You are on page 1of 186

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 – Inleiding stemmingsmagie – God

in de mens Goeden avond, vrienden. Wij zullen trachten een groot gedeelte van onze tijd hier niet alleen te besteden aan lessen, maar in zekere zin aan stemmingsmagie. Nu is dit a.h.w. de inleiding. En elke inleiding brengt met zich mee, dat we bepaalde punten nog even aanstippen. En daarom moet ik toch wel een ogenblik uw aandacht vragen voor punten, die al van ouds bekend zijn. De weg der esoterie is de weg naar het innerlijk. In de mens zelf leven vele krachten, vele mogelijkheden, die hij zelf niet beseft. Verborgen achter de uiterlijke grenzen van het bewustzijn, verborgen en verkropen zelfs in onderbewuste en bovenbewuste impulsen ligt onze eigenlijke wereld. Deze eigenlijke wereld geeft ons een totaal nieuw standpunt t.o.v. al het zijnde. Het biedt ons contacten met vele werelden en sferen en maakt het ons mogelijk ons op de duur los te maken van alle beperkingen, die op aarde bestaan. De esotericus is niet in de eerste plaats een mens van de logica. Een logisch beredeneren van al hetgeen behoort bij de esoterie zou kunnen leiden tot vele strijdigheden. Tenslotte is een groot gedeelte van hetgeen wij zullen doceren opgebouwd op supposities. Het zijn thesen, meer niet. Thesen, die in onze wereld werkelijkheden zijn, maar die in de uwe nog niet erkend kunnen worden of behoren tot het geheimzinnige gebied, dat men nog occult noemt. Begrijpelijkerwijze willen wij niet alleen trachten om u de gegevens zo maar even voor te schotelen, wij willen trachten ze u te doen beleven. En daarbij moet er vaak gebruik worden gemaakt: van gelijkenissen. Men kan niet spreken over de krachten van de geest zonder onjuist te zijn. Wel kan men door een vergelijkend beeld aanduiden, wat er ongeveer gebeurt, hoe de toestanden zich ongeveer zullen verhouden. Kunnen we dat doen, dan bereiken wij hiermede uw gevoelsleven en uw gevoelswereld. Het gevoelsleven is voor het grootste deel verknoopt met het direct geestelijk bestaan. Gevoelsbeleven betekent een uitbreiding van bewustzijn. Elke uitbreiding van bewust-zijn vergroot stoffelijk en geestelijk de mogelijkheid van harmonisch bestaan. Men heeft wel eens gezegd? wat is het doel van de esoterie? Ik geloof dat de esoterie uiteindelijk geen enkel ander doel kan kennen dan het "ik" te ontdekken. Het is de reis door de wonderen van eigen wereld en eigen wezen, waarbij men uiteindelijk verbluft en verbaasd zegt: "Ziet, dit ben ik!" Al hetgeen wij zullen zeggen staat hiermede in verband. Wij hopen, dat uzelf dit verband zult leggen, wanneer wij dat niet nadrukkelijk elke keer doen. Het is noodzakelijk, dat u - indien u esoterisch wilt streven - komt tot het innerlijk beleven van de krachten, die in u verscholen zijn. Met deze korte inleiding hoop ik dan duidelijk gemaakt te hebben, waar het ons op deze avonden vooral op aan komt. Onderwerpen zult u vinden in vele verschillende tendenzen, vele verschillende zegswijzen. U zult sprekers ontmoeten, die u misschien nog nooit tevoren hebt gezien en misschien ook niet meer (althans in dit leven niet meer) zult ontmoeten...... of hoogstens een enkele keer. Alles is er op ingesteld de esoterie, de kennis van het ik, te bevorderen. Uw medewerking moet bestaan in een in de eerste plaats ondergaan van het gesprokene, en pas naderhand een ontleden daarvan. Ontleding, terwijl er gesproken wordt, zou u kunnen beletten om de totale sfeer te ondergaan. En dan beginnen we nu met een eerste onderwerp. Je zou het eigenlijk een titel moeten geven. Wat kunnen we dan beter zeggen dan:

GOD IN DE MENS

In de kern van het menselijk wezen staat een tempel. Wanneer je er over droomt, doet ze je denken aan een oude Griekse tempel met Dorische zuilen. Open is ze. Van alle kanten zie je de schaduwen, van begoocheling, van wereld er doorheen schuilen. Maar in de tempel zelve brandt een vlam. Een vlam zonder kenbare bron of oorzaak. En het is of het licht van die vlam INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS 1

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 - Inleiding stemmingsmagie – God in de mens bepaalt, waar schaduw is en waar zon in de buitenwereld. Alle kracht van het leven gaat van die vlam uit. Deze vlam is deel van het Eeuwig Vuur, het Eeuwig Licht, de Eeuwige Kracht. Zij behoort tot die vreemde tegenstellingen, die samengevat in één wezen "God" genoemd worden. Want in de mens leeft God. God, niet alleen als een schim of een schaduw, niet als een onwetende kracht, maar als een volledig bewustzijn. Een wezen dat beheerst, dat kan vernietigen en opbouwen. Voor ons is het moeilijk ons dit te realiseren. Wij spreken van onze eigen persoonlijkheid. Wij kloppen ons op de borst en zeggen: "Hier sta ik, dit ben ik, dit zijn mijn fouten, dit zijn mijn deugden." Maar is dat werkelijk waar? Bent u werkelijk wat u denkt te zijn? Of bent u eerder een deel van een goddelijk werk? U kunt niet passen in het totaal van de schepping, volledig harmonisch met alle dingen, onberoerd door strijdigheden met goddelijke wetten en goddelijke kracht, wanneer u niet eerst de harmonie met uzelf vindt. Wanneer u dit ik met zijn tegenstellingen leert prijsgeven om daarvoor in de plaats te aanvaarden het. grotere ik, het ego, waarin de goddelijke kracht medewerkt en waarin wij - de goddelijke kracht bereikende alle krachten bezitten, die noodzakelijk zijn. Een schimmenspel speelt zich voor af. Want wij wenden altijd de rug naar de vlam. Wij zien niet in het licht zelve. Het zou ons verblinden. Wij durven het niet aanschouwen. Ja, wij durven de aanwezigheid ervan niet eens aanvaarden. Maar in het leven komen er vele onbegrepen dingen voor. Altijd weer roepen we tegen de wand van de ons omringende wereld, tegen de wand van de ons omringende maatschappij, de waan, de sfeer: "Waarom ik? Waarom is dit mij gebeurd? Waarom ben ik zo?" En wij begrijpen het niet. Is. wat wij zien werkelijkheid? Of zijn het de schimmige krachten van een goddelijk werk, die - door de vlam der ziel geprojecteerd op het bewustzijn - ons doen aanvoelen, wat wij niet durven aanschouwen, niet durven doorgronden? Geloof mij, tussen de goddelijke vlam en hetgeen wij onze persoonlijkheid noemen op aarde - en vaak ook in de geest - zijn vele andere krachten werkzaam. In de eerste plaats is daar wat wij kunnen, noemen: de goddelijke wil. Wat wil God? Wil God iets van ons? Het zou dwaas zijn dat: aan te nemen. Verlangt een vorst iets van de armste van zijn onderdanen, of regeert hij, beveelt hij? God vraagt ons niets, God is. In Zijn wezen zijn de volmaaktheid en de voltooiing altijd aanwezig. Zijn volmaaktheid, Zijn voltooiing zijn ook in ons wezen, altijd weer. Als God niets van ons wil, waarom bestaan wij dan? Misschien bestaan wij om vreugden en smarten te kennen. Om uit de tegenstellingen van alle werelden voor ons zelf steeds meer te begrijpen». hoe het goddelijk evenwicht, de balans van alle dingen, de enige werkelijkheid is. Misschien bestaan wij om in ons hulpeloos zoeken uiteindelijk een begrip te verwerven van het geheel, zodat wij bewust en wetend ons aansluiten bij de kosmos, bewust en wetend onze plaats daar innemen. Niet meer zoekend en vragend alleen voor dit ik, maar begrijpend: wij zijn één met God in alle dingen. Waarom is er dan lijden? Lijden bestaat, omdat een mens in zijn onwetendheid, in zijn onbegrip, steeds weer probeert iets te doen, wat volgens de goddelijke wet niet mag. Het is dan met je daden, of je kaatst tegen een stalen muur. Dat wat je werpt, keert tot je terug. De mens ondergaat de gevolgen van al zijn daden, die niet juist waren, die niet in het goddelijk geheel passen. Want die kunnen de rest van de schepping niet beroeren, ook al denkt men dat. God is in ons en in ons is alles mogelijk door God. Maar wij kunnen naar buiten toe slechts datgene zijn, wat de goddelijke wil ons toelaat te zijn. Wij kunnen zelf voelen en denken, ervaren en handelen. Dat is ons recht. Daarom brandt die vlam in de tempel van ons wezen. Maar wij kunnen niet met deze handelingen en daden andere werelden bereiken of andere mensen, dan alleen wanneer dit past in het geheel van de schepping. Wij ervaren en wij leven, omdat ons bewustzijn een groot deel is van het goddelijk Wezen. Wij kunnen niet nagaan hoe God ons ervaart. Maar wij weten hoe God in ons leeft. En vanuit dat standpunt gezien lijkt het soms, of vage flarden van een droom, die eens volmaaktheid heeft uitgebeeld, in ons wezen voortdrijven. Hier een flits en daar een vonk en daar een verlangen. 2 INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 – Inleiding stemmingsmagie – God in de mens Hier een begeren en daar een offervaardigheid. Al die flarden van droom tezamen gevat zijn het beeld van de volmaaktheid, waarin God ons schept. Al onze handelingen beïnvloeden onszelf. Wij lijden slechts, omdat wij niet begrijpen wat wij zijn. Wij dromen misschien van ondergang, van dood en van angst om de doodeenvoudige reden, dat wij niet willen en niet kunnen begrijpen, hoe ons leven werkelijk is. Wij zijn niet zonder meer uit God voortgekomen. In ons brandt de goddelijke kracht van een eeuwig vuur. Een offervlam, waaruit het leven zichzelve steeds vernieuwt. Maar rond de Vlam zijn gestalten uit die Vlam geboren. De machtigen, de tronen, de heerschappijen, de engelen en de bewusten, de ingewijden en de meesters. Wat zijn zij anders dan een weerkaatsing in ons leven van een bepaald aspect van God? En het zijn deze aspecten, die wij meer kunnen begrijpen dan de Vlam zelf. Wij, kinderen van het licht, zien naar de schaduwen. En in de schaduwen zoeken wij bewustzijn en leven. Verder niet. Schaduwen zien wij. Het licht gaat aan ons voorbij. En zo wordt ons leven, ons streven en denken, een spel van schimmige krachten. Krachten uit God geboren, voorwaar. Maar niet krachten, die voor ons wezen noodzakelijk zijn. Wij kunnen het stellen zonder al die engelen en die duivelen. Wij kunnen het helemaal doen zonder ingrijpen van bovenaf. Wij kunnen het helemaal doen zonder verlossing, als het nodig is, als wij ons bewust zijn van God in ons wezen. Soms zijn die schimmen eigenlijk ideeën. Want soms wordt een idee geboren in een menselijke vorm. Dan noemt men dat Messias, of Grootmeester, Bodhisattva, Boeddha. Men noemt het de profeet, de ziener, de hogepriester? Ideeën. Meer niet. Schimmen van de Oneindigheid, openbaringen van een enkele vonk vuur, uitgedrukt in zijn werkelijk wezen. Het zijn deze schimmen, waaraan wij ons. vastklampen. Wij baseren ons op het Christendom. Wij baseren ons op Boeddha, op Mohammed. Wij baseren ons desnoods op de oude goden of op de Nornen met hun spel van noodlot. Wij zoeken misschien naar het verloren Nebelheim, of zouden nectar willen drinken op de Olympus. Maar al die dingen zijn schimmen en schaduwen. Meer niet. Wij leven om ook deze schimmen en schaduwen langzaam te verdringen van hun plaats. Een groot man heeft eens gezegd: de zielen der schepping bouwen tezamen een kathedraal. Wanneer die kathedraal voltooid is, gebouwd uit menselijk streven, beleven en aanvaarden, dan zal daarin het jubelkoor klinken, wanneer de Godheid zetelt op het altaar. En hij had gelijk. Wat zijn wij anders dan de belichaming, de omgeving van Godzelf geworden? Wij zijn het voertuig, waarin God Zich openbaart. God, Die in ons persoonlijk bestaat in Zijn volle kracht, in Zijn volle glorie. Waarom, zo zegt men, heeft God dan de volmaaktheid niet geschapen? God heeft de volmaaktheid geschapen. Volmaakt is het heelal. Volmaakt is het spel van de sterren. Volmaakt is de wisseling van leven en dood, die alle bewustzijn beheerst. Volmaakt is het bewustzijn zelve....in God. Maar zolang je meent tegenover deze dingen te mogen staan, meent dat het je recht, je plicht, je taak is misschien om met de uiterlijkheid van je beperkt denken een oordeel te vellen over God en over Zijn werken, dan, ja dan komt er ongeluk in het leven. Dan is er onvolmaaktheid, geboren uit het menselijk wezen zelf. Met zijn strijden, met zijn zoeken, niet naar de werkelijkheid, maar naar zichzelf. Het zou goed zijn, wanneer wij onszelf wérkelijk konden vinden. Maar wij zoeken verkeerd. Je ziet naar je lichaam in een spiegel. Je beschouwt jezelf en zegt:" Daar staan zoveel levensjaren. Dit is mijn ervaring, dat is mijn beroep. Dit zijn mijn eigenschappen. Dit is mijn bezit. Dat zijn mijn vrouw en mijn kinderen. Dat ben ik." Maar is dat waar? Is dat nu werkelijk waar? Wat voor dromen liggen daarachter verborgen? Hoe zoudt u zelf graag willen zijn? Is er geen begeren om anders te zijn, anders te leven? Hoe kunt u dan zeggen, dat die uiterlijkheden uw eigen wezen zijn? De uiterlijke vorm, waarin wij leven, is een deel van het geheel, waartoe wij behoren. Wij mogen ze niet verwerpen, maar wij moeten zoeken wat erachter schuilt. Wij moeten zoeken in die wereld van onze begeerten, van onze dromen en onze verlangens. We moeten trachten te INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS 3

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 - Inleiding stemmingsmagie – God in de mens putten uit dat, wat op de achtergrond van ons bestaan leeft. Een idee van de drijvende kracht voor de werkelijkheid van heden. Wij moeten weten wat onze angsten zijn. Wanneer de vrees ons benauwt, wanneer de paniek onze gedachten doet verwazen, ons hele wezen in oproer zou willen brengen, dan moeten wij de kracht hebben om te zeggen:" Wat is dit? Wat? Wat welt daar op uit het diepste van mijn wezen?" Kun je dan beschouwen, dan splitst het wezen zich in delen, Dan is daar de uiterlijkheid van het voertuig en de innerlijke beschouwing. Misschien is de paniek nodig, misschien zul je ze niet altijd kunnen remmen, maar je zult jezelf beheersen, je zult meester zijn, je zult voorzien wat er kan gebeuren en je zult het kunnen aanvaarden. Wanneer de vreugde komt, geniet dan niet alleen de vreugde, maar vraag je af: "Waarom ben ik gelukkig? Waarom?" En zoek dan achter die uiterlijke vreugde de reden. Is het de aanvaarding, de eenheid met anderen, die je hebt gevonden? Is het de vervulling van een droom? Waarom? Als je dat dan weet, als je gevonden hebt wat er onbewust en onderbewust schuilt in je wezen, zoek dan eens verder. Vraag je af:" Vanwaar? Vanwaar komen die dromen, die impulsen? Welke werelden zijn er, die in mij idealen doen groeien, die niet eens in de wereld, die ik ken, kunnen bestaan? Vanwaar die eeuwige honger naar licht, naar vervulling, naar volmaaktheid?" Misschien dat je weer een schrede dichter bent bij de tempel, waarin de eeuwige vlam brandt. Want als je zo vraagt, dan denk je aan de stemmen der leidende machten. Dan denk je aan eeuwige wetten. Dan voel je a.h.w. een sprekende stilte in jezelf. Je weet het nog niet, dat je naar God luistert. Je denkt, dat het de verborgen stem van je innerlijk ik is. En dat het spreekt, dit vreemde, met de woorden die je eigen zijn. Spreekt in ideeën, die je kent en je dromen brengt, die je vaag aan een ver verleden schijnen te herinneren. Toch vind je dan al iets van de werkelijkheid. Achter stoffelijk ik, achter omgeving van sfeer, van wereld, staat een nieuw beeld. En je aarzelt om dat "ik" te noemen. Want het schijnt wel een voortdurend fluoresceren van kleuren te zijn, een zeepbel gespannen om een ledig niet, waarin alle kleuren van het licht breken en weerkaatsen, een beeld gevend van de wereld en bevattend het "niet". Eerst wanneer je weet, dat het "niet" in je bestaat, zul je de moed vinden je om te wenden. Wanneer er geen enkele achtergrond meer is, niets waaraan je je kunt vastgrijpen, wanneer je alleen staat in je schepping, in je wereld, in je bestaan, schijnbaar doel- en zinloos soms, dan durf je je omwenden en in de werkelijkheid te zien. Welke werkelijkheid? De werkelijkheid van een schepping, die leeft en ademt, een schepping, die ontwaakt en zich te ruste legt. De werkelijkheid van een saamhorigheid buiten elke voorstelling om. Een organisch geheel, waarin de tijd pulst als het bloed, dat door een lichaam gaat. Waarin de vormen, die ontstaan en vergaan, zijn als de cellen, altijd gelijk en altijd nieuw. Een lichaam, waarin alle organen een eigen taak hebben. Een lichaam, waarin alle dingen werkzaam zijn en waarin je zelf behoort. Wanneer een vezel van een lichaam zich zou afvragen: "Waarom trek ik mij nu samen? Waarom zet ik nu uit?", wanneer het zich nu zou af vragen: "Waarom voed ik mij? of: Waarom voel ik mij onvoldoende gevoed?" zou die cel dan ook niet spreken over een ikheid, zoals de mens en de geest dat doen? "Want ik krijg vandaag niet voldoende voeding, ik ben ongelukkig". "Voor mij is er thans een overvloed, ik kan wat terzijde leggen." En zo gaat het verder. Maar op een gegeven ogenblik zal ik toch moeten beseffen: "Ik behoor bij een weefsel, bij een groep, bij iets speciaals en bijzonders." Als wij kijken naar de kracht, die ons bezielt, dan ontdekken wij daar niet alleen maar God in óns. Dan ontdekken wij de kosmische God, die alle dingen beheerst. En wij zien gelijktijdig hoe Zijn leven in ons brandt als een kleine vonk. Dan kunnen wij voor onszelf zeggen:" Zonder Hem kunnen wij niet bestaan.

4

INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 – Inleiding stemmingsmagie – God in de mens Hij is het, Die ons leven geeft, Die ons in stand houdt." Ja, meer: "Hij is het, Die ons gebouwd heeft voor Zijn doel." En eerst, wanneer wij aan Zijn doel beantwoorden, bewust en wetend, dan is er geen verandering meer. Maar ja, wij zijn bang voor het licht. Bang.... totdat er niet meer is. Niets meer is dan het ledige, dat achter ons schijnt te liggen. De afgrond, waarin wij vrezen te vallen. En vanuit menselijk standpunt is het misschien een afgrond. Want God is tijdloos. Wie naar God schouwt, ziet de wereld stilstaan. Werkelijk stil. Dan liggen ze naast elkaar, alle tijden. Naast elkaar de farao's en staatsmannen van deze dagen. Naast elkaar een slag van Monte Casino en de tocht van Hannibal over de Alpen. Naast elkaar liggen ze, de burgers uit de oertijd met hun stenen wapens, uittrekkend op de jacht, en de moderne mens in de fabrieken, één geworden. Naast elkaar liggen ze, heidendom en godsdienst. Naast elkaar liggen ze, grootste wijsheid en grootste verdwazing. Want al. deze dingen zijn deel van God en daarom deel van onszelf. En omdat ze deel van onszelven zijn, eeuwig en tijdloos, zullen wij moeten zoeken naar het enige, wat ons rust geeft, het enige wat ons werkelijke vrede betekent en werkelijke vervulling: een begrip van de goddelijke kracht in ons, maar ook een begrip van de goddelijke kracht als geheel en de plaats, die wij daarin innemen. Eerst dan hebben wij ons leven voltooid. En daarmede neem ik thans afscheid van u, vrienden en geef ik het woord over aan een volgende spreker. Deze zal althans een deel van mijn toespraak op zijn eigen wijze voor u toelichten. Ik voor mij wens u verder een gezegende avond toe. o-o-o-o-o Goeden avond, vrienden. Wanneer men spreekt over het geheimzinnige - wat de eenheid met God in ons tot stand brengt - en de tijdloosheid, die daaruit voortvloeit, dan grijpt men ongetwijfeld ver boven hetgeen de burger kent, hetgeen de mens normalerwijze overweegt. Want het is nu eenmaal noodzakelijk, dat wij wat verdergaan dan dit en gelijktijdig wat dichter blijven bij onze eigen wereld. Mooi zijn de theorieën, die ons verheffen tot de heuvelen, die ons stellen vlak bij God, zodat wij grijpen kunnen naar Zijn licht als naar een zon, die ons passeert. Maar ik vraag u, zijn wij reeds zover gestegen? Kunnen wij werkelijk reeds zover komen? Ach, ge zult toegeven: In alle tijden en met elke nieuwe ontwikkeling van beschaving staan we even ver, even ver van God af en even ver van onze eigen werkelijkheid. Het zal u daarom misschien niet verbazen, dat ik op deze eerste bijeenkomst een woordje wil zeggen en wel speciaal over:

DE ONTDEKKING VAN HET EIGEN IK

Natuurlijk is het in de eerste plaats noodzakelijk, dat je jezelf leert observeren. Niet zozeer, opdat je jezelf voortdurend zult beschouwen, maar opdat je zult ontdekken, welke krachten er in je werkzaam zijn. En één van de grootste krachten in het leven van elke mens is de emotie, de innerlijke bewogenheid. Die bewogenheid kan bij vele omstandigheden op de voorgrond treden. We zien ze even zo goed in het spel van de stoffelijke verbondenheid als in de bewustwording van een religieus gebeuren of de overgave aan geestelijke krachten. Altijd weer is er de emotie, de plotselinge innerlijke bewogenheid, die ons in een geheel andere richting stuwt dan we zelf zouden willen gaan. En dit gaat verder. Want in ons is die bewogenheid ook vaak als een soort leegte. Niet de kosmische leegte, waarvan mijn geachte voorganger heeft gesproken. Neen, een leegte als een honger. Soms gaan we tegen de rede in bepaalde stellingen na. Soms luisteren we tegen ons eigen verstand in naar een predikant, predikers, geesten, enz., alleen omdat we daaruit voor onszelf toch hopen te gewinnen die vervulling van ons zijn en ons wezen, die voor ons zo buitengewoon belangrijk is. INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS 5

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 - Inleiding stemmingsmagie – God in de mens Het zal u duidelijk zijn, dat deze dingen niet zonder grond zijn. Wanneer wij leren dit in onszelf te ervaren, waarom wij eigenlijk hongeren, wat het is, waarnaar wij hunkeren, ook wat het is, dat ons geestelijk kan verzadigen, dan krijgen wij al een aardig beeld van ons eigen denken en streven. En tenslotte, hoe kan men zich soigneren, zich verzorgen, geestelijk of stoffelijk, wanneer men niet in staat is zich een voorstelling te maken van zijn uiterlijk en zijn verschillende mogelijkheden? Daarom zijn een groot gedeelte van onze mogelijkheden voor ons geborgen in die gevoelswereld, in dit innerlijk beleven, en als zodanig zeer belangrijk. Want wetende hoe deze honger ligt, weten wij ook, waar wij de verzadiging kunnen zoeken en kunnen wij misschien ook begrijpen, waaruit ze voortkomt. De eerste stelregel van de esoterie, zeker voor de beginner, is: Zoek naar de reden, waarom je iets doet. Zoek naar de inhoud van je streven. Vraag je af: "Waarom verwerp ik, waarom aanvaard ik." Het is zo simpel. Het is zo eenvoudig als het maar voorstelbaar is. En toch.... zo nuttig. Want wanneer ge alleen ziet, wat ge verwerpen wilt in de wereld, dan zult ge ontdekken, dat ge niet verwerpt datgene wat redelijk onaanvaardbaar is (die reden wilt ge laten rusten), maar datgene wat u teleurstelt, omdat het uw verwachtingen beschaamt. Wanneer ge verwacht een koningstroon te kunnen werven en men biedt u slechts een schamele hut, dan keert ge u af en hebt zo niets. En in het niets de zorg en het lijden. Gij zijt als de dwazen, die verlangen rijkdom te ontvangen van een vorst en wanneer ze een aalmoes krijgen, beledigd heengaan, vervolgd door de toorn van de vorst, opgevreten door hun eigen teleurstelling en zo in de wereld ongelukkig en zonder betekenis. Of ge verzadigt u aan iets tegen elke rede in. Niet omdat ge zegt: Dit past in mijn wereld of dat hoort bij mijn persoonlijkheid, maar omdat ge voor uzelf voelt: Hieruit kan ik iets putten om voor mijzelve verder te gaan. En dat is het belangrijke. Naast alle ongetwijfeld zeer schone bedoelingen van een ieder, die zich bezighoudt met geestelijk werk, behoort wel degelijk de utiliteit te staan. Br moet een zekere nuttigheid schuilen in ons streven, anders heeft het geen zin. Wie zich slechts wil verzadigen zonder meer, zal opnieuw honger krijgen. Maar wie zich verzadigt op de juiste wijze, is verzadigd voor alle tijden. Wanneer wij weten waarom wij verlangen naar iets, waarom wij iets verwerpen, dan hebben wij reeds zeer veel gevonden. Dan weten wij, wat voor ons wezen een noodzaak is en dan weten we ook, wat onze grootste vijand is. Wat het is wat ons kwetst, wat het is wat ons misschien zelfs doden kan. Niet alleen in een stoffelijk opzicht, maar ook geestelijk kan terugdringen in het duister. Dan weten wij althans, waarom wij in feite leven en streven. En als wij die achtergrond van ons wezen gevonden hebben, dan ontdekken wij rond ons vanzelf wel een andere wereld. Het heeft geen zin te dromen over de gebieden van de innerlijke wereld, wanneer wij niet metterdaad kunnen doordringen, sfeer na sfeer, in ons wezen en steeds achter de uiterlijkheid de beweegredenen vinden. Het heeft weinig zin om dit te doen, als we -de beweegredenen kennende - onze daadkracht daarop niet instellen. In de esoterie heeft men vaak de gewoonte, om - sta mij toe dit op te merken - zich enigszins los te maken van de begane grond. In de gedachten wiekt men als een bolligblanke cherubijn weg langs een wolkig plafond. En elke keer, wanneer de realiteit komt, valt men met een plons naar beneden en bezeert zich bovendien. Dit is dwaasheid. Wanneer de ziele vliegt, dan kan het lichaam op de bodem staan. Dan kan het zich bevinden op de aarde zonder meer. Het hoogste geestelijke inzicht kan zich uiten in elke daad, tot zelfs in datgene, wat het meest minderwaardige lijkt, wat er op de wereld maar te bedenken is aan arbeid of aan bezigheid. Er is geen grens te stellen. Het is ons geestelijk weten en beseffen, wat de inhoud geeft aan het totaal van ons eigen denken. Het is ons persoonlijk aanvaarden van het leven, dat bepaalt, in welke zin wij onszelf zullen herkennen en herbeleven in elke handeling en elke daad, ongeacht hoe ze in de wereld heet. Maar het moet een daad van onze wereld blijven. De esotericus, die zijn wereld verlaat, zal eens daarin moeten terugkeren. Ook de kluizenaar, die jarenlang in de bergen in eenzaamheid heeft gemediteerd, keert terug. Als hij het leven daar kan aanvaarden, zoals het is tussen de mensen, dan is het goed. Dan heeft hij in zijn eenzaamheid kracht gewonnen. Maar wanneer hij komt en zich teleurgesteld voelt door die wereld, dan heeft hij maar een dwaasheid begaan. Dan is zijn hele eenzaamheid de grootste 6 INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 – Inleiding stemmingsmagie – God in de mens bêtise geweest, die hij ooit heeft kunnen uithalen. Want nu heeft hij niet alleen zijn eigen wereld verloren, waarin hij niet meer thuishoort, maar hij kan ook niet meer tot zijn andere wereld terugkeren. En het onaanvaardbare van de stoffelijke wereld blijft hem kwetsen en prikkelen en maakt hem de geestelijke bereiking onmogelijk. Neen, wij moeten esoterisch zoeken in zoeken zijn in de hoogste geestelijke waarin de serviette een belofte is van schuilt God. Het ligt er maar aan, of wij het leven zelf met alles, wat erbij hoort. Dat mag een verhandeling, of wel in de welgedane rijke maaltijd, een culinair genoegen, in beide schuilt de schepping, ze weten te ontdekken.

Vanuit dit standpunt doet zich de behoefte voor aan meer praktische regels. Aan regels, die ons althans kunnen brengen tot een beleven van de esoterie. En een paar daarvan mag ik het is toch een inleiding vandaag, nietwaar - hier misschien vóór de pauze nog even opsommen. De ware leefregels voor de esotericus zijn: In de eerste plaats: Erken wat u drijft in het leven. Zoek steeds dit beter te erkennen. Maar wijzig uw leven niet, tenzij ge in staat zijt, de drijfveer te wijzigen. In de tweede plaats: Leer niets te verwerpen, doch alles te begrijpen. Leer het goede, zoals gij het ziet, te bevorderen en te steunen in elk opzicht. Leer de rede te gebruiken als werktuig en haar niet meer als doel te beschouwen. Hebt ge u aan deze regels gehouden, dan ontstaat een nieuw wereldje. Een ander bestaan a.h.w. dat precies past en uiterlijk identiek is met het oude. En daarin ga je dan verder. En dan zet je wederom een paar nieuwe regels voor jezelf. Eerst: Erken de hogere, geestelijke - misschien zelfs goddelijke - krachten, die in je wezen werken en het tijdig wijzigen. Aanvaard deze werking en wijziging als deel van het goddelijk scheppingsplan en voel je noch aansprakelijk noch gevleid misschien door hetgeen op deze wijze wordt volbracht. Dergelijke daden zijn deel van het scheppingsplan en niet van uw eigen persoonlijkheid. Verhef u er niet op, schaam u er niet over. Zij behoren zo te zijn. Maar tracht voor uzelf daarin steeds weer de geestelijke waarde, het kosmisch werken te erkennen. Verder: Tracht nooit om de buitenkant der dingen te zien, tenzij dan om uzelf erin te herkennen en uzelf erin te spiegelen. Zoek naar de inhoud der dingen en ge zult ontdekken, dat al wat rond u is stem heeft en leven en wezen. Ge zult ontdekken, dat uw eigen wezen wordt aangevuld door al wat rond u bestaat. En in deze volheid zult ge uzelf volmaakter voelen, beter, evenwichtiger. Hebt ge die evenwichtigheid bereikt, zoek dan de kosmische wetten zelf te erkennen. Definieer ze voor uzelf, één voor één, letter voor letter. En hebt ge dat gevonden, tracht dan uit de wetten een beeld te vormen van de Wetgever. Ge hebt dan het beeld gevonden van God. Ge hebt de Kracht van de schepping gevonden. Niet als iets wat ge beheersen kunt, maar als iets wat ge aanvaarden kunt. En hebt ge deze aanvaarding bereikt, dan - eerst wordt het tijd om te zoeken naar die God in uzelf -. Misschien zult ge in die God dan wel de oplossing van het esoterisch streven en - wat meer is - de oplossing van uw eigen bestaan in de juiste vorm vinden. Maar altijd is het doel gedurende deze hele procedure om zo gelukkig mogelijk te zijn. Geluk is innerlijke harmonie. Innerlijke harmonie is een noodzaak, zeker voor de esotericus. Probeer gedurende dit hele proces zo tevreden mogelijk te zijn. Elk verzet tegen waarden, die ge zelf niet beheerst, verstoren slechts uw vermogen tot streven en handelen. Tracht steeds weer om voor uzelf te begrijpen, dat de wereld inderdaad een schouwtoneel is en dat ge - zo ge al geen marionet zijt - toch wel degelijk een begrensde ruimte hebt, waarbinnen ge u bewegen kunt: begrensde mogelijkheden, die voor u zijn geschapen. Gebruik deze en wend u niet tot hetgeen anderen bezitten of anderen kunnen. Want als ge dat doet, zult ge uw eigen mogelijkheden en vermogens niet gebruiken. Zoek in uw wereld nooit naar het bovennatuurlijke, maar tracht het natuurlijke in u zo sterk te verwerkelijken, dat het langzaam maar zeker zich uitbreidt, natuurlijk blijvende, maar zich verheffende boven de beperkingen, die anderen misschien in de natuur kennen. Hebt ge dat gedaan, dan kunt ge met een zekere tevredenheid zeggen: "Ik heb een basis gevonden voor INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS 7

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 - Inleiding stemmingsmagie – God in de mens esoterisch streven, ik heb een richtlijn gevonden voor innerlijk bereiken en ik heb de mogelijkheid voor mijzelf ervaren om het werkelijk geluk of de werkelijke vrede deelachtig te worden." En als je alleen die gedachte al hebt, geeft het hoop genoeg. Die hoop maakt het je mogelijk om te bereiken. Want wie meent, dat iets te ver of te hoog voor hem is, komt nooit tot een doel. Dat, vrienden, is mijn klein betoog. Ik hoop, dat het u enigszins heeft kunnen interesseren. Ik hoop verder ook, dat u deze regelen nog eens aan een nadere beschouwing zult willen onderwerpen. En dan is het tijd voor mij om afscheid te nemen en voor u om te gaan pauzeren. Ik wens u dan ook een genoeglijke pauze en een vruchtbare avond verder. Goeden avond. o-o-o-o-o Goeden avond, vrienden Het is de bedoeling, dat u voor deze tweede helft zelf een onderwerp geeft. Het ligt niet in de bedoeling, dat wij in de esoterische kring te veel met vraagstelling te maken hebben, maar zou dit noodzakelijk blijken, dan kunt u dat voortaan ook doen in de tweede helft. Hebt u op het ogenblik een bepaald onderwerp, waarover u gaarne wilt spreken, dan kunt u dit zeggen. Kunt u ons iets vertellen over: HOE VINDEN, WIJ DE DOELSTELLINGEN VAN ONS LEVEN?

Hoe vinden wij de doelstellingen van ons leven? Daarover kunnen wij natuurlijk praten. Maar ik moet u wel één ding erbij zeggen: dat kunnen wij alleen maar zeer algemeen doen en betrekkelijk vaag. Want de doelstellingen van het leven zijn niet gelegen in één bepaalde verschijningsvorm. Ons leven is niet alleen een menselijk bestaan en mag ook zeker niet genoemd worden, een enkel leven met daaropvolgende, misschien bepaalde geestelijke trappen. Het leven begint op het ogenblik, dat de goddelijke wil de eerste tegendelen t.o.v. elkaar wekt, n.l. materie en stof. In de materie wordt bewustzijn gewekt op het ogenblik, dat in de stof licht wordt gewekt. En vanaf dat ogenblik beginnen de persoonlijkheden zich reeds te vormen. Daar begint voor ons het leven. Dat leven gaat door vele fasen heen. We bestaan lange tijd als geest, leren op de duur meer en meer met de stof mee te gaan. Wij bekleden vele stoffelijke vormen. Daartussen door leven we weer in geestelijke werelden. Dat alles tezamen, dat is ons leven. En doelstellingen kunnen m.i. niet slaan op één bepaalde fase, maar alleen op het geheel. Die doelstelling is natuurlijk betrekkelijk eenvoudig te geven. Wij kunnen zeggen: Het doel van ons leven is te komen tot een volledig bewustzijn van ons eigen wezen. (Weer de steeds terugkerende slagzin: Ken uzelve). Daarnaast echter? In onszelf datgene te verwerkelijken, wat het Goddelijke als mogelijkheid in ons heeft gelegd. (Dit laatste vanuit ons standpunt) Dat loopt over vele levens en fasen heen en wij kunnen vanuit ons standpunt niet besluiten, hoelang dat zal zijn en hoeveel verschillende levens-, vormen wij daarvoor zullen moeten kennen. Wanneer een mens echter spreekt over de doelstellingen van het leven, dan bedoelt hij over het algemeen zijn eigen en stoffelijk bestaan. En daar begint de grote moeilijkheid. In de eerste plaats: Waarom komt de geest in de stof? Ze doet dit over het algemeen, omdat zij in die stof iets meent te gewinnen, wat de geestelijke wereld haar niet geeft. Dus zij zoekt een vervulling van verlangens. Waarom kiest zij een bepaalde vorm, een bepaald milieu? Omdat volgens haar ervaringen tot nu toe daarin de beste mogelijkheden zijn gelegen voor de vervulling van haar wensen Waarom maakt zij in het leven zoveel mee? Zij maakt in het leven alles mee wat noodzakelijk is, omdat zij door een keuze te maken krachtens een onvolledig bewustzijn zichzelve voor problemen geplaatst zal zien die haar bewustwording bevorderen. 8 INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 – Inleiding stemmingsmagie – God in de mens Zo zou je kunnen zeggen: De grote doelstelling van het menselijk leven is dus voor de geest verdere bewustwording. Gelijktijdig kun je zeggen, dat het voor de stof zelfhandhaving is. De geest is mobiel, dus beweeglijk. Zij zal steeds trachten vooruit te lopen op haar feitelijke mogelijkheden. Zij wil verandering. De stof daarentegen niet. De stof wil gelijkvormigheid. De stof is traag. Zij weigert een vorm aan te nemen. Maar komt zij eenmaal zover, dat zij die vorm opbouwt - eigenlijk ondanks zichzelve - dan wenst ze die vorm ook zo lang mogelijk te behouden. Een wet van traagheid. Als je als mens - dus zuiver als stofmens nu - je wilt gaan af vragen: Wat is de inhoud van mijn leven? dan kom je in de eerste plaats tot de conclusie: Stoffelijk zoek ik mijzelf gelijk te blijven, Waar ik in mijzelf gebreken of tekorten voel, zoek ik deze aan te vullen. Hier resulteert b.v. zuiver stoffelijk de paringsdrang uit, zuiver menselijk het zoeken naar begrip en aanvulling van het eigen wezen. Het is meestal in 2 sexen uitgedrukt, maar kan ook in gelijke sexen Uitgedrukt worden. Het kan met of zonder sexuele verhoudingen gebeuren. Altijd weer zoek je verder in de stof om jezelf stoffelijk te vergroten en te verrijken en daardoor de stabiliteit van je eigen wezen te handhaven. Zo zoekt men in de stof naar bezit, niet om het bezit zelve, maar omdat het bezit een bevestiging van eigen wezen en persoonlijkheid blijkt. Men legt dat bezit heel vaak vast in zuiver stoffelijke waarden als b.v. huizen, meubels, dus gevormde artikelen, dan wel in gelden of ruilmiddelen, die toch ook de mogelijkheid tot het verwerven van deze vaste stoffelijke waarden representeren. Het gevolg is, dat wij rond ons onveranderlijke krachten zien, die ons de illusie geven, dat wijzelf niet veranderen. Onze angst is niet in de eerste plaats in de stof voor uitblussing of ondergang, maar voor verandering. Stoffelijk is er een tegenstand tegen elke verandering» Stoffelijk gezien mag dus worden gezegd: De doelstelling van het leven is zelfhandhaving en wel zelf handhaving in zoveel mogelijk gelijke vorm. Daarbij is macht slechts een middel om het eigen wezen sterker te bevestigen door het anderen op te leggen. Geestelijk gezien zijn we, zoals ik reeds zei, mobiel. Deze mobiliteit betekent f dat wij een steeds groter verlangen naar weten zullen kennen, een steeds groter verlangen naar ervaren, een steeds groter verlangen naar beleven. Dit brengt met zich mede, dat de doorsneemens in voortdurende strijd verkeert. Enerzijds wil hij het oude handhaven, anderzijds wil hij het geestelijke toch bereiken. In veel gevallen is voor de mens het geestelijke slechts een middel om zichzelf te handhaven. (dus t.o.v. zichzelf en zijn omgeving) Zolang dat het geval is mag het onder de stoffelijke waarden worden gerekend. Dan kunnen wij op grond hiervan wel een paar conclusies - zij het zeer algemene en vage - trekken. 1. Het doel in ons leven is in een zo gelijkvormig mogelijke stoffelijke toestand een zo groot mogelijk weten te verwerven en uit dat weten een zo sterk mogelijke bewustwording te doen voortkomen. 2. Stoffelijk zullen wij steeds trachten ons eigen wezen te versterken en aan te vullen. Versterking en aanvulling Worden gezocht op stoffelijk en geestelijk terrein. Naarmate ons dit beter gelukt, zullen wij groter problemen ontmoeten, deze problemen zijn van geestelijke geaardheid. Het oplossen van deze geestelijke problemen betekent de ware bevrediging van een stoffelijk én een geestelijk bestaan in uw eigen wereld. Dit is een doel, dat ieder nastreeft. 3. Elke mens zoekt de bevestiging van zijn eigen wezen en de onveranderlijkheid daarvan door een aanvaarding van het z.g. bovennatuurlijke. Hij zoekt deze in stoffelijke zin, omdat hij niet veranderen wil, in geestelijke zin echter aanvaardt hij dit evenzeer, omdat het hem de mogelijkheid geeft verder te komen en verder te gaan dan anders mogelijk zou zijn. Het gehele doel van leven is: Bij een zoveel mogelijk gelijkblijvend of qua macht groeiend - stoffelijk bestaan gelijktijdig een zo voortdurende geestelijke vernieuwing te ondergaan, dat men daarin de gedachte van een goed leven en een gevuld leven voor zichzelf steeds kan verwerven. Vanuit goddelijk standpunt zou kunnen worden gezegd: Het doel van het menselijk leven is de geest zozeer bewust te maken, dat zij later - vereend met de stof - de absolute uitdrukking van goddelijk INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS 9

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 - Inleiding stemmingsmagie – God in de mens Wezen en goddelijke wil in haar eigen beperking zal kunnen zijn. Dan hebt u daar in het kort een paar doelstellingen van het leven. Heeft iemand commentaar?..... Een ander onderwerp misschien? Wij hebben zoveel gehoord van de verwezenlijking van de krachten in ons bestaan, die er wel zijn, maar waarvan wij ons nog niet bewust zijn. Dat is o.a. de integratie van de persoonlijkheid, waarnaar wij allen streven. Hoe kunnen wij dat doen? Gebeurt dat automatisch? En worden we ons daarvan bewust? Het is een automatisch proces in feite. Wij kunnen ons het beste voorstellen, dat er een glazen bol is. Deze bol is door een vlak of een veld in twee delen gedeeld. Nu bevindt zich daarboven dit veld niet-gerealiseerde potentie of kracht, onder het vlak gerealiseerde potentie. Nu is het proces van de bewustwording een steeds meer leren kennen van jezelf. Dus hoe meer je kent omtrent jezelve, hoe meer je erkent van je eigen eigenschappen, hoe meer je beheerst. Zolang een wezen niet in staat is dat, wat boven het scheidingsvlak ligt, zelve te hanteren, reageert dit op een echo zullen wij maar zeggen uit de omgeving. Er is dus een trilling, die de glaswand aanstoot? beneden beheerst de wil, wat er. binnen gebeurt: daarboven bestaan dan door de trilling bepaalde wervelingen en circulaties. Kunt u het voorbeeld tot zover vatten? Wanneer wij nu ons bewustzijn uitbreiden, dan verwerven wij in de onderste afdeling iets van de potentie, die tot nog toe in de bovenste afdeling heeft gelegen. Het vlak verplaatst zich naar boven toe. Dit betekent gelijktijdig, dat wij beheersing krijgen - de bewuste beheersing van meer der krachten, die in ons gehele wezen bestaan. De uitbreiding van die kracht is dus in feite niets anders dan een ontvangen in jezelf - bewust - van ditgene, wat eerst als een natuurlijk deel van je wezen ongerealiseerd heeft bestaan. Hoe meer de mens zichzelf en zijn eigen capaciteiten en mogelijkheden juist leert kennen en inschatten, hoe juister hij zal: kunnen reageren, hoe meer hij zal kunnen volbrengen. Dat is ook stoffelijk waar. Het zal dus wel duidelijk zijn, dat indien wij dit gaan overbrengen op het geestelijk terrein, het ook hier een zekere waarde moet hebben. Een mens, die zich van zijn geestelijk leven volledig bewust is, kan de krachten van dat geestelijk leven in de stof gebruiken. Hij heeft dus zijn wereld ook uitgebreid. Zeggen wij nu, dat de werelden, die buiten ons liggen, als een reeks van lagen de bol omgeven. Kunt u het zich voorstellen? Denkt u maar aan een reeks lagen plexiglas, waarin die bol ligt. Elke laag heeft een andere kleur. De onderste 3 lagen zijn de wereld. Zij horen dus bij het bewustzijn van een zuiver stoffelijk bestaan. Daarboven ligt de astrale wereld. Daarboven, enz, enz, dus een mentaal, enz. Nu begin je in jezelf - dus uitgaande van die basis - meer kracht te verwerven. Dan zul je automatisch ook in beroering komen met andere werelden. Er is de scheiding van de persoonlijkheid, de begrenzing van de persoonlijkheid, maar het contact met de andere wereld is geschapen. D.w.z., dat wij nu bewust kunnen gaan reageren op elke trilling, die uit deze laag ons bereikt. Op de duur leren wij, hoe er een composiete trilling is, een samengestelde trilling, die ons gehele wezen beheerst. Dat is wat wij noemen de kosmische impuls. Is deze geheel erkend, dan passen wij ons daarbij aan. Wij zijn tot één geheel geworden met de verschillende lagen, die ons omgeven, ondanks de begrenzing van de persoonlijkheid, die bestaat. Maar wij kunnen nu in elk deel van onze eigen persoonlijkheid zelf een trilling opwekken, die wij op elk willekeurig vlak van het bestaan kunnen doorgeven. Hebt u het voorbeeld kunnen volgen? Dan vloeit hieruit voort, dat de ontwikkeling van de krachten in ons afhankelijk zullen zijn van 3 factoren. In de eerste plaats weten: in de tweede plaats begrijpen, in de derde plaats willen weten, omdat de kennis van feiten noodzakelijk is, willen wij de relatie, die tussen feiten bestaat, kunnen begrijpen. Begrijpen, omdat niet de feiten op zichzelf belangrijk zijn, maar juist de relatie, die zij met andere feiten vormen. Het zijn niet de afzonderlijke golvingen van de trilling, die belangrijk zijn, maar de trilling als zodanig. 10 INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 – Inleiding stemmingsmagie – God in de mens Hebben wij dit eenmaal begrepen, dan kennen wij niet alleen het feit, maar al hetgeen in het feit geïmpliceerd is, al hetgeen daarmee verbonden is. Dit heeft geen enkele reden wanneer wij niet willen: dus wanneer wij niet in staat zijn ons eigen wezen te richten en met dit wezen iets te doen. Hebben wij dit bereikt, dan kunnen wij de trillingen, die buiten ons bestaan, zodanig veranderen in ons wezen, dat de werking voor ons wezen verschillend is, vooral van hetgeen buiten ons bestaat. Wij kunnen ook wat in ons bestaat gebruiken om een correctie toe te passen op hetgeen wij buiten ons als onjuist menen te zien. Elke worsteling van de wil om dit te bereiken betekent, dat nieuwe feiten worden ontdekt. Het weten wordt vergroot. Het ontdekken van nieuwe feiten doet zoeken naar de samenhang, die tussen het gekende en de nieuwe feiten bestaat. Het begrip wordt uitgebreid. Daarmede wordt ook ons gebied van beheersing vergroot, maar de wijze, waarop de wil de kracht van het ik zal richten, zal in overeenstemming zijn met de laatste voorstelling, die men zich heeft gemaakt van het goede. Duidelijk? Blijft alleen deze vraag over: Hoe gebeurt dit? Hoe kom ik nu willens en wetens met b.v. krachten van het astrale gebied in aanraking? Willens en wetens, dan komt ge terecht op het gebied van de magie en dat ligt buiten het terrein van hetgeen wij hier bespreken. Maar ik kan u wel dit zeggen: Op het ogenblik dat uw eigen gevoeligheid voor de wereld (dus uw zien haast onbewust van feiten) zo groot is geworden, dat u de relaties tussen de feiten nauwkeuriger gaat zien, dan zult u de astrale wereld zien, die een integrerende schakel is in alle stoffelijke gebeuren. U maakt dus automatisch kennis met deze astrale wereld en zult rekening houdend met die astrale wereld handelen. Het is niet zo, dat u kennis maakt met een aparte wereld, maar dat uw eigen wereld wordt uitgebreid met een laag a.h.w., die tot op dat ogenblik niet zichtbaar of kenbaar was. Het betekent ook, dat u zich daardoor weer realiseert, dat in u waarden bestaan, die u tot op dat ogenblik niet voldoende hebt geëxploiteerd. Zo wordt dus uw eigen mogelijkheid - of zo u zeggen wilt kracht of macht - vergroot. Is dat duidelijk? Het is dus een automatisch proces in zoverre, dat het niet noodzakelijk is om direct te gaan streven naar b.v. de beheersing van het astraal terrein. Het is wel noodzakelijk te streven naar een zodanig weten en begrip in onze eigen wereld, dat we op de duur de ontbrekende schakels ontdekken en ons concentrerend op dit ontbreken daarin een nieuwe wereld leren kennen. Nu eens een praktisch voorbeeld. Men leeft. In dat leven doen zich voortdurend verschijnselen voor, levenservaringen: hoe moeten we hier de astrale wereld, dat is de wereld van de gevoelens inschakelen? In de eerste plaats ben ik het niet helemaal met u eens, dat de astrale wereld de wereld van de gevoelens is. De wereld van de gevoelens bereikt veel hogere sferen en kan een geheel andere betekenis hebben. De astrale wereld wordt wel degelijk door gevoelens beïnvloed, maar ook door bewuste handelingen en daden. Dat is punt 1. Hoe wij het bewust bereiken kan ik in een enkel voorbeeld geven, ofschoon dit voorbeeld onvolledig is natuurlijk, waar vele andere mogelijkheden bestaan. Voorbeeld: Een mens ontdekt, dat in zijn leven steeds weer onverklaarbare factoren ingrijpen. Hij tracht zich te realiseren, wat de eigenschap van die factoren is. Wat hebben zij gemeen? Hierdoor zoekt hij tot een begrip te komen van hetgeen ingrijpt. Hij concentreert zich nu op deze grondeigenschappen en zal tot zijn verbazing ontdekken, dat hij nu plotseling in de bestaande dingen (dus niet als een helderziendheid) nieuwe waarden gaat ontdekken» Hij ontdekt verder, dat die waarde niet zuiver materieel is, want ze kan niet materieel bepaald worden. Toch voelt hij ze aan. Het resultaat is, dat hij zijn wereld heeft uitgebreid en verrijkt. Nu gaat hij weer verder door te zoeken naar de verklaring. Hij zegt: Er moet een andere macht zijn: ik ga opletten, niet alleen op deze niet zuiver stoffelijke verschijnselen, maar op de oorzaken ervan. En dan ziet hij eigenaardig genoeg op een gegeven ogenblik, dat hij a.h.w. haast hallicinatief figuren en persoonlijkheden meent te ontdekken: dat hij sluiers, lichtstippen enz. ziet ronddwalen» Laat hij zich door het fenomeen boeien, dan komt hij niet verder en zal hij de astrale wereld nooit bewust leren beheersen. Maar indien hij zich nu gaat instellen op de verschijnselen en daaruit tracht op te maken wie of wat er optreedt, dan krijgt hij voor deze verschijnselen wederom begrip. Door het begrip weet hij waar hij kijken moet. Door te weten INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS 11

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 - Inleiding stemmingsmagie – God in de mens waar hij kijken moet, ziet hij weer nieuwe waarden. Zo ontdekt hij welke persoonlijkheden, figuren, uitingen op astraal, gebied bestaan en is in staat - vanuit zijn eigen wereld logisch denkende - maatregelen te nemen, die ook de bewegingen, de krachten en mogelijkheden van deze astrale wereld bepalen. Dan gaat hij zich afvragen: Hoe komt het, dat ik deze invloed heb? Hij ontdekt, dat hij zelve op astraal gebied ook verschijnselen veroorzaakt en vertoont. Hij leert daardoor zijn eigen astraal voertuig kennen. Echter ontdekt hij ook, dat er waarden zijn, die niet door het astrale verklaarbaar zijn, zelfs niet bij volledige beheersing. Het zoeken naar de verklaring voor die hogere macht verhoogt zijn bewustzijn wederom tot een volgende graad. Ik kan er wel bij zeggen, dat deze weg over het algemeen bewust in het leven slechts door zeer weinigen bewandeld wordt. Is dit voorbeeld voldoende? Het blijft theorie, niet waar? Dat zal moeten blijken. Tot nu toe wel. Ja, omdat men zelve moet beginnen met de praktijk, wil men resultaten bereiken. Punt 1. En punt 2. Omdat men uit het algemeen gestelde zijn persoonlijke situatie moet vinden, zijn persoonlijke mogelijkheden, zodat elk voor zich moet zoeken, voor zich reeksen van verschijnselen en werelden vindt, die voor anderen niet of niet zo bestaan. Dit is een innerlijk geheim. Uit dit innerlijk geheim groeit echter weer een begrijpen, een weten en een mogelijkheid tot handelen, die wel met anderen gedeeld kan worden. Dat is de werkelijkheid. Dat waren dan.... Ik heb b.v. een opgave uit te voeren. Eén, die niet precies gericht is op eigen persoonlijk voordeel. Dan merk ik, dat ik geholpen word. Dat het gemakkelijk verloopt en tot een goed resultaat komt. Dan zoekt u dus daarin in de eerste plaats te erkennen? Waar heb ik deze hulp eigenlijk ontdekt? Wat zijn de toevalligheden, die mijn werk vergemakkelijkt hebben? Wat is de gemeenschappelijke noemer van deze gebeurtenis? Heb ik die, dan weet ik ook welke invloed er werkt. Weet ik welke invloed er werkt, dan kan ik ook gaan zien, hoe die verder optreedt en verder onder welke eigen geestelijke en stoffelijke condities zij het sterkst tot uiting komt. Heb ik. dat bereikt, dan kan ik het resultaat reproduceren, wanneer het noodzakelijk is door eigen instelling plus het scheppen van stoffelijke condities. Maar wanneer wij verder gaan, komen wij in de magie terecht en dat hoort niet op deze avond thuis. U hebt de gelegenheid een derde en laatste onderwerp aan te snijden, indien u dat wenst. Ik wou nog iets vragen, als niemand een onderwerp heeft? U kunt het proberen, maar de vraag moet samenhangen met het karakter van deze avond. Wij komen dikwijls de zwanenridders tegen. Waarom is de zwaan genomen als symbool, die graalridders vergezelt? Speciaal de zwaan? In de eerste plaats? De zwaan is strijdvaardig en trouw. Hij is edel van vorm. Het is een geheimzinnig dier, althans geruime tijd geweest, want men weet niet vanwaar hij komt en waarheen hij gaat. Bovendien is de zwaan het symbool van de onschuld. Zijn gevederte en zijn wijze van zich bewegen heeft daar wel degelijk verband mee. Wij vinden verder in de zwaan de vleugels plus het slangachtige (n.l. van de lange nek) en als zodanig heeft hij een directe associatie met de gevleugelde slang. De gevleugelde slang is het symbool van wijsheid, goedheid en trouw. De zwanenridder verschijnt. Als zwanenridder volbrengt hij een taak, een opdracht. Deze opdracht is steeds weer gericht ten goede van de mensheid, maar kan slechts in anonimiteit worden vervuld. Het kennen van de naam van de graalridder of zwanenridder veroorzaakt zoals u weet - voor deze de onmiddellijke opheffing van zijn verplichting en taak en zijn terugkeer tot zijn eigen rijk. Zo is de zwanenridder in de eerste plaats het symbool van de geest, die op aarde komt en werkt. Hij is tevens het symbool van de ingewijde, die slechts zolang hij niet als zodanig erkend is kan werken onder de normale mensheid. Allen worden geleid door. krachten van trouw, van wijsheid, die hem ter plaatse brengen én hen ook weer terugbrengen. De zwanenridder wordt niet slechts gebracht, maar pok gehaald door de zwaan. 12 INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 – Inleiding stemmingsmagie – God in de mens Goddelijke wijsheid brengt de ingewijde en de inwijdingzoekende daar, waar hij beproefd wordt. In zijn beproevingen leeft hij als een normaal mens en vervult een taak ten bate van de gemeenschap of van de verdrukte en ongelukkige. Hij is dus een kracht der bevrijding. Zolang hij dit blijft zonder meer te zijn, zal de kracht? die hem geleid heeft, hem in staat stellen de wonderen te verrichten, die daarvoor nodig zijn. Elke zwanenridder heeft zekere magische krachten. Hij bezit vaak magische wapens en heeft over het algemeen een meer dan normaal inzicht in omstandigheden, zoals de ingewijde, de adept en een ieder, die deze toestand benaderd heeft. Wanneer hij zich terugtrekt komt hij op een burcht terecht, die wij een graalburcht kunnen noemen. Daar wordt het geheim van de ware kracht bewaard. Hij is een gezondene en gaat niet zijn eigen wegen. Toch gaat hij zijn wegen door eigen wil, door eigen besluitvaardigheid, maar dient steeds de grote kracht, die hij erkent. De zwaan is dus de figuur, die ons gelijktijdig aangeeft: de oude God van goedheid, wijsheid en vruchtbaarheid: ons aangeeft de onschuld, zoals de mens die kent: ons aangeeft - vooral voor Europa ook - het beeld van de pelikaan, dat met de zwaan soms vereenzelvigd wordt en waarvan men zegt, dat hij eigen borst openpikt om zo zijn jongen te verwarmen en te voeden, Christusfiguur. Hij is tevens figuur van wijsheid en van trouw, aangevende de banden, die in de oneindigheid altijd zullen bestaan. De zwaan is het symbool van de kracht, die de mens leidt, wanneer hij - tot bewustzijn gekomen - de goddelijke wil op aarde tracht te volbrengen. Voldoende? Nu zegt het verhaal, dat de graalridder met de zwaan de hostie deelt. Nu is het wel een verchristelijke mystiek, maar die hostie kan ik ook beschouwen als het geestelijk voedsel. Als ik nu die zwaan beschouw als het geestelijk deel van die hogere ingewijde, dan kan ik begrijpen wat ze bedoelen met het delen van die hostie, n.l. dat zij hetzelfde goddelijk leven deelachtig worden. Wat denkt u daarvan? Dat is wel waar, maar wij kunnen het ook anders zien. Op het ogenblik dat de kracht, die ons geleidt, ons helpt en dient: wordt zij niet meer gezien als meester, maar als gelijkwaardige. Ook niet als dienaar. In deze gelijkwaardigheid zullen wij al onze geestelijke krachten en weten delen met de geestelijke kracht, die tijdelijk ons voertuig wordt of onze geleider. Omgezet in spiritistische termen: De geleidegeest heeft alle rechten, die men zelve heeft. Er is niets wat men buiten die geleidegeest om zal doen, indien men op juiste wijze met deze samen streeft. Alle dingen worden gedeeld. Doch zodra het zuiver stoffelijk aspect verschijnt, is de geleidegeest niet meer zichtbaar en wordt een onzichtbare kracht, een potentie die slechts dan optreedt, wanneer een bevrijding nodig is uit stoffelijke verwikkelingen. Hebt u nog een vraag meer of een heel kort onderwerp? Dan gaan wij sluiten met het Schone Woord. Er wordt altijd gezegd: Wanneer wij in andere mensen eigenschappen ontdekken, dan zien wij daarin een stuk van onszelf. Nu zijn er zekere mensen, die altijd in iedereen alles goed zien, ook over het verkeerde heen kijken. En er zijn mensen, die alles slecht zien. Ik noem nu uitersten. Is dat nu een teken, dat zijzelf zo zijn of verdoezelen ze een gedeelte? Degene die een ander altijd slecht ziet is iemand, die zich van zijn eigen onvolkomenheden zeer bewust is. Naarmate men zich machtelozer voelt, zoekt men meer naar het slechte in de wereld en bij anderen. Naarmate men zich minder opgewassen voelt tegen zijn taken, naarmate men zich minder in staat gevoelt al datgene te volbrengen, wat men wenst te volbrengen, zal men anderen wantrouwen. Want de innerlijke zekerheid van eigen zwakte doet veronderstellen, dat anderen sterker zijn en daarvan misbruik zouden maken. De vrees misbruikt te worden brengt de mens er dan toe om veel te verwerpen. Omgekeerd: De mens, die in alles goed ziet en die over het kwade heenkijkt, zoals dat heet, is een mens, die innerlijke rust en innerlijke sterkte heeft. Met deze innerlijke rust en innerlijke sterkte is het mogelijk uit al het zijnde en uit al het leven datgene te puren, wat noodzakelijk blijkt. Men kan voor zichzelve uit het leven nemen. Het leven kan u niets roven. Gij zijt te sterk daarvoor. Daarom ziet men in alle dingen het goede. Slechts daar, waar het slechte zich zo duidelijk kenbaar toont, dat het ik meent hieraan geen deel te kunnen hebben, volgt een afwijzing. Maar die afwijzing betekent dan nog niet het zoeken van het kwaad overal. Het is een erkennen en terzijde stellen van een bepaald deel van zijn leven of van zijn ervaringen: dit past mij niet. Dat is eigenlijk het verschil, wat hierin is gelegen.

INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS

13

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 - Inleiding stemmingsmagie – God in de mens Natuurlijk is dit wel zeer sterk uitgedrukt, want we zullen over het algemeen met tussenvormen te maken krijgen. Maar opvallend in de gehele maatschappij is b.v, dit (in uw moderne maatschappij): Achterdocht en managerziekte gaan samen. Grote rijkdom betekent meestal grote eenzaamheid. Groot vermogen (dus om iets te doen, iets te volbrengen) betekent over het algemeen ook een grote vrees voor wat anderen zouden zijn en zelfs voor het ik. Anders gezegd: In vele gevallen wordt de bereiking, die verder grijpt, dan men zichzelve toevertrouwt, een dreiging, waardoor men zich zoekt te rechtvaardigen in anderen en zoekt in anderen naar zwakten, die de zelfverzekerdheid kunnen vergroten. Verder, een typisch verschijnsel: Naarmate de mens geestelijk rijper is, zal hij meer werken met intuïtie, met begrip. Naarmate de mens innerlijk onrijper is, werkt hij meer met wat hij noemt logica, met wetenschap en vaste waarden. Wat voor de wijze, de rijpe mens, werktuig is, is voor de onrijpe mens doel. Al deze dingen komen in de moderne maatschappij steeds weer tot uiting. Wij vinden zelfs de angst voor iets, wat te goed is. Er zijn mensen, die, wanneer hun na een leven van middelmatigheid of armoede een kapitaal wordt geboden, door angst voor het bezit, wat zij nu plotseling verworven hebben, eenvoudig het bezit gaan verwerpen. Zij durven het niet aan. Wij zien dat mensen, die lange tijd geestelijk gehongerd hebben, soms wel een geloofsovertuiging gewinnen, maar deze bewust of onbewust verwerpen, omdat zij vrezen, dat dit hen te sterk zal worden, hen zal ontvreemden uit de wereld, die zij menen als de werkelijke te zien. Wij vinden daartegenover weer mensen, die zozeer kunnen opgaan in een geloof en een zodanige zekerheid hebben van geestelijke waarden, dat zij heel rustig de stoffelijke waarden daarbij aanpassen en dus hun geestelijke werkelijkheid altijd primair stellen. Dat zijn de onpraktische mensen vanuit een menselijk standpunt. Het vreemde is echter, dat zij, dank zij hun geloof, dank zij hun innerlijke overtuiging, er over het algemeen beter afkomen, gelukkiger leven of groter resultaten kunnen boeken dan degenen, die anders zijn. De wereld is vol van tegenstellingen, maar de grootste tegenstelling, die wij altijd weer ontmoeten, is de mens, die zichzelve sterk voelt of weet en de mens die zichzelve zwak voelt of weet. Degene die zich zwak gevoelt tracht naar buiten toe zijn sterkte en kracht te bewijzen. Door dit te doen en te blijven doen verwerpt, hij voor zichzelf heel veel, wat hem waardevol zou zijn. Hij let op de kleinigheden en zal met moeite de grote lijn kunnen vinden. Omgekeerd: De mens, die zeker is van zichzelve, ziet soms niet onbelangrijke kleinigheden over het hoofd, omdat een vergeestelijkt doel of een geluksdoel - zo u wilt een innig vredig doel - voor hem of haar zo belangrijk is, dat men al het andere terzijde stelt. Een keuze te maken is vaak heel moeilijk. We kunnen niet eens zeggen, wie van beide soorten mensen eigenlijk de besten zijn. Want de zwakke, die handelt volgens zijn beste weten, gedreven door zijn angst, is beter dan de sterke, die door zijn nalatigheid veel streven achterwege laat. Men kan zeggen, dat het soms eervoller is om een nederlaag te lijden dan om te overwinnen» En dat geldt ook geestelijk. De zwakke, die een nederlaag lijdt tegen zichzelve of tegen de wereld, kan soms juist daaruit zoveel ervaringen putten, dat hij tot een sterke kan worden. De sterke, die zijn overwinningen zo natuurlijk vindt, dat hij al het andere terzijde stelt, verzwakt zichzelve onbewust vaak zozeer, dat hij een nederlaag lijdt. Ik koop, dat ik althans daarmede enig licht heb geworpen op uw vraag. Dan zullen we nu, vrienden, overgaan tot de meditatie. Maar Ik zou u toch nog graag één ding op het hart willen drukken. De vraagstelling, zoals wij die vanavond hebben gevoerd, moge dan enigszins in het kader van de avond liggen, het zou toch door ons meer worden gewaardeerd, wanneer uw vragen zich zouden beperken in het vervolg tot in deze kring gegeven verhandelingen - er is daar voor de meesten uwer heus nog wel wat te vragen te vinden - en verder zo mogelijk tot onderwerpen, die onmiddellijk met de esoterische bewustwording in verband staan. Dat komt het karakter en de harmonie van deze bijeenkomsten ten goede. De gebrokenheid van steeds kleine onderwerpjes en vraagbeantwoordingen, zoals u zelf merkt, geeft minder gelegenheid om een juiste sfeer te bouwen dan een gesloten onderwerp dit kan doen. En nu, vrienden, goeden avond verder. Het woord is aan de laatste spreker. o-o-o-o-o 14 INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 – Inleiding stemmingsmagie – God in de mens Goeden avond, vrienden We zullen, deze avond besluiten met een meditatie. Wanneer u wilt, moogt uzelf daarvoor het onderwerp stellen. Sleutel Wanneer wij "sleutel" zeggen, dan bedoelen wij daarmee iets, wat toegang geeft maar ook iets, wat gesloten is. Wij spreken van de sleutel van St. Petrus, die de hemelpoort opent of sluit. Wij spreken van de sleutel, die verborgen is in een lezing. En wij spreken van de sleutel, wanneer wij de oplossing van een raadsel bedoelen. Dat heeft natuurlijk zijn reden. Sleutel is een woord, dat zijn betekenis gewint door de associaties, die ermee verbonden zijn. En wij allen zouden ook graag een sleutel bezitten: een sleutel, die ons de deur zou kunnen ontsluiten tot wat meer geluk, tot wat meer zekerheid, tot wat meer geestelijke verbondenheid misschien. Maar waar kunnen wij die sleutels vinden? Wanneer het sleutels zouden zijn in de oude vorm,.... we zouden de hele aarde willen afzoeken. Maar vreemd genoeg zijn die sleutels zo willekeurig gekozen. Soms is het een enkel woord, soms een formule, een symbool of een tekening. Soms is het zelfs alleen een gedachte. En daarom kunnen wij niet elke sleutel, die wij hebben willen, vinden. Maar je kunt misschien toch wel, omdat je hier een woord vangt en daar een woord, hier een begrip vindt en elders een aanvulling ervan, komen tot een begrip, dat het je mogelijk maakt jezelf wat beter te kennen en iets meer te leren omtrent de werkelijkheid van het leven. Nu heeft onze Heer Jezus ons ook sleutels gegeven. En de belangrijkste sleutels daarvan, die kijken de mensen meestal over het hoofd. Neem nu alleen eens die overal gehoorde spreuk van het Koninkrijk Gods, dat in u is. Is dat geen sleutel? Het Koninkrijk Gods is het rijk van de vervulling, van de volmaaktheid. Jezus geeft u een sleutel in de hand, wanneer hij zegt: Dat Koninkrijk Gods is in u. Gijzelf zijt het, die deze toestand zult moeten zoeken en bereiken. Gijzelf zijt het, die besluiten zult moeten nemen. Gij zijt het, die moet streven? gij zijt het, die lasten moet dragen en niemand anders. Jezus geeft ons ook in zijn gedrag vaak sleutels. Want verkiest hij vaak niet de z.g. zondaars der wereld boven de z.g. heiligen? Jezus let niet op hen, die leven volgens de wet, maar wel op hen, die verlangen naar groter innerlijke rijkdom. Hij gaat binnen bij de tollenaar, hij spreekt met de Griekse arts zo goed als met de Samaritaanse vrouw, met de toch overspelige. Hij neemt Maria Magdalena op in zijn gevolg. Hij geneest een Romein, een Romeins soldaat. Hij geneest zelfs de tempelknecht, die de hand op hem wil leggen. Jezus bevrijdt a.h.w. in zijn woorden de goede moordenaar Tumachus. Dat doet hij niet voor niets. Ook dat is een sleutel. Een sleutel, waardoor wij zullen begrijpen, dat het niet gaat zozeer om onze daden, om wat wij geweest zijn of om wat wij worden zullen, maar dat het gaat om onze innerlijke toestand. Dat het ons geloven, ons aanvaarden van het leven is, wat het meest belangrijke wordt. Och, we willen allemaal graag een sleutel hebben. De wereld van de geest doet ons zoeken naar een sleutel, waardoor wij, zelfs boven het licht uitstijgende, eindelijk daar in de kosmische eenzaamheid - Gods werkelijkheid aanschouwen. De mens op aarde zoekt naar een sleutel, die hem de werelden van het astrale en van de geest ontsluit. Maar waar zouden wij die sleutel vinden? Het antwoord is zo simpel: Wijzelven zijn de sleutel tot alle dingen. In ons liggen alle mogelijkheden geborgen. Wij zijn het zelven, die door de instelling van het ogenblik alles mogelijk maken. Geloof mij, vrienden, wij willen heel vaak mensen helpen. Heel vaak. En ook daarvoor hebben wij een sleutel nodig. Het vreemde is, dat je soms mensen alleen kunt helpen door ze een grotere strijd te veroorzaken. Het is niet prettig. Maar een chirurg weet, dat de sleutel tot genezing soms in de operatie ligt. Zo weet de geest soms, hoe je een probleem moet scheppen om een oplossing van vele problemen mogelijk te maken. Een sleutel. Een mens zoekt naar een sleutel tot kennis, tot meer begrijpen en meer weten. We zouden die mens willen helpen. Maar wat kunnen we doen? We kunnen hem alleen omschrijven waar in hemzelf die kracht ligt, die voor hem een nieuw gebied openbaart, die het hem mogelijk maakt INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS 15

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 september 1958 Les 1 - Inleiding stemmingsmagie – God in de mens nieuwe krachten te gebruiken. Sleutels, vrienden, sleutels zijn alle dingen, wanneer ze het ons mogelijk maken een stap verder te gaan of iets meer te bereiken. En natuurlijk zijn er voor veel afzonderlijke dingen afzonderlijke sleutels. Maar er is één sleutel, dat is a.h.w. de passleutel, die elke deur kan openen. Die sleutel zou ik willen noemen: Ware liefde. Ware liefde in de zin van naastenliefde, kosmische liefde. Onbeperkte liefde, die in volledige genegenheid de eenheid met kosmos en zijn aanvaardt. De onzelfzuchtige liefde, die in de eenheid met alle dingen zichzelf weet te vergeten, om zo te dienen. Het is niet zonder reden, dat elke meester en elke leraar weer ons de kosmische liefde, de naastenliefde zonder bijzondere gehechtheid, toont als het meest belangrijke. Want.....als je werkelijk opgaat in je wereld, opgaat in je God en het leven zelf, waar blijven dan de scheidsmuren, waar blijven de grenzen? Ze vallen weg. Of je dan pastoor bent of dominee, een fakir of een yogi, een zakenman of een rentenier, het blijft allemaal gelijk. Want in wat je bent beleef je alles. En in het beleven van alles word je zelf met alle dingen verbonden, steeds weer. En in deze verbondenheid ontdek je je God en je wereld, ontdek je jezelf en de eeuwigheid. Voor ons is de grootste en de belangrijkste sleutel de onbegrensde naastenliefde, die niet vraagt naar het ik en niet vraagt naar consequenties, maar leeft en geeft zonder einde. Ja, dat is wel zo ongeveer de machtigste sleutel. Alle andere sleutels ontsluiten ons één vertrek in 's Vaders Huis. Maar de grote sleutel, die Jezus ons in zijn leven heeft gegeven, de grote sleutel, die door de eeuwen heen de mensheid steeds weer is voorgehouden, de sleutel tot Gods Wezen zelf, wie die gevonden heeft, heeft geen andere sleutel meer nodig. En daarmee zal ik dan afscheid van u moeten nemen, vrienden, want meer heb ik daarover niet te zeggen. Ik hoop voor u, dat u de kleine sleutels, waarnaar u zoekt, zult vinden. Wanneer u goed denkt en zoekt, zult u ze vinden, in u zelf gewekt door de wereld van stof en geest. Maar bovenal wens ik u toe, dat u die grote sleutel zult vinden, die past op alle deuren, op alle bestaan. Die zelfvergetenheid en volledige aanvaarding van het zijn, die is de liefde voor de naaste, beminnend de naaste gelijk men zichzelve mint, aanvaardend het zijnde, gelijk men zichzelf aanvaardt en zo levende in God, zoals God Zelf Zich in u steeds openbaart in de vorm van de Heilige Geest, van het weten en het bewustzijn. Maar ook van de Vader, de Schepper en Kracht: en de Zoon, de stoffelijke vorm, dié 's Vaders kracht tot uiting brengt en de geest wekt in de harten van allen. Goeden avond.

16

INLEIDING STEMMINGSMAGIE – GOD IN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 – De vele invloeden die ons regeren en beheersen Goeden avond, vrienden. Wanneer wij met deze esoterische kring dan vandaag weer gaan nadenken over de esoterie en al wat erbij hoort, dan zal het u wel duidelijk zijn, dat wij na een bespreking over het bewustzijn ook moeten gaan nadenken over:

DE VELE INVLOEDEN, DIE ONS REGEREN EN ONS BEHEERSEN.

