinige, dat u gevraagd wordt, zo zal er geen kracht zijn die
u behoudt. En gij zult, de krachten niet ervarend, de tijd ondergaan als een vervloeking. Gij
zoekt de vrijheid, die is het beeld van de lichtende vrede en de harmonie, die deze tijd regeert.
Leer dan eerst voor uzelve vrij zijn. Want zo gij uzelve ketent met begrippen als schuld, met
begrippen als falen, hoe kunt ge vrij zijn? Hoe kunt ge vrijheid aanvaarden? Daarom zeg ik u;
Erken de fouten die gij maakt, maar nimmer een schuld die u is opgelegd, tenzij zij geuit
wordt door de cosmische wet en buiten uw wezen en bedoeling.
Vervul uw lot, maar wees vrij van alle veroordeel, van alle zelfverwijt. Leef om deel te zijn van
deze tijd en deze kracht. Leef nu! En vraag u niet af wat was of wat wordt. Dan eerst zult gij
weten wat ware vrijheid betekent.
Gij zoekt een antwoord op uw vragen. Maar indien gij een antwoord wenst op uw vragen, leer
eerst uw vraag te stellen. Want hij die juist vraagt, vindt het antwoord, omdat het antwoord
en de vraag een zijn. Hij die niet juist vraagt, zal nimmer een antwoord vinden. Het antwoord
voor uw wezen, tijd, voor uw leven, is altijd weer; wat is waar? Bedenk dan dat waar is dat,
wat gij waarlijk leven kunt. En dat alles onwaar is wat gij niet leven kunt. Dat wat voor uw
wezen belangrijk is, wat gij in daden erkent, wat in u leeft als droom en uiting vraagt, dat is
waar.
En dat, wat gij rond u ziet en wat een ieder waar noemt, maar dat uw wezen niet beroert, is
voor u en leugen. Leef uw eigen waarheid, opdat de waarheid van het leven voor u kenbaar
worde.
Gij vraagt om hulp. De hulp die u gegeven wordt is de eeuwige kracht zelf, ook wanneer zij
geuit wordt door een dienaar van het licht, door de geest. Het licht zelve nu kan niet
antwoorden op uw smeekbeden om hulp, tenzij gij zelve begint. Hij die de eerste schrede zet,
wordt de rest van de weg soms gedragen. Maar hij die stilstaat en slechts om hulp bidt, hij is
verlaten.
Vraag verder niet naar mensen. Wie vraagt naar mensen, vraagt naar de vele verschillen en
beperkingen, die de mensheid vormen. Vraag naar het leven, het leven dat in allen gelijk is.
Want waarlijk, wordt u niet kracht en licht gegeven, omdat gij mens zijt, maar omdat gij leeft.
En waarlijk wordt geen verschil gemaakt tussen u en ander leven. De nietigste plant, zich
verbergend tegen de aarde voor de wind, heeft deel aan de kracht, omdat zij leeft zoals gij. En
wie de kracht aanvaardt, hij is rijk in kracht. En wie de kracht verwerpt gaat eraan ten onder.
Leringen zijn misschien te eenvoudig. En toch wil ik u dit zeggen;
Slechts wie in zich de eenvoud vindt, vindt de waarheid. Wie in vele woorden ondergaat, hij is
als één, die tracht te zwemmen onder het water der rivieren. Zijn adem ontbreekt hem en hij
moet zijn gang onderbreken om te leven.

120 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Wie eenvoudig is echter en zich drijven laat door de stroom, hij leeft, hij ademt en zie: de
kracht van de rivier voegt zich bij de zijne. Besef dat eenvoudig-zijn niet betekent simpel zijn,
beperkt van geestvermogens. De eenvoud is de beperking van de geest tot het essentiele.
Want alleen het waar belangrijke kan uw leven helpen vormen len eiden tot een einddoel en
een bestemming. Al hetgeen gij zegt om het eenvoudige te verklaren is onbelangrijk, want gij
leeft niet de verklaring.
Al wat gij zegt om een mening waar te maken, die gij niet als waar ervaart, is nutteloos, want
gij kunt niet met gedachten een waarheid maken. Maar gij kunt slechts door uw gedachten een
vorm geven aan de erkenning van de waarheid.
En zo gij eenvoudig kunt zijn, zo zult gij ook leren en te geloven.
Want waarlijk geloven is niet aanvaarden zonder meer, maar het is antwoorden op de stem die
in je spreekt, zonder eerst te vragen; wie is zij? Waarom spreekt zij, en wat zegt zij?
Geloven is; in jezelf beleven.
Wat ge in uzelf beleeft in eenvoud, is niet slechts waarheid, schoonheid en recht, maar het is
de bereiking van de harmonie, waardoor de mens één is met de Oneindigheid waaruit hij
voortkwam.
En nu wil ik trachten u duidelijk te maken waarom ik gezegd heb; zegen niet en vervloek niet.
Want, kan ik u zegenen? Kan ik u iets geven wat ge zelf niet ervaart en aanvaardon kunt?
Maar indien gij de kracht, die in mij leeft, aanvaarden wilt en begeert als een kracht, die ín u
leeft, dan zult ge ze kennen.
ik geef u míjn kracht, die niet is de kracht van mijn persoonlijk wezen, maar de levende kracht
die ook in u bestaat. Aanvaard gij die kracht, zo neem haar.
In mij is het licht, dat is erkennen en weten. Maar het is niet míjn weten en míjn erkennen
alleen, het is de waarheid van het leven zelf, die in mij bestaat. Wenst gij het licht: Laat de
waarheid in u ontwaken. Ik geef u mijn waarheid. Maar slechts indien zij u eigene is, bezit gij
het licht.
Zo ge wilt, aanvaard dit licht . . .
Ik heb u lief en alle leve lief. Niet opdat gij mij behoort of ik u behoor, maar omdat wij zijn:
één in wezen en kracht, één in oorsprong. Zo gij het leven kunt aanvaardon zoals het is, met
al wat daarin leeft zoals het is, zo zult gij de liefde in uzelf dragen.
Weet dat liefde is; de harmonie waarin het “ik” zich vermengt met het leven, omdat in alle
dingen slechts het hoogste een ieder tegemoet kan treden.
Wenst gij deze liefde? Zo aanvaard haar.

