You are on page 1of 187

© Orde der Verdraagzamen

Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 1 – Inleiding cursus: waarheid en waan

Goeden avond, vrienden.
In het begin van het nieuwe jaar doet het mij natuurlijk erg veel genoegen U hier weer
allemaal aanwezig te zien. En waar dit eigenlijk moet gelden als een inleidingsavond tot een
verdere reeks van lezingen, zou ik gaarne met U enkele woorden wisselen over de begrippen:

WAARHEID EN WAAN

Ik kan dan beginnen met een citaat van een oud filosoof, die zeide:
"Waarheid is datgene, wat ik in mijn hart geloof. Waan datgene, wat ik tracht te geloven."
Hier ligt een grondslag, die zeker niet ongeacht mag worden gelaten. Want al wat wij van
binnen weten, dat waar is, werkelijk, dat zal inderdaad grenzen aan de waarheid. Het is
immers de vereniging van stoffelijk en geestelijk weten, wanneer wij in de stof zijn, de kern
van ons totale bestaan, wanneer wij in de geest zijn, die hier tot uiting komen. De conclusie is
logisch en begrijpelijk. De waan waarover zo veel wordt gesproken, het fatale rijk van Maya,
de ontembare begoocheling, spruit voort uit onze behoefte om onszelf een andere wereld te
tonen, dan we in werkelijkheid ondergaan.
Nu wordt het voor de mens vaak heel moeilijk, wanneer hij moet werken met deze begrippen:
werkelijk en niet-werkelijk, dus bestaan en waan. Het is daarom vanuit menselijk standpunt,
dat ik de volgende stellingen ontwikkel, hier en daar eitaters gebruikende, die ik niet
afzonderlijk zal vermelden.
"Als mens is men verplicht op menselijke wijze te leven. Op menselijke wijze leven betekent
dus een erkennen van menselijke behoeften, menselijke hartstocht, menselijk denken,
menselijk beleven. Echter - willen we deze werkelijkheid voor onszelf reëel maken - dan zal al
ons beleven, ons zoeken 'en denken, onze verwachting, hoop en hartstocht, niet gebaseerd
moeten zijn op hetgeen. voor ons onomstotelijk als werkelijk bestaand kan worden aanvaard."
Dit is een kille leer. Maar de kilte ervan wordt weer goed gemaakt door de grote inhoud, die
ons leven hierdoor verkrijgt. Waar ik de waarheid ken omtrent mijzelve en mijn medemensen,
zal ik weten, niet slechts wat was, maar ook wat zal zijn. Het weten omtrent de waarheid van
nu betekent het kennen van een eeuwige waarheid omtrent de wereld waarin ik thans besta.
Het is duidelijk, dat ons zoeken naar waarheid, ons zoeken naar een realisatie van grotere
kracht altijd weer gebaseerd is op waan. U dacht misschien, dat ik zou zeggen: op
werkelijkheid. Maar dat is niet waar Al ons zoeken naar die hogere kracht is een vermijden van
de realisatie, dat wij deze kracht bezitten, maar niet willen gebruiken, gezien de consequentie,
die ze met zich meebrengt. De mens, die dus spreekt over de hogere krachten als een soort
uitwijkmogelijkheid om zo zijn eigen onbekwaamheid te verhullen, begeeft zich in een wereld
van gevaarlijke spiegeling. Een waanwereld, waar een uitweg slechts zeer moeilijk te vinden
valt. Realisme en realiteit zijn woorden, die te weinig worden gebruikt. Te veel gaat men af op
andere werelden, op andere toestanden. Teveel vertrouwt men toe aan het kunnen van
anderen, te weinig vertrouwt men op zichzelf. En toch heeft een ieder reden om op zichzelf te
vertrouwen.
Wat ik nu ga zeggen is voor de stoffelijke wereld axioma: een stelling, die in de praktijk vaak
bewezen kan worden, maar die desalniettemin niet via een stoffelijke structuur of constructie
als onomstotelijk vaststaand te bewijzen is: "Elke mens, elke geest, is verbonden met alle
mens en alle geest. Zij hebben een gemeenschappelijke bron van krachten, ze hebben een
gemeenschappelijke wereld van denken. Deze gemeenschappelijke wereld zal zich soms voor
de mens aan het directe bewustzijn onttrekken. In het redelijk denken blijft ze daarom
ongeacht.

INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN 1
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 1 - Inleiding cursus: waarheid en waan

Toch kan deze wereld, deze eenheid, deze band, deze kracht worden gerealiseerd, indien wij
afstand willen doen van het beperkt redelijk denken en daarvoor in de plaats willen stellen het
ervaringsdenken, waarbij de impuls, na getoetst te zijn op zijn ware inhoud, gebruikt wordt als
drijfveer voor alle daden."
Misschien zoudt U beter beseffen wat ik bedoel, wanneer ik hier een klein voorbeeld aan
toevoeg. Rond U is het Al vervuld van dezelfde levenskracht, die in U bestaat. Theoretisch
zoudt U dus altijd, te allen tijde en overal kunnen leven, ongeacht de condities Dat geldt ook
voor leven in en ledige ruimte, zonder luchtdruk, zonder iets. Ook daar blijft die kracht
aanwezig. In de praktijk is dat niet uitvoerbaar en wel, omdat het menselijk voertuig niet
aangepast wordt aan de werkelijke mogelijkheden. Stel nu dat de mens in staat is zichzelf
volledig aan te passen aan de mogelijkheid, die niet verstandelijk maar intuïtief ervaren wordt.
Dan zal de celspanning van het menselijk lichaam afnemen, ja, zover tot nul terugvallen, dat
er van een weefselexplosie in het luchtledige geen sprake meer is. De mens zal dan bestaan,
ondanks dat hij niet ademhaalt of verbrandingsverschijnselen en omzettingen in zich gebruikt,
maar alleen de zuivere kracht, die overal rond hem bestaat. Dit is een theoretische
mogelijkheid.
Maar ook voor de geest geldt precies hetzelfde. De geest is schijnbaar beperkt in haar bestaan.
Voor alle mensen blijft zij een hypothetisch iets, dat ergens in het lichaam verscholen zit.
Weinigen leren iets meer gebruik te maken van hun geestelijk vermogen door uit te treden en
zo ook elders ervaringen en waarnemingen op te doen.
Hier kan natuurlijk zeer veel over gezegd worden. Maar misschien is het: beste antwoord nog
wel het citaat: "Het weten van alle geest leeft in elke geest. Maar slechts de geest, die het
aanvaardt, is vrij te zijn met alle geest, te ervaren met alle geest en in zich te bevatten alle
bewustzijn, dat uit alle geest voortvloeit."
Dat is een belangrijk punt, wanneer men verder komt in zijn geestelijke ontwikkeling. Tot men
echter zo ver is, blijft men zich onbewust van de grote mogelijkheden, die het Al bevatten. Ik
zal mijn voorbeeld daarom aanvullen met zuiver stoffelijke normen en nog enkele geestelijke.
Er is een algemeen bewustzijn. Alle mensen hebben hun denken. De uitstraling van het denken
is zodanig, dat elk daaraan deel heeft. Ieder ondergaat dus de invloed van het totale denken
op de gehele wereld. (Kunstmatig beperk ik nu dus het Zijn tot deze wereld. In feite gaat het
bewustzijn verder uit en omvaamt het veel grotere gebieden.) Dan zal een gedachte in één
persoon met voldoende kracht gewekt voortdurend in anderen weerkaatst worden, tot zij - bij
het volhouden van de bron - in alle mensen, schijnbaar intuïtief, oprijst. Naarmate de
intensiteit groter is, waarmee deze gedachte wordt gevormd, zal de intensiteit groter zijn,
waarmede ze zich in anderen voelbaar maakt. Op de duur kan zo door één gedachte de
verwezenlijking van de wil van één persoon, niet alleen door zichzelf maar door praktisch de
gehele wereld - althans zeker de gelijkgestemden op die wereld - worden bereikt.
Geestelijk gezien: Wanneer één geest bewust is, draagt ze in zich iets, wat voor alle andere
geest ervaarbaar is. Elke handeling, elke bewustwording harerzijds, gaat gepaard met een
uitstralen van de gedachten, van de invloed, rond haar. Alle geest kan dus hieraan deel
hebben. De geest die met grote intensiteit beleeft, weerspiegelt haar beleven op zodanige
wijze, dat anderen deze waarnemen, als een soort gedachtewereld in zich zien opbouwen en in
staat zin op hun persoonlijke wijze daarop te regeren.
Wanneer ik U die eenheid heb duidelijk gemaakt, dan zult U het met mij eens zijn, dat een
sterke differentiatie van persoonlijkheid op grond van waarde fictief is. In de geest gesproken
en daarbij aanhalende wat één van onze grote geestelijke leiders heeft gezegd: "Het verschil
tussen de geest in het duister en in het licht, is slechts een aanvaarden." Meer niet, De
aanvaarding van de grote gemeenschap van denken, van leven, van bestaan. De duistere
geest accepteert dit niet. Toch is in en rond haar voortdurend de invloed aanwezig. De
verlichte geest aanvaardt dit wel (zij het vaak onbewust) en beleeft zo de krachten en de
spanningen van het hele Al.
Wanneer een geest in het duister lijdt, zal dit lijden bereikbaar worden voor allen, die in het
licht verkeren. Zij zien het vanuit hun persoonlijk standpunt en kunnen dus. een ware
2 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 1 – Inleiding cursus: waarheid en waan

beoordeling daarvan geven aan de hand van eigen condities. Toch zal elke gedachte, zo
uitgezonden, gelijktijdig een reactie wekken, die er op gericht is dit streven niet uit te bannen
maar op te heffen. Zo zal de geest uit het licht dus de geest van het duister helpen, niet: om
die geest zonder meer op te heffen, maar door de eenheid van bestaan deze ene factor binnen
zichzelf a.h.w. te vernietigen en alle daarvoor noodzakelijke handelingen te volbrengen. Zo
kan de geest dus uit het duister tot het licht worden gebracht, juist aan de hand van haar
eigen denken. Op gelijke wijze kan in de stof vaak een mens geholpen worden door de
intensiteit van zijn gedachten, die onbewust in anderen de noodzakelijke reacties veroorzaken,
waardoor .de oorzaak van deze intense gedachte wordt opgeheven.
Mag ik aannemen, dat U mijn lezing tot zover hebt kunnen volgen? De grote vraag is nu: Waar
blijft de waarheid in dit gebeuren?
Waarheid te definiëren als iets vaststaands, is - gezien het voorgaande - moeilijk. Waarheid is
eerder het beeld, dat in ons ontstaat, als resultaat van alle gedachten, alle werelden, waardoor
wij beïnvloed worden of waarvan wij deel zijn. De waarheid is dus geestelijk gezien een
variabele factor. Wat heden bij ons waar, is bij een deling van een algemeen bewustzijn, zal
morgen bij een verandering van onze eigen positie t.o.v. ons bewustzijn niet meer waar
behoeven te zijn. Onwaar is voor ons al hetgeen, dat - gezien ons eigen geestelijk standpunt -
niet noodzakelijkerwijze gerealiseerd moet en kan worden. Is dat ook duidelijk? Dan kan ik
over waarheid en waan kort dit zeggen: Waarheid is al datgene, wat werkelijk uit onszelf
voortvloeit: echter ontdaan van alle verklaringen en rationalisaties, die wij daar gemeenlijk
aan toe voegen. Waan is niet de daad op zichzelf zozeer, als de beweegredenen, die wij
daaraan geven en als zodanig het beeld, dat wij van onszelf en de wereld ontvangen.
Ik geloof, dat ik het voor deze bijeenkomst hierbij zal laten, vrienden.
Na de pauze zult U de gelegenheid krijgen - zo U wenst - Uw mening kenbaar te maken
omtrent het gebrachte en ook Uw wensen voor- de verdere bijeenkomsten nog duidelijk te
maken. Ik voor mij neem afscheid van U en dank U voor Uw aandacht. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Er zijn vanavond al heel wat definiërende woorden gesproken. En ongetwijfeld verwacht U, dat
ik de reeks van definities nog kom verrijken. Maar niets ligt minder in mijn bedoeling.
Integendeel. Ik wil trachten U een ander aspect van de esoterie kenbaar te maken.
De ware esoterie is een ervaring, een beleving. De kennis van de esoterische waarheden en
definities kan ons natuurlijk helpen nog tot zo’n beleving te komen. Maar het is in het beleven
zelve, dat wij het geheim leren kennen, niet in andere dingen. Daarom zullen wij allen steeds
moeten streven naar de beleving.
De werkelijke esoterische beleving kan op vele manieren geboren worden. Ze kan voortkomen
uit een onverwachte reactie binnen jezelf. Ze kan voortkomen uit een wanhoop, waardoor je
plotseling uit de werkelijkheid ontsnapt en helaas niet altijd de weg terug kunt vinden. Ze kan
echter ook voortkomen - en dat lijkt me wel de beste weg - uit je eigen zoeken en denken.
Nu wil ik graag met U de mogelijkheid van een esoterische ervaring bespreken. Ik zal dit
ongetwijfeld enigszins beschrijvend moeten doen. Want wat hebben wij aan woorden, die te
koud zijn en geen inhoud hebben? Ons beleven is nu eenmaal sterk verknoopt met het gevoel.
Waarom? Ach, dat kan voorlopig blijven rusten. Maar dat het belangrijk is, is zeker.
De ademhaling wordt teruggebracht tot het noodzakelijke minimum. De bewustzijnsdrempel is
zo hoog geworden, dat zelfs de meest pijnlijke prikkels niet of slechts zeer ten dele tot het
bewustzijn doordringen. De mens is a.h.w. een plant geworden, Hij is als een graankorrel, die
in de aarde valt. Het bewustzijn is n.l. er is geen weten, geen redeneren, geen denken. Dan
begint van binnen uit zich een spanning te ontwikkelen. Hij weet niet waar ze vandaan komt,
zoals ongetwijfeld de graankorrel niet weet, dat ze, tot berstens toe zwelgen in zichzelve groeit
en ontwikkelt, doordat ze uit haar omgeving absorbeert.

INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN 3
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 1 - Inleiding cursus: waarheid en waan

Ook de geest weet het niet. En dan komt ze langzaam maar zeker tot een ervaring, die men
haast emotioneel kan noemen. Maar wereld wordt licht, lichter. Men zou het misschien kunnen
vergelijken met de graankorrel, die haar eerste scheut omhoog heeft geworpen, tot ze het
aarddek heeft doorboord en nu, voor het eerst de stralen van de zon in zich gevoelt. Het is
misschien een klein deel van de geest, dat dit licht aanvaardt, haar de ervaring doortintelt het
hele wezen. Zo min als de plant definieert: "Daar staat de zon en dit is de dag", evenmin
definieert de geest. Ze beleeft, ze ondergaat. De kracht in haar dwingt haar tot de groei, ze
weet niet waarom.
Zo grijpt ze verder en verder uit, tot ze op de duur haar eigen evenbeeld schept. De
graankorrel wordt tot korenhalm, waarin - verborgen in het voertuig, dat zich ontwikkelde -
veelvoudig het oorspronkelijk eerste wezen aanwezig blijkt, vele graankorrels.
Een esoterische ervaring brengt voor velen het denkbeeld met zich mede van een
persoonlijkheidsprincipe. Het is net, alsof je niet één maar een tien of twintigtal
persoonlijkheden bent. En toch zullen al die personen, die in staat zijn ook elkaar te
beschouwen, dezelfde hoofdervaring hebben: het licht, de zon en de regen.
Wanneer ik zeg: "zon en regen", moet U dit geestelijk vertalen. De zon is de bron van licht,
datgene waarheen we ons richten, bewust of onbewust. Een esoterische beleving doet ons
eigen wezen zich richten op een bron, die wij niet kennen en niet kunnen omschrijven: maar
die wij zeer trouw volgen gedurende de gehele periode van - mag ik zeggen - verrukking. Zo
kom je langzaam maar zeker tot een gevoel van onuitputtelijke kracht:
Eerst dan roert zich een nieuw bewustzijn. Een bewustzijn, dat in werkelijkheid niets anders is
dan een reflex van Uw geestelijk beleven in Uw meer-stoffelijk en laag-geestelijk
denkvermogen. Het ervaren wordt dan vertaald. Je spreekt over glorierijke tuinen, over
vreemde landen, over hoge bergen, over leraren en geliefden, die je naderbij kwamen. Het is
één tover van beleving en verrukking. Een wereld van felle contrasten, een wereld van
voortdurend nieuwe belevingen en ervaringen. En naarmate je probeert haar meer te
omschrijven, wordt ze vager. Ze vlucht voor je weg. Dat vluchten is niet belangrijk. Maar uit
deze beleving heb je iets geput, een werkelijk waardevol iets: Innerlijke kracht,,
Er zijn mensen, die denken, dat esoterisch beleven wel in de eerste plaats een zoeken is naar
een nieuwe wereld door omschrijving. Ze vinden, dat 't werkelijk beleven van de geest is,
wanneer ze kunnen zeggen: "Ach, ik ben naar de zesde of zevende sfeer geweest en ik heb
gesproken met meester zus en ik heb nog één vriend zo ontmoet." Dit is begoocheling. Het
kan misschien tot op zekere hoogte reëel zijn, maar voor ons geestelijk bestaan zowel als voor
de kracht, die wij misschien ook stoffelijk nodig hebben, is het maar heel onbelangrijk.
Een beleven kan niet in gebeurtenissen worden geschetst en ook niet in vormen. Evenmin als
een schilderij, dat elke golf nauwkeurig uitbeeldt, het wezen van de zee kan weergeven. Elke
vorm en elk verschijnsel is. niet veel meer dan een golfje. Het werkelijk wezen ligt eronder: de
oceaan. Het is de oceaan, die voor ons belangrijk is. En zolang wij opgaan in de verschijningen
van de buitenkant, dringen wij niet tot de werkelijkheid door.
De meest werkelijke beschrijving, die ik ooit heb gehoord van een werkelijk esoterisch of
occult beleven, dat lag boven vormbewustzijn, werd door een dichter geschreven. En zijn
volgelingen hebben het geschrapt, want, zij dachten, dat hij dronken was. Zij vonden, dat het
niet paste. En toch zijn de termen, die hij gebruikte zo kentekenend voor zijn ervaren:
Wondere stilte van purper en violet, gevuld met gouden glanzen, waarin het licht als een
trompet, mij roept, mij wekt om voort te gaan. Ik dwarrel in der lichten glanzen. Voorbij gaat
nu mijn heel bestaan en over blijft een heimwee slechts naar werelden zo licht, terwijl in
werkelijkheid mij wacht de zwaar gevloekte plicht.
Niet mooi misschien, maar zo kentekenend. Ontrukt aan de werkelijkheid, bevrijd van alle
dingen te kunnen beleven en ervaren en dan terug te staan in een wereld, waarin je moet
werken: terug te vallen tot een geestelijk vormbewustzijn, waarin je niet één bent met de
dingen, maar moet delen met anderen. Waar je je gedachten moeizaam moet opbouwen, i.p.v.
ze ineens in jezelf te bevatten en te weten, dat ze weerkaatst en verstaan zijn.

4 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 1 – Inleiding cursus: waarheid en waan

Occult beleven is geen vlucht uit de werkelijkheid. Het wordt dit pas, wanneer wij ons heimwee
naar hogere zaken meester laten worden over onszelf. Wanneer wij onze wereld, onze
toestand gaan verwensen, zoals de dichter deed, En daar hebben wij helemaal geen reden
voor. Want wij kunnen tot dit beleven komen krachtens onze huidige wereld, onze toestand,
ons geestelijk bestaan. Dit is dus het werktuig, de sleutel, die voor ons de poort naar deze
innerlijke rust ontsluit. Alle dingen verzinken zo in het niet, wanneer je dat grote licht, die
grote werkelijkheid ervaart. En wanneer je terugkomt, dan weet je, dat ze onbelangrijk zijn.
U kunt Uzelf vergelijken met een mier, die een ogenblik door de ogen van een mens kan zien.
Zij ziet het gewarrel van haar eigen stadje. Maar wat een karavaan leek, uittrekkend op verre
tochten, is geworden tot niets dan een paar insecten, die schijnbaar doelloos om een
grassprietje heen krabbelen. Wanneer die mier terug zou keren, zou zij zich zo bewust zijn van
de groep, wat in het mierenleven belangrijk is, dat ze toch haar taak zou aanvaarden en
volvoeren. Ja, zelfs met meer ijver. Want - zo zou ze zich zeggen - wanneer dit grootse van
vroeger nu zo onbelangrijk is: hoe moet het dan niet passen in een groter belangrijkheid!
Ziende wat ik gezien heb, weet ik, dat er een groter, doelmatiger wereld schijnt te bestaan. En
wat ik doe maakt er deel van uit.
Terugkerend met die geestelijke kracht betekent enerzijds begrijpen, hoe onbelangrijk je
stoffelijk bestaan is, zeker. Maar aan de andere kant betekent het ook: meer dan ooit trachten
in die stoffelijke vorm iets te verwerkelijken van het grootse, dat je ervaren hebt. Nog meer
dan voordien te voldoen aan de eisen van je eigen wereld, opdat je niet voor jezelf die grote
wereld verandert, totdat ze vol wordt van duister, van onaangenaamheid.
Het is gemakkelijk om een kleine ervaring te schetsen. Hoe groter het wordt hoe moeilijker. En
daarom kan ik haast de termen niet vinden om U de werkelijke, geestelijke hergeboorte, die
met deze toestand van verrukking gepaard gaat, duidelijk te schetsen. Die moet men zelf
ondergaan. Maar misschien dat ik U wat beelden kan geven - voor U de gelegenheid krijgt te
pauzeren - die toch voor U meer begrijpelijk de kleine toestand van geestelijk beleven -
duidelijk maken.
In het zachte wegebben van je eigen wereld klinkt een vreemd, nieuw geluid. Terwijl het licht
de gevoeligheid voor waarde en koude dooft, schijnt het, dat ergens een ander licht je beroert
en je langzaam kleuren ziet. Het geluid is haast eenzaam, met een zekere eentonigheid en
toch weer een eindeloze variatie. Een nachtegaal, die zingt in een diepwoud, terwijl de hele
natuur zwijgt. En wanneer dat geluid langzaam maar zeker dichterbij is gekomen en het licht
voelbaar wordt, lijkt het, alsof je staat in een wereld, die bloeit aan alle kanten. Bloemen van
vreemde en wonderlijke vormen. Vogels als vliegende juwelen. Alles is schoonheid, wat het
hart beroert: alles is schoonheid, wat het oog denkt waar te nemen. En in deze verzadiging
van schoonheid rust je een ogenblik - om dan verder te gaan.
Het vreemde is, dat dan de natuur terugwijkt. Het wordt eenzamer, trotser. Een mens, die een
berg bestijgt en eerst de bomen ziet achterblijven en dan de struiken, die de laatste bloemen
achter zich last en voor zich alleen nog maar ziet graniet en blauwe lucht, die kent de
grootsheid van ervaren, die ik bedoel. Het is alsof de vormen en de rijkdom verdwijnen. In
plaats van de juwelen vogels, die in hun sierlijke vlucht je bekoord hebben, blijft alleen nog
een vorstelijke stip van wit licht, getekend met wat gouden vederen, die zich als adelaar ver in
de lucht verheft, haast niet zichtbaar. Misschien zal het dadelijk als een arend naar beneden
schieten, niet naar een prooi, maar als neigend tot een lagere wereld.
Dan wordt het zo stil en zo eenzaam, dat je niet meer weet, wie of wat je bent. Er is alleen
nog maar plaats voor een stil verwonderen. Maar uit die verwondering worden woorden
geboren. U denkt misschien, dat het een ander is, die ze zegt. Maar als U goed nadenkt, bent
U het zelf.
Het kleine beleven is een gaan door de wereld van voorstellingen en van begeerten de droom
van schoonheid. Tot het alleen is in het Al. En terwijl je misschien denkt, dat je leraar of je
God spreekt, spreek je zelf. Dan onthul je jezelf de kracht, die in je innerlijk schuilt. Dan geef
je vorm aan je werkelijk leven. Het is niet het grootste ervaren. Maar het is een ervaren, dat

INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN 5
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 1 - Inleiding cursus: waarheid en waan

vaak herhaald moet worden, wil je in staat zijn de werkelijkheid, die je daar vindt, met je mee
te brengen.
Ik spreek niet van contacten met geestelijke vrienden, ofschoon ze zeker bestaan. U kunt in
onze wereld vertoeven. Maar dat is geen waar esoterisch beleven. Waar esoterisch beleven,
vrienden, is een confrontatie met jezelf in een eenzaamheid, die onvoorstelbaar lijkt. Maar ook
het vinden van een vrede, van een innerlijke eenheid, die je voor die tijd nimmer bezeten
hebt. Eerst wanneer je jezelf hebt leren kennen, staat het je vrij om ook de rotsen achter te
laten en als een vogel de vrije lucht in te gaan, zodat je alleen in de hemel bent met wat licht
en wat zon. Het is maar een armzalig beeld, dat ik U kan geven. Maar een esoterisch beleven
brengt deze dingen met zich, voller en rijker dan een woord kan uitbeelden.
Een esoterisch beleven is iets, waarnaar U streeft. Mag ik er daar één ding bijzeggen?
Vrienden, deze dingen kun je niet afdwingen: Het zijn géén belevingen, die je bewust kunt
zoeken. Het is een plotseling gebeuren. Soms gebeurt het maar een paar keer in een heel
mensenleven. Wanneer je een enkele keer tot die hoogste top moogt schrijden, ja, een
ogenblik zelfs nog verder dan dat ............ het licht in je mocht opnemen zonder meer, dan
heb je meer bereikt dan de doorsnee mens. Want het wordt niet geboren uit Uw wil: het wordt
geboren uit Uw leven, uit Uw wezen. En daarom ..... streef niet krampachtig naar deze dingen.
Probeer esoterie te maken van Uw leven door elke waarheid die U innerlijk erkent voortdurend
ook te uiten, Zo schept U in uzelf de harmonie, die noodzakelijke is om te komen tot de
bevrijding van het ik van de bijkomstigheden, en tot de ervaring van de eigen werkelijkheid,
ja, misschien nog hogere werkelijkheid. Nu wordt het tijd voor U, dat U gaat pauseren,
vrienden: U kunt hierover nadenken. Ik hoop, dat het U een verwachting geeft, zonder U aan
te sporen tot een zinloos afdwingen van het bovennatuurlijke. Dat laatste is onmogelijk. Maar
Uw eigen leven en bestaan kan de aanleiding zijn tot deze - mag ik zegen - gave. Want het is
als een gift: die je onderbewustzijn uiteindelijk ook aan je bewustzijn kan schenken. Vrienden,
aangename pauze.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden. Aan het begin van dit gedeelte is mij verzocht U allereerst de
gelegenheid te geven om wensen, opmerkingen e.d. kenbaar te maken, voor zover ze deze
groep betreffen. Is er iemand, die hier opmerkingen heeft over het eerste gedeelte of wensen
voor verdere bijeenkomsten? Dan zou ik graag hebben, dat U ze kenbaar maakt.
Onze vriend Henri heeft het daarnet, gehad over het verkrijgen van bewustwording door
beleven. En dit beleven zou je kunnen krijgen door het vergelijken van overeenkomsten
van bepaalde waarde. Ik zou even willen teruggrijpen naar een avond, die wij gehad
hebben in de Inwijdingsschool, waar ons werd gewezen, dat juist het meeste belang lag en
het juiste accent gelegd meest worden in de verschillende waarden. Hij had het over
overeenkomsten in bepaalde waarden. Kunt U daar verder op ingaan?
Dat zal ik zeer gaarne doen. Kijk, in de eerste plaats moet ik vaststellen, dat de wijze van
beschouwen bij de Inwijdingsschool en de Esoterische Kring enigs zins different is. Dus de
wijze van werken is een andere en dit brengt met zich mede, dat de leerstellingen - in beide
verkondigd - aangepast worden aan hetgeen men in de groep zelf tracht te bereiken. Het
wijzen op het zoeken van overeenkomst is niet bedoeld om te komen tot een erkennen der
wereld, maar tot een harmonie met de wereld.
En dat ligt geheel in de lijn van esoterische beschouwing. Esoterie moet gezien worden als een
poging om het ik in volkomen contact te stellen met de wereld: en wereld bedoeld als
samenvatte de al het zijnde. Een zoeken naar de verschillen is een verdieping van eigen
bewustwording en realisatie en brengt als zodanig vaak met zich mede een verbreking van de
harmonie met bepaalde delen der schepping om daarentegen te komen tot een beter begrip,
en dus ook een zuiverder gebruik van andere delen der schepping. En wanneer het verschil
dus ligt zoals ik U zeg, zal het duidelijk zijn, dat bij een Inwijdingsschool of een Groot
Geestelijke Scholing de nadruk anders moet worden gelegd, waar hier de bedoeling is een zo
snel en zo zuiver mogelijke ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid tot een bepaald doel.
Aan de andere kant zien wij de esoterie in de eerste plaats als een algemene inpassing van het
ik in een bestaand kosmisch bestel. Het verschil is dus zelfs aanmerkelijk. Vandaar ook, dat U
6 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 1 – Inleiding cursus: waarheid en waan

zich kunt herinneren dat wij aan het einde van het vorig seizoen een soort splitsing hebben
gemaakt. Een splitsing tussen degenen, die o.i. het beste een sterk persoonlijke ontwikkeling
zouden kunnen volgen en daarnaast ook een aanwijzing voor sommigen, dat ze verstandiger
zouden doen om deze bijeenkomsten te volgen. Er zijn meer wegen die tot hetzelfde doel
leiden. Maar de methode van de ene en de andere weg kunnen aanmerkelijk verschillen. Ik
geloof, dat ik daarmede het verschil van uitlating duidelijk heb gemaakt.
Als wij in deze groep de esoterie volgen en we zouden neigingen in ons voelen om naar de
Groot Geestelijke Scholing te gaan en wij hebben deze theorie opgebouwd of geleerd, is
het voor ons dan niet erg moeilijk om naar die andere school over te gaan.?
In de eerste plaats is de aangehaalde claus afkomstig uit een thans onderbroken leergang van
de Inwijdingsschool, die nu vervangen is door de Groot Geestelijke Scholing. In de tweede
plaats wordt dit jaar, zoals zich U misschien ook wel gerealiseerd zult hebben, met een
bepaald scholingssysteem begonnen, dat voor die tijd niet gebruikt werd. En nu menen wij -
misschien een fout onzerzijds, maar wij menen dat nu eenmaal - uit te mogen gaan van het
eerst bereiken van algemene harmonie, om daarna te komen tot een bereiken van een
speciaal gericht zijn op zekere gebieden. De harmonie ligt dan als ondergrond, zodat in feite
hetgeen hier wordt gebracht een beginstof is, waarop later kan worden verder gebouwd.
Bijvoorbeeld in de Groot Geestelijke Scholing. Het is dus een opeenvolging van begrippen.
Wanneer U dit nu wilt vergelijken met een normale school, dan zult U met mij eens zijn, dat
men daar in de eerste klassen begint algemene feiten te leren, om in de hogere klassen zich te
specialiseren op bepaalde feiten, die met bijzondere nadruk en uitvoerig worden behandeld.
Terwijl men het vroeger geleerde onderhoudt, maar het toch vaak tot minder belangrijke
plaats terugbrengt, behalve dan, als ik mij goed herinner bij de tentamens en examens,
waarbij de gehele materie weer naar voren wordt gebracht. Datzelfde zal men in de Groot
Geestelijke Scholing ongetwijfeld terugvinden. Dan is er verder nog een verschilpunt, juist
gezien de Groot Geestelijke Scholing en de Esoterische School: In deze Esoterische School
wordt een algemene richtlijn gegeven met algemene verhandelingen. Daarentegen in de Groot
Geestelijke Scholing een algemene verhandeling gegeven, waarna persoonlijke adviezen aan
elk der aanwezigen omtrent de meest juiste toepassingen worden gegeven. Ik geef graag toe,
dat voor sommigen dat toch wel eventjes schijnbaar een beetje onaangenaam was, omdat het
daarbij natuurlijk ook vaak noodzakelijk was bepaalde zwakke punten aan te stippen. Naast
enkelen, die werkelijk bloosden, hebben we er enkelen ontmoet, die geestelijk bloosden, toen
werd gezegd waar het op neer kwam. Maar door deze persoonlijke leiding kunnen wij dus het
geleerde in een persoonlijke toepassing rendabel maken. Dat gaat hier niet. We moeten hier in
een algemeen gemiddelde blijven. De wijze, waarop het gebeurt, is gericht op het tot stand
brengen van een voorbereiding, waardoor het juist accepteren van de Groot Geestelijke
Scholing mogelijk zal worden voor hen, die eerst de Esoterische Kring. gedurende een
bepaalde periode bezocht hebben. Ik hoop, dat ik daarmede zo al niet de bezwaren heb
weggenomen, dan toch ons standpunt duidelijk heb gemaakt. Zijn er nog commentaren?
Geen commentaar meer. Mag ik vragen of er iemand is, die nog bijzondere verzoeken heeft
aangaande onderwerpen, dan wel wijze van behandeling in volgende bijeenkomsten? U mag
zalf een U bijzonder sympatieke spreker aanwijzen. Als het enigszins mogelijk is, zullen wij die
dan ook voor U op de voorgrond laten komen. ............
Mag ik uit Uw stilzwijgen dus concluderen, dat de gang van zaken zo als tot nog toe voor U
aanvaardbaar is? (Ja.) Dat U ermee akkoord gaat en dat deze wijze de bijeenkomsten kunnen
worden voortgezet? (Zeer zeker.). Wij zijn U dankbaar voor dit ongetwijfeld vleiende oordeel.
Dan rust op mij de taak om weer een aspect van de esoterie met U te gaan behandelen, dat
meer in de algemene lijnen ligt.
Wanneer wij zeggen esoterie, dan bedoelen wij daarmede heel vaak een reeks van
uiteenliggende gebieden, die volgens bepaalde systemen werken met ongeziene krachten. Een
dergelijke werking brengt met zich mede een bepaalde zienswijze t.o.v. het leven, maar ook
t.o.v. de onzienlijke en vaak ook onkenbare verlenging van het leven, de extensie daarvan in
andere gebieden. Het is duidelijk, dat wij daarom in deze kring ons ook zouden moeten gaan
bemoeien met verschillende van deze z.g. geheimwetenschappen en daarbij ook de aspecten

INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN 7
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 1 - Inleiding cursus: waarheid en waan

moeten aanstippen van astrologie, Kabbalistiek, de Brahmaanse leer, Yoga en dergelijke
systemen. Het ligt in de bedoeling om over deze gebieden ook bijzondere sprekers naar voren
te laten komen en wij hebben gemeend het best te kunnen aanknopen bij het verleden, zodat
ik op het ogenblik - tenminste wanneer U daar geen bezwaar tegen heeft - zou willen
voorstellen om het woord te geven aan Broeder Abraham voor een verhandeling over
kabbalistieke levensleer. Deze wordt eventueel voortgezet in de volgende bijeenkomst, tot
Broeder Abraham zijn onderwerp beëindigd heeft. Gaat U akkoord? Dan dank ik U voor het mij
geschonken gehoor. Wanneer het in de toekomst noodzakelijk lijkt, dat vragen worden gesteld
of voorstellen Uwerzijds zullen worden gedaan, ben ik gaarne weer tot Uw beschikking om Uw
wensen aan te horen, Uw vragen te beantwoorden. Tot die tijd wens ik U een zeer zegenrijke
reeks van bijeenkomsten. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Ik zou haast zeggen: "Daar ben ik dan weer." Want het is al een tijd geleden, dat ik met U heb
mogen praten over de levensstellingen en -leringen, zoals ik die ken. En nu is vandaag
natuurlijk in de eerste plaats de aandacht gericht op:

De grondslag van de kabbalistiek
Menigeen denkt, dat dat alleen maar een kwestie van cijfers is. Ze zien een kabbalist als
iemand, die boekhouder speelt in de goddelijke boekhouding. Nebbisch. Het is een hele
levensleer met een eigen achtergrond. Deze achtergrond berust op oude voorstellingen en wij
mogen nooit vergeten, dat de kabbalistiek is gegroeid in een tijd, dat een mens nog dacht over
de wereld als de enige wereld, het centrum van het heelal en daaromheen de grote krachten
van de hemelen.
De mens groeit als het leven op deze wereld. Uit de materie put hij zijn bestaan, zijn
lichamelijke moeilijkheden, zijn wereld en zijn omgeving. En het is heel logisch, dat hij zegt:
"Ik wortel in de aarde." Maar deze worteling is niet voldoende, want het wezen zelf - de
geestelijke inborst van de geest - drijft hem boven de aarde uit. En daarbij ontdekt hij in het
mentale gebied heel veel verschillende mogelijkheden.
Hij gaat verder. Hij wordt zich bewust van het astrale gebied. Na het astrale leert hij de
gebieden van het geestelijk bestaan, van vormloos geestelijk bestaan enz. te begrijpen. Hij
vormt als het ware een stam met verschillende vertakkingen. En de top daarvan beroert de
hemelen. Want er is een ogenblik, dat elke mens in zich tot een beleven en een ervaren komt,
dat niet meer in termen van de wereld of sfeer is te zeggen. Hier ligt de grondslag van de
kabbalistische levensbeschouwing en levenshouding:
Je plaats op de wereld is niet belangrijk. Wat je bent en wat je doet, nah, wat komt het er op
aan. Het gaat erom, hoe je van uit de plaats, waarop je staat, omhoog kunt komen. Zoals de
boom probeert om uit alle grond zijn eigen voedsel te putten zo kan de kabbalist uit alles wat
hij beleeft, proberen alleen maar kracht te halen voor zijn geestelijke groei.
Dan probeert hij ook niet om aan het leven te ontlopen. Hij is in zekere zin een fatalist. Want
hij aanvaardt voor zichzelf het leven, zoals het komt. Hij vraagt niet om stoffelijke verbetering,
hij vraagt niet om voorrechten. Ja, de ware kabbalist bidt niet eens tot God dan om Hem te
roemen, te verheerlijken. Het gebed van de kabbalist is een erkenning Gods, en vaststellen dat
God bestaat: maar nooit een betrekken van Goden Zijn invloed op de wereld.
De invloed die het Goddelijke op de wereld heeft, ligt in het principe van de Schepping. En het
principe van de Schepping is een Woord, een Kracht. Dat Woord is een combinatie van letters,
maar ook getallen. En in deze getallen wordt het alomvattende en oneindige uitgedrukt. Je zou
zeggen rekenkundig gezien is. God een soort van eeuwig repeterende breuk, die het getal 1
benadert, maar net iets minder is. Je. gaat daarvan uit, omdat 1 de uiting, het Woord zelve is.
De bron, die er achter ligt, is dus voor ons minder dan deze eerste uiting. Ze was anders. Ze
was eeuwig. Zo heeft de kabbalist zich a.h.w. een God gedefinieerd. En uit deze vaststelling
zoekt hij nu de werkelijkheid voor zichzelf te putten.

8 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 1 – Inleiding cursus: waarheid en waan

Dan gaat hij dit zeggen: De hele wereld is als ik, één met het Scheppende. Het getal 1 wordt
overal uitgedrukt. Op het ogenblik, dat mijn eigen waarde - ik heb ook een getal - in
overeenstemming is met het getal 1, zal mijn hele leven zich weerspiegelen in de hele wereld.
Wanneer ik echter geen weerkaatsing van mijzelve vind, zoek ik naar het getal, dat de
verhouding uitdrukt.
Het zal U bekend zijn, dat een hele hoop kabbalisten in de eerste plaats zoeken naar de
getalswaarde van b.v. de woorden in de Bijbel. Zij doen dat niet om overeenkomsten te
vinden, of om nu eens uit te maken, wat het werkelijk is. Zij zoeken alleen het getal om -
kennende het getal - een bepaalde waardering daartegenover voor zichzelf vast te stellen. Zo
brengt de kabbalist zich in harmonie met 1, met het geuit Goddelijke, door zijn
levensaanvaarding, en zijn streven. Maar gelijktijdig zoekt hij door middel van zijn kennis een
begrip voor het niet-harmonische gedeelte van het Al. Zo zoekt hij daar naar zijn "zakelijke
mogelijkheden", zou ik haast zeggen. Het is niet voor niets, dat het in mijn volk een tijdlang
buitengewoon geliefd was. Het maakt het mogelijk om a.h.w. in de wereld een soort van
geestelijke winst- en verliesrekening te openen. Want je kunt zeggen: "Kijk, dat, treedt er in
mijn leven op. Dat is absoluut tegengesteld aan mijn wezen. Elke beïnvloeding daarvan is voor
mij dus geestelijk nadelig. Ik beperk mijn relatie hier. Maar dáár heb ik een getal, dat
harmonisch is, dat versterkt mijn eigen denken, mijn eigen streven. Dat accepteer ik sterk,
want dat is voor mij een geestelijke verrijking., Op deze manier kom je tot een geestelijke
verhouding, waarin alle beleving, alle aanvaarding wordt gekoppeld aan je eigen groepsuiting
en je relatie als uiting t.o.v. God.
Nu is het vreemde dit. Je weet het bekende gezegde: elk hondje heeft z'n stamboom. Zo zou
je ook kunnen zeggen: elke geest heeft z'n levensboom. Niet één levensboom als symboliek
voor het geheel, maar een levensboom als symbool voor mijn eigen wezen en mogelijkheden.
Door gebruik te maken van. mijn eigen getal en de grondwaarden, die ik ken van mijn
omgeving plus het getal 1 (de uiting) waarbij dus als verhoudingsgetal de breuk van het
geheime woord wordt gebruikt, kan ik komen tot een reeks van indelingen, waarbij op elk vlak
mijn eigen persoonlijkheid met zijn uiting is vastgesteld. Dan kan ik, krachtens dit weten, een
beroep doen op elk factortje, elk getalletje, dat er in de levensboom voorkomt. Ik kan mij op
elke sfeer afzonderlijk afstemmen en mijn wezen daar concentreren.
De kabbalist, die daarvan uitgaat, wordt heel graag door de gewone mensen gezien als een
wonderdoener. Denk maar eens aan de rabbi van Wilnau: Want het weten omtrent deze
banden maakt het mogelijk om de geest te beroeren van iemand die het lichaam verlaten
heeft en zo nodig daarin terug te voeren, als het lichaam het nog accepteert.. De mens is in
staat door de geestelijke niveaus van een ander af te tasten de geestelijke kwaal te
ontdekken, waaronder hij lijdt en hem zo op die manier tot harmonie terug te voeren, wat dan
lichamelijk kenbaar wordt als genezing. Door op verschillende trappen van je eigen wezen het
totaal van je zijn te ervaren, ben je in staat vast te stellen, wat toekomstige ontwikkelingen
zullen worden. Kunt U zich dat realiseren, dan begrijpt U, dat hier de, kabbalist - in zijn goede
vorm dus - een mogelijkheid, heeft gevonden om buiten de wereld te leven en toch in de
wereld te wortelen.
Dat is de eerste grondslag van de kabbalistische levenswijsheid. Niet LEVEN in de wereld
waarin je bent. Neen, wortelen in de wereld, waarin je bent, je krachten a.h.w. daaruit puren.
Maar leven op elk niveau, dat voor jou maar mogelijk is.
Dan deelt hij het heel vaak in negen niveaus in: ook heel vaak in zeven. Dat zijn verschillende
leerstellingen. De één is de Oosterse trap, de andere is de Westerse trap.
Eén ding is eigenaardig. De wijsheid van de kabbalisten, de levensbeschouwing, is heel wat
ouder dan het woord kabbalistiek, of kabbala, (verborgen leer, geheime bron) en is terug te
voeren tot de oude tijden, dat de eerste volkeren uit Atlantis invloed kregen in het zuiden van
Azië, Arabië en een deel van Noord-Afrika.
U zult zeggen: "Wat heeft dat ermee te maken?" Maar ik wil alleen hier even de symboliek ook
van de oude kabbala, van de allereerste bron van levenswijsheid naar voren brengen. Die zegt
zo:

INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN 9
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 1 - Inleiding cursus: waarheid en waan

Wie zoekt naar de waarheid komt in een bos met wilde dieren. Die wilde dieren zijn symbolen
voor de zuiver menselijke, onbeheerste lusten ofwel het dierlijke in de mens. Kun je die dieren
beheersen, dan kom je aan een poort. Die poort wordt bewaakt door twee reuzen en twee
draken. De reuzen vertegenwoordigen weer het menselijke. Zij zijn n.l. de menselijke drang en
drift, die niet juist geleid worden. De draak is het bijgeloof ofwel het geloven buiten eigen
bewustzijn om. Hebt U die overwonnen, dan kun je de poort door gaan. En daar vind: je de
bron van leven of het levenswater. Het levende water wordt bewaakt door een slang. Je zou
kunnen zeggen: "Het is familie van de slang van Adam en Eva." Het is het demonische.
Op het ogenblik dat wij het water des levens drinken, vergroten wij door ons bewustzijn ons
eigen grensloos voortbestaan. Dus geen overgang van dood meer, maar hoogstens een
bewustzijn, dat zich begeeft van de ene wereld naar de andere, zonder één ogenblik van
onderbreking, van ontwikkeling. Als je dat al hebt, dan heb je het gevoel, dat je machtig bent,
dat je groot bent en kom je in de verleiding om te zeggen: "Ik ben door dit vermogen sterker
dan jullie. Ik heb jullie niet nodig: " Daarmee verwerp je datgene, waarin je wortelt, waaruit je
ontstaat, de totale wereld, waaruit je voortkomt. Het is het satanische principe: Je stelt je
tegenover God in plaats van Hem te aanvaarden.
Wie het levenswater drinkt en de slang overwint, vindt voor zich de levensboom. En die boom
is voor hem in elk opzicht tot de top te begaan. Naarmate hij hoger stijgt, wordt hij volgens
het geloof ook lichter. Dat is ook weer een symboliek. Want stijg je, dan wordt immers de last
van het stoffelijke minder. Daardoor kun je je bewegen op gebieden, die anders - gezien je
stoffelijke instelling - te zwaar of te groot voor je zouden zijn. Kun je dat niet dragen, dan val
je. Want, nietwaar, wanneer je om die reden van een hoogte valt, dan breek je heel vaak
geestelijk je nek. Maar kom je daar dus eerlijk en oprecht toe in een voortdurende en
geleidelijke stijging, dan heb je voor jezelf gewonnen een verlies van ballast, van stoffelijke
waarden, dip je niet kunt gebruiken. Daardoor kun je elk gebied, dat je bereikt (de takken van
de levensboom) volledig ondergaan en uiteindelijk in de top klimmen, die voor de mens te
zwaar is. Want zou een mens erin klimmen, de tak zou buigen en breken. Maar komt de
bevrijde geest en komt zij daar met haar bewustzijn, dan draagt de tak haar.
En nu het eigenaardige van dit verhaal, van deze overlevering: De top van de levensboom
raakt de hemel niet. Maar als de geest van de mens in de top staat - zich a.h.w. vrij maakt
van de levensboom en gelijktijdig een verlenging ervan wordt - raakt zij de kosmos, de hemel.
En zo is zij in contact met de wereld van God: (Of in de oude stijl was het dan nog van de
"goden". Die oude symboliek kunt U terugvinden op Java, Indonesië. U kunt ze terugvinden in
Bengalen. U kunt ze terugvinden bij sommige vertellers in Arabië. En U kunt ze ook nog hier
en daar vinden in de symboliek gebruiken door sommige magiërs in Senegal.
Deze oude stelling, deze oude leer, is eigenlijk voortdurend dezelfde gebleven. Wij gaan door
het woud van het leven, bedreigd door de wilde dieren, die onze dierlijke hartstochten
voorstellen. Zolang wij ze beheersen, helpen ze ons. Zolang wij echter onbeheerst zijn, zijn ze
meester, verscheuren ze ons. Dit wordt soms uitgedrukt door de kabbalist, die naar bewustzijn
streeft, voor te stellen als iemand, die vergezeld wordt door sommige wilde dieren. Heel vaak
gebruikte men in de oude tijd daarvoor een soort tijger en een eenhoorn. Dan wordt hij nog
door andere dieren bedreigd: maar de dieren mét hem nemen een beschermende houding
aan. De conclusie is alweer eenvoudig - om met een geachte medespreker op dezelfde manier
te argumenteren -: "Wanneer je een bepaalde lust van jezelf, een hartstocht, bedwingt, wordt
deze tot een hulp bij het bedwingen van verdere hartstochten." De latere kabbalistiek heeft
dat zeker begrepen. In de levensleer wordt dan. ook steeds gezegd: Zeg niet: "Ik zal mezelf
beheersen." Maar zeg: "Ik zal meester worden over mijzelf op dit punt." Wie dat bereikt, heeft
daarmede de basis, waarop hij verder kan gaan. Zeg niet: "Ik zal het geheim ontsluieren."
Maar zeg: "Ik zal mijn weg gaan, beheersend, tot ik meester ben van de sleutel."
Beheersing speelt dan ook in de kabbalistiek een zeer grote rol. Elke sleutel, mijne vrienden, is
uiteindelijk niets anders dan een reeks van innerlijke werkingen, beheersingen, waardoor het
mogelijk wordt andere gebieden te ontsluieren.
Dan kan ik U verder er dit nog over zeggen: De getallenleer heb ik op het ogenblik helemaal
niet aangesneden. Dat zal ik ook niet doen. De getallenleer is een hulpmiddel. Zij wordt
10 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 1 – Inleiding cursus: waarheid en waan

gebruikt om via zekere regels - en vooral het ontwikkelen van eigen innerlijk leven en intuïtie -
te komen tot een begrip van de wereld. Wanneer we ons echter vasthouden aan de
grondstelling, dat beheersing de sleutel is, hoeven wij die sleutels niet eens als getallen uit te
drukken.
Elke uitdrukking van een getal, die gelijktijdig sleutel moet zijn, is persoonlijk. Niemand kan
een algemene kabbala samen stellen. Hij kan slechts een reeks van algemene opmerkingen
met persoonlijke uitwijdingen geven. Daardoor is de uitwerking der kabbalistiek vaak heel
verschillend, maar de grondslag is hetzelfde: de levenshouding van de kabbalist, die voor zich
bewust zoekt naar de sleutel door beheersing en vandaar komt tot geestelijke stijging door de
aanvaarding van zijn wereld, zoals zij is. Ik zou zeggen, het kan er voorlopig wel bij blijven.
Maar een volgende keer zou ik gaarne wat verder gaan. Natuurlijk, wanneer je zegt: "Laat
hem maar wegblijven, dan blijf ik weg. Maar wanneer je zegt: "Het interesseert mij", dan zou
ik de volgende keer graag ook nog willen spreken over de kabbala. En dan zou ik naast de
levensleer de ceremoniële uitdrukking nog een keer willen belichten. Ik heb dat wel al eens
een keer gedaan, maar in de herhaling ervan, denk ik zo, dat ik U toch iets duidelijker kan
maken, hoe het symbool ook het hulpmiddel is bij de geestelijke stijging. Dus wat zegt U? Tot
de volgende keer, Bram?
Ja!
Nu geef ik het woord over aan de laatste spreker voor vanavond en die gaat dan met U
gewoon mediteren. Ik hoop, dat het geen teleurstelling is, dat er niet nog meer sprekers
komen. Maar ja, het medium heeft zo langzamerhand z'n portie gehad en dadelijk komt de
baas ook nog even fluisteren, als jullie weg zijn. Dus we moeten ons houden aan de
mogelijkheden. Tot de volgende keer.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden. Aan het einde van deze bijeenkomst willen wij toch weer sluiten met
een meditatieve beschouwende vorm van het Schone Woord. Misschien ietwat anders nog dan
de meesten van U gewend zijn, maar toch het Schone Woord. En ook hier moogt U dus,
wanneer U wilt, zelf een onderwerp geven, dat het slot van deze avond vormt.
Waarheid.
WAARHEID
Waarheid. Een onbereikbaar goed. Onbereikbaar weten. Want wanneer wij zeggen "waarheid",
dan bepalen we onze standplaats, ons punt in de ruimte, ons bewustzijn. Waarheid wijzigt zich
en is slechts op één punt absoluut, absoluut in het Goddelijke, in het Scheppende, dat Zichzelf
te allen tijde gelijk, blijft. Maar veranderlijk is zij voor ons zelf. Want wijzelven veranderen.
Wij zoeken naar waarheid. Maar in feite is ons zoeken naar waarheid niet het zoeken naar een
vaste rustplaats, naar een vaste mogelijkheid tot oordelen, naar een vaststellen. Wij zonken
eerder naar een haast onbereikbaar iets - de stijging van ons eigen wezen - zodat we de
wereld, die wij thans kennen, kunnen overzien. Waarheid, werkelijke waarheid, is het wezen
van onze wereld erkennen. Maar om dit te bereiken moeten wij boven onze wereld uitstijgen.
Wij moeten a.h.w. eerst voor onszelf een nieuwe twijfel scheppen, voor we een oude waarheid
kunnen erkennen. Het feit, dat er geen vastheid is in deze waarheid, brengt sommigen tot een
twijfel: Zou er wel waarheid bestaan? En toch, in Uw eigen wereld hebt U het vaak genoeg
kunnen ervaren: Er zijn dingen, die waar zijn, voor U ook.
Wanneer het regent of de zon schijnt, is dit geestelijk gezien onwaar. Het is immers slechts de
pols van het leven op aarde. Geen afzonderlijk verschijnsel. Maar voor de mens zijn regen en
zonneschijn waarheden: waarheden, die we tastbaar en aan de lijve ondergaan.
Wanneer je tot een mens zegt: "Er is een eeuwig leven", is dit voor hem geen waarheid. Het is
een suppositie, een veronderstelling die hij misschien gaarne bevestigt, maar voor zichzelve
slechts in zeer enkele gevallen daadwerkelijk ondervindt. Zolang hij mens blijft, gebonden aan
de stof,- aan de materie, is zijn eigen leven waar en verder niet. Waarheid is datgene, wat op
dit ogenblik voor onszelven onomstotelijk werkelijkheid is. Werkelijkheid ontdaan van alle
bijkomstigheden.

INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN 11
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 1 - Inleiding cursus: waarheid en waan

Mens en geest zoeken gaarne raar verklaringen voor hun wezen en zijn. Zo hoort men een
mens vaak zeggen: "Dat ik in dit leven dit alles beleven moet zal wel het gevolg zijn wan mijn
vroegere incarnaties." Geestelijk gezien kan het waar zijn, maar stoffelijk gezien valt alles te
herleiden tot de stoffelijke oorzaken van het loven. Stoffelijk gezien is dus dát slechts waar.
Het andere is een veronderstelling, die misschien een troost kan zijn maar niet de waarheid
zelve.
Wanneer ik U dit zo naar voren breng: dan doe ik het, omdat zo vaak mensen menen de
waarheid te vinden in het irreële, het nu-nog-niet-werkelijke. Geloof mij, daarin kunt U geen
waarheid vinden. U kunt geloven dat, wat anderen als waarheid beleven, op dat vlak, voor U
eens waarheid zal zijn. Niet dat het thans waar is. Misschien dat dit onderscheid voor U
moeilijk is. Dat U zich afvraagt: "Wat moeten we hier nu eigenlijk mee aan? Er wordt hier heen
antwoord gegeven op de vraag: wat is waarheid." Misschien zult U zeggen: "Het antwoord is te
beperkt," Geloof mij: Alle dingen zijn in wezen waar, d.w.z. in God. Ook de leugen. Want een
leugen moet ergens een bevestiging vinden, anders zou ze niet kunnen bestaan. Ergens is zij
dus waar. Maar voor U is ze onwaar. Daarom moet men leren een persoonlijke waarheid te
kennen. Een persoonlijke waarheid, die elke uitvlucht, elk beroep op het ongekende terzijde
stelt en eerst voor zichzelf het leven definieert, zoals het is. Van daaruit kun je je waarheid
groter maken, kun je je bewustzijn uitbreiden, tot het neer gebieden omvat. En dan zijn de
meerdere gebieden gelijkelijk en gelijktijdig waar. Maar wat er buiten ligt is voor jou nog
steeds onwaar. Niet reëel.
Men zegt wel eens: "God is de waarheid," Dat is zeker waar, wanneer wij geloven aan een God
- iets wat we niet weten: we welen niet of God werkelijk: bestaat, we nemen het alleen aan,
krachtens een innerlijk kernen dat ver buiten ons vermogen tot oordeel uitgaai: - dan nemen
we aan, dat God zich in alles openbaart, Wanneer wij zeggen: "God is waar te allen tijde en
overal en alles is waar in God", dan zeggen wij dus iets, dat krachtens een innerlijk weten
reëel kan zijn: maar wij zeggen niet iets, dat voor ons persoonlijk op dit, ogenblik buiten elke
twijfel aantoonbaar waar blijft. Daarmede moeten we rekening houden,
Wij moeten eerst zoeken naar waarheid in onszelven. De lage waarheid van geest en stof.
Daarnaast zal - de waarheid aanvullende - misschien een geloof bestaan. Maar we mogen
nooit een beroep op dit geloof doen, voordat wij in waarheid hebben vastgesteld, dat de
realiteit geen andere uitweg biedt. Wij mogen aannemen, wat wij willen, geloven wat wij
willen, maar we moeten ons baseren op het heden, op het nu. Wij mogen onszelf niet
bedriegen. Dat is de eerste term van het onderwerp.
Dan is er een tweede. Wij leren op de duur - de stof zowel als de geest - dat er dingen
bestaan, die in onze wereld niet reëel zijn en die toch voor ons een uitermate grote realiteit
weten te gewinnen. Dit zijn persoonlijke waarheden, die een uitbreiding betekenen van onze
wereld. We begaan soms de vergissing deze tweede en zuiver persoonlijke, niet deelbaar:
waarheid te stellen boven de gemeenschappelijke waarheid van de wereld, waarin we bestaan.
Dat is foutief. Hen kan niet zeggen: "Waarheid, geestelijk ervaren, gaat boven stoffelijke
waarheid." Men kan slechts zeggen: "De waarheid, geestelijk gevonden, is een uitbreiding van
de waarheid, die ik stoffelijk reeds kende." Vooral wanneer we geloven in God, wanneer we
dus accepteren, dat er buiten het voor ons reële een hogere kracht bestaat, met
eigenschappen, die we dan misschien in onze eigen wereld herkennen, dan mogen we uitgaan
van het standpunt, dat de wereld, waar we leven, voor ons noodzakelijk is. Want zij is onze
waarheid. Een uitbreiding van ons bewustzijn daaromtrent vergroot dus de waarheid van ons
wezen. En naarmate ons wezen meer waar is, zal zeker de God, waarin we geloven als DE
waarheid, ook in ons sterker tot uitdrukken komen.
In enkele regelen samengevat, vrienden: Waarheid is een waan, tenzij gevonden in en
gebaseerd ook op eigen bestaan, onze eigen sfeer, onze eigen wereld. Maar deze waarheid,
genomen als begin, geeft ons hele leven zin en doet ons meer begrijpen van wat ons zelf
beweegt. Het doet ons begrijpen wat ons drijft, zodat de waarheid - waar erkend - in ons een
grotere waarheid schrijft, die - eens beseft - een wereld doet verlaten en nieuwe werelden
doet aanvaarden. Maar werkelijkheid ligt altijd weer in eigen wereldwaarde.

12 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 1 – Inleiding cursus: waarheid en waan

Ik hoop, dat ik met deze beschouwing Uw punt "waarheid" heb toegelicht. Deze is gedeeltelijk
een beschouwing, gedeeltelijk een les. De les is deze: Leer eerst waar te zijn en volgens
waarheid te leven in je eigen bestaan. Zoek dan eerst naar hoger waarheid. En de belofte, die
hierin ligt en die U eerst voor Uzelve moet maken: Wie leeft in waarheid in eigen wereld, vindt
grotere waarheid in zichzelf en zo grotere wereld, groter vreugde, groter mogelijkheid.
Daarmede besluiten we deze bijeenkomst. Wij danken U voor Uw aanwezigheid en aandacht
en hopen U de volgende maal allen veer aanwezig te zien. Goeden avond.
o-o-o-o-o
N.B.: In het begin is een gedeelte niet opgenomen door een storing in de recorder.

INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN 13
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 2 - Waarheid en waan - deel 2

Goeden avond, vrienden.
Een vorig maal hebben wij o.a. gesproken over waarheid en waan. En ofschoon ons
programma voor vanavond niet geheel volgens plan kan verlopen (wij hebben de laatste dagen
met enkele - laten we zeggen - dringender bezigheden en daardoor storing te rekenen) zou ik
toch graag proberen het onderwerp verder te vervolgen.
Wanneer wij uitgaan van het standpunt, dat alle dingen waan zijn, wordt het noodzakelijk om
voor ons een houvast te vinden, voor onszelven een weg te vinden die onafhankelijk van waan
of werkelijkheid in ons een perfecte realisatiemogelijkheid baart van iets onvergankelijks, iets
eeuwigs.
Die weg kan op vele wijzen bezien en betreden worden. Praktisch elk geloof, elke lering geeft
ons de mogelijkheid om door te dringen tot een bepaald gebied, dat zich verder ontplooien kan
tot oneindigheid. Ik wil echter deze maal proberen met U een weg te bespreken, die ligt in alle
leven, dus onafhankelijk van enigerlei specifiek religieuze of dogmatische lering. Aan het begin
van die weg staat de liefde. Aan het eind van die weg staat wederom de liefde. Zij liggen
echter op een heel verschillend plan. Daartussen liggen de trappen van zelfreiniging en
zelfbeheersing. Om duidelijk te zijn, moet ik hier afstand doen van het voorrecht anderen en
wijzeren te citeren. Wat ik U hier dus voorleg is mijn eigen versie en eigen weergave van
reeksen oude stellingen. Ik ben zo vrij dit te amenderen, voor zover dit krachtens ons
geestelijk ervaren mogelijk en noodzakelijk is.
De kern van de mens is zijn gevoel, Zijn gevoelsleven is het, dat boven het verstandelijke uit
zijn denken dilateert. Dit denken wordt stoffelijk meestal in drie delen verdeeld en wij noemen
daarvan allereerst het z.g. dierlijke denken, inhoudende de instincten. In de tweede plaats het
z.g. menselijke denken, welker gedachtesporen niet te vinden dijn in de hersenen zelf, maar
deel uitmaken van de grote zenuwganglia, de zenuwstrengen. En dan in de derde plaats
kennen wij het werkelijk grote verstand, dat inhoudt de menselijke rede, maar dan
geperfectioneerd. De normale menselijke trede is slechts een verklaring van het gevoelsleven,
Wanneer wij nu de rede en hit denken gaan beheersen, zullen wij niet verder komen, omdat
ons gevoelsleven voortdurend ons dwingt te gaan langs paden, die wij achteraf misschien
redelijk kunnen of trachten te verklaren maar toch niet reëel beleven. Wij moeten dus
beginnen bij het gevoelsleven. En nu klinkt het U misschien vreemd, wanneer ik hier in een
esoterische school begin te spreken over sexualiteit als een van de belangrijkste principes, die
er bestaan. Toch moet ik dit doen. Ik bedoel hier niet mee de grofstoffelijke vorm maar de
kosmische vorm van het dualisme, dat in sexen wordt uitgedrukt.
Het feit, dat er sexen zijn impliceert dat elk wezen, dat slechts een sexuele eigenschap in zich
draagt - dus hetzij manlijk hetzij vrouwelijk is - onvolledig is. Deze onvolledigheid behoeft
aanvulling. Vandaar dat de mensen reeds in de oudheid goden uitbeeldden als b.v. Hermes,
die twee sexen gelijktijdig in zich dragen. Die zijn zelfbarend, zelfvoortbrengend en
zelfinstandhoudend. Dit in zichzelf besloten zijn betekent de grote realiteit van je eigen wezen
verwierven. Die grote realiteit van je eigen wezen is niets anders dan het accepteren van het
begeerteloze. Ik hoop dat dit duidelijk is. Het begeerteloze.
Het punt waarin de dringende behoeften en begeerten - de eeuwige jacht, veroorzaakt door de
onvolledigheid van de eigen persoonlijkheid - ophouden en daarvoor in de plaats komt vrede,
sereniteit en - moeilijk omschrijfbaar, maar ik zou het ‘t best kunnen noemen - een kosmisch
aanvoelen.
Nu staat aan het begin van het pad de liefde, niet als zuiver stoffelijke uitdrukking, maar als
een vervollediging van de persoonlijkheid. Elke man draagt in zich mentaal ook het
vrouwelijke, elke vrouw draagt in zich mentaal ook het manlijke. De eigenschappen, die
stoffelijk tot uiting komen, worden heel vaak opgevangen door het aanwezig zijn van absoluut
tegengestelde denkmogelijkheden en gevoelsmogelijkheden. In de westerse maatschappij
worden deze niet bij de sexe behorende gevoelens en reacties veelal onderdrukt en zo naar
het onderbewustzijn verdreven. Het jammere is, dat ze daar - ook wanneer een sexueel
contact ontstaat - veelal blijven. Toch wordt daarmede - excuseert U mij, dat ik deze

14 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 2 – Waarheid en waan - deel 2

uitdrukking naar voren breng - de huwelijksdaad teruggebracht tot een paring van lijken
zonder meer. Het is een lichamelijke daad: welker stoffelijke betekenis geestelijk niet dat zegt.
De mensen spreken dan in het westen romantisch over het éénworden der harten. Ook dit is
van geen belang. Een ogenblik van gezamenlijk gedeelde gevoelens waarborgt niet een
voortdurende eenheid. Men kan zeggen, dat de vrouw a.h.w. in zich de slapende man bergt,
terwijl de man in zich bergt de slapende vrouw. In het contact van beiden op stoffelijk en
geestelijk niveau ontstaat de behoefte aan begrip. De behoefte aan begrip, die de vrouwelijke
eigenschappen in de man zal bevorderen en sterker op de voorgrond zal stellen, terwijl
omgekeerd de vrouw haar vermogen tot manlijk reageren en denken sterker in aanspraak zal
moeten nemen. Dit betekent een volledig worden van de persoonlijkheid en het is daarom, dat
de liefde - nog in zijn kleine en bekrompen vorm aan het begin van het pad staat. Het is de
eenwording van de geestelijke factoren, waardoor het wezen vollediger wordt. Heeft men dit
bereikt, heeft men eindelijk in zich een begrip gekregen, dat a.h.w. de standpunten en de
mogelijkheid van beide sexen in zich bevat, dan eerst is men rijp voor het volgende. Die
volgende stap is het werken met de gevoelens.
Natuurlijk hebben wij in de eerste fase een fictieve wereld opgebouwd. Een wereld waarin de
bloesem een uiting is van onze eigen gevoelens, de opgaande zon slechts betekenis krijgt als
licht van onze stoffelijk. uitgedrukte eenheid, waarin de vruchtbaarheid van de wereld ons
onbewust tot symbool wordt voor onze eigen vruchtbaarheid. Maar we moeten verder.
Onze gevoelens zijn over het algemeen zeer onbeheerst. Wij zijn misschien wel in staat ons
denken te beteugelen, maar niet om het gevoel te regeren. Toch is dat de eerste noodzaak:
Mant zo reeds gezegd: niet het denken maar het gevoel in de eerste plaats is bepalend voor
een grote reeks van handelingen voor impulsen, dus voor bewustwordingen. Zolang wij door
het gevoel geregeerd worden, zijn wij als een vurig paard, dat door de koningin van waan
bereden wordt. Wij gaan en weten niet waarheen. Wij zien niet met eigen ogen. We ervaren
geen werkelijkheid. Wij moeten dus leren om de gevoelens, de impulsen, waardoor de waan
voortdurend regeert, te verminderen, te beperken. Deze beperking zoeken wij in de eerste
plaats van uit een verstandelijk standpunt. Schijnbaar is dat een tegenstrijdigheid. Maar
realiseer U goed: Wij kunnen het gevoel niet beperken door eenvoudig het gevoel te
onderdrukken. Het is iets, dat impulsief heel vaak zelfs zonder voor ons kenbare aanleiding in
ons optreedt. Wij moeten het gevoel mester worden en wij gaan dus in ons denken de
gevoelswaarden anders stellen, Wij gaan op de duur het gevoel a.h.w. deel maken van ons
denken. Hierdoor is het de waan niet meer mogelijk om ons voort te jagen. Want waar zij de
sporen indrukt met de emotie, met het gevoel, daar kunnen wij nu zeggen: "Hé, deze emotie
erken ik niet." Wij vormen haar dan om tot iets, dat voor ons wel bruikbaar en redelijk wordt.
Zo worden gevoelen en denken tot eenheid gemaakt. En hebben wij dat verkregen, dan komt
de daarop volgende fase, de fase der reiniging.
Nu wordt reiniging vaak verkeerdelijk verstaan. Men ziet deze of zuiver geestelijk of zuiver
stoffelijk. Toch heeft het eersten ook zijn spreuk daarvoor: mens sano in corporo sano - een
gezonde ziel in een gezond lichaam.
Dit houdt in, dat ons lichaam ook gezond moet worden gemaakt. Zijn wij meester van onze
gevoelens, dan zullen wij onze leefwijze moeten aanpassen aan de behoeften van ons lichaam
en gelijktijdig ook onze oefeningen: dus o.a. onze overpeinzingen, ons zoeken naar de
waarheid, ons denken aan een volledig blijvend gezond en reëel bestaan.
Die reiniging kan langs veel wegen verkregen worden. In het westen zien wij vormen van
zuiver psychische reiniging, o.a. in de vorm van biecht, dus het uitspreken van hetgeen ons
belast, waardoor het a.h.w. als schadelijke invloed uit ons verwijderd wordt. In het oosten zien
wij het heel vaak als een combinatie van stoffelijke en geestelijke factoren, waarbij het
lichaam wordt gereinigd. Een van de Yoga-leringen gaat daarbij zelfs zo ver dat zij o.a. het
opsnuiven van water voorschrijft. Leren drinken door de neus en teruggeven door de mond en
omgekeerd. Men moet leren om het lichaam a.h.w. door braken te reinigen, enz.
In beide gevallen wordt hier hetzelfde bereikt. Door lichamelijke reiniging wordt een soort
ontheffing van stoffelijke belasting ervaren. Door de biecht dus het uitspreken van gedachten,

INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2 15
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 2 - Waarheid en waan - deel 2

van gevoelens, en wel op zodanige wijze, dat men daarop a.h.w. een antwoord krijgt - krijgt
men ook ditzelfde gevoel: Het gevoel van zuiver te zijn, van rein te zijn. Heeft men dit gevoel
en is men meester over zijn emoties, zodat men zich niet laat drijven door elke nieuwe
invloed, die in het leven komt, dan kan deze toestand lange tijd behouden blijven. In deze
reinheid komt dus de volgende fase: de meditatie.
De meditatie wordt gebruikt als middel: zij is nooit ons doel. Zij dient ons als middel omdat wij
nu eenmaal moeten en willen doordringen in een waarheid, die buiten het voor ons kenbare
ligt. Het geschoolde gevoel kan elke stoffelijke gevoelsinvloed afweren en toch gelijktijdig de
impuls aanvaarden, die van het niet-gekende gebied komt. Een andere wereld en een andere
toestand vinden een uitdrukking in het ik: een andere wereld en een andere kracht openbaren
zich en brengen zo voor ons een toestand van innerlijk welbehagen, waarbij gelijktijdig een
wereldvervreemding kan optreden. Vervolgens leren wij harmonie tussen stof en geest te
bewerkstelligen. Ik kan U natuurlijk al deze leringen niet zonder meer geheel uiteenzetten,
Maar ik wil ook dit kort aanstippen. Wanneer men in staat is het lichaam volledig te
ontspannen op het ogenblik, dat ook de, geest volledig ontspannen is, krijgen we een zeer
vreemde toestand. Een toestand, waarin ook ons eigen beleven ons niets meer zegt. Hierdoor
ontstaat een verzinking in een kracht, die niet meer als wereld te omschrijven is: En is ook
deze fase doorleefd, dan komt men tot de laatste fase, die dient om de waan te verdrijven.
Men leert in de volledige overgave te komen tot een aanvaarding wan deze hogere kracht en
zal b.v. heel vaak i.p.v. te rusten of te slapen zich in deze kracht verzinken. Hierdoor wordt
een grote stimulans bereikt zowel op stoffelijk als op geestelijk terrein. Deze maakt het ons
mogelijk inzicht te verkrijgen inde achtergronden der dingen. Die weg om de waan te
verdrijven brengt ons tot "een" werkelijkheid. Ik zeg uitdrukkelijk "een" werkelijkheid, niet
"de" werkelijkheid. Maar een werkelijkheid, waarin - vanuit ons standpunt - het gehele
kosmische bestel is uitgedrukt. Een toestand, waarin wij de samenwerking en onderlinge
beïnvloeding van alle delen (dingen) voor onszelf redelijk kunnen ervaren. Dan hebben wij dus
de waan a.h.w. teruggedrongen. Ze is aanwezig en ze blijft aanwezig. Persoonlijk inzicht en
het persoonlijk denken blijven een stempel drukken op de eigen beleving, op de eigen reactie
en op de eigen bewustwording. Maar deze bewustwording is niet meer gebonden aan de in ons
liggende beperkingen, En dat is belangrijk. Want nu kunnen wij, doordat de beperking ophoudt
te bestaan, komen tot een volledig opgaan in een grotere kracht, waarbij een instinctief
beleven a.h.w. vervangend optreedt voor het bewust beleven. Het kleine "ik"-wordt
uitgeschakeld, het grote "ik" wordt geboren. Het "ik", waarin het goddelijk licht onmiddellijk
werkzaam is.
Degene die dat ondergaan, verkeren vaak in trancegelijke toestand. Zij zijn
a.h.w.uitgeschakeld uit het leven. Het is geen krampachtige vlucht: toch toont het lichaam zich
als praktisch versteend. Het toont zich verder met een minimum aan temperatuur en polsslag,
volledig kil en zelfs koud. Slechts bij de kruin zal over het algemeen enige temperatuur zijn
waar te nemen, dus een verhoging van de normale lichaamstemperatuur zelfs. Dit komt,
doordat het lichaam, dan uitgeschakeld wordt. In deze uitschakeling staan de levensfuncties
praktisch stil. Bij de terugkeer ontstaat daardoor - mag ik zeggen - een levenshonger, en gaat
a.h.w. met vergrote intensiteit het eigen leven na om daarin de weerspiegeling te vinden van
de geestelijk beleefde werkelijkheid. Ben ik tot zover duidelijk. U heeft me allemaal kunnen
volgen? Goed.
Nu gaan we proberen - nadat ik hier de procedure, de weg, een klein beetje beschreven heb -
ons eens voor te stellen, wat de werkelijkheid is buiten de waan om. Dus we gaan eens even
voor ons zelf alles uitschakelen, wat niet waar is. We gaan proberen daarin een waarheid te
vinden. De wereld, die ik zie, bestaat niet zo. Dat, wat ik denk te zijn, ben ik niet. Dat, wat ik
meen te weten over andere werelden, is geen waarheid. Al wat ik zeg, al wat ik denk, al wat ik
omschrijf, is in feite een zodanige beperking van de werkelijkheid, dat ze tot leugen wordt. Ik
wil echter zoeken naar de werkelijkheid. Ik verwerp dus voor een ogenblik de wereld die rond
mij is. Weg al wat ik zie, weg alle geluiden, ja, zelfs het spreken van het eigen lichaam leg ik
stil. Stilte en niets dan dat.
Wat bestaat er nu nog? Ik besta. Maar wat ben ik? Ik weet het niet.

16 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 2 – Waarheid en waan - deel 2

Ik beng zeker, maar onbegrensd en onwetend. En in deze onwetendheid is al, wat ik ontmoet
"ik". Al wat is. Maar wat is wordt geen uiting: het wordt geen openbaring, geen vorm, geen
kleur, geen licht. Het is, zonder meer. Het is als het aanvoelen van de aanwezigheid van
iemand anders in een stille kamer, en dan te ontdekken, dat het je eigen schaduw is. Het is
een gevoel: Meer niet. Een gevoel dat langzaam maar zeker ook nog wegebt en niets overlaat
dan een bewust zijn: het zijn. Het zijn, onbeperkt, onbegrensd, volkomen reëel, vol van kracht
en intensiteit. Dan weet ik - voor het eerst misschien in alle tijd, dat ik heb bestaan - wat
werkelijkheid is. Want al, wat ik nemen wil aan begrenzing, kan ik hier in dit niet-begrensde
"ik" opbouwen: en het bestaat. Alles wat leeft, wat ik schep of wat ik ken, is slechts een
speeltuig van het zijn. Het zijnde, dat identiek wordt met ik, met ego. Kunt U dat volgen?
Nu hebben wij zo getracht ons voor te stellen - al is het misschien praktisch voor de meesten
haast niet bereikbaar - wat de eindtrap is van de hele weg van leven en van streven, want die
eindtrap is het zelf creëren, het jezelf erkennen en het herkennen van alle dingen. "Dat zijt
gij", zeiden de oude leermeesters: En gij herhaalt het voor Uzelf: "Dat ben ik." En daardoor
wordt de liefde nu volledig tot uiting gebracht in Uzelf. Want al wat ge schept aan licht en
schaduw zijt ge zelf. Ge hebt de schaduw lief, omdat ze deel van U is, zoals ge ook het licht
lief hebt, omdat het deel van U is.
In dit deelgenootschap wordt het spel der waan tot iets anders. Het wordt een werkelijkheid,
een uitdrukking, niet van Uw wezen maar van Uw liefde voor al wat leven, wat zijn, wat
bestaan inhoudt. Zo is het scheppende spel de realisatie van de grote liefde, die de eindtrap is.
De eindtrap van ieder, die de bewustwording nastreeft.
Ik weet niet, vrienden, of U hierover nog iets wilt vragen, maar uit Uw stilte meen ik te mogen
concluderen, dat mij wordt toegestaan een volgende, spreker het woord te geven. Ik dank U
voor Uw aandacht en geef het woord over aan een volgende spreker. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Ik neem eigenlijk de plaats in van een andere spreker vanavond en daarom zou ik van mijn
kant dus niet direct een technische verhandeling maar liever een soort beschrijving willen
geven, een lering in beschrijvende vorm, als U het wilt.
Er is in het leven zo buitengewoon veel, wat je eigenlijk niet begrijpt. En dat onbegrip
veroorzaakt altijd weer strijd.

Alle strijd betekent beperking van wijsheid. Gelijktijdig zou je kunnen zeggen, dat
strijd een uiting van het noodlot is.
En daarom zou ik U het volgende verhaal willen voorleggen:
Er wordt een mens geboren op aarde. Een vreemd en een bijzonder mens. Wat zijn naam is,
weten we niet. Wel weten wij, dat voor het eerst in de kilte van het bestaan liggend, voor het
eerst van alle beschutting ontdaan: zelfstandig het kind met een afgrijselijke kreet het nieuwe
leven begroette.
En ieder, die aanwezig was geweest bij de geboorte, sprak over de eigenaardige kentekenen,
die het kind droeg Want ziet, het lichaam drukt vaak reeds in de geboorte iets van het wezen
uit. De oren waren op een wonderlijke wijze vastgegroeid, zodat de oor lellen doorlopend
geheel maakten met het hoofd.: De kleine neus - nog niet eens vol gevormd - toonde al iet
van een trotse steilheid en het voorhoofd was - zelfs voor een baby - hoog. Ieder verwachtte
dan ook van deze mens een bijzondere uiting, een bijzonder leven: En altijd weer werden deze
verwachtingen uitgesproken.
Men zeide: "Mijn kleine prins, je bent voor grote dingen voorbestemd. Leer, mijn prins. Speel,
mijn prins," En het kind gaf als een prins zijn bevelen: En de ouderen? Zij gehoorzaamden,
want zij verwachtten in het kind een wonder. Zo meende het kind, dat het meester was van de
dingen. En het begon zijn orders te geven ook daar, waar zij niet gehoorzaamd werden. Het
zei tot de bloemen:

INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2 17
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 2 - Waarheid en waan - deel 2

"Bloei," Maar zij bloeiden niet. Het sprak tegen de wolken: "Ga heen, ik verlang de zon te
zien." Maar de regen viel grof en zwaar. Het kind weende.
Toen het kind zeven jaar oud was, kwam de pest. De ouders stierven en de kleine prins stond
alleen in de wereld, die niet gelooft in prinsen en in wonderen. En altijd, wanneer de kleine
prins hongerig en vermoeid zich een schuilhoek zocht, droomde hij. Droomde van een wereld,
waarin hij regeerde, waarin de zon scheen op zijn woorden en de bloemen bloeiden. Waarin de
mensen gelukkig waren, omdat het zijn wil was. Waarin zij, die hij haatte, ondergingen op
afgrijselijke wijze, omdat ze het gewaagd hadden hem te beledigen. Zo werd de kleine prins
een dromer. Hij leefde meer in zijn eigen wereld dan in de ruwe wereld, waarin hij zijn
dagelijks brood moest zien te verdienen.
De dagen gingen voort en niemand kan de kilte breken, die als een ijzeren grens rond de
persoonlijkheid van de jongen lag. Niemand kon ooit een gevoel aan hem ontlokken, dat niet
was een uiting van "ik". Niemand zag een glimlach op zijn gelaat, tenzij een glimlach van
zelfverheerlijking. Niemand hoorde een woord met gevoel, tenzij een woord van zelfbeklag. En
zo werd hij, die door de ouders een prins genoemd werd, uitgestoten uit de maatschappij.
Hij kwam bij de bloemen en weende en zeide: "Waarom bloeien jullie niet?"
“Ben ik dan geen prins?" Dan: een wonder: waar de tranen de aarde beroerden, bloeiden de
bloemen. De rozen omgaven hem met duizenden geuren, de vogels zongen hun lied en de
wolken vluchtten weg en lieten de weldoende stralen der zon neerdalen op de wenende mens.
Toen vroeg hij zich af: "Ben ik dan toch meester van al deze dingen?" Hij ging een stad in en
nam zich het eten, want dit was zijn wens. Men sloeg hem en benam hem zijn vrijheid. Hij
vluchtte terug in de droom. Omdat hij wilde nemen, werd hem niets gegeven.
Eens zag hij een dier. Een klein eenvoudig dier. Een dwerghert. Een dwerghert, gevangen in
een wrede strik. Bewogen door medelijden hergaf hij het dier zijn vrijheid en toen ging hij
verder en droomde van zichzelve, dat hij een vorst was groot en machtig. Bijna was hij zelf in
een valkuil terecht gekomen, maar het kleine dwerghert waarschuwde hem. Het liep voor zijn
voeten en wekte hem uit zijn droom tot de barre werkelijkheid.
Telkenmale wanneer hij droomde, tot in de dorpen en in de steden toe, was daar het
dwerghert. Het volgde. En toen zeiden de mensen: "Ziet, deze vreemde mens heeft toch van
de goden een gave ontvangen." En zij wisten niet, hoe groot die gave was: Want nu hij niet
meer dromen kon en de werkelijkheid moest zien, was de kleine prins ongelukkig, was de
jonge mens voortdurend in diep leed, en in voortdurende zelfstrijd. Maar hij kon niet vluchten
in de droom. Het was alsof het hert zijn gedachten kon lazen. Wanneer een flits van verlagen
en begeren de wereld omtoverde, was daar de bruine schim, was daar een vochtige snuit en
vier fijne, smalle beentjes en de droom was voorbij: En zo leerde de jonge man de
werkelijkheid kennen. De werkelijkheid kennen tegen wil en dank, omdat hij niet meer dromen
kon. En hij vervloekte het hert, maar doden kon hij het niet, omdat hij het eens het leven
gered had.
Twee maal eenentwintig jaren gingen voorbij. De kleine prins was oud geworden. Grijs waren
zijn haren, moe zijn voeten. Het hert volgde hem al lang niet meer, maar de dieren des velds
schuwden hem niet. Zelfs de vorstelijke cobra groette hem statig buigend, maar viel niet aan.
Toen: gaande naar de bergen met de weedom en het leed, dat in hem lag zag hij voor het
eerst de wereld. De wereld, niet in een ontvluchting, maar als een vlucht naar een andere,
grotere werkelijkheid. Met zijn geest a.h.w. aanzijn lichaam onttogen zag hij over het land. In
vrede en begrip zag hij de wereld onder zich liggen. Hij wist, dat het goed was zo te zijn,
vervuld van vreugde, van kracht niet zijnde de vorst, die regeert maar zijnde de waarnemer,
die zich laat doordringen door al het gebeuren der wereld en zo alle wereld zijn eigen noemt.
Veertig dagen bleef de nu oud geworden mens op de berg. Voedsel noch drank beroerden zijn
gehemelte. Toen wist hij, dat hij besluiten moest: terugkeren en fierder lijden of bestaan in die
grote vreugde. En hij keerde terug. Terugkerende vond hij voor het eerst zijn ware
bestemming. Want hij zag door de ogen der mensen in hun harten. Hij zag door de wanden
van paleizen en hutten, wat er binnen leefde. Hij zag de strijd der dieren in de wrede natuur

18 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 2 – Waarheid en waan - deel 2

en hij begreep, dat het niet anders kon zijn. Zo werd in hem de waarheid geboren. En vol werd
zijn hart van licht, van liefde voor al het leven.
Hij keerde terug naar de plaats waar hij geboren was en wilde de waarheid verkondigen die hij
ontdekt had. "Gij", zo sprak hij luide op de dorpsplaats, "denkt te zijn, maar gij zijt niet. Want
in U is een leegte. Hol zijn Uw gedachten, zonder betekenis Uw woorden, Uw daden zijn niets
dan een schimmenspel, door hogere krachten opgevoerd voor het Volmaakte." Hij wilde nog
zeggen: "En toch leeft in U een licht.." Maar voor hij die woorden uitsprak, vielen de kogels,
Kogels van de jagers. En terwijl hij ineen zeeg, stamelde hu nog: "In U is het licht," . De
vrouwen namen modder en stenen en wierpen, ze op hem. De mannen schreeuwden en
trokken hun mes naar wie hen beledigd had en doodden hem.
Zijn ouders nu, levend in de hoge wereld, bij de lotusvijvers der eeuwigheid, zagen hem
komen, hem, die op aarde niets betekend had voor de mensen en voor zichzelf slechts leed en
bitterheid had gekend. En zij wilden wenen, omdat hij zo gekomen was. Maar ziet, heel het
zonnige land der vreugde werd vervuld van ene stem, die hun zeide: "Ziet, deze heeft waarlijk
het leven gewonnen." Toen de ouders naar hem toe wilden gaan om hem te kussen en hem
beschermend welkom te heten, deinsden ze verblind terug. Lichtend en hoog schreed hij
boven hen uit: een zon, die tot hem neeg en die zij niet konden aanschouwen. Zo groot, zo
hoog was die mens geworden.
In de wereld der sterren was een zon geborene een zon, die planeten regeert en zegt: "Dat
hier een wereld ontsta en daar een wereld verga," Want een mens wordt geboren met een
eeuwige bestemming. Met een kracht in zich, groot als die der scheppers. Maar indien hij niet
eerst leert de Schepper te aanvaarden, te kennen en toch de mensheid te kiezen ommentwille
van die Schepper, zal hij nooit worden tot een licht, dat staat aan de hemel, dat schept en
leven geeft, dat bewustzijn geeft en vreugde van een eeuwig leven.
Dat was het verhaal. De moraal kunt U zelf wel vinden. Maar ik zal haar toch in een paar
regels kort voor U schetsen:
Iedere mens is als deze, van wie ik spreek. In zich droomt hij van een wereld, waarin hij
regeert. Hij weent en verzet zich tegen de wereld, omdat zij niet gehoorzaamt aan zijn stem.
Dan gaat die mens uiteindelijk de eenzaamheid in. Sommigen vroeg anderen laat. Niemand
kan daaraan ontkomen. Zelfs Hij, die men Jezus van Nazareth noemt, ging veertig dagen in de
woestijn. En ook voor Hem lag de bekoring open, de bevrijding van de wereld, de vrede en het
beschouwen der dingen. Maar een mens verliest zijn mensheid en geestelijk erfdeel, wanneer
hij niet terugkeert. Het is niet onze taak om boven de mensheid uit te groeien Het is onze taak
de mensheid te aanvaarden en haar te geven wat wij haar geven kunnen, opdat zij zich
bewust worde van de werkelijkheid, die in haar leeft.
Ik hoop, dat U met dit verhaal genoegen wilt nemen. Het is een gelijkenis, die U misschien
heel veel zeggen kan voor Uw eigen wezen. Het is misschien ook een belofte, die U troosten
kan, wanneer ge in Uw lijden soms meent Uw wereld te moeten verlaten en U terug te trekken
in een wereld van fantasie. Maar of ge U terugtrekt of niet, eens zult ge de werkelijkheid
moeten erkennen. In het erkennen van die werkelijkheid zult ge moeten opgaan tot een
eenzaam bestaan om van daaruit te komen tot een realisatie van de schepping en Uw eigen
taak daarin.
Vrienden, ik geef het medium vrij. Na de pauze kunt U met een andere spreker verder gaan.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Dan komt nu eigenlijk de grote vraag: Waar gaan wij op het ogenblik over spreken? Hebt U
een voorstel? Moet ik nu zeggen: Ik ben overdonderd door Uw zwijgen of door het vertrouwen,
dat in mij gesteld wordt? Goed, laten we de vleiendste kant maar nemen: de meeste mensen
doen dat, dan hebbers ze minder reden zich klein te voelen temidden van hun medemensen.
Overigens, mijn naam werd onmiddellijk tijdelijk gebruikt, dus .... ik zou zeggen, laten we
maar vertrekken.
INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2 19
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 2 - Waarheid en waan - deel 2

Ja, dan moet ik over esoterie spreken. En dat vind ik aan een kant erg moeilijk. Want esoterie
is innerlijke wetenschap en per slot van rekening kun je die niet in woorden uitdrukken, tenzij
je ze exoterisch maakt. Maar dan is het geen esoterie meer. Je zou dus kunnen zeggen:

EEN POGING OM ESOTERIE TE VERKLAREN IS EIGENLIJK HET BINNENSTE-BUITEN
DRAAIEN

van de betekenis der woorden in de hoop, dat de mens het innerlijk gevoel krijgt, dat hem zijn
uiterlijke omstandigheden juister verklaart. En laat ik nu eens een keer proberen om de
esoterie van mijn kant te zien. Dan hoef je geen angststuipen te krijgen of zo iets: ik kan er
ook over praten.
De binnenkant van de dingen is eigenlijk - hoe moet ik het zeggen - heden en verleden in een
capsule, gestempeld met het nummer, dat de verwachting der toekomst daaraan geeft. Wat je
van binnen hebt, daarvan kun je niet bepalen wat er vandaag is en ook niet wat morgen. Want
water eenmaal in je ligt, dat blijft bestaan. Nu zijn er heel veel theoretici, die uitgaan van het
standpunt, dat de kosmos alles bewaart, dus dat elke daad, elke gedachte, alles wat je ooit
gezien hebt of zien zult, vastligt en bewaard blijft in het kosmisch denken. Ik kan daar
persoonlijk niet zo erg in meegaan, want ik heb de dingen op een persoonlijke manier gezien -
van mij uit - en ik behoud in mij deze persoonlijke herinneringen. Ik zou dus eigenlijk willen
zeggen: Wat in ons leeft is niets anders dan het totaal van al, wat we ooit hebben
meegemaakt: En dan niet alleen in een leven, maar in alle levens, in alle bestaansvormen en
in alle toestanden.
Als je dat zo bekijkt, voel je eigenlijk voor jezelf, dat wat je van binnen bent niet helemaal
klopt met wat je van buiten bent. Er is een voortdurende spanning tussen de - laten we het
deftig zeggen - exoterische beleving en de esoterische bestreving, die in je gelegd is. Ik heb
dat persoonlijk heel sterk ervaren, en ben daaruit eigenlijk tot de volgende conclusie
gekomen:
Je leven – zoals je dat bent, wanneer je op aarde leeft of ergens in een sfeer - is slechts een
zeer kleine gedeeltelijke weergave van de werkelijke inhoud van je wezen. Ik geloof, dat we
het daarmede eens zijn. Trouwens, het is ook niets nieuws, het is oud nieuws. Maar het is oud
nieuws, dat altijd nieuw blijft, omdat je voortdurend weer tot die ontdekking komt. Wanneer
nu mijn beleving maar de weergave is van een plein deel van mijn persoonlijkheid, dan staat
een ander deel van mijn persoonlijkheid op non-actief, het is uitgeschakeld. Maar kan dit deel
van mijn persoonlijkheid voortdurend uitgeschakeld blijven? Volgens mij niet, want het
bewustzijn kan nooit nauwkeurig begrensd blijven binnen dezelfde tijd. Zoals je de wereld ziet
als een jonge kerel van 20 of als een nog niet zo oude heer van 65, dat is toch wel een redelijk
verschili
Dat verschil kan nooit liggen in de verandering van de wereld. Je denkt het wel, maar het is
niet zo. Het is een verandering van je eigen beschouwen van de wereld. Je bent zelf in die
wereld ook een ander geworden. Met het ouder worden is dus je opvatting en wereldbeleving
veranderd, terwijl je persoonlijkheid wel gelijk is gebleven, daar een ander deel van je
persoonlijkheid is ingeschakeld. Geen commentaar?
Goed. Dan concludeer ik, dat elke verandering inde wereld in feite berust op een verandering
in je persoonlijkheid. Geen mens, die zijn stem daartegen verheft?
Als mijn persoonlijkheid verandert, dan verandert alle persoonlijkheid.
Voor mij.
Dus is mijn buitenwereld veranderd.
Mijn visie op de wereld buiten mij verandert.
Dus ben ik het uiteindelijk zelf.

20 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 2 – Waarheid en waan - deel 2

Ja.
U zei, dat de persoonlijkheid niet verandert, maar een ander deel der persoonlijkheid wordt
ingeschakeld. En even later zegt U: mijn persoonlijkheid verandert.
U hebt gelijk. Mijn persoonlijkheid verandert dus vanuit stoffelijk standpunt, terwijl ze vanuit
kosmisch standpunt zelve gelijk blijft, doch slechts een ander deel daarvan actief wordt, Bent
U het met mij eens? Nu is echter voor mij de tweede vraag, die ik ga stellen: Is altijd maar
een deel van mijn persoonlijkheid actief? En ik meen op grond van mijn eigen ervaringen en
belevingen - zowel van vroeger als van de laatste tijd - dit te mogen ontkennen. Integendeel,
meerdere delen van onze persoonlijkheid kunnen gelijktijdig actief zijn, waarbij een van hen
kan optreden in de wereld, waarin wij leven. Dan wordt het niet direct uitdrukbare deel van de
persoonlijkheid, dat toch geactiveerd is, tot een tweede persoonlijkheid - volgens menselijk
standpunt, laat ik dat erbij zeggen - die dus achter onze eerste persoonlijkheid, onze geuite
persoonlijkheid schuilt. Ook akkoord?
Dan volgt hieruit, dat ik altijd en te allen tijde mijnelf kan zijn, ook wanneer ik handel in affect
(Dus onder emotionele spanning zullen we maar zeggen, in een toestand, waarvan de dokter
gaat vertellen, dat je niet toerekenbaar bent.)
Ik ben dus steeds mijzelve in elke handeling, onder elke omstandigheid. Ik mag dus nooit
proberen om een deel van de verantwoording voor wat ik ben en wat ik doe af te schuiven op
anderen. Want ik kan deze dingen alleen doen en ik kan ze alleen zijn, doordat mijn
persoonlijkheid zelf deze waarden in zich draagt.
Nu gaan we verder. Er moet een begin zijn van mijn persoonlijkheid. Want ik ben niet eeuwig,
ik ben niet onbegrensd. Ik kan deze aanvang natuurlijk zoeken in de chaos of iets dergelijks,
maar dat is een uiterlijke waarneming. Dat is dus een bepaling van iets uiterlijke, wat op mij
indruk heeft gemaakt. Voordat die indruk kon bestaan, moest ik er reeds zijn, anders had ik
die indruk niet in mij kunnen opnemen. Ook logisch:
Conclusie: Ik bestond reeds voor ik bewust was. Maar ik kan niet reageren op iets, wat alleen
buiten mij bestaat, want het moet in mijn persoonlijkheid een zekere waarnemings- een
ervaringsmogelijkheid vinden. Resultaat van deze redenering: Alles wat ik geweest ben of ooit
zal zijn, was ik in den beginne.
Maar wanneer ik nu zo mijn eigen geschiedenis naga, zoals ik mij die herinner met al haar
verschillende verschijnselen - mijn herbergiers-periode, mijn priesterlijke periode en mijn,
laten we zeggen, in "vloeiende lijnen" uitgedrukte persoonlijkheid van de laatste tijd - die alle
bij elkaar kan ik steeds terugvoeren. En ik kan mij niet voorstellen, dat in dat eerste
bewustzijn, die eerste bewustwording, de eerste keer, dat ik weet: ik ben - het punt dat ik
terug kan vinden - dat daarin al deze dingen reeds volledig uitgewerkt aanwezig waren.
Daarom is mijn opinie deze - en als U het niet met mij eens bent moogt U het zeggen -: Het
begin van de geest en van het zijn is te zien als een soort zaad. Dus iets, dat zich de potentie
voor de totale vorm hernieuwd in zich draagt, maar dat op zichzelf onaanzienlijk is en niet het
totaal der eigenschappen reeds ontplooid toont. Akkoord? Goed.
Dan is dus elke bewustwording een ontplooiing van mijn wezen. Daaruit volgt voor mij, dat ik
nooit weer kan worden wat ik in de beginne was, nietwaar? Je kunt niet de hele zaak weer in
elkaar gaan persen. Als je een plant in elkaar perst, krijg je misschien vruchtensap en pulp,
maar je krijgt geen zaad terug. Dat is ook zo met een mens en een menselijk bewustzijn.
Het menselijk bewustzijn ontplooit zich aan de hand van in het ik gelegen grond
eigenschappen, die echter in hun uiting en vorming beïnvloed worden door de reactie van de
buitenwereld en door de invloeden, die reactie wekken vanuit de buitenwereld. Ik ga nog een
eindje verder: Dan is elk ogenblik van mijn leven in feite een totale uiting van mijn
persoonlijkheid, ook wanneer slechts een deel van die persoonlijkheid bewust beleefd wordt en
dus bewust reageert. Kunnen wij het daarmee eens zijn? Ik ga weer verder. En dan zeg ik:
Wanneer mijn totale persoonlijkheid aanwezig is, is het dwaasheid bepaalde delen van mijn
wezen of persoonlijkheid te onderdrukken. Toch blijkt, dat we dit - en ikzelf misschien veel in,
de eerste plaats - in ons leven steeds weer doen, zowel geestelijk als stoffelijk. Elke
onderdrukking van een deel van ons wezen betekent gelijktijdig een verminking van onze
INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2 21
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 2 - Waarheid en waan - deel 2

persoonlijkheid. Elke verminking - en daarover kan ik ook uit ervaring meespreken – is een
geboren worden van ongeluk, onvrede en leed. Iemand, die er iets tegen te zeggen heeft?.
Toch kan ik niet het totaal van alle drang, die in mijn persoonlijkheid leeft, op de wereld uiten,
zoals ik dat misschien zou willen doen. Maar, mijn uiting mag niet onbeperkt zijn. Dat is n.l.
niet mogelijk in verband met de vorm, waarin ik leef. Dan zal ik dus moeten trachten om de
eigenschappen van mijn persoonlijkheid - mijn totale persoonlijkheid - zodanig op de
voorgrond te doen komen, dat al wat in mijn wezen slechts enigszins beleefd, kan worden,
beleefd wordt binnen de perken van de uiterlijke wereld, waarin ik meen te vertoeven.
Wilt U dat laatste nog eens herhalen?
Ik wil het zelfs nog een beetje eenvoudiger formuleren. Ik kan het totaal van mijn
persoonlijkheid - voor zover het voor mij bewust en bekend is - uiten zonder een deel daarvan
ook maar enigszins te onderdrukken, mits ik zorg, dat mijn gehele persoonlijkheid harmonisch
blijft en niet strijdig wordt met de wereld, waarin ik meen te leven. En dan vallen we automa-
tisch op het volgende punt van het probleem aan.
Mag ik nog iets vragen? U zegt steeds met nadruk: "De wereld, waarin ik meen te leven.
Waarom: ik meen?
Omdat ik niet leef in een werkelijkheid, maar in een wereld, die door mijn
voorstellingsvermogen wordt bepaald. Maar ik noem iets werkelijk, wat niet werkelijk is in de
algemene en kosmische zin. U meent, dat U op deze wereld leeft. Dat meent U toch? Maar U
leeft toch gelijktijdig op verschillende andere vlakken ook. Want - ik ga alleen da theorie maar
na - hoeveel voertuigen heeft U niet: Etherisch, enz, enz. Hoeveel bewustzijnsnormen heeft U
niet. Voor elk voertuig een aparte bewustzijnsmogelijkheid. Dus U leeft niet in de wereld,
waarin U op het ogenblik meent te leven, maar in een reeks van werelden, ofschoon Uw
belangstelling op het ogenblik op deze wereld geconcentreerd is. Wat naar U meent Uw leven
is, is dus slechts een klein deeltje van het werkelijke leven, dat U leidt. Dan mag ik toch gerust
zeggen, dat ik meen te leven in een bepaalde wereld
Bedoelt U het dagbewustzijn?
Ja, dus het bewustzijn, waarmee U in een wereld Uzelf plaatst. Ik wil zelfs verder gaan. Stel nu
eens, dat U leeft en leven kunt door bijzondere omstandigheden b.v. in twee werelden tegelijk,
misschien drie, dan is dat nog niet het totaal van de werelden, waarin U werkelijk leeft. Dus ik
kan nog steeds – ook voor zo iemand - zeggen: De wereld, waarin U meent te leven. Ik
probeer het maar zo scherp mogelijk te formuleren. Dan ga ik dus verder redeneren, En dan
zeg ik: Wanneer ik mijzelf aanpas aan de wereld, waarin ik meen te leven: en gelijktijdig
tracht mijn persoonlijkheid. zo volledig mogelijk te uiten, dan zal de reeks problemen, die er
ontstaan - want die ontstaan altijd - niet meer een reeks zijn, die uit mijzelf geboren wordt,
maar die voortkomt uit het verschil tussen mijn persoonlijkheid en mijn wereldvoorstelling.
Anders zijn er geen problemen?
Waren we maar zover. Wanneer die problemen ontstaan door het verschil tussen mijn
persoonlijkheid en mijn wereldvoorstelling, dan kan mijn persoonlijkheid nooit volledig fout
zijn. Wanneer ik die persoonlijkheid zo eerlijk mogelijk uit, kan die persoonlijkheid niet fout
zijn. Dan moet de wereld, waarin ik meen te leven, fout zijn. Kunt u met de conclusie akkoord
gaan? Het is wel een gedurfde conclusie. Want ik zeg nu niet, zoals heel veel mensen zeggen:
"De mensheid deugt niet," Ik zeg: "De wereld, waarin de mens denkt te leven, deugt niet."
Het is een gevolg van de gezamenlijke mensheid, dat die zo is.
Van jezelf! Niet van de mensheid, van jezelf.
Niet alleen.
Ja, wil alleen. Dat is nu juist, waar ik probeer de nadruk op te leggen.Het is mijn voorstelling
van mensheid en wereld, waardoor er tussen de wereld en mij een conflict kan ontstaan.
Dus je ziet het verkeerd, je voelt het verkeerd aan.
Ja, U ziet alleen die ander vanuit Uzelf. Dus of die ander het nu anders ziet dan U, maakt voor
U niets uit. U kunt hoogstens zeggen: "Het beeld, dat ik van die ander zie, schijnt het verkeerd
te zien." Maar dan wordt het erg ingewikkeld.

22 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 2 – Waarheid en waan - deel 2

Wanneer mijn voorstelling van de wereld dus aanleiding geeft tot conflicten, waar ik in mijn
persoonlijkheid aanwezige factoren niet onderdruk maar slechts aanpas aan de wereld, zoals ik
haar zie, dan blijft mij maar een ding over wil ik komen tot vrede: Ik moet mijn voorstelling
van de wereld wijzigen. Nu kan ik die voorstelling niet zo gemakkelijk wijzigen, omdat de
wereld mij concreet en dus onveranderlijk lijkt. Ik zeg niet, dat het zo is, maar zó lijkt het. Hoe
moet ik dan te werk gaan? Ik moet in de wereld die elementen zoeken, die voor mij een
bevestiging zijn: dus, die mij een aanvaarden van die wereld zonder strijd mogelijk maken. Ik
moet gelijktijdig trachten om de met mijn persoonlijkheid strijdige factoren, die ik in die
wereld nog erken, in belangrijkheid te veranderen en op de duur te brengen in een totaal
verband met het aanvaardbare.
Dus in harmonie komen met de omstandigheden, waarin je op dat moment verkeert,
Vanuit mijn redenering is het omgekeerd. Dus ik breng de omstandigheden van mij uit in
harmonie met mijn wezen en streven. Daarop komt het feitelijk neer. Ik kan mij voorstellen,
dat iemand, die grieperig is, zegt: "Ha, griep, je past niet in mijn wereldvoorstelling, weg er
mee: " Toch moet dit geestelijk mogelijk zijn.
Het is wel jammer, dat men dat met de A-griep niet heeft toegepast.
Dan zal die A-griep ongetwijfeld daar bestaan, waar geen bewustzijn is om die A-griep te
verwerpen. Het lijkt misschien erg spitsvondig,wat ik zeg, maar er zit inhoud in.
Maar er zijn toch mensen, die dit absoluut toepassen?
Juist. En dan gaan we nog een stap verder. Wanneer ik dus door in mijzelf zekere waarden
absoluut te verwerpen de weerstandkracht krijg om ze voor mij als niet-bestaand te
reduceren, dan moet ik dat niet alleen met een ziekte kunnen doen, maar dan moet ik in staat
zijn dit te doen met elk probleem, dat op mijn weg ligt. Ik zou dit echter nooit kunnen
klaarspelen, als ik dus probeer om de wereld buiten mij te veranderen. Want die wereld komt
uit mijn visie voort. Op het ogenblik, dat ik buiten mij de wereld verander krijg ik niet een
grotere harmonie tussen mijn wezen en mijn werelds maar alleen een strijdpunt in mijzelve.
Want ik bestrijd immers niet de werkelijke wereld, maar alleen factoren, die ik in die wereld
erken en die ik er eerst heb ingelegd. Nog verder gaande, moet ik dus beginnen om elk conflict
en elk probleem, dat in mijn wereld voor mij zelve bestaat, in mijzelve op te lossen en zo uit
de wereld van mijn werelderkenning te bannen. Hebt U in de gaten waar het praktisch
bezwaar ligt?
Ik geloof, dat het niet zo eenvoudig is, als je met andere personen,te maken hebt. Die
moet je dus zichzelf laten?
T.a.v. die andere personen is het erg makkelijk. Je zoekt in die personen datgene, wat voor
jou belangrijk is en het verdere laat je buiten beschouwing.
Dus ermee in harmonie trachten te zijn, hoe dan ook.
Hoe dan ook. Mits natuurlijk niet in strijd met je eigen persoonlijkheid. Je moet eerlijk zijn
tegenover jezelf. En je moet ook eerlijk jezelf blijven. Dus een absolute zelfbeperking ten koste
van jezelf omwille van anderen is feitelijk foutief. Want wanneer ik een deel van mijn leven
uitschakel om het beeld van een ander, dat ik zie, meer mogelijkheid te geven tot
ontwikkeling, dan schep ik valse condities en valse voorwaarden
Maar dan blijft toch het probleem tegenover die ander?
Neen. We kunnen het anders doen. In mijn persoonlijkheid liggen ongetwijfeld een hele reeks
van bewustzijnsfactoren, die in overeenstemming zijn met hetgeen er in die ander leeft. Ik ga
niet meer uit van de verschilpunten, maar van de punten van overeenkomst. En ik werk
slechts met de punten van overeenkomst en zal zo nodig de verschillen verwerpen, n.l. daar,
waar zij voor mijn persoonlijke beleving absoluut remmend zijn. Maar dat is toch niet het
probleem, waar ik op doelde. Waar ik op doelde is dit: Deze theorie is in het algemeen
gezond., Maar ze heeft een nadeel. Wij hebben in het leven - vooral stoffelijk - niet te maken
met een probleem, maar soms met duizend problemen, niet met een tegenstelling, maar met
duizend tegenstellingen. Ik kan niet duizend tegenstellingen tegelijk opheffen. Daarvoor is
mijn bewustzijn te beperkt. Ik kan dus niet beginnen met duizend problemen op te lossen,
maar ik moet op deze wijze probleem na probleem afhandelen. Ook wanneer dan een ander
probleem sterker op de voorgrond komt, toch eerst het eerste probleem helemaal oplossen.
INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2 23
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 2 - Waarheid en waan - deel 2

En dan kom je nog een eindje verder. Stel nu eens - het is maar een beeld - dat ik in staat ben
drie problemen uit mijn leven, drie grote problemen, te elimineren door de overeenstemming
met mijn eigen persoonlijkheid zo sterk met nadruk te zien en te beleven, dat ik de
verschilwaarden kan bannen uit mijn bewustzijn. Niet in mijzelf opsluiten, zoals de meesten
doen: neen, eenvoudig mij daarvan niet meer bewust willen zijn en dus ook, niet meer zijn.
Dan heb ik nog een hele reeks problemen over. Ik kan niet alle problemen tegelijk oplossen.
En nu zijn er altijd een paar punten, die voor de mens het meest belangrijk zijn. Wie wil er een
paar opnoemen?
Egoïsme.
Vindt U dat het grote probleem van de mensheid?
Ik zie het alleen maar uit mezelf.
Ja, egoïsme - zo gek als het klinkt - kan gezond zijn, zodra het niet (ad absurdum) wordt
doorgevoerd. Een zekere mate van egoïsme is inherent aan het menselijk bestaan: m.a.w. aan
al je belevings- en bewustwordingsmogelijkheden, zoals je ze op het ogenblik ziet en beleeft.
Dus egoïsme is niet het grote probleem. Het grote probleem is slechts om de verhouding
tussen mezelf en de wereld op een redelijke wijze te zien en niet anderen onnodig op te
offeren door het naar buiten brengen van in mij levende waarden, die ik in mijzelf beter en
juister beleven kan. Dat was dus voor het egoïsme. Maar er zijn andere punten, die voor een
mens wel belangrijk zijn.
Het gebrek aan respect voor andere persoonlijkheden.
Het gebrek aan respect voor anderen is ook in zekere mate inherent aan het menselijk wezen.
Want wanneer je jezelf voor vol aanziet, zul je automatisch degenen, die je niet voor vol
aanzien, ook niet voor vol aanzien. M.a.w. voor een gek is de hele wereld gek, behalve voor
hemzelf. Voor een mens met een bepaalde, misschien eenzijdige beleving van zijn huidige
wereld, zal ieder, die niet een soortgelijke beleving kent, niet vol zijn. Hij kan daar ook geen
respect voor hebben. Want in feite heeft de mens alleen respect voor zichzelf: en het respect,
dat hij voor anderen koestert, is over het algemeen het product van het herkennen van
zichzelf in anderen. Ik hoop, dat het geen harde waarheid is,
Maar goed, het probleem is dus niet het gebrek aan respect voor anderen. Het is eerder een
overmaat van zoeken naar redenen, naar redenen tot respect. Je zoeft naar een reden om een
ander te respecteren. Waarom? Omdat de doorsnee-mens zichzelf in de wereld buiten zich
bevestigd wil zien, onafhankelijk van zijn eigen streven alleen. Als U iemand begeert is dat een
pluim op Uw hoed. Maar als iemand - volgens Uw wereldvoorstelling belangrijk b.v. door een
academische graad of door een hooggeestelijke ontwikkeling - Uw mening bevestig-,
onafhankelijk van Uzelf, dan bent U in die mening nog eens te meer gesterkt en gestijfd. Het is
mogelijk, dat je anderen bekeert en die lering zelf verlaat. Maar wanneer je je leringen door
anderen, aan wie je je vastklampt, bevestigd ziet, blijf je er steeds aan hangen. Toch logisch?
Wij mogen niet afhankelijk zijn van anderen, wij zijn allen volledig onafhankelijk, waar ons
bewustzijn, ons leven en ons denken nooit en te nimmer door een ander geregeld en
geredigeerd kan worden. Wij kunnen steeds onszelven beperken, omdat wij menen, dat een
ander beter is. En daarmede verdrijven wij een deel van ons eigen wezen, van onze eigen
persoonlijkheid en dien wij ons eigen leven en werken tekort.
De drang tot onafhankelijkheid, die sommigen menen te erkennen, is in feite vaak een verzet
tegen factoren, waarvan zij zich afhankelijk weten, Het is dwaasheid om op een dergelijke
wijze z.g. onafhankelijk te zijn. Het leidt alleen maar tot allerhande ellende en onheil. Want het
verzet tegen deze afhankelijkheid betekent een ontkennen van een wereld, die je voor jezelf
toch als realiteit aanvaardt. Wij moeten dus afhankelijkheid dus meer zien als een gebonden
zijn aan andere personen, maar als een relatie - tijdelijk of blijvend - tussen ons en anderen,
die slechts in de geest van onze totale persoonlijkheid zonder enige onderdrukking van een
deel daarvan - moet worden beleefd als een wederkerig contact waarbij in ons geen enkele
verplichting bestaat dan onszelf te zijn. Dat is ook weer een stevige kluif hoor.
Kan het ook niet zo zijn, dat je jezelf in anderen herkent?
Ja. Maar dat is geen afhankelijkheid.