Er zijn natuurlijk zeer vele invloeden te noemen en elk van die invloeden op zichzelf is weer verder te definiëren en te omschrijven. U hebt allemaal wel eens gehoord van astrologie. En u weet hoe de verschillende planeten en hun gang door de verschillende huizen althans het karakter en in vele gevallen ook de beïnvloeding van het menselijk leven vastleggen. U hebt daarnaast gehoord van geleidegeesten, leraren, van Witte Broederschap, kortom van honderd en één invloeden. Wanneer wij het goed bekijken, zijn wij eigenlijk allen wezens onder een brandglas. Stralen uit de kosmos komende zijn rijk rond ons verdeeld. Gods kracht openbaart zich overal en gelijkmatig. Maar het bewustzijn, dat ons is gegeven, wordt als een brandglas, een lens, die veel meer invloeden dan normaal op dit ene kleine punt, het ik, concentreert.Die concentratie moeten wij ondergaan, we kunnen er niet buiten. Zonder deze voortdurende toevoeging van grote kracht, van grote intensiteit, geen bewustwording, geen intens en werkelijk leven. Ge zult begrijpen, dat wij rekening moeten houden met de invloeden, die ons bereiken. Dat wij moeten trachten te bepalen, welke delen van de goddelijke kracht ons bereiken en hoe zij ons denken, ons leven en ons bewustzijn dus leiden in een bepaald spoor. Nu is het gemakkelijk om te gaan spreken over de verschillende goden. Er zijn goden, maar het brengt ons zo weinig verder. Want een God is slechts het masker, dat een deel van de werkelijk kosmische kracht draagt in het oog der mensen. Waar wij behoefte aan hebben, is een weten omtrent degenen, die ons geleiden en ons helpen: degenen, die ons beïnvloeden. Wij moeten evenveel weten over de demonen, die ons regeren, als over de engelen, die ons bijstaan. Wij moeten begrip verkrijgen voor de geesten van overgeganen, die ons leiden: die ons volgens hun eigen beste weten trachten te brengen tot dat deel van het leven en het bewustzijn, dat huns inziens ideaal is. Wat is dan de eerste kracht, die voor ons belangrijk is? De zon en de maan. De zon en de maan zijn persoonlijkheden, die een betrekkelijk grote intensiteit hebben. De zon omdat hij de heerser is van dit planetaire stelsel, de maan, omdat ze zo dicht bij de aarde is en haar invloed daar dus zo sterk kan doen gevoelen. Wat zijn de heersers, de geesten van de zon? In de eerste plaats zijn zij kosmische geesten. In het oog der mensen waarschijnlijk wreed, soms onbenaderbaar en fel, verblindend, soms ook van een ongedachte liefdevolheid, van een zachtmoedigheid. Geesten van de zon treden op om ons te doen leven, zij stuwen ons voort. Buiten de levengevende kracht van de zon zelve is het hun voortdurend jagen naar ervaring, het ons dwingen voort te gaan, de. onrust, die zij in ons scheppen, die het ons mogelijk maakt om te beleven, bewust te zijn. En dan de maan. De maan, die beperkt is, waar de koninklijke Arcan uiteindelijk slechts neerziet op de mensheid met een zeker weemoedig medelijden. Zij is het, die vooral de geestelijke functies helpt beïnvloeden. Niet alleen de werking van de hersenen, maar ook wel degelijk de werking, de mogelijkheden van de geest, die nog dicht bij de aarde is en aan de aarde gebonden. Met haar dienende kracht stimuleert zij in ons vooral het redelijke, het denken. Dan zijn er de grote tegenpolen Mars en Venus. Mars het mannelijke, fel, krijgshaftig, agressief: Venus het vrouwelijke, hartstochtelijk en moederlijk tegelijk. Ook deze werken in ons leven. Mars confronteert ons met de harde feiten. Venus schenkt ons de illusie, de droom, DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN 17

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 - De vele invloeden die ons regeren en beheersen schenkt ons een doel in het leven, dat niet meer redelijk omschrijf baar is. Ook geestelijk werken deze beide. Het man-vrouwelijke als tegenstelling in de mensenwereld, gaat in de geest - vooral in hogere sferen - snel verloren. Maar wanneer wij goed nadenken, zullen wij begrijpen, dat juist daarom sterker dan ooit tevoren de geest de invloed van beide ondergaat. Niet slechts van één van hen. Zo brengen zij voor ons geestelijk tot stand enerzijds de agressiviteit, waarmee wij onze wereld voortdurend willen uitbreiden, anderzijds het vertrouwen in de stille droom van volmaaktheid, die wij ergens diep in ons geborgen hebben als een besef van de goddelijke waarheid. Daarbuiten liggen de vreemde planeten. Saturnus melancholiek, speels? Jupiter majestueus, met een magisch geweld. Al deze krachten werken op u. Zij zijn a.h.w. de heersers van de tijd. Of neen, dat mag ik niet zeggen: de heersers van het gebeuren in de tijd. Want ook in de tijd heersen krachten. Wij weten allen, dat er engelen bestaan, d.w.z. geesten, die niet de menselijke bewustwordingsweg hebben afgelegd en die toch grootmachtig, in vol bewustzijn tronen temidden van deze oneindigheid van gebeuren, die God is. Van deze zijn er zeven, die regeren over de uren. We vinden ze allemaal. Zo goed de sombere Samaël, als de strijdlustige Gabriël. Wij vinden er Michaël, de vertrouwde, we vinden er velen. Maar zeven in getal zijn hun namen, zeven zijn hun invloeden. Elk van hen heeft een eigen persoonlijke invloed in de tijd? die grote vloed van tijd, zoals wij ons dat zo graag voorstellen. Maar. vergeet niet, dat deze vloed van tijd een illusie is. In feite zijn het krachten, die ons gelijktijdig beroeren en die afwisselend de overhand krijgen. Voortdurend wisselende velden van licht en van kracht overrompelen ons, doen soms ons denken wijzigen en laten uur na uur in ons een nieuw bewustzijn ontstaan. De engelen zijn het, die ons de reeks van belevingen voorleggen, die wij uit alle andere krachten gewaarworden. Zou de mens alleen uit stof gebouwd zijn, ik zou hier ongetwijfeld kunnen eindigen. Maar de mens is meer. Want binnen dit stoffelijk voertuig verborgen zijn de vele voertuigen van de verschillende sferen, waarin de goddelijke kern, de ziel, zich beweegt door het leven. Ook deze worden beïnvloed, ook deze kennen hun vreemde mogelijkheden en hun voor de mens haast nachtmerrieachtige werkelijkheid. Daar is het astrale voertuig, omringd door vele spookbeelden, vele demonen. Hier vinden wij de verschrikkelijke gestalten, die soms uitgebeeld zijn als tempelwachters, ergens bij een oosterse tempel. Hier vinden wij de vreemde draken, waarover de oudheid vertelt. Hier vinden wij de monsterlijke haat naast de verleidelijke en haast onbegrijpelijke bekoorlijkheid van een naar verstoffelijking strevend denken. Naast de lege huls, onbezield, langzaam vervallend beeld zonder meer, het intens beleefde, soms in duizenden jaren kunstmatig opgebouwde lichaam van krachten uit duister, de plotseling vlammende verschijningsvormen van hen, die uit het licht hier neerdalen en uit het gesponnen goud van kosmisch licht zich tijdelijk een gestalte vormen. Een wereld van vele tegenstrijdigheden. Een wereld, waarin u ook te maken krijgt met overgeganen. Met hen, die mens zijn geweest en na de dood in hun astraal voertuig nog ronddolen of - door speciale kennis en middelen - voor zich een astraal voertuig hebben gebouwd. Men zegt wel eens, dat het een slechte sfeer is. Dat is niet waar. Het is een gevaarlijke sfeer, welker krachten zich steeds manifesteren, omdat ze zo verwant zijn aan die van de stof. Wanneer u hier leeft, dan is het denken van het astraal gebied verwant aan het uwe: zo verwant, dat de gedachten haast onmiddellijk overvloeien als ware het gesproken taal. Dit astrale met zijn vreemde verschijnselen heeft verder grote invloed op bepaalde delen van de aura van de mens. Zo wordt voor de mens vaak welbehagen en onbehagen door astrale hechtingen bepaald. Zo kan soms zelfs een ziektebeeld, een bezetenheid uit dit astraal gebied ontstaan. Slechts zij, die krachtig zijn en zonder vrees, kunnen hier werkzaam zijn en leven. Ofwel zij, die niets te verliezen hebben natuurlijk. U zult wel begrijpen, dat deze wereld voor ons qua bewustzijn niet zozeer belangrijk is. Zij biedt ons te veel schijnvormen, met daarnaast voortdurende impulsen, een intensifiëring meestal van de stoffelijke impuls. Datgene, wat niet lichtend is en slechts tijdelijk in astrale vorm, zal teruggrijpen naar het dierlijke element. En zo wordt het dierlijke sterk gestimuleerd en zal in de mens vaak een strijd ontstaan. Een strijd, 18 DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 – De vele invloeden die ons regeren en beheersen waarin hij soms zegeviert, maar heel vaak ten onder gaat. Op zichzelf is dit laatste misschien niet zo erg. Erg is slechts, dat in deze strijd ons eigen bewustzijn, onze blik vooruit, teloor gaat. Dat wij blijven stilstaan en treurend kijken naar wat wij misdaan hebben, in plaats van te beseffen, dat wij vooruit moeten gaan, moeten veranderen, moeten herbouwen. Daarboven liggen de grijze nevelwaden van een gebied, dat nog geen licht is en toch ook geen duister meer. Hier zijn de dolenden, niet zo sterk in hun werking en hun invloed als op het astraal terrein, mensen die overgegaan zijn. Lichte krachten vinden wij hier niet, tenzij voor een ogenblikkelijk verschijnen om één of meerderen eindelijk binnen te brengen in een sfeer van begrip en licht, zodat zij ontwaken kunnen tot bewustzijn van de Zomerlandwereld, van de vormkennende geestenwereld. Wat uit het Nevelland tot ons komt is toevallig. Het is geen vaste invloed, die ons regeert. Het is eerder een onbewust aanstoten. Maar u weet, wanneer er een wankel evenwicht bestaat, wanneer je niet weet hoe of waar te gaan, dan kan soms het kleinste reeds een beslissende werking hebben. Degenen, die niet vast zijn in hun besluiten, degenen, die geen vaste visie hebben en geen vast streven, worden vanuit deze nevelsfeer beïnvloed door hen, die onwillekeurig iets van hun eigen honger naar beleven aan hen overdragen. Niet alleen stoffelijk, maar ook geestelijk openbaart zich dit. Want wij vinden vaak een tijdelijke neerslachtigheid, die als een wolk voor de zon komt en even snel weer wegdrijft, juist als gevolg van een onbewust contact met iemand, die in deze sfeer leeft. Dan het u allen ongetwijfeld bekende Zomerland. Een wereld van menselijke gedachten met een geestelijke vrijheid en een geestelijk licht. Daar kunt ge alles vinden wat er op de aarde is. Daar zijn de predikanten en de priesters van moderne en van oude godsdiensten. Er zijn steden en dorpen en velden. Daar zijn de wouden én de bergen, waarin ook daar de anachoreet, de heremiet zoeken naar een verinnerlijking en een verhoging van bewustzijn. Een land, waarin ook tempels zijn. Tempels die gelijk schoon mogen heten, omdat daar door een contact van gedachten een overgave wordt verkregen in de mens, die hem doet ontwaken tot een grotere wereld. Uit het Zomerland komen vele geesten tot de aarde. Zij hebben banden met u, ze zijn gebonden aan u, ze hebben u lief, ze haten u, ze hebben verplichtingen. En zij trachten u op hun wijze te vertellen wat goed is. En dan spreekt de prediker volgens zijn oude geloof, en de priester volgens zijn oude geloof. Dan spreekt de econoom volgens de economische geleerdheid van de wereld en dan spreekt degene, die misschien weinig inzicht had, met dezelfde dwaasheden, die hij vroeger op de wereld gebruikte. Goed bedoeld, vaak op de duur met een beter inzicht in de mogelijkheden dan u, maar toch nog zo menselijk. Veel van uw geleiders behoren tot deze sferen. Niet de onfeilbare geesten, die men vaak in hen wil zien. Eerder zoekers gelijk gijzelve, die trachten u te helpen. Hoe vaak geleidt dan de lamme de blinde, of de blinde de lamme: Maar ook hier staan andere gebieden boven. Er zijn werelden van voortdurende warreling en trilling, waarin zich oorzaak en gevolg scheiden om als verschillende kleuren een ogenblik te verschijnen en samen te vloeien tot een nieuw licht, tot een nieuw bestaan, tot nieuwe waarden. Wie hier leeft, heeft besef van God. De kleinheid van het denken der mensen is langzaam weggesleten in het ervaren van de grootsheid van het Al. Ook van hieruit komen vele geesten, leraren meestal. Geleiders met een vast doel, die zich niet zozeer meer richten op uw persoonlijke welstand, uw persoonlijk belang, uw persoonlijke gezondheid. Wezens, die trachten in de wereld iets te scheppen van de sfeer, die zij kennen, iets van dit kosmisch ervaren en kosmisch ontvangen. Ook zij werken op u. Inspiratief soms, soms door middel van media, soms door de inspiratie, die ze anderen opleggen. En ook zij scheppen mede het milieu, waarin u zich beweegt, waarin u beleeft. Daarboven, waar de vorm verloren is gegaan en de laatste klank is gestorven, daar is een bewustzijn van alle kosmische krachten. Daar wordt niet meer gesproken vanuit het standpunt: "Gij zijt mens", maar alleen vanuit het standpunt: "Gij zijt deel van de kosmos." En ook hier leert men. Men leraart en keert tot de aarde. Hier schept men soms een sfeer, zo sterk, dat ze een ogenblik de modderachtige vuilheid van een menselijke samenleving doet verdwijnen. Voor een kort ogenblik meestal maar. DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN 19

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 - De vele invloeden die ons regeren en beheersen Daarboven de witte heersende krachten, de grote engelen. Zij, die het Al zien als een perfectie van ontwikkeling. Zij,die het heelal hebben gevonden als een voltooiing, niet meer als een strijd. Zij zijn het, die hun bewustzijn als een zoeklicht steeds weer richten op bepaalde punten en mogelijkheden. Niet omdat ze daarmede iets bereiken willen, maar eerder om reliëf te geven aan dit deel van de schoonheid, dit deel van de volmaaktheid, dat door hen beleefd wordt. Wanneer zij zich zouden richten op u en ge zoudt een ogenblik daarin gevangen zijn, het is mogelijk dat uw wereld in een duizeling verdwijnt, dat er een ogenblik een licht en een stille vrede is en dat ge denkt, dat alles goed is. Maar wanneer het licht verder gaat en ge staat, weer alleen, dan is uw wereld dezelfde. Dan hebt ge misschien alleen de hongerende herinnering aan dit intense beleven, aan dit ondergaan. Ja, en daarboven natuurlijk nog grotere krachten. Krachten die de kosmos regeren, die de wetten zijn, binnen welke uw levensgang bepaald blijft. Zo heeft de wereld van het onzichtbare: een web rond de zichtbare wereld gesponnen. Gij zijt vrij, maar telkenmale zult u ge gestimuleerd worden door dat, wat de geest biedt. En uw bewustwording kan alleen wérkelijk plaatsvinden, wanneer ge leert die krachten innerlijk te interpreteren. Niet naar buiten toe, Gij zijt deel van deze krachten, zoals zij deel van u uitmaken. Men kan niet zeggen: "Ik wend mij af van een planeetgeest, ik wend mij af van een sfeer, ik wend mij af van het licht zelve. Dat is waan. Men kan ook niet zeggen: "Buiten mij is het kenbaar, want mijn meester doet dit in de stof, mijn leraar zegt dat." Men moet het van binnen beleven. Men moet zien, hoe ín het ik deze werkelijkheid van sferen groeit. Dan pas heeft het betekenis. In dit innerlijk weten, dit innerlijk erkennen, vindt zij een uitdrukking. Er zijn groepen van denkers op deze wereld - sommigen zeer oud, anderen nog jong - die tezamen zijn gebundeld in een geestelijk verband. Wanneer wij hun geestelijke uitdrukking moeten weergeven, dan kunnen wij het beste zeggen: De meesten van hen behoren in de hoogste sfeer van Zomerland: in het hoge licht van de eenzame bergen, waar het bewustzijn samenkomt in een broederschap smaal tijd en de stenen tafelen der natuur worden tot een, altaar, waarop men het geheel der schepping offert aan de Schepper Zelf. Deze orde, deze broederschap, kent vele richtingen, vele denkwijzen. Ze heeft vele scholen op aarde gesticht. En niet al deze scholen zijn aan elkaar tegengesteld, maar vaak verschillen ze zover, dat men zegt: "Ze kunnen naast elkaar bestaan, maar ze zijn nooit een." Want voor de mens is de eenheid van lot, van drijven, nog te onbestemd, te onbegrijpelijk. En in deze band zijn samengevoegd vele meer stoffelijke groeperingen. Stoffelijke groeperingen, die door hun streven, onbewust haast de omgeving veranderen, waarin u leeft. Soms geven ze u socialisme, een ander ogenblik rebellie. Soms geven ze u godsdienst, een ander ogenblik een filosofisch anarchisme, dat de honger tot weten doet groeien als een pijn in elk mens. Soms zijn ze de oorlog zelve, vernietigende geesten, uitroeiend het onkruid, dat woekert op de akkers der aarde. Soms zijn ze de vrede. Want zij kennen het heelal. In hun bewustzijn weerklinkt de eeuwige harmonie. En zij trachten die harmonie te herstellen, ondanks alles. Soms doden ze, ook al zullen ze het nooit doen zonder hem, die heen moest gaan van de wereld, te vergoeden al wat zij kunnen voor dit te plotseling afscheid. Deze broederschap spreekt tot u. Onbewust leest ge iets van haar in de kranten, in de dagbladen. Onbewust worden bepaalde denkbeelden op u ingestempeld als met een ijzeren brandmerk, rood verhit, door middel van films, van muziek. De politiek, de economie, alles is het wapen van dit genootschap. Het boetseert uw omgeving. Zoudt ge dat alleen uiterlijk willen aanvaarden, zoudt ge er uiterlijk naar willen zoeken, ge zoudt nooit de kern begrijpen? De kosmos, die één is: de sterren, die dansen in een statige rijdans der oneindigheid: Godzelve, Die in het lichtend spel van Zijn flonkerende bollen Zich spiegelt, Kennend Zijn oneindigheid in een schepping, die oneindig en eindig tegelijk is. Ziet ge, vrienden, zovele zijn de invloeden, die worden samengebundeld op een wezen, dat naar bewustzijn streeft en dat reeds een zeker bewustzijn bezit. Wetend dat er zoveel aan ons vreemd is, dat in ons leven wordt geopenbaard, zal het zoeken naar het innerlijk moeilijker worden. Wij zullen trachten te ontwaken tot een nieuw bewustzijn en met verbazing ontdekken, dat déze woorden niet de onze zijn en dat géne daden niet behoren in ons dekken en streven. Maar wij moeten onszelf worden. Die uiterlijke wereld kunnen wij niet regeren. Er 20 DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 – De vele invloeden die ons regeren en beheersen is teveel dat buiten ons grootmachtig ingrijpt. Wij kunnen alleen dat kleine, wat wijzelf zijn, uitbeelden in ons stoffelijk leven, zo goed wij kunnen. Het is ons streven en ons verlangen, dat veel belangrijker is dan elke daad, die wij tot stand brengen. Het is volbewust trachten te volbrengen van hetgeen voor ons goed is, dat inhoud geeft aan ons leven, zeker wanneer wij in de stof zijn. De weg naar binnen is een moeilijke, een zware weg. Telkenmale weer zullen wij stuiten op de muur van zelfgeschapen onbegrip, op de ondoordringbare duisternis van het geliefkoosde zelfbedrog. Maar wij zullen er doorheen moeten. Wij zullen moeten sterven in het beeld, dat wij zijn in eigen ogen, om op te staan, herboren en hernieuwd tot dat, wat wij in waarheid zijn. Esoterie kan nooit te hoge eisen stellen en tevens kan de maatstaf, die de esotericus zichzelve aanlegt, zelden laag genoeg zijn. Men mag zichzelve niet vergelijken met het grote, het machtige. Dan grijp je naar buiten toe, dan schep je afgoden en beelden. Beelden, die je misschien soms helpen als weldoende geesten en je dienen. Maar geesten, die ook je meesters zijn, en die het je onmogelijk maken precies te begrijpen wat je doet en waarom. In alle esoterie blijft klinken die ene kernzin: Ken jezelve, wees jezelve, leef jezelve. Ge zult zeggen, dat is alles mooi, schoon en misschien begrijpelijk, maar... wij arme mensen... Wanneer een zaad in de aarde valt en voor het eerst in de nog prille bleekheid van de lente omhoog piekt, dan zegt het niet?" Ik, arm zaad, hoe zal ik ooit een boom worden!" Het groeit, het put zijn voedsel uit de aarde, het zendt zijn wortels uit in steeds verdere vertakkingen, het slurpt alles op - ja, zelfs een deel van zichzelve - om zo te kunnen groeien. En zo moeten wij zijn. Ons innerlijk is het zaad van de onsterfelijkheid, dat ontkiemen moet? dat worden moet tot levensboom. Wanneer wij zo hoog grijpen, wanneer wij zo zeer vergeestelijkt willen zijn, dat wij haast de stof erbij neergooien, vrienden, dan zijn wij verkeerd. Wij mogen niet boven het leven staan. Wij mogen niet boven de stof staan, of boven een sfeer. Wij moeten leven en onszelf zijn en onszelf kennen. Wij moeten ons niet afvragen:"Wat ligt er rond ons?" Zoals het ontkiemend zaad zich niet afvraagt:" Sta ik in een woud of in een weide?" Zoals het zich niet afvraagt:" Is het lente of is het zomer?" Het vraagt zich slechts af:" Kan ik leven, kan ik mijzelve zijn?" Zo moet gij u voeden met al wat het leven u geeft. Al deze krachten en invloeden kunnen bijdragen tot uw ontwikkeling, uw bewustzijn. Er is nergens een grens te stellen. Gij moet leven en beleven, dat is noodzakelijk. Maar in het leven en beleven moet ge niet vragen:" Wat is de wereld?" maar: "Wat ben ik." Niet wat de wereld zegt mag bepalen, doch alleen wat gijzelve zijt, wat ge wilt zijn, wat ge zoekt. En het wordt gemakkelijker, wanneer wij van onszelf niet het volmaakte eisen. Wat heeft het voor nut volmaaktheid te eisen van een wezen, dat eerst nauw de kinderschoenen van een geestelijk bewustzijn ontwassen is! Wat heeft het voor zin eisen te stellen aan onszelf, die ons voortjagen en onvervulbaar blijven, die ons door stoffelijke onthoudingen vervullen met dromen, die ons voortdurend kwellen en doen denken aan demonen, die ons omringen! Wat hebben wij eraan ons te verzadigen met het stoffelijke en die geestelijke honger voorbij te gaan, zodat het leven ondanks alles leeg blijft en zinloos! Wij zijn deel van de kosmos. In ons werken ongetelde krachten. Heersers van verschillende gebieden openbaren zich aan ons, ook al beseffen wij dat niet. Maar één ding is onaantastbaar. Eén punt: God in ons, de ziel zelf, kan niet veranderd worden. Zij kan niet omgebogen of omgesmeed worden tot iets anders. Zij is. Een molecuul misschien in het juweel der schepping, maar met een vaste plaats, met een vast doel. Het is onze taak daartoe te ontwaken. Niet om onze ziel te hervormen. Het is onze taak harmonisch in de schepping te passen, harmonisch deel uit te maken van al het zijnde, van elke sfeer, van alles. Niet om onszelven op te dwingen aan anderen of anderen lijdzaam te ondergaan. Wij zijn, wij leven! Ik! Machtig woord: IK. Een wereld vol van dromen, een nauw verborgen waarheid, een wereld van eeuwige kracht, een schimmenspel van tijdelijk gebeuren. Ik. Dat is het enige woord, dat wij kunnen gebruiken, zolang wij leven in de beperking. Ik. Ik mens, ik geest. Ik, klein lichtpunt in de goddelijke zon. Ik, die weten moet, erkennen moet - niet wat mijn wereld is of wat mijn God is - maar wat ikzelve ben. Ik, die uit de veelheid van invloeden, die mij DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN 21

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 - De vele invloeden die ons regeren en beheersen beroeren, van banden, die mij binden met alle sferen en wereld, mij moet realiseren waarom ik ben. Droom dan rustig. Droom uw vele en vreemde dromen. Wat deert het! Laat de warrelende caleidoscoop, des levens verder gaan, kleur na kleur tonend, beeld na beeld. Laat de toverlantaren, de filmband van de tijd nóg wat verder laten ratelen, projecterend op het doek van een onvolledig bewustzijn. Wat hindert dit alles! Wat geeft het wat er gebeurt met de wereld!. Wat geeft het zelfs wat er gebeurt net een ander, indien wij slechts onszelven zijn, eerlijk en oprecht, zo waar als wij kunnen! Wat kan een hel ons beroeren of een hemel ons verrukken, wanneer wijzelven niet hel of hemel zijn! Wat kan stof u besmetten, indien gijzelf geen stof meer zijt. Wat kan geest u beroeren, indien uw bewustzijn niet dat van de geest is! Ondanks alle banden, ondanks alle ketenen, die er gesmeed zijn, zijt ge vrij. Volledig vrij, veel vrijer dan ge u kunt voorstellen. Gij hebt slechts één werkelijke meester. Hij heet'"ik." Gij hebt slechts één werkelijke dienaar. Hij heet "ik." Ge hebt slechts één werkelijkheid. Men noemt het: ik. Buiten dit bestaat er niets voor u. Wat ge in uzelve zijt, dat zijt ge in werkelijkheid. Wat ge in uzelve bereikt, is een werkelijke bereiking en al wat buiten het ik blijft, is als rook, die verwaait in de wind van eeuwigheid. Ge zijt machtig. Machtiger dan ge vermoedt. Want in u is Gods kracht. De kracht der eeuwigheid ligt in u en ge noemt haar: ik. Ge zijt zwakker, zwakker dan het zwakste, dat ge u kunt voorstellen, wanneer het bewustzijn niet volledig is, zodat een tasten in het duister het enige is, wat ge kunt noemen: ik. Uit het machtig begin der schepping toornen twee zuilen omhoog. Men noemt ze stof en men noemt ze geest. Men noemt ze bewustzijn, men noemt ze God. Twee zuilen. "En wanneer je als mens daarbij staat, dan lijkt het alsof ze zich oneindig verheffen, eeuwig parallel, strevend in de ongekende diepten van het leven. Maar er is een punt, waar twee zuilen door een boog worden verenigd. Er is een punt, waar stof en geest ineenvloeien en dragen de derde, de ongekende zuil. Die zuil heet wederom: ik-ego. Ego is God. Want er bestaat geen ikheid, die niet een direct deel van God is, ingepast in het goddelijk Wezen. Ik - Ego - God. Dat is de waarheid. Maar daarvoor moet je ook een weg afleggen. Je begint met "ik". Dan ga je spreken over het ego, als iets wat buiten je staat. Maar wanneer beleef je het als de grens van je wereld? Wanneer leer je het kennen met al zijn beperkingen, met al zijn rijkdommen? Eerst wanneer je het "ik", hebt leren kennen op die manier, dan heeft de term ego (het andere woord voor ik) een nieuwe betekenis. Dan is "ik" niet meer een wereldje. Het is een knooppunt van vele krachten en lijnen. Het is een gedachte, die staat temidden van duizenden, gedachten, onveranderlijk. En vandaar begin je een langzaam voelen en tasten langs al die lijnen die je verbinden. Je erkent plotseling het onveranderlijke, dat achter alle verandering geborgen is. Dan komt het ogenblik, dat je zegt: God. En dan begint het ego pas zichzelf te zijn. Dan komt er een ogenblik, dat je niet meer spreekt over ego, maar over God. Dan flitst alle bewustzijn samen door dit ene punt. Dan is er geen remming meer en geen vooruitgang. Dan is er het volmaakte zijn. En dit alles draagt ge nu in u op dit ogenblik. Gij zijt op dit ogenblik gebonden met uw God. Gij zijt op dit ogenblik achter de schijn en de begoocheling het brandpunt van de goddelijke krachten, maar ook het gefixeerde punt in een eeuwige en volmaakte schepping. Gij zijt op dit ogenblik die innerlijke wereld, belangrijker dan al wat er buiten u ligt. Leer haar kennen. Ga aarzelend misschien als een reiziger, die voor het eerst gebruik maakt van een trein - eens een klein stukje naar binnen toe. Ga eens een klein stukje verder dan normaal. Zeg niet:" Dit zijn mijn voornemens, dit zijn mijn verlangens." Probeer eens te zien wat ge werkelijk zijt. Zeg niet gisteren, morgen of nu. Zeg slechts: "Ik ben....zo." En als ge dat eerste aarzelende begin hebt gedaan, vol wrevel misschien zelfs tegen uw ontdekkingen, zeg dan tot uzelf: "Dit is het begin van de volmaaktheid." Keer terug, vele malen. Leer kennen wat er schuilt achter uw rede, achter uw gedachten. Lees de zin van uw leven, zoals de kabbalist het geheim van de Woorden leest in de cijfers. En hoe hij de cijfers maakt tot een nieuwe ritmus, een nieuwe berekeningssfeer, die de oneindigheid

22

DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 – De vele invloeden die ons regeren en beheersen omschrijven kan daar, waar het woord faalt. Leer ontcijferen wat je bent. En doe dat niet volgens menselijk oordeel. Het is misschien een heel eenvoudige raad, die ik u geven kan. Vraag u eens af: Wat is het goede in elk ding, dat ge in uzelf erkent? Wat is het goede? Dan bouwt ge u een beeld, dat anders is dan gij zijt. Maar een beeld, dat meer waar is: een beeld, dat die wereld van het "ik" uitmaakt. Begrijpt ge? Dan treedt ge binnen in dat vreemde landschap, waarin dromen werkelijkheden zijn en waarin de z.g. realiteit een schimmenspel is. Een wereld, waarin dood het voorbijvliegen is van een snelle vogel. Een wereld, waarin alle geslachten aaneengerijd staan en waar de laatste tempel der toekomst staat naast de eerste piramide, die werd gebouwd op de wereld. Treed binnen in die wereld van uw ik en bedenk, dat in die wereld alle kracht en van het Goddelijke reeds samenkomen. En zoek dan een richting, een enkele maar. Zoek eens één enkele richting, die verdergaat dan uw omgeving, uw gemak, uw denken, uw stoffelijkheid, misschien uw geestelijk verlangen. Zoek eens één continuïteit, één ding, dat je ziet, steeds weer. Ga het eens na. Ge kunt geen duizend wegen tegelijk gaan. Eén weg is voldoende. Misschien dat ge dan komt tot het bewustzijn? Onverbrekelijk ben ik gebonden met andere ik-heden in de schepping. Als u zover bent, wordt de verdere weg gemakkelijk:"Wanneer u zover komen kunt, innerlijk, dan zal de buitenwereld niet meer zo belangrijk zijn. Dan zult u niet meer spreken van karma of noodlot. Dan zult u voor het eerst begrijpen, hoe de schijnbare beweging van het leven het kristal is van tijd en ruimte, dat eeuwigheid heet. En hiermee, vrienden, zullen wij deze bijeenkomst onderbreken. Wij gaan dadelijk over tot het tweede gedeelte. Ik zou het erg op prijs stellen, wanneer u dit qua inhoud en qua sfeer eens in u laat doordringen. Want onthoud — ik heb het u toegeroepen vanavond en het blijft gelden: Dit alles, wat ik gesproken heb, dat zijt gij. Dat is uw "ik", zonder uitzondering. Dat is uw werkelijkheid, verscholen achter uw alledag. Gij kunt deze wegen gaan. Gij kunt dit bewustzijn bereiken in één ogenblik van zelfonthulling. Vrienden, ik wens u een aangename pauze toe. Goeden avond. o-o-o-o-o Goeden avond, vrienden, Dit tweede gedeelte is wel in de eerste plaats bestemd voor uw eigen onderwerpen. Hebt u een bepaald onderwerp, dat u wilt aansnijden? Ik heb nog vragen over de vorige keer. Kunnen die behandeld worden? Wanneer u vragen hebt en u wilt die tot een minimum, beperken, dan kunnen wij die nu behandelen. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling, dat onze esoterische kring voor een groot deel van de avond aan vraagstelling is gewijd. Maar zijn er punten werkelijk zo onduidelijk, dat er een groot probleem uit rijst, dan zullen we natuurlijk die vragen gaarne beantwoorden, maar altijd in het tweede gedeelte. In de beantwoording van de vraag: Hoe vinden wij de doelstellingen van het leven? spreekt u van de tegendelen materie en stof. N.l. "In de materie wordt bewustzijn gewekt op het ogenblik, dat in de stof licht wordt gewekt." Wij, in ons aards of stoffelijk bestaan spreken van het onderzoek van de materie. Stof en materie zijn voor ons op aarde synoniem, geen tegendelen, maar beide een aanduiding van de verschijningsvorm van energie. Zoudt u uw woorden willen toelichten. Stof geeft aan: een vaste vorm. Materie geeft daarentegen aan: het principe van de totaal geuite kracht. Ik geef gaarne toe, dat deze uitspraak verwarrend is geweest en men zou beter gedaan hebben te spreken over geest in plaats van materie, maar mag ik daar dan toch een kleine verklaring aan toevoegen. De goddelijke kracht zelve is niet kenbaar. Al het geuite is kracht. Alle kracht heeft een zekere vorm, hetzij als trilling, hetzij als veld, hetzij als emissie, hetzij als gebonden kracht of kleine delen. Dit alles tezamen is de materie. De stof is het belichaamde, dus alleen de vaste vorm der materie, zoals die b.v. op aarde voorkomt. Wanneer wij dus redelijk nadenken, dan zullen wij zien, dat er een tegenstelling moet bestaan tussen de "bevroren" materie (stof) en de energiezijnde materie zelve. Beide zijn uitingsvormen, in beide bestaat een persoonlijkheidsuiting. Zo zal elk bewustzijn vanuit dit standpunt materieel genoemd moeten DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN 23

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 - De vele invloeden die ons regeren en beheersen wórden: maar slechts een zeer beperkt deel kan stoffelijk (dus in vaste vorm) geacht worden te bestaan. Het is ongetwijfeld deze overweging, die tot de formulering heeft geleid. Ik hoop, dat we met deze verduidelijking erbij dan gekomen zijn tot een begrip, dat de vergissing misschien wat minder erg maakt. Bij het nalezen van het eerste bouwstuk op de samenkomst van 16/9 valt het mij op, dat u de mens doet vragen: Is wat ik zie werkelijkheid dan wel de projectie van schimmige krachten op het scherm van het bewustzijn? Dit deed mij denken aan de Wajang Poerwa. Voor de Javaan is wat op het scherm wordt geprojecteerd een tweede werkelijkheid naast die van zijn dagelijks leven, misschien zelfs meer dan deze. Zo ook als wij ons verdiepen in werk of lectuur, leven wij ook in een tweede werkelijkheid. Was het Hegel niet, die zeide, dat de werkelijkheid een zijns-vorm is van de waarheid? En volgens Robert Browning: "Truth is within ourselves, it takes no rise from outward things". Misschien moeten wij de vele krachten, welke - naar u stelt - tussen de vlam en ons bewustzijn werkzaam zijn, als lenzen denken, waardoor het licht der waarheid wordt gebroken, opdat wij ons uit de veelheid der beelden de ene waarheid wederom construeren. Inderdaad een zeer lovenswaardige formulering. Wanneer ik verder lees, zie ik, dat u hetzelfde hebt betoogd. Alleen u zegt het zo: Wij kunnen het helemaal doen zonder verlossing, als wij ons bewust zijn van God in ons wezen. Maar is dit bewustzijn niet zélve de Verlossing? Zijn Verloste, verlossing en Verlosser niet één? Dat is een probleem, waarover te strijden valt. Want gezien het feit, dat God altijd in ons aanwezig is en de realisatie daarvan een terugkeer tot onze oorspronkelijke toestand en onze feitelijke toestand, lijkt het mij aan de ene kant overwegenswaard of we van een verlossing kunnen spreken. Wij worden immers nergens van bevrijd: Wij realiseren ons alleen de werkelijkheid. Het begrip verlossing brengt heel vaak met zich mee, dat de mens veronderstelt, dat een ander of een andere kracht hem bevrijden kan van ketenen, hetzij van stof of van geest. Hem zelve te stellen als verlosser zou betekenen, dat hij zichzelve bevrijdt van ketenen. Maar de ketenen zijn imaginair, ze zij niet werkelijk bestaande. Vandaar dat hetgeen gesteld wordt - ofschoon niet a-priori onjuist - mij toch in sommige opzichten doet aarzelen de formulering als zodanig over te nemen. Want wanneer ik stel, dat ik mijn eigen verlosser ben, dan stel ik dat er iets is, waarvan ik verlost moet worden. Maar ik moet nergens van verlost worden: ik moet slechts de gebrokenheid van de verschijnselen in mijzelve terugbrengen tot de eenheid, die mij de enige ware realisatie van mijn wezen geeft. Ik hoop dat u dus begrijpt, waarom ik aarzel uw formulering tot de mijne te maken. Ik wil hier opmerken, dat de formulering niet de mijne is, maar dat deze in de Vedanta ook voorkomt. Inderdaad, maar ook de Vedanta is gebaseerd op de onverlichte mens eerder dan op de verlichte. Élke openbaring en goddelijke wijsheid is een gelijkenis, waarin de mens verheven wordt boven zijn werkelijke zijn, in de hoop dat hij zijn werkelijke zijn vanuit zijn dieptepunt van beschouwing uiteindelijk zal kunnen bereiken. Een goddelijke waarheid is onveranderlijk. Maar hetgeen wij als een goddelijke waarheid beschouwen is over het algemeen niet iets, wat onveranderlijk is, maar wat steeds boven ons ligt, verder gaat dan ons ik. En dat brengt ons tot een streven. Zouden wij God en de goddelijke waarheid als een gefingeerd punt blijven zien, dan zouden wij als mensen en geesten geneigd zijn te zeggen: "Nu ja, daar is het en daar blijft het. Waarom zouden wij ons verder vermoeien? Maar nu echter het doel steeds verder voor ons uit gaat ..... ach, men heeft zo'n aardige vergelijking van de hondenwagen en de zweep met het stukje worst, of de ezel met het peentje aan de zweep. Iets dergelijks is hetgeen degenen, die ons wijsheid en verlossing brengen, eigenlijk óók doen. Ze stellen ons een doel, dat in feite onbereikbaar is, om ons tot een streven te bewegen, dat de realisatie van het bereikbare met zich meebrengt. Dat is de zin van de magie, die wij gebruiken. Alleen.... wat wij doen is niet alleen met woorden. Op avonden als deze trachten wij een bepaalde sfeer te scheppen. Wij trachten een ogenblikje een ontplooiing van het innerlijk wezen mogelijk te maken. Wij laten de mensen een ogenblik in een droom verzinken, die reëler is dan zijn werkelijkheid. En eerst wie dit kan volbrengen zal daaruit kunnen distilleren een essence van zijn. 24 DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 – De vele invloeden die ons regeren en beheersen Deze essence van zijn is het belangrijke. Alle doel brengt ons ertoe het zijn te beleven: een ogenblik a.h.w. verdroomd één te zijn met de kosmos. Vandaar dat men deze beelden stelt. Vandaar dat die beelden niet onaantastbaar juist zijn, maar dat ze toepasselijk zijn voor hen, die - gedreven door een innerlijke honger naar bereiking en weten - ze gebruiken als een basis om zichzelven af te zetten en dus in beweging te komen. Is de beweging eenmaal aanwezig, dan volgt de realisatie, die in het streven niet gesteld wordt: ook wanneer zij niet geheel in overeenstemming is met het doel, dat gesteld wordt. Vrienden, indien er geen vragen meer zijn, hebt u een onderwerp, dat u interesseert of wilt u liever, dat ik zelf een onderwerp gebruik? Kunt u iets meer zeggen over het eigen ik onderzoeken of het eigen ik vinden? Het eigen ik onderzoeken Ik zal trachten deze zware taak, die u mij op de schouders legt, naar behoren te vervullen in de weinige tijd, die mij ter beschikking staat. Want het ik te vinden is een moeilijkheid. Kan men het ik wel vinden? Men kan het ik zijn. Maar vinden impliceert m.i. ook weer verliezen. Zouden wij ons ik verloren hebben, wij zouden niet leven. Toch moeten wij klaarblijkelijk: als mens of geest steeds verder trachten door te gaan in die innerlijke waarheid, die zo moeilijk te beseffen valt. De waarheid omtrent onszelven is meestal een zeer onaangename. Wij wijzen deze gaarne af en trachten op de duur te komen tot een klein besef, waarin wij - zonder ons eigen ik als gedacht geheel te verwerpen - toch een zekere innerlijke bevrediging kunnen kennen. De eerste stap tot het erkennen van het ik is een pijnlijke. Het is weten, waar je fouten liggen, waar je zwakke punten liggen. En menig mens bouwt liever voor zich een troon of een altaar dan toe te geven, dat hij kan falen. Geef toe dat ge falen kunt en besef uw falen. Realiseer u waar de werkelijkheid is gelegen, die u bindt. Laat als in een graf, beschouwd voor -een laatste keer, een ogenblik de wassen gestalte van uw zijn zich blootgeven aan uw oog, zonder het leven van uw wil en uw gedachten. De eerste stap om door te dringen in het ik is afstand te doen van het beeld, dat men zich van zichzelf gevormd heeft. Het is moeilijk te zeggen: Ja, maar ik ben overdreven of ik ben niet reëel of ik ben misschien in een voortdurend onevenwichtig zelf-overschatten, zelfonderschatten gebonden. Moeilijker is het nog toe te geven: Ik deug eigenlijk niet, want de dromen die ik heb, verwerkelijk ik zo zelden. Ziedaar, vrienden, het grote en het moeilijke probleem. Hoe kunnen wij onszelf realiseren wat wij zijn? De meest getrouwe spiegel, die wij kunnen vinden, is het oog van anderen. Niet het hoffelijk aanzicht, dat u ongetwijfeld: doet schijnen als een gouden Boeddha, gehuld in de weldoende stralen van een eeuwig licht. Maar deze haast verborgen opinie, die u nu eens ziet in déze gestalte, dan eens in gêne, die u heden ziet als rusteloos en onredelijk en morgen als begaafd en bezield. Spiegel u in de ogen der wereld en de wereld zal u weerkaatsen wat uw fouten zijn, wat uw begrenzing is. Hebt ge dit geconstateerd, dan sluit zich één poort: de poort van zelfoverschatting. De droom van het ik maakt plaats voor een gedeeltelijke werkelijkheid. En eerst nu kunnen wij gaan ziens Wat beteken ik werkelijk, hoe ben ik feitelijk? Ik ben misschien te slap en gelijktijdig te driftig: te onmachtig en gelijktijdig vol van machtsdromen. Wat is hier goed aan? Realiseer u wat ge kunt. Niet slechts wat ge meent gemakkelijk te volbrengen, maar de uiterste mogelijkheid van bereiken met al uw krachten. Pas dit toe op elk van uw tekortkomingen, elk van uw deugden en ge ziet een geheel nieuw beeld ontstaan. Een wezen, dat in de wereld anders is dan het schijnt. Het is of de maskerdanser het masker aflegt. En ge weet niet of achter de schijnbare jeugdigheid van beweging, nu het masker valt, een grijsaard schuilt of een jongeling, wiens baard nog niet spruit. Maar ge erkent in ieder geval iets van uw ware aanzicht. Zeg dan niet tot uzelve: "Ik ga mijzelve verbeteren." Zeg niets "Ik zal mijzelve gaan veranderen." Voor de zelfkennis is dit niet belangrijk, hoogstens voor het streven. Ga uzelf afvragen: "Wat droom ik? Waar ligt de onwerkelijkheid, die zich aan mij openbaart? Hoe zou ik willen zijn? Voel ik mij als een Hamlet in zijn grote alleenspraak:" Te zijn, of niet te zijn?" Hoe DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN 25

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 - De vele invloeden die ons regeren en beheersen zwaar is deze vraag. Of zijt ge misschien de heerser, een Nero, die de lier slaat boven een brandende stad? Een Napoleon met de glorie van een hof, dat heel Europa regeert? Zijt ge een Marie Antoinëtte of een Pompadour? Zijt ge een Cleopatra of een statige priesteres van een oude godsdienst? Wat droomt ge? Als ge uw dromen onthult, dan zal u blijken dat uw verlangen niet ligt alleen maar in een bepaalde pronk en statie. Gij wilt uw relatie tot de wereld anders stellen dan zij is. Uw droom maakt u niet in de eerste plaats tot een heerser. Ge zoudt niet spelen als Nero. En ge zoudt niet met de driftige onverschilligheid van een Napoleon datgene, wat ge vereert, schijnbaar minachtend achter u laten. O neen. Maar uw droom onthult u, wat uw wereld u zou kunnen betekenen, waarheen ge hongert. Besef wat ge zijt, besef waarheen het u werkelijk lokt en wees niet bang om in uw droom reëel te zijn. Sommigen schrikken terug. Zo zullen er vrouwen zijn, die dromen van een opeenvolgende stoet van mannen en aanbidders en toch aan de getrokkenheid van hun mond de prilheid willen geven van een onberoerde maagdelijkheid. Dat is dwaasheid. Er zijn mannen, die dromen van een groot gezin en to.ch eenzaam blijven, omdat ze vrezen voor de verantwoording, waarvan zij dromen. En zo kunnen wij verder gaan. Realiseer u wat uw droom, is, waarheen uw honger u voert, waar geen belemmering van stof bestaat. En dan zult ge tot uzelve zeggen: Ziet, deze twee ben ik. De droom én het werkelijke wezen, dat ik mijzelve niet moeite heb onthuld. In deze twee moet mijn werkelijkheid liggen. Want zowel mijn droom als mijn werkelijk erkende gestalte zijn de armen van een balans, waarin mijn bewustzijn mijn ziel weegt." En probeer dan de beelden duidelijker te maken, scherper. Stel uw nieuw erkende persoonlijkheid in uw droom en laat die handelen. Ge zult zien, dat het verschil minder wordt. Ge zult zien, dat er uiteindelijk een punt komt, waar ge u zegt:" Ja, dit zou een werkelijkheid, kunnen zijn. Als de omstandigheden anders waren geweest, zo zou ik deze mens geweest zijn en geen ander. En ik zou er gelukkig in geweest zijn." Dan hebt ge de sleutel gevonden tot de innerlijke wereld. Want dan pas weet ge wat uw werkelijk wezen is, verscholen achter de beperkingen van stof en de onvolmaakte overbrenging van geestelijke wil. En hebt ge dit, gebruik die sleutel dan om te zeggen: "Hoe staat dít wezen, dit wezen ontstaan uit droom en erkende werkelijkheid van heden, tegenover God?" Confronteer het met God. Met God in al Zijn gestalten. Confronteer die gestalte met het Niet en het Ledige, confronteer haar/hem met de machtige Adonai, de liefdevolle met Jehovah, de dreigende en toornige. En zie hoe ge staat tegenover uw God, hoe ge denkt over die God. En schaam u niet tegen uw God te zeggen: "Gij deugt niet. Gij past mij niet." Vraag u af: "Wat zoek ik in God?" Daarmee onthult zich een nieuwe wereld en een motivering wordt geschapen. Uw innerlijk beeld van God en uw uiterlijke han-. delingen, uw gedrag buiten de erkenning' om, staan in direct verband. Déze God is de motivering, zo goed als uw droom uw: complete wezen is. En let dan op uw handelingen, op uw leven, uw slagen, en mislukken en vorm u daaruit een beeld van uw werkelijkheid. Ge zult zien, dat ge daarmede de innerlijke wereld van het ik betreden hebt." Zijt ge zover gekomen, dan wordt het misschien tijd om te luisteren naar andere krachten, geestelijke krachten. Vraag u af: "Waarom spreekt mijn geleider tot mij, of spreekt hij niet tot mij? Welke stem openbaart zich in mij? Wat is dit, wat er in mij functioneert? Wat is die band, die ik heb - of meen te hebben - met geestelijke werelden?" Vraag u af:" Wat is de steun, die ik krijg uit die werelden?" En ge zult erkennen, dat deze geestelijke krachten evenzeer in u als buiten u bestaan. Ge put niet alleen uit de wereld van de geest maar ook uit uzelve. En zo ligt daar de onvermoede bron van licht en kracht. Treedt ge daar de eerste malen binnen, ge zult uzelf verliezen. Ge zult een ogenblik dromen en wegvloeien uit de wereld in een veelheid van beeld en kleur. Laat het u niet hinderen. Zoek niet deze extase terug te vinden, maar keer terug in dit innerlijk, de mens tegenover zijn God en de geestelijke krachten.

26

DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 – De vele invloeden die ons regeren en beheersen Het spel, dat verder begint, kan ik u niet omschrijven. Het is voor elke mens anders, voor elke mens different. Maar in deze verschillen komt ook de verschillende kosmische plaatsing tot uiting. En zo zult ge althans hierin erkennen, wat uw directe relatie is met de kosmos. En dit brengt u tot de binnenste hof, waarin ge uw God niet meer ziet als een bepaalde gestalte, maar ervaart als een innerlijke aanwezigheid. Dan zult ge misschien nog moeten strijden met de onvolmaaktheden in uzelve. Eerst dán. Maar ge zult ontdekken, dat de wijze, die zonder haat met liefde en begrijpen door de jungle gaat, door de tijger wordt gerespecteerd en gegroet: door de koninklijke cobra zelve. Lusten, vlees, onvolmaaktheden van de maatschappij, zij deren u niet. En daarin kunt ge dan de ervaringen vinden, die u tonen, hoe échter wat gij kent als heden en als werkelijkheid, een andere wereld ligt. Eerst later zult ge beseffen, dat ook die in u bestaat. Ik hoop, dat ik met die paar woorden iets heb kunnen bijdragen tot de oplossing van uw probleem. Ik heb vooral de begintrappen geprobeerd u duidelijk te omschrijven. Laat mij er nog en raad aan toevoegen: Dit is iets, wat men zelf moet doen. Niet in een tomeloze zelfkritiek of zelfverwerping, maar in een voortdurende poging tot objectiviteit. Niemand kan u dat geven. Wanneer een van ons komt en - nu een ogenblik de ziel grijpende - haar brengt tot een weten en zegt: "Zo zijt gij"....voor u is het verloren. Gij zult het gezegde misschien geloven.... maar niet ervaren. Te ervaren is de noodzaak. Is dit voldoende? Als u vragen wilt„ kunt u vragen. Ik heb geen vragen hierover. Een ander punt misschien? Ik vind het alleen jammer - want velen van ons zijn al lang op de levensweg voortgeschreden - dat er nog weinig tijd over is om dit hele proces door te maken, dat u ons daareven geschetst hebt. Want om tot die objectiviteit te komen, daar is heel wat voor nodig. De objectiviteit zelve wordt geboren uit de poging tot objectiviteit. Het proces, dat ik omschreef, is tijdloos. Het kan geschieden in een breukdeel van een seconde, het kan geschieden in vele levens. Ge zegt: "We zijn ver voortgeschreden in jaren." Wat weegt een jaar? Wat weegt een korrel zand vergeleken bij de aarde? Het werkelijke leven is lang genoeg. Probeer objectief te zijn. En wanneer uw streven ver genoeg is gegaan, dan, plotseling - als in een legkaart, waarin één beslissend deeltje de oplossing bepaalt - zult ge wéten. Misschien bij de eerste, misschien bij de honderdste poging. Wie zal het zeggen: Maar komen doet het. En zoudt ge verscheiden, heengaan uit dit bestaan, gaat uw geest niet vrijelijk rond? Zijn er geen grote werelden? Zijn er geen ongetelde ervaringen in elke sfeer? Wie streeft - door alle leven en sfeer heen - bereikt. Een bereiking, die snel is, is niet te geven. Men zoekt wel eens de korte weg. Men vraagt zich: "Bestaat er nu niet een snellere methode? Een methode, waarmee wij onmiddellijk onszelf kunnen zijn?" Zo zij bestaat, kunt ge ze niet toepassen. Verwerp al, wat ge bezit, wees arm. Ga onder de mensen en onderga, wat alle mensen u aandoen: en blijf dan liefde geven en tracht dan in uzelf iets te ontdekken, dat toch waardevol blijft, waar dan ook, zo het waardevol is in een gevangenis of onder de vrije hemel. Iets wat licht brengt in de dorre straten van een stad en iets, dat de bloeiende dood vergezelt, die zich in het jaar op het land openbaart. Dan kunt ge leren en snel leren. Maar wie uwer zou heengaan, alles achterlatend? Wie zou zo - als sommige Wijzen — zich terugtrekken in de eenzaamheid van de bergen, in de beslotenheid van de wouden? Zeggende: "Geen mens ken ik". Dit zeggende tot zijn kind,- tot zijn ouders, tot zijn vrouw. Wie zou zeggen: "Afstand doe ik van al, wat ik bezit. Eén kleed neem ik mee.... in de eenzaamheid. Dat kunt ge niet. Daarvoor zijt ge westerlingen. Het westen, dat de wereld schat, kan dit niet volbrengen. Volg de lange weg. De lange weg, die misschien even kort is als de schijnbaar korte, omdat tijd een illusie is en leven een onbegrensde werkelijkheid. Ik hoop, dat ge me niet kwalijk neemt. Integendeel. Maar ik wou nog dit vragen: Die aanwijzingen, die u de eerste vraagster gegeven hebt, die hebben speciaal hun toepassing op ons aards bestaan - althans zo zien

DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN

27

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 - De vele invloeden die ons regeren en beheersen wij ze aan - terwijl we hier zijn. Maar ik vraag me af, wanneer we nu overgegaan zijn, gaat dat proces dan door, als we het hier aanvangen? Wie de velden van Zomerland kent, vriend, die weet, dat er kinderen zijn met hun balspel, boeren op de akkers, geleerden in de universiteiten, artsen in de straten. Er is weinig verschil tussen lagere geestelijke sferen en de stof - tenzij misschien, dat de zon altijd schijnt en de aarde altijd vruchtbaar is: dat voor wie luistert er altijd muziek is in de lucht als een eeuwige herinnering aan groter sferen. Maar wanneer ge overgaat, dan verschilt ge toch niet zoveel van wat ge thans zijt? Vrijer zult ge zijn, luchtiger en lichter uw leven, zeker. Maar al wat u thans gebonden heeft, dat houdt u dan ook? dat blijft binden. Uw persoonlijkheid verandert niet. Hoogstens valt een stoffelijk voertuig weg om daarvoor een schijnvoertuig op te bouwen, dat nog lange tijd soms de gelijke gestalte heeft. Vriend, wat ik u zeg, dat past voor alle sferen nog, die vorm of zelfs nog klank en kleur kennen, ook wanneer ik het zeg in de termen van de stof. Want het ik verandert niet. Wat verandert is de wereld, waarin het ik zich bewust is. Ge zult toch niet zeggen, dat uw leven verandert, wanneer ge een huis uitgaat en staat onder een hoge hemel i.p.v. onder de beslotenheid van een plafond? Hoe kunt ge dan zeggen, dat de dood een verschil kan maken in het zoeken van het ik? Ge blijft uzelf gelijk. En omdat ge uzelve blijft, zal uw zoeken ook gelijk kunnen blijven: en zult ge onbewust de verandering aanbrengen in uw streven, die past bij uw wereld. Zodat uiterlijk het streven verandert, maar in zijn wezen gelijk zal blijven, tot gij volbracht hebt. Buiten de fluisterende stem hoor ik verder geen enkele commentaar. Maar misschien is er nog een vraag of een onderwerp, dat u mij wilt geven, anders kies ik tot besluit zelf een klein onderwerp......... Misschien dat ik goed doe een keer hier met u te spreken over: De Dood Ge zult zeggen: "Wat is treuriger dan de dood, het heengaan, het lijden?" Misschien zult ge zeggen: "De dood zelve is in ieder geval altijd een treurig gebeuren voor hen, die achterblijven." Dan kan ik antwoorden: "Het is onbegrip, meer niet," Maar wat is dood? Wat is dood anders dan het gaan door een lange gang vanuit een klein, bedompt vertrek naar een grotere zaal vol van licht? Wat is dood anders dan een ogenblik zoeken naar begrip van een wereld, die ge verblindt? Wie uit de schaduw komt in de helverlichte dag, beschut de ogen, omdat hij de kleurigheid en de felheid van het licht niet verdragen kan. Welaan, dat is de dood. De dood is het nieuwe, dat zich aan u opdringt, onafwendbaar, nu het lichaam in zijn versletenheid of door zijn fouten niet meer functioneren wil. En gij - voor uzelf - gij grijpt uit en gij zegt: "Ach, is dit sterven?" Want ge zijt al gestorven. Een mens sterft op het ogenblik, dat hij niet verdergaat. Wanneer de gedachten zijn vastgeroest, wanneer de woorden slechts zijn een hertekenen van het verleden. Wanneer de daden zijn de eindeloze herhaling van het gewende, dan sterft een mens. Niet wanneer hij de ogen sluit voorgoed. Sterven is stilstand, vrienden. Maar dan is ook stoffelijk sterven voor velen een herboren worden. Wanneer je leeft en je wordt geketend door omstandigheden, door je eigen streven, door de concepten, die je hebt, van mensen en maatschappij, dan ben je dood. Prometheus kon het licht stelen van de hemel. Maar toen hij geketend was, zou hij gestorven zijn, indien niet de gier gekomen was en hem door het lijden het bewustzijn had behouden. Het is voor ons beter om te lijden dan te verstarren. Maar wanneer de dood komt, de stoffelijke dood, dan is er een einde. Prometheus' kluisters zijn verbroken. Hij wiekt op, niet meer om licht te stelen, maar om licht te zijn» De mens, brekend met de banden en de gewoonten van lange tijd, de banden, die mens tot mens misschien gevormd hebben, in begrip en in liefde, maar toch banden, de banden van een plicht en van een beroep van een sociale stand, van een bepaalde godsdienst of een bepaald streven, zij vallen, zij breken.

28

DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 – De vele invloeden die ons regeren en beheersen Wanneer ge een katholiek zijt, denkt ge, dat uw uitvaart verdergaat tot in een nieuwe kerk, waar men u doopt voor een nieuwe geboorte? Meent ge, wanneer ge uw werkstuk aflevert als macon, dat men u de voltooiing van de tempel zal geven met een nieuwe tekening, met een nieuwe plaat? De banden breken en het is goed. Want de mens, bevrijd van zijn banden, hernieuwd, jeugdig en sterk, zal leren die banden op de juiste wijze te aanvaarden. Niet als een ketening van het ik, maar als een aanvulling. Sterven is vreugdig, niet droef. Zij, die de grote versierde torens dragen, die naar de brandstapel worden gebracht, waarin een dode huls rust, zij zijn feestelijk gestemd. En toch begrijpen zij nog niet, wat de dood is, want zij vrezen hem. De witte gewaden van de rouw, die door, de straten gaan achter de muzikanten, tussen de priesters, zij zijn een onbegrip. Waarom klagen wanneer een mens herboren wordt? Waarom rouwen, wanneer de jeugd gegeven wordt? En denk niet, dat ge sterven zult en arm zijn. Wie sterft, bezit al, wat hij bezeten heeft. Niet wat het scheen in het oog der wereld. Uw stoffelijk bezit blijft het uwe, maar in andere zin* Want wat het voor u betekent, herleeft. In de sferen van het vormenland, het Zomerland, daar staan soms huizen met kostbare meubels. Daar zijn geesten, die zorgvuldig stoffend rondgaan, alsof zij perfecte huisvrouwen uit het verleden zijn. Zij hebben meegenomen in hun gedachten, wat belangrijk was. Daar zijn studenten, die grote universiteiten vinden en de cursus, die juist zij willen volgen. En in feite is het hun honger naar weten uit het verleden, dat hen doet putten uit het kosmisch geheugen? hen in contact brengt misschien met de leraren, die hen moeten leiden - niet naar een vak, niet naar een kennis, maar - naar een begrip en een innerlijke weten. Weet u, er zijn zelfs mensen, die zich wat angstig afvragen, wat het voor een wereld zal zijn, waarin noch wordt gehuwd noch ten huwelijk gegeven, Maar is de vrije band van erkenning niet meer waard dan elke stoffelijke beperking? Wat ge werkelijk hebt gekend aan genegenheid en aan liefde op de wereld,'dat leeft voor u. Er zijn woningen gebouwd, waarin nu reeds wezens wachten. En hun schim, die soms een ogenblik feller brandt, leeft meer, wanneer een mens op aarde slaapt. Er zal een tijd komen, dat die schim altijd leeft, maar de band is er. Dood kan geen verarming zijn. Alleen wanneer ge hier arm zijt en uzelf om uw armoede bedriegt, ja, dan zult ge erkennen, wat ge wérkelijk bezeten hebt. De achting, die ge hier verworven, de dankbaarheid, die ge hier verworven hebt, die bestaan voort. Waarom zou men de dood vrezen? Is het niet als de vogel feniks, die - geleefd hebbende zijn leven - in het vuur keert om zich te verjongen en uit te vlerken voor een nieuw leven? Zo is de mens. De mens, die sterft, gaat onder in het vuur van dovende pijn, het vuur van de verlatenheid, die uiteindelijk als een vlam berst door de schedel, zich spreidend als een explosie. Dood is alleen het vuur van de jeugd. Hij is de bron van de eeuwigheid. Wanneer ik iemand hoor zeggen: "Wij hebben nog zo kort te leven", ach, dan moet ik glimlachen. Misschien is het te begrijpen. Want ook soms in het leven zegt men: "Hoe kort is deze dag. Ach, kon ik deze nacht nog een wijle verre houden. Of kon ik de zon nog stil doen staan onder de einder. Want zoals dit is, zo zal het misschien nooit meer zijn." Zo kan het ook zijn als je scheidt uit het leven. Maar wanneer het leven verdergaat, dan brengt het nieuwe ervaring en nieuwe schoonheid. De dag, zo even aarzelend ontvangen, ontplooit zich in nieuwe vreugde, tot de kracht bruist als het klaterende spel van de fonteinen. En de dood? De dood brengt leven, zoals de fonteinen leven, die staan voor de Taj Mahal. Het zilveren spel van water in gouden waas te midden van de lotus vormt het gedenkteken der onsterfelijkheid. Denk niet aan uw dood als een einde, denk niet aan uw dagen als kort, vrienden. Vul uw dagen, opdat ge leeft. Want dan zult ge ook zo dadelijk leven. Wat ge hier volbrengt, dat zult ge later volbrengen. Want uw verworvenheden verlaten u niet. Eenzaamheid zult ge niet kennen. Droom niet van de kille koude dood. Droom van het vuur der vernieuwing. Van het herontwaken tot werelden, schoner dan ooit zijn geweest. Dan weet ge misschien, wat dood betekent. En als uw tijd komt, zeg niet: "Zoveel heb ik nog te doen, zo groot is nog de taak, die mij wacht." Zeg tot uzelve als een kind, dat sluimeren gaat: "Dag, zilveren maan: dag, DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN 29

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 - De vele invloeden die ons regeren en beheersen lichtende sterren. Ik sluit mijn ogen. Morgen, als de zon mij roept, zal ik leven." Want wat is het meer voor het bewustzijn dan een sluimering. Het is nog minder. Zeg niet: "Het leven is ten einde." Zeg ten hoogste: "Mijn dag is voleind. De taak, die thans niet voleind werd, zij wacht op mij. Ik zal haar mogen opnemen." Wanneer leven na leven zich gereid heeft tot een paarlen keten van weten, wanneer ge de kostbare bloem van het bewustzijn eindelijk geplukt hebt in de tuin van de oneindigheid, denk dan terug aan wat ik u gezegd heb. Dood is de sluimering, waarin men zich vernieuwt. Dood is de vreugde, waartoe men ontwaken zal. En dood is verrijking, doordat men in de dood werkelijk bezit wat slechts schijn was in het leven. Want dood is het leven zelve. En dat, wat gij leven noemt, is slechts het sterven, het u voorbereiden op deze andere wereld. Misschien vindt gij, dat ik niet esoterisch genoeg ben. Maar in de arme gedachte spiegelt zich vaak de vrees van de mens voor het sterven. En vreest de mens het sterven niet, dan vreest hij het leven. Maar er is slechts één ding, dat ge vrezen moet: niet wérkelijk te bezitten. Niet wérkelijk te leren, niet wérkelijk te leven. Want al wat waar en werkelijk in u is, is oneindig en zal nimmer ondergaan. Misschien wilt gij dan deze onbetekenende raad van mij aannemen? Droom niet van de dood en droom niet van het leven, maar leef, opdat gij leven zult in de dood. Wees gelukkig in deze wereld. Wees gelukkig vooral door geluk te scheppen voor anderen. Want dan zult gij dit geluk rond u kennen. Het is uw onvervreemdbaar bezit tot aan het einde der dagen. Lach in uw wereld en treur niet, zodat de glimlach van heden de stralende lach van morgen moge zijn. Klaag niet in het heden, opdat geen duisternis u belage morgen. Maar zoek tevredenheid, aanvaarding en volbreng wat ge kunt, zo goed als gij kunt. Dan is er niet beter dan steeds weer te sterven en steeds rijker en vrijer te ontwaken. Tot de dag, dat men niet meer sterft, omdat de laatste grens is overschreden. Want ook de geest sterft. Ook voor haar dooft de dag van bewustzijn en wordt uit de vreemde hitte van de nacht een nieuwe dag geboren met een nieuwe zo'n en een nieuwe wereld. Ach, mijne vrienden, in het sterven leven wij eerst. En wanneer wij gestorven zijn, wérkelijk gestorven voor de laatste maal, dan zijn we pas eeuwigheid, dan leven we pas in alle dingen. Daarom, bij alle dingen die ge doet, denk niet aan de dood. Aanvaard de sluimer, wanneer hij komt en leef verder. Verder zoals wij verder leven. Zoals allen verder leven. In geluk en bewustzijn. Geluk en bewustzijn, geboren uit de wereld, vrienden: uit u, uit het heden. En ja, wanneer ge me nu wilt verwijten, dat ik uw kostbare tijd heb genomen met deze overpeinzing, spreek en ik zal mij nederig aan uw verwijten onderwerpen. Ik ben zeer gevleid door uw zwijgen. En dat is voor mij een teken om heen te gaan. Want wat is schoner dan heen te gaan, wanneer de goedkeuring van allen u vergezelt als een zegen op een verdere weg. Goeden avond. o-o-o-o-o Goeden avond, vrienden. Wij gaan nu dit laatste stukje van de avond weer besteden aan het z.g. Schone Woord. U moogt daarvoor zelf een onderwerp geven. Er is slechts één bedinging bij, één beperking. En dat is, dat een van onze sprekers in samenwerking met mij als ogenblikkelijk beslagnemende, daar een laatste woord voor deze avond aan toe wenst te voegen. Ik mag echter eerst van u een onderwerp vragen, dat u vanavond gaarne beschouwd zoudt zien. WAAN Waan, dat is de werkelijkheid van ons wezen, zolang ons wezen is: begoocheling. Wij tekenen ons werelden, die niet bestaan. Bevolken haar met schepselen, die geboren zijn uit ons oordeel en achtervolgen onszelf met gevaren, die zijn voortgekomen uit de realisatie van onze eigen onbekwaamheid. Waan is al datgene, wat wij gebruiken om onszelf te verhullen wat we zijn, wat we willen. Waan is hetgeen wij scheppen om ons innerlijke leven te verbergen, om de volheid van ons verlangen terug te brengen tot iets, wat voor ons nog aanvaardbaar is. Waan

30

DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 – De vele invloeden die ons regeren en beheersen is eigenlijk het zelfbedrog, waarin de schepping probeert haar onvolkomenheid volkomen te doen schijnen. Wij zijn allen slachtoffers van de waan, of we willen of niet. Want onze eigen onvolkomenheid doet ons het werkelijke licht en de grote waarheid zo pijnlijk ervaren, dat we vluchten in elke schaduw. Maar dat hindert niet. Want de waan is tevens de wieg, waaruit de werkelijkheid wordt geboren. Hoelang wij ook met onze waan en onze begoocheling onszelven bezighouden, altijd weer dwingt zich iets meer reëels op. Altijd weer worden we gedwongen om bepaalde standpunten te herzien, om een nieuwe gedachte te ervaren, om een nieuwe zienswijze, een nieuwe handelingswijze te overwegen. Dat wordt uit waan geboren, maar het leidt tot werkelijkheid. Het is een voortdurend proces van verandering, waaraan we onderhevig zijn. Je zoudt kunnen zeggen: "Waan is het scherm, waarop het licht der eeuwigheid de schimmen projecteert, die wij maken in ons onbeheerst gebaren. Waan is het bedrag, waarin wij nog onszelf verhullen, totdat het licht in ons ontwaakt, de laatste schaduw dooft en wij gelaafd worden aan de werkelijkheid. Waan, dat is demonisch spel, waarmee wij duisternis enten op het licht, dat te fel is om te verdragen. Maar waan zowel als duisternis is middel slechts: en licht is middel evenzeer. Want wij ontwaken tot de machtigen en de groten. We ontwaken tot het ware en het werkelijke, omdat wij de waan hebben gekend. Laat ons het middel van de waan niet schuwen, indien het slechts middel blijve. Niet hangende aan de verschijnselen van heden, de gedachten van bezit, maar ze gebruikende om verder te komen tot een nieuwe realisatie. Dan zal uit waan de werkelijkheid geboren zijn. Dan zal uit het onvolmaakte het volmaakte plotseling naar voren treden. En dan zal uit het eindige van ons bewustzijn de bewustwording der oneindigheid voortkomen, die ons één maakt met God. Dat dan, voor zover het uw onderwerp "Waan" betreft. Ik heb een vriend in mijn eigen sfeer. Met deze vriend tezamen denk ik soms over veel na. En die gedachten willen soms een uitdrukking vinden, op zijne wijze of op mijne wijze. Nu willen wij samen trachten iets uit te drukken, dat alleen symbolisch kan worden weergegeven en niet met woorden. Wanneer we dan het woord gebruiken hier, dan is dat in de eerste plaats wel om iets van ervaren weer te geven, zonder dat het woord er voor bepalend kan zijn op zichzelf. We verzoeken u, dus beiden om hier ons te vergeven, wanneer wij met woorden falen en hopen, dat u de gedachtegang zult kunnen volgen als een reeks van gevoelens. Misschien zouden we dit het beste kunnen noemen: MIJN GOD Aton, Zon der eeuwen, grijpend naar de schepping, U eer ik. Jahve, machtig, strijdend en herboren in het vuur? U eer ik. Jehovah, sterke rechter, U erken ik en ik onderwerp mij nederig aan Uw gezag. Adonaï, ik zing Uw lof. Maar boven alle vormen, Azaäzel, grootse kracht, boven alle vormen van duisternis en macht zoek ik een werkelijkheid, een God: en ik kan die God aanvaarden, al is Hij niet meer klank. Adonai, verweven met oneindigheid, kleuren en klanken tesamen gekomen, dromen die me overstelpen, wereld die wentelt, onwerkelijkheid en daarin het éne kristal van Zijn, alle leven saamgeboren in één en toch verdeeld en onbeseft......mijn God zijt Gij, o Leven. Warreling van beweging, uiting van kracht, uitbarsting van energie in alle tijd, vloed van ruimte, hiaat van onbegrepen momenten, tezaam gevoegd, Niet en Leven tegelijk.... gij zijt mijn God. Ik spreek Uw naam, ik noem U Agra (?), Tetragrammaton, ik teken Uwe naam met vreemde symbolen.... en Ge ontsnapt me, want Ge zijt meer en anders in werkelijkheid.

DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN

31

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 oktober 1958 Les 2 - De vele invloeden die ons regeren en beheersen Gij, atoom en gelijk kosmos, Gij, Niet, waaruit de vreemde negativiteit voortschrijdt en weer een levend Al geboren wordt: Gij, Die al tezamen zijt en mij verblindt en mij het gevoelen doet staken, het ervaren verstikt en tóch zijt Leven in een volheid van kracht......Gij zijt mijn God, mijn Heer. Want U ken ik.... en ik kan U niet omschrijven....... U ervaar ik...... En al weigert mij het ervaren tot een vorm te brengen... U leef ik... In dit beleven sterft mij alle leven, Slechts Gij blijft. Oneindigheid noem ik U. En in de begrenzing, die ik zie, lijkt Gij mij slechts de echo van één Zijn, één Kracht, U eer ik, omdat Gij machtig zijt. U dien ik, omdat Gij het leven zijt. EL, hoe min ik U, wanneer Gij verzinkt in mij.... en ik ben opgelost - een laatste weten en gedachte - in Uw grootheid. Misschien beseft ge het niet, misschien kunt ge het aanvoelen noch begrijpen, maar soms willen ook wij iets uitdrukken, dat verdergaat dan ons vermogen. Soms willen ook wij iets zeggen, dat méér is, meer dan u bevatten kunt. We willen niets anders zeggen dan: We hebben onze God niet gezien, maar we hebben Hem beleefd. En dit beleven kunnen we u niet geven. Dat zult ge zelf moeten bereiken. Maar mogen die paar woorden dan als een soort schaduw een herinnering zijn aan hetgeen u wacht, aan hetgeen uw werkelijkheid is. In God opgaan...... is het liefde? Ik weet het niet. Maar ik weet wel, dat het vervulling is. En zelfs wanneer die God ons weer een ogenblik verlaat en ons terugbrengt tot de eenvoudigheid van onze vorm en zijn, vrienden, dan nog is alleen de belofte van die grootheid genoeg om het hele Al te maken tot één zingende vreugde en één zinderende verwachting. Het is gezegd, het is gedaan. Wanneer, ge het niet begrijpt, leg het naast u neer. Vermoedt ge het, verlustig u er in, omdat dit ook eens uw werkelijkheid zal zijn, vrienden. Goeden avond.

32

DE VELE INVLOEDEN DIE ONS REGEREN EN BEHEERSEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 – De innerlijke mogelijkheden van de mens Goedenavond, vrienden. Wanneer wij ons vandaag weer willen wijden aan de esoterie, dan moeten onze gedachten van de macrokosmische concepten van een vorige maal nu gericht worden op:

DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

Invloeden vanuit de kosmos zijn van alle zijden uit werkzaam in uw leven. In alle tijden is dit zo geweest. Toch is er zeer veel veranderd. In een ver verleden leefde de mens in een wereld, die gelijk was aan een droom, vol met wisselende gebeurtenissen, niet logisch of reëel volgens de opvattingen van een huidige wereld, Er kwam een bewustzijn en de mens heeft a.h.w. een werkelijkheid doen kristalliseren uit de dromen, die het ras tot op dat ogenblik een paradijsachtig geluk hadden gegeven. Het is zeer moeilijk om uit deze gekristalliseerde wereld te kunnen terugkeren tot de eigen wereld. Toch is het de terugkeer tot onze eigen wereld, die in de eerste plaats belangrijk is, omdat zij slechts ons een werkelijke openbaring kan geven van ons eigen wezen en ons eigen leven. Dromende vinden wij soms een onthulling van onze innerlijke werkelijkheid, van onze innerlijke noden. In de laatste tijd heeft de droom wat meer belangstelling gekregen, ook in de wetenschap. Figuren als Freud, Adler en Jung hebben getracht enigszins een indruk te verkrijgen van hetgeen bedoeld kan worden met de droomsymbolen. Men is gekomen tot een reeks van voorstellingen, waarbij ten dele sexuele ten dele andere impulsen samenvloeien in symbolen. Maar is dit wel een werkelijke waarheid? Ongetwijfeld is de droom een kracht, die de slaap behoedt. In de eerste plaats is hij een middel, waardoor de mens de spanningen van de wereld langzaam maar zeker kan af reageren. Wanneer eenmaal de nacht komt en zijn bewustzijn daalt, dan blijft de wijde levensoceaan over, kaal en zonder enig eiland van bewustzijn. Daaronder gelegen is de onderbewuste wereld, die dan pas werkelijk leeft. Niet afgezonderd van de zee, maar temidden van de zee aan alle kanten omspoeld door de wateren der eeuwigheid in een blijvend contact met de kosmos. Zo vindt de mens niet alleen de symbolen van zijn strijd, niet alleen de oplossing van zijn problemen, opdat hij rusten kan, hij vindt meer. Hij vindt in die vreemde droom een ogenblik van opgelost zijn, een ogenblik soms ook van deelgenootschap met het kosmisch Wezen Zelve. Wanneer wij willen zoeken naar de werkelijkheid van ons bestaan, dan zullen wij de kristallen structuur van onze wereld, door de gedachtebeelden van vele geslachten opgebouwd, terzijde moeten stellen. Onze innerlijke waarheid is er één, die onmiddellijk verknoopt is met de kosmos. Wij kunnen niet zeggen: "Hier sta ik en daar staat het leven." Wij zijn leven. Wij kunnen niet zeggen: "Wij zijn de winter en buiten ons leeft de lente", of omgekeerd. Wij zijn verbonden met het geheel. Al wat in ons leeft is deel van de kosmos en kan eerst slechts tot werkelijkheid worden gemaakt in beroering, in contact met die kosmos. Zonder dat is er geen mogelijkheid. De esotericus, zoekende naar de oplossing van zijn probleem?" wat ben ik, waar ben ik, waarom ben ik?", zal dus allereerst de wereld van de droom moeten verheffen. Nu is het bekend, dat b.v. bij een narcose de verschillende elementen van het wezen afzonderlijk en niet gelijktijdig uit het lichaam verdwijnen. Eerst gaat het bewustzijn van de omgeving. Het gezicht is gedoofd, het gehoor blijft nog even gevoelig. Dan gaat ook dit. Daarna verdwijnt langzaam maar zeker, wat men het redelijk denken noemt. Dan sterft het bewustzijn van ruimte en het bewustzijn van tijd. Een ogenblik nog spelen de vlammen der fantasieën hun levend vuur door de mens om te doven en als een laatste fase over te laten vreemd genoeg - de logica. Eerst wanneer de logica is gegaan, gaat het verdere. Dan wordt de bloedsomloop tot nil teruggebracht, de ademhaling staakt, het hart staat stil en dan is er dood.

DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

33

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 - De innerlijke mogelijkheden van de mens Delaatste drie fasen zult u in een slaap nooit beleven. Het is ook niet noodzakelijk. Maar het is wel belangrijk, dat wij bij ons zoeken naar het innerlijke, naar het ware, leren om ruimte en ook tijd uit te schakelen. Laat dan de fantasie, nog een tijd lang met ons spelen, laat ze ons beelden tekenen, die evenzeer een waan zijn als de schijnbaar vastgelegde wereld van werkelijkheid buiten ons. Maar... wanneer wij nog verder kunnen gaan, wanneer deze fantasie langzaam verbleekt tot haar beelden vaag zijn, een nevel, een sluier, waardoor de werkelijkheid van onze logica heen schijnt, onze logica, die een erkennen inhoudt van structuur, dan kunnen wij een antwoord geven op onze vraag. Dan zien wij, hoe buiten de schijnbaar kristallijnen structuur van onze vaste wereld het Oudgriekse "panta rhei" een voortdurende invloed doet uitgaan. Er is een vloed van krachten, van alle zijden komend, kerend naar alle zijden en toch zichzelf gelijkblijvend. Er is een spel van vormen, die opkomend als de wolken in de wind - zich vervormen en vergaan. De draak van zo-even een schone maagd en de maagd een vormloze gestalte, die wegdrijft als een nevel, tot slechts blijft het blauw van de hemel. Zo gaan onze beelden, zó gaan onze werken. En daarin herkennen wij dan een realiteit, die voor ons belangrijk is. Want deze vormen zijn hetgeen ons wezen beroert. De totale kosmische structuur, die wij erkennen, is een weerkaatsing van hetgeen zich in ons afspeelt. De werkelijkheid van buiten - dit wérkelijk buiten ons zijnde - is gelijk aan hetgeen in ons leeft. Het is misschien moeilijk om u een voorstelling te maken van de innerlijke wereld. Als ik er een beeld van moet schetsen, erken ik mijn onvermogen en in het pogen zal ik reeds falen. Ik kán u niet vertellen, wat binnen in u leeft. Dat kunt u alleen zelf. Ik kan u niet openbaren, wat uw contact is met de werkelijkheid. Zou ik dat kunnen, dan zou ik alle dromen kunnen vastleggen met een vaste betekenis. Dan zou ik u kunnen zeggen:"Dit is de lijn van de schepping, dit is de psychologische wet en waarheid, daaraan kunt ge u vastklampen, dit is onveranderlijk." Maar elk wezen is anders. Gij leeft anders, gij denkt anders, gij hebt een ander beroep, gij hebt een ander begeren, een ander verlangen. Wat wilt ge dan? Kan ik u dan een werkelijkheid schetsen? Maar ik kan u misschien een benadering geven. Laat ons aannemen, dat wij ons neerzetten in de daarvoor bestemde houding om te mediteren. Dat wij vluchten willen uit de al te onveranderlijke vastheid van onze wereldwaan naar een innerlijke waarheid, die leeft. De tijd rekt, tot zij is als stroop, steeds dijend en zonder werkelijke vorm, amorf. Rond ons schrompelt de ruimte samen, totdat het lijkt, dat wij ingesloten zijn door de grenzen van het Al zelve. Dan weer wijkt ze, zodat het ons lijkt dat wij één punt zijn in een onmetelijke oneindigheid, eenzaam en zonder weten. Duister is het rond ons. En langzaam wordt de draad, die de tijd spint, de draad, die de gedachten nog in een sequentie, een logische volgorde aaneenvoegt, gebroken, Flarden van gedachten fladderen als opgeschrikte mussen dooreen. Het leven zelve en de kracht schijnt onder ons te liggen als een rijstveld, rijp en zwaar voor de oogst. Wij kennen geen vorm en geen tijd. En in ons is de vraag steeds sterker, de vraag: wat, waarom, hoe? Het lijkt of plotseling rond ons woorden kenbaar worden. Niet als gesproken woorden aaneengevormd. O neen, rond ons liggen de woordkarakters opgestapeld als in een pakhuis, alle door elkaar. Een boek, waarvan alle letters uiteen zijn gevallen, letters die wij moeten samenvoegen, voordat wij kunnen lezen. Wij trachten de verschillende begrippen, die in ons zijn, te combineren. Wij trachten een vorm te vinden, een geloof.... en menen te falen. In het falen vluchten wij. Te véél is de kennis en de wijsheid, die rond ons ligt. Wij denken aan het leven. Misschien zien wij het leven als een tempel, pagode gelijk, gelegen op een heuvel, omringd door schone tuinen en vijvers, die de rust van de nacht ademen. Misschien ook zien wij een gotische kathedraal met ramen, waardoor het felle zonlicht in kleurige plekken valt, hier schaduwen Verdiepend, daar ze verdrijvend. Misschien zien wij alleen een gouden leegte, waarin het "ik" drijft en de oneindigheid schijnt te meten. Dat is het rijk van de koninklijke fantasie. Koninklijk, want hier scheppen wij voor onszelf de beelden, die in de plaats moeten komen van de begrippen, die wij nog niet hebben kunnen omvamen. Een spel van verdwijnen en verschijnen speelt zich af. Alle vormen wisselen en toch blijft het beeld op een onvoorstelbare manier hetzelfde. Misschien kan ik het 't beste zo zeggen: Stel u een tempel voor met wanden - ja met een gewelf - uit spuitende fonteinen, water dat ruist en 34 DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 – De innerlijke mogelijkheden van de mens valt: vormen, die gelijk blijven, maar in het water wisseling van kleur, van invloed en van gedachten. Overstelpt door die veelheid moet je teruggrijpen tot het enige, wat er nog te begrijpen is, waarmee nog te werken is. Wij zeggen: "Dit kan niet zo zijn. Dit ben ik niet: dit is de schepping niet: deze voorstelling alleen is voor mij een beproeving, iets waardoor ik heen moet komen, wil ik werkelijkheid zien." En wij beginnen te ontleden. En ziet, onze tuin wordt tot een begrip. De tempel zelf wordt tot een klank en een vreemd idioom. Het beeld gaat spreken. Enkele lettergrepen en woorden maar uit de veelheid, die ons zo-even overstelpte en waardoorheen wij moesten vluchten. Wanneer je die eerste lettergrepen en woorden hebt, dan kun je gaan opbouwen. Dan kun je daarmee gaan reconstrueren. Niet wat je leven is. Denk niet dat esoterie is een beoordeling van je leven op dit ogenblik. Dit kan nooit zijn. Hoe kan men zijn eigen leven baseren aan de hand van een foto, die misschien vele jaren geleden genomen is? Hoe kan de kunstenaar aan de hand van een schepping, reeds lang voltooid, zijn toekomst beleven met alle mogelijkheden? Neen. Wij zoeken. En in het zoeken, proberen wij de essence te vinden van wat ons drijft. En dat, dat is gekristalliseerd in die paar woorden, die wij vinden. Maar weet je de kracht, die je drijft, weet je wat je bént in je:"begeren, in je zoeken' dan weet je ook hoe je streven moet. Te weten hoe je streven moet is dan de eerste vrucht. Denk niet dat u verder komt een eerste keer. Denk niet dat u begrijpt, wat u gevoerd heeft tot dit ogenblik in dit pad. Welke gunstige constellaties, welke horoscoop van het ogenblik bepaald heeft, dat u nu, op dit ogenblik een raadsel kon ontleden. Vraag u niet af, of dit het spel is van de zon of van de maan. Beleef. Maar wanneer ge dat gedaan hebt, dan zult ge terugkeren. Ge zult hernieuwd zoeken naar die innerlijke werkelijkheid. Ge zult trachten deze vreemde weefsels van kosmische harmonieën voor uzelf te ontleden, opdat ge begrijpt waaróm. Het wat is u reeds geopenbaard. Maar het waarom? En zo begint een tweede meditatie. Haast angstig zoekend, vrezend verloren te hebben, worstel je om deze innerlijke geheime lettergrepen weer saam te vinden, dit éne begrip weer te onttrekken aan ruimte en tijd. En dan vraag je je af? Wat bén ik? En het antwoord is er. Je bent een bepaalde kracht te midden van deze kosmos, één punt in een werveling van vele krachten. Op de duur zie je jezelf als een lens. Een lens, waardoor het licht voor het schimmenspel versterkt valt en zo de schaduwbeelden van een wereld, tekent over het witte doek. En uw gedachten zijn geworden als de stem van de sprookjesverteller, verklarend met meningen, met insinuaties, wat zich afspeelt in de schimmen, maar niet zeggend, vanwaar het licht stamt en waarom het juist zó óp het doek is gevallen. Je droomt, je droomt hernieuwd. Maar nu ga je ge af vragen: "Waar komt die kracht vandaan? Dóór mij breken kosmische krachten zich baan, om zich te openbaren. Ik moet weten vanwaar deze krachten komen." Zijn het de machtige goden? Zijn het de kleine demonen? Is het de vreemde macht van het onbekende? En daar vloeien ze samen, de machtigen. Je erkent de intense levenskracht van de zon, 't gesluierd zilver van de maan. Je erkent zowel de directe levenslust, ja, de hartstocht, die wel aan de rode planeet wordt toegeschreven, als het onwillekeurig zoeken naar geborgenheid, dat voor Venus bestemd lijkt. De snelle hemelbode brengt zijn handelen en zijn wisselwerking en al dit tezamen wordt geprojecteerd door u. Maar de wijze, waarop gij u wendt, bepaalt hoe de schimmen vallen: zoals een verplaatsing van de lichtbron soms het schimmenspel maakt tot een geheel andere scène, van een paleis een hut maakt, of van de drogerij der pasgeverfde stukken of plotseling een keizerlijk paleis of een oerwoud. En je beseft die vertekening. Ik ben een kracht en door mij uiten zich andere krachten. Wat ben ik dan? Ik ben niet slechts de mens. Ik ben een middel, een instrument, waardoor andere krachten zich moeten en kunnen openbaren. Ik ben het, waardoor de bron, het licht zelve, openbaart zijn wezen en zijn werken. En dan? Dan ga je dit vreemde weefsel zien. Ik sprak u over een achter de sluier der fantasie zich openbarende vloeiende wereld van steeds wisselende krachten, steeds veranderende vormen en normen. Ge hebt ze teruggevonden.... in het licht. De voortdurende verandering doet u begrijpen, hoe zinloos het gevormde leven is dat gij u voorstelt. Het is niet onze taak DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS 35