Nummer 11.
Esoterische Kring. Juli 1963.
Ik zou deze avond uw aandacht willen vragen voor enkele sprekers, die niet van onze Orde
zijn. Het is een wat eigenaardige avond, deze laatste avond in het seizoen voor deze groep.
Wij hadden ons oorspronkelijk voorgenomen nog enkele punten van de esoterie ter sprake te
brengen; dit kunnen wij nu misschien een volgend jaar doen.
Een drietal sprekers heeft zich aangemeld, die behoren tot de grote Broederschap. Ik weet niet
of één of meer van hen Meesters zijn, naar dat is niet belangrijk. Hetgeen zij u gaan zeggen is
ongetwijfeld in de eerste plaats levenswijsheid, maar daarnaast ook wel speciaal georiënteerd
op deze dagen en deze tijd.
Wij geloven - wij weten het niet zeker - dat het volgend jaar vaker zal voorkomen dat
dergelijke sprekers aanwezig zijn, naar wij moeten wel beseffen dat de frequentie en de
intensiteit van hun optreden en al wat daarmede samenhangt sterk gebonden is en blijft aan
de kring.
Wanneer deze kring een goed resultaat geeft, wanneer zij een bron van licht wordt, dan zou
het mij niet verwonderen, wanneer wij van de Orde aan deze bijeenkomsten eigenlijk niet eens

EK 62 - 63 121
Orde der Verdraagzamen

meer te pas konen. Blijkt daarentegen dat de groep het alleen naar “ondergaat” - zodat het
weinig nut heeft - dan is de mogelijkheid groot dat wij zelf meer te doen krijgen.
Mag ik nu uw aandacht vragen voor de eerste spreker? Zo mogelijk laten wij deze onmiddellijk
volgen door de tweede spreker. De derde spreker komt na de pauze. Ik hoop dat u met
dezelfde aandacht zult luisteren als ik dat ga doen.
Vrienden
Er is altijd een ogenblik dat een mens wordt geconfronteerd met zijn eigen wezen, zijn eigen
persoonlijkheid. En altijd weer vechten wij dan de strijd met de bittere, de strijd met wat wij
noemen de zonde, of met wat wij misschien zelfs onze deugden noemen.
Waar de mens in deze strijd over het algemeen alleen staat en weinig hulp vindt bij alle
leringen daaromtrent gegeven, wil ik op deze avond trachten u enkele kleine facetten te tonen
van de grote werkelijkheid en in deze facetten tevens voor u een weg vastleggen, die strookt
met de ontwikkelingen en tendenzen van uw dagen; met de grote geestelijke krachten, de
grote wijsheid, die nu tot uiting komt, kortom een weg die geheel is aangepast aan uw eigen
mogelijkheden en aan de kracht rond u.
Al wat ik zonde noem is een vergrijp tegen mijn eigen Wezen. Tegen mijn Schepper kan ik mij
niet vergrijpen. Waar ik tegen mijzelf strijd zonder dat deze strijd mij een beloning inhoudt,
strijd ik vergeefs.
Het is voor mij niet belangrijk deugd, zonde, verdienste, nalatigheid te schetsen. Wat voor mij
noodzakelijk is en voor u is in mijzelf na te gaan op welke wijze ik goed leef. Goed leven is
altijd ook; gelukkig leven. Wie ongelukkig is, is in strijd met zichzelf. Wie in strijd is met
zichzelf, is ook in strijd net zijn God,
Gelukkig leven wil niet zeggen je verzadigen aan alle dingen. Het wil slechts zeggen,
voortdurend het leven ervaren als een gunst, als een vreugde, als iets waarmee je iets
bereiken kunt.
Er zijn mensen die zichzelf tot martelaar maken voor een zaak. Soms doen zij dit door zich al
klagende op te offeren voor anderen, of hun leven te offeren voor een ideaal. Men moet
begrijpen dat martelaarschap nimmer in overeenstemming is met de grote werkelijkheid.
Wie zich opoffert om zichzelf trouw te kunnen blijven, handelt juist. Wie zich echter opoffert
omdat de wereld zijn opoffering zal zien en erkennen, streeft slechts naar zichzelf; zijn offer
heeft geen enkele waarde en zal hoogstens voor de wereld disharmonische tendenzen langer
continueren dan noodzakelijk is.
Er zijn mensen die spreken van mensenwijsheid. De wijsheid der mensen is de basis van het
menselijk denken. De kennis der mensen is hun mogelijkheid om hun eigen wereld te
verklaren en te hanteren. De werkelijkheid behoort niet tot een van deze dingen, zij grijpt
verder dan de menselijke wijsheid, zij gaat verder dan het menselijk weten kan of durft
veronderstellen. Stel daarom uw vertrouwen niet in uw wijsheid en niet in uw wetenschap,
naar betrouw in de eerste plaats op uzelf. De kracht die in u is en uw leven vormt, is de kracht
die rond u is. In deze zin zijt gij deel van de werkelijkheid en omgeven door de Werkelijkheid.
Wie echter de ogen sluit voor deze werkelijkheid, doet zichzelf onrecht, verliest de
mogelijkheden tot bewustwording, verliest al hetgeen wat waarde heeft in een menselijk
bestaan, zelfs zijn gelijk.
Er is gezegd; zalig zij die treuren, want zij zullen getroost worden. Maar de treurnis, waarover
men zo getroost wordt, is niet de treurnis van een verlies. Niet het leed dat ontstaat omdat
men minder heeft dan men zou willen, of niet bezit wat men begeert. Daarvoor bestaat geen
enkele troost die de mens niet in zichzelve vindt.
Maar hij die verkeerd handelt en verzadigd wordt van datgene wat hij nastreefde, zal treuren
en wat hij meende verloren te hebben. Maar hij zal getroost worden omdat hij verder levende,
opnieuw; en juister zal streven.
Er wordt gezegd; zalig zijn de armen van geest. Maar armen van geest zijn niet dwazen of
dommen. Arm van geest is de mens, die geen bezit in zichzelf erkent, hetzij wijsheid of kennis,
maar beseft dat hij leeft uit de Wijsheid en de kennis van de cosmos, zoals de mens ademt in
de atmosfeer van zijn wereld. Zalig zijn de armen van geest omdat zij hun bezit hun geestelijk