24 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 2 – Waarheid en waan - deel 2

Maar dat je daardoor harmonisch samen kunt gaan?
Dat is iets anders. Er is dan geen sprake van afhankelijkheid. Dan is er alleen sprake van
zelfbevestiging.
Gelijkwaardigheid.
Juist. U noemt het een gelijkwaardigheid vanuit Uw standpunt, maar in feite bevestigt U door
het erkennen van Uzelf in anderen Uw eigen wezen in het contact met anderen. De
afhankelijkheidsrelatie ontstaat door het onderkennen van het leven. Kunt U dat vatten
U bedoelt het stofleven?
Stof en geest. De afhankelijkheid kan ook geestelijk bestaan. U zult zeggen: Is dit nog
esoterie,? Ja. Er zit heus esoterie aanvast. Nu moet U eens goed luisteren, want ik ben nu zo’n
beetje aan het punt gekomen, waar het om ging. Niemand is van een ander afhankelijk
wanneer hij de moed heeft zichzelf te zijn. Aan dit jezelf-zijn zijn geen consequenties
verbonden, dan alleen jezelf te moeten zijn, ook al vind je dat onaangenaam. Kunt U dat
volgen? Wanneer ik: mijzelf ben, zo volledig als ik dat kan, dan blijft mij nog een ander deel
als onbekend over. Er blijft altijd nog een deel van mijn wereld, dat niet gevuld is. Die wereld
vul ik door het aanvaarden van een hogere kracht, die ik mijnentwege als geleidend,
beschermend kan zien. Maar ik mag nooit deze kracht zien als het totaal van het Al, slechts als
de aanvulling van mijn bewustzijn, Kunt u het nog verwerken?
Erkennen wij dat, wanneer wij in zon situatie zijn?
Wij kunnen het erkennen, maar doen dat meestal niet, We kúnnen het wel. Kijk eens, daar
volgt o.m. uit: Wanneer ik God bid mij iets te geven, dan spoor ik in feite het door mij
niet-bewuste deel van mijn persoonlijkheid aan om met het totaal van haar krachten met het
bewuste deel van mijn persoonlijkheid samen te werken ter bereiking van hetgeen, waarom ik
bid. Kunt U het volgen?
Wanneer ik naar leiding zoek dan zoek ik in feite niet naar een leiding, maar ik zoek alleen
naar een vollediger uiting van mijn persoonlijkheid, waarbij de niet-bewuste delen van mijn
persoonlijkheidsfunctie van de onbekende leider grotendeels, op zich nemen. Zelfs wanneer ik
te maken krijg met geleidegeesten, engelbewaarders, lichtende krachten e.d., zullen dezen
slechts in zoverre als leider optreden, dat zij voor ons de verpersoonlijking worden van het het
niet bewuste deel van onze persoonlijkheid en als zodanig ons helpen om meer te leven als
datgene, wat we werkelijk zijn: en zo te bereiken wat wij met, onze volledige persoonlijkheid
wel, niet onze vermeende persoonlijkheid niet kunnen bereiken.
(Vraag door bandwisseling niet opgenomen.)
Ja, dat is natuurlijk. Kijk wanneer u een kind vertelt dat twee en twee vier is er het heeft niet
geleerd om op te tellen, dan is vier een absoluut fictief iets. Maar op het moment dat het
geleerd heeft dat 2 x 2 zuurtjes vier zuurtjes zijn, dus vier maal zoveel snoep als één zuurtje,
dan zal het kind automatisch die kennis kunnen toepassen op al het andere. De basis van onze
aanvaarding is de ervaring. Wanneer je dit dus allemaal hoort, zeg je dan: "Dit moet ik
aannemen?" Neen. Je moet het niet aannemen. Je moet het proberen. Als je het probeert,
ontdek je, dat hetgeen je hier gezegd wordt en wat je tot nog toe hebt aangenomen, voor
jezelf een andere en nieuwe betekenis krijgt. En in deze nieuwe betekenis is het niet meer de
uitdrukking van mijn belegen en mijn mening, maar wordt het de uitdrukking van Uw beleving
en Uw mening vanuit Uw persoonlijkheid en belichtende Uw werkelijkheid. Nu heb ik
ondertussen dus de conclusie bereikt, dat elke mens, elk wezen, dat enig bewustzijn kent,
slechts in zoverre door andere wezens bereikt en geholpen kan worden, als het zelve - bewust
of onbewust - reeds gevorderd is.
Dan wordt het pas innerlijk waarheid.
Juist. M.a.w. zolang je niet weet, dat goud waarde heeft, betekent een goudstuk niets voor je.
Maar heb je geleerd, wat je met goud kunt doen, dan wordt het goud soms heel erg belangrijk
voor je. Zo is het met geestelijk licht, geestelijke wijsheid, enz. Je kunt er heel veel van
bezitten en rond je krijgen, zonder dat je de waarde ervan beseft. Omdat je die waarde niet
beseft, meen je, afhankelijk te zijn van factoren buiten je, terwijl in feite het vermogen om
jezelf te zijn volledig in je ligt en datgene, wat je dus buiten je zoekt, in jezelf reeds werkelijk
is. Is ‘t niet te verwarrend?
INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2 25
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 2 - Waarheid en waan - deel 2

Dan kunt je er pas werkelijk geheel mee werken.
Juist. Dus vervolgen wij de conclusie met de stelling, dat elke afhankelijkheid, die wij ervaren
t.o.v. de buitenwereld, door ons ontleed moet worden, tot we ons bewust worden dat deze
afhankelijkheid in feite een onbewustzijn, een onvermogen in onszelf betekent. Hebben wij dit
geaccepteerd, dan zullen wij begrijpen, dat wij in feite slechts van onszelven afhankelijk zijn.
Kunt U dat begrijpen? Niet van God, maar van onszelven. Want wij zijn van onszelf afhankelijk
om de doodeenvoudige reden, dat naarmate wij intenser ons eigen wezen durven beleven in
de totaliteit van uitdrukking, zoals die door de loop der ontwikkeling in ons is gegroeid, (dus de
plant, die uit ons zaadje is geworden) wij meer onszelf zullen zijn, minder conflicten met de
buitenwereld zullen kennen en meer in staat zullen zijn onze eigen weg te volgen.
Is daar niet veel moed voor nodig?
Wat is eigenlijk moed? Wat de wereld moed noemt, is het onbegrip voor het gevaar. Wat men
verder wel eens moed gelieft te noemen, is een vaststelling van eigen onvermogen: dus dat
doen, wat je meent niet te kunnen volbrengen. Dan noemt men verder ook wel moed,
wanneer je iets volbrengt, wat je meent te kunnen volbrengen, maar wat anderen voor jou
onmogelijk achten. Maar dat is geen moed meer. We hebben nu dus drie definities gegeven.
Neen, moed is hier niet voor nodig. Je hebt absoluut geen moed nodig, en zelfs niet, wat men
over het algemeen wilskracht noemt. Je hebt alleen een volledig logisch en reëel functioneren
van je persoonlijkheid nodig.
Dus een bewustzijn ervan.
Bewustzijn, akkoord. Ik probeer een lesje te geven, dat ikzelf net gehad heb. Ik zeg dit maar
als troost, zodat jullie niet denken, dat jullie misschien de enigen zijn, die ermee worstelen. Ik
ben er zelf nog niet eens mee uitgeworsteld, maar heb zo langzamerhand ervaren, dat het
toch wel waar is. Wij moeten onszelf durven en kunnen zijn. Alle beperking, die we onszelf
opleggen, voort vloeiend uit andere dan persoonlijke gronden, is in feite dwaasheid. Wij
moeten onszelf zoeken en erkennen in de wereld. Hoe meer wij onszelf of delen van ons zelf
bevestigd zien, hoe meer wij de mogelijkheid vinden onszelf te uiten. Hoe zuiverder de uiting
van onze persoonlijkheid in de wereld is, hoe minder conflicten wij zullen kennen, omdat de
uiterlijke conflictwaarden dan niet meer innerlijk als conflict beleefd worden, maar logisch
worden verwerkt binnen de harmonische ontwikkeling van persoonlijkheid.
Maar je moet je eerst van die kracht bewust worden.
Ja, logisch. Maar je moet je eerst van jezelf bewust worden.
Je moet jezelf beheersen.
Beheersen? Beheersing is het gevolg van de ontwikkeling, niet het begin. Laten we eens heel
simpel nemen: Wanneer je vroeger bij een bakker in dienst kwam, dan mocht je uit de zaak
eten wat je wilde. Dus de persoonlijkheid was ongeremd in dat opzicht. Wat was het resultaat?
Dat je een paar dagen kotsmisselijk was en dat je daarna ten hoogste met mate van de
producten van je meester genoot. Zo is het in het leven ook. Datgene, wat de mens niet
beleven kan of durft beleven, blijft hem obsederen, het kan op de duur zijn hele
persoonlijkheid vervormen of misvormen. Maar wat de mens kan beleven is alleen door de
aanvaarding van de mogelijkheid reeds minder begerenswaard. Het is dus niet meer zo’n
intense, eenzijdige drang en laat dus meer mogelijkheid over voor een ontwikkeling in de
totale richting van de persoonlijkheid. M.a.w. uit de moed jezelf te zijn wordt de beheersing
van het ik in zijn uiting geboren.
Daar hebben we dan weer het woordje moed.
Ja, het is geen moed. Per slot van rekening, waarde vrind, als die bakkers knecht zichzelf 5
maal misselijk heeft gegeten en hij zegt de zesde keer. "Ik doe het matig", is dat moed?
(Neen.) Neen, het is verstand. De ervaring is soms noodzakelijk. In ieder geval is het
noodzakelijk, dat wij de mogelijkheid tot ervaring erkennen. Als we die mogelijkheid niet
erkennen, blijft juist door de verbodsgedachte - dus de onbereikbaarheid - het bepaalde beeld,
de bepaalde begeerte ons bij als ideaal, dat voortdurend onze aandacht gevangen houdt en
ons afleidt van de werkelijke beleving, zoals die mogelijk is.
Dus het uiten van een verkeerde drang is beter dan het onderdrukken?

26 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 2 – Waarheid en waan - deel 2

Ja. Wanneer je er niet omheen kunt is het beter hem te uiten dan te onderdrukken. Want
wanneer U die verkeerde drang geuit heeft, krijgt U automatisch de terugslag, waardoor U de
volgende keer zich al minder zult uiten.
Vraag onverstaanbaar.
Juist. Dan is die verkeerde drang niet iets, dat ja voortdurend beheerst. Maar als U die
verkeerde drang zeer sterk in U draagt en U blijft die onder drukken, wat gebeurt er dan?
Hetzelfde als met de luchtballon, waar je steeds een beetje bijblaast en nooit wat uitlaat. Dan
klapt de zaak. Dan komt dat verkeerde hetzij op stoffelijk of geestelijk gebied toch tot uiting,
want het moet geuit worden, wil de persoonlijkheid zich harmonisch kunnen ontwikkelen. De
bewustwording laat het uitschakelen alleen met de gedachte "dit is verkeerd" niet toe. Maar op
het ogenblik dat U tegen Uzelf zegt: "Nu ja, ik kan het wel eens doen”, dan kan ik wel eens
een keer een uitbarsting hebben", dan is daarmede de onmiddellijke prikkeling en
verwerkelijking al veel verzwakt. Want doordat U aanvaardt, dat het mogelijk is, zult U minder
intens de verwerkelijking nastreven.
Maar is deze theorie maatschappelijk niet heel gevaarlijk?
Wij nemen aan, dat we hier te maken hebben met mensen, die niet in het wilde weg moord en
doodslag geen plegen. Maar principieel is dit niet gevaarlijk, Ik zal U vertellen waarom niet.
Wanneer je op deze wijze leeft, zul je waarschijnlijk sommige dingen doen, die door de
gemeenschap als zodanig niet geheel aanvaard worden. Maar een gezonde drang tot
zelfbehoud zal de persoonlijkheidsuitdrukking meestal beperken binnen de grenzen, die voor
de maatschappij toch nog toelaatbaar zijn - zij het al niet geheel acceptabel -. Kunt U dat
volgen? Dus in de noodzaak in je wereld te leven, zit hier al de rem: die noodzakelijk is om
binnen de perken van die wereld te blijven. Dat is logisch. Of niet?
Op dit ene punt kun je je dus niet uitleven. En ook niet met het oog op karma. Wat wij dan
geleerd hebben als karma maken, wat dan niet zo prettig is.
Wat is karma?
Het onvermijdelijk gevolg van een bepaalde daad.
Dat dacht U? Karma is het bewustzijn, dat je in je draagt en dat daardoor een bepaalde
verwerkelijking in komende levens afdwingt. Het is niet de daad op zichzelf. Het is het
bewustzijn van die daad, dat tot compensatie dwingt.
Dus je karma kan door jezelf beperkt worden op een bepaald moment?
Het kan aanvaard worden, het kan beperkt worden, het kan zelfs totaal veranderd worden.
Bent U thuis in de Hindoe-leer? Bent U thuis in het Boeddhisme? Dan moet U eens kijken: wat
is de grondstelling van alle leringen daar? De mogelijkheid om aan het karma te ontkomen,
niet waar? Bestudeer het maar.
Zodat je het gevolg opheft?
Juist. Dat je voor jezelf ontkomen kunt aan de gevolgen, mits je eigen instelling zodanig is, dat
het gevolg niet meer verwerkelijkt moet worden in het kader van je totale bewustzijn en
bewustwording.
Dan is het dus voor jou opgeheven?
Inderdaad. Dat is het gevolg ervan.
Dus het is het gevolg van een zekere mate van zelfkennis, een grote mate van zelfkennis.
Laten we zeggen, dat we er het dichtst bij komen, wanneer we zeggen, dat het karma van
vorige levens wordt opgeheven op het ogenblik, dat het bewust zijn omtrent de persoonlijkheid
aanwezig is - althans grotendeels - terwijl gelijktijdig een volledige uitdrukking van de huidige
persoonlijkheid met al zijn ervaringen wordt nagestreefd op stoffelijk en geestelijk gebied. Op
dat ogenblik, schakel ik n.l. door mijn ervaring in mijn leven bewust te verwerken de gevolgen
van vroegere daden uit. Immers in de bewustwording ligt het gevolg reeds besloten, waardoor
mijn handelingen en daden niet meer mij onbewust bepaalde dingen doen ondergaan, maar
mij bewust bepaalde waarden doen kiezen, die dan niet meer mijn noodlot, maar mijn vrije
keuze zijn, waarbij deze keuze een verdere afbuiging van mijn leven in welke richting dan ook
mogelijk maakt. Dus om terug te komen op de vraag: Karma is niet iets, dat je moet zien als
een noodlot. Het is een persoonlijkheidsuiting, die in ons leven ervaringen - vaak
INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2 27
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum - onbekend
Les 2 - Waarheid en waan - deel 2

onaangename ervaringen - oplegt als gevolg van een niet-bewustzijn omtrent ons weten en
een niet zoeken naar de werkelijkheid van ons wezen.
Ik wilde ook nog dit zeggen, om nog even terug te komen op die afhankelijkheid: Iemand, die
een voldoende bewustzijn heeft van zichzelf, en zich realiseert, dat zijn totale wereldbeeld een
kwestie is van zijn persoonlijke instelling tegenover de wereld, zal geen consequentie vrezen,
omdat elke uiterlijke consequentie onmiddellijk haar innerlijke compensatie geeft. Als zodanig
zal afhankelijkheid niet meer erkend worden als een eenzijdige relatie. Integendeel, men zal -
onafhankelijk zijnde - door erkennen van eigen persoonlijkheid in anderen de relatie in veel
juister, zuiverder daglicht stellen en daardoor beter voor de bewustwording van zowel het ik
als waarschijnlijk van anderen. Over die eindconclusie zijn we het ook eens? Dan heb ik U een
paar aardige pillen te slikken gegeven. Gelooft U mij: dit is praktische esoterie. Want wat is
esoterie? Het zoeken naar de hogere wijsheid, nietwaar? Waar schuilt die hogere wijsheid?
Nooit buiten ons. Altijd in ons. Indien de hogere wijsheid in ons leeft, moet zij van de beginne
af in ons aanwezig zijn geweest. God leeft in ons. Wij leven in God, maar God leeft in ons. Wij
hebben in ons de hoogste kracht, waarop wij voortdurend een beroep kunnen doen. En ons
hele leven dient eigenlijk te zijn een pogen om te ontkomen aan beperkingen van schijnbare
wereldbelevingen en daarvoor te accepteren de realiteit van het Goddelijke in ons. Met die
conclusie zal ik het voor vandaag maar laten.
Weet U, welke definitie ik van jullie zou moeten geven op het ogenblik? Een groep, in weten
wel geslagen maar niet verslagen. Het is geen compliment, hoor. Het is alleen maar de
waarheid, Weten jullie waarom jullie niet verslagen zijn? Omdat elke dwaas het schrift des
levens op zijn eigen wijze leest en schrijft: Zo gaat het ook met U. U luistert naar wat ik zeg,
maar de wijze, waarop U het in de praktijk brengt, hangt van U af.
Ik kan het ook anders zeggen. Ik zou het ook zo kunnen definiëren: Een reeks van complexen,
die hoopvol een oplossing tegemoet zien zonder daaraan te durven geloven. (Protest.) Zonder
er eraan te geloven, ja! M.a.w....
U slaat ons niet erg hoog aan.
Ik sla U waarschijnlijk hoger aan dan U zelf doet, anders zou ik niet naar voren hebben
gebracht, wat ik vanavond naar voren bracht. Het feit is dit: De doorsnee-mens (en daar
maakt U geen uitzondering op, een enkeling hier aanwezig misschien uitgezonderd) gelooft
wel, dat het mogelijk zou zijn om zo te leven, maar gelooft voor zichzelf niet aan de
mogelijkheid, dat hij of zij zo zou kunnen leven. Je gelooft het wel van een ander, maar voor
jezelf betwijfel je het.
Ik zal maar besluiten met een kleine definitie van mijn werk van deze avond, Een rustige
stemmingvolle vijver met een paar stenen zodanig verstoren, dat er in de zware deining
misschien de mogelijkheid komt, dat de vijver misschien iets hoger en iets dieper wordt, dan
ze tevoren geweest is.
Het woord is aan de laatste spreker, die de bijeenkomst voor U zal besluiten en dan hoop ik,
dat ik mij deze avond waardig heb getoond. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden. Het Schone Woord in verkorte vorm : Regenboog
De regenboog is een verschijnsel, dat ontstaat door de breking van het licht. Het blijkt dan,
dat in de weerkaatsing alle kleuren ontstaan, die we in het licht der zon zelve niet erkennen.
De mens heeft zich de regenboog gedacht als teken,van het verbond tussen God en mens, als
brug tussen het stoffelijk bestaan naar een andere, goddelijker wereld. In feite zal men daar
als volgt over kunnen spreken:

Regenboog
Een kleurenbrug, die naar een einder streeft, waarin ‘t ons schijnt, dat ‘s levens licht en kleur
uitbundig leven. Regenboog in werkelijkheidontleding van het licht, dat ons het leven is. In
feite dus gemis aan volle zonnekracht, gemis aan volle zonnepracht.

28 INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum - onbekend
Les 2 – Waarheid en waan - deel 2

Toch noemen wij weerkaatsing schoon, omdat wij niet de kracht bezitten, het ware reeds te
zien en vaak de felheid nog bezitten van ‘t wondre licht der zon. Toch is ze voor de regenboog
haar oorzaak en haar bron.
Wanneer in ‘s levens wolken en leed het licht ons breekt, dan is het of de wereld een andere
tule spreekt. Het is ons eigen wezen, dat nu de zon verstaat, waar anders onbegrip nog ‘t
onberoerd en onverwerkt ons laat.
De regenboog is teken van ware zonnekracht.Voor al wat leeft in goddelijk licht. Symbool van
alle pracht, die in ons wezen leven zal, is ‘t slechts tot God gericht.
Zoals de regenboog een weerkaatsing is, zo zijn de vreugden en ervaringen -van het leven een
weerkaatsing van pan werkelijkheid, die we niet verdragen kunnen. Maar zoals de regenboog
ons het teken is, dat de zon schijnt, dat in de wolken haar krachten werkzaam zijn, zo is het
kennen van de vreugde en ook van het leed van het leven voor ons een teken, dat de
goddelijke kracht werkzaam is temidden van. onze beperktheid van stof en geest: en dan
kunnen wij dromen van het ogenblik, dat de zon weer schijnt, dat het licht ons beroert en ons
baadt in levende kracht.
Met deze overpeinzing, vrienden, zullen vrij dan dit samenzijn besluiten en wenen wij U allen
een goede en verder zegenrijke avond.
o-o-o-o-o

INLEIDING CURSUS: WAARHEID EN WAAN - DEEL 2 29
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 19 november 1957
Les 3 - De esoterische verwerking van exoterische waarden

Goeden avond, vrienden.
Wij zullen dan ook deze keer weer proberen om enkele innerlijke waarheden met elkaar te
bespreken. Wij hebben natuurlijk gesproken over de problemen van waan en werkelijkheid.
Over gebondenheid zelfs. Kortom over al datgene, wat voor ons een aanleiding kan zijn tot
denken in de bevrijdende richting. Maar wij mogen toch niet vergeten, dat daarnaast een grote
hoeveelheid mogelijkheden bestaan, die onmiddellijk met het stoffelijke verweven zijn.
Ik zal dan ook deze maal in de eerste plaats willen spreken over:

DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN

De wereld die in U bestaat uit een groot aantal elementen, die elk voor zich in harmonie, in
disharmonie dan wel neutraal zijn in verhouding tot Uw wezen. De harmonische elementen zijn
voor U het eenvoudigst te begrijpen en te verwerken. Zij zijn dan ook gelijktijdig elementen,
die het gemakkelijkst kunnen worden ingeschakeld bij een streven naar eigen bewustwording.
Bewustwording drijft ons steeds weer tot zelfkennis, tot het begrip van de kern van ons eigen
wezen en spiegelingseffect, dat echter ontstaat wanneer dit eigen wezen zelf keert tot de
buitenwereld, maakt het ons mogelijk in de harmonische aspecten van de wereld onszelf te
erkennen.
Eigenaardig genoeg bestaat deze zelfde kenmogelijkheid niet bij disharmonische aspecten. In
neutrale aspecten wordt slechts een vertekend beeld van eigen wezen opgevangen.
Ik doe er misschien goed aan allereerst voor U te verklaren, wat ik versta onder harmonisch
en disharmonisch in dit geval. Het woord neutraal spreekt voor zichzelf. Harmonische waarden
in de wereld zijn waarden, die goor ons begrijpelijk zijn, waarop wij ten volle kunnen reageren
en waarin wij wederkerig een reactie kunnen wekken: Disharmonische waarden zijn waarden,
die een zodanige afschuw in ons opwekken dan wel een zodanige afkeer, dat wij deze waarden
niet wensen te accepteren, ze negeren en door deze waarden op onze beurt genegeerd
worden. Deze absolute negatie maakt een werkelijke spiegeling onmogelijk. Wanneer wij al
met een dergelijk feit, een dergelijk persoon, een dergelijke toestand of een dergelijk
voorwerp te maken krijgen, dan is onze reactie daarop er een van slechts ten dele
aanvaarden. Een mens, die zeer op het recht gesteld is, zal misschien eens in zijn leven
genoopt worden een misdaad te begaan. Dan wordt echter niet de toestand "misdaad" als
zodanig gerealiseerd. Men zoekt juist naar een uitvlucht, waardoor het grootste gedeelte van
de werkelijke waarde "misdaad", kan worden voor bij gezien en slechts een zeer klein deel
daarvan kan worden aanvaard. U zult begrijpen: dat zo’n beschouwing in een dergelijke daad
tenslotte moet voeren tot een zelfmisleiding, waar men niet de totale toestand en de totale
daad wenst te aanvaarden of te overzien. Wanneer wij dan op deze wijze harmonisch en
disharmonisch hebben omschreven, mag ik U wel vragen of dit U allen duidelijk is. Ja? Geen
bezwaar?
Vraag onverstaanbaar (over dieren.)
Dat kán disharmonie zijn, wanneer U het dier als zodanig noch beschouwt als vijand noch als
vriend, maar eenvoudig het bestaan van dergelijke wezens negeert. Om het te verduidelijken:
Ik kan mij voorstellen, dat U b.v. een slang een griezelig wezen vindt. Toch zult U trachten het
dier in zijn geaardheid te erkennen. Wanneer U ermee geconfronteerd wordt, kent U de
waarde "slang". In zoverre is zij met U harmonisch. Maar laten we nu aannemen dat het een
kwestie is van ongedierte. U wenst ongedierte niet te zien of te erkennen, omdat het niet past
in Uw opvatting van hetgeen voor U persoonlijk passend is. In die negatie is dan het
ongedierte disharmonisch, ofschoon het misschien minder griezelig is dan de slang.
Nu zullen wij ons in de eerste plaats wenden tot de beschouwing van de harmonische waarden
in ons leven, die tot innerlijke bewustwording kunnen leiden. Wanneer ik mijzelf geheel kan
verplaatsen in een toestand, mijzelf geheel geven aan een bepaalde werkelijkheid, kortom

30 DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 19 november 1957
Les 3 – De esoterische verwerking van exoterische waarden

wanneer ik kan opgaan in een bezigheidsbeschouwing, dan wel mijzelve geheel een kan voelen
met het dier, de toestand, het voorwerp en dergelijke, dan is er een harmonische waarde
geschapen.
Het is echter niet voldoende, dat ik deze harmonische waarde onwillekeurig onderga. Ik moet
dit bewust doen. Het is dus voor de esoterie wel belangrijk, dat men leert na te gaan in zijn
omgeving, zijn handelingen en daden maar ook zijn gedachten, wat men eigenlijk van het
leven wenst, wat begeerlijk lijkt, wat aanvaardbaar is en dergelijke. Het kennen van deze
harmonische waarden betekent niet, dat al deze waarden goed zijn in de zin, waarin het woord
over het algemeen wordt gebruikt. In sommige gevallen kunnen zij zelfs uitdrukkelijk slecht
zijn, zelfs indien wij dit nemen in verband met de weg, die wij ter bewustwording gaas. Toch
bestaat er een harmonie.
In het kennen van al hetgeen met ons harmonisch is, zien wij een beeld van ons eigen wezen.
Waar grenzen optreden, die wij weigeren te zien ofschoon wij weten, dat zij bestaan zullen wij
ontdekken, dat deze grenzen wederom een bepaalde waarde een bepaalde verhouding ook ten
opzichte van ons eigen wezen staan. Ook deze waarden kunnen wij definiëren. Echter zijn deze
wetten en grenzen dan voor ons zelf disharmonisch, gezien de negatie, die in onze houding ten
opzichte daarvan gelegen is.
Om te komen tot een gebruik van de harmonische waarden kan het volgende worden gesteld:
Alle leven, dat voor ons aanvaardbaar is en dus door ons volledig wordt erkend, mag vanuit
het geestelijk standpunt der bewustwording als goed golden. Dit goed moet bevestigd worden
door erkenning van eigen redenen tot handelen, tot aanvaarden, enz. Eerst wanneer dit
geschied is, kan gezegd worden, dat de wisselwerking tussen de exoterische waarde en de
inhoud van ons eigen wezen volledig is en de bewustwording daaruit kan resulteren.
Wij zullen ons bij het beleven van harmonische waarden niet storen aan de wetten, indien
deze wetten niet in onszelf gebaseerd zijn. M.a.w. er bestaat voor de esotericus geen enkele
wet dan de wet, die zijn eigen wezen bevestigt en die dus met zijn eigen weten op enigerlei
wijze harmonisch is. Dit houdt in, dat men dan niet zondigt. Niet omdat het mogelijkerwijze
een schuld betekent, maar omdat het scheppen van een disharmonie een vertekend beeld der
werkelijkheid geeft en zo een zelfrealisatie moeilijker mogelijk maakt.
U zult zich herinneren, dat wij aan het einde van de eerste lezing de vorige maal de bekende
uitspraak hebben aangehaald: "Tat Swam Asi: "Dit zijt gij". Deze uitspraak staat in direct
verband met de harmonische waarden. Wij kunnen nooit en te nimmer met alle dingen
harmonisch zijn, tenzij wij een volledige bewustwording hebben doorgemaakt. Zolang wij
echter ten dele bewust zijn, zal er een verschil bestaan tussen het aanvaardbare en het niet
aanvaardbare. Het aanvaardbare nu is dat ene, waarvan wij terecht kunnen zeggen tegen
onszelf:
"Dit zijt gij". Wij zijn al datgene, wat wij wensen, wat wij doen: al datgene wat wij rond ons
zien en erkennen.
Het is misschien moeilijk U dit te realiseren, maar toch kunt U eerst zó geen begrip krijgen van
het complexe geheel, dat bewustzijn en bewustwording heet. Altijd weer zult gij Uzelf dus
moeten vragen: "Waar leidt mij dit heen? Is het werkelijk harmonisch met mijn wezen? Zal ik
niet mijzelf later kwellen door dit ten dele dit te aanvaarden en het ten dele te verwerpen?"
Slechts datgene, wat wij ten volle en zonder voorbehoud kunnen aanvaarden, is voor ons
werkelijk waardevol. Laten wij dus het ander ter zijde stellen en zelfs in geval van twijfel ons
onthouden, opdat wij niet beschaamd worden in onze poging tot werelderkenning, in onze
poging tot innerlijke bewustwording.
Een tweede punt: Wanneer wij harmonische factoren zien in het normale leven, dan zijn dit
betrekkelijk geinige t.o.v. de feiten en gebeurtenissen, die we rond ons herkennen. Er mag
redelijkerwijze worden aangenomen, dat slechts don op de tien toestanden, feiten,
gebeurtenissen, harmonisch zijn met ons wezen. Bij personen ligt dit ongeveer 1 op 50. Bij
voorwerpen mag gezegd worden, dat de doorsneemens slechts harmonisch is met ongeveer 1
op de 4 á 500 voorwerpen. Ge zult begrijpen, dat het eerste proces, dat noodzakelijk is voor
de innerlijke bewustwording aan de hand van uiterlijke waaiden, is een selecteren van heffen
DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN 31
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 19 november 1957
Les 3 - De esoterische verwerking van exoterische waarden

zich rond ons bevindt en beweegt. Een kennelijk aanvaarden van het verschil tussen eventueel
neutrale disharmonische en volledig harmonische toestanden en voorwerpen. Hebben wij dit
gedaan, dan komen wij tot dit eigen erkennen van ik-heid in andere wezens, voorwerpen en
toestanden, dat Jezus heeft gekentekend met Zijn gelijkenis over de Farizeeën en de gewonde
man, die door de barmhartige Samaritaan tenslotte werd geholpen en gered en zo diens
naaste was.
Natuurlijk, wij moeten op de duur alles kunnen zien als een extensie van ons eigen leven en
beleven. Maar wij zullen moeten beginnen datgene te aanvaarden, wat met ons reeds in relatie
staat. Eerst door te beginnen uit onze werkelijke naasten onverschillig hoe of wat de werkelijk
harmonische waarden en toestanden voor onszelf te selecteren, kunnen wij, door daarin
voortdurend ons eigen beeld te zoeken, komen tot een kennen van het ik.
Een dichter heeft eens gezegd: "Want in mijn hart besloten daar ligt een wonderland, waarin
de goden schenken hun gaven met gulle hand en ik mijzelf kan laven aan vreugde, ‘n eeuwig
rijk." Dat is een aardig beeld van wat onze harmonische wereld betekent. De dingen, die wij
verwerpen, de dingen, die wij negeren, de dingen, die ons niets te zeggen hebben, zij staan
terzijde. Zij maken geen deel uit van onze wereld. Maar in ons bouwen we feit na feit,
toestand na toestand, realisatie na realisatie een wereld op, die een soort privé-schepping is.
Wij kunnen slechts datgene herscheppen, wat harmonisch met ons is.
Herinnert U zich, dat wij de vorige maal gesproken hebben over het scheppend vermogen, dat
uit de persoonlijkheid kan voortvloeien, waardoor deze wordt een directe extensie van de
Schepper zelf? Welnu, wij kunnen scheppen in het harmonische. Wil kunnen echter niet
scheppen in het disharmonische. Wij kunnen het neutrale zelfs benaderen.
Het is begrijpelijk, dat de esoterie een zoeken is naar innerlijke bewustwording en dus ook een
opbouwen van de Innerlijke wereld. Deze wereld nu gehoorzaamt aan een aantal wetten. Die
wetten kan de mens zelf tot hun zuivere terugbrengen, indien hij zich daarbij zekere goddelijke
wetten wil herinneren. Ik wil deze voor alle zekerheid hier nog eens opnoemen.
1. Oorzaak en gevolg. Ik zal niets kunnen doen, indien ik niet bereid ben waar ik de
consequenties gekend of niet gekend daarvan te accepteren. Eerst door dit aanvaarden van
alle gevolgen maak ik de reeks oorzaak en gevolg, die ik met een bepaalde handeling of daad
aanvaard, werkelijk tot de mijne dus ook tot een verrijking van mijn innerlijk.
2. Voor al wat ik ontvang, zal ik moeten geven. Want er is een eeuwig evenwicht. Ik mag nooit
denken, dat ik iets voor niets kan verwerven. Ik kan ook nooit nemen, dat ik iets weggeef,
zonder daarvoor iets terug te vorderen. Want ik heb niet te vorderen: ik krijg. Juist wanneer ik
dat weet, zal ik begrijpen hoe belangrijk het is een voortdurende uitwisseling tussen mij en de
wereld tot stand te brengen. Ik zal enerzijds van die wereld ontvangen, wat ik ontvangen kan,
zo mijzelve verrijkende met steeds meer harmonische ervaringen Aan de andere kant zal ik die
wereld geven, wat ik kan, zonder te vragen wat zij mij daarvoor zal terugschenken. Want in dit
geven verrijk ik de invloed, die uit de wereld harmonisch op mij toekomt en bereik dus
wederom een vergroting van mijn wereldbeeld.1
3. Een derde wet zegt ons, dat elk begin gevolgd wordt door een fase van voleinding, Dat geldt
niet alleen in het grote leven, niet alleen in het geestelijk streven tot God zelf. Het geldt in elk
ogenblik van ons bestaan. Elk begin is moeilijk. Dat is niet alleen een zegswijze, maar dat is
iets, wat U zelve aan den lijve kunt ervaren. Het beginnen vraagt de grootste energie. Het
vraagt kracht. Maar elk beginnen betekent gelijktijdig door het stellen van handelen, het
komen tot een bereiking. Wanneer men eenmaal het begin heeft gemaakt, dan volgen
automatisch denk aan oorzaak en gevolg de verdere realisaties en komt er een ogenblik dat ik
in mij n wereld een volledig beeld kan stellen van bepaalde toestanden, bepaalde handelingen,
personen e.d..
Dat is voor mij zeer belangrijk. Verdieping en verrijking van mijn wereld door zoveel mogelijk
verschillende toestanden en feiten intens te beleven is uit het voorgaande, meen ik, duidelijk
geworden. U zult dus zoekende naar het harmonische moeten leren om zoveel mogelijk te
geven en te ontvangen. U zult U daarbij moeten beperken tot dat deel van de wereld,
waarmee U een zekere harmonie kunt aanvaarden.
32 DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 19 november 1957
Les 3 – De esoterische verwerking van exoterische waarden

Een 4e en misschien nog belangrijker punt is dit: Elke daad elke toestand en elke persoon is
volledig. Dit wil zeggen: Al deze dingen zijn zowel in de micro als macrokosmos volledig
uitgedrukt. Zij zijn overal te beleven en te erkennen, en de persoon, die op zichzelve volledig
bewust is in een uiting, kan daaruit onmiddellijk het bewustzijn verwerven van elke micro of
macrokosmische toestand, die in overeenstemming is met eigen wezen.
Nu ik deze punten in herinnering heb gebracht, mag ik misschien mijn betoog vervolgen: Maar
allereerst wil ik U vragen of tot zover mijn betoog duidelijk is voor U. Wetende, dat ons streven
niet beperkt is tot ons eigen leven, maar dat zowel micro als macrokosmische waarden daarin
mede vervat zijn, zal ik voortdurend trachten mij voor te stellen: hoe bepaalde toestanden uit
micro of macrokosmos in mijn eigen leven zouden zijn. Bewustwording betekent ook een spel
der verbeelding. Verbeelding is een menselijke uitdrukking. Zij geeft weer, dat men zich een
beeld stelt, dat, niet onmiddellijk gerealiseerd is, maar mogelijkerwijze realiseerbaar was of zal
worden.
Welaan, wanneer wij de realiseerbaarheid van alle toestanden, die met ons harmonisch zijn,
volledig aanvoelen, kunnen wij elke toestand voor onszelf realiseren, ook wanneer die niet ligt
op een stoffelijk of voor ons beperkt geestelijk plan. De waarden, die daaruit voortkomen, zijn
een voedsel voor ons bewustzijn, waar zij ons leren de wereld te vergroten,n.l. onze innerlijke
wereld. Die innerlijke wereld zal op de duur in staat zijn meer als harmonische factor en
waarde in zich te verbergen. Plant in ons zijn dia dingen verborgen. Men laan m.i. zelfs niet
denken, dat het mogelijk is het innerlijk volledig te uiten. Er is een grens van stilte, die om die
wereld in ons ligt. Een grens, die wij niet kunnen doorbrekend die slechts anderen van hoger
bewustzijn soms een enkele maal kunnen overschrijden.
De innerlijke wereld kan leiden tot een delen van wereld en beleving in verschillende
afzonderlijke reeksen. Het beeld, dat ik U hier geef, is niet peremptoir. Het is mogelijk die elk
naar eigen behoefte kunnen wijzigen, verwerpen of misschien juist in deze vorm aanvaarden.
Ik begin zeer simpel.
Ik deel mijn eigen wereld in in licht en donker. Ik erken dus voor mijzelf een soort innerlijke
dag- en nachtevening, waarbij in het duister ligt wat lk noem "kwaad", in het licht, wat ik
noem "goed". Zolang de dag voortvliedt, jagend achter de nacht rond de hele aarde, zo zullen
zich ook de begrippen goed en kwaad in ons wezen verschuilen. Zomin als men zich afvraagt,
of het niet goed zou zijn, dat het altijd dag of altijd nacht zou zijn, zal men zich afvragen, of
het niet goed is om ergens in ons wezen iets te allen tijde goed of kwaad te doen. Wij zullen
ons realiseren, dat onze ogenblikkelijke beschouwing bepalend is voor deze waardering. Wij
zullen ons niet afvragen, of wij vroeger volgens het huidig inzicht goed of kwaad gehandeld
hebben. Wij zullen ook in het heden geen toekomst opbouwen met goed of kwaad volgens
onze huidige waardering. Wij zullen goed of kwaad voortdurend beschouwen als waarden van
dit ogenblik.
Dit vergemakkelijkt ons het ontdekken van harmonische waarden in de buitenwereld. Het
maakt het ons verder mogelijk om juist op dit ogenblik, waarop wij nu. leven en bestaan,
gebruik te maken van alle harmonische waarden, niet enkele daarvan verwerpende, omdat zij
op het ogenblik misschien nog aanvaardbaar maar in de toekomst mogelijk onaanvaardbaar
zullen zijn.
Ook zou ik moeten waarschuwen tegen replicatie zoeken. De voortdurende herhaling van
beleving kan nooit gunstig zijn. Wel kan soms een beleving uit een reeks van handelingen of
daden ja, soms uit een toestand, die zich over jaren uitstrekt bestaan. Maar wanneer zij
beëindigd is, mag zij niet herhaald worden. Men mag niet zoeken hetgeen eens was hernieuwd
zo te kennen of te beleven. Want in ons is alles vereeuwigd, wat wij eenmaal doorgemaakt en
beleefd hebben. Om deze dingen te verwerkelijken kunnen wij niet naar de buitenwereld gaan.
Dit kan alleen in onszelf, In ons ik echter kunnen wij als een gemoedgesteldheid, a.h.w.een
doorvoelen, het gehele beleren van het verleden steeds weer als een beeld in ons dragen.
Dat is belangrijk. Een recapitulatie van voorgaande gebeurtenissen heeft weinig goeds in zich.
Daaruit bomt maar voort een poging om het verleden te rechtvaardigen aan de hand van de
daden van het heden. Maar een ondergaan van het gehele levensbeeld als iets, dat

DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN 33
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 19 november 1957
Les 3 - De esoterische verwerking van exoterische waarden

bevredigend of misschien onbevredigend is, geeft stimulans en richting aan ons beleven van
het heden.
Gij zoekt hier uiteindelijk allen naar een innerlijk beleven, dat voor U een voortdurende steun,
een voortdurende sterfring wil zijn. Gij zoekt hier naar een aanvulling van de onvolledigheden,
die gij in Uw eigen leven erkend hebt. Daarom zou ik u willen zeggen Bestudeer hetgeen ik
hier gezegd heb vooral goed. Realiseer U, dat wat ik hier gezegd heb, niet alleen maar een
beperkte leer of waarde is, maar dat het een kosmische leer en een kosmische waarde is, die
werden vastgelegd door vele grote meesters op deze wereld, en die bekend zijn in vele sferen
en werelden, ook buiten deze aarde.
Ge zult U dan misschien verder afvragen: kan ik persoonlijk hiermede iets doen? En nu wil ik
een ogenblik proberen U de praktijk te schetsen:
Bij ons zoeken naar innerlijk beleven weigeren wij het verleden te verheerlijken of te
verguizen: eigeren wij het verleden hernieuwd te beleven en te beoordelen. Evenzeer weigeren
wij de toekomst reeds nu te doorleven. Levend in het heden zullen wij doorvoelen, wat wij
zijn. Niet de delen, waaruit het “zijn” werd opgebouwd. Wij zullen steeds dit "zijn trachten
erkennen overal rond ons, in de hele wereld, in alle sfeer en alle geest. Wij zullen in dit gevoel
van eenheid, dat we trachten op te wekken, verder uitgrijpen naar de grote Bron van ons
bestaan: de goddelijke waarden.
Deze dingen zijn gemakkelijker dan U denkt, wanneer U leert om een begin te maken. Dat
begin betekent soms een verbreken van oude gewoonten. Een wegvallen van het noch zelf te
beklagen en Uzelf goedertieren op de rug te kloppen met waarderende woorden voor al
hetgeen gij dan toch naar hebt voortgebracht, wat gij dan toch maar in het leven hebt
gepresteerd. Maar hebt ge deze moeilijkheden overwonnen en leeft ge in het heden, dan zult
ge ontdekken, dat in U een nieuwe bron van kracht is aangeboord. Want de harmonie, die nu
eerst geheel bewust ervaren wordt in het heden, betekent een wederkerige beïnvloeding
binnen de wetten van het Goddelijke die beslaat tussen ons en al datgene, waarmee wij
harmonisch zijn. Dat betekent, dat erkennen van harmonische aarden sterker en groter wordt
en dat in onze wereld een steeds vollediger beeld wordt geschapen.
Het is dit volledig zien in onszelf wat als eerste doel moet worden gesteld. Het voelen van
onszelf als een volledig wezen dat strevende naar het Goddelijke op dit ogenblik volledig
beantwoord, aan het doel dat de Scheppee heeft gesteld, is noodzakelijk. Zonder dit is een
werkelijk esoterische bewustwording niet mogelijk. Dan blijft uiteindelijk het eigen zoeken
voortdurend een esoterisch aanvullen van een beleven, dat gefrustreerd blijvend nooit volledig
worden kan. Ik zeg niet: "Wees Uzelve". Maar ik zeg: " Wees Uzelve in het heden. Wees
tevreden met wat gij zijt, opdat gij volledig Uzelve zijnde daaruit kunt vinden de waarden, die
gij misschien morgen, zult beleven".
Bij de indeling van onze innerlijke wereld zullen wij behalve dag en nacht ook nog andere
waarden erkennen. Wij zouden dat het best kunnen vergelijken met de hoofdletters en de
kleine letters. Grote belevingen, grote gebeurtenissen, grote eenheden van zelfrealisatie staan
steeds weer aan het begin van een bewustwording.
Men moet echter wel bedenken, dat het niet de grote feiten zijn, de grote realisaties, die van
het eerste belang zijn. Zij geven niet werkelijk inhoud aan ons leven. Zij zijn slechts de
hoofdletter, waarmee een nieuwe zin begint. De hoofdletter wordt door vele kleine letters
gevolgd, die tezamen met de leestekens de werkelijke inhoud weergeven. Wij zullen dus
trachten om bij ons innerlijk beleven steeds weer wanneer een grote gebeurtenis ons innerlijke
bewustwording schenkt, verandering van emotie en gevoelens geeft te trachten ons te
realiseren: "Dit is maar een begin. Het is niet dit gebeuren zelve, maar alles wat er uit geboren
wordt, dat belangrijk is."
De verandering zullen we evenzeer in onze innerlijke wereld moeten erkennen. Wij spreken
daarover echter niet als een verandering in de zin van verplaatsring, e.d. Wij noemen het een
groeiproces. Wij realiseren ons, dat al hetgeen wij in onszelf erkennen, slechts het zaad is van
de oneindigheid. Niet meer. Al wat wij thans bezitten, wat wij zijn, al datgene waarmee wij
harmonisch kunnen zijn, waarin wij zo onszelven leren kennen, is uiteindelijk een waanbeeld.
34 DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 19 november 1957
Les 3 – De esoterische verwerking van exoterische waarden

Niet omdat het niet bestaat, maar om de doodeenvoudige reden, dat onze functie daarvan
onvolledig is. Zomin als men aan het zaad kan zien, welke bloem eruit zal groeien, zomin kan
men aan de ogenblikkelijke belevenissen hun werkelijke betekenis en inhoud zien. Het is
echter onze taak om met al datgene, dat ons als zaad ter bewustwording wordt gegeven, te
werken zo goed als we kunnen. Wij zullen dus elk beleven, elke emotie, die een ik realisatie
mogelijk maakt voortdurend behandelen als een groeiproces. Ons niet afvragen: "Wát is het
geweest?", maar met vreugde vaststellen, dat het groeit, en zo de tuin, die uiteindelijk onze
persoonlijk hof van Eden wordt, doet ontplooien tot steeds voller schoonheid.
Dan wil ik U nog een raad geven. Bij het indelen van Uw innerlijke wereld zult U ongetwijfeld
geneigd zijn om aan personen een vaste rol in die innerlijke wereld te geven. Realiseer U, dat
het niet deze personen zelven zijn, die een rol spelen, maar slechts een beeld, dat gij van hen
in U draagt. Het is Uw taak niet om anderen in Uzelf te herkennen, maar om Uzelf in anderen
te vinden. Indien gij Uzelf in anderen vindt, ontstaat in de eerste plaats een band, die
onverbrekelijk blijft bestaan. Maar in de tweede plaats krijgt U ook en dat is misschien
belangrijker de mogelijkheid tot een persoonlijke groei, een persoonlijke innerlijke
bewustwording die in de ander evenzeer een bewustwording betekent.
Denk dus nooit, dat U voor Uw innerlijke bewustwording gebonden bent aan bepaalde
personen. Slechts datgene van U, wat in die personen geprojecteerd is en wat ge daaruit kunt
beleven heeft voor U werkelijke betekenis. Overschat dus niet de waarde, die dingen en
personen in Uw leven kunnen hebben. Aanvaard ze, zolang ze deel uitmaken van het heden
voor zover gij Uzelf erin erkend hebt, zult ge ze in Uzelf blijven dragen en bergen. Zover zij
echter niet in Uw innerlijk berusten, hebben zij geen deel aan Uw verder bestaan en zijn zij als
zodanig volledig onbelangrijk. Op deze manier kan men waarschijnlijk komen tot een juiste
levenswaardering, een juist begrip van de buitenwereld en zo op de duur tot een juiste
bewustwording in elke geest.
Ik geloof, vrienden, dat dit voor vandaag voldoende is. Heeft iemand nog commentaar,
opmerkingen? Dan zal ik het woord geven aan een volgende spreker. Ik wens U allen nog een
zegenrijke avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Het is soms erg prettig om abstract te praten, maar aan de andere kant komen er
ogenblikken, dat je graag je eventjes ook weer kunt vastgrijpen aan dingen, die de mensen
kenden. En nu is het mijn bedoeling heus niet om aan, de technische inhoud van de esoterie te
ontlopen, gelooft U dat. Maar ik zou toch graag een onderwerpje nemen, dat even houvast
heeft aan Uw voorstellingsleven. Hebt U bezwaar tegen een praatje over:

Heksen en magiërs
Wij kunnen natuurlijk spreken over heksen en magiërs, en dan zijn dat voor de meeste
mensen legendarische wezens. Je weet niet precies, wat je eraan hebt. Nu ja, je hebt
natuurlijk gehoord, de heks gaat naar heksen sabbat en de zwartmagiër doet er ook aan mee.
Verder hebt U misschien gehoord, dat de magie uiteenvalt in wit en zwart en de waarden van
de magie gelijk blijven, maar door de intentie veranderen. En wanneer dat nu voor een magiër
bestaat, moet dat ook voor een heks bestaan a.w, het woord heks is een algemene term, die
zowel witte als zwarte krachten dekt en datzelfde geldt voor de magiër en zelfs in zekere zin
voor de zgn. demon. Want daemon wordt vaak gezien als een duivel, maar daemon (het
stemwoord uit het Grieks) kan ook betekenen persoonlijke geleider, gids of zelfs persoonlijk
godsbegrip. En wanneer wij dan daarmede de zaak zo’n beetje hebben vastgesteld, zullen Wij
ons eerst maar eens gaan afvragen, hoe het met die heksen staat. Waar zullen wij mee
beginnen: met wit of met zwart?
Wit.
Nu, ik vind het een slechte keuze, want zwart moet ik ook behandelen en dan komen de
griezels achteraan.

DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN 35
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 19 november 1957
Les 3 - De esoterische verwerking van exoterische waarden

Zwart dan maar eerst.
Ik ben blij, dat U het met mij eens bent. Wanneer U toch gezegd had "wit: dan had ik het
natuurlijk gedaan. Maar ik zou zeggen: begin met het slechte, dan heb je het goede nog te
wachten. De z.g. zwarte magie dus ook de heksen der overlevering vindt haar basis in de
duivel, dus in het demonische. Je zou kunnen zeggen het is een uitdrukking van chaotische
krachten. En dit chaotische element komt op velerlei wijze naar voren. Wanneer wij b.v.
denken aan een heksen sabbat, dan zien we daar, hoe alles eigenlijk tegen het normale ingaat.
Het is een absoluut verzet tegen al datgene, wat volgens de Bijbel en de godsdienstige
leringen als juist moet worden aanvaard. Er schuilt iets eigenaardigs in. Want als we nu b.v.
zien, hoe heksen en zwarte tovenaars voor hun offerplechtigheden zich vol eten en vol drinken
in tegenstelling met het nuchter blijven, dat de witmagiër als vasten beoefent voor hij met z’n
plechtigheden begint, zoals elders aanvaard is dan zien we al in dat vele eten een soort verzet,
een soort ontkennen van de werkelijke goddelijke wetten. Dat wordt overal doorgevoerd.
Het heksendom van de middeleeuwen was hoofdzakelijk gebaseerd op het katholicisme en dan
krijgen wij de zwarte mis. Die zwarte mis heeft ook weer een hele boel eigenaardigheden,
zoals U begrijpt. Wij zien b.v. geen schuldbekentenis maar in de plaats daarvan een profanatie
van God. Dat is het begin. Wanneer een celebrant komt tot een wijding van zijn hostiën, dan
zijn die niet wit maar zwart. Zo zijn ook de kaarsen. Die kaarsen op het altaar zijn gemaakt
van zwartgekleurde was met sulfer, zwavel. Zij stinken dan ook als de p…. Dan zal hij nooit
zijn gezicht er naar toe wenden, integendeel: hij gaat met zijn rug staan naar hetgeen hij
consecreert: en zodra hij dit heeft gedaan, gooit hij een deel van de inhoud van zijn kelk op de
grond en gaat daarop staan trappen. En de anderen van de gemeente doen eraan mee. Dus
weer een belediging van iets. Maar dat houdt dus in een geloof naar het witte.
De zwartmagiër is een egoïst. Hij doet al z n bezweringen met een zuiver zelfzuchtig inzicht.
En daarvoor doet hij heel veel dingen, die niet prettig zijn. Ik wil nog niet eens herinneren aan
die ... (onverstaanbaar.) e.d., die in de ingewanden van kinderen en dieren de toekomst
proberen te lezen. Ofschoon dat ook al niet erg prettig is. Maar ik wil er alleen maar op wijzen,
dat bij al die bezweringen de macht woorden van de zwartmagiër de machtwoorden zijn van
de witte magie.
Dan kennen wij verder nog heel veel van die volksvertelsels eigenlijk die allemaal hun reden
hebben. U weet misschien, dat met de storm de heksen in lege eierdóppen over zee roeien. Als
roeispanen gebruiken ze daarvoor breinaalden. U lacht erom, maar er zit iets in. Wat
gebruiktn.l. de heks en de zwartmagiër? Het leven zelf? Neen. De schil van het leven. Dus de
buitenkant van de materie. Ze roeien met breipennen. Met breipennen kun je niet roeien. Dus
ze roeien met iets, waarmee eigenlijk niet geroeid kan worden. Ze gebruiken middelen, die
geen reële macht inhouden. En toch bereiken ze dingen, die veel reëel zijn. Nu zult U zeggen,
wat heeft dat met esoterie te maken? Of begint U er achter te komen?
(vraag onverstaanbaar)
Ik zou niet graag zeggen, dat witte krachten niet reëel zijn. Het is eigenlijk zo: Om te
vergelijken de zwartmagiër werkt met het spiegelbeeld. En nu moet U eens proberen een
kopje thee, dat in de spiegel staat, op te drinken. Dat gaat niet. De witmagiër werkt met het
werkelijke beeld, die kan de thee wel opdrinken. Er zit dus heus wel een verschil in.
Nu moet U eens goed luisteren. We hebben nu getracht vast te stellen dat zwarte magie
eigenlijk een omkering is van de witte magie en wij hebben eveneens getracht vast te stellen
ik hoop, dat U die conclusie ook bereikt hebt dat zwarte magie slechts dan kan bestaan,
wanneer de wetten en waarden der witte magie eerst aanvaard voorden, ook al profaneert
men ze. Nu gaan we naar de witte magie, de witte heks.
Het verschil tussen wit en zwart is in de eerste plaats gelegen tussen het egoïstische en het
altruïstische. Wanneer de zwartmagiër werkt, kan en mag hij slechts egoïstisch weren. Bij
altruïsme is zijn bezwering van nul en gener waarde, tenzij hij zichzelf purifieert en dus
tijdelijk witmagiër wordt. Omgekeerd kan geen enkele witmagiër witmagiër blijven en toch
egoïstische bestrevingen navolgen. Dat is heel begrijpelijk. Want bij de witte magie streeft
men niet in de eerste plaats naar zelf verheffing of een bereiking, maar men zoekt een zekere
harmonie m"n voorganger heeft het daar ook al over gehad, nietwaar een harmonie met de
36 DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 19 november 1957
Les 3 – De esoterische verwerking van exoterische waarden

wereld. De magiër verrijkt niet zichzelf onmiddellijk, maar verrijkt de wereld. En in deze
verrijking van de wereld vindt hij een vervolmaking van zijn eigen bewustzijn en een
vergroting van zijn eigen krachten.
De witte heks gaat ook, wat men noemt, naar de sabbat. Zij gebruikt daarvoor ook
heksenzalven. Maar het eigenaardige is, dat zij in de eerste plaats niet in zo’n groot gezelschap
als de zwarte heksen samenkomen,n.l. niet het getal 13, maar heel vaak het getal 7 en soms
de z.g. kleine kelt (?) een getal van 3, (in Engeland vooral veel voorkomend). De witte heks
treedt uit met behulp van zuiver plantaardige middelen. Zij zal voordat zij uittreedt tenminste
24 uur vasten, heel vaak zelfs ook het lichaam reinigen door pulgerende middelen, wassingen
ed. Wanneer ze uittreedt is het niet haar doel om zichzelf te zien of te kennen of zelf iets te
beleven. Zij zoekt een band te vinden met het heelal en zo in het heelal een werkzaam deel te
zijn. Datzelfde zien wij natuurkijk eveneens bij de zwartmagiër, zij het dat hij soms andere
gebruiken kent dan de heks.
Over het algemeen zijn in beide soorten van magie het sexuele en het religieuze van groot
belang. De wijze, waarop deze dingen gebruikt worden, zal naar gelang wit of zwart natuurlijk
zeer sterk verschillen. Maar in beide gevallen worden zij toch wel gericht gebruikt met een
zeker bewustzijn van mogelijkheden, die erin schuilen.
Nu is dat ooit en dat zwart een scheiding, die heel scherp wordt getrokken. Op het ogenblik,
dat je zegt: Voor mijzelf, zwart. Wij zeggen wel eens "grijs", omdat we dan niet direct willen
zeggen, dat iemand nu zo direct zwart magisch is, omdat het stotend zou zijn voor zo iemand,
die het misschien toch wel goed bedoelt. Maar in feite is alles, wat maar enigszins zelfzuchtig
is, zwartmagisch.
Diezelfde scheiding, die we in de magie vinden, vinden wij ook in onszelf. Aan de ene kant zijn
we zwart magisch ingesteld. Daaraan doen we niets. Zogoed als wij geboren zijn uit de chaos,
blijft de chaos altijd zijn deel aan ons hebben. Wij zullen op de duur de vorm in de chaos
realiseren. Die brengen we zelf naar voren, die scheppen we. Wij vormen de chaos om. Dat is
onze bewustwording.
Maar zolang, we dat niet volmaak hebben, zit er wit en zwart in ons en zullen wij dus eigenlijk
automatisch, haast onbewust soms, wit of zwart magische daden stellen.
Ik weet niet of U soms gebruik maakt van sommige afweertekens, b.v. tegen het boze oog. In
Holland is dat niet zo gebruikelijk, in Italië doet haast iedereen dat. Ik weet niet of U wel eens
bijgelovig bent en dus niet onder een ladder heen loopt: of wanneer er zout gemorst wordt een
snuifje over de schouder heen werpt, soms zelfs driemaal. Dat is magie. Dat is zwarte magie.
U zegt: "Dat is bijgeloof." Neen, het is het volvoeren van een ritueel met een zuiver
persoonlijke inslag, omdat U daaruit een persoonlijke rust wenst te winnen, U voor Uzelf een
ongeluk wenst te voorkomen ed. Aan de andere kant hebben we ook een wit magisch
gedeelte. Want in ons is er ook een behoefte tot vorm en bewustwording. En zo zullen we heel
vaak symbolen gebruiken, waarvan wij onszelf niet eens bewust zijn. Er is b.v. de gastvrije
gewoonte bij het schenken van wijn altijd het eerste scheutje uit de fles in eigen glas te
schenken. U hebt waarschijnlijk gedacht, dat dit alleen goede manieren waren om te
voorkomen dat b.v. stof en kerk in het glas der gasten kwamen. Maar dat is niet waar.
Wanneer wijn vergiftigd is, danwel bezworen dat bestaat ook dan is het de eerste teug, die de
grootste kracht draagt. Vandaar dat de gastheer de eerste teug altijd voor zichzelf zal nemen.
Het laatste deel van de fles, het z.g. droesem, zal niemand drinken. Want wat overblijft aan
slechts zinkt naar de bodem, nietwaar? Wanneer U dus zo’n beleefdheidshandeling volbrengt,
dan probeert U desnoods ten koste van Uzelf de wereld veilig te stellen. Bent U zich bewust
van die daad, dan is die daad absoluut wit magisch en krijgt ze zelfs een: betekenis die heel
wat verder gaat dan alleen maar beveiligen d.m.v. een glas wijn. Het is vandaar, dat in
sommige groeperingen het drinken van wijn op deze wijze wel gebruikelijk is. Ieder schenkt op
zijn beurt in, maar ieder neemt steeds de eerste teug zelve. En dat gebeurt alleen om te
symboliseren, dat de mens in een wit magisch verband wil trachten de zorgen van anderen te
dragen en zo te komen tot een volledige uiting van broederschap.

DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN 37
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 19 november 1957
Les 3 - De esoterische verwerking van exoterische waarden

Ik weet niet, of U dat er achter gezocht had, maar er zit nog veel, meer in Uw leven, dat
eigenlijk tegenwoordig gewoon heet, maar dat toch eigenlijk niet gewoon is. Zo zijn er
mensen, die onbewust bepaalde tekens in hun handtekening invlechten. Denk nu niet aan die
drie bekende puntjes of zo iets, maar aan de wijze waarop zij met krullen of strepen een
bepaalde nadruk geven op zekere letters. Die letters hebben soms een symboolwaarde
wanneer men dat gaat nazoeken en wel de symboolwaarden van witte of zwarte krachten. Met
zo’n handtekening kun je dan ook zeggen, of iemand zich de Chaos dus aan het zwarte of aan
het witte overlevert. Dat is dan geestelijk en dus voor de schrijver zelve de ondertekenaar
volkomen onbewust.
U zult wel begrijpen, dat zoals wij hier bij elkaar zijn, we aan de zwarte magie heel weinig
nebben. Het zou voor ons alleen maar een belemmering op onze weg, het zou ons alleen maar
tegenhouden. Wij zoeken het dan ook in het witmagische. En bij die witte magie, die hekserij
en wat daarbij behoort, houden wij ons dan aan zekere regels. En daar die regels ook voor de
bewustwording van belang zijn, zal ik ze zo dadelijk even opsommen. U zult wel denken: we
krijgen zo allemaal aan het eind van elk lesje een soort rijtje van definities uit het hoofd te
leren, maar maak U geen zorgen. U moogt ze desnoods vergeten, maar U moet wel even
proberen ze te begrijpen, wanneer ik ze uitspreek.
Bij wit magisch werk, onverschillig in welke vorm zal men steeds trachten het "ik" buiten
beschouwing te laten. Daardoor wordt elke wit magische handeling een uiting van de innerlijke
kracht in de wereld buiten het ik en als zodanig een vergroting van bewustzijn, een vergroting
van de zelf realisatie.
In de tweede plaats zal de witte magie nooit en te nimmer gebruikt moeten worden om
anderen onherstelbaar kwaad toe te voegen. Zouden wij een ander door onze magie
onherstelbaar kwaad toevoegen, dan zouden wijnelven daaronder lijden en als zodanig zelf de
smaad moeten ondergaan: het leed moeten dragen, dat we anderen te dragen gaven: enz.
Een vit magiër zal heel vaak werken ten bate van andere personen. De witte heks zal heel
vaak ingrijpen vooral ten bate van het lichamelijke welzijn voor vele mensen. Wanneer dit
gebeurt zonder bijbedoelingen, dan betekent het genezen van anderen, het helpen van
anderen, het verrijken van eigen wereld met een bewustzijn omtrent zekere krachten.
Dit bewustzijn omtrent krachten is het loon, dat het ik voor de magische bestrevingen en het
kracht geven verkrijgt. Want wanneer wij weten omtrent krachten in onszelven, zijn die
krachten in onszelf werkelijkheid en zullen ook zonder magische bezwering, handeling of
ritueel in onszelf voortdurend werkzaam zijn.
De wit-magiër kan nooit alleen staan. Mag de zwartmagiër zich afzonderen van de wereld, de
wit-magïer is verbonden met allen, die gelijkelijk met hem of haar in een dergelijk bestreven
trachten licht te brengen in de wereld, de mensheid te verbeteren en het lijden op de wereld te
verminderen. Hierdoor ontstaat een niet te verbreken band tussen allen, die zich aan een
dergelijk werk geven. Een vereenzelviging van verschillenden met elkaar zal op de duur het
aanzijn geven aan grote magische orden, die een volledig onzelfzuchtig werk volbrengen.
Eén ding echter heeft de magiër, dat wij in de gewone wereld niet vinden. De zwartmagiër
erkent in zijn eredienst - en tergt en hoont tevens - het licht dat hij erkent. De wit-magiër
erkent en respecteert het kwaad, dat hij bestrijdt. Het heeft geen zin te zeggen, dat je als
magiër een vijand bent van iets: en zeker niet als je wit-magisch bent. Maar het respect, de
eerbied, ja, in sommige gevallen zelfs de lichte verering, die je voor de krachten des kwaads
kunt hebben, is gelijktijdig een waarschuwing, omdat je zoveel te beter beseft, welke inhoud
ze hebben.
Met deze waarschuwing is het mogelijk de niet-gewilde duistere krachten in het ik voortdurend
uit te bannen. Het is dwaas demonen en duivels te tarten. Daarvoor zijn zij toch nog te sterk.
Krachten van de chaos hebben zoals - ik reeds zeide - aandeel in iedere mens. Oók in de wit-
magiër, óók in de zwart-magiër.
Wanneer wij het kwaad respecteren en eren in zijn kracht en betekenis, zullen wij ons niet
laten verleiden om het eenvoudig terzijde te schuiven. Dan zullen we ons ook niet laten
verleiden om het eenvoudig van ons af te wijzen. Dat kunnen wij ons niet permitteren,
38 DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 19 november 1957
Les 3 – De esoterische verwerking van exoterische waarden

wanneer wij werkelijk een esoterische bewustwording doormaken en wanneer wij werkelijk de
inhoud van het zijn zoeken. Het kennen en erkennen van het kwaad en de macht van het
kwaad, het weten omtrent de chaos en het aanvaarden van het chaotische met een
gelijktijdige onthouding van elke eigen deelname of interesse daarin, betekent voor ons het
kennen van het materiaal, waarmee wij voor onszelf de gevormde wereld scheppen. Die
uiteindelijk voor ons dan toch de bewustwording is. Want witte magie en esoterie en innerlijke
bewustwording hebben één ding gemeen: Ze brengen de mens ertoe steeds meer één te
worden met de schepping en steeds meer één met elke vorm en vormmogelijkheid, die in de
schepping bestaat.
Waar komt de vorm vandaan? Die wordt opgebouwd uit de chaos. Zo bouw je dus in jezelf uit
de chaos a.h.w. langzaam maar zeker dat volmaakte wezen, dat kan opgaan in God. Wanneer
je je bouwstoffen kent, respecteert en ze toch leert gebruiken, zoals je ze gebruiken moet
daarbij hun eigenschappen en kwaliteiten veranderend en aanpassend aan hetgeen je nodig
hebt dan kom je tot en werkelijke bereiking. Vandaar dat heksen en tovenaars misschien wel
erg achtervolgd zijn in sommige tijden op deze wereld, maar ze toch een belangrijke rol.
hebben gespeeld. Want laten we niet vergeten, dat veel van degenen, die vroeger leefden b.v.
in het hoogstaande Egypte dat toch een tijd heeft gekend van religieuze en esoterische bloei,
waar ze op het ogenblik hun vingers aan kunnen aflikken heksen en magiërs waren.
Witmagiërs en witte heksen. En laten we niet denken, dat dit met het verleden is uitgestorven.
Vandaag, aan de dag bestaan ze nog. Zwart zowel als wit.
Laten we ons daarom goed realiseren, dat al zijn we dan misschien geen magiërs of heksen we
de beschouwingswaarden, die zij kennen, wel degelijk voor onszelf mogen accepteren. Dat we
ons wel degelijk moeten baseren op hetzelfde, waarop zij hun werking en kracht baseren,n.l.
op een erkennen van de scheiding der dingen: en waar wij streven naar bewustwording het
erkennen van de waarden, die tegengesteld zijn aan de onze, om zo daar het materiaal en de
kracht te vinden, waarmee wij kunnen scheppen wat nodig is voor onze verdere
bewustwording. Ik geloof, dat het dat is.
Geen commentaar?
Degenen, die zeggen, dat er geen kwaad is, hebben het dus niet bij het goede eind. Er zijn
mensen, die alle kwaad negeren. Die zeggen: het kwaad bestaat niet.
Wanneer iemand tegen U zegt: "Kwaad bestaat niet.", dan moet U eens een flinke trap op zijn
grote teen geven et een scherpe hoge hak. Dan moet U eens zien wat ze zeggen. Wanneer ze
dus ze den: "Dat is dit en zus en zo", dan moet U zeggen: "Maar dat is toch goed, want kwaad
bestaat niet. Ik wou je alleen maar goed doen." Dan zult U bemerken, dat ze het kwaad heus
wel accepteren.
U kunt zeggen: "Kwaad besta niet”, maar dat is een redeneren vanuit een goddelijk standpunt.
Kwaad bestaan niet als kosmische waarde. Per slot van rekening, wanneer je gezond bent kun
je zeggen: "ziekte bestaat voor mij niet maar o wee, als je de mazelen krijgt. Met andere
woorden, zolang je nog aangetast kunt worden door de tegenstellingen tot de huidige
toestand, kun je zeggen dat het kwaad bestaat.
Iets anders is dit: Kwaad bestaat alleen voor jou, wanneer je dit als kwaad erkent. Je kunt
zeggen: "Ik sla die vent dood. Ik doe een goed werk voor de wereld, want hij is toch maar een
nul" Dát bedoel ik natuurlijk niet. Want in feite zal het doden van een medemens, een ander
wezen, je tegen de borst stuiten. Je zult toch voelen, dat het niet goed is. Zolang je voelen
kunt, werkelijk intens gevoelen, dat iets goed is, maak je dan geen zorgen. Maar vergeet niet,
dat er in elk leven, dus ook in het Uwe, dus van alle aanwezigen en van de hele wereld en van
alle mensen, een voortdurende tegenstelling bestaat tussen chaos en vorming. Of, als U het
anders wilt zeggen: tussen duister en licht.
Het duister betekent voor God niet: kwaad. God merkt er niets van. Het is voor ons kwaad,
omdat we daarmede een deel van belevingsmogelijkheden wegnemen en wij eenmaal toch op
de weg zitten van een bewustwording in het vormleven en dus niet zonder vorm kunnen
bestaan. M.a.w., wat wij doen tegen dat bewustzijn in, zullen wij later moeten herstellen,
omdat wij anders niet verder kunnen gaan op de weg, die wij gekozen hebben. Daarom is het

DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN 39
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 19 november 1957
Les 3 - De esoterische verwerking van exoterische waarden

kwaad. Duidelijk? U ziet, het is niet zo moeilijk. Maar iemand, die zegt: "er bestaat geen
kwaad", loopt het gevaar, dat hij eigenlijk bedoelt: "voor mij bestaat er geen kwaad." Zodra je
dat persoonlijk gaat interpreteren, betekent dit feitelijk: "ik mag alles en een ander mag
niets." Dat is een grote fout. Maar, wanneer je zegt "er bestaat geen kwaad", doordat je
weigert het kwaad buiten jezelf te erkennen en in je eigen houding steeds het goede doet, dan
is er voor die houding iets te zeggen. Wanneer je zegt: "ik erken geen enkele wet, alleen mijn
eigen bewustzijn omtrent goed en kwaad", dan zeg ik ook nog: akkoord: ofschoon het soms
ook gevaarlijk is. Maar wanneer je zegt: "er bestaat geen licht en duister, er bestaat alleen
maar licht", dan zeg ik: "je bent fout". Want op het ogenblik, dat er alleen maar vanuit jouw
standpunt goed is, leef je niet meer. Dan kun je doen en laten wat je wilt. Wat heeft het dan
nog voor zin om te leven
Wat verstaat U onder kwaad? Willens en wetens kwaad doen?
Onder kwaad versta ik in zeer algemene zin datgene, wat strijdig is met onze eigen vorming
en bewustwording,
Maar dat is toch persoonlijk?
Ja. Dus daarom zeg ik uitdrukkelijk: "zeer algemeen", omdat bij iedereen deze waarden
kunnen verschillen. Je kunt dus niet beantwoorden: wat is kwaad. Wat voor Jan kwaad is, kan
voor Piet heel goed zijn en omgekeerd. Kwaad is dus datgene, wat ons eigen proces van
bewustwording en zelfrealisatie schaadt. Daarop komt het neer.
Dat is dus willens en wetens kwaad.
Willens wil ik er buiten laten. Wetens wel. Kijkt U eens. U doet wel eens dingen, die U eigenlijk
niet wilt doen en waarvan U toch wel weet, dat ze verkeerd zijn. Het is het weten van het
verkeerde, dat in U bepaalde problemen schept. Om nu maar een ding te noemen: Het kwaad
schept een schuldbewust zijn. Schuldbewustzijn doet zoeken naar een compensatie. Het
zoeken naar compensatie plus het schuldbewustzijn kunnen aanleiding zijn tot remmingen.
Psychisch. Psychische remmingen kunnen een abnormaal gedrag geven, waardoor ook fysieke
fouten ontstaat, fysieke fouten kunnen een bezwaar vormen voor de bewustwording, zodat de
taak van het leven onvolledig wordt volbracht.
Dat ligt dan toch aan het bewustzijn van de persoon. Want die persoon weet niet beter.
Wanneer die persoon niet beter weet, dan is het geen kwaad.
Wanneer hij het beter weet, zal hij het niet doen
Dat stelt U. Dat ben ik niet altijd met U eens.
Dus,dan ligt het weer aan zijn weten.
Neen. Het is weleens vaak niet willens, maar wel wetens. M.a.w. men heeft zich niet
gerealiseerd, dat men kwaad zou doen. Men komt op het ogenblik plotseling te staan voor het
feit, dat men iets verkeerd moet doen of bv, rechts omkeert: maken en zich belachelijk
maken. En dan doet men maar kwaad. Dan is dat niet gewild. Het gaat zelfs eigenlijk tegen de
wil in. Maar het is wel degelijk wetens. M.a.w. kwaad kan alleen dan bestaan, wanneer een
bewustzijn aanwezig is, dat dit kwade als zodanig erkent.
Maar ik kan mij niet voorstellen, dat wanneer je overtuigd bent, dat iets verkeerd is je dit
toch gaat doen. Hoe zit dit nu eigenlijk?
Om nu een heel eenvoudig voorbeeld te geven: Hoeveel mensen zijn ervan overtuigd, dat
roken kwaad is, schadelijk is? Hoeveel? Heel veel. Hoeveel mensen, die daarvan overtuigd zijn,
roken toch?
Maar dat is toch niet zo diep ingrijpend?
Diep ingrijpend of niet heeft hier niets mee te maken. Het gaat hier om een principe. Dan kan
elk voorbeeld dienst doen. Wanneer ik ervan overtuigd ben, dat ik door te roken mijn leven
verkort en ik rook toch door, dan zal ik het zelf als iets kwaads moeten aanvaarden. Dat
brengt mijn bewustzijn met zich mee. En wanneer ik het toch doe, dan kan dat heel vaak
gebeuren, niet omdat ik dat kwaad voor mijzelf verlang, maar omdat ik de aanleiding tot dat
kwaad niet kan laten. Dat kunnen we op elk terrein overbrengen. Je hebt b.v. mensen, die
speculeren, om een ander voorbeeld te nemen, Bij deze speculaties, gaat hun eigen geld
eraan. Ze weten dan, dat het kwaad is om te speculeren. Maar ze hopen dat te niet te kunnen
40 DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 19 november 1957
Les 3 – De esoterische verwerking van exoterische waarden

doen door verder te ga in met kwaad te doen. Wanneer ze zich aan gelden van anderen
vergrijpen, misschien zelfs het faillissement van anderen veroorzaken, hebben ze dat dan zelf
gewild? Nee. Haar hebben ze het gevesten? Ja. Vandaar, dat ik een uitdrukkelijk onderscheid
heb gemaakt tussen willens en wetens. En dat ik nogmaals stel, dat men dingen kan doen, die
kwaad zijn, zonder ze direct te willen, maar dat men nooit kwaad kan doen, zonder dat men
weet, dat wát men doet kwaad is.
Men zou kunnen zeggen: dat is kortzichtigheid.
Wij kunnen natuurlijk woorden gaan ziften, waarde vriend, maar dat heeft geen zin.
Kortzichtigheid zou inhouden de benadering van het kwaad, maar toch zeker niet het
volbrengen van het kwaad zonder de realisatie daarvan. Er komt altijd een ogenblik, dat je
weet, dat voortgaan op deze weg kwaad is. Maar dan heb je er zoveel ingestoken aan aanzien
of aan geld of aan wat anders, en dan ga je toch maar door. Dan wil je dat wel niet, dat
kwade, maar je doet het toch maar en je weet het heel goed. Vandaar dat ik dat onderscheid
heb gemaakt. Zijn we zover klaar, dat we kunnen gaan pauzeren? Ik hoop, dat ik U niet
verveeld heb. Ik hoop, dat U er iets uit geleerd hebt. Dan wens ik U verder nog een recht
plezierige avond.
o-o-o-o-o
Goeden avondvrienden.
Het is altijd moeilijk met de esoterie het juiste midden te vinden tussen bijna inhoudsloos
maar duidelijk esoterisch, en inhoudsvol maar daardoor ook minder esoterisch. Want je kunt
soms met woorden zo ontzettend weinig zeggen over de werkelijke toestanden, zoals die in je
leven en in je werkelijk ik bestaan.

En dan moet je eigenlijk gaan spreken als een magiër, waarbij die ander tussen de
regels door moet lezen, tussen die woorden door moet horen.
Wanneer ik dat doe want ik ben van plan om dat te gaan doen dan zult U dus eigenlijk heel
goed moeten luisteren, want ik probeer U iets mede te delen wat ik U niet zeggen kan. Dan
weet ik niet of U het begrijpt, of het misschien ondergaat of dat U alleen maar denkt: "Nu ja,
het is misschien aardig, gesproken: Want de woorden, die ik zeg op zichzelf, die kies ik in de
eerste plaats dus om daarmede een beeld te geven. Het beeld van innerlijke kracht misschien,
innerlijk beleven, enz. En dan zou ik willen beginnen met een vergelijking te maken tussen het
innerlijk beleven van leed en de uiterlijke oorzaken, de uiterlijke resultaten daarvan.
U hebt misschien wel eens gezien hoe soms op een namiddag, als het tegen de avond gaat
lopen, de lucht vol wordt van torenende wolken, die een onweer voorspellen. Dan hangt er een
soort stille dreiging. Je weet niet precies wanneer het komt en waar het komt. Je hoopt, dat
het voorbij gaat, maar in feite zie je het van tevoren aankomen. Zo ben je van binnen soms,
wanneer je voelt, dat er veranderingen voor de boeg zijn. Wanneer je voelt, dat er werkelijk
iets anders gaat komen, en je weet nog niet wat. Maar het dreigt en je bent bang voor het
onbekende.
Sommige mensen zijn in staat de schoonheid van een storm, van een onweer aan te zien. Die
durven staan temidden van neerflitsende stralen, ze laten zich overgieten met de zware
regendruppels en ze genieten van het toornende geweld boven in de lucht. Maar de doorsnee
mens is bang. Bang omdat hij weet, dat er gevaren aan verbonden zijn. Bang omdat hij eerder
de dreiging van het ogenblik aanvoelt dan de verlichting, die een onweer op een warme dag
kan brengen.
Het is alsof je met zo’n storm ergens in een bos bent. De eerste druppels vallen als een traag
getik. Je weet, dat het gaat gebeuren, maar je merkt het nog niet. Zo gaat het altijd met
ongeluk, met leed. Het duurt even voor het is doorgedrongen tot je innerlijk. En dan sterker en
sterker en sterker begint het te ruisen. Je hoort de donder, je ziet het licht, je ziet misschien,
dat vlak bij je een boom wordt getroffen en je raakt in paniek. Je zoudt willen wegvluchten en
je weet niet waarheen. Er is niet zo gauw een toevlucht te.vinden. Soms doe je het meest
dwaze, wat je kunt doen. Je verstart en je blijft staan onder een boom, in de hoop, dat die
tenminste niet zal worden getroffen. Maar soms ook vind je je redelijke verstand weer. Dan

DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN 41
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 19 november 1957
Les 3 - De esoterische verwerking van exoterische waarden

kies je je weg zo, dat er niet al te veel gevaar is. Dan onderga je het natuurgeweld, je
beschouwt het zonder het te minachten of het alleen maar te zien als een vertoning: Je hebt
innerlijke waarde, je hebt innerlijke kracht, maar je kunt er niet aan ontkomen.
Zo is het met leed. Maar wanneer leed is in een mens, wanneer er onweer is op een warme
dag, dan is het net alsof de lucht herboren is. Wanneer de laatste donderslag verklinkt en de
regen ophoudt, dan is het net alsof de lucht anders ruikt, of alles nieuw is en fris gewassen.
Het lijkt eigenlijk of de wereld een klein beetje herboren is. Er is een mogelijkheid gekomen tot
een nieuwe beleving, je kunt weer ademhalen. Het groen is weer fris en de fleurigheid van de
tuin is plotseling weer opgestaan uit de stoffige droogte van weleer:
Met de mens, die leed ondergaat, gaat het precies hetzelfde. Je hebt een ogenblik de zware
slagen te dragen, je zult eronder geknakt en gebogen gaan. Maar als je niet als een angstig
kind wegkruipt onder de dekens of ergens in een beslotenheid om daar te ontvluchten aan het
geweld, wanneer je voor de dag komt, wanneer je in de wereld durft blijven staan, dan blijkt
je, dat na het leed soms ineens de lucht gezuiverd is. Het is anders geworden. De wereld is
heel anders en je moet er een ogenblik aan wennen. Ze heeft ook weer haar eigen inhoud. Het
is alsof je een beetje herboren bent door het leed, dat je een nieuw leven moet beginnen, een
nieuwe toestand ervaren En wanneer je eigenlijk zo het leven meemaakt, dan wordt het van
binnen bij je ook anders.
U kunt zich misschien voorstellen hoe een boer op zijn akker staat. Droog is hij en stoffig. De
wolken zijn hoog in de lucht voorbijgedreven, dag na dag. De witte wolken hebben een
ogenblik verstoppertje gespeeld met de zon, en het is droog gebleven. ……… Het land is
dor……... Voortdurende stralen van het geluk is teveel, die kunnen de mens uitdrogen. Hij
heeft geen besef meer van leven. Hij wordt moe en moedeloos. Hij laat eigenlijk zijn leven
slap, lusteloos voorbijgaan als de planten, die er staan te dorsten naar een beetje regen. Als
zo’n boer daar staat en hij overziet het, dan zegt hij wat een plant niet denken kan: "Ik wou,
dat er een beetje regen kwam. A1 kwam er maar een onweer." De boer loopt alleen op het
land en is daardoor veel eerder het slachtoffer van de inslaande bliksem, van het geweld der
natuur, dan een mens in de stad. Toch kan hij dankbaar zijn. Wanneer die regen daar neervalt
met de eerste zware druppels, wanneer de blauwe flitsen de begeleiding vormen van de
symfonie van levensnat, die uit de lucht valt, dan dankt hij soms op zijn knieën zijn God. Dan
vraagt hij aan de ene kant om te worden gespaard, maar aan de andere kant dankt hij God,
dat Hij de vruchtbaarheid geeft, dat de oogst rijp zal worden.
Wanneer je eerlijk bent, wanneer je begrijpt, hoe de geest is als de landman, die de akker van
het stoffelijk bestaan bebouwt, dan kun je aanvoelen, hoe het voor die geest is, wanneer er
leed komt in een mensenleven. Dan kun je begrijpen hoe het is, wanneer een mens een
ogenblik al dit geweld van een wereld moet ondergaan. U begrijpt, dat juist daardoor de tere
planten van bewustwording, van ervaring, opgroeien, nieuwe waarden krijgen en rijke oogst
beloven.
Dat is eigenlijk de wereld, waarin wij leven. De wereld, waarin voortdurend het geweld
gepaard gaat met nieuwe mogelijkheden. Het is een wereld, waarin je moet kunnen volharden,
waarin je moet kunnen aanvaarden. Een wereld, waarin je vóór alles moet begrijpen, wat
noodzakelijk is. Je moogt niet alleen maar denken, wat je zelf prettig vindt. Je moet begrijpen,
dat je in verband staat met de hele wereld, dat je gebonden bent aan het totale zijn. Zoals een
zee niet kan spelen rond de wereld, wanneer er geen kusten zijn, zoals een oceaan zelfs
begrensd moet worden door het land, zo moet je eigen menselijk zijn begrensd worden door
de wereld. Zo moet je geestelijk zijn begrensd worden door een voortdurende grens van
ervaringen, een voortdurende weerkaatsing van bewustwordingen, waaruit zij zichzelf beter en
intenser leert kennen.
Wanneer er storm is, dan is dat wel eens onplezierig. Dan wordt soms de kust aangetast.
Wanneer het werkelijk stormt, dan grijpen de golven met witte klauwen naar de kust en
scheuren hele stukken duin weg. Ze slaan te pletter met krijsend en donderend geweld tegen
de kaden, die de mensheid heeft opgeworpen. Dan vrezen de mensen. Dan zijn ze bang voor
het water. Maar die zee m3et soms zo geweldig zijn. Daardoor realiseert ze zich vele
stromingen. Daardoor wordt beneden daar in die koele diepten, waar de storm haast niet
42 DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 19 november 1957
Les 3 – De esoterische verwerking van exoterische waarden

bemerkt wordt alles gemengd. Daardoor komt er meer zuurstof in het water. Daardoor leeft de
zee.
De geest in vergelijking tot de stof is als de zee in vergelijking tot het land. De geest moet
soms stormen doormaken. Dat is noodzakelijk voor haar. Zonder dat kan ze niet bestaan, is ze
zichzelve niet. En in dat geestelijk bestaan kan ze soms plotseling je stoffelijke waarden
aantasten en bedreigen. Je weet niet meer waar je heen moet. Je vraagt je af, of zo dadelijk
niet alle stoffelijk bestaan zinloos en nutteloos geworden zal zijn. Of niet die vloed van
vreemde gevoelens, die in je heerst, eenmaal alle stoffelijk bestaan zal overheersen. U begrijpt
misschien niet eens, dat wanneer de storm gaat liggen de zee voortleeft met nieuwe waarden,
en het land voortbestaat, rustend na het geweld, zich herstellend maar ook verfrist.
Een geest moet zo ontzettend veel doormaken. Want Uw leven is maar een kust, misschien
zelfs maar een plaats aan de kust, meer niet. Een klein stadje, dat huiverend ligt onder het
geweld van wat er allemaal uit de oneindigheid komt aanstormen. Met gierende noordwester,
met kokend water, met misschien ook nood voor velen, die op zee zijn,
Die zelfde zee beroert grote fronten. Ze kust niet alleen hier ergens Nederlands grondgebied,
ze reikt verder. Ze speelt er omheen en beroert Denemarken. Ze grijpt naar Amerika, ze trekt
voorbij aan exotische havens van Afrika.
Alle gebieden, alle kusten zijn haar. Ze is groot. Zo onmetelijk groot in vergelijking tot die
kleine kust. Haar inhoud, haar geweld, haar levenskracht is zoveel groter dan die van het land.
Wanneer alle aarde zou zijn ontbloot van alle leven, de zee zou nieuw leven baren. Ze zou
hernieuwd de landen bevolken, ze zou opnieuw mensen of mensachtigen doen ontstaan,
planten geven en dieren, zodat de wereld weer met leven gevuld is. Zoals de geest steeds
weer nieuwe werelden vult, wanneer dat noodzakelijk is,
De geest is het belangrijkste. Zonder de geest kan het leven niet bestaan, zoals gij het kent.
En het land, de grens? Ach, het zijn alle punten van bewustzijn. De geest kent alle grenzen,
zoals de zee alle kusten beroert. Ze kent alle levens en alle levensmogelijkheden. Ze reikt door
alle sferen heen naar vele werelden, waarvan je als mens niet eens waagt te dromen. In zich
bergt ze het weten. Niet omtrent de landen met hun mogelijkheden. O neen, omtrent de vorm,
de begrenzing. Omtrent hetgeen ze haar geven, omtrent hetgeen ze ook teruggeeft aan de
kust.
De geest grijpt uit over veel groter gebieden, dan U zich voorstelt. Ze is meesteresse en
heerseresse in haar eigen gebied. Het is haar bewustzijn, dat zich soms mengt met de drift der
gebeurtenissen en wordt tot een vliegende storm. Het is haar zoeken naar uiting, haar baren
van leven, dat de zacht kabbelende rust afwisselt met onvoorstelbaar geweld. Het is de gerst,
die soms huwende met krachten boven haar optorent tot een kokende tyfoon, een tornado,
een wervelende storm, een cycloon, die wegtrekt over land en zeeën met zich meezuigt al wat
op haar weg komt. Dan denkt de mens, dat er een ramp gebeurt. Maar het is geen ramp.
Alleen heeft het leven der wereld zich opnieuw bevestigd, heeft de zee hernieuwd iets
gevonden. Heeft ze krachten gepuurd uit het hogere en zichzelf in het hogere geprojecteerd.
Ze is wijzer, ze is beter geworden.
Ik zei reeds, je kunt het met woorden soms moeilijk uitdrukken. Het is nl, erg moeilijk het
onzegbare te zeggen. Soms heb je er eigenlijk geen beelden voor. Zo gaat het ons b.v. ook
met ons beleven van God. Je kunt het wel omschrijven, maar het zegt zo weinig. Stelt U zich
eens voor, dat U in de ruimte leeft. (Misschien als een van de eerste ruimtevaarders.) Ver
buiten de planeten bent U geweest. Door het ijle duister gast U huiswaarts. U droomt van een
wereld, groen en rustig. Maar op Uw weg moet U eerst de zon passeren. De zon, die eerst daar
staat als een wenkend aangenaam lichts dan wordt een bron van warmte en levende kracht
om dan plotseling met een corona van verslindende vlammen je leven bedreigen. Dan vlucht
je weg van die zon, zo snel mogelijk, omdat je het niet verdragen kunt.
Wij zijn gekomen uit het duister van de chaos. We zwerven over vele werelden heen, waarbij
we misschien verschillende sterren leren kennen. Maar er is een zon, waarbij we thuis horen.
Dat is onze God. Natuurlijk is er een grotere God, een veel grotere God, zoals er veel zonnen
en veel sterren zijn in het heelal. Maar deze ene is de God, die wij kennen. Dat is de Kracht,
DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN 43
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 19 november 1957
Les 3 - De esoterische verwerking van exoterische waarden

die ons roept, die ons wenkt. En wij zijn bereid ons er als motten in te storten, zo denken wij.
Maar wanneer wij te dichtbij komen, schrikken we terug. Zo groot is het gewelde zo kolkend
de oppervlakte, zo groot de hitte, zo vurig de armen, waarmee het Goddelijke naar ons
uitgrijpt, dat we terugschrikken en bang zijn. Omdat wij niet beseffen, dat het slechts
uiterlijkheden zijn. Want het ruimtevaartuig, het stoffelijke vaartuig, wordt nog bedreigd door
die zon, kan haar niet verdragen. Maar de geest, die zou uitgaan, de geest, die zou komen uit
het diepst van de ruimte, uit het onbekende, uit de sferen van het duister ….ach…., zij kan
gaan tot die zon, tot die God. Zij kan doordringen tot in het midden, wanneer zij maar niet de
angst kent van het menselijke.
Het is noodzakelijk, dat je leert om een ogenblik te vergeten, dat je misschien wel eens mens
bent geweest. De geest is meer en rijker. Ze moet de moed vinden om alle vormen en alle
beperking te overwinnen. Ze moet niet terugschrikken voor het soms verschrikkelijke geweld,
de wonderlijke, de verscheurende openbaring van nieuwe goddelijke waarheid.
Zon na zon gaat ten onder. Godsbegrip na godsbegrip sterft in ons. Maar zoals de bewusten
wegvluchten, wanneer er een zon sterft, naar nieuwe ruimten, naar nieuwe sterren, naar
nieuwe zonnen, zo vluchten wij van godsbegrip naar godsbegrip. Wij trekken door de grote
ruimten van het Al en weten niet waarheer we gaan. Maar steeds weer vinden we ervaring en
bewustwording. Steeds weer is er een zon, die we de onze noemen: steeds weer een wereld
waarop wij neerdalen.
Steeds weer hebben we een begrip van God en steeds weer een stoffelijke uiting, daarmede in
overeenstemming. Steeds weer kennen we geestelijke werelden en dromen. Kennen we
stoffelijke en geestelijke realiteiten. Altijd weer. Omdat de zon maar een speldenknop is,
verloren in de oneindige nacht. Omdat onze werelden stofjes zijn, niet eens gezien in de
grootsheid van het Al. Het is niet de ster, die wij moeten kennen, het is de kosmos zelf. Het is
de kosmos, die ons roept en die ons voortjaagt in deze zwerftocht. Van leven tot leven, van
sfeer tot sfeer, van ster tot ster.
Het is moeilijk om bewustwording te vinden. Je vraagt je soms af, waarvoor het nodig is, dat
je zo vaak terugkeert in de stof. Je vraagt je af, waarom het nodig is, dat je zoveel
verschillende werelden kent. Je vraagt je af, waarom er leed bestaat en ondergang. Je vraagt
je af. o, ja, wat vraag je je niet af: Een voortdurende vraag is het, omdat je niet begrijpt, dat
de beperking van je eigen ziel zo onbelangrijk is bij dat grote, bij het werkelijke doel, Wij
moeten eens in staat zijn de hele kosmos in onszelf op te bouwen, totdat het een globe wordt,
wervelend in de nacht, doorspikkeld met het levende licht van de sterren. Dan zien we hoe de
sterrennevels in een ademend Al zich uitbreiden en hoe ze schoonheid en vorm geven, steeds
anders en toch gelijk. Dan zien we, hoe volmaaktheid wordt uitgebeeld in dit, vreemde, zich
spreidende duister. Dan erkennen we misschien in onszelven ook, dat dat licht is, zoals
wijzelven in het leven zijn,
Het leven lijkt zo vol van duisternis, vrienden. Zo vol van begoocheling en zo vol van
problemen en zo vol met onbegrijpelijkheden. Duister. Ons begrip is niet dichter gezaaid over
de oneindigheid dan de sterren in het duister van het Al. Maar zoals in de sterren het leven
wordt geboren, zoals de sterren de werkelijke inhoud betekenen van een positieve wereld, zo
is dit kleine glimpje van besef, dat in ons nu hier dan daar opbloeit, het werkelijke leven van
onze wereld. Ja, meer, de werkelijke openbaring van een goddelijke schoonheid, die uit veel
duister en weinig licht schept de oplossing van alle problemen, van alle raadselen,
Men heeft soms gezocht naar een omschrijving van het goddelijke. Men heeft Hem een naam
gegeven. Men heeft getracht Hem te openbaren en te uiten. Maar dat kon niet. De namen
waren ledig Wanneer men zich die naam te binnen bracht, dan was het als een geraamte, dat
aan een feestmaaltijd werd getoond ergens in Egypte: een herinnering aan dood, aan sterven,
aan ledigheid en onbegrip. Omdat namen niets zeggen, omdat letters niets uitdrukken,
Maar een enkele keer, dan wordt het net een levende God, Vereerders van Ammon Ra ja, de
vereerders van Aton ook konden soms buiten staan in de woestijn. Ver achter hen de groene
grenzen van de Nijl. Vóór hen de bruin gele onvergankelijkheid, bekroond hier en daar met

44 DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 19 november 1957
Les 3 – De esoterische verwerking van exoterische waarden

blauwe, wazige bergen. Wanneer die zon dan kwam en hen beroerde met haar eerste stralen,
dan voelden zij dat als een zegenende band. Ze wisten niet eens hoe.
Zo gaat het ons. In de volheid van het leven merken we weinig van de werkelijke God, van de
ware God. Dan kunnen we het eenvoudig niet beseffen, kunnen wij het niet dragen. Maar soms
is er een ogenblik van eenzaamheid, van alleen zijn. Dan gaat in ons bewustzijn de zon op.
Dan weten we niet waarom, maar dan voelen wij ons plotseling door God beroerd. Een
ogenblik bevrijd eindelijk. Weet U, dergelijke ervaringen tonen ons de inhoud van het leven.
Ik heb mensen gehoord, die zich afvroegen: wat is goed en wat is kwaad? Wat is recht en wat
is onrecht? Ik heb ze horen strijden over de juistheid van een woord, de juiste definitie van
een bepaald begrip, Wanneer ik dan zo nadenk en ik zie al die strijdende mensen, dan vrees ik
vaak dat ze in de drukte van hun betogen vergeten om dat licht zelf te ervaren. Dan vrees ik
vaak, dat ze ondergaan. Iets wat je in je ervaart, kun je niet uitdrukken. Dat is logisch. Dan
zou het niet meer in je bestaan, dan zou het iets buiten je zijn. Want dit ervaren in jezelf heeft
zo’n volheid, zo’n inhoud, zo’n uitdrukkingskracht, zo’n zeggingskracht,dat alles ervoor
verbleekt.
Weet U, In God is geen goed en geen kwaad. Dat bestaat alleen in je eigen wereld, wanneer je
erover praat, wanneer je erover oordeelt. Dat bestaat alleen, omdat je zelf nog voortdurend
moet oordelen, wil je bestaan. Maar daarbuiten bestaat geen goed en kwaad, geen recht en
geen onrecht. Alle dingen zijn één. Er is één waarheid en dat is een levende kracht in je. Maar
ja, hoe zou je het moeten zeggen? Zeg dat het leven een harp is en God de harpist. Hij slaat
een snaar aan, ver van ons verwijderd. Maar soms is het een snaar, die ook ons betreft en dan
klinken we mee. Dan zingen we mee in de totale klank van de harp. Maar tevens ervaren wij in
ons, onbewust, de rilling van de beroering van de harpist. Zo is het, geloof ik. Men kan zich
een levenslier of een levensharp tekenen versierd met bloemen. Het zegt zo weinig. Men kan
zich een kruis, tekenen ergens op een berg, uit het duister komend in een ogenblik van licht.
Het zegt zo weinig. Wat kunnen al die beelden ons eigenlijk zeggen? Het is een ervaren. Je
denkt aan Jezus als de gekruisigde of als de herrezene, die het ervaren heeft. Ja, dat is een
geloof, natuurlijk. Maar wie een ogenblik het wezen Jezus in zichzelve voelt, zou die niet
plotseling veel beseffen over de wereld? Wat zou die veel weten, wat zou die herboren en
hernieuwd zijn in zichzelf.
Wanneer U zo’n lier ziet, zo’n harp met een paar bloemen erop o, ach. wat weet je ervan. Maar
wanneer iets van de goddelijke scheppingsmelodie je eigen leven beroert, plotseling even je
hele wezen doortintelt, je geest moge realiseren wat werkelijkheid en leven is, je stof een
ogenblik verdooft in een verrukking, die alle wereld verre houdt….. dat weet je pas wat God
betekent:
In de mens ligt het grote onbekende gebied. Het is een vreemd gebied, het lijkt bijna een
wereld. Er zijn ondoordringbare jungle’s van gevoelens, er zijn woestijnen van onwetendheid.
Er zijn de kostbare, bebouwde landen van het bewustzijn. Er zijn de wereldzeeën van levende
kracht, die steeds weer in Je zelve komen. Er zijn de regenwolken, die een ogenblik deze
kracht aan het ik gegeven doen doordringen tot het bewustzijn en het mogelijk maken
daarmee te handelen en te werken. Het is een geheel, die wereld. En in die wereld moeten we
het werkelijke zoeken.
Soms staan we met onze gevoelens, met ons leven, in een woestijn, omdat onze geest is
gekomen op een terrein, waar nog onwetendheid is.en daar geen uitweg vindt. Soms is het
noodzakelijk, dat wij ons door de onwetendheid heen worstelen, opdat wij een nieuw terrein
met vruchtbare mogelijkheid bereiken. Soms lijkt het of ons leven ons voortdurend dreigt te
verstikken als in een oerwoud met zijn gewassen en lianen. Dan klinkt ons de klank van de
medemensen als krijsen van apen, die honen: En ergens in de verte gromt, de tijger brult
misschien de poema om aan te tonen, dat er gevaar is. Dan zeggen wij dat het demonen en
duivels zijn: dan zijn er angsten in ons en weten wij niet waarheen te gaan. Toch moeten we
verder, moeten we ons een weg banen. Hoe in ons innerlijk de wereld ook is, we moeten
steeds verder. Pas wanneer wij die wereld van binnen overwonnen hebben, gemaakt hebben
tot een eenheid, een eenheid die vruchtbaar is en bewustzijn draagt, een eenheid die zon en
regen, dag en nacht voortdurend aanvaardt en daarin haar werkelijke wezen vindt, dan
DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN 45
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 19 november 1957
Les 3 - De esoterische verwerking van exoterische waarden

vrienden, dan hebben wij pas voltooid, waarvoor wij gekomen zijn. Dan hebben wij voltooid
datgene, waarvoor wij eens ontstaan zijn en uitgetrokken.Dan hebben wij ‘s levens doel
gevonden. Dan hebben wij het einde van de geestelijke weg bereikt. En dat is niet te
omschrijven.
Je kunt zegen: "Je gaat in God op." Maar dan zeg je zo weinig. Je kunt zeggen: "God
doordrenkt je gehele wezen." Dat zegt zo weinig. Je kunt hoogstens zeggen: "Je kent je eigen
werelden alle wereld. Je kent je eigen geluk en alle geluk. Je kent je eigen leed en alle leed. "
En je weet, dat al deze dingen samen het wezen vormen. HET WEZEN. Je weet ineens, hoe je
er zelf deel van bent.
Ja, ik heb U wel gezegd: Woorden zijn zulke hopeloze dingen. Je kunt met woorden zo weinig
vertellen. Misschien ben ik er toch nog in geslaagd U een ogenblik iets te laten voelen, meer
dan te laten begrijpen. Ik hoop het. Als het mij niet gelukt is, wanneer het leeg gebleven is,
moet U er mij niet boos om aankijken. Want zoals elke planeet haar eigen atmosfeer heeft,
elke zon haar eigen lichtuitstraling heeft, zo heeft elk van ons het eigen innerlijk beleven.
Wanneer je de uitdrukking daarvan zoekt, dan gebruik je je eigen beelden. Daarom verstaan
we zo weinig, wat de werkelijke inhoud van ons wezen is. En daarom is het zo moeilijk om
anderen te begrijpen in de kern van hun bestaan. Maar wanneer U soms een ogenblikje heeft
kunnen begrijpen, wat ik bedoel, dan hoop ik, dat U dat heiligdom in Uzelf goed zult bewaren.
Bedenk, hoe je ook trekt door die wereld, door de woestijn, door de jungle, door het oerwoud
of varend over onbekende zeeën, er is maar één doel, bewustzijn van heel je wereld,
Bewustzijn van heel je wereld wil zeggen: bewustzijn van het grotere waarvan je deel
uitmaakt.
Ik geloof, dat ik het hierbij laat, vrienden. Ik kan in ieder geval zeggen, dat ik oprecht mijn
best heb gedaan. En ik kan van U zeggen, dat U met aandacht hebt geluisterd. Dat is toch erg
prettig. We zullen het niet veel langer meer maken vanavond. Alleen krijgt U nog de spreker
van het Schone Woord, voor we sluiten. En ik geloof, dat ik de inleiding daarvan rustig aan
hemzelf kan overlaten. Ik zeg alleen maar vrienden, wanneer U iets begrepen hebt van
hetgeen ik ten opzichte van U gevoel, iets begrepen hebt van de band, die ons allen verenigt
boven alle dingen uit, dan ben ik meer dan beloond. voor mijn moeite en zult U een steun
vinden, die rijker is dan alle andere waarden. Goeden avond.
Goeden avond vrienden. We zullen sluiten met het Schone Woord.

DROOMBEELD
Wanneer je je ogen sluit, staat er soms een vreemde en nieuwe wereld. Een wereld vol met
raadselachtige gestalten, vervuld met symbolen, ontrukt aan alle wetten van de werkelijkheid,
die je kent. In een dergelijk beeld kun je je soms meer realiseren, dan je stoffelijk kunt weten,
dan je geestelijke wereld je kan openbaren. Want het droombeeld is een openbaring. Een
uitdrukking van een weten en van ervaren, dat verre ligt achter je eigen denken, verre ligt
soms achter je totale bestaan en zelfs de geestelijke grenzen benadert.
Zo’n droombeeld kan een dreiging zijn, geboren misschien uit het onbewuste. Een erkennen
ook van een waarheid, die nog niet de jouwe is. Maar soms is dat droombeeld ook een band,
die vele werelden tezamen verbindt. En het is dat droombeeld, dat ik hier nog kort wil
omschrijven, voor wij afscheid van U nemen.
Gekomen uit een lichtend niet is ‘t beeld voor mij gerezen en heeft gewaagd uit ‘t werkelijk
zijn te bannen alle vrezen. ‘t Is of de tijd is teruggegaan. ‘t Is al weer als weleer. Ik voel een
vrede, diep in mij! Het sterkt mij meer en meer en ‘k voel mij uiteindelijk vrij.
Het beleven, zo dierbaar, zo innig, zo sterk heeft rond mij een web geweven, waarin voor een
ogenblik heel mijn zijn, mijn totaal streven en leven wordt onderzocht en wordt gepuurd,
wordt gemaakt tot een nieuw bestaan. Dan breekt aan de dag en het droombeeld verdwijnt en
‘k vraag me af: "Is het waan?"
Maar het droombeeld is veelal een werkelijkheid. t Is meer dan een beeld van een wens. ‘t Is
een kennen van zielen, dat al overschrijdt en niet meer erkent de grens tussen mens en

46 DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 19 november 1957
Les 3 – De esoterische verwerking van exoterische waarden

eeuwigheid. Het droombeeld is een teken, niet van wat gebeurt of van wat er eens zal
ontstaan. t Is teken van eenheid, die altijd ons blijft boven alle leven en waan
En daarmede,vrienden, zullen wij deze bijeenkomst besluiten. Wij menen, dat de inhoud van
het gebrachte voor U voldoende is en zijn U dankbaar voor Uw aandachtig gehoor. Ik wens U
allen verder nog een aangename avond, prettige huisgang en gezegende nachtrust.