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 - De innerlijke mogelijkheden van de mens om te bereiken of te rusten, het is onze taak om te bewegen en in de beweging ons aan te passen, eenheid te bereiken. Dat is belangrijker dan al het andere. En dan - dit gevoel van eenheid als een vrede met je dragend - schijn je te vallen uit lichtende werelden en zich dijende ruimte en voel je wederom de stuwende kracht van de tijd. Wederom telt je brein de momenten en wordt de slag van het hart een interpretatie van wereldgebeuren. En je gaat verder. Als je moet terugkeren, moet je weer beginnen met het geheim, het woord, het beeld in jezelf te doen leven. Weer moet je al, wat je werkelijkheid heet, terzijde werpen. Opgelost moet de gekristalliseerde vorm zijn in de zee van licht, waaruit ze eens door menselijk denken werd geschapen. Je gaat verder en je vraagt je af: Hoe? Hoe is dit alles? Het "waarom" kan ik begrijpen. Het "wat ik ben" kan ik beantwoorden. Maar hoe? Hoe speelt dit alles? Dan dring je door tot je één wordt met deze vloeiende werveling van krachten: Dan speelt je wezen tussen sterren en atomen, dan ben je mens en geest tegelijk en in de vele vervliedende vormen herken je steeds jezelve. En je zegt:"Het is geen werkelijkheid meer, waar ik in al deze dingen mijzelf herken." Je verstilt. Temidden van de rumoerende invloeden, die zo-even nog gebroken werden door de wil en het besef van je eigen wezen, verstil ja. En het schijnt, dat geen kracht je meer beroert. O, je beweegt, maar je beseft het niet. Gelijkelijk met de andere krachten vervloei je. Dezelfde wereld, hetzelfde zijn, één, rustend en bewegend tegelijk. En dan besef je het "hoe". Want je bent zelf licht. Partikel licht, een lichtstraling, die dit slangende en tongelende spel speelt, dat men leven noemt en levensinhoud. Licht, partikel van licht. Erkend is de werkelijkheid en het deel aanvaardt zijn taak in het geheel aanvaardend de kracht van het geheel, niet meer brekend die kracht door een bewustzijn, maar verwerkelijkend die kracht met 't gehele wezen en de gehele persoonlijkheid. Misschien dat ge ook dan nog zult ontwaken. Dat de ruimte zich openbaart en de tijd als het geroffel van een verre trom weer tot u doordringt. Maar ge zult ze niet meer beleven. De verheven meesters, de gouden leraren, zij waren ontworsteld aan deze dingen. Groter dan Kong Fu-tze en Lao-tze in hun onthechting leefden zij zonder mens te zijn in menselijke vorm. Zo zult ook gij kunnen gaan, vervullend uw bestemming in de wereld, vervullend uw bestemming in elke sfeer, maar zijnde slechts een partikel van goddelijk licht, gedreven door goddelijk licht, zonder angst, zonder begeren, zonder wil aanvaardende een volmaaktheid, die slechts geopenbaard kan zijn in eigen taak en werken. Misschien dat dan de laatste flard van persoonlijk bewustzijn in menselijke zin nog eens zal trachten te beschouwen, zich-zelve toe zal roepen: "Ziet, dit zijt gij!" Terwijl de echo van die kreet verklinkt, zal het wezen vele werelden beroeren en vele krachten. Zal het één zijn met het vuur van de zon en met het duister van de ongekende ruimte. Zal het één zijn met vulkanisch vuur, dat leeft in de planeten en met de ijle kilte van een duistere stofwolk, negatief geworden in zijn weg van zelfopenbaring. En dan eerst zult gij werkelijk weten, wat gij zijt. Het is een weg der esoterie, een weg die ik onvolkomen moest beschrijven, vrienden, omdat zij niet gelijk zijn. Gij en ik, wij zijn gelijk in de kracht, die ons beweegt. Maar verschillend zijn wij in het bewustzijn, verschillend in onze dromen en gedachten. Want wij, die de eenheid nog niet volkomen hebben aanvaard en erkend in onszelf, wij zijn nog steeds de lens, waardoor krachten zich uiten, maar wij weten het niet. Wij zeggen: "Wij zijn die kracht", niet beseffend, dat ze van buiten in ons wordt geworpen. Wij zeggen:" Wij bepalen", niet wetend, dat wij slechts de werking van een kracht kunnen bepalen, maar nooit de kracht zelve. Daarom blijft dit voor ons een verschil, een droom. Maar in de droom ligt de waarheid geborgen. Apodorus (?) heeft het gezegd in het verleden. Tse Eng Ho (?) heeft het gezegd in gedichten. In klassieken is het aangeduid. En uw eigen mystici van de laatste tijd, ze hebben hetzelfde gezegd. Zelfs een Frederik van Eeden moest spreken over de droom als een vreemde werkelijkheid, méér waar dan een wereld die voor mensen werkelijk heet. Ze hebben het niet voor niets gezegd. Ze hebben aangevoeld - wat u ook soms zult aanvoelen zonder het te begrijpen - dat uw droom reëler is, méér uzelve dan deze wereld. 36 DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 – De innerlijke mogelijkheden van de mens Misschien zult ge nog verdergaan. Misschien zult ge voor uzelve nog zoeken naar hetgeen achter de droom schuilt: daar vindt ge waarheid. En dan spreek je. En je probeert een waarheid te openbaren, met woord en met kracht, met harmonie, met leven, met melodie en methodiek. En wat blijft het? Be beperkte eenheid, waartoe, wij kunnen komen. Meer niet. Zolang onze éénwording met de kosmos beperkt is, vrienden, zullen wij moeten dromen. Maar hoe meer wij één worden met de kosmos, hoe meer de droom wordt de nevel, waardoor reeds het beeld van de werkelijkheid zich toont. Laat ons dan wachten op dit ogenblik. Laat ons zoeken naar deze werkelijkheidsopenbaring. Dat zal beter zijn. Dan geef ik nog een ogenblik, vóór u gaat pauzeren, het woord over aan een tweede spreker, die op zijn manier zal trachten iets van zijn denken - maar ook iets van de sfeer, die hier regeert - voor u kenbaar te maken. Ik ben u dankbaar, dat u mijn onvolkomen woorden hebt willen aanhoren. Ik vraag u mij te vergeven, wanneer mijn beelden niet de uwe zijn. Ik hoop, dat dit een stimulans moge zijn, waardoor ge uw eigen beelden en zo uw eigen werkelijkheid moogt vinden. Goedenavond. o-o-o-o-o Goedenavond, vrienden. Wanneer je zoekt naar werkelijkheid, dan komt er, soms een ogenblik, dat je zoekt naar een gebed, een uitdrukking van je innerlijk gevoelen, waardoor je verbinding kunt krijgen met je God. Je zoekt in de heilige boeken de spreuk, die in je de echo wekt van de oneindigheid, die je meent bijna verloren te hebben. En op deze manier ga je langzaam maar zeker in jezelf het gebed opbouwen, de smeking, het magisch ritueel van het eigen ik. Je laat woord na woord klinken, vorm na vorm weer opwellen uit je binnenste, om zo ook een werkelijkheid te vergeten en een werkelijkheid te vinden tegelijk. Wanneer wij hier, samen zijn met als doel de esoterie, het erkennen van het innerlijk, dan meen ik, dat: wij niet alleen kunnen volstaan met het stemmingsbeeld of met de droom. Ik meen, dat wij niet kunnen volstaan met ons eigen wezen zonder meer. Wij moeten de kern van alles, de Godheid, de scheppende Kracht zelve, mede betrekken in ons zoeken. Daarom wil ik dan trachten met een vorm, die het midden houdt tussen overpeinzing en gebed, iets weer te geven van God in ons: een waarheid, die door geen andere wordt overtroffen. God, Gij zijt in ons. Gij zijt het tijdloze, dat vanaf den beginne in ons wezen is geweest. Gij zijt het, die de voltooiing van ons wezen reeds kent, voordat wij er onszelven van bewust zijn. Het is op U, dat ik mij wil beroepen. Want Gij, mijn Schepper, Gij hebt mij aan U verplicht door mij leven te geven. Maar Gij hebt ook Uzelve aan mij verplicht door mijn leven te zijn. Schepper, het is op U, dat ik een beroep doe. Rond mij. lig gen werelden, die ik niet beseffen of begrijpen kan. Rond mij zijn raadselen, die door mijn onvolkomen begrip onoplosbaar zijn geworden. Gij hebt de oplossing. Gij zijt de oplossing. Mijn God, zo waar als Gij in mij leeft, roep ik 'U', opdat Gij U kenbaar zult maken. Want weet wel, Gij zijt aan mij verplicht en ik ben aan U verplicht. Wij zijn met elkaar verbonden, onverbrekelijk. Ik kan niet doven zonder dat Gij dooft. Gij kunt niet doven en mij laten voortbestaan. In de naam van de onverbrekelijke band tussen Schepper en schepsel vraag ik U: openbaar Uzelf en geef mij een kracht, waardoor ik eindelijk mij ontworstelen kan aan de eenzaamheid, aan de vreemde gebondenheid en de schijn, waarin ik gevangen ben. Waarom hebt Ge mijn wereld geschapen, zoals zij is? Waarom hebt Gij mij een weg getekend, zo vreemd, zo onvoorstelbaar vreemd? Ik weet, dat Ge daarvoor Uw redenen, hebt. Maar dit te weten is mi] niet genoeg. Ik moet Uw wil kunnen beleven, God,wétend: anders heeft het leven geen waarde. Ik ben niet Uw vijand, mijn God, maar ook niet Uw vriend, want ik ken U niet genoeg om U werkelijk te minnen of U werkelijk te haten. Soms zeg ik, dat ik U min. Maar mijn liefde is DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS 37

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 - De innerlijke mogelijkheden van de mens slechts gericht tot een deel van U, of tot een wens en een verlangen, dat in mijzelve schuilt. Soms zeg ik U te haten, maar ik haat niet U? ik verwerp slechts een deel van mijzelf of van mijn leven. Gij zijt zo dichtbij en zo veraf, Gij, scheppende Kracht, dat ik tot U roep uit het diepst van mijn. wezen: "Openbaar U. Geef mij Uw kracht, maar vooral Uw bewustzijn, opdat ik moge weten." Ik roep U en mijn stem verklinkt in een ijle leegte. Wie zijt Ge dan? Zijt Ge Jahwe? Zijt Ge Jehovah? Zijt Ge Adonaï? Zijt Ge misschien Jupiter? Hebt Ge U verborgen achter de 12 tekens? Gij antwoordt mij niet. Of ik hoor U niet. Maar zoudt Gij, geroepen in de verbondenheid, die tussen ons bestaat, weigeren tot mij te spreken? Gij zoudt mij niet kunnen weigeren, God, Want door mij deel te maken van Uw wezen en Uw wezen deel te maken van het mijne, hebt Ge Uzelve. het recht ontzegd mij te weigeren. En ik kan U dus niet horen! Kracht in mij, word levend, opdat ik U begrijpe, opdat ik U hore. Opdat de blindheid verga. Opdat voor de duisternis licht kome. Opdat de leegte van het Al - dat is de doofheid van mijn wezen - verdwijne en daarvoor klinke Uw machtige stem. Want al deze dingen zijn, onverbrekelijk, oneindig. Zolang Gij zijt, zal ik zijn. Zolang ik ben, zijt Gij in mij. In deze bede, in deze vraag, vind ik het antwoord, dat belangrijk is. Gij openbaart U aan mij? Goed. Laat dan Uw kracht in mij zo sterk zijn, dat, alle waan verbleke, dat alle werkelijkheid voor mij kenbaar en begrijpbaar worde. Dat is al, wat ik vraag. Meer niet. En zoals ik spreek, vrienden, spreek tot de God in mij, zo spreek ik vaak, al is het dan niet met de woorden, waarmee ik thans bekrompen uiting geef aan de zondvloed van gedachten, die mijn wezen soms overspoelt. Maar wat ik zeg geldt voor u, wanneer ge aan esoterie wilt doen. Wanneer ge zoekt naar die innerlijke, waarheid, dan kent ge diezelfde gevoelens en diezelfde gedachten. Het is onze zaak niet te versagen in het uitspreken hiervan. Het is onze zaak ook te rusten en te luisteren? opdat het antwoord ons niet ontgaat, wanneer het kenbaar wordt voor onze ziel, wanneer het doordringt tot ons wezen. Ieder ziet het Al op zijn manier» Goed. Ik zie mijn heelal als gecentreerd in een God, Die in mij leeft en Die ik nog niet kan bereiken. Maar zoals gij hoopt, op uw wijze, dat eens het Al voor u geopenbaard moge zijn, zo weet ik, dat die God in mij zich eens in mij zal openbaren in Zijn volheid. Tot die tijd zal ik spreken, zoals ik gesproken heb, steeds weer. Zal ik luisteren altijd weer, of er een antwoord komt uit de leegte. Want nooit zal ons leven volmaakt zijn of voleind, voordat wij één zijn geworden met die God in ons en zo het juiste deel hebben aan het goddelijk leven. Het deel, dat God in ons erkent, maar dat voor onszelven nog een raadsel is. En daarmee zullen wij dan het eerste deel van deze bijeenkomst besluiten. In het tweede gedeelte kunt ge uw eigen onderwerpen stellen. Ik wens u thans een aangename avond en een genoeglijke pauze. o-o-o-o-o Goedenavond, vrienden. Dit tweede gedeelte is in de eerste plaats bestemd voor onderwerpen, die u zelf kiest. Op vragen zijn wij in deze rubriek niet zo gesteld, tenzij zij zeer noodzakelijk zijn. Hebt u een eigen onderwerp of een noodzakelijke vraag? Ik wil iets vragen over de materie, die tegenover de stof wordt gesteld. Er wordt gezegd: Wanneer in de materie bewustzijn wordt gewekt en in de stof licht. Dit is mij niet helemaal duidelijk. De stof is een bepaalde vorm van materie. U moet goed begrijpen, wanneer wij spreken over de stof, dan bedoelen wij wat u hier kent als stof, de grove vorm, de vaste vorm. Maar elk kleinste deel is materie. Ook wanneer het negatief is t.o.v. hetgeen u kent, blijft het materie. Daar kan vanuit ons standpunt wel negatieve materie zijn, maar geen negatieve stof. Want de stof is een verschijningsvorm der materie. En nu moet u zo denken: Er is - laten we als voorbeeld nemen - een wolk stoom. Het is allebei water. In het één leggen we een bewustzijn: het wordt een wolk. In het ander komt de kracht van het licht, lichtdruk. Er komt water. Water 38 DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 – De innerlijke mogelijkheden van de mens met een wolk erboven. Dan hebt u daar de verhouding. Het geheel is materie. Maar dit is materie: geest (dus een bewustzijn, in zichzelf gebonden). Het ander is een vorm, die tot stand wordt gebracht door krachten van buiten. Dat water kan weer tot stoom worden, het kan ook ijs worden. Maar die wolk blijft een wolk, omdat het een persoonlijkheid is. Gevraagd onderwerp:

DE VERHOUDING VAN DE MENS TOT GOD

De verhouding tot God, zoals de mens die in doorsnee ziet, is eigenlijk een beetje de verhouding van een dienaar t.o.v. een meester of soms zelfs van een slaaf t.o.v.: een meester. M.a.w. God wordt gezien als een ons overheersende persoonlijkheid. Maar kunnen wij dat nu wel accepteren? Ik geloof, dat wij een fout maken, wanneer wij aannemen, dat God onze "meester" is in de zin, dat Hij ons dwingt tot dienen. Per slot van rekening, dan zouden wij buiten God moeten bestaan. En dat kan niet. Wij kunnen ons niet voorstellen vanuit ons standpunt - u kunt er misschien anders over denken - dat er iets buiten God bestaat. Maar al wat in God bestaat, is deel van God. En dan is dus de vraag eigenlijk niet. meer: Hoe is onze verhouding tegenover God? Maar: Wat is de verhouding tussen een deel van God en het geheel van God? Stelt u de vraag zo, dan wordt het duidelijker. Het deel vindt zijn juiste verhouding t.o.v. het geheel op het ogenblik, dat het binnen het geheel de meest harmonische plaats inneemt, daardoor volledig beantwoordend aan zijn eigen doel en volledig vervullende alle functies, die het binnen het geheel heeft. Omgekeerd zal het geheel ook niet zonder het deel kunnen bestaan. Want op het ogenblik, dat wij uit het geheel ook maar het kleinste deel wegnemen en wij. noemen het geheel volmaakt, dan is het wegvallen van dat deeltje een onvolmaaktheid. Het geheel wordt onvolmaakt, is niet meer zich-zelve. Dus God is God, omdat wij bestaan. Maar wij zijn delen van God en wij kunnen slechts bestaan, omdat God er is. Dat is een wisselwerking. En wanneer wij die juist begrijpen, dan zullen wij ook niet, zoals sommige mensen God gaan "aanbidden" - God aanbidden, dat is God op een afstand plaatsen - maar we zullen proberen God te beleven. Per slot van rekening, u bent deel van deze wereld en u vindt het heel gewoon, dat u adem haalt. Dus dat u een deel van die wereld tot u neemt. U vindt het heel gewoon, dat u zich voedt, delen van deze wereld tot u neemt en daardoor leeft. Dat zijn a.h.w automatische functies geworden. Maar waarom zou het nu zoveel vreemder zijn, dat wij God voortdurend in ons opnemen en uit God leven, omdat wij deel van God zijn meer nog, dan dat wij deel van de wereld zijn? Want dat deelgenootschap van de wereld bestaat alleen voor de stoffelijke vorm, waarin wij bestaan. Maar deelgenootschap met God bestaat in alle vormen, waarin wij zouden kunnen bestaan. Het gevolg is wel, dat je de situatie het best als volgt kunt kentekenen: God is een deel van ons wezen en wij zijn een deel van Gods wezen. Wij zijn onverbrekelijk met elkaar Verbonden. God realiseert zich ons bestaan ongetwijfeld, zij het misschien niet zo bewust als wij dat zouden willen. Want wij zouden graag willen, dat God zich concentreerde op ons wezen. Maar dat kan niet, want wij zijn maar een deel van het geheel. God is geconcentreerd op het geheel, Zijn wezen, Zijn openbaring, Zijn uiting, Zijn schepping. Wij mogen ons niet voorstellen, dat Gods volledige kracht op ons gericht is. Dat kan niet. Zou dat gebeuren, dan zouden wij waarschijnlijk niet eens meer kunnen bestaan, zoals wij zijn. Dan zouden wij uit elkaar vallen. Wij moeten dus tevreden zijn met een deel van Gods bewustzijn, een deel van de goddelijke kracht, een deel van de goddelijke openbaring. Maar dat gedeelte, dat ons gegeven is, moeten wij dan ook utiliseren tot het laatste toe. Wanneer u een verhongerend mens in een bootje zet midden op de oceaan en u geeft hem een blik met scheepsbeschuit, waar hier en daar de worm in zit, dan komt hij zover, dat hij het DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS 39

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 - De innerlijke mogelijkheden van de mens allemaal opeet. "Want", zo zegt hij, "ik moet leven." Maar wij hebben God ook en wij zitten ook in een soort eenzaamheid. Want wij hebben nog niet de aansluiting gevonden met onze wereld, met onze werkelijkheid. Het gevolg is, dat wij alles, wat er van God voor ons merkbaar is, in ons moeten opnemen. Daar moeten wij mee leven, daar moeten wij mee werken. Dat kunnen wij niet bereiken door te bidden in de zin van God te "aanbidden". Maar wij kunnen het wel doen door ons van God bewust te zijn. En één van de vormen daartoe is het gebed. Gebed, dat niet alleen wordt uitgevoerd met mooie woorden. Integendeel, veel wat gebed heet en alleen met woorden gebeden wordt, is in feite zelfverheerlijking. Denk maar aan de farizeeër "Heer, hoe dank ik U, dat ik niet ben als deze." Diezelfde methode van bidden houden wij er ook wel eens op na. Dat heeft natuurlijk met God, de werkelijke Godheid, niets van doen, brengt ons ook geen contact, is nutteloos, is zinloos. Maar op het ogenblik, dat wij dus voor onszelven God betrekken in ons leven, voortdurend trachten ons God te realiseren, waar we ook zijn en wat we ook doen en hoe het ook gaat, dan leven wij met God en dus ook met de kracht, die in ons is. Het geheel zal zich de delen apart niet realiseren, maar wel de structuur, waaruit het zelve bestaat. Wij echter - binnen de structuur - kunnen ons wel degelijk realiseren, hoe wij t.o.v. het geheel staan. Wij moeten groeien naar een bewustzijn van God. God kan niet groeien tot een bewustzijn van ons, of kan niet afdalen tot een bewustzijn van ons. Hoe meer wij omtrent het geheel weten, hoe meer er een beheersing optreedt. Die beheersing betekent, dat wij een groter vermogen hebben, juist door het aanvaarden van onze eigen plaats en stelling temidden van het Goddelijke t.o.v. alles, wat ons omringt ook deel van God. Neem een fakir. Die fakir heeft geleerd bepaalde pijnlijke impulsen eenvoudig uit te schakelen door concentratie. Dan zou je dus kunnen stellen, dat, wanneer God het wil, wij móéten, gehoorzamen, dan zijn wij gevoelloos. Maar er zijn ook bepaalde delen van het zenuwstelsel, die automatisch, wanneer er een belasting komt, die niet zuiver is, zichzelf uitschakelen, om zo de omringende weefsels te sparen voor een overbodige prikkeling. En zo kunnen wij dus ook leren onszelven te beheersen in die schepping. Maar daarmede beheersen wij mede onze omgeving. Als die ene zenuw, die dus uitvalt, zegt: "Ik heb mijn pijnimpuls gehad, dit gaat te ver, ik kan niet verdergaan, want dan zou het weefsel in ontbinding komen", en dus zich beheerst, dan zorgt deze zenuw daarmede, dat in de omgeving de mogelijkheid blijft om te helpen tegen een eventuele aanval van buitenaf of prikkeling van buitenaf. Hij zorgt er voor, dat de opbouwprocessen in dat weefsel normaal, verder kunnen gaan. Hij zorgt ervoor, dat de stoffen worden opgebouwd in het lichaam, die noodzakelijk zijn om de verdediging van deze omgeving tot stand te brengen. U weet waarschijnlijk wel, dat u niet meer pijn kunt lijden dan een bepaalde graad. Gaat u verder, dan valt het bewustzijn van die pijn weg. Het is zelfs zo, dat hele delen van je lichaam gevoelloos kunnen worden, wanneer de pijnprikkel te groot is. Probeer het maar eens, als je een hand verbrandt in het vuur. Dan heb je op het ogenblik van de brand pijn. Maar is de verbranding sterk genoeg, dan voelt die hand dood aan. Tot een tijdje nadien. Dan gaat het lichaam er vocht naartoe voeren en dan gaat het kloppen en branden en dan is het een ontzettende pijn. Maar op het ogenblik, dat alle kracht gemobiliseerd moest worden, is het pijngevoel uitgeschakeld. Op die manier moet je over jezelf denken.Je moet voor jezelf steeds trachten t.o.v., het Goddelijk geheel zo te reageren, dat je het goddelijk organisme zo zuiver mogelijk in stand: houdt, zo volmaakt mogelijk. Dan kunnen wij wel zeggen: "Ja, maar wij kunnen niets aan God veranderen." Dat weet ik ook wel, omdat buiten ons om contrôles optreden. Maar stel je nu eens voor, dat die zenuw een bewustzijn zou hebbeen in die hand. Dan zou hij zeggen:" Ik geef één pijnimpuls. Zodra ik merk, dat er een erkenning is, schakel ik alle pijn uit, ook tijdens het genezingsproces, om daardoor voor de rest geen grotere hinder te scheppen dan noodzakelijk is."

40

DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 – De innerlijke mogelijkheden van de mens Zo moeten wij nu gaan functioneren. Wij moeten a.h.w. proberen om t.o.v. 't geheel, van de schepping, waarin wij God erkennen, zo volmaakt te worden, dat wij bewust en vanuit onszelven precies datgene doen, wat voor het geheel belangrijk is. Het gekke is, dat - wanneer wij eenmaal geleerd hebben dat te doen - dan blijkt, dat verbranden enz. illusie is. Het is niet werkelijk. Wij kunnen ook gaan onderscheiden, wat een zenuw b.v. niet doet. Een zenuw kent geen onderscheid tussen te grote hitte en te grote kou. Die worden gelijkelijk aangevoeld. Maar als zij bewust zouden zijn, dan zouden zij het verschil wel kunnen voelen. Een definitie van de omgeving is dus beter mogelijk. Zo kunnen wij in het Goddelijke steeds komen tot een steeds juistere definitie van onze omgeving en een grotere dienstbaarheid ook juist aan die omgeving. En dat is de ware relatie, die bestaat tussen ons en God. Vanuit ons het dienstbaar zijn aan het geheel, en dus aan God in Zijn totaliteit, maar ook zoals Hij door ons wordt erkend. Terwijl omgekeerd God de beschermende kracht is, die ons binnen het geheel in stand houdt en ons binnen het geheel verder doet functioneren, zelfs. wanneer door ons verkeerd reageren tijdelijke fouten ontstaan. En dat is eigenlijk alles. Hoe zit het met onze ziel? Die is toch het verbindingselement met God? Dat is niet juist gezegd. De ziel is geen verbindingselement met God.. De ziel is God. Welnu, als dat zo is, dan zijn wij toch ook helemaal God? Dan moet God zich dus wel degelijk van ons bewust zijn? Bent u zich bewust van elke vezel van uw lichaam? U wilt mij toch niet met God vergelijken? Ik wil u niet met God vergelijken, maar wel de verhouding van God in Zijn schepping (het denkende Wezen in Zijn uiting): t.o.v. u (het bewustzijn in zijn stoffelijke uiting) Die vergelijking is zo dwaas niet. God is Zich natuurlijk wel van ons bewust, maar niet gespecialiseerd. Dat bedoel ik juist. Wanneer u die arm beweegt, dan bent u zich van die arm bewust, maar bent u zich bewust van elke spierreactie, die zich.daarin afspeelt? Van elke zenuwimpuls? Neen, Het is uw wil, die het geheel doet bewegen, het is uw wil, die het geheel in stand houdt desnoods. Maar wanneer ik een dokter was en de anatomie volkomen onder de knie had, dan zou ik mij bij het bewegen van een arm, als ik er mij op concentreerde, wel degelijk precies weten, wat er gebeurde. Indien u zich daarop concentreerde. Daar stelt u juist de enige conditie, die mij i.v.m. het Goddelijke onwaarschijnlijk lijkt. Wij kunnen ons wel voorstellen dat God zich zo nu en dan eens concentreert op bepaalde delen van Zijn wezen, maar dan nooit op een cel, op één mens dus. Maar op een ras b.v., op een groepering, die onder de regie staat van een geest, een deelbewustzijn? zoals uiteindelijk een deel van de functies van de hersenen door zenuwknooppunten eigenlijk worden overgenomen. Dus op deze manier stel ik mij dit voor. Ik geef graag toe, ik kan dit raadsel niet helemaal oplossen. Het is toch als een piramide. God splitst zich in verschillende krachten, die zich telkens weer splitsen, tot er een kracht komt, die een wereld regeert en daar weer, onderdelen van. En zo kan ik mij begrijpen, dat er één centrale is, die met verschillende mensenzielen correspondeert. Dan zal dus elke reactie van die onderdelen, diezelfde schakel terugvolgende, bij God uitkomen, zodat God wel degelijk van een reactie van ons bewust is. Als geheel, niet als gedeelte. Mag ik u een vergelijking geven? Misschien dat het duidelijker wordt. Wij hebben een groot bedrijf. Een afdeling van dat bedrijf is het magazijn. In het magazijn staat een jongen. Het is Willem Jansen. Willem Jansen laadt pakjes in, want dat is W.J.'s werk. Dat wordt geregistreerd door zijn voorman, die aantekent wat hij verlaadt. Het totaal van de verlading komt bij de baas van de afdeling terecht, die daarvan zijn rapport schrijft en dit inboekt. Dit rapport: gaat naar de afdeling administratie. De afdeling administratie verwerkt dit in een statistiek, deze statistiek wordt. doorgegeven aan laten we zeggen de leidende groepering, die op haar beurt daaruit a.h.w. de essence trekt en deze voorlegt aan de direcDE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS 41

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 - De innerlijke mogelijkheden van de mens teur, met de beslissingen, die uit het geheel klaarblijkelijk noodzakelijk zijn geworden. Weet die directeur dan precies wat W.J. heeft gedaan? Neen. Wanneer hij een goed directeur is, moet hij precies weten wat er in zijn bedrijf gebeurt. Dan moet u eens proberen directeur te worden van een bedrijf als - laten we ter vergelijking nemen - Philips Nederland:. Niet eens het wereldconcern, alleen Philips Nederland. U zult ontdekken, dat dat onmogelijk is, omdat door u bezig te houden met elk détail u niet in staat zou zijn het geheel te overzien. Voor God geldt toch de totale schepping. Niet elk onderdeel afzonderlijk. Maar God is met elk onderdeel afzonderlijk verbonden door de ziel. De ziel is een deel van de goddelijke Kracht, waardoor het wezen (dus het bewustzijn) in stand wordt gehouden en de vormgeving van de werkelijke schepping (dus niet de door ons voorgestelde maar de werkelijke schepping) voortdurend gerealiseerd wordt God is Zich van dit geheel en alles, wat zich daarin afspeelt als werkelijkheid, dus wel degelijk bewust: maar niet wat zich als droombeeld (als onze waanvoorstelling) zich ook nog eens in ons afspeelt. Het zou natuurlijk mogelijk zijn, dat onze vriend W. J. doordringt tot de directeur met zijn bijzondere probleem, of b.v. via een voorstellenkast je de aandacht van de directeur weet te vangen, zoals, wij door ons bijzonder streven naar begrip van de kosmos op de duur de aandacht van de directeur waardig worden ofwel worden opgenomen in het totale begrip, dat de schepping. in stand houdt. Maar daarvoor is eerst een prestatie onzerzijds nodig. Toch zijn wij gelijktijdig voortdurend juist functionerende delen van het concern schepping. Op deze manier moet u het dus bekijken. Wanneer de mens te sterk de nadruk gaat leggen op de persoonlijke aandacht, die God voor hem heeft, dan maakt hij m.i. een vergissing. Hij heeft geen contact met de kosmische God, hij heeft contact met de levende Kracht (ook de levende God dus in feite), zoals die zich in deel na deel van de schepping openbaart. Dat geldt niet alleen voor u dat geldt ook weer voor elke cel in uw lichaam. Dat geldt voor elk molecuul, voor elk atoom, voor elk kleinste deel. Ook dat wordt uit goddelijke Kracht in stand gehouden. Wij zijn dus als mens of als geest reeds een verzamelbegrip geworden. Wij zijn afdelingshoofd van een reeks kleinere krachten. Begrijpt u? En op deze manier is uw piramide zo onvoorstelbaar complex en groot, dat ze als vergelijking wel bruikbaar is, maar dat ze nooit een redelijk beeld van de werkelijkheid kan zijn. Ik hoop, dat ik geen open deuren heb ingetrapt - dat is een bezigheid, die een beetje nutteloos is - maar ik heb geprobeerd onze mening, onze overtuiging hier uiteen te zetten. Het moeilijke voor de mens is dit: Hij heeft behoefte aan een direct contact met God en daardoor stelt hij zich een God voor. Maar kan deze God een kosmische God zijn? Neen. Want als de voorstelling er van leeft in het bewustzijn van een mens of zelfs van een geest, dan is dit een zo grote beperking t.o.v. het totaal Goddelijke, dat wij niet kunnen zeggen, dat die God "de" God is. Het lijkt meer op een godenwereld, waarbij ieder van ons een bepaald deel van de godheid aanbidt, erkent en daarmede contact heeft. Op de duur zullen wij leren, dat dit niet voldoende is en het geheel leren beseffen. En dan komt het er maar Op aan, dat wij als onderdelen ons in het geheel juist weten aan te passen. Dan hebben wij een werkelijk deel aan God zelve. Tot die tijd hebben wij deel aan Zijn kracht, aan Zijn wil, aan Zijn wezen, maar niet aan Zijn concept van schepping. Het verschil tussen de mens en God is niet, dat hij een mens is in vorm, of een geest is in vorm, maar alleen dat zijn bewustzijn niet in staat is volledig harmonisch te zijn met het Goddelijke. En wanneer wij ons ontwikkelen, dan zullen wij ook nooit ineens met het Goddelijke harmonisch kunnen zijn. Wij worden eerst harmonisch met onze eigen wereld, de groep van bewustzijn, waartoe wij behoren. Wanneer wij één zijn geworden met dit groepsbewustzijn, dan worden wij ons van de andere groepen pas bewust en gaan daarmede weer een eenheid vormen totdat wij het bewustzijn, dat die vele groepsbewustzijnen samenbundelt, ook weer beheersen. Maar wij zitten nog steeds hier. Alleen hebben wij door ons begrip een lijnrechte verbinding. Dan zijn wij net als die econoom, die naast W.J. ging werken, omdat hij een volledig inzicht wilde krijgen in alle condities van het bedrijf. Hij ging van afdeling tot afdeling. En toen hij bij 42 DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 – De innerlijke mogelijkheden van de mens de directeur kwam, kende hij het hele bedrijf én de directeur zelve zo goed, dat hij in feite zelf directeur had kunnen zijn. Behalve het éne verschil, de directeur was eigenaar van de zaak en dat was hij niet. Zo staan wij er dan ook voor. Het is dus een zeer langzame weg, die trapsgewijze ons dichter brengt bij het Goddelijke, het wérkelijk Goddelijke. De relatie, die tussen ons bestaat, moet een wisselwerking zijn tussen God en ons. God houdt ons in stand en wij volvoeren - of wij het willen of niet - de goddelijke wil binnen de schepping. Maar wij doen het op onze manier. Zoals W.J., op 20 verschillende manieren die pakjes kan opstapelen en eerst met bestelling. A. of eerst met bestelling B. kan beginnen. Een zekere vrijheid bezitten we. Maar de wisselwerking is zo, dat wij niet zonder God kunnen leven en de goddelijke schepping niet volmaakt kan bestaan, zonder dat ook wij er zijn. Als wij ons daarop baseren, kunnen wij dus leren op God te vertrouwen, ook al kennen we Hem niet. Zoals W.J. ongetwijfeld er op vertrouwt - al kent hij misschien.zijn hele directeur niet dat zijn salarischeque op het juiste moment zal klaarliggen en dat er altijd werk voor hem zal zijn. En nu heeft hij nog de twijfel, of de zaak het houdt» Maar de firma "schepping kosmos" is zo oud en zo stabiel, dat wij er wel zeker van zijn, dat zolang wij bestaan wij een betrekking hebben. De conclusie is dus: Laten wij de relatie, die tussen ons en God bestaat, voor onszelf niet trachten te verwerkelijken door in God door te dringen, met Hem één te worden zonder meer, maar laten wij proberen eerst in de schepping functioneel onze plaats te vinden, meer en meer, met een begrip van het hoe en het waarom. Ons streven daartoe is de juiste uiting, die wij kunnen geven aan de relatie tussen ons en God: bewustzijn (mens) en goddelijke Wil, goddelijk Bewustzijn, goddelijke Schepping. Als wij zo verdergaan, dan komt er een ogenblik, dat wij geen.mens meer zijn. Misschien zijn we planeetgeest, dus ook een grote groepsgeest geworden. Misschien nog meer, wie zal het weten. Maar wat we ook zijn, hoe meer wij doordringen in het Goddelijke en de goddelijke Wil bewust beleven en vervullen - vanuit ons eigen standpunt - hoe groter de verbinding zal zijn die tussen God en ons bestaat. En op de duur hebben wij het dan zover gebracht, dat dé vervulling van Gods wil, zoals wij die nastreven, identiek is geworden met het totaal van Gods Wil in zoverre die t.o.v. ons geuit is. Op dat ogenblik hebben wij de volmaaktheid gevonden en de juiste aanpassing. In de eerste plaats is daarvoor een godsgeloof nodig. Wordt de mens geboren met een weten, dat er een God is, of wordt dit langs denkende weg veroverd? Een godsgeloof in menselijke zin is geen vaste eigenschap van de mens: wel - wat wij zouden kunnen noemen - een honger naar God. Elk wezen, dat wij kennen - en wij kennen nogal aardig wat wezens in onze sferen - heeft de behoefte boven zich een groot, machtig, almachtig wezen te kennen, dat hem beschermt. Maar het typische is, dat deze vergoddelijking heel veel fasen kan doormaken. Neemt u nu maar een kind. In het begin is de moeder de godheid. Vandaar ook dat er zoveel vrouwelijke godinnen zijn. Men spreekt van moeder aarde, enz. Daarna kan soms de vader dit overnemen. Soms blijven de ouders de godheid, tot het ogenblik, dat het kind zich meer in de buitenwereld gaat bewegen. Op school zien wij meestal op de duur een vergoddelijking optreden van een of andere onderwijzeres. Soms is het een sportleider of een sportheld. In ieder geval, het wordt ineens anders geprojecteerd. De eigen belangstelling zoekt naar een God en een godsrelatie. Hoe ouder het kind wordt en hoe zelfstandiger het is in zekere zin, hoe minder de relatie een directe van bescherming behoeft te zijn. Het wordt meer eenzijdig. En wanneer je dan nog weer verdergaat, dan krijg je eigenlijk pas het ware godsbegrip. Het typische is, dat jonge kinderen een godsdienst ondergaan, maar dat pas degenen, die aan het einde der puberteit komen, een godsdienst werkelijk gaan beleven, dus werkelijk tot een godsbeleven komen. Bij de anderen is God een vervangingsmiddel voor een beeld, dat zij in zichzelven dragen. Er zijn b.v. meisjes, die in een convent gaan, omdat Jezus voor hen niet is de zoon Gods, - ook al zeggen ze dat - maar de perfecte geliefde, het droombeeld van levensvervulling. Maar worden: ze ouder en gaan ze er dan pas toe over, dan wordt het iets anders. Dan wordt God ofwel de toevlucht (voor de teleurgestelden, die naar een convent gaan DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS 43

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 - De innerlijke mogelijkheden van de mens b.v.) of bij de juisten de enige oplossingsmogelijkheid van het eigen levens een God die ver is, maar die je door je eigen denken toch voortdurend in jezelf kunt laten pulseren en spreken. Als je het zover hebt gebracht, is het pas goed. U begrijpt dus wel, dat een godsbegrip en een godsgeloof niet aangeboren zijn. De vorm, waarin wij onze God voorstellen, de manier waarop wij aan Hem geloven, wordt uit onszelf geboren. Maar de honger naar deze erkenning is er. En die honger in de mens is gebaseerd op het geestelijk bewustzijn van onvolkomenheid. Ik hoop, dat ik het duidelijker heb gemaakt. Dat bewustzijn van onvolkomenheid, waar u het over heeft. God is volmaakt. De schepping dito. De onderdelen zouden dus in potentie ook volmaakt moeten Zijn. Waar begint de onvolmaaktheid? De onvolmaaktheid begint op het ogenblik, dat er geen perfecte realisatie van eigen toestand en wezen is. Als wij een mecanodoos hebben met een heleboel deeltjes, schroeven en moeren, dan kunnen wij zeggen: het geheel is volmaakt. Je kunt er alles mee bouwen. Maar nu is er een schroefje, dat zich er.niet van bewust is, dat er een moer bestaat. Het resultaat? Het voelt zich onvolledig. Want het heeft een functie - dat voelt het aan - maar weet nog niet, wat die functie is. Komt de moer erbij, dan voelen beide zich ook nog niet volmaakt. Want er is nu wel het idee: Wij kunnen vasthouden: maar wat moeten wij vasthouden? Pas wanneer het in de structuur is ingevoegd, dan ontstaat het gevoel van volmaaktheid. Dat doet aan het geheel niets af of toe. Maar er is dus een begrip voor nodig. Volmaaktheid en onvolmaaktheid zijn begripskwesties. Het functioneren van de functie is er toch ook voor nodig? Neen. Het is geen resultaat van de functie, die wij te vervullen hebben, maar het is het gevolg van onze eigen beschouwing in onvolledig weten van onze functies. Dus een verkeerde opvatting van de functie? Ongetwijfeld. Meestal vooral een onvolledige opvatting van de functie. Wat wij van onszelf weten - en vooral wanneer wij in de stof zijn, is dat vaak heel erg weinig - is zo onvoldoende om ons enig idee te geven van de betekenis van ons wezen en van ons bestaan, dat we daardoor alleen al niet in staat zijn, om dit gevoel van onvolledigheid van ons af te gooien. "Wij gevoelen, dat er een doel moet zijn in het leven, wij gevoelen, dat er een continuïteit moet zijn in het leven, maar we kunnen ze niet ervaren. Het gevolg is, dat we hieruit dus komen tot een godsrealisatie. Dat is ons een behoefte. Onze God is echter in de meeste gevallen slechts een aanvulling van de tekorten, die we niet redelijk en door eigen ervaring kunnen wegwerken. Dat moet je goed onthouden. Dus het godsgeloof, zoals de wereld dat kent en zoals ook lagere sferen dat kennen, is in feite een poging het "ik" volledig te maken door het aannemen van een onbekende kracht, die echter slechts - reëel bezien - de aanvulling tot volledigheid van het eigen wezen beoogt en verder geen doel heeft. Een "Scheingestalt". Dat is een gevaarlijke term in dit verband en in deze groep. Is het godsbegrip niet afhankelijk van de evolutie van de persoon, die reïncarneert? Ik zou het niet graag zo stellen. Ik zou het liever als volgt definiëren. Het godsbegrip, zoals het in ons groeit, is afhankelijk van het bewustzijnsvlak, waarop wij ons bewegen, plus de mogelijkheden, die wij hebben, om onze ideeën omtrent het Goddelijke voor onszelf in daad dus in de praktijk - om te zetten. De innerlijke vorm die niet wordt beleefd, heeft geen enkele betekenis voor het leven. Maar ik meen, dat als je nu op "de" weg al zekere afstand hebt afgelegd en je reïncarneert, dan zal je toch eerder geneigd zijn tot het godsbegrip als iemand, die b.v. een lagere ontwikkeling heeft doorgemaakt. Dat is helemaal niet nodig. Wel is het zeker, dat wanneer u tot een godsbegrip komt, dit een ander zal zijn dan dat van een lagere functie. Maar bij de reïncarnatie treden zoveel bij komende factoren op, dat u hier niet kunt spreken van een voortzetting van het geestelijk bewustzijn. Wel ben ik het met u eens, dat bij een hoger bewustzijn de godshonger soms sterker gericht uitgedrukt zal zijn, zodat wij God niet meer zoeken als een algehele aanvulling, maar als een specifieke aanvulling voor enkele van onze tekorten. Dat is weer wel mogelijk» 44 DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 – De innerlijke mogelijkheden van de mens Maar hoe hoger het bewustzijn stijgt, hoe vollediger inzicht men toch moet krijgen, al blijft het een onvolledig godsbegrip? Ik geloof dat u eerder kunt zeggen: Hoe meer het bewust zijn zich uitbreidt, hoe intenser en reëler het beleven van God en dus het Goddelijke werkelijkheid wordt. Het godsbegrip groeit niet, het godserkennen wel. Want God begrijpen, doe je pas, wanneer je één bent met God. Dus wanneer de laatste fase over wonnen is. Vóór die tijd is er geen reëel godsbegrip mogelijk, omdat zolang een deel van God zich aan ons onttrekt, in feite een oneindigheid zich aan ons kennen onttrekt, U kunt wel zeg gen: We delen de oneindigheid in twee vlakken. We trekken dus een lijn door een oneindigheid. Dan hebben twee oneindigheden. De ene is de oneindigheid van ons godsbegrip met laat ons zeggen 20 punten per cm. Aan de andere kant hebben wij het niet-gekende met 1 punt per cm2. In beide gevallen zal het aantal punten oneindig zijn. Er is dus geen reële vergelijking mogelijk. Pas wanneer de scheidingslijn ia opgeheven, die staat tussen het begrip "ik" en God, is het geheel identiek en kan dus van een waar godsbegrip worden gesproken. Maar hoe is dat te rijmen met wat u de vorige maal hebt beweerd, dat het "ik" van ons de totale werkelijkheid is? Heel eenvoudig, omdat het "ik" in feite identiek is met het Goddelijke, maar het bewustzijn niet in staat is deze identiciteit te bevatten, te beseffen of te realiseren. In feite bestaat er dus geen onvolmaaktheid, alleen een beperkt zichtvermogen? Zelfs dat niet. In feite bestaat elke volmaaktheid uit een reeks van alle voorstelbare onvolmaaktheden op een zodanige wijze samengevoegd, dat ze samen een volkomen afgerond en harmonisch geheel vormen. Wij zijn ons van enkele onvolmaaktheden, maar niet van alle bewust. Daardoor zijn wij niet in staat alle onvolmaaktheden tot een harmonisch geheel samen te voegen. Daardoor zijn wij in ons oog onvolmaakt. En dat is weer afhankelijk van de wijze, waarop je het beleeft. Op het ogenblik, dat je beleven tijdloos is en dus alle elementen van het leven tot één vlak worden teruggebracht, kunnen ze worden samengevoegd tot iets, wat volkomen afgerond is. Maar wanneer je elke keer, de oude waarden laat vallen om de nieuwe op te nemen kom je nooit ergens. Probeert u het maar eens met een gewone legpuzzel. Wanneer u een stukje neemt en u begint het neer te leggen op de juiste plaats en u voegt er steeds één bij, dan groeit het beeld tot het volledig is. Maar als u dit stukje opneemt om het te beschouwen en na het te hebben beschouwd het weglegt en een volgend stukje gaat beschouwen, komt u nooit tot een totaal beeld. Je moet leren om alles samen te voegen. Nu is het zo, dat het geestelijk bewustzijn voor de stof vaak onbewust - enkele stukjes samenvoegt. Maar dat zijn brokstukken. Als het een landschap is, dan hebben wel hier een stuk boom, daar een stuk huis, daar een stuk boer, daar een stuk paard en wagen en daar een stuk wolk. Maar dan hebben we de samenhang nog niet gevonden. En hoe meer we dus alle belevingen samenvoegen, die in feite zijns ons deel leven, ook al is dat misschien maar weer een heel klein paneeltje in het grote paneel van de goddelijke schepping, dan krijgen we een overzicht over ons wezen. En dat is dan volmaakt, want dat past volledig in al hetgeen er omheen is. Dus mag je eigenlijk niet zeggen, dat het een kwestie is van volmaaktheid en onvolmaaktheid. We moeten alleen zeggen, dat wij voor onszelf de delen van ons wezen nog niet in een zodanige verhouding hebben weten te groeperen, dat de volmaaktheid, die eraan inherent is, ook voor ons klaarblijkelijk wordt. Waarmee het onder de hand een discussie is geworden, maar naar ik meen toch wel een interessante. Zijn wij door het onderwerp heengekomen? Dan kunnen wij nog een tweede punt behandelen....... Niemand? Dan wil ik iets kiezen, gebaseerd op wat u nu allemaal hebt zitten vertellen. Dan wil ik van mijn kant eens spreken over:

DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

45

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 - De innerlijke mogelijkheden van de mens HET VERSCHIL TUSSEN GOD EN MENS

Daarop hebben wij nog geen nadruk gelegd. Wat is het verschil tussen God en mens? De mens is onvolmaakt, zo zegt men en God is volmaakt. Maar kan dat waar zijn? De mens is een deel van God en een deel van de volmaaktheid blijft volmaakt in zijn deelzijn. God is volmaakt en de mens is volmaakt. Daar kan het verschil niet liggen. God ís. De mens is evenzeer. God is rechtvaardig. De mens zal door innerlijke strijd zichzelf steeds zó juist straffen en zó juist in situaties plaatsen, waarin hij bestraft wordt, dat hij voor zichzelf een absolute rechtvaardigheid handhaaft, ook al zal zijn omgeving dat niet bemerken. God is liefde. De mens zoekt evenzeer overal naar liefde. D.w.z. een persoonlijke aanvaarding en een eenheid met anderen, ook al zijn de vormen, waarin hij dit zoekt, soms heel verschillend. Kunnen wij zeggen, dat er oen verschil bestaat tussen God en de mens? Vanuit goddelijk standpunt zeker niet. Wanneer God de mens ziet, dan zegt Hij? "Dit is Mijn adem, één met Mijn wezen." Maar wanneer de mens God ziet, dan zegt hijs "God is zo ver weg." In de eerste plaats, mogen we hier natuurlijk denken aan de verschillen in conceptie. Wanneer 1 sec. van het éne leven miljoenen jaren voor het andere leven, betekent, dan is er een zodanig verschil in tijdsratio, dat niet van een gelijk bewustzijn kan worden gesproken. Het geheel over die miljoenen jaren kan wél gelijk zijn, maar in elke fase van beleving bestaat het verschil. Ik geloof dus, dat het verschil tussen God en de mens en alle menselijke geest in de eerste plaats moeten worden, gezien als een verschil in tijdsbeleven. God kent de tijd als, geheel, de mens en de geest kennen ze als moment na moment, onverschillig of hier wordt gesproken van een persoonlijke of van een meer objectieve tijd. Dan de kwestie van ruimte. God kent geen ruimte, zoals wij die kennen, wanneer wij mens zijn. Voor God is de ruimte één compact geheel, voor ons is het een ledig, waarin we ons temidden van andere vormen bewegen. Als je het goed beziet, is er in het menselijk Al meer leegte dan volheid. De afstand tussen de sterren is zo onmetelijk groot, de afstand tussen de werelden is zo onoverbrugbaar, ja, zelfs de ruimten, die tussen de mensen zijn, zijn in verhouding nog zo groot, dat je niet kunt spreken van een compactheid, van een eenheid. Verder ziet de mens veel onderlinge bewegingen. God daarentegen is zo groot, dat die bewegingen voor Hem worden teruggebracht tot een minimum. Zoals de mens de wervelingen van moleculen en atomen, het gaan van de kleinste delen, niet onderscheidt in de vaste stof, zo onderscheidt God deze voortdurende beweging in Zijn schepping niet als een verandering, ook al is Bij zich daarvan bewust. De mens ondergaat bepaalde cycli. D.w.z., hij komt soms tot een bewustwording en ziet deze dan weer wegvallen of in een nieuwe vorm verdergaan. Voor God zijn al deze dingen één, want Hij kent het verschil niet. Je zou kunnen zeggen: Voor God is de schepping een bloem, die beleefd wordt als één volmaakte schoonheid, die beschouwd wordt, iets waarvan je de geur kunt genieten. Voor de mens is de schepping een reeks van cellen, die zich misschien,- wanneer hij ver komt in zijn bewustzijn - tot één bloemblad samenrijenr maar hij heeft geen flauw begrip van de wijze, waarop het gehecht is in de bloemkroon, hoe het t.o.v. de andere bladen gegroepeerd is en wat het doel van het geheel is. Het verschil tussen God en mens is er één van concepten? niet van reële toestand. En als het een kwestie van concept is, dan vloeit hieruit weer voort, dat het verschil tussen God en mens minder wordt m.n. het concept van het Goddelijke en het "ik" bij de mens meer reëel en meer vast wordt. Wanneer je jezelf volledig leert kennen, zegt men wel eens, ken je God. Dat is waar. Want als je jezelf kent, dan moet je jezelf niet alleen kennen als een mens met zekere begrenzing of een geest met zekere begaafdheden, maar dan moet je jezelf erkennen als deel van de schepping. Heb je dan de plaats, die je inneemt in de schepping, eenmaal erkend, dan erken je daarmee het totaal van de schepping, want om die plaats te bepalen moet je de 46 DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 – De innerlijke mogelijkheden van de mens verhoudingen van het geheel kennen. Zodra onze concepten van het"ik", onze ideeën omtrent het "ik", dicht genoeg komen bij de waarheid, dan zal onze eenheid, met de schepping steeds groter worden en zal dus het verschil tussen mens en God, tussen ons wezen en het Goddelijke, steeds kleiner zijn. Zoeken wij naar een bewustzijn, dat ons uiteindelijk met God één maakt, dan zullen wij ook begrijpen, dat het huidige concept van mens-zijn daarin geheel teloor gaat. Men zegt wel eens: "Als je één wordt met God, gaat je persoonlijkheid teloor." Dat is een waarheid, voorzover het betreft de idee van persoonlijkheid, die de mens heeft. Want de mens denkt zich persoonlijkheid niet als deel van het geheel, maar als een afzonderlijk "ik" met bijzondere eigenschappen, met bijzondere verhoudingen t.o.v.de buitenwereld. Dit is nietwaar. De mens is deel van het geheel. En wanneer hij zich dit realiseert, zal hij niet meer trachten een onderscheid tussen zich en de omgeving tot stand te brengen. Hij zal de overeenkomsten accepteren en daardoor de eenheid realiseren. Dan is het "ik" weggevallen, zoals de aarde dat ziet, als een begrenzing t.o.v. anderen. Het is daarvoor in de plaats geworden een bewustzijn van, eenheid met anderen, waarbij op de duur het: eigen bewustzijn zich met alle andere bewustzijnen vereent en zó niet slechts komt een bewustzijn van God, maar tot een beleving van al het Goddelijke, van de totale schepping. En in die beleving tot een absolute eenheid. Want als wij alles beleven wat God beleeft, wanneer wij. alles kennen wat God kent en ons één gevoelen als te zijn met al wat God is, bestaat er geen verschil meer. Maar al te vaak loopt de mens erover heen, dat er staat: hij is geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. Of hij stelt het zich voor als een miniatuurbeeldje naast een groot beeld. Ze staan naast elkaar, maar ze lijken op elkaar, het zijn afgietsels van hetzelfde beeld. Maar dat is niet de bedoeling. De bedoeling is een volkomen identiek zijn. God én de mens zijn één, maar het menselijk bewustzijn is niet in..staat dit te realiseren. En daardoor maakt de mens een verschil tussen God en zichzelve. Ook daar waar het helemaal niet nodig is. Wanneer de mens leert op zichzelve op de juiste wijze te verwerkelijken - dus zijn menselijke plaats in te nemen in de mensheid, zijn geestelijke plaats in te nemen in de sfeer, waarin hij behoort - dan heeft hij daardoor zijn identiteit gevonden. En dat is niet slechts zijn persoonlijkheid, maar het is ook zijn volkomen overeenkomst, zijn volkomen congruentie met God en op, de duur zijn volledige samenvloeiing met het Goddelijke, tot hij is God en toch gelijktijdig deel van God. Alleen de onvolkomenheid van menselijk bewustzijn kan worden gezien als de grens tussen God en mens, als het verschil, dat tussen deze beiden bestaat. Daarom is het ook duidelijk, dat het niet Gods taak maar de onze is om dit bewustzijn steeds uit te breiden. Dat alle hulpmiddelen, die ons worden gegeven daartoe, voortvloeien uit het goddelijk Wezen Zelve. De plaats,die wij -innemen binnen het goddelijk bestel, brengt ons de openbaring, die noodzakelijk is, willen wij ons deze juiste plaats realiseren. Vandaar dat er maar één weg is: de weg van volkomen integratie met de schepping. Vandaar dat er maar één waarheid is? God in u en God in alle dingen als eenheid. Vandaar dat er zelfs van een verlossing kan worden gesproken, omdat de mens door zijn begrip van de waarheid zich verlost van de tegenstellingen, die door de onvolkomenheid van zijn begripsvermogen eens voor hem bestonden. Zolang wij menen, dat er tussen ons en God een verschil bestaat, zullen wij onmachtig zijn. Want wij zullen de kracht Gods, die zich in ons openbaart, die deel is van ons wezen, verwerpen. Wij zullen zeggen: "Dit behoort niet aan ons, dit komt van buitenaf en als zodanig kunnen wij er niet op vertrouwen. Wij hopen erop, maar wij weten niet." Op het ogenblik, dat wij de eenheid werkelijk gaan realiseren, wéten wij, dat die krachten deel van ons zijn en kunnen wij ze onmiddellijk openbaren en uiten, voor zover het noodzakelijk is volgens de plaats, die wij in de schepping innemen. Wij zijn niet de hulpeloze wezens, die door een machtige God als poppen worden gehanteerd. Deze wereld is geen marionettentheater, waarop grootkosmische krachten hun ideeën uitproberen voor een auditorium misschien van lachende demonen. Het is heel anders. Er is geen verschil tussen degene die de pop hanteert en de pop zelf. De pop is de persoon. Ze is een verlengstuk geworden van de persoonlijkheid, ook al heeft ze haar eigen kwaliteiten. Zonder die pop kan de speler zich niet uiten: zonder de speler kan de pop niet leven. Zij zijn DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS 47

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 - De innerlijke mogelijkheden van de mens met elkaar vergroeid. Wanneer de pop beseft wat haar meester is, dan zal zij zelfstandig volledig volvoeren, wat deze in zijn gedachten heeft. Wanneer dit de werkelijkheid is, dat Gods wezen alleen door het bestaan alles manipuleert volgens Zijn Wezen en Wil, dan is het niet noodzakelijk, dat we ons touwtjestrekkers voorstellen ergens in de kosmos. Dan is het voldoende, dat wij beseffen, dat zodra wij Gods Wil beseffen, wij automatisch de bewegingen naken, die passen binnen het spel van de goddelijke openbaring, de zelfopenbaring. Want God erkent in de schepping slechts Zichzelve. Natuurlijk, ge kunt zeggen: "Wij mensen zijn onvolmaakt. En dit is het verschil, dat bestaat tussen ons en de volmaakte God. Maar dat is niet juist. Wij zijn volmaakt op het ogenblik, dat wij beseffen, hoe al hetgeen wij volvoeren en doen volledig beantwoordt aan de goddelijke Wil. Slechts ons bewustzijn dat het ons onmogelijk maakt sommige delen van onze taak te accepteren, of dat ons doet wensen anders te handelen dan de mogelijkheid, die ons gegeven is, schept in ons strijd en onvolmaaktheid. Nooit datgene, wat wij zijn of wat wij doen. Je kunt een mens niet veranderen. Soms denkt men van wel, maar het is niet zo. Er wordt gezegd:" De een is een scepticus, de ander is bijgelovig! Deze is te goed van vertrouwen, de ander te wantrouwend." En zo kunnen wij verdergaan. Men zegt: "Deze is te machtig en die te veel slaaf." Maar al deze delen tezamen zijn noodzakelijk. Geen wereld en geen maatschappij kan bestaan tussen mensen als eenheid, zonder dat deze mensen verschillen hebben, hun eigen persoonlijkheid hebben. Eerst zo kan het geheel functioneren. En als je dit begrijpt, dan zul je begrijpen, dat juist door de verschillen, die juist in de mens zijn gelegen t.o.v. elkaar, de eenheid met God tot uiting komt. Er is geen verschil met God. Er is een verschil met de omgeving door een verschil in functie, een verschil van taak, waar wij als delen, van de schepping, mét de andere delen tezamen de volmaaktheid vormen. Wil je dan nog een laatste woord erover horen, dan zou het misschien het beste in de vorm van een raadgeving kunnen worden gegeven. Probeer altijd jezelf te zijn zo goed als je kunt. Want als je jezelf bent volgens het hoogste bewustzijn, dat in je leeft, dan ben je identiek met God, voor zover als het jouw placering in de schepping betreft. Volvoer al datgene, wat je als goed erkent. Daardoor beantwoord je aan hetgeen jouw functie is in de schepping. Door het beantwoorden, bewust beantwoorden, aan jouw plaatsing in de schepping, zul je de eenheid met God gemakkelijker kunnen, realiseren en voelen. Dan zal het verschil wegsmelten, dan zal de eenheid scherper tot uiting komen en daardoor de vervulling van het levensdoel eenvoudiger zijn. Dat was dan nog een klein staartje van mijzelf erbij. Ik hoop, dat dat als aanvulling van het voorgaande begrijpelijk is geweest. En aannemende, dat u daarmede dan voorlopig toch wel weer voldoende stof ter overpeinzing hebt, zal ik nu het woord maar weer overgeven aan de laatste spreker, die dan voor u gaat sluiten. Een prettige avond verder. BOOGSCHUTTER De boogschutter is één met zijn doel. Want eerst wanneer hij het doel erkend heeft, kan hij de schutter zijn. Hij is één met zijn wapen, want zijn functie: is afhankelijk van het bezit ervan. En voor alles heeft hij het middel nodig, dat de afstand tussen "ik" en doel overbrugt: de pijl. Wanneer men redelijk is, zal men zich die boogschutter dus voorstellen als een eenheid met het doel, waarbij de perfecte coördinatie tussen mens, werktuig en doel het perfecte treffen kan veroorzaken. Stellen wij nu in de plaats van de boogschutter de mens. In plaats van de boog heeft de mens zijn stoffelijke ervaringen, zijn geestelijke sferen, kortom zijn persoonlijkheidsbewustzijn, dat hem dient als instrument. Het doel, waarnaar hij streeft, is zelfverwerkelijking. Zelfverwerkelijking is identiek met één-zijn, met God. De pijl, die hem dient om de afstand te overbruggen, heet de daad. Met de daad, gericht door de stof maar veroorzaakt door het geestelijk bewustzijn (dus de totale persoonlijkheid), overbrugt de mens de afstand, die ligt tussen hem en het totaal Goddelijke en bereikt zo een voor hém noodzakelijke eenheid. Indien wij dit symbolisch beeld kunnen aanvaarden, is het mogelijk dit te omschrijven als: 48 DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 18 november 1958 Les 3 – De innerlijke mogelijkheden van de mens DE JACHT De jager trekt door het wilde woud, schuilend in schaduw, worstelend langs verwrongen bomen en struiken, die als Saturnus' dromen zich kleven aan zijn lijf, hem houdend van zijn weg. Lang zoekt hij, vóór hij kan erkennen het doel, waarnaar hij streeft. Lang zoekt hij, voordat hij beseft, dat wat slechts schaduw leek, lééft en is dat, wat zijn "zijn" begeert. Dan houdt hij stil. Hij richt het wapen, grijpt de pijl en vol-geconcentreerd bepaalt hij thans de baan. Zoals hij heeft geleerd, voltooit hij thans in het bestaan het overbruggen van het ledige, het onbegrepene, naar een eenheid. En ziet, 't gejaagde valt. De jager gaat tevreden heen en durft nu weer de wegen gaan, die eerst door hem niet werden betreden. Hij durft nu weer door de wijde vlakten gaan, eerst zorgvuldig gemeden om 't wild niet te verschrikken. Hij keert naar huis, maar is door 't jagen méér dan hij was. Hij weet meer, leeft meer. De mens trekt uit, zoekend naar bewustzijn, vermijdend klaarheid van gedachten, die verstoren zou 't begrip van eenheid, dat zijn honger straks kan stillen. De verwrongen vormen van half erkende werkelijkheid, een spel van licht en duister, goed en kwaad, 't schaduwenspel dat hem misleidt, creëert in hem de drijfkracht van de liefde en de haat, die één zijn, onbeseft. Tot hij plots een doel zich kiest, een ogenblik gebondenheid verliest met de omgeving en zijn bestreving uit doet gaan tot een bereiken. Lang duurt de vlucht soms van zo'n pijl. Lang duurt het, voor het spoor van de gedachten uiteindelijk heeft bereikt het doel. Toch zal hij nog ervaren. Na 't wachten - ook al lijkt het jaren - weet hij: Ik heb getroffen. Verzadigen kan ik de leegte, die mij kwelt. Eenheid kan ik bereiken, waar ik eens -ontsteld voor de verdeeldheid - wilde vluchten. Wie één is met zijn doel ducht niet meer chaos, ducht niet meer gebondenheid en dood. Hij gaat zijn weg, keert terug tot de plaats, waarvan hij kwam, nu groot in het besef, delend het verworvene en in het delen zijnde rijk en één met Al, gelijk met hen, die van dezelfde plaats zijn uitgegaan. In die symboliek heb ik getracht iets neer te leggen van het esoterisch streven. De mens en de geest hebben behoefte aan een doel. Dat doel zal niet de kosmos zelve zijn. Het is een klein breukdeel ervan. Maar het moet ons verzadigen en moet de onvolkomenheid, waaronder wij lijden, verdrijven. Daarom jagen wij. Want jagers zijn wij allen. En alle leven is een jacht, alle buit is bewustzijn, alle verzadiging bewustwording. We zullen misschien vaak moeten uittrekken, telkens weer zoekend naar een nieuw doel. En wanneer het doel gevonden is, ons inspannend om ook dit doel te raken en niet het begeerde te zien vertrekken in de wildernis, waarin wij het niet volgen kunnen. Voor ons allen ís dit bereiken weggelegd, wanneer wij geduld hebben en beheersing. Een onbeheerste jager doodt geen wild. Een onbeheerste jager vindt geen antwoord op zijn zoeken. Slechts wie beheerst en geduldig zijn wegen verdergaat, bereikt. En dit geldt in de kosmos nog meer dan op de jacht. Wanneer de boogschutter uitgaat, hetzij om te verdedigen of om aan te vallen, hetzij om te jagen, hij zal altijd hetzelfde moeten zijn: Een mens, die zich een doel voor ogen stelt en dit nastreeft, tot hij het gevonden heeft: en die dan de kracht van zijn bewustzijn daarheen doet gaan, totdat er eenheid ontstaat. Die het geduld heeft om te wachten, wanneer het antwoord niet onmiddellijk komt. En die voldoende bewustzijn heeft om - bereikt hebbende - terug te keren, te rusten, tot een volgende dag een nieuwe verrijking van bewustwording zal betekenen. Ik geloof, dat ik hiermede dan dit beeld voldoende voor u heb uitgewerkt. Ik wens u allen een goede avond verder en een aangename nachtrust.

DE INNERLIJKE MOGELIJKHEDEN VAN DE MENS

49

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God Goeden avond, vrienden, Wij willen dan ook deze avond weer gaan wijden aan de esoterie. Ik heb erover nagedacht, of ik nu iets zou gaan zeggen over het kerstgebeuren. U moet mij niet kwalijk nemen, dat ik dit onderwerp ten slotte na rijpe overwegingen toch passeer. Er zijn m.i. belangrijker punten. In het kerstgebeuren komt men onwillekeurig op het zoeken naar Jezus. Maar wat wij doen is hetgeen ook Jezus zelf heeft gedaan:

HET ZOEKEN NAAR GOD

Over God is onnoemelijk veel gezegd en geschreven. Maar in de meer christelijke zin vinden wij misschien wel de aardigste en de meest juiste definitie bij Pelagius, die door Augustinus uit zijn ambt werd gezet en verdreven naar Engeland, omdat hij zoals men zeide een ketter was. Pelagius probeerde n.l. het innerlijk beleven te verdedigen. En hij meende, dat er geen regel noodzakelijk is: dat geen sterke band tussen de mensen met dogma’s, met veroordeling of een opleggen van stelling en wijsheid mogelijk is. Hij zeide: "Waar Christendom is het zoeken naar God. God zoeken betekent niet aan bepaalde regels gehoorzamen, noch is het een wijze van leven, die kan worden uitgedrukt in ritueel of in belijdenis. Wanneer de mens in zich de leegte van het leven gevoelt, zoekt hij naar zijn God. En hoe meer hij het leven voor zichzelf verwerpt, hoe dichter hij zijn God nadert, tot hij begrijpt, dat God en leven den zijn. Het is logisch, dat in een tijd, dat de z.g. katholieke richting van het Christendom pas opkwam (het is eigenlijk pas geboren in de tijd van Ambrosius, bisschop van Milaan) hier een groot verzet tegen moest rijzen. Men heeft het arianisme genoemd, maar zelfs dat is niet juist. Het is het eerlijk zoeken van de mens naar zijn God, zonder daaraan onmiddellijk een godsdienst te verknopen. Waar kunnen wij God vinden? Het is eenvoudig genoeg te zeggen, dat rond ons de wereld en de schepping geladen zijn met goddelijke kracht. Het is eenvoudig te verklaren op grond van Gods alomtegenwoordigheid en almacht, dat Hij in ons leeft en in alles rond ons is. Maar hebben wij daarmede God gevonden? Kunnen wij dan God begrijpen en God ondergaan? Een dichter heeft het als volgt bezongen: "Ik heb God ontmoet. En het was als de dood. Want alle dingen in mij zijn gestorven. Het licht van de sterren was gedoofd, de zon was verdwenen en ik was alleen. En ziet…. alleen was ik vervuld van een schepping, schoner dan ooit tevoren. En nu ween ik, want ik heb mijn God ontmoet: maar het geluk, dat Hij mij was, heb ik verloren." En hierin zit - als ik mij niet vergis. - de essence van de esoterische godsbeleving. God is een andere wereld, een ander geluid. Een waan misschien, die voor een ogenblik je schijnt te verdoven en die je hele werkelijkheid doet verschuiven, totdat je niet meer weet, wat voor een vreemde leegte in je wezen bestaat. Maar dan komt er toch dat ogenblik van begrijpen. Dat ene ogenblik van perfecte harmonie met hetgeen in dat sombere “Niet” rond je verborgen is, en dan leeft de wereld pas werkelijk. God vinden is sterven. Niet een stoffelijke dood. Het is het sterven van het ik"begrip, waarvoor in de plaats komt de herschepping van het kosmisch gebeuren in jezelf, beseffende de goddelijke volmaaktheid en het niet meer weten of je bent of niet. Indien wij van onszelf willen uitgaan, moeten wij God zoeken op een redelijke manier. Maar waar wij die God ook zoeken, wij zullen Hem nooit vinden, wanneer Hij niet in onszelf wordt gevonden. Het is de God, die in ons leeft, die werkelijke betekenis geeft aan ons bestaan. Het is slechts de God, de kern van ons eigen wezen de kern van de schepping evenzeer die werkelijkheid kan zijn. Uit de vreemde verwrongenheid van leven en beelden, van voortdurend wisselende vreugden en leed, het spel van lusten en onthouding, het samenspel van alle extremen, die er bestaan kunnen in de menselijke verbeelding, moet de mens groeien tot het middelpunt waarin God leeft. Juist het van ons afwerpen, van al hetgeen zozeer belangrijk lijkt en het daarvoor aanvaarden van het simpele, het eenvoudige dat leven is, maakt het ons 50 HET ZOEKEN NAAR GOD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God mogelijk een esoterische bewustwording door te maken, de God, Die in ons leeft nader te komen. Er zijn mensen, die bidden en zeggen: "O God, geef mij toch a.u.b, dit of dat. Er zijn mensen bij die bidden en zeggen: "God, ik dank u voor al, wat Gij mij gegeven hebt." Maar er zijn weinigen, die zeggen: "God" en dan luisteren, tot de stem van de eigen ziel spreekt. Toch is dit luisteren naar de stem van de innerlijke verborgenheid, de goddelijke openbaring in het "ik", de enig juiste weg. Het beeld, dat wij ons van de Schepper maken, is ons ook vaak een belemmering bij ons pogen om langs de innerlijke weg verder te gaan. Men stelt zich maar al te vaak de Schepper voor, zoals het zo mooi staat geschreven: gezeten in de hemelen, houdend in Zijn hand de zon en spelend met de planeten. Of misschien zoals de schilder het heeft afgebeeld: de machtige en hemelse vorst, omringd door een onafzienbare menigte van engelen en heiligen, aan wiens voeten de wereld ligt met al haar rassen. "Maar kan dat een God zijn? Kan de innerlijke waarde, de werkelijkheid van je eigen bestaan, een vorst of een keizer zijn? Kan het geheim van uw eigen wezen in werkelijkheid zoiets uitgebreids en groots zijn, dat er duizenden heirscharen van engelen noodzakelijk zijn om daar uitdrukking en reliëf aan te geven? Ik voor mij geloof, dat het anders is. Als je leeft en je leeft in de stof, dan spreekt onbewust elke vezel van je lichaam tot je. Al die vele kleine impulsen worden saamgebracht tot een geheel. Maar realiseert u zich de complexheid van dit geheel? Neen. Het denkbeeld "dit ben ik" is eenvoudiger. Het is "ik", daar praat je niet verder over dat bestaat. Zo is het met God. God is geen complex stelsel van scheppende wetten en machten. Misschien dat deze dingen voor ons als een uiting van Zijn wezen naar voren treden. Maar God-zelf is eenvoudig. God, zonder meer, Waarom dan onze God bekleden met een koninklijke, ja een keizerlijke macht? Dat heeft geen zin. Wie de weg zoeken in het hart, in de kern van het eigen wezen en verwachten daar de wijdse kathedralen te vinden. waarin vreemde priesters een lof zingen op een grote God die Zich openbaart op het altaar zelve, die kunnen de waarheid niet vinden. Ik grijp terug naar een esotericus, die soms een enkele maal een dichter was. Hij heette Gaulus (?). Hij was een zoon van Egypte. En de duistere goden van de Nijl hebben ongetwijfeld in hem gestreden met het wat lichtere Christendom en het wijds openbloeiende, het zonnige, het levenslustige heidendom van de grote stad Rome, waar hij zijn eerste gedichten wist te schrijven. Deze Gaulus zoekt ook naar God, Het grootste deel van zijn tijd is in beslag genomen met het schrijven van lofdichten op deze of gene hooggeplaatste persoon. Hij wijdt hele drama’s aan gebeurtenissen van politiek en staat. Maar een enkele keer komt zijn honger naar het innerlijke boven, naar het mystiek beleven. Dan schrijft hij voor zichzelf. De meeste van zijn gedichten zijn teloor gegaan: een enkel is bewaard ergens in stoffige bibliotheken, niet erkend in zijn ware betekenis. En toch kon deze eigenaardige lotsfiguur schrijven: "Alle goden hebben een gezicht en alle goden hebben ene kracht. In mij heb ik gezocht naar Hem, Die licht en liefde geeft en ik heb slechts een glimlach gevonden. Ik heb gezocht naar de keizerlijke staat, Ik heb de triomftocht willen aanschouwen van Venus en Mars. Ik heb mij willen verlustigen in de uit het schuim der zee geboren Aphrodite. Ik heb willen zoeken bij de gehoornde Isis. En ziet, niets van dit was in mij. Ontsteld over de leegte van mijn wezen zocht ik. En er bloeit slechts een bloem. Een kleine bloem van een mensenliefde: een trouw, die mij beweegt voor al het andere. En hierin erken ik het gezicht, dat schuilt achter de goden." Ik weet niet, of u zich de stemming en het beeld kunt voorstellen. Het is uit een oude tijd. Maar zoals u hier vandaag aan de dag bent en op uw manier zoekt naar een nieuwe levenshouding, naar een God, naar een inwijding, zal toch voor u datzelfde waar blijken. God is niet het ontstellend grootse. God is niet datgene, wat zich onttrekt aan uw bewustzijn door Zijn onmetelijke grootheid. God is de eenvoud. God is dat ene gevoel, waardoor je kunt trachten te leven voor anderen i.p.v. voor jezelf. God is dat ene woord, dat je heilig houdt en dat je niet durft uit te spreken. God is die ene flits van geluk, waaraan je zo graag terugdenkt.