122 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

bezit niet trachten te beschermen of te verdedigen, omdat zij in staat zijn te ontvangen wat
hen gegeven wordt.
Er wordt gezegd dat Jezus, de Meester in zijn zaligprekingen de grote wijsheid heeft
neergelegd van heel zijn leven. Dat dit de kern is van zijn openbaringen. Dat is waar. Maar ik
zeg u dat de mensen niet begrepen hebben wat hij heeft gezegd. En daarom moeten wij deze
dingen herhalen in een eenvoudiger en bevattelijker vorm.
Al wat ge ontbeert, wordt u eens gegeven. Niets van hetgeen voor u noodzakelijk is, wordt u
blijvend onthouden. Er is geen kracht, geen wijsheid, geen mogelijkheid die u niet gegeven
wordt, maar zij die menen te bezitten, verdedigen het weinige wat zij hun eigen noemen tegen
het vele wat hen geschonken wordt. En daarom zijn zij die hun armoede, hun gebrek, hun
eenvoud durven erkennen, gelukkig.
In deze nieuwe tijd zal de mens, die ontvangen kan wat rond hem is, rijk zijn. Hij, echter, die
in de eerste plaats zoekt naar datgene wat zijn eigendom is, wat hij beschouwt als zijn
verworvenheid, zijn bezit, zal daaraan ten onder kunnen gaan.
God is kracht, uw leven is kracht. Maar wat is een kracht die niet beheerst en gericht wordt?
God Kunt gij niet beheersen, naar gijzelf kunt meester zijn. Meester zijn over jezelf in de juiste
zin, betekent niet: in staat zijn jezelf alles op te leggen zonder zin, maar het wil zeggen dat je
je pogen en je streven steeds weer richten kunt elk ogenblik voor korte of lange tijd op een
doel.
Dat je jezelf geven kunt in elk streven en zoeken, geheel en zonder voorbehoud. Dat je niets
als een belemmering beschouwt voor de verwerkelijking van hetgeen je erkent als
noodzakelijk. Slechts zij die bereid zijn een erkende noodzaak te vervullen, ongeacht de
mogelijke gevolgen, ongeacht het voorbehoud dat door anderen wordt gemaakt, zijn degenen
die bereiken.
In hen is de kracht werkzaam, door hen zal deze kracht steeds verdergaan. Van hen uit zal zij
de wereld kunnen verzadigen. Er is altijd een kracht die met u gaat. Geen geleidegeest of een
engelbewaarder, het is de kracht Gods. Deze kracht draagt in zich een bewustzijn. Zij is niet
slechts de onwetende, de potentiële energie die wacht op uw ontplooing. Met u gaat een weten
dat ge niet in woorden kunt uitdrukken. Het is de hiaat die in uw wezen schuilt. Tracht niet de
hiaat te vullen. Ge kunt dit zelve niet.
Aanvaard uzelve, zoals ge uzelve vindt. Maak het boste gebruik van uzelf, dat ge maken kunt,
van alle gaven u gegeven. Maar besef dat gij de hiaten van uw wezen niet stoffelijk kunt
vullen. Erken haar. Erken dat ledig punt waarin gij niet weet hoe te handelen, hoe te zoeken.
Zodra gij dit doet wordt het ledige, het onwetende dat in u schuilt actief. En dan zult ge
erkennen, dat juist dit element, dat naar gij meende niet te definieren is, een uitgesproken
invloed op u heeft.
Zonder uzelf te kennen zult ge weinig bereiken. Uzelf geheel kennen, kunt ge niet. Aanvaard
dan datgene wat ge niet kunt van uzelf en laat de kracht rond u daarin spreken. Uw wereld
vraagt naar daden. Maar een daad die men zelf stelt is alleen aan het ”ik” gebonden. Wie zijn
daden bindt aan anderen en ze van hen afhankelijk maakt, verliest zijn vrijheid. Vrijheid is
noodzakelijk omdat slechts een, die vrij is van de stof, het niet-stoffelijke waarlijk dienen kan.
Omdat slechts degeen, die het Hogere Licht boven alle dingen stelt in dit licht de ware
dienstbaarheid kan vinden. De hoogste vrijheid is te dienen uit eigen overtuiging, in erkenning
en zonder voorbehoud.
Er zijn in deze dagen besluiten gevallen over uw wereld. Maar zij beroeren u niet, tenzij gij
uzelve gebonden hebt aan die wereld. Hoe meer gij innerlijk vrij zijt, hoe meer gij die vrijheid
ook van toepassing verklaart op de uiterlijke wereld, zonder daarbij die vrijheid als doel te zien
op zichzelf naar wetend dat men alle dingen kan verlaten wanneer het noodzakelijk is en te
bereiken, zo zult ge in deze besluiten mee kunnen werken en er toch niet aan gebonden zijn.
Wanneer een grote kracht, een grote Meester tot u komt, dan spreekt hij tot u in symbolen en
beelden. Niet is belangrijk het woord zoals het gesproken wordt, maar de weerklank, die het
vindt in uw wezen. Leer alles op aarde in, uw wezen verstaan en bind het niet aan de woorden
van anderen. Geen uitleg, maar een weerklank is noodzakelijk en werkelijke vruchten af te
werpen in deze tijd.