DE ESOTERISCHE VERWERKING VAN EXOTERISCHE WAARDEN 47
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 december 1957
Les 4 - De ware vrede

Goeden avond, vrienden.
Wij zijn vandaag weer bijeengekomen om ons, bezig te houden met de esoterie, maar voordat
wij met het onderwerp beginnen zou ik graag willen vragen of de materie, die de vorige maal
als 1e onderwerp behandeld werd, ook begrepen is.
Eerlijk gezegd niet helemaal.
Waar lag ongeveer het probleem?
Goed en kwaad. Ik vond het een beetje tegenstrijdig in de antwoorden.
Goed en kwaad is een betrekkelijk lastig probleem voor de mens op deze wereld. Ik kan mij
dat direct voorstellen, omdat de mens op deze wereld goed en kwaad ziet als vaststaande
waarden. Zelfs wanneer hij een zekere flexibiliteit van de begrenzing dezer waarden in acht
neemt, blijven deze begrippen voor hem toch zonder uitzondering bestaan. Maar in feite zijn
goed en kwaad niets anders dan waarderingen. M.a.w., elk ervaren van goed en kwaad is in
feite een oordeel, dat in het "ik" wordt geveld omtrent de ervaring van het kosmische,
onverschillig in welke beperking of vorm. Wanneer U dit nu begrijpt, dan wordt het ook
duidelijk, dat goed en kwaad niet regel ons als realiteit moet worden behandeld en gelijktijdig
buiten ons als niet reëel moet worden gezien. Ik vermoed, dat dit de tegenstrijdigheid is,
waarmee U vooral te worstelen heeft.
Ja, ik heb toen n.l. de vraag gesteld, omdat U een groot onderscheid maakt tussen willens
en wetens kwaad doen.
En nu moet U mij eens een antwoord geven op een klein vraagje. We kunnen dan dat willens
en wetens misschien oplossen. Wanneer U een kilo lood op Uw tenen voelt vallen, dank zij de
dwaasheid van mij of van iemand anders, is dat voor U kwaad? Voor Uw persoonlijk ervaren?
Neen.
Waarom niet?
Omdat de ander het gedaan heeft.
Juist, omdat de ander het gedaan heeft. Dus het is voor U persoonlijk geen kwaad, maar Uw
ervaring is toch wel erg onaangenaam. Zou die onaangenaamheid nu verschillen, naarmate die
ander dat nu opzettelijk of niet opzettelijk gedaan heeft?
Toch wel.
In Uw waardering ongetwijfeld, en in Uw pijn niet, geloof ik. Dus niet in de onmiddellijke
ervaring ervan, hoogstens in Uw waardering.
Kijk, daar gaat het nu helemaal om. Wanneer wij iets doen, wat kwaad is in de wereld, dan
behoeft dat voor ons persoonlijk geen kwaad te zijn, omdat wij dit niet als kwaad tot stand
trachten te brengen. Maar die oorzaak, dit kwaad, is in die wereld geschapen. Het brengt
reacties voort en deze reacties worden voor ons kenbaar. Als zodanig zal degene, die dit stukje
lood op Uw tenen heeft laten vallen, dus ongetwijfeld aan Uw zeer lady-like opmerkingen
bemerken, dat hij iets heeft gedaan, wat niet in goede aarde is gevallen. En zelfs zijn excuses
zullen niet in staat zijn om Uw pijnlijk gezicht plotseling te doen ophelderen. Het gevolg is dus,
dat hij voor zichzelf een soort innerlijke wrevel heeft dat hij zichzelf een verwijt maakt over
zijn stommiteit, als hij eerlijk is. Als hij niet eerlijk is, maakt hij U een verwijt, dat U juist op
dat moment daar moest lopen, toen hij dat ding liet vallen. Dus al was er geen opzet in het
spel, toch is er een verandering in de stemming gekomen van degene, die dat heeft laten
vallen, en dit is direct met het z.g. kwaad in overeenstemming te brengen. Vandaar dat wij
kunnen stellen, dat of men wetens en willens kwaad doet of per ongeluk kwaad doet, dit
vanuit de buitenwereld gezien geen verschil uitmaakt. Dus ook niet in de invloed, die de
buitenwereld op ons heeft.
Dus met andere woorden je krijgt een smash down.
Dat heb ik niet gezegd, dat zegt U. Kijkt U eens. Stel, dat iemand U per ongeluk doodslaat. U
hebt dat helemaal niet gewild. Denkt U, omdat U het per ongeluk heeft gedaan, dat U zich van
de zaak niets aan kunt trekken? Dus U trekt zich het wel degelijk aan. Leer hieruit, maar maak

48 DE WARE VREDE
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 12 december 1957
Les 4 – De ware vrede

U geen zelfverwijt, want U hebt dit niet gewild. Het is een ongeval geweest. U trekt het zich
niet aan in de zin van verwerpen of zet het opzij, maar alleen beoordeel het anders, realiseer U
dit anders. Kunt U er uit komen?
Ja zeker, voor mijzelf wel? maar niet of altijd de wereld er zo over denkt.
Ja, als U de wereld gaat betrekken bij Uw opvattingen over goed en kwaad, dan kunnen we
zeggen, dat - gezien het feit, dat alles wat men doet ergens ter wereld kwaad heet - de mens
geen goed kan doen. Dat is onzinnig. Houd U aan goed en kwaad als innerlijke waarden,
voortvloeiend uit een oordeel over de ervaring van de kosmische waarden, onverschillig waar
of hoe. Dan heeft U de juiste formulering voor Uzelf gevonden.
Ik ben in ieder geval blij, dat ik het langzamerhand leer, dat over kosmische waarden.
Misschien dat we daar dus iets verder mee komen. Zijn er nog meer punten, die niet duidelijk
zijn geweest?
De disharmonie en de harmonie. Dat zijn twee tegenstellingen. Daar tussen in zit natuurlijk
het neutrale aspect. Nu hebt U gezegd: in neutrale aspecten wordt slechts een vertekend
beeld van eigen wezen opgevangen. En op blz. 31 staat wij kunnen dit neutrale zelfs niet
benaderen. Kunt u hiervan een voorbeeld geven?
Ik zal het proberen. Neutraal, dat is zonder enige waarde. Dat is de waar de Nul. In de waarde
Nul (voor mijzelf dus een emotionele stilstand laten we dat nu alleen maar zeggen, nog niet
eens stilstand van gedachten, die wil ik dan nog wel actief laten zijn, ofschoon in feite ook dat
in neutrale toestand niet voorkomt) zal ik niet in staat zijn werkelijk de buitenwereld te
beleven. M.a.w. het is voor mij betrekkelijk negatief, omdat ik geen ervaring opdoe.
Slechts indien mijn bewustzijn in het "ik" het totaal van de kosmos omvat, zal de neutrale
toestand wel aanvaardbaar zijn. Want dan brengt ze ons tot een vrijlating van het "ik punt",
dat een oordeel inhoudt (dat bevooroordeeld is tevens, gezien de wijze waarop wij ons
bewegen) maar dan zijn we gekomen tot een nulpunt, waarin een directe godsaanvaarding
mogelijk wordt. Maar dan komen we toch wel voor enkele problemen te sta in, Je zou kunnen
zeggen, dat een mens een verticale lijn is, die gaat van de laagste sfeer tot de hoogste. Te
allen tijde en in elke sfeer dus aanwezig en bestaand. Het bewustzijn verplaatst zich langs die
lijn. En op het ogenblik, dat wij ons realiseren, dat alle vlakken beneden ons zonder betekenis
zijn, maar dat alleen de Bron, van waaruit de lijn is ontstaan, wel betekenis heeft in de werke-
lijke neutraliteit bereikt. Dat houdt in, dat we niet meer harmonie zijn met God. Wij zijn niet
meer "ik", maar deel van God. Iemand kan met zichzelf misschien een harmonisch wezen
normen (in zichzelf, beter gezegd) maar men kan nooit met zichzelf in harmonie zijn. Dat
vraagt tweeledigheid, Zo is harmonie en disharmonie dus een verschuiving van aspecten, van
zekere aspecten, waarbij het Goddelijke disharmonisch als tegenstelling, harmonisch als
versterking van het "ik" wordt ervaren. Kunt U mij volgen?
Ja, dank U wel.
Nog meer punten, die onduidelijk waren?
In het verslag staat: Ik mag nooit denken, dan ik iets voor niets kan verwerven. Ik kan
nooit menen iets weg te geven zonder daarvoor iets terug te vorderen, want ik heb niets te
vorderen. Ik krijg……...
Dat is een stelling. Maar het eigenaardige van de kwestie is dit: Wanneer ik iets krijg, ontstaat
hierdoor in mijzelf een toestand, die mij dwingt om iets ie geven. Al wat ik verwerf kost mij
dus iets. Dat is een wet, een kwestie van krijgen. Datzelfde is het, wanneer ik iets schenk. Dan
wek ik daardoor in mij zelve een toestand, waardoor ik ontvang. Daardoor verwerf ik dus,
omdat er een directe relatie bestaat tussen mijn geven en het ontvangen. U kunt zeggen het
wordt mij geschonken. Maar het schenken sluit dan toch in ieder geval het feit niet uit, dat
deze schenking eerst krachtens Uw eigen daad tot stand is gekomen. In een dergelijk geval
vind ik de gedachte geven, geschenk geven dus, zonder rechten, enigszins overdreven, omdat
hier een wisselwerking ontstaat, die voortvloeit uit het goddelijke Wezen en als zodanig onder
de kosmische regelen kan worden gegroepeerd.

DE WARE VREDE 49
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 december 1957
Les 4 - De ware vrede

Dus met andere woorden wilt U zeggen, dat als ik geef ik daar automatisch daarvoor iets
terug moet ontvangen.
Zeker. Het behoeft niet op hetzelfde vlak te liggen en het behoeft zelfs niet in waarde gelijk te
zijn.
Verstaat U daaronder een zekere zelfvoldoening? Is dat een terugkrijgen?
Dat kan zelfs het geval zijn. Het kan dus zijn een zekere zelfvoldoening, een nieuw begrip, een
nieuw inzicht, maar evenzeer een stoffelijke voldoening, een stoffelijk voordeel op een bepaald
ogenblik van zuiver stoffelijke dan wel meer abstracte geaardheid,
Dus dat geven en daarmee afgelopen, is er niet?
Geven en daarmee af gelopen is er niet. Dat bestaat niet. Het is natuurlijk wel zo, dat wanneer
je iets geeft om iets terug te krijgen, de verwachting iets terug te verwerven in vele gevallen
reeds de verwerving is, zodat geen realisatie van de verwachtingen optreedt. Dat ben ik met U
eens. Maar wanneer U dus iels geeft zonder daarvoor iets terug te vorderen, krijgt U toch iets
terug. En wel iets, dat in gelijke betekenis en verhouding tot Uw leven staat. Als hetgeen U
gegeven hebt. Ik kan daar natuurlijk verder op in gaan, maar ......
Als U het zo zegt, zal het wel zo zijn.
Ik dank U voor het compliment. Ik hoop, dat U het ook in Uzelf zult ervaren als waarheid.
Want zolang men iets aanneemt alleen op horen zeggen, schuilt er altijd gevaar in, dat men
het verkeerd heeft begrepen. Probeer het maar eens op Uw manier uit te werken. Verder nog
vragen? Neen? Dan mogen we beginnen met de beschouwing voor vandaag. Het zal U niet
verbazen, dat ik in deze maand mij onwillekeurig wend tot een gebied, dat in verband staat
met de kerstgedachte, de vredesgedachte. Ik zou n.l. willen spreken over:

DE WARE VREDE

Ware vrede is een toestand van volledige tevredenheid, wanneer men dat niet beseft, meent
men heel vaak, dat vrede in feite een toestand van rust is. Dat is niet waar. Vrede is een
toestand van activiteit, die zodanig. harmonisch is met het eigen wezen, met eigen wereld en
omgeving, dat hierdoor het "ik" zichzelve actief en positief verrijkt. Die vrede kan dus niet
gegeven worden. Vrede stelt voorop een gesteldheid van degenen, die vrede verwerven
Ongetwijfeld worden uit velerlei sferen voortdurend pogingen gedaan om de mensheid o.m. en
ook de lagere sferen, vrede te geven. Dat dit niet gelukt, is niet de schuld van degenen, die
zich tot de mensheid wenden, maar juist van degenen, die niet in staat zijn de vrede te
aanvaarden U weet, dat de engelen van Betlehem gezongen zouden hebben "Vrede op aarde
aan hen, die van goeden wille zijn." De vrede wordt hier dus gebracht, gegeven, gewenst maar
conditioneel aan bepaalde personen, en niet aan de wereld als zodanig. Het is wél vrede op
aarde, maar niet vrede voor de aarde. Dit verschil lijkt over het algemeen de doorsnee mens in
het begin wat vreemd, wat gezocht Laten we daarom proberen de werkelijke feiten van de
vrede na te gaan.
Wanneer ik vrede heb met een toestand, betekent dit, dat ik mij bij deze toestand heb
neergelegd dat er geen actief verzet daartegen aanwezig is. Laten we nu eens als voorbeeld
nemen iemand, die een arm of een been verloren heeft. Op het ogenblik, dat zo iemand
daarmee genoegen neemt dus zich daarover niet meer beklaagt kan hij daarmee vrede
hebben. Het resultaat is, dat die persoon door het niet meer ervaren van het geheel als
belemmering tot een actief en positief streven komt, dat hem ondanks de beperking een
bereiking mogelijk maakt, die soms zelfs groter is dan die van anderen, die geen lichaamsdeel
missen. Het feit echter van zich tevreden stellen houdt niet in, dat men deze toestand boven
alles verkieselijk vindt.

50 DE WARE VREDE
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 12 december 1957
Les 4 – De ware vrede

Het is niet noodzakelijk, dat wij voor onszelf vragen naar een toestand, die volmaakt is en dat
wij eerst in die volmaaktheid vrede zoeken„ Integendeel, wij moeten tevreden zijn met die
delen van ons leven, die door ons niet te wijzigen of te veranderen zijn. Vrede in ons hart b.v.
is niet een loomheid of lust maar een uitschakeling van elk probleem. Wanneer je stoffelijk dit
beziet, kun je dus zeggen, dat in het "vrede hebben" onderbewuste dwangcomplexen het
mogelijk ontstaan van neurosen terzijde worden gelegd, wanneer de totale energie van de
persoonlijkheid vrij komt voor een actief streven op die punten, waar een bereiking mogelijk
is.
Dit laatste is weer belangrijk. Want indien wij streven naar een bepaald iets en daarmede
resultaten hebben, dan geeft ons dit ook weer vrede en wel vooral vrede in onszelf. Een zekere
zelftevredenheid, zou je kunnen zeggen. Dit geldt niet alleen voor de mens, die op aarde leeft
en werkt, maar evenzeer voor de geest. Want het is een innerlijke zaak. Een zaak, die in de
verborgenheden van elke mens bestaat.
Wij zijn altijd onvolmaakt. Zouden wij volmaaktheid bereiken, dan zou onze persoonlijkheid in
deze vorm niet meer voortbestaan. Dan zouden onze werelden zeker niet meer ons benaderen
of reëel zijn op deze wijze, waarop wij te thans kennen. Dus mogen we wel voorop stellen, dat
we onvolmaakt zijn.
Maar nu kunnen wij die onvolmaaktheid verdelen in verschillende factoren. Wij kunnen zeggen
Onvolmaaktheid omstaat door zwakte, door angst, door begeerte, door het ontdekken van
gebreken door het in zich dragen van problemen, enz. (Ik heb dus enkele van de voornaamste
factoren opgenoemd) Wanneer deze disharmonische toestand in onszelven bestaat, dan blijkt
ons, dat we heel vaak sommige dingen niet kunnen overmeesteren. Er zijn b.v. bepaalde
begeerten, waar wij ons op het ogenblik niet met succes tegen kunnen verzetten zonder
daarvoor alle andere noodzakelijke bestrevingen na te laten. Er zijn ogenblikken, dat een angst
zo intens is, dat de overwinning daarvan misschien gelijktijdig zou betekenen de uitschakeling
van een groot gedeelte van het redelijk besef. Er zijn altijd weer toestanden, waar wij op het
ogenblik niet tegenop kunnen. Er zijn problemen, wier oplossing stoffelijk en redelijk b,v. en
geestelijk niet te vinden is in een bepaalde sfeer.
Wanneer wij nu toch trachten om een dergelijke opgave te vervullen, dan zullen wij in een
voortdurende onvrede leven. We zullen geen vrede hebben met onszelven en in de beperking
van ons streven zal de enorme krachtsinspanning op dit ene punt, dat praktisch geen
rendement geeft, eigenlijk teloor gaan voor onszelf. Wij zijn dan volkomen disharmonisch,
passen niet in onze wereld, zijn niet met onszelf tevreden en wij weten niet meer waar wij het
zoeken moeten. Het is dus logisch, dat wij om vrede te verwerven in de allereerste plaats
moeten trachten te definiëren, wat voor ons op dit ogenblik belangrijk en bereikbare en wat
voor onbelangrijk en onbereikbaar is.
Nu kan over die belangrijkheid en onbelangrijkheid natuurlijk verschil van mening bestaan.
Maar m.i. is het meer de moeite waard om geestelijk iets te bereiken dan b.v. stoffelijk jezelf
een zekere beheersing op te leggen. Slechts wanneer de stoffelijke beheersing voor de
geestelijke bereiking noodzakelijk is, zal men dus deze beheersing inderdaad trachten uit te
oefenen en zichzelf in dit opzicht overwinnen. Dan is het ook mogelijk. Wanneer je komt te
staan voor een probleem, dat moeilijk oplosbaar is en daarnaast zijn dringende problemen, die
eenvoudig opgelost kunnen worden, dan kunnen wij dit eerste probleem voorlopig terzijde
stellen en uit ons bewustzijn verdrijven. Wij kunnen dan de kleine problemen eerst oplossen
en zo een benadering van het grote probleem eenvoudig, onmogelijk maken.
De ware vrede op aarde bestaat zeer zeker niet in een ophouden van het bestaan van
gewapend geweld. Gewapend geweld is voor een mens natuurlijk. En zelfs voor de geest is een
zekere strijd en strijdvaardigheid noodzakelijk. Zelfs voor degenen, die leven in de lichte
werelden van Zomerland - gebieden van betrekkelijk onbewustzijn - kennen reeds een strijd,
die gericht is tegen kwade gedachten, hoofdzakelijk uit astrale gebieden.

DE WARE VREDE 51
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 december 1957
Les 4 - De ware vrede

Hoe hoger men gaat, hoe dieper men ook kan zien en begrijpen en hoe intenser de strijd
wordt tegen wat men ziet als kwaad en duister. Maar vergeet niet, dat deze strijd steeds
voortvloeit uit het innerlijk wezen, uit de innerlijke drang. Zonder die strijd zou - gezien de
erkenning van het kwade - geen innerlijke vrede mogelijk zijn. Vrede is dus een actieve
zelfuiting.
Op aarde is ware vrede dan m.i. ook heel eenvoudig te definiëren: Ware vrede vindt een mens,
die geen berouw kent, die geen zelfverwijt kent maar die wel een voortdurende
zelfbeschouwing kent, waarin zowel de belangen van het "ik" als de noodzakelijke doelen der
bereiking - geestelijk en stoffelijk gezien - zuiver worden gesteld. Indien het gehele streven
daarop is gericht, zal met gebruikmaking van alle in de persoonlijkheid liggende waarden een
streven, dat bevrediging geeft, u te volvoeren zijn, terwijl geen belemmeringen ontstaan door
onnutte evenwichtsverstoringen. Ik zou U willen verzoeken om dit eerste punt goed vast te
houden.
Dan gaan we naar de wereld kijken, zoals die op het ogenblik voor ons ligt met haar komende
kerstsfeer. Dan gaan we ons afvragen Wat gebeurt er nu feitelijk?
In en buiten de kerken voelen de mensen zich geroerd door een oude herinnering, voelen zich
getrokken tot een zekere welgezindheid, trachten ze voor zichzelf en voor de wereld een
ogenblik die sfeer, die rust, die stemming te vinden, die nu eenmaal volgens de gewoonten en
gebruiken bij ‘n Kerstmis thuishoort. Maar heel vaak is dit niets anders dan een zoeken naar
een zelfbevrediging. En dan laat Kerstmis altijd iets te wensen over. Want dan is Kerstmis
alleen maar een voorbijgaande feestdag zonder feitelijke inhoud.
In een groot gedeelte van de wereld is dat helaas zo. Ongeacht de gezongen Kerstmissen van
de Katholieken de vaak zeer goede preken van vele predikanten, ongeacht de welwillendheid,
die officieel overal gepubliceerd wordt rond deze tijd, blijft men ontevreden. De dagen gaan
voorbij en het jaar gaat verder, alsof er niets gebeurd ware. Dan is er dus geen werkelijk
Kerstfeest geweest. Geen werkelijk Kerstgebeuren. Dan heeft men de inhoud van Kerstmis, de
vredesboodschap niet verstaan. Wanneer er nu echter in die wereld iemand getroffen wordt
door de Kerstgedachte, gaat hij onwillekeurig over tot een poging om één te zijn in denken, en
streven met anderen. Dit gebeurt vanuit eigen wezen en volledig volgens eigems inzichten,
maar brengt het "ik" tot een beleven van een veel hoger niveau. Een beleving, die het stempel
drukt op het wezen die niet slechts is het ondergaan van een sfeer maar integendeel het
vastleggen van een toestand en een sfeer in het "ik"en een uitdragen daarvan op de wereld,
zodat ze in het "ik" steeds verder bevestigd wordt.
Nu moet ik toch even van de Kerstgedachte afstappen. Uiteindelijk zijn we hier niet samen om
een Kerstdienst te houden en zult U mij ongetwijfeld toestaan, dat ik even afdwaal naar
andere gebieden. Magisch gezien is Kerstmis het samenklitten van vele gedachten een
samenklitten van vele gedachten, dat ook op andere tijden bestaat. Het verschil is niet gelegen
in de tafel of in de feeststemming, het is gelegen in de persoonlijke instelling van de mens. En
daarbij kan worden gezegd, dat elke mens in zijn wezen factoren heeft, die volgons eigen
bewustzijn goed en kwaad mogen heten.
Verder kan worden gezegd, dat bij een instelling dus zowel goed als kwaad in andere werelden
zullen worden aangetrokken en zowel goed als kwaad juist op deze ogenblikken voor het "ik"
gerealiseerd worden als uitingen van geesten.
(Geesten in de meest algemene zin van het woord.) Deze uiting in overeenstemming met ons
innerlijk, doet in ons de vraag rijzen, in hoeverre hier gesproken kan worden,over de
werkingen van bovenbewustzijn, van innerlijk weten en van innerlijke kracht. Dan stellen wij in
de eerste plaats dit:
Het bovenbewustzijn is niet slechts het totaal van de gedachten van dit ogenblik, noch slechts
het totaal der telepathische beïnvloedingen, waardoor het, "ik" in een zekere gedachterichting
wordt gedreven, maar bovendien het totaal van alle menselijke handelingen, daden en

52 DE WARE VREDE
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 12 december 1957
Les 4 – De ware vrede

meningen, plus alle geestelijke invloeden voor de mens bevattelijk die zich in de sfeer aarde,
waarbinnen U zich beweegt, hebben uitgedrukt.
Tijd en ruimte zijn beide fictieve factoren, wanneer wij over geestelijke, harmonie gaan
spreken. Men zou hierbij de bekende vier-dimensionale stelling kunnen aanhalen, dat een
plaats op een bepaalde tijd in overeenstemming kan zijn (vier-dimensioneel en dus volledig
harmonisch, ja, misschien haast identiek) met een andere plaats op een andere tijd. Het
samenvloeien van waarden in de ene plaats en het samenvloeien van waarden in de andere
plaats kan een geheel scheppen, dat volledig gelijkluidend is vanuit een onstoffelijk standpunt,
dat geen ruimte en tijd meet erkent. (Als het onduidelijk is, legt U het maar even terzijde dan
denkt U er later maar eens over na.)
Dit houdt in, dat ik in mijn bovenbewustzijn niet alleen beïnvloed word door de levende
mensen en levende geesten. Integendeel, dat elke toestand, die binnen mijn "ik" ontstaat en
die volledig in het "ik" een beheersing gewint, een uitstraling betekent die ergens te enigerlei
tijd op enigerlei plaats in het bestaan der wereld zijn evenbeeld vindt.
Dat houdt ook in, dat tussen de twee punten, die harmonisch zijn, die dus een tijdelijke
identiteit bereikt hebben in kosmisch opzicht, er een volledige uitwisseling van impulsen
bestaat. Dat de rationalisaties van een vroegere daad een huidige daadstelling en de houding
als gevolg hiervan tegenover de wereld kunnen beïnvloeden. Dat omgekeerd een handeling,
die in het heden bewust wordt gesteld, heel vaak een inhoud kan geven aan een vroeger
onbewust gestelde daad, waardoor de betekenis daarvan altlans voor de persoonlijkheid
geheel gewijzigd wordt,
Zo speelt zich een werking af, waarbij wij voortdurend de wereld aanpassen aan onszelf en op
onze beurt aangepast worden aan het totaal der wereld. Het is hierin, dat wij vrede kunnen
vinden. Want wanneer er onevenwichtigheden zijn in het verleden, die harmonisch worden met
ons wezen en waaraan wij voor een bewust streven een juiste impuls kunnen gever, dan zal
het gevolg daarvan elk harmonisch zijn met de waarden een versterking betekenen van onze
eigen levens en daadkracht in het huidige, hetzij stoffelijk dan wel geestelijk bestaan. Dit geldt
dus voor een ieder en allen, zolang het bovenbewustzijn in deze vorm werkzaam is t.o.v. de
persoonlijkheid.
Om nog een stap verder te gaan: Wij kunnen niet met alle waarden, die in het
bovenbewustzijn bestaan, harmonisch zijn. Slechts met enkele daarvan. Wanneer wij echter
een toestand van harmonie bereiken, dan is tijdelijk de beheersing van onze eigen toestand en
daden aanmerkelijk verminderd. Wel is onze intentie volledig binnen onze eigen beheersing,
evenzeer als onze beleving. Echter de daadimpuls dus de ontwikkeling der situatie ligt tijdelijk
buiten ons eigen beschouwen en bewustworden. Wij worden hierbij geleid. En al lijken onze
daden natuurlijk en voortvloeiend uit het heden, ze zijn heel vaak niets anders dan een
reproductie gewijzigd veelal in overeenstemming met ons eigen wezen van vroeger bestaande
waarden. Is dat duidelijk? Men twijfelt blijkbaar. U moet het dan maar eens nalezen. Ik zal U
dan de volgende maal gelegenheid geven of doen geven hierover vragen te stellen.
Om het nu eens heel simpel te zeggen: Hetgeen ik hier stel houdt dus in, dat U wanneer U
harmonisch wordt met waarden uit heden of verleden tijdelijk de beheersing over Uzelve in
zoverre verliest, dat U handelingen en daden stelt, waarvoor U wel verantwoordelijk bent,
maar die U zelve niet meer in een juiste ontwikkeling kunt beheersen. Verder heb ik gesteld,
dat wij door het juist stellen van de geestelijke inhoud van het heden, juist de geestelijke
interpretatie van het heden de waarden in het verleden enigszins veranderen.
Niet dat wij de feiten,veranderen, maar wij veranderen de inhoud van die feiten op een
zodanige wijze, dat ze nu wel in harmonie komen b.v. met kosmische wetten, waarmee ze
vroeger in strijd waren. Kunt U dat korte uiteenzetten wel volgen? Ja? U moet eigenlijk de
inleiding, waarmee ik tot deze conclusies kom, nog maar eens nalezen.

DE WARE VREDE 53
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 december 1957
Les 4 - De ware vrede

Op het ogenblik, dat ik harmonisch kan zijn met elk voor mij realiseerbaar moment in het
bewustzijn, kan ik zeggen, dat ik een absolute vrede heb gevonden. Dat is ook duidelijk,
nietwaar? Wanneer ik deze absolute vrede zou kunnen vinden of benaderen, heb ik dus ook de
ware vrede op aarde gevonden.
Nu kunnen wij weer een stukje teruggaan naar Kerstmis, waarvan ik de spreuk aanhaalden
"Vrede op aarde voor hen, die van goeden wille zijn."
Wanneer ik het goede wil, wanneer mijn intentie en dus ook de werking van mijn bewustzijn
gericht is op het voor mij goede, dan zal elke realisatie van daad of toestand dat is het
harmonisch effect, waarvan ik sprak dat in het verleden kwaad was, qua inhoud gewijzigd
kunnen worden en beter worden, meer goed. Dat houdt in, dat ik een egaliserend effect
bereik, waardoor mijn "van goede wille zijn" een verzoening met het verleden en tevens met
de toekomst inhoudt.
Dat laatste heb ik misschien nog niet duidelijk gemaakt, maar dat kunnen wij dan kort doen.
Wanneer ik n.l. de stelling heb geuit voor het verleden, dan moeten wij er verder bij zeggen,
dat wanneer tijd geen werkelijke betekenis heeft, ook de volgorde van tijd, die onze verdeling
in verleden, heden en toekomst mogelijk maakt, geen zin heeft. Dit houdt dus in, dat
toekomstige situaties in het bewustzijn evenzeer hun werking kunnen hebben en evenzeer
daaruit realiseerbaar zijn.
Dat is een harde noot, hoor dat geef ik direct toe. Maan denk even logisch na. Wanneer ik
ruimte en tijd uitschakel als afzonderlijke, vaste waarden en ze maak tot manipuleerbare en
onderling vergelijkbare waarden, dan krijg ik van beide kracht. Dus zowel tijd als ruimte is een
zekere vorm van energie. Ruimte is een kwestie van suspensie en tijd is een wisseling van
delen, van kleinste delen (een uiteenvallen en opbouwen van kleinste delen), daar
onverschillig hoe beide als energie vormen worden geuit. Wanneer ik tot die energie terugkeer,
dan moet ik zeggen, dat al wat in de toekomst kan bestaan in de energie reeds aanwezig is en
dus in de energie vorm waar is. Kunt U mij volgen?
Wanneer dat alles dus vormbaar is, dan kan ik voor mijzelve een brandpunt vinden in de
toekomst, waarin mijn huidige ontwikkeling en eventueel in. het verleden liggende
ontwikkelingen of in het heden liggende ontwikkelingen plus mogelijk toekomstige
ontwikkelingen gezamenlijk worden tot een kracht in een vaststaande ontwikkeling betekent in
het algemeen kosmisch bestel vanuit mijn huidig standpunt in de ruimte en de tijd. (Ook weer
moeilijk misschien, maar het is toch wel begrijpelijk?)
Hieruit volgt niet, dat het verloop der dingen volledig bestaat, maar de invloeden, die
werkzaam zullen worden, worden door het heden bepaald. De vormrealistie is vanuit geestelijk
standpunt veel minder belangrijk dan de inhoud, dus de kern, de bewustzijnskern die schuilt in
iedere gebeurtenis in elke toestand, in elke vormgeving gebeurtenis. En die wordt in het heden
bepaald.
Dan zou je dus ook kunnen zeggen, dat het van goeden wille zijn in feite betekent een
uitschakeling van karmische invloeden. Want door van goeden wille te zijn in het heden en te
streven naar een volmaaktheid, zullen wij juist in onze goedwillendheid en belevingen, die wij
doormaken als het resultaat van harmonie met punten in het verleden misschien of elders,
komen tot een volkomen egalisering van ons vroeger bestaan, waardoor daarin geen
tegenstrijdigheid meer bestaat t.o.v. ons huidig wezen. Het opheffen van de tegenstrijdigheid
houdt weer in het wegvallen van innerlijke strijd en laat ons dus volkomen vrij om verder te
streven naar een ware vrede.
Denkt U eens even aan Kerstmis en wat dat betekent voor de mensen. Dat Kerstfeest betekent
voor heel veel mensen althans de verlossing, de geboorte van Jezus op aarde, of om het
ietwat abstracter te stipuleren de volledige uiting van Gods liefde op de wereld.
Wanneer ik in harmonie kan komen met een dergelijke uiting, zal daardoor mijn hele wezen
een andere stimulans krijgen, een andere inhoud. Deze stimulans, deze inhoud betekent, dat

54 DE WARE VREDE
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 12 december 1957
Les 4 – De ware vrede

gelijktijdig alle punten, waarmee ik verder harmonisch ben of wil zijn, deze invloed mede
zullen ondergaan en wel via mijn wezen. Het eigenaardige is dan ook, dat zo wij een ogenblik
een verlossing willen stellen als een aanvaardbaar punt (in feite is nat dat voor ons niet) , de
impuls, waarmee wij harmonisch zijn, voor ons niet alleen in het heden een genade, een gave
of een uiting van goddelijke Liefde betekent, maar ook in een verleden, waarin Jezus geboorte
nog geen feitelijke werkelijkheid was. Zou de mens dus kunnen opgaan in het kerstgebeuren
en intens de goddelijke liefdesuiting kunnen ervaren, dan zal op enigerlei wijze deze mens
a.h.w. staan in Bethlehems stal.
Wij kunnen zelfs verder gaan. Wanneer Bethlehems stal niet zou hebben bestaan, wanneer die
grot niet en werkelijkheid zou zijn, wanneer het hele verhaal humbug zou zijn, ("zou zijn", ik
zeg niet "is"), dan nog zou onze instelling op de goddelijke Liefde ons in contact brengen met
dat moment in tijd en ruimte, dat het meest overeenstemt met onze realisatie van de
goddelijke Liefde. De impuls, die wij zo zouden verkrijgen zou ongetwijfeld gelijk zijn en gelijk
sterk, als hetgeen wij uit het onmiddellijke kerstgebeuren zelf putten op dit ogenblik.
Daaruit blijkt dus, dat onze eigen instelling van overwegend belang is. Deze instelling gaat zo
ver, dat elke realisatie van kracht, elk verwerven van vermogen hetzij geestelijk of stoffelijk,
elk volbrengen op geestelijk of stoffelijk gebied in feite kan worden teruggebracht tot het een
ogenblik harmonisch worden met de hoogste waarden, die voor ons bereikbaar zijn. Daar komt
dan alles uit voort.
Ge hebt een gave, ge hebt een kracht. Die hebt ge van Uzelf, zo meent ge.
Maar in feite is die gave en die kracht verbonden met een verleden. Zij is bovendien een
invloed, die ook reeds een stempel drukt op Uw toekomst. De gave en de kracht is dus niet
slechts van nu, of slechts van Uw huidige persoonlijkheid. Ze kan voortvloeien uit Uzelf of uit
anderen, maar ze zal te allen tijde de uitdrukking van een in U bestaande harmonie met
anderen, die deze gaven en krachten bezitten op aarde. Onverschillig of het levende personen
zijn, die eens op aarde waren, geestelijke invloeden in hogere sferen, dan misschien zelfs
zuiver kosmische krachten.
Het is daarom zo belangrijk - wanneer wij streven naar esoterie, naar verinnerlijking van ons
wezen - dat wij ook leren gebruik te maken van deze mogelijkheden tot het wekken van
harmonische verschijnselen. Wij moeten trachten intens, volledig doorvoeld en beleefd, a.h.w.
één te zijn met de grootse uitingen van Gods liefde en kracht op aarde.
Kerstmis geeft daarvoor wel een bijzondere gelegenheid. Het verhaal, de sfeer van de wereld,
de gedachtegang, ja, zelfs de kerkklokken en de predikaties, alles kan bijdragen tot een
verinnerlijking. De onmiddellijke telepatische invloed der omgeving zal in deze dagen gunstiger
zijn dan in vele andere ogenblikken. Het is dus wel een ogenblik om te gebruiken. Een ogenblik
om iemand harmonie te brengen met een goddelijke kracht, een goddelijke liefde uiting zoals
die eens ergens heeft bestaan. En dan wordt ze voor U tot een volledige werkelijkheid in Uw
eigen wezen.,
Op deze wijze kun je op de duur teruggrijpen tot het begin der schepping. Op deze wijze kun
je voor uzelf verwerven, wat je zo hoog nodig hebt kracht en doorzettingsvermogen, die je
brengen tot een steeds intenser weten en steeds groter begrip. Voor kosmische waarden en
schoonheid, een steeds zuiverder kracht in jezelf, gericht op een steeds beter en duidelijker
erkend doel.
Maar wanneer U dit goed zo kunt aantrekken, moet U ook eens denken aan hetgeen wij zo
vaak hebben gezegd omtrent de tegenstellingen. Zelfs de vorige maal heb ik het nog een
ogenblik ter sprake gebracht. Wanneer ik harmonisch ben met het hoogste positieve, dan
bestaat in mij een gelijktijdig vermogen tot harmonisch zijn met diezelfde waarden in
negatieve zin. Het is niet voor niets, dat heel veel verhalen de duivel juist laten verschijnen in
de kerstdagen. Dat de ouden juist deze periode van zonnewind vanaf de 21e tot praktisch de 6e
Januari toe beschouwt. En als een tijd, dat ook de kwade geest bijzonder actief was.

DE WARE VREDE 55
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 december 1957
Les 4 - De ware vrede

Dat is begrijpelijk. Op het ogenblik, dat de grootste harmonische krachten gewekt worden. Het
is dus zaak juist in deze periode meer dan anders het kwaad van Uzelve te weren. En nu mag
ik dat kwaad misschien dan nog even nader weer definiëren, anders geraken we in een
verwarring, vooral in verband met het onderwerp van de vorige maand.
Kwaad is al datgene, wat wij met een bewustzijn van voor ons niet passend of schadelijk, met
een bewustzijn van schuld a.h.w. zelf doen of ondergaan. Wij moeten zowel het actief als het
passief kwaad zoveel mogelijk uit ons leven weren in deze periode. Wij moeten daarentegen
proberen het voor ons goede, het lichtende, ja vooral het alomvattende liefdesprincipe in
onszelf bijzonder actief maken. Juist deze vergroting van activiteit in de zin van het lichtende
en het Goddelijke betekent voor ons het vermogen tot groot innerlijk bereiken en innerlijk
beleven.
Dat was mijn discussie voor vanavond als inleiding. Discussie is misschien niet het juiste
woord, maar heeft U hieromtrent nog iets op te merken?
Wilt U een definitie geven van dat "ik". U zei: het is een deel, ons deel van onze ziel, van
God.
Ik wil het wel kort voor U definiëren, wanneer U dat prettig vindt. Laten we zeggen: Ik of ego
is een deel van het Goddelijke, dat volgens het daarin vertoevend bewustzijn van het
Goddelijke is afgezonderd en in zich komt tot een reeks van complexe belevingen, waarden en
herinneringen, die een gezamenlijk beeld van het totaal Goddelijke binnen dit ego scheppen
dat veelal niet in overeenstemming is met de totale werkelijkheid van het Goddelijke.
Voldoende?
En dat geeft natuurlijk het doorlopend streven naar het Goddelijke.
Naar het Goddelijke, zoals wij het zien. Vandaar juist, dat esoterie noodzakelijk is o.a. om deze
innerlijke vrede te bereiken. Deze ware vrede. Want zolang wij streven naar zuiver uiterlijke
waarden kunnen wij nooit tot vrede komen. Ons beeld van het Goddelijke is immers nooit
identiek met het Goddelijke. Wel ons beleven van het Goddelijke, want dat kan ons in
harmonie brengen met goddelijke waarden, waardoor Het voor ons scherper en nauwkeuriger
kenbaar wordt. Dus U zult begrijpen, dat het naar buiten toe werkzaam zijnen alles wat
uiterlijk gebeurt, voor het "ik" van minder belang is esoterisch gezien dan een innerlijke
realisatie, een innerlijke bewustwording en innerlijke beleving. Deze laatste.. zijn n.l. blijvend
en voor het gehele wezen van belang. Al het andere is slechts een ervaring, die naarmate het
eigen bewustzijn zich ontplooit soms disharmonische aspecten met het streven, soms
harmonische aspecten met het streven naar voren kan brengen. Maar wanneer wij onszelf
voortdurend met de goede intentie op het leven werpen, zullen wij automatisch het niet
harmonische in het verleden, corrigeren en daardoor een voortdurende afvlakking van het
verleden tot het peil van het heden tot stand brengen.
Het is een betrekkelijk zware kluif vanavond. Er zijn punten, waarover U wel eens goed moogt
nadenken. Wilt U pauzeren of verder praten over een door U te definiëren onderwerp?

PROBLEEM ONTHECHTING
U moet het mij niet kwalíjk nemen, als ik het een beetje simpeler behandel dan het
voorgaande onderwerp. Onthechting wil zeggen: Je bevrijden van banden, die iets je kunnen
opleggen. Wanneer we spreken over onthechting van de wereld b.v., dan betekent dat niet,
dat wij die wereld verloochenen, maar dat wij onszelf zozeer scholen, dat we elk deel van die
wereld en die een beleving voor ons uitmaakt, a.h.w. uit ons leven kunnen leggen, wanneer
dat noodzakelijk lis.
Onthechting betekent dus b.v. niet afstand doen van spijs en drank zonder meer. Het betekent
de capaciteit om het zonder te doen, zonder daarover leedwezen te ervaren. Het betekent niet
afstand doen van je positie in de wereld, van je eer, kortom van alles, wat daarbij behoort. Het
betekent wel daarvan afstand te kunnen doen, wanneer dit noodzakelijk lijkt, zonder daarover
ook maar enige spijt te hebben zonder te menen dat je nu niet meer verder kunt leven.

56 DE WARE VREDE
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 12 december 1957
Les 4 – De ware vrede

Onthechting is niet een toestand van onverschilligheid, zoals velen denken. het is een toestand
van beheersing. Iemand die zichzelve volledig beheerst, zal ook als gevolg van deze
beheersing volledig onthecht moeten zijn, want die beheersing impliceert immers, dit elke
toevoeging, elk wegvallen uit het eigen leven volledig geaccepteerd kan worden zonder dat het
"ik" hierdoor word aangetast. En hieruit volgt, dat je dus wanneer je jezelf onthecht eigenbik
meester moet zijn over je voorstellingsvermogen.
Dat is heel belangrijk wanneer iemand gewend is om iedere dag 4 warme maaltijden te
gebruiken en hij krijgt er maar 2, dan meent hij, dat hij verhongert. Het resultaat is, dat hij
feitelijk verhongert. Ook wanneer de voeding op zichzelf voldoende is, begint zo’n persoon
allerhande verschijnselen te vertonen, die men alleen bij uithongering en uitputting zou
verwachten. Dat komt eenvoudig voort uit het feit, dat deze mens zich niet onthechten kan
van de idee, de voorstelling. Het beeld wordt dus in het bewustzijn vastgehouden en hij kan
het niet terzijde stellen. Iemand, die zich wel kan onthechten is er zich ongetwijfeld van
bewust, dat de toestand aangenamer was toen er 4 warme maaltijden aanwezig waren, maar
hij voelt het helemaal niet als een belemmering van het heden. Integendeel, hij zegt: "Nu zijn
twee maaltijden voor mij voldoende. En wanneer ik geen maaltijden krijg, dan zal er altijd nog
een middel zijn om toch te leven," Hierbij is de belangrijkheid dus verschoven van
levensbelang tot een eenvoudig iets prettiger of iets minder prettig vinden, zonder dat het
belangrijk is.
Het moet ongeveer hetzelfde verschil maken voor U, wanneer er in een kamer gerookt wordt
of niet gerookt. Er is dan een licht atmosferisch verschil merkbaar. Je kunt natuurlijk zeggen
"Ja, ik vind het prettig, wanneer er niet gerookt is", of "Ik vind juist een lichts tabaksgeur vaak
aangenaam," Maar je zult toch nooit zeggen, dat het een levensbelang is. Je zult zelfs niet
zeggen, dat er nu speciaal altijd moet worden gerookt, omdat die geur aangenaam is, of nooit
gerookt zal mogen worden, omdat U het andere beter vindt. Wanneer een dergelijke nuchtere
wijze staat tegenover het leven, dan heeft U dus een onthechting bereikt
Maar waarom zou je dat alleen op dergelijke zeer onbelangrijke en nauwelijks merkbare
punten doorvoeren? Je zou het moeten doorvoeren ten opzichte van alles. Wanneer je een
band hebt met iemand, die je dierbaar is en die je ontvalt, dan is dat niet prettig. Maar de
onthechting betekent, dat je die toestand aanvaardt en je niet meer beroert of het verleden
maar in het heden verder gaat. De herinnering mag er zijn, maar het mag geen zelfbeklag
zijn, geen leedwezen. Wanneer je je ledematen of het gebruik van één van je organen moet
missen, dan is dat natuurlijk onplezierig. Het is een beperking van je leven. Maar wanneer je
nu het begrip onthechting tot werkelijkheid hebt gemaakt, dan zul je die toestand aanvaarden
en daarin juist trachten voort te brengen, wat het beste is, pus die onthechting, waarover U
mij vraagt te spreken, eigenlijk het beste middel om goed te leven, hoe dwaas dat ook moge
klinken, want om goed te leven moet je voortdurend in het heden kunnen bestaan.
Nu moet U mij eens vertellen, hoe iemand dat kan doen, wanneer hij aan vele dingen is
gehecht. Wanneer je gehecht bent aan je bezit, ben je. bang, dat er iets verloren zal gaan of
iets beschadigd zal worden. En wanneer je het eenmaal verliest, zul je eronder lijden, dat het
verloren is gegaan. Met andere woorden of je leeft dank zij het bezit in de zorgen omtrent
heden en toekomst, dan wel in een zeker leedwezen omtrent het verleden. In alle gevallen
wordt het werkelijke beeld van het heden vertroebeld.
Wanneer je zelfs bepaalde ideeën omtrent jezelf hebt, dan moet je je ook onthechten, waar
het betreft de waardering die je voor jezelf hebt. Dan kun je b.v. jezelf te laag aanslaan en
zeggen "Ik ben dan toch eigenlijk onwaardig." Dan wil dat zeggen, dat U teruggrijpt naar een
mogelijke waardigheid, die voor U niet realiseerbaar is. Het heden is uitgeschakeld.
U kunt Uzelf ook overwaarderen. Dat betekent, dat U van Uzelf prestaties verwacht, die U niet
kunt volbrengen. Uw beeld van het heden is vertekend, Uw reacties zijn niet juist. Het heden
zal voor U niet een werkelijke betekenis krijgen, maar zodra het verleden is geworden meestal
een teleurstelling zijn. Dat is niet aanvaardbaar.

DE WARE VREDE 57
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 december 1957
Les 4 - De ware vrede

Je moet onthechting zien als een beheersing. Deze beheersing betekent jezelf kunnen zijn,
volledig en geheel onafhankelijk van bezit, onafhankelijk van eten, van genegenheid, haat e.d.
Je moet onbeïnvloed door de uiterlijke verschijnselen en invloeden van de wereld innerlijk
streven en dan kom ik terug op hetgeen ik zo-even gezegd heb. Naar een voortdurend grotere
harmonie met alle dingen, niet in een ik-relatie maar in een kosmische relatie.
Het is dan ook niet zonder reden, dat velen van onze grote leraren weer gezegd hebben zowel
op aarde als in de sferen dat men alles achter zich moet laten. De Boeddha leert dit evenzeer
als Jezus. Mohammed vraagt het zijn ingewijden en zelfs nog in sterkere mate.
Waar U ook gaat, waar U ook zoekt, deze onthechting wordt weer als eis gesteld aan degenen,
die de hoogste bereiking hebben. Zelfs in het oude Egypte bestond een priesterlijke eed voor
ingewijden, waarbij zij - ook wanneer zij farao, dus vorst waren - zeiden, dat hun bezit, hun
macht, kortom alles wat zij bezaten, wat hen werd opgelegd, al hetgeen men hen ontnemen
kon, ontnemen zou of ontnomen had, dat zij dit prijsgaven, zeggende "Ziet, dit ben ik - in mijn
waarheid - in mijn waarheid staande binnen het rijk der goden."
Die betekenis is m.i. nogal in het oog springend. Hoe kun je komen tot een werkelijk
geestelijke bereiking, dus ook een doordringen tot de goddelijke kern van je eigen wezen,
wanneer je, je steeds gebonden acht aan waarden, die buiten bestaan. Iemand, die geestelijk
streeft en erg aan de buitenwereld gebonden is, zou je een soort geestelijke computer kunnen
noemen. (Of hoe heet dat: forens?) Hij doet n l. niets anders dan van zijn zorgen omtrent het
uiterlijk, een ogenblik terugreizen naar het innerlijk, vanwaar hij dan weer onmiddellijk moet
vertrekken, omdat hij ook voor het uiterlijk moet zorgen. Hij moet veel afstanden afleggen, hij
reist maar heen en weer, raakt er veel tijd mee kwijt en zal op beide punten niet in staat zijn
een werkelijk resultaat te bereiken.
Een duidelijk resultaat van de materialist kan ongetwijfeld door een uitschakeling van elk
innerlijk beleven tot een materieel succes voeren. Maar dat is tijdelijk en beperkt, omdat de
visie, die men materieel heeft, zonder geestelijke inhoud van generlei waarde is en door de tijd
vanzelf wordt uitgeschakeld. Indien je echter tot een innerlijke waarheid komt, dan heb je in
jezelf eeuwige waarden dus tijdloze waarden aangeboord en deze zijn onveranderlijk en blijven
je voortdurend bezit. In dit voortdurend bezit wordt je een met de wereld, die dit tijdloze zelve
geheel uitdrukt. En dat is natuurlijk belangrijk, dat kan nooit teloor gaan. Vandaar dat elk
groot leraar, elke school van inwijding op een bepaald ogenblik een verloochening van bezit, in
feite dus een onthechting vraagt. Deze onthechting gaat vaak zover, dat men zelfs het leven
als zodanig verwerpt, prijs geeft.
Dat is. ook weer begrijpelijk. Want als je aan het leven hangt, in een bepaalde vorm, dan kun
ie niet tot een werkelijk innerlijke ontwikkeling komen, omdat je slechts de aspecten van het
innerlijk aanvaardt, die overeenkomen met het huidige leven en een zekerheid waarin, en
bevordering daarvan betekenen. In feite echter moet je alleen je werkelijke wezen leren
kennen. Zo moet onthechting gaan tot onthechting aan leven en onthechting, ook aan de
dood. Men mag noch naar leven noch naar dood verlangen. Men moet ze accepteren en in het
accepteren van die waarden trachten zichzelf te zijn zonder afhankelijk te worden van enigerlei
uiterlijke toestand of conditie. Dus zonder vrees, zonder begeerte, gelijktijdig echter
aanvaardend al hetgeen wordt gegeven als een tijdelijke verantwoordelijkheid. Die
verantwoordelijkheid betekent dat men volgens innerlijk kennen en weten uitdrukking zal
geven aan hetgeen door de stof of een bepaalde sfeer toevallig binnen Uw bereik wordt
gebracht zonder het te weer houden, wanneer het zich aan Uw macht, aan Uw mogelijkheden
wil onttrekken. Daar hebt U een klein stukje over onthechting. U hebt het goed kunnen volgen
het was simpel genoeg, nietwaar?
Het bereiken van deze innerlijke vrede is alleen maar mogelijk, als men hier ermede zou
beginnen.
Ik zou eerder willen zeggen, dat het een resultaat ervan is. Dat is een verschil van mening.
Voordat je kunt komen tot de onthechting, moet je in jezelf zekere stabiliteit en een zeker

58 DE WARE VREDE
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 12 december 1957
Les 4 – De ware vrede

ovenwicht hebben. Laten we maar een voorbeeld nemen. Als U een tram hebt, die betrekkelijk
hard rijdt, dan schudt dat ding nogal. Dan hebt U een stang nodig om U aan vast te houden,
anders vliegt U er uit. Op het ogenblik, dat die tram stilstaat, is dat niet meer nodig. Zolang je
innerlijk in een voortdurende beweging is, in een voortdurend ervaren van tegenstellingen en
den voortdurende disharmonie, is het noodzakelijk om steeds weer houvast te zoeken bij meer
definitieve en ook meer objectieve waarden. Die objectieve waarden zoek je dan in de wereld,
die je kent, voor U dus in de stoffelijke wereld. Maar naarmate je meer streeft naar innerlijke
harmonie en innerlijke vrede, wordt de belangrijkheid van hetgeen buiten je staat voor je zelf
minder en kun je je dus onthechten. Want het lijkt mij erg moeilijk je, te onthechten, wanner
je onzeker bent in die wereld. Je zoeken naar zekerheid zal je dwingen te grijpen naar
waarden, die buiten je liggen, omdat je die in je innerlijk niet kent en vertrouwt.
Het kan toch zo zijn, dat wanneer je je aan iets helemaal onthecht, het juist dichterbij je
komt te staan, zonder dat je je eraan vasthoudt? Ja, dichterbij komt te staan is misschien
een verkeerd woord, als je je van iets losmaakt, volkomen los, dan liggen die waarden ook
anders.
Dat is volledig juist. Om het heel simpel te zeggen. Wanneer je je vastklampt aan een buffet of
aan een tafeltje, dan heb je maar een ding en dat ding wordt steeds onvolmaakter, wanneer je
je echter niet meer hecht aan dat buffet of aan dat tafeltje, dan zie je plotseling, dat de wereld
vol is van buffetten en tafeltjes, die voor jou bruikbaar zijn. Een heel simpel voorbeeld, maar
het drukt uit, hoe de toestand is. Juist door de eenzijdigheid van begeren, van hechten, wordt
dus de veelheid van mogelijkheden eenvoudig over het hoofd gezien. Die wordt uitgeschakeld.
En wanneer je die uitschakelt, kom ie daardoor dus in een toestand van benepenheid.
Je klampt je vast aan iets, dat geen waarde heeft.
De intensiteit, waarmee je dan aan het ene vasthoudt, wordt groter en groter omdat e minder
en minder andere mogelijkheden overziet. Maar naarmate je beter de andere mogelijkheden
overziet, zul je minder gehecht zijn aan het ene, zonder dat je daarom ook werkelijk behoeft
uit te grijpen naar het andere. Dan is het ene de verschijningsvorm geworden van alle tafels of
alle buffetten in de wereld, die op het ogenblik bij de hand is en die je daarom gebruikt voor je
eigen doeleinden. Dan behoef je je er ook niet om te bekommeren, wanneer je het moet
verlaten, want ergens anders is wel iets, dat als tafel of buffet kan dienen.
Maar de betekenis wordt anders, waardevoller.
Dat is het hem juist. Neen, niet waardevoller. Wel betekenisvoller, maar niet waardevoller.
Waarde is een uitdrukking, die onmiddellijk met het bezit in verband staat. En wanneer U dat
"waardevol" zelfs geestelijk wilt uitdrukken, betekent het nog een eenzijdigheid. Want het is
weer een bezitssituatie - iets speciaals - en dat kan niet. Het wordt betekenisvoller, omdat
i.p.v. te spreken over één tafel of één buffet en mij nu realiseer, dat de “idee“ tafel of buffet
mijn eigendom is, dat ze overal gerealiseerd is en zo niet, door mij te realiseren zal zijn. Dus ik
heb een zekerheid verworven, die in mij de noodzaak tafel of buffet heeft doen wegvallen en
daarvoor in de plaats heeft gesteld de volledige vrije beheersing over tafel of buffet. De
betekenis verandert in zoverre, dat het concept - als een uitdrukking van het kosmische - in je
bestaat, deel van je is. En wat een deel van jezelf is geworden, behoef je buiten jezelf niet
meer uit te drukken, maar je kúnt het te alle tijde uitdrukken en realiseren. Daardoor is ‘t
geen behoefte, geen noodzaak, dus ook geen binding meer. Dat is de consequentie.
Over dit punt verder geen discussie meer? Dan gaat U pauzeren.
Ik dank U voor Uw aandacht, de beste wensen uitsprekend ten opzichte van Uw werkelijke
kerstvrede. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.

DE WARE VREDE 59
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 december 1957
Les 4 - De ware vrede

In de tweede helft van deze avond, kunnen wij natuurlijk een onderwerp behandelen, dat U
zelf wilt stellen. Maar eerlijk gezegd zou ik er de voorkeur aan geven om te spreken over een
eigen onderwerp, als U mij dat toestaat. Is daar bezwaar tegen?
Neen.
We zitten nu zo in een tijd van Kerstmis, dus altijd verbonden met het idee "wit" en ook met
idee "magie". Het zal U dan ook niets verwonderen, dat ik dan voor mijzelf bij voorkeur op het
ogenblik spreek over:

Witte magie
Ziet U eens, elke magische bereiking is afhankelijk van drie voorwaarden.
In de eerste plaats, wil en bewustzijn van de magiër.
In de tweede plaats: het kennen der middelen om harmonie met de werelden tot stand te
brengen.
In de derde plaats: een voldoend duidelijk kennen van de mogelijke verwerkelijking om een
weerkaatsing op aarde te bereiken.
Wanneer aan die punten is voldaan kan de magie zowel zwart als wit zijn. Toch zal de magiër
zich aan een zekere scholing moeten onderwerpen. En die scholing kan men kort omschrijven
als een school in denken, in doen en in scheppen van beelden. Het denken is duidelijk. De
magiër moet met zijn bewustzijn doordringen in onbekende werelden. Hij moet voor zichzelf
kennis verwerven omtrent geestelijke krachten en de wijze, waarop ze werkzaam zijn. Hij
moet de wetten kennen, die hem grenzen stellen, en de risico’s kennen die sommige andere
invloeden meebrengen. Dat is duidelijk genoeg. De verdere punten zijn m.i. ook niet zo dwaas
dat kunt U ook begrijpen. Alleen dat kenbaar worden op aarde houdt in, n.l, dat je dus zelf op
enigerlei wijze de verwerkelijking van krachten uit andere werelden in je eigen wezen moet
kunnen verdragen en doorstaan. Nu zal een witmagiër daarbij meer dan een zwartmagiër zich
instellen op wat men noemt lichtende en kosmische krachten. Dat houdt dus in, dat de
potenties, die een witmagiër te verwerken krijgt, over het algemeen groter en intenser zijn
dan de waarden, waarmee een zwartmagiër werkt. Voor de witmagiër is het dan ook
belangrijk, dat hij zelf in de juiste toestand en staat verkeert en dat hij in staat is, daardoor
juist een duizendvoud van de normale levenskracht, die in hem optreedt (ongeveer),
gedurende kortere of langere tijd te verdragen.
Bij de zwartmagiër ligt het zo, dat hij slechts in staat moet zijn zich tegen de vaak geringe
krachten, waarmee hij werkt, te verdedigen, indien zij op hem terugvallen en dat hij zich tegen
de wil daarin kan verdedigen, wanneer, ze hem zouden willen beïnvloeden.
Nu heb ik het over de witte magie en zal ik dus de zwartmagiër met zijn praktijken verder
buiten beschouwing laten.
Wat is voor de witte magie noodzakelijk, wat is de grondslag?
De grondslag van de witte magie is gelegen in het feit, dat elk wezen dus ook een mens een
contact in zichzelve heeft, dat reikt door alle werelden. Met dit contact is het hem mogelijk in
elke sfeer harmonische waarden tot zich te trekken. mits hij voldoende bewustzijn bezit en via
zijn eigen persoonlijkheid die op elk gewenst vlak, waarin het eigen wezen bestaat, te uiten.
Om een dergelijk bewustzijn te verkrijgen is het noodzakelijk, dat je niet alleen, leert om te
denken en andere werelden waar te nemen, maar vooral ook leert waarden van andere
werelden te vertalen in termen van je eigen wereld. Zo wordt het een soort
ervaringswetenschap, waarin elk experiment gebaseerd moet zijn op alle gekende waarden
plus veelal een onbekende factor. Om echter tegen die ongekende factor gewapend te zijn
moet je als witmagiër zorgen dat je een zekere scholing ondergaat. En daarvoor neemt men
meestal niet altijd, maar toch meestal de volgende leefregels zo’n beetje in acht. Het zijn
trainingsvoorschriften. (Ik ben niet bang, dat U er aan zult beginnen althans voorlopig want
het houdt nogal wat in.)

60 DE WARE VREDE
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 12 december 1957
Les 4 – De ware vrede

In de eerste plaats leert de witmagiër zich volkomen beheersen op het gebied van voeding, op
het gebied van warmte en koude. Een werkelijk groot witmagiër is in staat om 40 dagen en
nachten te vasten, en dat impliceert niet alleen het niet gebruiken van voedsel maar ook
onthouding van drank. Het betekent wel, dat een dergelijk organisme de normale
mogelijkheden van een mens heel ver moet kunnen overschrijden. En daarom dient hij zich te
harden. Hij begint dus met voortdurend grotere proeven van onthouding en die onthouding
dan a.h.w. door meditatie vervangen.
Die meditaties houden wel een lichamelijke ontzegging in maar gelijktijdig een zodanige
lichamelijke bewustzijnsdaling, dat hierbij de lichamelijke behoeften a.h.w. tot stilstand komen
In sommige gevallen gaat dit zo ver, dat praktisch alle kenbare levensfuncties tot een niet
waarneembaar minimum worden teruggebracht. Wanneer men dus zo iemand zou
onderzoeken, zou men zeggen: hij is dood. Dat lijkt er wel op, behalve dat hij weer tot leven
komt, wat een dode meestal niet doet. Die school legt dus speciaal de nadruk op onthouding
niet als noodzaak, maar als middel tot een zekere bereiking. En ze gaat daarbij uit van de
gedachteschool.
Deze gedachteschool leert eerst het "ik" te ontvluchten, dus het bewustzijn omtrent het
huidige wezen en lichaam te verliezen. Eerst wanneer dit gerealiseerd is onverschillig hoe daar
gebruikt men fantasiemethoden en van alles voor gaat men over tot een tweede fase, waarin
in plaats van de eigen wereld een andere wereld wordt gerealiseerd. Van daaruit gaat men
over tot een begrip van grondwaarden, die in eigen wereld en in andere wereld schuilen,
Heeft men ook die fase bereikt, dan heeft men de leerlingperiode achter de rug en komt men
tot het vertalen van waarden van andere werelden, hetgeen voor iedere magiër een
persoonlijke kwestie is.
Om zijn lichaam in goede staat te houden, zal hij altijd, wanneer hij aan een meditatie begint,
wanneer hij eventueel later tot magische handelingen overgaat, eerst lichamelijke reiniging
doen plaats vinden. En dit is niet zo simpel als U denkt. Wij nemen even een bad en dan zijn
wij er van af. Dat houdt heel wat meer in. Een magiër, een witmagiër dus, die zich begint voor
te bereiden op een meditatie of een magische handeling, doet als volgt:
Hij onthoudt zich dagen tevoren van dierlijke voeding en leeft alleen van planten. Hij onthoudt
zich van alle dranken behalve water. Hij reinigt het lichaam door te laxeren, zodat de
darminhoud tot een minimum wordt teruggebracht. Hij reinigt zijn neus door neusspoelingen,
hij reinigt zijn oren, kortom elke lichaamsopening wordt zo zorgvuldig schoongemaakt.
Wanneer dit is gebeurd, gaat hij over tot gedachtereiniging, waarbij hij een aantal korte
perioden van concentratie gebruikt om elke belangstelling van stoffelijke waarden in zichzelf
tijdelijk te doven. Dan kleedt hij zich na nogmaals het lichaam gereinigd en gewassen te
hebben in kleding, die nieuw moet zijn d.w.z. zij mag niet besmet zijn. Dat houdt niet in, dat
het altijd nieuwe stof moet zijn, maar ze moet zo schoon en zuiver zijn, dat zich daarop geen
enkele smet bevindt. Daarbij gebruikt men soms zekere harsen en stoffen, die zuiver zijn,
boekweitmeel b.v., om die gewaden eigenlijk nog te impregneren tegen vuil.
Hij zal een kamer binnentreden, die volledig schoon is, d.w.z. die gewassen is. En dan wassen
ze niet alleen de vloer, neen, dan moeten alle vlakken gewassen zijn. Vandaar dat er ook een
minimum aan meubels is. In dat schone vertrek wordt een schone lap neergelegd dus ook
nieuw, zoals dat heet. En daarop pas zal hij zijn magische impedimenta uitpakkend daar is zijn
standplaats tot het ogenblik, dat hij met zijn bezwering begint.
U begrijpt dus veel, dat het principe van minheid ook wel enige betekenis heeft. En de
hoofdbetekenis is wel deze: Gewoon vuil, dat van de aarde komt, is niet zo gevaarlijk. Maar
lichamelijk vuil b.v. bevat zekere lichaamsvochten, die laten we zeggen een beetje vergiftig
zijn. En in die toestand, waarin je verkeert, kan dat een belemmering zijn voor het uittreden
van krachten. Er kan zelfs door een verandering in geaardheid van het lichaamsvuil soms een
vergiftiging ontstaan. Daarvoor wil hij zich dus vrijwaren. Wanneer er zich in die omgeving

DE WARE VREDE 61
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 december 1957
Les 4 - De ware vrede

organisch vuil bevindt, zou het kunnen zijn, dat onder inwerking van de kracht een versterkte
ontbinding zou optreden. En die ontbinding betekent dan verontreiniging. Het begrip onrein
kent de witmagiër ook en dit houdt in, dat hogere krachten zich dan niet meer zender
schadelijke gevolgen voor magiër en omgeving in zo’n vertrek zouden kunnen uiten.
Nu loopt dat natuurlijk niet zo’n vaart, als men aan de hand van die voorschriften zou zeggen.
Want heus, een klein beetje vuil zal niet schaden. Maar als er iets te veel is, is de schade zeer
groot en betekent dit heel vaak, dat het goed, dat de witmagiër probeert te doen, omslaat in
kwaad. Dit risico kan hij niet nemen. Dus daarom zorgt hij ervoor, dat hij volkomen rein is en
dat hij werkt in een zo rein mogelijke omgeving.
Dan gebruikt de witmagiër heel vaak ook klank als assistent. Trillingen hebben nu eenmaal een
zekere waarde voor de mens. En geluidstrillingen, die harmonisch zijn dat is heel vaak
betrekkelijk hoog kunnen zijn wezen gunstig beïnvloeden. Maar gelijktijdig beroert trilling ook
alles, wat in de omgeving is en stelt zo een harmonische waarde tussen de mens en zijn
omgeving. En daaruit wint de magiër dan een versterkte beheersing over alles, wat rond hem
is. Iets, wat hem natuurlijk zeer te stade komt, wanneer daar krachten optreden. Want nu is
niet alleen zijn eigen wezen maar vaak het hele vertrek, waarin hij werkt, niets anders
geworden dan een ontvangplaats voor kosmische kracht.
Zijn denkwijze in het normale leven moet natuurlijk ook veel enigszins verschillen van die,
welke een normaal mens zo heeft. De werkelijke witmagiër b.v. kent wel verantwoordelijkheid,
maar niet schuld. Want op het ogenblik, dat hij schuld kent en erkent, is hij niet meer in staat
vrijelijk zich open te spellen voorde hoogste kosmische krachten. Hij zal eerst die schuld voor
zichzelf moeten delgen, eer hij opnieuw tot wit magische bereikingen kan komen met de
hoogste kracht. Dan zit er verder nog aan vast, dat hij ook in zijn denken anders is.
Nu zult u zeggen: Hoe kan je nu anders denken dan een gewoon mens? Wel, in de eerste
plaats denkt hij veel sneller, hij combineert zuiverder en hij reageert dus niet alleen op
uiterlijke, maar ook op innerlijke situaties. Hij overziet een geheel en zal niet op een deel,
maar altijd op het geheel reageren. Dat betekent, dat hij in heel veel gevallen zich terugtrekt
uit omgevingen, die schijnbaar toch wel heel goed zijn. Aan de andere kant zal hij zich soms
bewegen op plaatsen, die een gewoon mens absoluut slecht zou vinden, en daar zijn daden
stellen. Maar de magiër, de inhoud van die plaats kennende (de witmagiër, wel te verstaan)
zal weten, dat juist hierdoor het goede, het kosmische wordt bereikt.
Dan heeft hij ook een geloofsbelijdenis. Die zoudt U kort kunnen samenvatten: Kracht is God.
Gods kracht wordt geuit door vele wezens. Wanneer ik die wezens bereiken kan, kunnen zij in
mij de kracht actief maken, die ik zelf niet kan vrijmaken. Zij kunnen mij kracht geven,
goddelijke kracht, waar mijzelf de kracht ontbreekt. Zij kunnen mij sterken, indien mijn wil ten
goede is gericht en zij zullen mijn denken leiden, indien dat in zich niet een voldoende
bereiking betekent.
Dus witte magie ondanks zijn ritueel, zijn vaak eigenaardige gebruiken zal in feite steeds
bestaan op een intens godsgeloof plus een zeker weten omtrent de krachten, die de goddelijke
Kracht uiten.
Dan zijn er nog een paar punten, die misschien ook wel interessant zijn. De magiër, ofschoon
hij helmaal niet aan yoga of iets dergelijks doet, houdt toch ook een bepaalde
ademhalingsoefening aan. En die ademhalingsoefeningen zijn niet alleen ademhaling, maar ze
zijn heel vaak belangrijke oefeningen speciaal voor stemgebruik. Hij moet zijn ademhaling zo
beheersen, dat hij reeksen klanken of incantaties kan zeggen, die een normaal mens
zou.moeten onderbreken. Toch moet hij in staat zijn dit ongebroken in een harmonisch geheel
te uiten.
Verder oefent hij zich in het erkennen van ritmes. Want ook het ritme is voor de mens heel
belangrijk. In de eerste plaats in zijn eigen leven. Elk mens is voor bepaalde ritmes vatbaar.
Elk mens kent ritmes, die hem hinderen en andere ritmes, die hem een persoonlijke

62 DE WARE VREDE
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 12 december 1957
Les 4 – De ware vrede

versteviging geven van zijn wezen. Het beheersen van ritmes betekent voor de magiër, dat hij
bij incantaties maar ook in het normale leven het ritme b.v. van het gesproken woord kan
gebruiken om stromingen in de mensen te wekken. Dat is ook weer belangrijk.
Verder en dat is het laatste punt heeft hij nog de bekwaamheid, die zeker niet te
onderschaften is, om klank te maken tot drager van gedachten en wil. Wanneer U normaal
spreekt, zullen Uw gedachten natuurlijk daarin wel worden uitgedrukt, maar het is de vraag of
U de werkelijke achtergrond van die gedachten uitdrukt of allen maar een oppervlakkigheid
ervan, een voorgevel bij wijze van spreken. De magiër tracht het totale aanvoelen van zijn
wezen in woorden uit te drukken en daarvoor gebruikt hij bepaalde woordritmes, bepaalde
volgorden van woorden. Hij bereikt daarmede, dat hij zich dus volledig uitdrukt, zelfs bij een.
menselijke en dus onvolledige uitingsmogelijkheid. Hij kan hierdoor een harmonie, een contact
met anderen bereiken, dat zuiver stoffelijk onbereikbaar is. U ziet dus, dat aan de witte magie
nog heel wat vast zit.
Maar nu sprak ik alleen over de magiër en de magie zelf is een klein beetje blijven hangen.
Mijn collega heeft U ook al zo met een schuin sprongetje naar Kerstmis geloodst, dus waarom
zou ik ook niet even in die richting kijken. Want uiteindelijk is Kerstmis - of U het weet of niet -
voor alle mensen een groot wit magisch gebeuren. Wanneer wijn.l. een bepaalde sfeer of
stemming hebben, dan kun je dat vergelijken met een afstemming van een klavier. Een piano
of spinet, of wat je toevallig hebt, heeft een heleboel snaren. Nu regel je a.h.w. het zo, dat
wanneer een snaar wordt aangeslagen, de harmonische snaren precies meeklinken en dat
wanneer meerdere tonen gelijk worden aangeslagen, zij ten opzichte van elkaar een juiste
interval, een juiste verhouding vertonen. Zo wordt ook met Kerstmis eigenlijk de mens
gestemd door ‘t denken in één richting, door te leven in één gedachtegang en heel vaak ook
bewust of onbewust een bepaald gevoelen ondergaan. Dan blijven de verschillen van
individuen wel bestaan, maar er is een zekere eenheid van instelling tot stand gekomen. Ook
op sommige andere tijden gebeurt dat betrekkelijk eenvoudig. En de witte magie kan er nu
gebruik van maken. Want het is nu niet nodig om alle toetsen aan te slaan en in elk
afzonderlijk iets te wekken. Het is voldoende een algemene indruk te geven, waarop alles
meetrilt, dus waarin alles meeklinkt. Dit principe gebruikt de witte magie in veel van haar
bijeenkomsten. Zowel in de grootste als in de kleinere. En daarom houdt ze zich ook aan
tijden, die voor een dergelijke harmonie (een gelijke afstemming van mensen) wel bijzonder
gunstig zijn. Wanneer wij die afstemming hebben, kunnen wij door onze eigen gedachten
eenvoudig sterk uit te zenden, ons eigen beleven van hogere waarden sterk kenbaar te maken
op een tenminste astraal peil bereiken, dat alles in de omgeving datzelfde meevoelt.
Om een simpel voorbeeld te geven: De magiër ervaart voor zichzelf de schuldeloosheid van
een hogere sfeer. Hij schept daarvoor een delging van het persoonlijk bewustzijn, een
uitschakeling van de persoonlijke gedachterichting en daarvoor in de plaats stelt hij een
ervaren van het onmiddellijk Goddelijke, het witte licht. Dit wit wordt dan in zijn omgeving
gewekt en overal, waar men enigszins harmonisch is, zal dit verschijnsel van witte en lichtende
kracht sterker op de voorgrond treden. En zo kan dus worden gezegd, dat a.h.w. de kleur van
een omgeving verandert, Haar kleur is ook identiek aan sfeer. En wanneer dat wit zuiver is,
dan betekent dit ook, dat die omgeving op dat ogenblik bereikbaar is voor krachten der
hoogste sferen, die normalerwijze de aarde niet kunnen beroeren of slechts kunnen beroeren
onder zeer grote zelfbeperking.
U begrijpt zeker wel, hoe belangrijk dit kan zijn. Het is a.h.w. hetzelfde als Eisenhower in
Parijs. De goede man had ook wel vanuit Washington kunnen telefoneren, maar dan was een
deel van zijn persoonlijkheid niet overgekomen en zou de indruk een andere zijn geweest.
Zo gaat het ook, wanneer een hoge lichtende geest komt op aarde. Wanneer die geest zichzelf
kan uiten op een gebied, waar de aarde nog gevoelig is, dan krijgen we de indruk van het hele
wezen en al zijn kracht, met af zijn intentie. En wij krijgen ook een volledige intensiteit (Dus al
wat er in is, onverdund, geen druppeltje water in de lichtende wijn, zullen wij maar zeggen.)
En daardoor is het resultaat een persoonlijke omstellingsmogelijkheid, die bij een contact op

DE WARE VREDE 63
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 december 1957
Les 4 - De ware vrede

afstand slechts zelden gerealiseerd wordt. Waar anders slechts misschien een enkeling, die zelf
geestelijk stijgen kan, zich aan het gegeven contact kan optrekken tot een hoger weten, daar
reikt nu die kracht tot het lagere toe en omvaamt het iedereen, die daarin wil wonen. Daarom
zijn dagen als Kerstmis zo belangrijk. Daarom kan het zo belangrijk zijn, als de mensen in de
kerken zitten, ontroerd door orgelspel, door de preek. Dan kan het orgel op zichzelve niets
betekenen, de preek op zichzelve kan mijnentwege gebazel zijn, maar de toestand die
geschapen is, beantwoordt aan zekere magische eisen. En dan is het ook te begrijpen, dat
degenen, die er op uit zijn die toestand te wekken onverschillig hoe en in welke omgeving,
mits op verantwoorde wijze witmagiërs zijn. Zo wordt a.h.w. het leven der wereld gebruikt om
daarin de hogere kracht uit te drukken
Maar die hogere kracht is ook reinigend. Vuur geeft licht, maar verteert ook. Zo zou je kunnen
zeggen: Dit hoge geestelijke licht verteert tevens. Het zal dus gelijktijdig het goede
versterken, het kwaad in zich absorberen en omzetten in een andere, voor dit licht
aanvaardbare waarde.
Deze transmutatie van een stoffelijke en stoffelijk gebonden geestelijke waarde is wel het
belangrijkste, dat wij ons kunnen voorstellen. Daarvoor is het nodig, dat de mens natuurlijk in
deze magie kan opgaan. Op het ogenblik, dat hij een nuchterling blijft, cynisch is, kan hij
daaraan geen deel hebben. Integendeel, hij kan een dissonant zijn in het geheel. Een goed
magiër houdt rekening met enkele van deze dissonanten. En dan gebruikt hij een heel aardig
middel. Wanneer je een dissonant hebt en je stelt er een dissonant tegenover, dan zal vaak
het samenklinken van twee dissonanten een harmonie mogelijk maken. Zo gebruikt hij een
deel van zijn kracht bewust onvolledig, om daarmee eventuele slechte invloeden op een
afstand te houden. Die worden dan een met de buitenkant van de werking, terwijl de
binnenkant van de werking volledig en ongestoord plaatsvindt.
Zo zal de witte magie dan ook voor de komende dagen voor de wereld wel veel betekenis
hebben Je zou kunnen zeggen, dat ze al weet de mensheid dat misschien maar half
veranderingen teweeg brengt. Nu kunnen wij alleen maar hopen, dat die veranderingen
blijvend zijn, Want alleen wanneer de mens die kracht niet slechts in zich ontvangt maar ook
tracht ze in zich te bewaren, blijft de werking gegarandeerd voortduren. En ja, zelfs meer. Er
kan worden gezegd, dat een eenmaal tot stand gebracht contact met hogere kracht op directe
wijze dat wat ik U zo net zo mooi heb verteld dus betekent een voortzetting van contact. met
hogere en hoogste krachten in omstandigheden, waar deze anders onmogelijk zouden zijn.
Waar een verbinding is, kan zij lang blijven bestaan. En gelukkig degene, die daarvan gebruik
weet te maken.
Dat was een kleine lezing over witte magie. Ik weet niet, of het U verveeld heeft. Hebt U er
wat over te vragen? Vertel het dan maar.
Is er in het Westen ook die witte magie op de wijze, waarop U het zo-even verteld hebt?
Witte magie is niet gebonden aan plaats. Dat is heel eigenaardig. Maar de witmagiërs vinden
we overal. Zij zijn zelfs in velerlei opzicht soms autodidacten. Het zijn dus mensen, die zichzelf
tot een magisch werken opgevoed hebben. En ze krijgen dan pas, wanneer ze al eenmaal
contact hebben met lichtende kracht veelal door het bereiken van die meditatie, waar ik het
over had een leiding van anderen, die verder zijn. Het gevolg is, dat er geen bepaalde
religieuze instelling voor nodig is, ook geen bepaald geloof of bepaald karakter. Wat er voor
nodig is, is eenvoudig de wil om te bereiken, en dus de zelf beheersing en de meditatie, die als
eerste noodzaak gesteld worden. Wie daarmee begint, zal ongeacht de verdere
omstandigheden dus of hij een woeste neger is, die om regen danst of een indiaan of een
professor aan de universiteit van Columbia altijd dit bereiken. Maar iets anders is natuurlijk het
feit, dat de witmagiër, juist omdat hij witmagiër is, zijn magische bereiking meestal niet aan
de grote klok hangt. Ik zou dus maar willen zeggen met een volksuitdrukking "dat mag hem
de pret niet drukken", als zij dat maar zijn.

64 DE WARE VREDE
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 12 december 1957
Les 4 – De ware vrede

En dus geloof ik. Ik hier duidelijk gemaakt te hebben, dat, en dat weet ik, hoor daarvoor kan ik
instaan witmagiërs ook in het Westen bestaan en zich daarbij houden aan regels, die ik gesteld
heb, omdat deze praktisch algemeen geldend zijn. Er zijn maar heel weinig mogelijkheden om
daarvan af te wijken.
Het komt mij voor, dat de Oosterling uit de aard der zaak daarvoor meer geschikt is dan de
Westerling.
Dat is niet helemaal waar. De Oosterling heeft het voordeel, dat hij gemakkelijk tot magie
komt. Maar hij heeft het nadeel, dat hij er sneller toe komt deze magie vanuit zuiver
persoonlijk standpunt toe te passen, waardoor hij grijs of zwartmagiër wordt, en dus zichzelf
uitsluit van het contact met de dragers van de meest lichtende krachten. Dus U zoudt kunnen
zeggen hier is de balans dus in evenwicht. Er zullen ongetwijfeld meer Oosterlingen aan magie
doen dan Westerlingen. Dat ben ik met U eens. Tenminste bewust. Daartegenover staat, dat
de bereikingsmogelijkheden voor de Westerling, die met witte magie begint, weer groter is dan
voor de doorsnee Oosterling. En dat houdt elkaar zo ongeveer in evenwicht.
De hooggeleerde heer heeft gezegd, dat de meest primitieve volkeren dus de niet
ontwikkelde mens ook in vroeger eeuwen vaak telepathische verschijnselen kon doen of
oproepen en dat wij op het ogenblik in een tijd leven, dat dit ook meer en meer komt. Is
daar enig verband achter te zoeken? Wij zouden dus in een meer geestelijke wereld komen
hier op aarde?
Wij komen wel in een toestand, dat het geestelijke weer een grotere nadruk krijgt en men
daar dus belangstelling voor heeft. Heeft men daarvoor de belangstelling, dan treden de
verschijnselen ervan gemakkelijker naar voren. Maar hoe komt het dan, dat die tijd er vroeger
wel was en dat het er nu een hele tijd niet op heeft geleken?
Omdat de mensen afgestompt zijn door de ontwikkeling
Ik zou het niet graag zeggen. Afstompen betekent n.l. verminderen van vermogens,
Bepaalde vermogens verminderen.
Goed, bepaalde vermogens. U zult Uw zin krijgen. Maar laten wij het nu een anders zeggen.
Wanneer wij zeggen, dat vermogens, die vroeger hun uiting vonden op het psychologisch en
parapsychologisch terrein, in hun verschijnselen werden omgezet (dus veranderd) in een
technisch, dus materieel denken, waardoor voor beide gelijktijdig geen plaats was gezien de
volle occupatie met vernieuwing en verandering dan volgt hieruit, dat pas wanneer de
technische verandering tot een zekere stilstand komt, niet meer een voortdurende
vernieuwing, maar een logische en geleidelijke ontwikkeling krijgt, er weer meer tijd vrij komt
voor het ontwikkelen en aandacht besteden aan psychologische krachten. Daardoor ontstaat
een ontwikkeling van psychische eigenschappen, die op de duur ook paranormale
verschijnselen sterker naar voren doet komen en hier mede weer de magische kwaliteiten van
de mens verhoogt. Niemand meer over dit onderwerp? Ik zou zeggen, dat U met het eerste
gedeelte ruim gekregen hebt, wat U toekomt, Ik geef het woord over aan de laatste spreker.
Goedenavond.
o-o-o-o-o

Meditatie: Innerlijke Vrede.
Innerlijke Vrede. Al wat je stoort valt weg, problemen schijnen te verdwijnen en het is, alsof
de hele wereld een weerklank vindt ergens van binnen. Je hebt het gevoel, dat je zo groot
bent, zo veel omvat. En toch voel je je als een klein kind, geborgen in een grote en
goedertieren Kracht, die je omhult.
Het is een vreemde toestand, een toestand die sterker en sterker kan worden, tot zij op de
duur alle handelen, alle denken maakt tot een uiting van de Kracht, waarin je vertoeft.
Hoe deze innerlijke vrede te verwerven? Wij zijn over het algemeen niet geneigd de innerlijke
vrede te verkiezen. Rond ons is de wereld vol van problemen, en wij zijn bang, dat wij die

DE WARE VREDE 65
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 december 1957
Les 4 - De ware vrede

problemen zullen ontlopen, dat wij laf zullen zijn, wanneer wij onszelf terugtrekken. Daarom
blijven wij aan de uiterlijkheden verbonden.
Wij kunnen zo moeilijk komen tot het begrip Al wat de Schepper doet is welgedaan. En toch is
dit laatste waar. Wanneer er een Schepper is, een Kracht, Die de wereld voortbrengt en in
stand houdt, een Kracht waaruit al is geboren. Die leeft in de sterren en in de kleine delen, die
het menselijk oog zelfs niet kan waarnemen, zou deze Kracht dan Zichzelf vernietigen? Zou
deze Kracht Zich zelf kunnen verloochenen? Zou deze Kracht kwaad kunnen zijn of onredelijk?
Wanneer wij de volte zien van de schepping, wanneer wij zien, hoe vaste wetten en
groeperingen voortdurend hun wil opleggen aan al het bestaande, groot en klein, dan
realiseren wij ons: Er kan geen God zijn, Die kwaad is, Die kwaad kent. Daaruit volgt die God
kan dus ook voor ons niets doen gebeuren, niets doen ontstaan, dat werkelijk kwaad is. Wij
hebben dus geen reden ons te verzetten tegen onze wereld. Wij hebben dus geen reden om
een andere plaats te begeren, dan die wij innemen. Wij vragen slechts om de volmaaktheid
van de Schepper uit te drukken daar, waar Hij ons heeft gesteld. Wij zijn niet verantwoordelijk
voor iets anders dan juist het uitdrukken van Zijn volmaaktheid op onze bescheiden wijze in
ons wezen.
Dat is geen probleem, dat is geen strijd. Dat is innerlijke drang die zich steeds weer
verwerkelijkt en die ons steeds groter wijsheid doet geworden om juister en juister weer te
geven, wat wij kennen als de kracht van de Aller hoogste.
Wanneer wij zo leven, kan er niets staan tussen ons en onze God. Dan kan er niets staan
tussen een ware en werkelijke wereld en ons eigen bestaan. Dan is er geen grens meer. Dan
zal er ook geen strijd meer zijn. Dan is de grens, die in ons eigen wezen het ene deel van het
Goddelijke scheidt van het andere, hetgeen strijd, hetgeen onrust verwekt. En wij wensen
geen onrust. Wij kennen geen onrust meer, omdat de Schepper ons heeft gesteld daar, waar
volgens Zijn wil en Zijn volmaaktheid onze plaats is. Wanneer wij dit aanvaarden, zoeken we
steeds groter volmaaktheid te bereiken daar, waar de Schepper ons stelt.
Gelijktijdig vrede hebbende met al, wat ons aan onvolmaaktheid nog aankleeft, zullen wij ook
innerlijk de vrede kennen. Want de innerlijke vrede is de realisatie van de Schepper in jezelf.
Het is het erkennen van de goedertieren Macht, die je behoedt, beschermt en geleidt ja meer,
die je leven en je wereld is tegelijkertijd.
In deze Kracht vinden wij vrede vinden wij de kracht om voort te gaan ook. Want wij zijn
kracht van die Kracht weten van dat Weten: daad uit die Schepping. Daarom zijn wij tevreden
en kennen wij een vrede in onszelf, die niet meer een werkelijke strijd aanvaardt, doch slechts
het eigen bewustzijn en de eigen uiting steeds dichter brengt bij de volmaaktheid, welks beeld
reeds in ons bestaat.
Dit is innerlijke vrede, de weg der bereiking: de kracht van de Schepper bewust ervaren in de
kern van ons wezen.
Ik hoop, dat ik daarmede Uw onderwerp tot Uw voldoening heb belicht.
Ik dank U allen voor Uw aandacht en besluit hiermede de bijeenkomst. Goedenavond.

66 DE WARE VREDE
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 – Tijdloosheid

Goeden avond, vrienden.
In de eerste plaats zal ik thans aan de orde willen stellen hetgeen de vorige maal niet
begrepen is, zodat wij de avond zelve daarvoor niet verder behoeven te onderbreken. Is die
kerstrede van de vorige maand met zijn bijkomstige aspecten voor een ieder duidelijk
geweest? ...... Schijnbaar wel. Dan behoeven wij daarop niet meer terug te komen. Dan is
mijn onderwerp voor vanavond in zekere zin een voortzetting daarvan.
U weet, wij hebben gesproken over goed en kwaad, relativiteit en ook over tijdloosheid. Het
zijn deze aspecten, die juist onze innerlijke wereld sterk regeren. Wij mogen wel uiterlijk
gebonden zijn aan tijd, van binnenuit gezien is het heel anders. Wij zijn daar - althans zeer
vaak - de speelbal van ongekende krachten, die tijdloos zijn. In ons wordt vaak iets
gerealiseerd, dat stoffelijk pas veel later in de toekomst zich openbaart. Heel vaak ook blijkt,
dat in ons een drang blijft bestaan, die zou moeten worden terugverwezen naar vroegere
tijden en toestanden. In de praktijk komen die dingen natuurlijk niet zo scherp tot uiting. Toch
zou ik er op willen wijzen, dat b.v. Leonardus da Vinci, juist waar hij zich bezig hield met
filosofie en techniek, zijn eigen tijd onmetelijk ver vooruit was, terwijl hij in zijn wijze van
leven en denken vaak terugviel, honderden jaren terug, naar de Griekse periode. Zo kan dit bij
elke mens voorkomen.
Nu is het natuurlijk dwaas om onszelf te gaan beoordelen aan de hand van uiterlijke condities.
Wij kunnen de uiterlijke condities gebruiken als een correctiemiddel, als een middel om ons
aan te passen aan de huidige toestand. Maar deze vreemde krachten, die ons van binnenuit
drijven, die krachten, waarvoor onze rede alleen maar een verklaring zoekt zonder ze werkelijk
te onderkennen, die moeten wij toch vooral proberen te placeren, te definiëren, opdat wij
kunnen begrijpen, wat eigenlijk ons leven is.
Nu wil ik in de eerste plaats toch nog even ingaan op het aspect tijdloosheid. U zult zich
herinneren, dat wij een vorige maal het argument hebben gebruikt van volmaaktheid, waar wij
aan toe kunnen voegen: in de volmaaktheid zijn de delen onderling verwisselbaar, maar het
geheel blijft volkomen gelijk. (Degenen, die een nadere uiteenzetting willen hebben, kunnen
dat vinden in een Vrijdagavondverslag - 17.1.'58.) Voor onszelf kan er dus heen werkelijk
tijdsgebeuren bestaan, doch slechts een erkenning van onze huidige verhouding t.o. v. de
kosmos. In Gods volmaaktheid zijn wij volmaakt. Op het ogenblik, dat wij in harmonie zijn met
de volmaaktheid, houdt de tijd voor ons op te bestaan, evenzeer als de processen, die met
tijd, ruimte e.d. gebonden kunnen worden. Zijn wij volmaakt, dan bestaat er voor ons geen
goed en geen kwaad. U zult zich deze punten uit de vorige lezing ongetwijfeld herinneren.
Wanneer ik van hier uit verder ga, is mijn eerste onmiddellijke reactie: wanneer ik vanuit God
volmaakt ben, kan in mij geen kwaad bestaan, noch goed Ik kan alleen maar zijn. Dit verdraait
de zaak natuurlijk t.o.v. ons eigen bestaan, dat tijdelijk beperkt en gebonden is aan een
bewustwordingsgang, Maar als we die persoonlijke punten nu eens even achterwege laten, dan
kunnen we een aardige indruk krijgen van wat we werkelijk zijn.
We zijn volmaakt vanuit God. Er bestaat voor ons geen goed en geen kwaad, er bestaat voor
ons - zie de vorige lezing - een verbinding met alle sferen, waarin ons bewustzijn ooit het "Ik''
kan realiseren, wij zijn dus een geheel. Een geheel, waarin het bewustzijn zich verplaatst..
Maar dit geheel kan niet alleen als ruimtelijke bepaling worden opgevat. Het moet ook alle
tijden omvatten. Wanneer wij nu - voor onszelven dus - in de bewustwording niet verkeren op
precies het punt, dat net gemiddelde is voor onze wereld, zal voor ons bewustzijn een
verschuiving plaats vinden - o.a. van goed en kwaad, maar ook van verlangen, van begeren en
impuls - die ver afwijkt van hetgeen voor ons redelijk en stoffelijk aanvaardbaar is.
Het is juist hierin, dat wij vaak met de grootste moeilijkheden te maken krijgen. Want wij
verlangen - en menen te mogen verlangen - dat ons uiterlijke leven te allen tijde een volledige
bevestiging is van in ons bestaande waarden. Maar wanneer in ons de krachten bestaan, die
niet bij onze wereld horen en die wij dus volgers het redelijk proces van onze wereld praktisch
niet kunnen definiëren, dan is het totaal van onze handelingen steeds onderdanig aan een

TIJDLOOSHEID 67
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 - Tijdloosheid

niet-kenbare kracht, die ons stuurt in een niet-geleende richting. Mag ik vragen, of U mij tot
zover kunt volgen? Is er iemand, die hierop commentaar wenst te leveren? ......
Nu stel ik het volgende: Vanuit God volmaakt zijnde, maar in mijn bewustzijn onvolmaakt
zijnde zal ik niet in staat zijn het totaal der in mij bestaande verhoudingen te bevatten, te
beheersen, te richten. Dit is logisch. Want wanneer U het zelf in Uw eigen beperkte wereld wilt
toetsen: In U leven bepaalde gedachten, verlangens, lichamelijke eigenschappen, die ver
teruggaan, vóór Uw eigen geschiedenis. In U leven evenzeer gedachten, verlangens en soms
stoffelijke begaafdheden, die - gezien vanuit het standpunt der gemiddelde mensheid - ver in
de toekomst thuishoren. Toch zijn het deze dingen, die U beleeft.
Mag ik een oordeel spreken over goed en kwaad? Vanuit het Goddelijke kan ik dit nooit doen.
Op het ogenblik, dat ik kom tot een mezelf verheffen boven de werkelijke wereld, boven het
werkelijk bestaan, zoals ik dat meen te kennen, zal ik te allen tijde zonder richtsnoer zijn voor
goed en kwaad, slechts gestuwd worden door mijn innerlijke drang. De innerlijke drang, die
bepaald wordt door factoren, die - rekenen we met tijd - in verleden of toekomst liggen: die
verder - gezien vanuit de huidige wereld - kunnen liggen in lagere of hogere gebieden van
bewustzijn. De consequentie is, dat voor de esotericus een ontdekking van steeds nieuwere
werelden noodzakelijk is.
Het kennis verwerven van je eigen "ik" impliceert het doordringen in een verleden en een
toekomst van tijd, verder in een diepte en een hoogte van bewustzijn. Een ieder, die tracht
gebruik te maken van zijn innerlijke begaafdheid,moet er dus rekening mede houden, dat deze
begaafdheid nooit geheel en al zal kunnen beantwoorden aan zijn stoffelijk en zelfs geestelijk
beperkt denken van het ogenblik. Elke kracht, die we aanboren, betekent het hernieuwd
openbare van iets uit het verledens gelijktijdig het thans scheppen van een toekomstige
verhouding, die door ons slechts embrionaal wordt gerealiseerd. Wij moeten dus ons
bewustzijn op een andere wijze weten uit te breiden dan een normaal mens dit doet.
Daarmede wil ik niet zeggen, dat da esoterici abnormaal zijn, maar ze behoren toch over het
algemeen wel tot a-normale typen.
Sommige denkrichtingen leren U terug te gaan naar vorige incarnaties. Velen stellen er prijs
op oude incarnaties steeds weer teug te vinden. Maar die incarnaties zijn maar een zeer
beperkt deel, een zeer beperkte weergave van de eigenlijke ontwikkelingsgeschiedenis. Andere
groepen stellen zich vooral in op het bereiken van contact met wat wij noemen de hogere
werelden. En eigenaardig genoeg stellen ze zich vaak die werelden evenzeer stoffelijk als
geestelijk voor. Hier grijpen zij zelfs vooruit in de tijd, in de toekomst. Beide groepen kennen
echter grote hiaten in hun denkwijze. Hun denkwijze is niet volledig en is niet redelijk. U zult
mij misschien willen volgen, wanneer ik dus tracht hier een systeem te ontwikkelen, dat -
althans m.i. - de grote fouten en hiaten van de meeste richtingen uitschakelt. Daartegenover
staat helaas, dat deze reeks van stellingen slechts persoonlijk kan worden toegepast, maar
nooit kan worden beschouwd als leidraad voor een groep.
Het ontstaan van het "ik" moet potentieel ingehouden hebben, wat ik thans ben. Ik kan mij
dus - ook vanuit het heden - altijd tot het begin, tot de bron terugverplaatsen. Het is voor mij
niet noodzakelijk de tussenliggende trappen te ondergaan. Deze zijn mede geïmpliceerd in
mijn huidig leven, mijn huidige persoonlijkheid. In de bron zal ik de oerdrift of oerdrang
kunnen vinden, die mij beheerst en die door alle levens en alle bestaanstoestanden mij blijft
voortstuwen. Want deze oerdrift is de bestemming - of zo U liever wilt: de plaatsbepaling - van
het "ik", binnen het kosmische en volmaakte geheel. De oerdrift, zoals wij die stoffelijk zouden
kunnen trachten te beredeneren, brengt ons terug naar toestanden, die op zijn minst genomen
wat vreemd aandoen. In de eerste plaats blijkt in elke mens en te allen tijde een drang naar
geborgenheid aanwezig. Vreemd genoeg vinden wij deze drang op een ander niveau ook
stoffelijk en geestelijk weerkaatst in alle werelden en alle sferen. Er mag dus worden
aangenomen, dat - ofschoon optredend in varianten - dit wel een van de meest krachtige
drijfveren genoemd mag worden van al het geschapene.

68 TIJDLOOSHEID
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 – Tijdloosheid

Daarnaast zien wij optreden een beweren tot éénwording. Stoffelijk kan dit zich soms
openbaren in een overdreven sexualiteit, dan wel in een buitengewone drang naar
verenigings- en groepsleven. Echter blijkt ons, dat ook in sferen en andere werelden een
dergelijk zoeken naar gemeenschap, naar groepsbestaan, voortdurend optreedt. Wij zouden
dus kunnen zeggen: de tweede oerdrang in ons wezen is het zoeken naar eenheid en
eenwording. Wij menen overigens dit te mogen verklaren uit het feit, dat wij als entiteit, als
individu, niet bewust van het volmaakte geheel, dit aanvoelen en zo trachten terug te keren
tot een deelgenoot zijn in dit geheel. Ook met de drang naar geborgenheid schijnt dit in
verband te staan.
Alles wat wij doen, onverschillig waar en in welk leven, zal uiteindelijk kunnen worden
teruggebracht tot één van die beide genoemde grondwaarden. Dit houdt in, dat bij een
persoonlijk onderzoek naar onze oerbron en oerwaarden onwillekeurig de voorstelling zal rijzen
van iets, dat aan beide behoeften volledig tegemoet komt. Dus een bevrediging van de drang
naar zekerheid, een bevrediging ook aan de drang der eenwording met al. Weten wij dit, dan
kan deze voorstelling ons vaak leiden en brengen tot een bewustzijn van onze persoonlijkheid
in het heden. Gelijktijdig is dit beginpunt een weerspiegeling van het einddoel. Want de kracht,
die in ons werkzaam is, moet een weerkaatsing zijn van de volmaaktheid. Is dit tot zover
allemaal duidelijk en begrijpelijk?
Dan zullen wij als naar binnen zoekende en strevende mensen of geesten in het heden komen
te staan voor de tijdloosheid van de werkelijke beweegredenen, die ons steeds zullen voeren.
Het is niet mogelijk deze te ontleden en te zeggen: dit stamt uit deze, dat uit gene periode.
Het is alleen mogelijk te zeggen: dit is de totale tendens. Al het andere, dat optreedt, is
slechts een verschijnsel daarvan, een uiting lus van dezelfde kracht, maar nu geuit via een
bepaald bewustzijn, dat - onvolmaakte voorstellingen kennende - een onvolmaakte projectie in
zich draagt. Deze onvolmaaktheid is voor ons weer zeer belangrijk. Want wij weten, dat wij
onvolmaakt zijn. Het feit, dat we niet absolute vrede, absolute rust kennen, en de honger in
ons om deze punten wel te bereiken, impliceren dus de noodzaak om altijd weer en te allen
tijde uit het onvolmaakte van het "ik" een aanvulling te scheppen, die - in werkelijkheid binnen
het "ik" gelegen - buiten het "ik" geprojecteerd kan worden. Ook dit, neem ik aan, is voor een
ieder duidelijk en begrijpelijk.
Dit geprojecteerde punt krijgt dan het aanzijn van een God. Deze God wordt op de meest
verschillende wijzen geëerd. De trap, waarop het eigen bewustzijn staat, bepaalt de wijze van
godsvoorstelling en ook de poging tot éénwording met die God. Dat gaat van de primitieve
godsdiensten, die vaak mensenoffers kennen (de grote offers dus): daarnaast komend tot
orgiën, die eigenlijk dus ook een weerkaatsing zijn van dát godsbeeld.
Ons godsbeeld zal - als ik U als gemiddelde hier neem - daarvan aanmerkelijk kunnen
verschillen. Het is vager, minder omschreven, meer omvattend. Het is ook minder reëel. Toch
zijn ook wij eens primitief geweest, hetzij op deze wereld, hetzij in een sfeer. En deze
primitiviteit maakt dus deel uit van ons wezen, onverbrekelijk en door alle tijden heen. Aan de
andere kant bestaat steeds de droom van het andere land, de andere wereld. Die andere
wereld wordt voor de simpele geloven hemelsfeer: voor ons, die beter weten, een
opeenvolging van werelden met een steeds veranderende bewustzijns- en voorstellingswaarde.
In de praktijk zal echter het verschil tussen hemel en sferen en misschien ook de eeuwige
jachtvelden en het Walhalla alleen een voorstellingskwestie blijven. Het is dus hel beeld, dat
verschilt, niet de werkelijke inhoud. Wanneer dit beeld in ons leeft, moet het volkomen geluk
in onszelf te vinden zijn. Is er iemand, die iets tegen deze conclusie heeft in te brengen?
Wat bedoelt U met volkomen geluk?
Het volkomen geluk wil zeggen: in jezelf volledig vervuld zijn. Dus zonder begeren zijn, zonder
angst, met een volledig bewustzijn van je eigen bestaan en van de totale waarde, die dit
bestaan heeft voor al het andere, dat bestaat.
Zijn we dan nog een persoonlijkheid of zijn we dan al terug in de bron?