HET ZOEKEN NAAR GOD

51

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God De weg naar die God is moeilijk. Wij willen geen af stand doen van de grootsheid, van de grote statigheid, van de overwinning, van het treden in het schitterende hof, waar omringd door Zijn vele heirscharen de Schepper ons zal loven, ons zal zeggen dat wij goed zijn en braaf. Maar dat is eigenwaan. Wij willen geen afstand doen van het beeld van een God, Die alleen Zijn schepping bouwen kan, wanneer ook wij het bewustzijn bereiken. Van een God, Die door de schepping een behoefte heeft gekregen aan de volmaaktheid van óns wezen, van onze werkelijkheid en onze persoonlijkheid. Omdat het ons zou troosten onmisbaar te zijn. Wij willen alles erkennen, zelfs onze onbelangrijkheid tegenover God: maar de eenvoud Gods, daaraan gaan wij voorbij. Want het is moeilijk al die ingewikkeldheid van je eigen leven, heel dit vreemde spel van regels en wetten, van lusten en angsten, van begeerte en afwijzing te verwerken en dan alleen maar één ding over te houden. Alleen maar één ding, meer niet. Een enkel woord, een enkel begrip, vrucht van duizenden levens. Een klein, nietig, haast onbelangrijk ding: de openbaring van een eeuwigheid. Dat is moeilijk te aanvaarden. En toch zal elke esotericus moeten beseffen: Voor u is Gods slechts de liefde, die verdergaat dan eigen leven en wezen. Voor u is God dat ene, dat u vrij maakt tegenover de wetten en opvattingen van anderen. God is die ene waarheid, die gij niet loochenen kunt en wilt. Al het andere? Dat andere is versiersel, door de mens geplaatst, om de eenvoud te verbergen, die een verwijt is aan zijn eigen leven vol van waan. Er is veel over gepraat hoe men nu eigenlijk aan God moet denken. Maar ik vraag mij af: Kun je denken aan God? Ik kan bidden, natuurlijk. Ik kan mediteren. Ik kan mijn gedachten uitspinnen in fantasmagorieën, of misschien een ogenblik een flits van een werkelijkheid ervaren, die me nog ontgaan was. Maar kan ik God vinden? Is dat God? Of is God datgene, wat ik ondanks mijzelve ben? Wat ik ondanks mijzelve in mij draag? "Ik geloof, dat God datgene is, waaraan wij niets kunnen doen. Vreemd, nietwaar? Achter al deze esoterie, achter al deze ingewikkeldheid, alleen maar dat ene antwoord. Datgene, waaraan wij niets kunnen doen, waaraan wij niets kunnen veranderen. Wij kunnen natuurlijk zeggen de Kracht, die ons stuwt. Maar dan doen wij het schijnen, of die Kracht datgene wil, wat wij volbrengen. En dat is niet waar. Het is datgene, waaraan wij niets kunnen doen, datgene wat zich onttrekt aan onze wil en onze beheersing en tóch meespreekt elke keer weer in het eigen leven, elke keer weer in je eigen hart. Het is daarom, dat wij durven spreken van een God, die liefde is. Omdat wij vaak ondanks onszelven worden gedwongen tot een groter, inniger geestelijk leven en bewustzijn. Wij spreken over een God van liefde, omdat al ons pogen, kleingeestig en nutteloos als het misschien in feite is, toch weer het loon in zich draagt van die innerlijke goedkeuring, die innerlijke steun, die innerlijke warmte, die je omhult en beschut. In deze tijd zoekt de mens naar de kerstsfeer. Bewust of onbewust voelt hij zich getrokken tot de warme haard, de gezelligheid van een glimlach en wat zachte muziek, de geur van dennegroen en het gelig flakkerend licht van de kaarsen. Het is zo’n feest van geborgenheid. Dan preludieert men ergens: Er is een kindeke geboren op aard. En dan mijmer je wat over vroeger. Je zingt een kerstliedje. En het is zo warm, zo sfeervol. Maar waarom is die sfeer dan zo belangrijk? Zou het werkelijk waar zijn, dat uiterlijke omstandigheden voor ons de vervanging moeten zijn van een natuurlijke vrede? Is het mogelijk, dat het kaarslicht nodig is om de wereld er wat zachter en roziger te doen uitzien? Dat het groen van de dennen nodig is om te herinneren aan de onsterfelijkheid, die je in je draagt? Neen, de fout ligt ergens anders. De mens zoekt in deze tijd evenals de geest zo vaak: daaruit is de hele Zomerlandsfeer immers geboren naar een geborgenheid en een veiligheid, die in hem bestaan, maar die hij buiten zich zoekt. De mens wil dit innerlijke niet aanvaarden, omdat het te onbelangrijk schijnt. De Schepper is een micro: maar ook een macrokosmische kracht. Maar ons wezen kan nog geen macrokosmos omvatten. Ons begrip staat stil voor een werkelijkheid, die misschien kunstmatig gemeten kan worden, maar die wij niet ervaren. Je kunt God niet uitdrukken met formules en berekeningen, met fotografische reproducties van een sterrenhemel of met een betoog over de theologisch volkomen juiste eigenschappen, die God toch wel moet bezitten, Je kunt God alleen ondergaan. 52 HET ZOEKEN NAAR GOD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God Je kunt een zijn met God in dat gebied, dat kleiner is dan je eigen wereld. De God van de mens is de God van de microkosmos. Daarin moet Hij gekend worden. In het kleine moet God ontwaken voor ons. Of misschien beter gezegd moeten wij ontwaken tot een begrip van die simpele, die kleine, die eenvoudige en toch zo wonderschone Godheid, Die in ons woont. En eerst wanneer wij de kleine wereld kennen, zullen wij beseffen, dat boven beneden spiegelt en beneden boven. Dat er geen verschil is tussen groot en klein. Dat er alleen maar is God in alle dingen gelijk. En dan kunnen wij misschien uit het kleine het besef vinden van de grote God, niet eerder. Er zijn natuurlijk veel mensen geweest, die getracht hebben dit pad te vinden. En bijna allen zijn ze begonnen met een gebed. Een gebed en een reeks van leerstellingen. Zoals Jezus het "Onze Vader" gaf en daarnaast zijn Bergrede, zo hebben anderen op deze wereld gelijke waarden geschapen. En dan wil ik u vanavond juist daarvan één citeren. De regels, die gegeven worden, zijn deze: Vredig is de mens, die rechtvaardig is, want hij kent geen zelfverwijt. Vredig is hij, die rouwt: want wie verloren heeft vreest niet meer te verliezen. Vredig is hij, die zijn wijsheid tot dwaasheid ziet worden: want eerst in net onbegrepene openbaart zich de waarheid. Vredig is hij, die rang en bezit en eer heeft verlaten, want eerst wie mensenwaarde aflegt ontwaakt tot de waarden Gods. En het gebed, dat erbij behoort, is ook al heel eenvoudigs "Gij, vrede in mijn hart, overrompel mij en overstelp mij, opdat ik vergeten moge wie ik meen te zijn. Doof waan, laat mijn gedachten verklinken, opdat ik in een laatste ademing U moge kennen voor de eeuwige werkelijkheid." U moge kennen voor de eeuwige werkelijkheid. Dat is alles wat ons in de esoterie kan beroeren. Dat is alles wat voor ons inhoud, wat voor ons leven heeft. God beroert ons. Als we daarvoor openstaan, wanneer wij voor een enkel ogenblik vergeten zijn wie en wat wij zijn, wanneer wij vergeten waaróm het nu eigenlijk schijnt te gaan in de wereld en wanneer wij vergeten wat nu eigenlijk ons geestelijk streven is en ons even laten beroeren door de stilte de stilte, die ineens in je kan dalen als een troost, een balsem, een vrede, maar ook als een weten, dat in geen woord of gedachte is uit te drukken dan vinden wij God. Voor iedere mens is er een weg open en voor geen enkele mens zal het dezelfde weg zijn. De een zal in een absoluut ontkennen van alle overdaad in eenvoud zijn wegen gaan en geen daad stellen voor de medemens, omdat hij zegt: "Door geen eisen te stellen aan de wereld doe ik meer, dan ik zou doen door te streven. Want wie streeft moet eisen stellen." Een ander zal zeggen: "Ik voel, dat ik de wereld iets geven kan. En al moet ik de wereld iets ontnemen daarvoor, ik tracht aan de wereld te geven." Sommigen zeggen: "Juist in de vrijheid en de ongebondenheid kan ik de vrede vinden, waarin niet de gedachten mij opzwepen tot begeerten, die ik nooit verwerkelijk. In die vrede alleen kan ik God "benaderen." Weer een ander zal zeggen: "In de erkenning van de goddelijke wetten, in de erkenning van Zijn openbaring alleen zal ik geluk vinden. leder zoekt zijn weg en ieder heeft zijn recht om zijn weg te gaan en zijn, weg te zoeken. Maar een ding hebben wij allen gemeen, geest en stof. In ons wezen moeten licht en duister samensmelten. De geprojecteerde beelden, waarin wij onszelf verheerlijkt hebben voorgesteld aan de wereld, de standbeelden, die wij voor onszelf hebben opgericht in onze eigen gedachten, moeten vallen. Beheerst maar nederig zullen wij moeten ingaan tot onszelven. Niet vragende "wie of wat ben ik?" maar erkennende datgene, wat wij vinden op onze weg. Want wie de vraag stelt: "wie of wat ben ik?" begint als esotericus met de zelfontleding. En dat is misschien nuttig, maar wanneer wij verdergaan, is dit overbodig. Want wanneer wij vragen "wat ben ik?" dan zeggen we misschien: "Wij zijn grote zondaren en wij zijn schuldig tegenover God en de wereld". Maar kan dat voor God wat uitmaken? Kan dat iets betekenen voor de scheppende Liefde, die ons regeert? Wij kunnen weemoedig op onze borst kloppen en zeggen: "Wij zijn zo klein en zo dwaas en zo dom. Maar is het nodig om wijs te zijn of groot, om een te worden met die God van liefde, die in ons woont? We zeggen: "Het weten is noodzakelijk." Maar weet God niet meer dan elke schepping tezamen? Wij roepen: "De kracht is noodzakelijk en de genade." Maar is er een kracht nodig of een genade, wanneer, wij reeds HET ZOEKEN NAAR GOD 53

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God verbonden zijn met God? Soms zegt men: "Een vrije wil is noodzakelijk." Of: "De wil Gods leidt mij langs Zijn paden, tot Zijn wil en wet vervuld is," Is het noodzakelijk daarover te strijden? Zijn die dingen van belang, wanneer God in ons is? ". Wij moeten ontwaken tot de God, Die in ons leeft. Dat is alles. Een God Die misschien is een suizelende stilte: Naar het beeld van de dichter: een bloem, die bloeit in de ledigheid van je hart. Een God, Die innerlijke vrede is en meer niet. Roep dan rustigs Vrede op aarde aan hen die van goeden wille zijn. Maar parafraseer het dan. Roep het dan uit als de enige werkelijkheid voor uzelve, opdat ge door herhaling steeds meer zult leren het te begrijpen: Vrede is in ons. Want dat is waar. Het aanvaarden van de vrede alleen is Gods openbaring. En daarmede het ik dan mijn bijdrage voor deze avond voor u beëindigd. We gaan nog niet pauzeren. Er is een tweede spreker, die op zijn wijze u ook iets wil trachten te zeggen over die God in ons, over die Kracht in ons. Eerst daarna kunt u een ogenblik pauze nemen. Maar ik neem in ieder geval reeds nu afscheid van U. Goeden avond. o-o-o-o-o Goeden avond, vrienden. Ja, dat probleem van die God in ons. Het is allemaal zo gemakkelijk die dingen te zeggen, weet je. Het is zo simpel en zo eenvoudig om daar nu even te stellen: God is een vrede in ons. En we vinden die vrede misschien ook wel. Maar mogen wij dan, gaande juist langs het pad van de innerlijke beleving, toch niet proberen om in overeenstemming met ons eigen ontwikkeld zijn, in onze eigen fase van bestaan, toch nog:

EEN TWEEDE BEELD TE HEBBEN VAN DIE GOD

Natuurlijk, God zal van ons blijven wegrijken. God is zo iets als een berg in de verte. Je meent, dat je er al bent. En hoe verder je gaat, hoe verder het lijkt, dat hij nog weg is. Omdat onze berg helemaal geen berg is, alleen maar een voorstelling. Maar wij moeten toch gaan, wij moeten zoeken. Zonder zoeken komen wij er niet. Daar om zou ik graag van mijn kant ook nog iets zeggen over die God in ons en ook over het vinden van God. Als ik de wereld bezie of dat nu een mensenwereld is of een geestenwereld of een andere wereld dan valt het mij altijd op, dat ze een vast patroon heeft. Er zijn bepaalde regels. Je zou kunnen zeggen: Ze heeft een eigen karakter. Een wereld heeft haar eigen speciale fouten en haar eigen speciale deugden, net als een mens. En die werelden hebben ook allemaal hun eigen vorm, hun eigen wijze van uitdrukking. Je kunt nooit zeggen dat twee werelden gelijk zijn of duidelijk met elkaar verwant. Elk heeft haar eigen karakter. En dan wil ik altijd heel graag zo’n wereld vergelijken met een mens. Wanneer wij nu b.v. de aarde nemen, dan Zeggen wij natuurlijk: "In die aarde leeft de grote aardgeest, de grote bewuste geest, die voor een laatste maal hier belichaamd deze aarde draagt met alles, wat er zich op afspeelt. Die meester is over de bewustwording, die er plaats vindt." Ongetwijfeld is dit voor een groot gedeelte waar. En zeker, waar het het stoffelijke betreft, en voor een groot gedeelte ook, waar het de geestelijke dingen aangaat. Maar die aardgeest is niet volmaakt. En die aardgeest is eigenlijk in elke uiting alleen maar bezig om voor zichzelf dat punt van evenwicht en volmaaktheid te vinden. Wanneer nu zo’n grote geest dat enorme schouwspel mag opvoeren van mensen, die komen en mensen die gaan, van dierenrassen, die uitsterven en nieuwe vormen, die ontstaan, van vulkanen, die plotseling de gloeiende ingewanden van de aarde uitspreiden soms over een groot deel van de wereld en dan weer de oceanen, die een hele wereld razend omspoelen, dan heb ik zo het idee, dat een mens en ook een geest in een zekere zin, gerechtigd zijn om zo’n soort – ik wil het geen vertoning noemen maar - "schouwspel" ook voor zichzelf op te voeren. 54 HET ZOEKEN NAAR GOD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God Per slot van rekening moeten wij toch aannemen, dat zo’n grote geest heel wat meerweet dan wij. Wij moeten aannemen, dat zij heel wat meer krachten heeft dan wij. Maar, als wij het goed bekijken, dan is er een zekere overeenstemming. Die geest experimenteert, die zoekt een harmonie en evenwicht op haar wereld te scheppen (stoffelijk) om daarin de ervaring te vinden van de perfecte uiting. En heeft zij die perfecte uiting, dan is er geen aarde meer en ook geen aardgeest. Dan is er alleen de bevrijde geest, die de volmaaktheid heeft gevonden en die nu misschien als ster of nog hogere macht nog een keer misschien bestaan zal. Kijk eens, wij hebben ook het recht te experimenteren op de wereld. Natuurlijk. Zeker, wij kunnen nu wel met een air, de dedain zeggen: "Kennis heb je niet nodig, want God is in je." Het is waar. Maar hoe komen wij tot het bewustzijn van die God in ons, zolang wij nog het idee hebben, dat wij met kennis wat kunnen bereiken? U kunt zeggen: "Er bestaat geen enkele wet dan God." Maar als je nu niet weet wat die God is, dan is het toch beter een houvast te hebben aan enkele wetten, dan dat je helemaal geen houvast hebt? Dat is nu het punt, wat mij hierin het meest treft. De aarde is een evolutie, zeggen ze, een evolutionair proces. Zo gaat het ook bij ons. Ook de innerlijke bewustwording is een evolutionair proces. We beginnen met betrekkelijk grove voorstellingen en grove waarden. Met een God, Die buiten ons is. En wij liggen misschien in verrukking neer en die God verschijnt ons." En we zeggen: "O Heer, wat ben ik dankbaar, dat U mij verheven hebt." Een volgend ogenblik gebeurt het weer een beetje anders. Dan zit je stil en dan heb je ineens het gevoel, dat je wordt aangeraakt. Je wordt er even koud en warm van. En dan denk je:,"He, het is net of alles van mij is afgevallen. Dit is een ontmoeting met God." Het is ook een ontmoeting. Maar in elk geval is, het een ontmoeting, die voor ons een variant betekent op onze buitenwereld, Onze buitenwereld is het eigenlijk, die ons het bewustzijn brengt. Dus uit die buitenwereld moeten wij komen tot het innerlijke. En dan kun je natuurlijk zeggen: "We gaan de buitenwereld wegwerpen." U denkt er niet meer aan wie u bent en wat u bent. En u denkt er niet meer aan hoe u bestaat en wat uw plichten zijn tegenover uw medemensen. U laat dat allemaal maar zo gladjes gaan. Ben je er daar dan mee? Neen, Want in jezelf, in je denken, ben je nog wel met die wereld verweven, nietwaar? Dan kun je wel zeggen: "Ik ga in mijzelf wroeten." Hoe wil je dat doen, wanneer je altijd maar die waanideeën hebt, die beelden, die van buitenaf komen? Als je niet kunt zonder een uiterlijke wereld? En zelfs zij, die veel hoger staan dan ik, degenen, die leven in dat witte, brandende licht, dat de mens haast niet kan aanschouwen zonder onmiddellijk verblind te worden, die grote krachten leven ook nog van uit de buitenwereld. Zeker, ze hebben meer innerlijk contact dan wij. Hun wereld is eenvoudiger. Ze zijn meer een met God dan wij. Want hun uitingen zijn, ik wil niet zeggen simpeler, maar meer in overeenstemming met de eenvoudige natuurlijkheid, de wet van goed. Maar ze leven ook nog vanuit de buitenwereld. En wanneer zij tot God spreken, doen ze dat ook uit hun voorstellingswereld, uit hun leven. O, ik wil helemaal de vorige spreker niet afvallen. Denk dat niet. Stelt u zich vooral niet voor dat ik zijn waarheid wil verwerpen, want wat hij gezegd heeft is waar. Maar - en daar komt de grote maar – ook met 10.000 sterretjes achter de mens is in doorsnee niet in staat dit te vervullen. Het is iets, wat je kunt weten, maar wat je niet in de praktijk kunt brengen. En nu wil ik het van mijn kant graag praktisch zeggen. Onze wereld lijkt reuze ingewikkeld, vindt u niet? Pas een kabinetscrisis. Drees met staartsterren, aangedreven door een minister van Financiën, die uit de Kamer weglopen. De hele P.v.d.A. ook al vrijwillig opgevlogen, Beel met hoofdpijn vanwege de raadselen. En als dat nog niet genoeg is, problemen in de UNO. Mao treedt af. In Rusland is het allang duvelen. In het zuiden is het nog duvelen en dat blijft maar. Reuze ingewikkeld, vindt u niet? Behalve wanneer wij de zaak gaan vereenvoudigen. We kunnen deze hele uiterlijke wereld vereenvoudigen. We kunnen gaan zeggen: Wat is nu de gemeenschappelijke factor? Waar gaat het in al die gevallen om? Het antwoord is zo simpel als het 2 x 2 = 4. Al deze dingen zijn niet een strijd voor het goede voor de mensen. In feite is het HET ZOEKEN NAAR GOD 55

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God een strijd om macht. Misschien de macht om goed te doen, maar om macht. Aha, dan kunnen wij de zaak al heel anders zien. Dus dit politieke spel, dat de wereld speelt met al haar oorlogen en al haar economische crises en wat erbij komt, is een spel van macht, niet meer. He, merk ik daar wat? Macht is iets wat ik niet moet hebben. Als ik macht heb, dan word ik klaarblijkelijk tot voortdurende strijd gedreven. Ik moet voor mijzelf geen macht begeren. Geen enkele macht: Hoe meer macht ik begeer, hoe meer strijd ik krijg. En strijd dat leert je de wereld buiten je is meestal iets onaangenaams. U vindt: dat is te groot, te veraf. Dan gaan we een beetje dichterbij. Waarom leven de mensen, zoals ze leven? Waarom kijkt de een u vriendelijk en de ander u lelijk aan? De een verwacht misschien iets van u. Of de een heeft een zekere affiniteit met u ontdekt en de ander precies het tegendeel. Klaarblijkelijk is het hele leven wat de buitenwereld betreft gebaseerd op twee dingen. In de eerste plaats: Hoe bent u voor die ander in de ogen van die ander? Met volgens uw eigen idee, maar in de ogen van die ander. In de tweede plaats: Wat geeft u aan de wereld en wat eist u van de wereld? En nu moet u niet denken, dat hoe meer u geeft, hoe meer u moogt eisen. Dat is helemaal niet waar. Hoe minder je geeft, hoe meer je moogt eisen, omdat dan het weinige, dat je geeft, in de ogen van de beschouwer kostbaarder is. Maar dan krijg je een soort van geestelijke constipatie. Er komt een verstopping, Omdat je te weinig geeft, word je afgezonderd van de wereld. Want je moet uit jezelf geven. Dus de oplossing is al heel simpel. We moeten proberen ons leven zo eenvoudig mogelijk te stellen. Niet meer met motiveringen van grootse liefde, grootse haat, zware problemen. Neen, helemaal niet. We moeten de wereld heel simpel stellen. Wat is die wereld voor mij? Wat probeer ik voor die wereld te zijn? Wat is het resultaat? Hoe kan ik mijn eigen pogen zodanig richten, dat er zo weinig mogelijk strijd is met die wereld? Heb je dat gedaan, dan ben je al een heel eind verder in de esoterie. U denkt misschien van niet, maar in feite hebt u dan een hele hoop van die wanhopig verwarde begrippen en strijdvragen teruggebracht tot enkele. En ik ben het onmiddellijk met de vorige spreker eens: God is eenvoud. God is dat zo simpele, dat je er als mens meestal aan voorbij kijkt. U weet, nietwaar, een portier met een buitengewoon mooi pakje aan spreken ze, aan met generaal of admiraal. En een admiraal in burger lopen ze voorbij. Iemand, die een geleerd gezicht trekt en twee woorden Latijn spreekt, wordt al gauw met dokter aangesproken. En een dokter, die zich de hele dag heeft lopen afsappelen en vijf mensenlevens heeft gered, ziet er uit als een arbeider en dan kan hij in de tram nog staan ook! (Tegenwoordig niet meer. Tegenwoordig hebben ze allemaal een auto, heb ik mij laten vertellen.) Maar goed, wanneer u het idee maar kunt grijpen. De wereld berust op uiterlijkheden. Zolang u zich vasthoudt aan die uiterlijkheden en niet aan de dingen, die de uiterlijkheden veroorzaken, leeft u helemaal in een wereld van waan. Maar komt u tot de essence van de dingen terug, dan gaat u automatisch scherper de relatie stellen van het "ik" met de wereld. En dat impliceert een vergroting van zelfkennis en een vergroting van wereldbegrip. Een intensifiëring van wijsheid. En dan zijn er ook van die dingen, die zo erg belangrijk lijken. Het is toch erg belangrijk, dat broer en zuster komen, wanneer je jarig bent. Waarom eigenlijk? Omdat het zo hoort? O, je houdt zoveel van die mensen? Je, houdt zoveel van hen, dat je hun de vrijheid niet gunt. Dom. Is dat geen. bezitzucht? Het is mijn familie, het zijn mijn vrienden. Als je, op die manier denkt (ja, je kunt er niets aan doen, zo leeft iedereen), maar als je op die manier denkt, dan heb, je weer een hoop verwarring geschapen. Leer je dit inzien, dan zul je vanzelf niet alle eisen plotseling staken dat kun je niet, daarvoor ben je mens maar je zult ze vereenvoudigen en beperken. Je zult dichter komen bij je ware wezen. En nu hebben we precies hetzelfde met God. Weet u, er zijn mensen, die vragen God om hulp. Het is heel duidelijk en heel begrijpelijk, dat ze dat doen. Maar het moet gewichtig. Dan nemen ze een boek: Deus omnipotens en dan krijg je een hele reeks Latijn, alsof die goede God geen Hollands verstaat. Dan wordt er een kaars gebrand, er wordt wierook aangestoken. We knielen, we vasten negen dagen, elke morgen: weer bidden, desnoods met 25 rozenhoedjes erbij. En maar kralen tellen. En helpt het je wat? Niet dat meer dan een eenvoudig uit de diepte van je hart komende gebed: "God, help me!" 56 HET ZOEKEN NAAR GOD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God Waarom dan al die komedie? Om te laten zien, dat jij zo gewichtig bent tegenover God? Dat helpt je toch geen steek. Voor God kun je nooit gewichtig zijn, of nooit gewichtiger misschien. Als deel van Zijn schepping zul je voor God gewichtig zijn, als deel van Zijn eigen wezen. Breng het terug tot het eenvoudige, het simpele. Er zijn mensen geweest in de wereld, die zeiden: "Wij gaan de wereld verbeteren. Beter dat een mens sterve, dan dat duizend van de ware richting, worden afgedreven." Moordenaars met religieuze principes. Misschien goedbedoelende mensen ondanks dat, maar dwazen. Kan iemand bepalen wat wel en wat niet goed is? Kan iemand bepalen wat God wil? Neen,: Laten we het dan ook niet proberen. Laten we ons daar helemaal niet mee bezighouden, Laten we alleen maar proberen om alles, wat wij rond ons erkennen, terug te brengen tot zo simpel. mogelijke dingen. Als de minister van Financiën meer uitgeeft dan hij inkomen heeft, ga dan geen economisch betoog houden, maar zeg doodgewoon: "Wanneer ik dat in een huishouden doe, dan kan het niet: dan kan dat ook niet, wanneer hij het doet. Tenzij ik in mijn huishouden een zwendel ga plegen, dus leven ten koste van anderen. Dan kan hij het ook niet anders doen." Misschien een beetje bittere redenering, maar het is waar. De simpele en de eenvoudige dingen, die je overzien kunt, zijn de afspiegeling van al, wat je niet kunt overzien. Dan gaat u op zoek naar God. U ziet God als iets blijs, als iets gelukkigs, als iets lichts. God is het Licht. Wat maakt je blij? Wat maakt je gelukkig? Wat geeft je een ogenblik die extra vreugde, die extra rust? Dat is God. Simpel. Dus waar vind ik God? Desnoods: in de theetuin, als de kinderen gezellig spelen en je kunt even in het zonnetje zitten. Desnoods zit God in dat knetterende vuur, in dat kaarsje in de kerstboom. Niet om die dingen buiten je, maar om wat er in je leeft. De manier waarop jij reageert op de wereld. Dan ga je bidden. We hebben het er vanavond een paar keer over gehad. En dan zeg je kort en krachtig b.v. er zijn van die mensen: "God, ik heb Uw hulp nodig, help mij!" Ik vraag mij nog af, waarom ze er niet bij zeggen: "Volgens tarief A, B. of C." Dan zijn er andere mensen, die zeggen: "Ja, maar je mag toch niet alles aan God toevertrouwen je moet het zelf doen. God, help mij om, zelf." Dat is misschien iets beter. Maar waarom moest je eigenlijk zo bidden?. Dat vraag ik mij af. Ach ja, het is misschien gek dat je als halfmislukte koopman en halfmislukte humorist een poging moet gaan wagen om dat uiteen te zetten. Maar denkt u zich dit nu eens in. Als ik zou moeten bidden, dan zou ik eigenlijk niet bidden. Dan zou ik denken. Dan zou mijn gedachtegang ongeveer de volgende zijn, zo goed als ik het dan in woorden kan onderbrengen: Ergens is er vrede. En ik heb geen vrede, Laat ik dan mijzelve dwingen om vredig te zijn door alles te vergeten, wat mij onvredig maakt. Ik ben zwak en ergens is er kracht. Laat ik proberen datgene, wat mij belet om deze kracht in mij te dragen (een bewuste waarde), eenvoudig te vergeten en terzijde te stellen. God is volmaaktheid en ik ben onvolmaakt. Laat ik proberen dat beeld van mij af te gooien en niet meer spreken over volmaaktheid of onvolmaaktheid, maar trachten te beantwoorden aan hetgeen ik in mij voel als Gods wet. Ik spreek over de innerlijke en de uiterlijke waarheid, de innerlijke en uiterlijke wijsheid, over mijn innerlijke stem. En eigenlijk weet ik niet eens goed wat die dingen precies betekenen. Laat ik toch geen onderscheid maken. God ís. God is vreugde, is vrede. God is kracht, ook voor mij. Als ik die God aanvaard of ik Hem nu erken of niet dan zijn deze dingen voor mij werkelijk. Dan zeg ik er zo achteraan: "Vooruit joh. Proberen. Niet je bezighouden met een ingrijpen van buitenaf, maar proberen om in je zo vredig te zijn, dat er geen ingrijpen meer nodig is." Ik houd niet van al die vertellingen over de wilde beestentuinen in ons innerlijk, enz. Dat is allemaal stof voor beginners. Het klinkt altijd heel wat wetenschappelijker of ingewikkelder of esoterischer dan wat ik vertel. Maar de waarheid is eenvoudiger. De mens moet nu eenmaal van het ingewikkelde naar het eenvoudige geleid worden. Zoals wijzelf er ook steeds naartoe geleid moeten worden, omdat we de eenvoud eenvoudig voorbijlopen. Voel God, onverschillig hoe. Probeer een ogenblikje God te voelen en dan heb je alles, wat je nodig hebt. HET ZOEKEN NAAR GOD 57

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God En zeg nu niet, dat je het niet kunt en dat je het probeert en dat het zo moeilijk is. Want je moet nooit proberen God te dwingen naar jou toe te komen, maar je moet alleen jezelf zo uitschakelen, dat er niets overblijft buiten God. En dat nu te leren is de hele weg van de esoterie. Dan heb je eenheid met God, Dan vloeit daaruit alles voort, wat uiterlijk nog noodzakelijk is, onverschillig in welke wereld. En voor de rest trek je je steeds meer terug uit de werelden en word je steeds meer deel van de waarheid. Dat is mijn visie en mijn commentaar. Denk niet. nogmaals dat ik geprobeerd heb om iets af te breken van wat de eerste spreker heeft gezegd. Dat is niet waar. Maar ik bekijk het zo: Je moet praktisch zijn en de eenvoud weten te vinden. En als je die eenvoud maar eenmaal te pakken hebt, dan is God vlakbij. Want God is enkelvoud. Hij is Het Woord. Een woord en niet meer. En toch de verschijning van heel de schepping met ons erbij. Laten wij dan dat ene woord opzoeken, dan komt de rest vanzelf. Vrienden, gezegende avond verder. Veel plezier en veel lering. Tot een volgende keer, hoop ik. o-o-o-o-o Goeden avond, vrienden. In dit tweede gedeelte willen wij zoveel mogelijk een eigen onderwerp van u behandelen. Zoudt u een vraag willen stellen, die noodzakelijk is in dit gezelschap, dan willen wij daar gaarne op ingaan. Deze stilte schijnt mij te zeggen, dat er geen vragen gesteld, behoeven te worden. Hebt u een onderwerp? De geschiedenis van het "Ken uzelve". In Griekenland zou het eerst door Sokrates zijn gebruikt. Dit is toch de basis van de esoterie. Ik ben zo vrij in beide punten enigszins met u van mening te verschillen. Het "Ken uzelve” als slagzin in deze vorm zoudt u inderdaad wel tot de Sokratische wijsheid kunnen terugvoeren. Maar het "Ken jezelf, wees je van jezelf bewust" is veel ouder. De eerste stellingen hiervan vinden wij - het spijt mij dat ik daar wederom op moet wijzen, maar het is onvermijdelijk hier - in Atlantis, de tweede ontwikkelingsperiode, ongeveer zeg tweede fase. Dat is 9000 jaar geleden. En wel in de studieklassen van de Witte Broederschap, waarin de leerling wordt voorgehouden: "Erken de kracht, die in uzelve schuilt, erken het denkbeeld, dat u drijft en mediteer hierover. Doe dan na rijp overleg afstand van uw leven en wees herboren in onze gemeenschap." Deze stelling is in feite al een "Ken uzelve." Dan vinden wij verder deze grondslag van de esoterie ook terug in de oude beschavingen, die in de Sahara hebben bestaan. Hier hebben wij te maken met een bijna negroïde volk, met een restant Atlantische bevolking en een wat Keltische bevolking. Hier geldt de stelregel voor bepaalde esoterische inwijdingen: "Slechts hij, die een beeld van zichzelve heeft, kan de kracht (of de ware God, naar u zeggen wilt) erkennen. Leer dus uzelve erkennen." Wederom, een parafrase op hetzelfde. Wij vinden soortgelijke stellingen in bepaalde inwijdingsleren van de hinoe-godsdienst, of als u dat liever wilt in het primair boeddhisme. Het is eigenlijk ook een boeddhistische leer. Daarin horen wij o.m.: "De goden leven niet slechts in de hemelen maar in uw hart. Erken de goden, die in uw hart leven en vind zo de waarheid van het bestaan." Een parafrase, maar wederom dezelfde idee. In China vinden wij een filosofische richting, die buiten de stellingen van tao en boeddhisme om een lange tijd vooral in de zuidelijke provincies nogal opgang maakte. Hier was een magische scholing aan verbonden, Een van de stellingen was: "Slechts hij kan anderen regeren of beheersen, die zichzelve kent en beheerst. Zo leer uzelf beheersen, opdat gij uzelf kunt leren kennen." Wederom hetzelfde. In de Perzische leerstellingen hebben wij voor het verval van het rijk een school, van wat wij wichelaars en alchemisten zouden kunnen noemen. Bij dezen geldt de stelling: " Slechts wat zuiver is, baart vruchten. Leer uzelve kennen, opdat gij uzelf kunt zuiveren." Een parafrase op dezelfde stelling.

58

HET ZOEKEN NAAR GOD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God In de Egyptische inwijdingsdiensten: "Leer schouwen achter de sluier, opdat gij onafhankelijk van de Rechteren kunt staan in het licht van de "zon". (Vertaald.) Wederom een aansporing tot zelfkennis als noodzaak tot bereiking. Verschillende van deze inwijdingsdiensten zijn in Griekenland ook reeds in wording en soms reeds bijna voltooid, voordat de grote wijsgeren uit het toppunt der beschaving zich doen horen. Ook dan is de idee van zelferkenning reeds de grondslag van verschillende mysteriën. Wanneer dus Sokrates en met hem vele anderen, zowel in de Stoa als elders, hun leerlingen toeroepen "Ken uzelve," dan doen zij daarmee niets anders dan de stelregel van bewustwording, die ook in de mysteriën bestaat, a.h.w. publiek maken. De stelling van zelfkennis vinden wij ook in bepaalde delen van het vroegchristendom, waar letterlijk wordt gezegd: "Zo leer uzelve erkennen, levende in de (christelijke) naastenliefde, opdat gij uzelf zuiveren kunt en een tempel van de geest kunt zijn." Het komt wederom op hetzelfde neer. Albigenzen: "Breng de stellingen Gods in praktijk en leef naar Zijn (natuurlijke) wetten, erkennende wie en wat gij zijt, opdat gij Zijn wil vervullen kunt." De gedachte van zelfkennis. In de verschillende kabbalistische scholen vinden wij een reeks van stellingen, die uitgaan van dit standpunt: Om de waarheid van het leven te erkennen moet men in staat zijn de geaardheid der Verschijnselen te beschouwen met een weten omtrent hun achtergrond. Indien gij tracht dit te volvoeren, zult gij allereerst uzelve moeten ervaren voor wat gij zijt. Ken uzelve: En van daaruit zien wij het praktisch over de hele wereld gaan. Wij vinden het terug bij de latere Rozekruisersgroepen. Wij vinden het terug bij de eerste lqges. Het wordt overgenomen door Theosofie en Anthroposofie, door de verschillende Vrijmetselaarsloges en maakt zelfs deel uit van bepaalde richtingen van meer christelijke geaardheid, vooral in de Verenigde Staten. U ziet dus, dat dit zeker niet alleen een Sokratische wijsheid is. Sokrates heeft haar uitgesproken, maar daarmee herhaalde hij op zijn wijze een wijsheid, die op de wereld reeds lang bestond. En ook heeft hij dit woord gebruikende misschien een bepaalde impuls gelegd in de Griekse beschaving en dus een invloed op het beste gedeelte van Rome met alle gevolgen van dien voor het hele westen. Maar op zichzelf bestond die idee reeds lang en is zij een van de oudste inwijdingsgeheimen, die zover mij bekend op deze wereld bestaan. U ziet dus, dat ik het niet geheel met uw stelling eens kan zijn. Neen? Ik dank u wel zeer. Maar mijn bedoeling was te weten, waarom Sokrates dit in het publiek poneerde, Hij was de eerste, die dit zo buiten het mysterie om heeft gedaan. Om dit te begrijpen moet u de mens Sokrates begrijpen. Sokrates is enerzijds een mysticus, maar anderzijds heeft hij geen gelukkig leven. Zo voelt hij zich enerzijds getrokken tot de wereld. Ook tot de bewondering der mensen, anderzijds tot God, in een geborgen zijn voor zijn leed. Het is logisch, dat als hij nadenkt, hij tot de conclusie moet komen, dat de God ín hem een zo belangrijke factor in het leven is, dat slechts wanneer allen deze erkennen, de wereld dragelijk zou zijn. Hij is op zijn wijze niet slechts filosoof maar ook wereldverbeteraar: en hij heeft dan ook vele malen in de politiek van de stadsstaat ingegrepen. Daardoor brengt hij deze openbaring naar buiten toe, pogende hiermee de opbouw van bepaalde meer godsdienstige machten wat te beperken en te breken. Want Griekenland en vooral Athene heeft een hele tijd geleden onder de strijd. o.a. van de tempel, van Poseidon tegen de tempel van Pallas Athene, de schutsgodin. En deze uiterlijke leerstellingen met hun steeds groter wordende eisen naar tempels, naar tempelwelvaart en tempelschatten, betekende enerzijds een ondergang voor het lagere publiek in deze stadsstaat om niet te zeggen een grote schade voor de slaven van die tijd maar gelijktijdig ook een praktisch algehele vrijheid van zeden voor degenen, die betalen wilden. Toch waren aan diezelfde tempels vaak ook mysteriescholen verbonden, waarin die leer wel naar voren werd gebracht, maar alleen voor de meer ingewijden. U zult begrijpen dat velen van de grote denkers van Griekenland een dergelijke status niet konden accepteren en getracht hebben een einde te maken aan deze handelsgeest, die zelfs probeerde met geestelijke goederen te handelen. Zo heeft men bepaalde geheimen van de tempelgroeperingen dus eigenlijk geopenbaard, uitgesproken. Het typische is, dat dit meestal HET ZOEKEN NAAR GOD 59

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God de eerste maal in de Stoa gebeurt, dus in de tempelgangen, boven op de Akropolis en meestal met een overzicht over de stad, dus nog op een bepaalde hoek. Het is zeer kennelijk een poging om de band tussen menselijk leven en godsdienstbeleving op een nieuwe en meer redelijke basis te brengen. Ik meen, dat juist daar Sokrates dit heeft uitgesproken, Helaas kan ik u alleen maar feiten noemen, ik ben geen filosoof. Is er nog een tweede onderwerp? Wilt u ons nog wat stellingen geven van Tao? Ik wil u een reeks van esoterische stellingen geven, niet ontleend áán maar gebaseerd óp de taoïstische stellingen, als u daarmede tevreden wilt zijn. Alle dingen hebben hun plaats. Wie zijn plaats erkent handelt daar naar. Wie daarnaar handelt is niet verantwoordelijk. (Dus niet verantwoordelijk voor het geheel). Wie zijn plaats erkent in de rij der geslachten, draagt het bewustzijn en de eer van hen, die voorgingen zowel als de mogelijkheden van hen, die na hem komen. Het is noodzakelijk, dat de eer bewaard. blijft. Het oordeel over eer ligt in de mens, niet in de maatschappij. Het erkennen van een innerlijke waarheid bestaat uit de erkenning van tweeledigheid. Slechts wie wit en zwart met elkaar kan doen huwen in zichzelve, vindt de uiting der volnaaktheid, waarover de goden glimlachen. Wie zoekt naar eeuwigheid kan deze vinden, wanneer hij de gedachte aan tijdelijkheid vergeet. Zoals het jaar zich hernieuwt en de jaren opvolgen, elk hun naam en eigenschap kennend en toch steeds kerende, zo is het wezen, dat in ons schuilt. Erken de onbeperktheid van uw wezen en ge zult eeuwigheid bereiken. Kracht komt niet voort uit het vermogen, dat in het "ik" schuilt. Zij komt voort uit het verlangen hogere krachten te beseffen en eigen krachten aan anderen op te leggen. Wie kracht gebruikt voor zich, doodt zichzelve, want hij richt zijn eigen krachten tegen zich zelf. Wie macht gebruikt voor anderen, verrijkt zichzelve, omdat hij een is met al, wat hij heeft opgeroepen. Misschien dat deze kleine stellingen althans enigszins voldoende zijn. Er ligt een gedachtegang aan ten grondslag, die ik u misschien iets duidelijker kan maken. het is geen toeval, dat u geboren bent op een bepaalde plaats, in een bepaalde tijd of in een bepaalde familie. Er is een vast schema in de hemelen, dat ook vervuld wordt aan een ieder, die op aarde leeft. Op het ogenblik, dat u behoort tot een familie, tot een volk, heeft u daarmede een plaats en een taak aanvaard, die niet slechts de uwe is. Want niet de mens alleen streeft, maar de mensheid, zodat alle geslachten tezamen de weg naar volmaking gaan, niet de eenling. Daarom draagt men op het ogenblik, dat men intreedt. in een bepaalde gemeenschap, alle verantwoording van die plaats. Dan is men verantwoordelijk voor het voortzetten. in goede zin van het werk, dat anderen hebben achtergelaten. Gelijktijdig heeft men de taak om nu reeds te zaaien, opdat volgende geslachten kunnen oogsten. Wanneer men echter tot de grote werkelijkheid wil doordringen, moet men beseffen, dat het "ik" in deze taak slechts tijdelijk vertoeft." In deze zeer tijdelijke toestand is het verstandig, dat men zijn eigen plaats erkent. Ook dit is een vorm van zelfkennis. Ook is het verstandig, dat men zijn streven richt op de plaats, die thans voor het "ik" bestaat, en niet streeft naar datgene, wat voor het "ik" onbereikbaar is. Elk streven, dat te hoog grijpt, betekent mislukking en krachtverspilling. Een streven daarentegen, dat niet ver genoeg grijpt, betekent frustratie en teleurstelling en gelijktijdig een onrecht aan komende geslachten. Daarom is het zaak, dat men zich zo zuiver mogelijk richt op de mogelijkheden van het heden volgens de wetten van het heden en rekening houdend met de plaats, waarop men zich thans bevindt. Echter is er een genoegdoening bij. Wanneer wij heden geen keizer kunnen worden, zullen wij nog vele malen kunnen keren om dit wel te worden. Voor iedereen bestaat de mogelijkheid om eens een zekere plaats te bekleden. En nu is de wijsheid van China niet gebaseerd op een directe theorie van wedergeboorte. Men stelt in de plaats daarvan een tweede wereld, of keizerlijke wereld, waarin de hemelkrachten de mogelijkheid geven om b.v. mandarijn of zelfs directe raadsheer van de Hemelse Keizer te worden. En ook deze wereld wordt door een volgende wereld weer gedragen, zodat de uitbreidingsmogelijkheden onbeperkt zijn. 60 HET ZOEKEN NAAR GOD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God Verbindende met de stelling der reïncarnatie kan men zich datzelfde ook op aarde denken. Het geheel houdt in, dat het goed is om dat te zijn, wat je moet zijn. En gelijktijdig betekent het een ontkennen van verantwoordelijkheid. voor datgene, wat buiten het "ik" ligt. Misschien mag ik u een voorbeeld geven in Westerse termen. Er komt een oorlog. Gij zijt in een familie, waardoor gij soldaat zijt geworden of misschien zelfs een officier. Dan is het volkomen logisch en volgens de wet, dat gij doodt. Gij behoeft daarover geen berouw te hebben. Gij zult het niet meer doen en zeker niet wreedaardiger dan uw plaats noodzakelijk maakt. Maar deze plaats is de uwe en indien u vervult volgens uw innerlijk plus de wetten van de wereld datgene, wat daartoe behoort, dan zijt ge vrij voor alle consequenties daarvan. Deze beroeren u niet. Wat u wel beroert is de misslag, die u maakt. Als u als officier b.v. leeft in vredestijd en er komt oorlog en gij weigert dan plotseling mensen te doden, dan hebt ge daarmede een smaad geladen op uzelve, maar ook op degenen, uit wie gij geboren zijt. Tevens hebt ge door uw tweeledige houding eer ontnomen aan degenen, die na u komen, zodat dezen niet in staat zullen zijn het door het voorgeslacht opgebouwde voort te zetten. Hierbij is de gehele gedachtegang er een van een grote kracht, die gelijktijdig een wetmatigheid is. In deze wetmatigheid hebben wij een taak. Maar slechts voor de taak, die de onze is, zijn wij verantwoordelijk. Het andere trekt zich van ons terug. De uitvoering van onze taak moot door onszelf worden beoordeeld. En vreemd genoeg is deze filosofie niet wat u zoudt noemen streng op de mores, op de moraal en op de zeden. Zij stelt n.l. dat de eigen placering in het leven vanzelf de mogelijkheden meebrengt. Onder deze mogelijkheden te kiezen is natuurlijk. Dat kan u niet verweten worden. Maar indien deze keuze in strijd is met de plaats, waarop gij u bevindt, in strijd is met uw wereld en daar geldende begrippen, dan bent u weer wel verantwoordelijk. Men heeft dus getracht een systeem op te bouwen, dat zelfs geen God nodig heeft, maar dat berust op een wetmatigheid. Een regel en een wet, waaruit de gouden staat geboren wordt. De gouden of Volmaakte staat is op zichzelf reeds de voltooiing of de voleinding. Zij komt in de plaats van hetgeen de christenen soms het hemels Jeruzalem noemen of het Vaderhuis. Wanneer er perfectie ontstaat, kan deze alleen bestaan, zo zegt de leer van Tao, wanneer elk onderdeel volledig datgene vervult, wat het binnen het geheel volbrengen moet. Eerst dan zal het geheel volwaardig zijn. En daarmede heb ik u ook daar weer een korte uiteenzetting gegeven van enkele waarden. Is dat voldoende voor u? Was Lao tze niet de eerste openbaarder van het Taoisme? Neen. Het is misschien moeilijk dit zo te stellen, maar elke leraar spreekt slechts in wijsheid, die reeds bestaat. De wijsheid groeit in het bewustzijn der mensen als gevolg van de kracht der goden, de goddelijke kracht. Wanneer dit bewustzijn sterk genoeg gegroeid is, dan vindt de wijsheid woorden, dan verkrijgt zij een mond. Degene, die dan fungeert als mond van deze wijsheid, is dus niet een feitelijke vernieuwer maar iemand, die de wetmatige vorm vastlegt van een kracht of een bewustzijn, dat reeds bestaat. In deze zin was Lao tze zeker niet de eerste, die over Tao sprak. De symbolen, die met Tao samenhangen, zijn veel ouder. Maar hij was wel de eerste, die daaraan een zodanige vorm heeft gegeven, dat zij een mystiek werd. Rung Pu tze heeft hetzelfde begrip genomen en het meer in de directe staatsvorm verwerkt. In beide gevallen heeft men echter gezocht naar een uiting voor het in het volk levende en bestaande gevoel van de absolute harmonische werking, waarbij alle dingen volledig op elkaar zijn afgestemd. Een dergelijke leer is in het oosten begrijpelijker dan in het westen. Ja, want ik begreep haar niet. Dat geloof ik heel graag. Maar misschien hebt u wel eens gezien, hoe men soms met een enkel meubelstuk een ruimte perfect kan doen uitkomen, een harmonie kan scheppen. Hoe soms een enkel schilderstukje, dat heel klein is, een hele wand kan vullen, alsof het ervoor gemaakt is. Er zijn dingen, die samenpassen. Kijkt u naar de voorstellingen, die de oud-Chinese kunstenaars hebben gemaakt. In een voor uw idee soms wat vluchtige vorm werpen zij een voorstelling neer. Soms een landschap met mensen, soms alleen maar een enkel beeld van een. god of een demon. Maar elke lijn is op de andere afgestemd in haar dikte, in haar HET ZOEKEN NAAR GOD 61

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God vervloeiing, zelfs in de wijze waarop men haar verwerkt, hetzij met inkt, hetzij met goudlak, misschien zelfs in de tienmaal gepolijste en gelakte kisten. Daarmee wordt de volmaaktheid benaderd of verkregen. Hetzelfde geldt voor het porselein. Het timbre en de tint van porselein plus de daarbij gebruikte motieven en de kleur, waarin deze motieven worden afgedrukt, moeten alle tezamen goed zijn, wil er een perfecte vorm uit groeien. Dit principe moeten wij niet alleen toepassen op voorwerpen, op kunst, op het afstemmen van de omgeving op de persoonlijkheid. Wij moeten het gebruiken voorheel het menselijk leven. Maar wanneer er nu een schilderstukje komt, dat aan een wand hangt, is het dan zelf voor deze affiniteit met die wand aansprakelijk? Neen, slechts wanneer het zou ophouden een schilderstuk te zijn of zichzelve zou veranderen, zou het de harmonie verstoren en daarin wel een aansprakelijkheid hebben. Als er nu een brand komt, die het schilderstuk verwoest, is het daarvoor aansprakelijk? Neen. Wanneer het kolenbekken in de kamer staat, omdat het ’s winters koud is en een kooltje daaruit ontsteekt misschien een papieren venster heeft het kolenbekken schuld? Heeft het kooltje schuld? Heeft het papier schuld? Neen, Deze verhoudingen zijn besteed. De verantwoordolijkheid kan zijn voor degene die de plaatsing van de drie t.o.v. elkaar heft vastgesteld en geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid, dat de houtskool knappend zou weg vliegen en nog brand veroorzaken. Zo zijn wij in het leven geplaatst. Deze plaatsing in het leven komt volgens de filosofie voort niet uit een onmiddellijk goddelijke wil, maar uit een noodzaak van ons wezen. Het is een wet, die ons daar plaatst, zoals een mensenhand een schilderstuk kan ophangen. Het feit, dat wij in deze stemming en in deze toestand verkeren, geeft dus aan, hoe wij op dit ogenblik in de wereld passen. Het heeft geen zin ons te onttrekken aan deze bestemming of te trachten ons erboven te verheffen. Is dat niet een gemakkelijke kapstok, waaraan je alles kunt ophangen? U zult waarschijnlijk deze filosofie inderdaad niet begrijpen, anders zoudt u deze opmerking niet gebruiken. Want u zult er zich toch van bewust zijn, dat een plaats in het leven zeer vele consequenties met zich brengt. En dat men al deze consequenties moet vervullen. Of dit de wetten zijn van de godsdienst, waartoe u behoort, de wetten van de keizer, die u regeert, af dit de regelen zijn, die de straat regeren, waarin ge woont dan wel de wijze, waarop het huis is ingedeeld, waarin ge geboren zijt, deze dingen zijn en daarom zijn zij goed. Slechts door deze dingen in uzelf te verwerkelijken en van uit uzelf te verrijken zonder ze te wijzigen, zult ge de volmaaktheid helpen bevorderen. Geloof mij, deze leer laat minder ontsnappingsmogelijkheden dan de interpretatie van de christelijke leer, zoals deze in het westen gebruikelijk is. Want ze kent geen genade en geen verlossing, doch slechts de noodzakelijke plicht om volledig jezelf te zijn in alle tijden volgens de plaats, waarop je staat. Het is geen zedenwet. Wanneer ge woont in een polygame gemeenschap, zult ge polygaam zijn. Dat is uw noodzaak. Woont ge in een monogame gemeenschap, dan zult ge monogaam zijn. Niet bepaalt, doch de wereld, waarin ge leeft. En door in die wereld een zo groot mogelijke harmonie te scheppen, verwerkelijkt gij dus eeuwige krachten, die worden voortgezet in wat u misschien noemt een hergeboorte, maar die men bij ons noemt: het Hemelse Keizerrijk. En dan is het nog noodzakelijk, dat gij de verbinding behoud, met de wereld. Want slechts door te zorgen, dat het nageslacht evenzeer dezelfde voortzetting inhoudt, kunt ge immers uw eigen plaats hier behouden. Gij zijt verantwoordelijk voor alles, wat ge hebt voortgebracht. Niet slechts aan kinderen maar ook aan daden, aan toestanden, aan wetten, aan regelen. En dit alles tezamen bepaalt uw plaats in deze andere wereld. Mij dunkt, deze leer kent veel gestrengheid. En zij is juist omdat zij geen ontwijken laat door een goddelijke genade of een goddelijk ingrijpen, maar een verplichting stelt voor de mens een zeer strenge en soms zeer harde leer. Maar ik geef gaarne toe, het vraagt een andere mentaliteit dan die van uw dagen. Maar hoe is dan de consequentie met de geweldige omwenteling,die zich nu in China voltrokken heeft? Gelooft u niet, dat i.v.m. wat u gezegd hebt, er een aanpassing moet zijn van die omwenteling aan dat oude klassieke? Laat ons het zo stellen, dat reeds op het ogenblik het oude principe zich zo sterk uit, dat de omwenteling in gevaar dreigt te komen. Want de wetten mogen veranderen, dat is niet onze 62 HET ZOEKEN NAAR GOD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God verantwoordelijkheid. Maar het wezenlijke van ons leven moet behouden blijven. Als u het volk van China thans gaat zien, zult u ontdekken, dat deze oude gebruiken en gewoonten nog ingeworteld zijn, zelfs in hen, die zich volledig van het oude afgesneden achten. Dit is zo sterk, dat er geen volk of geen macht op aarde is, die deze waarden in het volk van China veranderen kunnen. Ook zij niet, die zich vrij hebben gemaakt van hun eigen gebondenheid aan het volk door i.p.v. dienaren heersers te worden. In de komende jaren zal u dit nog steeds duidelijker blijken. De revoluties van China zijn niet zo gewelddadig, omdat zij gaan volgens de orde en de regel, zoals dat gepast is. Maar in dit gepast zijn, verandert er daar meer, dan men zich thans realiseert. En zou het westen minder willekeur tonen zoals nu, dan zal het in China een grotere steun maar voor zijn maatschappelijke vorm ook een groter gevaar vinden dan in het meer gevreesde Rusland. Ik hoop, dat u deze roem van een oud volk niet wilt zien als een poging tot zelfverheerlijking. Het is de waarheid, zoals ik die zie volgens de huidige ontwikkelingen. Een betere informator kunnen wij op het ogenblik niet wensen. Ik voel mij zeer gevleid en getroost door uw onwetendheid. Ik zou mij een betere informator kunnen wensen. Maar het vleit mij, dat u ook met mij reeds tevreden bent. Dus de achtergrond van het oude volk van China is, dat de waarheid daar dus altijd aanwezig zal blijven. Maar nu vraag ik mij af, hoe is het dan met de waarheid in Rusland gesteld? Is die waarheid dan daar net zozeer aanwezig als in China? Als u vindt, dat deze vraag niet in deze kring past, behoeft u haar niet te beantwoorden. Ik dank u zeer voor deze welwillende toestemming. Ik zal hier in zoverre op antwoorden, als het past voor deze kring. De volkeren der aarde bestaan niet zonder doel. De geest die incarneert, zoekt een lichaam met een bepaalde capaciteit, een omgeving met bepaalde mogelijkheden. Er moeten vele mogelijkheden zijn op een wereld, om een geest de mogelijkheid te geven snel te stijgen. Daarom heeft elk volk zijn eigen achtergronden. China was het volk, dat in de gebruiken en de wetten een grotere macht erkende dan zelfs in de keizer. Want ook deze was de slaaf van de wetten en de gebruiken, ondanks zijn schijnbare almacht. Rusland daarentegen is het land geweest van de brute heerschappij, van de innerlijke verzonkenheid, de sentimentaliteit en de vlucht uit de wereld. En ook dat bestaat er heden nog. Het volk van Rusland zoekt ook zichzelf te vinden en het kan zichzelf slechts vinden op de wijze, waarop het altijd geleefd heeft. Met wat u noemt barbaarse wreedheid, een hartstochtelijke kilheid, waarin het zwaarmoedige Slavische denken een redelijkheid doordrijft tot het punt van het onredelijke, en in wantrouwen tegen anderen, omdat het anderen niet begrijpt en zelf toch zeer begeert begrepen te worden. Dit volk zet zijn stempel op de komende tijden evenzeer als China, evenzeer als de Ver. Staten. Om u een voorbeeld te geven, dat misschien duidelijk maakt wat ik wil zeggen: In China stelt men zich Jezus niet voor als de zoon van een timmerman, zo vreemd als het klinkt. Hij is de zoon van een mandarijn, belezen in de klassieken, maar werkend voor hen, die deze gaven niet bezaten. In Rusland is Jezus een geheimzinnige en mystieke kracht, niet menselijk maar bovenmenselijk. Die de mens verheft in een roes, opdat hij tijdelijk boven zijn roes uitstijgende mens moge zijn, i.p.v. de onmenselijkheid van eigen bestaan te kennen. En Jezus in de V.S. afstand doend natuurlijk van de daar veel verkondigde gebruikelijke voorstellingen, a clean young man in crew cut. Een jongeman volgens de mode geknipt, een klein beetje bebopachtig. Maar in deze schijnbaar opstandige en revolutionaire wijze van leven en uitdrukking, gebonden aan oude gewoonten en gebruiken en in feite de uitdrukking van hetgeen zijn moeder verlangde. En toch was Jezus alleen maar een ingewijde. Maar ieder ziet hem op zijn manier. Maar zoals de volkeren Jezus zien, zo is hun eigen maatschappelijke vorm. Zo is hun honger naar bewustwording uitgedrukt. De Amerikaan verwacht de geborgenheid, En de geborgenheid waarbij het moederprincipe zeer sterk op de voorgrond komt. Niet voor niets noemt men daar de vrouw, ook wanneer er geen kinderen zijn, vaak "mam". In Rusland is het de roes, de vlucht uit de werkelijkheid, die men zoekt. Een roes, die wreed kan zijn en bloeddorstig soms. Soms kan leiden tot een roekeloos spel met eigen leven en bestaan, omdat men in de werkelijkheid zich verloren acht. En zo is dit volk en zo leeft het. En China, in China HET ZOEKEN NAAR GOD 63

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God zoekt men de perfecte samenhang waarbij een ieder in zo groot mogelijke vrijheid toch conform de geldende regels zal leven. Ieder op zijn plaats, geleid door het weten van andere geslachten, brengend een herschepping, een vervolmaking van hetgeen, dat was. Men heeft dit China zijn vrijheid teveel ontnomen. Daarom zal dit China, steeds meer revolutionair zijn: niet om te vernieuwen, maar "om een vorm te vinden, waarin deze behoefte aan vrijheid binnen de grootst mogelijke en regelmatig georganiseerde gebondenheid hernieuwd ontstaat, Daarmee heb ik u geantwoord, voor zover ik dit op deze avond wil doen. Mag ik aannemen, dat wij hiermede het einde van uw onderwerpen en vragen bereikt hebben? Dan dank ik u voor de grote eer, mij bewezen en het vertrouwen, in mij gesteld en hoop mij deze althans niet geheel onwaardig getoond te hebben. Ik wens u ook verder een zegenrijke avond met groter wijsheid en inzicht dan ik u kon geven. Goeden avond. EENVOUD Eenvoud. Eén zijn alle dingen. De schijn van meervoud, de veelvoudigheid van al, wat rond ons is, moet worden teruggebracht tot het ene. Er is één God in de wereld, één God in de kosmos, één kracht, één wezen en één bestaan. Alle andere vormen zijn alleen maar afleidingen daarvan. En geven wij hun een zelfstandig bestaan, erkennen wij hen als onafhankelijke waarden, dan verwarren wij ten zeerste het beeld van de werkelijkheid. In plaats van de waarheid vangt ons de waan. Hoe groter de veelheid van argumenten voor verschijningsvormen, die voor ons invloed hebben, hoe meer wij ons baseren op schijnbaar onafhankelijke gebeurtenissen en invloeden, die wij allerwege aantreffen, hoe sterker ons wezen in een waan gevangen wordt. Het filosofisch argument, indien het gericht is op het hoogste, kan eenvoudig blijven. Zoals men gesteld heeft in grootste eenvoud "ik denk, dus ben ik," zo kan men zeggen "ik honger naar God." Honger heeft een reden, dus bestaat God. (ik kan er achter zeggen: voor mij.) Op deze wijze kunnen alle andere overbodige argumenten terzijde worden gesteld, Wanneer mijn verlangen gericht is op God, wat deert het mij dan, of er engelen zijn of niet, Wat heb ik er dan belang bij, welke wetten die God heeft geschapen. Wat heb ik er belang bij welke werelden Hem behoren en welke persoonlijkheden die werelden bevolken: Wanneer ik zoek naar God, dan is een eenvoudig aanvaarden van Zijn wezen beter dan alle redelijk betoog van alle wetenschappelijk onderzoek. Eenvoud betekent: steeds weer de kern van de zaak zoeken. Wanneer u leeft en wanneer u denkt, dan zult u tot de conclusie moeten komen, dat u vele malen iets hebt gedaan op een onnodig ingewikkelde manier. Dat ge vele malen regelen hebt gesteld of gesteld hebt gezien, die in feite een verspilling van werk, van denken, van kracht en van geld betekenen. Men is van de eenvoud afgeweken en betaalt daarvoor een dure prijs, Eenvoud is het terugbrengen van de dingen tot hum essence. Het betekent ook dat men afstand doet van overbodige ingewikkeldheid van een overbodig uitvoerig belichten, van pseudo-wetenschappelijkheid of een pseudo-filosofische verhandeling, wanneer men het afkan met een paar rechtstreekse woorden. Bedenk wel, dat eenvoud volgens een bekend gezegde het kenmerk is van het grootse. En wanneer wij Jezus zien wij zien de leraren en de Boeddha, ja, zelfs Mohammed in zijn gloriedagen, dan valt het ons op, dat zij eenvoudig zijn. Wanneer wij zien, welke vorsten in de wereld het meest betekend hebben en de grootste macht hadden, dan zien wij, dat zij eenvoudig waren. Zij gingen recht op hun doel af en bereikten het, ten koste van alles. Daarom is eenvoud voor ons ook zo belangrijk. Verwerven van al hetgeen wij begeren is mogelijk, wanneer wij eenvoudig op ons doel afgaan, niet wanneer wij omwegen zoeken. Eerlijkheid en eenvoud zijn simpel. Het is het rechtlijnige en het rechtstreekse. Wie zoekt naar waarheid, zal niet moeten zoeken naar de ingewikkeldste verklaring of de meest omvattende, of de meeste details aanstippende verklaring. Maar naar die aanduiding, die met zo weinig mogelijk woorden in een zo juist mogelijk beeld de werkelijkheid vertegenwoordigt. Een aanvaardbare werkelijkheid. Vandaar dat om eenvoud te bereiken een belangrijk werkwoord bestaat: vereenvoudigen. Meer terugbrengen tot zijn grondslagen en zijn principes. Wanneer wij een bezwering uitspreken, dan kan het zijn, dat de eenvoud van anderen, hun onbegrip voor de simpele waarden hen minder gevoelig maakt voor een rechtstreekse bede dan voor een barbaars ritueel met vele namen. Dan is het de eenvoud onzerzijds, die ons 64 HET ZOEKEN NAAR GOD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 december 1958 Les 4 – Het zoeken naar God dwingt ons daarbij aan te passen, omdat wij een doel hebben te bereiken en de middelen mits verantwoord aan het doel mogen worden aangepast. Op deze wijze werken wij. Zo kunt ook u werken: in de wereld nemend het eenvoudigste middel, dat het u mogelijk maakt uw doel te bereiken. Gebruik de eenvoudigste weg en zeg het met de eenvoudigste woorden Zo komt u eerder tot een grootheid van begrip en van werken dan op een andere wijze. En wanneer het gaat om God, kunnen wij ons een simpeler schepping voorstellen dan: "Het worde licht en er was licht"? Deze eenvoud is voldoende. Zij schept in zeven dagen een wereld met een mensheid. En zelfs dan heeft God nog tijd tot rusten. Hoe eenvoudig. Maar hoe juist. Juist omdat God in de veelheid van Zijn functies Voor ons niet te begrijpen is. Juist omdat wij de tijden niet kunnen afmeten, zoals ze voor God bestaan. Juist omdat wij niet weten wie, wat en hoe Hij is, maar wel Zijn schepping zien. En de verhouding tussen God en Schepper drukken wij dan simpel uit. De eerste dag sprak Hij: "Er zij licht, en het werd licht." Dat is in onszelven precies hetzelfde. Wij kunnen zoeken naar redenen voor al, wat wij doen, duizendmaal weer. Maar is het niet eenvoudiger te zeggen: "Dit is goed, dus doen we het. Dit is kwaad, dus doen we het niet"? De eenvoud van alle dingen is saamgebracht in de grote en geheime naam van God. Is saamgebracht in de klanken, die werelden kunnen beheersen. Er is een klank "AUM", die in staat is een wereld op te bouwen of te verpulveren. Hij is te vinden in de gedachten en de beelden van hen, die "ingewijd" worden genoemd, omdat ze de eenvoud van het leven uiteindelijk hebben beseft. Eenvoud is niet slechts het kenmerk van bewustzijn of waarheid. Het is het kenmerk van de scheppende Kracht zelve, die IS. Indien wij in nederige eenvoud die Kracht aanvaarden zonder aarzeling, zonder wantrouwen, zonder beperking of conditie, dan zullen wij ons er bewust van worden, dat door deze eenvoud een eenheid bereikt wordt, die alles ver te boven gaat en die met andere middelen vergeefs wordt nagestreefd. Wanneer we die eenvoud niet zonder meer kunnen bereiken, dan dienen wij onszelf te schalen tot deze eenvoud. Opdat wij steeds scherper de essence der dingen kunnen omschrijven, steeds zuiverder onszelf kunnen overgeven aan het werkelijk essentiële, bijzaken buiten beschouwing latende. Voor allen, die naar bewustzijn streven en bewustwording zoeken, geldt de les, die ik hier aan het eind van mijn betoog wil stellen: Vraag niet naar redenen, wanneer het Zijnde u voldoende is. Vraag niet naar gevolgen, wanneer het Zijnde u voldoende is. Vraag niet wat God beweegt, wanneer Hij u schept: het Zijn moet u voldoende zijn. Vraag niet, hoe gij God kunt begrijpen, maar aanvaard Hem. Opdat gij met Hem zijnde vervuld moge zijn van het ware en werkelijke leven. En daarmee zullen we deze bijeenkomst besluiten. Vrienden, ik wens u allen een aangename avond en een gezegend geestelijk werk toe. En ik spreek de hoop uit, dat deze avond voor u iets meer licht ontstoken moge hebben, opdat ge zult leren ook in deze uzelve genoeg te zijn, doordat ge God aanvaard hebbende geen betoog en beredenering meer nodig hebt, doch slechts het innerlijk weten. Goeden avond.

HET ZOEKEN NAAR GOD

65

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten Goeden avond, vrienden. Wij zullen ons vandaag weer wat gaan bezighouden met de esoterie en daarbij wil ik deze keer graag de nadruk gaan leggen op sommige:

SEMI-MAGISCHE ASPECTEN.

U hebt in de loop van de tijd een inzicht kunnen krijgen in de verschillende beelden, die wij omtrent kosmos, kosmische harmonieën e.d. hebben opgebouwd. Nu is echter de grote vraag, die wij ons vandaag gaan stellen: Hoe kan in een stoffelijk leven deze innerlijke harmonie worden gerealiseerd? Ik hoop dat het onderwerp uw goedkeuring kan weg dragen. Alles in de schepping is trilling. Nu zijn er bepaalde krachten, die elke trilling mee omvangen, zoals het witte licht het gehele gamma der kleuren in zich kan bevatten. Op deze wijze bestaan er enkele krachten in de kosmos. Een van de meest belangrijke is wat wij noemen de scheppende gedachte of soms ook het scheppend vermogen. Dit is niet identiek met God, maar het is de onmiddellijke uiting Gods, deze onmiddellijke uiting is met ons allen onmiddellijk verweven. Want elk wezen heeft een ziel en elke ziel is een gedachte van het Goddelijke, waarin het totaal van de schepping wordt geopenbaard en geuit. Deze ziel, die in ons leeft, is in staat harmonisch te zijn met álle dingen in de schepping, niets uitgezonderd. Daaromheen bevindt zich de geest. De geest, die selectief is en eenzijdig vaak. Zij wijst sommige kleuren af, zoals ook een vlak bepaalde trillingen absorbeert en andere weerkaatst. Schijnbaar ons houdende aan deze lichttheorie zou het het beste zijn, wanneer onze ziel mét geest een soort spiegel zou zijn, God weerkáátsende. Maar dat is nu juist niet waar. Integendeel, onze geest moet alles absorberen. Zij moet alles in zich opnemen, om zó alle waarden, die in de ziel reeds bestaan, tot een gekende werkelijkheid te maken. Wetende dat wij eenzijdig zijn, kunnen wij in de uiterlijke wereld niet alle mogelijkheden, alle kleuren, alle trillingen gelijktijdig volgen. Wij zullen ons moeten beperken tot een enkele. Nu weten wij echter allemaal, dat wanneer ik een bepaalde kleur compenseer tot zij wit wordt, zij onmiddellijk aan alle waarden van de kleur wit beantwoordt: ook aan weerkaatsing, ook wanneer het licht is aan het inhouden van het totale kleurengamma. Het is op deze wijze, dat een mens móet zoeken naar de harmonie, die voor hem past. De vele wegen, die bestaan, zijn niet alle voor ons gemaakt. De vele mogelijkheden tot harmonie, die rond ons schijnen te bestaan, zijn niet alle even krachtig en even gelijkelijk geldig voor ons. De wegen, die wij gaan, moeten gebaseerd zijn op ons bewustzijn. En ons bewustzijn moet gebaseerd zijn op een vrijdom van begeven en een vrijdom van angst. De kosmische harmonie in jezelf te verwerken, uitgaande van de trilling waarmee je het gemakkelijkst harmonisch bent, geeft de mogelijkheid om snel de innerlijke waarheid te leren kennen. Dit is in feite een verwerkelijking van het "Ken uzelve". En zelfs meer dan dat: het is een "Ken God." Ik zou u gaarne enkele voorbeelden willen geven om u duidelijk te maken, hoe dit proces te gebruiken is vanuit een stoffelijke werkelijkheid. Stellen wij allereerst een veel voorkomende weg, de weg van de genegenheid of van de liefde. Je hebt een enkele mens of een enkele gemeenschap lief. Daar hoor je bij, daarmede ben je harmonisch of zou je harmonisch willen zijn. Maar die relatie is niet juist en niet zuiver gesteld. Want op het ogenblik dat je die harmonie met enkelen zoekt, kan door de meest onvoorziene omstandigheden, zelfs door een niet verstaan van die ander een plotselinge disharmonische kwaliteit optreden, die je onmiddellijk lijden bezorgt. Lijden, angst, verlies, in sommige gevallen ook jaloezie.

66

SEMI-MAGISCHE ASPECTEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten Deze wanhopige gebondenheid blijft aan de buitenkant: maar naast deze harmonie, die schijnbaar teloor gaat, liggen andere harmonieën, die onmiddellijk bruikbaar zijn. Harmonieën, die de genegenheid transponeren. Wat eens een persoonlijke band, een persoonlijke hechting is geweest, wordt overgebracht op een groter geheel. Op de duur probeert men het over te brengen in een beminnen van het leven. En dan stroomt ons van alle kanten plotseling een rijke reeks van gegevens toe. Je begeert niet meer de simpele genegenheidsvormen, die je tot op dat ogenblik onontbeerlijk hebt geacht. Je vraagt niet meer de eenzijdige gerichtheid. Je vreest ook niet meer de verstoring van een harmonie. Want zolang die hele wereld voor je openstaat en je met die hele wereld harmonisch bent door je streven, door je werken, door je denken, zolang al hetgeen je doet op die wereld in feite wordt gedragen door een respect voor, maar vooral een liefde voor al het levende en alle mensen, wordt hierin de liefde langzaam maar zeker een zelfopenbaring. Want in de wereld, die op u toestroomt, de krachten, die u daarin vindt van genegenheid, die u past en de afwijzing, die u koud laat, omdat zij niets meer te maken heeft met uw werkelijk streven en denken, vindt u de vorm van eigen geestelijk bestaan. En het geestelijk bestaan in zijn eenzijdigheid maakt het mogelijk via deze weg door te dringen tot een concert met hogere krachten, met het Goddelijke. Ze kan langs de weg van de genegenheid, die in de praktijk meestal wordt "het dienen", onmiddellijk de ziel benaderd worden. Maar hoe dichter wij bij die ziel komen, hoe kleiner het verschil wordt tussen onze weg en andere wegen en hoe groter de harmonie zelfs met schijnbaar volkomen tegengestelde waarden. Het conflict is immers een conflict der uiterlijkheden, niet van de innerlijke waarden. De tweede weg, die op aarde ook redelijk veel voorkomt, is die van het weten. Want naarmate je meer weet van je wereld en van alle krachten, die daarin kunnen voorkomen, zul je meer één kunnen zijn met die wereld, omdat je handelen is gebaseerd op heen redelijk erkennen. Erkenning na erkenning groeit langzaam, maar zeker aan tot een vermogen het beste te willen. Het juiste willen vloeit n.l. voort uit het weten. En heb je feit op feit gestapeld, dan betekent dat, dat uit die reeks van feiten je een conclusie trekt over de wereld: een streven. Een streven, waarbij elk wezen in jezelf wordt gecorrigeerd en bevestigd, zodat het deel wordt van de geesten In de geest steeds meer wáár wordt, harmonisch met de kracht van de ziel. Is eenmaal die harmonie zo groot, dat je kunt doordringen in de lichtende vermogens en ruimten van de ziel, dan is er geen twijfel meer en geen vragen. Dan is er de grote zekerheid. Want vanuit de ziel zijn alle andere wegen en waarden plotseling geheel overzichtelijk en bevatbaar. Wij vinden wederom God, in Zijn schepping geopenbaard, vanuit onszelven. Een weg, die moeilijker is en vaak minder "slagen" voortbrengt, is de weg van het geloof. Natuurlijk, het is goed te geloven. Maar een geloof is een zeer wankele, zeer onstabiele factor in het bestaan. Geloof wordt meestal gebaseerd op een paar formules, maar in feite is het een voorstellingsleven. Je gelooft aan een God. Goed. Je stelt je die God voor. Je denkt, dat die God iets doet. Je hebt een beeld daarvan, anders kun je niet aan die God geloven. Je gelooft, dat er bepaalde wetten bestaan. Uitstekend. Maar dat geloof aan die wetten is weer gerechtvaardigd door een reeks van voorstellingen in jezelf. Het gevolg is, dat deze voorstellingen en beelden in ons bij een geloof maar al te snel vaag warden. Wij formuleren het geloof en wij laten de beelden, waaruit de geloofswaarden zijn gesproten, langzaam maar zeker verbleken. Wij laten ze vervluchtigen als een nevel, die verdwijnt voor de zon. En dan staan wij daar, met woorden, met begrippen, waarvan de inhoud voor ons niet meer reëel is. En wij gaan ons geloof wijzigen. Niet om het aan te passen aan God en de werkelijkheid, maar aan ons eigen denken, ons eigen streven, ons eigen verlangen. En dat streven, dat verlangen, dat denken is niet kosmisch, dat is menselijk. O, ik weet het allemaal heel goed en u weet het net zo goed als ik: men wil geloven en uit het geloof wonderen doen. Maar men wil vooral ook graag gerechtváárdigd worden. Men wil met het geloof anderen dienen, zeer zeker. Maar wanneer dat "ik" dan toch maar gelijk krijgt, opdat de juistheid van eigen opinie en overtuiging naar voren worden gebracht. En dan gaan wij ons geloof wijzigen, totdat wij menen krachtens dat geloof de resultaten te krijgen, die SEMI-MAGISCHE ASPECTEN 67

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten nodig zijn volgens ons uiterlijk. Daarom is die weg van het geloof voor velen een zeer wankele en gevaarlijke weg. Toch kan ook het geloof ons tot bewustwording brengen. Wij moeten daarvoor begrijpen dat de ziel (het direct Goddelijke, zoals in de mens geopenbaard) ook in de geest en dóór de geest in elk ander voertuig zijn werking doet uitgaan. Er zijn in ons denkbeelden, die precies aangeven, waar de ziel behoort in het goddelijk scheppingsstelsel. Denkbeelden, die vaag zijne maar die b.v. in de stof of de geest snel groeien tot beelden. Beelden, waarin een dwang is, een plicht, die gelijktijdig een behoefte wordt. Indien wij zo geloven, dan is het goed, want dan vervullen wij krachtens dit geloof ongeacht de kosten voor onszelven met een volledige overgave aan God de wetten, die God in de ziel heeft neergelegd als grondeigenschappen van Zijn eigen bestaan, Zijn eigen wezen. Het is duidelijk, dat deze weg zeer grote harmonieën kan doen ontstaan. Maar evenzeer is het zeer helder en duidelijk, dat niemand deze harmonieën bereiken kan, zolang hij zichzélve nog erkent als belangrijk of waardevol. Het negativisme t.o.v. de persoonlijkheid brengt de realisatie van God, indien wij de weg gaan van het geloof. Een volgende weg is de weg van de daad. Het is soms beter verkeerd te handelen dan niet te handelen. Stilstand is niet in feite bezinning. Het is een laksheid, waardoor men zich aan een noodzaak tot veranderingen tracht te onttrekken. Degene, die zich bewust is van zijn verantwoording, die bewust leeft en een doel najaagt, zal te allen tijde daad na daad stellen. Van dit standpunt uitgaande is het duidelijk, dat elk doel, dat wij nastreven, in zekere zin verwant moet zijn met althans een déél van het Goddelijke. Volgens de wet van oorzaak en gevolg brengt elke daad gevolgen met zicht die opnieuw van ons een besluit en een daad vergen, zodat wij door compensatie op de duur een volmaaktheid kunnen bereiken. Want steeds weer zal onze daad gezien de ervaringen, die wij in de gevolgen opdoen ons dwingen tot daden, die een verbetering zijn. Op deze wijze vinden wij langs de weg van de daad een persoonlijkheidsuitdrukking, die parallel loopt met bewustzijn en streven van onze geestelijke krachten. En deze geestelijke krachten dragen in zich de ziel. De ziel, die erkenbaar wordt, wanneer een deel van de geest althans volledig is gerealiseerd. Zo kan men ook langs deze weg de ziel bereiken. Het zal u duidelijk zijn, dat wij dus de esoterie in de bewustwording wel degelijk in de praktijk kunnen brengen. Het is ons veel degelijk mogelijk om zelfs in een stoffelijk bestaan tot een onmiddellijk contact met de ziel en dóór de ziel met God te komen. Maar daarvoor moeten wij allereerst onze instelling t.o.v. het leven wijzigen. U zult zich misschien afvragen: Hoe moet ik die instelling dan wijzigen? Dan kan ik alleen hier de praktijk naar voren brengen. U zult moeten erkennen, dat veel van uw problemen, veel van uw gedachten, veel van uw vermeende werken in feite niet in overeenstemming is met uzelf. U zult moeten erkennen, dat uw denken en uw willen klaarblijkelijk niet goed of niet juist zijn, omdat u daden stelt, die daaraan duidelijk geheel tegengesteld zijn. Die realisatie is nodig. Je wilt het een en je doet het ander. Dat wat je doet wordt niet gedaan zonder noodzaak. Niets in de schepping is zonder noodzaak. Er kan niets gebeuren in de schepping, wat niet direct gereleerd is met God, omdat het totaal van de schepping en alle gebeuren in de schepping tezamen Gods wezen uitdrukken, Gods wezen, dat een volmaaktheid is. Wanneer wij dus voor dit probleem komen te staan (wij handelen anders dan wij willen), dan moeten wij nagaan, waar ons willen fout is. Hoe onze instelling t.o.v. wereld fout is. Het is niet altijd gemakkelijk om dat te erkennen, want je ruilt jezelf niet graag toegeven, dat er fouten zijn. Je wilt jezelf niet graag toegeven, dat je eigenlijk dwaas bent. Veel liever redeneer je je problemen weg door te aanvaarden, dat je - en noem dan maar op - toch bijzonder rechtvaardig bent, zo bijzonder gesteld bent op de mensen, of zo bijzonder vel behoefte hebt aan dit of aan dat. Maar dat is niet waar.

68

SEMI-MAGISCHE ASPECTEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten Er gebeurt niets zonder reden. Niets, dat niet goed is, indien wij streven naar de Scheppers Alle dingen zijn een. Dit te realiseren en te aanvaarden is op alle wegen steeds weer de eerste schreden. De tweede schrede is in de praktijk altijd weer het je aanpassen aan dit nieuwe begrip. Die nieuwe aanvaarding moet in de daad worden omgezet. Of dit nu een daad van geloof is of een zoeken naar een ander weten, of dit misschien een nieuw beeld is van de werkelijke betekenis van liefde, is van weinig belang. Je moet een nieuw standpunt innemen. Een standpunt, waarin alle dingen, die in je leven, goed zijn, aanvaardbaar zijn en niet een innerlijk verzet doen rijzen of zelfs wanhoop doen ontstaan. Want eerst, wanneer je de weg erként, die je moet gaan, door te aanvaarden wat thans je werkelijkheid is, kun je de schrede stellen naar binnen toe. Vanuit dit aanvaarden kun je n.l. de redelijke, voor je God, voor je ziel, voor je geest, voor je weten verantwoorde wijze van denken en handelen volgen. Anders dan dat is er geen mogelijkheid. Al die handelingen, die bewogen worden door de verdrongen complexen der mensen, door de waanvoorstellingen, die zij zichzelf hebben geschapen, brengen mens en uiteindelijk ook de geest verderaf van die eenheid, die harmonie, die noodzakelijk is. De harmonie, die uitgedrukt in geest en stof uiteindelijk de ziel beroert en daaruit God reëel maakt. En dan moet je natuurlijk verdergaan. Dat verdergaan is in praktisch alle gevallen je wijze van leven veranderen. Dat klinkt misschien vreemd. Maar wanneer wij één weg willen gaan, wanneer wij uit de praktijk uit de stoffelijke praktijk desnoods willen komen tot de grote harmonie met de kosmos, dan moeten wij in de eenzijdigheid van het pad, dat wij gekozen hebben, kunnen voortgaan. En dit nog wel zonder ooit iets, wat naast of buiten dit pad ligt, te vervoerpen of te veroordelen: het slechts stellende buiten ons eigen spoor van denken en handelen. Wij moeten de hele wereld kunnen verdragen. Wij moeten al het zijnde kunnen liefhebben. Zeker. Maar wij moeten streven in één richting. En die ene richting betekent over het algemeen voor de stof een beperking van reacties, een beperking van handelen, een beperking ook in zekere zin van vrijheid. In zekere zin. Want de mens, die dát volbrengt, wat hij wil en dit voortdurend kán voortzetten, is in feite vrijer dan wie ook. Maar een zekere beperking. Want omdat ons streven het totáál van ons leven moet worden, kunnen wij niet daarnaast nog andere dingen voor onszelf gaan hanteren. Je kunt niet de weg van de liefde gaan én van het voeten gelijktijdig. Wij kunnen de weg van de liefde gaan, die voor ons denken en ons karakter ondersteund wordt door het voeten. Maar dan blijft deze uitdrukking van alomvattende genegenheid de meest belangrijke. Wij kunnen de weg gaan van het handelen en dan kunnen zekere overwegingen ons bij dat handelen leiden. Maar de handeling is primair. En als de overweging niet voldoende is, dan moet dat handelen voortgaan ondanks dat. Het betekent dus in zekere zin een beperking. Goed, die beperking moet je accepteren. En in die ene beperking moet je jezelf steeds meer harmonisch maken met elke kracht, die je erkent. In de stof betekent dit o.m., dat je a.h.w. je eigen gezelschap kiest. Je gaat niet zo maar eens willekeurig met een paar kennissen uit. Je zoekt mensen, die je geestelijk verstaan. Je zoekt mensen, die passen bij jouw denken, jouw weten, jouw handelen, jouw uitdrukking van kosmische genegenheid en wat dies meer zij. Voor de geest betekent het ook weer een beperking. Want als je eenmaal een bepaalde weg hebt gekozen zoals wij uiteindelijk de weg van het wéten hebben gekozen, gesteund door de kracht der liefde maar met het weten primair dan zult u vanzelf ontdekken: ik ben eenzijdig, want er staan veel groepen, die schijnbaar lijnrecht gericht zijn tegen hetgeen ik tracht te bereiken. En dan is het heel erg moeilijk om niet bitter te worden, niet uit te vallen. Dan is het heel erg moeilijk om te zeggen: Maar ook dát is goed, ook dát heeft zijn betekenis en zijn inhoud. Alleen kan ik dát op het ogenblik er niet van aanvaarden". Of. "Dit is voor mij onbegrijpelijk, het is heel moeilijk." Maar ook dát kun je je voorstellen. En dan zult u ontdekken in de stof én in de geest, dat op een gegeven ogenblik een groter weten, een groter persoonlijkheid zich aan u openbaart. U kunt dan misschien zeggen, dat u plotseling contact hebt met de Heren des Lichts, de Heren van Genegenheid, van Wijsheid, van SEMI-MAGISCHE ASPECTEN 69

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten weten. Groot geestelijke krachten. Want door uw streven bent u rijp geworden voor een scholing. Die scholing zal zich in een stoffelijk leven vaak uitdrukken in onverwachte gebeurtenissen. Zoals een kind op school zijn schoolopgaven te maken krijgt, zo krijgt u in uw leven beproevingen te dragen. Beproevingen, die niet uitdrukkelijk niet behoeven te bestaan uit leed Dat ligt aan uzélf. U kunt het er van maken, maar dan is de oplossing fout. Problemen, die voor u vooral betekenen een aanpassen en toch een gelijktijdig verdergaan op het gekozen pad. Een voortdurende aarspassing is noodzakelijk. Want pas wanneer u dát hebt gedaan, gaat u weer een stap verder. Dan ontdekt u, dat boven deze krachten vanuit menselijk standpunt haast goddelijk andere, nog lichtender, nog grootsere velden van bewustzijn liggen. En ook in deze vindt u op de duur bepaalde harmonieën. Het is niet een wéten of een helderzien. Het is zelfs geen droom. Het is een haast onbegrijpelijke trilling in jezelf, alsof bij bepaalde gebeurtenissen een snaar aanspreekt en automatisch een trilling terugwerpt in de wereld. Zo beroerd, kunt u dan uiteindelijk leren de parallellen te zien in uw eigen wezen. Want u leeft van buiten naar binnen toe. Het is mogelijk al deze dingen hoe moeilijk als ze u schijnen in één kort mensenleven te volbrengen. Toch is de tijdloze wereld, de tijdloze ruimte, waarin wij in feite bestaan, voor ons voortdurend toegankelijk. En wij kunnen zowel in duizend levens als in één leven de kennis van het innerlijk "ik" begrijpen. Is het bereikt, dan valt er weinig meer te zeggen. Want de groot kosmische harmonie is niet één trilling. Dat heb ik reeds gezegd. Het is als het witte licht, het omvat de scala van alle trillingen. En nu zult u het met mij eens zijn, dat wanneer wij het licht van de zon zien en weten, dat er kleuren in zijn als geel en rood en paars en violet en oranje, vele banden van afzonderlijke tinten met nog overgangstinten, wij toch bij het zien van de zon zeggen "Dit is het zonnelicht, het witte licht." Op dezelfde wijze gaat het ons, wanneer wij in de goddelijke harmonie zijn opgenomen. Wij behouden onze eigen werking, onze eigen kracht. Wij vinden langs de weg, die wij gevolgd hebben, onze eigen plaats. Maar de totale werking doet ons niet meer als afzonderlijke uiting naar voren treden. Verwerkt in het Goddelijke, zijn wij gezamenlijk de volmaaktheid. Een enkele keer kunt u zich dat misschien op aarde realiseren. Een enkele keer. Een enkele maal kun je in de geest verdoofd zijn in een flits van verrukking en jezelf één voelen met ongeweten krachten, en grootheden. Dat is praktijk, die wij niet kunnen beheersen. Maar de weg, die leidt tot dit alles, de weg van het kiezen, het vaststellen. Dit is mijn taak en mijn weg volgens mijn beste weten, het vervolgen van die weeg ten koste van alles, het trachten de te persoonlijke begeerten en angsten terzijde te zetten en daarvoor een meer algemeen, een meer omvattend begrip te krijgen, dat daardoor juist stabieler wordt, dát kunt u vandaag aan de dag. Het is mogelijk voor u om in betrekkelijk korte tijd van intens streven te komen tot een harmonie, die grijpt tot in de ziel, die grijpt tot in het Goddelijke zelf. De kern van alle esoterié en zeker dus ook van onze leringen en al ons streven, is in feite niets anders dan deze samenklank met God, de kennis van het innerlijk wezen. Daarmede heb ik dan het eerste deel van mijn betoog beëindigd. Maar op het gevaar af, dat ik uw geduld op de proef stel, wil ik er nog een soort epiloog aan vasthechten. Alle z.g. sympathische werkingen in feite dus uitdrukkingen van harmonie hebben wat wij noemen een magisch aspect. Die magie, dit onbegrepen zich uitdrukken van goddelijke wetten, komt meer voor dan men denkt. Twee mensen ontmoeten elkaar. Ze beroeren elkaar misschien. Er springt een vonk over en er is plotseling een relatie geschapen, die zeer moeilijk indien al te verbreken is. Een mens komt in een land, dat hij nooit heeft gezien. Plotseling ontwaart zijn oog een stad, een tempel, een tuin, een boom misschien alleen een legt vlakte. En het is alsof de trilling uit de grond in hem optrekt en alsof hij gevoelt, dat hij voor eeuwig hier behoort. Dat is de magie, die uit het sympathische voortkomt. Het optreden van gelijke trillingen, waardoor eenheid in contact wordt geschapen. Er zijn blanken, die Azië beter verstaan hebben

70

SEMI-MAGISCHE ASPECTEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten dan Aziaten. Er zijn ongelovigen, godloochenaars zelfs, die dieper zijn doorgedrongen in het wezen der filosofie dan menigeen, die daarvan zijn beroep heeft trachten te maken. Voor ons bestaat deze magie dagelijks. Zij openbaart zich in de simpelste vormen vaak als een onverwacht begeren of een onverwachte vrees. Een ogenblik van plotselinge vrede of van gejaagde onrust. Een mens begrijpt dat meestal niet. Hier wordt de grondwaarde van het eigen wezen getroffen door een trilling, die volledig daarmee samenklinkt. Hoe verder wij komen, hoe verder wij onszelf op een bepaalde weg a.h.w. richten en sterker harmonisch maken, hoe krachtiger de waarden, die in ons wezen zullen meetrillen en hoe groter de eenheid, die wij met bepaalde aspecten van de schepping zullen verkrijgen. Nu had ik het hierover semi-magisch zo-even. Semi, omdat er geen bewust streven tot beheersing bij is. Maar magisch, omdat er werkingen ontstaan, die je niet begrijpen kunt. Die je alleen maar ondergaat en eerst langzaam heel langzaam ziet worden tot een weten i.p.v. een simpel en onverwacht gebeuren. Naarmate u verdergaat op een bepaald pad, zult u sterker het contact voelen met andere mensen, andere wezens, omstandigheden, geesten, sfeer. Met elk dezer dingen bent u door uw streven bijzonder sterk gebonden. Maar zo ontstaat er ook wat wij wel eens een geneigdheid noemen. Wanneer u sterk sympathisch bent, sterk harmonisch bent met een bepaalde sfeer, werkt de kracht van die sfeer, op u in en helpt u. Zoals uw wezen ongetwijfeld ook die sfeer zelf helpt zuiverder, sterker en reiner te zijn. Over en weer gaan deze invloeden en zij helpen u om indien de eerste schreden gezet zijn op de weg steeds sneller en met steeds minder moeite voort te gaan. Een enkele maal gebruikt men voor de bewustwording het beeld van de berg. Het is meestal een soort Danteske Louteringsberg, waar de mens moeizaam weg na weg gaat, gekweld door het lijden. Soms ook is het de steile, onbegaanbare rotswand, die steeds grotere gevaren biedt, naarmate je verder voortgaat. Deze voorstellingen zijn onjuist. Want naarmate u hoger komt in het bewustzijn en in het weten, in die mate zult u ook harmonisch zijn, één zijn. Om de vergelijking een ogenblik voort te zetten. Wanneer u beneden bent moet u zelf, zonder enige middelen, trachten die eerste hinderpalen te overwinnen. Daar is ontmoediging, daar is val en teruggang gemakkelijk. Maar wanneer u wat verdergaat, dan blijkt reeds, dat er pennen zijn geslagen, waaraan u zich kunt optrekken, waarop u kunt steunen. En gaat u nog verder, dan blijkt, dat de rots zich vormt naar uw behoeven, dat ze u grepen toont. Gaat u nog verder, dan lijkt het wel, dat de aantrekkingskracht van de rots zelve u met duizenden zachte handen pakt en omhoog draagt, tot u op de top bent. Dat is natuurlijk magie en het is onbegrepen, maar het is een goddelijke wet. Alles wat harmonisch is betekent een wederkerige versterking. De kracht van meerderen is het veelvoud van de krachten die de delen voor zich alleen zouden bezitten. Toegepast op de innerlijke wijsheid, de innerlijke waarheid. Hoe scherper en duidelijker de eenheid tot uitdrukking wordt gebracht en hoe zuiverder de harmonische werking tussen mens en mens, tussen mens en geest tussen mens en wereld zich openbaart, hoe moeitelozer de mens wordt verheven tot dát punt waar hij in een ogenblik van gewaande eenzaamheid rond zich ziet en zijn eigen wezen geopenbaard ziet voor een eerste maal: voor een eerste maal aanschouwende achter de pieken van begoocheling en waan het eeuwige licht, dat het leven betekent Dan zal men misschien nog een ogenblik zeggen "Hier sta ik alléén". Maar voor men het weet, worden eigen gedachten opgedronken door de rots, waarop men staat, door de hele wereld, waarmee men in contact is. Totdat het lijkt of elke gedachte, elke verrukte uitroep een echo vindt, die voortklinkt tot verre achter alle hemelen. En dan? Dan heb je geen houvast meer nodig. Dan weet je: Ik ben de rots. Dan weet je: Ik ben het licht, ik ben de hemel en de aarde en in alle dingen besta ik. Op dat ogenblik is de weg volbracht. De semi-magische werking, die u haast onbewust door uw daden heeft veroorzaakt, door uw streven hebt geactiveerd, is het, die u de voleinding heeft doen bereiken. Want dit is dé goddelijke wet, eeuwig en onveranderlijk. Wie streeft tot God, streeft mét God. Wie streeft tot licht, streeft mét licht. En wie streeft met God, is geboren in Gods krachten. Wie streeft met licht, ontvangt de helderheid van het licht, naarmate de harmonie groter wordt. Ja, het is SEMI-MAGISCHE ASPECTEN 71