EK 62 - 63 123
Orde der Verdraagzamen

Ten laatste; besef dat alle dingen tijdloos zijn wat gij vreest voor morgen bestaat reeds sedert
het begin der tijd en zal bestaan tot het einde der tijd. Dat wat gij begeert voor heden of voor
morgen, bestaat van het begin der tijd tot het einde der tijd. Er is dus niets wat niet eens
verwezenlijkt worden kan. Er is niets dat ge kunt vrezen en door uw angsten kunt ontgaan.
Maar gij kunt voor uzelf wel degelijk kiezen wat gij maken zult van dit patroon der eeuwigheid.
Wanneer ge dit beseft, zo zult ge zeggen tot uzelf: laat mij heden de taak van heden vervullen
volgens mijn beste weten en innerlijke stem, zonder te vrezen, zonder te begeren naar wat
morgen komt. Want in het heden vervul ik de werkelijkheid, indien ik leef volgens mijzelf.
Maar wat ik terugzoek uit een verleden of wat ik zoek in een toekomst, is geen werkelijkheid
voor mij en daarom zal ik het nimmer ondergaan, nimmer beleven zoals voor mij noodzakelijk
is.
Indien ge deze beelden wilt vasthouden, dan zult ge daarmee een begin maken met de
aanpassing van uw wezen aan de tijd, die nu is. De tijd die altijd is geweest, maar die nu voor
uw wereld van kracht wordt,
Wees vrij. Wees u van uzelf bewust, besef dat genade iets is dat in u leeft, een kracht die zich
door u uit. Niet iets dat u wijzigt. Besef dat zonde de angstgedachte is die gij zelf bouwt,
waardoor ge uzelf en uw daden tracht te ontkunnen en zo in uw tijd de waarheid van het leven
en uw mogelijkheid tot goed handelen vernietigt.
Besef dat elke grootmeester in deze tijd spreken zal op zijn wijze met zijn eigen woorden maar
dat hij om verstaan te word en, moet leven in u. Zo ge dit wilt aanvaarden en beseffen, kan ik
het woord overgeven aan mijn broeder en Meester,
Goedenavond vrienden.
Er waren eens drie mannen, die door drongen tot aan de bron der wijsheid. En een van hen
zeide: Wijsheid is kostbaar. Hij dronk en dronk en werd ziek. Hij gaf alle wijsheid van zich en
daarmede veel van datgene wat hij reeds in zich droeg.
De tweede zeide: Ik ben gekomen, laat mij drinken. En hij dronk matig, maar snel. En ziet, het
werd hem tot een smart en in pijnen wentelde hij zich naast de bron, tot de tijd hem genas.
De derde zette zich neer, hij beschouwde het spiegelend vlak en eerst toen hij voelde dat
hijzelf tot rust was gekomen, dronk hij van de wijsheid. En ziet, deze laatste was een wijze.
Het is eenvoudig om te zitten bij de bron der wijsheid. Maar zo gij - als zovelen - de wijsheid
begeert, zal uw begeren u zelf niet van de wijsheid verwijderen? Gij kunt niet in en ogenblik
veranderen van een kind in een grijsaard; en zo kunt ge niet in een ogenblik veranderen van
een aardgebonden mens in een wezen vol cosmische wijsheid.
Daarom; beschouw de wijsheid vóór ge haar tot u neemt; maar laat haar dan deel zijn van uw
wezen. En zelfs indien ge wijs zijt, wat heeft de wereld u te zeggen? Er was een wijze, die alle
dingen doorgrondde. Zijn oog zag door de bergen de glinsterende kristallen en de goudaders.
Hij zag in de aarde de verborgen schatten van het verleden. Hij schouwde in de hemelen en
zag daar het leven. En hij was druk, druk, altijd om te vertellen wat hij had gezien en te
schrijven wat hij had waargenomen.
Er kwam een tijd dat hij moest rusten en naast zich zag hij een die waarlijk sterker was dan
hij. Een die hij dwaas had gedacht, omdat hij niet luisterde naar zijn woorden en die nu vrolijk
danste, waar hij uitgeput wachtte op het komen van een nieuwe levensdag. En hij zei tot het
Onbekende; Ik die alle dingen doorschouw, ik die alle dingen weet en ken en doorzie en die
alles beschrijf, ik ben krachteloos en deze heeft kracht. Waarom? En zo schouwde hij in het
verleden (want ook deze gunst was hem gegeven). Hij zag een mens die met vreugde de
vruchten van de bomen at, die speelde en het gras voelde tegen zijn huid; die vermoeid rustte
op de aarde en haar uitwaseming in zich opdronk als nieuwe kracht; een die de mensen zag en
lief had, een die door de bergen schouwde, naar wiens hart klopte met hun grootheid.
Maar nog besefte hij niet, dat het verschil is; de aanvaarding. Want wie het leven liefheeft, hij
leeft de kracht van alle leven. Wie aldoor schouwt en niet door liefde verbonden is met het
leven, voor hem is alles nutteloos. Een last die vermoeit en een kennis die hem geen invloed of
inzicht geeft, maar hen uitput vóór zijn dagen.