TIJDLOOSHEID 69
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 - Tijdloosheid

We zijn terug in de bron en blijven toch een persoonlijkheid. Dat is nu juist het probleem.
Want denkt U aan hetgeen wij gesteld hebben - en ziende nu weer even vanuit het Goddelijke
- dan kan datgene, dat in volmaaktheid geopenbaard en geschapen is, nooit zijn waarde
veranderen. Op het ogenblik der schepping weiden wij geschapen als individu. Als zodanig
zullen wij dat blijven gedurende het gehele bestaan van de schepping. Maar - individu zijnde -
zijn wij tevens geschapen als totaalbeeld vare God: dus tezamen met de gehele schepping. De
consequentie is, dat wij dus ter allen tijde a.h.w. organisch verbranden blijven met het verder
geschapene en eerst, wanneer we de verbinding met het geschapene volledig in onszelf
realiseren, een werkelijk bewustzijn van ons "ik" hebben. Er is dus nog wel een "ik", maar nu
met een onderwerping van dat "ik" aan een groter geheel. Dat wordt daarin geïmpliceerd. Een
onderwerping, die thans onbewust bestaat, die echter - komende tot volmaaktheid - bewust
zal bestaan. Kunt U dat begrijpen?
Dus wij blijven tot de laatste instantie individu?
Ongetwijfeld. Steeds redenerend vanuit het goddelijk standpunt.
Maar individueel.
Individueel. Ik wil daarbij opmerken - vooral ten aanzien van de laatste vraag - dat deze
individualiteit, zoals ze volmaakt bestaat, wel eens aanmerkelijk kan verschillen van hetgeen
wij er thans ons onder voorstellen. Zodat vanuit menselijk standpunt een dergelijk opgaan in
het geheel een verdwijnen van het "ik" schijnt te impliceren, omdat de vrijheid van wil, de
mogelijkheid dus van persoonlijk handelen, praktisch wordt uitgeschakeld. Men vergeet echter,
dat in de volmaaktheid de drang tot vrije wilsuiting en de noodzaak daartoe ophouden te
bestaan. Dat is dus de moeilijkheid van dit punt. Nu gaan we het zó zeggen (en dan kom ik
weer terug op de zin, die ik in het begin gebuikt heb): Wanneer ik nu weet, dat ik gedreven
word door mij onbekende krachten, die in mijn wezen schuilen en die terug te brengen zijn tot
twee oerkrachten - die echter voor zich een persoonlijke definitie behoeven, wil men de uiting
daarvan binnen de persoonlijkheid kennen - dan zal mijn persoonlijkheidsonderzoek (het begin
van elke esoterische bewustwording) gericht moeten zijn op de realisatie van het "ik" in de
bron. Realisatie van het "ik" in de bron houdt in: een ervaren van begeerteloosheid,
willoosheid en vrede.
Wanneer dit voor een ogenblik is bereikt, zal de terugkeer tot het heden voor ons a.h.w.
inhouden een doorlopen van alle tijden, waarin ons bestaan gerealiseerd was. Verder een
hernieuwd ontwaken van alle bewustzijnsvormen, die tezamen onze huidige persoonlijkheid
uitmaken.
Dit gebeurt in een zeer korte periode en is dus voor de mens meestal niet uit te drukken in
een reeks van beelden, hoogstens in enkele symbolen. Een van de meest voorkomende
symbolen daarvan is licht. Een licht echter, dat zich wijzigt.
Het doet heel vaak denken aan een knap uitgedacht lichteffect, door de een of ander
meesterelektricien geprojecteerd op een leeg toneel. Dit lichteffect kan ons toch helpen. Want
wij zullen - terugkerende tot onszelven in de beleving - de illusie hebben, dat verschillende
kleuren van het spectrum achtereenvolgens optreden, Die volgorde zal voor den ieder
verschillen. Paar de kleuren corresponderen met de krachten, die wij ook in deze wereld van
heden soms geestelijk aanvoelen en of waarnemen.
Waarom zal een kind b.v. zeggen (een voorbeeld gevende): "Ja, dat boek is geel', terwijl
het helemaal niet van die kleur is. Het is de reactie van het kind op de inhoud. Maar een
ander kind zal het boek rood of zelfs paars noemen. Deze schijnbare irrealiteit van de
kinderlijke uiting berust heel vaak op een zuiverder en scherper aanvoelen van de plaats
van een voorwerp of een inhoud in de eigen ontwikkelingsgeschiedenis.
De laatste kleur die wij zien, de kleur die vaak overgaat in een symboolbeeld bij deze beleving,
is voor ons de kleur van het heden. En nu begrijpt U mij waarschijnlijk al wat beter: want
wanneer de volgorde van kleuren verschillend is, zullen de werelden en gebieden, waarvan zij
uiting zijn, dus naast elkaar in deze wereld kunnen bestaan. Elke kleur, die reeds doorleefd is,

70 TIJDLOOSHEID
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 – Tijdloosheid

benaderen, betekent een terugval. De huidige kleur a.h.w. (dus de huidige impuls) versterkt
beleven betekent zelfrealisatie. Het benaderen van de nog niet gekende kleuren betekent het
zonder redelijke mogelijkheid tot begrip benaderen van onze eigen toekomstige gestand. Is dit
ook voor iedereen duidelijk?
Het grootste bezwaar, dat U tegen hetgeen ik gezegd heb kunt inbrengen, is: "Ja, maar wij
bereiken dit niet." Daarover zou natuurlijk te spreken zijn. Maar ook hier is geen algemene
regel te trekken. Het gaat er mij dan ook niet zozeer om U een aanwijzing te geven ter
duiding, dan wel een beeld te scheppen voor U van Uw werkelijke: innerlijke toestand. In deze
innerlijke toestand komen de aspecten van de tijd dus in willekeurige volgorde voor.
Deze volgorde is in genen dele gebonden aan hetgeen stoffelijk of geestelijk beleefd wordt.
Om het even met een wereldbekende term te zeggen: er bestaat een individuele kleurcode,
die de fasen van het leven aangeeft, Waar die achter voor velen verschillend zijn, kan worden
gezegd, dat hetgeen A, in tijd één honderd realiseert, voor B, pas gerealiseerd kan worden in
tijd één miljoen. Toch kunnen beide qua bewustwording gelijkstaan, waar zij een geestelijk
aantal fasen doorlopen hebben en hun bewustzijn dus met 'n gelijk aantal factoren is
uitgebreid.
Dat dit een eigenaardig beeld werpt op de menselijke gewoonten om te oordelen en te spreken
over goed en kwaad, is wel duidelijk. Want wanneer onze kleurcode zo aanmerkelijk verschilt,
zou het beste voor A, gelijktijdig misschien dodelijk kwaad voor B, kunnen betekenen, Wat
voor B, een terugval is, is voor A, een bewustwording en omgekeerd. Het heeft dus geen zin
moed en kwaad te gebruiken als oordeelswaarden buiten het "ik".
Toch zullen wij de waarden goed en kwaad in ons eigen bewustzijn, dat dus wel aan tijd
gebonden is, voortdurend blijven hanteren. Wij moeten leren de normen daarvan ze te stellen,
dat zij zo veel mogelijk aan de werkelijke verhouding van het ware "ik" tegemoet komen. Dit
betekent, dat ze slechts dan te hulp worden beroepen, waar geoordeeld moet worden over
eigen verdere bewustwording, dan wel over het behoud van eigen huidige toestand of vorm. Is
dat duidelijk? Geen bezwaren?
Nu zal op de duur het ons mogelijk worden, vooral wanneer wij een redelijk aantal fasen van
bewustzijn in ons dragen, om elk dier fasen afzonderlijk voor onszelf te activeren. (Denkt U
niet, dat dit gepaard zal gaan met de droombeleving van b.v. vroegere bestaansvorm. Dit kán
wel eens voorkomen maar is een begeleidend verschijnsel.) Het betekent, dat al het vroeger
doorleefde in het heden gerealiseerd kan worden en dan tot een onmiddellijke daadimpuls
wordt in de huidige wereld. Moet ik U daarvan voorbeelden geven of vindt U het zo duidelijk
genoeg? (x Graag!)
Stel: A, een normaal vreedzaam mens. A. komt in condities, die hem herinneren aan de
oerperiode. En nu willen wij die omwille van het beeld dan leggen ergens in het paleocethicum.
Das een zeer vroege holenmens, laten we hem zo maar noemen. In deze holenperiode was
met geweld uitdrukken van eigen wens en wil normaal.
Op het ogenblik, dat deze mens in die omgeving komt en zijn eigen beheersing van het heden
dus wordt belaagd door die omgeving, zal hij reverteren tot het vroegere gedragsbeeld. Wij
krijgen dan te maken met die heel goede mens, die plotseling in drift, in een opwelling, een
ander kan doden. Dit is niet een tijdelijke verstandsverbijstering, maar een tijdelijke
vervanging van innerlijke waarden, waardoor de eigen dadendrang als wel de eigen
lichaamsbeheersing totaal verandert en - vooral wanneer we teruggaan naar een vrij vroege
periode van menselijke ontwikkeling - de eigen beheersing van de daad wegvalt ten voordele
van de instinctieve reactie. Is dit voorbeeld duidelijk? Dan wil ik een tweede beeld nemen.
Stel, dat iemand in zijn ontwikkeling een periode heeft doorgemaakt van hooggeestelijk
bewustzijn. D.w.z., dat in deze periode dus zo iemand contact had met andere werelden en
sferen en in deze andere werelden en sferen een leiding vond voor zijn huidig en persoonlijk
bestaan. Is die premisse aanvaardbaar? Dan kan het zijn, dat deze mens door een terugval of
een vooruitgrijpen - zo U wilt - naar deze conditie, komt tot een profetisch leven. Denk b.v aan
Jeanne d'Arc, die van te voren zei, wat de resultaten van haar daden zouden zijn. Het beeld is
TIJDLOOSHEID 71
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 - Tijdloosheid

echter onvolledig, omdat de "ik"-realisatie in de huidige vorm daarbij geheel of grotendeels is
uitgeschakeld. Is ook dit beeld eveneens duidelijk?
Dan het derde. Stel, dat in mijn wezen een reeks factoren aanwezig is, die voor het
gemiddelde der wereld in meer of minder nabije toekomst - enkele honderden jaren dus -
eveneens gerealiseerd zal kunnen worden. Dan zullen mijn eigen handelingen en gedachten in
vele gevallen een weerkaatsing zijn van condities, die op de wereld thans nog niet bestaan. Dit
kan tot uiting komen in het doen van uitvindingen. Uitvindingen, die meestal door de tijd zelve
tenzij de worden gelegd. Het kan ook tot uiting komen door het scheppen van kunstwerken,
die qua constructie en geestelijke inhoud eerder een beroep doen op de komende tijden dan
op de eigen periode. Het kan zelfs zijn een ontwikkeling van een gedachtereeks of een
staatkundig systeem, dat grijpt naar een toekomstige mogelijkheid, maar in het heden niet te
verwerkelijken is. Is dat ook duidelijk? Heeft U met deze voorbeelden begrepen, wat ik bedoel?
Of blijft er nog een leegte?
Ik heb het begrepen. Maar er blijft voor ons mensen toch altijd weer de kwestie, dat wij deze
momenten kunnen beleven, waar maken en kunnen nagaan door er over te denken en ons af
te vragen: Waarom reageer ik nu zus of zo? Maar wij zullen ons toch nooit een realisatie
kunnen maken uit een periode van een bewustwording, die wij al hebben doorgemaakt of nog
zullen doormaken. Die realisatie in jezelf is geen realisatie. Men kan wel een begrip voor
zichzelf vastleggen en zichzelf telkens oreer afvragen: "Hoe kom ik daar nu aan?" Maar verder
kom je niet.
Ja, zelfs dit afvragen is eigenlijk nog niet eens mijn bedoeling. Mijn bedoeling is, dat U
begrijpt, hoe de factoren van heden en toekomst in het heden volledig actief kunnen zijn. Het
was dit punt, dat ik met mijn voorbeelden vooral duidelijk wilde maken. Want dit houdt in, dat
het heden volgens de huidige stand van bewustzijn - let wel: de huidige stand van bewustzijn -
een min of meer bewuste uiting zal zijn van de totale persoonlijkheid en levenswaarden binnen
het Goddelijke als deel van de volmaaktheid. Is dat te volgen? Dan komt hieruit voort, dat
wanneer ik in het heden als esotericus streef naar een leven, waarbij de innerlijke betekenis
der dingen mij klaar en duidelijk moet zijn, ik in veel verschillende perioden van handelen zal
komen, zodat mijn eigen gedrag variabel zal zijn. Daar staat echter tegenover, dat deze
variabiliteit van gedrag - ja, zelfs van aanvaarde normen - mijn persoonlijkheid vollediger
geuit zal worden en mijn bewustzijn dus steeds meer fasen van het totale bestaan reeds in het
heden zal kunnen bevatten. Dit noemt men een bewustzijnsuitbreiding en als gevolg hiervan
komt dus een bewustwording, waarbij in het vervolg niet slechts één maar meer geopenbaard
en verdere fase van persoonlijkheid gelijktijdig kunnen worden geopenbaard en beleefd.
In deze wijze van streven vindt de esotericus dus een vermindering van de onbekende
krachten in het ik, die vervangen worden door gekende, gerealiseerde en gebruikte krachten
van het "ik", die zijn bewustwording zowel als zijn innerlijke vrede sterk helpen bevorderen.
Zo vrienden, dat is het punt, dat ik voor vandaag: met U wilde bespreken En ik meen, dat -
wanneer U hier nog eens over nadenkt - er nog heel wat problemen uit kunnen voortvloeien.
Dat is echter niet erg, want deze problemen kunnen wij - desnoods na de pauze, wanneer U
wilt, of anders een volgend maal kort behandelen,
Het was moeilijk.
Het is niet moeilijk, maar het is de ontwikkeling van een gedachtegang, die de meesten Uwer
vreemd is. U moet er eerst aan wennen.
Het is gemakkelijker terug te grijpen over deze onderwerpen na de lezing dan nu direct.
Dus om dan terug te grijpen op onze voorbeelden van zo even: Het begrip, dat U thans hebt
getoond is een weerspiegeling van een toekomstige periode, waarin u door studie een redelijk
begrip bereikt heb (dat is natuurlijk maar een grap. Er zit wel enige waarheid in, maar zo is
het niet helemaal.)

72 TIJDLOOSHEID
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 – Tijdloosheid

Mag ik nog iets vragen over deze oerimpuls, waar U het had? Is die voor ieder individu
gelijk? Of zijn er tegengestelden?
Ik zou aannemen van niet. "Tegengestelden" vind ik zeer moeilijk, want een "tegenstelling"
bepalen wil zeggen: toch weer een zekere gelijkheid van drang aangeven is.
Ik bedoel, dat in de één een impuls, die tegengesteld is aan de impuls van een ander
individu,
Ik weet wel wat U bedoelt, maar ik kan het moeilijk in dit beeld thuisbrengen. Ik zal proberen
het, voor U te ontrafelen. U kunt zich een lichaam voorstellen? Het lichaam kent veel
verschillende soorten spierweefsels, zenuwcellen, organen, afscheidingproducerende organen,
enz.. Denkt U maar aan de gal, wanneer U zwartgallig bent. (Ja, niet U persoonlijk natuurlijk)
Dan kunt U zich ook voorstellen, dat de impuls, die elk van deze cellen heeft een ander is: en
wel omdat zij binnen het organisme een bepaalde taak heeft. Kan ik nu zeggen, dat b.v. een
doel van de hypofyse een impuls is tegengesteld aan de werking van de bijnier en dus ook van
de delen van de bijnier? Onder omstandigheden kan afscheiding van de hypofyse inderdaad de
bijmier remmen of stimuleren: maar daar maken wij toch geen tegenstelling van oerkracht of
een overeenkomst uit?
Mijn gedachtegang is deze: Laatst is er gesproken over een rechter- en een linkerweg
ingang, dus een positieve en negatieve impuls,
Ja, maar deze wordt weer vanuit de persoonlijkheid bepaald. Dus om het simpel te zeggen
binnen dit verband: dan zou de rechterweg in het heden optredende realisatie van zo veel
mogelijk eigen levensfasen betekenen en dus een bewust terugkeren naar de volmaaktheid
daaruit voortvloeien. De negatieve weg tracht zoveel mogelijk van de vroegere ervaringen te
elimineren om zo te komen tot het rusten in de bron zelf, Dan heeft U precies hetzelfde
gezegd. Dus kunnen wij het moeilijk zeggen, dat er tegengestelde impulsen bestaan. We
kunnen wel zeggen, dat bepaalde elementen in het lichaam in de eerste plaats aan bouwende,
de andere een zekere brekend functie verrichten. Dat is hun taak: en zonder beide functies
zou hit lichaam niet kunnen bestaan, De één ontleedt, de ander voegt samen, enz.. De een
verbindt zich, de ander scheidt zich af. En deze grondimpulsen zijn dus voor elk wezen slechts
persoonlijk te definiëren en wel naar gelang de plaats, die het inneemt binnen het "ik", de
schepping. Maar het "Ik", de schepping, omvat niet alleen de mensheid, maar bovendien alle
andere uitingen, die er bestaan van de grootste en de meest geestelijke tot de kleinste in de
laag-stoffelijke toe. En daaruit volgt dus, dat wij voor de mensheid aan zekere norm mogen
stellen. Die norm heb ik dan getracht te stellen door het wijzen op twee driften, die elke mens
en elk wezen, dat de menselijke weg volgt, schijnbaar ingeboren zijn, n.l. het zoeken naar
eenheid en het zoeken naar geborgenheid. Dus we mogen zeggen, dat die impuls bij allen
gelijk is. De wijze, waarop zij bereikt wordt en nagestreefd, kan bij ieder verschillen. Dat doet
aan de oerkracht verder niets af. Is het duidelijk geworden? Is hier nog meer over te
beantwoorden op het ogenblik?
U heeft o.a. gezegd: Veronderstel, dit er twee wezens in eenzelfde sfeer zijn, een lichte
sfeer: en voor de één is een daad goed en voor de ander is dezelfde daad kwaad. Dat
begrijp ik niet goed.
Dan zal ik proberen hiervan een voorbeeld te geven, zodat het U duidelijk wordt. Laten we
zeggen: Ik sta daar samen met een collega. We kennen elkaar, we spreken met elkaar. Nu ligt
in mijn wezen op het ogenblik onderwijzen, doceren, dus het mededalen van kennis. Dat houdt
in, dat mijn vergaren van kennis daarop is afgesteld. Wanneer de collega dat echter zou doen,
zou hij in zichzelf zijn ontwikkeling en bewustwording onderbreken, dia ik juist daarmee
bevorder. Hij daarentegen is juist ingesteld op het vergaren en uitstralen van kracht. Wanneer
wij na onze plaatsen zouden verwisselen, dan zouden wij beiden - vanuit ons standpunt -
kwaad doen. Ik, omdat ik met krachten zou werken, die voor mij geen feitelijke betekenis
hebben en dus een deel van mijn bewustzijn a.h.w. u uitwissen door hun geweld. (U zoudt
kunnen zeggen een soort van amnesie: als vergelijkend beeld natuurlijk.) Terwijl de ander
daarentegen, gewend aan de kracht, niet in staat zou zijn om a. de kennis op te nemen, b. om
ze weer te geven. Daardoor zou hij ook in een toestand van armoede, van verhongering
komen, die voor hem ook weer noodzakelijkerwijze betekent het afsluiten van het eigen wezen
TIJDLOOSHEID 73
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 - Tijdloosheid

voor een reeks van activiteiten. De consequentie komt uit het beeld dus duidelijk naar voren:
ofschoon wij op gelijke hoogte staan, zal onze verschillende instelling onze eigen wijze van
streven en beleven bepalen en verandering zou daarvoor kwaad zijn.
Ik had het anders begrepen,
Het komt natuurlijk wel eens voor, dat we elkaar niet helemaal begrijpen.
Ik dacht, dat het ging om de beoordeling van een zekere daad en dat de één die daad zou
goedkeuren en de ander die zou afkeuren.
Ook dat is mogelijk. Laat ik dan het voorbel d anders stellen. We hebben twee mensen naast
elkaar. (we zetten het nu even in een menselijk beeld.) De één is een Yogi, die dus is ingesteld
op een minimum aan voeding, een maximum aan kracht, een maximum van beschouwing en
een vergroting van eigen bewustzijn. De ander is een eskimo met over het geheel genomen
dezelfde instelling. Deze leeft als eskimo's doen - dus met een zeer ruim vlees- en vis- dieet,
wanneer het mogelijk is, terwijl hij praktisch geen groenten gebruikt. Hij is iemand, die zeker
een beschouwend leven alleen voert in een beslotenheid, die de verbinding met mensen zeer
belangrijk vindt, wat de yogi grotendeels afkeurt. Zet die twee mensen nu naast elkaar: gaat U
ervoor zitten en begint U dan eens groenten te eten. Alleen maar groenten. Wat zegt deze
Yogi?. "Kijk, die man doet goed". De eskimo zegt: "Neen, die man doet verkeerd." ',Want de
Yogi zegt: "Geen dierlijke impulsen in het voedsel, dus vergrote mogelijkheid om tot
geestelijke rijpheid te komen." De Eskimo zegt: "Een te weinig aan dierlijke vetten en eiwitten,
waardoor een gebrek aan kracht ontstaat, dat door uitputting van het lichaam de ontwikkeling
van de geest ommuurt." Vanuit hun standpunt hebben beiden gelijk. Stelt U zich nu geesten
voor met een soortgelijk verschillende ontwikkeling en laat ze dan een daad op aarde
beoordelen. Dan zal de één zeggen: "Dat is een daad van onthouding, dus van zelfbeheersing
en dus gunstig." Goed. Uitstekend. De ander staat ernaast en zegt: "Ja, maar dat is een daad
van ontkenning van in het leven bestaande waarden, als zodanig een beperking van
bewustwording, en dus kwaad. "
Maar U zegt nu: van verschillende ontwikkeling.
En toch op gelijke hoogte. Dezelfde sfeer. Ik heb het niet had over gelijke ontwikkeling, ik heb
het gehad over gelijke sfeer. Is ook dit duidelijk geworden? Zijn er nog meer punten op het
ogenblik op te helderen? Dan lijkt het mij beter dit eerst te laten bezinken. Dan gaan we na de
pauze verder met zo mogelijk ietwat lichtere onderwerpen. Het is misschien voor U ook een
beetje droog geweest. Helemaal niet droog. Niet droog en niet moeilijk ook?
Moeilijk wel.
Juist, dan kan ik U in ieder geval een aangename avond toewensen en wijs ik er nogmaals op,
dat U dus - wanneer er problemen uit rijzen - de volgende maal deze uitvoerig kunt
behandelen op deze bijeenkomst. Het is een belangrijk punt. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Zijn er nog vragen te beantwoorden of zijn er nog opmerkingen? ….. Niemand?
Voorkeur voor een bepaald onderwerp? Ook niet?
U heeft de vorige keer over kabbala gesproken en zeide toen, dat U er nog op terug zou
komen.
Dat wou ik net zeggen. U haalt mij de woorden uit de mond.

De kabbala
De kabbala is natuurlijk een levensleer en wanneer je erover praat kun je een klein stukje zus
en een klein stukje zo nemen, maar in het geheel vraagt het heel veel tijd om er werkelijk mee
te kunnen werken. Daarom wil ik U vandaag - omdat er gesproken is over harmonie en wat er
zo meer bij terecht komt - een beetje vertellen over de leer van de kosmische harmonie, zoals
wij die kennen binnen de kabbalistische levensleer. Gaat U daarmede akkoord? (Graag.)

74 TIJDLOOSHEID
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 – Tijdloosheid

Wanneer wij kabbalistisch de zaak bezien, dan bestaat er tussen alle schepping een harmonie,
die van het Goddelijke uitgaat. Wij kunnen deze harmonische aspecten vastleggen en daardoor
ontstaat er een verhouding tussen alle dingen en dus ook tussen klank.
Op grond daarvan zeggen we b.v., dat een woord een begrip dekt, maar dat het begrip nooit
in overeenstemming kan of mag zijn met de oppervlakkige beduiding. Want het woord op
zichzelf hoort in één tijd thuis, maar feitelijk gezien is dat woord de uitdrukking van een
eeuwige waarde. Het woord kan veranderen, maar de betekenis, de letterwaarde, de
klankwaarde blijft gelijk. Omdat dat gelijk blijft, kunnen wij het kerngetal daarin zoeken en
onmiddellijk zien, waar het bij hoort.
Zoals dat nu geldt voor letters en voor woorden, zo geldt dat ook voor mensen. Een mens kan
behoren tot een bepaalde groepering. Die groepering is geen vereniging, het is geen clubje
“onder ons”, maar het is werkelijk een band, die bestaat tussen schepselen van verschillende
grootorden, die allen tezamen liggen in één aspect van het Goddelijke, waarbinnen zij besloten
zijn. Zolang zij dat bewustzijn bezitten, zijn ze harmonisch en in dit harmonisch bestaan zal
een voortdurende wisselwerking mogelijk zijn tussen de hoge krachten en b.v. de mens, die in
dezelfde orde van bewustzijn valt. Dat is het beginsel, dat voor iedereen - zou ik zeggen - heel
eenvoudig is. Nu komt de grote vraag: Hoe zal zich - kabbalistisch gezien dus steeds weer -
deze harmonie uitdrukken? In de eerste plaats natuurlijk is er eenzelfde grondgetal. Het
grondgetal is eigenschapsbepalend. Dus de realisatie van een verhouding ten opzichte van God
is daarin vastgelegd. Wanneer dat voor allen gelijkelijk bestaat, is het mogelijk vanuit hun
huidig bewustzijn - al is dat nog zo klein - een contact te krijgen met de hoogste kracht,
waarin die gelijke goddelijke waarde geuit is.
Dan kun je verder gaan en dan zeg je zo tegen jezelf: "Ach, wat zal ik nu daarboven gaan
zoeken? -Wat heeft het nu voor betekenis, wanneer ik al tot dat getal behoor? "dat houdt het
in?" En nu drukken wij dat getal uit om een verschil mogelijk te maken in drie waarden. Dus
om voorbeelden te geven, die U kent: het getal 666, het getal 999, het getal 144. Dat zijn dus
van die eigenschapsbepalende getallen. Ze houden n.l, grondwaarden in. Ik zal ze maar even
ontleden, wanneer U er geen bezwaar tegen hebt. Dan beginnen we natuurlijk met 144000,
het eenvoudige getal. 1 = het Goddelijke, niet geopenbaard: 4 = het dierlijke én 4 = het
dierlijke. Wanneer het dierlijke in twee aspecten bestaat, dan kan dat nooit op dezelfde wereld
zijn. Dus 1, al omvattend, goddelijk, 4 het dierlijke, dus het leven op zichzelf, stoffelijk: én 4
het leven op zichzelf - geestelijk. Tezamen maken deze uit het getal 9. Daarvan kan dus
worden gezegd, dat in het getal 144.000 optreden de scheppende kracht, de dierlijke factor
van het stoffelijk leven en de dierlijke factor van het geestelijk leven. Dat laatste zal ik U
verklaren, zodat U niet in raadselen blijft steken. Dierlijk wil zeggen: van "Ik" ten dele of
beperkt bewust. Er zijn b.v. veel engelen, die beantwoorden aan het getal 4. Want door hun
leven zijn zij in dezelfde geestelijke cyclus opgenomen en hebben nooit de scheiding van het
Goddelijke gekend, zoals de mens die heeft doorgemaakt. Geestelijk zal b.v. kunnen worden
gebruikt om aan te duiden de status van Adam in het paradijs, niet daarna. Dus het wandelen
met God, maar zonder kennis van goed en kwaad. Wanneer die factoren samentreffen ontstaat
daaruit de hogepriesterlijke mens, 9, die in zich draagt het kennen der wereld, het kennen der
geest, maar die bovenal in het Al aanvaardt de goddelijke wil en zich hierdoor laat leiden.
Simpel, hé, doodeenvoudig. Het is maar een weet.
Dan het getal 666. Dat is ook een eigenaardig getal. 6 is het getal van de mens. Niet van de
geestelijk bewuste mens, maar van de mens, dus van het oordeel. Adam na zijn verdrijving uit
het paradijs. De mens van conflicten en tegenstellingen. Dit drie maal. Dus in de schepping
gezien: als openbaring van conflicten. In de mens gezien: als de dierlijke mens: het wezen,
dat - zich van zichzelve bewust - in zijn conflicten niet de oplossing zoekt tezamen met hogere
waarden, maar voor zich alleen. En in de geest gezien: de geest, die zich afzondert van het
Goddelijke en in zijn oordeel bestaat t.o.v. het Goddelijke. Wat is nu het eigenaardige? Voeg ik
deze samen, dan krijg ik eerst 18. En dat is God én priester. Weer het goddelijk principe. Maar
nu met de priester en niet met de hogepriester. Want hier zijn twee werelden, die elkaar nog
tegengesteld zijn, ingelegd in het symbool van acht (liggend), het symbool van oneindigheid.

TIJDLOOSHEID 75
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 - Tijdloosheid

De conclusie is duidelijk: wanneer hier 9 uit voortkomt, dan heb ik de persoonlijke
hogepriester, die niet spreekt tot het Goddelijke, maar voor zich wil spreken vanuit het
Goddelijke. Een absolute tegenstelling tussen het getal 9, dat wij zo-even hadden en het getal
g, dat we nu krijgen. Maar nu het vreemde. Nu heb ik 999. Dat is het getal van het offerend
principe. Gaan we dat nu samenvoegen dan krijgen we eerst 9, hogepriester in het Goddelijke.
Dus niet het volmaakt Goddelijke maar een uiting van het volmaakt Goddelijke in het
onvolmaakte. We krijgen 9, de hogepriesterlijke mens: de mens, die treedt voor het aanschijn
Gods en Gods wil vervult. En we krijgen 9 in de geest. Het bewustzijn van het Goddelijke
zonder volledige opgang in het Goddelijke. Voeg hen samen, dan komt daaruit het getal 27.
Wat is nu 2? 2 is de geopenbaarde God, het wezen dus in de tegenstellingen: en 7 is de
geestelijk bewuste mens. Het eindgetal is wederom 9. Maar nu opgebouwd dus uit het
geopenbaard Goddelijke én de geestelijk bewuste eens - impliceert het: een harmonisch
worden van de mens, de geestelijk bewuste mens, mét de schepping, mét de geopenbaarde
godheid. Conclusie: dit getal 9 is evenzeer hogepriesterlijk. Het hogepriesterschap, dat hier
staat voor de eenwording met het Goddelijke, zonder daaraan te hebben toegevoegd de
volledige bereiking. Je ziet met die getallen kun je heel veel aantonen over die verbanden.
(Het is toch allemaal goed gesteld, wat ik gezegd heb, hé?)
En een negatief getal?
Het negatieve getal was 666. Dat heb ik U verteld. Dat is 3 keer 6 dus de zich bewuste maar
nog dierlijke mens (niet geestelijk bewuste) en dit geïmpliceerd in elk der sferen - goed
onthouden! Dus het eerste getal staat voor God, het tweede getal staat voor de stof en het
derde getal staat voor de geest. De stof ligt tussen God en de geest in. Dat heeft ook weer zijn
betekenis Want God is het scheppende, het openbarende principe. De relatie in God is dus het
omschrijven van een deel van de volmaaktheid, dat betrekking heeft op deze persoon,
toestand of groep. Dat is duidelijk. Het tweede getal geeft aan de mens, want het menselijke
of stoffelijke is een directe uiting van het scheppend principe. Eerst door de werking van het
goddelijke én het stoffelijke kan het bewustzijn ontstaan, dat uiteindelijk de geest is, het
bewustzijn, waardoor de ziel, deel van het Goddelijke, kan ingaan tot het Goddelijke. Of
anders gezegd: de grond, de aarde is de basis, waarop de levensboom groeit, de geest. Maar
de aarde kan niet bestaan zonder de hemel. De hemel is het eerst noodzakelijk. Zonder hemel
geen aarde. Dan de aarde, want uit de hemel en de aarde wordt geboren bewustzijn. Simpel.
Als je even nadenkt wiet je het zelf ook. Nu denkt U: Nat zit hij op te scheppen, (Ik heb het
ook van een ander geleerd) omdat de meeste mensen de eenvoudige dingen voorbij kijken.
Vrat dat betreft zijn ze net als de mensen, die een bril opzetten om dichtbij te zien en dan zien
ze niet meer wat veraf is.
Ze zetten hun bril af, dan kan de hele schat van alle wereldse wijsheid en alle kosmische
wijsheid onder hun neus liggen en dan kijken ze naar verder, wat daar loopt Laten me eerlijk
zijn: menige man heeft de geestelijke wijsheid vergeten, omdat er verderop een aardig meisje
liep. Maar nu terug naar de ernst, waant we fitter hier niet voor niets.
Dus het gaat hier over de eenheid. En het principe van eenheid, harmonie met een deel van
het Goddelijke, wordt dus in die grondgetallen uitgedrukt. Die getallen lopen van 1 tot 0. Dus
over 9 natuurlijk. Daarna echter komen wij tot de paling van mogelijke harmonie. Dus dit zijn
de directe harmonieën, die lopen a.h.w. verticaal. Van de hoogste af tot de laagste toe,
Daarnaast echter bestaan z.g. horizontale harmonieën. En dat is b.v.: 1 en 3 rijmt, 2 en 4
rijmt ook, maar 1 en 2 rijmt niets Kunt U vatten wal ik bedoel?
Neen.
Dus er zien bepaalde eigenschappen. Om nu even te blijven bij de kosmische uitleg: 1 is God,
niet geopenbaard, maar God. 2 = de scheiding in tegendelen, maar die houdt nog niet in het
wetend Goddelijke. 3 = de drie-eenheid, de drie factoren, die het zijn begrenzen en in hun
geheel identiek zijn met God. Zo zijn. 1 en 3 uitdrukkingen van dezelfde waarde, waarbij
echter in 3 de functies, die erkend kunnen worden in 1, bepaald worden.

76 TIJDLOOSHEID
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 – Tijdloosheid

In 2 echter is uitgedrukt een wereld, dus een schepping, een tegenstelling.
Die tegenstelling komt het best tot uiting in 4, in het dierlijke. Want in het dier bestaat het
ik-bewustzijn als gescheiden van een Al-bewustzijn, (De tegenstelling ligt erin weerkaatst,
terwijl wij verder in het dier vinden het persoonlijk groei end bewustzijn, de
persoonlijkheidsbegrenzing, die ook bestaat: daartegenover het niet scheiden van het ik van
de oorzakelijkheid rond het ik. En dan ligt daag verder in de factor (misschien ook weer één
van de belangrijke): het stoffelijk geuite. Voor het dierlijke is de noodzaak tot stoffelijke uiting,
enz primair. Daarom rijmen dus 2 en 4 wel, maar 1 en 4 niet, want 4 omvat niet alles wat in 1
ligt, noch wat in 3 ligt. Maar het is een duidelijke illustratie van 2, de tegenstelling, die in het
dierlijke tweemaal geuit is. Kunt U mij volgen? Die twee zijn niet identiek.
Dan kon ik dus tot de z.g. twee-getallen. Die kunnen dus zijn 12, 22, 32 enz. Ga maar door.
Dat is met elke getalcombinatie mogelijk. Een dergelijk na-risgetal geeft aan met welke
factoren harmonie bestaat. B.v. alles, waarin 1 voorkomt, duidt op een relatie met de kosmos.
Een goed esotericus zal dus uiteindelijk komen tot een naamsgetal, of zelfs door
naamsverandering en persoonlijkheidsverandering tot een nieuwe naam met het getal, waarin
1 primair staat, dus contact met het Goddelijke als zodanig, en daarachter een getalletje, dat
uit, wat er gaande is,, 12 dus een verdeeldheid van leven, de worsteling in stof en geest, maar
beiden in relatie met het Goddelijke, nietwaar? 3 het kennen van het wezen als drievoud van
functie: , die in relatie staat tot het Goddelijke, enz., enz. Tot het hoge priesterlijke, nietwaar,
waarin de persoonlijke godsaanvaarding gescheiden staat van God zelve, maar gelijktijdig een
volledig kennen en aanvoelen. van de godheid praktisch mogelijk maakt. Dus een putten uit
het Goddelijke. Krijg je 2, dan heeft het getal weer zijn tegenstellingen. En nu zult U begrijpen,
wanneer ik dat heb, dan ben ik in die twee getallen zelf gedefinieerd in mijn horizontale lijn,
maar daarnaast zal alles, wat 3 is b.v. of 2 (zoals ik ben) in bepaalde feiten harmonisch zijn.
Dan kun je dus zeggen: onze lijn, ons zoeken naar het Goddelijke, staat op een verschillend
plan. De werkingen uit de geest, die ons bereiken, zijn verschillend, maar wij kunnen elkaar
begrijpen, doordat onze stoffelijke of soms ook geestelijke condities zozeer gelijk zijn, dat we
elk in ons eigen beleven tot een gelijk probleem komen.
Of niet?
Dan gaan we de zaak verder uitrafelen en dan zeggen we dit: " Wanneer dus een harmonisch
aspect bestaat in de breedte, horizontaal, dan betekent dit, dat een zekere broederschap
bestaat. die ook geestelijk en vaak ook in het Goddelijke doorwerkt. Als zodanig is tussen de
gelijke horizontale getallen, (dus het tweede in het tweetallig nummer) te rekenen met de
mogelijkheid tot goede samenwerking, telepathische prestatie, scherp aanvoelen, elkaar
compenseren, enz. Heb ik echter beide nummer s gelijk, dan is tussen die twee een eenheid
mogelijk. En die eenheid impliceert een volledig intreden in elkaars leven.
Dit intreden houdt ook in, dat in beide dezelfde grote geestelijke krachten werken. Daar maak
je gebruik van.
Zo kan ik mij b.v. voorstellen, wanneer twee wezens - zij het verder op een verschillende trap
van ontwikkeling staande - beide getallen, die de grondwaarden van het "ik" en "streven"
aangeven, gelijk hebben, en de één in nood komt hier, de ander dit daar ervaart, niet alleen
als een premonitie, een voorvoelen, maar eerder als een verschijnsel, dat de wereld verandert.
Dus alles, wat harmonisch is met die krachten, verandert onder die impuls: en zo is het voor
allemaal waarneembaar,
Denk eens aan het evangelie, wat het over Jesus' kruisiging zegt. Er staat de aarde beeft, de
doden staan op en worden zichtbaar, de zon verduistert, enz. U kunt zeggen: Dan zal het een
natuurverschijnsel geweest zijn. Maar U kunt ook zeggen: Hierbij was dus klaarblijkelijk van
een zodanige harmonie sprake tussen het wezen, dat stierf en tussen de natuur en de
aanwezigen, dat al wat harmonisch was gewekt werd en zich dus toonde. Er daarom deed zich
dit verschijnsel voor. En dat is de innerlijke betekenis ervan. Want als je hoort vertellen hoe
het eigenlijk zou moeten zitten uit de kant van b.v. niet-Christenen, dan zeggen ze: Ja, maar
een aardbeving is er rond die tijd toch niet geweest. En zonsverduistering? Nou, dan klopt die
TIJDLOOSHEID 77
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 - Tijdloosheid

datum helemaal niet. Dat zou 50 jaar moeten verschillen. En zo gaan ze verder. Maar neem
het als een totale indruk, als een ondergaan van iets, dan kan het onbetekenend trillen van de
aardbodem worden tot een verschrikkelijke aardbeving. Dan kan helderziendheid in de plaats
komen van werkelijk uit de dood opgestane wezens, enz..
Dan ga je weer verder. En dan ga je voor jezelf proberen te bepalen: Kan dat elders
voorkomen? Dan is het antwoord: Ja, dat kan elders voorkomen. Wanneer U in harmonie bent
met anderen op de wereld en die anderen zijn opstandig, dan ontdekt U ineens door die
harmonie een legerstelling in Uw omgeving en de opstandigheid kan ook bij U als indruk
ontstaan.
Wanneer een geestelijke impuls U bereikt in Uw eigen streven en eigen nummer dus, verticaal,
dan is het zo, dan allen, die gelijk staan met U, de gelijke krachten kunnen ondergaan. Dan
ontstaat er dus een verandering a.h.w. in geestelijk staan tegenover de wereld. Je toestand
wordt tijdelijk gewijzigd - ook wanneer je niet precies begrijpt waarom - omdat het kan komen
uit het hoger bewustzijn. Omgekeerd kunt U vanuit een kleiner bewustzijn aanvoelen, wat
a.h.w. op komst is en als het voor U niet belangrijk, (het is maar een kleine factor in Uw eigen
leven) komt toch dit in Uw persoonlijkheid naar boven en tot uiting. Het beroert niet alleen U,
maar de hele verticale reeks tot de bovenste toe. Kunt U dat alles vatten? Wanneer U er iets
over wilt vragen, dan doet U het maar.
Dus is het a.h.w. een gelijke trilling, die ze dan gewaar worden?
Dat is natuurlijk een manier om dat uit te drukken. Zeg, dat za een gelijke trilling hebben. Dat
is natuurlijk weer niet direct kabbalistisch. Het beeld op zich. Maar ze hebben een gelijke
trilling: of wel ze zijn t.o.v. elkaar zo gestemde dat een harmonische kan optreden. U weet
wel, die bekerde piano met de meetrillende snaren. Want dat laatste voorbeeld geeft ons
bovendien aan, dat de intensiteit niet overal gelijk behoeft te zijn.
En dan is het in de praktijk zo, dat voor impulsen, die van bovenaf komen, de intensiteit boven
het grootst is: bij die van beneden af komen, beneden. Dat is duidelijk. Want de intensiteit bij
het grote omvat een groter bewustzijn en dus kan gelijktijdig daarvan maar een deel in elke
lagere trap verwerkt worden. Het kleine kan zichzelf geheel vullen met een impuls, maar komt
het naar boven, dan is er een groter bewustzijn: dat heeft er nog andere waarden bij, daar
vult het maar een deel. Hoe groter het bewustzijn, hoe kleiner de impuls (in verhouding).
Dan stellen we verder dit: Geen enkel wezen kan zijn geestelijk bewustzijn verkleinen. Of je
kunt ook zeggen: Niemand kan zijn eigen totaal wijzigen. Wat je bent, ben je. Je kunt méér
worden, uitbreiding van bewustzijn binnen hetzelfde getal, maar je kunt nooit minder worden
binnen hetzelfde getal. Je kunt overgaan naar een ander getal, maar nooit naar een kleinere
waarde, dan je in dit getal bent geweest. Dat is ook duidelijk. Dan vloeit daaruit voort, dan in
elk weten een ontleding te maken is. Zo gezegd: elk getal kan aan worteltrekken onderhevig
worden.
Dus U kunt gaan kijken wat zit er in welke combinatie. Elk van die combinaties is (niet in het
kosmische, maar wel in het menselijke of horizontaal werkende getal dus) hogelijk. Heb je dus
het getal 2, dan is hogelijk: 2, en 1 en 1. Kom ik in 3, dan heb ik als mogelijkheid: 3 x 1, 1 en
2, en 3. Hoe groter mijn getal wordt, hoe groter het aantal mogelijkheden, dat erin gelegen is.
Elke combinatie, die tezamen het getal vormt is denkbaar. Dat houdt dus in, dat hoe groter
het bewustzijn wordt, hoe groter het aantal combinaties, dat daarin mogelijk is. Dan kan
gezegd worden, dat een gedeeltelijke harmonie kan optreden met elk deelgetal, dus elke
getalssamenstelling, die er in ligt, kan door een horizontale harmonische benaderd worden en
b.v. onmiddellijk gereflecteerd. Dat houdt ook in, dat wanneer iets dergelijks plaats vindt, het
eigen getal (dus de werkelijke eigen toestand) terugtreedt voor de daarin aanwezige
deelwaarden, zonder dat de totale waarde verloren gaat. Nu wordt dat in de kabbala heel vaak
gebruikt, want wanneer wij gaan rekenen, dan hebben wij het wel aardig met die
grondwaarden, maar wij willen graag weten: Welke kant moeten wij uit? Wat is de esoterische,
wat is de exoterische inhoud van dit of van dat begrip? Het is dus heel logisch, dat wij heel

78 TIJDLOOSHEID
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 – Tijdloosheid

vaak een deelberekening maken. Wij gaan dus niet alleen kijken: Wat is de feitelijke waarde
van dit begrip, maar ook: Met welk begrip kan het harmonisch zijn? En in welke begrippen is
het beperkt en in welke is het volledig harmonisch.
Op die manier krijg je een beeld van de kosmische samenhang en zie je, hoe op de duur alle
dingen met elkaar gelieerd zijn. Sommige: horizontaal: andere verticaal, maar een band
tussen elk te construeren. Slechts is geen band te construeren tussen directe tegenstellingen.
Dat klinkt misschien vreemd, maar wanneer ik twee getallen heb, die elkaars volledig
tegendeel zijn. Stel b.v. dat ik 6 en 9 samenbreng op één zelfde plaats, dan heb ik noch het
hoge priesterlijke, noch het menselijke, dan heb ik het neutrale: en het neutrale is alleen een
goddelijke uiting. Dan kom ik tot het getal 2. Dat getal 2 is een deelgetal, dat aangeeft de
inhoud van 3, die geneutraliseerd toch geopenbaard wordt. Kunt U mij volgen?......... Ik
goochel niet met cijfers hoor: ik vertel precies, zoals het is. Ik zal het nog een keer vertellen,
want er zijn erbij, die kunnen niet met mij meerekenen. Heb je onthouden wat ik gezegd heb?
6 en 9. Hoe komt U dan aan 2?
Dat is heel eenvoudig. 2 is de deelwaarde van het getal 3, dat het verschil aangeeft. De
uitdrukking van de tegenstelling, terwijl 3 gelijktijdig de uitdrukking is van de drie-eenheid,
dus een volledige openbaring. Vandaar de neutralisatie, die in de tegenstelling is belegen en
als 1 draagt de basis (het totaal goddelijke der schepping), maar als een in suspensie zijnde,
zonder noodzakelijke uiting. Kunt U mij nu volgen of bent U er nog niet achter?
Ik vind het wel moeilijk,
Dan moet je er maar een keer over nadenken.
Het is een beetje goochelen met cijfers.
Het is geen goochelen met cijfers, wat ik vertel is waar. Als u goed hebt geluisterd naar wat ik
heb verteld, dan heb ik jullie gezegd, dat dit een systeem is, een cijfersysteem. En in dit
cijfersysteem gaat het om het vaststellen van de verhoudingen van begrippen (dus namen
b.v., woorden, die invloeden of plaatsen bepalen, enz.) tot b.v. het Goddelijke of de inhoud
van een bepaalde mens. En daarvoor heb ik dan een systeem ontwikkeld, waarbij wij dus de
horizontale en de verticale relaties kunnen vergelijken.
Kijk nu eens, nu kunt U wel zeggen: in een bevolkingsregister goochelen zo ook zo. Maar de
grondstof voor het goochelen moet in de eerste plaats voor de mensen worden geleverd. Als
ze niet geboren worden of niet dood gaan is er geen bevolkingsregister nodig. En in de tweede
plaats: alles wat in een bevolkingsregister als mogelijkheid optreedt, vloeit voort uit het
materiaal, wanneer ik dus aantoon, dat deze mogelijkheden binnen het register liggen, dan
goochel ik niet, maar dan stel ik alleen de mogelijke condities buiten dat register vast. Ik druk
dus in feite uit, dat het bevolkingsregister is (of liever behoort te zijn) een volkomen
weerspiegeling van de bevolking in zijn totale mogelijkheid van leven.
Daar zou dus bijhoren eventuele vermelding van godsdienst, of je een blanco strafregister
hebt, of je pekelzonden te verbergen hebt. Er hoort bij te staan of je verhuisd bent of niet,
waar je woont en uiteindelijk ook waar je begraven bent. Dan is dus één kaart van het
bevolkingsregister eigenlijk niets anders dan een omschrijving van een mensenleven, zij het
zeer kort en ambtelijk.
Als je dat hele bevolkingsregister neemt, dan kun je de overeenkomst zien. En als je die
overeenkomst dan gaat verwerken op staatkundige manier, dan kom je op het bureau voor de
statistiek, nietwaar. Het bureau voor de statistiek kan geen redelijke prognoses geven, omdat
niet alle mensen gelijk zijn. Maar het kan wel tendensen stellen en de aanwezigheid daarvan
en het mogelijk weer optreden daarvan aangeven.
Dat is nu wat de kabbala doet met de becijferingen. Dus ze gaat b.v. na hoeveel mensen, die
katholiek zijn en geboren in het jaar 1900 er nog in 1960 leven. Hoeveel zijn er omgekomen
en waaraan zijn zij overleden. Dus dan krijg je een onderverdeling. Goed, dan hebben wij dat
gezien voor die ene klasse. Maar nu gaan we het uiteen laten vallen. We hebben het nu alleen
verdeeld met doodsoorzaak. Eerste scriptie. Nu gaan we ook nog kijken, hoeveel daarvan een
TIJDLOOSHEID 79
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 - Tijdloosheid

blanco strafregister hadden en wie niet. Verder gaan we kijken hoeveel daarvan b.v. meer dan
drie maal verhuisd zin en wie niet. Dus weer een onderverdeling.
Nu kun je die onderverdeling gaan aangeven, zoals ze in een cartotheek ook doen, nietwaar,
b.v.: 1a, 1b, 1c, enz. Dan zeggen de kabbalisten niet 1a, maar 11. Die zeggen niet 1b, maar
12. En wanneer hij klaar is met de 1, begint hij met 2. En zo heeft hij praktisch een oneindig
aantal mogelijkheden tot zijn beschikking, waar hij elke relatie dus in enkele getallen uitdrukt,
maar elke uitgedrukte relatie in zich inhoudt: alle daarin besloten getalsmogelijkheden.
Begrijpt U?
Het gaat dus met Hebreeuwse getallen of Hebreeuwse letters? Hoe gaat dat dan?
Oorspronkelijk ging het in Koptisch schrift. Dat is het begin geweest. Daarna heeft men
inderdaad o.a. in het Hebreeuws beoefend maar ook in het z. g, lopend Perzisch schrift. Dus
een veel latere ontwikkeling. In de praktijk is het grotendeels met. Perzisch-Arabisch schrift
verder ontwikkeld en werd het overgebracht in Romeins schrift - als ik mij niet vergis - het
eerst ongeveer 60 jaar voor Chr. Dat was een begin. En de werkelijke ontwikkeling daarvan
heeft zich dus op de duur gebaseerd op het gekende Romeinse schrift en de algemeen
aanvaarde klankuiting volgens de Romaanse talen, waarbij het woord Romaanse talen van
toen bekende letters. De cijfers, die zijn aangenomen, zijn de gewone waarden,
hoeveelheidswaarden. Dus niet of het over een cijfer gaat van die vorm of van gene vorm. Bij
wijze van spreken kunt U het met lucifershoutjes doen, of er 1 lucifershoutje ligt of dat er vijf
liggen. Dus een tellen en daardoor een kwalificeren t.o.v. elkaar van bepaalde hoeveelheden
van uitingsmogelijkheid: Voldoende? U kunt dat begrijpen, anders zou de werkelijke
kabbalistiek nooit zover zijn doorgedrongen. (B.v. aan het hof van Akbar de Grote, die een
nieuwe godsdienst stichtte daar aan de Ganges, die had ook kabbalisten in dienst.) En dan
hadden ook zeker de grote sheiks en dergelijken er zich niet mee beziggehouden. Soleiman
(Salomo) hield er zich ook mee bezig. Maar we vinden ook kabbalisten, later, b.v. bij de
kalifaten. En we vinden ook weer kabbalisten in de Franse tijd. We vinden ook weer een
kabbalistsche school met dezelfde grondslag maar alleen met een variant in de opstelling van
getal- en letterwaarde (door klankverschillen b.v.) iets noordelijker van de Kaukasus, en die
vinden we daar rond de jaren 1660 - 1670.
Ik wil maar zeggen: kabbala is dus onafhankelijk van een taal. En de getellen die ik heb
gebruikt, de getalsduidingen, zijn gebaseerd dus op de voor het Germaans taalgebied
geldende klankuiting, letterwaardering. Dus in het Romaans komt er weer een kleine
verandering. Daarom heb ik ook zo weinig mogelijk namen voor U berekend en hoofdzakelijk
met de getallen geharkt. Want deze tien-getallenreeks voor primaire begrippen gebruiken we
in het Romaans gebied ook. Maar in hun onderdelen zijn inderdaad verschillen te maken, zodra
U komt, laten we zeggen, ten zuiden van de lijn Parijs - Wenen. En dan loopt er nog weer een
lijn, waar achter dus ook weer een klein verschil in berekening optreedt en die loopt ongeveer:
Venetië (of Vyon?) en dan zeg ook maar noordelijk, iets oostelijk van Wenen en die gaat zo
naar boven tot Riga ongeveer. Het klopt dus niet helemaal met de taalgebieden, maar wel
ongeveer: en dat komt doordat de klankuiting soms door dialecten wordt overgedragen in een
andere taal. Het is dus de klank, de trilling dus, die belangrijker is bij de berekening van de
kabbalistiek, dan de letterbetekenis zonder meer in het taalverband.
Kan men weten tot welk getal men behoort? Kunnen degenen, die daarin gestudeerd
hebben, je dat vertellen?
Daar moet je werkelijk een goede kabbalist voor hebben. Niet zo iemand, die er bij scharrelt.
Het grondgetal van Uw naam kunnen ze voor U berekenen. Dat is het eerste getal. Dan moet
je de letterwaardering natuurlijk wel kennen. Die kun je wel opvragen. Dan krijg je de
roepnaam, dat is de ogenblikkelijke gesteldheid. Dus die wordt in letters gezet en berekend tot
één getal. Dan wort gerekend de geboortedatum, waarbij het jaartal verkort wordt dan wel
weggelaten. Dat ligt eraan. Hier in Nederland laat men het heel vaak weg: het is juister om
het erbij te nemen. Wanneer je in 1900 zit, dan is het 10, dan is het 1. Goed. En dat geeft dus
aan de stoffelijke dispositie. En dan neem je daarbij nog de totale naam. Die geeft aan het

80 TIJDLOOSHEID
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 – Tijdloosheid

wezen met zijn innerlijke drang. En dan kun je uit die drie waarden het grondgetal nemen en
dat is dan de kerngroep, waartoe je behoort. Het is tamelijk ingewikkeld. Je moet ook niet
vergeten dat wat ik hier vertel over kabbala een aardigheidje is: het is dat U een beetje
begrijpt, hoe een kabbalist denkt en op welke manier hij komt tot zijn beschouwingen en
uitspraken. Maar werkelijk goed kabbalist worden, dat vraagt je wel 40, 50 jaar. Dat is een
heel wat langere studie dan - om nu maar een voorbeeld te noemen - medisch arts of
dominee. Kabbala houdt heel veel in. Dat houdt in: in de eerste plaats kabbalistische
levensleer, in de tweede plaats kabbalistisch cijfersysteem, kabbalistisch prognosesysteem,
kabbalistische chemie. Heb je die werkelijk onder de knie, dan kom je tot kabbalistische
magie, het kabbalistisch contact, zoals het wordt genoemd, d.w.z. het contact met de doden
en de grote bezweringen, dis daarbij behoren. Dus dat hoort er ook onder. De Joden roepen
dus ook wel eens de geest op en dat doen ze in een gemeenschap, waarin een quorum
aanwezig moet zijn van tenminste 9 personen. Dus dat gaat niet als bij een seance: we gaan
met z'n tweeën zitten en geesten oproepen. Neen, het gaat volkomen.-ritueel met voorlezing
en alles erbij. En dat is dus ook een uitvloeisel van het kabbalisme. En heb je dat allemaal
gehad, dan krijg je nog de kabbalistische esoterie. De kabbalistische esoterie is niet alleen de
leer van de innerlijke mens, maar ook van de innerlijke verhoudingen in de kosmos. En dat
impliceert, dat wie ook dat beheerst, voor zichzelf kan intreden in elke gewilde verhouding
binnen de kosmos, die gekend wordt door het bewustzijn. En dan kun je wel nagaan, dat er
jaren voor nodig zijn voor je zover bent.
De Joden bestuderen dit eigenlijk niet. Wat is daarvan de reden?
Kijk eens, het kabbalisme staat tegenover de joodse en vele andere godsdiensten ongeveer als
de vrijmetselarij tegenover b.v. het katholicisme van het ogenblik. Dat wil zeggen dus, dat
ofschoon zoiets geboren kan zijn uit dezelfde bron, het zich volkomen verzet tegen een
orthodoxie. Het kan ze aanvaarden in bepaalde verhoudingen maar bindt zijn leden niet.
Terwijl het bovendien dwingt tot een zelfstandig nadenken over de leerstellingen der
orthodoxie. En nu weet U wel, dat wanneer je een geloof hebt, dat geredigeerd wordt a.h.w.
door wat wetgeleerden en schriftgeleerden en theologen, dan zijn die heren er al heel gauw bij
om te zeggen: "Wij denken goed, jij mag niet denken." Maar de kabbalist léért te denken. Die
leert dus meer te doen dan een doorsnee priester of leraar weet of kent. Vandaar dat de Joden
hun kabbalistiek meestal bedrijven in besloten gemeenschappen. Maar laten we ons niet
vergissen. Er zijn zeer veel - ook op het ogenblik - joodse kabbalisten van goede reputatie en
prestatie, die ook behoren tot de orthodoxe joodse gemeenschappen.
Is dat geen tegenstrijdigheid?
Dat is geen tegenstrijdigheid, omdat de aanvaarding van een bepaald geloof niet impliceert -
ook weer kabbalistiek - dat deze aanvaarding volgens wereldse normen gebeurt. De uiterlijke
geloofsaanvaarding moet in overeenstemming kunnen worden gebracht met het innerlijk
godsbegrip en de directe relatie, die men in zich draagt tot het Goddelijke. Kan dat, is daar
geen tegenstrijdigheid, dan kan dat aanvaard worden. Dus om simpel te zeggen' Een goed
kabbalist kan veel een goed Jood zijn, maar een goed Jood mag volgens zijn geloof geen
kabbalist zijn. Dat is een heel gekke situatie.
Daarom is het een tegenstrijdigheid.
Dat is het niet, want de doodse godsdienst - oppervlakkig gezien - volledig aanvaard, maakt
een goede Jood. Dus religieus gezien een goede Jood. Maar een kabbalist, die doordringt in de
waarden van het Goddelijke en deze beleeft in joodse eredienst (dus de samenkomst, de
lezing, enz.), die zal op zijn beurt een goed Jood zijn, want voor hem is die wet een
levenswaarde. Voor hem is die samenkomst een uitdrukking van zijn innerlijke verhouding tot
God. Zo is die kabbalist wel een goed Jood vanuit zich, maar niet vanuit de Joden.
Wie heeft gezegd, dat de Jood dat niet mag bestuderen? Is dat de rasje of gemoure die dat
zegt? Waar komt die wet vandaan?
Nu vraag je me wat. Ik geloof dat het in de rasje staat, maar het wordt in ieder geval direct
betrokken op de mogelijkheid om te konen tot afgoderij. Dus men stelt hier: "Ik ben de Heer,
Uwe God, gij zult geen vreemde goden voor mijn aangezicht stellen." En wanneer ik kabbalist

TIJDLOOSHEID 81
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 - Tijdloosheid

wordt, leer ik krachten kennen, die t.o.v. mij zich verhouden als een god t.o.v, een mens,
terwijl God Zelve niet meer de beperkte, de Elohim is, maar wordt de Grote. En dat is hier het
punt, dat het meest ertegen wordt aangevoerd, of werd aangevoerd in mijn tijd.
Maar dat is dan toch ook gemaakt door mensen. Dat zijn toch maar beschouwingen op de
leer?
Is er een geloof, dat niet door mensen wordt gemaakt?
Men zegt toch, dat Mozes op de berg Sinaï de tien geboden heeft gekregen van God? Dat
zeggen ze.
En toen kwam hij naar beneden, En toen zag hij zijn volk, zoals het was, teruggrijpend naar
oud-Egypte. En toen sloeg hij de tafelen kapot, En toen heeft hij zelf vlug een paar andere
gemaakt. (gelach) Mensenwerk. De regelen komen vanuit het Goddelijke, maar elke
uitdrukking daarvan moet noodzakelijkerwijze menselijke zijn. Een geloof dat God zondermeer
aanvaardt, kent geen vormgeving en wordt dan door de mens niet mier als beloof beschouwd.
Dan is het eerder een staat van zijn. Nietwaar, een geloof, een godsdienst, betekent een
bepaalde gereglementeerde aanvaarding van de waarheid, die op zichzelf goddelijk kan zijn in
een menselijke omschrijving. Dat is de fout van elk geloof. Je weet, waar een mens net zijn
vingers aankomt, daar gaat de volmaaktheid heel gauw zoek.
Het zijn net kleine jongens, die met jamvingertjes aan een kostbare boek zitten. Dan zit het
vol met vlekken. Maar daardoor wordt het soms ook onleesbaar. Dus laten we het nooit zo
bezien, dat een geloof op zichzelf een vaststaande waarheid is, De kern van het geloof is een
vaststaande waarheid. Maar de wijze waarop de mens heeft getracht voor zijn gemeenschap
die waarheid te omschrijven, en te begrenzen, betekent op zichzelf een afwijking van het
geopenbaarde. Maar eerst in die vorm noemt de mens het een geloof, een religie, een
godsdienst. Nu heb ik U vandaag meer wat beziggehouden en nu wil ik U alleen één
waarschuwing geven: Ga nu niet als een gek zitten cijferen. Het helpt je heel weinig. Want
zelfs wanneer je een lijstje met de betekenissen krijgt, dan weet je nog niet zoals de kabbalist,
welke interpretatiemogelijkheid gevolgd moet worden. Dát is de kunst. En wanneer je dat goed
onthoudt, aan weet je dus alleen dat de kabbalistiek een bepaalde wijze is - zoals er vele
anderen zijn - om God te benaderen en om de verhoudingen tussen mens en God te
omschrijven. Het is goed, dat je weet, hoe men dat dus wel ergens doet, maar voor jezelf
moet je toch je eigen mag haan, Dat is het belangrijkste. Dan geloof ik, dat ik U nu
goedenavond zeggen en geef ik het woord over aan de laatste spreker. Vrienden, tot we elkaar
weer eens zien - ik weet niet of ik de volgende heer aanwezig kan zijn, ik heb ook meer te
doen: U weet het: zaken, zaken, altijd maar zaken ......... maar wanneer ik terug kan zijn, dan
kunnen we nog eens praten over nog andere aspecten van die Kabbala.
Niet omdat U moet leren wat kabbala is, maar omdat u moet begrijpen, hoe dit systeem ook
op een bepaalde manier, dezelfde kosmische waarheid weergeeft. Dan tot die volgende keer-
een prettige tijd en goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Wij gaan de bijeenkomst besluiten met het schone woord, zo veel mogelijk in meditatieve
vorm.

Het Schone Woord: WIJSHEID
Wijsheid wordt uit weten vaak geboren, maar weten is nog lang geen wijsheid. Want wijsheid
betekent integratie van het weten met het leven zelf. Eerst wanneer men het weten een
volledige toepassing vindt in het bestaan én t.o.v. het "ik" én t.o.v. anderen, mag er dus van
een ware wijsheid worden gesproken.
Nu komt er een ogenblik, dat wij wel eens denken wijs te zijn, omdat wij ons weten hebben
geïntegreerd met onze eigen begeerten en onze eigen angsten. Wij komen dan tot een

82 TIJDLOOSHEID
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 21 januari 1958
Les 5 – Tijdloosheid

handelwijze, tot een denkwijze, die niets met wijsheid gemeen heeft behalve een déél van de
naam: eigenwijsheid. Eigen wijsheid, zoals het woord aangeeft, is de beperking van het begrip
tot het "ik". Ware wijsheid daarentegen zoekt juist de wereld door het weten in voortdurende
relatie met het "ik" te stellen. Wanneer wij dus streven naar weten en begrip, zal dit een
grondslag kunnen zijn om daaruit wijsheid te verwerven, om daarop een leven vol wijsheid te
kunnen bouwen.
Maar laten wij ons niet vergissen. Eerst in daadwerkelijke beleving van hetgeen wij weten en
ervaren, het daadwerkelijk voor onszelf in praktijk brengen van het als waar gevoelde, het ook
evenzeer als voor onszelven toepassen van dit weten en dit begrip op anderen, baart
werkelijke wijsheid, die dan het leven leidt en daarom vaak levenswijsheid heet.
Je zoudt het begrip dan ook kunnen omschrijven als volgt:
Wijsheid! wondere gave, waarin het weten is gehuwd met het leven zelf.
Wijsheid: kracht, die het "ik" bepaalt tot eeuwigheden
Wijsheid: eeuwigheid, die daalt in het "ik" en wordt omschreven in termen van het heden.
Wijsheid: bewustzijn, dat de grens van het menselijke overschrijdt, omdat het meten van de
mens en van de geest het bewustzijn dan geleidt tot over grenzen, die je scheiden van
eeuwigheid en onbegrip en waan doen ondergaan, waar in de wijsheid juist het erkennen van
eigen relatie tot God en tot Schepping is ontstaan.
De moeilijkheid voor ons, wanneer we wijs willen zijn, is vaak, dat wij ons bewust zetten tot
het produceren van wijsheid: en dat kan niet.
Wijsheid is een spontaan resultaat van leven volgens je beste weten. Van een zo goed
mogelijk begrijpen van al hetgeen je moet beleven of ondergaan.
Je kunt dus nooit zeggen: "Ik ga wijsheid verwerven." Je kunt zeggen: "Ik ga inzicht
verwerven.", of ''Ik ga wetenschap opdoen." Maar wanneer je met je eigen leven en beleven
dit in overeenstemming brengt, wanneer je de conclusies durft te trekken, die voortvloeien uit
dit weten, plus het in jou levende, dan kom je tot wijsheid.
Wanneer mij dit woord dus wordt opgegeven, dan is het iets, dat in zichzelve op aarde
eigenlijk niet omschrijfbaar is, tenzij dan als een product van twee waarden, die eenieder op
aarde kent: weten en leven.
Wanneer weten en leven elkaar aanvullen, wordt daaruit een begrip geboren, dat beiden
omvat: en dat begrip is de wijsheid, waarover U mij vroeg te spreken.
Ik hoop, dat U niet teleurgesteld bent over deze korte beschouwing.
Ik wil dan natuurlijk nog U allen een goede huisgang wensen, een prettige nachtrust en - mag
ik erbij voegen - meer wijsheid.
Goeden avond.

TIJDLOOSHEID 83
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

Goeden avond, vrienden.
Op dezen avond zullen wij zij het door omstandigheden met enige beperking onze tijd wijden
aan de esoterie. Nu maakt helaas de toestand van het medium het niet mogelijk volledig het
programma uit te voeren, dat wij ons hadden voorgenomen. Dientengevolge zult U met mij als
eerste spreker genoegen, moeten nemen.
Als onderwerp had ik een punt, dat voor U misschien wat vreemd klinkt:

ACHTER DE POORTEN VAN HADES

Hades is de onderwereld en over deze onderwereld vernemen wij in vele mythologische
verhalen buitengewoon veel gegevens. Wij weten b.v., dat in haast elke onderwereld een rivier
voorkomt. Een rivier, die leven en dood van elkaar scheidt. In andere gevallen is het geworden
tot een kloof, waarin een hel ligt, maar die men kan passeren en waarachter een paradijs ligt.
Dit begrip van onderwereld kan worden ontleed in twee afzonderlijke gedeelten, t.w. de eigen
inhoud van de mens en daarnaast de inhoud van de ervaring in de duistere wereld, zoals die
ook in de stofwereld wel geopenbaard wordt. Allereerst wil ik trachten om met U de ze
beschouwing over Hades vanuit een menselijk standpunt te benaderen.
Er is altijd een scheiding tussen de wereld na de dood en het leven. Deze scheiding is bleek,
verschrikkelijk, ja, soms gevuld met kwelling en bedreiging. In de mens bestaat een angst
voor de dood. Deze angst kan zover om zich heen grijpen, met zulke grote intensiteit de mens
benaderen, dat hij hierdoor niet meer in staat is iets anders te zien dan de verschrikking van
een afscheid, waar hij nog geen vervolg bij erkent. Slechts degenen, die in staat zijn gedragen
door eigen moed en kracht a.h.w. vrijwillig de toestand te aanvaarden, de overgang te zien als
een bevrijding of als een doortocht, zijn in staat om op te merken wát zich al voordoet voor de
verschrikte beschouwer. Zij kunnen doordringen tot direct voor de koningin des doods, zij
lachen om de dreiging van Cerberus, zij spreken tot Proserpina en keren terug tot de
buitenwereld. De moed is de eerste noodzaak voor de mens om het sterven te aanvaarden.
Waar hij weet deze feiten niet te bezitten of slechts zeer zelden te bezitten, ontstaat zijn
legende van de grote, haast onoverkomelijke scheiding.
Het binnengaan in de dood is als het komen in een vreemd land. Om een vreemd land binnen
te gaan, vooral wanneer zo grote hinderpalen je doorgang bedreigen, is het wel noodzakelijk,
dat je een gids hebt, een geleider. Vandaar dat wij horen van de geheimzinnige veerman, die
op de Lethe de gestorvenen overzet.
Dan wij horen van de veerman des doods, die ook de zielen, die de Nijl afgaan brengt naar het
vreemde land van de doden, dat wij zelfs in de Nederlandse overleveringen horen van de
geheimzinnige veerman, die zielen komt halen. Deze veerman wordt later de dood en men
gebruikt daarbij het symbool, zoals Egypte het heeft geschapen n.l. de mummie of het
geraamte.
Maar in de feitelijke dood is de mens zich wel degelijk bewust zij het, dat dit niets altijd in
waakbewustzijn naar voren treedt dat het sterven op zichzelve iets is, waarbij je niet alleen
bent. Hij voelt aan, dat indien er al een voortbestaan is, dit voortbestaan er een moet zijn,
waarbij je geleid wordt, geholpen en gedragen. Maar hij meent ook, dat men een zekere prijs
moet betalen a.h.w. niets voor niets. En zo zien we dan hoe soms een bezwering moet worden
uitgesproken, in andere gevallen een zekere tol moet worden betaald. In feite betaalt de mens
die tol. Want in het sterven ontstaan heel vaak sterke emoties. Het vervlakken van deze
emoties is a.h.w. het loon, dat men betaalt aan degene, die U inleidt in een ander land, een
andere wereld.

84 ACHTER DE POORTEN VAN HADES
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

De indeling van de onderwereld toont ons evenzeer weer vreemde verschijnselen, die de mens
wel eigen zijn. Wat zoudt U denken van een vat der Danaïden, een taak, die niet beeindigd kan
worden en die men nolens volens moet trachten te volbrengen, ondanks alles? Hoe menig
mens heeft in zijn leven niet een taak gekozen, die hij niet kon of wilde vervullen? Het niet
voleindigen van eigen taak is een angst en een belasting, die het leven door als een innerlijke
angst blijft bestaan. Daaruit volgt, dat deze angst door de mens moet worden overgedragen
op een hiernamaals. Ook daarin moet een kwelling zijn, waarin deze onvolledigheid moet
worden gecontinueerd tot aan het einde der tijden. Ook voelt de mens wel degelijk aan, dat hij
in zijn eigen bestaan vaak de gangbare waarden, ja het evenwicht verstoort. En wie het
evenwicht verstoort, kan dit niet meer herstellen. Zijn eigen begeerten zijn onuitblusbaar. Dit
beeld vinden wij terug in Tantalus. Tantalus, die daar staat met zijn begeren naar spijs en
drank, omringt zag door de volste weelde, maar die niet in staat is daarvan gebruik te maken.
Een ieder weet, dat zelfoverwinning een noodzaak is en een ieder praat zijn eigen zwakheden
goed. Het resultaat is duidelijk. Hieruit komen de beelden der kwelling. En het vreemde is, dat
die kwelling volgens volkskarakter bij praktisch elke mythologische overlevering voorkomt.
Denk aan de grot der pijlen, die in de Chinese voorstelling van de hel voorkomt waarbij hij, die
gedood heeft met geweld, duizendvoudig, ja haast eindeloos deze zelfde kwelling moet onder-
gaan in een vreemde grot, waar dreigende schimmen pijlen afschieten. Denk ook aan het
geloof van een christelijke hel. De onvolmaaktheid wordt tot een kwelling deze kwelling moet
gedelgd worden en is ondelgbaar. Zoals de mens kan branden in het vuur der onbevredigde
hartstocht, zoals de mens in zich door onbevredigd begeren voortdurend wordt voortgejaagd,
zo stelt hij zich nu een feitelijke hel voor, vol van vuur, vol van hitte.
Gaan wij noordelijker en vragen wij ons af hoe een Eskimo een hel ziet, dan blijkt wederom,
dat zijn voorstelling is aangepast aan zijn wereld, maar dezelfde inhoud vertegenwoordigt. Het
is niet zo erg om bij jagen en om te komen in een sneeuwstorm. Wanneer je werkt voor de
gemeenschap dan is het je doel, dan is het je noodlot. De koude op zichzelf heeft geen
verschrikking voor hem. Maar wanneer hij zich een hel opbouwt, dan komt er in de eerste
plaats het voor hem belangrijkste het zelfzuchtige element a.h.w. geuit in een verwerping door
allen een eenzaamheid in de woestenij van ijs in een voortdurende storm, waaraan geen einde
komt. Zo drukt de mens in zijn gedachten omtrent Kades grotendeels zijn innerlijke gevoelens
en angsten uit. Hij bouwt zijn voorstellingen op aan de hand van in hem levende
eigenschappen en hij bouwt zijn hele systeem van voortbestaan a.h.w. aan de hand van zijn
eigen onvolmaaktheden.
Wanneer nu dit alleen de oorzaak zou zin geweest van die vele overleveringen, ach, dan
zouden wij er misschien tevreden mee zijn zonder meer. Dan zouden wij zeggen "Ja, het is een
spel van menselijk vernuft, van onbewust zijn, van psychologische factoren." Maar reeds lang
voordat Egypte groot was, lang voordat de Chaldeeën in Ur de eerste observatie der sterren
optekenden, lang voordat de volkeren in Gobi de grootheid en de beschaving hadden bereikt,
die hun ondergang tekende, spraken de geesten al op aarde.
Wanneer de geest op aarde spreekt, tracht ze de mens duidelijk te maken wie en wat hij is.
Dan tracht ze a.h.w. de mens mee te voeren in een gedachtegang, waaruit die mens leren kan
of welke voor die mens verleidelijk is. En die geesten spreken over hun wereld. En het
vreemde is, ze kunnen soms mooie leugens vertellen. Maar ze kunnen dit niet zover
doorvoeren, dat de wijze, degene die inzicht en begrip heeft, deze niet meer voor zichzelf kan
ontrafelen.
En dan begint het beeld zich op te bouwen. Duisternis. Duisternis, omdat licht het symbool van
leven is. De duistere geest spreekt al van begin af aan van de kwelling der eenzaamheid, van
verlatenheid, van omringd zijn door zelfzucht zonder enige mogelijkheid met anderen contact
op te nemen. Ze tekent steeds weer de onverzadigbare hunkering naar offers, die een band
zouden kunnen vormen met werelden. Vreemde demonische Baäls, de heren van het duister
openbaren zich en vragen mensenbloed, keer op keer. Want mensenbloed is een binding met
de wereld en een macht. De wijze begrijpt. En dan wordt het beeld van de werkelijke

ACHTER DE POORTEN VAN HADES 85
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

onderwereld ons langzaam maar zeker duidelijk. Al wat de mens zich voorstelt kan daarin
bestaan, maar de werkelijkheid is eenzamer, groter en ellendiger dan alles, wat de mens zich
heeft getekend. Misschien heeft die oude Griekse dichter het wel het meest juist gezegd, toen
hij sprak over de vreemde vale velden, waar wenende schimmen dwalen. Het is een wereld,
die als verstikt is, waarin het leven geen leven is, maar een honger naar leven. Een wereld van
onzinnig pogen tot uitbreken en een weten, dat men daartoe de mogelijkheid niet bezit.
Achter de poorten van Hades ligt het verraad van de mens aan zichzelf.
Want het is niet noodzakelijk, dat de onderwereld in feite een wereld der kwelling zij. Egypte
stelt het oordeel der rechteren als bepalend. In andere gevallen, zoals bij de Germanen is het
de moed, het vallen in de strijd, waarop de boden van de Goden, de Walkuren, komen en de
helden opdragen op het schild naar een groot en prettig oord, een paleis ergens boven de
wolken. Ieder op zijn beurt begrijpt, dat er condities moeten zijn. Condities, die het mogelijk
maken om die onderwereld a.h.w. voorbij te gaan. En het vreemde is, dat wanneer wij nagaan
welke voorwaarden er gesteld worden, ongeacht het misschien intricate magisch ritueel van de
ene richting en de simpele eenvoud van levensaanvaarding van de andere komt het steeds
weer op hetzelfde neer. Er is een noodzaak tot zelfbeheersing en er is moed nodig,
dapperheid. U zult begrijpen dat ik U dit misschien ietwat sombere beeld niet zonder meer
voorteken. Want wat zijn in feite de menselijke waarden van het leven? Wat is de noodzaak
voor ons allen? Moed. Niet alleen de moed om te leven, maar ook de moed om te sterven en
toch voort te bestaan. Moed om de waarheid te aanvaarden, wanneer de leugen ons
geopenbaard wordt. Moed a.h.w.. om de waarheid en het leven zelve te stellen boven al het
andere. Dat dit soms zeer moeilijk is, zouden we kunnen aanhalen of bewijzen uit een hele
reeks citaten. Ik wil er maar twee aanhalen en beide uit een school, die de zelfoverwinning en
de zelfbeheersing a.h.w. als éérste eis stelt. Het Boeddhisme. Het eerste citaat uit het vroeg,
het tweede uit het laat Boeddhisme.
Het eerste zegt:
"De mens, die niet de meester van zijn wezen is, kan niet onderdanig zijn aan de goden.
Wie niet onderdanig is aan de goden, is prooi van de demonen."
Het tweede zegt:
"Slechts hij, die de moed heeft niet anderen maar zichzelf te bestrijden en te overwinnen,
kan voor zich een vrijdom verwerven van alle begeerten en angsten, die zijn de kwelling der
verdoemden en die zijn de waan van hen, die menen in de hemel te verkeren."
Zelfbeheersing en zelfoverwinning zijn voor de mens de weg tot bewustwording.”
In deze leer komt bovendien een eigenaardige avondgroet voor. Deze wordt heden ten dage
nog gezongen in vele kloosters, vooral wanneer de avond valt. Dan wordt er gezongen
."Ontsteek Uw licht en wees Uzelve licht. Doe de dag ontwaken in Uw hart en wees meester
over de dag en het licht." In deze oude wens weerklinkt het gelood, dat ook wij langzaam
maar zeker moeten aanvaarden. Wijzelven zijn licht, wijzelven zijn de wereld, wijzelven zijn
het voortbestaan. Buiten ons is een God, natuurlijk, maar wij zullen het zijn, die God moeten
aanvaarden met een grote moed. Een moed, die in vele gevallen tot zelfverloochening kan
leiden een verloochening van, al, wat wij menen te zijn. Wij zijn zelven die door meester te
zijn over ons wezen dit wezen voor de vlucht kunnen behoeden.
Wanneer U leeft, zoals U dat hier doet, komt U steeds weer voor problemen en raadselen te
staan. Daarvoor bent U mens. In enkele gevallen wordt het U gegund een blik te werpen in
andere werelden, een contact op te nemen misschien met krachten, die niet behoren tot de
stof. En het zal U moeilijk vallen te zeggen, of deze krachten nu uit Hades geboren zijn of
speelden op de velden, waar Dante eens zijn Beatrice meende te ontmoeten. Maar één ding is
zeker Licht wordt uit Uzelve geboren. Gij zijt het zelve, die bepaalt of wanneer de dood
zodadelijk komt het een poort der bevrijding is of de poort van Hades. Gij zijt het zelve, die
bepaalt, hoe gij leeft en wat gij puurt uit al wat U gegeven wordt.

86 ACHTER DE POORTEN VAN HADES
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

In één van de oudste leerboeken van Résaek Amen (?) werd geschreven voor de ingewijden
"Wees Uzelve en volg Uw eigen pad. Want wie zijn eigen wegen gaat, tot dien spreken de
goden, Aarzel niet en werp Uwe geest in de verste wereld. Want indien Uw geest gaat met Uw
eigen wil en vrezende niets, zo zullen de krachten der hemelen U beschermen. Indien gij
vertrouwt en streeft naar de waarheid van Hem, Die alles leven geeft, zo zal niets U schaden."
Dat geldt vandaag aan de dag nog. Het is voor ons niet de kwestie waar willen we naar toe of
wat moeten wij gaan doen? Het is de kwestie: In hoeverre zijn wij in staat onszelf een
levensdoel te kiezen en dat door te voeren, desnoods tot het einde. In hoeverre hebben wij
moed genoeg om desnoods tegen de hele wereld in en tegen de mening van alle anderen in te
zeggen " Dat is waar, want zo is het in mij geboren." Wie beheerst zichzelve genoeg om te
zeggen "Ziet, dit is mijn waarheid, maar mogelijk is het niet de Uwe." Wie is genoeg meester
van zichzelf om te zeggen "Onwaarheid, je zou mij veel besparen, maar je bent mijn wezen
niet waardig."
Dat is eigenlijk het geheim, dat ligt bij de poorten des doods. Wat zijt gij? Niet Hoe hebt ge
geleefd. Niet Waar wilt ge heen? De vraag is slechts Hebt ge de moed om het goede te zoeken
en beheerst ge Uzelve genoeg om de lagere elementen van Uw persoonlijkheid terug te
dringen tot op de plaats, waar zij horen. Dat is de enige vraag. Zeker, het is ook na de dood
niet altijd makkelijk - soms zelfs niet mogelijk - om plotseling, al, wat je tot onvolmaakt wezen
maakt, van je af te schudden. Maar laten wij dan niet vergeten, dat rok áchter de poorten van
de dood meesters en leraren zijn. Lichtende geesten en lichtende krachten, die op hun wijze
lering geven. Ik zou gaarne trachten om iets van die lering in worden uit te drukken.
Het is natuurlijk niet noodzakelijk om alles te mijden. Speel in de tuinen van een zonnig land,
droom bij de spiegelende meren of dwaal in de bergen, die verdwijnen in een land van licht.
Want dit al is U gegeven. Het is U gegeven om U er mee te verheugen. Het is U gegeven als
een speeltuig, terwijl ge opgroeit, totdat Uw geest de Schepper waardig is. Het is een gave van
de Schepper. Verwerp haar niet. Aanvaard de vreugde, lach en speel. En wanneer misschien
Uw gedachten voor U in de geest steden der mensen bouwen, mijd ze niet. Indien ze behoren
tot Uw wezen, is het ook dán goed daar binnen te treden.
Maar vergeet één ding niet: Het is niet goed te dromen en te slapen, wanneer er binnen een
stem spreekt. In U ligt de kracht van de waarheid en er komt een ogenblik, dat ze U wakker
schudt en zegt "Verlaat deze velden en droom niet langer." Er komt een tijd, dat ze U voort
voert ver buiten alle schoonheid, die ge meende te kennen, misschien tot de kaalheid van een
landschap, waarin de stroom van de tijd voortraast en voortbruist als een rivier zonder eind.
Misschien dat dan die stem ui zegt "Laat achter U al wat vorm is." Begeer dan niét en ga dan
niet terug. Vrees dan niet, maar ga moedig voorwaarts. Want al is U gegeven om U te
troosten, U te helpen en U te vermaken. De Schepper heeft U veel gegeven als vreugde, als
lust en spel. En deze gaven behoeven niet gemeden te worden. Maar boven dat heeft Hij U
gegeven een roepstem, die U voort geleidt en die Uw werkelijk einddoel bepaalt. Luister naar
deze stem en ga Uw wegen.
Wanneer die meesters zo spreken zij die zich oudere broeders noemen dan spreken ze
daarmee een waarheid, die niet te loochenen is. Er is iets in ons, dat zich als de naald van het
kompas voortdurend richt op de waarheid en het licht en het Goddelijke. We kunnen het voor
onszelf trachten te bemantelen of trachten te ontkennen, maar die kracht en die stem is er.
Wanneer wij deze volgen zijn wij veilig.
Denk niet, dat alleen over dergelijke dingen wordt geleraard. Want wij kennen in onze sferen
ook zeker naast licht het duister. En zijn wij zelf vrij in lichtende velden, zo weten wij, dat
daaronder mensen dolen in het duister, dat daar geesten vertwijfeld zoeken naar een
mogelijkhéid om het licht te aanvaarden. En ook hierover wordt ons geleerd. (Ik vertel
wederom zo goed als het gaat in woorden)
Wanneer de volmaaktheid werkelijkheid wordt, dan huwen licht en duister, dan vloeien alle
dingen samen en zijn één. Indien gij voorwaarts wilt gaan, is het soms nodig terug te treden.

ACHTER DE POORTEN VAN HADES 87
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

Wie het licht wil begrijpen, moet het duister kennen. Wie wil stijgen beven het spel der
vormen, moet anderen doen ontwaken tot de volheid van lichtende werelden. Aanvaard Uw
taak in Uw wereld en acht degenen, die nog niet deze vrede hebben gevonden. Keer tot hen,
niet als een goedertieren engel maar als een verwant, innig verbonden met hen door de
grootste band aller tijden het leven zelf. Ga met hen en spreek tot hen, help hen met hun
kleine noden, ook al lijken ze onbetekenend in Uw oog. Want niets wat lijden veroorzaakt,
niets wat zorgen geeft, is te gering om Uw aandacht waardig te zijn. Niets wat vreugde kan
geven, niets wat licht kan brengen, is beneden de waardigheid van Uw bestaan in het licht.
Daal af tot in het diepste diep, dragend Uw licht. En indien het nodig is, doof Uw licht, opdat
men U durve benaderen en begrijpen,
Keer tot de werelden van stof én van geest, spreek Uw woorden en help. Help op aarde de
zieken genezen en laat de klacht uit het duister sterven. Spreek het lerarend woord tot de stof
en leg het in de mond van hen, die onbewust misschien Uw waarheid kunnen dragen. Laat Uw
woorden fluisterend doordringen in de afzondering van hen, die gevangen zijn in de bittere
waan der eenzaamheid. Want dit is de taak, die ligt door alle wereld en alle sfeer. Wees één
met elkaar. Bevorder de eenheid, waarin al gezamenlijk kan opgaan.
Er worden ons natuurlijk geen taken gegeven, dat begrijpt U wel. Maar wij aanvaarden die
zelf, omdat we de waarheid van deze woorden begrijpen. Voor ons zijn de poorten van Hades
geworden tot poorten, waardoor wij keren uit het licht tot werelden, die duister zijn. Voor ons
zijn ze geworden tot een doorgang naar al wat lijdt. Een weg, die ons misschien in staat stelt
om anderen te behoeden voor fouten, die wij zelf gemaakt hebben. Want wij zijn
verantwoordelijk voor elkaar.
Hades, zoals de ouden dat tekenen, is een wrede wereld. Een wereld vol van dierlijke toorn,
vol van hartstocht en vol van levenloze onbevredigdheid. Maar onze, wereld is anders. Onze
wereld is niet geboren uit de angsten en de begeerten van mensen. Voor ons geldt niet meer
de veerman, die slechts tegen zware tol U brengt over de sombere rivier, de vreemde zware
vloed. Zo is het voor ons. En hoe kan het voor U zijn?
Jezus heeft gewandeld op de wateren van het meer Tiberias. Want Hij had de kracht dit te
doen en het geloof en de zekerheid. Indien wij de moed hebben en het geloof in onze
bestemming tot licht, dan treden we lichtvoetig over de wateren der Lethe. Voor ons geen
dodenschip. Voor ons een gang door de werelden heen, kennend al en toch ons verheugend in
een leven, dat voortgaat. En voor U? Indien gij de moed hebt de dood te aanvaarden, haar te
zien, niet als ogenblik, dat alle rekeningen voldaan moeten zijn en alle boeken afgesloten,
maar als een nuchter voortzetten van al datgene, wat Uw taak is in een andere wereld, dan
zult ge ongetwijfeld kunnen binnengaan in een wereld van licht. Dan geen demonie, geen
somberheid. Dan een bewust treden, een welbewust treden voor de rechteren van Uw eigen
wezen. En het trotse antwoord "Ik heb mij een taak gekozen en deze zal ik vervullen." Dan
hebt ge veel bereikt.
Maar er is meer nodig. Wanneer ge U hecht, aan het stoffelijke, wanneer ge U vastklampt aan
leven en aan bezit, ja, misschien aan de levens van anderen, dan zult ge willen terugkeren. En
wie op de weg naar het licht omziet, ach ... dan gaat het als met de vrouw, die vluchtte uit
Sodom en omzag... en versteende. Dan zijt ge plotseling geketend aan die wereld en kunt ge
het licht niet meer zien. Wees vrij in leven en in dood. Wees slaaf van niets en van niemand.
Wees vrijwillig dienaar in al. Dan heeft Hades voor U geen betekenis. Dan heeft voor U de
demonische duisternis der ouden zich teruggetrokken in het verhaal van een lang verleden en
wordt het niet een schrikwekkende werkelijkheid.
Indien gij de moed hebt om te leven én te sterven, wanneer ge meester genoeg over Uzélve
om afstand te doen van al, wat ge verlaten moet, zonder terug te grijpen, zonder hunkering,
in een bewustzijn, dat wat werkelijk het Uwe is te allen tijde tot U zal keren, dan is voor U de
dood een hemelgang. De vreemde tocht naar de Olympus, waar boven de wolken het paleis
staat, waarin de goden spreken tot elkaar, waarin de Vader der wereld ontvangt wie tot Hem

88 ACHTER DE POORTEN VAN HADES
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

komt en hen, die waardig zijn verheft tot de heerlijkheid van Zijn zalen, Zijn hallen, hen
makend tot half goden, die vrij zijn, vrij in een wereld van geest én van stof.
Zó vrij zult gij zijn, indien ge de waarheid beseft, die het meest bindend is uitgedrukt in het
boek Toth:
"Wie niets bezit, bezit al, wie niets begeert, heeft alle dingen. Wie niets vreest, is meester
over al. En wie zichzelve richt op het grote geheim, in die wordt het geheim geboren, als
een lichtende werkelijkheid."
Daarmee vrienden, zullen wij het eerste gedeelte thans besluiten. Na de pauze kunnen we
rustig verder gaan.
Ik dank U voor Uw aandacht en wens U verder een gezegende avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Wij zijn het eerste gedeelte van de avond eigenlijk wel begonnen met een ietwat sombere
gedachte, tenminste voor degene, die de achtergronden niet begrepen heeft. En nu moeten we
verder gaan op deze avond en U weet, we zitten op ‘t ogenblik een klein beetje in de knoei.
Dus ik zou zeggen wanneer U nu zelf een onderwerp heeft, of een vraag, waarover U
vanavond wilt discussiëren, dan kunt U dit doen.
De vorige maal is gezegd, dat alles eigenlijk al in ons aanwezig is en het maar een kwestie
is van het je bewust worden. Maar nu is vorig jaar ook tijdens een lezing gezegd, dat de
geest, die als man incarneert een bewustzijnsuitbreiding tot stand moet brengen en de
geest, die als vrouw incarneert moet alleen deze bewustwording, die al aanwezig is,
bevestigen.
Intensifiëren eigenlijk. Zo is het gezegd.
Is dat niet in tegenspraak? Het is toch bij allemaal al aanwezig?
Het is er wel, maar mag ik een vergelijking gebruiken? Dat maakt het misschien gemakkelijker
duidelijk. We zullen ons nu eens voorstellen, dat er aan die binnenkant bij ons een hele stad
ligt, een grote wereldstad. Daar heb je de Chinese kwartieren, de Italiaanse kwartieren, de
grote zakenwijk, de kathedralen, de variétés, je vind er cafés, kroegen, je vind er villa’s en
sloppen, kortom alles is er. Standbeelden en kunstwerken, alles wat je je kunt voorstellen bij
een stad, is er van binnen. Nu komen wij en we gaan daarbinnen in zoeken. Dat is esoterie,
nietwaar? Dan op een gegeven ogenblik (wij nemen daarvoor b.v. een man) zegt die man "Nu
ga ik de zakenwijk leren kennen." Hij ziet daar alle dingen en begint daar te speculeren en
zaken te doen en hij gaat de zaak logisch opbouwen. Dan heeft hij wel de functie bereikt, maar
hij weet misschien niet eens, hoe het kantoor op de beurs eruit ziet. En dan komt de vrouw
aan het werk. Die komt daar en ontdekt "Hé, ze hebben hier gordijnen hangen en daar niet. 0,
wat hebben ze daar een snoeperig modern bureautje staan. En wat een leuk klein winkeltje zit
er tussen die zaken wat staan er leuke antieke dingen." Dan hebben ze beiden een deel van
die stad leren kennen en begint het seizoen wat doods te worden. Dan zeggen ze: "Weet je
wat, laten we een tijdje naar het zuiden gaan, naar Nice. We gaan nu eens met die herinnering
van onze stad in een andere wereld leven." Dan loop je in die andere wereld en dan zeg je
"Hé, wat leuk, zie je daar die winkel? Die lijkt nu net op die zaak bij ons op de hoek." En zo ga
je verder. Je ziet alle lieve herinneringen terug. Maar al het lelijke vergeet je liever, want
daarnaar zoek je immers niet. Zo bouw je je langzaam maar zeker een beeld op en dan komt
er op een gegeven ogenblik iemand bij je en die brengt je een telegram. Uw vacantie
afgelopen. U kunt wel hier blijven, maar dan moet U zorgen, dat U werk heeft want anders
terug naar je eigen, stad. Dan kom je weer op aarde. Dan begin je weer te zoeken in die stad.
Maar misschien ben je nu terecht gekomen ergens in een kunstenaarswijk en zit je temidden
van kunstschilders en praat je over abstracte kunst en over realisme en kubisme, kortom je
gaat er helemaal in op. Maar daarvan moet je niet alleen de techniek kennen, maar ook de

ACHTER DE POORTEN VAN HADES 89
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

gevoelsinhoud . . è (onverstaanbaar). Zo ga je verder. Net zo lang tot je alle wijken van buiten
kent en dan pas kun je zeggen: ik ken deze stad.
Laten we nu dat voorbeeld eens overzetten op de mens. God heeft de volmaaktheid
geschapen. Een volmaakte God kan uit zichzelf geen onvolmaaktheid voortbrengen. Want het
is geen eigenschap van het volmaakte om het onvolmaakte te produceren. De delen van de
volmaaktheid kunnen op zichzelf onvolmaakt zijn, maar ze vullen elkaar volledig aan en
brengen zo te allen tijde een uiteindelijke volmaaktheid tot stand. Wanneer je dat goed
begrijpt, dan wordt het eenvoudiger want wij zijn deel van die volmaaktheid. Dus voor zover
het het menselijke betreft én de geest en alles wat er aan vastzit, is ons zijn volmaakt. Die
waarden dragen we in ons. Daarmee zijn we begonnen en daarmee zullen we eindigen ook.
Maar in het begin staan we daar als vreemdeling in Jeruzalem. Wij kijken rond ons en weten
helemaal niet, waar we aan toe zijn. Pas langzaam gaan wij ontdekken "Hé, die stad ken ik."
Maar dan weten we nog niet veel. Dit wezen, dat in mijzelf besloten ligt, dat is mijn ego. Dat is
het "ik". En dan ga ik proberen dat "ik" te leren kennen. Het is er wel, maar ik ken het nog
niet.
En zo ga je rond en zeg je "Hé, waarom hebben we nu hier die lelijke grote gebouwen staan?
Wat is dat verschrikkelijk. Zo’n fabriekswijk hoort er niet bij." Maar wanneer je de hele stad
kent, kom je tot de conclusie "Voor die stad is het noodzakelijk, dat die dingen er zijn. Zonder
dat zou deze stad niet kunnen bestaan." Zo gaat het met alles totdat je leert die stad niet
meer te zien als een verzameling van gebouwen en van straten en van mogelijkheden (dus als
continuïteit van moment tot moment), maar als geheel, Dan zeg je "Hé, dit ego in mij bestaat
dus uit zoveel afzonderlijke kleine ervaringen en mogelijkheden. Die zijn er altijd in geweest.
Nu heb ik ze allemaal leren kennen en nu weet ik wat ik ben."
Dan gaan we nog een klein eindje verder. Want degenen, die de Bijbel geschreven hebben,
waren toch niet van die erg domme jongens. Zij schreven "God schiep de mens naar Lijn beeld
en gelijkenis." Wat is het beeld Gods? Kan het een stoffelijke uitdrukking zijn? Neen. Maar God
was het beeld van de mens is het alomvattende. En de gelijkenis? Jij. zijn geen God, maar wij
zin verder aan God gelijk, omdat Hij ons heeft gemaakt naar Zijn eigen beeld. Dus alles, wat
God kan, kunnen wij eigenlijk ook. Dat heeft God ons gegeven. Nu kunnen wij dat voor onszelf
niet realiseren. Heel begrijpelijk. Per slot van rekening we staan nog maar aan het begin. De
meesten van ons hebben misschien pas één klein wijkje van de stad verkend of misschien pas
in één stadspark gedwaald en die weten nog helemaal niet, wat er verder voor moois en voor
lelijks in verborgen ligt, hoe deze harmonie der dingen uiteindelijk is.
Maar nu is Uw vraag: Is het nu in tegenspraak met elkaar, dat de man zijn bewustzijn moet
uitbreiden en dat de vrouw het moet bevestigen, intensifiëren dus, vervolmaken? Dan kun je
heel eenvoudig zeggen: Wat leren wij kennen Onszelf. Wanneer wij onszelf helemaal kennen,
dan is er een oneindigheid, zonder verandering. Volmaaktheid. Maar zolang wij onszelf nog
niet helemaal kennen, moeten wij voortdurend proberen om dat te bereiken. En daarom
moeten we allereerst de zaak in grote lijnen zien, zodat we a.h.w. een algemeen, redelijk én
logisch beeld krijgen van het geheel. Daarbij komt natuurlijk wel bepaalde gevoelens, maar die
zijn laten we zeggen van een andere geaardheid, dan bij het vrouwelijke element. Bij de man
is de schoonheid een kwestie van vormenharmonie, een kwestie misschien van logische
opbouw. Bij de vrouw is het anders. Bij de vrouw is het een kwestie van aanvaarding, a.h.w.
van sympathie, ergens in opgaan. En wanneer die twee punten elkaar nu aanvullen, dan wordt
het beeld dus niet alleen aan de oppervlakte gezet (we zien de grote lijnen), maar het wordt
ook volledig ingevuld. Misschien zou ik het zó kunnen zeggen:
De man loopt door de straten, de vrouw gaat de huizen binnen. En nu begrijpt U toch wel dat
die volmaaktheid er altijd moet zijn, want anders kunnen wij daarin niet zoeken. Dan kunnen
wij daarin niet zoveel vinden. Die heeft God in ons gelegd. Maar wij moeten die wereld leren
kennen. Want het enige, wat in onszelf, onvolmaakt schijnt, is de verdeling van bewustzijn n.l.
het weten, dat niet in onszelf is bevestigd maar in het Goddelijke alleen en het weten, dat wel
in onszelven ligt. En de tegenstelling tussen deze beide bestaat voor ons. Want wij zijn

90 ACHTER DE POORTEN VAN HADES
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

geschapen naar Gods beeld en gelijkenis Voor God is het totale, het volledige bewustzijn
aanwezig, Maar wij maken verschil tussen "ik" en "niet ik" in dit bewustzijn. Wij begrijpen dus
niet, dat alles deel van onszelf is, maar wij zeggen "O, dát ben ik, en dát staat buiten me." En
daardoor komt die verdeling dus tot stand. Voldoende toegelicht? Het is geen zware materie,
het lijkt zwaarder dan het is. Is er nog iemand, die iets naar voren wil brengen?
Daaruit zou dus moeten voortspruiten, dat een man als man reïncarneert en een vrouw als
vrouw.
Een man kán als vrouw reïncarneren en een vrouw als man. Het is dus geen behoud van het
geslacht, noch een vaste wisseling van geslacht. U moet de zaak zó bekijken Wanneer je een
stad in kaart aan het brengen bent, dan heb je meer dan één leven daarvoor nodig. En nu kan
het noodzakelijk zijn, dat je eerst één kwartier helemaal in beeld brengt, voordat je dat wat
intenser kunt gaan beleven. Je zou meerdere malen achter elkaar dus man zijn, totdat dit deel
van de taak is voltooid. En dan zul je meerdere malen vrouw moeten zijn om de inhoud van
het in kaart gebrachte a.h.w. te leren begrijpen. Maar nu kan het ook voor komen, dat je met
kleine stukjes en beetjes gelijk werkt. Je bekijkt maar één gebouw misschien, één klein deel.
Dat heb je mannelijk beleefd, dat zijn de eenzijdige logici eigenlijk, de mensen dus, die
eenzijdig een wereldbeeld opbouwen en daaraan strak vasthouden. Dan komen ze een volgend
maal als vrouw terug. Dan zijn ze nog fanatieker dan ze als man zijn, maar ze beleven de zaak
veel meer dan het voor de man ooit mogelijk was. En dan is het heel logisch, dat ze daar na
weer als man zullen reïncarneren. Dat hangt dus volledig af van de persoonlijke
eigenschappen.
Van de persoonlijke eigenschappen van het individu zelf of van zijn krachten?
Van het ego. Er zijn geen andere krachten. En dat ego is die stad, waarover we het hadden,
plus het bewustzijn, dat je daarvan bezit. Dus dát is hier bepalend. De rest loopt er eigenlijk
wat achteraan dat hoort er wel bij, maar daar van merken wij niets. Per slot van rekening
moet U eens proberen U die zaak goed voor te stellen. Die stad is er, is er altijd. Kán het voor
degene, die die stad gemaakt heeft, enig verschil uitmaken, op welke wijze U die stad afwerkt?
Neen. Die stad is er. Maar voor Uzelf kan het wel degelijk een groot verschil uitmaken. En wel
de manier, waarop Uw eigen voorkeur geldt. Laten wij het maar heel simpel zeggen De één
doet het als man, die een goede bekeerling wordt, zoals sommige heiligen hebben gedaan, die
beginnen met naar de kroeg te gaan en die eindigen in de kerk. De ander doet het als een
boer, die in de kerk zit tot het ogenblik, dat er "amen" gezegd wordt en dan loopt hij als de
bliksem naar de kroeg om zijn neutje jenever te nemen. Een kwestie van persoonlijke in-
stelling. Toch behoeven we niet te zeggen, dat de religieuze ervaring van A beter is dan die
van B. Daarvan kunnen wij nog niets zeggen. Het is een kwestie van evenwicht, de wijze
waarop men reageert. En wanneer dat in de wereld al zo is, dan zult U wel begrijpen, dat het
overal zo blijft. Dat wat je bent, komt tot uiting.
Dus je moet de zaak niet bekijken als man of als vrouw, maar als mens.
Juist. Er komt een ogenblik, dat man en vrouw onderscheidingen zijn, die fictief blijven voor de
mens. Je zou het misschien het beste kunnen uitdrukken. Op een gegeven ogenblik loop je
a.h.w. vast, als je nog je onderscheiding blijft behouden. Want je hebt een zodanige
mogelijkheid tot doorvoelen, tot erkennen gevonden, dat je vrouw zou moeten zijn, maar
gelijktijdig heb je een inzicht gekregen in de logische samenstelling, dat je man zou moeten
zijn. Dan komt er dus een ogenblik meestal ligt dat ver buiten het stoffelijke dan je a.h.w. man
en vrouw tegelijk bent dus beide eigenschappen in jezelf verenigt en de kentekenen van geen
van beide vormen in je draagt. Dan kunnen wij dus weer mystiek gaan spreken over de
perfecte hermafrodiet, de zelf barende, die in zich de wereld voortbrengt zoals in hem de
wereld voortgebracht is. Daar ja, dan komen we weer in een erg diepzinnige beschouwing
terecht en gaan we misschien verder dan de vraag reikt.
Dus degene, die reïncarneert, doet dit met het vooropgezet doel om zich te reïncarneren
als man of als vrouw?

ACHTER DE POORTEN VAN HADES 91
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

Over het algemeen komt daar enig bewustzijn bij, maar het is lang niet zeker, dat het
bewustzijn voldoende is om inderdaad de sexen met,alle consequenties te definiëren, Maar er
is een kwestie van wat je noemt sympathie. Niet "sympathie" zoals U dat kent op aarde, maar
sympathische werkingen. Weet U wat dat is? Op het ogenblik, dat een bepaalde incarnatie
mogelijkheid voor mij attractief wordt, moet daarin een reeks van vervullingsmogelijkheden
zijn, die op zijn minst genomen parallel lopen met mijn eigen verlangen. In vele gevallen gaat
het verder dan mijn eigen verlangen. Dat merk ik dan pas later en daardoor krijg ik de
bewustwording. We moeten dus goed begrijpen, dat hoe bewuster je wordt, hoe bewuster je je
incarnatie kiest en je noodlot, en hoe meer je ook overziet, wat je leven voor je gaat
betekenen. Maar hoe onbewuster je bent, hoe meer je vergelijkend gesproken door instinct
wordt gedreven en daardoor ook wel de juiste keuze doet, maar nog niet beseft, waarom die
keuze juist is en wat de werkelijke inhoud daarvan is. Nu hoor ik hier aan alle kanten zoveel
interesse voor zekere problemen der reïncarnatie. Het is wel een afgegraasd onderwerp, maar
willen wij daarover dan even praten? U sprak over het zoeken van de sympathie voor een
bepaalde vorm om te reïncarneren. Kan de reeks van erfelijkheid dan doorbroken worden? Die
kan doorbroken worden, maar dit kan maar tot een bepaalde grens. Mag ik een vergelijking
gebruiken? In onze stad lopen trams van verschillend type. Wanneer je nu een verstandig
mens bent, zeg je "Er zal over een minuut of 7 á 8 een nieuwe tram komen, waarom zou ik in
die oude rammelkast gaan zit ten." Maar er zijn mensen, die altijd haast hebben. Die springen
in een oude wagen. Ze leggen hetzelfde traject af maar worden ongetwijfeld meer door elkaar
geschud dan in het geval, dat ze even gewacht zouden hebben. Kunt U dat beeld begrijpen?
Eigenlijk de verkeerde tram?
Je kunt nog wel eens inde verkeerde tram stappen ook, als je niet uitkijkt. Maar het
eigenaardige is, dat wanneer je in die verkeerde tram stapt je meestal iets doormaakt, wat
voer jou toch wel belangrijk is. Dat is juist het gekke. De mensen begrijpen dat niet. Ze
denken, als ze de tram missen of wanneer ze de verkeerde trein nemen, dat dit een soort
wrede speling van het noodlot is. Maar in de meeste gevallen zit er meteen een lesje in, vooral
wanneer die tram staat zoals bij ons beeld de innerlijke stad, dus de esoterische per-
soonlijkheid, die ik daarmede heb uitgebeeld, want dáár gaat het alles uiteindelijk om op
lering. En dan kom je soms tot het verbreken van een persoonlijke eenzijdigheid door een
schijnbare vergissing.
Nu moet U mij niet kwalijk nemen, wanneer ik met de reïncarnatie niet alle bekende punten
weer ga herkauwen. Ik sla U een klein beetje hoger aan om U voor een soort geestelijke
herkauwers te houden. Reïncarnatie wil zeggen terugkeren in een stoffelijke vorm. En bij de
mensen verstaat men onder reïncarnatie in de meeste gevallen tenminste in Europa, in andere
landen kan het anders zijn de terugkeer ook menselijke vorm.
Wanneer wij ons realiseren, wat de stof betekent voor de geest, dan valt ons in de eerste
plaats op, dat de stof een ontmoeting betekent met waarden. Die jezelf niet volledig in je
macht hebt. Daardoor ontstaan weerstanden. En waar weerstand is ontstaat ook wrijving.
Waar wrijving is ontstaat warmte. Waar warmte is kan vuur ontstaan. Waar vuur ontstaat kan
licht komen. Misschien een eigenaardige vergelijking, maar toch is ze waar.. Want op het
ogenblik, dat ik niet kan komen tot een vervulling volgens mijn eigen denkwijze, moet ik zoe-
ken naar een andere weg om toch die vervulling te bereiken.
Het resultaat is, dat ik dus langs omwegen probeer te komen, waar ik rechtstreeks volgens
mijn denkwijze niet kan komen en zo mijn visie op de mogelijkheid wijzig. Verder, dat ik door
het afbuigen van mijn eigen denkwijze een reeks nieuwe gedachten en impulsen ontvang, die
mijn wereldbeeld aanmerkelijk kunnen veranderen of uitbreiden.
Op deze wijze is de binding met de stof voor de geest niet slechts begeerlijk maar zelfs
noodzakelijk. Want de wereld van de geest is zozeer fijn stoffelijk, dat je daar veel
gemakkelijker dan elders komt tot een vasthouden aan je eigen denkbeelden. Eenzijdigheid is
in de geest gemakkelijker mogelijk dan in de stof.

92 ACHTER DE POORTEN VAN HADES
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

In de stof moet je of je wilt of niet betrekkelijk veelzijdig zijn. Nu is dat misschien volgens
stoffelijke normen wel weer te beperken, maar ik mag dan die veelzijdigheid misschien even
definiëren.
Stoffelijk gezien moet je kunnen dromen, dus je een beeld vormen wat zou kunnen zijn. Je
moet dus kunnen streven om iets niet bestaands trachten te verwerkelijken met middelen, die
je ten dienste staan. Je moet verder kunnen werken, dus ten koste van krachtsinspanning
trachten de bestaande toestand te veranderen. En je moet bovendien in staat zijn om te
spelen, d.w.z. op een gegeven ogenblik de spanningen, die in je bestaan, tijdelijk afreageren
door een totaal buiten de eigenlijke taak liggende gedachtegang op te vatten en deze te bele-
ven.
Maar in de praktijk blijkt, dat het spel een tegendeel is van werk, zodat dit een scherper
contrast, een scherper reliëf, brengt. Ons spel is een noodzakelijke aanvulling van ons werken.
Onze ontspanning is een noodzaak om een prestatie mogelijkheid te scheppen. Wanneer wij
dát uit het oog verliezen, zijn wij dus al fout.
Maar om iets te kunnen presteren, moet ik kunnen denken, moet ik mij een beeld kunnen
vormen van niet bestaande waarden. Want anders kan ik niet komen tot een taak, een
concept, een opvatting omtrent een taak, een voorstelling van een taak. Héb ik een taak, dan
moet ik deze nog zien als iets met een doel. Zolang iets geen doel heeft, kan het voor mij
geen bevrediging zijn. Daarom moet ik dromen. De droom moet a.h.w. de openbaring zijn van
een innerlijke waarheid, waardoor ik in staat word gesteld mijn gedachten te gebruiken om de
stof te richten opeen zodanige wijze, dat mijn werk en mijn spel gezamenlijk het ideaal in
vervuiling doen gaan. Degene, die reïncarneert, maakt dus van de stof gebruik om voor
zichzelf de innerlijke verdeeldheid tijdelijk te realiseren en het uitspelen van de verschillende
factoren tegen elkaar te gebruiken om zijn eigen wezen beter te leren kennen en gelijktijdig de
eigen plaats in de schepping gemakkelijker te leren bevatten.
Nu kom je bij een reïncarnatie o.a. te staan voor het probleem Wanneer zal ik reïncarneren.
Per slot van rekening zolang ik in de geest kan voortgaan, zolang ik daar nog mogelijkheden
heb tot verdere ontwikkeling, zal ik mij zeker niet binden. Zoals U, zeker niet Uzelve in een cel
zult opsluiten om daar werkzaamheden te verrichten, wanneer U datzelfde ergens in vrijheid
en gezelligheid kunt doen. Er moet dus allereerst een toestand van uitputting van
mogelijkheden zijn in de geest, voordat ik kom tot reïncarnatie. Voor de één komt dat snel,
voor de ander misschien pas na grote tijd, terwijl weer anderen helemaal geen remming van
mogelijkheden in de geest ervaren. Die hebben al een zoveel omvattend concept, dat ze
daarmee kunnen werken in elke geestelijke richting en toch komen tot een zelfrealisatie.
Degenen echter, die reïncarneren, worden dus a.h.w. gedwongen door een soort uitputting van
geestelijke mogelijkheden, waarbij hun eigen wereld vervlakt en vervaagt en zij uit licht of
duister komende zullen trachten om in de materie nieuwe impulsen op te doen, die hun
wederom een lichtende en vitale geestelijke wereld doen zien en beleven. Daarbij kiezen we
natuurlijk datgene, wat ons begeerlijk lijkt.
Om weer met vergelijkingen te beginnen: Als moeder de vrouw een kop koffie wil gaan maken,
en ze heeft koffie en suiker in huis, dan gaat ze geen eieren halen, maar melk. Nu kan dat
melk uit een busje zijn of uit een fles, losse melk en melkpoeder (Er zijn misschien nog wel
andere mogelijkheden, die ik niet ken), maar melk moet ze hebben. Zo gaat het bij de
reïncarnerende geest ook. Ze heeft misschien één of twee waarheden, maar ze zijn niet
voldoende om een goed geheel te vormen. Dan zal ze zoeken naar de ervaring, die haar
ontbreekt, om dit geheel af te ronden. Wanneer dit geheel afgerond is en het blijkt niet vol-
doende te zijn om geestelijk verder te gaan laten we zeggen, we hebben het kopje koffie,
maar nu moeten wij de kan er ook bij hebben dan ga je dus verder aan een volgende reeks
ervaringen. Die reeksen staan wel met elkaar in verband, maar moeten toch afzonderlijk
worden gezien.