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten mogelijk de stellingen der esoterie in de praktijk te brengen en tot een misschien voor anderen nog "persoonlijk" geziene maar in feite kosmische beleving te maken, die bevrijding is van alle stoffelijke beënging en beperking en eenheid met de kosmos doet zijn de grote vreugde en de grote vrede van het hele wezen. En dat, vrienden, was mijn epiloog. Wij willen nu eerst pauzeren in de hoop, dat u dit onderwerp nog even zult wilden overwegen en zo nodig, onderling bespreken. Daarna gaan wij verder met onderwerpen, door u zelf te kiezen, die misschien van een ietwat ander gehalte zijn. Misschien mag ik voor ik heenga nog één opmerking maken? Omdat er iets is, dat in het denken en streven van velen uwer verwant is met hetgeen in ons leeft, was het mogelijk een zekere magie te gebruiken tijdens het spreken van het woord, waardoor deze eenheid sterker bevestigd werd, dan u misschien op het ogenblik vermeent. Het slechts een stemming of een indruk, maar een ogenblik van innerlijk begrijpen, dat nu nog schuilgaande achter de oppervlakkige gedachten u misschien zal leiden, wanneer u tot de beslissing moet komen. Wanneer u voor uzelf moet zeggen. "Dit is mijn weg, zó zal ik streven." Ik dank u voor uw aandacht. o-o-o-o-o Goedenavond, vrienden. Hebt u een bepaald onderwerp of een bepaalde richting, waaraan u dit tweede gedeelte wilt wijden? GELOOF Geloof dat hebben wij al heel vaak gezegd is in feite een innerlijk weten, dat niet bewijsbaar is. M.a.w. wanneer je iets gelooft, dan is dat voor jou onomstotelijk vaststaand. Dan mag je ook niet twijfelen. Want op het ogenblik, dat je twijfelt aan hetgeen je gelooft, heb je de waarde vernietigde dan heb je de band vernietigd, die daarmee verbonden is. U hebt vóór de pauze iets gehoord over harmonie. Geloof is in feite ook een vorm van harmonie. Wanneer ik n.l. in iets intens geloof, dan ben ik er volledig één mee. Geloof ik intens in God of in een geestelijke leider of in iets anders, dan heb ik een eenheid geschapen. En nu kunnen we natuurlijk wel stellen, dat zo’n geloof zich soms hecht aan denkbeeldige waarden. Er zijn gevallen bekend, dat men gelooft aan goden, die in feite niet eens bestaan dan alleen als een soort astrale schim, krachtens dat geloof. Maar aan elk ding, waaraan je gelooft ken je bepaalde waarden en eigenschappen toe en die behoren altijd binnen het voorstelbare en het kenbare. Het voorstelbare en het kenbare behoort tot het Goddelijke. Zo is er dus een direct contact d.m.v. het geloof tussen jou en God. Maar op het ogenblik dat je aarzelt, is dit contact al verbroken. Want het is van jouw kant a.h.w. een afdraaien. Je hebt de hoofdweg het geloof. En dan zie je daar in de verte een brug. Je denkt: "Die brug staat open. Ik zal maar even omgaan, want ik haal het niet rechtdoor: Zou je doorgereden zijn, de brug zou néér zijn. Het was maar schijn. "Neen", zeg je, "ik ga een zijweg in". Maar dan ben je ineens van die vrijheid, van die grote weg af en zit je op allerhande kronkelpaden. En als je dan moet chaufferen, zit je in heel wat moeilijkheden. Soms is ons geloof onbetrouwbaar. En dat komt, omdat wij dingen willen geloven, die wij niet kinnen geloven. Wij willen graag geloven aan een liefdevolle God. Maar zo nu en dan ziet het er zo uit, dat we zeggen: "Neen, alles wat ik rond mij zie en wat ik meemaak deugt toch niet. Als er een liefdevolle God is, hoe kan dat dan bestaan?" Op het ogenblik dat wij die vraag stellen, hebben wij aan de liefdevolle God het vertrouwen opgezegd. D.w.z. dat elke werking van het liefdevolle aspect, Godheid op ons wezen tijdelijk onderbroken is. Dat zou misschien nog niet zo erg zijn, wanneer dit alleen zo nu en dan eens voorkwam zonder bepaalde reden. Maar wat gebeurt er? Wij zijn vol vertrouwen en vol geloof in God, zolang het goed gaat. Maar op het ogenblik, dat wij die kracht van God nodig hebben, gaan wij zeggen: ''Ja, maar deugt dat nu wel en gaat dat zo nu wel goed en gaat dat, nu wel? En ik kan me toch niet voorstellen. Nee, God, doe het a.u.b. anders." Op het ogenblik dat je zegt: "God, doe het anders," geloof je niet meer, dat Hij het goed doet. Dus is het contact gebroken. 72 SEMI-MAGISCHE ASPECTEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten En dat is nu juist hetgeen je bij een geloofsgenezing, bij paranormale verschijnselen, bij uittredingen en zo meemaakt. Zolang ik in die dingen geloof, zijn ze voor mij reëel, want alles bestaat in God. Er is niets, wat één van ons zich denken of voorstellen kan, wat niet in God bestaat, onverschillig of wij het goed of kwaad noemen. Denk dan maar eens even na. Zolang ik geloof, ben ik dus in direct contact met dat deel van de schepping, waarin hetgeen, waarin ik geloof, werkelijkheid is. En als zodanig bestaat het voor mij. Een van de aardigste voorbeelden van het geloof vind ik Petrus. Jezus had over de wateren gewandeld. En Petrus zei "Dat kan ik ook". En toen hij daar zijn Heer midden op het meer van Tiberius zag, nam hij een aanloop en wandelde over dat water heen. Het ging prima, tot hij op een gegeven ogenblik dacht: "God, wat doe ik eigenlijk?" Toen was het al gebeurd, toen zonk hij. Daar stond hij," Heer, Heer, help mij, red mij, ik zink." Zoals het nu in dat beeld gaat, zo gaat het ons elke keer. Zolang wij niet nadenken over ons geloof maar er uit handelen, gaat alles goed. Dan doen wij dingen, waarvan anderen zeggen: "Tjonge, tjonge, hoe durft hij het aan.” Of: "Hoe kan ze het proberen, hoe kán hij het doen!" En dan zijn wij halverwege en het gaat goed. Maar dan komt er iets, wat wij niet verwacht hebben. Misschien is het voor Petrus de kwestie geweest, dat hij opeens dacht: Wat loop ik oneffen. En dat hij zag, dat hij op een golfje stond. Zo gaat het ons ook. Wij geloven b.v. Ik kan iemand beter maken. Dat geloof ik vast. En nu komt zo iemand bij je: " Ik heb me zo beroerd gevoeld en ik heb het aan mijn maag, mijn longen mijn rug, mijn benen."Ja, zou ik het dan verkeerd gedaan hebben? Op het ogenbik, dat je dat denkt daar ga je. Dat is toch logisch? Want wij kunnen in het geloof alle dingen doen en alle dingen beréiken, zolang wij er niet over nadenken en de goddelijke kracht: waarmee wij in harmonie zijn, a.h.w. het werk laten doen. Stel, dat u met een helikopter de lucht ingaat. Het gaat allemaal prima, je zit er zo aan de stuurknuppel te trekken, links,en rechts, het is een mooi land beneden, het gaat echt gezellig. Hé, hoe draait dat ding boven? Zou het nu wel goed draaien? Laat ik het eens stilzetten: bom. Ongeluk. Dát doe je niet, hé? Dat vindt je onzinnig. Maar waarom doe je dan hetzelfde met geestelijke krachten? Waarom ga je dan op een gegeven ogenblik terwijl alles aanduidt, dat je in staat bent verder te gaan zeggen: "Ja, nu moet ik eerst eens even kijken." Dan is het al gebeurd. Heb je vertrouwen, heb je geloof? Dan moet je dit geloof gebruiken om dát doel van de goddelijke werkelijkheid, dat je in dat geloof verlangt te vinden, voor jezelf tot realiteit te maken en anders niet. Wat wil je anders doen? Wat je denkt dat werkelijk is hier op deze wereld en elders, is niet werkelijk. Niet zoals je het denkt. Dat is net zo goed een begoocheling. Op het ogenblik, dat je denkt, dat je doodongelukkig bent, is dat evenzeer een begoocheling, als wanneer je denkt, dat je buitengewoon gelukkig bent. Want deze dingen neem mij niet kwalijk dat ik het zo opmerk zijn maar voorstellingen in ons. Maar datgene waarin wij geloven, bestaat in God. Zolang wij gaan geloven, beleven wij het hier. Hoe moet je dat nu eigenlijk uitdrukken? Stel u een marionettentheater voor. Daar spelen de poppen. Dan komt één van de poppen op en die zegt: " Ik ben Pierrot.” en begint een melancholiek liefdeslied te zingen. Als die pop dat nu vanzelf zou kunnen doen, wat zou dan de vertoner moeten doen? Die zou onmiddellijk het decor er achter laten zakken met het maantje, met het stenen bankje en Pierrot zou zich precies in zijn eigen wereld vinden. En als diezelfde pop zo dadelijk denkt. "Ik ben Marco Polo", dan is daar het Chinese hof, waar hij binnenkomt. Op deze manier scheppen. wijzelf 'de achtergronden. God heeft ze allemaal geschapen, maar wij kiezen de achtergrond, waarvoor wij staan, waarvoor wij acteren in het leven. En ons geloof is niets anders dan het handhaven van die achtergrond. In feite zijn wij allemaal goed. In feite is God in ons allen en in feite zijn wij allen even gelukkig in werkelijkheid. Maar wij realiseren het ons niet, omdat wij niet geloven in het geluk, omdat wij niet geloven in vrijheid, in goddelijke werking, in krachten uit andere werelden, enz. Dus als u nu zegt: „Vertel eens wat over het geloof", dan moet ik wel beginnen met te zeggen: "Geloof is pas dán geloof, wanneer je niet twijfelt en je innerlijke werkelijkheid steekt boven alle uiterlijke verschijnselen. Op dat ogenblik ben je in staat werelden te gebieden, te SEMI-MAGISCHE ASPECTEN 73

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten veranderen en te herscheppen, precies zoals je zelf wilt. Omdat je uit het Goddelijke voor jezelf alleen maar behoeft te realiseren, waar je aan gelooft. Maar daar staat tegenover, dat elke aarzeling de zaak teniet doet." Dan heb ik daarmede eigenlijk het belangrijkste gezegd over geloof. Natuurlijk, wij hebben behoefte aan geloof. Wij hebben er een hele lezing over gehouden en die kunt u nog wel eens nalezen: "Geloof als levensnoodzaak". Omdat de werkelijkheid, waarin u staat zo onvolledig is, zo schetsmatig, dat je er een inhoud aan moet geven wil het leven zin hebben. Dus ergens moet u in geloven. Nu is het alleen maar de vraag: Als we nu wetens dat je ergens aan moet geloven, al is het maar aan jezelf of je belangrijkheid voor de wereld of aan de taak, die je vervult het behoeft nog niet eens aan God te zijn waarom dan niet zó geloven, dat onze wereld een gelukkige is en dat wij voor anderen zegenbrengend en krachtig zijn. Dat is de hoofdzaak. De rest komt er uiteindelijk toch niet op aan. Geloof kun je niet in plakjes snijden als een soort rookworst. Dat doen ze wel b.v. in de kerk. Dan krijg je vandaag, zondag de zoveelste, plakje 34 van de geloofsworst uit het epistel van Paulus: en daarnaast krijgen we dan uit het evangelie van Marcus, Lucas, Mattheus, nr. zo en zoveel. Dan krijgen we daarover een heerlijke preek en gaan we allemaal heel gelukkig naar huis. Of dominee kiest voor heden in overeenstemming met het tijdseigen de tekst van o... en dan nowu" hij iets uit het oude of nieuwe testament. En krijgen we ons plakje vaak zeer doorzichtig uitgespreid op de levensboterham. En wanneer je dan goed kijkt wat je eigenlijk naar binnen hebt gekregen, dan deugt het niet. Omdat je niet geloof kunt beleven met schokken en stoten en niet met afdelingen. Geloof is een eenheid. Wanneer je over geloof moet praten, kun je over alle dingen praten. Wij praten ook over heel veel dingen en toch hebben wij een geloof. En ik geloof niet, dat er iemand onder u is, die ons zal ontzeggen, dat wij dat geloof steeds tot uiting brengen. Of wij nu spreken over de atoombom of over de toekomstige tijd of wij het hebben over esoterie, of wij het hebben over de geheimen van het magisch bestel of over de praktische levenswerkelijkheid, altijd komt ons geloof naar voren. Waarom? Omdat dit geloof voor ons het leven is. Het is de basis, de kern, waarop het wenteltrapje legen is gebouwd, dat ons uiteindelijk naar God brengt. En daarom kunnen wij ook betrekkelijk gemakkelijk. klauteren. Is het geloof dan autosuggestie? Als geloof autosuggestie is, dan moet u mij eens vertellen, hoe het mogelijk is, dat geloof uiteindelijk mits gesteund door de praktijk want daarmee moet je altijd rekening houden, met geloof alleen kom je er niet: geloof moet in de daad worden uitgedrukt, anders heeft het geen zin en blijft het theorie) dan moet u eens zeggen hoe het komt, dat er zoveel schijnbaar onmogelijke dingen mogelijk worden voor de mensen, die geloven. En nu wil ik u een heel aardig voorbeeld geven. Herinnert u zich het leven van Louis Pasteur? Als u dat leven hebt gelezen, dan weet u dat deze mens in iets geloofde waarvan iedereen zei dat het onzin was. Hij gelóófde erin. Hij wist het niet, hij geloofde erin. En hij richtte al zijn daden naar dit geloof, waardoor hij zijn geloof verwerkelijkte. Daardoor hij kwam tot ontdekkingen en een zegen werd voor de hele mensheid. Maar ook voor zichzelf, omdat hij een vijand, die hem in feite innerlijk steeds belaagde, daardoor had onderdrukt of verslagen. Is het dus een innerlijk weten? Geloof is een innerlijk weten. Maar nu moet u mij niet kwalijk nemen een innerlijk weten is een instrument, een stuk gereedschap. Wat hebt u aan de beste zaag, wanneer er niets te zagen valt, maar alleen te timmeren? Wat hebt u aan de beste hamer, wanneer u een stukje steek of snijwerk wilt gaan maken? Dan dient het niet. Wij moeten altijd in ons leven een taak zoeken, die in overeenstemming is met ons geloof. Opdat wij uit de kracht van dit geloof en door het begrip, dat dit geloof voor ons openbaart, het weten wat eigenlijk daarmee verweven zit, voor ons kunnen komen tot een praktische werkelijkheid. Kijk eens, Petrus had altijd kunnen geloven, dat hij op water had kunnen wandelen, maar als hij aan de kant had blijven staan, was hij heen stuk verder gekomen. Dan had hij nooit op het water gewandeld. Het feit echter, dat hij de poging deed, dus zijn geloof en vertrouwen omzette in een daad, maakte het mogelijk, dat hij een eind over het water heen huppelde.

74

SEMI-MAGISCHE ASPECTEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten Maar het geloof berust toch eigenlijk maar op één grote gebaar en de rest volgt dan vanzelf. Het komt dus alleen maar aan op het geloof in God. Dat is niet waar. Dat zou alleen waar kunnen zijn, wanneer ons geloof een vollédig geloof was in God. Maar dat is het juist niet. Dat kán het niet zijn, want wij kennen God niet volledig. Het eigenaardige is, wanneer je mens bent dus laten wij even uitgaan van de menselijke bewustwording mét de geestelijke fase daarmee verbonden dan hebben wij twee pijlers en niet één. Want je gelooft in de materie en je gelooft in God. Ja, maar beide als verschijningsvormen van het ene: Beide zijn vereend. Maar zij zijn niet verschijningsvormen van het ene. Zij zijn slechts voor ons zichtbaar geworden delen van een geheel, dat wij niet kunnen overzien. Dat is wat anders. Het zijn niet verschijningsvormen van het ene. Want dan zeggen we: Het ene is en dit zijn alleen maar uitingen, facetten van het kristal. Maar als wij met het geloof zitten, dan kunnen wij dat eigenlijk niet zeggen. Want dan zou er inderdaad één waarheid moeten zijn, die voor allen volledig gelijk is. En dat is niet zo. In het geloof is er niet één waarheid, die voor allen gelijk is, maar is er een voortdurende benadering van een waarheid, waardoor elk vanuit zijn weg en zijn standpunt in staat wordt gesteld om wat wij noemen de wonderen te doen, die nu eenmaal uit het geloof voortvloeien en de prestaties te volbrengen die schijnbaar bovenmenselijk zijn, alleen krachtens het geloof. Maar er is toch maar één waarheid? Eén waarheid, waaruit alles voortkomt? Dat ben ik met u eens. Maar draait u de zaak niet om door te stellen dat er een waarheid is buiten ons? De waarheid is rond ons. Dus wij zijn déél van de waarheid. Laten wij beginnen dat eerst te stellen. Maar altijd is ons geloof een onvolledig erkennen van de waarheid. Want op het ogenblik, dat ons geloof een weten is geworden, een feitelijk weten, is het geen geloof meer en zijn wij vereend met de waarheid en als zodanig de waarheid zelve. Begrijpt u, wat ik bedoel? Jawel. Maar het feit, dat wij dat niet doen, is nu juist de leemte, die wij moeten aanvullen en daartoe kan het geloof ons helpen. Inderdaad. En daarom moeten wij het stellen van uit een kosmisch standpunt, dat er één waarheid is, maar van uit een menselijk standpunt, dat er vele waarheden zijn, die tezamen de grote waarheid vormen, waarvan elk dier waarheden op zichzelf geopenbaard is in verschillende werelden en toestanden. En dan stellen wij verder, dat in de stoffelijke wereld de waarheid voor ons twee verschijningsvormen aanneemt, die elk voor zich een afzonderlijk deel zijn van de schepping en dus van de grote waarheid. Dat kunt u toch ook volgen? Want wij kunnen geen eenheid bevatten tussen stof en geest. Ik wil het zelfs nog wat verder doorzetten. Er zijn heel. veel mensen die zich niet eens de geest kunnen voorstellen, ook al is ze aanwezig. En voor wie er dus maar één pilaar is, die ze God noemen en dat is de materie. Vandaar het, materialisme, dat op het ogenblik zo overheerst. Maar er zijn er ook, die zich bewust zijn van de geest. En zij zijn zich van de geest bewust als een tegenstelling tot de stof. Niet als een tegenstelling, maar daarnáást. Goed, daarnaast dat is alleen maar een kwestie van woorden maar als twee aparte waarden. En omdat zij zich die voorstellen als twee aparte waarden, moeten wij hier niet spreken over één zuil, maar over twee zuilen. Twee pilaren, als u het beeld wilt aanhalen. Dus twee pilaren, die mogelijk ergens in het gewelf samengroeien tot één akkoord, maar die op het ogenblik in het geloof twee verschillende zijn. En nu is. het voor ons steeds noodzakelijk om de schijnbaar lege ruimte, die tussen geest en stof bestaat, te overbruggen. Beide kunnen een feitelijke werkelijkheid kennen, maar elke overbrugging daarvan is een daad van geloof. Het is het geloof. dat het mogelijk maakt krachten van,de geest te openbaren in de stof. En omgekeerd is het alleen het geloof, dat de stoffelijke daad maakt tot een waarde, die geestelijk verwerkbaar is. En daaruit kom ik dan weer op mijn hoofdthema terecht. Want wat kan ik nu anders zeggen dan dit: Om de kloof te overbruggen tussen wat de mens noemt "stoffelijke werkelijkheid" en wat zijn "geestelijke werkelijkheid" gezien zijn bewustzijnstoestand op het ogenblik is, dient het geloof. Hoe sterker het geloof is, hoe groter de eenheid die geschapen wordt tussen stof en geest. Mits in beide vormen aan het geloof gelijkelijk uitdrukking wordt SEMI-MAGISCHE ASPECTEN 75

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten gegeven. En dát is het springende punt. Wij moeten stoffelijk volledig durven handelen op het geloof, dat in feite geestelijk is. En omgekeerd, beleerd door onze stoffelijke ervaringen: vinden wij een geloof, dat ook al past het misschien nog niét volledig bij het geestelijk of zelfs mentaal wensbaré moet worden overgedragen in een concrete werkelijkheid van de geest. In de mens versmelten zich de gendelen van de schepping, stof en geest, samen tot een geheel, behelst beide uitersten van de schepping, zoals die zich voor de mens openbaren: Het maakt in dit ene geheel daardoor pas de benadering van God mogelijk, want God openbaart zich niet in de pilaar stof of in da pilaar geest, maar Hij is de kracht, waaruit beide bestaan en Hij openbaart zich in de leegte, die tussen beide bestaat. Kunt u het volgen? Waarom die leegte er tussen? Om de doodeenvoudige reden, dat de leegte élke potentie heeft en elke vorm kan bevatten. Terwijl elke pilaar op zichzelf een vorm en ontwikkelingsuitdrukking is, die beperkt is in haar wezen. Zo kan de werkelijke Godheid nooit in een vorm gevangen zijn, maar in het ledige, waarin de volledige openbaringsmogelijkheid bestaat, die gerealiseerd werd in de beide pilaren. Ik ken een voorbeeld. Het gebeurt wel een dat iemand gesteld wordt tussen die twee pilaren. Inderdaad. Mogen wij dan een stap verdergaan? Hoe herwon Samson zijn vrijheid? Door ze om te trekken. Juist. De mens vindt zijn eenheid met God (waarbij het geloof dus niet meer bestaat, maar de werkelijkheid wordt gerealiseerd)door de zuilen, waarop schijnbaar zijn bestaan berust (de onvolledige geest en de onvolledige materie) beide omver te werpen in de volledigheid van zijn weten. En zo is een overgang uit de kenbare vorm naar de denkbare, (maar daardoor juist eeuwige) de eenheid met God te vinden, die de volledige uitdrukking is van alle waarheid en alle werkelijkheid en waarbuiten niets meer bestaat. Ik geloof, dat wij na dit half architectonisch intermezzo weer even terug mogen gaan tot de zeer eenvoudige stellingen, die ik naar voren heb gebracht. Want ik geloof, dat dat toch werkelijk hoofdzaak is voor u. Stoffelijk moet je werken en leven volgens je beste weten en kennen. Je moet een ontwikkeling, een bewustwording, een zekere doeltreffendheid in jezelf opbouwen. Zonder dat heeft het geen zin. Geestelijk moet je ook ontwikkeling hebben. En bewust of onbewust heb je daarnaar honger. Nu kun je die beide met elkaar verenigen, wanneer je meer maar geloven kunt werkelijk geloven dat al hetgeen geestelijk als bewustzijn in je bestaat een stoffelijke verwerkelijking vráágt en dat een stoffelijke, verwerkelijking daarvan mogelijk is. En dat je omgekeerd geneigd bent (de meesten zijn daartoe toch wel geneigd) om te accepteren, dat al hetgeen stoffelijk geleerd en bereikt wordt een onmiddellijke geestelijke werking tengevolge heeft en een geestelijke waarde hoeft, zodat de geest uit de steef haar rijkdommen puurt. Vanuit dit simpele geloof komen wij tot een samensmelting van twee werelden. En nu ga ik maar even een stukje herhalen, wat u misschien al eerder hebt gehoord. Wanneer wij moeten spreken over positief en negatief in deze zin, is het natuurlijk niet helemaal juist,, maar ik doe dit voor de vergelijking met elektriciteit. Positief geest, negatief stof. Wanneer ik twee dingen heb, die tegengesteld geladen zijn t.o.v. elkaar, wat gebeurt er dan? Dan krijgen wij een overslag. Denk maar aan de wolk. Wanneer de wolken een lading hebben verschillend met de aarde, dan slaat de bliksem neer met ontzettende kracht in een zeer kort ogenblik. Bij ons is een onwillekeurig geloof de voor één ogenblik bestaande lichtende vereniging van stof en geest. Maar meestal denken wij er niet aan. En dan blijft het lekker druilerig weer en daar ligt de aarde en daar drijven de wolken, en wij zeggen dag, dag! Maar stel je nu eens voor, dat wij zoals b.v. in een neonbuis die twee tegengestelde polen door onze wil en ons streven onder een voortdurende sparaming kunnen zetten, zodat wij de potentie, die tussen beide polen kunnen gebruiken. Wat gebeurt er dan? Dan is er een voortdurende ontlading of in dit geval van zoals dus gezegd een voortdurende wisselwerking tussen geest en stof. En wat is het vreemde? Dat is licht. Uit de wissel werking tussen geest en stof wordt licht geboren. Geloof baart licht, mits gebaseerd zoveel in de geest als in de stof en 76 SEMI-MAGISCHE ASPECTEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten niet slechts in één van beide. En wat doet licht? Licht maakt het mogelijk om te zien. Uit het geloof, dat in de praktijk wordt beleefd en gelijktijdig het geloof, dat een geestelijke werkelijkheid durft overdragen in de stof, zowel als een stoffelijke werkelijkheid durft te zien in de verhoudingen van een geestelijk denken, wordt voor ons geboren de kennis va het licht en de waarheid. En dan hebt u hier weer een andere vorm van hetzelfde beeld, dat ik zo-even had de pijlers zijn hier als hét ware geworden de kathode en de anode en tussen die beide bestaat een spanning, (kathode en anode zijn plus en minpool, als je over batterijen spreekt). Dan is het dus wel zaak voor ons, dat wij geloven zonder aarzelen om zo de wisselwerking tussen beide (stof en geest) die ons in contact brengt met Gods voortdurend te handhaven en zo de potentie van het Goddelijke geopenbaard te zien zoveel in geest als in stof. Tot beide, als eenheid versmolten, de verwerkelijking ervan van wat wij noemen de goddelijke wijsheid: n.l. het kennen, begrijpen en weten omtrent geheel de schepping, terwijl gelijktijdig ons hele wezen dienend en bewust opgaat in de schepping. Dat was dan een klein praatje over geloof, vrienden. De vorige spreker heeft het gehad over vier wegen, die je kunt nemen, het geloof, het weten, het handelen, enz. Maar komt dat niet allemaal naar het geloof toe, al die wegen? Neen. Het is veel zo, dat bij elk van die wegen de andere wegen een ondergeschikte factor zijn. Hebt u wel eens 1.2.3 klaveraas gespeeld? (Dat is een heel eenvoudig spelletje, dat wordt gespeeld met een paar kaarten. En de aardigheid bestaat er dus uit, dat men die kaarten door elkaar schudt en dan moet u zeggen, wanneer ze neergelegd zijn, welke nu klaveraas is. Wat u natuurlijk raadt, totdat u veel inzet. Dan ziet u het niet meer. En als het er op aan komt, zit er niet eens meer een klaveraas in het spel!) Geestelijk gezegd: We hebben al die wegen. Dat zijn eigenschappen. Maar voor ons telt degene die bovenop ligt en dat is de kaart, die wij omgekeerd hebben. Dat moet voor ons de goede zijn. Dat moet dus de weg zijn, waar wij mee parallel lopen. Maar die andere wegen liggen eronder, die steunen ons. Gaat u de weg van het geloof, dan zult u door uw geloof een zekere steun ondervinden van weten, van liefde, van de daad, maar het geloof blijft primair. Maar gaat u de weg van de daad, dan zal uit de daad een zeker geloof ontstaan, dus het geloof steunt u, maar ook een zekere liefde, een zekere genegenheid, want door wat je doet krijg je een band met het je omringende. Ook dát staat je bij. En uit de daad verwerf je ervaring en ervaring wordt tot weten. En zo kunnen die dingen steeds blijven schuiven in de meest verschillende verhoudingen. Maar bij die 4 wegen gaat het dus hierom. Wat is de hoofdnuance van je eigen denken en streven. Wanneer iemand nu scherp logisch is aangelegd, iemand die steeds het naadje van de kous wil weten en je zegt: Je moet de weg van het geloof volgen", dan kan hij dat niets hij moet onder zoeken. Dus die gaat de weg van het weten. Op die weg van het ontmoet hij zoveel feiten, die hem wijzen op onwetendheid of onvermogen tot direct erkennen, dat hij op grond van zijn weten een hypothese bouwt, waarin hij gelooft. En dan komt het geloof er vanzelf bij. Maar heb ik iemand, die mystiek is ingesteld. Hij wil gelóven eerder dan wéten en die dat dus innerlijk wil beleven én aan die logica uiteindelijk minder waarde hecht (anders zou u misschien zeggen, dat het woord "mystiek'' hier niet goed gebruikt is, daarom verklaar ik het) en je zou tegen die mens zeggen: "Je moet weten", dan zou hij het niet kunnen. Want hij beschikt eenvoudig niet over de vermogens om die dingen logisch te beredeneren. Dan gaat hij wartaal praten. Neen, die mens moet geloven, die moet een overtuiging hebben. En dan gaat hij trachten dit geloof aan zichzelf stoffelijk te bewijzen en in deze bewijsvorming verrijkt hij zijn weten, maar vormt hij onbewust tevens zijn geloof, totdat het meer in overeenstemming is met de waarheid. Zo kunnen wij verdergaan. Dat kun je over elke weg zeggen. Maar ik hoop, dat u uit die wegen hier heeft begrepen, dat het hier gaat om de hoofdeigenschap van de mens. Nu zijn er nog wel een paar we hebben nog veel secundaire wegen maar de opgenoemde vier zijn wel de vier hoofdrichtingen, de hoofdwegen. Dit komt overeen met de yogarichting. Ja natuurlijk. Maar u moet één ding niet vergeten. U zegt: Het komt overeen met de yogarichting. Als ik deze stelling zeg komt zij met zo onnoemelijk veel overeen, dat u nog raar SEMI-MAGISCHE ASPECTEN 77

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten uit uw ogen zoudt kijken, als u ze allemaal moest opsommen. Wist u: dat deze weg niet alleen strookt met yoga richting maar ook met het Christendom, met de z.g. esoterische leer van de mohammedanen, met bepaalde brahmaanse leerstellingen, met de stellingen van bepaalde Chinese filosofen, met een primitief geloof van de Indianen? Moet ik nog verder doorgaan? Ik wil hiermee maar zeggen: Deze dingen zijn universeel. Ze worden wel steeds anders uitgedrukt. Ze worden uitgedrukt in de wet van tegendelen. En dan krijgen we de verhandeling over het Yang en Yin principe. Ze worden uitgedrukt in het begrip van. Nirwana, dus de daadloosheid, waarin het bewustzijn ontstaat. Maar dat wél te verstaan uit de juiste daad de weg wordt gevonden, waarbij de daad voert tot daadloosheid, en uit de daadloosheid het begrip, waardoor de scheppende werking uiteindelijk kan ontstaan, enz. Al deze dingen kun je tot een grondwaarde terugbrengen. Omdat wat ik hier over het geloof heb gezegd nooit alleen kan slaan op het christelijk geloof, maar op alle geloof. En alle geloof slaat in feit op álle denken, zij het dan dát denken, dat alleen gebonden is aan stoffelijke en zeer concrete werkelijkheden. Dus zelfs de filosofie zit mede in deze wegen en in deze overweging bevat. Ik heb dat expres een beetje universeel moeten stellen, omdat hier gaande over het geloof en ook gaande over dé vier wegen, die uiteindelijk een deel uitmaken van óns geloof (dat klinkt een beetje raar, maar het is toch werkelijk zo) wij daardoor dus iets geven, wat van universele betekenis is. Want dit wordt zo universeel geloofd, onderwezen, naar voren gebracht en in de praktijk gebracht, dat wij bij dit geloof wel mogen spreken van een onbewezen zekerheid, welker indirect bewijs voortvloeit uit het voortdurend gelijkstreven van de mensen en het feit, dat degenen, die deze wegen op enigerlei wijze gevolgd hebben, allen gekomen zijn tot yen mate van inwijding en bewustwording, waarbij het hun mogelijk was het stoffelijke te verlaten. Daaruit blijkt wel, dat het juist is. En dan hébben wij nog een typisch verschijnsel: Het blijkt ook maar dat is voor u nog niet zeker, voor ons wel dat degenen, die misschien langs één van die vier wegen gaande, maar allen in feite zo verwerkelijkende het geloof en het makende tot een weten: het vermogen bezitten om desnoods gelijktijdig in de geest en op aarde te bestaan. En dat zij, ook wanneer zij in z.g. geestelijke sferen verkeren, te allen tijde in staat zijn op aarde te verschijnen in een stoffelijke vorm zonder dat het hun enige moeite kost. Dat zij in staat zijn stoffelijk in te grijpen, wanneer het noodzakelijk is en zich daarvan slechts onthouden, wanneer zij daardoor de vrije wil van de mens en diens bewustwording te zeer zouden schaden. Dat zien wij van onze kant uit. De vorige spreker heeft het over de berg der loutering gehad, waarbij men de indruk kreeg, dat hoe hoger men steeg, hoe moeilijker het werd. Maar dat hebt u nu helemaal omgekeerd. Dat heb ik omgekeerd en dat heeft ook zijn reden. Ik geloof echter, dat mijn voorganger het omkeerde. Nu heb ik vroeger eens in een der verslagen gelezen, dat hoe hoger men komt, hoe groter de beproevingen werden. Neen, hoe groter de gevaren worden. En dat is logisch. Wanneer u met alle zekerheid omhoog kunt stijgen langs een rotswand en u hebt last van duizelingen en u kijkt naar beneden, wat gebeurt er dan? Dan kunt u niet meer verdergaan en waarschijnlijk stort u neer. Het gevaar en de moeilijkheid is niet gelegen in de weg zelve maar in de mens, die de weg gaat. Wanneer je niet rijp bent voor het stijgen, dan kun je je niet laten dragen door die krachten. Dan ben je a.h.w. iemand, die gebruikmakend van de mogelijkheden en de steunen, die aanwezig zijn i.p.v. zijn doel te bereiken zichzelf in levensgevaar brengt. Dat is volkomen waar. En nu is de context, waarin zo'n beeld wordt gebruikt, natuurlijk ook van belang. Het gaat niet alleen om het beeld, maar ook om de wijze, waarop het beeld wordt geïnterpreteerd. En het is hier speciaal geïnterpreteerd op het gebied van de esoterie dus de innerlijke bewustwording. Zou men het op zuiver magisch terrein gaan gebruiken b.v., den wisselen de waarden. En dan wordt het hoger stijgen steeds gevaarlijker, omdat het inhoudt het dragen van een steeds groter verantwoording. En een verantwoording dragen kan niet iedereen. Maar wij moeten altijd rekening houden: met het feit, dat wij - mits strevend naar het licht (uitdrukkelijke voorwaarde) - metterdaad en met gedachten, in een volledig vertrouwen (dat 78 SEMI-MAGISCHE ASPECTEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten hoort er ook bij) gedragen zullen worden door de krachten, waarmee wij sympatisch worden. Dus die met ons in harmonie zijn op het ogenblik dat wij dit bereiken. Ik moet het eigenlijk nog anders zeggen. Dan gaan wij á la de Amerikanen een raket ontsteken, waarmee ik op een gegeven ogenblik wil stijgen, dan maak ik gebruik van een geestelijk vermogen. Er is een harmonie, een verbinding. Bij een raket doen ze dat door een brandstof te ontsteken, waarbij een verbinding met zuurstof dan veel een grote verhitting ontstaat en als gevolg daarvan een stuwkracht. Op het ogenblik dat ik mijzelf harmonisch kan verklaren en harmonisch kan zijn met ……… dan is dit een stuwing tussen ons, ons beiden. Maar wat gebeurt er nu? Wanneer ik steeds verderga, dan zal ik stijgende via het bewustzijn van die geest door volledige harmonie ook weer harmonisch worden met een hoger gelegen waarde. De tweede trap van mijn raket gaat in werking en ik ga rustig verder. Maar nu kan het ook zo zijn, dat ik op een gegeven ogenblik die bewustwordingsgang, die in elke hoog geestelijke kracht ligt, voor mijzelf onderbreek. Dan kan ik niet hoger komen dan die geest. En als ik daar het uiterste van mijn vermogen heb bereikt is mijn trap leeg gebrand en de volgende trap ontsteekt niet. Wat gebeurt er? Dan gaat het zoals met menige Amerikaanse maanraket, dan verkreukel je op de aarde En je moet doelbewust zijn, dat is ook een feit. Want als je naar boven toe wilt, dan is het niet voldoende te zeggen: Als maar érgens boven kom. Je moet zeggen: Ik moet dáárheen. Als je zo’n raket afschiet, dan moet je zeggen b.v.: Deze moet naar de stratosfeer. Dat is een algemeen doel, maar toch een bepaalde richting. Of misschien wat nauwkeuriger naar de maan. Hoe nauwkeuriger ik mijn doel stel, hoe nauwkeuriger ik zal moeten zijn in mijn streven. Een raket de ruimte insturen zonder meer is niet zo moeilijk als een raket maken tot een aardsatelliet. Maar dat is weer minder moeilijk dan een raket af te sturen, die naar de maan gaat, die daar inderdaad kan landen of die maan omcirkelt. De berekeningen worden steeds groter. Het gericht zijn, het kiezen van het juiste ogenblik, is veel belangrijker geworden. Uit die rakettologie (dan heb ik nu een nieuw woord gecreëerd) kun je dan het volgende leren: Wanneer je niet juist gericht bent, dan heb je kans, dat je met de volle kracht, waarmee je eigenlijk zou moeten stijgen, naar beneden bliksemt. Dan krijg je het geval van die raket, die halverwege plotseling omkeerde en een krater sloeg in de wereld, die niet mooi meer was. Je kunt natuurlijk ook op een gegeven ogenblik niet meer zéker zijn van je weg. Dan zul je waarschijnlijk een parabool beschrijven en je komt dan terug op de aarde. En meestal ook op een onplezierige manier. Dat zijn gevaren, dat geef ik toe. Maar die gevaren ontstaan alleen door afwijkingen: nooit door het volgen van het juiste pad. Als je dus nu maar het juiste pad de juiste weg voortdurend blijft volgen, dan ben je in harmonie met alle geestelijke vermogens, die je omgeven (d.m.v. het geloof o.m.) en wordt het je gemakkelijker gemaakt om verder te gaan, naarmate je verder gekomen bent. En nu neem ik i.p v. die hoogte mens, de aarde. Als je op een gegeven ogenblik zover boven de aarde bent, dat een ander hemellichaam je meer aantrekt, dan word je zelfs dat laatste stuk gesléépt. De vrije valt waarmee ze op het ogenblik zoveel proeven nemen, omdat die in de ruimte zoveel zal voorkomen, die vrije val maken wij geestelijk ook mee. Er komt een ogenblik, dat wij zover zijn opgetrokken door ons eigen streven, dat wij geen daad meer kunnen stellen. Nirwana. Niet de toestand van nietzijn, zoals men wel eens zegt, maar een toestand, waarbij het zijn geen eigen daad meer vergt. Het zijn wordt gedragen door de geestelijke krachten, waarmee men één is, totdat het doel wordt bereikt. En daar ontstaat het zijn opnieuw. Vandaar dat Boeddha niet alleen de verlichte, maar ook de bewuste is, ondanks het feit, dat hij nirwana voor zichzelf tot een werkelijkheid maakt. Kunt u het betoog volgen? Die omkering van waarden is dus esoterisch niet zo dwaas. Nu zal iemand zoggen: Ja, maar er zijn gevaren. Natuurlijk. Maan deze gevaren bestaan slechts in u en niet in iets anders. Aannemende dat u volledig doelbewust streeft, zijn er geen gevaren, mits u harmonisch kunt zijn met steeds hoger geestelijke krachten. Dat is de stijging. SEMI-MAGISCHE ASPECTEN 79

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten En gebeurt dat automatisch? Dat gebeurt automatisch,, mits uw streven voortgaat. Het gebeurt met zo automatisch als die raket, die op een gegeven ogenblik 1 km. boven het aardoppervlak is, maar het volgende ogenblik 2 en dan 5 en dan 10 en dan 70 en dan 1000. Mits er geen storing in de verbinding optreedt. Nu, daar heeft de verbinding zelfs niets mee te maken. Mits er geen storing in de raket optreedt. En dat is gelijk te stellen met het onderbreken van een doelbewust streven. En denk nu maar aan wat ik over het geloof heb gezegd, dan hebt u een prima voorbeeld erbij. Geloof in iets en het gaat. En vraag je een ogenblik af: "Wat geloof ik eigenlijk?" Dan rijst er een twijfel en het is voorbij. Dát blijft bestaan. Maar zoudt u daarom willen zeggen, dat het zo moeilijk is? Wanneer je wéét, wat je wilt, kun je het bereiken. En naarmate je dichter bij je doel komt wordt het je gemakkelijker gemaakt om dat doel gehéél te verwerkelijken en geheel te bereiken. Het is het begin, dat moeilijk is. Hoe verder je komt na het begin, hoe meer vaart je hebt en hoe meer de harmonische krachten voor jou eigenlijk een vermindering van eigen streven betekenen, of een mogelijkheid tot versnelling van ontwikkeling. Daar kun je dan tussen kiezen. Ik vraag me alleen af, of dat vertrouwen zich gelijkelijk ontwikkelt met het streven. Krijg je op de duur ook meer vertrouwen? Ja, maar laten wij nu een ding voorop zetten: Wanneer ik een raket ga lanceren, dan heb ik een zekere brandstof nodig. Beschouwt u nu het vertrouwen als iets, wat je in voorraad moet hebben om de tegenslagen te overwinnen. Op dezelfde manier. Vertrouwen wordt omgezet in zekerheid, zoals de energie van de brandstof wordt omgezet in de energie van beweging, Dus de zekerheid wordt dan ook sterker? De zekerheid wordt sterker en groter, naarmate het eigen streven verder vordert. Dus vertrouwen gaat over in zekerheid. Het gelóófde wordt het gewétene. Wanneer het zo voldoende is, ga ik het woord geven aan de laatste spreker. Die kan dan met het schone woord het een en ander voor u presteren, dat misschien in een beetje andere stijl ligt. Want wij hebben expres twee stijlen tegenover elkaar gezet. De gedragen, plechtstatige en daar tegenover de opgewekt discussierende. Ik wil u meteen nog op iets wijzen. De eerste spreker heeft gezegd: Wij hebben een magische werking op u uitgedrukt en daar had hij gelijk in. Mag ik nog ergens anders op wijzen? Dat het maar aan ú ligt wat ú er van maakt? Want wat mijn voorganger heeft gezegd, hééft een magische werking voor U. Maar wanneer u actief grijpt, wat ik gezegd heb over dat doodeenvoudige geloof, dan heb ik u nog een veel groter werking laten ondergaan. Terwijl die magische werking toch óók vraagt, dat u daarmee mee streeft, want anders komt u ook nergens terecht. Mag ik dus zeggen, dat we twee verschillende verbindingen vormen naar hetzelfde doel, en dat het aan u ligt te kiezen of u beide of één der beide gelegenheden wilt gebruiken? We zullen dan maar zeggen: Vele merken het wel. Als we zo dadelijk een verlichte geest voorbij zien flitsen, dan zeggen we: “Ha, dat is de esoterische groep van de O.D.V." Het is niet eens hatelijk bedoeld, hoor. Ik hoop, dat het waar is, ofschoon ik vrees, dat het nog veel even zal duren. Maar we doen allen ons best, wij mét u. En als wij nu een klein beetje die harmonie hebben gekregen, dan komen wij samen waarschijnlijk weer een heel stuk verder. Vrienden, een prettige avond en een prettige maand verder. Tot een volgende keer. o-o-o-o-o SYMFONIE en: Wij willen, wij zullen, wij kunnen. Ik mag dan misschien in mijn onvolmaaktheid van spreken over de symfonie eigenlijk als een soort verzamelnaam begrijpen voor hetgeen u ook in andere woorden hebt uitgedrukt, Want wanneer u zegt:" Wij willen, wij zullen, wij kunnen, dan hebt u daar alleen de werkelijkheid mei uitgedrukt, die ook in de symfonie ontstaat. Immers is niet de perfecte harmonie, 80 SEMI-MAGISCHE ASPECTEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten uitgedrukt in het symfonisch dichtwerk dat met klanken de kleuren schildert van oneindigheid, een samengaan van veel verschillende waarden en instrumenten? Wij willen. Dan moeten wij begeren. Wij moeten weten ook, wát wij begeren. Wij moeten a.h.w. uit onszelven gepuurd hebben de volkomen doelbewustheid, die slechts kan voortspruiten uit een volkomen honger naar bereiking. Wij zullen. Het is niet voldoende te hongeren. Wanneer de honger dreigt, dan gaat men op de velden. En blijkt het graan verdord, zo is elk geraas der aarde beter dan de knagende honger. Want wij zullen. Wij kunnen alleen, wanneer wij verwerkelijken met een daad. Wanneer ons streven zich niet afvraagt: Is dit middel mij waardig? maar zich zegt: Zo met mij verweven en vergroeid is mijn doel, dat ik alle middelen kan samensmelten of men ze waardig of onwaardig noemt tot één groot geheel van volkomen harmonie en eenheid. Want wij zullen. Wij kunnen. Natuurlijk, wij hebben het vermogen om al die dingen samen te garen. Maar het is niet genoeg te zeggen, dat wij kunnen. Wij moeten het kunnen door een daad tot werkelijkheid maken. Zo groeit uit de innerlijke honger de bewustwording van de oneindigheid in een samenvoeging van vele ongekende elementen. Wanneer men de schepping wil zien als een symfonie, dan mag men niet vergeten, dat deze melodisch is opgebouwd uit haar verschillende thema's, met elkaar verstrengeld en vervlechten. De terugkerende motieven, de eenheid, uitgedrukt in verschillende, tempi en toch komend tot de finale, waarin het verlossend akkoord aankondig, dat de strijd om bewustzijn in een alomvattende kracht is gewonnen. Wij willen. Is het niet de haast klagende klank der violen, die het eerste thema inzet? Wij kunnen. Gromt daar niet de donder van de pauken en onderstreept niet de sombere klink van de bas de scherpte van het koper, dat een noodzaak tot streven aanduidt? Wij willen, opzwepend de golven van het geluid, in een zoeken naar verwerkelijking. En dan? Wij kénnen. De tweede beweging. Rustig is de melodie geworden. De hoge tonen der strijkinstrumenten mengen zich met de rustige, landelijke klank van het loot en gat enkele jachthoorn schalt een signaal. Er wordt een ogenblik rust ons getekend. En traag als een rivier, die statig voortgaat, herleven wij het eerste motief. Maar nu in een zekerheid. Wij kúnnen. Er is een mogelijkheid! Maar nauw is de mogelijkheid vastgesteld, of wederom keert de onrust terug. Weer rollen de pauken, weer wordt de melodie haast klagend en jagend, schilderend de strijd, die nodig is om willen en kunnen te verenigen tot de daad. En moeilijk is het om die verhouding te vinden. Het ene ogenblik schalt in het golvend bewegen ons het landelijk motief tegemoet en trilt de fluit als een ver kwinkelerende vogel. Dan klinkt misschien de toon van de triangel als een kristallen klokjes dat lijkt op bloemen, ontwaakt in de eerste sneeuw: of als het eerste groen, wuivend tegen de verdwijnende winter. En dan weer het stormachtiger het opbruisende. Het zoeken naar eenheid. Stem na stem voegt zich bij het koor. Niet meer afzonderlijke instrumenten zijn te onderscheiden. Wanneer erbij gezongen wordt, is de menselijke stem geworde tot een instrument, en is het instrument geworden tot een stem, die woorden spreekt. Nog even wordt er geworsteld. En dan als een zon, die na de donkere nacht als een gouden kogel langs de hemel vuil rollen, badend de duisternis in het kleurig licht van ‘t eerste uur het slotakkoord! Wij zúllen is.... wij doen. En in de daad vindt alles zijn openbaring, mijne vrienden. Een blad van de kersenbloesem valt op het water, een scheepje, uit hemelse krachten geboren en zeilend met de wind. Zo is het eerste denken van de mens. Onbewust, bloesem van het goddelijk scheppen, vallende op de wateren van de tijd, niet wetend omtrent een bestemming. De vis ontwaakt in ‘t water, en zijn blauwe en gouden schubben reflecteren het licht van de zon, dat breekt door de spiegel. En hij ziet rond zich de prooi en jagend flitst hij als een felle SEMI-MAGISCHE ASPECTEN 81

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 20 januari 1959 Les 5 – Semi-magische aspecten pijl, voorts nu zich bergend, tussen het riet, dan gaande door de klaarheid der wateren, doelbewust reeds. Kennend de honger, kennend het begeren. Maar nietbewust. Dan klinkt daar het grote willen. De honger voor het eerst. Maar als de lente komt, de ooi haar lammeren werpt, wanneer het jonge leven uitdartelt in een vrije wereld, dan blijft die honger en het zoekt zijn berging bij de moeder. Maar al snel is dat niet meer genoeg. De heerschappij moet men hebben over de wereld, krachtig moet men zijn, sterk om te overwinnen. Sterker is de wil geworden. Sterks zo sterk, dat hij wordt tot de mens. De mens wordt geboren, En als een dier zoekt hij zijn geborgenheid bij de moeder. Als het dier groeit hij tot een bewustzijn van kracht en macht. Hij wil de meerdere zijn en de sterke. In hem ontwaakt de wil. en het begeren. Dan echter gedwongen door de krachten van menselijk zijn snelt hij voort en zoekt hij zich het veten. En uit het weten groeit de mogelijkheid tot verwerkelijking. Zodat hij glorierend kan uitroepen: Wij kunnen! Dan gaat hij verder. Een geest, als nevel aan het dode lichaam nog ontstegen, ziet rond en schudt zich de vleugels als een vlinder, die ontwaakt uit de cocon. Zij kán. Het kunnen is haar gegeven. Na wordt de laatste proef gegeven. Zal zij rustig als een vlinder gaan van schoonheid tot schoonheid, fladderend in de volheid van een geestelijk licht en nipt beseffende? Of zal zij ‘t licht erkennen als de werkelijke moeders de werkelijke kracht? Zal die geest, het lichaam ontstegen, nu haar kunnen maken tot werkelijkheid? Soms duurt het lange tijd maar eindelijk klinkt ook het: Wij zullen! Eindelijk klinkt ook de voltooiing in de werkelijkheid. Dan stijgt die geest op, ijler wordend naarmate zij het licht nadert. Versmeltend met de stralen van het licht. Niet meer zichtbaar en verdwenen. En sprekend tot het bloesemblad, dat valt in de wateren van de tijde " Wil". Sprekende tot de vissen in de vijver en het diers dat streeft: “Wil". En de mens toefluisterend: "Gij kúnt ". Opdat ook in de mens en in alle loven geboren worde volbrenging van dit voornemen de eenheid met het opgenomen en geabsorbeerd. En aan de lege hemel grootheid, bereid om uit zich te baren en leven te geven rijkdom. dat grote woord:"Ik wil". En uit de licht. Totdat het licht allen heeft staat een zon van onvoorstelbare aan nieuwe werelden en een nieuwe

Want zo, mijne vrienden, is het leven. Een symfonie, waarin alle vormen verweven zijn. Waarin de volmaaktheid terugsnelt tot de eenvoud al de eenvoud de volmaking leert kennen. Zo is de cirkelgang, die wij eeuwigheid noemen. steeds weer bereiking. Bereiking, die voortvloeit uit het willen en erkennen, uit de realisatie van eigen vermogen en de wil tot volbrenging, dit ál dienstbaar maakt aan het hoogste, dat leeft in mens en geest. Eenheid met de Schepper, vrede in het ik en schepping volgens de oneindige wil. Tot aan een dag, dat ook de goddelijke zon verbleekt en in het duister het laatste woord verklinkend de Schepper rust en heel de schepping droomt. En daarmee nemen wij afscheid van u voor deze avond. Wij verstouten ons u allen een zeer zegerijke avond en nachtrust nog verder toe te wensen. Wees ervan verzekerd, dat wij met de bescheiden vermogens, die wij bezitten, met u zullen zijn om u te helpen op het ogenblik, dat wij het: "wij zullen" tracht om te zetten in een daad, die bewustwording baart. Goedenavond.

82

SEMI-MAGISCHE ASPECTEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie Goedenavond, vrienden. We zullen dan proberen om ons vandaag weer met wat esoterie bezig te houden. En dat is altijd een beetje een moeilijk punt. Dat hebben wij al vaak gezegd, maar het is werkelijk waar. Want de innerlijke wereld van een mens, van een geest, ligt feitelijk zo ver van al hetgeen er uiterlijk schijnt te bestaan, dat we niet voldoende kinnen zeggen wat er gezegd moet worden. Laat ons nu eenvoudig eens DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE

gaan bekijken. Een mens heeft een God. Een machtige God, een sterke God, een God, Die je wat doet. Zeker. Maar... hij heeft die God geschapen naar zijn eigen beeld en gelijkenis. Een mens erkent de wetten van de Schepper. Zeker. De alomvattende, het hele Al regerende wetten, de wetten, die bestaan in de verste sterren en sferen zo goed als hier op de wereld. Maar zijn het veel Gods wetten? Het zijn de wetten, die hij voor zichzelve heeft gesteld. Hij legt God zijn wetten in de mond. De mens gelooft, dat hij zijn God benaderen kan. Hij gelooft, dat hij door leven en streven op een zeker ogenblik een eenheid kan bereiken met die God of althans een opname in het hemelrijk. Klaar wat is dat rijk eigenlijk? Hij weet het niet erg. Wanneer hij er over spreekt en het beschrijft, dan zijn het maar al te vaak zijn eigen wensdromen, gekanaliseerd door zijn eigen begrippen van goed en kwaad. Toch zoekt de mens de betekenis der dingen, die verscholen is, te onthullen. Toch zoekt de geest in de veelheid van gebeuren en gedachten voor zich dat ene te vinden, wat gelijk blijft. Men zoekt te gaan achter alle werelden: en in dit buiten-het-zijnde-treden zoekt men voor zich een eeuwigheid te verwerkelijken. Misschien doe ik daarom goed, wanneer ik dit mystieke denken eens ontleed en tracht daaruit aan de hand van de innerlijke wereld conclusies te trekken. Ons eerste beeld is al heel eenvoudig en veel voorkomend. Je bent hopeloos, radeloos en hulpeloos. Je weet niet waar je naar toe moet. Je vraagt je af, wat er eigenlijk gaat gebeuren. De angst bevangt je steeds weer. Je zou weg willen vluchtend Je zoekt lawaai misschien en je kúnt en kúnt maar geen ontspanning vinden. En dan komt er een ogenblik, dat je zegt: "Nu geef ik mij over aan die God." Dan trek je je gedachten terug uit de gehele wereld en je concentreert ze op dat Enen waarin je nog enig vertrouwen hebt, waarop je nog enige hoop hebt. En dan beleef je wat men noemt een ogenblik van verlorenheid, van verrukking. Wat gebeurt er eigenlijk werkelijk, wanneer wij zo denken? Als u op een gegeven ogenblik uw eigen wereld vergeet onder deze condities, zoals b.v. door mij geschetst, dan hebt u gelijktijdig alles van u afgezet, wat behoort tot de z.g. realiteit. U hebt u afgesneden van al hetgeen u verbindt met de kosmos en wat overblijft is alleen dat eigen ik, dit innerlijk zoeken en denken. Wanneer je streeft naar het goede en je streeft naar de ware inhoud van het leven, dan zul je de kern van het zijn ín jezelf op deze manier duidelijker horen spreken, je zult het beter erkennen. Niet dat je wéét wat er gebeurt, want je ziet dit als een door God omhoog geheven worden uit je eigen wereld. Maar in feite ben je doorgedrongen tot dat eigenaardige innerlijke wereldje, waarin de goddelijke kracht, de goddelijke vonk supréme regeert. Wanneer je terugkeert uit die verrukking, heb je vaak het idee dat je op de wolken kunt lopen, dat je wonderen kunt doen, dat er niets is wat je onmogelijk is. En men zegt dan: Ja, hier heeft God Zijn wil doen werken. Maar wat is de werkelijkheid? In uzelf ligt een band met het totaal der schepping. Er is niets, maar dan ook werkelijk niets, wat niet in u bestaat, want God bestaat in u. U hebt het gevoel van eenheid met die God overgebracht op uw eigen wereld en daar vandaan komt die stemming, komt die kracht, komt die macht. Wij kunnen dus hier uit dit voorbeeldje wel concluderen, dat de innerlijke wereld zeer vele, schijnbaar geheimzinnige krachten en mogelijkheden bergt, die in feite inherent zijn DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE 83

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie aan ons eigen wezen, eigenschappen en kwaliteiten, die onmiddellijk verbonden, zijn met de ziel en met de geest. Het is echter niet voldoende alleen één zo'n klein voorbeeld aan te halen. We zullen moeten trachten er meer te construeren om te begrijpen wat die mystieke kracht voor dit innerlijk beleven betekent. En dan gaan we naar een geheel andere omgeving. Wij zoeken mensen op, die bijeen zijn gekomen in een rituele bijeenkomst. Het kan in de kerk zijn, het kan ook ergens anders zijn. Er klinkt geluid, muziek, vastgestelde spreuken vol inhoud wisselen af met antwoorden. In de omgeving heeft men alles gedaan om de aandacht te concentreren op belangrijke punten. Zelfs heeft men vaak de kledij gewijzigd of veranderd, heeft men. althans het alledaagse zoveel mogelijk achter zich gelaten om in deze geheimzinnige stemming een ogenblik de mystieke eenheid en de mystieke band tussen al het geschapene te beleven. Wat heb je in feite gedaan? Je hebt je geconcentreerd. Geconcentreerd op dingen, waarvan je een eigenbeeld en een eigei voorstelling hebt. Je hebt je geconcentreerd op het goede, zoals jíj dat begrijpt. Je hebt kort en goed, de gehele wereld achtergelaten en bent gekomen in een cadans van denken en doen, van gebeuren en spreken, je hebt die cadans misschien versterkt door wierookgeuren, door muziek, door koorzang en nu ben je wederom ontrukt aan je eigen wereld. En dan lijkt het vaak of in zo'n bijeenkomst de gedachten plotseling veel helderder gaan functioneren. Problemen, waar je dagenlang mee hebt hopen rondslepen, zijn ineens verdwenen. Je hebt het idee dat het geen problemen meer zijn, er is een antwoord. Het gevoel van verlatenheid of van onvolledig zijn, van niet voldoende volbrengen, valt weg. In de plaats daarvoor komt een wil tot streven - zeker - maar boven alles een wéten omtrent een bereiken. Wat is hier gebeurd? Wederom heeft de mens de wereld, die buiten hem lag, verworpen, nu vrijwillig en beheerst. Hij heeft in een rituaal van klank en woorden, in het spel van gedachten en symbolen, zichzelf verloochend en is daardoor aan zijn eigen wezen nader gekomen. En zo voelt hij in zichzelf plotseling het weten van de kosmos. Het is vreemd, dat onze innerlijke wereld vaak is opgebouwd op twee hoofdwaarden. De ene hoofdwaarde bestaat uit het willen (dat het weten inhoudt) en de tweede uit iets, wat ik het beste welwillendheid zou kunnen noemen of zo u wilt medelijden, mededogen, naastenliefde. Een band van genegenheid t.o.v. de wereld enerzijds, een wil om wat je wéét in die wereld ook te gebruiken ten goede, tezamen zijn zij de peilers, waarop je eigen wezen is gebaseerd. Je kunt niet een mystiek beleven doormaken, je kunt niet mysticus zijn in je denken, in je streven, als je deze grondwaarden niet bezit. Zonderling, maar waar. En esoterisch gezien wedgom begrijpelijk. Want alles wat je bent in het leven, alles wat je doet in het leven is een persoonlijkheidsuiting. Het is een uiting van je innerlijke kracht en je innerlijk wezen. Het is een uiting van de God in jou. Het is de goddelijke kracht, die het je mogelijk maakt om te werken. Het is een deel van de schepping, die je hebt leren kennen en die het je als "ik" mogelijk maakt om daden te stellen. Het is duidelijk, dat we weten en willen vereend moeten zien in één band. En duidelijker nog is het, dat wij niets kunnen bereiken in de zin van kosmisch, van God benaderende wanneer wij ook niet gelijktijdig voor onszelven vinden (ook een belangrijk punt, nietwaar) de eenheidsgedachte. Wij horen zo vaak de veel misbruikte term: broeder en zuster. Wij horen spreken over de band die tussen alle mensen bestaat. En dan is dat uiterlijk en onvolledig. Maar eerst op het ogenblik, dat dat voor ons een innerlijke werkelijkheid wordt, kunnen wij deelhebben niet alleen aan ons eigen bestaan maar aan dat der mensheid. Op het ogenblik dat wij verder kunnen gaan dan alleen maar vanuit ons standpunt goed doen, wanneer wij kunnen komen tot een welwillend medeleven, een genegenheid voor het totaal der schepping, kunnen wij de schepping zelve leren begrijpen, onze plaats daarin vinden en er in werken. Is het een wonder, dat esoterie en mystiek zo vaak samengaan? De zing-zang van een bezwering, de klankenreeksen, die langzaam en traag neerdruppelen in een zich steeds verder ontwikkelend symbool van leven, de gedachtegang zelfs, die ons brengt tot het herhalen van symbolische bloedoffers, al deze dingen tezamen in deze aanpassing vormen in feite onze werkelijke wereld, onze esoterische wereld. Ik denk hier b.v. aan de kerk van Rome. Zij heeft een eigenaardige stelling. Men zegt dat de kerk het mystieke lichaam van Christus is. Nu kunnen wij daarover vechten of het wel of niet 84 DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie waar is, maar de gedachte op zichzelf is toch wel veelbetekenend. Want zou niet een ieder, die Jezus' weg volgt, zijn weg van naastenliefde gaan, van mededogen, medelijdendheid, van voor anderen streven? Maar ook van bewust ten koste van alles het goddelijk doel nastreven? Wanneer dát in de mensen geboren is, dan zijn zij één met de Christusgeest en is dit mystiek lichaam verwerkelijkt. Esoterisch betekent het, dat wij - deel uitmakend van een dergelijk mystiek lichaam - het Goddelijke zeer dicht kunnen naderen. Ondanks dat alles heb je toch wel van die ogenblikken, dat het leven een woestijn lijkt. De mens, gedreven door zijn eigen oordelen en veroordelen, zijn begerigheid en zijn angsten, laat maar al te vaak die innerlijke tuinen vol van schoonheid en kracht achter zich. Hij wijdt zich aan de uiterlijke werelden laat zijn daden alleen daardoor bepalen. Hij denkt niet aan zijn eigen noodzaken, zijn eigen behoeften, hij denkt niet aan de inhoud van zijn bestaan, hij denkt alleen maar aan een uiterlijke vorm. Maar al te vaak is hij zich niet eens bewust van wat er in hem schuilt. Hoe kan een dergelijk mens nog contact hebben met zijn medemensen? Hoe kun je een werkelijke band bezitten met de schepping, wanneer je alleen maar aan uiterlijkheden denkt? Het is de ínnerlijke wereld en het ínnerlijk streven in de eerste plaats, die belangrijk zijn. En voor die innerlijke wereld bestaat er geen wet buiten de goddelijke wil. Dat is heel typisch. Dat merken wij wanneer wij meer en meer die innerlijke waarden gaan kennen. Er is geen mogelijkheid om te zeggen: Dit is goed op de wereld en dat is kwaad. Deze regeringsvorm moeten wij aanvaarden en gene moeten wij verwerpen. Deze godsdienst deugt niet en gene wel. Wij kunnen alleen maar zeggen: Ja, in al die dingen vinden wij een brokstuk van het Goddelijke en wij moeten vanuit ons standpunt, vanuit ons denken proberen om dat van het Goddelijke, wat in ons leeft, te ontwikkelen en te behoeden. En het vreemds is, wanneer wij dat werkelijk doen, dan vinden wij een automatisch contact met alle anderen: alle anderen op de wereld, die een gelijk streven kennen. Maar ook alle anderen buiten uw wereld, die dat streven kennen. Want in de mystiek komt wel heel sterk naar voren het principe van de harmonieën, die bepalend zijn voor onze esoterische ontwikkeling. Ik mag er misschien een beeld van opbouwen. Je hebt in je leven ervaringen gehad. Sommige mensen heb je leren waarderen, anderen daarentegen hen je niet begrijpen of heb je verworpen. Je hebt geselecteerd. Je hebt langzaam maar zeker bepaalde delen van het leven, verworpen en andere a.h.w op een voetstuk gesteld. Al datgene wat naar je idee beneden je ligt, al hetgeen wat naar je idee boven je staat, maakt geen deel uit van je werkelijkheid. Ook niet esoterisch, ook niet mystiek. Maar al datgene, wat met jou op gelijk vlak is, daar ben je in een voortdurende wisselwerking mee. Wanneer een ander iets doet reageer jij er op: wanneer jij het doet zal die ander reageren. Er is een voortdurend samenwerken en een voortdurend medeklinken. Stel nu, dat wij streven naar een zo groot mogelijke geestelijke vrijheid, een zo groot mogelijke geestelijke bewustwording. Dan zullen uit boeken, uit lezingen, uit eenvoudige gesprekken gedachten in ons rijzen, die weerkaatsen in anderen. Dan komt er het ogenblik, dat je juist. dat ene beslissende woord kunt zeggen, waardoor een ander ineens een nieuwe visie krijgt op het leven. Dan vind je die magische formule, die plotseling trillingen wekt, zodat een ander de rillingen over de rug lopen en hij zich afvraagt: Wat is er eigenlijk gaande? Dan vind je plotseling die uitdrukking van eenheid met degenen, die op gelijk vlak zijn, waardoor je kunt handelen niet meer als eenling, maar als deel van een geheel. Een dergelijke beperkte harmonie is de basis van een groot gedeelte van de menselijke samenleving. Harmonieën - vaak op bepaalde dierlijke waarden mede gebaseerd - vinden mij in het huwelijk: en alleen dán kan er van een waar huwelijk sprake zijn. Soortgelijke harmonieën vinden wij in kerken, in politieke partijen, in verenigingen. We vinden zo in vriendenkringen, die elkaar regelmatig ontmoeten. Overal weer vinden we dit principe van de beperkte harmonie. En juist daardoor is de mens in staat zichzelf te uiten, daardoor kan hij de woestijn van eenzaamheid verlaten en zich erkennen als zijnde temidden van zijn gelijken. Maar nu komt er een gedachte, die verdergaat. Je de denkt over een goddelijke waarheid na en je hebt een probleem, een raadsel. Een raadsel, dat ook voor anderen bestaat en je zoekt naar een oplossing daarvan. Je krijgt contact - of je wilt of niet, want dat is de wet van de harmonie - met anderen. De gedachten van anderen vloeien op je toe. Je ontmoet mensen op DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE 85

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie je weg, die je nog nooit eerder hebt gezien en die juist voor jou iets te zeggen hebben, wat belangrijk is. Je vindt plotseling voor jezelf de taak om een ander iets uit te leggen, terwijl je er nooit over hebt nagedacht, dat je wel eens als leraar zou kunnen optreden. Je harmonie is niet meer beperkt tot een persoonlijk kennen. Zij is een harmonie geworden met een gedachtebeeld, met een probleem. Een probleem, dat desnoods ook in de sferen voort bestaat en u ook daar dan steeds weer nieuwe krachten toevoert en omgekeerd U dwingt om voor degenen, die met u harmonisch zijn, mee te streven naar een aanvaardbare oplossing. Dan zet je op een gegeven ogenblik je problemen opzij. Dan ga je proberen om alleen b.v. maar wat vreugde te geven, alleen wat licht. Wat is het gevolg? Overal waar die behoefte aan vreugde is, overal waar dit streven is naar vreugde, daar vindt u weerklank. En wanneer u het innerlijke dus uitzendt en het niet slechts als een uiterlijke vorm beschouwt, dan zult u ontdekken dat u ook dáár contacten vindt, harmonieën. Dat uw wereld ook daar zich uitbreidt, veel verder dan een stoffelijke wereld alleen. Dat alle sferen, die die gelijke vreugde kennen en die vreugde verlangen voor anderen, met u harmonisch zijn: Dan stapelt het beeld zich wel op. Het wordt een piramide. In meer dimensies tegelijk ontmoeten elkaar driehoeken, die hun basis hebben in een eenvoudig en beperkt bestaan, maar die door hun streven en hun eenheid elkaar bereiken bij de top. De top die de eenheid van alle dingen aangeeft. Dit besef betekent voor de mysticus dat geheimzinnig medeklinken, waardoor hij ontroerd ver boven zijn ogenblikkelijke mogelijkheden uitstijgt. Het betekent voor hem die stille wijding, die hij ondergaat, die kracht en die troost, die uit het onzichtbare op hem schijnen toe te vloeien. Voor de esoterisch strevende mens betekent het meer. Het betekent de onthulling van zijn innerlijke waarden. Het betekent dat hij uit zichzelve leert om anderen te kennen: dat er een eenheid ontstaat: dat hij deel is van een stuwende kracht in de schepping. En uiteindelijk wordt die harmonie zo groot, dat de juiste verhouding van eigen streven t.o.v. alle schepping wordt gevonden. Esoterisch gezien is dat de laatste trap. Wanneer je dat bereikt hebt, dan kun je niet meer verder gaan. De juiste verhoudingen bestaan in de eerste plaats wel in een erkenning. In de mystiek vinden wij b.v. de driehoek vaak gebruikt maar ook vaak de cirkel, als uitdrukking van de schepping van het goddelijk principe. Wij bewegen ons van een willekeurig punt af naar het middelpunt. Dat doen wij altijd wanneer wij streven. Maar wanneer wij de harmonieën erkennen, dan zullen wij erkennen hoe andere, schijnbaar tegengestelde bestrevingen ons volledig in evenwicht houden. Hoe onze weg naar het Goddelijke a.h.w. gepaard gaat met een gelijktijdige opmars uit alle denkbare punten. En wat meer is, we begrijpen dat het middelpunt, waar wij naartoe streven, niet het antwoord is waarop wij wachten, de oplossing van alle problemen in de schepping. Neen, het is de rust, waarin een Godsaanvaarding mogelijk is. Ik weet niet of u in de dagen, dat de rijp zo dik hing overal aan de boomtakken, die bomen wel wens goed hebt bezien. Dan zal u wat opgevallen zijn. Vaak zat die rijp maar aan één kant van de tak. Aan de andere kant was er niets. Het was de heersende wind, die dat verschijnsel had veroorzaakt. Stel nu eens, dat de rijp van het menselijk wezen, datgene wat aan óns hecht, bewustzijn is. En stel verder, dat we in plaats van de stromingen, die de wind veroorzaakt, staan in de neg veel sterker en krachtiger wervelende stroom van de tijd. Dan is het logisch, dat de wijze waarop wij ons door de tijd bewegen zal uitmaken in welke zin ons bewustzijn zich ontwikkelt. Dat betekent ook eenzijdigheid. Wanneer wij in harmonie komen met de omgeving, dan neutraliseren wij door onderling begrip dat staat bóven het tijdsverschijnsel, ten dele de werkingen van de tijd. En denkt u nu weer aan die rijp en gaat u eens kijken waar het windstil is geweest, ergens midden in een bos b.v.. Was het niet net, alsof die takken helemaal besuikerd waren met glinsterende kristallen aan alle kanten tegelijk? Het was of één of andere vreemde God of fee, bomen uit ijs had gebouwd, nietwaar? Zo gaat het met uw weten en uw ontwikkeling, wanneer u de harmonie vindt met anderen. En hoe groter die harmonie is, hoe kleiner de kans op eenzijdigheid. Hoe sterker de band, die u met anderen hebt gevonden, hoe gelijkmatiger, hoe voller, hoe krachtiger de ontwikkeling van het weten. 86 DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie Maar wanneer de dagen voorbij gaan, dan smelt de rijp. Soms is er alleen maar een zonnestraal voor nodig, soms is het de lauwwarme wind, die van andere streken komt aanruisen en plotseling de gehele witte toverwereld doet ineenvallen in wat wegsiepelend water. Zo zal het met ons gaan. Ons weten is thans voor ons belangrijk. Het is de uiting in de verstilde wereld waarin wij onvolledig van het leven bewust zijn. Maar wanneer wij eenmaal zover komen, dat het goddelijk licht ons beroeren kan, dan versmelt ons weten ook. Dan komt er iets anders voor in de plaats. Wanneer het weten voltooid is, dan zijn wij als de bomen en de struiken, die in de lentetijd hun sappen uit een grote wereld halen, die zijzelf niet eens kennen. Een wereld, waarvan zij deel zijn, maar die zij niet beseffen. Zo zullen wij uit het goddelijk Wezen, waarvan wij een uiting zijns ons eigen voedsel kunnen halen. Wij voeden ons dan niet meer met kennis, die ons uit eigen omgeving en milieu is aangewaaid. We kunnen ons niet meer voeden met voorstellingen, die beperkt zijn, evenwichtig of niet. Dan gaat in ons het goddelijk licht werken. En zoals de takken in de lente knoppen zetten en uiteindelijk blad voortbrengen en bloesem, zo zal het ons gaan. Zoals een wijsgeer eens heeft geschreven: "Toen de Schepper ontwaakte uit Zijn slaap, wilde Hij Zich een tuin scheppen. En ziet, er was een tuin van wonderlijke schoonheid. Vijvers als van glas gemaakt droegen sierlijke zwanen. Bloemen bloeiden alomme. En op Zijn bevel scheen de maan met zilveren glans of overgoot de zon met haar gouden licht het geheel. En uitgaande in Zijn tuin plukte Hij Zich een paar vruchten en zeide: "Het is schoon hier te zijn." Toen Hij nu heenging, bleef veel bestaan, maar een enkele struik wist waar zijn bron was. En deze bevond zich niet in de tuin, tenzij de Schepper er was. Hij was zich bewust van een deelgenootschap met die Schepper en kende de volheid van Zijn gedachten, de vreugden van Zijn overpeinzing. En in de ontplooiing van de wensen van de Schepper vond de struik zijn vervulling. " Je zou kunnen zeggen. Dat is eigenlijk de gehele mystiek en in feite ook de kern van de esoterie. Wij zijn delen van een schepping, die God om redenen, die wij niet precies kunnen nagaan, heeft geschapen. Maar dat is voor ons niet belangrijk. Wij zullen ongetwijfeld in die schepping een vaste plaats hebben. Wij behoren tot de symmetrische schoonheid, die God voor Zichzelf deed ontstaan. Maar indien wij weten omtrent God, zal al wat nu onze vorm, ons wezen en ons strijden lijkt, Zijn wezen zijn. En buiten de beperkingen om van wat eens onze vorm was, zullen wij de totaliteit van God kennen. Dat is het doel, waarheen u streeft. Dat is wat u zoekt: de z.g, priesterlijke openbaring voortgezet tot de goddelijke bewustwording. Misschien bent u mystiek aangelegd. Misschien is uw mystiek zelfs een klein beetje overgegaan tot iets, wat bijna bijgeloof mag heten. Want als u rond u ziet is de wereld vol met tekenen en symbolen. Sterren spreken, de lijnen van de hand vertellen de toekomst en het verleden, gebeurtenissen - schijnbaar onbelangrijk - tonen aan hoe goden of demonen tegenover je staan. Een verwarrend beeld. Verwarrend omdat je niet begrijpt dat dit slechts tekenen en verschijnselen zijn. De sterren zullen invloed hebben, in de lijn van de hand kán iets gegrift staan van een toekomstig gebeuren en van dat, wat je bijna vergeten had. Haar in feite zijn die kleine tekenen niets anders dan een reproductie van de eeuwig - behoudende en eeuwig blijvende schepping, waarin God zich vermeit. Dit te begrijpen is een zeer belangrijk en noodzakelijk punt voor een ieder, die verder wil gaan. Ik hoop dat u dit eens zult overwegen. Ongetwijfeld zullen die overwegingen voor u vele vruchten baren. En nu ga ik het woord overgeven aan een volgende spreker, die voor de pauze ook het zijne nog heeft bij te dragen. Ik voor mij dank u voor uw aandacht. o-o-o-o-o Goedenavond, vrienden. Alles wat je zo hoort over mystiek en esoterie is natuurlijk erg interessant. Maar ik vraag mij wel eens af:

DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE

87

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie WIE ZOU NU IN STAAT ZIJN DAARMEE PRAKTISCH TE WERKEN?