124 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Wanneer ik tot u spreek in deze gelijkenis zult ge beseffen, dat het belangrijker is om een
ogenblik de eenheid te voelen met natuur en leven dan alle woorden van de wereld te proeven
en te bezitten.
Dat het belangrijker is in een gevoel van eenheid met het leven en het levende een enkele
daad te stellen, waardoor je die eenheid bevestigt dan alle dingen te kennen. Er is meer; Er
was een wijze, een mahatma, een goeroe, die neerzat temidden van zijn leerlingen, en tot de
nieuwste van hen had hij gezegd; ga uit en verzamel voedsel voor mij en de mijnen. Zij waren
uitgegaan.
Toen concentreerde hij zich en zond zijn gedachten uit tot allen, met hem in gedachten
versmolten, zouden kunnen stijgen tot nieuw begrip. En toen zijn ziel het hoogtepunt bereikte
en hij een ogenblik zocht naar een leerling die met hem gestegen was, ziet, het was een van
hen die hij had uitgezonden. Want deze was met zijn ziel verwant.
Laat ons ook dit begrijpen. Een meester, een leraar kan u veel brengen. Maar wat kan hij u
brengen dat belangrijk is, zo het reeds niet leeft in uzelf? De weg die gij gaat, kan hij voor u
tekenen, duidelijker en scherper. De kracht waarnaar gij streeft, kan hij u beter doen zien. Het
leven dat in u is, kan hij u sterker geven. Maar indien gij zoekt in hem en niet in uzelf, is er
geen band.
Deze drie onbelangrijke beelden zijn niet veel meer dan een schim van wat besloten is. Want
ziet, de Meesters trekken uit over de wereld, en wie de wereld Meester noemt, - en die niets
zijn dan een bron van gedachten, die verder kan stijgen in het lichtende werkelijke dan
anderen - zij komen tot de wereld.
Maar wat Kunnen zij u geven? Wijsheid? Zo gij te veel drinkt van de wijsheid, maakt zij u ziek.
Of gij kunt haar niet in uzelf behouden. Wees matig. Want besloten is u wijsheid te geven,
maar zo ge haar misbruikt, zal het voor u smartelijk zijn. Beschouw de wijsheid die tot u komt
in deze dagen, en zelfs de kracht die u gegeven wordt. En als ge haar beschouwd hebt, een
besluit hebt gevormd, u in harmonie hebt gevoeld daarmede, neem dan naar believen. En het
zal u sterken.
Er is ook besloten dat de wijsheid die men de mens geeft, zal worden verdeeld in twee delen.
De wijsheid van de handwerksman - de bekwaamheid dus en de wijsheid van de geest - de
Wijsheid van de ziel, die het lichaam verlicht, doortrekt en doortintelt als het levende sap van
een boom en doet groeien naar zijn ware bestemming.
Wanneer u wijsheid geboden wordt, zie na of dit de wijsheid is die gij van node hebt. Er wordt
in de wereld u aan mogelijkheden onmetelijk veel geboden. Meer vreemde ervaringen en
toevallen zullen uw pad raken dan ge nu kunt overzien. Want oorzaak en gevolg worden
geleid, maar gij zijt het die zult moeten beseffen wat dit is.
Vooral echter zijt gij het, die zult moeten leven met die kracht met dit ingrijpen in de oorzaak
en gevolgwetten waardoor nieuwe voorkeuren ontstaan. Gij zijt vrij, naar indien gij al deze
dingen doorziet en uw wezen niet het leven liefheeft, baat het u niet.
Heb eerst het leven lief, heb eerst uw wereld lief en de krachten van de geest, die rond u zijn,
en tracht dan de wijsheid u gegeven, de bekwaamheid u geschonken, te aanvaarden en
ermede te werken.
Zo u gaven gegeven worden in deze dagen en dat is zeer wel mogelijk gebruik ze niet
onmiddellijk, maar laat ze in uw wezen rusten totdat gij voelt, dat wat gij ermee doet, wat gij
ermee nastreeft, deel is van een wereld, die gij aanvaardt en liefhebt.
Er is besloten om in deze wereld uit te zenden vele leerlingen en vele krachten. Elk van hen
wordt een bijzondere gave gegeven. Laat u daardoor niet verwarren.
Want ziet: een vorst zond tien boden uit. Elk van hen in een ander gewaad. En hij zeide tot
hen; ik geef u goud opdat de armen verzadigd worden. Maar zij die de gaven aanvaardden,
zeiden: Gij hebt van een andere kleur genomen en zo is dit goud demonisch en niet van onze
vorst.
En zij hebben elkander vernietigd om het goud en de honger niet gestild, maar eerder de
honger doen toenemen. Zo zelfs dat het goud de honger niet verzadigen kon, daar het niets
kon kopen.
EK 62 - 63 125
Orde der Verdraagzamen

Wees wijs. Wanneer iemand tot u komt met een bijzondere gave en een bijzondere kracht, zeg
niet; deze geeft mij een gave van een vorst, een ander geeft mij slechts gaven.
Vraag u af; heb ik de gave van node? Aanvaard haar, want zij die aanvaarden zonder vragen
worden verzadigd. Maar zij die hun gaven zien als een voorrecht en er zich op beroepen, zo de
gaven van anderen bestrijden, zij gaan ten onder aan wat hen geschonken wordt.
Gij zoekt wijsheid. Gij zoekt kracht, gij zoekt leven. Wijsheid, kracht en leven worden u steeds
weer gegeven. Maar onthoud dit; een man had een grote schat; een lichtende edelsteen, wier
flonkeringen het duisterste vertrek maakte tot een zee van stralend licht. En zozeer vreesde hij
dat zijn schat hem ontnomen zou worden, dat hij haar wegborg en begroef in de aarde.
Slechts een enkele maal dorst hij schouwen op zijn schat en toen hij stierf was zij verloren.
Kracht, wijsheid en leven worden u gegeven, indien gij niet vreest om deze dingen te zien als
deel van het normale. Wanneer ge aanvaardt dat ge desnoods iets daardoor verliezen kunt of
herwinnen, dan heeft het waarde, dan heeft het licht.
Wat gij begraaft in uzelf is dood, gaat teloor. Wat gij echter doet stralen in uw leven is een
waarde, die nimmer teloorgaat.
Er is besloten dat de oude wet zal leven op deze wereld, als deel van de nieuwe wet. Er is
besloten dat alle stralen van licht gezamenlijk deze wereld zullen beroeren in een tijd. Wie zijt
gij om te vragen van waar het licht komt, zo het uw schreden richt langs het pad? Wie zijt gij
om te vragen welk licht juister is, zolang gij hem nog kunt gaan, de weg die de uwe is?
Sta stil in deze dagen voor een kort ogenblik en vraag u af: waarheen wil ik gaan? Want een
mens die reist zonder doel, verslijt zijn sandalen zonder ergens te komen. Doch hij die een
doel stelt, hoe moeilijk het ook is, kan het bereiken. Want hem zal steeds gegeven worden dat
langs zijn weg de rusthuizen zijn, waarin hij zich kan herstellen. Wees rustig en kies een doel.
Kies het doel van uw leven, na rijp beraad. Een doel dat alle dingen inhoudt van stof en geest,
een doel waarvan gij zeggen kunt; hierin geloof ik. Dit is mij alles waard. En zo ge dit doel
vinden kunt, streef het na.
Maar zeg niet vandaag; zo richt ik mijzelf en zo is mijn doel, en morgens ik zal elders gaan.
Want hij, die vele dingen nastreeft zal zelden zijn doel bereiken. Maar hij die een doel zoekt na
te streven in alle krachten en waarden hem gegeven, hij zal bereiken,
Dat vloeit voort uit de kracht van de 9 stralen, van de 7 grootkrachten die de aarde beroeren.
Dit is in overeenstemming met de tijd, waarin gij leeft en het besluit van de grote
Broederschap, het verleden het grote Licht dat als een zuil neerdaalt op het altaar, wanneer
mensen spreken tot hun God.
En nu ga ik een kort ogenblik alleen wat vertellen. Mijn gedachten kunt ge nog niet verstaan
en daarom wil ik afscheid nemen met woorden. Wanneer een vogel door de luchten gaat,
erkent hij eerst; dit is mijn huis. Al wat de machtige adelaar is, die heerst in de bergen of de
kleine vogel, die leeft verborgen in het struikgewas, zij hebben zichzelf een gebied afgepaald.
En wanneer zij vliegen is er maar één ruimte, waarin zij gaan volgens hun vermogen. Dat is de
hemel. Zou een mens dwazer zijn dan een vogel? Paal uw rijk af en vlieg omhoog. Zend uw
geest uit, ook wanneer gij misschien nog niet bewust uw geest kunt zenden en uw lichaam
achterlaten.
Wanneer ge gaat rusten, Wanneer ge mediteert. Wanneer ge bidt, zend uw geest uit, maar
zend haar in de luchten. Zend haar daar waar de adem van het leven klopt. Zend haar nimmer
naar een wereld, die ligt buiten uw eigene. Leef de kracht en het licht. Al wat er is in het leven
vindt een en dezelfde vorm. De zonnestraal die valt door het gesloten dak der bladeren en een
gouden piek tekent op een bodem, die moerassig is. Zo is alle kracht. We gaan misschien nog
de paden van het moeras. Misschien spelen we in de eerste of de tweede laag, die tussen de
bomen ligt als een hecht netwerk. Misschien kunnen we speels wat vliegen boven de toppen
der bomen. Maar hoe het zij, het antwoord op het leven ligt in het gouden licht. Het licht dst
ons beroert en koestert en onze duisternis breekt.
Laat het licht uw werkelijkheid zijn. Laat het licht het doel zijn van uw geest. Laat alle leven en
kracht tot u komen uit licht en probeer niet om woorden te spreken, die het licht vangen. Want
dat licht kan men aanvaarden; maar wie kan het licht vangen, wie kan een lichtstraal snijden
en het licht behouden? Dat is niemand gegeven.