ACHTER DE POORTEN VAN HADES 93
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

Een reeks van stoffelijke ervaringen zal over het algemeen nogal kort op elkaar vallen. Dat is
zo een periode van enkele honderden jaren. Laten we zeggen in b.v. 7 á, 800 jaar kun je een
reeks van 3 levens wel doormaken. In het ergste geval zal het, laten we het nu eens heel
scherp zeggen 21.000 jaar zijn. Maar langer doe je er niet over. Nu is het mogelijk, dat je dan
gedurende het bestaan van een hele wereld, dus van de geboorte van een wereld tot haar on-
dergang, eenvoudig niet meer reïncarneert. Je bent nu een geheel. Maar dan blijkt je dat dit
geheel nog niet alles is. Dat geheel ken je nu goed, daarbuiten ligt het raadsel, je wordt a.h.w.
nieuwsgierig, je wordt geprikkeld, dat je eigen wereld geen waarde meer heeft en je komt tot
een nieuwe reïncarnatie. Dan behoud je alles, wat je reeds bezit als geestelijke waarde. Maar
die geestelijke waarde wordt slechts beperkt stoffelijk uitgedrukt. Dat is ook begrijpelijk.
Wanneer ik nu naar de aarde toe ga (ik neem een gewoon menselijke wereld), dan zal ik
ontdekken, dat er verschillende landen zijn. Elk land wordt a.h.w. geregeerd door wat wij een
rasgeest kunnen noemen. En die rasgeest moet toch wel een klein beetje sympathiek zijn. Wij
gaan niet ergens reïncarneren,waar de overheersende geestelijke invloed reeds strijdig is met
ons eigen denken en wezen. Maar dan zijn we er nog niet. Want onder de invloed van een
dergelijke rasgeest staan verschillende groepen Sommige daarvan zijn vijandig, anderen zijn
aanvaardbaar, neutraal. Weer andere hebben enige aantrekkingskracht. Maar en nu mag ik
misschien tot de dames spreken is het U wel eens overkomen, dat U in een winkel kwam met
honderd hoeden en dat U zei "dat dáár staat deugt helemaal niet, maar dat zou wel gaan." U
kijkt rond en ineens zegt U dan "Ja ... dat hoedje moet ik hebben. Dat past bij mij." Ooit
meegemaakt? Er worden hele veldslagen geleverd vooral in de uitverkoop juist voor een
dergelijk idee. Dat wil niet zeggen, dat je er gelijk mee hebt. Het kan wel zijn, dat je net een
hoedje neemt, dat je helemaal niet staat. Maar ….. (de heren nemen het wel aan, nietwaar en
anders vragen ze het straks maar aan de dames) dan kom je op een gegeven ogenblik tot de
oplossing en je zegt "Ja, dat wil ik." Nu kan "dat wil ik" een keuze betekenen. Dames, het
hoedje ligt er in drie tinten. Welke tint zou mij nu het beste staan? Enz. Het kan dus zijn een
groep van mogelijkheden of het kan zijn één mogelijkheid. Maar daarop vlieg je af. Tiet kan
gebeuren, dat je de kans mist. Dan wacht je weer, tot je een soortgelijke impuls krijgt en dan
kies je weer. Maar je doet dat binnen dezelfde groep, die je reeds gekozen hebt, binnen
hetzelfde ras, dat je reeds gekozen hebt. Dan heb je dus een mogelijkheid gevonden.
Nu is dat voertuig, dat je krijgt, beïnvloed door erfelijke kwaliteiten. Het kan verder beïnvloed
zijn door bindingen in de omgeving, door sociale status en wat dies meer zij. Die bindingen
zijn wel degelijk van belang. Het zijn weer standen, die je ervaart, bij het vervullen van je
geestelijke taak, van je opvatting. Nu kan het gebeuren, dat je geestelijk begint te streven en
in dat lichaam veranderingen teweeg kunt brengen. Dan is het net, of dat lichaam en de
capaciteiten daarvan zich ver boven hun eigen milieu verheffen, of ze sterk afwijken van wat
de voorouders zijn geweest, of zeer gunstige combinatie zijn van eigenschappen, die tot nu toe
in het voorgeslacht niet in één persoen zijn voorgekomen.
Je moet streven. Dat kan voldoende zijn. Maar stel nu eens dat een geest toch nog iets hoger
staat. Dat ze bemerkt, dat het doel, dat zij zich gesteld heeft op het ogenblik der reïncarnatie,
met dit volledige lichaam moeilijk vervuld kan worden. Dan kan ze zelfs zover gaan, dat ze
delen van dit lichaam eenvoudig onbruikbaar maakt, om daardoor de nadruk te leggen op haar
geestelijke taak. Dan kan ze zover gaan, dat ze het lichaam in omstandigheden brengt, die
stoffelijk gezien zeer onaangenaam zijn. En dan zegt de mens: "Wát loopt het mij tegen.
Waarom moest dat ongeluk mij nu juist overkomen en waarom moest ik zoveel pech
hebben?", niet begrijpende, dat hijzelve de oorzaak daarvan is. Want zou alles gewoon zijn
voortgegaan, dan zou de geest niet tot de vervulling van haar aanvaarde taak komen. Dan zou
ze niet de beleving hebben, die ze probeert te hebben in dat leven. Dat is ook weer duidelijk.
Dan is die geest klaar. Dan gaat ze dus weer over, maar ze heeft zich verrijkt. Zij heeft heel
veel impressies opgedaan en heel veel impulsen. En dan kunnen we weer een vergelijking
gebruiken.

94 ACHTER DE POORTEN VAN HADES
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

Hebt U wel eens gehoord van een schilder, die een reis heeft gemaakt? Die heeft overal
schetsen gemaakt. De geest, die door een leven is heengegaan, is net zo’n schilder. Ze heeft
overal schetsen van toestanden en situaties gemaakt en deze vastgelegd in een soort van
geestelijk herinneringsvermogen. Dat staat hoofdzakelijk in verband met emoties, dus met
intense beleving. Ze heeft verder een eigen wereldbeeld. Nu gaat ze voor zichzelf scones
bouwen uit deze ervaringen, ze gaat ze aanvullen niet volledig maar volgens haar visie van
waarheid. Zoals b.v. de schilder, die naar Sicilië is geweest en hier in Nederland daarvan een
schets maakt, uit de aard der zaak niet een natuurgetrouwe weergave geeft van wat hij heeft
gezien, maar zijn persoonlijke impressie. Op die manier bouwt die geest voor zich niet een
schilderij maar een wereld op. Die wereld maakt veelal deel uit van Zomerland, dus van een
bepaalde vormenwereld, waarin zij a.h.w. herbeleeft, wat ze op de aarde had, maar nu
volgens zuiver persoonlijke impressie met alle goed en kwaad, dat ze daarin zelf ontdekt heeft.
De wijze, waarop ze daartegenover reageert, is dan een reeks van ervaringen. Ze leert wat
voor haar niet nuttig is. Laten we maar een voorbeeld nemen.
Iemand heeft nog nooit brandnetels gezien en zegt "O, wat een aardige bossage." Hij schildert
zo’n bossage, stelt dat in zo’n werelden gaat erop zitten. Hij komt tot de conclusie, dat dat niet
goed is. Dus zo gaat die geest uit wat ze heeft meegemaakt toch weer persoonlijke ervaringen
trekken. En op de duur doet ze net als die schilder. Hij heeft doeken uitgestald, hij heeft er
een tentoonstelling van gemaakt, anderen ernaar laten kijken, hij heeft erover gesproken, hij
heeft erover gepraat en dan is zijn belangstelling weg.
Die werken staan er wel, sommigen ervan zijn hem dierbaar die zet hij in een hoek, die
bewaart hij of hangt ze op een mooi plaatsje op, maar hij voelt de scheppingsdrang opnieuw.
Dan kan die geest, wanneer zij buitengewoon veel geestelijke waarden heeft verworven,
omhoog gaan. Dus uit haar vormenwereld komt zij tot haar feitelijk bestaan. Zij gooit die waan
weg. Zij zegt "Nu ga ik niet meer praten over schil,deren en over uitbeelden van het verleden
nu wil ik eens leven in mijn eigen wereld." Dan beleeft ze daar heel veel moois want met haar
nieuwe ervaring kan zij nieuwe contacten opnemen, ze krijgt een groter begrip voor haar
werkelijke toestand tot het op een dag haar weer te sterk word. Dan zegt ze "Ja, nu zou ik
bergen willen schilderen." Dan ligt het er maar aan, wat je impuls is en wat je middelen zijn.
Dat is meer of minder gemakkelijk naar een taakvervulling zoeken. En je middelen? Dat is de
geestelijke kracht plus het bewustzijn, die het je mogelijk maken om dit verlangen ook
werkelijk te verwerkelijken.
Nu zit b.v. een schilder hier in Nederland. Wanneer hij erg kapitaalarm is, gaat hij naar
Valkenburg. Heeft hij wat meer geld, dan gaat hij misschien naar de Schotse bergen, die ook
buitengewoon mooi zijn. Heeft nog wat meer geld en wat meer tijd, dan zal hij misschien eerst
eens gaan kijken in Zwitserland, naar het Alpenmassief dus, hij zal Oostenrijk even aandoen
en tenslotte afzakken naar de Apennijnen. Heeft hij nog meer mogelijkheden, dan gaat hij
misschien naar de Kaukasus kijken. En een enkeling brengt het zo ver, dat hij zegt. "Ik ga
naar de Karakorum of naar de Andes." Dus naar de grote verlaten gebieden, waar die
eenzaamheid werkelijk op hem kan inwerken. Zo gaat het met die geest ook. Ze kiest. Maar ze
kiest volgens haar bewustzijn en haar mogelijkheden. En zó kiest ze een reïncarnatie, die in
meerdere of mindere mate geschikt is om haar geestelijk doel te vervullen. En zo krijgt ze dan
weer nieuwe beelden en nieuwe voorstellingen, totdat ze op een gegeven ogenblik die wereld
kent.
Laten wij nu eens aannemen, dat het de schilder mogelijk is geweest alle belangrijke punten
van de wereld te hebben uit getekend. Dan is het heel begrijpelijk, dat die wereld voor hem
geen betekenis meer heeft. Stellen wij nu eens verder, dat hij zich kan bewegen zoals hij wil
dus niet alleen gebonden aan de oppervlakte van de wereld. Wat zou hij dan doen? Dan zou hij
waarschijnlijk de ruimte ingaan en proberen de aarde, de maan en de zon te schilderen, zoals
deze hem lijken. Hij grijpt dus naar iets groters. Dat doet de geest ook. Wanneer zij een
volkomen bewustzijn heeft van de kleine mogelijkheden, dan grijpt ze naar de grote. En steeds
groter wordt de wereld, die ze zich herschept, wanneer zij vrij is van de stoffelijke band. Tot ze

ACHTER DE POORTEN VAN HADES 95
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

op een, ogenblik d.h.w. één is geworden met het heelal. Ze haalt adem met de sterren, ze
vliedt met de rand, (met de periferie) mee naar buiten toe. Ze keert weet terug op het
ogenblik, dat het nacht wordt en de sterren doven. En ze schept misschien zelfs een nieuw
heelal keer op keer. Dan ontdekt ze, dat ook dit haar te weinig is. Dan zoekt ze naar het
grootste uit de beelden, dat er is, de Kracht, waaruit alles bestaat. Dan heeft ze haar laatste
incarnatie doorgemaakt, want dan keert ze niet meer terug in een binding tot de stof, waar de
kracht, die de essence is van alles wat ze heeft doorgemaakt, van alles wat ze heeft getracht
uit te beelden en te begrijpen, van het kleinste stoffelijke bestaan tot het allergrootste toe, is
opgebouwd met deze kracht. Heeft ze die kracht, dan heeft ze het alomvattende, dan heeft ze
het heelal. Begrijpt ze dit, dan is er niets meer. Maar dan ligt er in die geest de mogelijkheid
om voor zich te herscheppen, wat God ge schapen heeft en zo elke uitdrukking van leven, die
er mogelijk is, in zichzelf volledig te kennen. Begrijpt U? Dat is nu eigenlijk de gang van de
reïncarnaties.
Moet je zo hoog stijgen om weer te reïncarneren?
Dan hebt U mij niet helemaal begrepen, want ik heb uitdrukkelijk gezegd, dat dit de eindfase
is der reïncarnatie. U begint natuurlijk als één of ander stukje proteïne in de wereldzee, ergens
in het begin. Of misschien nog voordien, als een geest, die een ogenblik in de gloeiende lava
mee naar boven stijgt en daar afkoelt. Dan gaat U verder. Dier, plant, enz. Mens. Van mens
tot groter dan mens (dus groepsgeest) maar gebonden met de groep. Uiteindelijk tot geest
van een wereld, van een aarde, een geest van een zonnestelsel, een geest misschien van een
heel melkwegstelsel (hele sterrennevel dus), steeds meer en meer, tot je komt tot die Kracht.
En dat is het laatste. Maar elke binding met de stof kunnen wij rechtens eigenlijk een
reïncarnatie noemen, n.l. een hernieuwde binding met de wereld, waarin je niet alles door je
eigen bewustzijn volledig beheerst. Daarom kunnen we zeggen: De reïncarnaties lopen vanaf
het eerste ogenblik, waarop de geest, (ik bewust geworden) zich bindt met de materie om een
uitdrukking voor het ik te vinden, tot het ogenblik dat zij de Kracht beseffende als de essence
daarvan probeert zich te vereenzelvigen met die Kracht en zo haar werkelijke banden met de
stof verloochent als directe binding, om te worden tot de essence van al het zijnde zelf. Het is
weer eens een andere kant van dit vraagstuk.
We verstaan gewoonlijk onder reïncarnatie, dat je weer terug gaat naar de aarde.
Kijkt U eens, dan kunt U ook zeggen Onder verhuizen versta je, dat je van het ene huis naar
het andere gaat. Maar er komt ook een tijd, dat het van het ene land naar het andere kan
gaan. Dan blijft het ook verhuizen, ondanks de andere naam, die er aan wordt gegeven,
emigratie of immigratie. Is het emigratie, dan zeggen ze "Blij, dat wij je kwijt zijn." Is het
immigratie, dan zeggen ze "Kijk, daar komt er al weer één." Ik geloof, dat ik daarmee het con-
cept "incarnatie" wel tamelijk omvattend heb behandeld. Heeft iemand nog een ander
onderwerp?
Heeft reïncarnatie nog iets te maken met de tekens van de dierenriem waar onder je
reïncarneert?
In zekere zin. Het teken van de dierenriem, waaronder je geboren wordt, is een uitdrukking.
van kosmische omstandigheden, die mede je geboorte hebben beïnvloed. En nu kunnen we dat
weer het best vergelijken met een over en weer pontje. De één wandelt op z’n gemak en
neemt de pont van 5 uur de ander loopt hard en neemt de pont van 4 uur. Dat ze die ponten
nemen ligt aan hun bezigheden elders plus aan hun karakter en eventuele haast, die ze maken
om thuis te komen. Het ogenblik, waarop die pont aankom, bepaalt de verbindingen, die je
vindt. Vele kunnen het met de trein nooit doen. Het ogenblik, dat je op het station aankomt,
bepaalt welke trams ervoor staan, of er taxi’s zijn, enz, en of er iemand staat om je af te halen
of niet. Dat is daar mede door bepaald. Zo gaat het met die reïncarnatie nu ook. Dus je kunt
zeggen, dat het teken, waaronder je arriveert, een weerspiegeling is van je eigen geaardheid,
geestelijk. Bovendien moet je daarbij zeggen, dat de stoffelijke werking van kosmische
invloeden daardoor ook bepaalbaar wordt, zodat de grondeigenschappen van het stoffelijk
voertuig evenzeer daardoor zijn vast te leggen.

96 ACHTER DE POORTEN VAN HADES
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

Iemand heeft mij gevraagd, of ik hem helpen kon aan boeken, waarin hij zou kunnen lezen
over de kleuren, die je zelf bij je hebt of de kleur, die bij je hoort.
Kijkt U eens, dan kunt U voor vakliteratuur als U het zo wilt noemen wel terecht in de
theosofische geschriften Uskine, maar die zal hier niet zo bekend zijn, een Russische schrijver,
Leadbeater, een Engelsman, naar ik meen ook in het Hollands vertaald.
Ook in het Spaans?
Er bestaat wel een geschrift in het Spaans, maar dat zult U waarschijnlijk niet in handen
kunnen krijgen, omdat dit een zeer oud geschrift is, dat voor zover ik weet niet verder is
uitgegeven. Dat heeft een tijdje gecirculeerd als handschrift (dus niet gedrukt) in 1700
ongeveer en dat, vertaald, als titel heeft “De leringen van de Rabbi Ezechiel”. Daarin wordt n.l.
beschreven de eigen uitstraling van alle voorwerpen en ook van de mens plus de wijze, waarop
die uitstralingen bepalend zijn voor sympathie en antipathie, ziekte verschijnselen, enz. Het is
eigenlijk veroordeeld als tovenarij en alchemie, omdat deze goede meneer b.v. bij vertelde: Je
kunt de uitstraling zien van een menselijk lichaam. Daarin zien wij b.v. de kleurafwijking
dofrood in de aura. Dof rood op deze wijze gezien is het symbool van een ziekteverschijnsel,
dat evenzeer zó is. En nu zegt hij Nu behoeven wij niet te gaan zeggen, welk zintuig ziek is of
welk deel van het lichaam ziek is, maar we gaan kijken of we ergens een stof vinden, die
evenzeer dofrood is. Dan breng ik deze stof met andere stoffen in contact, tot ik zie, dat het
rood verandert in hel rood. Elke stof, die die reactie teweeg brengt, is dan een geneesmiddel
voor mijn patiënt. Een theorie, die natuurlijk niet helemaal klopt. Maar ik mag er wel bij
zeggen, dat het tweede gedeelte van zijn werk, dat dan wel als ik me niet vergis nog bestaat,
zij het, dat het later door andere auteurs weer bewerkt is, eigenlijk kruidkunde is. Deze man
ging dus uit van het stelsel, dat de afwijking in de mens gecompenseerd kan worden door elk
kruid, dat een bepaalde uitstraling heeft. En daarbij ging hij zelfs zover te beweren, dat de
uitstraling van planten en dus ook hun kleur aanmerkelijk gewijzigd kon worden naar gelang
de tijdstippen van de dag en de tijd van het jaar, zodat m"n zeer nauwkeurig noest
waarnemen, op welk ogenblik de juiste kleur opkwam. Dan moest zo iets geplukt worden en
dan was het tegen de afwijking goed en anders niet.
Het leuke is, dat je ook op een logische manier kunt verklaren, dat hij toch zeker wel aardig
gelijk had. Je kunt n.l. zeggen, dat de groeifase van een bepaalde plant plus de toestand,
waarin ze zich bevindt, varieert. Vroeg in de morgen b.v. (het ontwaken, waarbij ze dus
hoofdzakelijk afgescheiden heeft en betrekkelijk leeg is).hebben de sappen weer een andere
samenstelling dan aan het einde van de dag, wanneer ze hoofdzakelijk heeft opgenomen, dus
die chlorofylomzetting (=wisseling) heeft plaats gevonden. Op diezelfde wijze kunnen wij
zeggen, dat wanneer er dauw ligt er een verzadigingspunt van vocht is, waardoor de sapdrift
op haar hoogtepunt kan zijn. Aan de avond daarentegen vooral op een warme dag is de
verdampingswerking op haar hoogst en dit betekent weer, dat de concentratie van sappen en
de samenstelling van sappen in de plant enigszins anders is. Dus het is wel logisch te
verklaren. Maar U heeft er niets aan. Want deze werken bestaan wel in het Spaans, maar ik
betwijfel of U ze meester zoudt kunnen worden. Zoudt U ze kunnen verwerven, dan toch in ie
der geval niet via een normale bibliotheek maar hoogstens via een archief van de een of
andere instelling, die zeer oud is, danwel misschien heel misschien bij een antiquair. Maar ik
neem aan dat dit alleen het geval zou zijn, wanneer heel.kostbare verzamelingen van oude
handschriften worden verkocht.
De kleur, die bij een mens zou horen, daarover is ook al eens besproken, n.l. dat de mens
een bepaalde kleur voor zichzelf kiest. Heeft dit hiermede te maken of staat het er los van?
Want de mens heeft voorkeur voor iets.
De mens heeft dit inderdaad, maar dat is weer een kwestie van eigen reactie op kleuren. En
nu moet U zo rekenen De mens kiest over het algemeen die kleuren voor zijn omgeving, die
een compensatie betekenen voor de eigen persoonlijkheid. Dus iemand, die geneigd is tot
flamboyant optreden, kiest over het algemeen primaire kleuren felle kleuren. En naar gelang
dan het eigen karakter is b.v. iemand wisselt tussen melancholie en uitbundigheid. Dan hebt U
grote kans, dat zo iemand geel een heel mooie kleur vindt. Leeft iemand een afwisseling van

ACHTER DE POORTEN VAN HADES 97
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

hartstocht en zelfverwering, dan is het eigenaardige, dat heel vaak rood en ook vaak hel rood
gekozen wordt. Is bij iemand het steeds weer noodzakelijk, om het redelijke element op de
voorgrond te brengen, dan vinden wij wanneer hij dat ook geestelijk wil doen," dus ook t.o.v.
abstracte problemen, een licht blauw. Is het alleen stoffelijk, dan heeft zo iemand vaak voor
grijs en vooral voor staalgrijs een voorkeur en zo kunt U verder gaan. Dan laat ik dus de
mode-begrippen buiten beschouwing.
Dat heeft dus met de aura niets te maken. dus met de uitstraling, die een mens heeft.
Ja. Nu kun je wel zeggen: Die of die kleur hoort bij je. Dus deze kleur geeft een verscherpte
uitdrukking aan eigen eigenschappen. En dan kun je dus met zo’n kleur in de kleding en jé
omgeving vaak meer jezelf zijn dan anders. Maar dat komt lang niet altijd overeen met de
kleur, die je kiest, omdat je de kleur meestal kiest als een compensatie.
Ik heb een kind gekend, dat sprak zo: Oom Louis is roze, Tante zo en zo is geel.
Dat is een gevoeligheid ervoor. Maar nu mogen wij niet altijd zeggen, dat dit direct een
waarneming van een aura behoeft te zijn. Het kan n.l. eerder een impressie zijn, die een
kleurherinnering wekt. Wanneer dat het geval is, kunnen we zeggen dat de kleur herinnering
die gewekt werd, wel in overeenstemming is met de aura, maar dat ze niet zo wordt gezien.
De gevoeligheid daarvoor is bij de meeste volwassenen afgesleten en komt dus niet meer vol
tot uiting. Alleen in omstandigheden, waarbij het interesse gebed of de zintuiglijke waar
neming, sterk beperkt is, krijg je die gevoeligheid weer sterkeren, groter. Dus dan kom je op
een ogenblik weer wel tot dit associëren met kleuren. En het leuke is, sommige dingen voelen
haast alle mensen. Hebt U nooit eens het idee gehad, dat iemand pikzwart met zich
meebracht, zo’n donkere mantel, die zo duf ineens de hele sfeer doodslaat? Uw eigen kleur
reactie. Waarom een donkere mantel? Waarom zwart? Nooit over nagedacht? Toch is het daar
een ervaren van een scherp contrast en daardoor een kleurvaststelling. En dat kan dus elders
ook optreden, mits het contrast groot genoeg is, dat U wakker wordt geschud. Maar de meeste
mensen hebben zoveel te kijken Op een andere manier, dat ze weleens vergeten die fijne
dingen waar te nemen en,zich te herinneren. Je kijkt over die "schijnbaar" onbelangrijke
kleinigheden heen.
De kleuren kunnen na verloop van tijd ook wisselen.
Dat is logisch, want wanneer je jezelf ontwikkelt, wordt je wezen anders. Je ontwikkeling is
stoffelijk reeds een andere, plus geestelijk een andere ervaring. Het resultaat is De eigen
instelling tegenover de wereld is een andere en je zoekt een andere kleur als compensatie.
Maar ook je eigen persoonlijkheid en je eigen uitstraling verandert wel degelijk.
Hoe kan men een aura zien, of leren zien?
Leren kun je het niet. Maar wanneer je eigen leven en denken een bepaalde instelling heeft, is
het mogelijk dat je je die "gave" verwerft. Dus aan de hand van een persoonlijke ontwikkeling
kan de bekwaamheid de aura te zien ontstaan. Ze kan ook bij geboorte zijn meegegeven, ze
kan ook ontstaan door geestelijke of lichamelijke schokken, die je doormaakt. Het betekent
dus het ontplooien vaneen sensitiviteit op een gebied, waarop de doorsnee mens betrekkelijk
ongevoelig is. Daar komt het op neer.
Dus het heeft ook met een verandering in onszelf te maken?.
Natuurlijk. Per slot van rekening waarom zoudt U op de wereld leven als het niet was om te
veranderen? U leeft toch uiteindelijk niet op de wereld om belasting te betalen en zo de
staatslieden het mogelijk te maken vele dienst reizen te maken en vele missies te vervullen
om de wanorde, die er bestaat.. nog aanmerkelijk te vergroten? U bestaat ook niet op deze
wereld om de pastoor of de dominee een inkomen te bezorgen. U bestaat zelfs niet op de
wereld om voor Uzelf een leuke, gezellige tijd te hebben. U bestaat op deze wereld om te
groeien. En dat houdt dus in dat elke mens, die ook maar enigszins beantwoordt aan het leven
zelve, langzaam maar zeker van kleur (van uitstraling dus) veranderen zal.
Maar je ziet het niet met je stoffelijke ogen. Want ik ben volkomen blind en zie alle mensen
in hun aura.

98 ACHTER DE POORTEN VAN HADES
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

Zo zien wij de mensen in feite ook. Dat is dus in feite een kwestie van geestelijk zien. Maar
daarnaast is het mogelijk, dat die waarneming ook wel visueel ontstaat. Maar dan moeten we
altijd één ding onthouden. De kleur zelf wordt niet waargenomen, maar trillingen worden
waargenomen en vertaald tot kleuren. M.a.w. de kleuren, die worden waargenomen, zijn geen
op stoffelijke basis bestaande kleuren, maar zijn de stoffelijke interpretatie van opvangen
trillingen. Daar komt het op neer.
Hoe is dan bij iemand, die blind geboren is?
Iemand, die blind geboren is zal vaak feller dan iemand anders komen tot het kennen van een
uitstraling. Daar staat echter tegenover, dat een blinde niet komt tot kleurvergelijk, zoals
iemand die heeft kunnen zien. Zodat het veel moeilijker wordt om uitdrukking te geven aan
hetgeen hij beleeft.
Maar toen ik zien kon, zag ik de mensen ook in hun aura. En nadat ik blind geworden ben,
is dat precies hetzelfde. Daarin is geen verschil gekomen.
Dat zegt U. Maar dan zou ik - ik mag wel, hè - mijn geweten even willen onderzoeken, als ik U
was. Vroeger nam U de aura waar en zelfs ook de verschillende afwijkingen in de aura. Maar
heeft U niet de indruk - het is maar een vraag - dat U de aura op het ogenblik intenser en in
fijnere details waar neemt?
Neen.
Dan is Uw herinnering waarschijnlijk fout. Want ik ben er nu mee begonnen en mag het
misschien wel even afmaken. Weet U, dat deze wijze van zien bij U een ontwikkeling heeft
doorgemaakt, waardoor Uw prestatie in de periode dus van verminderd gezichtsvermogen
stoffelijk is opgelopen tot 1,5 maal de intensiteit van waarneming, die U vroeger had? (Zeker.)
En in sommige gevallen kennen wij zelfs pieken van beleving waarneming, die verder gaan
dan de aura en dus nog veel hoger trilling kunnen bevatten en waarnemen.
Ik moet weer "neen" zeggen. Het spijt me.
Dat is per slot de eigen interpretatie, die U geeft en ik geef hier de toestand weer, zoals ik ze
onmiddellijk ken en waarneem. Dus hier is zuiver het feit, dat Uw eigen stoffelijke interpretatie
niet in staat is om de verschillen uit te drukken en dat zal waarschijnlijk komen, omdat de
verandering niet als een schok ontstond, maar zo geleidelijk, dat je het verschil haast niet
merkt. Daaruit zal het wel voortkomen.
Het is geregeld gewoon doorgegaan.
Akkoord, als U dat zo wilt zien. U zult later, als U aan mijn kant komt, de zaak ook misschien
weer anders bekijken.
Ze vragen mij dat wel meer, of het zien sinds ik blind ben sterker is geworden. En dan zeg
ik: neen.
Het is hoogstens intenser en meer wereldvullend geworden voor U. Maar goed, daarover zullen
wij ook niet debatteren, want dan zegt U ook weer: "neen". Maar nu moet U eens goed
luisteren. Wanneer U dit in geweten nu werkelijk helemaal zult nagaan, dan geloof ik, dat U
zult moeten toegeven werkelijk in geweten nagaan dat U meer, definitiever en scherper
waarneemt dan vroeger. Alleen, U realiseert zich dat misschien niet, dat geef ik graag toe.
Want het feit, dat U op groter afstand zuiverder en intenser kunt beleven, blijkt hier al
onmiddellijk, als ik naast U zit.
Dat is zo. Kosmisch. Maar dat ligt op een heel ander terrein.
Dat ligt precies op hetzelfde terrein. Qua interpretatie ligt het misschien voor U op een ander
vlak. Graag toegegeven. Maar qua verschijnsel hoort het in precies dezelfde grote orde thuis.
Het kosmisch zien sluimerde nog en dat is sterker geworden na het blind worden.
U moet het zo zien. Stel nu, dat U in het begin alleen rood kunt zien (dus vergelijkend) en dat
U kleur voor kleur erbij krijgt. Zolang U alles nog gaat zien als een variant, een verschuiving
van rood, dan zegt U niet "Ik zie meer" maar nu komt er een ogenblik, dat U daardoor ook wit
kunt gaan zien. Dus samenstelling van kleuren en de combinatiekleuren, die door

ACHTER DE POORTEN VAN HADES 99
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

samenvoeging van kleur tot stand kunnen koken. Dan gaat U zeggen: "Dat is kosmisch",
omdat het U de dingen láát zien, die tussen de dingen in liggen of achter de dingen.
Dat bedoel ik niet.
Mag ik een vraag stellen? Een bewustzijn van een geest en daardoor een erkennen van
waarden van een andere wereld, wilt U dat onder kosmisch zien thuis brengen?
Neen.
Het erkennen van het wezen, dus de essence van een bepaald ogenblik, wilt U dat kosmisch
noemen?
Ook niet. Dat ligt weer op een ander plan.
Wilt U kosmisch omschrijven?
Duiken in de wereldziel. Misschien zeg ik het verkeerd.
U zegt het heel goed. Maar U vergeet, dat elke waarde, die ik heb opgenoemd, in de wereldziel
ligt.
Maar het ligt allemaal op een ander vlak.
Het ligt niet op een ander vlak.
Voor mijn gevoel wel.
Voor Uw gevoel, omdat U niet komt tot een gelijktijdige ervaring van die vlakken. Dus mogen
we zeggen U ziet nog niet "wit". Dus U bent nog niet gekomen tot de top, die we dan "wit zien"
zouden kunnen noemen. Maar nu moet U eens goed luisteren. De aura ligt ook binnen de
wereldziel, want het is een weergave van de waarde van de Al geest door het individu. Nu ga
ik een stap verder. U leert deze intenser zien en ziet de waarden, die daarachter en daartussen
bestaan. Dat noemt U duiken in de wereldziel. In feite is het een erkennen van de banden, die
tussen het geheel bestaan, of als U het anders wilt zeggen een indruk van de volmaaktheid,
die U dus krijgt door het samenspel der waarden. U zegt dan: Ja,maar het ligt op een ander
vlak. Is dat wel waar? Neen, het is alleen een diepergaande uitdrukking van hetzelfde.
Het hoort bij elkaar, maar ik zie het apart
Ah juist, "ik zie het apart". En wanneer we nu eens teruggaan naar het voorbeeld, dat ik gaf, is
dat dan zo gek? U ziet eerst de kleuren, de primaire kleuren. Dat zijn Uw vlakken. Dat is de
mensheid, die U waarneemt, maar niet alleen de mensheid, ook de invloeden, die zich daarin
afspelen. Dus onder die kleuren zouden we kunnen verstaan het kennen van de aura, maar
ook het zien van emoties en gevoelens, het zien van sfeer, het zien van geesten eventueel
(dus van entiteiten), het erkennen van geestelijke werkingen, zelfs van hoger, orde. Dan
hebben wij de primaire kleuren. Nu gaan we verder. De werkingen op zichzelf geven door hun
onderlinge werking (dus het wederkerig beïnvloeden), weer uiting aan de essence van deze
bestaanfasen, zoals die binnen het geheel nu eenmaal door de Schepper is gebracht. Nu gaat
U dus dieper zien U,gaat dus de zin van de dingen zien. U ziet nog steeds hetzelfde. Alleen U
hebt scherper leren onderscheiden. Doordat U scherper onderscheidt, ontdekt U nieuwe
waarden in het oude, maar zij zijn er altijd in geborgen geweest. En nu komt U tot een
volgende fase en als ik mij niet vergis moet U die fase toch al bereikt hebben. (Het mag
verkeerd zijn, maar ik geloof toch wel, dat U dat al bereik hebt). Achter de combinatie van
stoffelijke en geestelijke werkingen ligt de inhoud, die niet als een persoonlijkheid is uit te
drukken en die toch een beleving is. Dan komen wij aan"overkoepelende kleuren" zou ik haast
willen zegen. Dus een kleur, die zodanig samengesteld is, dat ze als een zeepbel schemert.
In elkaar vloeien.
Juist. Door elkaar, voortdurend, als een weerkaatsing. Nu zijn we dan zover gekomen, dat wij
dus de groot kosmische werkingen (of als U het anders wilt zeggen de werkelijke inhoud van
de volmaakte schepping) in delen weerkaatst zien. Maar die zeepbel is alleen maar een
weergave van iets, dat in één werkelijke kracht bestaat. En dat is wit, dat, alles overvleugelt.
En als wij dat nu zien, dan geloof ik, dat ik min voorbeeld niet zo gek gekozen heb en dat we
het uiteindelijk nu toch aardig met elkaar eens zijn.

100 ACHTER DE POORTEN VAN HADES
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

Het is natuurlijk erg moeilijk om kosmische dingen in menselijke taal weer te geven. U
spreekt een andere taal, laten we het zo zeggen.
Het is eigenlijk nog moeilijker om wat voor mij normaal is zodanig te beperken, dat een
stoffelijk mens, die zich aan de stoffelijke indruk en uitdrukking houdt ook in het geestelijke,
wat je, onwillekeurig doet zegt "Hé ja, dat herken ik toch."
Ik hoop, dat dit voor de anderen niet vervelend is geweest. Inmiddels is het medium een
beetje bijgewerkt en om die effecten niet direct te verbruiken, geef ik het woord aan de laatste
spreker.
o-o-o-o-o
Goeden avond

Het Schone Woord: Zachtmoedigheid
Een vreemd woord, dat in zich zachtheid en moed vereent. Dat zou impliceren, dat er moed
voor nodig is om zachtmoedig te zijn, zacht van gemoed. Het woord impliceert ook een zekere
tederheid. Je zou a.h.w. met een werkelijke naasten liefde, een gevoel van eenheid, de wereld
tegemoet kunnen treden. Maar is zachtmoedigheid nu een aanvaarding zonder meer? Ik
geloof, dat we dat mogen verwerpen. De zachtmoedige aanvaardt het onvermijdelijke. De
zachtmoedige aanvaardt de wereld á priori als een kracht, die bij hem behoort, waaraan hij
deel heeft. De zachtmoedige tracht in ieder het geluk te wekken, dat hij voor zichzelf verlangt.
De zachtmoedige tracht te verdragen daar, waar slechts aan hemzelve schade wordt
toegevoegd. Tracht te dragen. Want ook de zachtmoedige kan te zwaar belast worden. Maar
daar waar vernietigende werking is, daar komt misschien wel het sterkst tot uiting, wat ik in
mijn eerste zin zei: Een woord, dat zachtheid en moed in zich bevat. Want daar verzet men
zich moedig tot het laatste toe desnoods. tegen de krachten, die vernietiging brengen. Maar
men doet dit niet met bitterheid, want in zichzelf blijft men liefdevol, zelfs tegen de agressieve
krachten. Men verwerpt niet, men probeert niet te breken, men tracht slechts om het in te
wegen in het beeld der volmaaktheid.
Eén van de grootste zachtmoedigen, die de wereld kent en zeker de Christelijke wereld is
Jezus zelf geweest. Wanneer Hij wordt geconfronteerd met de felheid van de demonische
verleiding "Spreek slechts en deze stenen zullen brood zijn werp U van dezen toren en de
engelen zullen komen om U te dragen dit al zal ik U geven, wanneer ge neerknielt en mij
aanbidt", dan is Jezus antwoord steeds "neen". En wanneer nu da aanval ten top wordt
gevoerd en het strijdig principe, het duistere principe, a.h.w. in zijn wezen volledig is geopen-
baard, is Jezus de ware zachtmoedige. Want Hij zegt niet "Ga van mij, Satan", maar "Treed
achter mij, Satan". Hij wil de kracht des duisters niet verdelgen, Hij wil haar niet terugwerpen
in pijn of ellende. Hij wil deze kracht de mogelijkheid geven om door en met zijn streven te
komen tot licht. Maar wanneer deze, zelfde kracht zich aan Hem openbaart en schade wil doen
aan de mensen, drijft Hij uit.
Hij zag een kind, dat bezeten was en men bracht het tot Hem. Hij vroeg "Wie zijt gij?" En ziet
de geest sidderde en sprak "Mijn naam is legio, want wij zijn met velen." Door zijn woord dreef
hij hen uit en gaf hen toestemming zich te storten in de zwijnen en de kudde zwijnen stortte
zich in de afgrond. Wederom de zachtmoedigheid. Deze demonen zijn in een redelijk wezen
niet te duiden. Daar zijn ze absoluut in strijd met het principe van goed en van bewustzijn.
Maar het dier, door grote geestelijke krachten nog geleid, kan niet geschaad" worden. Jezus de
zachtmoedige, staat de demon toe een andere woning te kiezen. En wanneer hij in zijn
bitterheid deze nieuwe woning vernietigt, zo weerhoudt Hij hem niet.
Zachtmoedigheid is hard en gelijk buigzaam als staal, door de kracht die uit haarzelve
voortbloeit en die positief is, die een vaste houding tegenover de wereld betekent. En dat
betekent ook een aanvaarding van die wereld. Zoals het staal buigt onder de druk, zonder te
breken, zo buigt de zachtmoedige wanneer de krachten van de wereld op hem drukken. Maar
wanneer niet zijn eigen wezen maar het wezen van anderen in gevaar wordt gebracht, dan is

ACHTER DE POORTEN VAN HADES 101
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 februari 1958
Les 6 – Achter de poorten van Hades

diezelfde zachtmoedige een flitsend wapen, dat dwingt tot overgave en in deze overgave vrij-
heid geeft. Daarom zou ik het begrip zachtmoedigheid als volgt willen vastleggen
Zachtmoedigheid, wind, die de aarde streelt en zachtkens met de bladeren speelt kracht, die
straks het onweer draagt de bliksem, die aan rotsen knaagt en eiken neer doet storten.
Zachtmoedigheid, der liefde kracht, die heel de aarde steeds omhult, maar tevens Gods ware
wil aan al het zijnde steeds vervult, zij is zonder haat. Zachtmoedigheid, de kracht, die ‘s
Heren wil aanvaardt en s Heren wil volbrengt en toch de wereld met haar onvolmaaktheid ook
voor zich aanvaardt.

102 ACHTER DE POORTEN VAN HADES
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

Goeden avond, vrienden.
Ik hoop, dat U de vorige maal alles goed hebt kunnen volgen en kunnen begrijpen. Zijn alle
punten daaromtrent duidelijk?
Er is gesproken over incarnaties. Er werd gezegd: "We werken uit de kracht, waaruit alles
bestaat," Kunt U mij een definitie geven over kracht en materie? Want als U zegt: " de
kracht, waaruit alles bestaat," dan is kracht dus een zelfstandigheid,
Kijkt U eens, kracht kunt U op twee manieren gebruiken en definiëren. Wanneer wij spreken in
de esoterie over de kracht, waaruit alles bestaat, dan bedoelen wij daarmede het wezen van
het Goddelijke en Zijn uitingen. Maar daarnaast kan worden opgemerkt, dat alle materie in al
haar bestanddelen kan worden herleid tot kracht die géén vaste vorm heeft, maar een potentie
is, tot een potentiaalverschil optreedt, waardoor krachtstromen (dus uitingen van kracht)
kunnen ontstaan danwel krachtwervelingen, die eventueel aanleiding geven tot het ontstaan
van materie. Is het duidelijk geworden? (Ja.)
U hebt gezegd: Ieder heeft een kleurencode. Dus d.w.z. de bewustwordingen hebben een
verschillende volgorde voor verschillende mensen. Maar nu wilde ik dit vragen: Is de kleur
gebonden aan een bepaalde bewustzijnsfase, of is dat ook verschillend?
De bewustzijnsfase is bepalend voor het trillingsgetal. Nu kan worden aangenomen, dat zekere
bewustzijnsvormen ongeveer gelijke trillingen wekken. Aan de hand daarvan kan worden
gezegd, dat als algemeen geldende regel (waarop echter uitzonderingen optreden) voor elke
bewustwordingstoestand een bepaalde kleur als hoofdkleur zou kunnen worden aanvaard.
Maar voor ieder persoonlijk is de volgorde toch anders? Individueel?
Ja.
Als we met de vragen klaar zijn, wilde ik vandaag weer graag met U gaan spreken over:

ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN

Een mens kan moeilijk tot zelfkennis komen, wanneer wij onder zelfkennis willen verstaan het
zichzelve geheel zien, zoals de wereld buiten hem hem ziet. Het komen tot zelfkennis is dus in
de esoterie altijd weer terug te brengen tot een werken met je eigen vermogens en een
oordelen volgens je eigen bewustzijn. Daaruit vloeit voort dat er tussen ons en de wereld altijd
een verschil blijft bestaan. Dit verschil kan worden uitgedrukt als: a. onze visie op onszelf
krachtens ons bewustzijn en b. ons oordeel omtrent de wereld. gebaseerd op onze visie
omtrent onszelven.
Deze uitspraak is misschien wat boud. Maar ik geloof te mogen stellen, dat elke mens de
wereld beoordeelt niet naar zijn eigen bewustzijn maar naar het oordeel, dat hij over zichzelf
heeft. Zoeken wij nu naar zelfkennis, dan zal het ons duidelijk zijn, dat de onvolmaaktheid, die
wij in de wereld zien, het resultaat is van de onvolmaaktheid, die in onszelven schuilt. Want
wij veroordelen het liefst in de wereld dát, dat in ons leeft zonder tot uiting te komen. Dat is
duidelijk. Ja? Dan geloof ik, dat wij verder het volgende kunnen opbouwen:
Alle wereld, waarin wij leven, is onze eigen wereld. Er bestaat niets, dat vreemd is aan ons
wezen. Want zou het aan dit wezen vreemd zijn, dan zullen wij het ofwel ombuigen tot iets,
dat toch binnen ons wezen weer bekend en dus aanvaardbaar wordt, dan wel het negeren en
voorbijgaan. Wij hebben dus een wereld die uit onszelf is geroeid en in deze wereld moet de
bewustwording plaatsvinden. Dan zal de kracht, die in de wereld regeert, voor ons niet zijn de
werkelijke God maar de persoonlijke God, daaruit voortgevloeid. Het benaderen van de
persoonlijke God moet echter steeds gepaard gaan met een verwazing van de grenzen, die wij
stellen aan onze eigen persoonlijkheid. Op het ogenblik, dat wij in onszelven keren om zo het

ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN 103
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

Goddelijke (dus wat binnen ons geopenbaard is) te aanvaarden, zullen wij dus te allen tijde
een vervaging van wereldbewustzijn moeten ondergaan, waarbij geen werkelijke grens meer
bestaat en het gehele Al als "ik" wordt aanvaard.
Wanneer wij het hele Al als "ik" aanvaarden, dan kunnen wij komen tot b.v. het beleven van
naastenliefde. Want naastenliefde zoals die ons gepredikt wordt: is feitelijk - overdracht van -
eigenliefde, waardoor grotere gebieden en grotere belangen mede worden betrokken in het
denk- en gevoelsleven van het eigen "ik". Logischerwijze kan dit slechts gebeuren in
overeenstemming met eigen kennen, eigen visie en bewustzijn. Ons zoeken naar naastenliefde
en naar weldadigheid„ datgene waarop wij soms geneigd zijn ons te verheffen, in feite niets
anders dan een uitbreiding van onze eigen persoonlijkheid en een sterker uitdrukken van onze
persoonlijkheid voor onszelven. We zijn geneigd onszelf steeds beter te maken dan wij zijn.
Hoe meer wij streven naar het volmaakte, hoe groter de mogelijkheid is, dat innerlijk in een
van deze twee toestanden ontstaat:
Ik meen goed te zijn en maak mijzelf tot de enige maatstaf voor alles, wat er in de wereld kan
bestaan. Ik ga daarbij echter uit - bewust of onbewust - van een onderdrukking van een groot
gedeelte van mijn eigenschappen. Want ik pas mij niet aan bij een persoonlijk heelal, dat
afgerond is, maar bij een eenzijdig persoonlijk denkbeeld, dat slechts een beperkt deel van
mijn heelal kan omvatten. In dergelijke gevallen kom ik tot zelfvernietiging door het scheppen
van een innerlijke onevenwichtigheid. Deze innerlijke onevenwichtigheid kan voor de wereld
verborgen blijven. Zij openbaart zich dan alleen door eigenaardige opvattingen op geestelijk
en religieus gebied, daarnaast door een vaak onverantwoord harde of wrede handelwijze t o.v.
anderen.
In het 2e geval krijgen wij een ontkennen van eigen waarde en waardigheid. Nu zal men
denken, dat deze nederigheid een redelijke basis is voor geestelijke bewustwording. Toch is
ook dat niet waar. Want om te kunnen leven, om te kunnen handelen, om iets te kunnen
bereiken - geestelijk en stoffelijk - moet men een zeker zelfvertrouwen bezitten. Wanneer men
een mens suggereert: dat hij niet meer kan lopen, zal bij het aanvaarden van die suggestie
inderdaad ook de bekwaamheid tot lopen wegvallen. Daarentegen komt het voor, dat indien
men een mens bepaalde bekwaamheden suggereert, die voor hem noodzakelijk zijn, hij deze
zeer snel aanleert en zich eigen maakt. Het verschil is dus in zoverre begrijpelijk, dat bij de
ontkenning onmiddellijk ook het bereikte kan wegvallen: terwijl bij de erkenning van ook
nog-niet-bestaande waarden in het "ik" in ieder geval de wording van die waarden binnen het
"ik" bevorderd wordt.
Geestelijk doe je precies hetzelfde. Wanneer je zegt. "Ik ben nog zo zwak, ik ben nog zo
minderwaardig," dan loop je groot gevaar, dat je juist daardoor jezelf de middelen ontneemt,
waarop je feitelijk kunt betrouwen, waarop je feitelijk kunt berusten. Door jezelf te stellen als
minder dan de wereld, ontken je verder een zekere aansprakelijkheid tegenover die wereld.
Want bereiken houdt in verantwoording aanvaarden. Wanneer ik meer bereiken kan dan een
ander, zal ik ook meer moeten volbrengen en. En wat meer is: ik zal voor die volbrenging
tegenover anderen aansprakelijk kunnen worden gesteld. Een poging om dit te ontwijken is
dus uit den boze.
Toch doet men dit heel vaak en zelfs komt de onlust om verantwoordelijkheid te dragen tot
uiting in de zogenaamde innerlijke twijfel. Deze twijfel impliceert dan, dat we wel het beste
gedaan hebben wat we kunnen, maar ja we weten het niet precies....... en zou het nu wel
waar zijn? Een gedachtegang, die poogt het "ik" te verontschuldigen voor mogelijke
gebeurtenissen als resultaat van eigen daden en gelijktijdig dat "ik" in een benepen toestand
brengt, waardoor een opbloeien in zuiver geestelijk opzicht moeilijk zo niet onmogelijk wordt.
Het is onze taak deze innerlijke toestanden zoveel mogelijk te herzien tot een juiste. Want U
zult begrijpen, dat wanneer beide door mij genoemde stellingen niet juist zijn, er een derde
moet bestaan.
Deze derde innerlijke gesteldheid kunnen wij als volgt omschrijven: Ik kan alles wat ik probeer
tot op het ogenblik dat mij blijkt dat ik het niet kan. Blijkt het, dat ik het niet kan, dan zal ik
104 ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

het altijd kunnen leren, wanneer de noodzaak groot genoeg is. Ik kan rustig de
verantwoording dragen voor al wat ik doet voor al wat ik ben, omdat er immers niemand is,
die kan zeggen (zolang ik tenminste bewust ten goede streef), dat ik iets misdaan heb. Zolang
ik het beste geef, dat ik in mij heb, zolang ik én voor mijzelf én voor anderen tracht het goede
te bereiken en te handhaven, zoals ik dat zie, zal ik goed en sterk zijn. Het is mogelijk, dat de
gevolgen van mijn daden, van mijn pogen voor anderen of mijzelf, niet onmiddellijk duidelijk
worden. Ook dat is geen bezwaar. Want al kan in de vervulling een vertraging optreden, een
vertraging, die desnoods vele levens kan omvatten, eens zal dit, wat ik tracht te bereiken,
werkelijkheid worden. Degene, die dit beseft, staat in het leven met een groot zelfvertrouwen.
Een esotericus zonder zelfvertrouwen is als een gevangene, die alleen naar de lucht kan
kijken, maar niet naar buiten kan wandelen. Wij willen echter gaarne naar buiten, wij willen de
vrijheid kennen van het geestelijk bestaan, wij willen de inhoud van onze eigen persoonlijkheid
leren ervaren. Dat kunnen wij alleen, wanneer wij dergelijke banden van ons afgooien.
Er wordt bij ons ongetwijfeld zeer veel gesproken over vrijheid.
Ware vrijheid is een persoonlijk jezelf beleven volgens je beste oordeel en vermogen. Daarbij
komt vanzelf een zekere zelfdiscipline in het geding. Wanneer de enige wet die ik ken, mijn
eigen wezen is, dan zal ik ook voor mijzelve de wet moeten zijn. Ik kan daaraan niet
ontkomen. Tot zover is ook dit duidelijk en aanvaardbaar?
Gesteld nu, dat ik wil komen tot een innerlijk beleven, dan zal ik in de eerste plaats moeten
zorgen, dat mijn uiterlijke omstandigheden (dus het leven, zoals ik dit bewust meemaak op dit
ogenblik) vrij zijn van zelfverwijt. Zolang ik zelfverwijt of berouw ken, loop ik steeds weer
tegen mijn verleden aan, tegen een grens, die ik mijzelf stel en die ik moeizaam moet
overwinnen, zo ik ze al overschrijden kán. Dit heeft geen zin. Ik moet op het ogenblik
handelen volgens mijn beste weten en kunnen met een volledig gebruik van alle ervaring die
mij is gegeven. Dan heb ik een basis geschapen, waardoor ik mijzelf vertrouw en waardoor ik
ook niet zal vrezen de waarheid omtrent mijzelve te leren kennen.
Heeft men deze stappen genomen, dan kan men beginnen aan een zelfonderzoek. Dit
zelfonderzoek is zeker geen analyse van eigen daden en de beweegredenen daartoe. Dit is een
meer stoffelijke kwestie, omdat men immers de eeuwige waarden, die in een handeling of
daad gelegen zijn, niet kan overzien op een stoffelijk niveau. Dus....we aanvaarden het "ik" en
dringen daarin binnen.
We zullen tot de ontdekking komen dat in ons eigen wezen drie toestanden bestaan. Die
toestanden moeten allereerst worden omschreven als: a. gericht naar buiten b. gericht naar
binnen en c. albewust. Want dat zijn de fasen, die hun werkelijke zin tot uiting brengen.
Gericht naar buiten toe - zoals menig mens leeft, zij het onbewust probeer ik alles wat in mij
aanwezig is te uiten, te openbaren. Eerst door al wat in mij bestaat in de buitenwereld te
brengen - (onverschillig of dit nu een schuld is, of het iets lelijks is of iets moois of het een
gunst voor de wereld is of een bekentenis van een misdaad) - ben ik in staat te leven en dus
mijzelf te accepteren. In het leven naar buiten toe moet ik eerst leren een eenheid te schepen
voor mijzelf waarbij ik niet strijd met mijn omgeving. Heb ik dit bereikt, dan zal daardoor een
zekere rust optreden. En die rust is dan de aanleiding om een andere weg te gaan kiezen, n.l.
de weg naar binnen.
Wanneer ik de weg naar binnen kies, zoek ik in de eerste plaats natuurlijk zo’n beetje naar de
eigenschappen, die ik nu eenmaal b.v. in de stof of in een bepaalde sfeer bezit. Ik ga dus van
mijzelf zeggen:
"Je bent zo en zo." Wanneer ik een stap verder ga, zeg ik tegen mezelf." Maar.... je hebt ook
deze eigenschap en gene fout." Ik ga mijn goede eigenschappen nu gebruiken om datgene,
wat ik als fout erkend heb, als het ware te veranderen en om te vormen. Ik gebruik én naar
binnen en naar buiten toe - van mijzelf uit en voor mijzelve - voortdurend de goede
kwaliteiten, die ik ken.

ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN 105
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

Heb ik ook dit volbracht dan kan ik langzaam maar zeker begrijpen, dat veel van hetgeen in
mij leeft slechts een weerkaatsing is van iets, dat in de wereld evenzo bestaat. Ik kan gaan
begrijpen, dat wat ik goed of wat ik kwaad heb genoemd in mijzelve, in feite een weerave van
een kosmische conditie of toestand is. Er is in mij dan niet de behoefte om dit allemaal te
openbaren en te uiten. Maar mijn al-bewustzijn doet mij mijzelf erkennen in alle dingen en
bovendien - en dit is het eigenaardige - voor het eerst mijn persoonlijkheidsbewustzijn
uitbreiden. Tot op dit ogenblik ben ik wel gegroeid in bewustzijn, ik heb een bewust wording
doorgemaakt, maar eerst wanneer ik dit al-bewustzijn krijg (de associatie van het "ik" met al
het bestaande) leer ik in mijzelve steeds weer nieuwe waarden zien, waarop ik tot op dit
ogenblik niet had gelet.
De vorm, die ik aan mijn persoonlijkheid geef, wordt dan aanmerkelijk gewijzigd. Die wijziging
gaat op de duur zover, dat het "ik" niet meer kan worden ervaren als gelokaliseerd in een
bepaald lichaam, een bepaalde sfeer of op een bepaalde plaats. Evenmin kan het "ik" in tijd
orden gelokaliseerd. Het zijn is een begrip geworden, waarmee je je bewegen kunt door vele
verschillende fasen van zijn" heen, zonder dat het feitelijke - de essence van het zijn daardoor
wordt aangetast.
Die laatste toestand te bereiken zal voor menigeen een droom zijn, een droom, die nooit
werkelijkheid wordt in het huidig bestaan. Want hoevelen van ons zijn in staat tenminste hun
buitenwereld te begrijpen en zichzelf daarin te beleven? Hoevelen van ons zijn in staat om
binnen het "ik" de waarden te vinden, die die buitenwereld in hen projecteert en ze te
begrijpen, voor wat ze zijn?
Leven is een moeilijke zaak, veel moeilijker dan men denkt. Want waarlijk leven wil niet
zeggen: een organisch leven bezitten of een geestelijk bestaan. Het wil zeggen: een
voortdurende activiteit. Leven is actie, zonder actie geen leven: En wanneer wij geestelijk
willen leven, betekent dit, dat onze geestelijke activiteit eveneens voortdurend aanwezig moet
zijn. We kunnen het leven (het werkelijke zijn) niet in- of uitschakelen naar believen. We
zullen moeten aanvaarden, wat dit leven voor óns geworden is.
Dan kan ik misschien nu proberen om U aan de hand van het voorgaande een beeld te
tekenen. Je begint met rond je een wereld te zien. Een wereld, die in het begin vreemd en
schimmig is, omdat je nu eenmaal nog niet in staat bent de vormen nauwkeurig te definiëren.
Toch wordt uit de verschillen van licht en duister meer en meer een beeld van een wereld voor
je geboren. En je trekt op onderzoek uit.
Dat onderzoek bestaat heel vaak in een pogen om alles te betrekken in de eigen gedachten.
We krijgen de kinderlijke periode, waarin alles t.o.v. ons actief is. Niet ik stoot mij tegen een
tafel. Neen, de tafel heeft mij geslagen. Niet ik ben gevallen, maar de vloer is overeind gaan
staan. Dat zijn kinderlijke beelden natuurlijk. Maar in deze situatie, in deze toestand, ben je
geneigd om dat te doen met alles, wat er in het leven is. Je zegt niets "Ik 'heb gefaald." Je
zegt: De wereld heeft gefaald." Je zegt niet: "Ik heb een fout gemaakt." Je zegt. "Een ander
heeft een fout gemaakt en daardoor kon ik niet meer anders." Je moet goed begrijpen, dat dit
een natuurlijk deel van de ontwikkeling is. Dit moet worden doorgemaakt. Want eerst door het
zien van deze relatie tussen het "ik" en die buitenwereld en de poging om het "ik" a.h.w.
meteen te projecteren in die buitenwereld, kun je tot een redelijk besef komen, nietwaar?
Op deze wijze dring je ook in jezelf door. Een mens, die begint zijn innerlijk te onderzoeken
stoot daar op ontelbare ongeziene machten. Er zijn goden en demonen, er zijn engelen en
spottende geesten, die er een spel van maken om je voortdurend in moeilijkheden te brengen.
Dat die dingen in je bestaan, begrijp je niet. Je voelt in je een hevige drang om iets te doen,
wat eigenlijk niet behoorlijk is volgens je eigen opvattingen, of niet netjes, of niet redelijk.
Wanneer die drang nu zo sterk wordt, dat je daaraan niet kunt weerstaan, dan zeg je: "Ja, er
is een demon in mij gevaren en die heeft mij dat laten doen." Of je zegt het wat simpeler: "De
duivel heeft mij verleid." Dat doe je geestelijk nog intenser dan zuiver stoffelijk. Per slot van
rekening: zuiver stoffelijk en je nu eenmaal een wereld, waarin een zeker redres wordt geëist
voor elke fout, die je maakt. Geestelijk echter bestaat die niet.

106 ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

We beginnen de delen van onze persoonlijkheid af te scheiden en bouwen uit ons eigen 'ik"
a.h.w. een hele gemeenschap op, waarin goed en kwaad in de meest fantastische vormen
gemengd zijn. Op het ogenblik, dat wij in dat "ik" gaan doordringen, is het duidelijk, dat wij
deze persoonlijkheden zullen ontmoeten. Maar wat moeilijker is, we zullen niet altijd in staat
zijn om ze van elkaar te scheiden. We wórden plotseling één van die geheimzinnige krachten,
we wórden plotseling demon of god. We worden goed of kwaad. En we menen ons bezeten te
gevoelen, menen dat de droombeelden, die in ons rijzen, een uiting zijn van vreemde.
krachten, die met ons spelen. Terwijl in feite alleen ons eigen "ik" zich openbaart aan dit "ik"
en heel ons beleven slechts een weerspiegeling is van wat wij op dit ogenblik doormaken.
Naarmate wij verder willen doordringen in dat "ik", is het noodzakelijk, dat we leren die
persoonlijkheden, die wij in onszelf geschapen hebben, weer tot één terug te brengen.
Denk we goed na: wat ik hier naar voren breng is zeker niet een verschijnsel van een
geestesziekte. Het is geen vorm van schizofrenie of iets dergelijks. Het is een volkomen
natuurlijke toestand die in elk mens ontstaat en die door een ieder, die verder wil doordringen
in het gebied van de innerlijke waarheid, moet worden overwonnen.
Wanneer wij geleerd hebben, dat al deze eigenschappen slechts verschillende mogelijkheden
zijn van één persoon, verschillende facetten van één wezen, zal het ons misschien
gemakkelijker worden onszelf te aanvaarden als een bestaan op zichzelf, iets dat niet geleefd
wordt, maar dat zelve leeft. Iets dat niet geleid wordt, maar dat vaak zichzelve misleidt door
een tijdelijke eenzijdigheid van denken of begeren. Wanneer wij die zelfmisleiding erkennen,
staan we voor de grote verantwoording', die je vooral als esotericus steeds weer op je moet
nemen: de verantwoording voor al je eigen gedachten en je eigen daden. Aanvaard je die, dan
kun je langzaam maar zeker leren die gedachten en daden te boetseren: niet meer in
overeenstemming met één beeld, dat in jezelf leeft, maar in overeenstemming met alle
kwaliteiten en eigenschappen. Elk facet moet zijn rol spelen in het leven, anders heeft het
geheel geen waarde. En zo ontstaat een strijd, die meestal daarin resulteert, dat het "ik" zich
onttrekt aan vele activiteiten, die het tot op dat ogenblik als normaal heeft aanvaard.
Denk niet, dat dit een blijvende onttrekking is aan het leven. Het is wederom een
voorbijtrekkende fase, een soort retraite, waarbij men door zoveel mogelijk alle prikkels - zelfs
van nieuwe denkbeelden - te vermijden, wil komen tot een aanvaarden van dit "ik" met al zijn
facetten.
Is men tot rust gekomen, dan ontdekken wij verder' dat deze edelsteen van de persoonlijkheid
met al zijn facetten één lichtbron weerkaatst, die afwisselend elk facet doet oplichten en weer
doet doven. In het begin lijkt ons dat vreemd. Want, zo zeggen we, waar staat die lichtbron
dan? Zoekende komen we tot de conclusie, dat er in ons een kracht werkzaam is. Een kracht,
die buiten onze beheersing ligt, die buiten ons wezen ligt, maar die in ons wezen het leven
wekt. We komen tot een nieuw Godsaanvaarden. Niet meer als iets, dat ingrijpt in ons leven,
maar eerder als een dragende kracht van ons leven. Het is alsof wij i.p.v. te spreken over de
waterdruppels nu zijn gekomen tot het bouwen van een boot, die een eigen wereld is
geworden, maar die alleen drijvende op een oceaan, die aan haar wezen vreemd is, tot haar
werkelijk recht kan komen en haar bestemming kan zoeken. In deze Godsaanvaarding begint
het eerste licht in het innerlijk wezen te komen.
Dit licht kan het best worden omschreven als een onverschilligheid t.o.v. de wereld. Vreemd
misschien, maar waar. Want op het ogenblik, dat wij erkennen, dat de kracht in ons (in ons
wezen vervuld wordt, vragen wij ons niet meer zozeer af, wat er buiten ons geschiedt. Wij
trachten niet meer ons aansprakelijk te stellen voor alles, wat er buiten ons plaatsvindt. We
zullen nog minder proberen ons te onttrekken aan de taken, die de krachten buiten ons en de
wereld buiten ons ons opleggen. We zullen de indrukken van de buitenwereld niet meer
selecteren of afwijzen maar in hun geheel absorberen en we zullen weten, dat in deze
absorptie van het geheel het eigen bewustzijn groter wordt. Zo herscheppen wij in onszelf de
wereld. Niet als een reeks van vormen zonder meer, maar eerder als een complex geheel van
impulsen, die elkaar in evenwicht houden. En wij weten onszelven daarbinnen te bewegen.

ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN 107
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

Het vreemde is, dat we het bewustzijn in elk apart facet van die gekende wereld kunnen
projecteren én daaruit onze kennis kunnen putten, tot zij geheel en al overeenstemt met alle
kennis, die in die wereld aanwezig is. Ons bewustzijn groeit. Gelijktijdig echter vermindert
onze behoefte om ons vast te houden aan realiteit en reële vormen. De rede blijft bij ons een
instrument: iets, dat we gebruiken en hanteren. Maar het is niet meer dan dat. We kunnen het
terzijde leggen.
En dan ga je aanvoelen, hoe er naast de werkelijke wereld een onwerkelijke bestaat. Een
onwerkelijke wereld, die voor ons meer echt is dan al het andere. Een onwerkelijke wereld, die
ons de verklaring geeft voor onze daden. Een onwerkelijke wereld, die - meer dan dat -
betekent ons werkelijk innerlijk leven. Dan gaan we zeggen: "Kijk, dat is nu de weerkaatsing
van dat licht in onszelf. Dat is de goddelijke scheppende wil, zoals die in ons wezen wordt
geopenbaard." We zeggen niet meer: "Ik ben niet aansprakelijk voor mijn daden, want God
heeft mij dan toch maar geschapen." Integendeel. Wij vragen zelfs niet eens meer naar het
wezen van die God. We aanvaarden, dat wij aansprakelijk zijn voor onszelf. We aanvaarden,
dat wij ten slotte zelf beslissen over al, wat,wij meemaken. En gelijktijdig kennen wij die God
als iets, dat steeds dichterbij komt: als iets, dat meer en meer werkelijk wordt binnen ons.
Het is alsof je wat ouder bent geworden en dat er uit de feiten van het leven de filosofie tot je
bewustzijn komt, waaruit je op de duur enkele levenswijsheden distilleert, die voor jou
tekenen al wat je in een heel leven bereikt hebt. Beperkt, begrensd soms, is die filosofie
desalniettemin voldoende om je zelf vrede en geluk te schenken. Ze is niet meer bitter of
cynisch, ze is niet meer verwijtend of oordelend. Ze is een aanvaarding.
Deze innerlijke aanvaarding maakt het mogelijk binnen te treden in de geheimzinnige wereld
van het "ik" waarin niet alleen meer de eigen persoonlijkheid bestaat. Want of U zich dit
realiseer of niet, U bent door alle eeuwen heen, door alle tijden heen geketend aan anderen. U
kunt daaraan niet ontkomen. Het feit, dat U aan die anderen geketend bent, heeft een beeld
van die anderen opgebouwd. Een beeld, dat ten dele met hun werkelijkheid overeenstemt, aan
de andere kant weer een uiting is van Uw eigen persoonlijkheid.in juist deze vorm. Zo ontstaat
in het "ik" een contact, dat zich kan uitbreiden over ongetelde werelden en eeuwen. En het
vreemde is, dat men - voor zover die voorstelling in het "ik" reikt - ook de werkelijkheid van
die persoonlijkheden zich weer realiseren kan. Men kan zich die. voor ogen zetten.
De wereld is gevuld met vele beelden. En die vele beelden bemerk je steeds maar weer
bepaalde aspecten van jezelf, die niet prettig zijn. Dat is voor de esotericus soms een kritiek
punt. Kun je jezelf niet aanvaarden en vlucht je weg van deze werkelijkheid, die je nu aan
jezelf pas volledig hebt geopenbaard, dan breekt in een stoffelijke vorm de waanzin uit: dan is
men in de sferen niet meer redelijk en vlucht men in het duister. Het is dus wel zeer
noodzakelijk, dat men ook het lage, dat in elke mens toch ook schuilt, dat men het schijnbaar
gemene: accepteert, zelfs op zijn uiterlijke waarde. Dat behoeft men niet te doen in hei leven,
maar dat moet men viel doen in zichzelve. Door deze aanvaarding van het "ik" wordt het
mogelijk te begrijpen: hoe er banden bestaan, die veel verder reiken dan zelfs tijd of ruimte.
En omdat wij slechts tijd en ruimte kennen als uitdrukkingsbeeld, voelen wij ons dan benauwd.
Wij voelen ons benauwd, omdat er niets meer is, waaraan wij refereren kunnen. Het is alsof je
in een lege, donkere kamer staat, waarin ergens zoals Poe dat zo aardig beschreven heeft -
een geheimzinnige put is, waarachter de uitblussing schuilt. En je weet niet, hoe je moet gaan
om aan die val te ontkomen. Pas wanneer je begrijpt, dat die val geen verschil uitmaakt, dat
zijn en niet-zijn voor jou hetzelfde zijn geworden, kun, je de laatste fase ervaren. Dat is dan
wat de esotericus noemt: het verwerven van de steen der wijzen: wat hij noemt: het elixer
des levens: wat hij noemt: het grote geheim.
Het geheim wordt eigenlijk het best omschreven in de naam Gods, het Tetragrammaton. Het is
de aanduiding van de geplande openbaring van de volledig evenwichtig uitgedrukte gedachte,
waarin elk geheim slechts het wezen is, dat het geheel van hete zijn origineert. Heb je in de
leegte dat vastgehouden, dan kun je teruggrijpen naar de kern van je eigen wezen. En dan is
er niet meer een veelheid van facetten. Dan is er ook niet meer een licht, dat van buiten af

108 ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

daarin weerkaatst. Dan blijft je slechts over een licht, een bewustzijn. En het is dit bewustzijn,
dat zich van binnenuit openbaart in de onzienlijke wereld, waar de Schepper regeert.
Het wordt vaak beschreven als een apotheose van wuivende palmtakken, van daverende
orgelmuziek, bazuingeschal en witgeklede engelen. Die beelden zijn natuurlijk erg primitief en
letterlijk genomen betekenen ze niets anders dan een aardig sprookje. Maar daar staat
tegenover, dat ze ons toch iets aangeven. Voor ons worden beweging, geluid, kortom al wat,
men trilling of waarneming kan noemen, één. Er zijn geen verschillende zintuigen meer: Er is
geen scheiding meer van werelden in vlakken of dimensies. Er is één totaal ervaren, dat alles
omvat.
U zult begrijpen, dat deze laatste fase op aarde zelden of nooit bereikt wordt. Enkelen
uitgezonderd. Natuurlijk, dit alles kan in één leven bereikt worden, maar ook dat zal toch zeker
tot de uitzonderingen behoren. Laten we het dan zó stellen: U als mensen, zoekend naar
esoterische krachten en geheimen, zoekend naar die innerlijke stem en die innerlijke waarheid,
zult moeten beginnen met Uw keuze te maken t.o.v. Uw eigen leven. Niet aan de
uiterlijkheden alleen is die keuze gewijd. Het is een poging om te komen tot een meer perfecte
zelfuitdrukking. Om het streven, dat in je is, ook te beleven. Dit zonder berouw over fouten,
die je maakt, maar met een voortdurend groeiende ervaring, voortdurend groeiende kennis.
Dit zonder terugzien in het verleden., tenzij dan om daar een ogenblik een beeld uit te
verwerven ter vergelijking met het heden.
Je moet proberen om een mens te zijn met een voldoende zelfvertrouwen om voort te leven,
zonder eigen volmaaktheid a priori voorop te stellen. Je moet een mens zijn, die zover
overtuigd is van zijn eigen mogelijkheden en zijn eigen kunnen. dat je de verantwoording wilt
dragen en niet door een verklaring: "Ik ben onwaardig," of "ik ben een zondaar," probeert
daaraan te ontkomen. Dat is wel de allereerste taak. Wanneer U daarnaast door b.v. meditatie
over vele onderwerpen een duidelijker inzicht in Uw eigen wezen en Uw eigen denkbeelden
kunt verwerven, zoveel te beter. Wanneer U leert gebruik te maken van het onderbewustzijn
als een voortdurend referendarium, waaruit ontelbare feiten kunnen worden geput, wanneer
dat noodzakelijk is, nog beter. Maar het eerste is het meest noodzakelijke. Het andere komt
later.
Wanneer U Uw geloof - dat ongetwijfeld in U leeft - leert gebruiken, niet als een richtsnoer of
een wet in de eerste plaats maar eerder als bevestiging van een waarheid, die komen gaat,
dan zult U daardoor het pad naar binnen toe kunnen opgaan. Dan zult U bereiken de grote
waarheid, de grote werkelijkheid, die ons aller verlangen is, omdat ze gelijktijdig een volledige
vrede inhoudt en een volledig bereiken.
En daarmee, vrienden, heb ik voor het eerste onderwerp meen ik genoeg gezegd. Wanneer ik
onduidelijk ben geweest, kunt U daar natuurlijk nog even op wijzen. Maar ik geloof, dat het
beter is, wanneer U eerst eens nagaat wat er precies gezegd is, vóór U daar - indien
noodzakelijk - verder op ingaat. Hebt U commentaar? Wilt U nu eerst een tweede spreker
hebben of eerst pauzeren?
Nog een tweede spreker als het kan.
Ja, dat kan altijd. Ik vraag dit, omdat ik niet weet, in hoeverre U misschien eerst het
gesprokene had willen verwerken, maar ik zal zeker het medium onmiddellijk vrijgeven, opdat
U met een andere spreker de avond kunt vervolgen. Mag ik U danken voor Uw aandacht.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Wanneer wij zo met de esoterie bezig zijn, valt het ons vooral vaak op dat de meeste
mensen, die daarnaar streven, in vaagheid gehuld gaan. Met andere woorden esoterie
betekent heel vaak een plaats, waarin je een beetje geloof en gezwam in de ruimte kunt
bergen. Dat is natuurlijk erg onplezierig, want esoterie behoort ook tot de meer exacte

ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN 109
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

wetenschappen van de ziel. Het is zeker niet alleen maar een uitwijkmethode, zoals men
stoffelijk vaak wenst aan te geven. Daarom zou ik graag van mijn kant ook eens esoterisch
worden. Wanneer ik daarbij beelden gebruik, dan moet U mij dat maar vergeven, omdat ik al
direct ontdek bij de eerste zin, die ik zeggen wil, dat het erg moeilijk is om het rechtuit te
zeggen. Vandaar waarschijnlijk dat de meeste wijzen in gelijkenissen hebben gesproken en het
zou eigenwijs zijn, als ik zou proberen om daarmee te breken zonder in staat te zijn mij goed
uit te drukken.
Een pluisje wordt opgenomen door de wind en bergt in zich een zaadje. De wind draagt het
voort - soms vele kilometers ver, soms maar enkele meters - en daar, waar het zaad
neerkomt, zal het waarschijnlijk moeten opkomen, wanneer het tenminste een gunstige
bodem treft.
Een gedachte draagt altijd een kern van feiten in zich. Die gedachte wordt opgenomen door de
totale reeks van gebeurtenissen rond ons. Je moet niet denken, dat elk denken zo maar
zonder meer uit jezelf komt. Neen, heel vaak wordt datgene van je bewustzijn, wat je je
realiseert (en dat is je gedachte) bepaald door alles wat er rond je is en verder natuurlijk door
wat er in je leeft. Maar geen enkele gedachte is op aarde aanvaardbaar, wanneer ze niet zelfs
maar een uiterst theoretische mogelijkheid tot daadstelling in zich houdt.
Er zijn theologen, die erover praten of er engelen zijn en zo ja, hoe ze gekleed zijn: en -
wanneer ze gekleed zijn, waarom ze gekleed zijn en waarmee ze gekleed zijn. Nu zal men
zeggen: dit is een volledig onzinnig betoog. Dat kan het zijn: wanneer we niet zelf innig
overtuigd zijn van deze werkelijkheid. Dan scheppen we onszelf een wereld, waarin eventueel
het gevolg van ons dispuut belangrijk wordt. Een daadstelling in die wereld kan wel heel
anders uitvallen dan we verwachten in de normale wereld, waarin wij bestaan, maar ook hier
is de gedachte de drager van een daadmogelijkheid. Dat staat in onmiddellijke relatie tot
onszelf. Anders gaat het niet. En zo gezien zou je moeten zeggen, dat praktisch alle denken -
een verwerkelijkingsmogelijkheid in zich dragend - ook werkelijk genoemd mag worden, zelfs
van uit. zuiver stoffelijk standpunt.
Per slot van rekening weten we natuurlijk allemaal viel, dat een zeeroversroman misschien kan
leiden tot een kraakje van een paar jonge jongens ergens in een strandtentje of zo. Het
verschil is uiterlijk misschien zeer groot, maar innerlijk is datgene, wat zo’n jonge mens heeft
opgenomen uit het verhaal, gelijktijdig de gedachte, die de drager is -van de daadprikkel: en
die wordt nu toevallig eens een keer verwerkelijkt. Het kan ook zijn, dat hij terzijde wordt
gezet. Kijk, ik geloof, dat dit door niemand zal worden ontkend.
Ik geloof, dat er heel veel mensen zullen zijn, zeggen: "Ja, maar vele gedachten drukken niet
de daad uit die er als mogelijkheid in verscholen ligt." Zeker, zo’n pluisje met zo’n zaadje erin
kan katoen zijn, het kan ook een paardebloem zijn. Dat ligt aan de bron,waaruit het
voortkomt. Die bepaalt dat. Maar wanneer eenmaal het pluisje zich beweegt, draagt het een
verwerkelijkingsmogelijkheid met zich. En wanneer, dat niet gebeurt, ontstaat er een
abnormaliteit, waarbij elke realisatie onmogelijk is geworden. (Is er iemand, die daartegen
protest heeft? Niet? Dan ga ik met mijn voorbeeld verder.)
Ik geloof, dat iedereen mij een dwaas zou noemen, wanneer ik vertelde, dat zo’n zaadje van
een paardebloem b.v., wanneer dit weggedragen.wordt, irreëel wordt. Ook voor de bloemen,
die daaromheen staan en die het uit het gezicht verliezen, blijft het een realiteit. De gedachte,
die ontvliedt aan onze kenbare wereld, mag weliswaar niet meer passen in ons milieu, maar ze
zal met de daarin bevatte daadimpuls elders voortbestaan. Geen protesten?......
De consequentie hiervan is, dat elke esotericus, die met zijn gedachten zich beweegt op
gebieden, die liggen buiten de normale wereld, niet mag verwachten, dat reacties van zijn
eigen wereld daarop volgen. Maar dat niemand recht heeft te zeggen, dat zijn denken irreëel
is. Wanneer ik met de gedachte, die gaat, mijn persoonlijkheid kan associëren, zal mijn
persoonlijkheid overal daar bestaan, waar die gedachte belandt.

110 ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

Stel U zich eens voor (het gebeurt natuurlijk nooit), dat er een paardebloem zou zijn, die zou
zeggen: "Ik ga met zo’n zaadpluisje mee en ik ga kijken, waar dit nieuwe zaadje terecht komt,
in wat voor omgeving, wat voor een bloem het wordt, wat voor een plant, hoe het leeft, hoe
het aan zijn einde komt, enz." Stel het U eens voor. Dan zou de wereld voor die paardebloem
volledig veranderen, Zij zou zelve aan de gelijke condities onderhevig zijn als het zaadje, ook
wanneer haar eigen toestand anders is dan die van het zaadje.
De esotericus begeeft zich met zijn denken op een terrein, dat ligt buiten het normaal
menselijke. Hij begeeft zich op een terrein, waarvan geen enkele definitieve omschrijving op
aarde bekend is: en zeker geen beschrijving uit persoonlijke ervaring bekend is. Het resultaat
is, dat zolang deze gedachte eenvoudig gáát, zij weliswaar haar gevolgen zal hebben in die
andere wereld, maar ze door het "ik" niet kan worden gerealiseerd. Op het ogenblik echter, dat
het "ik" zich kan verplaatsen in deze gedachte, zal een totale realisatie van een andere wereld
uit het volgen van die gedachte kunnen ontspruiten. Is iedereen het daarmee eens?
Dan kan dus worden gezegd, dat esoterie - mits berustend op eigen denken en streven - in
feite niets anders is dan een verplaatsen van de persoonlijkheid (of een deel daarvan) naar
andere werelden, waar deze persoonlijkheid onder andere condities bestaat. Dat impliceert
tevens, dat bij een terugkeer tot eigen condities het esoterisch ervarene, geleerde en bereikte,
niet kan worden uitgedrukt in eigen bestaan, tenzij dan op een zeer indirecte wijze. Maar elke
oorzaak, die geschapen is, terwijl men op dat andere terrein aanwezig was, kan - mits de
drang der omstandigheden (denkt U aan onze vrind) daarvoor gunstig is - wel degelijk in ons
oude milieu terecht komen. Een voorbeeld: Die ene bloem is met dat zaadje meegegaan. Het
zaadje heeft zich ontwikkeld, het is a.h.w. een deel van de oude plant. Het rijpt, er komt zaad
in en van die pluis komt er één pluisje terug. En zo komt er een nieuwe bloem te staan tussen
die andere bloemen.
Stelt U zich nu verder eens voor, dat zo’n bloem die wandeling niet werkelijk heeft gemaakt
maar in de geest en daarbij toch in staat is dat contact te houden. Dan zal de komst van de
nieuwe plant voor iedereen onredelijk zijn, niet overzichtelijk en schijnbaar toevallig, behalve
voor degene, die het bewustzijn had van het eerste zaadje en alles, wat eruit voortsproot. De
esotericus die door in zichzelf te aan contact krijgt met andere waarden, zal een beter
overzicht kunnen verwerven over oorzaak en gevolg. Want hij is in staat door erkende
oorzaken dus niet alle, (maar al een die erkende oorzaken) te volgen ook op andere gebieden,
te zien wat ze daar veroorzaken en hij kan zelfs de reacties daarvan in zijn eigen wereld van te
voren met grote waarschijnlijkheid vaststellen. Zo zal de esotericus een groter vermogen tot
aanpassing hebben en zal hij verder in staat zijn - door op de juiste wijze zijn gedachten na te
gaan een conditie te scheppen, waarbij praktisch zeker een bepaalde vernieuwing in zijn eigen
wereld en bestaan zal plaatsvinden. Ben ik nog duidelijk?.... Nu, dan is esoterie eigenlijk net
zo’n praktische wetenschap als b.v. het kruizen van bloemen, om daardoor een nieuwe soort
te krijgen. Of - om wat anders te noemen - het mengen van verschillende op zichzelf
onaangenaam ruikende stoffen om daaruit een parfum te krijgen. Ja, dat is eerlijk waar.
Parfum wordt gemaakt uit stoffen, die soms ontzettend stinken. Maar het eindproduct is
welriekend. De esotericus zal in vele gevallen ook wel eens in geestelijk modderpoelen
ronddwalen. Daaraan zal hij niet ontkomen. Maar wanneer hij zijn ervaringen daaromtrent op
de juiste manier kan samenvoegen, komt daaruit toch weer het goede voort Verder. Wanneer
je nu eens in één van die andere werelden kan zijn, kun je natuurlijk maar een heel bepaald
deel van die gevolgen overzien. Maar het bewustzijn kan leren gelijktijdig op meer plaatsen te
zijn. Hoe vaak gebeurt het U niet hier, dat U naar één of andere lezing zit te luisteren -
misschien wel naar mij - en dat U gelijktijdig denkt aan de kinderen thuis, of aan het werk, dat
ligt te wachten of misschien aan een klein succesje, dat U die dag hebt gehad. Dan bent U toch
eigenlijk op twee plaatsen tegelijk? U beleeft immers twee dingen tegelijk? En U kunt
daarnaast ook nog wel zorgen hebben, over iets, waarvoor U bang bent: en dan bent U al met
drie dingen tegelijk bezig. - Laten we nu eens een grote zakenman nemen, een werkelijk
genie. Die praat afwisselend in twee telefoons, dicteert er tussendoor aan zijn secretaresse,
leest een brief door, die hij zo dadelijk tekenen zal en ontwerpt bovendien in zijn gedachten

ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN 111
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

nog een campagne voor reclame, die binnenkort zal moeten worden.voorgelegd aan de
hoofden van de verschillende afdelingen ter nadere beschouwing. Die kan dus 5 of 6 dingen te
gelijk doen. Dan zou dus ook de esotericus 5 of 6 werelden gelijktijdig kunnen beleven,
verschillende gedachten gelijktijdig in die verschillende werelden kunnen volgen. Is het nog
duidelijk of begint het te fantastisch te worden?
Het is moeilijk met twee dingen tegelijk bezig te zijn en ze alle twee goed te doen. Of is dat
een kwestie van training?
Dat is inderdaad een kwestie van oefening. Maar U voert toch ook vaak een gesprek, terwijl U
gelijktijdig stofzuigt of eten kookt of thee inschenkt. Dat zijn toch ook twee dingen tegelijk.
Dat kunt U toch alle twee wel degelijk goed doen. Waarom? Omdat U geleerd heeft datgene,
wat in wereld A ligt, tot het noodzakelijke te beperken en het zo ver automatisch te maken,
dat Uw bewustzijn alleen, wanneer er een wijziging noodzakelijk is (een kopje is vol of de melk
komt op of je bent klaar met stofzuigen) U automatisch er toe brengt even Uw aandacht weer
daarop te richten. Stel U voor, dat alle mensen aan één ding tegelijk dachten, wat zouden de
politici dan een mooie dagen hebben: Om tot de esoterie terug te keren: De esotericus kan
dus op vele verschillende vlakken leven en gelijktijdig toch bestaan als een normaal mens. Dan
kan hij dus de kennis van al die vlakken in zichzelf verwerken. Hij zal ook de werking van al
die vlakken op zijn eigen wereld kunnen beseffen. Daardoor is zijn houding tegenover de eigen
wereld zozeer gewijzigd, dat ze niet meer met die van andere mensen vergeleken kan worden.
Dat zult U toch met mij eens zijn. Dan zal die esotericus dus ook tendensen in die wereld
kunnen zien, die voor een normaal mens helemaal verborgen zijn. Ja, meer nog hij zal door
zijn ervaring van al die verschillende werelden de kern kunnen ontdekken die in alle werelden
gelijk blijft. Want de esotericus zoekt naar de kern, hoofdzakelijk de kern van zichzelve. Hij zal
dus ook kunnen ontdekken, hoe zijn eigen werking en zijn eigen bewustzijn in alle sferen op
één gemeenzame factor berust. Die ene factor, mijne vrienden is dan.datgene, wat de ware
persoonlijkheid uitmaakt. Die paar kleine punten, die overal gelijk blijven, die. vormen de
eenheid„ die ie "ik" mag noemen.
Ik zou zeggen, dat zo’n proces bijna wetenschappelijk genoemd kan worden. Wanneer het
geheel bewust zou worden ondergaan - en dus niet fase voor fase zou moeten berusten op een
soort onderzoek en een soorttraining - dan zou men het door de korte tijd, waarin het zich kan
afspelén, een soort geestelijk laboratoriumwerk mogen noemen. Waarom zouden we het
anders bezien? Omdat het nu toevallig een langere tijd in beslag neemt, soms verscheidene
levens? Ik geloof, dat we het nog steeds kunnen zeggen: Esoterie is het laboratoriumwerk van
de ziel, die daardoor de kern, de essence van het eigen wezen, leert kennen en gebruiken. Die
bovendien zal leren, dat deze essence de drager kan zijn van vele verschillende vormen,
mogelijkheden, noodzaken en daden, zonder dat ze daarom gewijzigd behoeft te worden. Op
deze manier zal de esotericus het eeuwige in zichzelf ontdekken. En het eeuwige in jezelf
ontdekken betekent: in contact komen met krachten. die staan buiten het menselijk
begripsvermogen, maar die gevoelsmatig nog wel verwerkelijkt kunnen worden.
Dat laatste heb ik niet goed begrepen.
Laten we het dan zó zeggen: Als je wakker wordt na een mooie droom, kun je dan je toestand
omschrijven precies zoals hij is? Ik denk van niet. Maar je kunt hem wel voelen. Het gevoel en
de gehele stemming en alle invloeden daarvan maak je wel door. Maar hetgeen, waar het
eigenlijk om ging, is je ontgaan, omdat het te veel verschilde van je normale bestaan om he-
lemaal door te dringen. De goddelijke Kracht verschilt zoveel van wat wij denken, dat het
normale bestaan is, dat - wanneer wij tot de kern van het "ik", de grondwaarde, zijn gekomen
- we nog niet in staat zijn om redelijk (en omschrijfbaar dus) de kracht van die kern, die
tegelijk de goddelijke Kracht is, te omschrijven of te erkennen. Maar wij kunnen haar wel
ervaren. En daaruit zou gerecapituleerd moeten worden, dat de esoterie een geestelijk
wetenschappelijk werk is, dat echter resulteert in gevoelswaarden en niet in redelijke waarden.
Dat zij verder. door haar resulteren in gevoelswaarden. irreëel mag schijnen voor een ieder,
die niet met de grondwaarden ervan bekend is. Ik zou haast geneigd zijn hier iets te citeren.
Er was eens iemand, die zei: Een esotericus is iemand, die zijn eigen dwaasheid en zijn
ongeloof t.o.v. zichzelf verbergt. achter vage termen en geheimzinnige betekenissen, die niet
112 ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

reëel zijn. Daartegenover zou ik willen stellen: De ware esotericus is iemand, die door te leren
kennen leert begrijpen. Die uit et begrip der wereld begrip omtrent andere werelden opbouwt
en zo komt tot een absolute zelfrealisatie, waarbij hem echter de mogelijkheid ontnomen is,
hetgeen hij beleeft uit te drukken, omdat het buiten de bewuste ervaring van zijn omgeving
gelegen is. Nu heb ik dat zo aardig opgebouwd, nu mag ik er misschien ook nog even een les
aan verbinden: (Al ben ik misschien geen deftige leermeester. Ik kan n.l. mijzelf nooit
voorstellen met een pandjesjas en een bril op.)
Weten wat je wilt, is altijd noodzakelijk, als je je bezighoudt met esoterie. Zonder doelbewust
streven - niet naar een vaagheid maar naar een misschien klein en dichtbij-liggend-doel, dat je
echter volkomen duidelijk is - kun je niet tot resultaten komen. Een esotericus zal zich niet
vastklampen aan de beperkingen van het stoffelijke zonder meer, maar zal toch weigeren
zonder meer fantasieën te accepteren in de plaats van de werkelijkheid. De esotericus moet
bouwen op de rede, omdat dit zijn enige mogelijkheid is om voor zichzelf aanvaardbaar te
komen tot een begrip van grotere werelden en andere waarden. De esotericus, die bouwend
op de rede tot een bereiking komt, kan deze rede terzijde stellen, omdat het een maal bereikte
voldoende is om daarin het verdere beleven te bevatten. Esoterie is realiteitszin, die verder
gaat dan het normale leven. Eenieder, die deze realiteitszin wil ontdekken, zal moeten
beginnen met reëel te zijn t.o.v: zichzelf. Hij zal moeten beginnen afstand te doen van
zelfbedrog en daarvoor in de plaats stellen een doelbewust streven, waarbij hij geen rekening
houdt met wat nu wel of niet goed is in zijn eigen wezen maar alleen met datgene, wat in het
doel begerenswaard is... Zo zal hij bereiken en komen tot prestaties, die op de duur hem het
inzicht verschaffen, waardoor hij kan doordringen tot de grootste geheimen van alle leven en
alle bestaan. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
We zullen verder gaan met onze betogen. Wilt U zelf een onderwerp stellen?
Wilt U een esoterische verhandeling houden over de spreuk:

HEB UW NAASTEN LIEF GELIJK UZELVE

Ik zou het alleen geen spreuk willen noemen, want ik geloof, dat het eigenlijk meer waarheid
is dan spreuk. Het is de wet, die in je leven belangrijk is. "Heb Uw naasten lief gelijk Uzelve" is
eigenlijk een bevel. En een dergelijk bevel kunnen we nu wel leggen in de mond van een
enkele profeet, of als grondregel stellen van een enkele godsdienst. Maar wil het werkelijk
betekenis hebben, dan moet het veel dieper gebaseerd zijn, dan wij ons misschien zelfs
kunnen realiseren. En op het gevaar af, dat ik oude koeien uit de sloot haal en oude
waarheden wederom opsom: zou ik dan de zaak eigenlijk willen bezien uit het standpunt van
één wereld. We weten, dat in het heelal vele werelden zijn en vele sterren, maar wij weten
ook, dat er een geheimzinnige band bestaat, die schijnbaar deze dingen in onderlinge relatie
bestuurt. Wij weten, dat er vele mensen zijn, maar wij weten ook, dat mens-zijn toch bepaalde
capaciteiten en eigenschappen vraagt en als zodanig een band schept tussen alle mensen.
Zolang de mens niet bedreigd wordt van buitenaf, ach, dan kan hij zich wel tegen zijn
medemens verzetten: maar op het ogenblik van gevaar staat de mens naast de mens, ja, zelfs
groep naast groep. Wanneer wij ons dit realiseren, moeten wij wel beginnen te zeggen, dat er
toch ergens een grondwaarde bestaat, die schijnbaar voor alle dingen gelijk geldt. Dat er een
band is, die alle mensen verbindt op het ogenblik, dat zij staan tegenover iets anders:
tegenover een andere wereld, tegenover grote gevaren misschien van niet-menselijke origine.
"Heb Uw naasten lief gelijk Uzelve" lijkt ons wel een beetje op een strijdleus van iemand, die
ons erop wijst, dat er ook nog andere wezens dan mensen bestaan. En dat is wel waar. Want
ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN 113
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

wanneer wij in de wereld rond ons zien, lijkt het ons heel vaak, of de mensen het alleen voor
het zeggen hebben: Maar zodra je ontkomt aan die stoffelijke beperkingen, wanneer je a.h.w.
een ogenblik kunt uitwerken over die grote, wijde wereld, die werkelijke wereld, dan zie je,
hoe ze overbevolkt is met allerhande wezens, met allerhande monsters, kortom met een
volheid van onzichtbaar leven. Wanneer wij kijken naar de dierenwereld, komen wij tot de
ontstellende ontdekking, dat ook daar bepaalde entiteiten bestaan, bepaalde
bewustzijnsvormen. Zeker, ze zijn anders dan de onze. We zien b.v. een mierenvolk en leren
al heel gauw, dat de individualiteit van de mier betrekkelijk beperkt is t.o.v. de gemeenschap,
maar dat die gemeenschap wel degelijk weet, wat ze doet en wat ze wil. Dat ze heel anders
denkt en heel anders reageert dan een mens. Rond je - stoffelijk en geestelijk - is de wereld
vol van krachten, die 'anders zijn dan menselijk. En vrat niet-menselijk is wordt voor ons al
heel gauw kwaad. Het is voor ons vernietigend. Want de mens moet de menselijke weg
volgen. Hij kan niet onmens worden zonder tegen zichzelf verdeeld te raken en onder te gaan
aan zijn eigen onmenselijkheid. Bestaan, leven en streven zijn afhankelijk van het feit, dat je
ook werkelijk mens bent en mens blijft. Welaan, daar hebben we daar het eerste argument.
Heb Uw naasten lief gelijk Uzelve. Mens, begrijp hoeveel vreemde, aan je wezen misschien
zelfs vijandige krachten er rond je bestaan en tracht niet de harmonie van je medemensen te
verstoren. Deze zo misschien tot slachtoffer makend van dergelijke krachten, maar ook jezelf
blootstellend aan deze grote gevaren. Het is noodzakelijk, dat de mens de mensen liefheeft,
wil hij in staat zijn te ontkomen aan invloeden, die zijn wezen vreemd zijn, die hem uitdrijven
uit zijn eigen vrede, uit zijn geluk, uit zijn wereld. "Heb Uw naasten lief gelijk Uzelve." Er is
één kracht in ons. Die kracht blijft voortbestaan zelfs over de grenzen van de - door de
mensen zo genoemde - dood, de overgang van de ene wereld naar de andere.
In de Bijbel staat, dat God - toen Hij alles had gemaakt op de wereld, de planten en de dieren,
toen Hij de zon had gemaakt, het licht en het duister, de wateren had gescheiden van het land
en wat dies meer zij - eindelijk Zich een mens maakte. En Hij blies deze Zijn adem in. En de
mens leefde en hij noemde zich Adam. Een mooie en misschien zinnebeeldige legende. Maar
ergens, ergens moet er toch een oorzaak zijn, die het verschil heeft gemaakt tussen mens en
niet-mens. Ergens moet een kracht zijn, die het gehele menselijke leven zijn aanzien heeft
gegeven. En noem het dan mijnentwege een toevalswaarde, maar ze is er. Ergens in een ver
verleden ligt de grens tussen de mens en het niet-menselijke op deze wereld. Ergens in oen
ver verleden is dat eerste bewustzijn ontwaakt, dat een ras tot meester van de aarde zou
maken, maar dat ook wel degelijk de mens zou maken tot een geheel ander wezen dan alles,
wat er verder in de natuur bestaat. Deze eerste kracht is werkzaam in ons.
Nu kunnen wij zeggen, dat dat gaat via de wetten der erfelijkheid en wij kunnen beweren, dat
het de goddelijke Kracht is, die ons Al doorademt. Wij behoeven het niet te geloven of te
accepteren in één bepaalde zin. Maar één ding moeten we wel accepteren: Er is in ons één
waarde, één grondslag en we maken daar allemaal deel van uit. Op het ogenblik, dat die
grondslag valt, vallen wij, persoonlijk. Op het ogenblik, dat wij de rede, die het menselijke
wezen tot mens maakt, geweld aandoen, op het ogenblik, dat wij een strijd stichten, die in
haat of anarchisme de chaos nabij brengt, hebben wij niet alleen een medemens vernietigd of
geschaad, dan hebben we iedereen vernietigd, iedereen geschaad - ook onszelf. En wij willen
voortbestaan als mensen. Onverschillig of wij leven in. een stoffelijke wereld of elders, wij
noemen onszelf mensen. En wij zijn er trots op, want dat is onze weg. Dat is ons leven, onze
gang van bewustwording. Dan is het wel noodzakelijk, dat wij alles doen om dit menselijk zijn
te bewaren als een gezonde grondslag, als een werkelijke basis, als een punt van uitgang voor
ons hele leven en bestaan.
En wanneer wij onze naasten nu eens niet lief hebben, wanner wij nu eens te scherp
onderscheid gaan maken, wanneer wij de naasten gaan schaden, wat doen wij dan? Dan
tasten we de grondslag en de basis van ons eigen leven aan. En dat is niet acceptabel. Dat
kunnen we niet aanvaarden. Neen. "Heb je naasten lief gelijk jezelve" kan ook zó
geïnterpreteerd worden: Hens, zorg er toch voor, dat je do harmonie onder de mensen, het
geluk onder de mensen sterk maakt. Opdat de mensheid moge blijven bestaan als een bewust

114 ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

leven en streven ergens in de kosmos. Mens, behoud de mensheid, zo je niet zelf wilt
ondergaan. Dat is een tweede argument.
Dan kunnen we ook nog een derde argument aanvoeren. En dat derde argument vraagt wel
enige: aanvaarding van punten, die geloof genoemd mogen worden. En ja, dan kom ik
eigenlijk tot een soort geloofsbelijdenis, wil ik U duidelijk maken wat ik bedoel.
Ik geloof in één God. Maar ik geloof er ook in, dat die ene God in al het levende bestaat. Ik
geloof, dat er niets zonder die God kan bestaan. Ik geloof, dat deze God in alle vormen
gelijkelijk aanwezig is, onverschillig of ze mens zijn of niet. Ik geloof, dat God Zijn
eigenschappen in al Zijn schepselen heeft geopenbaard als evenzo vele facetten van Zijn
wezen. En nu is het ons onmogelijk een ander facet te begrijpen. Dat ligt te ver van ons af.
Wanneer een mens probeert een dier te begrijpen, dan vermenselijkt hij het. Wanneer een
mens probeert een boom of een plant te begrijpen, dan denkt hij eraan als een wezen, dat
redeneert, dat denkt, dat spreekt misschien. En dat: Is toch niet waar. Maar mensen kun je
begrijpen. Mensen behoren tot hetzelfde facet van God, als jezelf. Elk aantasten daarvan
betekent een aantasten van die God: en dus ook van het bewustzijn van die God, dat je in je
draagt. "Heb je naasten lief gelijk jezelf, kun je vertalen: wanneer je tekort schiet tegenover je
naasten, dan zul je dat voelen als een verwijt 'in jezelf, als een onvrede, die het je onmogelijk
maakt tot harmonie te komen met het grote met het grote, met het werkelijke, met het
Goddelijke. Dat is dan het derde argument.
"Heb je naasten lief gelijk jezelf." Natuurlijk, er is de vraag: Wie is onze naaste? En deze vraag
te beantwoorden in die zin, dat ieder gelijkelijk onze naaste is, lijkt mij te ver gaan. Maar ik
geloof toch wel, dat alle mensen in meer of mindere mate onze naasten genoemd mogen
worden. Dat wij echter slechts diegenen als naasten moeten behandelen en dus liefhebben, die
ook voor ons persoonlijk zich als naasten openbaren.
Dat is een moeilijk punt. Want waar houdt nu dat aanvaarden van een ander als naaste op en
waar begint het? Ik zou het heel simpel willen zeggen: God uit Zich in ons. En God heeft ons
eigenschappen gegeven, waardoor wij op een zekere manier leven en streven. Wij hebben ons
denken, ons bewustzijn. En wanneer deze vernietigd zouden worden, zouden wijzelf te gronde
gaan. Er kunnen mensen zijn, die tegengesteld handelen of denken, wier instelling misschien
egoïstisch is of besloten, zodat wij hen niet kunnen benaderen. Dezen kunnen onze naasten
niet zijn. Want om iemand als naaste te aanvaarden, moet je een zeker contact met hem
gevoelen. Je moet a.h.w. bemerken, dat in hem of in haar iets leeft, dat ook in jou bestaat. Je
moet die eenheid met die anderen a.h.w. enigszins aanvoelen. Dat lijkt mij wel noodzakelijk.
Want eerst dan kun je trachten je te verplaatsen in die ander. En hoe kun je iemand
liefhebben, wanneer je hem niet kent? Uw naasten liefhebben gelijk Uzelve betekent:
Beschouw. als volledig gelijke van jezelve iedere mens, die je begrijpen kunt, die je kunt
aanvoelen. Iedere mens, voor zover je kunt doordringen in zijn problemen. Iedere mens, voor
zover hij niet vijandig is aan je eigen bewustwording en streven.
Het is allemaal gemakkelijk en licht gezegd zo: En ik geloof dan ook wel, dat U hierover heel
wat zoudt kunnen gaan praten. Maar het ligt niet in mijn bedoeling U nu de gelegenheid te
geven om Uur eigen mening over die naasten uit te spreken. Dat zou ons veel te ver voeren.
Ik wil alleen de spreuk nog even ontleden..
Heb Uw naasten lief. Wat is liefhebben? Wij kennen dat natuurlijk op aarde in min of meer
stoffelijke vorm. Maar wat is werkelijke liefde? Mogen we met liefde betitelen b.v. het
moederinstinct, dat de ooievaar doet verbranden op het nest tegelijk met zijn jongen? Mogen
wij liefde noemen het moederinstinct van b.v. het wilde zwijn, dat zijn jongen verdedigt ten
koste van alles, zelfs ten koste van eigen leven? Ik geloof niet, dat ik dat liefde mag noemen.
Dit zou ik eerder een instinct willen noemen, een natuurlijke drang. Ik geloof zelfs niet, dat het
sexuele in het geding. mag komen, wanneer wij over liefde spreken. Ik geloof, dat wij dat als
een afzonderlijke waarde daarbuiten moeten laten. Het kan een aanvulling ervan betekenen,

ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN 115
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

dus een zekere psychische en fysieke verzadiging, die de liefde bevestigt: maar ik geloof toch
niet, dat het daarvoor noodzakelijk is.
Ik geloof eerder dat liefde is: een begrip hebben voor elkaar. Elkaar zo goed begrijpen, dat je
eigenlijk het leven je niet goed zonder elkaar kunt voorstellen. Dat je begrijpt, dat je voor een
groot gedeelte van elkaar afhankelijk bent. Het bestaan van die ander moet voor jezelf een
betekenis hebben zo groot, dat ze het eigen leven ten dele vult. Wat heb je meer lief dan
jezelve? Ik geloof: niets. Want je kunt je geen wereld voorstellen, waarin het geliefde
voortbestaat en jij er niet meer bent. Je kunt je misschien een ogenblik opofferen voor het
geliefde, in de zin van een stoffelijke vernietiging trotseren. Maar ik meen toch niet, dat je
daarbij denkt aan een volkomen ten ondergaan. Al meen je maar, dat je in de herinnering van
die ander voortbestaat, maar het begrip van voortbestaan moet erbij zijn.
Je bent zelf het middelpunt van je wereld. "Heb Uw naasten lief gelijk Uzelve" wil dus zeggen:
Degene, die je leunt aanvaarden als je naaste, moet je net als jezelf in het centrum van de
wereld stellen. Je moet kunnen begrijpen, dat alles zich rond die persoon afwikkelt juist zoals
rond jezelf. Dat je a.h.w. samen staat in een waanzinnig geworden carrousel van het leven,
waar alles kan wisselen, maar waar de relatie, die je tot elkaar hebt, volkomen gelijk blijft.
Dan is deze liefde eigenlijk eeuwig, ze is onbegrensd. Wanneer je zou uitblussen, helemaal en
totaal, dan valt alle wereld weg: maar zolang het leven bestaat moet die eenheid er zijn. Het is
een voortdurende relatie tot elkaar, vaarbij een wisselwerking optreedt. Een wisselwerking, die
zo sterk kan worden, dat je elkaars gedachten deelt, dat je elkaars weten kent en dat er niets
bestaat - maar ook werkelijk niets - dat je voor jezelf opeist ten koste van die ander. Dan ben
je werkelijk aan het begrip naastenliefde gekomen. Dan heb je dus een eeuwigheidsrelatie
vastgesteld te midden van een voortdurend wijzigende wereld.
En laten we nu even teruggaan tot onze groep op aarde, waarover we het hadden. Stel nu, dat
de mensen t.o.v. elkaar een relatie kunnen vinden, die eeuwig is. Dan is de mensheid eeuwig
door deze relatie. Dan zal de menselijke waarde noodzakelijkerwijze zich verder moeten
ontwikkelen en kan ze nooit meer terugvallen tot iets anders. Dan betekent het menselijke een
laatste schrede voor een wereld, die zich aan elk begrip onttrekt. "Heb Uw naasten lief gelijk
Uzelve" zouden wij dus zelfs kunnen vertalen als: Realiseer het Koninkrijk Gods in jezelf en ga
tot God door met de mensheid, met al wat naast je is, gelijktijdig op te gaan. Niet voor jezelf
vragende en zo de eenzaamheid vindende, maar integendeel samengaande met anderen en zo
de eenheid vindend in God. Eenheid in God, is dat niet het Koninkrijk Gods? Ik geloof het wel.
Ja, het is vaak moeilijk om deze dingen uit te spreken zonder te vervallen in een dogmatische
geloofsbelijdenis, die misschien de waarheid wel zegt, maar die gelijktijdig te bekrompen en te
beperkt is, om door anderen geheel begrepen te worden. Ik zou willen zeggen, dat "Heb Uw
naasten lief gelijk Uzelve" een gebod is, dat moet stammen van af de eerste mensen. Toen de
eerste mensen bestonden, waren ze ongetwijfeld door hun redelijke vermogens de meerderen
van vele wezens. Maar op elk ander terrein waren ze de minderen. Door elkaar te steunen,
door samen te werken en elkaar te helpen - dus om het heel cru te zeggen: als een kudde,
een redelijke kudde, te reageren en door elkaars redelijke voorstellen in overweging te nemen
- zijn ze de meerderen geworden van veel groter en veel machtiger wezens. Daardoor waren
zij in staat om een wereld naar hun eigen inzicht te veranderen.
Want vergeet niet, dat de mensheid alleen door de samenleving, die U dan toch op het
ogenblik kent, de maatschappij, in staat is om afstanden te overwinnen, waarvoor de mens
oorspronkelijk niet is gemaakt: in staat is om te wonen in een klimaat, naar de mens
normalerwijze slechts met moeite zou kunnen lever: in staat is om voeding voor velen te
winnen uit een stukje grond, dat anders voor één nog niet genoeg zou zijn. Wanneer we dat zo
eens bekijken, lijkt het mij toch wel, dat die naastenliefde in de meer praktische, in de meer
stoffelijke zin met alle onregelmatigheden, die er verder ook bij zijn voorgekomen, de
mensheid eigenlijk gemaakt heeft, tot wat zij is. Dat daarvoor niets anders genoemd kan
worden dan dat. Je zou dus kunnen zeggen: het is een soort oereigenschap, het is een wet van
zelfbehoud.

116 ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

En wanneer die mens nu alleen maar te maken had met het stoffelijke, zou je kunnen zeggen:
Ach, hij heeft de zaak nu wel aardig onder de knie, laten we nu die naastenliefde maar eens
vergeten. Maar ik heb er U op gewezen, dat er rond ons allerhande werelden liggen, die de
mens niet ziet, maar die ook wezens bevatten met een eigen denken, een eigen streven, een
eigen doel misschien. Wezens, die op hun manier redelijk zijn, op een niet-menselijke manier.
Wezens, wier doeleinden geheel andere zijn dan die van de mensheid: en die misschien zelfs
aan de mensheid vijandig zouden kunnen worden geacht. Wanneer de mensheid de geestelijke
keten, die hen aaneensmeedt, op het ogenblik zou verbreken, dan zou het gemakkelijk genoeg
worden voor die andere krachten om te winnen van de mensheid. Dan zou er geen sprake
meer zijn van mensen. Misschien zou een deel van de mensheid opgaan in die andere soort.
Goed, maar het zouden geen mensen meer zijn. Het zou niet meer dit speciaal facet van het
Goddelijke zijn, dit apart aspect van het leven.
Naastenliefde is een logisch gevolg van de noodzaak tot zelfbehoud - geestelijk en stoffelijk.
Naastenliefde is de enige mogelijkheid om tot God te komen, omdat eerst door God in anderen
te leren kennen je voor jezelf ontgroeien kunt aan de beperktheid van een simpel menselijk
bestaan. En dat je kunt komen tot het bovenmenselijke, waarin de mens de basis is, waarop
een hele kathedraal wordt gebouwd van hoger en lichtender krachten.
Het lijkt mij, dat men naastenliefde nog wel eens wil begrenzen en beperken. Buiten deze ene
beperking op grond van het zelfbehoud, die ik zo even naar voren bracht, meen ik, dat er geen
enkele begrenzing mag bestaan. Naastenliefde betekent: De mens helpen ten koste van alles,
maar niet ten koste van jezelf. Want je vernietigt jezelf ook niet om jezelf te helpen. Dat doe
je als een laatste uitweg, als een vlucht: anders niet. Je mag de naasten liefhebben gelijk
jezelf. En pas indien je vele naasten kunt redden door een handeling, een opoffering van het
"ik", terwijl je je er tevens van bewust bent, dat het "ik" blijft voortbestaan, wordt een
dergelijke maatregel aanvaardbaar en redelijk. Nooit echter, wanneer het gaat om zuiver
principiële kwesties, die verder misschien weinig belangrijk zijn..
Ik geloof dat ik U toch wel een klein beeld heb kunnen geven van hetgeen ik zie in die
naastenliefde. Nogmaals, het is voor mij dus de enige mogelijkheid om jezelf te blijven als
mens en om gebaseerd op het menselijk bestaan je hele bewustwording te volbrengen. Het is
voor mij de enige mogelijkheid om in een wereld te blijven voortbestaan zonder jezelf te
vernietigen en andere krachten de overhand te geven. Ik geloof, dat Jezus - toen hij deze wet
gaf aan de mensen: "Heb Uw naasten lief gelijk Uzelf" - slechts datgene formuleerde, dat van
het begin der wereld af waar is geweest. Datgene wat van het begin der wereld af misschien
minder duidelijk gezegd en uitsproken - de basis is geweest van praktisch alle leven en
streven. Ik meen zelfs, dat veel van de wreedheden van de oertijd in feite een poging waren
om deze naastenliefde toch weer te beoefenen. Omdat men n.l. het offer bracht niet alleen
voor zichzelf maar ook voor anderen. En zo worden voor mij zelfs aanvaardbaar de vader, de
moeder, die een kind offert aan een Bacil en het doet sterven om daardoor voor de
gemeenschap iets te bereiken en voor zichzelf. Ook dit is reeds primitieve en onbegrepen
naastenliefde geweest. Maar naarmate de mensheid geestelijk krachtiger is geworden, mentaal
meer is gegroeid, werd het minder noodzakelijk om op deze wijze offers te brengen, om op
deze wijze a.h.w. te accorderen met onbekende machten.
Niet lang meer..... en de mens kan treden in de rechten van de volwassen mens. De mens, die
als gelijke kan staan tegenover elke geestelijke kracht wanneer hij niet vergeet zijn naaste te
zien als zijn gelijke. Wanneer hij zijn naaste leert zien als iemand met gelijke rechten, zijn
naaste leert zien als een deel van eigen leven en bestaan.
Dan geloof ik, dat ik daarmee genoeg heb gezegd. Hebt U nog comméntaar?.....Dan geef ik
het noord over aan de laatste spreker. En dan mag ik U wel danken voor het onderwerp en de
aandacht, die U eraan hebt willen wijden. Het was m.i. een zeer belangrijk onderwerp en
misschien hebt U toch weer een beetje beter begrip gekregen van hetgeen het zeggen wil.
Goeden avond.

ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN 117
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 18 maart 1958
Les 7 – Enkele innerlijke mogelijkheden

LIEFDE
Wat is groter liefde dan liefde, die het leven geeft? Wat is er groter liefde dan liefde, die niet
voor zich alleen streeft, maar ook anderen mee begrijpt in eigen leven en denken? Wat liefde
is er groter dan liefde, die ontgroeit aan klein, beperkt bezit? Wat liefde is er waarder en
waardiger dan een, die ontgroeit aan het bezitten van de wereld, aan het zoeken naar de
rechten voor eigen ik, die eigenliefde zeer beperkt, maar die door het besef van het leven met
eigenliefde en al versterkt wat leeft.
Men spreekt ons over de liefde, van God, men spreekt van de liefde der mensen. Men spreekt
van de liefde en beperkt vaak daarmede zichzelf tot simpele wensen, die men wel
verwerkelijken kan, maar die men niet wérkelijk maakt, omdat - naar men meent - die
verwerkelijking het eigen "ik" niet raakt.
Ware liefde, dat is je vergeten in een gevecht voor anderen en voor jezelf. Ware liefde is een
weten van wat er in een ander leeft. Ware liefde is te streven, omdat een ander ook zo streeft.
Ware liefde is begrijpen de kracht van eeuwigheid, die woont in ieder. Ware liefde is erkennen
de God, Die alle leven schept. En te erkennen al Zijn krachten als lichtende en ongerept
geboren uit het onbekende. Ware liefde is een band, gevlochten door een stil bewustzijn over
grens van leven en dood. Gaande boven verlangen en nood, gaande boven het wezen van de
mens tot in het harmonisch rijk van God. Ware liefde is een droom van stil verlangen.
Ware liefde, die niet voor zichzelve vraagt, droomt toch vaak van een vervulling. Maar deze
droom dan te vergeten, omdat een eeuwigheid bestaat, waarin een groter, sterker weten ons
leidt tot beter waarden en bestaan, dat is de liefde maken tot de naastenliefde, verdrijvende
bekrompen waan van enkeling en enkeling, of ras en ras. En daarvoor vinden eeuwige
eenheid, die in den beginne was en in God nog voortbestaat.
Ware liefde is de eeuwigheid, zoals ze leven kan in elke mens. 't Is God, Die in 't bewustzijn
weer ontwaakt. 't Is God, Die met ons verdergaat en ons Zijn wezen kennen laat in al wat is.
Spreek niet te veel van liefde. 't Woord heeft al zijn betekenis verloren. Eens - lang te voren -
had liefde misschien betekenis in mensenmond. Ze is vervormd en verwrongen. Beleef haar in
jezelf als diep gevoel, als stil geheim van eeuwigheid reeds in de tijd. Dan zul je erkennen, dat
liefde - gerijpt tot onpersoonlijk weten, tot onpersoonlijk ervaren en kennen - een
werkelijkheid is. Een werkelijkheid, die al te boven gaat en ons onmiddellijk bindt met God.
Goeden avond.

118 ENKELE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

Goeden avond vrienden.
In deze bijeenkomst zullen wij ons dan weer bezig houden met de esoterie. En ofschoon er
zeker ontelbaar vele onderwerpen te vinden zijn, zou ik vandaag toch graag eens iets buiten
de gewone lijn kijken.
Er bestaan krachten, die op deze wereld werken en er bestaan bepaalde drijfveren, die ook de
mensheid bewegen, die ver buiten deze wereld gelegen zijn. Ofschoon de esoterie in de eerste
plaats natuurlijk de leer is van innerlijke bewustwording, meen ik toch, dat wij wel eens een
keer de aandacht mogen schenken aan al datgene, wat er buiten ons ligt. Daarom zou ik graag
vandaag willen spreken over:

HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN

Wanneer je zegt "hemelingen", denk je onwillekeurig: kerkelijk. Laat ik U dan allereerst een
beeld geven van hetgeen wij daaronder verstaan. Wanneer wij de normale vormkennende
sfeer voorbij gaan, vinden wij in de werelden van licht krachten, die speciaal gericht zijn op
lager bewustzijn. Het zijn geen ras- of groepsgeesten, maar eerder de uitvoerders van de
goddelijke wet. Die goddelijke wet vindt in ons wezen een weerklank en zo durf ik wel te
zeggen, dat we allen op enigerlei wijze met deze hemelingen verbonden zijn. Zij kennen de
wetten en die wetten van de kosmos zijn vaak heel anders dan wij ons kunnen voorstellen,
want die wetten houden zich niet met allerlei klein-geestelijkheden op, maar zoeken naar de
kern van het bewustzijn. Wanneer het bewustzijn en het streven vanuit het bewustzijn goed is,
dan zondigt men niet tegen de kosmische wet. Dan kan het zijn, dat een stoffelijke wet U
misschien een ogenblik remt, het kan zijn dat de kosmos U corrigeert, maar ge zult nooit in
strijd komen met grote krachten.
Het werk van deze hemelingen nu is wel in de eerste plaats het scheppen van een harmonie
tussen alle bewuste leven in het Al. Het betreft,dus niet alleen de aarde, maar zij gaan naar
alle sterren toe, alle planeten, waar leven woont, zij zoeken alle stoffelijke bewustzijn te
bereiken. Beschrijven kan ik ze U moeilijk. Want hoe moet je een verblindend licht beschrijven.
Hoe moet je het leven van b.v. een diamant beschrijven. Het levende licht laat zich eenmaal
niet in woorden vangen. Dat is het, wat zij zijn: levend licht. En het is duidelijk, dat dit levende
licht ook in Uw eigen wereld werkzaam is en dat het in Uw eigen wereld probeert dezelfde
harmonie te scheppen, die men ook elders tot stand wil brengen.
Zo zien wij op het ogenblik - en dat is misschien wel één van de redenen, dat ik dit onderwerp
juist nu met U aansnijd - de grote krachten ook op deze aarde zeer actief werkzaam. Die sfeer
van werkzaamheid is niet in de eerste plaats gericht op het stoffelijke. Zij zoeken niet in te
grijpen in de stof en die te veranderen.
Maar juist datgene, wat even buiten het stoffelijke ligt - het astrale terrein - is gevuld met
allerhande schrikbeelden en gedachten, door de eeuwen heen uit mensen geboren, door de
eeuwen heen misschien ook vanuit het duister daar geprojecteerd. En dit is wel het eerste,
waarop hun kracht werkt. Zij trachten alle duisternis te bewegen in een zodanig verband tot de
kosmos te treden, dat weer harmonie ontstaat en dat datgene, wat hatelijk, wat lelijk, wat
verschrikkelijk was, terugkeert tot goddelijke schoonheid. In dit werk worden zij ongetwijfeld
gesteund vanuit alle werelden, want op elk gebied wenen mensen, die zich van deze
hemelingen bewust zijn. De grote vraag is nu: Welke betekenis kan dit werken hebben voor U,
wanneer U hier zoekt naar een innerlijk ontwaken, naar een innerlijk licht?
In de eerste plaats: Uw eigen bewustzijn grijpt uit tot ver buiten het normale, ver buiten het
stoffelijke. Of ge dit nu wilt toegeven of niet, rond U leven allerhande geestelijke sferen en

HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN 119
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

werelden, die steeds weer invloed op Uw denken, op Uw handelen, op Uw bewustzijn
uitoefenen. Daar echter wordt dit licht kenbaar. Wanneer nu in ons een verlangen naar licht is,
een zekere honger naar het licht, dan bezitten wij de grondwaarden, die noodzakelijk zijn om
tot harmonie te komen. Je kunt niet zeggen, dat je dan nu plotseling verheven wordt boven je
eigen wereld of sfeer. Maar je gaat meewerken in die wereld en sfeer. De kracht, die als licht
nu ook in jou kan doordringen, toont je steeds weer, waar de goddelijke wet is gelegen. Zij
toont je de grenzen, die - menselijk moeilijk te onderscheiden - toch steeds weer bestaan. Zij
voegen steeds aan je eigen wezen dat " je ne sais pas quoi", dat onbekende toe, dat je maakt
tot een mens, die zijn God in zich draagt. Bewust.
Laten wij eens zien hoe deze hemelingen voor U werkzaam zijn.
De wereld is vergiftigd door haat. Er zijn grote gevaren op stoffelijk terrein gerezen, maar nog
fataler haast lijkt wel de geestelijke verslapping die een groot gedeelte van de wereld dreigt te
overrompelen. De wereld zou graag willen wegsluimeren en daarmede gelijktijdig zijn
goddelijk erfrecht van bewust in God leven prijsgeven voor de sobere schotel linzen van een
klein beetje gemak en misschien een klein beetje langer welvaart. Die wereld kan uit zichzelf
niet genezen. Het gaat nu om een korte tijd en daarna zal die wereld misschien gepurgeerd
moeten worden, gewelddadig moeten worden gereinigd. Maar zolang er nog een mogelijkheid
is één bewustzijn te redden, één meer uit de ellende van de stof en de duisternis van de geest
op te heffen, zijn deze lichtende krachten, deze brengers van het hemelse licht, voor ons allen
steeds weer actief.
Zij tonen ons in de eerste plaats wel hoe wij moeten leven. De weerklank, die de wetten
vinden in ons eigen wezen, brengt ons ertoe om langzaam maar zeker ons gedrag als een
methode van leven te wijzigen. Dat gaat niet plotseling. Een dronkaard wordt niet in twee
dagen een waterdrinker. En iemand, die voortdurend lastert, zal zeker niet in enkele weken de
onschuld zelve worden, Maar elke keer, wanneer er in ons een impuls is, die onzuiver is, staan
wij ineens voor dat licht, dat onthullende licht, dat ons zegt: "Hier niet!" En elke keer, wanneer
we zoeken naar de weg om te helpen, terwijl het eigenlijk niet mogelijk is, wanneer we zoeken
naar een weg om in de wereld goed te zijn, terwijl eigenlijk alles rond ons ons schijnt te
bedreigen en te zeggen: "Neen, wees zelfzuchtig, wees egoïstisch", dan is er dat licht, dat ons
juist die ene smalle weg toont, die we kunnen gaan.
Stellen we ons voor, dat zo’n hemeling deze wereld benadert. In het begin doet het ons
denken aan het uitgrijpen van het licht van een ster. Misschien . hebt U wel eens in een
herfstnacht of in een vorstmacht in de winter de sterren zien twinkelen, alsof zij straal na
straal afschieten op de wereld. Zo is de eerste benadering van zo’n grote lichtkracht, wanneer
ze een bepaalde wereld tracht te beroeren. Steeds weer wordt zoekend licht uitgezonden tot
het ergens een echo, een weerklank vindt. En eindelijk zijn er een paar punten gevonden,
waarin dit licht contact heeft. Het behoeft niet alleen in mensen of in de geest te zijn. Het kan
zijn in dieren en in planten. Overal waar een bewustzijn leeft, dat meer dan normaal ten goede
is geneigd, dat meer dan normaal de goddelijke waarde in zichzelf accepteert of daarnaar
hongert, is een echo, is een punt van beroering. En zo wordt over zo’n hele wereld een web
gevlochten van lichtende lijnen, van verbindingen.
We moeten zeker toegeven, dat onze hemelingen grote strategen zijn. Want in hun zoeken
grijpen ze in de eerste plaats naar de kritieke punten. Die kritieke punten liggen niet daar,
waar wij mensen en geesten die zouden zoeken. Zij grijpen niet in de eerste plaats naar de
harten van de grote, regeerders of van de priesters misschien of van de grote magiërs. Ze
zoeken de eenvoudige mens, die slechts het goede wil. Want die eenvoudige kleine mens heeft
vanuit geestelijk standpunt gezien de grootste kracht.
Dan begint het spel. Lichtflitsen, die heen en weer gaan, steeds opvlammend, bewustzijn,
ervaringen, die je een ogenblik aan de wereld ontrukken, totdat je je afvraagt: Droom ik nu of
ben ik terechtgekomen in een vreemde wereld? Is er ergens een geheimzinnige grens door mij
doorschréden, waardoor ik in de kopie sta van wat eens was? Schijnbaar hetzelfde, en toch het
andere. Wanneer dat in je opkomt, blijft je wereld gelijk. Er is net zo goed leed en zorg, er is

120 HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

duister zo goed als licht. Alles is er, en toch is het anders geworden. Het is net alsof je contact
krijgt met mensen, die je nooit hebt gekend. Of je plotseling geestelijke, sferen leert kennen,
waarvan je tot nog toe alleen hebt durven dromen.
Denk niet, dat je het zelf beleeft, maar in dat web van lichtende lijnen reizen de boodschappen
van mens tot mens, van mens tot sfeer. En de grote lichtbrenger manipuleert voorzichtig.
Steeds meer tracht hij mensen te wekken. Hier grijpt hij uit om iets meer bewust te maken
van plicht, daar geeft hij de kracht om langs geestelijke weg verder in te grijpen dan stoffelijk
mogelijk is. Op gene plaats doet hij een nieuw bewustzijn van recht ontwaken. En op deze
doet hij een nieuwe vrede geboren worden. Het kan met alle verschijnselen in verband staan.
Hier is het een vergadering van eenvoudige mensen, die zoeken naar een nieuwe religieuse
beleving. Daar grijpen ze misschien uit naar een groot congres, naar een tentoonstelling, naar
een kermis. Wát hindert niet. Telkenmale wordt temidden van een vergadering van mensen,
een groep van mensen met een gemeenschappelijk belang, een geestelijke gedachte
ontketend. En daarvoor dienen die enkelen, die een echo hadden.
Zo trekt meer en meer een lichtend web over de wereld. En overal, waar de menselijke
gedachten worden beroerd en veranderd, daar verandert ook hun invloed op het astrale
gebied, dat gebied, dat helaas zoveel sombere gedachten en zoveel haat bergt. Dan worden
ook daar gestalten omgevormd. De wrekende demon van zo-even schijnt onmerkbaar te
veranderen. Zijn vorm blijft nog gelijk, maar hij staat niet meer voor wraak en verdoemenis,
doch voor recht. En als zodanig wordt hij door de mens erkend en aanvaard. De vreemde
wrekende nevel, die als een nachtmare over je heen komt liggen om je te versmoren onder de
ellende van duisternis, licht op en draagt in zich iets van een azuren droom van nieuwe
werelden. De krachten, die de groten uit het duister hebben getrokken als hun netwerk door
het astrale gebied heen, hun dreiging en hun wraak, worden langzaam ontrafeld en verbroken.
Het is of centimeter na centimeter
hun invloed op het astrale gebied wordt losgebogen. Een klauw wordt teruggeslagen, keer op
keer, zodat steeds weer rond de wereld een reine gedachte gaat heersen, een nieuw streven,
een nieuwe kracht, een nieuw licht.
En dan is het werk nog niet voltooid. Want nu eenmaal de omhulling van de wereld gereinigd
wordt, nu moet de hemeling alweer uitzien naar een volgend deel van zijn taak. Hij zoekt bij
hen, die wachten om te incarneren. Hij zoekt naar de geesten, die het licht al in zich dragen en
hij probeert hen te bewegen een lot te verkiezen, dat niet noodzakelijk is, maar dat voor hen
de mogelijkheid geeft om als lichtdragers en lichtbrengers te midden van de mensen
te zijn. En als ze dat aanvaarden is er een verbinding meer geschapen. Nu tussen hogere
sferen en de wereld."
Geesten, die uit de wereld weer overkomen naar de geestelijke werelden toe, moeten
evenzeer beroerd worden. In hen moet het bewustzijn van een begane fout worden
verscherpt, het beeld van de wereld moet worden versterkt. En wanneer er maar één
mogelijkheid is om een echo te verkrijgen voor eigen lichtende kracht, geeft de hemeling al
zijn vermogen en al zijn werken aan dezen, opdat zij ontwaken zullen tot een bewuste
geestelijke toestand, opdat zij vanuit hun sferen en bewustzijn zullen kunnen medewerken om
de wereld bewust te maken van haar feilen, haar fouten, de wereld te bevrijden van
gedachten, die haar naar de ondergang toe drijven.
Zo werken de hemelingen. En het is er niet één, maar het zijn er velen, die een bepaalde
planeet, een bepaald zonnestelsel benaderen. Steeds meer zoeken zij alles in harmonie te
brengen met hun eigen bestaan: dat vreemde NIET, dat licht en dat duister gelijk is, dat
onbekende, dat men wel eens God noemt. En wanneer ze ontdekken, dat ergens in het Al een
nieuwe ontwikkeling heeft plaats gehad, dan zijn ze er onmiddellijk bij om met hun lichtende
kracht ook onderling zich te verbinden, zodat misschien hier op de wereld een echo kan
weerklinken van iets, dat ver in de ruimte is gebeurd.

HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN 121
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

U zou hen de alchemisten van de ruimte kunnen noemen, deze hemelingen. Want wanneer de
stralen van het licht komen, dan weten ze die te leiden door de fijne filters van haast
onkenbaar fijn verdeelde materie, opdat nieuwe trillingen ontstaan, opdat nieuwe impulsen de
wereld bereiken. Haast onmerkbaar trachten zij de sterren te leiden in hun baan en soms,
wanneer het niet anders kan, dan wekken ze ergens de verwoede uitbarsting, die wrekend zich
dan richten zal op de planeten, zonder ze geheel te vernietigen.
Wat heeft dit nu voor ons, die toch esoterisch streven, te beduiden? In de eerste plaats wel,
dat wij in onze bewustwording niet alleen staan. Natuurlijk. Dat wij in onze bewustwording niet
alleen afhankelijk zijn van lagere krachten, maar dat a.h.w. de onmiddellijke dienaren Gods,
de onmiddellijke dienaren van de Schepper ook in ons wezen mee een rol kunnen spelen.
In de tweede plaats: Zij werken met ons en in ons. Wanneer in ons een verlangen tot
ontwaken is, zijn zij het vaak, die dit ontwaken tot stand kunnen brengen. Wanneer wij maar
de uiterlijke omgeving a.h.w. weten te beheersen, wanneer wij weten door te dringen achter
het masker van zelfbedrog, dat wij onszelf steeds voorhouden, dan vinden wij daar
onmiddellijk een verbinding, die ons voeren kan tot God, zoals Hij in onszelven woont.
Wonderlijke wereld. Een wereld, waarin je je plotseling van jezelf bewust wordt. Een wereld,
waarin je de weerkaatsing van het Al gevoelt als een deel van je eigen wezen. Daar voeren ze
ons heen. En niet alleen dat ze ons voeren tot deze bewustwording in onszelven, maar
wanneer wij eenmaal de eerste echo hebben gegeten op hun roep om het licht te dienen, dan
zullen zij ons beschermen.
Zij drijven de demonen niet van ons. Laat ons dat niet denken. Want wij moeten de werelden
van waan immers overwinnen. Wij moeten meester worden over de vrees. Maar ze
belemmeren deze krachten ons te beschadigen. Ze geven ons de moed, zij geven ons de
aanwijzingen, hoe wij deze krachten kunnen bestrijden door gebruik te maken van de grote
wetten.
En ten derde scheppen ze een steeds intenser band tussen de stof en de geest. Ze scheppen
een band, die van sfeer tot sfeer reikt. Ze geven de mens zo grotere mogelijkheden om via de
geest, die hij kent en begrijpen kan, tot inzicht te komen, om in zijn wereld werkzaam te zijn
tezamen met de geest en de harmonie: van de kosmos te bevestigen in de stof.
Het zijn belangrijke punten. En - zo ik reeds zeide - dit zijn dagen, dat deze krachten over de
wereld rondgaan. Het zilveren web wordt gesponnen rond deze wereld. En het duister, dat zo
verstikkend die wereld schijnt te omringen, zal langzaam verdreven worden, wanneer er maar
mensen genoeg zijn, die in staat zijn, dit licht te ontvangen. Want waar het licht leeft in de
geest van een enkele mens, waar het bewustzijn, het wezen van een enkele mens zijn God
oprecht zoekt en dient, daar kunnen de hemelingen doordringen tot ver achter de kosmische
maskerade, door de astrale figuren en de meesters van het duister opgevoerd. Dan kunnen ze
a.h.w. van binnen uit de strijd aanbinden. En dat zullen ze dan ook wel doen. Wanneer zij met
hun grote kracht voldoende antwoord vinden, dan is de wereld gered.
Dat doet mij haast denken aan het oude verhaal over Sodom en Gomorrah. Toen immers
smeekte Abraham aan de Heer: "Indien er slechts 10 rechtvaardigen zijn in deze stad, Heer,
spaar ze dan om hunnentwille." Misschien dat een moderner Abraham ook zo bidt. En wanneer
er slechts één rechtvaardige was geweest, één rechtvaardige, dan had God om zijnentwille die
steden gespaard. Zo staat er geschreven. Mogen we dat misschien vertalen i.v.m. wat wij zo-
even gehoord hebben over de hemelingen? Mogen wij zeggen: "Wanneer één mens de kracht
van het licht nog had kunnen weerkaatsen, dan was geen ondergang noodzakelijk ge-
weest?"!Dat is in overeenstemming met de wetten der schepping, de wetten van de kosmos.
Het is altijd moeilijk om dergelijke wetten onder woorden te brengen, omdat je óf te veel óf te
weinig zegt.
Wanneer ik het dan ook probeer te doen hier, dan zou ik U willen vragen: "Luister in de eerste
plaats naar Uw eigen hart, naar Uw eigen innerlijk. Luister hoe ze daarin klinken. Dat is juister
dan mijn woorden ze kunnen geven." Er is een wet, die zegt dat daar, waar het duister God
122 HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

niet meer kent, God het duister verslindt.De uitersten der wereld, het felste licht en het
diepste duister, worden opgenomen in het wezen Gods. Maar dit opgenomen worden is, een
vernietiging. Voor het duister van bewustzijn, een herboren worden in licht. Voor het felle licht
een vrijwillige aanvaarding van de grootheid Gods, waarin het wezen bestaat en van waaruit
het gaat door de wereld om de taak te vervullen, zoals de hemelingen, waarover wij spreken.
In de uitersten is geen voortbestaan mogelijk.
Deze wet al maakt het ons duidelijk, waarom deze hemelingen werken. Want het is niet de
bedoeling, dat steeds meer en meer wezens en werelden de grenzen van duister of licht
doorbreken en zó het Goddelijke benaderen. Want dan moeten zij herschapen worden,
opnieuw opleven. Het is de bedoeling, dat alles zich bewust wordt. Zó bewust van de
Schepping en de Schepper, dat wanneer l deze voor een ogenblik Zijn schepping staakt en het
duister wordt, het erfdeel van de Goddelijke wil, daarin gelegen, voldoende is om een nieuwe
dag te doen ontstaan, een nieuwe schepping en een nieuw weten, gelijk aan dat, wat de
Schepper voortbracht en zijnde de weerkaatsing van de kracht, die de Schepper in al zijn
schepselen heeft gelegd, wanneer ze bewust worden.
De wet van de kosmos, die grenzen stelt, trekt deze grens vooral, waar het gaat om
bewustzijn. Zo zegt zij ook, dat wij ons nooit bewust kunnen worden van meer dan wij ons
verworven hebben. Dat wij hooit bewust kunnen zijn van minder, dan wij ons verworven
hebben. Zo kunnen wij ons vaak van de wezens zelven, die zoeken naar ons leven als middel
om overal de harmonie Gods te scheppen, niets begrijpen. De kracht, die ons beroert, ja .....
Die enkele straal, die flits is voldoende. Die kan ons leiden. Het wezen zelf blijft buiten ons be-
reik. Ons bewustzijn reikt niet zover. En omdat wij ons bewustzijn van zoveel licht, zullen wij
ook veel duister kunnen verdragen, voordat het de grenzen van het onvoorstelbare benadert
en zo ons overweldigt en overrompelt. Hoe meer licht je in je draagt, hoe meer duister je kunt
overwinnen, omdat je het verdragen kunt.
Het is een wonderlijke wereld, de kosmos. Wonderlijker misschien nog, omdat ze in onszelf
herschapen wordt, beeld na beeld, tot alle tijd, alle ruimte, alle materie en alle geest in ons
wezen leeft in een bewust weten en een voorstellen.
afhankelijk van het zijn. Voor ons zijn alle werelden reëel. Wij beleven ze, we zien de krachten
ervan, we kennen hun licht, we horen hun klank. Wij kunnen ze niet buitensluiten. En daarom
zal een ieder, die esoterisch streeft, ook zeker trachten in zichzelf een echo te zijn voor elke
lichtende kracht, die Ziet ge, vrienden, het is deze wonderlijke wereld in ons, die de esoterici
zoeken te benaderen. Maar wij kunnen die wereld niet benaderen, wanneer wij de wereld
buiten ons zouden willen verwerpen. Wij kunnen onszelf niet zien als die de wereld benadert.
Hij zal trachten stem te geven aan de lichtende gedachte, die de mens bevrijden kan. Hij zal
trachten de reinigende krachten, die uit het licht geboren worden, in de wereld uit te dragen,
opdat er daar reinheid zij.
Dat is de feitelijke inhoud van het werk der hemelingen, wanneer het ons beroert.
En nu mogen we misschien dromen,dat er een dag zal komen, dat alle werelden en alle sterren
tezamen nog slechts één klank kennen, de geheime naam Gods. Dromen, dat er een ogenblik
zal komen, dat geen licht der sterren in de ruimte teloor gaat, maar alle licht tezamen steeds
weer schrijft Gods oneindigheid en heerlijkheid in alle hemelen. Maar wanneer we daarover
dromen, dromen we als mensen en als lagere geest. Of die wereld ooit zal bestaan, dat weten
we niet. Wij weten immers niet hoe de Schepper voor ons zijn raadsbesluit heeft gevat, hoe Hij
voor óns heeft besloten, dat de ontwikkeling zal zijn Zijn dienaren, Zijn dragers van licht, naar
de werelden zendt en dat Hij hen in staat stelt ook in ons die echo van oneindigheid te
wekken.
Dat is het punt, waarom het ons zal gaan, altijd weer. Niet slechts in onszelven het bewustzijn
gewinnen, maar tevens een weerkaatsing zijn van de hoogste Kracht, zodat wij - uit deze
hoogste Kracht geleid, ja, gevoed en beschut in de wereld het licht kunnen herscheppen.

HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN 123
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

Dat is alles, wat ik U voor deze avond het te zeggen. Ik geef het woord over aan een tweede
spreker. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Wanneer je die geestelijke krachten zo bekijkt, krijg je wel eens het gevoel:

"Wat ben ik maar klein! En kan ik nu wel wat?"
Want wij zijn vooral aan de buitenkant zo geneigd onszelf zo gauw te laten ontmoedigen, weet
U. Het is eigenlijk wel begrijpelijk. Per slot van rekening wordt je in je leven zozeer door de
gebeurtenissen gedreven, er wordt zoveel genomen en gegeven, dat je op een bepaald
moment wel kunt gaan zeggen: "Ja maar ....... wat ben ik eigenlijk?
Ben ik dan zo’n pluisje, dat ergens op een kosmische wind hen en weer wappert?" En U zoudt
niet eens zo erg ongelijk hebben. Want eerlijk is eerlijk, in de meeste gevallen lijken we er wel
wat op, om de doodeenvoudige reden, dat wij niet bewust zijn.
Maar zouden wij nu werkelijk zo klein zijn als U denkt, wanneer U zo iets een keer hoort?
Moeten wij eigenlijk niet de nadruk leggen op het feit, dat de hele wereld in ons kan leven? Het
grootste van het grootste kan in ons bestaan. U hebt zo-even gehoord, God kan in ons leven.
Dan kunnen wij niet zo klein zijn. En juist omdat wij niet zo klein kúnnen zijn, is het misschien
gemakkelijker om het esoterische streven te accepteren. Want zoals elke keer hier wordt
gezegd, avond aan avond op deze cursus: het is het streven naar binnen toe. En wanneer je
zo bij jezelf van binnen gaat kijken, dan vind je soms dingen, dat je denkt: "Hé, is het zo
verschrikkelijk gesteld met mij?" Dan krijg je zo echt het idee, dat je slecht bent, dat je
nergens voor deugt, ....... nu ja, dat er iets niet in orde is.
Weet U, wanneer wij door het venstertje van ons eigen gemoed proberen die wereld, te
bereiken, wanneer wij de waan en het zelfbedrog achter ons laten, dan komen we natuurlijk
eerst in de uithoeken terecht. Misschien hebt U wel eens gezien, waar de mesthoop ligt bij de
meeste boerderijen. Ergens achteraf, voordat je aan de mooie kant, de tuin en de boomgaard
komt. Zo gaat het ons ook. Wanneer wij die innerlijke wereld gaan betreden, dan moeten wij
eerst door de modder heen, want dat ligt aan de buitenkant. Dus mogen wij ons niet
voorstellen, dat ons wezen nu eenmaal zo slecht is of zo verdorven .... noem maar op als het
lijkt bij ft eerste, ernstige proberen om die waan opzij te gooien. Maar die dingen moeten wij
eerst kennen.
U zult zeggen, dat ik er wel een landbouwpraatje van maak, wanneer ik weer op die mesthoop
terugkom. Maar toch lijkt het me wel goed om dat te doen. Want weet U, wanneer je al die
fouten van jezelf gaat leren kennen, dan doe je net als de boer, die zo’n hoop mest en
compost bij elkaar gooit. En wanneer dat zo’n beetje gaat werken, daar van binnen, dan is dat
een onaangenaam iets. Je zou haast kunnen zeggen: een soort hellevuur. Het is erg pijnlijk.
Wanneer je echter verder kijkt over het land, dan zie je ook, dat de boer zodra er lente komt
met zijn wagen er op uit gaat en diezelfde hoop overal uitwerpt over het veld, want eerst
daardoor kunnen de gewassen groeien.
Zo gaat het bij ons. Wanneer wij i.p.v. te zeggen dat wij zo klein en zo onmachtig zijn, dat wij
ze verdorven zijn, nu eens eerlijk en oprecht zeggen: "Dáár hebben we fouten gemaakt", dan
kunnen we die dingen in ons leven a.h.w. uitspreiden. Dan kunnen we zeggen: "Die fout heb ik
nu gemaakt. Dat weten geef ik nu aan deze nieuwe toestand, deze nieuwe situatie."
Dit is op zichzelf al een verdienstelijk werk, maar nog niet voldoende. Want door gebruik te
maken van deze zelfkennis, deze kennis van het duister, dat in je leeft, leer je het licht
kennen, dat in jezelf leeft. De doorsnee-mens heeft moeite dat licht te vinden en wanneer hij
het dan een keer ontdekt, ach, dan verliest hij het weer zo gauw. Wanneer eens een keer een
geestelijke ervaring hebt, dan is het "poppetje gezien, kastje dicht". Je hebt een ogenblik dat
licht, en dan is het weer weg en je zit weer eenzaam en verlaten.

124 HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

Nu ja, dat is niet prettig, dat begrijp ik heel goed. Maar per slot van rekening, als je in de
stikdonkere nacht staat en je ziet zo nu en dan ergens in de verte een lichtje opvlammen, dan
weet je toch, dat er iets woont, dat er iets leeft, dat er ergens licht is. Wanneer je ondanks alle
sombere ontdekkingen voor jezelf achter het zelfbedrog (al dat lelijke gevonden hebbende)
een lichtje ontwaart, blijf dan niet in je duisternis. Dan moet je op dat licht af. En net zo goed
als er in de wereld buiten ons schrikgestalten bestaan, vooral op astraal gebied, zo bestaan die
ook van binnen. Ze krijgen natuurlijk andere namen. Dan heten ze complexen, psychosen en
neurosen en wat al meer. Maar laten we nu eerlijk zeggen: of het nu al een mooie naam heeft,
het zijn de dingen, waarvoor wij voortdurend bang zijn. Die wij eigenlijk niet aandurven.
Wanneer we nu onthouden, dat in ons dat licht het belangrijke is, en we niet kijken naar de
verschrikkingen, die aan de zijkant van de weg schijnen te staan, dan kunnen wij dat licht
bereiden. En hebben wij dat licht eenmaal te pakken, dan begint 't pas te leven, dan begint het
pas te werken in ons. Dan gaan we pas ontdekken, hoe groot we eigenlijk zijn, Ja, niet groot in
de zin van grote mannen en grote vrouwen natuurlijk, hetzij lichamelijk of geestelijk. Maar
groot als datgene, wat wij kunnen bevatten.
Wanneer U in Uzelf zoudt kunnen zien en U zoudt alleen de stoffelijke beelden, die erin liggen,
Uzelf voor ogen kunnen brengen, ach, vrienden, dan zoudt U daar wouden van varenbomen
zien, omgeven door de stomende lucht van een oververhitte nevel. U zoudt vulkanen zien
uitbreken op het ogenblik, dat het land uit de zee wordt geboren. U zoudt de diepte van het
water zien met het eigenaardig blinkende, haast donkere blauw, waar ergens boven nog het
licht zweeft. In U ligt Atlantis, met zijn grote tempels, met zijn wijzen op de bergen en de
geesten, die zich openbaren. In U ligt de ondergang van dit rijk en het herboren worden van
de mens. In U leven de grotten en de holen, waarin de eerste mensen hun beschutting hebben
gezocht. De wereldsteden, die met hun trotse wolkenkrabbers "schijnen de hemel te willen
bestormen. Alles. En dat niet alleen. Want als U nu verder gaat kijken, vindt U daarbinnen vele
vreemde dieren. U vindt er mensen, honderden soms. U vindt Uzelf terug, telkenmale weer in
een ander gewaad, in een andere gestalte. U vindt Uzelf misschien zelfs terug in geheel andere
werelden. En dat alles tezamen vormt Uw wezen. Al Uw weten en al Uw kennen van alle
eeuwen. Alle erfdeel, dat U ergens van een vreemde wereld hebt meegenomen, ergens uit een
sfeer verworpen of voor Uzelf verkregen, het ligt er allemaal met zijn omschrijving opgeslagen.
De kern van de mens is een archief, zo groot, dat wat daarin beschreven staat niet geborgen
kan worden, als U de hele wereld tot 10 meter dik met actekasten zoudt willen bezetten. U
zoudt er geen ruimte voor hebben, zo rijk is dat. Zo groot is het weten, waarover U innerlijk
uiteindelijk moogt beschikken.
Zovele zijn de banden met allerhande andere krachten in de oneindigheid. Wij zijn niet klein en
niet machteloos.
Daarom is het juist zo belangrijk, wanneer het hogere licht in ons een echo vindt. Want van dit
licht hebben we ook al ervaring gehad. Sommigen van ons hebben misschien vroeger in de
tempels gestaan en voor de eerste maal ervaren, hoe achter de goden zich een lichtende
kracht verbergt. Anderen hebben misschien geheerst over rijken of hebben misschien
gezwoegd in de primitieve tijden, niet eens wetend wat een letter is en hun vreugde vindend in
het ruisen van wat graan en in een rivier, die de lucht weerkaatst wanneer het avond wordt.
We weten niet wat we allemaal zijn geweest. En zo we het weten, ach dan houden we het als
een geheim voor ons. Maar dat alles hoort erbij.
Wat in ons leeft, is sterker dan de tijd, is sterker, dan de wereld, alleen al in weten, alleen al in
bewustzijn.
Wij dringen meestal niet in die wereld door. Ach, we vinden het zo lastig, zo vervelend. Want
dan moet je je eigen wereldje heel anders gaan bezien: en dan word je minder belangrijk: en
dan moet je anders gaan handelen: en dan is het leven niet meer zo gemakkelijk en wat er
verder bij komt. Daarom die dikke wal, waar doorheen wij moeten breken. Daarom die
modder, waar wij eerst doorheen moeten ploeteren, voordat wij dat licht in ons beseffen. Maar

HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN 125
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

wat een rijkdom, wanneer je die innerlijke wereld nu eindelijk eens een keertje kunt zien
ontplooien. Wanneer je in die wereld moogt uitgaan en ontdekken, hoe alle geheimen van de
schepping ook in jouw zijn neergegrift. En hoe groots misschien het ogenblik, wanneer je
eindelijk door al die vele herinneringen, die door duizenden banden met al het andere zijn
geschapene heen, voor het eerst de kracht ontdekt, die er was als een licht, toen er nog geen
ster aan de hemel stond. Dan zul je misschien in jezelf willen neerknielen voor de eerste klank,
die eerste kracht. En dan zul je weten,dat je nog verder kunt gaan.
Daarom wil ik weer alles met mijn betoogje proberen bij U de illusie weg te nemen, dat U klein
bent, dat U machteloos bent. Wat dat betreft geldt voor U precies hetzelfde als voor mij . ....
we zijn groot, heel groot. Omdat God ons groet heeft gemaakt - natuurlijk - maar we zijn het
dan toch maar. We zijn machtig en sterk, wanneer wij het licht niet verloochenen, dat in ons
leeft: wanneer wij werkelijk die kern, waaromheen onze hele wereld, het hele heelal in ons is
opgebouwd, willen accepteren.
Wij kunnen werelden veranderen. Dat gelooft U misschien niet, maar het is toch zo. Wanneer
wij binnen in het ik kunnen doordringen, wanneer wij dat weten zouden kunnen gebruiken,
wanneer wij die kracht zouden kunnen gebruiken en zich doen manifesteren, ach ...... we
zouden het Heelal kunnen herscheppen. We zouden het kunnen doen. Want wanneer je je
bewust bent van de banden, die je met allerhande wezens binden, wanneer je ziet hoe jouw
wezen uitreikt in verschillende sferen, hoe daar degenen, die je in jezelf kent, als in een
afzonderlijke wereld voor zich misschien weer bestaan en voortdurend in contact en verbinding
met je zijn, dan vraag ik mij af, of je dat wel zou willen veranderen. En als je ziet, hoe je
gebonden bent met al die mensen op aarde, hoe je je liefde geeft en liefde ontvangt, hoe je
helpt zonder de mensen misschien te kennen en daaruit een vreugde verwerft: wanneer je
ziet, hoe jouw éne ontkennen van haat, van verwerping, als een lont overal nieuwe gevoelens
en mogelijkheden van kosmische liefde, van genegenheid, van naastenliefde doet
openbarsten, ja, ik geloof dan, dat je het misschien toch niet zou veranderen. Omdat die
wereld -wanneer je ze goed kent - zo mooi is, zo wonderbaar is. Een wereld, die wij mogen
herscheppen. Het is aan ons om daar die fakkel te geven, om dat eerste vuur te ontsteken, dat
ook bij anderen de muur, die ze gebouwd hebben om de werkelijkheid, eindelijk doet
wegvallen, wanneer we zelf die muur eerst hebben doorbroken.
Maar nu zal ik U niet langer meer lastig vallen. Ik wil alleen maar dit zeggen: Wat ik U hier
verteld heb,, klinkt in woorden aardig en een beetje fantastisch, maar het is waar! Weet U, het
ligt op U te wachten. Het zit van binnen: al die krachten, al dat vermogen en al die glorie, een
hele wereld. Zou 't niet de moeite waard zijn om door de modder van zelferkenning heen, het
zien van je eigen gebreken en fouten, van je eigen misslagen, door het zien ook van het zelf-
bedrog, dat je zo vaak hebt gepleegd heen te gaan? om in die wereld binnen te treden?
Sommigen zijn misschien al zo ver, sommigen hebben al een poort gevonden waardoor ze
naar die innerlijke wereld kunnen gaan. Anderen zullen die poort moeten zoeken. Maar .... wat
het ons ook kosten moge om die wereld binnen te gaan, het is de moeite waard, dat kan ik je
verzekeren.En dan zul je misschien net als ik en als vele anderen, die ik misschien nog vóór
mezelf had moeten noemen, proberen om te werken voor je medemensen, omdat in jouw
wereld de banden liggen, die je met al die andere mensen, met al die andere werelden
verbindt. Dan zul je je leven zo langzamerhand gaan instellen op dat helpen, opheffen a.h.w.
uit het geestelijk dieptepunt naar dat nieuwe bewustzijn van eigen innerlijk bestaan. Dan zul je
ontdekken hoe mooi dat licht is, dat de kern is van onze wereld. En ja, ... ik weet het, wanneer
we dat licht hebben gezien, dan gaan we natuurlijk weer terug. Want wij hebben een taak.
Onze wereld, waarin we leven, roept om ons. We mogen nog geen vaarwel zeggen, ze is nog
niet volmaakt genoeg om haar a.h.w. aan dat licht op te dragen en te zeggen: "Ziet,hier is
mijn bestaan, mijn leven. "Maar wij weten, dat dat licht er is en wij kunnen terugkeren.
Dan is het een zegen en een vreugde op de werelden te mogen werken, in de sferen te mogen
werken. Een vreugde, omdat je weet, dat jouw leven, jouw zijn,'n bevestiging is van God in de
wereld van al die anderen. Dat jouw helpen,jouw opoffering, jouw lijden misschien voor hen de
eerste poort is,waardoor ze die wereld van werkelijkheid kunnen binnengaan. En ik kan U heel

126 HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

veel goeds toewensen, maar ik geloof niets beters dan dit: Dat ge de vreugde zult mogen
ketenen om door Uw eigen streven en werken een ander binnen te voeren in het heelal, dat in
zijn ziel ligt, waarin God woont en waarin de vreugde en volmaaktheid geopenbaard is.
o-o-o-o-o
Goeden avond vrienden.
Wanneer U mij een onderwerp kunt opgeven, zal ik gaarne daarover met U spraken. Heeft U
een onderwerp? Of wilt U het liever aan mij overlaten? (Men laat het liever aan de spreker
over.)

DE GROTE FILOSOFEN VAN HET OOSTEN

hebben de gedachtegang ontwikkeld van de perfecte verhouding t.o.v. de wereld. Deze wordt
uitgedrukt in verschillende begrippen, n.l. de begrippen van de weg, van het middel en van de
kracht.
De weg is de wijze, waarop men zich stelt t.o.v. de wereld. Hij is in feite, wanneer wij bij de
grote Chinese meesters komen als Con fu tze en verschillende anderen, - ook Lao Tze - de weg
van Tao, dus van de perfecte wereldaanvaarding. Hierbij is de eigen plaats op de wereld zeer
belangrijk, waar zij definieert wat een mens moet doormaken, definieert hoe hij zich t.o.v. zijn
omgeving moet dragen en verder definieert langs welke weg hij verder zal gaan.
Het middel is echter in vele gevallen bij de z.g. geheimfilosofen, de geheimfilosofie,
belangrijker. Het middel kan vervlochten worden in de weg. Men behoeft niet van zijn eigen
wegen en gedachten af te wijken om te komen tot een gebruik van alle krachten en middelen,
die noodzakelijk zijn om het eigen ik te verheffen tot boven het wereldse en deelachtig te
worden aan de grote verlichting. Deze middelen worden als volgt gedefinieerd.
In de eerste plaats: het bewegen. Het lichaam heeft zijn eigen ritmes. Door de bewegingen en
de functies van dit lichaam volgens dit eigen ritme, voortdurend te volvoeren, krijgt het
lichaam een zo perfect mogelijke harmonie. En met deze grote harmonie zal het in staat zijn
de geest grote kracht te geven. Het is bovendien mogelijk om de weg van Tao juister te
volgen, wanneer men lichamelijk is afgesteld op elke taak, die binnen de weg voor U kan zijn
weggelegd. Heeft men dit eerste middel gebruikt, dan volgt het tweede middel.
Het tweede middel is kennis. Dit betekende in de oude tijd veelal kennis van de oude filosofen,
daarnaast kennis van schrijven en rekenen of mathematica en muziek. En wel omdat het lezen
van gedachten van anderen de eigen gedachten kan ontwikkelen en kan doen opbloeien.
Omdat het neerschrijven van eigen gedachten dwingt deze gedachten duidelijk en kort te
formuleren, zodat een overzicht over eigen denken verworven kan worden. Rekenen en vooral
rekenkundige structuren zijn een grote hulp, omdat met betrekkelijk weinig symbolen grote
reeksen van gedachten kunnen worden aangegeven en uitgedrukt. Dit aangeven en uitdrukken
maakt het mogelijk om in filosofische structuur haar waarschijnlijkheid te bezien en te
berekenen en behoedt de mens voor zeer veel fouten. Wanneer hij daarnaast ook kennis heeft
van de muziek, zal hij door het gebruik van de juiste tonen en trillingen leren harmonieën te
scheppen. Deze harmonieën die hij schept, zullen in overeenstemming zijn met zijn eigen
wezen. Hierdoor is hij in staat voor zichzelf in klank en voor anderen waarneembaar weer te
geven, wat in hem berust.
Ik mag hier misschien bij opmerken, dat zeer veel van de grote filosofen te enigerlei tijd
openbare vertellers of andere sprekers zijn geweest of althans tijdelijk een dergelijke functie
hebben willen bekleden. Hierbij treedt op de voorgrond het ritmisch spieken op toon. Een vorm
van muziek, die het Westen betrekkelijk vreemd lijkt, maar die toch zijn eigen zin heeft. De
HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN 127
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

woorden worden heel vaak begeleid door het slaan op een houten vat, vaak in de vorm van
een z.g. eend. Men noemt dan ook deze grote klankbekkens heel vaak eenden. De wijze,
waarop men deze slaat en dus met het ritme: de woorden scandeert, maakt hieruit een zekere
melodie. De melodie heeft een grote invloed op allen, die luisteren en bindt zo de begrippen
van het verhaal samen. De structuur van het denken wordt door de melodie en het ritme-
ondersteund, gedragen en verbonden, zodat een eenheid ontstaat, die voor een ieder
waarneembaar en kenbaar is.
Nu dachten de geheimfilosofen over het algemeen als volgt: Daar, waar men zichzelve kan
brengen tot een perfecte en harmonische uitdrukking van al hetgeen binnen het ik schuilt,
verder daarbij rekening houdende met de klassieke, dus gebruikelijke wijze van uitdrukking,
zal men ook in staat zijn voor zichzelf binnen de weg, die het leven getekend heeft, een
uitdrukking te geven aan eigen bestaan. Het kennen van eigen bestaan is zelfkennis
verwerven. Zelfkennis is een van de grootste middelen tot verdere bewustwording.
Nog één middel werd heel vaak gebruikt en men noemt dit het middel der bezwering. Alle
werelden zijn bevolkt met schimmen en demonen, met lichtende krachten en goden. Deze
stelling - voor een Westerling vreemd - is te rechtvaardigen, wanneer ik U er op wijs, hoe
astrale werelden en mentale gebieden U omringen en hoe daarin vele verschijningen
voorkomen, die zowel goed als kwaad gezind kunnen zijn t.o.v. Uw eigen streven. Hieruit
vloeit voort, dat een kennen van deze verschijnselen en het bezweren daarvan - dus het voor
zichzelf zichtbaar maken, danwel zichzelf vrijwillig temidden van deze krachten begeven - een
overwinning betekent voor het ik. Een overwinning op gebieden, die de normale mens niet
benadert. Wanneer echter de mens deze gebieden wel benadert en overwint, wordt hij
daarmede tevens meester van hun wereld. Hierdoor dringt men dus in andere werelden door.
Heeft men deze middelen gebruikt, dan heeft men ook nog een kracht nodig om zijn eigen
doel te kunnen verwerkelijken. De kracht wordt wederom in 3 delen onderverdeeld.
De 1e kracht is levensadem. Levensadem wordt verworven door harmonisch stoffelijk leven,
waarbij een juiste verdeling van rust en vermoeienis moet worden aangebracht. In sommige
gevallen vinden wij hier aanvullingen als ademhalingsleer, bepaalde bewegingsleren en vinden
we zelfs de ritmische dans of de uitbeelding van gestalten als deel van het verwerven van de
levensadem. De magische praktijken brengen verder mee, dat men leert levensadem te
vergaren ook uit andere gebieden» Dit zijn dus oefeningen van de geest, waarbij de geest voor
zichzelf kracht verwerft in de omliggende wereld. Heeft men de levensadem verworven, dan
zal men altijd zich bewust moeten blijven, dat de levensadem niet voor het ik alleen gebruikt
kan worden. Hij is slechts bestemd voor de uiting van het ik, niet ter verrijking van het ik.
De 2e kracht is de z.g. drakenadem. of ook wel genoemd geestelijke adem. De geest heeft
haar eigen krachten en bewustzijn. Deze kunnen het best worden gezien in meer technische
termen als een soort elektrisch vermogen en een magnetische kracht: als iets dus, dat
stoffelijk uitbaar is, maar niet meer tot het materiële gebied behoeft te behoren. Deze kracht is
tevens voor de geest volledig hanteerbaar. De geest in meditatie te verdiepen, in overpeinzing,
de geest vooral te bewegen tot eenheid met de omliggende werelden, tot beschouwing van
landschappen, van bloemen, tot beschouwing soms van de luchten, betekent, dat de geest
deze kracht voor zichzelf kan opnemen. Zij staalt de wil en zij vergroot het geestelijk
begripsvermogen, wat in de stoffelijke vorm dus een vergroting van aanvoelen betekent.
De 3e kracht wordt wel de zonnekracht genoemd ook wel het vuur van de he-melsche keizer.
Deze kracht heeft als bijzondere eigenaardigheid de volgende kwaliteiten: zij verlengt het
leven door middel van de wil. Zij beheerst de stof, indien het bewustzijn en de wil voldoende
zijn. Zij is in staat om het ik te verheffen tot de hoogste werelden en te doen ingaan in de
geestelijke rijken. De kracht wordt verworven door wat U ongetwijfeld zult noemen een gebed,
waarbij men wacht op het antwoord van de Schepper. In onze termen betekent dit de be-
schouwing, contemplatie van het zijnde en de kracht in het zijnde, waarbij men zichzelve in
het zijnde verliest. Dit "zichzelf verliezen"bete cent harmonie en eenheid met de grote wereld

128 HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

en het onttrekken daaraan van alle krachten, die noodzakelijk zijn om eigen leven te maken
tot een perfect deel daarvan.
Onze filosofen gaan verder uit van de stelling, dat het noodzakelijk is om dwaas te zijn. Een
stelling, voor een Westerling ongetwijfeld enigszins onrustbarend. Zij rechtvaardigen deze
stelling door als volgt te redeneren: Wanneer wij het gedrag van de gewone mensen zien en
de normen, langs welke zij hun gedrag bepalen, dan zijn wij ervan overtuigd, dat deze geen
uiting zijn van een waar bewustzijn, maar slechts een uiting van een levensaanvaarding met
zeer veel beperkingen, Om bewust te worden van hogere gebieden en krachten zullen wij
echter meer moeten zijn dan mensen. Daardoor zullen wij moeten handelen op een wijze, die
de mensen dwaas noemen. Het uiting geven aan onze gedachten, het verwerkelijken van de in
ons levende kracht en van het in ons levend bewustzijn, zijn een noodzaak. Laat ons dan
rustig dwazen zijn in de ogen der mensen, want eerst door deze dwaasheid kunnen wij de
ware wijsheid deelachtig worden.
Ik ben er mij van bewust, dat al deze verhalen, deze betogen voor U wat irreëel blijven. Het
klinkt alles zeer schoon in Uw oren, maar Uw ongetwijfeld grote wijsheid besluit onmiddellijk,
dat deze dingen een theorie zijn, die in het eigen leven niet of slechts zeer moeilijk, te
verwerkelijken is.

Sta mij daarom toe enkele voorbeelden te geven, waarbij blijkt hoe deze krachten
kunnen werken in een mensenleven.
Wanneer armoede groter is, worden de roversbenden sterker, tot de rovers de rijkdom van het
land bezitten en zij, die rijk waren, verarmen.
In een dergelijke periode leefde een mens, die besloten had de weg der grote meesters te
volgen. Daartoe volgde hij zeer nauwgezet alle taken en plichten van zijn bestaan, zijnde het
maken van en verhandelen van godsbeeldjes, zoals die door de omgeving ijverig werden
begeerd. Toen nu de rovers kwamen, lachten zij om de vroomheid van zijn bezigheden,
ontnamen hem zijn geld en verbrijzelden zijn voorraad. Hij wist echter, dat nu voor het eerst
de gang van Tao onderbroken was. Want nu bestond er geen regel en geen verplichting meer,
waardoor hij een vastgestelde taak moest vervullen. Zo juichte en jubelde hij over al, wat men
hem ontnomen had. En de rovers werden zozeer beroerd door zijn vreemde vrolijkheid, dat zij
hun eerbiedwaardige ernst verloren en in schaterend gelach uitbarstten. Uit vreugde over deze
hen geschonken lach lieten ze hem gaan zonder hem te beroeren, zodat hij de stadspoorten
mocht uitlopen en in het vrije veld kwam„ Hij besloot nu - waar hij bevrijd was van alle dingen
- na te zoeken naar de oplossing van het levensraadsel. Daartoe beschouwde hij de luchten en
verzonk in zichzelf, tot zijn lichaam als ontzield ter aarde lag. Juist toen zijn lichaam neerlag in
zijn ontzielde toestand, waren regeringsgetrouwe troepen onder aanvoering van enkele
mandarijnen gekomen en bestormden de stad om de rovers uit te drijven. En een ieder die op
hun pad kwam, verschrikten zij door hun ontstellende kreten en hen, die zij konden vatten,
doodden zij. Toe zij nu deze man zagen liggen, zeiden zij: "Ziet, een slachtoffer van de
rovers." Zij legden hem terzijde, opdat zijn familie hem zo dadelijk een waardige rustplaats
zou kunnen bezorgen en hem inschrijven op de tafelen der voorouders.
Ontwakende uit zijn droom, waarin hij het beeld van het Al had gezien, keerde hij terug naar
de stad. En degenen, die hem herkenden, zeiden: "Hier is een wonder geschied. Want wij
hebben zelf gezien hoe deze dood en ontzield, was. De goden hebben hem verheven." Zo gaf
men hem een plaats van belang in de yamen (?) van de gouverneur. Hier kon hij velen
behoeden voor een hard of onrechtvaardig oordeel en menigeen zegende zijn aandenken om al
wat hij had betekend in rechtvaardigheid en welwillendheid. Zijn bewustzijn groeide en velen
zijner medemensen hadden hem lief. En door deze liefde kon hij zich bevrijden van stoffelijke
banden en ingaan tot het rijk, waar de hemelse keizer aan allen licht en vreugde schenkt. In
dit verhaal zijn verschillende zeer toevallige samenlopen van omstandigheden. Maar deze
toevallige samenlopen zijn in volledige overeenstemming met wat de filosoof leert over de
weg. Want staat er niet geschreven, dat de weg bepaald is en zo wijzelven hem kiezen, hij ons

HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN 129
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

geleidt en beschermt op de wijze, die in overeenstemming is met zijn inhoud. Door deze weg
te kiezen had deze mens zich niet slechts bevrijd van de ellende van in een verarmde, bele-
gerde stad te vertoeven, had hij niet slechts een nieuw bewustzijn gewonnen, maar hij kwam
tot eer en aanzien. En door ook dit goed te gebruiken bereikte hij - wat we noemen - de grote
verlichting. Het resultaat is duidelijk. Dit al was voorbestemd voor hem, omdat hij deze weg
had gekozen, omdat hij zijn wil had gericht op het hogere. En de krachten, die hem gegeven
waren - evenals het aards gezag dat hem daardoor gewerd - heeft hij steeds gebruikt in
overeenstemming met de wil van de hoogste Kracht. Het gevolg was zijn bevrijding en,
verlossing in één leven, waar velen duizendmalen de cyclus van leven en dood moeten
passeren, voor zij een dergelijk bewustzijn kunnen verwerven.
In dit voorbeeld zal U dus reeds het een en ander duidelijk zijn geworden. Geen enkel
voorbeeld is echter volledig, wanneer het niet twee kanten laat zien van mogelijkheden.

En daarom vraag ik nederig Uw aandacht voor nog een klein verhaal.
Er was eens een jonge maagd, die schoon was. Zelf zijnde van de familie Woe werd zij al snel
uitgehuwd aan de jongste zoon van een zeer rijke en machtige familie Shiu. Zij echter
begeerde niet dit pad te gaan. Ofschoon zij geboren was in een tijd, waar het gehoorzamen
aan de ouders de hoogste plicht was, verder geboren was in een situatie, waarin elke schrede
op het maatschappelijk pad voorwaarts voor haar én haar ouders van het grootste belang was,
besloot zij haar eigen weg te gaan. Toen zij nu niet in staat was haar ouders te overtuigen, dat
dit huwelijk tegen haar wil was, vluchtte zij kort voordat de rode baldakijn voor haar deur
stilhield en zocht zich een schuilplaats bij boerenmensen op het land. Hier diende zij en haar
schoonheid verdween in voortdurende arbeid op de velden. Toch was zij niet gelukkig, want zij
droomde van rijkdom, die zij had kunnen bezitten.
Zo ging zij verder en probeerde eisen te stellen aan het volk. Dit gelukte haar enkele malen,
waar zij zich voordeed als een zeer vrome non en met haar geschoren hoofd en haar zoete taal
ongetwijfeld vele onzen zilver wist te krijgen. Tot men haar ontmaskerde. Toen werd zij
veroordeeld en te schande gesteld midden in de stad. En een ieder beledigde haar en men
jubelde om haar lijden.
Zij werd bitter en besloot zich op de wereld te wreken. Daarom kleedde zij zich als man, trok
de bergen in, vormde een bende en trachtte alle voorname reizigers in de omgeving te
beroven. Zo werd zij gevangen en daar zij niet wilde bekennen wie zij was, werd zij vele malen
gemarteld, tot zij uiteindelijk in pijnen stierf. En stervende verwenste zij hen, die haar
gemarteld hadden.
Ontwakende uit de dood bevond zij zich in een donkere grot en de marteling ging verder,
zonder verpozen. Zij vervloekte met al haar wil en kracht degenen, die haar martelden. Zo
werd het duister en haar nieuwe cel was somberder en de pijnen waren feilen. Zo leed zij
langen tijd. En eindelijk, toen zij wederom bevrijd werd uit de poorten der duisternis, keerde
zij terug op aarde als een misvormd wezen, onbewust en onwetend, omdat zij eens verworpen
had wat voor haar de weg was, had geweigerd te aanvaarden, wat de weg des levens haar
bood.
In dit zeer korte verhaal, dat indien ten volle verteld, ongeveer acht boeken beslaat, die allen
het wedervaren van de familie Woe beschrijven, heb ik misschien duidelijk kunnen maken, dat
een verzet tegen datgene, wat juist is in het leven, even fataal kan zijn, als het aanvaarden
daarvan op de juiste wij ze de mens kan helpen. Ik heb U ongetwijfeld er verder op gewezen,
dat dit meisje door de hogere krachten te verwerpen, niet slechts haar eigen gelijk verloor,
maar ongeluk betekende voor anderen en zichzelf overleverde aan grote kwellingen. Ten
laatste heb ik hopelijk hierin blijk gegeven van het feit, dat wie op deze wijze in haat tot het
duister komt, terugkeert op de wereld: niet als datgene wat hij was, maar als datgene, wat hij
wenste dat anderen zouden zijn.
Zo weerspiegelt zich in het heelal al het leven van een ieder. En een ieder, die leeft en de
juiste weg volgt, wordt door de weg geleid tot een voleinding en een verlichting van

130 HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

buitengewone schoonheid. Maar wie weigert zijn weg te gaan, is vrij te kiezen. Toch zal hij
moeten keren tot de wereld, telkenmale weer, tot hij de weg der bevrijding vindt, die het hem
mogelijk maakt in te gaan op de juiste wijze, met de juiste wil en gebruikende de juiste kracht
tot de hoogste werelden.
Deze denkwijze kan voor het Westen ongetwijfeld aanvaardbaar worden gemaakt. Want ook in
het Westen heeft men vele malen de keuze omtrent het pad, dat men zal volgen. In het
Westen vindt men evenzeer de middelen bereid en heeft de wereld de weg beschreven.
Wanneer gij gebonden zijt door verplichtingen aan Uw omgeving, is het Uw taak deze te
volbrengen, tenzij de banden, die geknoopt zijn, buiten Uw wil en niet door Uw eigen toedoen
worden verbroken. Wanneer gij echter de geestelijke vrijheid hebt bereikt, dan is het niet Uw
taak om terug te keren tot de vroegere banden. Integendeel, gij zijt vrij om te gaan als een
dwaas en te zoeken naar nieuwe waarheid. Wie telkenmale weer kiezend datgene zoekt, wat
voor hem schijnt te zijn de bereiking en de voleinding, vindt daarin algehele bewustwording.
De algehele bewustwording, die de bevrijding is van de ziel, de vreugde van de geest en het
licht van alle wereld.
Met deze korte bijdrage wil ik dan gaarne afscheid van U nemen, vrienden. Ik dank U voor Uw
zeer welwillend gehoor en hoop dat mijn woorden - ondanks hun onvermogen - iets van hun
taak hebben kunnen vervullen. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Bij alle esoterie wordt het ons soms wel wat moeilijk om nog steeds weer te denken aan:

De Krachten als aan de God van onze kinderjaren.
Wanneer je kind bent, kun je met grote innigheid bidden tot een God, Die vlak bij je is. Een
God, Die een persoonlijkheid is en Die niet verward wordt met vele problemen omtrent het
bestaan. Toch is het voor ons - ook wanneer wij esoterisch streven - van groot belang, dat wij
deze God uit onze kinderjaren voor onszelf steeds weer zien herleven. Wat maken uiteindelijk
de bepalingen en definities uit in ons bestaan? Wij leven als deel van een eeuwigheid en in
deze eeuwigheid zoeken wij naar ons eigen wezen.
Wanneer wij als kind bidden tot God, dan is het beeld van God datgene, wat wij hopen te
worden. Wij zijn misschien innerlijk die God. Wie zal het zeggen? Zeker is het, dat ons
kinderlijk Godsbeeld de juiste onthulling is van ons eigen wezen. En daarom is het goed -
ondanks alle zoeken haar innerlijke waarheid of misschien zelfs dank zij ons zoeken naar
innerlijke waarheid - die God te erkennen en steeds weer te ontmoeten. Wij moeten geloven in
een hogere Kracht, wij moeten een hogere Kracht kunnen aanvaarden, die naast ons en boven
ons staat. Zelfs indien dit in feite niet zo ware, dan nog is ons wezen voortdurend genoopt zich
te beroepen op krachten, die buiten het ik zijn of schijnen te zijn. Wat kunnen wij daarvoor
beter bezitten dan een beeld van God? En of die God nu zo bestaat als wij Hem zien of niet,
wérkelijk is Hij in ieder geval en te allen tijde. Er is geen reden om te zeggen, dat God: niet
zou bestaan. Er is ook geen reden om te zeggen, dat een God het ons kwalijk zou nemen,
wanneer wij Hem steeds weer benaderen via het geloof, wanneer andere wegen voor ons
falen.Daarom lijkt het mij dan ook wel goed om juist deze God ons steeds voor ogen te stellen.
In de eerste plaats geeft Hij ons een zekerheid van denken en van doen, die wij anders niet
bezitten. Wij voelen ons sterk in de nabijheid van die God, Wij hebben onze krachten zozeer
nodig, dat - zelfs indien dit een gedachte is en meer niet - van ons toch kan worden gezegd,
dat deze God veel, zeer veel voor ons betekenen kan.
In de tweede plaats: Doordat wij onbewust zijn van onze eigen innerlijke wereld en dus ook
niet in staat zijn een juist oordeel te vellen over onze wereld, voor zover wij die kennen,
moeten wij ons kunnen begrepen op een andere kracht: een kracht, die dat oordeelsvermogen
reeds nu bezit. Wij kunnen als mens en als lagere geest niet zonder dat oordeel. Wij voelen
ons steeds weer -genoopt om te zeggen: "Zo moet het zijn. Zo is het." Wanneer wij dit nu

HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN 131
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

vanuit onszelven doen, dan verheffen wij soms onszelf tot boven anderen, wat altijd uit den
boze is, óf - wat haast nog gevaarlijker is - we spreken een oordeel, zonder onszelven t.o.
daarvan te kunnen rechtvaardigen. Wanneer wij een God hebben of geloven in een God, een
God kennen, Die alles weet en Die oordelen kan, is het eenvoudiger ons van oordelen te
onthouden.
Wanneer ons onrecht geschiedt, zullen wij veelal de ware betekenis daarvan in ons leven niet
kunnen overzien, wij zijn daarom vaak genoopt ons te wreken, iets terug te doen en we
brengen daarmee in onszelf een zekere disharmonie tot stand. Ja, we maken het ons heel vaak
zelfs onmogelijk uit het ondergane leed de juiste waarde te putten. Maar als er nu een God is,
Die ons wreken zal, dan is 't voor ons gemakkelijker de wraak prijs te geven. Die gedachte
kunnen wij n.l. zonder meer niet kwijt. Maar indien wij het nu aan die God: kunnen overlaten,
dan wordt het uitgesteld, totdat wijzelven een beter inzicht hebben. En zo wordt ons leven
wederom juister, eenvoudiger en beter.
U zult zich afvragen waarom ik wijs op de God van onze kinderjaren, want dat is dan meestal
wel een zeer plastische God. Je zou Hem vaak zo kunnen uittekenen. Ik doe dit opzettelijk,
omdat alleen zij, die in bewustzijn ver zijn gevorderd, leren de abstractie van het licht te
aanvaarden, als ware dit een dergelijk beeld: het te ondergaan als nog belangrijker en intenser
dan deze persoonlijkheidhebbende God.
We weten van onszelf lang niet altijd, of we nu werkelijk in staat zijn aan dat licht zoveel over
te laten en voor dit licht zoveel te doen als voor de eenvoudige Godsbeelden, die wij in de
kinderjaren voor onszelf scheppen. Daarom zeg ik: "Laten wij niet vrezen een gevormde God
naast onszelf te stellen."
Ik geef gaarne toe dat het grootste gedeelte van dergelijke Godsvoorstellingen uit het ik zijn
gebouwd. Dat zij een weerspiegeling zijn van het ik in geïdealiseerde vorm. Maar wat hindert
ons dat tenslotte, wanneer die voorstellingen bestaan en ons helpen om ons in ons dagelijks
leven, in ons eenvoudig bestaan in wereld of sfeer, steeds verder te komen in bewustzijn,
steeds meer in overeenstemming te handelen met wat wij erkennen als kosmische kracht in
ons of -zo ge wilt - de wil Gods, dan is het toch niet nodig erover te vechten, of dit middel nu
wel de kwaliteit heeft, die we er werkelijk aan toeschrijven.
Wanneer je niet reizen kunt en je houdt toch van de wereld met al zijn vreemde vergezichten,
dan neem je een plaat en je laat je gedachten erover gaan. Je droomt, dat je rondwandelt bij
het Lago Magiore of je staat voor de ontstellende majesteit van een Tai Mahal. De beelden
zullen wel niet juist zijn, maar hoezeer kunnen ze soms de ziel verfrissen, Hoe vaak kunnen
juist dergelijke dromen U meer geven, dan een werkelijkheid ooit kan? Er is geen reden voor,
meen ik, om deze dromen te verwerpen, zolang zij ons niet belemmeren in de werkelijkheid te
leven. Want leven moeten wij. En waar wij ook zoeken naar een God en naar een
werkelijkheid. één ding staat wel vast: wij moeten te allen tijde volbrengen, wat het leven van
ons vraagt. En elk hulpmiddel, dat ons daarvoor geboden wordt, door voorstellingsvermogen,
door eigen geest, door geloof, door de wereld rond ons, dat moeten wij aanvaarden,
Wij staan niet boven hulp. Wanneer dat zo ware, dan hadden wij geen behoefte meer aan
leven en aan bestaan, zoals dat nu gebeurt. Wij hebben hulp nodig. Wij moeten die hulp zelfs
accepteren. En wanneer het niet anders gaat, laat ons dan liever een klein beetje onszelf
bedriegen en dan toch die hulp accepteren i.p.v. ze te verwerpen.
Ik denk, dat de doorsnee-esotericus wel eens geneigd is om juist deze simpele waarheid te
verwerpen, Hij meent, dat hij eerst moet weten en moet begrijpen. Hij is daardoor geneigd te
weinig te geloven. Maar hoe wil je God in jezelf ontdekken, wanneer je geen geloof hebt? Hoe
wil je de waarheid omtrent jezelf ontdekken, wanneer je je vastklampt aan de normale
gedachteprocessen? Er komt altijd een ogenblik, dat je het stoffelijk denken moet prijsgeven
óf stil blijven staan. Juist daarom lijkt het mij voor de esotericus een goede raad te zijn een
ogenblik werkelijk zo’n God te aanvaarden. Ja, wanneer ik verder zou mogen gaan dan dit, dan
zou ik U willen raden: Creëer Uzelf een God. BOUW U een beeld op van een God, Die Uw wezen
aanvult. Schep U een beeld van een wezen, dat al Uw tekorten, al Uw tekortkomingen en
132 HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

fouten kan verbeteren, kan aanvullen, daar, waar het nodig is. Ook al weet ge het duizend
keer, dat ge dat wezen zelf geschapen hebt, wanneer het U in staat stelt om volkomen te zijn,
waar ge zonder dit niet volkomen zou zijn, dan is het toch dunkt mij meer dan de moeite
waard. Dan is het kostbaar en waardevol.
Men mag niet vergeten, dat het voorstellingsvermogen ons gegeven is, mens en geest
gelijkelijk, om daardoor verder te komen. Wanneer je het goed bekijkt, ben je het grootste
gedeelte van je bestaan eigenlijk blind, soms ten dele, soms helemaal. Dan zie je niet. Maar
als je niet ziet en je kunt 't je voorstellen, dan kunnen alle dingen, die je beroeren van buiten
af, je een steeds sterker beeld geven. Dan leef je in een wereld, vaak mooier en veel juister
dan degenen, die wel kunnen zien.
De uiteindelijke waarheid is onovertroffen in haar schoonheid en glorie. Maar al hetgeen, dat
wij - mens en geest - daarvan maken voor onszelf, ziet er vaak miserabel uit. En dan zeg ik:
"Het is beter je voor te stellen, dat een bloesemende boom leeft en naar de hemel wuift met
zijn nieuwe glorie van uitgekomen bloemen, dan te kijken en vast te stellen hoeveel
bloemetjes er nu wel zitten op een tak. Dan lijkt het mij beter te dromen van een God in een
hemels rijk en van een hiernamaals, dan in kille bitterheid je onvermogen te erkennen een
werkelijke eeuwigheidsgedachte voor jezelf te realiseren.
Er zijn zoveel dingen, die ons beroeren uit de eeuwigheid, uit dat ongekende gebied, die wij
alleen maar door het voorstellingsvermogen kunnen vertalen die wij alleen maar kunnen
omzetten in droombeelden, omdat de werkelijkheid te ver van ons bewustzijn afligt. Moeten
wij dan zeggen, dat wij dat alles moeten verwerpen, omdat het niet de werkelijkheid is? Ik
geloof het niet. Ik meen, dat wij mogen zeggen, dat wij die droom kunnen accepteren als een
hulpmiddel om de werkelijkheid te leren kennen. Niet zeggende: "Ziet, dit alleen is waar,"
maar zeggende: "Ziet, dit is mij geopenbaard op mijn weg naar de waarheid toe."
Dan krijgt die God uit onze kinderjaren zin. Dan is Hij onze leidsman. Dan is Hij onze Helper.
Dan is Hij in feite waarschijnlijk voor de mens datgene, wat de geest weet maar niet in de stof
kan openbaren. Dan is de Kracht, die schuilt in het wezen, dat door duizenden jaren heen zijn
ervaringen, bewustzijn en kracht heeft opgedaan, geopenbaard als een weldoend God en zo
het wezen brengend tot groter eenheid.
Ik wil U zeker niet raden nu alleen maar te denken aan Goden, nu alleen maar Uzelf
beschermers, te scheppen. Het zou U misschien soms verblinden voor de ware helpers, die U
terzijde staan. Maar ik wil U toch wel een raad geven om de droom, om dit beleven, om dit
geloof, niet zonder meer weg te leggen. Niet zonder meer te zeggen: "Neen, daarvoor ben ik
te ver." Gij zijt .daarvoor nog niet te ver. Zoudt ge dat zijn, dan zoudt ge volmaakt kunnen
zijn, dan zoudt ge het licht kennen, zoals het werkelijk is. Aanvaard deze simpele middelen,
die U mede zijn gegeven als deel van Uw bewustwording, van Uw levenstaak. Aanvaard ze,
werk ermee, verrijk Uzelve ermee en kom ze tot een grotere volmaaktheid.
Dan zult ge Uw innerlijke wereld ook beter leren kennen. Dan zult ge zien, wat waar is, waar,
zonder enige leugen en zonder enige weglating. De God van onze kinderjaren is vaak de
openbaring van de banden, die ons leven binden met wereld en sfeer. De bewustwording, die
wij in beiden vinden, is het voorteken vaak van een nieuwe ontwikkeling, van een nieuwe stap,
die wij nemen naar het einddoel. Een nieuwe mogelijkheid, die ons gegeven wordt om
intensere deel uit te maken van dit geheel, waarbinnen wij zijn geschapen door onze
Schepper.:
En daarmede heb ik mijn bijdrage beëindigd en geef het woord over aan de laatste spreker,
die voor U zal sluiten met het Schone Woord. Ik dank U voor Uw aandacht en wens U nog een
recht, genoeglijke en prettige avond tezamen.

Het Schone Woord: Het Aangezicht Gods
Het aangezicht Gods. Wanneer wij opzien naar de hemel, dan vragen wij ons heel vaak af:
Woont daar ergens achter die blauwe koepel, ergens achter die flonkerende sterren, een God?

HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN 133
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

En we weten het niet. Want het blijft ons altijd weer een raadsel, waar God eigenlijk is, wat
God in feite is. En hoe wij ook zoeken in geheel de wereld, in alle sferen, het aangezicht Gods
blijft ons verhuld. Wij zijn niet in staat die God ook maar te accepteren, wanneer Hij zich ons
toont. Het is niet God, Die Zich Voor ons verhult, het zijn onze blikken, die God niet
accepteren, die God voorbijzien.
Het is natuurlijk moeilijk om dit zo voor een kort ogenblik even vast te stellen. Maar wanneer
wij alles tezamen vatten, dan kunnen we misschien een ogenblik dromen over het aangezicht
Gods. En als laatste woord zou ik gaarne een droombeeld a.h.w. onder woorden brengen, een
droombeeld, waarin het aangezicht Gods zich toont aan mens en geest.
De wereld sluimert en ze glimlacht als een kind, dat slaapt. In de verte, in de luchten, tekent
zich een loden glans, als stijgen voor een korte wijl nu morgenstond en nacht ten dans .....
Ik aanschouw het en voel mij zelve vrij. Want dit aangezicht der aarde, toont met aangezicht
van God. Op die aarde staat geschreven 't begin en 't eind, het hele lot, dat alle wezens is
gegeven, 'k Zie God in het woelig water der zee. Ik zie Hem trekken in de wolken: en zie hoe
Hij de zonnestralen als vergulde dolken werpt in 't duister, dat nog wacht.
God is voor mij de troon der wereld, het aangezicht van dag en nacht, die voor een wijle
elkaar ontmoeten en in hun kleurenpracht zich groeten, sprekend niet "vaarwel", doch slechts
"tot ziens"in korte tijd".
In het spel van licht en duister, van dag en nacht, onthult zich mij de luister van alle
eeuwigheid. En zie ik zo in 't stoffelijk gebeuren dat al, wat leeft aan wondere pracht mijn
geest wordt aan mijn wezen haast ontdreven en stamelend nog in bittere klacht over
schoonheid - nu verlaten - ziet zij vóór zich ander zijn. Een licht eerst fel, zodat het pijn is en
kramp in 't eigen wezen en vrees: en dan een zacht omhullend licht, dat schijnt te vatten alle
kleuren: dat schijnt te vatten dag en nacht en saam te reien al 't gebeuren tot een eenheid
van onvoorstelbare kracht.
Dan vraag ik mij: Is dit mijn Schepper? Is dit het Wezen, dat heel het zijn, het leven maakt?
Heeft een wondere Kracht voor korte wijl mij de boeien van 't stofbestaan geslaakt?
Maar neen. Ik ga verder en mijn hart bonst wat in vreemde vrees. Dan valt de sluier voor het
licht. Dan komt de eenzaamheid en verdergaan kost mij weer pijn en wordt mij tot een strijd,
waarin 'k mijzelve overwin.
En dan? Wanneer het Al verbleekt en in de stilte van dit duister geen stam of klank meer tot
mij spreekt, zie 'k plots mijn God in al Zijn luister: een Schepping, die zichzelf regeert, door
vele scheppingen omgeven: een Wezen, dat er in berust, dat leeft in alle leven en steeds
beroert - zoals de zee de kust - de einder van het eigen zijn.
Verbleekt is angst, vergaan is pijn en vóór mij ligt de werkelijkheid: Dit is het aangezicht van
God» Al wat in tijd eens was geschreven, al wat aan leven ooit bestaat, al wat er ooit genomen
werd of ooit er werd gegeven tezaam en meer. In licht, dat duisternis verslindt, waarin de
duisternis zichzelf als licht toch wedervaart is God.
Dan keer je tot de aarde weer. Je hoort de vogels zingen en vraagt je af: Aanschouwde ik kort
het eind der dingen? Is het 's werelds eind, het blussen van de zon, de eeuwige nacht, waarin
geen ster meer gloeit? Dan voel ik, hoe het beeld, zo-even nog beleefd, weer in mijn wezen
gloeit. Het groeit en groeit en toont mij nu ditzelfde weer behouden. Daar in een bloem, die
schittert met de paarlen van dauw. En in een zwarte vlerk, die jubelend stijgt naar zon in 't
felle blauw der hemelen. Ik zie mijzelve aan, een beeld in 't watervlak gespiegeld. Ik zie de
lelie, die daar door de vloed gedragen wiegelt in een gestadig zijn. En 'k weet: Zij dit alles in
het Al, onmetelijk klein, 't behoudt toch het beeld van God. Ik heb Zijn aangezicht gezien en
zie Hem telkens weer in al wat leeft. Ik weet nu Wie ik dien, waarom het leven waarde heeft.
Zo vrienden, kan het zijn. Zo kan het leven voor ons soms God openbaren. En hebben wij Hem
eenmaal gevonden, dan zien wij Gods aangezicht weerkaatst tot in het kleinst van wat Hij

134 HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 april 1958
Les 8 – Het lichtbrengende werk van de hemelingen

heeft geschapen, daar Zijn Kracht in alle dingen is, en Zijn aangezicht voor ons is geworden:
het leven.

HET LICHTBRENGENDE WERK VAN DE HEMELINGEN 135
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

Goeden, avond, Vrienden.
De vorige maal zijn wij iets afgeweken van het normale programma door U te spreken over de
hemelingen. En onwillekeurig gaan wij dan na, in hoeverre zo’n onderwerp U kan boeien en
pakken. Ik geloof wel, dat deze wijze van bespreken voor U aanvaardbaar was. Maar buiten de
hemelingen zijn er nog zoveel andere dingen, die ook eigenlijk wel besproken moeten worden,
hoewel zij ook op hun beurt weer liggen boven dat niveau van nuchter verstand, dat je op de
wereld aanlegt. Daarom wil ik dan proberen U vandaag een klein beeld te geven van enkele
mogelijkheden, die voor ons bestaan, wanneer wij aan onszelf ontrukt een ogenblik - ik wil
niet zeggen een sfeer van hemelingen beleven, want dat is misschien te veel gezegd - maar
een ogenblik toch buiten onszelven staan en de wereld kunnen zien.

EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT

Dit proces bestaat eigenlijk overal, U moet dus niet denken, dat het aan zichzelf ontrukt zijn
alleen maar voorkomt op aarde. Het komt in de sferen net zo goed voor. Het is een proces van
jezelf een beetje verliezen, Hoe? Ja, voor iedereen is dat iets anders en het is wel heel erg
moeilijk daar een vaste lijn voor te trekken. Wanneer ik dan ook hier een paar mogelijkheden
aanstip, moet U vooral niet denken, dat dat volledig is. Het is alleen maar een proberen U
duidelijk te maken "hoe".
Het kan zijn, dat je zo bang bent voor de wereld - om een eerste voorbeeld te nemen - dat je
die hele wereld de rug wilt toekeren. Het resultaat is, dat je eigenlijk in een soort wereld van
jezelf komt te staan. Ze is een beetje vertekend, ze is niet meer een normale wereld. De
waarden, die er in gelden, zijn anders en ook de wetten, die er in bestaan, kunnen niet worden
vergeleken bij wat normaal heet. Dan kan het soms gebeuren, dat je - ofschoon je uiterlijk dus
a-normaal blijft - toch je eigen problemen gaat proberen te overwinnen. Je gaat proberen' de
schriktendensen, de eeuwige vlucht b.v., voor jezelf te elimineren. Je probeert moediger te
zijn, je probeert jezelf meester te worden. En dan komt er een ogenblik, dat je niet meer in
staat bent die strijd vol te houden. Het resultaat is» dat je - nu eenmaal je wil weer op het
normale leven is gericht op een overwinnen der problemen en niet slechts een ontgaan - ook
uit je waanwereld wegtrekt. Dus een dubbele vlucht. Eerst uit de normale wereld in een
waanwereld en vandaar in die onbekende wereld, waar het ons vandaag om gaat. Want heb ik
een goede gedachtegang gehad, een goed streven, dan is geestelijk gezien de bijkomende om-
standigheid der stof (a-normaliteit) niet van belang.
Ik kom dus tot een wereldbeschouwing "op een heel andere manier. En dat kan voor zo
iemand wel eens lijken op een ouderwets schilderij. Ik weet niet of U wel eens zo’n duivel hebt
gezien, zo’n demon, die met zijn langnagelige vingers uitgrijpt naar een wereldbol, die ergens
in een blauwe ruimte schijnt te roteren. Zo ongeveer kan dat zijn voor zo iemand. Het is alsof
hij boven zichzelf uitgroeit en de hele wereld ziet als een soort speeltuin. En misschien dat hij
dan zich realiseert, dat zijn eigen problemen - zelfs al zouden ze al dan, niet overwonnen
worden - toch onbelangrijk zijn. Op zo’n ogenblik wendt hij zijn blikken van de wereld af en
ziet dan iets van de oneindigheid. Hoe? Daar zullen wij dadelijk wel over spreken.
Een andere methode, een andere mogelijkheid hier dus, is die van een normaal mens, die b.v.
in zijn geloof verdiept is. Nu is geloof feitelijk - ik hoop niet, dat iemand mij die uitlating euvel
duidt - Van uitzuiver stoffelijk standpunt ook een a-normaliteit. In je geloof neem je zeer veel
waarden aan, die in feite in je wereld niet zo bestaan of niet passen volgens je eigen
kenvermogen. Het resultaat is dus, dat ik hier ook een wereld van schijn voor mijzelve schep.
Ik verzink mijzelf erin. Dat is een toestand van godsdienstige beschouwing, van contemplatie,
van levens aanvaarding, waarbij langzaam maar zeker mijn God, Die voor mij stoffelijk immers
niet bewijsbaar is, steeds meer rond mij kenbaar wordt. En van hieruit krijg ik wederom

136 EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

hetzelfde. Want op een gegeven ogenblik is mijn honger naar deze God zo groot, dat zelfs mijn
voorstellingswereld binnen het geloof daaraan niet kan voldoen. Ik verlaat haar en kom dan
vanzelf te staan op een plaats, waar ik de wereld - en heel vaak een wereld, die dan z.g.
hemelaspecten vertoont, dus kleuren en schoonheid, zoals ik me die in een hemel voorstel -
ook van bovenaf zie.
Ik heb wel eens gedacht, dat de, mens eigenlijk van het begin af aan heeft willen leren
vliegen, omdat hij in zijn dromen de wereld zo vaak van bovenaf heeft gezien. Het klinkt een
beetje vreemd, maar het is een typisch verschijnsel. Op het ogenblik dat wij ontrukt worden
aan onszelven en terugkijken naar de wereld, zijn wijzelf zo onmetelijk groot en is die wereld
zo klein. Heel vaak lijkt ons dan ons eigen bestaantje een soort miniatuur poppenspel, een
groepering van loden soldaatjes, die eigenlijk verder niets beduidt. Deze manier van
beschouwen en van denken is op de door mij aangestipte twee manieren dus eigenlijk
absoluut onredelijk.
De derde methode is redelijker - gezien van uit het individu - en Ik wil ook deze citeren om U
althans enig inzicht te geven in de verschillende stromingen, die kunnen bestaan. Stel, dat ik
vóór mijzelve de. behoefte, heb aan onsterfelijkheid. Een typisch menselijk verschijnsel, dat
ook voor de geest geldt. Ook al kunnen wij de onsterfelijkheid misschien niet bewijzen, wij
hebben behoefte om er aan te geloven. Want zonder dat geloof lijkt ons leven te nutteloos, te
waardeloos. De eisen, die het leven aan ons stelt, zijn te zwaar om te dragen, wanneer wij dat
niet kunnen aanvaarden. En nu kunt U dat ook weer een vluchtsymptoom noemen, maar ik
meen, dat het toch iets meer is. Want men zoekt nu naar alle gegevens die voor de eigen
stelling bevestigend kunnen zijn. Degene, die dus zo zoekt, begint over het algemeen -
wanneer hij redelijk denkt -naar bewijzen te speuren. Daarbij zal hij door zijn verlangen heel
vaak genoopt worden om bewijzen te accepteren, die normalerwijze verworpen zouden
moeten worden. Het is dus ook wel degelijk een zeer persoonlijke ontwikkeling, Dan komt er
een ogenblik, dat je in contact komt met anderen. Hoe? Ja...., moet je zeggen, dat het een
stem is, die tot je spreekt? Moet je zeggen, dat het een plotseling bewustzijn is, een aanvoelen
van de aanwezigheid van anderen? Het is wel een zeer subjectieve kwestie, erg onderworpen
aan ons eigen ikje, inderdaad. Maar toch komt er zo’n ogenblik, dat je op de een of andere
manier plotseling weet, dat je verbonden bent met een ander, een onzichtbaar wezen. Je
vormt misschien je eigen voorstellingen ervan, misschien ook aanvaard je het zonder meer.
Dat is niet belangrijk. Want nu je dit contact hebt, wordt voor jou, een tweede wereld tot
werkelijkheid, ook al zie je haar nooit.
Dat is nu niet zo verwonderlijk, want de menselijke rede neemt ten slotte Amerika ook aan. En
in de tijd dat het eerste schip daarvan terugkwam, wist niemand of ze nu werkelijk die grote
oceaan waren overgegaan en of ze daar tegen alle voorspellingen van de wetenschap in in
plaats van een afgrond aan het einde van de wereld een reeks eilanden hadden gevonden.
Maar van af dat ogenblik stond dat vreemde land vast. Want er waren immers een paar
vreemde mensen en er waren dingen, die zij nog nooit hadden gezien. Zo is het dus voor de
mens ook wel redelijk aan te nemen, dat hij door enkele persoonlijke bewijzen - en die kunnen
gaan via een mededeling door een psychometrist, een genezing, een wandelende tafel tot een
plotseling erkennen van een grote waarheid toe - dus het contact met die wereld voor zichzelf
werkelijk heeft gevonden. Het is een realiteit geworden. Hij gaat erover nadenken.
En dan leest U heel rustig in Uw krant, dat er in Indonesië vandaag dit gebeurt en in
Washington is dat besproken en in Frankrijk en Parijs was, het zo en zo en U vindt dat heel
normaal. Toch hebt U die dingen niet zelf gezien of meegemaakt. U gaat van een algemeen
erkende waarde uit, n.l. dat Frankrijk en Amerika en Indonesië bestaan. Of ze nog zo bestaan,
zoals U ze gekend hebt, weet U niet eens. U accepteert het. Op dezelfde wijze accepteert U
redelijk het bestaan van een andere wereld. En II accepteert ook steeds weer datgene, wat U
van die andere wereld bekend wordt.
Dan gaat men meestal zoeken. Dit zoeken gaat soms een beetje cynisch, soms met een ware
hartstocht, soms met een schijnbaar zeer groot geloof. Maar zoeken doe je. En in dat zoeken

EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT 137
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

vind je op een gegeven ogenblik een bevestiging.....voor jezelf. Nu staat het voor jou vast:
"Alles, wat ik van die andere kant krijg, heeft zin. Er ís een andere wereld."
Nu kan er een ogenblik komen, dat je zozeer aan die andere wereld gaat zitten denken, aan al
wat er in is, dat je eigen werkelijkheid wegvalt: dat je die ongekende wereld een ogenblik voor
jezelf tot werkelijkheid maakt. Dan is het veelal nog als een kind, dat foto's kijkt. Dus een
beeld, door iemand uit die andere wereld aan U gegeven, dat U beleeft. En die wereld is niet
voldoende. Maar het eerste aanvoelen van die wereld, het contact daarmede, drijft U nu
verder. Drijft U tot een uitgaan, ook uit dromen over Zomerland en verder. En u staat weder-
om boven de wereld en U kijkt naar beneden. En pas wanneer U zich daarvan kunt losmaken
en U kunt zich omwenden (dus van de wereld afschouwen a.h.w.), komt U tot werkelijkheid.
Dan ziet u, wat er werkelijk bestaat.
Dat beleven op zichzelf, daarover kunnen wij eigenlijk van uit stoffelijk standpunt heel veel en
heel weinig zeggen. In de praktijk komt het wel daarop neer, dat een dergelijk beleven een
psychotisch of neurotisch verschijnsel is volgens de meesten, dat het irreëel en onwerkelijk is
volgens een meerderheid, maar dat het voor Uzelf iets is, wat intenser bestaat dan de
werkelijkheid. Wanneer u daarvan uitgaat, dan zult u misschien begrijpen, hoe een paar
beelden, die ik u hier probeer te tekenen, toch ook van belang kunnen zijn, al is het alleen
maar om een indruk te krijgen van wat mogelijk is.
Het zien van zo’n kleine wereld onder je gaat heel vaak gepaard met de behoefte om te
manipuleren. Het is net, alsof je als een kind boven een leger van tinnen soldaten staat en
plotseling het idee hebt: "Nu moet ik die ene soldaat ervoor zetten, want dat is de
commandant." Alleen gebeurt dat meestal niet. Het is maar heel zelden, dat je inderdaad die
gedachte en die impuls hebt en die manipulatie zich ziet voltrekken. In de meeste gevallen
blijft het bij een soort tableau vivant, waarbij de stellingen zijn vastgelegd en de spelers
weliswaar leven, maar met een onvoorstelbare traagheid. Heel veel mensen, die dat voor het
eerst zien, vragen zich af, of iedereen nu werkelijk plotseling zo plechtstatig is gaan bewegen.
Want een normaal handgebaar wordt dan in een heel langzaam tempo uitgevoerd. Ik zal het
maar niet voordoen, want dan duurt het bijna een uur. Het gaat heel langzaam, voorzichtig en
statig, alsof het afgebakend is. Dat komt door een verschil van tijdswaardering. Tijd is op dat
ogenblik voor jou een andere waarde geworden, en wat eigenlijk geldt is alleen je eigen
vermogen om iets op te nemen. Vandaar dat je een heel beeld kunt opnemen in een breukdeel
van tijd en zolang beleven, dat de ontwikkeling daarvan jou oneindig lang schijnt te duren.
Blijf je kijken, dan word je vaak bang. Word je bang, dan zie je soms vreemde beelden. Want
je staat daar natuurlijk niet alleen. Dat is begrijpelijk. Die ruimte is gevuld met entiteiten. En
kijk je naar die wereld toe en word het je angstig te moede, dan zul je bij het opkijken heel
vaak eigenaardige gestalten zien. Soms doen ze mij denken aan de wachters, die men wel
eens voor zo’n Indische tempel ziet afgebeeld. Andere keren weer zijn het je eigen
schrikbeelden, die je daar in een enorme vorm en met een ontzaglijke intensiteit ziet
weerkaatst. Eén ding staat bij een dergelijk aanschouwen vast: Zodra je naar de ander
schouwt, voel je jezelf zeer klein. Er is werkelijk niets, wat kleiner en nietiger, kan zijn dan
jijzelf, wanneer, je opkijkt naar zo’n enorme reus. Maar trek je je daar niets van aan, laat je je
niet door de angst beheersen en wend je je af van de wereld, dan heb je daarmede tevens iets
gedaan als mens of als geest, wat helemaal niet in overeenstemming is met je beleving. Je
hebt n.l. de buitenkant van hot loven, de uiterlijkheid verlaten, en je hebt je gericht tot de
innerlijke krachten. Vandaar dat dit onderwerp ook zo mooi past in de esoterie. Je denkt naar
buiten toe te zien en in feite kijk je naar binnen. Het doet een beetje denken aan de strip van
Möbius. U weet wel, de gevlochten lijn, waarbij je eerst aan de buitenkant staat, en ga je
langzaam verder, dan loop je ineens aan de binnenkant. Zo’n eigenaardig iets is dit ook.
Doordat je te zeer naar buiten toe streeft, keer je naar binnen.
Wat je daar binnenin je ziet: ja, daar hoor je 100 en 1000 stemmen over. Wanneer ik maar
weer een beeld geef of een paar beelden, dan is dat natuurlijk weer te hooi en te gras. Het zijn
mogelijkheden, maar naast die mogelijkheden bestaan duizenden andere wegen. Vaak is het
eerste zien net, alsof je door een kier van een deur kijkt of door een sleutelgat. Een beetje
138 EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

duister. Er is maar een heel klein deel van wat je zou kunnen overzien, dat je belangstelling
trekt. Een soort lichtend punt. In dat punt zie je voorstellingen, zie je beelden. Die beelden
gaan van het zeer ongevormde af (dus b.v. een kleurige massa damp, die door elkaar blijft
warrelen), tot gevormde gestalten, waarmee je b.v. kennis zou willen maken: of die je
verloren hebt en die je nu meent terug te kunnen zien. Dan is het eigenlijk net,- alsof er een
sluier wegvalt. Eerst valt dus dit waas weg. Langzaam als een iris a.h.w. verstelt zich de
opening, ze groeit. In dit groeien wordt gelijktijdig het beeld, dat er achter ligt helderder.
Achtergronden, die je eerst niet hebt gezien, beginnen nu plotseling nog veel duidelijker te
spreken dan de beelden op de voorgrond. En op de duur ontplooit zich dat geheel, totdat je
binnen meent te treden in die andere wereld.
De ervaringen, die mij persoonlijk wel het beste liggen op dit terrein, brengen je eigenlijk uit
het nevelige tot een onbestemd land, waarin een woord b.v. geuit kan worden als een reeks
van meetkundige figuren. Dus de klank wordt tot een reeks van vormen, die elk voor zich een
onderverdeling betekenen van de volmaaktheid: waarin de ademhaling zelve een spel wordt
van lichtende kleuren, dus waarbij je de ene kleur licht absorbeert en gelijktijdig de andere
weer uitademt. Beweging is iets, wat a.h.w. doet denken aan een onweer. Een reeks van
flitsen, die elkaar opvolgen. Als je het zo beleeft - ik zeg nogmaals: het is alleen maar een
mogelijkheid - dan zul je ook wel ontdekken, dat je steeds verder wil gaan. En dat verdergaan,
moet U zich niet als een wandeling voorstellen, maar eerder als een stuk elastiek, dat door de
wil wordt uitgerekt tinnen dit beeld, dat ge beleeft. Dus het is net alsof steeds iets je
terughoudt. Je moét overwinnen, overwinnen, overwinnen en verdergaan. En zo sta je ineens
te midden van een wereld vol van kleurigheden, van onbestemde vormen, vol van abstracties,
die je op aarde absoluut waanzin zouden lijken en die nu de diepste betekenis hebben.
Vandaar uit komt het ogenblik dat je losschiet. En nu is dat net stelt U zich voor, dat U zo’n
expander hebt. Dus U hebt staan trekken om krachtige spieren te ontwikkelen en nu op een
gegeven ogenblik, net als U tot het uiterste van Uw krachten hebt gerekt, schiet dat ding. los.
Wat gebeurt er? De kracht van de veer werpt U veel verder haar voren, dan U eigen
krachtsinspanning alleen had kunnen doen. Dus het moment van losschieten werpt je eigenlijk
als een kogel weg.
Zo is het nu hier ook. Je hebt tot nog toe altijd die band gehad, je hebt geworsteld om verder
te komen en ineens is het net, of er iets breekt en je een enorme schok krijgt. Geen
onaangename, geen trap onder je achterste, maar eerder alsof een vriendelijke djinni je grijpt
en je met één tovergebaar in een ander land zet. Een idee van een enorme snelheid.
Ruimtelijke verplaatsing komt er meestal bij te pas, een gevoel van gestuwd worden.
En dan is het vreemde, dat je eigenlijk in een uitstalkast staat, waar je zelf overal voorkomt.
Overal waar je kijkt, zie je jezelf: niet alleen zoals je bent, maar zoals je geweest bent en
zoals je misschien nog zult zijn. Hier sta je als een kind, daar als een grijsaard. Hier zie je een
leven, dat ver terugligt en sta je misschien in wanhoop op de muren van Troje, terwijl binnen
hier en daar de zaak al brandt: of je bent op jacht met een kudde in huiden gehulde mensen
naar misschien een stel oerossen. Al die beelden zijn daar naast elkaar geprojecteerd. Het is,
of waar je ook kijkt, je jezelf tegenkomt maar steeds anders. Kun je dit beleven, dan is het
eigenaardige, dat elk beeld, waartoe je je wendt, plotseling een hele reeks van levensflarden
is, Het lijkt net een film. Als je zo’n figuur aankijkt, dan begint dit voor je te leven. Het wekt
herinneringen. En al die herinneringen, die eerst fragmenten zijn, gaan op de duur door elkaar
vloeien.
Ik zeg: het is maar één van de vele manieren, die mogelijk zijn, maar het is wel een zeer
wonderlijke manier. Want dat, wat je nu bent en wat je morgen misschien zult worden, blijkt
soms samengevoegd met een oertijdperiode. Je ogenblik van grootste neerslachtigheid in dit
bestaan blijkt gekoppeld te zijn met misschien een periode van overmoed in Atlan-tis. Je
opstandigheid van vandaag is gekoppeld aan een achtervolging in de tijd van de franse
revolutie. En zo gaat het verder. Momenten en, momenten vallen ineen, alsof ze voortdurend
een tegenstelling vormen, voortdurend elkaar opheffen.

EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT 139
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

Dan wordt je dat tot een soort warrelende molen. Al die gestalten en dingen verliezen hun
kleur. Je hebt een ogenblik in de schatkamer van je eigen leven rondgekeken en nu begint dat
leven zelve weer. Als een soort carrousel tolt het rond. je, tot je zelf het idee: hebt als
een soort wervelstormpje draaiende te worden opgetrokken, ergens – je weet niet waar. En
dan worden de gestalten, die je al in het begin door dat sleutelgat hebt gezien, vaak weer
kenbaar. Maar nu op een andere manier. Laten we er ons maar bij houden, dat ze gestalten
hebben. Dat is niet feitelijk waar, maar je erkent ze - als je mens bent - in ieder geval nog wel
als gestalte.
Maar dan....kunt U zich een gestalte van levend vuur voorstellen? Niet van vuur dat branden
zou, maar een vuur dat koel is, dat fonkelt, dat leeft? Zo doen die gestalten aan. Het is een
intensiteit van bestaan, die je eigenlijk plotseling doet ervaren, dat je leeg bent, dat er iets
aan je mankeert. En heb je ook dit doorgemaakt, dan is het net, of je met die anderen samen
een soort van gewijde cirkel vormt. Een dwaas beeld misschien, maar het lijkt haast wel, of al
die lichtende figuren en jijzelve, daar klaar staan voor een soort van hemels of kosmisch
ringelrei-spel. En dan,....dan is er in het midden iets, wat ik zelfs niet meer met licht of met
vuur of als vurig kan beschrijven. Het is intensiteit. Dat is het enige woord, dat ik ervoor weet.
En die intensiteit beroert de kring. En van af het ogenblik, dat ze jou beroert, kun je de kring
ook niet meer zien.
Het is geen geluksgevoel. U moet niet denken, dat het alleen maar is: Wat voel ik mij
gelukkig! Dat krijg je misschien later als terugslag. Het is ook niet eens Wat voel ik mij rijk:
Maar ja, hoe moet je het omschrijven? Misschien kan ik het best zeggen: Hoe voel ik mij één!
Het is net, alsof er geen grenzen meer bestaan. En dan wordt die honger, die in je is, gestild.
Het is kracht. Het je zo’n moment doorgemaakt, ach, dan keer je weer terug naar je eigen
sfeer of je eigen wereld. En in die wereld behoud je iets bij van dat, wat je gegeven werd. Dat
blijft je bij. En soms kan je dan weer terugkeren en a.h.w. ten dele, ten dele dat contact weer
opnemen. Bijvoorbeeld, de figuren, die je door het sleutelgat hebt gezien, die bereik je weer.
Maar dat verdergaan met die enorme snelheid tot midden in je eigen werkelijkheid, je eigen
bestaan eigenlijk door alle tijden en alle vormen heen, dat komt maar heel zelden voor: en ook
dat verdergaan.
Persoonlijk heeft deze wijze van beleven mij waarschijnlijk in de eerste plaats getrokken,
omdat ik haar zelf het eerst en het meest heb doorgemaakt. Ik ken ook wel andere
belevingen, maar deze heeft mij eigenlijk beheerst van af het begin van mijn bewustwording.
Het zal U dus wel duidelijk zijn, dat ik een beetje bevooroordeeld ben in deze. Maar het geeft
je zo het gevoel van werkelijke eenheid met de wereld.
Ik had het zo even er over, dat de rede wegvalt op een gegeven moment, omdat je komt tot
een volkomen subjectieve waarheid, tenminste van uit menselijk of geestelijk standpunt, Nu,
dit is de subjectieve waarheid, die juist door haar intens persoonlijk beleven en het
eenwordingsproces met de kosmos, dat er in ligt, uiteindelijk voor jou wordt tot de mogelijke
objectiviteit. Kunt U mij volgen?
Een tweede manier. Inslapen en gelijktijdig wakker worden. Het is alsof, terwijl je lichaam
begint te rusten, gelijktijdig plotseling je ogen - opengaan, je ledematen zich weer strekken.
Maar het is een ander lichaam. Met dat andere lichaam verplaats je je. En die verplaatsing is
gebonden aan de gedachte. Op het ogenblik dat je denkt, ben je. Zo wordt je behoefte b.v.
aan geestelijk licht en geestelijk leven dus uitgedrukt in een zich sprongsgewijs voortbewegen
naar een steeds groter abstractie en een steeds juister uiting van het goddelijk Wezen. Dat
gaat schoksgewijs en je komt er eigenlijk niet toe om jezelf te beschouwer. Je hebt er geen
tijd voor. Soms heb je het idee, dat je deel bent van een enorme drom wezens, die zich in
diezelfde richting bewegen: een enkele maal meen je ook, dat anderen je tegemoetkomen en
je dreigende dingen toeroepen, vooral in de eerste fase. Maar wanneer je blijft voortgaan, dan
voel je je misschien, zoals een mot zich voelt, wanneer zij in de kaarsvlam gaat. Het beeld is
natuurlijk onjuist, want je verbrandt niet. Maar ... het licht zozeer begeren, zozeer liefhebben,
dat je jezelf er middenin stort, omdat je blind bent voor alle andere dingen, zo ga je dan op
iets toe, wat licht is.
140 EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

Moge dan het feitelijk proces weer ongeveer hetzelfde zijn, als ik bij de vorige beleving
aanduidde, n.l. de kringvorm in de eenheid, hier is daar absoluut geen bewustzijn van. Je bent
je niet bewust van een deelgenootschap met anderen. Je weet alleen maar, dat er licht, licht,
licht en nog eens licht is. En dat dit licht langzaam verandert, totdat het kracht wordt, een
kracht, die je op de duur niet anders omschrijven kunt dan: een entiteit, die er niet is en die er
wel is en die in jou is. Wie daaruit terugkomt, brengt weer een ander soort kracht, een ander
soort blijheid met zich.
En dan de derde beleving, Dat is de beleving, waarop de meeste aardemensen nogal gesteld
zijn: dat is tenminste mijn ervaring. Ze begint ook weer met de aanname van een andere
wereld. En je zou dit beleven kunnen noemen: een Zomerlanddroom. Het gebeurt meestal niet
tijdens de slaap, maar eerder wanneer je zo zit na te denken. En dan is het net, of in je eigen
wereld rond je anderen ontstaan. Meestal zijn dat zelfs wezens, die je kent. Om een voorbeeld
te geven: Je ziet je vader, je moeder, enz. - mensen, waarvan je erg veel hebt gehouden -en
die zie je daar rond je. Heel gewoon in je eigen kamer. En je hebt zo het idee, dat je met hen
praat en dat je opstaat en met hen meegaat. De mens noemt dat: meegenomen worden.
Nu is het vreemde hier weer, dat je je voortdurend wel van die entiteiten bewust blijft, maar
dat je van achtergronden heel weinig weet. Wanneer iemand later over zo’n tocht moet
vertellen, zal hij heel vaak zeggen: "Ja, ik heb zulke mooie bloemen gezien!" Maar zeg je:
"Teken ze uit," dan beginnen ze te stotteren en zeggen: "Het was net een lelie, een roos, of
een flox of iets dergelijks, maar anders, mooier, veel mooier." Dat komt, omdat er geen beeld
van onthouden is. Het was een momentindruk, die is weggevallen in het gezelschap van die
anderen. En dan, wanneer die beleving voortgaat, toont zich in dit gezelschap nog een ander
wezen. De mens zou misschien zeggen: een rijzige gestalte, veelal gekleed b,v. in een wit
gewaad met gouden boorden, dan ook wel in een goudachtig gewaad. Anderen spreken hier
weer over verschillende gewaden. Zoals b.v. een magiër met gouden tekens, maar het geheel
alsof er een gouden sluier over ligt. Of een oude vrouw, waarbij je kunt zien, dat de kleren
vroeger arm waren, maar die nu zo’n licht uitstralen, dat ze mooier zijn geworden. Op die
manier beschrijven ze dat, Dat is dan eigenlijk het contact, dat je legt via een persoonlijkheid.
Nu is het vreemde, dat die persoonlijkheid bij je blijft. Je weet, dat ze bij je blijft. Al het
andere valt weg en wat je doormaakt is een soort tocht in de duisternis. Het gevoel is
misschien te vergelijken met iemand, die hoog boven in de lucht is in een vliegtuig en eruit
stapt met een valscherm. Je stelt je voor, dat je dit niet uit angst of nood doet, maar werkelijk
voor je plezier. En verder, dat je heel langzaam onder je de wereld vorm ziet krijgen, terwijl je
wel met snelheid valt, maar toch niet zo, dat je het merkt. Het is net of je zweeft. Alleen is die
wereld een beetje veranderd. Op die manier ga je dan op een wereld toe. En die wereld wordt
door die entiteit, die je niet meer ziet, maar die je aanvoelt a.h.w. verklaard.
In die verklaring klapt ze open. En steeds maar weer klapt dat opnieuw open, zit er nog weer
iets anders in verborgen. Het is net zo’n chinees raadseldoosje. Als je denkt, dat je aan het
laatste doosje bent, zitten er toch nog tien in. Zo gaat dat. Steeds weer zie je in die wereld
iets anders. En ten slotte, wat blijft er over? Ja, hoe moet ik dat zeggen? Een diamant in de
vorm van een parel, dat is hier misschien het juist gezegd. Dus een druppel vloeibaar licht. Dat
licht groeit en omhult je en dan kan zich de fase verder afspelen, zoals ik het ook bij vorige
wijzen van beleving heb verteld.
U moet nu niet denken, dat ik U deze dingen alleen maar vertel, omdat het zo prettig voor U is
er iets over te horen. Maar deze dingen bestaan en deze dingen zijn gebaseerd op een
werkelijkheid. Alle voorstellingen, die wij ons maken, zijn ten slotte het resultaat van ons eigen
wezen, ons eigen denken. Men zegt wel eens: Het is maar goed, dat de smaken verschillen.
Maar zouden wij niet beter kunnen zeggen: Het is maar goed, dat de mensen verschillen? Het
is niet alleen de smaak, die verschilt, het is de mens, die anders is, die anders ziet, anders
denkt, anders leeft.
Zo gaat het geestelijk ook met ons. Ieder van ons heeft zijn eigen benadering van de
Oneindigheid. Maar zoals alle mensen moeten eten - onverschillig wat voor smaak ze hebben,

EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT 141
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

eten moeten ze - zo gaat het ons ook. Wij moeten geestelijk die leegte in ons weten te vullen.
Dat proberen wij dan stoffelijk of geestelijk te doen door ons streven en onze daden, maar dat
is niet genoeg. Er komt altijd een ogenblik, dat je meer wilt hebben, dan je krijgen kunt in je
wereld. En dat is het ogenblik, dat je hele leven een andere richting krijgt. Voor sommigen is
dat een geleidelijk er in groeien, voor anderen is het een schok, maar het komt altijd erop
heer, dat je je in zekere zin gaat wijden aan meer bovennatuurlijke belangen. Dat is geen
afwijking, hoor. Helemaal niet. Het is heel natuurlijk. Dan ga je proberen om jouw leven en
denken te baseren dus op die honger, op dat tekort. Een werkelijk goed mens leeft niet van
wat hij heeft, maar van wat hij niet heeft. Dat is heel vreemd. Want juist, wat hij niet bezit,
doet hem streven om steeds meer te zijn. Daardoor wordt hij meer. En dat is bij ons geestelijk
ook het geval.
Bij de esoterie lijkt het wel, of het zoeken naar die innerlijke wijsheid en die innerlijke
waarheid een soort poging is je boven anderen te verheffen. En onder ons gezegd en
gezwegen, er zijn heus wel mensen, die dat doen. Dus die alleen maar méér willen zijn dan
een ander en daarom aan esoterie doen. Maar dat is natuurlijk nooit ware esoterie. Doch dit
zoeken naar de vorm van jezelf in die wereld betekent dat je nolens volens steeds meer jezelf
moet ontmantelen. Je moet a.h.w. elk gewaad van stoffelijk denken uittrekken totdat je zo
bent, als God je in het begin heeft gemaakt. Dat kun je niet, want er zijn zoveel voorstellingen
in je. die dat afremmen. Ze kunnen nu wel tegen, je zeggen: "Ja, wanneer je nu morgen
ergens op het plein b.v. bovenop een standbeeld op je hoofd gaat staan, dan. krijg je
geestelijke bewustwording. Maar dat kun je niet doen. Er is maar een enkeling, die daar de
moed voor heeft en die doet dat meestal nog meer uit de grap dan als werkelijke ernst.
Zo gaat het ons ook. Wanneer wij onszelf onderzoeken - dus het begin van de esoterie: het
kennen van onze eigen wereld - dan komen we te staan voor heel veel dingen, waarover wij
gewoon niet durven te denken. Vandaar dat wij van het denken overschakelen op wat ik het
visionaire zou willen noemen. We zouden in onze eigen wereld - onverschillig welke, feite -
door te komen tot de kern van ons eigen "ik" - gelijktijdig aan onszelven het goddelijk Wezen
als zodanig. Wij symboliseren dit door te deze is - hetzelfde kunnen doormaken, zonder één
ogenblik de werkelijkheid uit het oog te verliezen. Maar wij durven het niet. En daarom gaan
wij fase na fase verder en komen wij via verschillende irreële werelden tot andere sferen, waar
wij niet gebonden zijn aan wetten, omdat wij dat leven en die wetten daar nog niet kennen.
Vandaar uit gaan wij - hetzij zelf of dank zij de hulp van. anderen - weer verder, totdat op de
duur al, wat voor ons realiteit heet, is weggevaagd. En eerst wanneer wij helemaal zonder
buitenwereld staan, durven wij onszelf te zijn. Maar wanneer wij onszelf zijn, zijn wij ook
werkelijk bewust in contact met God. Want ons wezen is altijd met het Goddelijke verbonden.
Dat kan niet anders. Als wij geloven aan een God, dan moeten wij_pok zeggen, dat ons wezen
er steeds mee verbonden is. En dus openbaren wij in zeggen: "Er is een iets, een Kracht, een
Wezen, een Zijn." Want wij kunnen het niet omschrijven. Maar doordat wij ons van dat Zijn
bewust zijn geworden, dat Wezen a.h.w. hebben aangevoeld, ontwaakt de kracht, in onszelf
sluimert.
Men zegt wel eens, dat die kluizenaars - ook esoterici in de meeste gevallen - vaak zulke
eigenaardige dingen doen. Ze trekken zich niets aan van een gifslang. Ze zeggen gewoon:
"Broeder of zuster, dit is een mensenweg, mag ik a.u.b. voorbij gaan?" En ze gaan voorbij. En
geen beest, dat hen aanvalt. Wonderlijke kracht, zegt men dan. Neen, eigenlijk niet. Ze zijn,
alleen maar zichzelf. De belemmering, die u met Uw esoterisch bewustzijn ervaart in deze
wereld, is juist het feit, dat U niet uzelve bent en niet Uzelve durft te zijn.
Maar als we dan die voorbeelden nemen, zoals ik die nu hier aar voren heb gebracht, dan
houden ze dus nog een les in: Hoe meer ik mijzelf kan zijn, hoe meer ik mijzelve bewust durf
te zijn van mijzelf, met alle fouten zowel als met alle goede eigenschappen, hoe beter ik in
mijn wereld zal passen, maar hoe meer ook mijn wereld omvat. Want mijn wereld wordt
zoveel groter, omdat ik de inhoud, ervan beter begrijp.
Als ik U niet verveel, zou ik nog een ander punt willen aansnijden: Er moet natuurlijk een
werkelijkheid bestaan. Die werkelijkheid zou, ongetwijfeld, ook ons benaderen, met ons in
142 EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

contact zijn, wanneer wij waar, dus werkelijk zouden zijn. We houden die werkelijkheid van
onszelven af, doordat wij allerhande concepten (dus gedachtebeelden) stellen vóór de
werkelijkheid. Zolang wij handelen op grond van voorstellingen en niet handelen op grond van
werkelijkheid, zullen onze handelingen in feite niet veel meer betekenen dan het kopen van
een lot in de loterij. Je weet nooit, of het raak is of niet. Zelfs de meest ernstig levende en
strevende mens die niet is gekomen tot een waar erkennen van zich zal datzelfde hebben. Hij
zal te hooi en te gras eens iets doen, wat goed is, maar hij kan met dezelfde goede
bedoelingen iets doen, wat averechts verkeerd en fout is. Daaruit ontstaan alle misvattingen
op de wereld. Maar op het ogenblik dat ik de waarheid zie en dus alleen op de werkelijkheid
kan reageren, kan ik nooit misslaan. Want er is maar één werkelijkheid.
Laten wij maar weer een voorbeeld nemen. Er komt iemand bij U, die zegt: "Ik heb buikpijn,"
Dat kan spijsvertering zijn, het kan ernstig zijn, het kan alleen een kwestie van indigestie zijn,
maar het kan ook blindedarm zijn. Dan moet je dat onderzoeken. Dan kom je tot de conclusie:
het zou de blindedarm wel eens kunnen zijn. Maar.... wanneer je de waarheid ziet, dan bestaat
er geen tweede mogelijkheid meer. Dat is het belangrijke punt.
Of U zegt: "Ja, ik ga toch eens nadenken over een vakantie. Zouden we hier of daar naar
toegaan, of zus of zo?" Een prettig spel, maar in feite bestaat er maar één mogelijkheid voor
U. Alle andere mogelijkheden worden toch weer teruggebracht tot dat ene. Uw vakantie is niet
een reis hier of daar naar toe, het is een beleving. Die beleving kan kracht winnen en kracht
verspillen betekenen, ze kan verrijking van het leven of een verlies betekenen, dat maakt niets
uit. Maar....wanneer je dat weet en je daarop baseert, zul je altijd goed kiezen, nooit verkeerd,
Een esotericus die dat begrijpt door zijn innerlijk beleven, handelt voortdurend waar. Hij stelt
dus de relatie niet vast t.o.v. wat hij ziet of wat hij denkt, dat er is, maar tot datgene, waarvan
hij weet dat het werkelijk is. En op deze manier, vindt hij overal dus wat wij "God" noemen.
God ís de werkelijkheid, nietwaar? Dus het onveranderlijke aspect van het zijnde. En in dit
vinden van die werkelijkheid zal hij voort durend uitdrukking geven aan die werkelijkheid. Dat
kan niet anders. Want de waarheid is, dat hijzelf er ook een deel van is. Begint het U te
dagen? Weet U nu, waar ik naar toe wil? Nu mag ik dus wel mijn conclusie gaan trekken en het
woord zo dadelijk overgeven aan een ander.
Kijk eens, al ons esoterisch streven en beleven is in feite niets anders dan een proberen om de
kérn van de zaak te vinden: de waarheid. En nu kunnen wij onszelf wel voorhouden, dat we
het doen voor hoger geestelijk leven of voor dit of dat, maar dat is omschrijving, dat is een
ontvluchten aan de werkelijkheid. Wij durven niet aannemen, dat er een werkelijkheid bestaat
en daarom zoeken wij dat in een andere wereld, ergens anders: maar het is altijd hier, bij je.
Willen wij terecht spreken over esoterie, over streven dus ten goede, dan zal dit in feite
gebaseerd moeten zijn op een steeds grotere zelfkennis en een poging tot steeds meer zonder
enig vooroordeel de waarheid te zien van n.l hetgeen zich aan ons toont. Doen wij dit, dan
zullen wij zeer snel de normen, die nog stoffelijk kunnen worden uitgedrukt, ontgroeien. want
dan zijn de stoffelijke waarnemingen en de stoffelijke mogelijkheden voor ons slechts een zeer
klein deel van de werkelijke aspecten. Al onze esoterie en al ons beleven, dat ermee gepaard
gaat - wonderlijk en schoon als het op zichzelf is - is alleen maar een middel tot het doel: te
weten wat de waarheid is. de werkelijkheid.
Zo, vrienden, dat is mijn betoog. Ik weet, dat ik hier en daar wel iets gestotterd heb zelfs (dat
deed ik vroeger veel meer dan nu) en dat ik misschien niet zo mooi en samenhangend en
taalkundig juist heb gesproken, als wel eens gebeurt,- maar als het mij nu maar gelukt is om
U één ding duidelijk te maken, n,l. dat achter al deze dingen maar één ding kan schuilen, de
waarheid van het leven, waarnaar wij steeds hongeren, waarnaar wij steeds zoeken. God is de
waarheid, goed, En die waarheid is hier, vandaag, nu, als we de juiste verhoudingen kunnen
zien.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.

EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT 143
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

Natuurlijk ben ik het met de vorige spreker wel ten zeerste eens. Mij dunkt, dat zijn
argumenten - indien U zijn stellingen aanvaardt - praktisch niet te verwerpen zijn. En
omgekeerd dat, wanneer U de argumenten redelijk acht, het onmogelijk is aan het aanvaarden
van de stellingen te ontkomen. Maar we schakelen daar misschien iets mee uit, wat toch voor
heel veel mensen een soort wet, een soort regel is geworden. En nu denk ik hier wel in de
eerste plaats aan die oude getrouwe der esoterische scholen, de wet van oorzaak en gevolg of
- zo U wilt - van karma. Zelfs in het beeld, dat mijn voorganger U zo levendig heeft geschetst,
wordt een verband gezien tussen alle momenten in tijd. En nu wij dan toch de historie willen
zien als een deel van ons wezen en bestaan, mag ik er misschien - kort natuurlijk - van mijn
kant dan toch nog wel een voorstelling bijvoegen!

ZIJN WE WEL WAT WE DENKEN TE ZIJN?

Als wij deze oorzaak-en-gevolgwet willen zien als zich afspelend binnen een continuïteit van
beleven, ja, dan bestaat er een direct verband, steeds weer duidelijk kenbaar, tussen punt A
en punt B: tussen de fout en de straf of correctie: tussen de deugd en het loon, dat er op
volgt. Maar achter de waarheid, zoals die in oorzaak en gevolg is uitgedrukt, geloof ik, dat ik
een andere waarheid kan zien.
Stel U nu eens voor, dat wij allemaal b.v. een honingraat zijn. Het is geen aanmerking op
iemands figuur natuurlijk, maar stel U dat eens voor. Dus een hele reeks van vakjes. De
scheidingswanden zijn onze werkelijkheid. Wat er tussen ligt is onze illusie. Nu kijken wij maar
uit één wandje tegelijk. Dus wij kijken naar het celletje, dat b.v. aan de rechterkant ligt. Daar
zien wij dan een hele wereld. Dan maken wij van alles mee in die wereld, want wij voelen er
ons deel van. Wij gaan er misschien omheen, wandje na wandje, belichten hetzelfde bestaan
uit verschillende punten. Gelijktijdig ligt aan hetzelfde wandje ook nog steeds een andere cel.
Want elk wandje, waarop ons bewustzijn zich concentreert, is niet een wereld maar een
scheidslijn tussen twee werelden. En nu is het vreemde, dat wanneer wij die raat nu eens even
horizontaal houden - U kunt er dan doorkijken - dan hebben wij hier dus dit wandje, hier een
zeshoek, daar een zeshoek, enz. Dan is, wat hier boven is, daar beneden: of wat hier rechts is,
aan die kant links.
En dan zou ik nog wat meer willen stellen. Die werelden liggen zo dicht bij elkaar, dat zij nog
wel wat gemeen zullen hebben. Wanneer je een bijenraat ziet, dan zie je ook, dat slechts een
enkele keer een werkstercel tussen de honing in gewerkt zit - meestal zijn ze gescheiden.
Broedcellen met enkele kronen van koninginnecellen daarin en aan de andere kant de
honingraat. Die gelijkheid van aangrenzende cellen zal voor ons leven meestal ook wel
kloppen. Maar elke cel is qua vorm gelijk. U kunt het beeld toch vasthouden? Dan impliceert
dit, dat wanneer ik hier overga van de rechte lijn naar de volgende rechte lijn, dus het
volgende wandje, het volgende standpunt, dat ik binnen een bepaald leven inneem, ik op dat
ogenblik gelijktijdig drie andere werelden zie en twee delen van mijn eigen leven, die mij
daarmee in verband brengen. Kunt U dat nog volgen? Dan is het dus wel begrijpelijk, dat wij
op één beslissend moment in ons eigen bestaan altijd maar weer gelijktijdig kunnen beleven -
of misschien niet - drie andere levensfasen. Zouden die er niet zijn, dan zou ook dit huidige
veranderen er niet zijn.
Degene, die denkt aan de continuïteit, zegt nu: oorzaak en gevolg. Maar kun je misschien niet
zeggen: de realisatie van een verbinding tussen, verschillende fasen, verschillende delen van
mijn eigen wezen? Men gelooft toch algemeen aan de mens als een soort van eeuwigheid.
Zelfs de religieus denkenden zeggen: God heeft de mens geschapen en van af dat ogenblik
leeft hij zonder einde. Waarom nu niet te zeggen: Elke mens is deel van alle tijden? Nemend
de beleving van een bepaalde wereld, een bepaald tijdsmoment, realiseert hij zich steeds weer
gelijktijdig tenminste één, maar mogelijkerwijze zelfs drie andere werelden. Het verband, dat
144 EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

tussen deze andere delen van zijn wezen en zijn huidig als werkelijk gezien deel van het
wezen, bestaat, is dan de oorzaak-en-gevolg-relatie, zoals hij die meent te mogen
aanschouwen.
En nu kom ik dus na mijn voorbeeldje eigenlijk weer aan de kant van een tikkeltje esoterie.
Dat is n.l. dit: Wanneer mijn wezen vaststaat door alle tijden, is het enige veranderlijke de
realisatie van het wezen. Indien ik deze veranderlijkheid kan uitschakelen en daarvoor in de
plaats stellen een begrip van mijn werkelijke wezen, dan ben ik - over de grens van alle tijd en
-wereld heen - geworden tot één geheel. En misschien dat ik dan - als geheel mijzelve
kennende - zal kunnen weten, wat het leven van een ander is. Maar voor die tijd zal ik dat
nooit kunnen vaststellen. Daarom is ware esoterie nooit het leren aan anderen, maar slechts
het leren omtrent jezelf.
Het heeft geen zin een ander anders te behandelen - en nu goed luisteren, dat je het niet
misverstaat! - het heeft geen nut een medemens anders te behandelen dan een gegeven deel
van een wereld, die in feite de leegte in jouw wezen betekent, maar waardoor je jezelf kunt
leren kennen. Elk beeld, dat je kent van een ander, kan onmogelijk verschillen van je eigen
"ik". Al wat je bent voor je medemensen volgens je eigen idee (wanneer je eerlijk bent!) is
niets anders dan een voor jezelf erkennen van eigenschappen, die in één wandje van dit hele
bestaan zijn gegrift. Al wat anderen voor jou zijn is wederom hetzelfde: een realisatie van wat
je zelf bent, En juist daarom horen er nog een paar punten bij de esoterie, die sommigen
(natuurlijk niet hier) maar sommigen dan wel eens over het hoofd zien. En dat is dit:
Wie tekort schiet tegenover een ander, stelt in feite slechts een tekort in zichzelve vast. Maar
deze vaststelling kan een remming betekenen bij de aanvaarding van het geheel, dat hij is.
Voordat je het geheel van je wezen door alle sferen en tijden en werelden heen kent, is er
geen absolute bewustwording: is er zelfs geen werkelijk leven maar slechts een dromen in
kleine delen van het bestaan.
En nu zou men één bezwaar kunnen maken - tenminste dat is wel eens voorgekomen,
wanneer wij met die stelling bezig waren, zelfs op de G.G.S. Namelijk dit: Wanneer ik iemand
ben, die het ledige omsluit, waar komt dan de wereld vandaan? Antwoord: Ongetwijfeld zal die
wereld werkelijk zijn, want je bent lang niet de enige figuur, die - in alle tijden bestaande -
zich voortdurend, nu hier dan daar kan realiseren. Maar U hebt met dezen geen contact,
voordat U het geheel van Uw wezen kent: zoals twee honingraten gescheiden van elkaar door
dezelfde steun een verband vinden, maar de cellen dit nooit zullen realiseren.
Daarom kunnen wij nooit de ware relatie tot een medemens vaststellen, noch de ware
betekenis van een medemens of een deel van de wereld, vóór wij onszelf kennen als geheel.
Accepteer rustig, dat zij voor zichzelf waar, werkelijk en levend zijn: Maar begrijp, dat dit op
het ogenblik voor jou nog niet veel te zeggen heeft. Zelfs al kun je hen doorzien, zelfs al ken
je elke eigenschap, fout en kwaliteit van hen, dan nog zijn ze een spiegeling van een deel van
jezelf. Verzamel die delen, totdat je voor jezelf een geheel kunt bouwen, waarbij alle tijden
gelijktijdig te beleven zijn, waarbij alle werelden kunnen worden teruggebracht tot hun
essence: uiting van het Zijnde, Dan heb je werkelijk dat, wat esoterische bewustwording heet,
niet alleen voor een keer volbracht, afdalend tot het kernpunt van één bestaansmoment, maar
dan heb je ook de vormgeving van de schepping - en niet alleen de Schepper Zelve -leren
kennen en daardoor het begrip gekregen, dat in de plaats kan treden van een alleen maar
ondergaan.
Nu, dat is geloof ik wel genoeg. Wanneer U daar eens even over nadenkt, kunt U rustig gaan
pauzeren en U eventueel bij de koffie troosten voor datgene, wat U in de inhoud ontgaan is. En
daarna zien we dan wel weer verder.
Bedoelt U met de doorbraak van alle cellen of van alle individuen of entiteiten, dat wij ons
daarmee in verbinding stellen en hen opnemen in ons eigen wezen? "
Dat is een beperkte uitdrukking ervan, geldende voor één wereld. Maar mijn punt, of
tenminste het punt, dat ik trachtte te stellen vanavond, was dit: dat het heel goed mogelijk is
- ik kan niet zeggen, dat U het moet aanvaarden - dat U niet alleen in deze wereld en in deze
EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT 145
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

tijd, maar in honderd werelden en honderd tijden tegelijk bestaat. En de manier dus, waarop
je in de wereld, waarin je op dit moment bewust bent, de anderen ziet als deel van jezelf (wat
zij in hun verschijningsvorm zijn), maakt het je dus mogelijk te realiseren wat je bent in dit
deel van je wezen. En zo kom je tot een zelfkennis.
Dus teruggaan tot het Oerprincipe, waar je alles ontmoet.
Dat is een term. Oerprincipe of het Zijnde: wanneer wij dat identiek stellen, ja, dan hebt U
gelijk. Maar het is geen teruggaan, want wij leven er steeds in en uit. Dus het is niet een
teruggaan tot, maar alleen in elke graad en fase van je eigen wezentje dit principe realiseren
als enige werkelijkheid. En dan kom je ook tot wat mijn voorganger heeft gezegd.
Vrienden, ik wens U een aangename pauze en een zegenrijke avond verder.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden
In dit tweede gedeelte kunnen wij dan - indien U dit wenst – ook een onderwerp van Uw keuze
behandelen Niets? Mag ik een eerlijke vraag stellen? Hoeveel hebt U nu van die eerste twee
onderwerpen begrepen? (Commentaren.) Mag ik dan daarop doorgaan? Dan begin ik maar
meteen met iets te zeggen, wat ik eigenlijk aan het einde van mijn betoog had moeten
zeggen, maar dat kan nu ook wel even: Binnenkort is de gelegenheid weer open voor
degenen, die nog geen deel uitmaken van de G.G.S., om naar deze kring over te gaan. En in
deze kring is het wel nodig, dat U buitengewoon diep kunt nadenken, dus dat U scherp over de
dingen kunt denken. Vandaar dat men de moeite heeft genomen U een beetje ingewikkelder
stof voor te leggen, in de hoop dat U daaruit zoudt komen. U kunt nu aan de hand daarvan zelf
beoordelen, in hoeverre U een bepaalde promotie begeert of niet. Voor verdere inlichtingen
kunt U zich wenden tot het bestuur, dat een volledig programma in handen heeft.
En nu wil ik nog even doorgaan op die eerste twee onderwerpen.
Maar dan doen wij het even in hemdsmouwen, heel gewoontjes. In de eerste plaats moeten
we begrijpen, dat elke beleving, die wij doormaken en vooral: wanneer het een geestelijke
beleving is, altijd afhankelijk is van onszelf. U zoudt kunnen zeggen: "De wereld is een spiegel.
Je kijkt erin en je zegt: Wat staat daar voor een lelijkerd! En je bent het alleen maar zelf."
Daar komt het eigenlijk op neer. Als je nu gaat handelen, alsof je anders, beter ware dan dat,
wat je ziet, dan haal je een grote stommiteit uit, want dan ga je net doen, alsof je jezelf niet
bent. En dat is wel eens aardig voor een carnaval of een maskerade, maar als je het een heel
leven moet volhouden, ben je zover van de realiteit van het bestaan verwijderd geraakt, dat
het je erg veel moeite kost om weer terug aan boord te klauteren. Dat was punt 1.
Hoe wij ook de dingen beleven - en daar hebt U dan verschillende beschrijvingen voor gehad -
is onze eigen zaak. Maar die beleving zal ons altijd tot één bepaald doel voeren en dat is in de
eerste plaats tot het kennen van onszelf. Dat is nuchter in een paar woorden. De rest van die
eerste spreker hebben jullie wel zo ongeveer meegekregen, maar die tweede spreker daar
zaten jullie echt mee in de "raat",
Ik vond de tweede spreker zeer duidelijk.
Dat is een enkeling, die dat zegt. De een is een beetje verder gekomen met de geestelijke
zaken dan de ander. Dus niet voor degenen, die het al begrepen hebben, maar voor de
anderen een vereenvoudigde versie: U hebt nu heel veel gehoord over 4e, 5e, 6e dimensie,
enz. Maar nu heeft die spreker geprobeerd dat terug te brengen tot een zeer eenvoudige
stelling. En dat is dit: Je leeft alleen maar, doordat je denkt. Dat kun je tóch accepteren? Dat
denken kan ingewikkeld zijn, het kan betrekkelijk vaag en zwak zijn, maar denken moet er
zijn. Zonder denken geen leven, geen reactie. Alleen....hét denken is beperkt. Je kunt bij wijze
van spreken op een landkaart 100 km, afmeten, maar als je het lopen moet gaat het stapje
voor stapje. En onder ons gezegd en gezwegen kan ik uit eigen ervaring mededelen, dat je na
de eerste 7 á 8 km. dan meestal de eerste zucht slaakt, vooral als het warm is. Je kunt maar
stap voor stap gaan. Toch is die weg er met zijn 100 km.

146 EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

Stel je nu eens voor dat ons leven een weg is. Je begint ergens. Beginpunt: schepping:
eindpunt: einde van de schepping. Ik geef het maar een naam. Daartussen is die weg, altijd
en te allen tijde. Ik heb een aardig voorbeeld, dat in de moderne tijd past. Wanneer je die weg
opkomt met je auto, dan staat daar misschien een kikvors te liften. Want dat is de fase van
leven, waarin je dan bestaat. Voor jou is dat op dat ogenblik een redelijk wezen: het leven
daarvan bepaalt voor jou je bestaan. En als je langs de weg ergens gaat zitten in een gezellig
café-tje, dan is dat uiteraard een kikvorsencafé-tje, waar ze je een beetje slootwater serveren
met gratis: vliegjes voor de honger. Maar dan ga je een eindje verder en daar staat een
Atlantiër. Die staat ook te liften. Je wereld van dat ogenblik. Maar kikkerland, Atlantis en -
waarom zou je het niet doen - de bloeitijd van Egypte, het verval van Athene, de Romeinen,
Karel de Grote, Pepijn de Korte, en hoe ze allemaal heten, die staan ook langs de weg. Want
die weg is gelijktijdig, wat U tijd noemt.
Nu is dat natuurlijk heel leuk, zolang je daar in een wagentje langs gaat of er langs moet
lopen. Dan ga je van fase tot fase. Dan zeg je: "Ik leef." Maar dat is alleen waar, wanneer U
onafhankelijk bent van de weg. Helaas bestaat deze onafhankelijkheid voor ons niet. We zijn
aan die weg gebonden. Nu, is dat voor iedereen duidelijk? Maar stel je nu eens voor, dat die
weg niet recht loopt maar een serpentineweg is, zoals deze tegen een berg oploopt. Dan kom
ik op een gegeven ogenblik op deze bocht en heb ik hier een trapje, dat naar boven gaat, daar
een: trapje, dat naar beneden gaat. En daar staat U, de heer en mevrouw Jansen, Pietersen,
enz. in de moderne tijd met Uw problemen, Uw Drees, Uw Soekarno, Uw atoombom en wat
dies meer zij. Gaat U nu het trapje naar beneden, dan staat U ineens in de buurt van Lodewijk
Napoleon, die net bezig is om de ergste belastinggaardersopstanden te onderdrukken. Tippelt
U naar boven, dan vindt U daar een wereld, waarvan U vandaag aan de dag nog niets weet,
die of veel beter is dan heden ten dage of veel kaler. Staat U echter in die andere wereld, dan
kunt U weer trapjes gaan lopen, als U wilt. Zo kunt U dus de hoofdfase van elk bestaan
bereiken van uit een bepaald punt in elk leven. Kunt U zich dat voorstellen?
Dat impliceert dus, dat ik op een gegeven ogenblik als ik maar snel genoeg dalen of stijgen
kan, van het moment kikker tot het moment volmaakte geest in één sprongetje kan doen. Dan
kan ik dus ook zeggen, dat deze beide dingen gelijktijdig deel uitmaken van mijn wereld.
Klinkt het logisch?
Nu is de enige kwestie dit: Ik heb nu nog steeds aangenomen, dat U zich beweegt en dat de
weg blijft liggen. Maar als de weg zich bewust is en niet alleen maar van één ogenblik - dus
waar die ene voetganger staat - maar van alle plaatsen, waarop voetgangers gestaan hebben
of staan zullen, dan is er een totaal bewustzijn. Dat is natuurlijk een ideale toestand. Stel je nu
eens voor, dat we nog niet zover, zijn, maar dat wel - wanneer iemand op plaatsje A, bij wijze
van spreken staat - die weg gelijktijdig bewust wordt in plaatsjes B, C en D. Dan kan die weg
die toestanden vergelijken met de ogenblikkelijk optredende prikkel. Te volgen? Valt het
moeilijk voor te stellen? Dan vereenvoudigen.
Hebt U wel eens met een blokkendoos gespeeld vroeger? Stel nu, dat de hele blokkendoos het
leven is, van begin tot eind. Je kunt die blokken op duizend verschillende manieren
combineren. Als je aanneemt, dat één blok steeds de kern vormt en dat dat het ogenblikkelijk
bewustzijn is, dan zal dat blok steeds in beroering zijn met de blokken, die er toevallig naast
worden gelegd: dus met verschillende delen van hét eigen wezen. Aangezien die delen kunnen
wisselen, naar gelang de positie van dat blok bewustzijn in hét geheel wisselt, zal dus dit
bewustzijn zich steeds in verbinding gevoelen met bepaalde punten, die vrij dan verleden of
toekomst kunnen noemen, maar die in feite niets anders zijn dan punten van het eigen wezen.
Het ligt op die weg. Je moet eigenlijk die baan aflopen.
Je moet die baan aflopen of beter gezegd, die baan wordt zich fase na fase van zichzelf
bewust. Is het verhelderend geweest of moet ik er nog meer over zeggen? Goed, dan ga ik
mijn talent voor spreuken eens botvieren op U, maar op een andere manier dan U van mij
gewend bent. In de eerste plaats zou ik willen definiëren? God.

EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT 147
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

God is voor ons de volmaaktheid, waarvan wij dromen zonder haar ons geheel te kunnen
voorstellen.
Leven, noemen wij datgene, waarvan wij ons thans bewust zijn: niet begrijpende, dat leven
betekent: het totaal aantal mogelijkheden, waarvan wij ons bewust kunnen worden.
Esoterisch streven betekent: er zozeer naar streven één te worden met je wereld, dat je
jezelve leert kennen.
Dan de kern van het "ik". De kern van het "ik" is de oneindigheid, waarvan alles, wat "ik"
genoemd wordt, slechts een verschijningsvorm is.
Dat zijn zo’n paar punten waarover U mag mediteren. En dan nogmaals, overweegt U alvast
eens, of U eventueel wilt aanvragen voor de G.G.S. Zo ja, dan kunt U dat mededelen, zodra U
de gelegenheid daartoe krijgt. En dan nog één punt, dat ik nog niet het gezegd: Er zal onzer-
zijds een zekere ballotage worden toegepast. Dat wil zeggen, dat we misschien niet allen
zullen toelaten die willen komen. Maar wel zal er één avond zijn, waarop ieder die wil een
bijeenkomst van deze groep kan meemaken, mits hij behoort tot de daarvoor bestaande
groepen, dus in dit geval de esoterische school.
Het woord is nu aan een volgende spreker, die ongetwijfeld wat meer geestelijk voedsel zal
willen geven, dan ik het gedaan met mijn spreuken en daarom wil ik U nog een raad geven:
Onthoud, dat de mens het best gezond blijft bij simpele kost, ook al hongert hij misschien
meer naar iets, wat lekker lijkt.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Ik mag dan vanavond voor U deze bijeenkomst gaan besluiten, maar vóór die tijd zou ik toch
graag nog zelf een kort ogenblik met U willen babbelen. Eigenlijk is:

ons zoeken naar esoterische bewustwording toch voor onszelf een zeer belangrijk
iets, nietwaar?
En daarom mogen we er wel eens over praten. Zoals een spin een web weeft om daarmede
vliegen te vangen, die haar voeding zijn, zo moeten wij eigenlijk ook in het leven zelve een
wet spinnen. Een wet van erkenning, van ervaring, Hoe meer we weten, hoe meer we kunnen
aanvoelen en begrijpen. Hoe groter ons begrijpen en onze wijsheid, hoe meer wij de kern, de
kracht van de dingen voor onszelf kunnen zien en aanvoelen. Om te kunnen leven hebben wij
geestelijk voedsel nodig. Zonder dat kunnen we nu eenmaal niet. En daarom moeten wij uit
ons leven dus steeds voor onszelf met gedachten met daden, een wet zien te spinnen, waarin
a.h.w. het belangrijke uit het leven voor ons gevangen wordt.
Je zou je dat misschien als volgt kunnen voorstellen: Je leeft. En op een bepaald ogenblik
komt in dat leven het lijden. Het is vreemd, maar zonder lijden kan geen mens leven. Hij kan
misschien bestaan, vegeteren, maar leven niet. In dit leven mét zijn lijden dus komt ook een
beoordeling van de wereld. En het is voor ons erg gevaarlijk om de wereld te gaan beoordelen
aan de hand van onze ervaringen. Want wij zijn maar al te zeer geneigd om onze wensen te
stellen als ons recht.
Maar wanneer we het lijden durven te zien met een zekere onpartijdigheid, dan blijkt ons, dat
het naast veel leed, ongetwijfeld veel pijn, veel, zorg, veel ellende, ook een nieuwer bewustzijn
met zich meebrengt. Een intensifiëring misschien van het leven, een nieuw ervaren. Wanneer
we dit begrijpen - dus het leed niet alleen maar zien als iets, waartegen we
ons moeten verzetten, iets, wat ons ten onrechte wordt aangedaan – dan kunnen we juist uit
dit lijden, uit het ongenoegen, dat we doormaken, voor onszelf een reeks draden spinnen, die
aanslaan op alles, wat lijden heet in de wereld.
Een mens, die zelf honger geleden heeft, kan zo goed begrijpen, hoe een ander zich voelt, die
niet te eten heeft. Maar wie alleen maar volle tafels heeft gekend, die kan niet ontwaken tot

148 EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

het bewustzijn van de honger van een ander. Zo ontgaat hem veel in de wereld. Daarom is ons
lijden, het leed, dat we hebben doorgemaakt, voor ons een middel om de wereld te te grijpen.
En het begrijpen, van de wereld brengt met zich mee, dat we de essence van de dingen, de
werkelijk voor de meesten verborgen kwaliteiten, aanvoelen en voor onszelf leren gebruiken.
Zo worden we rijk door wat we lijden.
We hebben ook wéten. Wanneer je de wetenschap dient om zichzelve, dus alleen maar om het
weten steeds te vergroten, dan haalt het weinig uit, Maar wanneer je het weten beschouwt als
een middel om én voor jezelf én voor anderen iets te doen, dan het je het weten gemaakt tot
een contact met de wereld. We kunnen als voorbeeld nemen iemand, die in een laboratorium
zoekt naar een middel - mijnentwege tegen een ziekte - of die misschien streeft naar een
uitvinding, die het de huisvrouw gemakkelijker zal maken, dan wel materiaal onderzoekt,
zodat het sterker zal zijn en duurzamer en er dus minder ongelukken zullen voorkomen.
Wanneer deze mens zich realiseert wat hij doet, dan begrijpt hij, dat elke handeling gelijktijdig
het uitgrijpen is naar bepaalde problemen 3n zorgen, die over de hele wereld bestaan. Hij
komt dus in een zeker opzicht nader tot de mensen. Naarmate zijn weten meer fasen omvat
en hij dus op meer terrein steun en hulp aan de mensen kan geven, zal hij ook meer contact
met de mensheid hebben: en í dit contact zichzelf wederom geestelijk en innerlijk verrijken.
Maar om al deze dingen samen te houden - want we kunnen nu wel een web van heel veel
draden spinnen naar buiten toe - hebben we toch ook nog de verbindingslijnen nodig, die pas
het eigenlijke web vormen. U weet wel, die snoertjes, die de spin zo zet van draad tot draad,
ijverig steeds rondgaande, tot op de duur een reeks van mazen met een vaak wonderlijke
regelmaat ontstaan is. Kijk, wij kunnen uit al ons weten, al ons lijden, al ons begrip, ja, zelfs
uit al onze vreugden, nooit iets putten, wat werkelijk belangrijk is, wanneer we niet leren dit te
verbinden met elkaar. Zo kan ons lijden b.v. voor ons een begrip van het lijden der mensheid
betekenen. Maar eerst wanneer we daadwerkelijk proberen om zo dit begrip door ons weten
om te zetten in een handeling, die op haar beurt de mensheid helpt en in die hulp ons de
wijsheid geeft, dan hebben we pas werkelijk wat gedaan.
De theorieën en de innerlijke begrippen en toestanden zijn mooi. Maar alleen wanneer we
daadwerkelijk iets bereiken kunnen, iets presteren, kunnen beantwoorden we aan het
werkelijke doel van het leven.
Want doordat wij met daden, met streven, met willen en geloven een band vormen, die ons
hele leven samenvoegt tot één groot geheel, zijn wij in staat de dingen, die buiten ons huidig
weten liggen, buiten onze huidige mogelijkheden, toch op te vangen en te leren kennen.
Want stel nu, dat U de mensheid wilt helpen. Dan hoeft U helemaal geen sensitief mens te
zijn, U behoeft geen medium te zijn of helderziende met een andere wereld en sfeer, want
daar wil men ook helpen. Zo brengt u niet alleen maar contacten op uw eigen bestaansvlak tot
stand, maar verdiept U a.h.w.het leven door steeds meer krachten daarbij te betrekken.
Wanneer u intens probeert een mens te helpen dan krijgt u De eeuwigheid wordt wel eens
voorgesteld als een bol. U weet wel, zo’n gezellige kaatsbal, die als een rijksappel in de hand
van de Schepper rust. Maar ons leven, zoals wij het beleven, ís geen bol. Het is een uitermate
puntdun schijfje van dat geheel, een enkel plat vlakje.
En we begrijpen niet, welke andere vlakken er in zouden kunnen bestaan. Het web, dat wij
weven, is natuurlijk binnen dit vlak gelegen. Maar het brengt ons juist daardoor in contact met
alle andere invloeden, die ons (eigen vlak doorkruisen. Zo komt de esotericus niet alleen maar
tot een begrip van meer werelden, maar hij komt ook - en dat is veel belangrijker -tot een
voorstelling van het leven zelve, van de wereld zelve. Kun je dat bereiken, ach, dan verandert
alles zo. Ik zou U misschien een klein verhaal daarover mogen vértellen, voordat ik dan voor U
besluit.
Ergens, heel diep in de aarde, leefde vroeger een volk, geborgen in grote grotten. Deze
mensen waren eens - in tijden, die zij zichzelf haast niet meer herinneren konden - gevlucht
voor grote rampen aan de oppervlakte van de wereld. Ondertussen was de aarde tot rust

EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT 149
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

gekomen, de zeeën hadden zich begrensd binnen de kusten, de planten groeiden, er leefden
dieren, maar mensen waren er niet.
Toen was er één jongeman, die al die verhalen van de ouden over die wereld begon te
beluisteren met een bijzondere interesse. Hij zei tegen zichzelf: "Dit kan niet zonder grond
zijn. En alles wijst er op, dat buiten deze holen, waarin we wonen, ergens een wereld moet
zijn." En aangezien het begrip "boven" voorkwam zowel in zijn eigen wereld als in die
verhalen, begon hij naar boven te streven.
Zijn vrienden hebben hem uitgelachen. Want hij begon met een trap te bouwen langs de
wanden van de grot, zodat hij eindelijk daarboven kwam, waar het licht van de enkele lampen,
die ze nog gebruikten, niet eens reikte. Toen - heel voorzichtig - begon hij een gang te
bouwen. Eindelijk, eindelijk, toen kwam er een heel klein splinterig gaatje en daar viel een
lichtbundel door.
De jongen was verblind. Hij kon niets meer zien. Het was hem een pijn op zijn ogen. Hij wist
niet, wat hem overkwam. En toen? Toen kwam hem het weten te hulp. Hij zei tegen zichzelf:
"Misschien is dat nu de zon." Heel voorzichtig maakte hij dat gaatje groter....en nog groter.
Maar elke keer moest hij teruggaan tot de grotten, want lang kon hij dat licht niet verdragen.
Maar er kwam een dag, dat hij het schemerige licht, dat er heerste, zo goed verdroeg, dat hij
ten slotte zich losworstelde en boven stond op een wereld, die hem verbaasde door haar
schoonheid.
Toen zei hij tot zichzelf: "Ik moet mijn volk naar deze blijde, vrolijke, lichte, rijke wereld
brengen." En hij begon met er een paar mee te sleuren. Ze werden verblind door het licht van
de zon en konden niets zien. De stralen van de zon verzengden hun huid, die er niet tegen
kon, totdat ze verbrand én ademloos neerlagen en bijna stierven. Toen begreep de jongeling,
dat dat niet de juiste weg was. En daarom begon: hij een grote kelder uit te houwen waarin de
duisternis iets minder was, maar dan ook maar "iets" minder. En nog een kelder, waarin het
licht alweer wat normaler was. En hij bracht de mensen naar die eerste kelder en zei hun, dat
zij daar moesten leven. En hij bracht hun vruchten van boven uit de wereld, als een bijzondere
gave, zodat zij gaarne kwamen. En zo gewende hij hen eraan om trap na trap naar boven te
stijgen, tot zij eindelijk het licht konden aanschouwen.
Toen de eersten dier holenmensen eindelijk de wereld jubelend betraden, was de jongeling oud
en grijs geworden. En zelf had hij de vreugden van die wereld eigenlijk niet gekend, want hij
was zo druk bezig geweest met zijn graven en met zijn verzamelen van voedsel. Maar in de
vreugde van deze anderen en in het weten, dat hij hen bevrijd had, kon hij overgaan naar een
andere wereld. En ziet, alle vreugde, die hij geschapen had, was de zijne. Want hij begreep de
vreugde van al, wat uit duister tot licht komt, zowel in werelden als in sferen.
De weg van de esotericus is ongeveer dezelfde. Ook hij zoekt moeizaam zijn weg naar boven.
Soms tegen zó grote weerstanden en met zo grote moeilijkheden, dat men zich wel eens
afvraagt, of hij nu eigenlijk niet een klein beetje "van Lotje getikt" is. Maar als hij volhoudt en
toch verder zijn gang bouwt naar die andere, die lichte wereld, dan komt er een ogenblik, dat
hij een straal licht ziet. En dan dénkt hij, dat het de zon is.
Ook de esotericus moet wennen aan die innerlijke kracht, dat innerlijk licht, dat bewustzijn,
dat hem eerst bijna verblindde. Maar is hij eenmaal in staat om de werkelijke wereld te
betreden, dan kan wanneer hij werkt en zwoegt voor de anderen - hen verheffen tot zijn eigen
peil van inzicht. En zal hij de vreugden daarvan misschien niet gekend hebben, zo zijn ze hem
rijkelijk vergolden, wanneer hij door het vergaarde weten, het vergaarde inzicht en het
vergaarde gevoelen, vrijelijk kan opgaan in grotere, hogere en lichtere werelden.
En dit, vrienden, zou ik U dan als voorbeeld willen stellen. Eerst zelve bereiken en dan begrip
tonen voor het onbegrip van anderen: zodat je hen langzaam kunt leiden tot een beter inzicht,
kunt helpen aan een gelukkiger leven, kunt helpen op de duur aan de vrijheid, die je voor
jezelf gewonnen hebt. En met deze kleine gelijkenis heb ik dan wel mijn onderwerp besloten.

150 EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 20 mei 1958
Les 9 – Een ogenblik aan onszelf ontrukt

Maar misschien heeft U nog een laatste woord, dat dan als slotwoord voor deze bijeenkomst
kan dienen.

Het Schone Woord: DE LEEUWERIK
De leeuwerik zingt en hij stijgt in de lucht, totdat hij uiteindelijk in maatloze vlucht één is
geworden met 't hemelse blauw. Een vogel, onaanzienlijk op aarde en grauw, werd één met de
hemel. En keert hij terug, dan is 't slechts om wederom opwaarts te gaan. Want de vlucht
omhoog is de leeuwerik doel en wezen van 't bestaan.
De leeuwerik zingt. Hij zingt, tot men 't op aard' niet meer kan horen en de laatste toon van 't
lied verschalt in zonnegloren of meevliedt met de loden nacht, wanneer de avond valt. Want
wie stijgt en weet te kunnen stijgen, wie vliegen mag tot bij de zon, die zingt het lied van
moeder aarde en van de Schepper, van 't begin. Hij looft het Al van grote waarde en spreekt
ervan met innige min. Want zingt de leeuwerik zijn lied, het is het lied van 't eigen ervaren en
de vreugde, die dat ervaren biedt.
Soms mag een mensenziel ook stijgen als de leeuwerik in de vrije lucht: 'en neemt naar
andere, vrijer hemel en lichter sferen dan haar vlucht. Een lied klinkt dan - doch zonder
woorden - en spreekt het eigen leven uit. En roept het toe aan alle sferen: "Zie in mij
zonneglans des Heren, 't geluk, zo groot, zo wonderbaar."
En als de leeuwerik moet vallen, zo keert de ziel tot 't leven terug,- dat haar als doel nog werd
gesteld. Ze ziet de dagen, die nog komen. Al zijn ze duizendmaal geteld, ze moet ze toch
doorleven, mag '" nog niet slechts in de hoogte gaan en in andere sferen vredig dromen.
Maar wat deert dat? Het doel is om opwaarts te gaan. Dat is de zin en de vreugd van het
leven. Laat ons daarom dankbaar 'zijn, dat ons de middelen tot een vlucht in hoger sferen
wordt gegeven.
Dat was dan een klein filosofietje rond het woord leeuwerik. En ik hoop, dat we daarmee dan
ook tot Uw tevredenheid deze bijeenkomst mogen besluiten. Een volgende maal zal ik graag
van de gelegenheid gebruik maken om weer een eigen onderwerp met U te behandelen, maar
voor vandaag was om verschillende redenen van de programmaleiding - zullen we maar
zeggen - de indeling enigszins anders.
Vrienden, tot een volgende keer allemaal. En hopelijk moogt U ook wel eens een keertje
opwaarts vliegen.
Goeden avond

EEN OGENBLIK AAN ONSZELF ONTRUKT 151
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

Goeden avond, vrienden.
We zullen dan vanavond in dit kleine gezelschap weer trachten zo het een en ander te
vertellen over de esoterie. En nu kunnen wij daarmede natuurlijk heel veel verschillende
kanten uit. Gezien het feit, dat naar schatting ongeveer de helft afwezig is, zou ik zeggen:
Wanneer U belang hebt bij bepaalde punten, dan wel een uitweiding wenst over hetgeen wij in
het verleden hebben besproken, dan staat het U volkomen vrij daarop de aandacht te
vestigen.
In de esoterische kring en de G.G.S. hebben wij geleerd, dat het lijden van de mens is ter
bevordering van zijn bewustwording. Op de genezingsgroep proberen wij de mensen te
helpen door hun lijden te verminderen. Is dat niet in tegenspraak met elkaar of geldt dat
alleen voor het lichamelijke lijden? - Misschien kunnen wij het lijden als onderwerp nemen,
wanneer niemand daartegen bezwaar heeft.

HET LIJDEN

Wanneer wij goed willen begrijpen wat lijden betekent, dan kunnen wij ons misschien het best
voorstellen, dat God voor een ogenblik in een facet is gekristalliseerd. Als een waterdruppel,
die ineens tegen de ruit ontstaat door condens, schijnbaar uit het niet, hebben wij hier onze
persoonlijke God. Die persoonlijke God heeft het hele heelal geschapen. Zelfs indien wij willen
aannemen - wat o.i. niet waar is - dat, het een groeiend heelal is, dan is die God bezig met
alle sterren, dan is Hij bezig met de hele ruimte, met de voortdurende harmonie en het
voortdurend evenwicht van het gehele bestel, het gehele bestaan. Wij kunnen dus wel
begrijpen, dat die God zelfs - al zou Hij als een heel goed wezen ook wel eens op aarde willen
gaan kijken - daar eigenlijk niet aan toe komt. Het is zo onbelangrijk. Niet waar, wat is één
korrel zand langs de hele Noordzee? Dat is niets. Toch is in verhouding die korrel zand nog
belangrijker dan de aarde t.o.v. de kosmos. En de wezens, die op deze aarde staan, zouden
misschien belangrijk kunnen zijn, wanneer er niet zo onnoemelijk veel andere levende wezens
waren. Want er zijn toch altijd nog wel ettelijke miljoenen planeten, waarop levende wezens
zijn, die dan evenzeer recht hebben op de aandacht van de Schepper als U.
Ik begin hiermede in de hoop U duidelijk te maken, dat lijden dus voor God eigenlijk niet
belangrijk is. Hij zal het niet bevorderen, Hij zal het ook niet wegnemen. Wanneer wij dan toch
lijden, moet die oorzaak dus ergens anders liggen. En waar kan die oorzaak anders liggen dan
bij onszelven?
Ook moeten wij nog opmerken, dat wij vele dingen lijden noemen, die dit in feite geestelijk
gezien niet zijn. Er zijn mensen, die zeggen: "Ik heb het zo goed gehad en nu heb ik het zo
slecht. Wat moet ik lijden: " Is dat dan werkelijk zo? Hebben die mensen niet vroeger de
fouten gemaakt of de beslissingen genomen, waardoor hun huidige armoede veroorzaakt
werd? Is dit wel een feitelijk lijden? Is dit niet het gevolg van eigen vrije wil? Zo ja, dan staat
het geheel buiten God en ligt het in de mens zonder meer.
Wanneer een geest zegt: "Ik heb zo’n hoog bewustzijn gekend en nu moet ik alleen maar in de
schaduwen van de wereld ronddolen en in het Nevelland. Wat is mijn lijden groot!" heeft die
geest dan werkelijk het recht om hier over lijden te spreken als iets, wat hem wordt opgelegd?
Mij dunkt van niet. Want als hij zich gehouden had aan alle kosmische regels, zou hij niet in
die toestand zijn. Het feit, dat hij daarin terecht is gekomen, is het gevolg van de
consequenties van zijn eigen streven,van zijn eigen werken. Wij hebben het daar kort geleden
op een Vrijdagavond ook al over gehad en op nog een paar andere avonden.
Maar laten we nu eens stellen, dat het lijden een zaak is van de mensen en niet van God.
Daarmede moeten wij beginnen. Is dat voor een ieder te accepteren? Ja? Goed. Dan hoef ik
daarover niet uit te weiden.

152 HET LIJDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

U zult begrijpen, dat het lijden, wanneer het uit de mensen geboren is, niet een werkelijke
waarde kan zijn. Het is een waantoestand. Een waantoestand, die in de mens ontstaat, omdat
hij de consequenties van zijn eigen wezen en daden niet kan accepteren met alle gevolgen
daarvan. Van God uit bestaan er alleen wetten. God kan die wetten niet veranderen. Hij kan er
geen uitzondering in maken ook. Wanneer Hij dat zou doen, zou de gehele kosmische
harmonie, het kosmisch evenwicht verstoord zijn. Zolang God is, is God tevens de regel, die
het heelal beheerst. Niet met een willekeur, zoals sommige kerken dit voorstellen, maar met
de absolute evenwichtigheid van een perfect harmonisch Wezen, dat dus onaantastbaar is.
De consequentie hiervan is, dat alle mensen op aarde zullen lijden, indien zij tegen die regels
zondigen. Zou dit nu ten allen tijde gebeuren, dan zou het weer erg onrechtvaardig zijn. Maar
gelukkig is ook dat niet waar. Want in de goddelijke regel is een voorbehoud gemaakt. Je kunt
slechts lijden door hetgeen je kent, niet door hetgeen je niet kent. Nu zullen sommigen dat
misschien willen bestrijden, maar daar op kunnen wij dan dadelijk ingaan.
Wanneer je alleen kunt lijden door datgene, wat tot je bewustzijn doordringt, dan moet je ook
een zeker meesterschap hebben over elke voorwaarde, die het lijden veroorzaakt. Wanneer wij
nu willen helpen en het lijden van een mens willen verlichten, dan kunnen wij dit nooit doen
door het lijden zelf op te heffen. Wij kunnen het hoogstens doen door de conditie, waaruit het
lijden is voortgekomen, op te heffen wanneer de mens ons dat althans toelaat! En hier, zelfs in
de eigen kring, in de kern van de Orde eigenlijk, hebben we dat een paar keer in sommige
gevallen uitgedrukt gezien: Personen, die zichzelven niet voldoende kunnen veranderen om
aan het lijden, dat uit hun wijze van denken en leven voortkomt, te ontkomen. Dat geldt niet
alleen voor geestelijke maar ook voor stoffelijke zaken. God leert ons hoe te leven. Wanneer
wij het bewustzijn hebben, dat noodzakelijk is om een bepaald soort lijden te ondergaan, dan
beschikken wij ook over voldoende bewustzijn en kennis om aan dit lijden te ontkomen. Maar
in vele gevallen zien wij liever niet, wat voor moeilijke wegen er dan gegaan moeten worden.
We houden het bij het gemakkelijke. Het lijden resulteert eruit. In de meeste gevallen kan
vanuit de geest worden gezegd, dat het verschil tussen lijden en vreugde een haarbreedte
verschil in denken is.
Nu zal het onmiddellijk duidelijk zijn, dat wat wij dus doen, wanneer wij trachten de mensen te
helpen, in feite niet is hen lichamelijk te genezen, maar dat wij eerder trachten om hen een
geestelijk evenwicht te doen hervinden. Daarbij kunnen wij voor een korte tijd de lasten van
de ziekte zelf dragen, maar alleen maar voor een korte tijd. Dat kunnen wij niet onbeperkt
doen. Wij kunnen onze krachten geven maar niet onbeperkt. Dat kunnen wij maar voor een
korte tijd doen.
Wat b.v. onze genezingsgroep presteert, is in de meeste gevallen in de eerste plaats wel het
geven van een adempauze aan lichaam en geest. Daarnaast het inwerken op die geest via
allerhande kanalen, waardoor die geest zich enigszins kan gaan omstellen. Wanneer ze de
concepten, die tot die kwaal aanleiding waren, dan durft en kan verlaten - met alle
consequenties daaraan verbonden - dan is de kwaal genezen. U ziet dus wel, dat het lijden
helemaal niet zo vreemd is, zo iets zonderlings en zoiets noodlottigs, als het wel lijkt. Sn dat
ook het werk van een genezingsgroep b.v. en van alle andere steun, die op geestelijk en
stoffelijk terrein wordt gegeven, eigenlijk alleen maar gehoorzaamt aan een goddelijke wet.
Nu ga ik nog even naar mijn persoonlijke God terug. Stel U voor, dat die God hier zit. En
daarnaast zetten we een paar willekeurige figuren, onverschillig voor wie U voorkeur heeft.
Misschien zet U aan de ene kant een Paul Spaak neer, een mijnheer Voltaire en - laten we wat
anders opzoeken - Plato misschien. En aan de andere kant zetten we neer een Louis Pasteur,
een Theodoor Roosevelt, een Abraham Lincoln en nog zo’n paar figuren. Nu stellen we ons
voor, dat die menselijke wezens met die God zouden moeten gaan spreken. Dan is het eerste
commentaar natuurlijk: "Ja, maar God, hoe komt het eigenlijk, dat die Voltaire hier in de
hemel is? Daar hoort hij helemaal niet thuis".

HET LIJDEN 153
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

"Ho", zegt God, "Ik heb nooit gezegd, dat Mijn hemel alleen maar bestemd is voor wezens, die
in Mij geloven. Mijn hemel, Mijn geluk, Mijn vrijheid a.h.w. is bestemd voor een ieder, die zijn
doel in het leven weet te vervullen."
Dan krijgen wij natuurlijk ergens commentaar van b.v. katholieke zijde. "Ja, maar Jezus heeft
toch gezegd: Ik ben de weg en de waarheid."
"Neen", zegt God de Vader. " hij heeft gesproken in gelijkenissen en heeft bedoeld: mijn wijze,
van bestaan en mijn aanvaarding van het leven zijn de weg en de waarheid."
"Ja, maar dan moet een religie toch een gezag hebben. Niemand komt tot de Vader dan door
mij."
"Is dat wel gezegd door Mij?" vraagt God "Heeft Mijn zoon niet gezegd: niemand komt tot de
Vader dan door de waarheid?"
"Maar Jezus heeft gezegd? Ik ben het licht en de waarheid en de weg."
"Ja, Jezus was dit. Maar sluit dat de mogelijkheid uit, dat er ook anderen zo zijn?" En dan
krijgen wij natuurlijk onmiddellijk het commentaar van alle kanten.
"Ja, maar God, waarom zijn er dan zovele tegenstellingen? Want het feit, dat er verschillende
godsdiensten tegenover elkaar staan, dat verwart ons zo, dat maakt ons allen zo gebonden. "
Dan zegt God: " Dat heb Ik niet gedaan, dat hebben jullie gedaan. Want als Ik al die
leerlingen, al die meesters van jullie, al die kinderen - uit Mijn licht geboren - beschouw, dan
zeggen ze allemaal hetzelfde. De Chinese wijsgeer heeft gezegd: Ontvang zelfs Uw vijand
gastvrij in Uw huis, zoals de boom, die haar schaduw zelfs niet weigert aan hem, die de bijl
legt aan haar stam. En Boeddha heeft toch ook geleerd, dat je goed moet zijn voor je naaste,
want dat juist in het onpersoonlijk aanvaarden van het leven en het streven ten goede voor
een ieder de enige weg ter bewustwording is. Dat heeft Jezus ook zo verteld: en dat hebben
de anderen ook zo verteld. Maar wat hebben jullie mensen gedaan? Jullie hebben leerstellingen
genomen, jullie hebben geprobeerd er een machtsmiddel uit te maken. Geloof Mij, wanneer je
een mens bekeert met geweld, heb je alleen maar het demonische met ettelijke krachten
verrijkt."
Zo kunnen wij ons voorstellen, dat het commentaar tot in het oneindige verder gaat. Maar
misschien, dat ik hierin mijn gedachte over goed en kwaad, over lijden en vreugde, toch al een
beetje duidelijker maak. Want wat is eigenlijk vreugde? Is vreugde in feite niet een volledige
tevredenheid? En wat ís tevreden zijn? Vrede in jezelve dragen. Hoe kan het dan anders zijn,
dan dat een mens, die het leven aanvaardt en niet probeert te ontkomen aan de consequenties
van zijn eigen gedrag binnen de goddelijke wetten, God benadert, onverschillig wat hij gelooft,
wat hij denkt, hoe hij streeft? Hoe kan het dan anders zijn, dan dat er lijden moet zijn voor
elke mens, die meent, dat hij boven de wetten Gods kan staan? Die meent, dat alleen zijn
visie juist is? Die meent, dat hij het oordeel mag spreken? Dat is toch duidelijk, nietwaar?
Laten wij dan eens zien, wat voor dwaasheden de. mensen o.a. uithalen op het terrein van het
sociale leven, de maatschappij. De vlag, eer van het vaderland, wat zijn dat voor dingen? Zou
God die geschapen hebben? Of is het eigenlijk maar een menselijke verwaandheid? Maar
diezelfde leuzen zijn de oorzaak van veel strijd, van veel ellende en van veel oorlog. Onze
moeder, de heilige kerk, de ons gegeven bijbelse waarheid, het enig ware woord Gods. Als
God de Bijbel geschreven moest hebben, zou je Hem een onvolmaaktheid kunnen verwijten,
want dan zou Hij een slecht schrijver zijn. God heeft die dingen niet gemaakt. En de mensen,
die proberen het te doen voorkomen alsof het wel zo is, die hebben zichzelf aangesteld als
selecteren, die op aarde alvast eens zullen uitmaken, wie God nu wel en wie niet in Zijn hemel
mag laten. Dat is toch dwaas, nietwaar? Dan moet er lijden komen. Want nu gaat de mensheid
werken met een reeks van waarden, die absoluut irreëel is. En op het ogenblik, dat wij
stoffelijk of geestelijk met irreële waarden aan het werk gaan, valt onze wereld in duigen. Dan
staan wij tussen de puinhopen van onze verwachtingen en dan ontwijken wij deze in ziekte, in
ellende, in nood. Dan gaan we ons beklagen en dan gaan we proberen het leven te ontkennen.

154 HET LIJDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

Niet omdat dat leven niet te dragen is, maar omdat het zich niet houdt aan de regels, die wij
stellen. Niet omdat die waarheid onaanvaardbaar is, maar omdat wij het belangrijk vinden, dat
wij de waarheid geven aan anderen en niet kunnen aanvaarden, dat er een waarheid bestaat
buiten ons. Dat zijn dan de premissen, van waaruit je het lijden ook op een andere manier
kunt gaan bekijken.
Wanneer God ons de mogelijkheid moet geven - en ik meen, dat dit in Zijn schepping en Zijn
wetten is uitgedrukt van het begin af aan - om op onze wijze tot een beleving van Zijn wezen
te komen, dan kan dit nooit op een simplistische wijze gebeuren. In feite zouden er zoveel
hemelen en zoveel buitenste duisternissen moeten zijn als er mensen zijn. Want elke mens,
elke geest draagt in zich zijn eigen duisternis en zijn eigen licht. De gedachte, dat er één
hemel is of één hel, is dwaasheid. Er is alleen maar een hele, praktisch voor ons oneindige,
onafzienbare reeks van mogelijkheden, waarin God beleefd kan worden. Wanneer wij nu in
deze beleving onszelf kunnen uitdrukken, dan vinden wij daarin wederom vrede, dan wordt
zoiets voor ons een hemelbegrip. Op het ogenblik, dat wij ons menen te moeten verzetten
tegen dit beleven - onverschillig om welke reden - dan leven we in de hel. Dan ondergaan we
het lijden en kennen wij de pijn en al, wat er bij hoort.
Een nuchter mens en zeker dus een geest, die een ietwat hoger bewustzijn krijgt, zal daarom
als volgt spreken? Oordelen als mens kun je alleen over jezelf - als mens - en niet verder.
Werken in de schepping kun je alleen aan jezelf: en ben je mens, dan aan jezelf als mens. Je
kunt nooit ongebonden zijn in de schepping, omdat je zelve onbewust bent van alle
mogelijkheden van de schepping. Maar elke band, die je aanvaardt ondanks je weten, is een
beperking van je vrijheid en een verwijdering van God. Onverschillig waar je leeft, besta je in
een bepaalde sfeer. Die sfeer is jouw eigene en die beroert naast het zuiver stoffelijke ook vele
andere gebieden. Ben je in strijd met die sfeer, of wil je haar niet aanvaarden met haar
betekenis, dan is er lijden. Kun je haar wel aanvaarden en zo tot een harmonisch mens
worden, tot een eenheid, dan is daarentegen weer de vrede en het geluk je deel.
Sfeer na sfeer kunnen wij een hele trap opbouwen. Dat is een menselijk begrip. Dat is precies
als een landkaart, die de vreemde bol met wonderlijk reliëf, die aarde heet, op een plaatje
papier afbeeldt met wat verschillende kleurtjes en wat lijnen. We kunnen niet verwachten, dat
ons besef, ons bewustzijn, die hele wereld werkelijk omvat we mogen dus ook niet
verwachten, dat de kaart, die in ons voorstellingsvermogen bestaat, de volledige werkelijkheid
van de schepping en het Goddelijke weergeeft. Dat de trap, die wij van verschillende sferen
gebouwd hebben, een feitelijke is. Wij weten, dat wij door een generalisatie geprobeerd
hebben een voor ons aanvaardbaar begrip te verwerven. Wij weten gelijktijdig, dat dit begrip
niet volledig juist kan zijn. Op het ogenblik, dat wij weigeren elke afwijking van het door ons
geloofde te accepteren als mogelijk of waar, zullen wij lijden. Op het ogenblik, dat wij al, wat
wij ervaren, als een verrijking van deze oorspronkelijke zienswijze kunnen aanvaarden,
kennen wij vrede en vreugde.
Het leven is niet moeilijk, vrienden: helemaal niet. Het leven is heel gemakkelijk, onverschillig
waar je bent en welke wereld of sfeer je betreedt. Zoals sterven al even gemakkelijk is. Alleen
kun je het jezelf heel erg moeilijk maken, omdat je - door de misverstanden die in je bestaan -
maar steeds weer gaat proberen je eigen wezen op te leggen aan de wereld.
Ik zou mij kunnen voorstellen, dat die God, waarover ik het zo-even had, met Zijn gezelschap
aan het spreken is en dat men God vraagt: "God, heeft U dan niets verboden? Zijn er dan
geen geboden?" En dat die God een beetje glimlacht en zegt: "Dachten jullie nu heus, dat ik zo
kinderachtig was om geboden neer te schrijven? Ik heb wetten geschapen. Iedereen is vrij om
die wetten te overtreden, mits hij de consequenties accepteert."
"Ja, maar God, het is zo lastig. Want dan krijgen we toch maar weer elke keer die
consequenties te ondergaan: en wij weten niet precies, wat Uw wetten zijn."
Dan kan ik mij voorstellen, dat die God Zijn schouders ophaalt over zoveel onbegrip en zegt:
"Maar in de wetten zelve heb Ik U geschapen. Die wetten leven in U. En alsof dat niet
voldoende ware, heb Ik U aan alle kanten de lessen en de lering gegeven. Ik heb in elke
HET LIJDEN 155
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

wereld en in elke sfeer de mogelijkheid gegeven om Mijn wetten duidelijk te erkennen en te
aanvaarden. Wanneer je dat dan niet wilt doen, wat willen jullie dan Mij verwijten? Moet Ik een
toornige God zijn? Dan breekt het Al uiteen. Moet Ik een liefdevolle God zijn, die U persoonlijk
vertroetelt en opvoert tot het hemelrijk? Waar zou dan Mijn rechtvaardigheid blijven? Waar
zou dan de regelmaat blijven? Het Al zou uiteen barsten. Slechts door te zijn wat Ik ben, het
Onveranderlijke, uitgedrukt in wezen en wetten binnen de schepping, zijnde de Kracht van de
schepping, kan Ik bestaan. Zonder dat zou Ik, God, geen God meer zijn. En gij, die Mijn
schepselen zijt, ge kunt U richten naar Mijn wezen en één zijn met Mij. Of ge kunt U verzetten
tegen Mijn wezen en lijden, omdat de eenheid met Mij voor U een noodzaak is."
Kijk, daar ligt eigenlijk het hele probleem van het lijden in uitgedrukt. Wat wil je doen, wat wil
je zijn? Wil je proberen Gods wetten te accepteren? Dan heb je je alleen maar te houden aan
die innerlijke wet en aan datgene, waarvan je weet, dat het Gods wil is. Voor de rest ben je
volledig vrij, zelfs indien je tegen Gods wetten wilt ingaan. Als je de consequenties aanvaardt,
zul je zelfs dan nog vrede kunnen vinden. Want wie wetend Gods wetten overschrijdt en de
gevolgen daarvan dus vrijwillig aanvaardt, zal in het lijden zelve ook de vreugde weer vinden
van een zelfbevestiging en zo de vrede. Slechts degenen, die van God eisen, dat hun wetten
ook de Zijne zijn, die zullen ellende en ongeluk kennen.
Het hele probleem van lijden, dat wij hebben gesteld, is er geen van lijden. Want lijden als
zodanig is een fictie. Het is levensaanvaarding of levensverwerping, waar dit alles om draait.
Het draait erom, of je zelf belangrijker bent of dat God belangrijker is. Of je de waarheid van
de goddelijke wet accepteren wilt, of dat je wilt trachten de leugen van je eigen wet daarvoor
in de plaats te stellen.
En daarmede heb ik zo’n beetje dit onderwerp belicht. Ik weet niet, of U nog verder wilt gaan
op sommige punten daarvan: dan kunt U dat ook weer zeggen.
Kinderen hebben ook dikwijls te lijden. Komt dat dan door hun karma?
In de eerste plaats: Hoe kan een kind lijden? Slechts binnen de mogelijkheden van zijn eigen
begrip. En veel van het lijden van kinderen zou dus kunnen worden gesteld te zijn een verzet
tegen de bestaande toestand in de wereld.
Maar ook stoffelijk?
Ook stoffelijk. In de tweede plaats: Datgene, wat de volwassene lijden noemt voor een kind,
behoeft dat lang niet altijd te zijn. Kinderen zijn juist in wat de mensheid lijden noemt
veel sterker en gelukkiger dan menige volwassene, omdat ze tenminste het zelfbeklag vaak
missen. Dan verder: Wanneer een kind op de wereld komt als mens, heeft het al een weg
afgelegd. En of wij nu willen spreken van karma of het willen gooien op
onbegrip van de ware toestand, zeker is het, dat het kind bij zijn keuze ongetwijfeld zekere
erfelijke gevolgen op zich laadt, een bepaald milieu kiest en zo de consequenties van deze
keuze zal moeten ondergaan. Wanneer het dit harmonisch doet, kan het lijden van het kind
een zegen zijn. Er zijn op deze wereld kinderen geweest, die in hun jeugd zeer veel hebben
geleden en juist door dit lijden niet alleen gelukkige mensen waren, maar wat meer is, een
stimulerende kracht waren voor de gehele schepping en een zegen voor de mensheid. Ook dat
moeten wij niet uit het oog verliezen. Het lijden op zichzelf heeft geen betekenis, maar het is
een doel. Een doel, dat verborgen ligt in de strijdigheid van het lijden en de goddelijke
volmaaktheid. Deze drukken het verschil uit tussen de goddelijke harmonie en het eigen
wezen. Wanneer het eigen wezen tot goddelijke harmonie komt, kan het lichaam gemarteld
worden en het merkt het niet eens. Ik weet niet, of U wel eens gehoord hebt over martelaren,
tovenaars en medicijnmannen, die zich aan behandelingen kunnen onderwerpen, die de
gruwelijkste smart betekenen, zonder iets te voelen.
Dat zijn uitersten.
Dat zijn geen uitersten. Dat zijn alleen wezens, die als mens datgene bereikt hebben, wat
ieder ander in het lijden bereiken kan. En datzelfde, wat voor een gewoon mens lijden is,
wordt dan juist voor deze mens een vervulling. Lijden is dus een zeer relatief begrip, zeker
wanneer je gaat spreken vanuit een volwassen standpunt over kinderen of b.v. over asceten.

156 HET LIJDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

Er is geen werkelijke betekenis van lijden, die algemeen, kan worden vastgelegd. Lijden is een
persoonlijke reactie, die zelfs maar in zeer flauw verband staat met de buitenwereld. Want een
kind, dat lijdt, zal vaak door het medelijden van de groten zich genoopt voelen aan een lijden
uiting te geven, zonder dat het feitelijk bestaat. Een kind zal heel vaak om de vreugde van het
aanvaard worden, het aandacht krijgen, een bestaand lijden op een gegeven ogenblik ineens
erg gaan ervaren, terwijl het hem in feite helemaal geen lijden geweest is. Neem maar de
bekende kwestie van de zere vinger. In het spel wordt die helemaal vergeten. Het is een
gewone kleine kwetsuur. Voor het kind betekent het op dat ogenblik niets...... totdat Moeder
komt. Dan kan er een uur voorbij zijn, maar dan wordt er gehuild en dan doet die vinger pijn.
Ik geloof, dat daarmee de relativiteit zelfs van het stoffelijk lijden is uitgedrukt.
Misplaatst medelijden?
Och, ik zou zeggen, elk medelijden is misplaatst. Medeleven, ja, omdat we allen - deel
uitmakend van dezelfde schepping - bij elkaar horen. Maar medelijden? Is medelijden
uiteindelijk geen stimulans tot zelfbeklag? Is het niet in de meeste gevallen het stimuleren van
de onvrede en dus van pijn en ongeluk in een ander? Dus ik geloof wel, dat we het medelijden
als misplaatst moeten zien.
Maar nu kom ik nog even op de vraag terug. Wanneer dat kind lijdt volgens Uw menselijke
normen, kan het gelijktijdig een zeer grote geestelijke bevrediging ondergaan. Die bevrediging
kan soms zelfs lichamelijk worden uitgedrukt. Dingen, die voor de volwassen mens
onvoorstelbaar verschrikkelijk zijn, blijken voor het kind aanvaardbaar, omdat het kind
klaarblijkelijk nog niet zoveel vaststaande meningen heeft als de grote mens en daardoor -
zich aanpassende binnen het gebeuren - de goddelijke wetten in zichzelf nog op een
harmonische wijze weet te vervullen. Conclusie: Het lijden der kinderen betreft vaak eerder de
volwassenen, dan de kinderen zelf. Tweede conclusie: Het lijden der kinderen kan nooit - zelfs
uiterlijk - bestaan, zonder dat in het leven van deze kinderen in deze wereld of in de wereld
daarvóór een aanleiding is geschapen, die gebaseerd was op een weten, ook wanneer dit niet
als onmiddellijke kennis beschikbaar en uitdrukbaar was.
Kunt U een voorbeeld noemen? Neem nu eens een kind, dat door een ongeluk beide ouders
verliest.
Goed. Is dat kind ongelukkig, omdat het zijn ouders verliest?
Het is toch een zekere steun kwijt.
Of is het kind ongelukkig, omdat het op zichzelve moet staan? Dat is een heel verschil. Ik
meen, dat het tweede meer voorkomt dan het eerste, ongeacht alle conventies, die het
tegenovergestelde beweren. Het feit, dat het kind op zichzelve moet staan in een omgeving,
die niet zo nauwe banden en steun biedt, als de ouders zelven dat deden, betekent dus ook
voor dat kind, dat het heel wat meer moeilijkheden moet overwinnen. Maar in de overwinning
van die moeilijkheden kan het voor zichzelf meer, intenser en sneller mens worden: kan het in
kleine dingen grotere vreugden vinden: en zal het op de duur in staat zijn zich af te sluiten
voor het lijden. Zo zullen wij dan ook zien, dat niet degenen, die het lichamelijk zo goed
hebben en die zo verzorgd zijn, de belangrijke mensen op de wereld zijn. Het zijn altijd
degenen, die volgens menselijke opvattingen geleden hebben, pijn hebben gehad, grote strijd
hebben moeten doormaken. Zij zijn het, die de wereld uitvindingen geven, maar ook nieuwe
gedachten. Zij zijn het, die hele staten ten goede kunnen voeren op een ogenblik, dat er
wanorde is. Niet degenen, die - behoed - altijd theoretisch gepolitiseerd hebben. Ligt hierin
alleen al niet het bewijs, dat het geen feitelijk lijden is - gezien vanuit een geestelijk standpunt
en zeker vanuit een standpunt van bewustwording, maar ook grotendeels vanuit een stoffelijk
standpunt - doch dat slechts de wijze waarop de wereld dit beschouwt, het voor het kind tot
lijden kan maken, wanneer het deze beschouwing van de wereld boven zijn eigen beleven
accepteert.
Dus het is eigenlijk een leren.
"Lering" is misschien ook weer overdreven uitgedrukt. Laten we zeggen: Het is een
mogelijkheid tot leven. En nu weet ik niet, in hoeverre wij dit allemaal onder de esoterie
mogen rangschikken. Maar goed, als er maar een halve ploeg opkomt, mag ik mij misschien
HET LIJDEN 157
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

ook wat permitteren. Kijkt U eens, wat is leven eigenlijk? Ik denk, dat heel veel mensen daar
een verkeerde opvatting over hebben. Ze denken, dat leven is: Je houden aan de regels, van
de mensen. Dan ben je al half dood, tenzij die regels van de mensen voor jou een
wérkelijke betekenis hebben en niet alleen maar een conventie zijn. Werkelijk leven betekent:
Niet vrezen voor hetgeen je buren ervan zeggen, maar je steeds houden aan hetgeen in
jezelve bestaat. Werkelijk leven wil zeggen: Jezelf zijn te allen tijde en ten koste van alles. En
dat is vaak heel moeilijk. Hoe meer je vertroeteld wordt in het leven, hoe groter je bezittingen
en hoe beter je positie, hoe moeilijker het wordt om dit te doen. Bescherming zal dus in heel
veel gevallen eerder een vloek zijn dan een zegen.
Nu ga ik mijn voorbeeld nemen: Een kind, dat leeft in een gezin met laten we aannemen een
enig kind of misschien twee of: drie kinderen. Groter is het gezin niet. Het heeft een moeder,
die heel erg goed voor dat kind zorgt: niet eens in het overdrevene maar toch zorgt, dat het
alles krijgt, wat het nodig heeft ook aan genegenheid, ook aan aandacht. Er is een vader bij,
die voor zijn kinderen droomt van een grote toekomst. Een vader, die alles geeft wat hij kan
aan werkkracht, aan tijd, om die kinderen ook geluk te geven. Wat is het resultaat? Bewust of
onbewust dwingen deze ouders het kind in het patroon van hun eigen wezen te leven. Ze
benemen het kind uitingsmogelijkheden, waardoor het zichzelve kan zijn, maar dwingen het te
beantwoorden aan wat de ouders als acceptabel beschouwen. Het resultaat is, dat in een
maatschappij als de Uwe werkelijk leven erg moeilijk wordt voor een kind. En dat er heel wat
mensen in de wereld lopen, die niets anders zijn dan mislukte afdruksels van de opinies van
hun ouders i.p.v. wezens, die zelf denken en streven. En toch, hoe kunnen wij ooit aan een
bewustwording komen, wanneer wij niet zelfstandig denken en streven?
Zeker, elk leven zal wel iets tot de bewustwording kunnen bijdragen. Maar hoeveel vrijer staan
wij niet, wanneer wij zelf kunnen zoeken. Let wel, ik probeer hier helemaal niet een pleidooi te
houden voor anarchie. Ofschoon - wanneer er een anarchist is in de schepping - ik b.v. Jezus
wel een groot anarchist zou willen noemen en waarschijnlijk ook de Schepper zelve. Er zijn
wetten en er zijn regels. Daaraan moet je je houden? natuurlijk, ook als kind. Maar is het
noodzakelijk om die regels te maken tot een dwang, die ook het eigen denken en het eigen
handelen onnodig beperkt? Ik meen, dat daar een fout wordt gemaakt.
Beschouw Uzelf nu eens, zoals U hier zit en vraag Uzelf, in hoeverre U met al Uw denken en
streven eigenlijk een product bent van Uw vader, Uw moeder, van de pastoor, van de
dominee, van de onderwijzer, van de onderwijzeres. Vraag U eens af, in hoeverre Uw leefwijze
en Uw bezien van het leven wordt bepaald door het kantoor, waarop U: werkt, de werkkring,
waarin U zich bevindt: wordt bepaald zelfs door de methode, waarop U zich van Uw huis naar
Uw werk en omgekeerd beweegt. Vraag het U eens af. En vraag U dan eens af, hoeveel er
overblijft, dat nu werkelijk "ik" mag heten, wat werkelijk een beleven van Uzelf is.
Heus, het ware leven, dat je voert, is in verhouding vaak heel klein tot wat de wereld leven
noemt. Toch is het alleen dat ware leven, dat ons werkelijk geluk kan geven, werkelijke vrede.
Het is dit werkelijke leven alleen, dat ons behoeden kan tegen de pijn, die niet voortkomt in de
eerste plaats uit het lichamelijk gebrek, maar die altijd weer zijn ondergrond vindt in een
foutieve geestelijke relatie, in een foutief bestaan.
Denk nu niet, dat dit alleen tot Uw wereld beperkt blijft. Het bestaat ook in de lagere sferen en
misschien zelfs in de hogere, ofschoon ik het daar nooit bemerkt heb. Er zijn altijd wezens, die
zich in de eerste plaats baseren op de goedkeuring van anderen, op de wetten, op hetgeen zij
geleerd hebben en niet op hetgeen zij zelf verlangen, hetgeen zij zelf geloven. Er zijn altijd
weer wezens, die zich eerder baseren op een of ander synthetische reeks van geboden, door
een God neergegrift of door een onfeilbare leraar gegeven, dan op de kosmische wet, die in
hun eigen hart geschreven staat.
Er bestaan sferen, waar de christenen "Halleluja" zingen en harp zitten te spelen. Een
verdwaasde waan, die uiteindelijk lijden baart, dat zeer groot is, omdat je - ontsnappend aan
deze eentonigheid, die uiteindelijk een hel gelijk komt - een deel van je eigen vastgeroeste
waarheid (althans vermeende waarheid) moet prijsgeven.

158 HET LIJDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

Er zijn werelden met bossen en wouden, met huizen, bomen en mensen, verenigingen en
gezelligheid, die ook op de duur vaal worden. En dan kost het soms ook erg veel moeite om
die prijs te geven. Want, vrienden, je meent dat het zo hoort en je kunt het je niet anders
voorstellen. En dan zit je weer vastgebonden aan iets, wat helemaal niet van jezelf is.
Je werkelijke wezen is geen vastgestelde vorm, zelfs geen vastgestelde reeks van
eigenschappen en kwaliteiten. Je bent niet geboren onder een bepaalde moraal. Je bent niet
door de Schepper geschapen met een bepaalde godsdienst. Je bent alleen geschapen met een
werkelijke persoonlijkheid, een "ik". Een waar "ik", dat een waar leven kan leiden, wanneer het
zich vrijmaakt van die beperkingen, wanneer het in die sferen van vormen leert om dit zich
vastklampen aan de vorm, aan het houvast nog, na te laten. Iets, wat kunstmatig is, alleen
omdat je niet vrij genoeg durft doordenken. Kun je dit wel, dan vindt je weer lichtere en
nieuwere en schonere werelden. Maar als je je vastklampt - zelfs aan een Zomerlandsfeer -
kan dit je na verloop van tijd ook tot een hel worden, vol van eentonigheid en voortdurende
herhaling. Iets, waaraan je je voortdurend vastklampt en dat je afstoot, omdat je er meer dan
genoeg van hebt.
Weet U, dat zijn ook van die punten in het leven, die op zijn minst genomen wonderlijk zijn.
Neem nu alleen b.v. menselijke opvattingen in velerlei opzicht. Er zijn mensen, die beweren
dat een vrouw in een badpak een onzedelijk gezicht is, tenzij in een speciaal gebouw. Die
alles, wat bloot is, afzichtelijk vinden. Zijn die mensen dan wijzer dan de natuur en dan de
Schepper? Als het dan werkelijk zo slecht was, zouden de kinderen wel met een hansop aan
geboren worden.
Er zijn mensen, die beweren, dat je geen communist moogt zijn of geen socialist of geen
kapitalist of wat anders. Waarom zou je het niet mogen zijn? Zijn deze dingen uiteindelijk geen
verzamelnamen voor mensen, die iets hopen en die in hun verwachtingen steeds weer door
hun voormannen worden beschaamd? Als er werkelijk geen socialisme zou moeten zijn, dan
zou het als een wet ingeschapen zijn. En precies hetzelfde is het met het communisme of
kapitalisme. Als het noodzakelijk is, dan is het er. De rest is alleen maar een kwestie van
mode, van gebruiken, van menselijk verzet tegen de werkelijkheid, van een menselijke poging
om zich boven de natuur te stellen. En dat kan niet.
Mensen, die zo goed en precies wetend wat allemaal mag en wat niet mag (b.v. de
zedelijkheidsapostelen, die het in de V.S. helemaal niet erg vinden, wanneer er in een
toneelstuk of een film honderd keer "damn" wordt gezegd, maar als er het woordje God voor
komt, plotseling op hun achterpoten staan: de moralisten, die bepalen, hoelang een zoen mag
duren in een schouwspel en hoe intens ze mag zijn), wat zijn dat eigenlijk voor mensen? Die
scheppen toch een geheel kunstmatige wereld. Ook voor zichzelf. Ik noem nu expres een
praktisch voorbeeld. Maar denken ze nu, dat ze juist door dus af te wijken van het natuurlijke,
van de vrijheid, die de Schepper heeft gegeven (want anders was er zo’n warboel niet hier op
aarde en ook niet in de sferen, de lagere sferen dan), denken ze nu werkelijk, dat ze daarmee
de wereld verbeteren? Welnee. Ze verwringen hun eigen wezen. Wat is het gevolg? Dat ze
voor zichzelf een steeds groter innerlijk lijden baren, een lijden, dat dan ongetwijfeld tot uiting
komt op velerlei wijze.
Het is niet voor niets, dat er volkeren zijn, die zich steeds meer tegen de natuurlijke gang van
zaken verzetten en daardoor de psychiater hebben gemaakt tot de hogepriester van een
nieuwe cultus. Het is niet voor niets, dat er hele volkeren zijn, die voortdurend lijden aan een
bepaalde kwaal. Hele landen van reumatieklijders, hele landen van vetzuchtigen. Hele landen,
die lijden aan astigmatisme. Dacht U werkelijk, dat dat alleen maar voortkwam uit het normale
leven? Welnee. Dat komt allemaal voort uit het je verzetten tegen de goddelijke wet en
proberen je eigen wet erboven te stellen. Je kunt niet gelukkig zijn, je kunt geen vrede
kennen, wanneer je de wet voor anderen stelt. Je kunt geen vrede kennen, wanneer je de wet
van anderen aanvaardt zonder ze innerlijk te kunnen beamen. Je kunt niet werkelijk leven,
wanneer je door een innerlijk verlangen droomt over datgene, wat je uiterlijk afkeurt.

HET LIJDEN 159
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

We hebben wel eens bezwaren geuit o.m. tegen het celibaat, b.v. het ongehuwd zijn van
priesters. Weet U, daar zie je weer heel vaak juist een typisch beeld van dit verwrongene, van
dit ongeluk zaaien. Deze mensen,die voor zichzelf dus een bepaalde menselijke functie
absoluut wensen te beheersen en te ontkennen, worden in hun gedachten zozeer hierdoor
geprikkeld, dat ze op de duur niets anders meer doen dan anderen daarop wijzen. Hun hele
wereld wordt vergeven door hetgeen ze dromen, zodat hun voortdurende worsteling een
eeuwige onvrede is met de omgeving. Dat geldt niet voor iedere priester en voor elke non,
maar voor velen.
Er zijn mensen, die voortdurend prediken, dat je geen bezit moogt hebben en die dromen van
rijkdom. Is het dan wonder, dat die mensen ziek worden? Is het dan wonder, dat die mensen
verbeten, verbitterde zielen zijn, die geen ogenblik van vrede kennen? Die mensen leven niet
waar, die leven in bedrog. Nu kan uit dat bedrog iets voortkomen, zij het dan een negatieve
bewustwording. Een besef, dat je toch zo werkelijk niet meer leven moogt, omdat anders het
leven ondraaglijk wordt. Ja, ik maak het misschien een beetje lang. Ik hoop niet, dat U vindt,
dat ik zit te zeuren. Per slot van rekening is het best mogelijk, dat U denkt: Is dat nu esoterie?
Maar de achtergrond zit er wel in.
Heeft in dit verband de opvoeding van de jeugd dan wel enige zin?:
Dat ligt eraan, hoe het opvoeden wordt gezien. Het opvoeden door de ouders is een plicht om
het kind weerbaar in de wereld te stellen. Dus zó, dat het kind in staat is zich in_ een wereld
te gedragen, zonder daarmede in voortdurend conflict te komen. Dat is een stoffelijke
noodzaak. Een geestelijke opvoeding? Ach, ik geloof, dat je het kind moet leren om zelf te
denken en het dan desnoods de denkbeelden van de ouders moogt voorleggen, maar zonder je
er ooit aan te stoten, wanneer het kind het precies andersom beschouwt.
Opvoeden op aarde. Als we even al het mooie en het verguldsel van het ouderschap afhalen,
dan kunnen we het terugbrengen tot hetzelfde, wat het dier doet. Het dier beschermt zijn
jongen, vecht voor zijn jongen, geeft zijn jongen alles, wat het geven kan, tot ze in staat zijn
voor zichzelf te zorgen. Maar naarmate ze zelfstandiger worden, trekken de ouders zich ook
automatisch verder terug. Eigenlijk zou de mens dit met de opvoeding van zijn kinderen ook
moeten doen. Dan zou je er meer echte mensen van maken. Dan zou je hen minder de
moeilijkheden geven, die liggen in al die overspanningen, die minderwaardigheidscomplexen:
die baldadigheidsdrang, die een heel verzet is tegen een wereld, die geen leven meer overlaat.
Onze huidige maatschappij is zeer beperkt, wat dat betreft.
Is Uw huidige maatschappij niet veel gevaarlijker?
Kun je nu een kind van 16 tot 18 jaar zijn eigen zin laten doen? Van een kind van 14 jaar
b.v. wordt veel gevraagd van de hersenen, dat schijnt misschien nodig te zijn. Wanneer
een kind nu zegt: Ik heb er helemaal geen zin in om naar die MULO te gaan? ik ga maar
naar de timmerman b.v. of naar iets anders.
Dan lijkt het mij logisch, dat je tegen zo’n kind zegt: "Denk er om, dat en dat zijn de
consequenties: denk er over na."
Denkt U, dat het kind dat begrijpt, dat hij dat verwerken kan?
Hetgeen U nu opmerkt is de typische houding, die op het ogenblik overal de bovenhand krijgt.
Iedereen meent voor een ander te moeten denken. Het gevolg is .....
Maar ik heb het over een kind van 14 jaar.
Gelooft U mij, dat menig kind van 10, 12 jaar beter aangepast is aan de maatschappij dan al
degenen, die het kind willen beleren. Dat dat kind beter in staat is voor zichzelf te zorgen
binnen de maatschappij dan degenen, die het verzorgen.
Misschien heeft U gelijk.
Inderdaad, ik heb daarin gelijk, want ik zie dat logischer dan U, omdat ik niet meer door het
persoonlijk effect van "ik ben ouder en DUS wijzer" word gedwongen om mijn eigen mening
als zo buitengewoon belangrijk te zien. Er is een zekere angst bij de ouderen - en dus ook bij
de ouders - om een verandering te accepteren. Want wij voelen elke verandering van wereld

160 HET LIJDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

en van denken als een soort waardevermindering. Pas wanneer ze ons opgedwongen is,
kunnen we glimlachen over de dwaasheid van vroeger.
Ik kan me toch niet voorstellen, dat een kind van 14 jaar zijn richting kan bepalen in de
wereld.
Nee, dat kunt U zich niet voorstellen. Maar mag ik het voorbeeld even uitbreiden? Zo kunnen
de voormannen van menige socialistische partij zich niet voorstellen, dat een arbeider
werkelijk weet, wat hij wil. Zo kunnen de predikanten zich niet voorstellen, dat de gelovigen
werkelijk een besef hebben van het geestelijke, dat zij begeren en verlangen. Zo kunnen de
staatshoofden zich niet voorstellen, wat de mensen werkelijk intens verlangen, wat zij
werkelijk nastreven. En daarom is in de maatschappij een voortdurend conflict over eisen van
de mensen: eisen, die steeds hoger worden en waaraan ook socialisten niet tegemoet kunnen
komen': omdat men op de duur de belangrijkste factor, de innerlijke vrede, in de bereiking
heeft weggenomen en daarvoor in de plaats alleen heeft gebracht het lawaaierig schreeuwen
naar voeding zonder moeite. In de kerken heeft men precies hetzelfde gedaan. Men heeft de
mens uit den treure zijn dogma's voorgekauwd, begeleid door spitsvondige theologische
redeneringen, totdat de mens, doodgepraat, geen enkele zelfstandige geestelijke gedachte
meer durft te hebben buiten de enkeling, die zich dan onmiddellijk als een ketter ziet
weggetrapt. De denkers, die het ware leven kenden, zijn meestal vergiftigd of gekruisigd in het
verleden: en tegenwoordig komen ze in gekkenhuizen terecht of in concentratiekampen.
Tenzij zij hun mond houden.
Tenzij zij hun mond houden, inderdaad. En als zij hun mond houden, kunnen zij voor zichzelf
althans iets bereiken.
Om terug te komen op een kind van 14 jaar, dat begint toch al iets op te merken in een
huishouden. En als je nu tegen zo’n kind zou zeggen: "Kijk, dit ga je nu doen. Maar als je
er maar altijd aan denken wilt, dat je het met plezier doet."
U vertelt dat weer veel te lief. Men moet nuchter zijn en men mag het zelfs niet het romantisch
tintje geven van het kind, dat dan op eigen voetjes kan staan. Dan wordt het ook weer een
vertedering en dat dreigt in de woorden, die U gebruikt. Mag ik het even formuleren? Heel
rustig en nuchter? Er is een tijd geweest, dat een kind van 8 of 9 jaar begon te werken. Dit
kind kon op 12-jarige leeftijd als volwassen worden beschouwd, had hetzelfde plichtsbesef als
een volwassene, had dezelfde vrijheid van denken. Uit deze mensen is o.a. Nederland
gegroeid. Het grote Nederland, niet dit van heden. Er zijn landen, waar een kind van 10 jaar
als man, als vrouw wordt beschouwd, zelfs huwelijkse banden aangaat en de normale
verplichtingen van een volwassene krijgt opgelegd. Er zijn volkeren, waar op het ogenblik, dat
de puberteit begint, het kind aan zware proeven wordt onderworpen en dan als volwaardig
deel van de gemeenschap kan meewerken. En wat is nu het vreemde? Overal, waar dit
gebeurt, blijken die kinderen inderdaad waardige leden van de gemeenschap te zijn, die
ongetwijfeld wel eens een grap uithalen - ja, zelfs God moet humor hebben, anders had Hij de
schepping zo niet gemaakt - maar die daarnaast als volwaardige leden van de gemeenschap
aan hun verplichtingen tegemoet komen. Het kán dus wel.
En wat is nu de tegenstelling? In de maatschappij, die probeert het kind tot minstens zijn 16e
of 21e jaar te behoeden, die het liefst mensen van 24, 25 jaar nog als kinderen zou zien, daar
vinden we: verhoging van jeugdcriminaliteit, juist dank zij dit behoed zijn, een sterke
vermindering van verantwoordelijkheidsbewustzijn, waardoor vele jeugdigen juist aan-
sprakelijk zijn voor nalatigheden, die schadelijke gevolgen voor anderen hebben: een
gemakkelijke opzweepbaarheid zonder enig werkelijk zelfstandig denken bij de jeugd,
waardoor ze een gemakkelijk offer wordt van elke agitatie, een voortdurend verzet tegen alles
in de maatschappij, of dit nu de ouders zijn, de leraren, dan wel de politie, de rechterlijke
macht, het leger of iets anders. Als we dat zo bezien - en dat zijn feiten, die U zelf desnoods
kunt controleren, als U dat wilt - is er dan niet iets mis met dat te veel behoeden van het kind?
Blijkt dan niet, dat juist door de puber te behoeden, hem in de belangrijkste leerperiode van
het leven de mogelijkheid niet wordt gegeven zich werkelijk aan te passen bij de reële eisen
van de maatschappij?