Want zoals de vorige spreker ongetwijfeld zal moeten toegeven: Esoterie en ook mystiek zijn toestanden, die in jezelf bestaan. En de harmonieën, waarover hij zo-even sprak als zeer belangrijk, kunnen alleen ontstaan wanneer je Jezelf ontwikkelt tot een vatbaarheid voor de krachten in het Al. Neen, ik geloof dat je soms dichter komt bij da esoterie door te dromen en te denken (door te handelen ook) dan met alle te diepgaande overpeinzingen. Per slot van rekening, wanneer je de wereld bekijkt zijnier zoveel dingen, die mooi zijn en zoveel dingen, die lelijk zijn. Er zijn zoveel contrasten, weet u: Er zijn momenten, dat je blij bent als een kind met een gekleurd balletje: en er zijn ogenblikken, dat al de schatten van de wereld je nog geen vreugde kunnen gaven. Als je dat nu eens een keer gaat verwerken, dan zul je tot de conclusie moeten komen (tenminste dat meen ik), dat stemmingen, sentimenten, gevoelens tot de meest belangrijke dingen behoren. Het is geen kunst om gevoelens op te wekken. O, wij kunnen zo'n sentimenteel verhaal gaan ophangen over een arm meisje in de kam. En wij kunnen dat gaan down á la Andersen (denkt u maar aan het meisje met de zwavelstokjes) of wij kunnen het doen in de meer moderne vormen, maar het blijft altijd hetzelfde. Wij proberen een synthetisch medelijden op te wekken Wij gaan vanuit de gevoelswereld een idee van eenheid scheppen en wanneer wij het geschapen hebben, nu ja, dan hebben wij de mogelijkheid (wanneer wij tenminste verdergaan) om uit deze stemming daden te stellen, die voor ons harmonie betekenen. Ik zou haast aannemen, dat die kritische gedachte van één van u is. Zo iets van: Ja, als wij nu allemaal sentimenteel en gevoelig moeten gaan doen, wat blijft er dan nog over? Onder ons, gezegd en gezwegen, een groot gedeelte van de samenleving is op sentimentaliteit gebaseerd. En heel veel van hetgeen u goed vindt is in feite sentimenteel en niet logisch. Wanneer u altijd logisch zoudt handelen,dan zou er ongetwijfeld in deze wereld heel weinig plezier meer zijn, heel weinig vreugde en ook heel weinig geestelijke bewustwording. Dus laten wij het houden op het gevoel. Gevoelens kun je op duizend en één manier wekken. Daar bestaan methoden voor: Dan vraag ik mij af: Zou het misschien niet goed zijn - je kunt niet weten - om die gevoelens eens een keertje uit te drukken? Laat ik het eens proberen in een dichterlijke zin. De stuwdam van gewoonten heeft mij de levensvloed gestuit. Ik kan mijzelf niet zijn. Ik vlucht voor elk besluit en schuw des levens wijn. Maar eenmaal komt de tijd, dat 't keurslijf gaat bezwijken. Eens breekt de dam en dan overspoelt wat in mij leeft de dijken, die grenzen zijn van menselijk bestaan. Dan breekt het ware ik des levenskracht zich baan. Dán eerst ben ik mijzelve, niet dienstig moer aan industrie. Dan zoemen niet meer generatoren. Dan zing 'k niet meer het werkerslied in welgeschoolde koren, die prediken des levens vreugd. Dan spreek ik niet van ouderdon, dan spreek ik niet van jeugd, dan spreek ik slechts van zijn. Zoals de stroom uit de wolken wordt geboren en wegesp spoelt naar de zee, zo vind je zelf, geboren uit het niet, slechts in de vorming van het Goddelijke vree en kracht. Zoals het tempo van de stroom vertraagt maar wint toch massa, onweerstaanbaarheid en macht, wanneer ze naar de zee zich spoedt, zo vindt de mensa die zichzelf te kennen waagt, in het bereiken van het hogere het allerhoogste goed. Het is maar hoe je het zegt Het is helemaal niet belangrijk, hoor. Maar we moeten het even op onze manier aanvoelen. En, nu ja, dat gevoel zet je dan maar om in woorden. Zolang je aan esoterie doet en gelijktijdig jezelf zo'n beetje voortdurend beperkingen blijft opleggen, die niet reëel zijn - zoals de meeste mensen doen - dan kun je nooit tot een werkelijke bereiking komen. Je zou het zo kunnen stellen: Ze vertellen, dat God de wereld schiep en Hij zag, dat het goed was. Toen kwam de mens. Die begon er aan te prutsen en de zaak te verbeteren. En sedertdien is het hommeles. Waar of niet? Maar wanneer dat zo is, dan is er maar één ding aan te doen. Dan moet je voor jezelf 88 DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie proberen zover als dat mogelijk is die oorspronkelijke wil Gods, die oorspronkelijke kracht en het oorspronkelijke leven terug te vinden. En buiten dat? Dat weet je, dan is er geen mogelijkheid tot een redelijke en geleidelijke ontwikkeling,, dan is er alleen naar een opsparen en opsparen door jaren en eeuwen en levens heen, tot je uiteindelijk uitbarst maar dan gelijktijdig veel vernietigt van de schoonheid, die God voor je heeft geschapen. Stel je nu eens voor dat zo'n grote dam doorbreekt. Of dat nu de Ruhrdammen zijn, of de Wezerdam of het ergens de Boulderdam is of de Hooverdam, dat maakt weinig uit. Stel je zo'n groot ding voor. Hele valleien onder water. Ineens breekt die zaak. Wat gebeurt er? Een stormvloed, die hele dalen leegvaagt, die alle schoonheid wegneemt, die ellende en nood schept. Zo gaat het met jezelf. In je heb je een bepaalde hoeveelheid levenskracht, denkkracht, een zekere hoeveelheid werkelijk plichtsbewustzijn, een zeker geweten en een zeker aanvoelen van God. Dat kun je allemaal achter gewoonten en gebruiken gaan indammen. Maar wanneer dit zich baanbreekt, ja, dan is het een verscheurende kracht. Daar doe je niets meer mee. Dat kun je niet meer beheersen. I.p.v. de schoonheid, die ongetwijfeld de oevers van een rivier bieden, wanneer ze door verschillende Landschappen zich langzaam en statig voortspoedt naar de zeeg vernietiging angst, nood moddert' vuil. Dat is een kwestie van smaak. Maar geef nu mij maar een rivier, die - zoals in het gedicht "Vader Rijn!" - statig voortrolt langs zijn boorden. Dus om het nu eens op mijn manier te zeggen: Ik geloof niet, dat de mens moet werken met die uitbarstingen. Het is én voor de esoterie én voor het geestelijke en voor het stoffelijke absoluut verkeerd. Alles, wat je opkropt leidt tot ellende. En het is nu alleen maar de vraag: Wat mag je dan geestelijk niet opkroppen? Wat is voor de esoterie nu absoluut noodzakelijk? En dat zal ik dan ook maar weer proberen op mijn manier te zeggen. Wanneer de trage, lange gedachten en klachten smachtend uit je breken, dan moet je leren om je klachten tot je God te spreken. Wanneer het onvervuld zijn van het leven als een vuur je vreet en knaagt, moet je denken aan de kracht, die de Eeuwige ook in jou draagt. Wanneer de langzaamheid van leven doet verlangen naar de kille dood, denk aan Gods kracht en weet te leven. Want uit goed en uit kwaad, uit licht en uit duister is er de schepping geweven. Al wat er is en al wat er gebeurt, heeft zijn zin, zijn doel en zijn reden. Zonder dat al geen bestaan, geen bewustzijn, geen kennen van God en geen vrede. Bouw uit al, wat het leven je biedt, het verwerkende volgens je eigen zijn, een tempel, een huis om stil in te wonen. Een kasteel, om in maannachten over te dromen. Bouw jezelf een innerlijke werkelijkheid, opdat wanneer de tijd verglijdt - de eeuwigheid in jou blijft leven. Maak in de wereld doel van 't streven niét een tijdelijk bereiken of geestelijke overmacht. Zoek niet naar buitengewone krachten. Grijp geestelijk niet zo hoog en blijf niet in 't stoffelijke steken. Leer met eenzijdigheid te breken. Voeg al wat gegeven werd tezamen. Slechts dán door met het ik te omramen al wat de schepping je steeds geeft, kun je beseffen het doel van je leven en vind je de vreugde, dat je leeft. Uit het flitsende spel van lichtende krachten, schiep de Schepper heel het Heelal. En uit de machten, die Hij heeft geschapen, ontstond toen het beeld van een tranendal. In leven en streven in werken van mensen kwam er de droom van een aards paradijs. De angst voor de dood, het verlangen naar leven schiep er het beeld van een laatste reis. Naar alle dingen zijn verweven in een beeld van lichtende kracht. God openbaart door alle tijden in alle sferen dezelfde prakht. God is het, die je steeds kan leiden. Hij is het, die je alle middelen geeft. Waarom dan zo dwaas zijn gaven te mijden? Leef mét de Scheppers, Die 'n je leeft. Dat klinkt natuurlijk weer als een heel gevaarlijke raad. Ik kan me zo echt voorstellen, dat er mensen zijn, die zeggen "Nou, nou, als ze dat allemaal deden, dan zou het een mooi zootje zijn." Dat kan ik best begrijpen. Maar dat komt, omdat die mensen zich vasthouden aan hun kleinzielige beeld. Geloof mij, als je iets wilt doen en je voelt dat het niet goed is, dan stuit je dat toch ergens tegen de borst. Dan zeg je: "Op het ogenblik past het mij niet." Nu, dan laat je het. Maar als er ergens iets in je is, dat zegt "Dit is goed, dit is aanvaardbaar, dit is redelijk," wat zou je je dan storen aan de lange gezichten van de buren en mijnentwege die van de dominee, de pastoor, de minister van arbeid en van O.K.en W. Die dingen maken toch niets uit. Per slot van rekening hoe vaak trapt u niet anderen op de tenen DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE 89

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie voor onbelangrijke dingen? Hoe vaak bent u niet eigenzinnig, wanneer het er eigenlijk niet op aan komt? Waarom zoudt u dan niet eigenzinnig zijn in de dingen, die belangrijk zijn? Weet u, u moet eigenlijk een beetje afstappen van die menselijke gewoonte om alles te zijn op de manier van: Als God het ons niet geeft en als de geestelijke leiding ons niet voortstuwt en als mijn geestelijke raadslieden het mij niet vertellen, dan kom ik er niet. Je zou het anders moeten zeggen, tenminste naar mijn idee, hoor. U moogt er natuurlijk uw eigen mening over hebben. Wanneer u nu werkelijk eens van uzelf uit zo tegen God zou moeten spreken om te zeggen wat u bent, wat u verlangt en wat er is, wat zoudt u dan willen doen? Zoudt u God willen gaan bekritiseren? Dan krijg je die heerlijke pessimistische dingen En om het dan maar weer in mijn eigen woorden te zeggen, want dan spreek ik het gemakkelijkste: "God, ik dank U, dat U de wereld hebt geschapen en ik dank U, dat U mij het leven geeft. Maar God, hebt U wel goed begrepen wat U al geschapen heeft? Gods het deugt niet met de mensen. Gods de wereld is niet goed. God, wat had toch Jezus' lijden nut, wat nut ons al zijn bloed, wanneer geen mens uit al zijn gaven en uit al zijn krachten put? God, ik dank U voor het leven. Ik dank U voor wat Gij gegeven hebt: Maar God, Ge waart toch geen adeptenschepper. God, luister goed, ik dank Je voor het bestaan. Maar als Je eens naar mij wilt luisteren: Je hebt het glad verkeerd gedaan." Maar hoeveel mensen doen dat niet in de praktijk? En dat zijn nu de mensen, die het zo goed weten. Dat zijn diezelfde mensen, die links de Heilige Geest hebben, rechts de Schepper, vóór zich de 12 apostelen en dan staat er hier nog een geestelijke leidsman en daar nog één en daar een krachtgever. Meesters in overvloed. Je zou haast zeggen: Ze zweven van de meesters, maar ze krijgen geen voet aan de grond. Dat moet u mij n u niet kwalijk nemen, dat ik dat zo zeg. Heel veel mensen vinden het leuk, wanneer ze het zo horen. Dan zeggen ze: "Ja, maar zo gek ben ik niet." Maar in de praktijk doen ze het. En voor de esoterie is dat het meest dodelijke wat er bestaat. Want God is de werkelijkheid en verder niets. Wat u erbij maakt aan fouten en aan goede dingen, wat u daar gaat oordelen, is alleen maar verwarring. Neen, we zouden het eigenlijk anders moeten zeggen, vindt u ook niet? Zouden we het misschien zo moeten zeggen "God, Ge hebt het Al geschapen, zegt Ge, omdat Ge in mij leeft. God, ik ben dankbaar dat Uw wezen mij doet bestaan, mij vreugde geeft en mij een wereld doet beleven. Ik kan Uw gaven niet verstaan, o God. En soms lijkt mij het lot te vreemd, een speling, die ik niet begrijp. Maar 'k weet, mijn God, wat Gij doet is het goede. Gij zijt de enige werkelijkheid. Als ik U dan iets vragen mag, o God, wil mij behoeden voor oordeel volgens eigen kracht en oordeel over 'tgeen Gij geeft om te bestaan, om in te leven. Leer mij om U te ondergaan en met beëindiging van 't streven slechts nog in U, mijn God, Gij, enig Wezen, enige Werkelijkheid, voor altijd te bestaan." Dat is de kern van de esoterie. Mij kunnen veel vertellen over al die voertuigen, die wij moeten achterlaten en over al de dingen, die wij terzijde moeten zetten en vereenvoudigen, maar het is in wezen zo eenvoudig. God is. Wij leven volgens ons aanvoelen van Gods wil, zo goed wij kunnen. Wij aanvaarden Zijn wezen. Meer is niet nodig. En wat de rest betreft? Er zijn misschien mensen, die de noten erg mooi vinden, zo'n opgepoetste, hazelnoot b.v. Maar denk nu maar één ding, waar het omgaat is de pit, de kern die er in zit. Wij zijn niet veel anders dan een bolster: In ons schuilt God. Zaten wij zorgen, dat die God aan het woord kont en ons niet blind staren op ons mooi gepolijst uiterlijk met al zijn mooie stellingen, vindt u niet? En voordat ik helemaal afscheid van u ga nemen, mag ik dan misschien nog één keer uitbarsten op mijn eigen manier? Wanneer ik mijn God niet versta, moet ik lijden. Wanneer ik mij verzet tegen Zijn wil en woord, dan lijkt het mij of een deel van mijn wezen wordt genomen, ja, heel mijn zijn wordt vermoord. Maar kan ik mijn God aanvaarden en achterlaten tijdelijk oordeel, tijdelijk bestaan, dan vind ik hoe de hoogste krachten en vreugden in mij samengaan: Niet vormende een spel van deugden, bestrijdend zware zondeval, maar levend licht, dat openbaart mij de zin: het zijn, het heel heelal. Laat mij geen droef gezicht gaan trekken en voortgaan met een trage tred. Laat mij niet zingen: "Kom toch nader." Of:"Heer, gij hebt mijn ziel gered." Laat mij

90

DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie slechts zeggen:" Heel het leven is mij een vreugde, waar 'k ook ga, dat door God mij werd gegeven, wanneer 'k in Zijn krachten slechts besta." Ik zou zo zeggen, vrienden, wanneer u zich nu geërgerd hebt aan mij of mijn betoog onbegrijpelijk hebt gevonden of wat anders, dan kunt u nu weer rustig uw eigen gang gaan. Ik voor mij heb het idee, dat een heel klein tikje van het goddelijk licht ook in mij leeft. En per slot van rekening wat ik doe, zou mijn voorganger niets anders dan harmonie zoeken genoemd hebben. Ik zoek naar het beetje weerklank, waardoor wik gezamenlijk de vreugde van de Schepper kunnen ondergaan. Geest en stof en alles wat er maar werkelijk bestaan kan, samen God ondergaan. Dat lijkt mij heet belangrijkst. En ik geloof niet, dat ik het fout heb. Maar zou ik het fout hebben, ach, dan zal ik juist door mijn aanvaarden van God boven alles het heus nog wel merken. Vrienden, het ga u goed. o-o-o-o-o Goedenavond, vrienden. In dit tweede gedeelte kunnen wij desnoods ook een onderwerp naar uw eigen verkiezing behandelen. Wanneer u een dergelijk onderwerp hebt in overeenstemming met het karakter van de avond, wil ik dit gaarne van u horen. Jezus heeft gezegd: GEEF DE KEIZERS WAT DES KEIZERS IS, EN GOD WAT GODS IS

Kunt u dat esoterisch verklaren? De keizer is de wereldlijke macht en God was in Jezus' tijd de macht van de tempel. We weten allemaal hoe dit gezegde ontstond. En dat heeft natuurlijk ook mede zijn invloed op de duiding ervan: Op een ogenblik dat Jezus ergens gezeten was, kwamen de Farizeeën. Zij lieten hem een munt zien (een Romeinse munt) en vroegen Wie zullen wij schatting betalen: de keizer of de tempel? M.a.w. zij meenden, dat je één van de twee moest dienen, hetzij de wereldlijke heerser, hetzij de geestelijke. Maar zij voelden er niet veel voor om aan beiden tol te betalen. Zij hadden de hoop, dat Jezus één van beiden zou noemen. Want zou hij zeggen de tempel, dan was dat een strikvraag. Want dan verzette hij zich tegen de belasting, die de keizer hief, was als zodanig een opstandeling en schuldig. Maar zou hij zeggen: geef het maar aan de keizer, dan zou men kunnen zeggen Ziet, hij verloochent de God zijner Vaderen. Wij moeten dit alles wel degelijk mede in ogenschouw nemen, wanneer wij die uitspraak dus esoterisch willen ontleden. Om het nu eens hiel simpel te stellen? Elke mens die op aarde leeft en ook elke geest in een sfeer, staat onder, invloed van twee werelden. U op aarde bent aan de ene kant stofmens, dus u hebt een stoflichaam met al zijn behoeften, zijn begeerten en wat erbij hoort. Aan de andere kant hebt u ook een geest en ook die geest heeft haar behoeften, haar verlangens, haar doel. Wanneer u op aarde zoudt leven en u zoudt alleen voor de geest willen leven, dan zoudt u daarmede alle inhoud van het stoffelijk leven verwijderen. Een stoffelijk bestaan met al wat daarin kan gebeuren wordt u niet gegeven om het alleen maar te verloochenen en te verwerpen. Het wordt u gegeven om in dit leven stoffelijke ervaringen op te doen en geestelijk gezien dus rijper te kunnen worden. Aan de andere kant alleen te leven voor het stoffelijke en lichamelijke zou ook verkeerd zijn. Want de geest komt met een bepaald doel op aarde en door alleen maar rekening te houden met de stof en behoeften en begeerten daarvan zoudt u de geest de mogelijkheid ontnemen in die stof haar eigen doel te bereiken en zo vrij te worden van verdere reïncarnatie. Esoterisch gezien wordt deze tegenstelling in ons wezen altijd weer weerspiegeld. Of je nu een geest bent, die leeft in een sfeer of een mens in de stof, je hebt altijd de wereld, waarin je leeft, waarin je ervaart, waarin je gelukkig en ongelukkig bent: en aan de andere kant het hogere principe, waarnaar je streeft en dat je uiteindelijk doel zal moeten zijn. Wanneer wij DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE 91

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie aan esoterie moeten doen en ten behoeve van die esoterie de gehele wereld opzij gaan zetten, dan maken we natuurlijk een grove fout. Want op het ogenblik dat wij alleen de innerlijke wereld gaan nastreven, ontnemen wij onszelf de mogelijkheid die, wereld te begrijpen. Wanneer wij daarentegen te veel aan onze wereld hangen, zullen wij teveel uiterlijk leven en de innerlijke krachtens die in ons allen bestaan, niet kunnen realiseren. Hieruit zijn verschillende conclusies te trekken. Ik wil zo niet eerst gaan afleiden, dat lijkt mij hier in dit gezelschap niet noodzakelijk. Wanneer wij leven moet ons innerlijk bewustzijn, ons innerlijk streven, onze innerlijke wereld, een voortdurende uitdrukking vinden ook in de stoffelijke wereld. Slechts zo kunnen wij aan de hand van ons hoogste besef in de stoffelijke wereld aan die wereld geven wat haar toekomt. Die wereld is deel van de schepping. Met al wat daarin bestaat is zij door God geschapen om daarin bewustzijn op te doen: maar gelijktijdig ook als een mogelijkheid om de innerlijke volmaaktheid, die Hij als kern in elk mens heeft gelegd, te openbaren en te uiten. Omgekeerd mag een daad nooit gedachteloos worden gesteld. Je moogt nooit iets, zo maar doen, want alles wat je doet in de stof heeft een betekenis, heeft een zin: het moet een reden, een achtergrond hebben. Deze achtergrond in jezelf, te beseffen en zo verder door te dringen in je eigen beweegredenen om te komen tot een juistere kennis van je werkelijke persoonlijkheid is een noodzaak. Indien wij hierbij moeten stellen, dat "des keizers" in feite dus is "van de materie'', dan volgt hier verder uit, dat het uit den hetze is jezelf uit het stoffelijke leven terug te trekken. Dat het uit den boze is bepaalde stoffelijke aspecten te verwerpen. Dat het uit den boze is op enigerlei grond aan je stoffelijke verplichtingen niet te voldoen. Aan de andere kant, wanneer God, hier moet staan voor de alscheppende kracht en innerlijke wereld (en dus niet alleen voor een tempel), dan kunnen wij zeggen dat God ons heeft geschapen met een doel, dat dit doel in ons is uitgedrukt en dat wij slechts door het kennen van onszelven dit doel volledig kunnen beseffen. Wij hebben dus de plicht onszelf zo goed mogelijk te leren kennen en door overpeinzingen, door leren, door zoeken en streven datgene, wat in ons leeft. Wie maken tot een gedragen werkelijkheid, waarin wij - ons zelf kennendeGods wil openbaren in de wereld, die wij aanvaarden zoals zij is geschapen. En daarmede hebben wij de bedoeling hiervan naar ik meen voldoende duidelijk uiteen gezet. Vindt u het nodig, dat hier nog een verdere aanvulling wordt gegeven?........ Heeft u een ander onderwerp, dat u wilt aansnijden? Ik heb kort geleden een voordracht gehoord over de Kabbala. En toen werd er gezegd, dat men de Bijbel nooit goed kan begrijpen tenzij men Hebreeuws kent, omdat de verschillende karakters waarin de Bijbel is neergeschreven, verschillende betekenissen kunnen hebben. Nu is de Bijbel, zoals wij die kennen, niet eens zo vreselijk oud. Hij is in verschillende tijdperken geschreven (ik meen ± 700 v. Chr.) Hebben de mensen, die dit neerschreven, die geheime betekenissen in hun tekst gelegd, die zij wél wisten en anderen niet? Ook in de Bijbel zoals overal elders bestaat er een innerlijke en uiterlijke waarde. Degenen, die oorspronkelijk de Bijbel neerschreven (niet degenen dus die haar kopieerden), deden dit ongeveer 21/2 duizend jaar geleden. Dus duizend jaar voor Christus ongeveer. Zij waren geschoold in vele, magische en esoterische geheimen. Deze maakten echter gelijktijdig het gezag uit van in de eerste plaats Mozes als leider van zijn volk, met als tweede magiër daarnaast Aäron, doch ook van bepaalde delen van het Joodse volk. Wanneer wij b.v. zien hoe de stam van Levi zich onderscheidt van alle anderen en tegen alle gebruikelijkheden in, a.h.w. zich volkomen afzijdig houdt van de rest van het volk, daar slechts een bedienende functie uitoefen, dan kunnen wij begrijpen, dat wij hier te maken hebben met een aparte klasse. Men kan dit b.v. vergelijken met de z.g. stand der Druïden, die ook geen huwelijken buiten deze stand toeliet. Ja, die zelfs zover ging, dat wanneer iemand werd toegelaten tot die priesterlijke bediening alle oude banden en huwelijken vervallen werden verklaard. Soortgelijke verschijnselen zien wij overal. Degenen, die als dienaren van de wet optraden, wisten dan ook die Bijbel te schiften in boeken van de wet, boeken van de openbaring en boeken: die men het best commentaren kan 92 DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie noemen. Deze verdeling maakt het Christendom niet meer. Toch was die verdeling zeer belangrijk, want in de boeken der voet en der openbaring waren de geheime openbaringen of de inwijdingsgeheimen mede vervlochten. De kabbala was toen nog niet in de vorm, waarin men ze tegenwoordig kent, tot een wetenschap geworden. Maar er bestond reeds in die dagen een getallensymboliek, waardoor het mogelijk was, wanneer twee uitleggingen van een woord mogelijk waren, een van die uitleggingen met nadruk in het woord vast te leggen. Hier is dus niet een lezen tussen de regels door, zoals men dat tegenwoordig graag zegt, maar het was een ontdekken van schijnbare synoniemen, die echter in de context een totaal andere betekenis vertoonden. De eigenaardigheden van het Hebreeuwse alfabet heeft daar ongetwijfeld nog vele dingen eenvoudiger gemaakt. De wijze, waarop het n.l, wordt geschreven, brengt met zich mede, dat letters als o, a en e praktisch niet voorkomen. Die moeten er tussen worden gedacht. Zo is het mogelijk dus een lettercombinatie te stellen, die door haar eigen getal definitief een bepaalde verklaring vergt, terwijl zij volgens de content ook in een andere vorm gelezen zou kunnen worden. Van hieruit gaande wordt het duidelijk, dat het niet zo moeilijk was om een geheime leer te verbergen in geschriften, die toch ook voor anderen toegankelijk moesten zijn. In het begin heeft men die geschriften geheim gehouden, maar langzamerhand kreeg het volk niet slechts toegang tot lezingen en besprekingen van die geschriften door ingewijden, maar werd men ook zelf in staat gesteld om die geschriften te verkrijgen. Vergelijking: In het Christendom heeft men lange tijd het bezit van een Bijbel als zondig beschouwd en pas rond de jaren 1500, 1600 werd het bezit van een Bijbel door een leek niet meer beschouwd als absoluut fataal voor zijn geestelijke ontwikkeling en bewustwording. De kerk heeft een gezagspositie. Deze gezagspositie kan zij alleen handhaven, wanneer zij een tweeledige uitlegging kent van al haar stellingen, n.l. de ware, die echter voor de meesten niet aanvaardbaar of schokkend is en de oppervlakkige, die allen tevreden stelt en hen het levensspoor doet volgens de weg dor bewustwording, die ook volgens de geheime leer goed is. Op deze manier is dus in het Oude Testament (niet in het Nieuwe Testament) een reeks van verborgen waarheden neergelegd. Ik meen te mogen bevestigen dat een uitstekende kennis van het Hebreeuws met daarnaast een redelijke kennis van de kabbala en zo mogelijk daarnaast ook nog een kennis van de Egyptische symboliek noodzakelijk is, wil men komen tot een volkomen juiste duiding van vooral de eerste 7 boeken. U zult zich misschien afvragen, waarom het noodzakelijk is een geheime leer te verborgen of vast te leggen. Men kan er niet altijd zeker van zijn, dat een school blijft voortbestaan. Men kan er ook niet zeker van zijn, dat - zou men de loer volledig op schrift stellen of volledig uitbolden - deze beschermd zou blijven en dus niet in handen van onbevoegden zou vallen, in wier handen ze misschien gevaarlijk, althans nadelig zou kunnen werken. Vandaar dat het noodzakelijk is om enerzijds de leer zo vast te leggen, dat zij altijd en te allen tijde voor de ingewijde terug te vinden is, anderzijds voor de leek steeds zo verborgen blijft, dat hij niet in staat is zo te vinden zonder over voldoende sleutels en voorbereidingen te beschikken. Een dergelijk voorbeeld vinden wij ook in het z.g. kaartspel. Het kaartspel dankt zijn oorspronkelijk bestaan eigenlijk aan de tarot. De tarot is en woordomzetting van de rota, de cirkelloop. Er bestaat een oude inwijdingsleer, waarin de verschillende functies van het Al met hun tegendelen zijn uitgedrukt. Tegenwoordig vindt men die nog terug in de z.g. 22 kaarten van het tarotspel. Elk van die kaarten heeft een volledige esoterische inhoud. Door haar te combineren met waarden, die normale wereldsymbolen weergeven, is het dus mogelijk voor meditatie alleen met een spel kaarten elk gewenst vraagstuk neer te leggen, maar ook om ín dit vraagstuk gelijktijdig de aanduiding van de oplossing te lezen. Het is mogelijk om de geheimen, die er bestaan (ook van het z.g. occulte en het bovennatuurlijke) aan de hand van de groepering van kaarten voor zich voortdurend af te lezen en te reconstrueren. Daarvoor is het slechts noodzakelijk, dat men de volgorde van de kaarten en hun waarden kent, meer niet. En natuurlijk - wil men er verder op doorgaan - de inhoud van de z.g. 22 extra of hoofdkaarten. Ik haal dit voorbeeld zo uitvoerig aan, omdat wij ook hier te maken hebben met een geheime leer, die d.m.v. een algemeen verspreid spel in staat was haar leden overal in de gelegenheid DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE 93

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie te stellen de eigen leringen na te gaan, te werken met de middelen van die leer, zonder dat een leek ooit in staat zou zijn deze kaarten juist te gebruiken of te begrijpen. Hetzelfde dus wat wij vinden in bepaalde boeken (niet alle) van het Oude testament. Het is b.v. opvallend, dat deze geheime leer praktisch niet verwerkt zit in de boeken der profeten. Daarentegen wel weer in verschillende der z.g. leringen (o.a. in de legende van Job) en in de boeken van de allereerste openbaring en Genesis. De esotericus zal zich altijd voor ogen moeten stellen, dat alles in de wereld twee betekenissen, twee inhouden bezit. De ene is de algemene, de overal opgevatte waarde, de tweede is de verborgen en vaak zeer belangrijke waarde, die slecht gebruikt en gehanteerd kan worden in samenhang met een kennis van het ik en van het Al. Hier raken we zeer nauw aan het magisch principe, dat in feite de witte magie is een weerspiegeling van het ik in de kosmos om ze de goddelijke kracht, die vanuit de kosmos in het ik is doorgedrongen, voor zichzelf kenbaar te maken en voor anderen werkzaam te doen zijn. Wanneer wij nalezen in de Bijbel wat er alzo is gebeurd, wanneer wij denken aan de wonderen van Mozes, wanneer wij ons bezighouden met de vaak symbolische wonderen, die worden beschreven in de geschiedenis der aartsvaders, dan wordt het ons steeds meer duidelijk. Hier heeft men getracht iets zeer belangrijks uit te drukken. Men heeft dat gedaan in een vorm die voor een volk aanvaardbaar zou zijn. Men heeft vóór alles getracht het in zo'n vorm te gieten, dat het niet noodzakelijk zou zijn de voor het welzijn van de normale mens gegeven wetten en bevelen tegen te spreken in de verhalen. De wetten als b.v. de Tien geboden Gods, zoals in de Bijbel neergeschreven en ontvangen op de Sinaï, zijn in feite regels, die golden voor een volk en voor een tijd. Regels, die algemeen zullen blijven gelden, zolang de mens zich niet bewust is van zijn innerlijk wezen en zijn innerlijke waarheid. Maar gelijktijdig komt er steeds weer in de geschiedschrijving van het Joodse volk, (wanneer het gaat om de aartsvaders, om de schepping, maar zelfs wanneer het later om sommige profetieën gaat en vooral enkele wijsgerige spreuken als die toegeschreven aan Salomo) een tweede inhoud, waarbij deze wetten niet meer gelden, wanneer de mens - zichzelve kennende - zichzelve meester is en zich voegt in het goddelijk bestel. Er is wel eens gezegd: De waarheid is een verblindend vuur. Zij, die kúnnen zien, warmen zich eraan. Maar zij, die haar niet kunnen verdragen, sterven eraan. Volgens dit oude principe was het noodzakelijk om waarheden te verbergen voor hen, die niet rijp zijn. Om dezelfde reden is het o.m. ons niet geoorloofd om alle dingen precies zo te zeggen, als wij ze vanuit ons geestelijk standpunt menen te kunnen zien. Want vergeet niet: Datgene, wat voor ons duidelijk is, zou voor u raadselachtig kunnen zijn. En datgene, wat bij ons tot bewustwording zou kunnen voeren, zou bij u misschien tot misbruiken kunnen leiden. Wanneer echter de mens rijp genoeg is, dan ontdekt hij deze dingen langzaam maar zeker voor zichzelf. En dan is het zelfs niet nodig de kabbalistische sleutels op de Hebreeuwse tekst van de Bijbel te bezitten. Want in de wereld openbaart zich God op een zo oneindig aantal wijzen in Zijn volledige waarheid, dat een ieder die zoekt deze kan vinden op zijn wijze, mits hij er rijp voor is. Ik hoop dat dit voldoende is. Ik heb horen zeggen, dat Jezus Aramees sprak met zijn apostelen en dat in het Aramees het woord "is" niet bestaat. Vandaar de verwarring, die is gekomen bij het Avondmaal, omdat hij gezegd heeft, dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed. Hij zou dit nooit gezegd hebben. Is dat zo? Dat is inderdaad waar. Ik moet hierbij - als u het mij toestaat - even uitweiden over de gedachten van sacramenten. Sacramenten zijn n.l. dingen, die esoterische en mystieke inhoud en betekenis kunnen hebben, als zij juist worden begrepen. Misverstanden daaromtrent, overal bestaande, hebben ze vaak ontwaard tot pseudo-magische gebeurtenissen, gedragen door een grote dosis bijgelovigheid of gevoelde noodzaak tot zelfrechtvaardiging. Een sacrament is een handeling of een bediening, waardoor de deelhebbenden van het sacrament kracht wordt gegeven in overeenstemming mét het sacrament, dus mét deze bediening. Hierdoor zien wij b.v. de priesterlijke bediening van het avondmaal, maar de voor de leek evenzeer bruikbare bediening van doop of huwelijk. Het huwelijk is een sacrament, maar wordt door de beide partners elkaar toegediend. De doop kan door een ieder worden toegediend. De biecht behoeft 94 DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie niet noodzakelijkerwijze voor een priester te geschieden, want elke openbare schuldbekentenis voor de gemeente zal als biecht worden aangerekend. Zo zijn er nog wat meer van die punten. Een sacrament is in feite geen gave Gods maar een realisatie van een kracht Gods. Indien wij dit vooropstellen zal duidelijk worden, dat in het bekennen van schuld gelijktijdig besloten ligt de noodzaak tot verbetering. Dat een doop slechts dan zin heeft, wanneer het gepaard gaat met het verlangen om tot een gemeenschap te behoren. Dat een avondmaal slechts dan zin heeft, wanneer men niet een contact met Jezus zoekt, maar een contact met het totaal der goddelijke schepping. Esoterisch gezien is het avondmaal een zich verzinken in de liefdeskracht van de Christusgeest, waarbij men door een symbolisch broederschapsmaal zijn eenheid en gelijkheid met allen op aarde erkent en zich voorneemt zijn streven op deze rechtvaardige gelijkheid te baseren in zo volledig mogelijke aanvaarding en naastenliefde. Dat is heel iets anders dus dan: Dit is mijn lichaam en dit is mijn bloed. Overigens wil ik er verder op wijzen, dat met een kleine variant deze uitspraak volledig juist is. Want wat is de Christusgeest? Wanneer wij hier een ogenblik grijpen naar de uitleggingen der Rozenkruisers, dan zegt men: De Christusgeest is de hoogste geest uit een vorig tijdperk, die in een volledige overgave aan God en een volledige liefde voor het Zijnde zijn eigen wezen aan de bewustwording van deze wereld heeft gewijd. Gaan wij echter een stap verder, dan zeggen wij: De Christusgeest is de goddelijke liefde, die het Al in stand houdt, geopenbaard in een drang tot bewustmaking van het totaal der mensheid en in een volledige liefde zonder beperking van hun vrijheid. In al deze gevallen wordt dus elke goddelijke functie een deel van de Christusgeest. En wanneer dan het graan gemalen is, dan is dit een gave van God, niet van de mens. Als zodanig is het een symbool voor de liefdeskracht, die alles in stand houdt en bewustzijn, leven geeft. Dit: mijn lichaam. De sappen van de druif, de wateren van de rivieren en de bronnen, zij zijn evenzeer een levensgave, die God d.m.v. de natuur aan de mens doet toekomen. Een kracht, die Gods liefde in alles erkent en zich daarin geheel schenkt, geheel één is daarmede met uitsluiting van persoonlijke wensen, dienende het begrip van openbaring en goddelijke liefdeskracht, waarin de waarheid voor het individu kenbaar wordt, kan zeggen: Dit mijn bloed. Of: Dit is mijn bloed, zo ge wilt. En wetende, dat een dergelijke maaltijd broederschap aangeeft, waarbij zelfs de verrader geen bete en geen dronk wordt geweigerd (hij, die met mij reikt in de schotels is het die mij zal verraden) dan blijkt hieruit, dat Jezus het begrip van eenheid niet beperkt, maar dat hij het uitbreidt over al het Zijnde. Het is dan ook logisch dat hij spreekt: "Doe dit ter mijner gedachtenis. Erken de broederschap, die u allen vereent. Erken de band van goddelijke kracht en goddelijk leven in u allen bestaande. En - u herinnerend mijn werken en leven - bevestig dit voor uzelve, opdat gij mijn weg kunt volgen." Het is volkomen logisch en volkomen zuiver. Minder duidelijk is het, dat Jezus gezegd zou hebben: "Wie de zonden zult vergeven, die zijn zij vergeven, doch wie gij de zonden zult behouden, die zijn zij behouden." Dit is een formulering, die in de eerste plaats niet strookt met Jezus' leven. In de tweede plaats is het taalkundig gezien een formulering, die in die tijd niet kon voorkomen. Maar ook hier is een kleine variant voldoende: "Indien gij schulden vergeeft, zijn zij vergeven. Doch indien gij schulden opeist, zo rusten zij op u." Dat is iets wat voor een kerk en voor de doorsneemens niet erg aanvaardbaar is. Ik vermoed, dat dit aanleiding is geweest tot de vertekening en uiteindelijk de instelling van het sacrament der biecht in de Roomse kerk. Maar bedenk eens, hoe juist het is. Wanneer iemand mij iets schuldig is, dan rust die schuld niet slechts op hem maar ook op mij. Het is een band, die ons beiden bindt. Indien ik die schuld kwijtscheld, zo is er vrijheid en zal dit niet meer tussen ons staan, ons niet meer belemmeren in onderling begrip of onze verhouding bepalen. Op het ogenblik echter dat ik van iemand een schuld opeis, dus zeg: "Je hebt verplichtingen aan mij en betaal", dan schep ik, daarmee een dwang tussen ons beiden. Een last, die zowel degene van wie ik eis als mijzelve bindt. En wel bindt in de eerste plaats in begeerten, in de tweede plaats in een beperking. Als zodanig volledig foutief. Zo zouden wij elk sacrament kunnen ontleden. Het zij ons echter voldoende om vanuit esoterisch standpunt op te merken, dat de inhoud van het sacrament - mits begrepen - groot en waardig is. Er is geen enkele reden om een sacrament te verwerpen, want de sacramentele DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE 95

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie handeling is niet anders dan een uitdrukking van eenheid, waarbij die eenheid tussen ons wezen en God in een bepaalde functies in een bepaald deal van ons bestaan, in het bijzonder door ons wordt bevestigd. Van daaruit openbaart zich in deze harmonische bevestiging Gods kracht in ons. Ik hoop, dat ook dit voldoende is. Wanneer u wilt kunt u, voordat de laatste spreker aan het woord komt, nog een laatste vraag of onderwerp opgeven. Wilt u eens iets zeggen over begeerten en streven? Volgens mij moet dat samengaan. Maar er wordt altijd gezegd, dat we het pas bereiken, wanneer wij angst en begeren ons kunnen ontzeggen. Wanneer wij ons echter de begeerte ontzeggen, kunnen wij niet meer streven, behoeven wij niet meer te streven. Heb ik dat goed gedacht? U hebt wel goed gedacht, maar onvolledig. Streven is de enige mogelijkheid tot realisatie van het goede in ons, waardoor wij kunnen komen tot een ontkennen van angst en begeerte en zo de noodzaak tot streven kunnen verliezen. Let wel, wanneer wij geen doel hebben en dus niet in een bepaalde richting verder gaan, zal ons bewustzijn zich niet ontplooien. Het gevolg is, dat wij in een voortdurende balans van angst en begeerte gebonden blijven,(ik gebruik hier de boeddhistische term) aan het levensrad en geen schrede vooruit komen op onze weg. Op het ogenblik echter dat wij streven (al is het alleen maar naar innerlijke vrede of evenwicht), zullen wij ontdekken, dat de begeerte op zichzelf zinloos is. De begeerte is een psychisch beeld van waarden, die slechts fysiek kunnen bestaan of ervaren worden. Angst evenzeer. Angst is een psychisch beeld van waarden, die alleen stoffelijk kunnen worden ondergaan. Men zal mij dit laatste misschien willen ontkennen. Ik moet er echter op wijzen, dat uiteindelijk elke angst gebaseerd is op stoffelijke waarderingen en beelden aan de stof ontnomen. Zou: ik door mijn streven zover komen, dat ik de begeerte verwerp, omdat ik niet meer denk over de dingen, die begerenswaardig zijn, terwijl ik anderzijds niet meer vrees, omdat ik niet meer nadenk over de mogelijkheden, die te vrezen zijn, dan ben ik volledig vrij geworden. Ik kan dus mijzelve zijn. Maar in dit waarlijk mijn zelve zijn, zal ik ongetwijfeld datgene, wat ik geestelijke en zelfs uit God onmiddellijk ben, openbaren. Er is voor mij geen enkele begrenzing meer van harmonie met God en met de totale Kosmos. Er zijn geen hinderpalen meer die mij kunnen beletten om het Goddelijke te beleven. Wat meer is, mijn beperkte, begrensde stoffelijke persoonlijkheid heeft voor mij geen enkele zin meer. Op dat ogenblik kan ik dus ingaan in wat de Boeddhist wel noemt: Nirwana, het daadloos beleven van de goddelijke wil. Het is duidelijk, dat hier geen streven moer bij te pas komt. Wij moeten dus zuiver interpreterend zeggen, dat alle streven slechts leiden kan tot een ontkennen van de noodzaak van streven. Maar dat het ontkennen van die noodzaak voortkomt uit realisaties, die slechts door streven verworven kunnen worden. Daarmede is het geheim van de boeddhistische esoterie opgelost. Daarmede is tevens ook de achtergrond van de christelijke wereld belicht. Het grote geheim van het leven is niet een voortdurend streven zonder einde. Het geheim van het leven is een wegwerpen van elke beperking, met een gelijktijdig beseffen van een goddelijke wil, waardoor de noodzaak voor ons tot verlangen of vrezen voorbijgaat. In deze angst- en begeerteloze toestand zijn wij datgene, wat wij in de schepping van den beginne zijns een volmaakt deel Gods, in verschillende schijnbaar onvolmaakte werelden praktisch gelijktijdig geuit, maar niet gebonden aan enig bewustzijn. Dit niet gebonden zijn maakt het ons mogelijk het Goddelijke bewustzijn te accepteren, waarin slechts de volmaaktheid tot uiting komt maar nooit de onvolmaakte déélsuiting, waaraan de persoonlijkheid tot op dat ogenblik gebonden was. Ik hoop, dat ook dit voldoende is. Dit is dus als de z.g. vier edele waarheden van Boeddha het lijden, de reden van het lijden, de mogelijkheid tot opheffing van het lijden, de weg daartoe. Zo zoudt u het ook kunnen uitdrukken. Dan vrienden, neem ik nu afscheid van u en is het woord aan de laatste spreker van deze bijeenkomst. Goedenavond. 96 DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie o-o-o-o-o Goedenavond, vrienden. Het Schone Woord is deze keer - ik hoop volgens u niet al te onvoorzichtig - aan mijn handen toevertrouwd. En nu is er natuurlijk altijd de kwestie: Wat is een Schoon Woord? Je zou kunnen zeggen een pas gewassen woord. Maar dan gewassen door de zuivere intentie en dragend de zuivere emotie. En als we het op die manier proberen, dan geloof ik, dat zelfs ik in staat ben zo nodig er iets van terecht te brengen. Ik meen verder, dat na een avond als deze die noodzaak aanwezig is en laat het aan u over te zeggen waarop - dus op welk begrip of op welke reeks van begrippen - ik dit Schone Woord zal baseren. Ik garandeer niets, dat ik het alleen in dichtvorm doe. Ik kan hoogstens garanderen, dat ik het oprecht doe. Het begin van de weg naar binnen toe Wanneer u mij een opmerking toestaat Het begin van de weg naar binnen toe wordt met vele borden aangegeven. Maar het is net als bij sommige automobilisten: de meeste mensen rijden die aanwijzers voorbij, omdat ze menen toch nog yen kortere weg te weten. Dan rijders ze een éénrichtingstraat van de verkeerde kant in, krijgen een bon en beweren dan, dat de wereld zo slecht is. Het is ónze manier van zoeken, die bepaalt of wij aanvaarden, wat ons regelmatig gegeven wordt. Dat stellen wij dan zo: Er leidt een weg naar binnen, naar grotten vol verborgen goud, waarin een waarheid, reeds onmetelijk oud in den beginne zich uit in schoonheid zonder grens. Maar rond die schat van geestelijk weten bouwde men een grote grens, die "mens" wel wordt geheten. Het begin van de weg naar bennen is zo eenvoudig, zo simpel en klaar. Het is: Leer jezelf begrijpen en hiermee onderscheid voor jezelve wáár van dat, wat schijn is, slechts aan anderen getoond. Houd op jezelve te bedriegen. Houd op met tot jezelf te liegen: "dit is werkelijk goed bedoeld en dát was werkelijk waar gevoeld en dát was toch realiteit", terwijl het schijn blijft en je liegt slechts tot jezelve om je te sparen zelfverwijt. 't Begin van die weg naar binnen is zo eenvoudig, zo simpel en klaar: Leer te leven eenvoudig en eerlijk, liefdevol, rechtvaardig en waar. Leer voor jezelve het laven aanvaarden niet je verzettend en stellend de droom in de plaats van. al, wat je nog moet beleven. Leer i.p.v. naar buiten te streven, te streven naar een werkelijk begrijpen van al, wat de wereld je toont! Leer te begrijpen hoe in alle dingen een levende kracht, ja, de Schepper Zelve woont. Leer te begrijpen dat daglicht en duister, schijnbaar geboren uil sombere nacht, één en hetzelfde was door hetzelfde wezens dezelfde wil tot aanzijn gebracht. leer bovenal niets in 't leven te vrezen. Dat is 't begin van de weg, die raar binnen leidt. Want wie niet vreest en op God kan vertrouwen, kent ín zich reeds tekenen der eeuwigheid. Leer op de wereld niets te begeren. Begeerte verblindt, doet verloochenen het iet en verlaten de weg, voor jezelf reeds, getekend. Begeerte vernietigt wat reeds was berekend en was overlegd. Stel in de plaats van begeren het recht. Het recht van te leven, maar 't recht ook van anderen om zichzelf te zijn en zichzelf te geven, zoals zij het beseffen. Heb je die dingen bereikt. dan kun je jezelve verheffen en ingaan in het geheimzinnige rijk, waarin leggen tempels en roereed begraven, waarin is verborgen een eeuwige bron, die de jeugd geeft en telkens de ziel kan laven. Dan kun je gaan door werelden van waan, langzaam erkennende uit nevel van denken een waarheid, die voortbestaat, heel het bestaan. En in het begrijpen van werkelijk leven, in het aanvaarden van werkelijke kracht. Heb je de weg, die voert naar binnen, niet slechts, gevonden maar reeds bijna volbracht. Want te zijn "wil des Heren" en willoos jezelve, te zijn "licht van God" en toch niet eigen kracht, dan geloof je in God en heb je al 't streven, dat leidt naar binnen toe volbracht. Ken jezelve, aanvaard jezelve, vind in jezelve je kracht en, je God. Dan ben je meester van eeuwige veldons dan ben je onaantastbaar als eertijds de helden, onkwetsbaar in een verleden. Dan verenig je alle tijd en beleven tot heden en schrijf je in jezelwe dat enige woord, dat de schepping doet beven de naam van de Scheppers zijnde lichtende kracht en een eeuwig akkoord. DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE 97

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 februari 1959 Les 6 – De mystieke kant van de esoterie Dat zijn zo van die dingen, waar je dichterlijk over kunt nadenken, maar waar je geen jota aan hebt, wanneer je niet begint ze te doen. Maar ja, die regels eenvoudig samen te vatten, kun je ook doen. Probeer nooit jezelf mooier te zijn dan je bent en vermijd vooral je slechter voor te stellen dan je je voelt. Probeer steeds een ander dezelfde rechten toe te kennen, die je voor jezelf opeist en verwacht nooit van een ander, dat hij jouw mening als de ware erkent. Begin daar maar mee. En als je dat kunt, probeer dan te begrijpen dat al, wat je overkomt, al wat je ziet in anderen, deel is van jezelf. Dan krijg je al heel gauw een beeld van dat, wat je werkelijk bent. En heb je ook dát gevonden, begrijp dan, dat je met al je ploeteren, je streven en je werken niets kunt bereiken, wat niet door God werd gegeven als een mogelijkheid. Zoek dus niet voor jezelf mogelijkheden te scheppen, maar gebruik de mogelijkheden, die God je geeft. En hoe die veeg vandaar verder gaat, ach, dat wijst zich vanzelf. Want het is vreemd, als je één klein contactje krijgt met God, dan wordt het steeds sterker, tenzij je bang wordt en wegloopt. Zo zou mijn enige raadgeving verder moeten luiden: Wees vooral niet bang voor hetgeen je in jezelve vindt en ontdekt. Aanvaard het. Wees niet bang voor de mogelijkheden, die je worden gegeven in het leven. Zoek voor jezelf in waarheid te ervaren wat je denkt, wat je verlangt, wat je begeert en hoe je dit ervaart als een deel van het Goddelijke, of - zoals je ook nog vaak kan overkomen - als een tegendeel van het Goddelijke. Handel ernaar en er is verder geen vuiltje aan de lucht. Dus je zou kunnen zeggen: Als het nicht de kleur van het duister vergeet, als het wezen van grens en gedachten niet weet maar het licht uit de bron blijft voortbestaan: dan verbleken alle tegenstellingen en is de waan vergaan. Dan vind je in het eeuwige streven nieuwe kracht. Niet eigen werkelijkheid maar eenheid met alle licht en leven. Dan behoef je niet meer voort te streven. Dan heb je 't einddoel reeds bereikt. En ben je tot dit zijn bereid, je wordt met weten omtrent zon en alle krachten in jezelf reeds snel verblijd. Het klinkt als een rijmpje, maar het is waar. Degene, die begint met God te accepteren in zichzelf en wáár te leven en te streven vanuit zichzelf, die zal ontdekken, dat hij steeds gelukkiger is, steeds blijer, steeds minder nodig heeft en steeds meer begrijpt. En nu zullen wij maar hopen - mijzelf inbegrepen - dat we het vlug zover schoppen. En al zijn we misschien soms wat somber in onze gedichten daaromtrent we moeten één ding onthouden: Als we eerst een vonkje licht hebben, dan komt de rest vanzelf. Dus we zoeken naar het vonkje, dan doet God de rest. Goeden avond.

98

DE MYSTIEKE KANT VAN DE ESOTERIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede Goedenavond, vrienden. Wanneer wij deze avond willen proberen om weer eens wat aan esoterie te doen, staan wij zoals steeds weer voor een keuze. Zullen wij ons richten op de wetenschap, op de redelijke achtergronden, of zullen wij een ogenblik trachten:

VERDER TE GAAN DAN DE REDE

Te gaan buiten de rede is vaak zeer moeilijk. Want achter dat gebied van rede, redelijkheid, redelijk denken schuilt een ongepeilde wereld van gevoelens, van emoties, van ervaringen, die je jezelf niet durft realiseren. Menigeen zal in de esoterie vastlopen in het nog juist redelijke, het nog juist filosofisch aanvaardbare, omdat hij bang is voor hetgeen zich verschuilt achter deze redelijkheid, achter dit ijzeren pantser, waarmee je tracht je te verdedigen tegen een werkelijkheid, die te groots is en die je benauwt. En toch … wanneer je die rede voor een kort ogenblik terzijde kunt zetten, wanneer je zelfs de torenende opbouw der gedachten, die men filosofie noemt, een ogenblik kunt vergeten, ligt er dan geen wonderbaarlijke wereld voor u open? Een wereld van beelden, van kleuren, een wereld met melodie, met eigenaardige persoonlijkheden, die - steeds vervloeiende - duizenden gezichten hebben en toch dezelfden blijven. Want achter de rede en achter het verstand ligt de weelde van de kosmische oneindigheid. U zult zich misschien gaan afvragen? Wat kunnen wij, tijdgebonden wezens, doen mét die oneindigheid? Ja, wat kan een kind doen met het feit, dat het geboren is, dat het oud zal worden en zal sterven? Misschien op dit ogenblik weinig, maar het geeft een idee van de richting, die dat leven heeft. Het geeft beperkingen aan, maar gelijktijdig ook mogelijkheden. Zo gaat het ons, wanneer wij een ogenblik de redelijkheid terzijde zetten en schuilen in die verborgen afgrond van ons wezen, wanneer wij ons verschuilen tegen een schijn, die een contact met God zo vaak onmogelijk maakt. En als je de rijkdommen ziet, die het leven daar voor je heeft uitgestald, geloof ik niet je dat zal berouwen die stap in de innerlijke wereld te hebben gedaan, die de nieuwe vreugde en de nieuwe vrijheid betekent. Daar is dat vreemde, verblindende licht, waarvan een enkele straal uitpiekt in een onmeetbaar duister. En je weet: in die straal leefde ik. Je ziet vele planeten. Sommige kaal en vreemd van kleur, sommige rustend onder de sneeuw van ijs en zuurstof, van gassen, die neergeslagen zijn, andere misschien met de dorre, rode woestijnhitte van een Mars of het verkoelend groen, de drijvende wolken van een aarde. En overal zie je jezelf. Hier ben je misschien alleen een werveling geweest in de lucht,- spelend met andere wervelingen, niet beter wetend dat dat dit een leven is. Daar ben je misschien de kern geweest van een kristal, opbouwend uit jezelf de mathematische structuren, die je instinctief aanvoelt als de enig juiste vorm. Misschien ben je ginds een plant geweest en daar een dier. En dan zie je al die menselijke gestalten, die zich in je verborgen hebben. Misschien de trotse mens uit Atlantis en de kleine verkromde slaaf, die wegvluchtte in de oerwouden, om een voorloper te worden van de pygmeeën. Je ziet het statige gelaat van India, het hebzuchtige gelaat van Rome, het onderdanig berustend gelaat misschien van een middeleeuws Europa. Vorm na vorm, sfeer na sfeer. En daartussen zie je steeds weer de lichtende schichten van alle werelden. Je vraagt je niet meer af: is dit redelijk? Je zegt slechts: dit ervaar ik. Wanneer je zoiets aanvaardt, vloeien langzaam - haast onmerkbaar - al die gestalten samen. Daar vereent zich de lichtstraal, de nevel, het kristal, de plant, het dier, de mens, allen tezamen. En ze vormen een wonderlijke gestalte als uit één van de visioenen van Johannes. Een dier misschien met het gezicht van een mens, gevleugeld, liggend als een eeuwige wachter aan de voeten van de troon der Oneindigheid. Je beseft voor jezelf wat je bent. Niet waarom en niet hoe, maar wát! En is dat niet het meest belangrijke voor elke mens en voor elk wezen? Als je dan terugkeert uit zo'n beslotenheid, zo'n in jezelf verzonken zijn, dan wordt het als geest en als mens noodzakelijk om toch weer de dingen om te zetten in iets, wat nog past bij die redelijke wereld, waarin je nu eenmaal hoort te bestaan. Onwillekeurig leg je de VERDER DAN DE REDE 99

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede maatstaven aan, die je gewend bent te gebruiken en je bouwt stellingen. Stellingen, die even dwaas en onredelijk lijken in de ogen van anderen, als je beleving voor hen onvatbaar is. Stellingen anderzijds, die een grote inhoud hebben, die voor jezelf een sleutel zijn tot dit ongekende rijk van eeuwigheid. Een dergelijke tocht kan ik niet met u maken. Dat kunt ge alleen zelf doen. Want wanneer men komt tot de grootste geestelijke krachten, dan kan men dat alleen in eenzaamheid doen, alleen. En al zouden er duizenden rond u zijn, u zult alléén zijn en als eenling staan tegenover de Oneindigheid. Maar ik kan u misschien iets vertellen van de regels, die ons soms bewegen en die u misschien ook een beeld geven van hetgeen wij aan conclusies trekken uit deze buiten-de-tijd-staande beleving. Een vorm is een onbelangrijke waarde. Hij is voor ons slechts een constatering van een bepaalde norm op een bepaalde tijd. De vorm die een mens bekleedt, de wereld waarin een geest leeft, zijn niet belangrijker dan de streepjes, die een minuut begrenzen op een klok voor een wijzer, die voorbijraast. Een ogenblik werkelijkheid en dan weer verbleekt. Een vorm heeft weinig betekenis. Maar er zijn andere dingen. Er zijn dingen, die je leert, die je denkt. Al wat je leert en wat je denkt wordt belangrijk, wanneer je het gebruikt om jezelf te leren kennen. En dat zelf-kennen mag dan misschien zeer egoïstisch lijken of egocentrisch, maar het is de enige weg. Wanneer een mens tracht te leven als heerser, als rechter t.o.v. anderen, dan zal hij nooit zijn eigen waarheid kunnen bevestigen, kunnen "beleven of kannen erkennen. Wij zijn allen wezens, die noodzakelijkerwijze het "ik" moeten kennen, voordat wij in een werkelijkheid treden. Isis, vorstin van het leven, verbergt zich achter de sluier van gestalten en van vormen. God, het oneindig Licht, is ons verhuld door het onbegrip, de sluier van tijd en z.g. toevalligheden. Slechts wie in zichzelve leeft en slechts vanuit zichzelve handelt kan tot een werkelijke bewustwording komen. Wanneer wij de fasen van het leven bezien, dan hebben wij zoveel verplichtingen. Wij moeten op bezoek bij deze of gene, want dat hebben wij toch beloofd, niet waar? Wij moeten zorg dragen voor deze en de arbeid voor gene op de juiste tijd afleveren, want dat hoort zo in de maatschappij, nietwaar? Wij moeten ons houden aan de wetten, die anderen hebben opgesteld, onverschillig of ze recht of onrecht zijn. Want een ieder dient de wet te kennen en die te gehoorzamen, nietwaar? Je moet de leringen aanvaarden van degenen, die als wetend omtrent de godsdienst tot u doceren, ook wanneer ge voelt dat hetgeen zij zeggen in feite een leugen is. Want het hoort zo, dat men deze dingen aanvaardt, nietwaar? Wie de gemeenschap maakt tot een norm van zijn eigen beleving en de mening van de gemeenschap tot de heerseres over zijn eigen denken en gevoelen, verwerpt elke waarheid en accepteert de waan. Slechts wie in de wereld vanuit zichzelve oordelend over zichzelve voortdurend tracht de zin van die wereld te begrijpen, is in staat in zichzelf die wereld terug te vinden. En slechts in jezelf kan die wereld als deel van het geheel buiten alle roes van tijd en gebeuren worden geplaatst op de juiste wijze. Moeilijk, ongetwijfeld. Maar ik vraag u: Hoe kunt ge in de uiterlijkheid en in de beoordeling van anderen ooit iets van de werkelijkheid vinden? Hoe kunt ge begrijpen wat de kern van het leven is, wanneer ge de uiterlijkheid maakt tot maatstaf? Het is zo'n oude, veel herhaalde waarheid: In u leeft God, Zeker. In u leeft God met Zijn totale schepping. Alles. In u geborgen in een geheimzinnig hoekje ligt dat eerste begin, dit eerste oplichten, dit eerste woord: "Het zij licht”. In dat hoekje geborgen ligt de eerste werveling van de materie, het spel van de gloeiend spattende, door drang gedragen klompen stof, die eens sterren zullen worden. In u ligt de eerste aarzelende, nog zoekende baanwerveling van planeten, als kinderen voortgekomen uit het huwelijk der sterren. Het oerslijm en de laatste verblekende, gedachte van een wereld, die ondergaat in ijs of vuur, zij liggen in u begraven. Want God leeft in u. Wanneer wij al deze dingen in ons bezitten, wanneer er niets is buiten ons, niets wat ons werkelijk kan overrompelen, omdat het in ons nog niet bestaat, hoe kunnen wij ons dan gaan richten naar die onbelangrijke, kleine details, die buiten de wereld vormen, terwijl in ons het heilig vuur en de eeuwigheid en de kracht bestaan. Nu ja, dat is natuurlijk niet redelijk. De rede zegt, dat je de wereld moet accepteren, zoals zij is. Dat je uit de kennis van de wereld je supposities kunt opbouwen, totdat je een torenend bouwsel van gedachten hebt gekregen, dat misschien een ogenblik terloops roert aan het Goddelijke. Misschien speel je met theorieën en gedachten als een kind met zijn blokkendoos, bouwend bouwwerk na bouwwerk, en als het klaar is, onbevredigd het kapot-slaande en dan weer bouwend met steeds dezelfde bestanddelen, zonder ooit volledigheid te vinden. Wat heb je eraan? Wat je nodig hebt, dat 100 VERDER DAN DE REDE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede leeft in je. Alle waarheid, die we omtrent God of omtrent onszelf kunnen ontdekken in die esoterie, leeft in ons. Waar we ook zijn en wat we ook zijn, of we een vuurvonk zijn ergens in de oneindigheid, een mens of een reuzen scheppende god, altijd blijft één ding waar: in ons is het leven en in ons is de kracht. Wat kun je dan zeggen omtrent die wereld "buiten je, wat bepalend is? Ge kent elkander? Ge meent dat ge de geheimste gedachten van een ander leest? Vergis u niet. Ge kent misschien de gewoonten, misschien de oppervlakkige methode van denken. Maar veel van hetgeen gij die ander toedicht is een illusie, is een beeld, dat slechts een -weerkaatsing is van uw wezen, mogelijkerwijze tot een streven van eenheid versterkt, zodat er een gemeenschappelijke illusie ontstaat maar nooit werkelijkheid. De werkelijkheid leeft van binnen, elders niet. En in die werkelijkheid, gecentreerd in onszelven voor onze eigen mogelijkheid tot bewustwording, bestaat de kracht van de eeuwige harmonie. Eénklank. God is harmonie. God is absoluut evenwichtig. God is het lied der schepping in een enkele toon misschien. En wij zijn misschien de delen va.n een akkoord, dat Hij heeft geschapen, wie weet. Maar zeker is het, dat wij harmonie moeten vinden. Niet alleen met een God buiten ons of met een wereld en een mensheid, met een sfeer. Harmonie moeten wij vinden in onszelf met de kern van ons wezens met God. Wat die harmonie is? Het klinkt zo eenvoudig. Trillingen, die elkaar aanvullen, tot ze gezamenlijk besloten zijn en buiten hen niets schijnt te bestaan. Het houdt zo veel meer in dan je met woorden kunt zeggen. Misschien kan ik het best een paar voorbeelden nemen. Jezus is moe. Zijn leerlingen hebben hem voor de aanstormende zieken teruggebracht in een huis. Daar zit hij nu bleek en vermoeid en bezweet. En ineens gaat het dakluik open. Er komt een bed naar beneden dalen met een zieke mens erop. Iedereen zou zeggen: "Is het nu eindelijk afgelopen, dit storen van zelfs dit ogenblik, dat ik voor mijzelve de rust vraag, die ik zo hard nodig heb! Ik offer toch mijn leven en mijn tijd. Mag ik dan niet één ogenblik alleen zijn?" Dat zou disharmonie zijn. Wat doet Jezus? Hij kijkt die mens aan. Hij dwingt zich a.h.w. om wakker te blijven en die mens te begrijpen. En hij ziet in die mens hetzelfde, wat hij in zichzelve kent: God, volmaaktheid, kracht. Dan zegt hij alleen maar: "Mijn...zoon, gij zijt genezen. Gaat heen, neem uw bed op en wandel." Heel eenvoudig. In die eenvoud zelve ligt de sterke uitdrukking van harmonie, die Jezus voelt met de Oneindigheid. Geen aarzeling, geen twijfel. Dit is iets, wat hij kent in zichzelve. Hij spreekt niet tot die jongeman op die baar, maar hij spreekt tot wat hij in zichzelve kent, dat wat in hem leeft. Jezus ligt in de Hof der Olijven. Hij voelt de spanning opbouwen in de stad. Zo dadelijk zullen ze Jezus - die misschien wel de Messias is of een oproerkraaier - gevangen nemen. Hij voelt dat aan. Hij staat open voor de wereld. De begoocheling - de waan met al zijn pijn, zijn rumoer, zijn mogelijkheid tot ontvluchten en aanzien - komt op hem af. Wat doet Jezus? Begint hij met zijn leerlingen te troosten? Neen. Hij vraagt hun wel: "waakt met mij", zodat er tenminste nog een paar sympathieke gedachten in zijn buurt zullen zijn. Dan trekt hij zich terug. En dan komt die waan zo sterk op hem af, dat het haast niet meer te dragen is. Hij zou in verzet willen komen tegen het geheel, maar in zichzelve gekeerd erken$ hij:" Dit is mijn lot, dit is voor mij de enige mogelijkheid: dit is voor mij de eenheid niet het Goddelijke: dit kan ik niet verloochenen zonder gelijktijdig de waarheid te verliezen." Dan ontvangt hij toch die wereld van waan van buitenaf, al die gedachten. Hij kronkelt zich als een slang misschien om er onderuit te komen. Kan ik nu niet dit, of kan ik nu niet dat? "Mijn God, neem deze beker van mij weg, laat die aan mij voorbijgaan." Maar God spreekt niet. De mensen verwachten altijd dat God spreekt met een stem als een bazuin. God is de stilte, die in jezelf leeft. Ook in Jezus. En in die stilte ligt iets van de waarheid van zijn eigen wezen. En het is misschien het eerst wel hiertegen, dat hij zegt: "Niet mijn, maar Uw wil geschiede. Ik erken de innerlijke waarheid en daarvoor accepteer ik alle uiterlijke omstandigheden." Dat is harmonie. Een mens is ongelukkig. Zijn wereld is leeg en al die uiterlijkheid, al 'die beweging zonder rede schijnt zo inhoudsloos. Die mens haat zichzelve en eigenlijk ook de mensheid. Dat is disharmonie. Maar nu zoekt die mens in zichzelve naar een noodzaak. Hij zoekt in zichzelve iets van dat kleurige weten te erkennen, dat zich openbaart als een stralend licht, als je maar een ogenblik jezelf en je eigen gedachten opzij durft te zetten, durft te voelen en durft te leven en te aanvaarden. En dan komt zo iemand ineens op de gedachtes" Ja, ik ga wat voor anderen doen." O, dat doen zoveel mensen. Maar dat is nog geen harmonie. "Ik ga wat voor anderen VERDER DAN DE REDE 101

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede doen, maar zo, dat het niet opvalt, dat ze het niet merken. Omdat dit streven voor mij de uiting is van het gevoel van eenheid, dat in mij leeft." En dan is dat harmonie. Soms zingt een zanger, een Caruso b.v. En dan na de vele tonen komt er één toon, die trilt door. De glazen springen kapot door die ene trilling. Behalve een enkel glas. Dat blijft meezingen en breekt niet. Waarom? Er is harmonie. Dat ene glas kan al die trillingen verwerken, omdat zodra ze het beroeren, ze onmiddellijk worden omgezet en wéérgegeven, niet verstorend het moleculair patroon, maar uitstralende een zingende klank, die zwelt, totdat de zanger een duet schijnt te zingen met het glas, dat blijft meefibreren. De zanger is God. De glazen zijn wij, in onze vorm, in onze gedachten. God zendt Zijn toon van volmaaktheid uit in de wereld, Zijn woord, als ge het zo zeggen wilt. Zolang wij proberen onze eigen toon, onze eigen kwaliteit uit te zingen, breken we. Maar zodra we leren datgene, wat God ons schenkt, te geven uit onszelf en in onszelf, zoals God het ons schenkt en niet zoals wij menen dat het hoort, dan blijft er van ons iets uitgaan, dat steeds meer een scheppende kracht wordt. Dan bouwt die innerlijke wereld een vermogen, een potentie op, die uitslingert in de wereld als een geweld, overstemmend alle dingen, totdat je wezen in die perfecte harmonie weerklinkt met hetzelfde woord, dat God gesproken heeft, dat God is: Eeuwige harmonie. Er zijn natuurlijk ook wetten van harmonie. Men heeft die wetten op duizenderlei manieren getracht te omschrijven en te vinden. Men heeft ze vastgelegd in meetkundige formules, getracht ze vast te leggen in melodieën. Men heeft ze neergelegd in een cijferleer en in het geheimzinnig abacadabra, waarin zich steeds herhalende klanken steeds vollediger worden en toch de piramide onvoltooid blijft, Babels toren, verwarring van begrippen. Want zeg me, vrienden, als wij langs stoffelijke weg bouwen tot aan de hemel, zullen wij dan nog in staat zijn onze medemensen te verstaan? Het is zo'n mooi symbool. De mensen willen bouwen tot aan de hemel, niet alleen met stof maar ook met gedachten. Maar hoe dichter zij bij die hemel komen, hoe meer ze hun eigen interpretatie geven, hun eigen zin. Hoe meer ze menen dat een ander hen niet begrijpt en niet verstaat, omdat ze in de eenzijdige gerichtheid van hun uiterlijk streven de innerlijke kracht en de waarheid niet meer ontdekken, Babels toren bleef verlaten, half voltooid, een ruïne, zo zegt ons de overlevering. Want zij, die bouwden, verstonden elkaar niet, omdat de Schepper hun tongen had verward. In feite is het zo: Niet een Schepper heeft die spraakverwarring tot stand gebracht, maar de mens. Omdat hij niet afging op dat ene innerlijke, de drang God te kennen, maar op zijn rationalisatie daarvan, zijn redelijk overleg, zijn redelijk beeld. U kunt ze overal rond u zien, de bouwers aan een geestelijke toren van Babel. Baar staan ze, sommigen met een paus aan het hoofd,anderen misschien met een vorst: sommigen door een concilium of door een kerkenraad geleid, anderen door een krijgsraad. De namen zijn velerlei: Ze noemen zich politici, democraten, liberalen, boeddhisten, nationalisten. Ze noemen zich filosofen en wijsgeren of materialisten. En ze zoeken allen naar hetzelfde. Dezelfde kracht, hetzelfde woord, dezelfde taal. Maar ze verstaan elkaar niet. Wanneer er één roept: "God", dan roepen alle anderen onmiddellijk: "Ja, mijn God, zoals ik Die zie, zoals ik Hem omschrijf." Ze zeggen niet: "God is een toon, een klank. Die mijn wezen beroert, mij geheel doortrilt en doorsiddert, totdat ik - mijn wereld verliezende - Hem ken als enige waarheid." Ze roepen: "vrijheid!" En ze verstaan niet de vrijheid van een goddelijke kracht, die de gehele schepping openlegt voor alle beleven, voor alle kennen en ervaren, in een lichtende vrijheid van binnenuit. De een zegt: Vrijheid is de vrijheid om een staat te dienen. De ander zegt: Vrijheid is te doen wat je wilt. De derde zegt: Vrijheid is om aan de wet te gehoorzamen. Een ieder heeft een andere term en een andere norm. We hebben de vrijheid, zo zegt de één, om Gods wet te volgen of te weigeren? Terwijl een ander weer beweert dat vrijheid de illusie is, waardoor je aan de dwang van het leven probeert te ontkomen. Wat weten we van die innerlijke vrijheid af, die daar bestaat in die geheimzinnige kloof, dat ravijn, waarin ons wezen zich bergt voor de waan? Als je van binnen droomt, als je van binnen leeft - egocentrisch, ik geef het toe, maar niet egoïstisch - ben je dan niet vrij? Kun je niet leven in het eerste licht of in het laatste doven van het Al? Staat het je niet vrij de paden van de scheppende geesten te gaan of onder te duiken in de kleine microwereld: waarin een onbelangrijk stofje een melkwegstelsel wordt? Het staat je vrij. Zo vrij bén je, geestelijk innerlijk.

102

VERDER DAN DE REDE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede Zolang je niet begrijpt, dat dat de enige vrijheid is, ach.... dan weet je niets van harmonie af. Dan kom je tot die chaotische wanklank, die men samenleving noemt, gebaseerd op conventies, op waan, op begrippen, die met God niets meer uitstaande hebben. Een esotericus kan zich daarin niet verdiepen. En komedie spelen is geen kunst. De hele wereld speelt komedie. Het is voor ons helemaal geen kunst om maatschappelijk en sociaal aanvaardbaar onze wegen te blijven gaan en toch die innerlijke kracht te beleven. Het is geen kwestie van uiterlijkheden, het is geen kwestie van breken met alle dingen. Het is een kwestie van in jezelf de waarheid der dingen te beleven en daar op afgaan, daarmee handelen, daarmee streven. Als je dat kunt, dan weet zo eigenlijk pas, wat je innerlijke wereld inhoudt. Dan zie je niet alleen maar de elementen van je eigen bestaan. De vele gezichten, die je hebt gehad, ze vormen zich samen tot een naam. Die naam ken je, het is de naam van het eerste begin. Je ziet alle vormen van werelden, die je ooit betreden hebt of betreden zult. En ze vormen samen een melodie en een woord, dat wordt gesproken? de naam van God, die in je leeft. Je ziet hoe dood en ondergang, geboorte en vernieuwing voortdurend als een razend vuur woeden in het begrip van tijd. Maar je ziet de tijd sterven. Je ziet de verandering haar wezen verliezen en alle fasen - aaneengerijd – worden een beeld. Een beeld, dat met lijn en vorm tot je spreekt, zodat je niets anders meer zien kunt. Dat is het beeld van je God. Gij leeft. Maar zolang ge alleen maar leeft in die uiterlijkheid, zijt ge levende dood. Wanneer ge sterft, sterft ge een tweede dood, want de waarheid is u gesloten. Doch zo ge de waarheid aanvaardt, zo ge de kracht kent, die in u leeft, voorwaar ik zeg u, ge zult de tweede dood niet sterven. Want wat is één vorm in vele? Wat is één wereld tussen ontelbare? Wat zijn de bijkomstigheden, wanneer er één werkelijkheid is en één kracht: uw God, de kern van uw wezen, uw ziel en uw enige werkelijkheid? Misschien dat ik u hiermede iets laat merken en laat voelen van hetgeen er in die innerlijke beleving ligt. En toch, hoe kun je met woorden ooit iets zeggen, wat alleen van binnen mag bestaan? Ik kan alleen het uiterlijke, uw wereld van waan trachten aan te passen bij mijn begrip en mijn God, mijn kosmos en mijn heelal. Maar gij hebt uw eigen wereld, uw eigen heelal. In u spreekt God met Zijn eigen stem. En Hij is uw leven en uw kracht. En Hij vormt ook met u - indien ge het maar aanvaarden wilt - een eeuwige en kosmische harmonie, onverstoorbaar, oneindig. Wat moeten we dan eigenlijk met de rede beginnen? Mag ooit het redelijk betoog voor ons een hoofdfactor worden, mag de filosofie ooit anders voor ons zijn dan een middel om het voor ons mogelijk te maken die innerlijke wereld te betreden? Mag er ooit iets, wat we leven noemen, voor ons iets anders betekenen dan een mogelijkheid om een innerlijk leven te ervaren? Vragen, ongetwijfeld. Vragen, waarop mijn antwoord wel vaststaat, maar gijzelf het uwe zult moeten vinden. Ik kan u alleen de beelden geven, die in mij leven, onvolmaakt als ik ze kan weergeven door het woord, onvolmaakt als ik ze herbeleven kan, wanneer ik ze gelijktijdig buiten mij moet stellen. En ik wil trachten dit nog een laatste maal te doen, voordat we dit eerste deel gaan besluiten. Het is natuurlijk voor u erg moeilijk - dat geef ik graag toe - om in mijn denkprocessen in te dringen. En wanneer het om mijn gevoelsprocessen gaat, zo vreemd als ik uw wereld in dat opzicht toch al weer geworden ben, is het voor u haast onbegrijpelijk, hoe ik zo kan reageren, geloof ik. Maar zeg eens, eerlijk en alleen maar voor uzelf, kunt u er iets van gevoelen? Wekt het in u misschien toch die lichte resonantie, die wijst op een begrip van harmonie: op een begin van gezamenlijke eeuwigheid? Als wij dat bereiken is het genoeg. Meer kan ik u niet geven, en meer kan niemand u geven. Zo is het met vele theorieën en veel wetenschap, niet met een geloof, met een straling of een kracht. Harmonie is de enige kracht, die het ultimum is, het hoogste, het laatste. Laat ik u dan dit zeggen van mijn - moet ik zeggen - droom? Er is soms licht, dat leeft, goud als een metaal, waarin je kunt doordringen als in een oneindigheid, waar elk gouden atoom op zich een wereld wordt en elke wereld in zich licht is. Licht dat trilt en gulden is. Wanneer je daarin binnentreedt, zie je geen grenzen. En in het begin voel je je als een smet, als een vlek op deze wereld met zijn volmaaktheid. Je meent: Er is geen variatie: er is alleen maar goud, goud en licht. Dan langzaam maar zeker word, je beroerd door een innerlijk trillen. Het is of onhoorbare tonen je wezen doen sidderen, of het gestamp van ongeziene machines je dwingt om te bewegen of je wilt of niet. En dan merk je VERDER DAN DE REDE 103

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede hoe het goud doordringt in jezelf, tot je plots geen smet meer bent. Tot je bent goud in goud licht in licht. Dan begint het wonderlijke spel. Een ogenblik wervelt het gouden licht. Je weet dat het goud is en toch zie je de kleuren als van een zonsopgang. Je ziet een wereld en je ziet op die wereld een mensheid geboren worden. Je ziet steden rijzen en vallen, je ziet zeeën zich vergroten en uiteindelijk weer verdwijnen en ontsnappen in de atmosfeer. Je ziet waar eens stoffelijke wezens gingen nu lichtende krachten nog een ogenblik zweven om verder te gaan. En je ziet ze als goud van goud. Toch herken je ze en je gaat verder. Je ziet vreemde hallen, vol van gedachten, waarin het schijnt of engelen tronen en goden leven. Je ziet ze komen, nederig nog en nietig. Je ziet ze trots stijgen op hun tronen, scheppend bevelen de werelden, die je zo-even verlaten hebt. Het is vol van felle kleur en spanning. En je weet, er is een nachtzwart naast een verblindend wit licht en toch is het goud van goud en anders niet. Je ziet hoe de troon, te groot wordt, alsof het wezen slinkt. Je ziet hoe de schepper zelve met een wanhopige gedachte zijn schepping van zich schijnt te werpen. En toch weet je, het is niet dit een van zich werpen. Het is eerder het zoeken van een rust als de rups, die zich verpopt in een cocon om als vlinder te ontwaken. Je gaat verder en in het goud zie je levende werelden, waarin de vlam de zielen schijnt te smeden, totdat zij persoonlijk bewust geworden kunnen uitgaan in het schaduwachtig heelal rond je. En het is goud van goud en leven van leven. Je gaat verder. Verder en verder en er is niets dan goud...... en uiteindelijk stilte. Het is of de laatste trilling van het licht verdooft. En je weet het is goud, maar het lijkt duisternis. Je zou verder willen gaan en je bewegen, maar je bent geboeid in verstarring en bewegingloosheid. En je vraagt je af: wat moet ik doen? Dan boven dat goud, boven dat hele wereldenspel, wat je hebt gezien, voel je plotseling jezelf verheven. Daar ligt het, een stofje in de kosmos, een hele schepping. Er is geen licht en er is geen duister. Maar er is weten van vele van die stofjes, die ergens in een ruimte dwarrelen, die je nog niet beseft. Maar er is in je een weten van een kracht, die rust is en toch gelijktijdig zingen kan in werelden van goud en in die vele ongeweten werelden, met hun eigen kleur. Is dat waanzin? Voor mensen misschien. Voor u is het misschien een beeld, dat u een ogenblik pakt, maar waarvan u later zegt: Wat is het nut ervan en het doel en wat is de werkelijkheid? Ik zeg u: Dit alleen is werkelijkheid. Dit alleen is wezen en werken en inhoud. En al het andere verdooft en verbleekt daarbij. Want dit is het gevoel van eenheid. Misschien zijn die werelden, die ik daar in een gulden wolk zie ontstaan en vergaan, een chimaera, een droom. Misschien is het uw wereld of een andere wereld. Misschien is mijn éne gouden wolk een eeuwigheid, één dag van Brahma. Misschien zijn ze die stofjes dagen. Dagen van krachten, die scheppen en vormgeven en uiteindelijk rusten om te ontvlieden. Ik weet het niet. Maar wel weet ik, dat wanneer ik die laatste fase doormaak een kort ogenblik, voordat ik weer terugvlucht, omdat de grootsheid té sterk is voor mij om te dragen, dat ik mij voel alsof ikzelve werelden kan scheppen, maar er slechts geen begeren toe heb. Dat ik in mij een wijsheid gevoel, die ik niet onder woorden kan brengen, alsof ik het laatste raadsel van de schepping onthuld zou hebben. En zelfs wanneer mijn eigen werkelijkheid en sfeer terugkeert, zijn die dingen nog bij mij en put ik hieruit de kracht om weer terug te keren in mijzelve en toch gelijktijdig uit te gaan in mijn wereld, mijn wereld, die soms ook de uwe is: Dat is esoterie. Esoterie, die misschien de mystiek zeer nabij komt of er in overvloeit. De wereld van innerlijk kennen en meer niet. Ik heb geprobeerd u er iets van te geven, vrienden. Laat mij niet meer zeggen. Laat het voor dit eerste deel u voldoende zijn. Moge hetgeen ik u gezegd heb voor u één stap verder betekenen in de richting van uw gouden wereld, van uw innerlijk weten, uw eigen harmonie met de Oneindigheid. Goedenavond. o-o-o-o-o Goedenavond, vrienden. We gaan aan een tweede onderwerp beginnen. In het eerste gedeelte hebt u niets te doen gehad dan te luisteren en het a.h.w. in u te laten doordringen. In dit tweede deel gaat het er om, dat u zelf actief bent. De eerste vraag van mijn kant is dus: Hebt u een onderwerp? 104 VERDER DAN DE REDE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede Men heeft het op een zondagmorgen gehad over het contact dat onze wereld heeft met de micro- en macrokosmos en de invloed, die wij van onze wereld op de microkosmos kunnen hebben. U zoudt dus iets willen weten over:

DE INVLOED VAN DE MENSELIJKE WERELD OP DE MICROKOSMOS

In de eerste plaats kunnen wij natuurlijk zeggen dat de menselijke wereld ontzettend veel invloed op die microkosmos uitoefent, doordat zij handelingen verricht in de materie, waarbinnen die microkosmos is gelegen. Elke handeling op zichzelf betekent een vervorming van deze microkosmos. Een microwereld heeft een andere tijdswaarde dan uw eigen wereld, dat zult u begrijpen. En de tijd, die u nodig hebt om b.v. een stukje zilverpapier in elkaar te kreukelen, zou dus in een microkosmos in miljoenen jaren kunnen worden uitgedrukt. Wanneer u nu deel zoudt zijn van deze wereld, dan zoudt u een hele beschaving hebben en dan zou eenvoudig een hand komen en die zou even dat hele heelal met zijn melkwegstelsels, zijn nevel van Andromeda e.d. in elkaar kreukelen en in een asbakje deponeren. Het stukje chocolade is op. Dus in deze zin kunnen wij zeggen, dat de mens vanuit zijn standpunt (waar ongeveer het midden is tussen micro- en macrokosmos van uit zijn eigen ervaren) voor de microkosmos in de eerste plaats een onbewust beslissende functie heeft t.o.v. de vormen, die in die microkosmos kunnen optreden. Nu hebben wij natuurlijk alleen gesproken van die grove middelen. Het doet zo'n beetje denken aan die meneer, die eens zijn idee over de kosmos uitdrukte door te zeggen: "Ja, kijk eens, ik geloof dat de hele kosmos een platenboek is, dat God voor Zichzelf heeft gemaakt. Als Hij het dadelijk dichtklapt, zitten we allemaal in het donker". Maar daarnaast zijn er natuurlijk ook andere dingen. En nu weet u, elke mens denkt. Elke gedachte is een werking van – in vergelijking gesproken - elektromagnetische geaardheid, waardoor inductieve verschijnselen buiten die mens ontstaan, door ons meestal vertaald als trillingen, uitgaande van de aura, in de aura scherp kenbaar, maar daarbuiten doordringend. Wanneer wij nu weten dat een scherp gerichte gedachte van een mens zonder enige moeite en met zeer weinig tijdverlies praktisch een halve aardbol kan omcirkelen, dan hebben we ook van de doordringingskracht van een dergelijke trilling enig besef. Die trillingen zijn zo fijn, dat ze materieel absoluut niet merkbaar zijn. Maar hoe verder wij naar beneden gaan in die kleine wereld, hoe sterker juist die trillingen bewegingen worden. U zegt: Ik houd mijn hand stil. Maar een vlieg, die op uw hand zit denkt: Dat ding bibbert? en het klopt er ook nog bij. Want zij voelt de bloedklop. Maar nemen wij nu een wezen, dat nóg veel kleiner is, dan is het niet alleen maar bibberen, dan is het een periodieke aardbeving. En zo kun je verdergaan. Nu is een gedachte zoals wij die hebben een gedachte, die bestaat uit impulsen. En elke impuls heeft een eigen frequentie, een eigen inhoud. Dat is heel stoffelijk gezegd. De frequentie van die trilling vertalen wij dan b,v. bij de helderzienden vaak in een kleur (een weergave van een zeer hoge trilling). Nu kunt u begrijpen - wanneer die trillingen zo ontzettend scherp zijn en zo klein, zo snel, dat ze in elke normale trillingsvergelijking wegvallen, dat ze misschien nog boven het licht staan hier of daar - dat er toch kleine werelden zullen zijn, voor wie die trillingen net groot genoeg zijn. Kunt u begrijpen, wat ik bedoel? Dan is het ook logisch, dat de microkosmos met haar geringe verhoudingen in verhouding méér zal absorberen van die gedachtekracht dan iets anders. Dat is ook logisch. Wanneer we nu nog een stap verdergaan en wij zeggen, dat wanneer wij een suggestie uitoefenen op iemand, hij ónze gedachten op zijn wijze gaat interpreteren, dan kunnen wij ook zeggen, dat wanneer een gedachte wordt gelegd in een reeks van werelden, die althans op dat vlak onbewust zijn, die gedachte een scheppende invloed krijgt op de verhouding van die kleine werelden. Anders gezegd: De gedachte-impuls, die u uitstraalt, wordt geabsorbeerd door de materie, blijft daarin vaak een tijd lang behouden, maar zal de eigen relatie en reactie van die materie t.o.v. de omgeving voor langere tijd kunnen bepalen. En dan is daar het hele probleem mee opgelost. Want de VERDER DAN DE REDE 105