126 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Zo zij ons doel de band met de eeuwigheid, waarin wij onszelf erkennen, waarin eij leven en
kracht vinden, opdat wij eens mogen opstijgen vanuit ons beperkt gebied, opwiekend tot aan
de bron van het licht zelf, de enige plaats, waarin je een lichtstraal kunt vangen.
De besluiten zijn genomen, de kracht is rond u. De gave wordt geboden, en de invloed werkt
om uw wereld te veranderen. Wees geen dwazen, die in onrust geraken, wees een levende die
uit het licht de kracht put en zich bovenal steeds meer te verheffen en zo vrede te brengen en
licht.
Misschien zal ik nog in komende tijd meer tot u spreken. Maar ook bij mijn woorden: wees niet
dwaas en denk aan wat ik u zeide over de bron der wijsheid. Moge het u gegeven zijn een bron
te vinden, waarmee ge één kunt zijn, waaraan ge u kunt laven, opdat gij het leven meer kunt
liefhebben, de kracht sterker ervaren in uw wezen.
Goodenavond vrienden.
Ik zou op deze avond met u willen spreken over de wetten van kracht. Het ligt in de bedoeling
u de mogelijkheid te geven de verschillende krachten, die werkzaam zijn in deze tijden beter
te beseffen en ook beter te gebruiken. De wetten van de Kracht, die op het ogenblik over deze
wereld regeert zijn daarom, naar ik meen, voor u belangrijk. De eerste wet is deze;
Al wat het “ik” geheel aanvaardt is te verwerkelijken. Want alle kracht wordt door het “ik”
gevormd,
Het lijkt u misschien onmogelijk dat alleen door de concentratie van het eigen wezen, door een
volledige overgave aan een bepaald denkbeeld de mens iets kan bereiken wat ligt buiten de
normale middelen van de mens.
Toch zijn er vele malen wonderen gebeurd op deze wereld, die even ongewoon zijn. Even
onbegrijpelijk. Genezingen, niet alleen van kleine, onbelangrijke ziekten, maar zelfs het
verdwijnen van een practisch letaal kankergezwel. Niet alleen maar het veranderen van een
mentaliteit bij een mens, naar zelfs het veranderen van diens denken, en diens vermogens. Er
is dus een mogelijkheid on veel verder te gaan dan de natuur schijnbaar gaan kan.
Hierbij is het noodzakelijk dat men zich zelf eerst volledig inzet voor - overgeeft aan - iets
waar men innerlijk zeker van is. Die innerlijke zekerheid is zeer belangrijk. Want alle kracht in
het Al wordt gevormd door de gedachte, De menselijke gedachte wordt slechts daar volledig
zuiver gevormd, waar geen enkele innerlijke twijfel aanwezig is. Hoe groter de zekerheid,
waarmee een bepaalde gedachte bestaat, hoe groter de mogelijkheid, dat men ze voor zichzelf
tot werkelijkheid maakt.
Hoe meer deze gedachte gebonden is aan de wereld waarin men leeft en dus daarin gelding
hoeft, hoe sterker de kracht in de wereld zelf tot uiting kan worden gebracht. Hier gaat het om
het beleven van een kracht. Je kunt dus niet zeggen; ik wil iets gaan geloven en daarom ga ik
proberen.
Men kan misschien door van kleine dingen die men mogelijk acht uit te gaan, een zekerheid
verwerven. Maar wanneer het gaat om het grote, om dingen als het hanteren van de kracht,
die er in deze tijd is, dan moet men zeker zijn.
Die zekerheid behoeft niet te berusten op menselijke waarschijnlijkheid of aanvaardbaarheid.
Ze stelt slechts een enkele eis;
Dat er geen enkele factor bij betrokken is, die voor het “ik” kenbaar is in directe zin. God is
dus aanvaardbaar, de geest is aanvaardbaar. Elk bijgeloof is aanvaardbaar, een medemens is
niet aanvaardbaar, een voorwerp is niet aanvaardbaar. (Omdat al datgene wat in uw eigen
wereld bestaat, in de eerste plaats onderworpen is aan de wetten daarvan en als zodanig in
strijd kan komen met uw geloof en denken. )
Dan kunnen we verder stellen;
Elke kracht die binnen het “ik” bestaat, kan worden overgedragen door een directe en
volledige concentratie van eigen wil. Door het scheppen van het juiste woord, de juiste
trillingen. Door het scheppen van het juiste beleven of de juiste emotie. (Over de juistheid kan
men zelf alleen oordelen. )