HET LIJDEN 161
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

Dit ligt buiten het esoterische, het ligt op sociaal vlak. Maar dit, mijne vrienden, is de
werkelijkheid, die op het ogenblik te overzien is en te controleren. Overal, waar de jeugdzorg
aanmerkelijk is toegenomen en wordt uitgebreid boven gemiddeld het 12de jaar, is de
jeugdmisdadigheid toegenomen. Daar, waar zodra dit enigszins mogelijk is, aan de jeugd de
normale eisen worden gesteld als aan een volwassene, blijkt de jeugdmisdadigheid veel kleiner
te zijn en blijkt de jeugd een gezonde, stimulerende factor te zijn i.p.v. een voortdurende
belasting van de maatschappij althans ten dele. En dan mag er alleen maar achteraan worden
gezegd: "Hoe goed is het, dat er toch nog méér-bewuste geesten op deze aarde incarneren,
zodat er kinderen zijn, die ONDANKS deze handicap toch nog hun verantwoording in het leven
kunnen dragen.
O, ik ben ongetwijfeld ketters, volgens de huidige opvattingen, dat geef ik graag toe. Maar de
feiten - zowel, als de psychologie van het kind zelve - spreken meer in mijn voordeel dan in
dat van anderen. Ik kan me ook voorstellen, dat men zegt, dat het goed is, dat oude
staatslieden aan het roer staan. Want - zo zegt men - die hebben de ervaring. Men vergeet
helaas één ding, dat mensen, die ouder worden, soms hun daadkracht verliezen: veel praten
en - wanneer ze iets doen - het in irrationele vlagen van verontwaardiging of woede doen. Ik
geef graag toe, dat de jonge mensen feller en gewelddadiger zouden zijn. Maar ik meen ook,
dat ze in de wereld menig probleem sneller en minder omslachtig zouden oplossen dan thans
gebeurt.
U vergelijkt nu perioden. En ik zou het zo willen zien, dat de mensheid gegroeid is in een
bepaalde richting. U vergeleek de jeugd van groot Nederland met de jeugd nu. Maar dan
vergelijkt U twee perioden. Daarom zou ik de jeugd van groot Nederland willen vergelijken
met de jeugd van een ander deel van onze aarde, waar de jeugd op eenzelfde denkniveau
en uitingsniveau staat als de jeugd van groot Nederland destijds. En ik kan mij voorstellen,
dat de jeugd van groot Nederland in de loop van deze eeuwen hier in Nederland gegroeid is
naar een ander niveau van denken, beleven en uitleven. Wij, als volk van Nederland, zijn
dus evengoed als alles in de wereld gegroeid, veranderd.
Als U bedoelt in aantal, dan heeft U gelijk, wanneer U bedoelt in de kwestie van mode, dan
heeft U ook gelijk. Maar wanneer U bedoelt in wézen, dan heeft U geen gelijk.
Is het wezen in zijn denken, zijn uitingsvormen, niet gecompliceerder geworden?
De uitingsvorm, die het wezen wordt opgedrongen, is gecompliceerder. En daarom weigert het
denken deze complexiteit te volgen, dat ben ik direct met U eens. Maar dat ligt meer aan het
wezen zelf. Dat is het scheppen van voorwaarden. En deze accumulatie van z.g. verbeteringen
en veranderingen is ook weer begrijpelijk. En dan moeten we dat niet zien - ik hoop, dat ik
hier geen illusies zit te breken, maar ik meen, dat esoterie toch ook wel de waarheid omtrent
de wereld mag omvatten - alsof de verbeteringen in het lot der mensheid, de.vergroting van
complexiteit der moderne maatschappij zijn voortgekomen uit een feitelijk idealisme.....
ongeacht de idealisten, die er aan hebben meegewerkt. De veranderingen, die in de wereld tot
stand zijn gekomen,op sociaal en ander gebied, zijn in de eerste plaats wel het resultaat van
een machtsbegeren en een machtsstrijd. En die machtsstrijd en dat machtsbegeren gaan niet
uit van de mensen, die b.v. vechten voor sociale verbeteringen. Die gaan wel uit van degenen,
die achter de schermen zitten en van tevoren bepalen, welke dingen er zullen gebeuren. Die
desnoods aan ongeluk of een sociaal onrecht eenvoudig ensceneren om daardoor het volk in
de gewenste richting te voeren. Sn nu gelooft U misschien niet, dat dit hier gebeurt. Ik gun U
gaarne Uw illusies. Maar ik wijs U dan b.v. op Egypte. En het eigenaardige van Egypte is, dat
de jeugd - en nu bedoel ik daarmede op het ogenblik de jeugd van ongeveer 10 tot 16 jaar -
verstandiger, beter en redelijker is dan de ouderen. En dan meen ik dus, dat ik mijn
vergelijking kan handhaven, aangezien de periode in Nederland, die ik dan eerst had
genomen, in vele opzichten althans met die toestand in Egypte overeenkomt. Bovendien heb ik
niet alleen perioden vergeleken, mijn waarde vriend, want ik heb ook de huidige periode wel
degelijk in meerdere facetten gezien. Ik had dus gestipuleerd: de mogelijkheid van Nederland
in het heden en in het verleden, om mij in de vergelijking tot Nederland te bepalen, waar
klimaat, landschap, gebruiken van een volk, taal van een volk zelfs, een zekere invloed hebben
op de vorm, die zo’n maatschappij krijgt.
162 HET LIJDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

Is het dan ook zo, dat de kindercriminaliteit bij de jeugd van 2 of 3 eeuwen terug anders
was dan nu?
Ja, de verdeling was anders. En het eigenaardige is, dat op het ogenblik het zwaartepunt van
de jeugdcriminaliteit ligt tussen 16 en 22 jaar. Het eigenaardige is, dat enkele eeuwen geleden
de leeftijd van de gemiddelde misdadiger, die incidenteel en soms uit gewoonte tot reeksen
van wreedheden en misdaden kwam, ongeveer lag tussen 26 en 34 jaar. Er is zelfs een
periode geweest, dat de werkelijke misdadiger - die dus omwille van de misdaad een misdrijf
pleegde - een leeftijd had bereikt van 45, 50 jaar. We weten b.v. dat in het verleden de
aanbrengers meestal ouderen waren. (Denkt U aan de tijd van de inquisitie) De meesten van
de aanbrengers waren dan ofwel edelen, die vaak een decadent ras waren door inteelt, dan
wel oudere mensen. Op het ogenblik is het precies omgekeerd, nu zijn het de jonge mensen.
Lustmoorden kwamen vroeger ook voor, net zo goed als heden ten dage, waarschijnlijk nog
wel meer. Sadisme evenzeer. Maar het eigenaardige is, dat dan het zwaartepunt van uiting
veel later in het leven ligt.
We zouden kunnen zeggen: "Wat kwaad is, moet er toch wel uit." Maar op het ogenblik breekt
het onmiddellijk los, zonder dat er de remming van een verantwoordingdragend leven aan
vooraf is gegaan, waardoor de bandeloosheid veel groter wordt en het rechtsbesef veel kleiner.
En dat zou ik allemaal nog erg onbelangrijk achten, wanneer de jeugd geneigd was om de
consequenties van haar daden te nemen. Wanneer we b.v. denken aan de bekende "Highway-
men", die in Engeland terecht werden gesteld, dan weten we, dat velen van hen met een
zekere trots en zwier wisten te sterven. Want het was de consequentie van hun leven, dat ze
zo stierven. Ze aanvaardden dat. Maar dezelfde jeugd, die op het ogenblik een kind bij wijze
van spreken "zonder genade" vermoordt, die rustig een ander een ongeluk door eigen
onvoorzichtigheid aandoet en dan achteraf roept: "Je had maar moeten uitkijken!" wordt
plotseling tot imbeciele bedelaars om genade of a-sociale, brutale exemplaren, die hun
geestelijke abnormaliteit uitschreeuwen, wanneer het op de consequenties aankomt.
De jeugd van tegenwoordig draagt de consequenties niet meer. En dat is een punt, dat
geestelijk gezien erg jammer is. Want die zelfuiting, ach, daar kunnen we - al is het dan in de
maatschappij voor de mens misschien niet prettig - het altijd nog wel mee eens zijn. Het is
beter, dat een mens zijn werkelijke wezen uitleeft - zelfs in strijd met de maatschappij - dan
dat hij absoluut geen bewustwording doormaakt. Maar hier is geen sprake meer van iets, dat
nog aanvaardbaar wordt, omdat het zelfbedrog en de vlucht voor de consequenties betekenen,
een voortdurende misrepresentatie van het eigen wezen. De jeugd ziet zich niet als jeugd, die
eens een uitbarsting wil hebben. Ze zien zich niet als sadisten. Ze voelen zich als
supermisdadigers, die de wereld kunnen overweldigen? of ze spelen een spelletje, waarin zij
de cowboys of de mannen van Mars zijn. Ze stellen zich voor, dat ze met hun bendewezen de
nieuwe macht in staat, zijn. Ze menen, dat ze met hun grapjes en aardigheidjes het "zout des
levens" zijn en begrijpen niet, hoe zouteloos die aardigheden zijn. Ze vertekenen het beeld van
zichzelven - bewust of onbewust - zo sterk, dat er van een ware bewustwording geen sprake
meer kan zijn. En in de esoterie is zelfkennis een van de noodzakelijke punten. Daarom ga ik
er hier ook een beetje tegen te keer, begrijpt U?
Ik begrijp nu ook, waarom U zo-even hebt gezegd, dat de jeugd van tegenwoordig soms
een armelijke afdruk is van de ouders, die deze kinderen zoveel ingegoten, ingelepeld
hebben om zich straks als mens op een dergelijke wijze in de maatschappij te gaan
gedragen. Daarom vroeg ik U ook: "Is het wezen van de mens van 2, 3 eeuwen terug -
vergeleken met nu - dan anders geworden door de gecompliceerdheid van tegenwoordig?”
Neen. Mens blijft mens. We moeten dat goed begrijpen: Mens is voor mij natuurlijk niet alleen
de stoffelijke mens. Zuiver stoffelijk gezien hebt U gelijk, dat b.v. het reactievermogen
versneld is, dat het denkvermogen in vele gevallen een gunstige wijziging heeft ondergaan,
enz. Maar de kern, waar het ons om gaat, is de wijze van leven en beleven, niet waar? En die
is precies gelijk gebleven. Er is ook geen sprake van een hoger of een lager geestelijk
bewustzijn dan vroeger. Zeker, het gaat in cycli. Het ene ogenblik hebben we meer geestelijk
bewustzijn op de wereld dan het andere ogenblik. Maar over het geheel der geschiedenis
gezien is er de laatste vier á vijf duizend jaar niet veel veranderd.
HET LIJDEN 163
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

Is er dan geen wereldevolutie?
Ja, stoffelijk. Aanpassing aan omstandigheden. Maar wereldevolutie staat niet gelijk met
geestelijke evolutie, omdat geest niet aan één wereld gebonden kan zijn. Geestelijke evolutie
is een zuiver persoonlijke evolutie, die inhoudt: een zich onttrekken aan omstandigheden, die
niet meer noodzakelijk zijn, door beperking van het eigen wezen. Zodat de geest, die
evolueert, van de aarde weg evolueert en niet in zijn evolutie de aarde meetrekt. Per slot van
rekening kun je niet de eisen van een eerste klas steeds gaan verzwaren, omdat de leerlingen
ouder worden. Je laat hen overgaan naar de tweede klas. En zo is het hier met die wereld ook.
U ziet die wereld als een levensproces. Maar dat is ze alleen als een "lering". In feite is ze een
tussenstation tussen geestelijke belevingen, waarin een reeks van lessen wordt opgedaan. Eén
klas in een kosmisch systeem, dat naast deze stoffelijke klas vele andere stoffelijke klassen
bevat van gelijk of lager peil - enkele van hoger peil - en daarnaast geestelijke klassen: zodat
het geheel is een voortdurend klimmen van wereld tot wereld, waarbij de persoonlijke evolutie
plaats vindt. Kaar in de klas zelve - dus op de wereld of in de sfeer - vindt alleen een
voortdurende aanpassing plaats, die, noodzakelijk is om een ongeveer gelijke
ontwikkelingsmogelijkheid te behouden.
Eigenlijk kan het ook niet anders, want er komen toch steeds uit het dierenrijk wezens op
de wereld bij de lager volken (als ik dat zo zeggen mag): zodoende kan men niet spreken
van .......
Een wereldevolutie in geestelijke: zin. Daar kun je niet van spreken. Wat dat betreft zijn we
eigenlijk net als de boer. Als de wereld ons melkvat is, dan staan we voortdurend af te romen:
want iedereen, die bewustzijn genoeg heeft, proberen we mee te nemen naar een lichte sfeer.
Opdat in die lichte sfeer het bewustzijn zal groeien en - wie weet - wijzelf, dank zij het
spieken, dat wij kunnen doen bij iemand, die wij geholpen hebben, weer 'n klas hoger terecht
komen en dus overgaan.
Ja, want de goeden gaan steeds weg en de niet-goeden komen er. Dus wij ook.
U vindt dat misschien een bittere kwestie. Maar vergeet niet, dat de wereld eerder werkt als
een sorteerzeef dan als een wereld t.o.v. de geest. Maar weest U aan de andere kant blij. Uw
wereld is soms heel mooi. Zij biedt ontzaglijk veel mogelijkheden, maar als je die wereld
eenmaal vaarwel hebt gezegd, behoud je haar wel bij je als een lieve herinnering en je bent
blij, dat je er veel hebt geleerd, maar je gaat toch liever niet terug.
Maar U beziet de aarde als een toeschouwer.
Vergeet U dan niet, dat ik net zo’n toeschouwer ben als b.v. de ouders die bezig zijn te kijken
naar het leren van hun kinderen, met "aap, noot, mies". Zodat het tenslotte niet alleen maar
een toeschouwen zonder kennen is. En juist, waar wij het hier hebben over esoterie, probeer
ik U dus een inzicht te geven over de waarden, die bij ons bestaan en over onze zienswijze.
Want ik weet, dat U innerlijk deze dingen ongeveer gelijk kunt beleven, wanneer U eenmaal
die uiterlijke opvattingen - en dus dat stoffelijke leven als een doel - terzijde kunt stellen en
het kunt gaan zien als alleen maar een middel.
Ja, maar ik heb niets denigrerends bedoeld.
Neen, neen, ik op mijn beurt ook niet. Maar ik probeer dus duidelijk te maken, waarom ik hier
in deze kring over deze onderwerpen heb gesproken. Wanneer wij die uiterlijkheid terzijde
kunnen stellen en we kunnen het leven gaan zien als een doel (zoals bij een school: ook al
weet je nog niet, wat je worden moet, je weet wel, dat je leren moet), dan krijgt het leven een
beetje inhoud. En dan maakt het je het ook mogelijk om te gaan dromen over wat je worden
wilt: en de mogelijkheden te overwegen van wat je worden kunt. Nu is het vreemde, dat als je
daaraan gaat denken (dus geestelijk, van binnen) dat je op de duur een voorstelling krijgt -
zelfs enigszins stoffelijk - van wat je wérkelijke leven is. Want de droomgestalte van "dat zou
ik willen worden." is geestelijk gezien de werkelijkheid, die je eigenlijk al bereikt hebt. Zo leer
je jezelve kennen. En door het innerlijk steeds meer te realiseren, kom je dus ook tot een
steeds grotere zelfuiting in de stof. Je leert beter, omdat je nu weet, waarom je leert en weet,
welke punten je in het bijzonder moet bestuderen, terwijl je gelijktijdig van je vrije tijd ook

164 HET LIJDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

weer een veel beter gebruik zult kunnen maken, juist door de doelbewustheid van je streven
op aarde.
Maar, vrienden, het begint langzamerhand wel wat laat te worden. Zoudt U erg boos zijn,
wanneer ik zeg: "Laten we dit ietwat afwijkende maar m.i. toch wel tamelijk nuttige onderhoud
besluiten voor een pauze?" Dan kunt U na de pauze weer met een ander verdergaan. Het was
me een waar genoegen. Ik hoop, dat het wederzijds is. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Ik weet niet, in hoeverre ik na dit - ik wil niet zeggen verhitte maar toch wel ernstige - debat
van de eerste helft nu Uw aandacht mag vragen voor wat andere materie. Wat zoudt U
zeggen, wanneer we nog een ogenblik dachten over:

DE BELEVING IN DE SFEREN

als misschien een aardige tegenhanger t.o.v. het betoog van mijn voorganger?
U heeft natuurlijk ons standpunt kunnen begrijpen in de eerste helft - dat neem ik tenminste
aan - en dus ook al begrepen, dat de waardering, die wij voor verschillende punten hebben in
onze wereld, een geheel andere is dan die U heeft. Ongetwijfeld staat dit zeer sterk in verband
met de eigenaardige methode van beleving, die wij kennen.
Wanneer wij in onze sfeer iets beleden, dan is het niet gebonden aan een tijdsfactor. Een
ogenblik van verrukking en verstilling kan praktisch oneindig worden vastgehouden, tot het
niet meer bevredigend is. En eerst daarna gaat de tijd verder. Wanneer wij onszelven
beheersen, kunnen wij bepalen, hoelang een moment van vreugde, hoelang een moment van
streven voor ons zal duren. En toch gebeurt alles precies, zoals het moet gebeuren en is er
geen hiaat in het bestaan van onze wereld. Ongetwijfeld heeft hier ook de gedachtereeks, die
wij van anderen kunnen opnemen, mee te doen. Want het gemeenschappelijk beeld kan in een
enkele gedachte steeds weer gevat worden, zodat wij eeuwen van eenzaamheid kunnen
beleven, zonder één ogenblik van onze maatschappij te zijn afgesneden.
Een dergelijke reeks van belevingen brengt tezamen vaak de uitbreiding van bewustzijn met
zich, die wij noemen "overgang naar een andere sfeer". U heeft hierover al heel veel gehoord,
maar wat U misschien toch nog niet gehoord heeft: De overgang naar een andere sfeer is net
als het komen uit een schaduwkamer in een lichte kamer. Wanneer je uit de schaduw in het
felle licht treedt, moet je een ogenblik gewennen, maar je gevoelt je er dan over het algemeen
prettiger thuis. Want wanneer wij nadenken, streven en leren, kunnen we soms door de
prolongatie van bepaalde momenten, die een bijzondere betekenis hebben, een zeer intense
bewustwording doormaken.
Wanneer die bewustwording ver genoeg is, zou ik kunnen zeggen: dan kapselen wij ons in.
Want onze wereld, zoals wij die kennen uit de gedachtebeelden van onze omgeving, heeft
geen werkelijke betekenis meer. Ze is onvolledig, alsof ze een boek is, waaruit vele bladzijden
zijn weggevallen. Het verhaal moet een grotere inhoud hebben. Het moet meer samenhang
vertonen. En terwijl wij daarover nadenken, worden wij ons reeds bewust van nieuwe
gedachten, die fragmentarisch reeds een aanvulling van ons eigen beleven betekenen. Tot
eindelijk gedachten ons met volle kracht beroeren in een ogenblik van schok misschien, een
ogenblik van verbijsterd stilstaan over de rijkdom, die plotseling over je wordt uitgestort. Dan
het eerste tastende en aarzelende contact, de eerste poging om mede een gedachte te
scheppen, een daad te stellen in deze nieuwe wereld. En pas, wanneer je dat bereikt hebt,

HET LIJDEN 165
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

ontdek je, dat je nieuwe wereld en je oude wereld identiek zijn. Alleen - alles heeft een nieuwe
betekenis en een nieuwe glans gekregen. En dat herhaalt zich telkens weer.
Wij zien geen scheiding tussen sferen, zoals U b.v. tussen leven in de stof en leven na de stof.
Een mens op aarde, die voldoende bewust is van de geest, iemand, die de inwijdingen heeft
doorgemaakt of een adept van redelijke klasse, kent die scheiding ook niet meer. Want de
wereld aan de andere kant heeft zich zover geopenbaard, dat het alleen een je terugtrekken is
uit een deel, dat je niet meer past, dat je niet meer interesseert. Geen overgang in werkelijke
zin maar eerder een uitbreiden van je wezen en je belangengebied.
Datgene, wat op aarde gebeurt, wordt door ons wel waargenomen, maar met de flitsende
snelheid, die door de onbelangrijkheid van vele gebeurtenissen voor ons weten nu eenmaal
normaal is. Wat op aarde een eeuw van lijden is, is voor ons een enkele flits, waarin wij strijd
zien én overwinning. Het lijden zelve, ach, het is ons zo snel voorbij gegaan, dat - al erkennen
we de intensiteit ervan voor de mens - het voor ons geen enkele betekenis meer heeft. We
zien de vreugde van de mens en we glimlachen een klein beetje. Want we kunnen ons wel
voorstellen, dat hij blij is, maar de waarden, waarover hij blij is, zijn zo klein, hij begrijpt de
samenhang zo weinig, hij overziet zo weinig van zijn eigenlijke beleven, dat hiermede reeds is
vastgelegd, dat we soms ook ietwat medelijdend de schouders ophalen en tot onszelven
zeggen: "Ach, laat de dwaas zijn vreugde".
Er is een groot verschil tussen de bewustwording van onze wereld en de Uwe. Je kunt het in
poëtische beelden natuurlijk aaneen gaan vlechten, maar misschien kun je het nog beter in
een vergelijking stellen. Denkt U, dat de vlinder nadenkt over de zon? Ik geloof het niet. Hij
ervaart haar, hij erkent haar koestering. Hij gaat naar de bloemen en hij puurt de nectar, want
dat is zijn leven. Hij zal zich niet bekommeren om de kleinere dieren, die daar tussen het woud
van grassprieten over de bodem heen kruipen en hun moeizame weg gaan: wel wetende, dat
ze er zijn: wel wetende, dat hijzelf misschien ook eens zo geleefd heef: maar nu heeft hij zich
gegeven aan de vreugde van de zon en de bloemen. En wanneer zo dadelijk de vorm vlinder
ophoudt te bestaan en zijn doel heeft volbracht, ach, denkt U dan, dat de geest, die daar met
de wind over de wereld heen ruist, nog denkt aan het dansen van een vlinder? O, hij ziet het,
hij begrijpt de vreugde wel, maar de wereld van de vlinder is zo klein en de eigen wereld is: zo
groot, zo enorm wijd. En die vergelijking geeft nog maar zeer, zeer beperkt aan het verschil
van denken en bewustzijn, dat er bestaat tussen U en ons.
Een mens is geneigd om te aarzelen, bang voor consequenties. Een mens is bang zichzelve
prijs te geven of een ogenblik een fout te begaan. Wij weten, dat die dingen zo onbelangrijk
zijn. We gaan er aan voorbij. En wanneer een mens zich daar zorgen over maakt, dan zeggen
we: "Ach, wat maak je je druk. Het betekent zo weinig". Maar een mens kan dat niet bevatten.
Weet U, in alle dingen schuilt God. Maar als je dat alleen maar in brokstukjes ziet, dan is het
niet mooi. Stel U voor, dat het leven een mozaïek is of een stuk beeldhouwwerk voor. Dan
kunnen enkele details attractief zijn, maar ze zeggen zo weinig. Wanneer je je daarin verdiept,
heb je geen begrip van de grote werkelijkheid. Hoe meer je afstand neemt, hoe meer de
werkelijke gedaante zich tekent.
Of - als U het met een schilderij wilt zien - je kunt er met je neus bovenop staan en je kunt
een penseelstreek bewonderen en de verf. Maar je kunt de voorstelling niet zien. Hoe verder je
er van afgaat, hoe meer het detail vervaagt en verbleekt en de grote voorstelling daarvoor je
werkelijkheid en je beleven wordt.
God is in alle dingen, zoals de kunstenaar zijn gedachten heeft vastgelegd in elke lijn van het
beeld, in elke voeging van kleuren in het mozaïek, in elke penseelstreek op het doek, Maar wij
beleven de kunstenaar en U ziet nog maar de techniek van de kunstenaar. Dat is het verschil.
Daarom weten wij, dat heel veel, wat de mensen denken en doen, zo onbelangrijk is. Daarom
zoeken wij naar een hogere waarde. Een waarde, die voor óns de bevrediging is.
En wanneer je een kunstwerk ziet - als ik de vergelijking een ogenblik mag vasthouden - dan
kunt U zich misschien voorstellen, dat het beeld toch nog iets te cryptisch is. Het boeit je, het

166 HET LIJDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

trekt je, het is wonderbaarlijk mooi, maar je zou willen weten, wat de gedachte is. Waarom
heeft de schilder het zo gedaan?
Dan ga je zoeken in de kunstwerken van die schilder, in al zijn werken. Dan ga je zoeken, of je
die schilder zelf kunt ontmoeten. Je gaat met hem spreken. En uiteindelijk heb je dan die éne
flits te pakken, die je zegt: "Kijk, dit is de grondgedachte, dit is de schepper van al deze
werken". En, als je dan zo’n werk nog eens ziet, dan zie je het werk zelf niet meer: dan zie je
de maker. Je kijkt wel naar de voorstelling, natuurlijk i maar je zegt: "Ja, dat is ....(en noemt
U er dan maar één) dat is Rembrandt. Kijk eens hier, dit clair-obscure, dit kan geen ander zo
hanteren." Of: "Kijk eens naar die eigenaardige penseel, die eigenaardige, naast-elkaar-
liggende kleuren, dat is Vaughan, dat kan niet anders." Zo kunt U dat in een museum beleven.
Of zet het op nog een ander vlak. Wanneer U een lievelingscomponist heeft en U heeft veel
naar zijn werken geluisterd, dan heeft U maar een paar tonen te horen en dan heeft U al het
idee: "Hé, dat is die componist. Die drukt zich daarin uit. " En dan denkt U nog steeds aan de
muziek. Maar wij hebben dan de gedachte er achter gevonden. En dat is zo belangrijk. Achter
het hele leven schuilt God. God, op zo’n wonderbaarlijke manier, dat de beleving daarvan
alleen al een voortdurend vergeten van jezelf inhoudt.
Ik wou, dat ik het U kón laten beleven - eerlijk - wat er achter de dingen ligt. Achter een
schaakspel van wereldse machten: achter al die gebeurtenissen, die Uw leven het ene ogenblik
vrolijk, het andere ogenblik droevig maken: achter al die beschaamde verwachtingen
misschien, die U heeft: en achter alle feiten, die U als werkelijkheid moet ondergaan. Wanneer
U het zoudt kunnen zien zoals wij, dan zoudt U achter de onvolmaaktheid van de wereld de
volmaaktheid zien van de Schepper.
Ons beleven intensifieert zich steeds meer, omdat we steeds meer het grote geheel overzien:
omdat we op de duur leren achter het kenbare het ongekende aan te voelen. Wij leren in de
uiting, in de schepping a.h.w. de handtekening van de Schepper te zien in elk detail. En dat
vult je leven zozeer, dat je soms eeuwen en duizenden jaren in de beschouwing van één detail
verzonken kunt zijn, daarin je Schepper kennende en beschouwende. Niet meer, zoals bij de
mensen, waar een detail een beperking is van je wereld. Neen, maar van elk detail van de
Schepping een poort makend, waardoor je achter de wereld kunt zien.
Zelfs wanneer we werken - en dat doen we in de meeste sferen - dan is dat werken ook weer
iets anders dan wat U kent. Wij beleven ons werk b.v. niet - zoals velen van U - als een plicht,
als een taak. Zeker, wanneer we met U praten, zeggen we: "We hebben een taak aanvaard",
omdat we het U anders haast niet duidelijk kunnen maken zonder er heel ver over te moeten
gaan praten. Maar zo vandaag - hier, in een kring, die er al zoveel over heeft gehoord - kan ik
het misschien toch in een paar woorden schetsen.
Onze taak is een deel van ons wezen. Wanneer we hier tot U spreken, dan doen we dat niet
alleen maar, omdat we het goed vinden tot U te spreken of het nodig vinden. We doen het,
omdat het een deel van ons bestaan uitmaakt. Zo verwerkelijken we de volmaaktheid. En dan
komt er een ogenblik - soms onverwachts, soms na een heel lang zoeken ernaar - dat je in
één detail van dit werk en van dit leven een ogenblik God vindt. En dan zeggen ze op aarde:
"Waar blijft die spreker nu? Hoe komt het nu, dat we die nooit meer horen of zien? En wat
komt die spreker maar zelden!" Zo iemand heeft op zijn manier in een detail God gevonden.
En misschien duurt het maar een dag, misschien duurt het jaren. Voor zo iemand is het als
één seconde van tijd. en toch gelijktijdig als een eeuwigheid. Kort, omdat zijn eigen wereld
geen onderbrekingen kent - ook niet, al is hij zo lange tijd in concentratie geweest - lang,
omdat de hele schepping zich aan hem openbaart, aan hem voorbijtrekt a.h.w. Op deze
manier is ons leven en werken een behoefte en een vreugde tegelijk.
Natuurlijk, we hebben ook onze eigen manier van denken en doen. Dat heeft U vaak genoeg
gemerkt waarschijnlijk. Ieder van ons werkt op zijn manier, streeft op zijn manier, ziet op zijn
manier, spreekt op zijn manier. Maar ieder van ons heeft op de achtergrond dat lichtende, dat
vreugdige, dat innige, dat je - zelfs midden in het werk, zoals vandaag b.v., nu ik tot U zit te
praten - toch een ogenblik weer het visioen geeft van die grote zaken, ja, van dat grote
HET LIJDEN 167
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

Ongekende. Soms denk ik wel eens, dat wij door de Schepper worden gehanteerd, zoals een
streng zijde door een borduurster. Dat wij in het patroon van de schepping gebruikt worden
om met een zekere kleur een vakje te omlijnen of aan te vullen. Maar we zijn daarvoor
geschapen. En we kunnen niet gelukkig zijn, wanneer we het niet doen. En hoe verder onze
sfeer nu ligt boven de Uwe, hoe meer we ons daarvan bewust zijn.
Het is niet alleen het "Ken Uzelve", dat belangrijk is, In de esoterie ligt er natuurlijk zeer de
nadruk op. Maar laat ons eerlijk zijn: Het "Ken Uzelve", dat op aarde overheerst als een
opdracht, aan elke mens gegeven, is alleen maar de sleutel tot de vele poorten, waardoor je
de Oneindigheid kunt leren kennen. Altijd weer is er in ons leven veel meer bevat, dan wij
durven denken. Dat geldt voor U, dat geldt voor mij. Mag ik het weer in een gelijkenis
onderbrengen in een poging om dat even duidelijk te maken?
U heeft misschien wel eens een propje papier gezien, van dat heel fijne Japanse rijstpapier. Als
U het ziet, is het net een vodje. Het is zorgvuldig in elkaar gevouwen. Maar als je het
openmaakt, blijken er allerhande lijnen op te staan. En hoe verder je het uitvouwt, hoe meer
het steeds tekeningen gaat vormen: tekeningen, die steeds veranderen. Eerst misschien een
enkele vogel of een boom: tenslotte groeiend tot een geheel landschap met een vulkaan,
rokend op de achtergrond.
Zo gaat het nu eigenlijk met dat beleven en dat denken van ons. Het onzienlijke, het
onbetekenende, het beperkte, datgene, waarmee U worstelt, waarin U misschien lijden
ervaart, of wat U de hinderpaal van Uw leven vindt, dat kan - wanneer U het leert ontplooien -
die grote rijkdom worden. Vooral wanneer je jezelf kent. Want ken je jezelf niet, dan is het
gevaar groot, dat je gaat dromen. Dan ga je in de beelden, die je in het zich openvouwend
scheppingssysteem ziet, jezelf verplaatsen en dromen. Je gaat denken, dat jij het bent i.p.v. te
begrijpen, dat je in het onbetekenende feit het plan van het geheel hebt gevonden. In de
sferen is één gebeuren gelijk aan alle gebeuren, één gedachte gelijk aan alle gedachten. Er
bestaat geen gedachte, die niet alle andere gedachten in zich sluit.
Het is voor U misschien moeilijk voorstelbaar. Wij kennen één bepaald element er van, wij
weten niet, wat er in verborgen is. Maar je kunt zelfs één gedachte zorgvuldig ontrafelen,
totdat zij de gehele schepping omspant en je plotseling - in het schijnbaar onbetekenende, in
het eenvoudige - weer stelt voor de grote kosmos. Niet alleen maar als een raadsel, maar ls
een beleving, een vreugde.
Misschien dat U nu begrijpt, waarom onze waardering van Uw wereld zo geheel anders is dan
de onze. Want Uw wereld bestaat voor U uit feiten, maar U heeft de tijd niet om ze te ont-
rafelen. Dat gene, waar U als onbelangrijk aan voorbijsnelt, dat vatten wij juist soms op. En
dan vragen wij ons af: "Hebben ze dan niet gezien, hoe een kostelijk juweel van ervaring
daarin besloten ligt? En waar U stilstaat vol ontzag voor iets, dat U groots en wonderbaarlijk
lijkt, iets, wat U de uitdrukking, het summum van goed en schoon lijkt, daar kijken wij neer en
vragen ons af: "Waarom staan ze daar nu te kijken? Dat is alleen maar een vodje, dat geen
inhoud heeft." Begrijpt U? Er is een heel andere waardering. U beleeft de buitenkant, wij
beleven de binnenkant.
Wij hebben wel eens geprobeerd om dat in dimensies te zeggen, Naar zelfs die dimensies zijn
nog geen goede uitdrukking. Want de kleinste dingen in je leven - een ogenblik stilstaan op
een wandeling, 1/10 seconde, omdat je iets ziet, onbelangrijk en onbetekenend - betekent, dat
je vroeger of later zult sterven, het kan jaren in je leven schelen. En zo kan èèn flitsende
gedachte van een ogenblik, die je onmiddellijk weer kwijt bent als onbelangrijk, ongetelde
aeonen van jaren in je bewustwording schelen.
U stelt een daad, die ü absoluut ongepast lijkt en U zit in de rouw. U zegt: "Wat heb ik
gedaan!" Wij kijken en wij zien, dat het eigenlijk maar erg bijkomstig is en wij vragen ons af:
"Waarom maken zij zich daar nu zo druk over? Waarom leggen ze daar nu zo de nadruk op?
Dat heeft toch geen zin. Zien ze dan niet, dat het daar niet om gaat? Dat het om een gedachte
gaat, om een indruk? En dat je die kunt gebruiken als een sleutel om het hele Al te zien, om
God te kennen. Ze begrijpen het niet!"
168 HET LIJDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

Dan zeggen we dat wel eens en proberen we ons aan te passen aan de aardse sfeer. Maar
onze bewustwording, ons denken is anders. Wij zijn niet altijd in staat om U te vertellen, waar-
om op een bepaald ogenblik een mier belangrijker kan zijn dan een wolkenkrabber. Die mier
kan misschien beslissen over het leven van honderdduizend mensen: en die wolkenkrabber zal
er over honderd jaar nog precies zo staan. Dat kunnen wij U wel vertellen, maar dan zegt U:
"Ja, ik begrijp het verband niet. Wat moet ik nu met die mier? Moet ik dat beest doodmaken?"
Neen, U moet het begrijpen! "Ja, maar wat moet ik begrijpen?"
Ziet U, daar zit de moeilijkheid in. Wij zien die mier en beleven de consequenties er van a.h.w.
meteen mee. We zeggen: "Dat houdt dit in en daarom is het belangrijk." U niet. U kijkt naar
de buitenkant. U oordeelt oppervlakkig. En zelfs wanneer U probeert door te dringen in de
essence van de dingen, dan bent U niet in staat om een totale reeks van consequenties te
zien. Zo ligt het grote verschil tussen onze werelden. En U zult misschien hiermee ook
begrepen hebben, dat wij in die werelden een veel groter geluk kennen dan U, maar ook een
heel andere wereld en een heel ander bestaan. En laat ik dan om mijn betoog te beëindigen
trachten U duidelijk te maken, wat dit bestaan is.
Bij U een opeenvolging van momenten, zorgen, vreugden, wat ontspanning, wat sport
misschien, wat spel, wat arbeid, alles tezamen gevoegd tot een cocktail, die zeker het zoete in
zich draagt, maar waarin ook de bittere nood niet zal ontbreken. Een menging, waaraan je
nooit zo kunt terugdenken, omdat je de bestanddelen afzonderlijk probeert te ontleden. Voor
ons: geen
menging maar een eenheid. Wat U ziet als verschillende elementen in het leven, is voor ons
één geheel. En vandaaruit moet U verder denken, wanneer U wilt begrijpen, wat onze vreugde
is, ons beleven.
Op dit ogenblik spreek ik met U en gelijktijdig luister ik op een ander vlak en een ander niveau
naar stemmen van sommige personen, die U kent en anders niet. Ik weet, hoe Jezus en vele
anderen daar op dit ogenblik samenzijn en hun gedachten worden mij kenbaar als woord en
mijn ziel verheugt zich erin. Ik zie, hoe ergens, heel ver hier vandaan, een ster plotseling
opvlamt. Een nova, ontstaan door natuurlijke oorzaken. En ik zie, hoe in die kracht een wezen
zich uitstort om nu voor het laatst nog eens zichzelve te zijn in een stoffelijke wereld - een
ster. En ik zie, hoe ergens, gedragen op de druk van het licht, een klein wezen, ingekapseld in
zijn onbetekenendheid, door de ledige ruimte drijft, om misschien over wie weet hoeveel tijd
ergens te landen op een planeet en daar te leven. En ik weet, dat al die dingen met elkaar
verbonden zijn. Al het grote en het onbelangrijke vloeit samen en het spelt voor mij maar één
woord. Niet noodlot of kosmos: zelfs niet God. Maar .... weten, innerlijk weten, innerlijke
schepping. Geen licht, maar het goud en de gedachte en de juwelen van het gevoel,
samengesmolten tot een kroon, die mijn Schepper schijnt te dragen. De delen van mijn wezen,
afzonderlijk ervarend en toch samenwerkend als eenheid, zij schijnen tot steeds nieuwe
vormen aaneengesmeed te worden, totdat ik duizendvoudig ben in duizenden vormen en in lk
levend een schoonheid zijnde, in elk een sieraad zijnde van de schepping en de Schepper.
Dan is er een droom in je: of je voor jezelf fluistert: Kracht van Kracht, Licht van Licht. Een
droom, die geen vorm kent en geen grens en geen menselijk denken, meer, ofschoon je ook
op menselijk vlak je kunt blijven uiten. Iets van een één-zijn. Niet meer één ster, die door de
ruimte gaat, maar een ruimte vol van sterren. Niet meer één van een reeks van levens, maar
alle leven in je bevattende. En dat is zo’n vervulling, zo’n vreugde, dat al het andere dan wel
onbelangrijk moet schijnen. En dat je juist daarom misschien ook de tijd hebt om te spreken,
om iets te zeggen, om te werken zonder ook maar één ogenblik te verflauwen in vreugde. Zo
kun je heel dicht bij de mensen staan en heel dicht bij God. Alles tegelijk. Dat is de vreugde
van onze sfeer. Het is óns beleven ten top gevoerd. En dan kunnen we zelfs zover gaan, dat je
a.h.w. menselijk met de mensen bent en gelijktijdig god tussen de goden.
Dan begrijpt U nu misschien, waarom Uw consequenties voor ons zo onbelangrijk lijken:
waarom we soms wel eens iets te weinig geduld met U betonen: soms meer willen doen dan
we kunnen doen. Want de maatstaven, die U heeft, ach, ze zijn zo vreemd vergeleken bij dat,

HET LIJDEN 169
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

wat ons eigen is geworden. Alleen al de moeite om woord na woord samen te voegen tot een
gedachte i.p.v. een hele ziel uit te storten in één moment.
Daarom, vrienden, moet U maar genoegen nemen met ons, zoals we zijn. We proberen niet
alleen voor U een spiegel te zijn, in de hoop, dat U iets van Uzelve en vooral van de eeuwige
waarden in Uzelve in ons zult erkennen, maar willen toch gelijktijdig ook onszelven blijven.
Ieder met zijn fouten en zijn deugden - van menselijk standpunt. Maar ook ieder met - geeste-
lijk gezien - zijn steeds intenser wordend beleven van de Oneindigheid.
Weet U, als ik medelijden zou kennen, dan zou ik dat met de mensen hebben, omdat zij die
Oneindigheid in zich dragen en nog niet kennen. Omdat de zin van leven en vreugde zo vaak
voor hen verloren gaat. Maar aan de andere kant: wat is tijd? Misschien, dat ik zo dadelijk
ontwaak en U allen rond mij zie staan: in licht, in weten, één met mij in mijn denken, één met
God. En daarom zal ik mij er maar niet te veel over bekommeren, niet te veel U beklagen. Ik
wil U dan alleen maar zeggen: "Al lijkt het U lang te duren, al gaat het U soms misschien niet
helemaal, zoals U wilt, denk er dan maar aan, dat dit maar een flits is, een moment. Het gaat
voorbij en de Oneindigheid heeft U in zich."
En als U nu zegt, dat ik dit erg onredelijk heb gezegd -al is het nog zo mooi - dan heeft U
gelijk. Want ik heb onwillekeurig gesproken vanuit mijn beleven en niet uit het Uwe. Ik hoop in
ieder geval toch weer een kleine verrijking van deze avond te hebben gegeven. Misschien ook
weer een aanvulling, zodat we toch weer bij het geheel blijven. Daarom, vrienden, ga ik nu
afscheid van U nemen en komt het woord aan de laatste spreker, die. dan voor U zal sluiten.
Ik dank U, dat U zo aandachtig heeft geluisterd en ik hoop behalve in het denken ook ergens
van binnen zo nu en dan een echo gewekt te hebben. Tot we elkaar weer eens ontmoeten,
vrienden.
o-o-o-o-o

CONTRASTEN
Wat zouden we zijn zonder die contrasten, die felle tegenstellingen, die ons juist daardoor
opvallen? Waarvan we ons juist bewust worden door het tegengestelde, dat erin ligt. Wanneer
alles in een voortdurende, gelijkmatige eentonigheid voortgaat, ach, dan wordt het een
gewoonte.
Wanneer de klok slaat in de nacht of driftig klepelend roept, dat er gevaar is of brand, dan
schrikt de mens wakker. Dan is het: "De klok luidt. Het gevaar klinkt over het land: Ontwaak:
Snel toe!" De klok roept voort. Ze is het roepen nog niet moe en spreekt steeds weer hetzelfde
woord: "t Is nood! Ter hulp!" En de klok luidt voort de hele dag, de hele nacht en altijd verder,
altijd voort: en schreeuwt nog steeds hetzelfde woord: "Nood! Ter hulpe."
Maar geen mens meer, die het hoort. Versmolten is de klank met 't leven van de dagen. En de
klanken, die zo bronzen tot aan de einder dragen, ze zijn slechts ondertoon van menselijk
gesprek: ze zijn de onderstreping van een enkel woord. Maar wat de klokke zegt, dat wordt
niet meer verstaan, omdat - ontvangen wel - de klanken aan 't bewustzijn helaas voorbij weer
gaan.
Eentonigheid is de dood van de bewustwording. De gelijkvormigheid maakt het ons onmogelijk
om werkelijk te beleven. Hoe schriller de contrasten, hoe scherper de tegenstellingen, hoe
scherper onze realisaties, hoe doordringender we wakker worden geschud en gesteld worden
voor een nieuwe aanvaarding en een nieuwe beleving. Daarom zijn contrasten ons
noodzakelijk.
Stel naast het felle licht de diepe duisternis. En naast de lach en de kreet van nood, die je in 't
leven reeds verkondt de dood, die komt onvermijdbaar, sterk en stil. Te leven zonder dood,
dat zou geen leven wezen. Geen kracht tot streven zou er meer bestaan. Slechts door het
einde, dat ons naakt, versterkt zich in ons de zin om waan te ontgaan en werkelijkheid te
vinden, te bereiken nog en niet een laatste wijl van zijn stil te verdromen.

170 HET LIJDEN
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 17 juni 1958
Les 10 – Het lijden

't Is door contrasten, dat we steeds geprikkeld weer tot nieuw beleven komen en nieuw
ervaren. Dat we uit de jaren of uit de oneindigheid tezamen voegen feit na feit, tot het ons de
werkelijkheid betekent. 't Contrast spreekt aan.
Daarom heeft de Schepper in 't ontstaan van 't Al de contrasten scherp getekend. Zo scherp,
dat soms de lijn ons kwetst, de kleur onshaast ontstelt. Toch is het de emotie, die ons dan Van
't wezen 't meest vertelt en 't meest onthult omtrent het ware zijn.
Contrasten zijn voor ons, vrienden, een absolute noodzaak. Wanneer we in ons eigen leven in
de stof een voortdurende sleur tot hoofdtoon van de werkelijkheid maken, dan leven we niet.
Dan slapen we. Dan gaan we als automaten door het bestaan heen. En nooit en te nimmer
wordt er iets nieuws in ons geboren. Wanneer we als geesten bij één dromerige gedachte
volstaan, één wereld van zwijmelende roes of van geluk en stilte en vrede, dan kunnen wij niet
verder. Het zijn de tegenstellingen, die de Schepper ons gegeven heeft, waardoor we ons van
het zijn bewust worden. In de contrasten ligt ons de werkelijkheid verborgen. In de
tegenstellingen is de openbaring zelve gelegen. En eerst wanneer alle contrasten begrepen zijn
en verenigd tot éne kracht, tot éne waarde, dan kunnen we misschien het beleven van tegen-
stellingen terzijde stellen, omdat beleven niet meer nodig is en de aanvaarding van de
kosmische werkelijkheid voldoende om in ons wezen de werkelijkheid voortdurend te doen
bestaan.
Daarom - aanvaard de contrasten. Niet alleen op een avond als deze, maar in Uw hele
werkelijkheid, Uw hele bestaan. Begrijp, dat ze noodzakelijk zijn. Dat naast het hoge geestelijk
beleven de simpele zorg om de stof er is. Begrijp, dat naast de vreugdige ontspanning de
haast prikkelende gebondenheid van arbeid aanwezig moet zijn. En begrijp, dat naast het
ogenblik van vreugde en innige verdieping de verveling moet komen aansluipen, om zo reliëf
te geven aan het bestaan en zo de openbaring mogelijk te maken.
Want, heeft de Schepper ons ook vrij geschapen, eerst in het erkennen van de schepping zelf
kunnen wij onszelven zijn en vrijheid ons gewinnen. Eerst indien wij beginnen te puren uit
contrasten een werkelijkheid, die niet veranderen kan en altijd voort bestaat, dan vinden we
het Wezen Zelf, dat ons leven laat en ons de vrijheid geeft, 't Is dan eerst, dat bewust het
wezen zonder grenzen leeft en zo zichzelve is. 't Is het einddoel, dat ik hier stel, niet het
begin: bereiking meer dan beleving. Contrasten zijn ons het middel. Ze zijn ons de trap, langs
welke wij klimmen, zoals eens Jacob de engelen zag gaan tot aan de poort der hemelen. Ze
zijn de weg, die ons voert uit alle beperkingen van stof en geest tot de aanvaarding van een
Oneindigheid, waarin wij - bestaande - in God zijn, vrij in God en vrijelijk aanvaardende God.

HET LIJDEN 171
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

ummer 11
Esoterische kring, 15 Juli 1958.
Goeden avond, vrienden.
Ik zie, dat het een nogal klein gezelschap is deze avond en wij moeten ook vanavond afscheid
nemen. Nu is het wel jammer, dat we op het ogenblik niet over de gehele bezetting kunnen
beschikken, die we andere als sprekers beschikbaar hebben. Maar er zijn op het ogenblik
zoveel ongeruste gemoederen op de wereld, dat het wel belangrijk is, dat we dit even
observeren. Wij verwachten daar nog geen fatale ontwikkelingen van, ofschoon het ons
enigszins heeft verrast, waar de storing iets verder Oostelijk ligt en i.v. daarmede dus ook
vroeger tot uiting is gekomen dan we hadden gemeend.
Op deze laatste bijeenkomst kan ik U natuurlijk allerhande dingen gaan vertellen, maar
misschien dat er bepaalde onderwerpen zijn geweest, die in het afgelopen jaar Uw bijzondere
belangstelling hebben gehad. Is dat het geval, dan kunt U die kenbaar maken, zowel aan mij
als aan de andere sprekers, buiten de eerste spreker na de pauze. Heeft iemand een bepaald
voorstel, een bepaalde wens?
Er is de vorige maal gesproken over een persoonlijke God. Dit houdt dus een beperking in.
Nu kan ik de Godheid als zodanig niet als een beperkt iets beschouwen.

WANNEER SPREKEN WE DAN VAN EEN PERSOONLIJKE GOD?

Van een persoonlijkheid kunnen we altijd spreken op het ogenblik, dat we aannemen, dat er
persoonlijke eigenschappen bestaan. t.w. een wezen met een begrip omtrent zichzelve en een
beheersing van zichzelve. Op het ogenblik, dat dit bestaat, hebben wij te maken niet een
persoonlijkheid. En wanneer wij nu gaan aannemen, dat God onwetend is, een natuurkracht is,
dan moet er toch ook ergens een begrenzing zijn volgens ons voorstellingsvermogen. En dat is
een van de grote moeilijkheden, waarmee wij ongetwijfeld altijd te worstelen zullen hebben.
Zelven begrensd zijnde, kunnen wij. ons onze God uiteindelijk niet anders dan begrensd
voorstellen.
Nu ligt dit in een vlak, dat wij vroeger ook al eens op een andere manier in deze kring
behandeld hebben. Ge zult U misschien herinneren, dat wij eens gesproken hebben over de
verschillende goden in de schepping, ik meen 11/2 jaar geleden. Wat de uiteindelijke Godheid
is, weten we niet. Wij weten alleen, dat Hij op de een of andere manier wétend moet zijn. Dat
kunnen wij uit alles afleiden. Verder komen we niet. Voor onze voorstelling ligt dit zover weg,
dat we daar absoluut niets mee kunnen doen. Onze persoonlijkheid maakt zich een
voorstelling van God. Die voorstelling zal uit de aard der zaak onjuist zijn. Toch is deze
benadering voor ons de enige, die ons een werkelijke mogelijkheid tot streven geeft. Zodra we
God als een doel gaan nemen, moeten we iets bestemds gaan nemen, iets bepaalds. En om
dat te kunnen bereiken, gaan we dan de volgende afleidingen na. Ik zal ze voor het gemak
even herhalen:
Wanneer we aannemen, dat al het geschapene uit God bestaat en uit God is voortgekomen,
behoeven we ons dat niet voor te stellen als alleen maar een schepping, waarbij God heeft
gezegd,: "Vanaf dit ogenblik is al het zijnde", zonder dat er verder trappen inzitten vanuit ons
standpunt.Mens stelt over algemeen een scheppingsproces zó voor, Er is de kracht Brahman.
En daarin leeft de wereldziel - Atman. Uit deze komt voort het weten - dus het scheppende
weten - Brahma. Brahma is geen werkelijke godheid, hij is alleen maar schepper. Het zou
theoretisch mogelijk zijn, dat binnen de grote wereldziel, binnen de levende kracht van de
schepper zelve, zeer vele Brahma' s hun heelal scheppen. Maar wanneer je binnen zo 'n heelal
leeft, dan is de schepper van dat Al (een deelkracht dus) je eigenlijke God geworden. Je kunt

172 WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD?
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

het zelfs verder verdelen door te zeggen, dat in zo 'n heelal ook nog weer grote gebieden van
invloed door krachten apart worden beheerst. En dan behoeven we niet eens ver terug te gaan
om te zien, hoe de mensheid dat vroeger heeft gedaan. Men heeft een tijdlang de aarde zelve
vereerd als Godheid. Toen de maan, vanwege haar invloed op de aarde. En de zon. Dat zou
misschien erg dwaas zijn, wanneer deze geen persoonlijkheid hadden. Maar zij hebben die wel.
Men zocht dus het godsbeeld dichter bij huis, zichtbaarder, kenbaarder en tastbaarder. Dat die
voorstellingen niet volledig zijn, dat weten we allemaal. Maar de waarde, het goddelijke
streven, was aanwezig. God volledig onpersoonlijk te zien, betekent gelijktijdig voor onszelf
elke mogelijkheid afsluiten om met die God in harmonie te komen. Dus vanuit ons eigen
streven is het noodzakelijk om God te zien als een persoonlijkheid, als een wezen.
Nu weet ik wel, dat wij dan voor allerhande moeilijke vragen komen te staan. Een wezen moet
zichzelve kennen. Het zichzelve kennen betekent een zekere begrenzing. En dan komt de
vraag: Neemt God plaats in? Want wij kennen de ruimte. Is God dan de begrenzing van de
ruimte? Bestaat er buiten God nog iets anders? Dat weten wij niet. Het enige wat wij wel
kunnen weten is, dat wanneer het er op aan komt even goed dat hele Heelal alleen één
gedachteflits kan zijn (dus iets absoluut irreëels) als een werkelijk volledig stoffelijke structuur,
die bestaat temidden van andere structuren. Onze God kan misschien de burger zijn van een
grote stad, waarin vele goden wonen, die ook weer een eigen God kennen, enz. enz. Wie weet,
zijn al deze werelden geboren uit een vliedende gedachte van een handelsreiziger in deze
grote stad. Het is mogelijk. Wij kunnen het niet nagaan. Er is geen enkele mogelijkheid daarop
een visie te verwerven en inzicht in te krijgen.
Wanneer dus dit probleem U interesseert, kan ik alleen maar dit antwoord geven: Wij zullen
God moeten benaderen op een zodanige wijze, dat wij nog naar Hem kunnen uitgrijpen, ons
één met Hem kunnen voelen. Hoe wij het persoonlijke dan verder willen uitdrukken is
onbelangrijk. Of wij onze God willen zien in een houten pop of in een eeuwigheid, dat is alleen
een gradueel verschil. Maar we zullen altijd een zekere beperking houden, omdat wij alleen in
het beperkte erkennen kunnen, zoals ik U reeds zeide.
Laat ons dus niet teveel ons bezighouden met het wezen van God, dat voor ons
ondoorgrondelijk is. Laat ons liever ons beperken tot datgene, wat we van de goddelijke
krachten kunnen erkennen en tot een voorstelling van God, die het ons mogelijk maakt een
zekere eenheid met Hem in onszelven te gevoelen. Het lijkt mij wel, dat dat het meest juiste
is, nietwaar? Geen commentaar? Dan is dat het eerste punt. Zijn er nog meerdere punten?
Dan wil ik deze keer toch ook wel een ander punt met U aansnijden.
In de esoterie komt de kennis van het innerlijk steeds op de voorgrond en alles hangt er mee
samen. Maar in die innerlijke wereld bestaan allerhande verschillende factoren. Eén ervan zou
je kunnen noemen het geloof of - als U het anders wilt zeggen - de aanvaarding. En juist
omdat dat zo’n belangrijke rol speelt, zou ik dit geloof nog wel eens nader voor U willen
belichten, tenzij U daartegen bezwaren hebt.
Wanneer wij in de stof zijn, valt onze wereld uiteen in verschillende delen. Dat moeten wij heel
goed begrijpen. In de eerste plaats, de z.g. rationele wereld. De ratio, van de rede. Een
redelijk concept, waarbinnen wij onszelven bewegen en waardoor wij menen onze eigen
meester te kunnen zijn en een zekere beheersing te hebben. Toch zal de rede niet in staat zijn
een volledige oplossing te geven voor alle verschijnselen. Ze zal ook niet in staat zijn ons leven
een werkelijke inhoud te geven. Want dat, wat redelijk vaststelbaar is, is beperkt. Voor de
mens valt het redelijk vaststelbare - beginnend met de geboorte - weg met de dood. En wat
ertussen ligt, ach, dat is aan zovele veranderingen onderhevig, dat het wel erg moeilijk is om
daarop nu werkelijk te bouwen. Hoe verstandelijker je bent, hoe meer tekorten je in jezelve
ontdekt. Hoe meer tekorten je in jezelve ontdekt, hoe groter gebreken je in jezelve vertonen
kunt.
Daarnaast kennen we de onderbewuste wereld. Die is in dit betoog niet alleen een weergave
van het stoffelijk onderbewustzijn, maar een weergave van alle werelden, die in ons werkzaam
kunnen zijn, zonder dat wij dit direct erkennen of weten. Nu is het vreemde, dat onze rede

WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD? 173
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

steeds daarmede in conflict komt. We kunnen er eenvoudig niet tegen op. Want in ons is een
honger naar b.v. eeuwigheid. Maar we zien redelijk alleen tijd en beperking. In ons is een
honger naar een kracht, die ons steunt en ons helpen zal. Uiterlijk vinden wij daar heel weinig
bewijzen van. Zo kunt U verder gaan. Alles wat voortkomt uit dit onderbewuste, dit onbewuste
deel van ons leven in de stof, is niets anders dan een directe weergave van ons feitelijk
verlangen en ons feitelijk streven. Om met dit streven goed te kunnen werken, moet je het als
een werkelijkheid stellen. Kun je dat niet, dan is er tweestrijd, innerlijke verdeeldheid, met alle
ongenoegens, die weer daaruit kunnen voortkomen.
Dan vinden wij daarachter Wat ik zou willen noemen de inspiratieve werkingen. We krijgen
soms flitsen van gedachten, die ver liggen buiten alles, wat wijzelf kunnen aanvoelen. Wij zien
ineens iets voor ons - een oplossing van een probleem, een voorstelling van de wereld, ja,
misschien zelfs een voorstelling van God - op een zodanige manier, dat je moet zeggen: "Ja,
waar komt dat nu vandaan? Ik weet niet waar het vandaan komt." En heel vaak zijn die
inspiratieve flitsen een soort antwoord op die innerlijke honger. Maar wanneer je die steeds
weer gaat ontleden, dan breek je a.h.w. het leven en dus ook jezelf in stukken. Dat is een erg
pijnlijke kwestie. Want hoe meer je tegen jezelf verdeeld geraakt, hoe minder je in feite
presteert en bereikt en hoe moeilijker het je wordt te bestaan.
Er moet dus wel een factor gevonden kunnen worden, die het ons mogelijk maakt om het
schijnbaar fantastische en irreële in ons eigen leven op de juiste wijze in te passen. We mogen
de rede gebruiken, maar alleen waar het gaat om zuiver stoffelijke kwesties en zaken. Het
geestelijke kunnen we nooit redelijk benaderen. Daarvoor hebben, wij de capaciteiten niet.
Dus we moeten een geloof hebben, een innerlijke zekerheid, die ons in staat stelt onze
redelijke wereld aan te vullen. Hoe meer wij geloven, hoe intenser wij geloven, hoe sterker wij
één zullen zijn met al die ongeziene krachten rond ons, die ongeziene werelden rond ons, Het
feit, dat wij weten voor onszelf, dat ze bestaan, maakt het ons ook mogelijk er mee te werken.
In een vergelijking zou je het zo kunnen zeggen: Iemand, die dat geloof niet heeft - of hij er
nu naar verlangt of niet -is een blinde. Zet een blinde midden in een grote machinekamer met
allerhande vermogens tot zijn beschikking (zware generatoren met ontzettend sterke
elektrische stromen, rekenmachines, die elk probleem voor hem kunnen oplossen, enz.)....hij
is blind, hij weet het niet, hij kan het niet begrijpen, hij kan het niet bedienen. Wanneer hij nu
gewend is in een bepaald deel van zo’n vertrek te leven, dan kun je wel tegen hem zeggen: "
Denk erom, daar staat een automatisch brein, daar kun je mee werken, daar kun je nieuwe
krachten uit putten en nieuwe handelingen mee verrichten." Dan zegt hij: "Neen, dat bestaat
niet. Want ik weet: dit is de wereld. Dit ken ik en het andere niet." Of hij zal misschien
zeggen: " Nu ja, ik zal het wel eens onder zoeken. Wat jij zegt, daar kan ik niet op afgaan."
Hij gaat er naar toe, maar kent het systeem niet om de machine te bedienen. Hij kan er geen
redelijk antwoord uit krijgen. Hij kan misschien de generator aan het lopen krijgen en de
dynamo zal stroom afgeven, maar hij weet niet, hoe hij die stroom moet ontladen, op welke
manier hij die richten kan. Op deze manier is die blinde dus niet in staat een werkelijk volledig
gebruik, te maken van alle mogelijkheden rond hem. Incidenteel kan hij er een klein deel van
gebruiken, meer niet. Als je nu gelooft, ga je er niet over redeneren of die rekenmachine
redelijk is of niet. Je gaat ook niet vragen of het systeem, dat erbij gebruikt wordt, passend is
of niet. Je accepteert, dat het ding er is en dat het werken kan. En je werkt ermee. Je bent dus
a.h.w. ziende. Want het totaal der mogelijkheden, die de wereld je biedt, kun je gebruiken.
Geloof brengt dus een eenheid van wezen tot stand. Twijfel een verdeeldheid. Het geloof doet
echter nog meer. Wanneer we niet zeker zijn over een hiernamaals, niet zeker zijn over een
voortbestaan in een bepaalde vorm misschien, absoluut geen zekerheid hebben omtrent de
werkelijke inhoud van een leven, dan kunnen wij zo weinig doen. Het geloof geeft ons niet
alleen de middelen, maar het geeft ons ook een uitzicht, waardoor wij de middelen, die wij
hebben, kunnen gebruiken. Dat wij daarbij soms helemaal onze eigen denkwijze opzij moeten
gaan zetten, is logisch. Er wordt heel veel geloofd op deze wereld, wat absoluut tegen alle rede
ingaat. Er wordt zelfs heel veel geloofd, wat in strijd is met alle bekende feiten. Er wordt
ontzettend veel geloofd, dat soms bevestigd, soms gewraakt schijnt te worden. Zo liggen die

174 WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD?
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

punten nu eenmaal. Maar de mens, die het geloof, heeft, heeft een doel. Een doel, dat verder
ligt dan alleen maar het stoffelijke. Hij heeft een zekerheid, die groter is dan welke zekerheid
de wereld ook bieden kan. Daardoor is die mens op zichzelf dus al meer waard, krachtiger,
meer één.
Nu is het een klein kunstje te gaan spreken over wat Jezus heeft gezegd, dat men moet
kunnen geloven om te genezen en dit en dat doen, dat erbij hoort. We kunnen het veel
simpeler stellen. Je kunt pas gelukkig zijn, wanneer je een geloof hebt, waarin je helemaal
opgaat. Of dat geloof voor anderen aanvaardbaar is, doet er niet toe. Of dat geloof je
misschien in conflict brengt met stoffelijk aanvaarde waarheden, doet er ook heel weinig toe.
Het gaat erom, dat je van binnen die kracht en die sterkte hebt. Een mens, die intens gelooft,
kan een martelaar worden en met de grootste vreugde onder pijnen sterven, eigenlijk niet
voelende, wat hij lijdt. Een mens, die twijfelt, gaat ten onder aan betrekkelijk geringe pijn. Ben
mens, die gelooft, kun je overstelpen met bewijsmateriaal, hij is niet te schokken. Want in zijn
geloof staat hij vast en zeker. Hij zal zich dus nooit door anderen laten afleiden en zijn doel
nastreven en bereiken. Nu kan het voorkomen, dat het doel niet het enige doel is, dat
bereikbaar is. Dat is heel goed mogelijk. Het kan zelfs zo zijn, dat het gestelde doel eigenlijk
erg onbelangrijk is temidden van de kosmos. Dat de voorstellingen, die met het streven binnen
het geloof verknoopt zijn, absoluut onjuist zijn. Denk b.v. maar eens aan de
hemelvoorstellingen, die er bestaan. Toch is dit alles minder belangrijk dan het feit, dat het
geloof er is. Geloven wil zeggen: In een nieuwe eigen wereld leven. Een wereld, waarin je alle
krachten naast je voelt.
Een katholiek gaat naar de kerk en ontvangt - zoals hij het noemt - het heilig sacrament. Een
ouweltje. Het ouweltje doet niets, heeft helemaal geen betekenis. Toch voelt die mens
krachtens zijn geloof zich één met zijn God, kan daaruit morele en fysieke krachten putten,
kan een volkomen psychisch evenwicht daardoor bereiken. Dat alleen al maakt het waardevol.
Een mens, die gelooft aan een hemel, sterft gemakkelijk, omdat hij gelooft, dat er een
liefdevolle God is, Die hem helpen zal. De overgang is licht, hij ontwaakt snel. En zelfs,
wanneer hij misschien een tijd in een waan verkeert, zal die waan een gelukkige zijn, geen
ongelukkige. Mogen wij het van onze kant soms betreuren, dat men een lange tijd in zo’n
schijntoestand vertoeft, het lijkt mij toch beter dan te dolen in de duisternis.
Het antwoord op alle vragen is steeds weer: het geloof. Uitleg is er niet te geven. Het redelijke
element is beperkt. Je kunt de kosmos niet zakelijk ontleden of onderbrengen in een paar
laboratoriumproeven. Je kunt je leven zelf niet meten met centimeters of zelfs met minuten.
Het is een kracht, niet definieerbaar. Het aanvaarden daarvan is erg belangrijk.
Naarmate je zelf verder groeit, zal je geloof veranderen. Het was in het begin voor de
primitieve mens heel eenvoudig om te geloven aan de koninklijke kracht van een enkel
steentje, dat hem als fetisch, als talisman diende, hem beschermde tegen vele gevaren. Het
was misschien erg gemakkelijk vroeger om te geloven aan het feit, dat je onkwetsbaar was
geworden. En wanneer je iedereen zag sterven, die een soortgelijke, fetisch droeg, dan zei je
toch tegen jezelf: "Ja, maar mij kan dat niet gebeuren". Die dingen hadden ook toen al inhoud
en betekenis. Door dit geloof was de man met het steentje in staat veel meer te presteren,
dan hij zonder dat ooit had durven presteren» Door dat amuletje, die talisman, was de krijger
in staat de wereld te veroveren, terwijl hij anders misschien in angst gestorven zou zijn. En zo
gaat het de hele wereld door.
Hoe denkt U, dat de beschavingen zijn ontstaan op de wereld? Zeker niet uit het redelijk
element van de mens. Want elke beschaving is in haar wezen onredelijk, omdat ze tegen de
natuur van het grootste gedeelte der mensen ingaat. Ze kan alleen tot stand komen, als het
geloof een bindende kracht wordt. De hele samenleving is gebouwd op geloof. Dat klinkt
misschien wat vreemd en somber, maar het is waar. Hoe zou de Nederlandse staat eruit zien,
als er geen geloof was, geen Christendom? Hoe zou de wereld eruit zien, wanneer de mensen
niet geloofden in een hogere wet, in een ander doel van het leven? Er zou bandeloosheid
ontstaan. Want geloof mij, zonder een werkelijke reden - al is het dan ook de innerlijke reden
van het geloof - komt geen mens tot zo’n grote zelfbeheersing, dat hij zich ordent in een
WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD? 175
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

maatschappelijk verband zonder geweld. Zonder een geloof komt een mens er niet toe om de
verantwoording voor anderen te gaan dragen en de eigen lusten te beteugelen. Het geloof is
noodzakelijk.
De hele wereld is gebouwd op geloof. Neem nu maar het feit, dat U Uw geld krijgt. U krijgt een
gulden. wat is die gulden eigenlijk waard? Niets. U gelooft echter, dat ze een bepaalde waarde
bezit. Daardoor bezit ze die. U gelooft, dat een zakenman, aan wie U krediet geeft, inderdaad
aan zijn verplichtingen tegemoet zal komen. Daardoor kunt U niet alleen handel drijven, maar
ook de ander is instaat, dank zij deze kredietregeling meer om te zetten en beter te werken,
U bent wanhopig. Wanneer U niet gelooft, dan is er maar één oplossing. Maak een einde aan
jezelf, aan je leven. Maar wanneer er een geloof is, kun je daarin kracht vinden om verder te
leven, zo je bewustwording te vergroten en je leven toch nog een nieuwe inhoud te geven. U
begrijpt dus wel, dat geloof voor de esoterie een van de meest belangrijke punten is.
Dat het naast de aangevoerde argumenten ook nog eigenaardige verschijnselen in ons
veroorzaakt, is een tweede punt. Op het ogenblik, dat wij geloven, komen wij tot een hechtere
eenheid in onszelven. Er bestaan nu eenmaal in jezelve elementen, die je niet stoffelijk kunt
verantwoorden of kunt kennen. Het geloof echter brengt een band tot stand tussen deze
dingen, waar geen enkel redelijk denken en geen normaal leven dit kan. Geloof maakt
ontzaglijk vrij.
En dan is er nog oen belangrijk punt. Elke mens zal het met me eens zijn, dat je niet weet,
wat je nu werkelijk kunt en wat je werkelijk bent. Het ene ogenblik ban je zus, het andere
ogenblik zo. Steeds wisselend en veranderend. Nu met deze drift of deze onaangename inslag,
schijnbaar zonder reden ontstaan, morgen misschien met een vreugde, die tegen elk redelijk
besef ingaat. Als je geen vertrouwen hebt in jezelf, ga je je afvragen: "Waarom ben ik nu zo?
Waarom?" En je gaat niet zeggen." Dit heeft een doel." Je gaat ook niet zeggen b.v.: "Dit is
een proef, die ik moet doorstaan." Je gaat alleen maar zeggen: "Nu ja, goed, laat ik dan maar
weer uitbarsten, ik kan er toch niets aan doen." Het gevolg is, dat de uiterlijkheden de
overhand krijgen.
Naarmate je geloof echter sterker wordt, ga je meer putten uit hetgeen er van binnen leeft. En
in dit binnenste leven heel veel waarden, die ook op geloof gebaseerd zijn. U gelooft b.v., dat
U een geweten hebt. U hebt er geen. U hebt ervaring, ingeschapen kennis van wetten, maar
geen werkelijk geweten, U gelooft eraan. Omdat U eraan gelooft, hebt U zo een rem ge-
schapen, die U binnen een zeker voor de wereld aanvaardbaar spoor houdt, terwijl U voor
Uzelve gelijktijdig de mogelijkheid hebt om schuldbesef te vermijden.
Laten we nu eens stellen, dat je werkelijk intens in jezelf gelooft, dan doe je dat niet alleen
uiterlijk. Uiterlijk wordt het zelfvertrouwen. Maar je doet het ook innerlijk? "Wat ik doe is goed,
want ik heb het rijpelijk overdacht en kan er niets verkeerds in vinden." Dan kun je toch nog
wel gekke dingen doen, maar je zult voor jezelf nooit meer handelen in een tweestrijd, in
innerlijke verdeeldheid. Je zult het jezelf dus nooit onmogelijk maken om de meest gewijde
tuinen van je eigen innerlijk te betreden.
Heel diep van binnen, daar zit - en dat is natuurlijk een kwestie van geloof, U moogt het ook
verwerpen - voor ons, in ons weten, ons denken en ons geloven de goddelijke kracht. Wanneer
ik daar werkelijk op vertrouw en dat werkelijk aanneem, dan kan ik die kracht naar voren
brengen op ogenblikken, dat alles mis schijnt te lopen en vind ik daarin de kracht om door te
zetten en er toch wat goeds van te maken. Ik vind er ook de mogelijkheid in om een ogenblik
mijn wereld met al zijn zorgen te vergeten en a.h.w. nieuwe krachten op te doen, mezelf te
bevrijden, een nieuw inzicht te verkrijgen. U begrijpt dus wel, dat voor de innerlijke processen
het geloof van groot belang is. Van heel groot belang. Want letterlijk heeft men in het verleden
eens neergeschreven: "Wie niet gelooft kan zichzelf niet betreden. Want, omringd (en dan
moeten we er achter zetten: door de muur van wantrouwen in jezelf) zal men gevangen zijn in
het noodlot." Dus de opeenvolgende reeks van gebeurtenissen, waaraan je niet kunt
ontkomen. Daar staat tegenover: "Wie gelooft, vindt krachten het geloof in zich de krachten,
waaraan hij gelooft." Dat is ook niet van ons. Een oude wijsheid.
176 WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD?
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

En dat is nu het mooie: Wij geloven in de mogelijkheid tot bewustwording. Alleen door het
intense geloven daarin zullen we die bewustwording vinden, elk op onze eigen manier. Dat wil
niet zeggen, dat je je individuele mogelijkheden kwijtraakt of je verantwoordelijkheid zelfs
maar kwijt raakt. Het wil alleen maar zeggen, dat je binnen deze perken een meesterschap
bereikt, een eenheid, een levensaanvaarding zonder einde.
En dan ga je straks over. Wanneer die stof wegvalt en je hebt niet geloofd aan datgene,
waarvan alles in je zegt: "Er is een voortbestaan", wat dan? Dan dool je in de duisternis,
omdat je niet geloven kunt, dat je gestorven bent. Wanneer je niet gelooft in de mogelijkheid
om voort te leren, je verder te ontwikkelen en je het hiernamaals ziet als een voortdurende
stagnatie, dan zal je jezelf eenvoudig beletten om verder te gaan en je zult lijden onder
hetgeen je niet kunt bereiken zelfs in een lichte sfeer.
Het is eigenlijk een eigenaardige wereld, waarin U leeft. En de mens zelf is een wonderlijk
wezen. Want de hele wereld, waarin U leeft, bestaat uit misvattingen. Het is steeds wanbegrip,
wanbegrip, wanbegrip overal. Een niet willen, niet kunnen begrijpen. Een stellen van eigen
oordeel boven anderen. Het is een voortdurende aanval a.h.w. op iets, wat je meester zoudt
willen zijn en wat je niet overmeesteren kunt. De mens probeert natuurlijk wel om zijn wereld
te beheersen. Maar hij kan het niet. Hij kent immers de krachten niet, die er spelen. Wanneer
hij gaat zwemmen in een rivier, die rustig lijkt, wordt hij door de eerste de beste draaikolk
gepakt, en op zijn minst genomen kost het hem veel strijd om eruit te komen. Maar wie zijn
innerlijk weten, zijn innerlijke kennis aanvaardt, die komt verder. Die leert op de duur in de
wereld het belangrijke van het onbelangrijke te onderscheiden. Dat is één van die dingen voor
wie gelooft, die zelfvertrouwen voor hem kunnen doen.
Esoterisch gezien is het daarom zo belangrijk, dat wij altijd weer door het geloof een deel van
de z.g. werkelijkheid opzij schuiven. We aanvaarden zonder te vragen. Een deel van onze
wereld erkennen wij eenvoudig niet. Daar schakelen wij alle redelijkheid uit. Want het gaat
erom, dat we innerlijk één zijn. Onze vriend Socrates heeft eens, toen hij stond te kijken over
Athene, haast wat cynisch in de Stoa gezegd: "Wat deert het ons, of we geloven of niet,
wanneer wij maar in onszelf geloven! Want niet onze wereld doch het geloof, dat in ons
bestaat - zelfs indien het een geloof is aan de onmogelijkheid van het geloven - bepaalt ons
leven en onze waarde."Kunt U dat laatste vatten of moet ik dat uitleggen?
Hij bedoelde daarmee dit te zeggen: Ik behoef niet te geloven aan een God. Wat Socrates
trouwens bij voorkeur ook niet deed, althans niet op de gangbare manier. Ik behoef zelfs niet
te geloven aan de werkelijkheid van de wereld. Maar ik moet toch een overtuiging, hebben, die
voor mij boven alle werkelijkheid staat. Er moet iets zijn in mijn leven, dat niet te veranderen
is. En dat is nu juist het geloof, dat ik nodig heb. Want zodra ik in mijzelve de kern, de basis
van mijn leven, aan voortdurende veranderingen onderhevig maak, ben ik net een stuurloos
schip. Je kunt tegen de stroom op laveren, natuurlijk, Dan moet je vaak van richting
veranderen. Maar dan heb je toch een vast doel. Op het ogenblik dat je geen geloof hebt, zijn
alle invloeden steeds weer dingen, die je doel wijzigen. En iemand die twintig verschillende
doeleinden nastreeft, zal tot de conclusie komen, dat hij er meestal niet één van realiseert,
van verwerkelijkt. Dat is dan een voortdurende teleurstelling, een voortdurende leegte.
Ik geloof, dat dit nog sterker geldt voor ons in de geest voor U in de stof. Uiteindelijk zijn de
gedachten bij U nog wat minder belangrijk en kun je heel vaak - door de gedachten te
behouden en niet uit te drukken in daad - althans een schijntoestand handhaven, waarmee
jezelve vrede kunt vinden. Maar geestelijk kan dat niet. Geestelijk moet je je gedachten
aanvaarden als een werkelijkheid. Stel je nu voor, dat die gedachten vol hiaten zijn, vol met
verwerpen, vol met afkeuren, met kritiseren, waar kom je dan terecht? Wat moet dat een
lege, hopeloze wereld zijn. Me dunkt, dat je dan zo’n idee moet krijgen, dat je leeft ergens
tussen de gaten van de Zwitserse kaas, omringd door grote putten van oneindigheid, waarin je
niet leven of bestaan kunt, waarheen je niet durft gaan, een gevangene van jezelf. Wanneer U
bij ons de vormen kwijt raakt en de gedachten steeds belangrijker worden, dan zult U ook
begrijpen, dat de rede minder belangrijk wordt. De impuls, de inspiratie krijgt een steeds
groter deel. Het aanvaarden van het leven en het reageren volgens het gevoel is nog het enig
WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD? 177
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

belangrijke. Maar om dat te kunnen verantwoorden, moet men eerst kunnen geloven, dat het
goed is, want alleen in het geloof is overgave, mogelijk.
In de esoterie nu is de absolute overgave aan het Zijnde de werkelijke oplossing van de
geheimen, die in het ik liggen. Het zal dus m.i. duidelijk zijn dat zonder geloof geen enkele
bewustwording mogelijk is. Dat zonder geloof (een werkelijk geloof) zelfs het leven zeer
beperkt, zo niet onmogelijk zal worden. En dat men eerst met een intens geloof tot grote
bereikingen kan komen, zowel in de stof als in de geest.
Ik hoop, dat dit betoog U niet verveeld heeft. Heeft U hierover verder geen opmerkingen?....
Hebt U nog een onderwerp?
U had het over de ingeschapen wetten.
Ingeschapen wetten, natuurlijk. Daarover kunnen wij ook nog wel iets zeggen. Een
ingeschapen wet, mijn waarde vriend, zou je ook een grondeigenschap kunnen noemen. Er
bestaan stoffen, die niet oxideren, omdat ze zich doodeenvoudig niet met zuurstof kunnen
verenigen. Het is hun wil niet, het is hun structuur. Aan de andere kant zijn ze toch wel weer
in heel veel andere verbindingen bruikbaar. Er is een betrekkelijk willekeurige weg mogelijk
buiten dit enkele punt voor die stof. Kijk, zo is het nu met ons ook. De grondslagen van ons
wezen sluiten bepaalde mogelijkheden uit, En dat zijn de ingeschapen wetten, en nu zult U wel
begrijpen, dat die wetten van binnen af moeten gaan, omdat we van binnen af naar buiten toe
zijn opgebouwd.
In de eerste plaats krijgen we de ziel. Kan de ziel iets kennen, wat niet in God bestaat of geen
deel uitmaakt van God en zijn schepping? Neen. Want op het ogenblik, dat ze dit zou doen,
zou dit een afvloeiing van de kracht, die eigen leven uitmaakt, naar buiten (een vlak buiten
God gelegen) mogelijk maken. De wet is dus, dat niets méér kan worden dan zijn God.
Van daaruit gaan wij naar het bewustzijn toe de geest. De geest kan zich natuurlijk wel overal
bewegen, maar zij is afhankelijk van haar wil tot bewegen. Wil is afhankelijk van weten en
bewustzijn. De consequentie is duidelijk. Wij kunnen stipuleren, dat onder de ingeschapen
wetten van de geest b.v. déze een belangrijke rol speelt." Wij kunnen niets beleven, bereiken
of ervaren langs de weg van de geest, waarvan niet een erkennen reeds bestaat. Al het
ervarene zal deel Gods zijn. Als zodanig zal alle ervaring goed zijn, tenzij het ik deze
verwerpt."Dat laatste wordt dan verklaard in de wet, die het ik zelf vaststelt. Het ik is een
balans van tegenstellingen, waarin een bewustzijn omtrent het zijnde mogelijk wordt. Het
evenwicht in het ik is de eenheid met de Schepper, die door het ik bereikt wordt. U ziet het,
het is betrekkelijk gemakkelijk. We kunnen tegen die wetten niet zondigen, omdat ze ons hele
leven bepalen en conditioneren. Dat zijn de grondwaarden van ons bestaan.
Zo bestaan er natuurlijk ook stoffelijk bepaalde wetten. En nu zult U het misschien gek vinden,
maar er is b.v. een ingeschapen wet, die zegt, dat de mens nooit uit eigen krachten in staat
zal zijn b.v. de ruimte in te vliegen. Hij kan niet zonder zuurstof. De mens kan niet leven
zonder bloed. U zult zeggen: " Dat zijn eigenschappen." Maar dat zijn ook ingeschapen wetten
van het lichaam. En zo staat er ook, dat geen enkel lichaam tot een reëel en bewust handelen
zal komen van enige intensiteit, wanneer het niet onmiddellijk bezield is. Een hanteren van het
lichaam in beperkte vorm blijft echter mogelijk, wanneer het gehanteerd wordt. Een
gehanteerd lichaam zal snel vervallen. Een bezield lichaam kan blijven bestaan, tot de
onderlinge harmonie der onderdelen zozeer verbroken is, dat een zuiver functioneren niet
meer mogelijk is. Dat zijn allemaal grondwaarden.
Wanneer wij dus spreken over de ingeschapen wetten, dan zal het U wel duidelijk zijn, dat we
a.h.w. met een ingebouwd reglement de wereld ingaan. We kunnen daar niet tegen op, omdat
elke pas, die wij buiten deze regels zetten, automatisch betekent een afvloeien van al, wat wij
zijn, naar een ander vlak, naar een ander niveau, waarbij wij onze persoonlijkheid en ons
bewustzijn verliezen. De conclusie is weer heel duidelijk: In ons zijn regelen en wetten,
waaraan wij ons zullen moeten onderwerpen, of wij willen, of niet, omdat elke poging tegen
die wetten in te gaan gelijktijdig betekent een verstoring van onze geestelijke vermogens en

178 WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD?
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

ook vaak van onze lichamelijke toestand, wanneer wij op aarde zijn. Dat is duidelijk, zou ik
zeggen. Zijn er nog meerdere punten, die U wilt bespreken?
Doet een mens dat wetens, dat handelen buiten zijn eigen wetten?
Ja. Wanneer de mens buiten de ingeschapen wet tracht te treden, dan wordt hem dit
onmiddellijk duidelijk, omdat hij n.l. een treden buiten de wet (althans een poging daartoe)
ervaart als een onmiddellijke pijn, die in een zelfvernietiging zou kunnen resulteren. Die
wetten zijn niet zo, dat wij er doorheen kunnen stappen. Dan verliezen wij het bewustzijn.
Zolang er een bewustzijn is, kan er dus slechts een pogen zijn om tegen die wetten in te gaan.
Meer niet. En dan is het net een muur. Wanneer U hard tegen een muur aanloopt, voelt u dat.
Hoe voelt dat? Door de kwetsuren, die ontstaan als gevolg van dit er tegenaan lopen. Zoudt U
er uiteindelijk toch doorheen komen ondanks alle kwetsing, dan bestaat U hier niet meer. Als
Uw hele bewustzijn alleen op dit vertrek is opgebouwd, kunt U daarbuiten niet bewust zijn. Ten
hoogste kan er een geheel nieuwe ontwikkeling beginnen, maar al, wat U hier hebt geweten, is
hiernaast niet meer van kracht. Zo moet U dat eigenlijk zien.
Dus de mens - en ook de geest - zal het altijd weer merken, wanneer hij zondigt tegen de
ingeschapen wetten. Hij zal dit in de eerste plaats ervaren door geestelijke en lichamelijke
pijnen en verwarring. In de tweede plaats zal hij het merken, doordat plotseling zijn gehele
wereld niet meer beantwoordt aan wat hij ervan gewend is. Dan dreigt de waanzin, zoals dat
heet. En ten laatste, wanneer hij doorgaat, zal hij elk redelijk bewustzijn van deze wereld en
toestand verliezen en niet in staat zijn zijn ik volgens deze wereld en toestand verder te
ontwikkelen. Hierbij treedt een vervloeien van de in het ik behouden krachten op, zodat een
herschepping van het ik op ander niveau kan plaatsvinden, maar zonder het persoonlijk
bewustzijn, dat het tot ikheid, tot ego’s heeft gemaakt in deze wereld. Duidelijk? Dit is toch
hopelijk geen zware kost?
Je gaat alleen meer de moeilijkheid beseffen van al deze dingen. Het is niet eenvoudig om
dit om te zetten.
Neen. Misschien, dat ik mijn betoog dan nog wel kan besluiten met een paar opmerkingen
omtrent de praktijk. De praktijk van het leven kan nooit berusten, op een activeren van
krachten9 die eigenlijk ternauwernood begrepen, maar zeker nog niet beheerst kunnen
worden. Het leven zelf is opgebouwd uit datgene, wat je kent. Niet alleen datgene, wat je
actief aanvaardt, maar al hetgeen je kent en zou kunnen doen.
Om een voorbeeld te geven: U kunt Uw brood verdienen doorwerken en door diefstal. Dan zijn
zowel werken als diefstal waarden, die onmiddellijk in het leven gelden. U zoudt ook kunnen
zeggen: Ik zou natuurlijk ook geld kunnen krijgen en dus voeding en al wat erbij hoort door
lood te transformeren tot goud. Ik weet, dat die mogelijkheid bestaat, zegt U dan. Maar U hebt
deze kennis niet, U beheerst dit niet. Daardoor is deze mogelijkheid in Uw leven niet reëel. En
wanneer U wilt trachten deze reëel te maken, zult U toch eigenlijk moeten bestaan op één van
de reeksen wél voor U reële waarden,n.l. of werken of diefstal, terwijl U zoekt naar de uitweg
om verder te gaan. In de praktijk moeten wij dus altijd (ook met esoterie) beginnen met wat
er is aan mogelijkheden. Met datgene, wat onmiddellijk verwerkelijkbaar is, daarop moeten wij
ons leven baseren. En dan moeten wij eerst heel langzaam proberen verder te gaan om onze
mogelijkheden uit te breiden.
Hoe verder we nu van het gangbare afstaan met hetgeen wij willen bereiken, hoe moeilijker
het wordt. Je kunt je natuurlijk voorstellen om plotseling een sprong te maken van 10 m.
lengte. Sommigen zullen dat op de duur tot stand kunnen brengen, maar eerst na vele
mislukkingen. Wanneer het nu niet gaat om de sprong zelve, maar om de afgelegde afstand, is
het dus veel verstandiger om een paar grote passen te nemen. Je komt er even vlug. Nu kan
iedereen van U 10 m, afleggen en zelfs met betrekkelijk weinig schreden, wanneer het nodig
is,, maar niemand kan het overspringen. Is het nu niet logisch om i.p.v. te zeggen: "Ik wil met
een beweging die grote bewustwording doormaken", te zeggen: " Ik zal proberen in kleine
opzichten en punten voor mijzelf een zekere bewustwording te bereiken". De praktijk van de
esoterie betekent niet een plotseling vooruitgaan, maar een langzaam, a.h.w. pas na pas,
jezelf vooruit brengen.
WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD? 179
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

En dan zegt die praktijk verder nog iets. Elke reeks van praktische mogelijkheden wordt
beperkt en wel door datgene, wat wij daarin aanvaarden en verwerpen. Aanvaarding of
verwerping echter is esoterisch gezien heel vaak maar een oppervlakkige zaak. B. v. er zijn
mensen, die geen kruimel brood van een ander zullen nemen, maar ze zullen wel heel vaak
met een buitengewoon groot verlangen denken over datgene, wat een ander bezit. En dan
hebben ze alleen - esoterisch gezien - de zaak op een ander vlak gebracht. Dat heeft weinig
zin. Want de kwelling blijft, bestaan, alleen er is nu een vergroting van innerlijk begeren, en
dus een vergrote krachtsinspanning voor uiterlijke beheersing noodzakelijk. Daar word je niet
veel wijzer van. Tenminste in de meeste gevallen niet.
Het is dus wel verstandiger om voor jezelf na te gaan in hoeverre datgene, wat innerlijke
noodzaak lijkt of begeerlijk lijkt, verwerkelijkt kan worden. En dan gaan wij daarbij een
criterium nemen. De esotericus zal zich steeds afvragen? Wat in mijn handelingen, in mijn
gedachten kan mij in verzet tegen mijzelf brengen? Vóór alles moet ik vermijden dat ik tegen
mijzelf verdeeld ben. En dat verdeeld zijn kan ontstaan door twijfel, door schuldbesef e.d. Die
moet ik vóór alles voorkomen. Verder moet ik de wereld zien als iets, waarin de ervaringen
steeds voor mij openliggen. En dan verlang ik natuurlijk ook naar een geestelijk beleven.
In dat geestelijk beleven maken heel veel mensen ook alweer een grote fout. Ze denken
perfectionistisch. D.w.z. ze willen iets volmaakts bereiken. Uittreding b.v.. "Ik wil uittreden en
nu wil ik precies gaan zien, wat hier of , daar gebeurt. Ik zal dat precies gaan constateren." Dit
is een mogelijkheid. Maar nu komen ze tot de conclusie, dat ze met die uittreding een resultaat
hebben van zeg 10%. De rest is fantasie, 10% is juist. Ze zeggen: "Dan deugt het niet." Fout.
Dan hebben ze bewezen, dat ze een begin kunnen maken en ze kunnen dit verder uitbreiden.
Begrijpt U? Wanneer je voortdurend perfectionistisch blijft denken, voor jezelf en voor
anderen, de hoogste eisen stelt, zul je op de duur door het stellen van die eisen zoveel
teleurstellingen ondergaan, dat je niet tot een waar bereiken, niet tot een waar presteren kunt
komen.
In de esoterie is het wel degelijk zaak om niet te kijken naar alles, wat tegenvalt en wat lelijk
is, maar je vast te houden aan alle positieve punten boven alles. Hoe meer je van die positieve
punten vindt, hoe beter je op de duur zult begrijpen, waaruit je teleurstellingen zijn
voortgekomen, wat de reden er van is, wat de mogelijkheden waren. Maar hou je je vast aan
de teleurstellingen, aan de tegenslagen, dan kom je er nooit. Dus zal de esotericus ook in zijn
geestelijk streven, in zijn denken en zijn werken voortdurend zoeken naar de positieve punten,
datgene wat een bevestiging is, wat een bevrediging betekent, innerlijk een vreugde betekent.
Daaruit put hij n.l. kracht om zijn teleurstellingen niet slechts terzijde te leggen, maar te
overwinnen en tot iets positiefs te maken.
Dan meent menigeen, dat zoveel dingen doelloos zijn. Esoterie gaat over het gehele ik, niet
over een klein deel ervan. Alles, ook het meest kleine, het meest onbelangrijke heeft zijn doel.
Als zodanig is voor de esotericus alles geestelijke belangrijk. Dit gelijkelijk belangrijk zijn
brengt hij tot uit -drukking in zijn interesse, zijn ijver en zijn beheersing, die hij, zowel voor
het kleine als voor het grote gelijkelijk gebruikt, zonder enig verschil.Verder zullen wij heel
vaak verlangen naar b.v. een stem van de geest, die in ons spreekt: naar contact met de
geest, dat wij niet altijd zo kunnen bereiken als wij willen. Wij willen een geestelijk werk
volbrengen en worden daarbij plotseling geremd. Nu kunnen wij ons daar natuurlijk erg druk
over maken. Maar wanneer wij dat doen, dan mogen wij er wel van verzekerd zijn, dat het
beetje, dat wij nog wel kunnen ook te niet gaat. Het heeft dus absoluut geen zin onze
tegenslagen te verwerken als beperkingen en remmingen. In elke tegenslag, in elke beperking
zit een zin. Niets is zinloos in het leven. Indien wij die zin beseffen, zullen wij juist daaruit een
grotere innerlijke vrijheid kunnen, verwerven.
Naast deze punten zoekt men verder heel vaak naar een vergroting van sensitiviteit. Wanneer
men dat als doel stelt boven al het andere, is er ongetwijfeld wel iets te bereiken. Maar het
heeft vaak weinig zin. Degenen, die het gegeven wordt, zullen het moeten gebruiken. Zonder
dat is hun leven niet volledig. Degenen echter, die deze gaven niet gegeven worden, mogen
trachten ze te ontwikkelen, mits zij eerst zichzelf ontwikkelen. Sensitiviteit, helderziendheid,
180 WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD?
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

helderhorendheid, zijn gevolgen, geen oorzaken van een bepaalde geestelijke ontwikkeling.
Door dit te begrijpen kunt U zich dus meer neerleggen bij de bestaande toestand en uit dat,
wat nu is, het beste maken.
Verkeert U ooit in twijfel, dan weet U, dat voor de esotericus zeker, zoals het voor alle mensen
behóórt te bestaan, deze wet suprême is? Doe niets wat een ander schaadt. Ook zelfs niet,
wanneer je meent dat die ander schadelijk is voor de anderen. Want dit kun je niet geheel
beoordelen.
Dat laatste is erg moeilijk hoor, maar houdt toch die regel in gedachten. Het zal je heel vaak
beletten dingen te doen, waar je later spijt van hebt en die dan later werkelijk een remming
worden. Iemand, die zoekt naar de positieve krachten en de positieve waarden in alle dingen,
vindt daarin het beste middel voor grotere zelfkennis, Vergroting van innerlijk bewustzijn en
uiteindelijk vergroting van geestelijke bereiking« En wanneer er nu punten in de praktijk zijn,
die U nog verder aangestipt wilt zien, dan kunt U ze naar voren brengen.
Ziet U nog verschil tussen daad en gedachten? Een mens kan gedachten hebben, die hijzelf
verkeerd vindt. Waarvan hij zegt: "Die dingen moet je niet denken. "En toch komen ze uit
hem voort of op hem af.
Nu is er heel weinig verschil tussen de gedachte en de daad. Om de doodeenvoudige reden,
dat die gedachte - ook al wenst U ze bewust niet, toch wel degelijk een integrerend deel van
Uw eigen persoonlijkheid moet zijn. M.a.w. die gedachten hebben wel degelijk zin en inhoud.
Ze zijn reëel als daden. Het verschil is, dat de daad soms een schuldbewustzijn doet ontstaan,
waar men bij de gedachte alleen minder last van heeft. Dat is het enige verschil. Maar voor de
rest? Wat is het verschil tussen gedachte en de daad? Wanneer je iets intens in gedachten
beleeft, dan is het veel meer waar en veel intenser vaak dan met de daad. Elke daad is een
bevestiging van de gedachte. En per slot van rekening nu moet U mij niet kwalijk nemen:
Wanneer U f.100.- in Uw zak heeft en U weet dat en U gaat ze nog eens natellen, hebt U dan
f.100.- meer? Dat blijft toch hetzelfde? Zo is het ook met die gedachte. Die gedachte is uw
inhoud. Wanneer U die door de daad gaat toetsen en bevestigen, kunt U misschien nog even
zekerder zijn van wat het is: Maar voor wat U aan inhoud bezit en aan mogelijkheden maakt
het in feite geen enkel verschil uit.
Is het dan niet beter een verkeerde gedachte niet tot daad te brengen?
Dat ligt eraan of die gedachte verkeerd is. En welk criterium gebruikt U voor verkeerd?
Ik heb de kinderen wel eens een klap om de oren willen geven en heb het toch maar niet
gedaan. Het leek me beter van niet.
U stelt dat nu als voorbeeld. Maar in vele gevallen zou het misschien voor de kinderen beter
geweest zijn, als ze die klap om hun oren wel gekregen hadden. Want U zoudt onmiddellijk
daardoor Uw toorn ontladen hebben, zodat hun leven in de komende momenten eerder
prettiger dan onplezieriger geweest zou zijn - ook al Uw rouwmoedigheid mede in aanmerking
genomen -, terwijl voor Uzelf een steeds groeiende bitterheid onderdrukt wordt of beter
gezegd af gereageerd wordt, waardoor dus de bevestiging van de gedachte in deze gevallen
betekent, dat nieuwe gedachten kunnen ontstaan. En dat is een punt, waarmee we wel even
rekening moeten houden. In vele gevallen wordt een gedachte een blijvend iets, wat steeds
terugkeert en het ons onmogelijk maakt tot nieuwe denkwijzen te komen.
En nu? Wat is goed en wat is verkeerd? Dan verwijs ik U weer naar die praktische regel: Al wat
ten koste van anderen gaat, waarmee men anderen dus werkelijk kwaad doet, is altijd
verkeerd, is niet aanvaardbaar. Niet omdat door het uiten daarvan voor onszelf een
verandering ontstaat, maar wij wijzigen dan bij anderen de wet van oorzaak en gevolg. En dat
mogen wij niet doen.
Maar dikwijls weet je niet, of je goed of kwaad doet, of het goed of kwaad effect zal
hebben. Je doet het niet altijd bewust.
Of het een kwaad of goed effect zal hebben. Inderdaad. Je doet het niet altijd bewust, dat ben
ik met U eens. Maar zolang er geen bewustzijn is, is er geen verantwoording. M.a.w. de
onbewuste daad kan een kwestie van oorzaak en gevolg zijn, die - ofschoon later erkend en
WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD? 181
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

dus bewustzijn uitbreidend - in feite naast de persoonlijkheid blijft staan. Om maar weer een
voorbeeld te geven, dat dit misschien duidelijk maakt. U gaat slaapwandelen. Daarvan kunt U
moe worden. In dit slaapwandelen hebt U belletje getrokken bij al Uw buren. Het zal misschien
een beetje gênant zijn, als U wakker wordt en U het hoort. Het zal U de overtuiging geven, dat
U dit onbewuste moet leren kennen en beheersen. Maar niemand zal het U kwalijk kunnen
nemen, omdat U er zich niet van bewust waart. Zoudt U daar een schuldgevoel over krijgen,
dan zou het onjuist zijn. Wel zal hetgeen U gedaan hebt in deze toestand van onbewustheid U
een inzicht geven in bepaalde drijfveren, die nog niet tot Uw bewustzijn behoren. Dus ik zou
mij niet drukmaken over wat U onbewust goed of kwaad doet. Houd U voorlopig bij het
bewuste. Dat is. n.l. veel belangrijker. Hoe verder U gaat met Uw bewuste streven, hoe minder
tot het onbewuste blijft behoren. Want het bewustzijn breidt zich uit.
Maar de gedachte, die men uitzendt, blijft bestaan. En de daad?
De daad betekent heel vaak de oplossing der gedachte. Ze creëert iets nieuws.
Dus doorredenerende daarop is de gedachte meer verkeerd dan de daad?
In feite wel. Maar dat is een stelling, die wij nu niet breedvoerig uit mogen verkondigen hier,
om de doodeenvoudige reden, dat die stelling te zeer in strijd is met alle opvattingen hier op
aarde. We moeten een klein beetje rekening houden met de manier, waarop men hier - dus in
de stof - ook leeft. Zuiver geestelijk gezien ben ik het volledig met U eens, dat elke gedachte,
die intens doorleefd wordt en blijft voortbestaan, veel erger is dan een daad. Maar in de
praktijk zul je je toch wel moeten beperken en zeggen, dat de kracht der gedachte door de
intensiteit der gedachte wordt bepaald. Dat de daad daarentegen een tegenwaarde schept,
zodat de daad in staat is vaak een evenwicht te herscheppen in een gedachteleven, dat
gestoord werd en dus ook de daardoor uitgezonden gedachtestromingen kan corrigeren.
Kunnen we dat met onze gedachten ook niet doen? Een gedachte, die je hebt, kun je die
ook corrigeren?
Wanneer U denkt: "Ik heb honger", dan kunt U wel tegen Uzelf zeggen: Nu denk ik? ik heb
geen honger": maar het helpt zo weinig» Dan moet je eten. En het grootste gedeelte van
menselijke gedachten is direct of indirect verbonden met stoffelijke waarden. Dat moet U niet
uit het oog verliezen. We zouden theoretisch dit met de gedachte kunnen corrigeren, mits de
corrigerende gedachte even intens is als de oorspronkelijke gedachte en dezelfde
gevoelsintensiteit in zich draagt.
Is het juist, dat U zegt: " Als je honger hebt moet je eten?"En als je een gedachte hebt,
b.v. een suggestie, kun je dan de honger niet wegmaken?
Neen, dat kunt U op de duur niet. M.a.w. U kunt tijdelijk de gedachte aan de honger
bedwingen, maar U kunt de honger zelf als impuls niet voortdurend blijven onderdrukken. Met
het gevolg dus, dat de oorspronkelijk tijdelijk verdreven gedachte met steeds groter intensiteit
en intenser beleven terugkomt» Nu is er één ding mank aan dit voorbeeld natuurlijk. En dat is,
dat ik hier een gedachte heb genomen aan de hand van een stoffelijke oorzaak. Dat wil dus
zeggen, dat daarnaast ook een geestelijke oorzaak kan bestaan voor een gedachte. Maar zelfs
bij deze geestelijke oorzaak zal het toch noodzakelijk zijn voor een stoffelijk bewustzijn om
een stoffelijke uitdrukking te geven aan de gedachte, wil men ze kunnen loslaten.
Ik weet niet, of U wel eens een ogenblik hebt gehad, dat U absoluut het idee had, dat U een
ander iets goeds moest doen. Zolang U daaraan geen gevolg geeft, zal die gedachte U a.h.w.
een beetje blijven kwellen. Dan is dat niet negatief, maar het betekent wel een grote
eenzijdigheid voor Uzelf en een beperking, een onrust. Dus wanneer U zo’n impuls hebt, dan
gaat U desnoods naar een bedelaar toe en geeft hem een gulden, zodat U even deze spanning
ontlaadt. En dan gaat Uw bewustwording normaal verder.
Dan verandert de disharmonie in harmonie.
Juist.
Is dit geen afkopen?
Neen, dat is geen afkopen. Wanneer ik een stoomketel heb en ik breng die onder spanning,
dan komt hij aan een gevarenpunt. Het gevarenpunt wordt merkbaar, doordat er een te grote
182 WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD?
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

spanning op de platen van de ketel komt te staan. Dan kan zo’n plaat losspringen en het
materiaal kan scheuren. Zeker kan die ketel nog een hele overspanning verdragen - er is altijd
een veiligheidsmarge - maar wanneer ik doorga om enerzijds de impuls erin te brengen, de
waarde erin te brengen en de stoom geen uitlaat te geven, dan barst hij uit elkaar. En zo gaat
het met ons eigenlijk ook, wanneer we zo’n bepaalde gedachte-impuls hebben. We kunnen
soms, wanneer de directe uitvoering van de. gedachte niet aanvaardbaar is, daarvoor een -
laten we zeggen - substitutie vinden. Om een voorbeeld te geven: U wilt iemand doodslaan.
Dat is natuurlijk iets, wat U niet kunt doen. Dan gaat U houtjes hakken. Dan ontlaadt U door
de voorstelling toch ook deze spanning.
Dan is dat precies hetzelfde, houtjes kappen of iemand vermoorden?
Er zijn associaties mogelijk en in de associatie kan de kracht voor een groot gedeelte worden
af gereageerd, waarbij het dwangbeeld dus wegvalt en beheersing dus mogelijk wordt.
Daarom gaf ik hier maar een heel gewoon voorbeeld. Er zijn er natuurlijk vele te vinden. Maar
een uiting moet en wij vinden. En als het even kan - U leeft nu eenmaal in de stof - moet die
uiting in overeenstemming zijn met het stoffelijk aanvaardbare (althans met het stoffelijk
mogelijke) zonder schade aan anderen toe te voegen - dat in ieder geval - en zonder Uzelve
a.h.w. in eigen begrip minderwaardig te maken en daardoor een nieuwe conflictstof op te
werpen.
Je kunt soms zo gespannen zijn door verschillende oorzaken, dat je de neiging hebt iets
kapot te maken en je neemt een bord en mikt dat op de grond. Dat kan je ook ontladen. Is
dat beter, dan wanneer je zegt?" Neen, ik ben een volwassen mens, ik moet mijzelf
beheersen?"
Ja, het is wel beter. Het is natuurlijk geen voorschrift, dat U het kapot hoeft te smijten. Waar
anderen bij zijn en ook niet, dat U het beste servies behoeft te nemen.
Beter een koude douche?
Een koude douche is over het algemeen niet zo bevredigend als het maken van scherven.
Bewaart U desnoods wat kopjes zonder oren en borden, die toch al half gebroken zijn en als U
dan zo’n bui heeft, sluit U op in de keuken en smijt de hele boel eens gezellig kapot, het kost
niet veel, alleen wat schoonmaken. Het is een absolute ontspanning, het geeft een wegvloeien
van dat innerlijk geladen zijn, een vermoeidheid, een matheid zelfs, waardoor U echter weer in
staat bent om weer in het normale te komen i.p.v. op de zaak steeds door te blijven jagen,
waardoor je dagen achtereen hetzelfde jachtige houdt.
Maar wanneer een ander erbij is, zou dat dan niet meer helpen door de reactie van de
ander?
Soms wel, maar de vraag is of de reactie van de ander geen nieuwe conflictstof geeft. En - wat
we ook niet moeten vergeten - zou het voor de ander geen schade zijn? Op het ogenblik, dat U
dus even de beheersing loslaat, zoudt U een ander schade kunnen toevoegen. Ik wil nu niet
direct zeggen, dat U die ander met het hele serviesgoed gaat bederven, tot hij er ook lichtelijk
geschonden uitziet, maar U zoudt zo iemand b«v. erg kunnen kwetsen, kunnen krenken.
Wanneer het even kan, voorkomen we dat.
Ik dacht, dat hij er alleen maar van zou schrikken.
Als het alleen een schrikken is, er bestaan therapieën - we komen nu wel wat van de esoterie
af - die wel eens nodig zijn. En dat noemen ze een shockbehandeling. Wanneer iemand een
beetje hysterisch wordt, helpt een emmer koud water of een klap in het gezicht vaak een heel
eind. Maar wanneer je dat zelf in affect doet, dan weet je niet, waar de maat is. Laten we dus
stellen, dat wanneer U op een gegeven ogenblik met iemand in een conflict komt en U moet nu
eens even laten zien, hoe de zaak in elkaar zit, dan kan ik mij voorstellen, dat U op volkomen
verantwoorde manier een bord van de tafel neemt en het heel rustig kapot gooit. Daar!!! Een
onderstreping van Uw argument, een kenbaar maken van Uw gevoelens, die de ander schijn-
baar zonder dat niet kan accepteren. Maar op het ogenblik, dat U dat in woede doet, zult U te
ver kunnen gaan, U zou te grote schade kunnen veroorzaken. Daarom moogt U dit risico niet
lopen. Daar gaat het om.

WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD? 183
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

Wij zijn van de esoterie wel een eindje afgedwaald, maar misschien dat U er voor de laatste
avond toch wat aan hebt. Zijn er nog belangrijke punten op dit terrein of zullen we maar eens
aan de pauze beginnen?.....Iedereen zwijgt. Dus gaat U rustig pauzeren. Ik hoop, dat U dit
ietwat afwijkende programma mij ten goede wilt houden en dat U er toch iets van hebt kunnen
leren. Na de pauze krijgt U een van de sprekers, die speciaal voor dit soort dingen gebruikt
wordt en waar U het volgend jaar ook mogelijkerwijs wel verder mee zult kennis maken. Op
het ogenblik wens ik U allen een zegenrijke avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Wij willen dan in dit eerste deel na de pauze een ogenblik proberen te spreken over:

SFEREN, MELODIE VAN SFEREN EN GELIJKTIJDIG DAARBIJ OOK WERKEN MET
STEMMINGEN EERDER DAN ALLEEN MET REDELIJKE BEGRIPPEN.

In het komende jaar zult U dit waarschijnlijk veel meer ontmoeten dan tot nu toe in deze kring
en het is misschien wel eens goed, dat U reeds nu een inzicht heeft in wat op deze wijze
mogelijk is.
Het onderwerp heeft nu eenmaal een titel nodig en ik zou daarvoor gaarne kiezen: De melodie
der sferen. Want het heelal zingt. Het zijn geen klanken, die het menselijk oor kunnen be-
roeren. Het zijn niet alleen maar gezangen of melodieën, zoals men ze op aarde op
instrumenten speelt. Maar er is een voortdurende zang, een voortdurende trilling, die samen
kan groeien tot een machtige harmonie.
Wanneer wij spreken over een melodie der sferen, dan denkt men onwillekeurig aan de
sterren, die zwaar orgelende, zingende hun weg trekken, hun baan zoeken. Men denkt aan de
vreemde
harmonieën, die moeten ontstaan, wanneer de grote sterrenmassa's der nevels tezamen hun
klanken naar het ledig middelpunt van de ruimte sturen. Maar er zijn veel meer stemmen, veel
meer in deze oneindige kosmische symfonie, dan alleen in sterren kunnen worden vertaald.
Want de kleinste delen zingen hun eigen zang, wanneer ze wervelend rondgaan, samen
vormend wat U noemt: vaste materie. Elk atoom zingt zijn eigen lied. De soorten tezamen, ze
verenigen zich tot een aparte invloed, die soms met de felheid van een koperen trompet, soms
met de melancholie van een wenende viool in de einder klinkt. Alle dingen hebben hun stem.
De kern van de kosmos is opgebouwd uit trillingen. Trillingen, die in zichzelve het verschijnsel
zijn van de kracht en de straling, die uitgaat van het Goddelijke. Het grote platform, waarop
de muziek wordt uitgevoerd, is het veld zelve van de goddelijke wil, waarin de goddelijke
macht zich kruist. In de verschuiving van lijnen wordt het notenschrift der eeuwigheid
geschreven in het opvlammen en blussen van sterren, het ontstaan en vervallen van
elementen.
Alles zingt. Zelfs de menselijke ziel zingt haar eigen lied mede. Iedere mens maakt deel uit
van de melodie der sferen, het lied der oneindigheid. Wat dan zingt de materie? Wat zingen de
sferen? Wat zingt het leven zelve?
Het kleine zingt met een razende snelheid - suizelend haast - een lied van werelden,
geschapen en weerspiegelende het grote. De microkosmos roemt zich te zijn het evenbeeld
van de macrokosmos. Het onkenbaar kleine toont zich het beeld van het onkenbaar grote. Zo
vertellen de verschillende grondstoffen van het bouwsel, dat Al. heet, bik voor zich hun eigen
naam, één lettergreep, één klank, die samengevoegd met de andere de goddelijke naam spelt,
duizendmaal herhaald.

184 WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD?
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

Dan komen de planten. Langzaam en gedragen is hun melodie. Soort bij soort zich voegend
weven zij een klankenreeks, die onmiddellijk verknoopt is met de gang der zon, met de zucht
van de wind.
De dieren, de soorten samen, ze zingen van leven en doodsaanvaarding. Ze zingen van
geboorte en ondergang. Het eenvoudige en simpele leven, dat in zich toch ontwikkelt en
opbouwt, spellende de wet, die niet begrepen maar wel geleefd wordt..
En dan komt de mens. Een typische contrapunt-melodie, die het conflict tracht te bezweren.
"Niet één ben ik met dit Al en toch zijn eigen eenheid hongerend verlangend. Altijd weer
uitgrijpend naar de tegenstellingen en de diepte. Flagrante dissonant soms, en toch zich
ontwikkelend tot een majestueus akkoord, waarin hij samenklinkt met de grootste waarden.
Dan klinken de stemmen van de sferen, van de geestelijke sferen en geesten. Ze zingen de
eentonige diepten van de duisternis, van de uitblussing en het begeren, dat al overrompelend
in zichzelf besloten is. Traag, somber, toch soms een climax vindend door het rollen der
pauken. Daar klinkt het streven van de afgrond weer, zoekend naar vernietigen, een
ondergaand licht.
Daarboven de stemmen van hen, die begrijpen, die vormen vinden. Soms met de zoete
obligaat van een hobo, die zoekende tussen de klanken door zijn eigen melodie weeft. Een
herinnering aan verleden, een belofte voor de toekomst.
Dan zingen er de sterren en de planeten, samen hun lied zoekend, altijd weer variërend,
variërend, één en hetzelfde thema. Dan zijn er de sterren, die onderling tezaam met hun
vreemde sonore klanken een soort kosmische pavane weven door het lied van alle tijden. En
boven dat al de ruisende vloed van de tijd, die in een spel van gaan en komen soms een
diminuendo schept, soms een capricioso zelfs, waarbij de verschillende krachten van elkaar
verwijderd schijnen te worden en terugkeren in een dansend ritme. En al tezaam vloeit het
steeds weer terug tot één vaste toon, de grondtrilling. De grondtrilling met zijn simpele
variant, zijn simpele melodie, die is het Scheppend Woord. Zoals de sferen zingen, zo is er iets
in ons, dat zingen wil. Soms traag als omfloerste trommen, wanneer het hart door leed haast
wordt gesmoord. Soms juichend, jubelend, met vreemde uitschieters en effecten van
plotseling beleven als een vuurwerk, dat knalt in een duistere nacht, een ogenblik sterren
tonend en verstervend reeds, voor het de aarde weer bereikt. Ook wij, wij zingen mee ons
eigen spel, onze eigen melodie. Ook wij vlechten samen U een vreemde krans van feiten, die
een loflied is voor de Schepper. En wanneer we al tezamen zijn en afstand nemen van het
kosmisch lied, dan zien we, hoe het statig in eenheid verder gaat, al weten we niet, waar het
eindakkoord zal vallen of hoe het zich zal oplossen in de stilte. Want ook de stilte speelt een
rol.
Er zijn momenten voor mens en voor schepping, dat God spreekt. Ogenblikken van een diepe
rust, waarin elke toon schijnt te zwijgen. Het is, alsof het leven verstart op de velden, of de
wenteling der atomen een ogenblik is gestaakt. Ademloos staan de hemelen. De vlammen van
de sterren zijn als. steen geworden, niet meer uitschietend of terugvallend. In die vreemde
stilte worden we ons soms bewust, we weten niet waarvan. Even is er een ogenblik van
plechtige aanvaarding, van ondergaan, dat toch gelijktijdig een zoeken is. Dan is het voorbij.
Uit de stilte komen weer de kleine geluiden der Schepping tezamen en zij vormen wederom
ons leven, ons voortgaan, jachtend soms, alsof we verloren tijd moeten inhalen.
Wie zal weten, waar God woont? wie zal weten, waar Zijn stilte het uiteindelijke woord
spreekt? Rond ons is een opvlammen van ondergang, een herboren worden van leven. Overal
rond ons is het probleem en de strijd en toch ook weer het ogenblik van rust en van
aanvaarding. Wij weten niet, waar God spreekt of waar Hij woont. Maar altijd weer weerkaatst
ons Zijn naam uit het grote en uit het kleine. Altijd weer weerspiegelt het leven, waar wij het
zien en waar wij het vinden, Zijn volmaaktheid en Zijn wet. Want één zijn alle dingen
geworden. Een en gesymboliseerd in de melodie der sferen.

WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD? 185
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring: 1957 – 1958 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

Voor ons is de wereld klein en beperkt. De sferen nog zijn als de schil van het ei, waarbinnen
een wordend leven nog besloten is, zoekend reeds naar een uitweg, kloppend aan de wand, en
nog niet tredend in het grote, het volle leven. Maar zelfs ons zwakke kloppen aan de wand van
de beperking mengt zich in het lied. Het hoort erbij. Niets wat we doen, niets wat we beleven,
wat we volbrengen staat buiten het spel der schepping. Niets wat we doen, wat we volbrengen
ligt buiten deze melodie, deze eenheid, die de grootste harmonie van de goddelijke naam zelf
vormt. Indien wij dat begrijpen, vinden wij de kosmische eenheid in onszelven. Het begrip van
één te zijn, één met demonen en engelen, één met atomen en sterrenwerelden, één met de
ruimte en de tijd. Want waar zal de grens liggen van ons, kennende en wetende wezens in de
schepping? Zoals de trilling van de toon versterft - ver buiten de klanken van het orkest nog
doordringend - en kerend weer, herscheppende een ogenblik de echo van de melodie zelfs in
de ledige, de ongekende ruimte buiten U, zo gaat ons wezen uit, zoekend naar volmaking,
strevend naar geluk en vrede en toch steeds weer zijnde echo en weerkaatsing van een
goddelijke naam.
Zoals het leven is voor ons, kan net nooit merkelijk zijn. Want wat de verschijnselen van het
dagelijks bestaan voor ons betekenen, wat onze tegenslagen en onze teleurstellingen zijn
of onze vreugden, dat is maar schijn, dat is maar waan. Gods naam klinkt onveranderd, altijd
weer dezelfde, ook voor ons. De kracht van het licht, de dragende stilte, ze is te allen tijden
geweest in het begin,vóór er een wereld bestond, ze zal er zijn aan het einde, wanneer de
laatste ster blust. Dat is gelijk.
Wat ons begoochelt en betovert is het samenspel van klanken, zittend in het orkest, gevangen
in dat wat ons omgeeft, niet beseffende meer de klank van het geheel. Of soms, misschien
toch vangende het geheel, maar in droom. Zoals de musicus, die leest en een volledige
partituur ziende, uit zijn gedachte de klank van het orkest voelt rijzen. Een klank, die hij zelf
nooit kan vangen, wanneer hij in volle overgave speelt aan zijn deel, zijn kleine deel van de
melodie: soms strijdend met instrumenten, die rond hem een andere melodie voeren, soms
ook in eenheid met hen versmeltend tot één geluid. Zo gaat het ons.
Kennen wij de waarheid van de schepping? Kennen wij het werkelijk doel van ons leven op
aarde of in de sferen? Zolang wij slechts onszelven zijn en slechts onze eigen melodie mee-
voeren in het grote geheel, kunnen we dat niet beseffen. En wanneer wij een ogenblik soms de
stilte vinden, een ogenblik van rust, wanneer het grootste manuscript der eeuwigheid voor ons
heeft neergeschreven een paar maten pauze, dan vangen we een flard van de gehele klank op,
dan bouwen we in onszelf de voorstelling..... en de Naam.
Dat, vrienden, is hetgeen ik U voor vanavond te zeggen heb. Ik weet, het is niet veel. Maar het
is een begin van een waarheid. Een waarheid, die U misschien in deze woorden nog niet kunt
vinden, maar die U kunt aanvoelen, als U een ogenblik de betovering wilt ondergaan van
klanken, die zich aaneenrijen, aaneen zelfs in een menselijke stem. Het ritme van hetgeen ik
hier zeg en voortbreng zal U een ogenblik die ademloosheid geven, dit gebonden zijn, dat
behoort te bestaan met de gehele schepping. Want die kracht is hetgeen in ons leeft. De rede,
het is de vorm, het is het versiersel van het leven, meer niet. Maar daaronder, het gevoel zelf,
dat is de klank, die van ons uitgaat. Dit diepe bewustzijn van totaal beleven, dat is ons
werkelijk bestaan. Laten we dan hopen, dat we soms voor een enkel ogenblik iets van die
werkelijkheid kunnen vangen: in een kleine bespiegeling met een paar woorden over een van
die vele dingen, die wij menen te onderscheiden in de schepping, maar die in feite slechts alle
hetzelfde zijn: goddelijke uiting, goddelijke wil en goddelijke kracht.
Vrienden, ik ga U overgeven aan een volgende spreker en deze zal zo nodig nog een
onderwerp voor U behandelen, indien U dit wenst, indien U dit niet wenst, zal hij de
bijeenkomst voor U besluiten. Ik ben blij, dat ik hier even met U heb mogen spreken en ik
hoop, dat het U iets te zeggen heeft gehad. Goeden avond, vrienden.
o-o-o-o-o

186 WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD?
© Orde der Verdraagzamen
Esoterische Kring jaren: 1957 - 1957 - Datum – 15 juli 1958
Les 11 – Wanneer spreken we van een persoonlijke God?

Het Schone Woord: De Trekvogel
De vlerken wijd gespreid, drijvend op de wind van land tot land, zoekend naar het vaderland,
zoekend naar een plaats van rust, jagend over blauwe zee en zoekend naar een kust, waarop
hij even rusten moge. Trekvogel, het wrede lot gedoogt U niet te rusten. Gij weet niet, waar
ge sterven zult, welke kusten, welke wouden, zullen bergen 't laatste, wat er van U blijft. Maar
ge zijt één met de velen, die trekken door het leven de baan, die aan de lucht de stippen
schrijft. De tocht van eeuwigheid onderworpen aan een vaste wet, toch door de eenling niet
gekend, in 't streven van de eenling, gevangen in de tochten van de bent, die door de luchten
glijdt.
Trekvogel, zijt ge niet een mens, die door de tijden vliegt en schreit om voedsel en om kracht?
Zoekt naar een doel, waarin hij eindelijk zeggen kan: "Het leven is volbracht, ik voel mij vrij?"
Maar, Trekvogel, zoals gij weer trekken zult - hebt gij uw doel bereikt - zo zijn ook wij, wij
geest en stof. Want wij zien het licht en het goede, wij hebben ons doel dan bijna bereikt en
ons lijkt het wel, dat de eeuwigheid nu plots tevreden met ons is, dat alles is volbracht. Maar
nauw rusten we in het nieuwe licht, daar nadert reeds de nacht, de kilte van de winter en in
het noorden lokt de nieuwe dag. Wij trekken terug, dezelfde weg misschien, erkennend oude
punten weer en vindend weer het oude nest.
Zo blijft het zwerven, tot ten langen lest vervuld is 's levens streven. Totdat verbruikt is alle
kracht, alle weten is ontvangen en aan anderen doorgegeven. Totdat wij vallen, 'k weet niet
waar, in zee, aan kust of in het woud, vallend in 't fluweel der nacht of in het zonnegoud van
dag. Het is het eind.
Maar, Trekvogel, als ge de vlerken al sluit en de ogen U zijn gebroken, dan werkt in U toch een
nieuwe kracht, dan voelt gij in U een andere macht. En nauw is het leven geloken, of ge stijgt
omhoog, een lichtende geest, die gaat tot het leven der zon en daar niet meer werkt, niet
meer zoekt, niet meer streeft.
Want weet, Uw leven is volbracht, Trekvogel, wanneer dag en nacht vereend zijn in één
wezen. Volbracht is de taak, wanneer valt het begeren, het vrezen en is er nog slechts het
bestaan. Daarom, Trekvogel, het lacht de mensen toe, wanneer ge trekt Uw baan door hoge
lucht. Want zoals gij, zo: zijn ook zij slechts vogels in de vlucht.
Daarmede, vrienden, zullen wij dan de laatste bijeenkomst van deze groep beëindigen. Een
nieuw jaar, nieuwe sprekers, nieuwe toehoorders misschien zullen ons nieuwe taken brengen.
Thans mogen wij dankbaar een jaar afsluiten, dat vruchtbaar was, dat ons in de geest veel
heeft gegeven en zeker ook niet voor allen in de stof zinloos is geweest. Vrienden, of wij elkaar
ook nog hier zullen ontmoeten of elders, in andere wereld of sfeer, het gezamenlijk streven zal
ons blijven verbinden, tot wij allen bereikt hebben en één zijn geworden in de liefde Gods.
Daarom wens ik U toe veel innerlijke kracht, bewustzijn van eigen wezen en veel vrede, die
beheersing geeft.
En dan natuurlijk de gebruikelijke formule, waarmede wij nu eenmaal moeten sluiten, omdat
het zo onder de mensen schijnbaar gebruikelijk is. Vrienden, ik wens U natuurlijk een aange-
name avond, een prettige huisgang en een gezegende nachtrust. Ik wens U vóór alles innerlijk
licht.

WANNEER SPREKEN WE VAN EEN PERSOONLIJKE GOD? 187