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede invloed van de mens op de microwereld is omgekeerd evenredig aan zijn vermogen die microwereld bewust te beheersen. Naarmate hij n.l. die wereld meer bewust beheerst, zal hij zijn gedachtentrillingen minder scherp en zuiverder gericht op die microwereld afsturen. De consequenties daarvan zijn eenvoudig genoeg. Want juist de mens, die niet beheerst denkt en zo maar in het wilde weg niets anders doet dan gedachte na gedachte uitslingeren, zal - vooral wanneer die gedachte gedragen wordt door emotie, waarbij ze dus scherp, fel wordt - de hele materie die doen absorberen. Die dwingt dat in die materie in. En dat betekent dus, dat dat hele voorwerp op die gedachte gaat reageren. Om nu eens een heel simpel voorbeeld te geven! Er staat daar ergens op de hoek van een schapje een mooi ijzeren pannetje, U bent woedend, u haat de wereld, u zoudt alles willen verbrijzelen. Die gedachte wordt geabsorbeerd. Dan heeft u a.h.w. die pan gepreconditioneerd en een vernietigende werking uit te oefenen. Nu komt er een heel kleine trilling, u staat er net onder en nu kunt u het gevolg van uw gedachten aan de buil op uw hoofd aflezen. Begrijpt u? Maar omgekeerd ook. Wij zijn gezellig, wij zijn vriendelijk. Denkt u b.v. aan het eerste gedeelte van de avond, wij konen tot een werkelijk innerlijke verstilling. De omgeving absorbeert dat. Het zit in die stoel, in die tafel, in die lamp in het plafond, in die muren, overal. En nu komt u hier binnen met iets, wat er niet bijhoort. Wat gebeurt er nu? Tegengestelde trillingen gaan elkaar bevechten. Uw woede verklinkt in het luchtledige. Die microkosmos heeft dat geabsorbeerd, ze verliest daarbij iets van haar eigen kracht (de potentie, die de eerste concentratie erin heeft gelegd) maar ze brengt u tot rust. Zo beïnvloedt de microkosmos ook wederkerig weer de mens, die zijn eigen invloed daarin heeft vastgelegd. Voldoende? Is de invloed, die overheerst, dan op zo'n moment het sterkst? Altijd. Dan is het maar het beste om goede invloeden uit te zenden, tenminste wat je denkt, dat goed is. U zegt: wat je dénkt, dat goed is. Wat je vóelt, dat goed is. Juist, dan komen we wat dichterbij. Want je kunt denken, dat het heel goed zou zijn de buurman met die radio eens te verrassen door met een bijl bij hem op bezoek te gaan. Ik geloof, dat je dan wel weet, dat dat niet goed is. Op zichzelf - in de gedachte - zou het een goed gevolg hebben. Eindelijk zou dat ellendige gedrens, wat je wakker houdt, eens afgelopen zijn. En je kunt zelfs verder gaan en zeggen: En voor de hele buurt zou dat een zegen zijn. Of het waar is weet je niet, maar je denkt dat. Dus je kunt denken – redelijk gezien - dat het goed zou zijn. We kunnen zeggen: Redelijk gedacht zou het goed zijn, als nu Rusland ineens onder de voet werd gelopen in één felle oorlogshandeling, dan waren we tenminste van die geschillen oost en west af. Maar u voelt aan, dat dat absoluut niet deugt, want er zou een hoop lijden en een hoop ellende door komen. Hebben behalve de mens ook voorwerpen een etherisch dubbel? Een etherisch dubbel, hoe kan dat in een voorwerp zitten? Want is een etherisch, dubbel uiteindelijk niet een evenbeeld, dat gevormd wordt door het denkbeeld omtrent het "ik", of het weten omtrent het "ik"? Dus het is een bewustzijnsuiting. En in een voorwerp zal die bewust zijnsuiting niet zo groot, bestaan. Er zal dus wel sprake zijn van een uitstraling, van een zekere etherische kracht in een voorwerp, maar nooit van een werkelijk etherisch dubbel, tenzij dit dubbel wordt geprojecteerd door een mens en de gedachten van een mens dus vormend werken. Dat was één onderwerp. Hebben we nog een tweede? Kunt u de esoterische betekenis vertellen van:

106

VERDER DAN DE REDE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede DE GESCHIEDENIS VAN JOB

De betekenis ervan wordt door de mensen veel te veel gelegd op het feit, dat Job zo klaagde. Maar is dat nu werkelijk de betekenis van het verhaal? In de eerste plaats is het al heel belangrijk, dat de duivel voor God treedt (in het begin van het verhaal) en zegt: Ik wil Uw dienaar Job verzoeken. En dat God dan zegt: Probeer maar rustig hem van Mij los te scheuren. Een heel typisch verschijnsel. Wat wordt daar nu eigenlijk mee gezegd? Dat dus juist het goede het sterkst onderworpen is aan het kwade. Want was Job niet zo goed geweest, dan had hij het niet zo slecht gekregen. Dat is de wet van compensatie. Wanneer u doordringt in een groter weten omtrent het goede, vergroot zich het gebied, dat voor u het kwade is. De erkenning van het kwaad (omgekeerd) vergroot het kennen van de mogelijkheden tot goed. Evenwicht. Wanneer u eenzijdig streeft, zult u automatisch de compenserende factoren in uzelve wekken. Ik geloof, dat dat om te beginnen al een aardige esoterische knoop is. Maar nu gaan wij verder. De duivel gaat tot Job en neemt hem achtereenvolgens alle dingen af. Niet gelijktijdig maar achtereenvolgens. En verder - zeer opvallend - in een volkomen logisch verloop. Het komt wel allemaal samen, maar het is schijnbaar een toeval. Daaruit kunnen wij ook weer wat leren. De werkingen van de ongeziene krachten doen zich aan ons niet voor als wonderen, maar als voor ons niet geheel verklaarbare varianten van het normale, waarbij wij het woord toeval gaan gebruiken, omdat de werking op zichzelf zo natuurlijk is, dat wij er geen bovennatuurlijke agens in willen aannemen, Dat lijkt me toch ook weer een lesje. Dan gaan we weer een stap verder. Job blijft standvastig en looft de Heer, zelfs wanneer hij, zoals ik zo-even reeds zei, zich beklagend op de mesthoop zit. Nu is het natuurlijk zo, dat hij dat zelfbeklag beter had kunnen laten. Daarover zullen wij het allen wel eens zijn. Maar klaarblijkelijk geldt hier niet in de eerste plaats de houding van Job t.o.v. het gebeuren dan wel de trouw van Job aan zijn waarheid. Daaruit kunnen wij ook weer wat leren. Dat wij het gebeuren altijd kunnen overwinnen door consequent te zijn. Job is consequent. Hij begrijpt het wel niet, maar zijn God is de enige en de goede God en daarom kan hij niet ingaan op iets, wat buiten die God ligt. En hij zal die God ook niet vervloeken. Zouden wij dan misschien kunnen zeggen, dat het onvolmaakte het volmaakte niet geheel benaderen kan, maar - mits het zich als eenheid daarmede gevoelt - de krachten van het volmaakte in zich kan ondergaan? Want de Heer, bewogen door zijn trouw, schonk hem alles terug, wat hij verloren had en wel tienvoudig. Een schijnbaar verlies dus. Het was geen werkelijk verlies, een schijnbaar verlies, zoals voor ons heel vaak een consequent ons houden aan onze eigen levensrichting een schijnbaar verlies inhoudt. Een onaangenaamheid, die niet voortkomt uit hetgeen wij doen of geloven, maar het gevolg is van onze onjuiste aanpassing aan de wereld bij een vasthouden aan hetgeen wij geloven. Mij dunkt, dat daar voor iedere esotericus een les inzit en n.l. deze: Wanneer gij gelooft in het goede en streeft naar het goede, laat niets u ontrouw doen worden aan uw voornemen, omdat elke hindernis in feite overwonnen wordt en deze overwinning een verveelvoudiging betekent van hetgeen gij meende verloren te hebben. En dat lijkt mij heel mooi. Maar dan zijn wij er nog niet. Want er zit nog iets aardigs in en dat is dit: Job had zonen en dochters en die verloor hij allemaal. En de Heer schonk ze hem terug. Kan Hij dat nu? Hij kreeg weer zonen en dochters, maar dat waren toch andere? Wanneer je daar nu even over nadenkt, moet je ook nog even je gedachten laten gaan over de instelling, die men in die tijd had t.o.v. kinderen. Tegenwoordig zijn er mensen, die zien kinderen als een aangenaam bezit of als een soort bijzonder intelligent schootdier, dat op de duur erg lastig en kostbaar wordt. Je hebt mensen, die zien kinderen als kinderbijslag. Maar er zijn maar heel weinig mensen, die kinderen zien als een erkenning door God van hun vermogen een verantwoording te dragen en gelijktijdig als een taak. Maar in de oudheid was je niet in aanzien, als je geen kinderen had: omdat slechts zij, die onwaardig zijn, van de Schepper geen kinderen krijgen. Het ging hier niet om de persoonlijke binding, die Job had aan zijn familie. Die persoonlijke binding kan door het geloof en het vertrouwen worden opgeheven VERDER DAN DE REDE 107

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede en de band, die geestelijk bestaat, wordt niet verbroken. Maar datgene, wat hem gegeven wordt - gelijktijdig als een vreugde, als een loon en als een verantwoordelijkheid, opdat hij zijn God zal kunnen dienen in de juiste verhouding - krijgt hij terug. Nu kunnen wij het natuurlijk ook anders gaan draaien. In de moderne tijd zou je je kunnen voorstellen, dat iemand op het randje van het faillissement gaat balanceren. Want, zegt hij: ik heb zoveel goed gedaan en ik heb voortdurend al mijn aandacht gericht op de geest en nu gaan mijn zaken mis. Ja, goed, dat gebeurt. Maar als je nu toch aan die goede inslag vasthoudt, dan kun je misschien schijnbaar verliezen, maar je krijgt een zaak terug. Nu gaat het er niet om, dat je diezelfde zaak terugkrijgt, maar dat je een zaak terugkrijgt, waaraan je nog veel meer plezier hebt dan aan hetgeen je verloren hebt. Dan zet je het om in een materialistische inslag. Hier wordt de wet van evenwicht en rechtvaardigheid opnieuw gedemonstreerd. De wet van compensatie zelfs. Want het geestelijk dragen van het verlies en het aanvaarden van de eeuwige werkelijkheid boven de persoonlijke beoordeling daarvan, betekenen voor Job een bewustwording, waardoor hij geestelijk verrijkt toch alles herwon en meer herwon zelfs, dan hij ooit verloren had. En zo gaat het ons precies zo. Ik zou dus zeggen, voor menig esotericus zit daar de leerstelling in: Denk er om, je moet wel eens een offer brengen: Dat offer komt niet voort uit jouw onvolmaaktheid. God straft je daar niet mee. Het komt ook niet voort uit je volmaaktheid, zodat God je beproeft. Het komt alleen voort uit de noodzaak het kwade te overwinnen, Jobs hele lijdensperiode is niets anders dan een overwinning op het demonische of duistere principe, nietwaar? Zo zullen wij op de proef worden gesteld, telkenmale weer, omdat wij het duister of een bepaalde factor van duisternis zullen moeten overwinnen, totdat wij uiteindelijk in het licht staande met bewustzijn de volheid zullen kennen van het leven. Ik zou zeggen, daar zit dus nog wel wat in. Ik kom tot de conclusie, dat in deze 4 uitleggingen, die ik vanavond gehoord heb, één en dezelfde wet loopt. Alleen... wordt die anders genoemd. O.a. Job beleeft iets en dat wordt weergegeven als de spiegel van de wereld. Ook heb ik gehoord over een bijl en de microkosmos. Maar de vorige spreker had het over goud, waarin hij optrekt tot een zekere grens. Hij trekt zich terug en moet gaan combineren. Dus hij moet iets in zich trekken, wat hij nog niet bezit en er moet iets uit. Dus dan krijgen we dezelfde wet van compensatie. Alleen de vormen waren hier vanavond anders. Ik zou het graag een beetje anders zeggen. Ik begrijp wel, dat het anders is. Maar de wet, die daar werkt, wilde ik toch nog graag wat aangedikt hebben. U ziet het toch iets verkeerd. Er is één kosmische wet, en dat is de wet van eenheid of van harmonie. En die wet zien we dan in verschillende aspecten, omdat die eenheid met God t.o.v. ons op verschillende manieren kan uitwerken. Dus dat is de hoofdwet. En dan noemen we die wet ven eenheid ook de wet van harmonie, soms onderverdeeld in de wet van compensatie, de wet van gelijkblijvende velden, de wet der evenwichtigheid, oorzaak en gevolg (ook weer een compensatiekwestie) en zo verder. Al die wetten herleiden we dus uit deze ene wet. En deze wetmatigheden worden bepaald door onze eigen houding t.o.v. de kosmos. Maar de enige wet, die dus van groot belang is en waaruit voor ons alles te putten valt, wanneer het nodig is, is deze: Alle dingen zijn één in God. God is één met ons allen. In de realisatie van de eenheid, die wij persoonlijk met God bezitten, zullen wij de eenheid met alle dingen kunnen kennen en alle tegenstellingen zien wegvallen. Dat is de wet. De rest komt uit onszelf voort. De opwekking tot die zekere grens is een verwerking. Dus er worden trillingen veroorzaakt. Het goud, dat aanwezig is, wordt verspreid en vermenigvuldigd in de wereld. Zou men dat niet kunnen beschouwen als die bijl? Want daaruit kunnen wel revoluties ontstaan. Ik geloof, dat u het een klein beetje te eenvoudig ziet. Dat goud is een beeld, dat gebruikt werd. En dat beeld is niet alleen een trilling, het is een bepaalde wijze van wereldervaring. Dus zo ervaart deze persoonlijkheid zijn naderkomen tot het goddelijk Principe. En hij beschrijft het in dat beeld. En daarbij - zegt u - neemt hij dat goud mee. Maar dat is helemaal niet waar. Want het goud, waarover hij het heeft, leeft in hemzelf. Hij kan het dus niet meenemen. Ook kan hij zich van dat goud niet bewust zijn. Dat blijkt uit het beeld, dat hij beschrijft. Hij moet 108 VERDER DAN DE REDE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede de wereld van het goud verlaten, voordat hij zich: van zijn eigen wereld weer bewust wordt. Dus is er ook geen sprake van het verspreiden van het goud en het daardoor veroorzaken van een revolutie of zo iets. Revoluties, omwentelingen, liggen voor ons niet in dit esoterisch aspect, maar in het meer realistisch aspect van oorzaak en gevolg. En dit in zichzelf is niet het aspect van een persoonlijke werking, maar van het goddelijk Wezen, van de goddelijke wet, die tot uiting komt t.o.v. de onvolmaakte voorstellingen, die nog in de schepselen leven. Dus hieruit komt geen omwenteling of geen revolutie. Alleen kan uit het bewustzijn - en dat is dus heel iets anders – het bewustzijn, dat in deze gouden wereld b.v. gewonnen wordt, de persoon in kwestie komen tot een - hoe moet ik dit zeggen: - een vergroting van zijn eigen vermogen en de goddelijke kracht ook door zichzelf te doen uittreden volgens zijn eigen bewustzijn. Wij krijgen dus een vergroting van kracht. Deze vergroting van kracht echter zal nooit geleid worden door het bewustzijn van het goud, maar door het wereldbewustzijn, dat men op zo'n ogenblik bezit. En die kracht zou dan onder omstandigheden kunnen worden gebruikt om zieken te genezen, maar ook om revoluties te veroorzaken. Dat ligt er nu maar aan, wat op dat ogenblik volgens eigen bewustzijn goed en dus aanvaardbaar is. Ik hoop dat ik nu duidelijk ben. Dat was onderwerp nr. 2. We hebben vandaag wat meer tijd, dus er kan nog een derde aan worden toegevoegd. De kracht van onze gedachten, die andere werelden raken, zou u daarover nog iets willen zeggen: Niet alleen i.v.m. de microkosmos. Gedachten zijn krachten. Elke trilling is een uiting van kracht. Elke gedachte is een trilling. Als zodanig zal die trilling in elke wereld, die zij beroert, een werking veroorzaken, waar zij door haar contact met andere waarden haar eigen potentie overbrengt op de andere en zo krachten omzet in krachten van verschillende werelden. Dat is duidelijk, hè? Maar wat kunnen ze er veroorzaken? Wel, van alles en nog wat. Dat ligt er maar aan, wat voor gedachten je uitstuurt. Dus het gevolg is in overeenstemming met de gedachtekracht, die gebruikt werd. Niet met wat u van de gedachte verwacht, hoor. Dat is heel wat anders. Maar met de oorzaak, de eigen inhoud, de eigen trilling van die gedachte. Dus laten we nu eens heel simpele voorbeelden nemen, die iedereen in zijn leven misschien meemaakt. Punt 1. Je bent erg ongerust over een kind, dat ziek is. Door die onrust verwacht je het ergste. Je drukt dus een pessimistische - ja, soms zelfs een doodsgedachte - in je omgeving af. Het gevolg is, dat daardoor elke psychische reactie van het kind zwaarder en pessimistischer zal zijn dan nodig is. Het resultaat is, dat het lichamelijk ernstiger ziekteverschijnselen vertoont dan zonder dat. Dit t.o.v. de mens dus. Voldoende? En op astraal gebied? Dat krijgen we nog. U begrijpt dus, wat de gedachte op het gebied van de mens kan doen. Dan gaan we verder. Een mens denkt. En in die gedachten gelooft hij aan een demon, die hem achtervolgt, aan een engel, die hem begeleidt, of iets dergelijks. Daarbij is een beeld aanwezig. Hij heeft dus een voorstelling hiervan. Wanneer deze nu fijne materie beroert, die in zichzelf niet gevormd is, maar die door die trilling bewogen kan worden, dan zal automatisch die voorstelling langzaam maar zeker gevuld worden met materie, die daar dichter is dan in de omgeving. Er vormt zich dus een gestalte. Deze gestalte straalt t.o.v. de omgeving hetzelfde uit als de gedachte, die scheppend was. Wanneer daar voldoende energie in wordt gelegd, zal ook zonder dat de gedachte die vorm in stand houdt, in stand blijven. Zo lang hij in stand blijft zal hij t.o.v. de omgeving reageren aan de hand van de trilling, die door de gedachte erin is gelegd. Wij hebben dus een schil gecreëerd, die onze wil volledig kan verwerkelijken. Je zou kunnen zeggen dat wij op die manier vaak een soort persoonlijke God of een aanvullend wezen hebben geschapen, dat dus onze tekorten zal moeten opvangen: maar daarbij alleen gedreven door de impulsen, die wij misschien openlijk niet toegeven, doch die onbewust mede tot die wens om ons wezen uit te breiden aanleiding waren. Ook duidelijk? Dan het gebied van de geest. We zullen ook weer een voorbeeld geven, dat ieder zich kan voorstellen. Er is iemand, die geestelijk moet loskomen. Hij moet dus zijn eigen plaats in zijn wereld vinden. Hij moet a.h.w. wakker worden. Nu zit iemand op aarde voortdurend te VERDER DAN DE REDE 109

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede jeremiëren en te klagen: Ach, waarom ben je weggegaan en dit en dat. Wat is het gevolg? Die gedachten beroeren ook zijn wereld én zijn banden met zijn vroegere wereld. Vooral omdat die gedachten zeer sterk met die persoonlijkheid en diens leven in verband staan, dus direct ingrijpen in zijn bewustzijn en zijn ervaringen. Dan kan, wanneer het ernstig genoeg wordt, het resultaat ongeveer gelijk komen aan een epilepsieaanval grand mal (dus een ernstige epilepsieaanval hier op aarde), n.l. een volledig onbeheerste krampachtigheid t.o.v. de nieuwe wereld, met een gelijktijdig bijna teruggedreven worden tot de oude wereld, eventueel zelfs het ondergaan van waanvoorstellingen, enz. Dus het kan tot een aanhechting leiden? Inderdaad. Maar wij hebben het er nu over wat er met de geest gebeurt, niet wat er met de mens gebeurt. Dan gaan wij nog een graadje hoger. De vormloze geest is niet voor alle elementen van het menselijk denken vatbaar, dat móet ik erbij zeggen. Maar stel dat onze gedachten zeer scherp gevormd gaan in de richting van een bepaalde bewustwording. Dan zullen wij de geest die wij beroeren, daardoor niet kunnen vervormen, daarvoor is het bewustzijn te hoog. Echter zal die geest wel gewekt worden juist op dat terrein. Zoals u door iets te zien b.v. plotseling ergens aan herinnerd wordt, zodat u een reeks handelingen gaat verrichten. Op die manier kun je in de geest door die gedachten een impuls wekken, die een soort echo is (een direct antwoord) op je eigen gedachten. Wanneer er voldoende overeenstemming is tussen het vermogen van die geest en de werkelijke inhoud van de gedachten, dan zal een verwerkelijking tot in de stof - dank zij de kracht van die geest mogelijk zijn. Dat zijn dan een paar punten zo over die invloed. Moet ik er nog meer over vertellen? Mag ik even een veronderstelling maken? Kunnen wij t.o.v. de geest ook een heleboel positiefs proberen uit te zenden? Dat kan inderdaad. Maar nu is de mens t.o.v. de geest over het algemeen in mogelijkheden veel meer beperkt. En dan is het dus voor de mens het verstandigst om te doen, wat een toeschouwer doet bij een hardloopwedstrijd of wielerwedstrijd op de openbare weg te zorgen, dat hij van de baan is, wanneer de renners voorbijkomen. Probeer dus niet als mens te veel in te grijpen in de wereld van de geest. Dat heeft weinig zin. Is de geest aardgebonden, dan geldt nog altijd, dat de geest uit andere sferen dichter bij dat wezen staat dan u, omdat de mogelijkheden van die aardgebondene door een geest juist kunnen worden begrepen maar door u nooit. Slechts wanneer die geest (dus van een hogere sfeer) het noodzakelijk vindt de mens tijdelijk te moeien in de bewustwording b,v. van zo'n aardgebondene, dan is het van die mens zuiver en goed, wanneer hij meewerkt d.m.v. zijn gedachten en zijn verdere mogelijkheden. Maar hij moet nooit te veel ingrijpen op hut gebied van de geest. Is dit duidelijk? Ja. Maar ik vroeg dit eigenlijk, omdat zo vaak gezegd wordt,dat de mensen op aarde hun nabestaanden kunnen helpen door goede gedachten uit te zenden of iets dergelijks. Daar wordt veel over gepraat. Er wordt ontzettend veel over gepraat. Maar wat is de werkelijkheid? Is dat iets anders? Wilt u daar de werkelijkheid precies van horen? Graag. Nu moet u eens goed luisteren. Helpt u iemand, waar u van houdt, als u een bloemetje voor hem meebrengt? Neen. Wat doet u wel? U brengt die ander tot een bewustzijn van de aandacht die je voor hem hebt, de waardering. Je schept dus wel een innerlijke vreugde. En hoe vaak komt het niet voor, dat zo'n kleine attentie, zo'n bewijs van aandacht, voor iemand een aansporing is om met zijn eigen werk veel beter verder te gaan. Wanneer je dit nu in de gaten houdt, dan zul je begrijpen, dat je niets zelf kunt doen voor een nabestaande. Maar wat je wel kunt doen is hem steunen door het bewijs te leveren – voortdurend weer - dat je van hem houdt, b.v., of dat je zo iemand apprecieert, dat je zo iemand zou willen helpen. Dit alleen kan heel belangrijk zijn. Maar wij kunnen niets feitelijk veranderen. Menigeen stelt het zich zo ongeveer voor als een kind, dat je leert lopen. Alleen met dit verschil, dat je i.p.v. het aan het handje te houden, het dan bij de gedachten houdt en zo door de gedachten meevoert 110 VERDER DAN DE REDE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede naar een hoger sfeer. Dat kan niet. U kunt slechts een zekerheid scheppen. U kunt dus, wanneer dat contact naar de aarde weer verlangd wordt, daar zoveel goed gevoel geven, dat ze zeggen: "Als ze zo aan mij hangen, zo op mij vertrouwen, dan moet ik zorgen dat ik dat waard ben en zelf verdergaan". Dat is punt één. Punt 2. Wat kunnen goede gedachten doen die u wekt t.o.v. een enkele geest? Wanneer ze op een zeer zelfzuchtige basis zijn opgebouwd, b.v.: "Als mijn man nu maar in de hemel komt, dan kan de rest wat mij betreft bij doosje Pek gaan bivakkeren", helpt dat natuurlijk niets. Maar als je aan zo iemand denkt in de gedachte van eenheid met God, harmonie, wat doe je dan eigenlijk onbewust met die gedachte? Dan straal je niet alleen de gedachte uit naar de geest, maar overal, waar die gedachte ook maar even beroert, wordt de harmonische sfeer vergroot en doe je er dus toch wel iets goed mee. De fout ligt niet in het idee, dat je met denken iets bereiken kunt, maar in de gedachte, dat je voor een bepaalde persoon een bepaald iets bereiken kunt. Dat is onmogelijk, omdat je die persoon niet meer kent, zoals hij op dat ogenblik bestaat, zijn wereld niet kent, zijn mogelijkheden niet kent. Maar - om hier een concreet voorbeeld te nemen - als je aan een afgestorvene denkt in deze zin: "Moge Gods tegenwoordigheid zijn hart verlichten", wat gebeurt er dan? Dan is hiermee - zij het persoonlijk gericht - toch in de eerste plaats een beroep gedaan op de goddelijke harmonie. Die harmonie zal in ieder geval terugslaan op uzelf. Ze zal verder kenbaar worden in uw gehele omgeving. Zij zal naast degene, die u bedoelt, waarschijnlijk ook vele anderen beroeren. Degenen, die persoonlijk ontvankelijk zijn daarvoor, zullen daarin dus voor hun eigen werken en streven baat kunnen vinden. Een gebed b.v. gaat nooit verloren. Wat u daar zegt is een wens, die een gebed nabij komt. Het is alleen maar een formulekwestie verder. Als je bidt, werkelijk eerlijk en oprecht, dan bid je natuurlijk tot God. Maar je schept gelijktijdig een harmonische invloed in je eigen overgave aan het Goddelijke - en dus aan de waarheid - die zich uitbreidt over alle sferen en werelden, die maar met je in beroering zijn. Die verder vanuit de hoogste sfeer weerkaatst, daarbij misschien ook degenen treffend aan wie je denkt, omdat door die gedachte hun aandacht misschien gewekt wordt juist voor dit aspect. Maar dan zijn zij het, die erop moeten handelen, zij moeten reageren, zij moeten werken. Jij kunt er niets aan doen. Je kunt hun nog niet eens een duwtje geven, zodat ze een trapje hoger komen. Ze moeten er voor open staan. Ja, ze moeten er voor open staan, maar ze moeten zelf streven. Maar andersom is het toch precies eender, van uw kant naar ons toe? Dat werkt toch ook zo? Je kunt toch alleen geholpen worden, wanneer je zelf streeft? Wij kunnen iemand helpen door iemand b.v. kracht te geven. Maar wij kunnen nooit kracht geven aan iemand, die deze niet volledig accepteert. Want ook wij moeten eerst een harmonische factor hebben, voordat wij werken kunnen. Wij zijn geen meester van uw wereld. Ofschoon we, wanneer wij dit op een zwartmagische basis willen doen, ontzettend veel in uw wereld tot stand kunnen brengen. Doch dan gaat het tegen u in. Maar zolang wij u mens willen laten met een vrije geest, een vrije ziel en een vrije mogelijkheid, dan kunnen wij u alleen daar helpen, waar u het ons mogelijk maakt te helpen. Dat is toch ook duidelijk? Dat geldt op elk terrein. En wanneer dus iemand zich daartegen verzet of dat niet accepteert, of zegt: “ze kunnen mij zo veel vertellen, maar dit of dat", dan is voor óns de weg tot helpen alweer verminderd of zelfs afgesneden. Daarom is het eigenlijk zo typisch, dat menigeen niet begrijpt waarom wij "overgave" prediken. Je moet het accepteren, wat er is. Pas wanneer dat tot rust is gekomen en je niet zelf als een stekelvarken naar alle kanten krampachtige gedachten naar "buiten schiet, is het voor ons mogelijk u te benaderen, uw gedachten in het juiste kader te brengen en dan - door dit harmonisch zijn van denken op een bepaald ogenblik - de kracht, die bij ons bestaat, ook in u b.v. uit te storten door de eenheid, die we dan tijdelijk vormen. Is dat een kracht van geloven? Wat is dat voor een kracht? Dat is inderdaad kracht. Dezelfde kracht, die de windmolen kan laten ronddraaien: "de kracht, die omgezet wordt wanneer een steen zijn potentie van plaats door een val verandert in een potentie van beweging en uiteindelijk bij het tot stilstand komen, in hitte. Dat zijn allemaal vormen van kracht. In deze zin dus kracht, vermogen, energie. VERDER DAN DE REDE 111

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede Waar heeft die dan zijn aangrijpingspunt in het menselijk organisme? Het aangrijpingspunt in het menselijk organisme wordt gevonden in het menselijk denken, beheerst door de menselijke geest, gaande via de menselijke geest naar het menselijk onderbewustzijn vanuit dat onderbewustzijn beheersende het totaal der z.g. automatische functies en daarmede het totaal der innerlijke secreties. Verder het totaal der zenuwreacties: verder het totaal der impulsen, zoals die geschapen worden in de verschillende organen, waardoor een aanpassing van de organen aan een optimale toestand volgens het door ons als harmonisch afgedrukte beeld binnen de hersenen mogelijk wordt in het lichaam, waardoor een herstel kan plaatsvinden. Dus een volkomen harmonisering van de gehele persoonlijkheid, Inderdaad. En daarbij kennen wij dan de z.g. geestelijke operatie - wij zijn nu toch even op dit terrein terecht gekomen - waarbij dus bovendien nog dit geldt: dat alle bewustzijn van andere organismen (andere delen van het lichaam) in het onderbewustzijn tijdelijk wordt afgesneden en het geheel van de aandacht met een bijzondere scherpte op de niet-harmonische factoren in een enkel orgaan wordt gericht, waarna een uitstorting van kracht het gehele lichaam dienstbaar maakt in een krampachtige poging zou ik haast zeggen, om een normalisatie van dit ene orgaan - hetzij tijdelijk of voorgoed - tot stand te brengen. Daarna krijgen we de nazorg, waarbij het geheel harmonisch wordt gehouden, riet nadruk op datzelfde orgaan. Waar u nu over spreekt is een geestelijke genezing, niet waar? Inderdaad. Iets wat wij overigens liever niet al te veel doen, omdat het zekere risico's in zich bergt. En het risico is n.l. dit: Wanneer wij daarmede bezig zijn, mogen wij toch de persoon niet in zijn vrijheid beperken. Zou nu die persoonlijkheid plotseling de aandacht ergens anders op richten – vanuit zichzelf tegen onze impuls in - dan moeten wij ofwel onmiddellijk de kracht afsluiten, met het gevolg, dat een halve genezing soms erger is dan een hele mislukking, ofwel, wat ook kan voorkomen, wij kunnen alleen wat tot stand brengen door alles, wat die geest uitstraalt, In onze eigen wereld als realiteit te absorberen en dat is ook niet al te prettig. Zo, dat was een klein kijkje achter de schermen. Hoe kun je een zwartmagische ban verbreken? Iets, wat door een voorwerp op een persoon overgaat? Een zwartmagische ban breek je eigenlijk heel eenvoudig, omdat een zwartmagische ban slechts daar kracht heeft, waar een zwartmagisch aangrijpingspunt is (een chaotisch verlangen). Over het algemeen werk je dus bij het verbreken van een zwartmagische ban als volgt: Je stelt tegenover het zwartmagisch aspect een gelijk aspect, naar nu vanuit de harmonische wereld geprojecteerd. Kunt u het volgen? Daarop stel je je met geheel je kracht in, niet op het verbreken van de ban, naar op het vergroten van de harmonie met het Goddelijke. Naarmate die harmonie in de persoon groter wordt, wordt de onvatbaarheid voor de ban eveneens groter, maar gelijktijdig wordt elke kracht, door die ban in beweging gebracht, die zich richt tégen deze harmonie, automatisch gericht op degene, die oorspronkelijk de bezwering heeft gedaan: waarbij dus diens eigen krachten vernietigend optreden t.o.v. zijn verder potentieel tot kwaad doen. Een voorwerp, dat drager is van dergelijke krachten, is toch altijd gebonden aan degene, die de bezwering oorspronkelijk heeft gedaan. Onverschillig of hij leeft of - voor u dood zijnde - in een andere wereld voortbestaat, de vatbaarheid voor die terugkerende krachten blijft gelijk. En de afleiding van die krachten naar de originator van het kwaad betekent over het algemeen niet slechts een verbreking van de zwartmagische ban, maar gelijktijdig het onmogelijk maken van een hernieuwd leggen van een dergelijke ban door deze persoonlijkheid. Tjonge, tjonge, we gaan zo langzamerhand de techniek van de magie in. Ik geloof dat we nu..... Hoe moet zo'n voorwerp vernietigd worden? Als het in stromend water is gevallen, blijft die kracht toch voortbestaan. Zolang er stromend water is, kan de kracht niet werken. Dat is weer een andere kwestie. Maar om het te vernietigen? In de eerste plaats: Zorg dat het nooit verbrokkeld of verbrijzeld wordt, maar tracht het te verpulveren. Als je nu te maken hebt b.v. met een kleitablet en je zou het breken, dan zouden de krachten nog sterker op de voorgrond komen. Maar zou je het nu onder een stoomhamer leggen en het volledig verbrijzelen, tot het een hoopje stof is, dan is de volledige werking teniet gedaan. Is het een houten figuur, dan neem je een zo fel mogelijk 112 VERDER DAN DE REDE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede vuur en werpt het daarin. Is het een voorwerp van metaal, dan is het 't beste, dat men het zolang in stromend water bewaart, tot men in staat is het te smelten. En bij dat versmelten voegt men in het algemeen een tikje natriumzout toe. Dit werpt men er in. Het verdampt wel zeer snel, maar die damp is weer net voldoende om een zekere ban tot stand te brengen. Verder houde men er rekening nee, dat bij geen van de vuren, die gebruikt worden,ooit spiritus of andere alcoholica (zelfs aardolie) te pas mag komen. Het moet altijd zuiver vuur zijn, d.w.z. of wel zuivere steenkolen ofwel zuiver hout. En bij voorkeur geen verwerkte stoffen. Dus ook niet hout, dat geverfd is geweest. Hout mag droog zijn, maar dan moet het wind- of zondroog zijn. Het mag geen hout zijn, dat zijn droogte te danken heeft aan het lang in een huis staan. Dat was zoiets van een magische apotheek. Maar nu heb ik nog iets anders op het programma staan. We hebben daar n.l. een amuletje liggen. En nu moet dit amulet ingestraald worden. Aan een kant vind ik het wel leuk om dat hier te doen, ofschoon het eigenlijk ietwat meer bij de inwijdingsschool thuishoort. Dan wil ik u eerst vertellen wat we er mee doen. Dat is ook erg belangrijk voor u. Ik kan het ding gewoon tussen mijn handen nemen, dan doe ik dit voor mijzelf, dan gebeurt het ook en werkt het precies zo hard. Maar ik vind het leuk het u te laten zien. Nu is dit een amulet, dat in zijn vorm en in zijn omlijning betrekkelijk eenvoudig is. Een amulet draagt alleen krachten, wanneer die door begrippen erin zijn gelegd. Maar ik moet rekening houden met de symbolen, die uitgedrukt worden. Wat dat betreft, zou het misschien aardig voor u zijn, wanneer u althans de letter van de heilige naam in het Joodse schrift midden in de ster zoudt aanbrengen, dat zou de waarde van het geheel aanmerkelijk kunnen verhogen. Een Hollandse letter, is dat ook goed, een G. b.v.? Een Hollandse letter is ook wel goed, maar niet in overeenstemming met de opbouw van het amulet in dezen. Wij hebben er zo'n moeite mee gehad die Hebreeuwse letter te vinden. Er bestaat zelfs een reeks van 32 heilige namen in het Joodse schrift, die alle door één letter kunnen worden uitgedrukt en die onderling in mathematische verhouding - dat is n.l. de verhouding der Elohim tot de verschillende Tronen en van dezen weer tot het Opperste Wezen - kunnen worden uitgedrukt in de figuren, die ontstaan door de groepering van de letters. Dus daar is heel wat mee te doen. Maar nu gaat het hier dus om: Wij moeten hier kracht inleggen. En nu weten ze op de inwijdingsschool wel wat meer van die bezweringen. We hebben dat n.l. wel eens eerder geoefend. Nu gaan we dit hier dus even in ernst doen. En dan verzoek ik u om twee dingen eens goed gade te slaan. Dit is geen inzegening, zoals u op een Ster-avond ziet. Onthoud dat goed. Er is hier een verschil. In de eerste plaats maak ik geen gebruik van de handen. Ik kan dat natuurlijk wel gaan doen, dat instralen, dat is voor u aardiger misschien, maar het is niet nodig. Ik kan alleen door mijn poging tot concentratie en incantatie hier resultaat bereiken. Voor mij is ook de incantatie niet noodzakelijk, de concentratie wel. En ja, ik mag daar niet al te veel over vertellen, u moet maar proberen dat voor uzelf even mee te horen. Ik doe dit ook zonder groot manuaal, dus geen rituele handelingen erbij. Dat laten we achterwege. Wat ik nodig heb is in de eerste plaats de medewerking van bepaalde krachten, die hier in de natuur zijn binnen het zonnestelsel. In de tweede plaats heb ik nodig de medewerking van krachten, die mij hier helpen, die ondermeer het kwaad wegdrijven en het mij mogelijk maken de kracht, die ik concentreer, ook volledig zuiver te richten. En dan heb ik nog een punt nodig. Dat is n.l.: Ik moet voor mijzelve toegang vinden tot de goddelijke kracht en wel in een voorstelling, die overeenstemt met de vorm van het amulet. Daarvoor heeft men hier een driemaal omlijnde driehoek gekozen. D.w.z. dat mijn kernzin (mijn slagzin a.h.w. voor de Oneindigheid, voor het Goddelijke) in dit geval een Griekse is en geen Joodse, n.l.: Begin en einde, zou je kunnen zeggen. Deze factoren tezamen zullen we dan in een bezwering opbouwen. Het is voor u misschien wel aardig dat eens een keer mee te maken. Of bent u er bang voor? Zegt u? Doe het maar even stil, dan hebben we er geen last van? (Neen). Dan moet ik u wel verzoeken een ogenblikje neutraal te zijn. Laat u niet meeslepen. Dit is mijn zaak op het ogenblik. Luister... probeer na te gaan wat er gebeurt..... voel het eens aan. Als je VERDER DAN DE REDE 113

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede helderziende bent: probeer dan eens te kijken wat je ziet. Bereid u voor op een zuivere toeschouwersrol. Dat zal u misschien moeilijker vallen dan u denkt. "Ik roep U, machtige.…. gij, die vorst zijt van de lichte krachten van het tweede licht der hemelen. En ik bid U in de naam van Hem, Die gij dient, Hij, Die is de lichtende kracht en de schepping zelve, zend mij Uwe boden. Opdat zij gedragen op het licht komen, helpen mij te volbrengen de taak, die ik mij heb gesteld, verwijderen de krachten des kwaads, die mijn taak zouden beïnvloeden of vernietigen, opdat worde geschapen een waarde, die inhoudt genezing en vrede, kracht en bewustzijn. Ik roep u, o gij geesten van het tweede licht der hemelen, gij, wier kracht op dit moment bijna de strijd nadert met de strenge rechter. Ik roep u, gij, die lichtend de boodschap hebt gedaan van hen, die gekomen zijn. Ik roep u in de naam van Hem, Die gij dient, den Elohim en bezweer u bij de heilige naam Adonai. Komt en volbrengt deze taak, opdat licht zij en kracht worde gegeven. Gij, Die zijt ..... Gij, Die zijt licht mijner ziel en inhoud van mijn wezen, U vraag ik: Laat de kracht der gedachten, die ik zend, bevestigd zijn in dit teken, dat draagt het symbool van Uw wezen en Uw openbaring. Laat de kracht daarin bevestigd zijne licht, vrede, vervolmaking, genezing. Dat voltooid zij in de naam van U, Die zijt het begin en het einde aller dingen, deze kracht, die is uiting van Uw kracht, deze drijfveer, die is wezen van Uw Wezen, bevestigd in de stof en wekkend in de stof de krachten, die beantwoorden aan Uwe naam en Uw heiligdom. Ik dank U, machtige Schepper, dat Gij mij toestaat dit werk te volbrengen. En ik zeg tot u, gij geesten aanwezig, gij die zijt licht van het tweede licht der hemelen, laat uw kracht gevoegd zijn bij de mijne. Laat Uw zegen, o...... gezet zijn op het zegel, dat ik bekrachtigd heb. Gaat heen in vrede. Ik dank u in de naam van Hem, Die is uw meester, licht en Schepper. Ik bevrijd u van uw taak in de naam van Hem, Die ik heb aangeroepen, Adonai. Ik geef u de vrijheid, u erend en dankend voor de taak, die gij hebt volbracht. Dat vrede zij en bevestigd zij de kracht. Dat kun je natuurlijk ook stilletjes doen. Maar ik dacht, dat u het wel eens leuk zou vinden een eenvoudige incantatie te horen. U merkt wel, het is helemaal niet zo moeilijk. Het is alleen weten waartoe je je richt. En nu mag ik misschien er u even een paar inlichtingen bijgeven. Of zegt u: Houd nu maar op, we zijn er al griezelig van? (Neen) In de eerste plaats hebt u bemerkt, dat ik voor Gods naam hier Adonai heb genomen. Dat heeft zijn reden. Adonai wordt n.l. vereenzelvigd met het licht des hemels. En men neemt aan, dat God Zich dus speciaal voor deze werelden openbaart in de zon. De zon is het zichtbare teken van Gods kracht. Maar in deze kracht wordt Hij gediend door Zijn z.g. eerste genius. Wij zouden kunnen zeggen: Zijn secretaris of Zijn engel. En die engel is..... Ik heb hier een bezwering genomen die berust op..... en op de maan. Ik heb mij dus helemaal niet gehouden aan de eigenschappen van de dag in dit geval, maar ik heb mij gericht op een bepaalde sfeer, die nodig is. Want wat geeft de maan? De maan geeft rust, geeft vrede. Maar wie is de vorst van de witte krachten van de maan? Dezelfde …. die de eerste genius is van Adonai, van de zon. Dat is een magisch principe. Daarom moet ik mij richten tot...... Nu kan ik natuurlijk moeilijk zeggen tegen de secretaris van de koningin. Kom nu even zelf. Dat doe je niet. Maar ik kan wel tot de secretaris van de koningin zeggen: "In naam der koningin, zend mij een paar bedienden". En nu leeft op elk hemellichaam - of is verbonden met de sfeer van elk hemellichaam moet ik eigenlijk zeggen - een hele reeks van geesten. Sommigen hebben in de stof geleefd, dus het is hun sfeer. Anderen behoren tot heel andere trappen van leven dan u. Er zijn b.v. geesten bij, die direct uit de status van elementaal zonder menselijke tussenweg zijn gekomen tot een dienstbaar zijn aan een bepaalde geest of entiteit in wat u een sfeer noemt. We vinden er verder ook wezens, die b.v. in een vorige periode niet verder konden komen en dus als z.g. sterkere genii zijn blijven hangen b.v. in de sfeer van die maan. Dat zijn nu degenen, die ik nodig heb. En waarom heb ik juist hen nodig? In de eerste plaats omdat de lichtende kracht, de witte kracht van de maan een verzachte weerspiegeling is van het goddelijk licht. U moet dus rekenen: wij spreken nu niet praktisch maar magisch. En deze weerspiegeling heb ik nodig. Want direct goddelijk licht verteert het 114 VERDER DAN DE REDE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede kwaad. Maar als het kwaad verteerd wordt, is er zo vlug niets anders voor in de plaats. Dan kun je last krijgen. Dus dat hebben wij niet nodig. Verder zou je kunnen zeggen: Het zonnelicht tast elke kwade geest aan. U weet wel - zelfs in de gewone gebruiken - als de zon schijnt zijn de demonen van de aarde gebannen, maar in het duister komen ze opzetten. Wanneer wij hier b.v. te maken hebben met een demon of een aanhechting en we gaan dat ineens abrupt vernietigen, dan - als er een band is - schiet die kracht door naar de persoon, die met zo'n ding in aanraking is. Dat kunnen we niet doen. Maar wat kunnen we wel doen? We kunnen die goddelijke kracht zo langzaam maar sterk opvoeren in de geleidelijkheid en de vredige blankheid a.h.w. van een maanlicht (denk daar naar eens aan), zodat het daardoor dus mogelijk wordt langzaam en zonder schade een scheiding tussen geesten tot stand te brengen, een omzetting in weefsels i.p.v. een vernietiging van weefsels. Dan heb ik nog een factor, n.l. deze...... als vorst van de maan, is tevens één van de vorsten van vrede. Hij is onmiddellijk gebonden met Gabriël, dié is de boodschapper maar ook hij, die vrede geboren doet worden én met Michaël. Dat zijn twee krachten, die heersers zijn van tijd en niet van ruimte, maar er bestaat een bepaalde relatie daartussen. Op deze manier krijg ik in de eerste plaats rust in het tijdselement. In de tweede plaats krijg ik een afstemming op harmonie. Want de kracht van de boodschapper klinkt door zelfs achter gesloten deuren, zegt men wel eens. Dus de gedachte aan vrede en berusting kan hierdoor veel sterker worden gemaakt. Dat wil nu niet zeggen, dat daar nu een ding ligt, dat wonderen doet, hoor. Het wil alleen zeggen, dat we hier een soort contactpunt hebben gemaakt, zoals bij u de stop, waar u de telefoon in steekt. Als er één gedachte gericht is op iets, wat in contact staat hiermede, dan werkt die totale kracht. Eigenlijk eenvoudig, vindt u niet? Dat is dezelfde manier, waarop u een antenne neerzet. En als nu het apparaat naar is afgestemd en ontvangt, is er muziek. Zonder antenne hoor je niets of heel weinig. Het is een versterking van gunstige effecten en wel van bepaalde gunstige effecten. Nu hebt u meteen een beetje van de magie geleerd. Eigenlijk gek om tijdens esoterie over magie te gaan spreken. Maar het staat toch ook weer een beetje met elkaar in verband. Als het maar wit is. Dit is witte kracht. Als je het zwart wilt maken, kom je tot heel andere dingen. Het zijn vaak kleinigheden. Je moet er erg mee opletten (je hebt b.v. Ismodé, dat is een lichte kracht, maar verander de i-klank in een a-klank en je hebt een demonische kracht), omdat wit en zwart, engel en demon elkaar zo ontzettend verwant zijn. Een kwestie van een klein trillingsverschilletje. En daarom zou ik wel willen zeggen: U hebt het nu gehoord, maar - tenzij u langzaam maar zeker wordt opgeleid in die dingen - wees er een beetje voorzichtig mee. Want je denkt, dat je de lucifer in het water gooit, maar in feite gooi je het in sterk verdampende benzine en de explosie laat je geen schoonheid van gelaatshaar over. Maar de persoon, waarvoor deze amulet bedoeld is, moet er werkelijk geloof aan hechten, anders geeft het toch niets? Moet u aan de telefoon geloven om iets te horen, wanneer u wordt opgebeld? Dat is wat anders. Neen, dat is precies hetzelfde. Het is een contactpunt. Kijkt u eens, zo lang u de hoorn niet van de telefoon neemt, hoort u niets of u er nu aan gelooft of niet. Maar als je die hoorn eraf neemt, heb je dat contact. En zo is het nu hierbij. Wanneer er één gedachte is, die wat lichter of wat beter is, klinkt dit door. En dan maakt het dus een verbinding mogelijk met krachten, die die ene gedachte of die tendens versterken. Daarop komt het eigenlijk neer. Ik zeg, het is een contactpunt. Is dat dan ook niet zo met de tekens, die wij ingestraald krijgen? Ja, maar die worden op een andere manier ingestraald. Maar ze zijn toch contactpunten. Maar daar komt iets bij. Dit geval is een zuiver contactpunt: het is dus geen accumulator voor zichzelf. Bij de draagtekens doen wij echter iets anders. Hieraan (aan de amulet,) verbinden wij een aura. In de draagtekens trachten wij de moleculaire structuur door kleine veranderingen in de eigen omloopbanen binnen de moleculair rotatie in staat te stellen een zekere energie op te nemen en langzaam af te geven. En gelijktijdig proberen we de zaak dan VERDER DAN DE REDE 115

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede ook nog zo in te richten, dat wanneer die kracht overmatig aanwezig is, ze weer tot aanvulling wordt geabsorbeerd'. Dat is dus eigenlijk weer iets anders dan een amulet. Het is een voortdurende herinnering, zodat - komt er een onverdraagzaamheid - het ingestraalde draagteken onwillekeurig even doet denken: "Zijn we nu nog wel verdraagzaam of hoort dat nu wel?" Die ene impuls is genoeg. Reageert u daar zelf op - al is u alleen maar even geremd in uw uitbarsting - dan hebben we al een betere beheersing bereikt. En zoudt u daarom met deze gedachte zeggen: "Ja, nu bedwing ik mijzelf, nu zal ik verdraagzaam zijn," dan straalt u kracht uit, Die kracht gaat door u heen - daar is ze "belangrijk - maar ze komt ook buiten u. En als u dan dat draagteken in uw buurt hebt, dan absorbeert het wat buiten u komt het absorbeert het tot het weer op zijn volle capaciteit en vermogen is. En nu hoop ik niet dat iemand zegt: "Het is wel een teken van wantrouwen, dat jullie 3x per jaar bijladen." Vrienden, ik geloof dat wij zo langzamerhand het woord moeten overgeven aan de laatste spreker. U hebt hier even een gesprekje gehad, wat niet altijd gebruikelijk is. U hebt een klein stukje gezien van magie. Voor de inwijdingsschoolleden, die aanwezig zijn, is het meteen weer een klein lesje in formulering. Dus u hebt geloof ik heus wel ruimschoots uw portie gehad vandaag. En wat betreft de binnenkant, daaraan is in het eerste gedeelte wel zo hard gewerkt, dat ik geloof dat u ook daar voldoende van meeneemt. Laten we dan deze avond met het Schone Woord laten uitklinken. Goedenavond. o-o-o-o-o Goedenavond. VERBINDING, VERDRAAGZAAMHEID. Verbinding en verdaagzaamheid, dat kunnen we wel met elkaar verbinden. Ik vind er voldoende verband in, ofschoon het niet tot de verbandleer behoort. Verdraagzaamheid is niet zozeer de kracht om te verdragen, als wel het bewustzijn, dat het mogelijk maakt te verdragen, wanneer eigen besef zegt dat hier geen juist beeld van intenties of werkelijkheid bestaat. Ware verdraagzaamheid is gebaseerd op de algehele liefdeskracht, die leeft in het totaal der schepping, geboren uit het Groot-scheppend Vermogen. Wij zijn allen kinderen Gods. En al wat rond ons is, is evenals wij uit God geboren. Deze kracht, levend in ons allen, is goddelijke liefde, maar de verdraagzaamheid maakt het ons mogelijk deze goddelijke liefdeskracht in onszelf te erkennen en zo te komen tot een verbinding tussen ons wezen en de krachten, die ons omgeven. Wij moeten niet trachten alleen of eenzaam de dingen te volbrengen. Soms zal een afzondering ons dienstig zijn bij een concentratie, zal zij ons kunnen helpen om ons duidelijker het beeld voor ogen te stellen. Maar wanneer wij alleen willen streven of werken, dan maken wij niet alleen een wand tussen ons en de schepping, maar ook tussen ons en de God, Die het leven en de intensiteit van ons bestaan is. En dat is onaanvaardbaar. Wij moeten - beginnend met de verdraagzaamheid, waardoor wij de wereld accepteren - komen tot het vermogen die gehele wereld in onszelf te dragen, zoals het bewustzijn van goddelijke liefde en kracht in ons als een vonk is, die springt naar elke uiting van Gods kracht, waar die zich ook bevinden moge. Wij zijn verbonden met het totaal der schepping. Er is niets, maar dan ook niets, waarmede wij geen werkelijk contact hebben, laat ons deze werkelijke contacten trachten te realiseren. Laat ons toch begrijpen dat er geen grens bestaat tussen ons en andere werelden, tussen ons en andere mensen, tussen ons en wezens of trappen van leven, die wij nog niet beseffen. En voor al deze dingen is een juiste en harmonische uitdrukking der verhouding mogelijk. Deze kan echter nooit worden gevonden vanuit onszelf. Wij kunnen niet alleen van óns uit de wet gaan opleggen. Harmonie betekent niet een overheersing, een dominant akkoord. Het "betekent het harmonisch samengaan van vele verschillende trillingen, die zo samenkomen tot één werkelijkheid, één klank, die gelijk is aan het Scheppend Woord. Op deze manier betekent verdraagzaamheid niet alleen het begin van een juiste interpretatie van het begrip naastenliefde, maar het betekent een groeiende binding tussen ons en al het geschapene. De 116 VERDER DAN DE REDE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 17 maart 1959 Les 7 – Verder dan de rede verbinding tussen ons. wezen en het Goddelijke, de verbinding tussen ons Wezen en al datgene, wat voor ons wezen belangrijk kan zijn. Esoterisch gezien bestaan er geen grenzen of verboden buiten dit éne: Gij zult de harmonie, die God heeft gelegd in alle dingen volgens Zijn weten en beeld der volmaaktheid, te nimmer bewust verstoren. Wie zich daaraan houdt, vrienden, die heeft de juiste interpretatie wel degelijk gevonden. Die heeft de juiste levensweg gekozen en zal in zich een steeds groter kracht gewaarworden, terwijl hij buiten zich bemerkt een steeds harmonischer werkzaam -zijn van eigen wezen t.o.v. anderen en een steeds harmonischer aanvaarden van eigen wezen door anderen. Op deze manier kunnen de werelden samengroeien tot één. Kunnen de scheidingen tussen stof en geest wegvallen. Op deze wijze kan het goddelijk scheppingsplan door ons, in ons en uit ons gerealiseerd worden. Laat me het dan nog even proberen anders te formuleren. (Het is misschien mijn trots op mijn dichtkunst, die me hier verleidt, maar goed.) Eenzaam zwerft de vogel door de lucht. De jagende storm draagt hem, maar zijn vlucht is een lijden door onbewust zijn. Hij kan de pijn niet vermijden van eenzaamheid en nood tot leven. Wanneer de vogel echter ziet -beneden zich de wereld, beseft hoe anderen leven op de rotsen, beseft hoe ’t schuim der golven, die klotsend haast het eiland overspoelen, niet kunnen breken eenheid van gevoelen, van denken en van leven, dan zal hij - veranderend zijn koers, veranderend zijn streven - strijken op het land. Dan vindt hij met de anderen daar beschutting en een band, die - in de stormen wel bestand - hen leven doet. In zonnegloed zoekt hij weer eenzaamheid. Hij is een schim, die langzaam langs de hemelen glijdt, maar die niet weet waarheen, Alleen. Maar een mens, die de band heeft gevonden, beseft heeft hoe beschutting wordt gegeven door eenheid van denken, door een saamgeweven leven met anderen, zoekt die nog eenzaamheid? Of vindt hij de verbinding met de krachten, die leven in hemzelf en anderen? Vindt hij - buiten al het schijngeweld, dat in de schepping nog bestaat - een eeuwige kracht, een harmonie, die nooit ten onder gaat? Laat ons vrij als vogels leven, laat ons zweven door de lucht, maar nimmer in onze vlucht verwerpen het leven van anderen. Laat ons niet trachten te regeren of te veranderen, maar laat ons in eenheid en harmonie samenleven en streven. Dan pas gebruiken wij de vrijheid en de kracht, door God aan ons gegeven. En lijkt het ons soms moeilijk om anderen te verdragen, bedenk, ook God is daar. Eer dan die God. Zo zult geslagen de harmonie te bouwen, waarin het godsvertrouwen de mens leidt tot contact met alle zijn en eeuwigheid. Wat moet ik er eigenlijk nog aan toevoegen? Laat ik het zo zeggen: Wij verschillen allemaal. Ieder van ons heeft zijn eigen geaardheid, zijn eigen gedachten, zijn eigen streven en denken. Ieder van ons is anders, dat is waar. Maar dit anders zijn is uiterlijk. Datgene wat ons beweegt, het einddoel dat wij hebben, is gelijk. Laat ons dan de aandacht richten op dat, wat wij gemeen hebben met elkaar: op dat, wat voor ons gezamenlijk begrijpelijk is, redelijk en bevatbaar en niet de verschillen gebruiken om een afstand te scheppen tussen ons en anderen. Indien wij er naar streven die eenheid te erkennen en tot werkelijkheid te maken, dan zullen ook de krachten van hoger sferen, misschien ook van geheel andere kracht of kwaliteit, die wij wellicht nog niet verstaan, ons kunnen benaderen. Dan zullen wij - door de gedachte van..-eenheid, die uitgaat in het enkel streven hier op aarde, de achting voor ieder ander en het aanvaarden van het goede, dat wij gemeenlijk in elk ander kunnen erkennen kunnen komen tot een contact met het totaal van de kosmos en daarmede een aardige stap op weg naar ons einddoel. Vrienden, al ben ik geen schoontalig redenaar, wat ik gezegd heb is de grootste waarheid, die ik ken. En ik heb geprobeerd het zo te zeggen, dat u begrijpen kunt waar het om gaat. Niet iets abstracts, niet alleen maar een binding met andere werelden of een goedsullig het leven dragen, maar een praktisch de wereld aanvaarden. Het zoeken naar een gemeenschappelijk streven en een gemeenschappelijk heil en daardoor een aanvaarden van de goddelijke kracht in ons, zo een verbinding leggende tussen ons en alle leven. Vrienden, goedenavond.

VERDER DAN DE REDE

117

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen Goedenavond, vrienden. Ik zou deze maal graag met u willen spreken over een onderwerp, dat tamelijk romantisch klinkt, over:

DE TUIN DER DROMEN

U zult zich afvragen: Wat kan nu een tuin der dromen te doen hebben met de esoterie? Misschien wordt het u duidelijk. De tuin der dromen is een land vol van gebeuren, vol van schoonheid met daarnaast afzichtelijke, afgronddiepe lelijkheid. Er zijn alle dingen te vinden. Hier bloeien bloemen zo schoon, als je ze nooit op de wereld hebt gezien. En daar achtervolgen je demonen in een uitzichtloze wereld of raak je verward in een labyrint. Want een mens droomt. En al dromende realiseert hij zich iets van de werkelijkheid. Men meent veelal dat dromen alleen maar een waan, een fantasmagorie zijn. Maar een droom is meer dan dat. In de droom openbaart de mens zich aan zichzelf. In de droom beleidt hij schuld. In de droom beloont hij zichzelve door vreugdig beleven voor datgene, wat hij op aarde heeft gedaan. Een wijsgeer zei eens: "Tussen de mens en de oneindigheid ligt de tuin der dromen. Wie de weg kan vinden door dat wonderrijk zal de absolute openbaring kennen." En hij zei dat niet voor niets. Misschien kunnen wij vanuit ons standpunt proberen iets te tekenen van zo’n wandeling en al wat daarmee samenhangt. Het begint meestal kort voor de slaap met wat flitsen van gedachten. Een paar voorstellingen, een paar begeerten misschien. En dan wordt langzaam maar zeker de wereld vaag en het lichaam weet niet meer wat het doet. Dan begint de geest haar eigenaardige strijd met zichzelve. Ze projecteert zichzelve in een wereld. Een wereld, die past bij het aards beleven, dat ze heeft opgedaan. Een wereld, die vooral past bij al datgene, wat zij volgens eigen overtuiging heeft nagelaten en had moeten doen. Al hetgeen haar qua emotie geboeid heeft en hetgeen stoffelijk beleven nu eenmaal presteert wordt mee verwerkt. En wanneer het een gelukkige droom is, begint het vaak met een gevoel van vliegen, van een met verende schreden een trap opgaan. En dan is er alleen licht en schoonheid. Er zijn landschappen, die bekend zijn en toch weer vreemd. Bomen, die schijnen te lachen of schijnen te wenen. Bloemen, die schijnen te dansen. Vogels, zo vreemd gekleurd, als in geen enkele tropische tuin ooit te vinden zijn. En menigeen blijft daar verpozen. Men rust, men herdenkt al hetgeen teloor scheen te gaan op aarde, men ontmoet misschien een overgegane, men heeft wat contacten, meer niet. Dan heeft zo’n droom weinig betekenis en blijft ze in het onderbewustzijn begraven. Want alleen de wekdroom wordt herinnerd. Maar ook zijn er wel eens mensen, die wanneer ze in die eerste wereld komen verdergaan. Er is een verte, die trilt, alsof er een grote hitte is: een beeld, dat vertekent, alsof fata morgana na fata morgana zich afbeeldt op de verhitte lucht van een woestijn. Zo’n mens gaat hongerig op die beelden af. Hij zoekt een nieuw beleven, een nieuwe ervaring. En wanneer hij vrij is van schuldbewust zijn, wanneer hij vrij is van de gedachte "ik ben tekortgeschoten", dan komt er soms een ogenblik, dat hij meent door verschillende tempelgangen te dwalen. Kamer na kamer openbaart zich. Nu een grot, gevuld met stil blauw licht en grote beelden, dan weer een tempel zo groot als een Sint Pieter, waarin een orgel speelt. En je gaat steeds verder. En wanneer je uiteindelijk de laatste verten betreden hebt, wanneer je het laatste hebt gevonden, dan sta je in stille verwondering tegenover jezelf. Niet als een werkelijkheid, want dat gebeurt pas, als je heel ver bent gevorderd, maar eerder alsof er een filmscherm is. Je ziet flitsen van je eigen gebeuren, je eigen beleven in een verleden, maar ook in een toekomst. Je ziet samenhangen, die later herinnerd irrationeel worden. Dan komt er het ogenblik, dat de supreme logica van het dromenrijk de stofproblemen tezamen oplost in een nieuw ongekend verband. Want als je droomt, wanneer je lééft in die tuin van dromen, dan kun je vaak 118 DE TUIN DER DROMEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen onnoemelijk veel zien. Dan heb je de oplossing van het probleem zo duidelijk, zo klaar, zoal belangrijk en zo alomvattend, dat je niets anders meer kunt doen dan dankbaar deze gave meenemen terug naar de aarde. Maar als je dan ontwaakt, wat blijft er over van de grootse openbaring? Het fonkelend juweel van wijsheid is tot een zinloze zin geworden, de oplossing van het mathematisch probleem tot een kinderachtige weergave in een onbegrijpelijk rekensommetje met symbolen, die klaarblijkelijk geen enkele achtergrond hebben. Want wat in de droomwereld is, leeft in een ander licht dan in de mensenwereld. In die droomwereld leven de dingen niet alleen maar driedimensionaal. Daar worden alle dimensies tezamen gegrepen. Daar wordt het gehele magische verband van de schepping geopenbaard. En wanneer je dan terugkomt in de nuchtere logica en je wilt dat terugbrengen tot een driedimensionaal wereld je en een menselijk begrip daarvan, dan kun je de oplossing niet vinden. En toch zoals ik u zei die tuin der dromen is belangrijk. Belangrijk juist, omdat ze in praktisch elk mensenleven iets brengt van de vreemde, magische wetgeving, die de kosmos regeert. Omdat ze werelden samenvoegt, die voor elk begrip anders gedeeld en gebroken of zelfs niet-bestaand zijn. In de esoterie zoeken wij naar ons innerlijk wezen. Wij zoeken naar een zelfopenbaring. En onze droomwereld geeft ons deze. Ze geeft ons niet alleen het zinloze symbool, dat alle betekenis verliest. Ze geeft ons ook een persoonlijke inhoud. Want onze droomwereld is een aanvulling van onze mensenwereld. Ze toont ons wat we zouden willen doen. Wat we zouden moeten doen. Ze toont ons ook, waar wij zouden hebben gefaald en doet ons in zinloze angst vluchten voor de consequenties van onze eigen daden. Zoeken naar je eigen innerlijke kracht moet je daarop baseren. Nu bestaat er op de wereld veel, wat ook - laat ons zeggen - tuin der dromen kan heten. De alchemist werkt met onbegrepen en geheimzinnige poeders en hij maakt goud. De magiër trekt zijn cirkels, schrijft zijn symbolen en ziet, dienende djinni verschijnen. Djins van de meest verschillende soorten openbaren zich. Een mens zakt in meditatie neer: hij zendt zijn dodende gedachten en ergens ver weg sterft een ander mens. Iemand wordt bevangen door de noodzaak tot handelen, laat zijn lichaam achter en bouwt een dubbel. en duizenden kilometers verder staat plotseling zijn gestalte en handelt. Dat is ook een droomwereld. Geen grootse realiteit misschien voor de doorsneemens, maar toch even werkelijk als alles, wat in de tuin der dromen gebeurt. Werkelijker in feite voor uw innerlijk althans dan uw hele wereld, die u kent en hanteert. Welke wetten zouden wij kunnen verwachten in die droomtuin? In die tuin, waarin de tijd dol is geworden en soms begin en einde stuivertje wisselen en de tussenliggende momenten op de meest fantastische manier een stapeltoren bouwen, waarin je geen rangorde meer erkent? Wat is die werkelijkheid? God leeft in alle dingen, dat weten wij. God is de wet in alle dingen. In God is alles gefixeerd. Elke wet vloeit uit dit feit voort. De tijd, die in de droomtuin zo vreemd door elkaar wordt geworpen als een bouwwerk uit een blokkendoos, door een kinderhand wreed omgegooid, is in feite een vaste reeks van bestanddelen, belevingsmomenten, die God al heeft vastgelegd in het eerste ogenblik. Belangrijk voor ons zeker in de esoterie is het begrip. Uiterlijk zijn wij onderworpen aan tijd, innerlijk kennen wij geen tijd. Want God heeft de schepping gemaakt, niet als een reeks van verschillende werelden, maar als een geheel. De kosmos mag vergeleken worden bij een melodie, uit veel verschillende akkoorden en noten opgebouwd, misschien door het samenklinken van verschillende instrumenten tot stand gebracht, maar de kosmos is één. En zo zijn alle werelden één. Ook al leven wij in een enkele wereld, alle werelden leven in ons en wij zijn onmiddellijk verbonden met alle werelden, of wij willen of niet. Realiseer je dat laatste, Je kunt dus contact opnemen met elke wereld en je kunt elke wereld in jezelf beseffen en geopenbaard zien. In God bestaat er geen eenzijdigheid en ook geen onevenwichtigheid. God is het alomvattende, het volmaakt evenwichtige. Voor ons is evenwicht de noodzaak. Elke handeling, elke daad verstoort normalerwijze iets van dat evenwicht. Wanneer wij echter juist bewust zijn van onze innerlijke kracht, zullen onze belevingen in de droomtuin, onze belevingen in die DE TUIN DER DROMEN 119

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen vreemde wereld van gedachten (een chimaera) compenseren wat wij op aarde eventueel misdeden. En zo herstellen wij het evenwicht. Onszelf te kennen is niet gemakkelijk. De weg naar zelfkennis is voor de mens misschien wel de moeilijkste, die er bestaat. Maar hij heeft dit hulpmiddel, hij heeft deze voortdurende in hem werkende impuls, die hem althans geestelijk voortdurend nieuw evenwicht schenkt, die hem opnieuw een balans geeft in het tijdloze. En daarom droom je. Er zijn vele soorten van dromen, die de mens werkelijkheid pleegt te noemen. Een mens droomt misschien van het esoterisch geheim, ergens in een vreemde bibliotheek weggeborgen in prehistorische boeken. De mens droomt van dat geheime wapen, waarmee hij plotseling het goddelijk woord, de goddelijke naam zelve leert kennen en wordt tot schepper i.p.v. tot schepsel alleen. En hij droomt waarheid. Maar hij droomt iets, wat in zijn wereld niet past. Het magisch ritueel van een kerk, van een genootschap, kan tot waanzin worden in de ogen van een onbevooroordeeld beschouwer, die niet in dezelfde droom gevangen is. Laat ons dat niet vergeten. Onze zelfkennis moet dus in de eerste plaats wel praktisch zijn. We moeten begrijpen, dat ons heiligdom voor anderen alleen een plaats van verwondering kan zijn... of zelfs van spot. Wij moeten ook begrijpen, dat elke uiterlijke weergave van een geloof of van een denken, elk ritueel met zijn magische inhoud, met zijn esoterische omschrijving misschien van werkelijkheden, alleen dan kan leven, wanneer het in ons leeft. Datgene, wat wij zoeken, zijn wij. Niet datgene wat wij doen. Dat is een fout, die men vaak maakt. Er wordt wel eens gezegd:"Je daden zeggen mij, wie je bent." Maar dat is niet waar. Hoe vaak wordt een daad niet gesteld zonder een juist bewustzijn, zonder een juist begrip, zonder een juist denken. Neen, de intentie, de bedoeling, de innerlijke waardering, die de aanleiding is tot de daadstelling, enz,dat is ons wezen. En vraag je dan af: Wat wil ik eigenlijk? Wat droom ik? Waar ligt die lichte en zonnige wereld, waarin ik almachtig ben? Of: Waar ligt dat labyrint, waarin ik steeds weer geen uitweg vind, omdat ik altijd links wil gaan als ik rechts moet gaan en omgekeerd. Vraag je af: Wat leeft er in mij? En gebruik dit als de basis van een esoterische ontwikkeling. De basis, want meer is het niet. Menigeen meent dat hij zijn geestelijke en esoterische ontwikkeling kan volbrengen door alleen te komen tot een zelfrealisatie. En dat is niet waar. Werkelijke esoterie wil betekenen: de kosmische samenhang beseffen. D.w.z.: doordringen niet alleen in je eigen wezen maar in elke band, die dit wezen bindt met het totaal van de schepping. Esoterie wil niet alleen zeggen: de goddelijke en kosmische wetten voor jezelf ontraadselen en met een zekere welgedaanheid neerzien op al datgene, wat je nu dan toch al hebt geleerd en bereikt. Esoterie is en blijft altijd: beleven. Anders is het niet. En van dat beleven is de persoonlijkheid alleen de basis, het fundament. Misschien noemt men mij nu op het ogenblik pessimist, omdat ik hier durf te stellen, dat de meesten de basis, het fundament van hun geestelijk werk, nog niet eens hebben kunnen voltooien. Dan zegt men: "Nu ja, maar zijn wij dan allemaal nog zulke beginners, zulke arme onmachtige mensen?" Een foutieve instelling. Als je gaat bouwen, moet er eerst een bouwput gemaakt worden. Dat zijn de beelden, die je in de droomtuin soms nog terugvindt als je een ver verleden ontmoet. Dan zien wij de, scherp gekraagde hagedissen uit een oertijdperk, vechtend en spelend met de geheimzinnige alligatorkoppen in slangennekken gestoken, die uit het water opduiken. Dan zien wij de varenboom die wanneer het zaad rijp is en uitschiet, wanneer de sporen worden geworpen tot een giftige vloek wordt, die alle leven verdrijft. Dan zien wij de eerste dieren. Dan zien wij plotseling de voorvaderen van thans zo verschillende wezens als het paard en de rinoceros: en je ziet dat ze gelijk zijn, dat ze uit een bron stammen. Dan vraag je je af: Hoe kon dit alles gebeuren? En als je goed ziet, dan zie je ook in die tuin der dromen, hoe over die oerwereld een lichte hevel hangt. Een nevel, waarin gestalten zich aftekenen eerder als een leegte dan als een stoffelijk wezen. En je ziet hoe gedachten uit gaan, hoe met moeite wordt gezocht naar de juiste weg om uitdrukking te geven aan de behoefte tot.bewustzijn, die in elke ziel leeft. In zo’n droomwereld begrijp je dan, dat het miljoenen jaren heeft geduurd, vele miljoenen, voordat het huidig wezen "mens" de aarde kon betreden. En wanneer het je gegeven wordt 120 DE TUIN DER DROMEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen om verder terug te zien, terug te zien in die vreemde ruimte, totdat het lijkt of de sterren als een hagelstorm op je afkomen, dan vindt je ergens de nevelvlek en je ziet het eerste vaag bewustzijn tastend zoeken naar een uitdrukking, een uitdrukking van persoonlijkheid in bestaan. En dan besef je: Ongetelde miljoenen jaren zijn er verlopen vanaf het ogenblik, dat ik begon te zijn tot het ogenblik van nu, dat ik kan zeggen: "ik ben: dit ben ik." Verbaast het u dan, dat de doorsneemens alleen maar een fundament kan leggen? Dat hij alleen maar in grove omtrekken iets van zichzelf kan constateren? Het is al heel veel, wanneer een mens kan zeggen: "Ik weet iets van mijzelf af, ik ken mijzelf, ik bedrieg mijzelf niet."En meer is het, wanneer een mens kan zeggen: "Ik ben eerlijk. Ik weet wat mijn weg is en ik zal die weggaan, omdat het mijn weg is." Dat is al heel veel. Gevormde materie, een gevormde geest, een gevormd beeld, een vastgestelde relatie met God, vrienden. In de tuin der dromen kun je die dingen soms vinden. En kijk dan die hele geschiedenis eens na, die hele historie en probeer je te realiseren wat er gebeurt. Zie hoe de eerste mensen elkander doden en uitroeien. Zie hoe de laatste overgeblevenen voortbestaan en nieuwe beschavingen opbouwen. Realiseer u hoe ramp na ramp over de wereld is getrokken, soms door mensen veroorzaakt als een zondvloed, soms door het vreemd ingrijpen van kosmische krachten, die ge als een vage schim van licht daar ergens boven de aarde ziet zweven. En zie hoe steeds weer enkelen bleven en uit de enkelen een groter en een beter voertuig werd opgebouwd. Kijk naar uw eigen tijd. Want in uw wereld van dromen liggen het oude Rome en het oude Griekenland vlak naast de moderne stad. En besef dat de verschillen, die daartussen liggen, alleen maar verschillen van vorm zijn. Dat 2000 jaren maar heel weinig veranderd hebben in de mens, in de mensheid. En vanuit dat besef wij mensen, wij geest en in de stof staan aan het begin. kunt ge dan uw esoterisch streven aanvangen. Een kind, dat naar de maan grijpt, vertedert ons en doet ons glimlachen maar gelijktijdig hoofdschuddend verklaren, dat dit onmogelijk is. Een mens die onmiddellijk uitgrijpt naar het grootkosmisch geheim, een mens, die esoterisch wil doordringen in zichzelf en God Zelve daarin ontmoeten zonder meer, vraagt precies hetzelfde. Hij grijpt naar de maan. Om zover te komen, dat er eenheid is met de goddelijke Kracht, zult u heel wat meer moeten zijn dan alleen maar mens. Beperk u dus en bepaal u tot hetgeen uzelf kunt doen. Bepaal u tot datgene, wat voor u werkelijkheid is. En als dat tevens iets is van magie, iets van een ongeziene wereld, die zich vermengt met de uwe, iets van het vrijheidsbegrip van de geest overgebracht in de stof, zoveel te beter. Nu wil ik toch graag mijn betoog voortzetten over iets anders dan alleen maar de tuin der dromen. Want dit is eigenlijk maar een inleiding. Het wordt tijd dat we eens aan de slag gaan en naast al dat mooie, al dat spel van woorden en beelden, ook even op wat de Duitser noemt "tatsachen" terecht komen. Elke weg van bewustwording wordt bepaald door keuze. Iedere mens doet een eigen keuze. Die keuze geschiedt niet op het ogenblik, dat je nu ja, op aarde bent. Dat gebeurt al voordien. Er zijn n.l. vele werelden, die je kunt kiezen. Soms kies je het rode leven. Wanneer je het rode leven kiest, moet je de gang van hartstochten spelen, van begeerten, van voortdurend: spel met al datgene, wat emotioneel maar verwerkbaar is. Je kunt niet anders. En als je dat terzijde zet, kom je niet verder. Soms kies je een weg van weten. Zoek dan niet naar een geloof of naar een kerk. Zoek naar wetenschap, zo goed als je kunt, Tracht te begrijpen, tracht te verwerken. Dat alleen kan je verder brengen. Soms is men geneigd alleen te geloven, Geloof is goed, wanneer het je weg is, wanneer die werkelijkheid zo groot voor je is, dat je er alles aan kunt opofferen. Maar er zijn duizenden wegen. Ik noem er maar enkele. Maar een ding is zeker: zoals u hier tezamen bent, hebt u een eigen weg en gaat u een eigen weg. Uw gedachten, uw methoden van werken en denken hebben een bepaalde inslag, hebben een bepaalde inhoud. Schrijf dit dan als eerste punt op voor de erkenning van uw wezen: Wat is mijn gedachteleven? Houd ik mij voortdurend bezig met hogere wijsheid? Filosofeer ik maar wat al te gezellig door en probeer ik daarnaast feitenmateriaal te verwerken? Is misschien mijn gedachteleven een voortdurend geroezemoes van hartstocht? Denk er over na. Wat is de basis? Wat bent u op het ogenblik? Wanneer u dat weet, dan weet u ook welke weg u gekozen heeft. En kent u de weg, die u gekozen hebt, dan zult u ook weten hoe u verder kunt DE TUIN DER DROMEN 121

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen handelen. Want elke weg ter bewustwording bestaat uit twee delen voor de mens. De eerste is de innerlijke realisatie van een noodzaak: de tweede is de stoffelijke verwerkelijking daarvan, ongeacht de consequenties. Je kunt niet zoetelijk zeggen: "Nu ja, dat is wel een heel mooie gedacht, en het daarbij laten. Dat is een verraad aan jezelf. Wanneer je leven kunt in zo’n denkbeeld, in zo’n gedachte, dan moet je het in de praktijk brengen. Wanneer je het in de praktijk brengt, moet je die beleving niet nemen alleen maar als een genieting, als een vaagheid. Je moet het proberen te maken tot iets wat actief is, dus waaruit lering komt, waardoor je jezelf beter leert kennen en gelijktijdig je wereld beter beheersen. Als je ook dat begint te doen, gaat de weg naar het "ik" verder. Want dit is nog geen zelfkennis. Om jezelf te kennen moet je jezelf kunnen omschrijven. Kijk maar naar een klein kind, dat speelt. Hoe zit het niet vol verwondering aan zijn voet te trekken en met hoeveel verbazing proeft het niet van zijn eigen tenen. Hoe zit het niet met enige verwondering zijn handjes te bekijken en probeert het toch steeds weer eigenlijk uit te rekenen of dat nu "ik" is of iets anders. Dat doet zelfs een klein mensenkind nog. Zoudt u geestelijk minder mogen doen? Is het niet noodzakelijk, dat u begrijpt wat uw werktuigen zijn en uw zintuigen? U hebt n.l. geestelijke zintuigen zo goed als u geestelijke werktuigen hebt. Bent u meester over uw gedachten? Kunt u uw gedachten scherp formuleren, zo dat ze praktisch te verwerkelijken zijn? Dan is uw element niet alleen stoffelijk redelijk. Dan heeft u ook geestelijk een redelijk element. Dan bent u een erkenner van verhoudingen. En dan moet uw zoeken naar God in uzelf gebaseerd zijn op het zoeken naar de innerlijke verhoudingen met God. Niet het zien van God, niet het beleven van God, maar het erkennen van een relatie, waarop u durft bouwen. Of is het misschien anders bij u? Is het bij u eerder zo, dat u iets intuïtief aanvoelt? Dat u onbewust eigenlijk iets weet en daarnaar handelt, zonder verder te vragen? In dat geval moet u zoeken naar licht. Want in uzelf leeft iets van dat licht en daarop baseert u zich, bewust of onbewust. Dan moet u uw geestelijk wezen en uw geestelijke kracht trachten daarop in te stellen. Dan zult u leren te begrijpen, wat u bent. Dan zult u ook leren te begrijpen, hoe u krachtens deze inhoud de wereld kan hanteren. Zoals de logische mens door zijn uitvindingen, zijn originele gedachten, zijn herbeleven a.h.w. van wat God reeds als wet heeft vastgelegd, kan komen tot een technisch meesterschap over de wereld, zó zal de intuïtieve mens door zijn aanvoelen kunnen komen tot de magische beheersing van de wereld. Hij zendt zijn gedachten uit en ze werken op mensen, dieren en dingen. Hij schept zich een illusie en maakt ze tot een concrete werkelijkheid, tot er voor hem geen verschil bestaat. Of misschien. er zijn alle soorten mensen misschien bent u alleen altijd maar onzeker. Dat komt ook voor. Als u altijd onzeker bent, dan bent u eigenlijk maar zeker van één ding: van uw eigen onvolmaaktheid. In een dergelijk geval wordt het tijd om uit te grijpen naar andere krachten, die dat "ik" suppleren. Dan grijpt u uit naar God of naar een Meester of naar wat anders. Dan is samenwerking voor u de noodzaak en zult u nooit tot een zelferkenning komen, wanneer u alleen aan uzelve werkt. U kunt dit slechts door anderen. En zo is er voor iedereen weer een weg te geven. Maar als je nu zo leeft en zo werkt, wat kan er dan gebeuren? Misschien heeft u wel eens zo’n stem in u gevoeld. Ik zeg "gevoeld", want horen doe je ze eigenlijk niet, Een stem, die plotseling commentarieert op de soms meest vreemde wijze. Midden in de diepe tragiek van je eigen leven en beleven, hoor je ineens een stem fluisteren: domoor! Of wat ruwer: stommeling, aansteller, aanstelster. Wanneer u dat wel eens hebt meegemaakt, dan weet u, dat er een relatie bestaat tussen twee vlakken. Dit is niet alleen het ingrijpen van de geest het is ook het ingrijpen van uw eigen wezen, dat op een hoger vlak werkt, Als u ooit zo’n stem hoort ook al is ze nog zo vaag besef dan, dat u twee werelden gelijk kent en dat u in twee werelden een taak hebt. Op deze manier zult u leren twee aparte delen van uw wezen te zien. U zult zeggen: Esoterie is een raar vak. Want wij hebben dat nu tijden lang gedoceerd. En nu zoeken wij eigenlijk naar een oplossing, nietwaar? Die oplossing is deze: In de tuin der dromen ligt de werkelijkheid voor u klaar als een tweede werkelijkheid buiten uw eigen wereld. Al wat u bent, al wat u zult zijn, wat u geweest bent, bestaat daar. Al die regels, die ik heb opgesomd, worden daar a.h.w. aan den lijve ervaren en ondervonden. Leer dus meer te 122 DE TUIN DER DROMEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen dromen. Een vreemde raad. Toch is het waar. Leer meer te dromen. Want als u droomt, zult u uzelf rationaliseren. Niet stoffelijk bewust of redelijk bewust, maar magisch bewust, geestelijk bewust. U zult zo uit uw dromen de kracht putten om te leven op de wijze, die voor uw wezen noodzakelijk is. En uit deze noodzaak, vrienden, put u dan zelfkennis. Esoterie is geen verstandelijke weg. Daarin vergist men zich wel eens. Esoterie is de innerlijke weg, die alleen vanuit het geestelijk deel van het eigen wezen volledig duidelijk en kenbaar kan worden en die alleen van daaruit beleefd kan worden in de stof. Niet omgekeerd. Ontwikkel uw geest, durf te dromen. Maar durf ook uw dromen om te zetten in werkelijkheid, opdat uw eigen wereld deel heeft aan dit voortdurend nauwer omschrijven van uw eigen wezen. Gebruik de krachten, die de droomwereld u geeft, ook in de stof met volle overtuiging, met vol vertrouwen. Ge zult leren, dat schijnbare onzin soms wonderdadige, betekenis heeft. Dan wordt het zoiets als het taaltje van Alice in Wonderland. It was……. (onverstaanbaar) Woorden zonder betekenis en toch een geheimzinnig ritme van een andere wereld. Het schijnbaar onzinnige heeft zin, wanneer je het begrijpt. Het begrip komt uit de geest. Wanneer de geest dit begrip schept in de mens, dan zal hij juist door de handeling, die schijnbaar onredelijk is, door zijn daadstelling, die consequent is alleen voor hemzelf, kunnen komen tot een steeds nauwer en bewuster omschrijven van zijn eigen wezen en zo een verder doordringen in het geheim ervan. Dat, vrienden, is voor vandaag mijn betoog. De volgende spreker zal ook graag nog voor de pauze zich tot u wenden, tenzij u daartegen bezwaar heeft. Gaat u daarmede akkoord? Dan dank ik u voor uw aandacht en wens u verder een zeer aangename en gezegende avond toe. o-o-o-o-o Goedenavond vrienden. Wanneer er wordt gesproken over de magie, dan denken heel veel mensen alleen maar aan een tovenarijtje. Maar eigenlijk is de magie een deel van het bewuste geestelijke spel van de mens en ik mag dus ook wel in deze omgeving en in deze sfeer hier iets vertellen over:

MAGISCHE WETTEN EN MAGISCHE KRACHTEN

Elke gedachte is een kracht, die op drie niveaus werkzaam is. Het eerste niveau is het onmiddellijk stoffelijke, het tweede niveau het astrale, het derde het hoogst geestelijke niveau, dat het individu bereikt heeft. Op alle drie niveaus wordt een reactie gewekt. En elke reactie op zichzelf betekent een bepaalde verbinding met het lot van deze mens en het vastgestelde systeem van de kosmos. Degene, die weet, hoe hij zijn gedachten moet richten, zal juist uit het bewust richten van de gedachte zo mogelijk in samenwerking met anderen kunnen komen tot de juiste conclusies het ontvangen van de openbaring. Bij sommigen van de kabbalisten was een samenkomen met een quorum van 9 gebruikelijk voor hun meditaties, voor gebed. In deze meditaties en gebed werden hun krachten geconcentreerd en werd dan van hen tot de Weergever van deze gedachte. Dit gebeurde in wat u noemt "trancé”. Maar in deze trance sprak niet alleen de stem van een overgegane. In deze trance werd het brandpunt van een geestelijk beleven geprojecteerd in de stoffelijke wereld door woorden, aan vele sferen en werelden gelijktijdig ontleend. En op deze manier kan de gedachte werken. Ook voor u, ook voor elk wezen, dat het vermogen heeft om langere tijd geconcentreerd een onderwerp te beschouwen. De basis van de magie is concentratie en contemplatie. Geen meditatie. Want concentratie van het wezen betekent het bundelen van elke geestelijke en stoffelijke kracht in het denkvermogen. De contemplatie betekent het beschouwen van een onderwerp, tot men doordringt in het wezen ervan. Door de geconcentreerde contemplatie van een bepaald voorwerp, een bepaald systeem of een bepaald gebeuren kan de magiër een directe invloed uit DE TUIN DER DROMEN 123

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen zijn gedachteleven uitoefenen en daardoor zijn denkbeelden ten dele of geheel verwerkelijken in de stof. Dan bestaat er een tweede vorm van magie of beter gezegd naamsmagie. Er zullen er wel een paar zijn, die die term al eens eerder gehoord hebben. Want elk mens heeft een naam, u ook. Maar buiten de naam, die u gegeven is bij de geboorte, heeft u ook nog een werkelijke naam, de z.g. godsnaam. D.w.z. de omschrijving van uw functie in het direct Goddelijke. Niet ieder mens, niet iedere geest zal die naam leren kennen. Het duurt soms onnoemelijk lang, voor u die naam beseft. Maar kent u uw eigen naam, dan hebt u daarmee een direct contact met het Goddelijke, zo goed als u door het kennen van de ware naam van een demon of djin, de ware naam van een duivel of van een magiër, invloed op diens wezen kunt uitoefenen en hem vaak kunt dwingen uw wil te volgen. Maar kent ge de Godsnaam in uzelf, dan kunt ge trekken op de goddelijke Kracht. En het geeft niet hoe groot u de wissel maakt, hij wordt altijd gehonoreerd. Het is dus belangrijk, dat u niet alleen weet wat u doet, wie u bent, maar ook dat u weet, hoe u heet. Nu zult u zeggen: "Ja, maar ik weet het toch niet, het is mij nooit gezegd". Dat kan niemand u zeggen. Dat ontdekt u in uzelf. Vroeger zeiden ze wel eens, dat een mens door lange meditatie letter na letter en fase na fase het scheppend woord, het woord dat was op de eerste dag der schepping, kan horen. Maar in feite hoor je je werkelijke eigen naam, je eigen relatie met het Goddelijke. En daarom is dat woord alleen voor jou een machtwoord en verliest het bij mededeling aan anderen zijn waarde. Zo geldt ook in de magie en het is wel haast even belangrijk als het voorgaande de wet van de z.g. sympathische werkingen. Die zegt: Wanneer hier een kracht is, die gelijk is met deze kracht, zullen beide krachten tezamen elkaar wederkerig zo volledig beïnvloeden, dat zij elkanders spiegelbeeld blijven. Om een voorbeeld te nemen: Je zult hier een boom hebben en daar een boom. Neem je een mes en snij je hier een tak af, dan breekt daar een tak af. Of wel, de tak groeit weer aan tot hij identiek is aan deze boom. Maar zeer snel. Zij blijven identiek, omdat ze uit elkaar kracht putten. Men weet, dat dit zelden voorkomt op aarde in de plantenwereld. Maar dat komt, omdat de planten over het algemeen lager ontwikkeld zijn dan mensen. Bij mensen bestaat het wel dat er twee mensen op hetzelfde ogenblik worden geboren, dat ze hetzelfde leven doormaken, maar ook dat ze in gevoel de reacties ondergaan van elkaars belevingen en dat ze zich daaraan aanpassen. Dat het huwelijk van de een de aanleiding wordt. tot het huwelijk van de ander of omgekeerd. Dat de gedachte van de een aan mislukking de ander mismoedigheid bezorgt. Deze sympathische werkingen berusten op het kennen van de persoon hetzij geestelijk, hetzij stoffelijk. Wanneer wij te maken hebben met personen in de eigen wereld, acto, dan krijgen we zo’n beetje de tovenarij van de voodoo, we krijgen te maken met al die geheimzinnige poppetjes, waar je pijlen inschiet, naalden insteekt, spijkers inslaat, enz. Een onbetekenende magie, die soms werkt, omdat de mens zijn gedachten erop concentreert. Maar wij hebben behalve dergelijke sympathische werkingen ook nog wat anders. Je bent geboren in een bepaalde sfeer. In die sfeer heb je een vaste meester, je hebt een leider, je hebt een helper. Je geestelijke wezen blijft daarop afgesteld. Elke werking, die van die helper, van de kracht, die daar de stimulans was voor je bestaan, hier op aarde uitgaat buiten jezelf, is een volmaakte sympathie. Er is een wisselwerking, er is een voortdurend contact. Dat is een contact, dat je stoffelijk kunt uitdrukken, en misschien zie je elkaar nooit. Dat is heel verschillend. Maar zeker is, dat de geestelijke beleving van de een, die behoort bij een meester en de ander,die behoort bij een meester altijd een wederkerige beïnvloeding is. Dat de gedachte van a overgaat naar b, en van b overgaat naar a. Dat ze elkaar helpen, bewust of onbewust. Deze wetten van sympathie kunnen wij gebruiken voor onszelf. We weten niet wie de helpers zijn. Wij weten misschien niet, wie onze meester of wat onze sfeer is. Maar we weten wel, dat het praktisch zeker is, dat er een aantal mensen en een aantal geesten zijn, die met ons verbonden zijn door deze gelijkheid van ideeën en van streven.