EK 62 - 63 127
Orde der Verdraagzamen

Maar wanneer een factor gebruikt wordt, waardoor een kracht buiten het “ik” onmiddellijk
kenbaar geuit wordt, zo zal men dit zelve ervaren, omdat men het in en uittreden van die
kracht persoonlijk en sterk ondergaat. Ieder voorbehoud betekent een vermindering van de
kracht, of een afsluiting ervan.
De wetten van kracht zijn verder gebonden aan de entiteiten, die een eventuele kracht binnen
het bereik van de aarde brengen. Zo geldt; De Goddelijke kracht is voor iedureen en volledig
bruikbaar volgens eigen volledig geloof.
Alle kracht die reeds een differentiatie heeft ondergaan t.o.v. andere krachten, die reeds
gespecialiseerd of gericht is, kan alleen gebruikt worden in harmonie met de bron van deze
kracht d.v.z. met degeen, die ze heeft omgevormd.
Alle begrip dat met het ontstaan van een kracht gebonden is, geeft geen uiting aan het wezen
van die kracht of de bron ervan. Het is slechts de voorstelling, die men zichzelf vormt omtrent
de kracht, maar nimmer de omschrijving ervan. Alle werken, alle leven is door deze kracht te
variëren, maar op het ogenblik, dat met deze kracht wordt ingegrepen in het vrije bestaan van
een ander denkend wezen, dat voldoende bewustzijn bezit, zal dit in de eerste plaats
betekenen een afsluiting van de grote krachtbron in de tweede plaats een blijvende binding
met degeen op wie men de kracht gericht heeft.
Alle bindingen van kracht, die op aarde worden geschapen, bestaan gelijktijdig ook in alle
sferen een eenmaal geschapen band kan niet vernietigd worden en blijft door alle levens, alle
tijd en alle sferen voortbestaan. De geaardheid ervan kan schijnbaar veranderen, in wezen
blijft zij gelijk.
Deze wetten van kracht, op zichzelf betrekkelijk eenvoudig, stellen eisen aan u waaraan u niet
tegemoet kunt komen. Maar ze geven u een inzicht in de mogelijkheden. Wanneer u wilt leren
en kracht te hanteren, moet u uitgaan van dingen die zeker zijn, naar u moet trachten uw
eigen gedachten daarbij in te schakelen in volledige overtuiging en diepste concentratie.
Uitgaande van de eenvoudige, de bijna gewone verschijnselen, kunnen wij de mogelijkheid van
slagen aanmerkelijk beïnvloeden. Naarmate men in een schijnbare keuzetoestand de uitkomst
juister kan bepalen, groeit een grotere innerlijke zekerheid. Hoe groter de innerlijke zekerheid
is, hoe sterker men ook een toekomstige keuze kan bepalen, hoe sterker men alles kan
beïnvloeden, tot van een absolute beheersing meestal op een bepaald gebied sprake is.
In deze wereld zult u op het ogenblik het nut nog niet inzien van een beheersen van krachten,
die u waarschijnlijk bovennatuurlijk noemt. Maar naarmate de zekerheden in deze wereld
teloorgaan, naarmate UW persoonlijke mogelijkheden in deze wereld beperkt worden in het
volgen van de natuurlijke weg, zult u moeten uitgrijpen naar de bovennatuurlijke weg. Er zal
een ogenblik komen, dat u uw werkelijk persoonlijk streven naar leven alleen kunt uiten,
wanneer u bovennatuurlijke krachten tot uiting brengt en u niet beperkt tot de eenvoudige
beperkte mogelijkheden, u nog gelaten. U moet er verder mee rekenen, dat uw hele eigen
wereld op het ogenblik wordt beïnvloed op deze wijze en wel zeer sterk. Door deze
beïnvloeding ontstaat een eenzijdigheid. Die eenzijdigheid heeft echter gevolgen, die u niet
direct zult kunnen beheersen in de stof, u bent gebonden aan al wat gaat geschieden. Die
binding kunt u alleen losmaken, wanneer u leert gebruik te maken van andere krachten, die in
uzelf schuilen.
Ik hoop hiermede duidelijk te hebben gemaakt, waarom ik dit punt naar voren bracht. Er zijn
echter nog andere dingen, waar wij ook op deze avond een ogenblik aandacht aan willen
wijden.
U kent alle de methode, die ook door de broeders van de Orde wordt gebruikt, wanneer zij een
bepaalde kracht willen wekken, wanneer zij een bepaalde, ten dele suggestieve werking willen
veroorzaken.
Zij gaan daarbij van het standpunt uit dat alleen door een zekere suggestie een aanvaarding
van kracht bij anderen verzekerd kan worden; dat als zodanig voor alles wat het geestelijk
beleven betreft en zelfs tot op zekere hoogte de emotionaliteit van de mens suggestie
noodzakelijk is. Deze suggestie te hanteren vraagt een zekere vakkennis. Het is moeilijk en
zonder meer suggestor te zijn. Maar er bestaat ook nog een andere weg.

128 EK 62 - 63
© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring

Zodra u iets doet waarin u volledig gelooft, heeft u daarmede een suggestieve werking op
anderen. U moogt, zo u wilt, dit verklaren aan anderen, naar u moogt er nimmer over vechten.
Op het ogenblik dat uw eigen denkwijze onjuist is, zult u ontdekken dat de wereld daarop
antwoordt; vaak met gevolgen, die u niet prettig vindt. Leer daarom in de eerste plaats juist te
denken en juist te geloven in datgene wat u doet. Daarmede hebt u de grootste suggestieve
werking, die u maar wensen kunt. Daarmede hebt u gelijktijdig de mogelijkheid om alle
harmonische verschijnselen op elk vlak te dirigeren op de juiste wijze.
Nu ik dit heb gezegd, wil ik u een klein voorbeeld geven van wat ik beweerd heb. Dat daarbij
ook door mij een vorm van suggestie wordt gebruikt, zult u begrijpen. De suggestie is a.h.w.
de verpakking, waarmee wij de eigenlijke kracht aanvaardbaar maken. Het is het verguldsel
van een pil, die zonder dat niet acceptabel zou zijn. Wees niet boos dat ik u deze methode
demonstreer. Besef rustig dat er sprake is van een suggestie, maar probeer ook te begrijpen
wat de kracht erachter is. Want wat ik u vanavond demonstreer, zult u zelf op een andere
wijze moeten leren gebruiken. Van u wordt niet verwacht dat u grootse incantaties gaat
opzeggen. Dat kan in een enkel geval nuttig zijn, in de meeste gevallen zult u er niet toe
komen of er de gelegenheid niet toe vinden.
Maar een intens geloof, een intens innerlijk een-zijn met een bepaalde kracht heeft op zichzelf
een suggestieve uitwerking, omdat - via uw wezen - die kracht, op zichzelf misschien
onredelijk, aanvaardbaar wordt gemaakt.
Wanneer gij wilt uitgaan over de wereld, zoals voor sommigen van u misschien gebeuren zal
en die wereld wilt helpen, dan zult u moeten begrijpen op welke wijze. Vandaar deze
voorbeelden.
In de eerste plaats; alles wat auditief of visueel invloed heeft, kan suggestieve werking geven.
Daarvoor is het niet noodzakelijk dat een vast patroon wordt gevolgd. Wel noodzakelijk is dat
de kracht waarop men werkt het “ik” inspireert.
Wanneer ik licht wil uitbeelden dan zal ik, om dit licht uit te beelden mij dit licht moeten
voorstellen tot ik er mij een mee voel. Nu kan ik dit dus gaan uitdrukken, hetzij in woord,
hetzij in gebaar. Ik geef u een voorbeeld, waarbij ik het gebaar combineer met het eenvoudige
woord licht, dat enkele malen wordt herhaald. Bedenk dat het hier gaat en een feitelijke
kracht, dat ik een feitelijke kracht hanteer, maar dat de vormgeving daarvan zuiver suggestief
is.
(het voorbeeld wordt gegeven) Licht..... licht...... licht..... met gebaren.
Het is niet veel en toch is er een zekere spanning en een zekere kracht. Ik kan ook ditzelfde
tot stand brengen door mijzelf volledig te concentreren op een punt, zonder daarbij die uiting
te gebruiken. Maar dan moet ik een receptiviteit bij mijn omgeving vooropstellen. Slechts
wanneer ik dus de aandacht heb en er een zekere harmonie bestaat, kan ik deze methode van
vereenzelviging in gedachten gebruiken. Dit kan dus b.v. wanneer men gezamenlijk geboeid is,
al is het door een kunstwerk, een verschijnsel, een bepaald onderwerp of zelfs een bepaald
doel. Ik zal trachten u ook dit te demonstreren.
(demonstratie)
Zoals meerderen van u bemerkt hebben, kan een soortgelijke invloed op deze wijze ook
ontstaan. Wanneer gij behoefte hebt aan een bepaalde kracht, dan moet ge u die voorstellen.
Ge moet voor uzelf daarvan een beeld hebben en wanneer ik hier licht als een beeld neem,
dan probeer ik mij een stralende zon voor te stellen, een sterke zon, die mij bijna verblindt.
Een zon wiens licht mij volledig onvaamt. In deze concentratie ontstaat in mij een toestand,
waarbij ik geestelijk en voor u ook materieel word afgestemd op licht. En op deze wijze kan die
kracht worden weergegeven.
Denk niet; dit is voor mij niet bestemd. Er kunnen ogenblikken zijn, dat mensen uw raad en
uw hulp nodig hebben. En dat u niet weet hoe of welke te geven. In dat geval kan een
concentratie op een dergelijk punt u zeker helpen. Uw helpen behoeft niet altijd te liggen in het
geven van een rationele oplossing voor een probleem of zelfs naar een verklaring.
Heel vaak kan de beste hulp bereikt worden door het uitstralen van een kracht en het zo doen
ontstaan van een innerlijke harmonie. De mensen zullen steeds neer behoefte daaraan

EK 62 - 63 129
Orde der Verdraagzamen

hebben. Zo u in staat bent u te concentreren en een dergelijk beeld op te roepen, zult u ook in
staat zijn die anderen te helpen wanneer dat nodig is.
Ik eindig met een eenvoudig voor mijzelf - maar nu verbaal - visualiseren van een kracht.
Wanneer u ook dit volgt, hebt u misschien een klein beeld van de mogelijkheden, die voor u
zelf op het ogenblik bestaan en die
u zowel tot innerlijke helderheid en begrip zullen voeren, als u in staat zullen stellen uw dienst
t.o.v. mensheid en medemens op de juiste Wijze te verrichten.
Ik geloof in een God. Ik geloof in een eeuwige Kracht. Die kracht is als een levende Vlam,
die warmte geeft, die leven geeft. Deze vlam brandt voor mij op het altaar van een ledig
Niet. Een vlam die sterk is en haar licht uitstraalt. Die vlam leeft. Zij voedt zich. Terwijl zij
zich voedt schept zij rond zich een aura. De vlam zelf is geel, als goud. Rond haar is een
gloed van rood, een gloed van violet. Rond haar is een rand van blauw. Van daar uit
verspreidt zij op geheimzinnige wijze haar licht. Dit is de vlam van het leven, waaruit ik
leef; dit is de kracht, waaruit ik besta. Ik ben deel van die vlam, ik ben deel van dit licht. Ik
ben deel van deze kleur. Een met deze vlam werp ik mijn licht in het duister; als een straal
van licht werp ik begoocheling opzij, geef ik inzicht en leven en kracht. Want ziet, het leven
is als een vlam, die is de uiting van God en ik ben deel van die vlam en uit deze vlam leef
en werk ik, eeuwig verbonden daarmede. Ik geloof in mijn eenheid met deze vlam. Ik voel
en erken de eenheid met deze vlam en vanuit het Goddelijke, één met het Goddelijk Licht,
werk ik mijn taak.
Op deze wijze heb ik eens geleerd te werken met lichtende kracht. Het heeft geen zin u de
hand op te leggen en met een symbolisch gebaar u uit te zenden en die kracht werkelijk te
maken. Want zo ge deze meditatie kunt volgen, zo ge gelooft in de zin van uw leven, meer
dan de stoffelijke betekenis van het woord, zo bezit ge deze kracht, zo kunt ge werken met
deze kracht en zo is het in deze tijd uw taak en te leren werken met deze kracht, opdat gij op
uw wereld harmonie schept, begrip schept en vooral de wonden van de geest heelt, die in deze
dagen vaak wreed zullen worden geslagen. Dit, vrienden, is al wat ik u op deze avond te
zeggen heb. Onthoud de wetten van kracht. Besef dat dit niet alleen wetenswaardig is, maar
dat dit deel is van een taak. Besluit voor uzelf of ge die taak wilt en kunt aanvaarden. Gebruik
de krachten van deze tijd, opdat deze tijd niet duister, naar lichtend moge zijn. Goedenavond.

130 EK 62 - 63