124

DE TUIN DER DROMEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen Wanneer wij nu hulp nodig hebben, dan moeten wij denken aan deze krachten, die ons binden met het Al. Dan krijgen wij daaruit ons vermogen. Wanneer wij dat heel mooi willen doen, dan doen wij dat door b.v. een paar magische tekentjes neer te schrijven. Wij doen het door een reukwerk te verbranden. We doen het misschien door bepaalde spijzen te eten of ons van bepaalde spijzen te onthouden. Maar al deze dingen, al deze sympathische werkingen daar kom ik maar op terecht die kunnen wij vanuit onszelf stimuleren, ongeacht op welke wijze. Willen wij b.v. (ik noem maar wat) een mens genezen, dan moeten wij toch te maken hebben met gezondheid en met geneeskracht, nietwaar? Dan denken wij aan al degenen, die met ons in verbinding staan en die datzelfde deel hebben. En wij nemen hun kracht, zoals wij onze kracht vrijelijk aan hen geven. Voelen wij ons vereenzaamd en niet meer verbonden met die kracht, ach, dan zullen wij een daad moeten stellen van eenwording. Die kan heel erg stoffelijk zijn of die kan geestelijk zijn. Het kan liggen in het bezoeken van een lezing of het maken van een visite. Dat maakt heel weinig uit. Maar je moet op een ogenblik de eenzaamheid verbreken, het isolement verbreken, je moet het contact met de mensen, met de wereld opnemen. Dan heb je meteen het contact met al die anderen, die bij je horen. Zo kun je zeggen, dat elke mens in feite ongeveer 100 x de kracht heeft, die hij gebruikt, maar die kracht zelden put uit de kosmos, omdat hij niet beseft hoe hij verbonden is met anderen. Dan is er nog een heel simpele magische wet. Misschien wel de aardigste magische wet, die er bestaat. De volksmond drukt het wel eens heel onaardig uit: die zegt: "De duvel schijt alleen maar op een grote hoop". Dit kan natuurlijk heel goed waar zijn. Maar het is zo, dat datgene, wat wij voor onszelf verwerven en waarderen, zichzelve vermeerdert, zolang ons pogen gelijk blijft. Denk daar eens over na. Als je een punt van geestelijk weten en bereiken zeker hebt, dan breidt dat vermogen zich uit, als je het maar accepteert. Als je een gedachte van wijsheid hebt en je houdt die vast, je waardeert die, dan vloeit daaruit een heel begrip voort, dat een veel groter gebied kan omvatten. En dan kom je vanzelf toch weer op de esoterie terecht. Want als er één probleem is in jezelf, dat je dan niet kunt oplossen en je blijft daarover nadenken, dan kom je tot een steeds grotere verwarring. Maar wanneer je het probleem constateert en elke oplossing, die daarvan mogelijk is, voor jezelf overdenkt dan krijg je uit al die anderen de medewerking, waardoor die beelden worden omgezet. Dan worden ze gecorrigeerd door de invloed van soms grootgeestelijke krachten of laaggeestelijke krachten, waarmee je harmonisch bent, waarmee je verbonden bent. Deze correcties lijken jezelf dan misschien tamelijk dom. En dan zeg je: " Na, hoe kom ik zo besjokke vandaag”: Maar als je je goed realiseert wat er gaande is, werkelijk goed, dan zeg je: Hé, ik heb een andere zienswijze gevonden. Ik beschouw hetzelfde probleem vanuit een ander standpunt en daardoor kan ik mijn probleem "beter definiëren. Hoe beter ik mijn probleem definieer, hoe gemakkelijker ik een oplossing vind. Hoe vager mijn probleem blijft, hoe onoplosbaarder. In de esoterie wil ik uiteindelijk het raadsel van mijzelf oplossen, maar dat kan ik niet doen door steeds aan mijzelf te denken. Dat moet ik doen door mij steeds te richten op wat anders, op wat groters, op wat beters. Dat grotere en dat betere, kijk, dat kun je nu alleen vinden, wanneer je zoekt naar al datgene, wat je van God kunt definiëren. Wat je kunt definiëren van God is een kracht. Deze kracht is niet alleen een openbaring in jezelf (dus een bewustwording), maar het is een vergroting van vermogen. Niet alleen vermogen tot spreken, tot genezen of tot handelen. Het is een vermogen, dat zich openbaart op elk terrein. Of dat nu een kwestie wordt van spijsvertering of het beheersen van engelen, dat blijft precies hetzelfde. En dan heb ik nog een puntje en dan zijn wij er voor vandaag. Het is dit: Die sympathische magie, waarover ik het had, kent nog een bijzondere definitie. En dat is deze: Naarmate ik persoonlijk een grotere eenheid met de wereld bereik door mijn eigen streven, breidt zich het gebied uit waaruit ik putten kan voor die wereld, maar ook voor mijzelf. Zolang ik niet slechts voor mijzelf maar voor de wereld zoek, zal al hetgeen ik voor de wereld bereik in mijzelf verveelvoudigd zijn, omdat het overal waar het in de wereld ontstaat, door mij weerkaatst ontvangen wordt. Dus wanneer u nu op een gegeven ogenblik heel erg krap in de centen zit, dan geeft u een fooitje of u geeft een stuiver aan een bedelaar, het geeft niet wat. Dat doet u een paar keer. U hebt dan een paar keer het idee van ontvangen gewekt, en die reflex van het DE TUIN DER DROMEN 125

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen ontvangen maakt u tot ontvangende. Wanneer u zegt: "Het zit mij nu zo hoog, iedereen loopt aan mij voorbij, niemand kijkt naar mij", dan gaat u naar iemand kijken. Kijk eens naar een paar aardige kinderen, zo hier en daar. Help een oud mens eens een keer om de weg over te steken. Bewijs je buurvrouw een dienst, ook al zegt ze geen "dank je” Dan heb je daardoor contact gelegd. En zo zal je dezelfde aandacht, die je gegeven hebt, terugkrijgen. Maar onthoud één ding’: Je mag nooit stipuleren hoe je het terugkrijgt. Want als je gaat zeggen: "Ik geef die bedelaar 5 centen om zo dadelijk een zoet winstje van 95 ct. in mijn handpalm te hebben", dan gaat het niet door. Het wordt u misschien niet gegeven in geld, maar misschien in een gratis maaltijd, die u ergens krijgt. Maar je krijgt het terug. Als de rente? Ja, het is een hoge interest. Wat dat betreft zou je mogen willen, dat je je geld kon uitzetten op dezelfde rentevoet. Dan zou je voor je hele leven geborgen zijn. Maar luister nu nog even. Wanneer je nu ditzelfde eens wilt toepassen op geestelijk terrein, dan moet je dit onthouden: Waar je kunt en waar het gewenst wordt moet je proberen anderen te helpen, te steunen en te leren, hun iets bijbrengen. Naarmate je anderen meer leert, leer je zelf meer. Naarmate je anderen helpt tot een gelukkiger leven, vind je in jezelve een juistere weergave van de kosmische harmonie, waarin het geluk ligt. Zo weerkaatst de wereld in veelvoud al datgene, wat je aan de wereld doet, in jezelf. En dan wordt het misschien niet zo tastbaar uitgedrukt, dat je het in je portemonnee of in je portefeuille telt, het wordt niet zo tastbaar uitgedrukt dat je het kunt opeten of dat je het kunt weggeven, maar het is er en het blijft in jezelf. Niet in verband met anderen of in gemeenschap of in verbond moet je die dingen doen. Alleen zelf. Uit de gedachte, die je draagt: In de wereld geven wat je geven kunt aan wijsheid, aan genegenheid noem het maar op alles: wat je begeerlijk lijkt het komt terug in jezelf. Maar niet. Meer als een stoffelijk iets. Wat alleen buiten je staat, maar vooral als een geestelijke kracht, die in je werkt. Een kracht, waardoor je bewuster wordt van jezelf, waardoor je leert meer te zijn voor de wereld en zo uit de wereld een nog groter begrip omtrent jezelf en ge Schepper te ontvangen. Dit zijn een paar kleine, haast onbelangrijke puntjes over de magie. Een andere keer gaan we er misschien wel weer eens op door. Maar voor vandaag zullen we zeggen: Het is genoeg. Vrienden, ik wens u allemaal een aangename pauze toe. o-o-o-o-o Goedenavond, vrienden. In dit tweede gedeelte wil ik een onderwerp behandelen naar eigen keuze. Hebt u een onderwerp? Mag ik iets vragen? De eerste spreker heeft het gehad over verschillende wegen, die wij moesten zoeken in onszelf. Onzekerheid, geloof, hartstocht, enz. Maar een andere keer is er ook gesproken over de bepaalde wegen, als de weg van onthechting, de weg van de daad, van de daadloosheid, enz. Ligt dit in een vlak of is dit iets anders? Dit ligt wel degelijk in een vlak. Wanneer wij dus spreken over:

DE POORT, WAARDOOR JE HET LEVEN INGAAT

(daarover gaat het eigenlijk in dit geval), dan betekent dit, dat je een bepaalde reeks van ervaringen hebt gekozen. Maar als je de weg gaat van begeerte, moet je automatisch ter verlossing de weg der onthechting volgen. En kies je de weg van de wetenschap, dan moet je automatisch via de wetenschap komen tot de aanvaarding en het geloof. Dat kan niet anders. In het ene geval wordt er dus gesproken over de weg, die uiteindelijk leidt tot absolute bewustwording. In het andere geval wordt er gesproken over de weg, die je gaat op dit 126 DE TUIN DER DROMEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen ogenblik. En dan kan ik wel zeggen: Mijn waarde vriend, je gaat vandaag naar de Suez-kade toe. Maar als je nu toevallig naar de Middelburgse straat moet, dan moet je dus een andere kant uitrijden. En dan kunnen we zeggen: Je moet de weg naar de Middelburgse straat volgen. Maar dat is niet juist, wanneer je dat tussenstation nog hebt op de Suez-kade. Nu is het zo: U komt uit de geest. Vanuit de geest incarneert u in de stof. Bij die incarnatie speelt een zekere keuze dus een rol: dat hebt u al vaak gehoord. Maar de wijze van die keuze is weer afhankelijk van de weg, die u kiest. En nu gaat de een zeggen: Ik wil weten. De ander zegt: Ik wil beleven. Degene, die wil beleven, gaat waarschijnlijk de weg van hartstocht, Degene die wil weten, gaat waarschijnlijk de weg der wetenschap. Dat is dus aannemelijk. En zo zijn er veel andere wegen. Maar degenen, die de weg van de wetenschap gaan, die komen tot het geloof en zo tot de aanvaarding. Dus zij komen wel op dat punt terecht, maar de rechte lijn bestaat niet. Je kunt het eigenlijk het beste zo zeggen (het staat n.l. in verband met reïncarnatie): De mens, die gaat reïncarneren is iemand, die naar een doel moet, dat waarschijnlijk vlak aan de overkant van het water ligt. Maar er is geen brug en daarom moet hij eerst een eind omlopen om de brug te vinden en vandaar keert hij terug. Dat is toch duidelijk? N.a.v. hetgeen er een vorig maal gezegd is, ben ik tot een zinsnede gekomen bij de behandeling van Job, n.l. dat Job weer kinderen kreeg. Nu is er ook gezegd over Job sprekende en over het verlies van zijn kinderen: Het ging hier niet om de persoonlijke binding, die Job had aan zijn familie. Die persoonlijke binding kan door het geloof en het vertrouwen worden opgeheven en de band, die geestelijk bestaat, wordt niet verbroken. Dat is mij niet helemaal duidelijk. Je hebt een heleboel mensen, die wanneer zij kinderen hebben het leven van die kinderen helemaal willen regeren. De jongere moet precies doen wat ik goed vind: en dat meisje mag alleen maar zo gaan en trouwen met degene, die ik daarvoor. enz. enz. Die mensen zeggen, dat zij van hun kinderen houden. Het is ook een soort kinderliefde (of apenliefde hoe je het noemen wilt). Deze mensen hebben dus het idee, dat ze liefde betonen. Maar dat is natuurlijk niet waar. Het is een zekere bezitzucht. Wanneer dus die binding is aan het kind als zodanig (ik moet dat kind zien) dan is dat ook nog zo’n binding. Er zijn van die mensen, die alles best en goed vinden, ze mogen doen en laten wat ze willen, als ze hun eigen weg gaan. Maar pa en ma moeten - al zijn ze reeds 40 jaar getrouwd - regelmatig gaan kijken. Ze moeten die kinderen zien, ze moeten weten hoe het er mee gaat. En dat kan nu worden opgevangen door het geloof en het vertrouwen. Wanneer wij geloven in God, dan hebben wij via God een binding met al het geschapene en zeker met degenen, die God ons als kinderen heeft toevertrouwd. Maar dan hebben wij met die kinderen slechts in zoverre te maken, als het voor ons persoonlijk een zegen is, dat wij die kinderen hebben. Want wij geloven toch wel degelijk, dat God het goede met hen voor heeft? Wij vertrouwen erop, dat wat er met dat kind gebeurt, het beste is. Dan gaat zo’n kind dood. Erg vervelend? Neen, helemaal niet. Want ongetwijfeld heeft God hier het kind de mogelijkheid gegeven om de beste weg te gaan. En dus aanvaard ik dit. Ik vind het voor mezelf erg onplezierig. Maar aanvaard ik dit, dan zeg ik: Dit is goed. En doordat ik dat vertrouwen heb "het is goed", blijft de band voor mij bestaan met dit kind. Die is niet verbroken, want het kind leeft in mij. Nu ja, dan krijg je later andere kinderen en dan ontstaat er weer precies dezelfde band. Maar het mag nooit een verplichtings- of een bezitsband zijn. Op het ogenblik dat wij menen persoonlijk een verplichting te hebben tegenover kinderen, zijn wij fout. Op het ogenblik dat wij menen, dat wij rechten hebben op de kinderen, zijn wij al evenzeer fout. Het gaat hierom, wij hebben alleen de verplichting tegenover het kind dus om het in staat te stellen de wereld in te gaan. Verder hebben wij er niets mee te maken. Of dat kind nu voddenraper wil worden of miljonair, dat gaat ons toch niet aan? Dat is toch voor dat kind? Dat is toch het leven van dat kind? Dat zullen ze je tegenwoordig wel duidelijk maken ook.

DE TUIN DER DROMEN

127

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen Ze proberen het. Maar er zijn veel ouders, die hardleers zijn. En het leuke is, dat degenen, die het u als ouder nu duidelijk maken het later van hun kinderen ook niet zullen begrijpen. De hele kwestie is dit: Wij moeten dus een onthechting kennen, waarbij God in de plaats treedt van onze rechten en onze verplichtingen, zoals menigeen die meent te stellen. En hebben wij die verhouding, dan blijft de band bestaan, maar ze krijgt een heel andere inhoud. De verhouding tussen Jezus en zijn moeder is aan de ene kant een van de meest ideale. Die beiden gaan wel degelijk volledig in elkaar op. Toch, wanneer Jezus zijn werk doet, zegt hij:. Vrouw, wat heb ik met u van doen? Waarmee hij dus alleen te kennen wil geven: Hoor eens even, je bent mijn moeder, geestelijk bestaat die band tussen ons, maar dan mag je daar geen stoffelijke rechten aan vastknopen. Want mijn werk is Gods werk: mijn taak is Gods taak. En dat geldt voor jou precies hetzelfde. In God vinden wij elkaar. Wanneer je het zo bekijkt, dan kun je de conclusie voor Job er ook uit trekken. Anders is het een tamelijk ongezellige kwestie. Stel u voor, u hebt kinderen: en God zegt tegen u: "Ik ga je eens even beproeven. Hup, kinderen dood. Nu behoef je je toch niet te beklagen? Je krijgt toch anderen?" Ik denk niet, dat u er mee akkoord zou gaan. Die hele geschiedenis van Job heb ik ook eens nagelezen bij Blavatsky. Die begint daarover te vertellen dat het een kwestie is van een inwijding. Ik zou zeggen: er is toch niets in het leven, dat geen inwijding is? Daarmee kan ik het niet helemaal eens zijn. Er zijn heel veel dingen die geen inwijding zijn om de doodeenvoudige reden, dat de mens bij de inwijding steeds het nieuwe zowel de nieuwe verplichting en de nieuwe belasting als de nieuwe ontdekking moet verwerken en verdragen. Op het ogenblik, dat wij weigeren het nieuwe te accepteren, omdat wij ons bij het oude houden al leen vanwege de gemakzucht, dan is er van geen inwijding sprake. Dat is toch logisch? Maar het leven confronteert je toch met omstandigheden om te leren? Zeker, maar we moeten ze accepteren. De aanvaarding, het accepteren. Vandaar dat wij Job als een inwijdingsgeschiedenis kunnen zien, omdat bij Job ondanks al zijn treuren en zijn verdriet er toch sprake is van een aanvaarding. Hij aanvaardt Gods wil, hij komt niet in verzet. En dat is hier het bepalende voor de inwijding. Ik heb met Jobs geduld de vragen over Job beantwoord. Volgende punt? De drie begrippens egoïsme, persoonlijkheid, integriteit, zoudt u daarover iets willen zeggen: Ten opzichte van elkaar, bedoel ik. Egoïsme is in feite een volkomen gebrek aan integriteit, waar de persoonlijkheid zichzelve ontkent als bestaande in de wereld en slechts de wereld erkent als bestaande voor zichzelf. Dat is logisch. De persoonlijkheid zelf is de wezensuitdrukking die wel egocentrisch gericht is vanwege haar wijze van beleven en waarnemen (dus men ziet zichzelf, of men wil of niet, toch als een centrum in de wereld, van daaruit komt de bewustwording) maar zij ziet dit mits zij juist is en dus integer in verhouding tot de wereld. Er is een voortdurende wisselwerking tussen persoonlijkheid en wereld. En de persoonlijkheid tracht de wereld te dienen, terwijl ze gelijktijdig uit de wereld alles accepteert. Het zijn twee voorwaarden. Het is niet alleen aan de wereld geven, maar ook van de wereld ontvangen. Deze twee dingen tezamen n.l. maken voor de persoonlijkheid de juiste vorm uit. En wat wij dan integriteit willen noem en, laten wij dat eerder gewoon oprechtheid of eerlijkheid noemen. Karakter? Neen. eigenlijk niet. Wij kunnen het best hier zeggen: oprechtheid. Iemand die integer is, is n.l. iemand die eerlijk is, zuiver. Zichzelf? Zichzelf zou je het ook kunnen noemen. Maar niet ieder, die zichzelf is, is tevens integer. Integendeel. Het is een vorm van oprechtheid, van zuiverheid, van eerlijkheid, uitgedrukt als eigenschap van de persoonlijkheid. En nu kunnen wij daar een hele tijd over gaan filosoferen, maar ik geloof dat wij het. eenvoudigst het heel kort kunnen doen. Als je de persoonlijkheid hebt, dan heeft deze een bepaalde karakteristiek, dus een reeks van eigenschappen. Die reeks van eigenschappen zijn met die persoonlijkheid onverbrekelijk verbonden. Persoonlijkheid zou 128 DE TUIN DER DROMEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen dus eigenlijk kunnen worden gedefinieerd als een combinatie van eigenschappen, die een zeer bijzonder beeld vormen (we kunnen ook zeggen een patroon vormen) te midden van de schepping en daarin eenmalig is. Elke persoonlijkheid is eenmalig in de schepping in haar totale aspect. Ik hoop, dat u het daarmede eens kunt zijn. Wanneer die persoonlijkheid nu egoïstisch wordt, dan verwerpt zij de relatie met de wereld. Maar zij is eenmalig: het is een exclusief iets die persoonlijkheid, onverschillig of zij nu in de stof leeft of in de geest. Zij kan alleen tot haar recht komen en zichzelf openbaren en ontplooien in verbinding met al hetgeen rond haar is. Want de wereld vult de persoonlijkheid aan, zoals de persoonlijkheid nodig is om de wereld haar volmaaktheid te geven. Het gevolg is, dat de persoonlijkheid, die zich door egoïsme afsluit, een steeds kleinere persoonlijkheid wordt, eigenschappen verliest en over het algemeen een onaangename nadruk legt op enkele eigenschappen. Zolang echter de verbinding met de.wereld bestaat en dit niet het geval is, kunnen wij dus gaan spreken over de vraag of de persoon integer is of niet. Iemand die egoïst is kan ook integer zijn, als hij er eerlijk voor uitkomt, dat hij egoïst is. Laat ons dat niet vergeten. Het jammere is dus dat menig egoïst niet integer is, omdat hij zich schaamt toe te geven, dat hij egoïst is. En dat is in feite toch weer een teken van verbetering. Want als je je ergens over schaamt, erken je tenminste, dat het niet goed is. Nu moet men zuiver eerlijk, oprecht zijn. En dat is heel erg moeilijk, omdat onze persoonlijkheid niet beleefd wordt in zijn geheel. Wij kennen misschien onszelf ten dele, maar van datgene, wat wij van onszelf kennen, zijn wij maar bereid een zeer klein gedeelte aan de bultenwereld te tonen. Het gevolg is, dat wij voortdurend met draaierij omgaan, om het zo eens te zeggen. Wij proberen onszelf te vermommen en te verhullen tegenover anderen. Als resultaat zullen onze handelingen.niet in overeenstemming zijn met hetgeen wij voorstellen of voorgeven te zijn. Hierdoor zijn wij dan niet integer en ook niet betrouwbaar. De betrouwbaarheid bestaat pas dan voor de persoonlijkheid wanneer zij zichzelf, zo volledig als zij zichzelf kent, durft geven aan de wereld en in deze wereld voortdurend beantwoordt aan haar eigen kwaliteiten, voor zover zij die zelf kan beseffen. Daar ligt nu de hele kwestie in. Bestaat die laatste situatie, dan zal de persoonlijkheid, doordat ze eerlijk is tegenover de wereld, uit de wereld ook eerlijke reacties terugkrijgen. Je krijgt uit de wereld altijd weerkaatst, wat je uitzendt, Daaraan kun je niets doen. Dan wordt hierdoor dus het eigen beeld voortdurend aangevuld en veranderd. De persoonlijkheid. realiseert.zich beter wie en wat zij is en zal juist daardoor zich beter kunnen aanpassen, niet bij de schijn van een bepaald wereld je of omgevinkje, maar bij het totaal van de kosmos, waarin zij thuishoort. Op het ogenblik dat zij haar juiste plaats heeft gevonden temidden van de kosmos, zal zij de volmaaktheid van die kosmos realiseren en volmaakt in contact staan met het totaal van de kosmos. En dan kent ze ook zichzelf volledig, doordat ze het geheel van haar omgeving beseft. Daar komt het eigenlijk op neer. Wanneer nu iemand weet dat hij bepaalde kwaliteiten bezit die verwerpelijk zijn, dan kun je daarmee toch niet tevoorschijn komen. Je moet juist trachten ze zoveel mogelijk te verbeteren. Je moet natuurlijk trachten ze te verbeteren. Maar dat wil nu niet zeggen, dat je ze dan moet verbergen. Verbeteren en verbergen acht ik niet identiek. Maar neem nu eens aan dat je aanleg hebt voor kleptomanie. Dan loop je daarmee toch niet te koop? Als je verstandig bent, doe je dat wel. Daardoor ben je gedekt tegen de fouten, die je tegen je wil misschien toch zou maken. Terwijl niemand kan zeggen dat je anders was en dat je je anders hebt voorgedaan dan je bent. Ik meen dus dat kleptomanie en ook vele ander dingen in zekere zin eerlijkheid vragen. Het is natuurlijk niet zo dat als u kleptomaan bent er van u verwacht wordt, dat u met een scheepsroeper op het dak gaat staan roepen: "Ik ben kleptomaan, kijk uit!" Maar wat wel van u verwacht kan worden is wanneer u in een nieuwe omgeving komt, dat u de omgeving in kennis stelt met deze fout, met deze ziekte, met deze eigenschap. Omdat u, zelfs al doet u alles om haar te bedwingen, toch moeilijkheden daarmee kunt krijgen en de omgeving moet weten dat ze daarmee rekenen. En het typische hiervan is, dat wanneer je eerlijk bent in dit opzicht en je niet probeert om je anders voor te doen dan je bent je daardoor in de wereld een betere ontvangst hebt, dan wanneer je jezelf vermomt. DE TUIN DER DROMEN 129

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen Want op het ogenblik dat je je voordoet als anders dan je in werkelijkheid bent, dan zul je toch op een gegeven ogenblik jezelf prijsgeven. Je zult toch op een gegeven ogenblik laten merken, dat je toch niet helemaal eerlijk bent geweest. Dit is dan voor die wereld een slag. En die neemt dan niet alleen aan, dat deze eigenschap nu de werkelijkheid is, maar ze zegt: Daar zit nog veel meer achter. Dus in de wereld is de reactie niet gunstig. Maar voor uzelf is het ook niet prettig. Want doordat u voortdurend probeert uw fouten te verbergen, gaat u er te veel op letten. En doordat u er teveel op let, stimuleert u ze. De fouten, waaraan je denkt, bega je. Vandaar ook, dat iemand die over een smalle muur loopt of in een dakgoot en volkomen nuchter is, duizelig wordt en valt, als hij naar beneden kijkt, omdat hij zich voortdurend van het gevaar bewust is. Maar een dronken man of een slaapwandelaar wandelt er zo doorheen. Het interesseert hem helemaal niet. Hij heeft geen evenwichtstoring. Waarom? Omdat het niet noodzakelijk is zich dat gevaar te realiseren. Hij is zichzelf op dat ogenblik en daar moet die omgeving zich maar bij aanpassen. (Het is natuurlijk geen juist voorbeeld, klinisch is hier nog wel het een of ander op te merken.) Maar de geestelijke kwesties, die tekortkomingen, die kunnen wel van zo’n aard zijn, dat van de projectie in de buitenwereld iedereen kennis kan nemen. Dat kan toch ook ongewenst zijn? En heel veel mensen zullen dat dus niet doen, hoewel het misschien wel beter zou zijn. U moet het anders bekijken. Het is niet dat het beter zou zijn, en het is ook niet dat het ongewenst is. Maar het is doodeenvoudig, dat men voor zichzelf niet de consequenties van zijn eigenschappen wenst te aanvaarden. Een dief die zegt "ik ben een dief", is een eerlijke dief. Een dief, die zegt: “ik ben eerlijk", is niet slechts een dief maar ook een huichelaar. Dus een dief kan eerlijk zijn. Had u nooit gedacht, hé? Is dit probleem ook voldoende opgelost of niet? Is er nog een vraag? In de vorige lezing is gesproken over: Wanneer we alleen willen streven en werken, dan bouwen wij een wand op tussen de schepping en ons. Hoe kun je alleen werken en streven? Alleen werken en streven kun je door te proberen alle lasten van je eigen streven en werken te dragen en de verantwoording, die je tegenover de wereld draagt, door dat streven en werken te ontkennen. Dus je bemoeit je niet met anderen. Je zegt niet: Wat heeft het voor anderen te betekenen wat ik doe? Wat voor lasten laad ik nu daarmee op? Wat voor moeilijkheden bezorg ik hun ermee? Neen, je zegt: Dit is mijn werk en dat werk is goed, en dat doe ik zelf. Dat gaat alleen maar mij aan. Daardoor ontvreemdt u eigenlijk een deel van het leven uit zijn normale samenhang. U neemt het er uit weg. Het resultaat is dus, dat u geen realiteit meer kent. U gaat de zaak vals waarderen. U zegt: Ze moeten blij zijn dat ik zo ben. Een voorbeeld. Een zangeres, misschien een betrekkelijk groot zangeres. ‘s Morgens begint ze plichtsgetrouw om 10 uur ahahahahal", ‘s middags idem, ‘s avonds nog even de stembanden losmaken en dan krijgen we nog een aria uit: "De macht van het noodlot". Dan zegt de zangeres: Ik ben toch een groot zangeres, iedereen moet toch blij zijn, dat ik dat ben. Maar ze heeft een ding vergeten: dat haar "ahahahaha’s eigenlijk overlast is. Als ze zich dat zou realiseren, zou ze zich waarschijnlijk ietwat beperken in haar al te luidruchtige oefeningen. Ze zou daarvoor in de plaats andere oefeningen stellen, waardoor ze ook haar eigen stem zou sparen, maar bovendien bij de beperking van haar uiting en veel groter waardering zou krijgen voor datgene, wat ze dan nog doet. Op die manier bouw je een wand tussen jezelf en de wereld op, als je het alleen vanuit je eigen standpunt gaat zien. Dat mag niet. Voldoende? Er is de vorige maal gezegd: In u leeft God. In u leeft God met Zijn totale schepping. En even verder: in u verborgen is een geheimzinnig hoekje. Daarin ligt dat eerste begin, dat eerste oplichten, het eerste woord: het zij licht. Wilt u hierop ingaan? Is dit bedoeld in de zin van geestelijk licht met het groeien van ons bewustzijn? Het zij licht. Dat is eigenlijk het eerste woord, dat wij lezen in Genesis. Er wordt hier dus teruggegrepen op een Bijbels beeld. In den beginne was het Woord en het Woord was God. Daarmee beginnen wij. Dat woord is dus de eerste uiting, de eerste: activiteit. En dat "het zij licht" is een scheppingsproces. Dat scheppingsproces is niet alleen geestelijk geweest: het heeft het totaal van de kosmos omvat. Vanuit dit standpunt gezien is dus dat geheimzinnig hoekje, waarin "het zij licht" voor ons het is gelegen, niet alleen een kwestie van een 130 DE TUIN DER DROMEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen geestelijke ontwikkeling of van een geestelijk licht. Het is eerder de zaak van een zelfontdekking en zelfonthulling en een zelfherschepping. En dat, wat Hij in den beginne in Zijn schepping heeft gelegd. leeft in ons. Wij kunnen daaraan volkomen beantwoorden: wanneer wij kunnen doordringen tot dit geheim. Wanneer wij dit "het worde licht", of "het zij licht" dus in onszelf kunnen omzetten tot een uit ons tredend licht, dat zich zowel stoffelijk als geestelijk uitbreidt over de wereld en ons daarbij onthult wat de wereld, wat de geest, wat de werkelijkheid is. Dus "het zij licht", "het worde licht" is de werkelijkheid van de schepping, dat is het oerprincipe, dat is het begin. Kunt u het vatten? Dus het begin en het einde liggen ook in ons besloten? Natuurlijk. Schrijven wij niet altijd: Hij, Die is alpha en omega? Hij, die is begin en einde? Dat is dezelfde God, Die in ons leeft. Daarbij maakt de mens heel vaak de fout, dat hij stelt dat begin en einde van elkaar verschillen. Maar als het begin God is en het einde is God, dan zijn begin en einde volkomen gelijk. Zij zijn in feite identiek. Zolang het wezen Gods in ons leeft, is begin en einde van ons leven in ons vastgelegd. De wijze, waarop wij alles beleven, waarop wij dat fase na fase voor onszelf recapituleren, is onze bewustwording. En wij komen hier van het begin (het in God geborgen zijn maar niet kennen van Zijn schepping) via het leren kennen van de schepping (het leren kennen van al hetgeen de schepping biedt, het beheersen van de schepping) tot de aanvaarding van God. En wat is dan het verschil? Het verschil tussen begin en einde voor ons is het verschil van slapen zonder dromen en dromen zonder slapen. In het begin rusten wij in God. Vanuit God word en wij langzaam bewust gemaakt, wij ontwaken. Maar de droom van volmaaktheid, die blijft ons bij. Want datgene, wat geweest is, gaan wij ons nu pas realiseren. Zo leef je eigenlijk in een dubbele wereld. Elke mens heeft zijn wereld, waarin God leeft. Hoe hij die God nu noemt, dat is een andere kwestie en hoe hij Hem ziet ook. De een ziet Hem als een machine, de ander als een kosmische macht. Maar je hebt zo het idee van het volmaakte. Die droom van volmaaktheid blijft je je hele leven bij. Daardoor werk je daardoor zwoeg je, daardoor streef je. Het klinkt misschien gek, maar uit dit zoeken naar volmaaktheid worden evenveel echtscheidingen geboren als wijsgerige beschouwingen. Misschien van de eerste zelfs meer. Iedereen probeert op zijn manier die volmaaktheid, die in den beginne was en die door het hele leven en door elke fase meeklinkt, steeds weer te realiseren. En dan komt er een ogenblik, dat die realisatie er is. Dan is het beginpunt weer bereikt. Maar nu met de bewuste verzadiging. De droom van volmaaktheid, die ons een leven lang heeft achtervolgd, is tot onze werkelijkheid geworden. En in die werkelijkheid vinden wij God. Voor een mens is het natuurlijk heel erg moeilijk om je voor te stellen: God leeft in je. Ja, het is een aardige theorie. Maar kom nu maar eens met een bewijs. Vertel mij nu maar eens: Waar zit die God? Wanneer je dat tegen iemand zegt, die z.g. niet aan God gelooft (ik zeg "z.g.”, want ergens gelooft hij altijd aan en dat ergens of iets treedt in de plaats van God, dat is dus zijn speciale visie op iets in het leven) maar als hij er z.g. niet in gelooft, dan zegt hij: Vertel mij nu eens, waar zit God? Zit Hij in mijn nieren of zit Hij in mijn maag? Er zijn verschillende gebruiken daaromtrent. Hier zegt men: Ik houd van je met heel mijn hart? elders zeggen ze: Ik houd van je met heel mijn nieren. En zo gaan ze verder. Die God moet ergens zitten. Dat is nu het foute idee. Men beperkt God tot iets, wat binnen het ik zit. Men begrijpt niet dat elke substantie, elke kracht geestelijk of stoffelijk van het ik tevens goddelijk is. Zij bestaat in God. Alles wat je hebt. Ik heb hier een lichaam op het ogenblik in gebruik. Hier, dit is God, dit is Gods kracht. Het bloed, dat er doorheen gaat, is Gods kracht. De levensstroom, die er doorheen kan vloeien, is Gods kracht. Wat er mee gebeurt, wat er mee gedaan wordt, is Gods kracht. Er is niets anders. Het is God. Als je je dat nu maar gaat realiseren, dus niet meer God ziet als iets ergens in een hoekje, maar God ziet als alles, dan ga je onwillekeurig zeggen: Ja goed, maar als God dan in alles is, wat ben ik dan, in God? En dan kom je eindelijk tot de juiste vraagstelling. Want de vraag is niet: Wat ben ik? Daaraan heb je niets. Al weet je duizend keer wat je bent, dan schrik je je hoogstens dood en heb je er ellende van. Dat gaat net als met een dame, die een foto ziet, die plotseling genomen is. Dan zegt ze ook op een gegeven ogenblik: Hé, ben ik dat nu? Vlug in DE TUIN DER DROMEN 131

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen de kachel ermee. Zo gaat het als je die waarheid vindt zonder meer. Maar vind je jezelf in God, dan zie je niet alleen het beeld van wat je bent. Dan zie je het verband, dat bestaat tussen wat jij bent in God en wat al het andere is in God. Oftewel je erkent a.h.w. de verhouding die de delen t.o.v. elkaar hebben. Er is een oud sprookje, dat we al een paar maal hebben verteld over de tapijtmaker. Misschien herinneren sommigen het zich nog wel. Daar komt dan in voor, dat een engel de tapijtmaker, nadat deze geprotesteerd heeft tegen God, omhoog neemt en hem eerst laat zien hoe klein de stad is vanaf de toren van de minaret. Dan neemt hij hem mee naar een wolk en laat hem daarvandaan kijken. Dan ziet de man, dat iedereen een draadje met zich mee sleept en dat het dus een hele warboel is op de wereld. Dan neemt de engel hem nog een beetje hoger mee. En dan ziet hij, dat er een tapijt geweven wordt van buitengewone schoonheid. Nu zou ik dat idee willen overnemen maar iets variëren. Als Gods schepping kan worden voorgesteld als een tapijt, dan zijn wij dat ene pluisje wol, dat daar zo zorgvuldig vastgehaakt zit (denk maar aan Smyrna), en daarnaast zit een pluisje van een andere kleur. Dan zeggen we: Dat deugt niet. Misschien deugt dat niet op het ogenblik vanuit ons standpunt. Maar juist de samenvatting van die twee kleuren geeft schoonheid. Dat is het patroon. Daarom is het kleed volmaakt. En wanneer wij dus onszelf in God leren beseffen, dan gaan wij niet beseffen: "Ik ben een pluisje wol, groen, van die en die structuur: misschien kom ik van een marinoschaap of misschien ben ik van een kunstwolfabriek gekomen". Dat weet je niet, dat kun je gaan uitkienen allemaal. "Ik ben groen, ik ben met kleurstof op kopernitraat-basis geverfd". Dat zal je allemaal kunnen vinden, Doch daaraan heb je niets. Maar te beseffen:"Ik ben een deel van de schepping, dat daar staat voor een contrast misschien, maar dat juist met dat contrast God helpt om de volmaaktheid te scheppen, als deel van God ben ik deel van de volmaaktheid, zoals ik ben", dan kom je een heel eind verder. Want het beroerde is dat de meeste mensen, doordat ze denken anders te zijn dan ze zijn, in conflict zijn. Zoals u bent, zoals u werkelijk bent (dus van begin tot einde, alpha et omega, al uw levens bij elkaar, alle sferen, alle belevingen, alle gedachten) bent u reeds nu volmaakt. U bent God. Niet de volledige God, maar een absoluut deel van God, zonder enige aarzeling. Zo de zaak bezien, geeft je een zeker vertrouwen in jezelf. En dan ga je ook niet meer zeggen (een fout, die menigeen maakt): "Ik moet mijzelf vervolmaken, opdat ik pas in God". Neen, Je gaat zeggen: "Ik moet mijzelf leren beseffen in God, in de verhouding tot God, opdat ik de volmaaktheid beseffe. Het is niet zo, dat dat tapijt op het ogenblik geknoopt wórdt, nadat u de juiste kleur hebt gekregen, bij wijze van spreken de juiste structuur. Dat tapijt is er en u bent er. Maar u moet tot een erkenning van het geheel. Dat is eigenlijk uw bewustwording, daar is de bewustwording voor bestemd. Al die gebeurtenissen, die u meemaakt, al die dingen die voor u tellen, die horen wel in uw leven. Maar de wijze, waarop u ze hebt doorgemaakt, waarop u ze interpreteert, dat is nu toevallig uw eigen zaak. Begrijpt u? Dus als wij zeggen, dat Hij, Die begin en einde is, in ons is, dan zeggen wij dat wij zelf ook begin en einde zijn, oneindig en eeuwig. Waar wij ook zijn, hoe wij ook zijn, in elke vorm, in elke gestalte zijn wij deel van de oneindigheid. Zoals dat pluisje wol, waar ik het over heb, uit duizenden draadjes is samengevlochten, zo bestaat ons werkelijk wezen uit duizenden verschillende fasen. Uit incarnaties, de meest verschillende werelden, de meest verschillende vormen, de meest verschillende bewustzijnsuitingen. En zo tezamen krijgen we de massa, de structuur, die ons wezen is in God. Wij kennen daarvan een deel, God kent daarvan de volmaaktheid. Maar het deel, dat wij thans beleven, staat met het geheel in een onmiddellijk verband. Dat is niet te scheiden. U kunt niet zeggen: Het een ligt ver in de toekomst, het andere ver in het verleden. Het is bij elkaar. Het is steeds alpha et omega, begin en einde, in ons. En het beseffen hiervan betekent dat wij ons leven moeten instellen op die God, Die in ons leeft. Die God, waarvan wij een direct deel zijn. Kunnen wij ons volledig genoeg op die God instellen, dan valt de beperking van dat ene leven weg en worden wij de volheid van ons wezen. Wij kunnen nooit het tapijt worden wij kunnen nooit de hele God worden. Maar wij kunnen het volmaakte deel worden in God, bewust, zoals God ons heeft geschapen. En wij kunnen van de kracht van die God gebruik maken. Een pluisje wol wordt weggewaaid door de wind, nietwaar? Maar in een tapijt kan het druk en trek en alles hebben. Het zit vast, het hóórt daar, het zit op zijn plaats. 132 DE TUIN DER DROMEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen Zo moet het bij ons nu ook gaan. Wij zijn of wij dat nu willen accepteren of niet op onze plaats. Alles wat wij doen, alles wat wij beleven is en blijft deel van God. Er is niets kwaads te bedenken vanuit menselijk of ander standpunt, dat niet tevens deel van God is. En als het in ons is of als het door ons geuit is, is het en blijft het nog deel van God. Zo moet en wij niet proberen om wat wij kwaad noemen te bestrijden, maar om de God in ons te realiseren. En nu is het gekke: wanneer wij God in ons realiseren, dan verdwijnt het begrip kwaad en wordt de interpretatie van het leven een andere. Dan wordt hetgeen ons drijft (en dat maakt het juist voor ons kwaad) iets anders. En zo komen wij dan op de duur tot de absolute aanvaarding. Begrijpt u? Hoe moet ik het zeggen. Het is een beetje een lastig onderwerp enerzijds. Het impliceert dus de tijdloosheid in de eeuwigheid. Natuurlijk. U bent net zo eeuwig als ik, waar of niet? Maar de mens, die niet filosofisch ontwikkeld is, blijft steeds in de tijdelijkheid, terwijl uw betoog op de eeuwigheid gebaseerd is. Het is op de eeuwigheid gebaseerd maar met een verschil dat ik de tijdelijkheid in de eeuwigheid erken, omdat ik zeg, dat vele tijdelijkheden tezamen óns deel van de eeuwigheid vormen. En dan ga ik nog een stap verder, want daar gaat het mij nu om? Die kwestie van goed en kwaad, zelferkenning enz., die krijgt n.l. in dit licht een heel andere betekenis. Het gaat er niet om je leven te veranderen, maar om het te beleven als iets wat direct verbonden is met God, met het hoogste wat je je kunt voorstellen. Als je in alles wat je doet, in alles wat je beleeft, steeds weer die hoge inhoud, die hoge betekenis kunt terugvinden, dan leef je eigenlijk al in de eeuwigheid en de volmaaktheid. Het eigenaardige is ook dat het tijdsbesef langzaam maar zeker vervalt. Het is er wel en je leeft als mens misschien of als geest, maar het heeft geen nadruk meer. Hoe moet ik het zeggen: Het is net als een film. Je gaat naar de bioscoop, ze draaien een leven van 50 jaar in 50 minuten. En dat vind je heel normaal, want dat is het verhaal. Maar je weet heel goed dat er geen 50 jaar verlopen zijn, dat er een andere tijd bestaat. Zo realiseer je je uit die eeuwigheid, dat er een tijdsverloop bestaat. En dan kom je tot een beleven van elke fase uit elk bestaan desnoods opnieuw naar eigen willekeur, naar eigen verkiezing. Het is niet zo, dat als de eeuwigheid volmaakt is, we allemaal gaan zitten op een gouden stoeltje en "halleluja" zingen. Dat zou een vervelende boel zijn. Vooral als je weet dat degenen, die het hardst zingen meestal de minste stem hebben. Maar dat is weer een andere kwestie, Alles wat wij zijn, kunnen wij herbeleven tot in de oneindigheid, maar vanuit elk aspect van het Goddelijke. Je behoeft je nooit te vervelen. Ben je een keer een met geweest, heb je in de nacht gevlogen, in de avondschemering, je kunt die vlucht van die met weer meemaken. Maar nu vanuit het standpunt van die met en elke beleving gelijktijdig in het volledige bewustzijn van het Goddelijke, zoals Het daarin is geopenbaard. Bent u eens een piraat of een zeeschuimer geweest, of bent u tempelmaagd geweest, of hebt u ergens een priesterlijke functie gehad of een slavenbaantje, bent u bedelaar geweest of koning, u kunt het herbeleven, altijd weer. Maar steeds weer vanuit een bepaald aspect van het Goddelijke, dat u zelf kiest volgens uw eigen bewustzijn. In staat zijnde alles te onderbreken, wanneer dat nodig is, wetend dat al die belevingen, al die toestanden er altijd zullen zijn. Niet zoals u ze nu doormaakt, maar zoals ze werkelijk zijn. Zoals ze tezamen vormen een volmaaktheid waarin God a.h.w. een deel van Zijn wezen heeft getekend, waarmee Hij contrast en heeft geschapen, waardoor de evenwichtigheid van Zijn persoonlijkheid wordt uitgedrukt in het totaal. Als U dat nu in de gaten houdt, ga je begrijpen, dat het een kwestie is van het kiezen van standpunt, hoe je leeft. Het gaat niet om wat je doet. Dat zit er natuurlijk wel enigszins mee in verband, maar er zijn daden, waaraan je niet kunt ontkomen. Bij mensen is het zo: Ze ontgaan b.v. de daad, zij zijn eerlijk. Ze zullen geen cent nemen die een ander toebehoort, maar ze dromen ervan, dat ze de Amsterdamsche Bank beroven. En nu zegt u natuurlijk: Het is beter dat ze het denken dan dat ze het doen. Dat is het stoffelijk standpunt. Maar die droom is even werkelijk. Die heeft geestelijk gezien dezelfde. consequenties. En vanuit de geest beleefd, herken je dat. Dat is niet zo mooi. DE TUIN DER DROMEN 133

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen Niet zo mooi? Dat heeft er niets mee te maken. Luistert u verder. Dus de wijze, waarop u het interpreteert, is natuurlijk foutief. Maar het is zeker, dat wanneer je de bank móet beroven, wanneer dat hoort bij een leven, dat er een leven komt, waarin je die bank berooft. Misschien zelfs tegen wil en dank, maar doen zul je het. De manier, waarop je dit beleeft, maakt uit wat dit voor je betekent. Laten we nu maar weer een heel eenvoudig punt nemen. Je verliest iemand, die je dierbaar is. Dan kun je zeggen: "Ik ben gelukkig dat hij eindelijk vrij is en dat hij in een "betere wereld opgaat." Je kunt ook zeggen:" O,O, wat heb ik allemaal verloren". Dat ligt er nu maar aan hoe je doet. Maar al die standpunten die je beperkt menselijk noemt, die kunnen worden samengevat in een bepaald deel van het Goddelijke. En vanuit dat deel van het Goddelijke ga je dan niet één beleving maar alle belevingen doormaken. Zo wordt elk stukje van je bestaan een eenheid. En dan krijg je eigenlijk pas inzicht in wat je werkelijk bent, wat je werkelijk betekent. En dat komt er nu allemaal uit voort, dat je moet beginnen je te realiseren: God is in mij, begin en einde. En nu moet ik nog even antwoorden op dat stil gefluisterde commentaar: dat is niet zo mooi. Vanuit menselijk standpunt misschien niet. Dat geef ik graag toe. Maar dat komt, omdat de mens wetten heeft gemaakt, die juist niet gelden voor hetgeen het belangrijkste is van de mens. De mens mag heel weinig dingen doen, maar hij mag alles denken. Het zou eigenlijk andersom moeten zijn. Een mens zou beheerst moeten zijn in zijn denken en hij zou de vrijheid van de daad moeten hebben. Want waar de gedachte beheerst is en gericht, zal de daad altijd de gedachte volgen. Begrijpt u? Dus dat is nu foutief. En nu kun je hoogstens, zeggen: "Maar ik denk zoveel van die dingen, daar mankeert nog wel wat aan." Dat is niet waar. Want alles wat u: denkt bestaat in God. Onthoud dat nu maar. Wanneer u leert die dingen vanuit een ander standpunt te zien, en je behoeft je gedachten niet prijs te geven. U behoeft je daden niet prijs te geven maar wanneer u leert ze vanuit een ander standpunt te zien en te benaderen dan zult u zien, dat die dingen toch hun zin hebben en hun mogelijkheid. Later zult u herbeleven. Dan zult u diezelfde toestand doormaken, maar dan zullen die gedachten voor u niet dezelfde inhoud hebben. De realisatie van die beelden wordt een andere. En dan begrijpt u dat het geheel toch past in een volmaaktheid. Er is een bekende zin in de Bijbel: Al wie een vrouw met begerigheid aanziet, heeft bereids overspel met haar bedreven. Dan behoeven we verder al niets te zeggen, hé? Als we dat allemaal als overspel in wettelijke zin zouden willen aanmerken, tjonge, tjonge. Het staat er toch. Inderdaad. Het is ook feitelijk zo. Omdat de gedachte precies dezelfde inhoud en betekenis heeft als de daad. Maar de mensen begrijpen dat niet. "Want de gedachte,” zeggen ze: "kun je niet vatten en de daad wel. Die kunnen anderen zien. Ze kunnen mij er nooit op betrappen, als ik begerig denk over een vrouw: als ik er begerig naar grijp wel." Dat is dus het beleven, wat u hiermee bedoelt. Neen, het beleven is bij allebei even reëel of even irreëel. Dat bedoel ik juist. Denken over de daad is even reëel: het is toch beleven. Het is beide beleven. En nu is er nog een beroerd ding bij. In de werkelijkheid corrigeren wij ons zelf. Dus de daad houdt een correctiefactor voor het bewustzijn in. De gedachte op zichzelf niet, wanneer ze niet geuit wordt. Dus bij het denken ben je er eigenlijk nog een klein tikje erger aan toe, als je het: goed bekijkt. Maar als je aan iets denkt en je verwerkt het goed, je ziet in wat het voor en wat het tegen is en je bedrijft de daad dus niet in feite, maar hebt wel alle consequenties ervan doordacht, heeft het dan wel betekenis? Ja, dat kan zijn betekenis hebben. Dan behoef je het dus niet meer in feite door te maken. Neemt u mij niet kwalijk, maar dan is ook in dat doordenken de zaak van een begeerte zie de bijbelspreuk: wie de vrouw met begerige ogen aanziet geworden tot een probleemstelling. Een overdenking. En wanneer de daadbepaling komt uit de beheersing van de gedachten, dan is er geen feitelijk begeren meer. 134 DE TUIN DER DROMEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen Dus u moet nu niet denken, dat u die spreuk zo moet interpreteren: Iemand ziet een aardig meisje en denkt "wat een aardig meisje, dat zou best wat zijn", of de dames zien een knappe man en denken ook zoiets. Dan moet u niet denken dat dat op zichzelf de zaak is. Maar wanneer u daar even op doordenkt dus niet zegt: “Maar voor mij is dat niet weggelegd, want:" Neen, als u denkt: "Als het nu eens zou kunnen" op het ogenblik dat u dat gaat denken, hebt u het gedaan. Voelt u de fijne nuance? Het is dus een kwestie, of je het als probleem ziet. Je moet uiteindelijk steeds het nieuwe zien verwerken, maar je moet het verwerken in de juistheid van je eigen concept. En dus niet aan de gedachte een tolvrijheid toelaten, die je aan de daden niet toelaat. Als je in gedachte zoiets wilt gaan doen, dan kun je het net zo goed of beter werkelijk doen. Want als je het in gedachten doet, dan blijf je het doen en als je het in werkelijkheid hebt gedaan, valt het meestal tegen. Zijn er ook werelden, waarin gedachten als zodanig als daad gelden? Dus dat de gedachte niet in woorden behoeft te worden omgezet? Ja, er zijn werelden, waar de mededeling (dus het contact) telepathisch is. En daar geldt dus de openlijke maar niet de afgeschermde gedachte gelijk met de daad. Maar dat is weer een andere kwestie van wetgeving. Is dit op een hoger plan? Neen, dit is geen hoger plan. Het is alleen een andere:vorm van stoffelijke ontwikkeling, met als gevolg consequenties. Maar nu moet u het wel zo zeggen: Er komt voor u een wereld als u in de geest bent zult u dat zelf ontdekken waarin de gedachte, mits gehandhaafd (let wel, dus niet het opkomende beeld, maar het je verdiepen in het beeld) identiek is met daadstelling. Dat is voor de geest daad. Wij zijn een aardig eind afgedwaald. Ik dacht, dat i.v.m. het verlichten van de geest je dus de gedachte als werkelijkheid kunt verwerken tot een harmonisch geheel in jezelf. Dan kunt u misschien beter zeggen, dat je gedachte en Al tezamen als een harmonisch geheel beleeft. Dat is beter. De gedachte, die je op iets hebt geprojecteerd, dat je daar dus harmonisch mee bent. Daar behoeft het geen projectie voor te zijn. Wanneer ik één ben in daad en gedachte met mijn bewustzijn van het Goddelijke als ondergrond, ben ik altijd harmonisch. Er war en toch nog wel een paar zware knopen bij. Dat vind ik tenminste. Nog verdere vragen? De theorie, die u ontwikkeld hebt, daarbij is de moeilijkheid: kan de mens zich die eeuwigheidsmoment en realiseren? Dus dat overzicht van het geheel. En dat hij niet in die tijdelijkheid blijft, waarin wij allemaal verzonken zijn? Mag ik daar een antwoord op geven, dat schijnbaar op zijwegen gaat? Alleen schijnbaar. Dan moet u eens goed luisteren. Hebt u wel eens gehoord van heiligen, van ingewijden, van yogi’s, ja, van zwervende Mahatmas enz. die dagen lang in de zon zitten zonder iets anders te doen dan eigenlijk een moment te beleven? Dat is toch een eeuwigheidsbeleving op zo’n ogenblik. Er zijn dus zeer vele en kennelijke voorbeelden te vinden op aarde, dat het voor de mens toereikbaar is. Maar gelijktijdig blijkt hieruit, dat de consequenties van dit bereiken in strijd zijn met vele concept en van hetgeen de mens aanvaardbaar, begeerlijk enz. noemt. Maar mogelijk is het wel. Voelt u waar ik heen wil? Jazeker. Naar de mystieke beleving. Maar dat te bereiken in het gewone dagelijkse leven is erg moeilijk. Op het ogenblik dat je het dagelijks leven gaat zien als iets verschillends van een mystieke beleving is het zelfs onmogelijk. Maar op het ogenblik dat je je realiseert, dat de mystieke beleving in alle dingen gelijkelijk is gelegen, waar slechts onze instelling t.o.v. de dingen maar niet de dingen zelf bepalend is voor de wijze, waarop wij God vinden: dan kun je in het dagelijks leven en in elke fase van het dagelijks leven voortdurend God vinden. Het is dus niet moeilijk, maar het vraagt alleen een omstelling van je methode van denken. En dat dat op moeilijkheden stuit, ja, dat kan ik mij begrijpen. Geen noodzakelijke moeilijkheden, maar eerder psychologische moeilijkheden, zou ik haast zeggen. U bent nu eenmaal gewend het zo te doen en die gewoontevorming brengt denkprocessen met zich mee, waar je niet zo gemakkelijk van afstapt. DE TUIN DER DROMEN 135

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen Ik vraag mijzelf af: Is een gewoon leven mogelijk te combineren met de mystieke ervaring. B.v. je hebt een zakenman, iemand die zijn gewone werk doet. Die man kan toch niet geconcentreerd zijn zowel op de eeuwigheid als op de tijdelijkheid? De consequentie hiervan zou zijn, dat de zakenman i.p.v. de tijdelijkheid in al zijn zaken onmiddellijk de eeuwigheidsgedachte tot uiting zou brengen. En de gevolgen zouden voor anderen ongetwijfeld tijdelijk aanvaardbaar zijn, maar voor hemzelf eeuwig. Als zodanig zou hij ook in het zaken doen de eeuwigheid kunnen vinden. Want als in het zaken doen ook God niet aanwezig was, zouden er geen zaken zijn. U kunt hier nooit onderuit. Dus u bedoelt, dat je je van God bewust moet zijn. Juist. Dus ben ik mij bewust van God, dan vind ik God in alle dingen, in alle bezigheden en ken ik dus de bereiking van God ook in alle mogelijkheden. En dan is het heel goed mogelijk, dat een zakenman over een bijzonder goede zaak in dezelfde staat van verrukking komt, waarin Augustinus komt wanneer hij een filosofie ontwikkelt en Bonifacius op een gegeven ogenblik, wanneer hij zijn martelaarschap dichtbij ziet. Degenen, die dat bereikten, deden toch ook hun werk! Maar dan kun je toch geen goed zakenman zijn. Dat ligt aan uw definitie van goed. Ik geloof dat datgene, wat men op aarde een goed zakenman noemt, in feite een fatsoenlijke vorm van diefstal is. Dat ben ik niet met u eens. Dat geloof ik graag, maar toch is het zo. Want is niet hij, die ten onrechte aan anderen gelden of goederen ontneemt zonder daarvoor een prestatie te leveren, diefstal aan het plegen? Dat is geen goed zakenman, dat is onscrupuleus. Als u het zó wilt definiëren, wijkt u af van het gebruikelijk begrip van een goed zakenman. Want het gebruikelijk begrip "goed zakenman" omschrijft een goed zakenman als iemand, die in staat is om keistenen te verkopen voor goud. Dat is een verouderd begrip. Neemt u mij dan niet kwalijk, dat in dezen mijn opvattingen verouderd zijn. Ik ben blij dat ze door velen nog gedeeld worden, zodat ik niet de enige ouderwetse persoonlijkheid op deze wereld ben. Vrienden, zullen wij de laatste spreker aan het woord laten? U hebt genoeg om te overdenken vandaag en we zullen dus maar zeggen, tot een volgende keer. o-o-o-o-o DROOM Wij hebben daar aan het begin van de avond veel over gesproken. Ik zal mij hier dus enigszins dienen te beperken om herhalingen te voorkomen. Droom is zelfopenbaring. De zelfkennis, die in de droom wordt geuit en beleefd, houdt in de werkelijke waardering van de mens t.o.v. zijn omgeving en van zijn bestaan. Een droom weerkaatst niet slechts datgene, wat de mens denkt of beleeft, maar brengt hem bovendien tot een compensatie van al datgene, wat hij misdaan heeft of te kort is gekomen. Zo zal de mens in de dromen zijn tekorten aanvullen, maar ook zijn fouten corrigeren door zichzelf daarvoor te straffen. In feite kunnen wij dus zeggen, dat de stoffelijke droom een weerkaatsing is van een kosmische werking. Want zoals wij in de droom voortdurend een evenwicht herstellen, herstelt in het totale bestaan door alle sferen de goddelijke wet het evenwicht. Zo irreëel de droom ons ook moge lijken in onze werkelijkheid, tijdens het beleven is hij voor ons het enig voorname en belangrijke. Wij kunnen aan hem niet ontkomen, zelfs wanneer wij wet en, dat wij dromen. De conclusie is duidelijk. De grootste droom die er bestaat is God, omdat wij God niet werkelijk kunnen beleven en Deze toch steeds weer voor ons aftekenen, steeds weer een 136 DE TUIN DER DROMEN

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 21 april 1959 Les 8 – De tuin der dromen beroep doen op God, als compenserende factor t.o.v. ons eigen wezen en het daarin erkende. Laat ons daarom kort het begrip droom als volgt formuleren. Droom. Onwerkelijkheid, werkelijker dan de werelden, waarin U leeft. Droom. Kracht van leven, die leven geeft en sterven doet, herstellend zo het kwaad en lonend zo het goed. Een droom. Een droom van volmaaktheid, van scheppende kracht, de Schepper zelve, Zijn wondere macht, die naast ons staat en met ons gaat. Een droom. Een droom met beleven van al wat bestaat buiten de wereld, waarin je streeft. Een droom is een god, die je krachten geeft en toch een werkelijkheid. Want werkelijker is de droom dan veel, genoemd realiteit door mens en geest. In een droom openbaart zich dat, wat was, wat geweest is en wat komen zal: openbaart zich al het zijn, als in God. De werkelijke droom is de werkelijkheid. En daarachter ligt schijnbare droom, het bestaan, waarin de leugen wordt onthuld, waarin de wet steeds wordt vervuld aan het wezen in het wezen. Zo is God de droom, die werkelijkheid ons wordt. Terwijl wat werkelijkheid ons heet, ons sterft en ons wezen in die droom eeuwigheid, oneindigheden erft.

DE TUIN DER DROMEN

137

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld Goedenavond, vrienden. Wij begeven ons vandaag dan weer op de weg der esoterie. Wij weten onderhand wel, dat esoterie eigenlijk zeer veel verschillende dingen kan inhouden. Het is alles de weg tot het eigen innerlijk. Maar wanneer wij gaan speculeren en filosoferen, ach, dan is er eigenlijk niets in de wereld, wat je niet bij de esoterie te pas kunt brengen. Of u nu wilt beginnen bij film, verwaarloosde jeugd of vliegende schotels, enige esoterische zin heeft het allemaal. U zoudt kunnen zeggen, dat de esoterie eigenlijk een soort tovermiddel is. De doodgewone dingen, die op zichzelf zo weinig betekenis schijnen te hebben, krijgen plotseling een nieuw leven, een nieuw: inhoud, een nieuwe glans. Want juist dat gewone, dat alledaagse en dat wereld blijkt van een buitengewoon belang te zijn, wanneer je zoekt naar jezelf in die dingen. Je bent mens en zelfs wanneer je geest bent geworden, leef je nog in een wereld met waarden, die buiten je staan. Je kunt niet naar binnen kijken zonder eerst je spiegelbeeld te zijn, zoals het wordt getoond door de buitenwereld. En juist dat:

SPIEGELBEELD

wil ik vandaag met u wat verder onder de loep nemen. We kennen allen het geheim van de spiegeling, Waarin de micro- en de macrokosmos elkaars volkomen tegendelen en tevens elkaars volkomen gelijken zijn. Wanneer ik macrokosmisch wil denken, dan blijkt mij, dat het voorstellingsvermogen van mens en geest te klein is. Natuurlijk kun je door een uittreding b.v. je geest projecteren tussen de sterren. Je kunt jezelf de ruimte inwerpen en zon na zon voorbij zijn flitsen, totdat eindelijk achter je een hele sterrenmenigte ligt en vóór je de kale leegte, waar in de verte ergens nieuwe sterrennevels schemeren. En je kunt verder gaan en verder, maar je wordt bang. Het is te groot. Veel te groot voor het voorstellingsvermogen van de mens is deze materiële kosmos met zijn zonnen, zijn lege ruimten en zijn donkere wolken. Je zou ook kunnen afdalen in de kleinere werelden. Maar wanneer je naar die kleine werelden gaat, dan kun je niet begrijpen hoe dat ene momentje, dat ene chronon, waarin een electron van baan verandert, van potentie, verandert, net zo lang is als de miljoenen jaren, dat er een wereld bestaat. Je kunt niet begrijpen dat het schemerend één-zijn van verschillende kernen, waarom die elektronen razen, de geboorte en de ondergang is van een zonnestelsel. Het gaat te vlug en je zou je niet kunnen voorstellen, dat op zo'n klein elektron mensen wonen, steden bouwen, oorlog voeren, liefhebben en misschien ondergaan. De microkosmos is te klein. Wat zijn wij, mensen, dan eigenlijk wel? Wanneer wij goed zien, dan ligt boven ons de macrokosmos, zichtbaar, kenbaar, maar nog niet begrijpbaar. En onder ons de microkosmos, duidelijker en duidelijker voor ons openliggend, een geheim waarin wij moeizaam, maar voortdurend vorder doordringen: maar die wij niet kunnen begrijpen, die té oneindig klein is. Een mens staat op de grens. De grens van het grote en het kleine, de grens van twee oneindigheden. En geen van beide beelden, die spiegelen, kan hij beseffen. Noch macro-, noch microwereld. Dit punt van uitgang, dit spiegelbeeld, moet ons dan toch wel iets leren. Want wij staan op een grenslijn, een scheiding. Wij staan tussen twee werelden, stoffelijk gezien, en ook geestelijk gezien, maar dat is een andere zaak. Laat ons dan eens proberen om juist die grenslijn te definiëren en onszelf te herkennen in beide dingen. Wanneer je 's nachts naar de hemel kijkt en het is een wolkenvrije lucht, dan zie je een baan van flonkerende sterren zich als een lichtend spoor van elfen over de donkere hemel uitstrekken. Dan zegt men: "Ziet, dat is nu de melkweg." En wanneer je soms denkt aan jezelf en je denkt eens aan jezelf niet alleen als een mens maar als een conglomeratie van kleinste delen, dan moet je je eigenlijk ook zo voelen, een soort melkwegstelsel. Er is iets wat ons regeert, zeker. Maar ook wij, regeren zoveel. Wie kan u vertellen van de drama's, die worden 138 SPIEGELBEELD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld afgespeeld in een cel, die sterft? Of ergens bij een zon, die wordt uitgeblust? Wie kan u vertellen van de wonderen, waarbij alles zijn eigen functie, zijn eigen plaats krijgt en toch een zekere vrijheid behoudt? Een bloedlichaampje spoedt zich voort door het bloed, een soort ruimtevaarder in oen onbegrepen heelal, zijn lading innemend en latend, zijn taak vervullend, voedend hier, kerend daar en niemand weet waarom. En toch leeft het en heeft een eigen besef. Een besef, dat menselijk gezien misschien nil is, maar dat voor het wezen zelf bestaat. En als we dan naar boven kijken en we zien die hele sterrenwereld, dan moet in ons toch wel eens de gedachte opkomen: Zouden wij misschien ook deel zijn van een groter organisme? Zouden wij misschien ook behoren tot dit vreemde, grotere Wezen, Dat wij niet kennen? Juist omdat wij ons kunnen spiegelen in beide werelden, is dit beeld zo aantrekkelijk. En in vele gevallen zo uitermate waarschijnlijk. Laat ons terugkuren tot het lichaam. Ergens is pijn. Alleen maar een pijnprikkel. De witte bloedlichaampjes stormen er onmiddellijk op af. Het is een soort hulpbrigade, die gaat werken. Toch kan niemand vertellen, hoe ze weten dat dit gebeurt. Zenuwimpulsen, prikkels, zeker. Maar er moet toch wat meer zijn. Die tendens kan niet alleen zo maar geboren worden en wij kunnen het ook niet zonder meer toeschrijven aan de superioriteit van het lichaam over de onderdelen ervan. Want hoe komt het dan, dat niet alle witte bloedlichaampjes gehoorzamen, maar slechts enkele? Dat er een soort selectief proces optreedt? Evenals dat gebeurt, wanneer er een strijd losbrandt met binnendringers in het lichaam, gaan wij zien hoe zij- als bacteriofagen fungerend - zich langzaam maar zeker verzetten tegen infectie. Ook dan is niet alle optreden van elke cel gelijk. Een soort wereldje voor zich, nietwaar? Zouden die bloedlichaampjes weten dat zij gestuwd worden? Weten wij, dat wij gestuwd worden? U ziet het, de spiegeling is er, de overeenkomst is er. Het kleine, dat onder ons ligt en het grote, dat boven ons ligt, zij zijn bijna gelijk. Zenuwsignalen, zenuwimpulsen veroorzaken reactie, zegt u. Maar soms komt er, bij ons iets van een inspiratie, van een goddelijke kracht. En dan fungeren wij plotseling als gedrevenen, als gejaagden. Dan denken we, dat wij een roeping volgen. Maar wie zegt ons dat het witte bloedlichaampje dit ook niet voelt als een roeping om die bacterie aan te vallen? Dat het witte bloedlichaampje het. niet als een roeping volt tiaar die ene plaats te gaan, die bedreigd is? Dat is moeilijk om te zeggen. En juist daarom loont het zich ons af te vragen, of wij misschien niet alleen op een grens staan van nieuwe ontdekking, een nieuwe wereld. Om onszelf te leren kennen moeten wij weten hoe wij functioneren, hoe wij leven. Moeten wij begrijpen, waarom wij zijn. Moeten wij begrijpen, hoe wij het best kunnen zijn wat wij móeten zijn. Esoterie is in feite de leer van de zelfvervulling. Het plaatsen van het "ik" in het daglicht der absolute waarheid en de absolute hakaanvaarding. Maar ook de verwerving van het absolute bewustzijn. En dan wil ik allereerst beginnen met te stellen, dat ons milieu, onze omgeving, niet willekeurig is: Schijnbaar misschien, ja. Maar er is iets, wat ook óns brengt naar de plaats, waar wij moeten zijn en waar wij moeten leven. Er is iets, wat ons vandaag drukt tot ergens in de gangen van de mijn, diep en afgesloten van alle daglicht misschien en ons morgen misschien verheft tot ver hoog in de luchten of eenmaal - een glimmende kogel, die zich door de ruimte spoedt - misschien ver buiten het eigen zonnestelsel. Wie zal het zeggen: Er is iets wat ons regeert, iets wat ons drijft, wat alles, dat rond ons bestaat, door dezelfde signalen beïnvloedt, door dezelfde impressies en impulsen, die ook ons beïnvloeden. Er is geen uitzondering. en daarom zal het milieu, zal hetgeen ons omringt, een absolute weerkaatsing zijn van al hetgeen er zich in ons af speelt. Wij spreken vaak van God. En dat is begrijpelijk: Wij kunnen niet zonder God leven. Maar in deze vergelijking nadenkend, zou misschien de God van het lichaam niet zijn de geest, die zetelt achter het dankend vermogen, van waaruit het Al (het lichaam) wordt bestuurd? Misschien een ontstellende gedachte enerzijds, een gelukkige gedachte aan de andere kant. Er is iets wat ons leidt, er is iets wat ons voert en dat is prettig. Dat is ook kracht, de niet behoort tot onze eigen wereld. Dat is maar goed, want onze eigen wereld bekritiseren wij teveel. Het is een ongrijpbaar iets, zoals de geest ongrijpbaar is voor de stof. Maar het is ook iets, wat tot ons spreekt, zoals de geest spreekt tot de stof. En daardoor is er een band.

SPIEGELBEELD

139

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld Alle wijsheid van alle tijden voert ons steeds weer terug tot die eigenaardige kosmische God, die uit Zich dingen geboren doet worden. Het ene volk noemt Hem Chronos, de tijd: een ander volk Brahman, adem. Wie zal zeggen, dat deze dingen niet hetzelfde zijn? Is niet de adem des levens voor de mans de tijd? Zijn tijd en leven niet onverbrekelijk voor heen verbonden? De een spreekt van de Allerhoogste, de ander van de Eerste Oorzaak, maar bedoelen zij eigenlijk niet precies hetzelfde? Datgene wat voortbrengt? Datgene wat als eerste cel, als nucleus voor alles, wat later gekomen is, ons heeft doen zijn? Misschien is het een gedurfde reeks van stellingen, maar ze is zeker dienstig om ons tot grotere zelfkennis te brengen. Ik kan natuurlijk hier een web van woorden om u heen gaan weven. Ik kan misschien een sfeer oproepen, die u voor een ogenblik ontrukt aan een werkelijkheid. En ik kan u misschien ook een kracht geven, die u voor een ogenblik de illusie geeft zelve iets van God in u te dragen en iets te zijn van God. Maar ik kan u niet veranderen en ik kan uw wereld niet veranderen. Het enige wat ik misschien veranderen kan is mijzelf, mijn ego. En daarom wil ik vóór alle dingen redelijk zijn. Ik weet, dat al wat rond mij is, mijn wezen weerkaatst. Mijzelve vrees ik vaak te herkennen en daarom vlucht ik voor dat beeld. Ik weet ook dat alle wetten, die voor mij gelden in de wereld rond mij, niet in een enkel ding maar in alle dingen gelijktijdig gespiegeld zijn. Dat is een heil boude bewering. In alle dingen, vrienden. Dezelfde wet, die voor u geldt, geldt voor de plant en voor het dier. Dezelfde wet, die voor u geldt, geldt voor de aardenevelflarden, die langzaam de aarde dreigen te verlaten en zich onttrekken aan de dampkring, gaande naar de ruimte. En voor de rotsen, die - kokend nog ergens onder uw voeten, in de diepe lagen van de aarde geborgen - wachten op het ogenblik, dat ook hun bestaan er een wordt van rust en verste vorm. Al die dingen zijn één. En juist omdat je die wetten kunt erkennen, wanneer je wilt en durft, kun je jezelf kennen. Wanneer je weet welke regels je gedrag bepalen, wanneer je weet welke stuwende kracht je zet op die plaats, waar je leeft, dan weet je ook wat je bent. En misschien is het goed te weten wat je bent. Want hand in hand met de esoterie gaat de mystiek en in de mystiek verborgen is het magisch karakter van symboolwaarden, sympathische waarden en kosmische parallellen geborgen. Wij kunnen incanteren en bezweren en daardoor al u iets doen opmerken of doen gevoelen in een paar woorden. En dan lijkt het wel of het komedie is. Maar het is waar, het is geen komedie. Want dat, wat ik doe, beïnvloedt mijn omgeving en de invloed van mijn omgeving geeft antwoord. Zoals een harpist de vingers beweegt over de snaren en daardoor een klank doet ontstaan, dia de gehele omgeving beroert, zo kan de mens, die zich bewust is van zichzelf, die zich bewust is van de krachten, dia hem regeren, met een enkel woord en een enkel gebaar de snaren van het leven, de wetten Gods doen klinken. En de gevolgen zijn als trillingen, dia een ieder beroeren en beïnvloeden. Wij kunnen symbolen neerschrijven, op zichzelf een ledig gebaar. Maar soms kan zo'n symbool deel zijn van een eeuwigheid. Het kan de perfecte uitdrukking zijn van een kosmische wet. En wanneer dat het geval is, dan trilt de ruimte na als een snaar, die aangaslagen is. Dan zingt zinderend de klank van de wet uit en ze wordt gehoord door Alle leven, zelfs wanneer het oor geen woorden onderscheidt. Esoterie is niet alleen kennis van het ik: esoterie is voor een groot gedeelte magie, zo vreemd als het misschien klinkt. Maar je kúnt jezelf niet zijn, zonder deel te hebben aan de magische processen van de kosmos. Je kúnt niet jezelf erkennen en blind blijven voor de werkelijke wetten, die de ruimte regeren. Je kunt niet jezelf erkennen en buiten het goddelijk Wezen blijven. Noem het het Koninkrijk Gods, noem het Levensadem, wat deert het ons? Het is het geheel, waar het om gaat. En wij behoren tot een geheel. D.w.z., dat wij als meester van onszelven, erkennend onze werkelijkheid en onze waarheid, zoals deze in ons leeft meester zullen zijn over al datgene, wat zich niet bewust is van de wet. Alle elementen, alle elementalen, alle geesten zullen uw wil doen, wanneer ge u.beroept op de goddelijke wet. Want ge kúnt u niet beroepen op iets, wat tegen de wet is. Dat strookt niet met uw wezen. Ge kunt alleen dat deel van de goddelijke wet activeren, dat in uw bewustzijn het beste past. Denk daar eens over na. Dit is abstracte wijsheid, die ik u hier vertel. Dit is niet het sprookje van een wonder en het is niet het magisch verhaaltje over dingen, die ergens in Tibet gebeurd

140

SPIEGELBEELD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld zouden zijn. Het is iets wat zich vandaag aan de dag afspeelt in en rond u, met u. En als ge dit als klare taal kunt verstaan - maar niet eerder - probeer dan het volgende te begrijpen. Dit volgende is een kwestie van sfeer. Het is een kwestie van gevoel misschien, maar zeker niet alleen van redelijk toehoren en ook niet van redelijke woorden. Hier moet ik wel een web spinnen, een web van klanken en ritmen en woorden, omdat ik u anders helemaal niet bereiken kan. Want er bestaat geen uitdrukking in uw taal, die zeggen kan wat ik u zeggen moet. Het is meer een sprookje, een soort Peter-Pan-sprookje, waar wat zonne- of manenstof mensen doet vliegen en de wereld tot een wonderland maakt. Daar zijn geen woorden voor. Er is in ons een heiligdom, in ons één kracht. Wij zijn gezondere en wij worden steeds weer geroepen tot talen, die wij niet beseffen. Boven alle werkelijkheid uit groeit een eeuwig licht. En in dat licht beschouwen wij onszelven en trachten wij onze taken te beoordelen. Maar telkenmale, wanneer het besef bijna is bereikt, dan breekt het af als een sombere duisternis. Want wij oordelen niet met Hem. Die de taak geeft, maar met het onbewustzijn van ons eigen wezen. En zo wisselen zich in de mens dag en nacht af, zo komt uit de grootsheid van een gouden kosmos de duisternis tot stand. En dan zou je willen zeggen"Ik kan niet meer, o Hier, Mijn: God, waarom heb Je mij dit aangedaan? Waarom dit leven?" Dan zeg je:" Mijn God, ik zie geen doel en ik zie geen kracht. Wat moet ik beginnen?" Dan beklaag je je over al datgene, wat je niet gelukt. Dan beklaag je je over dat leven, dat verkeerd loopt. En toch voel je aan, ergens, dat er een reden moet zijn, maar je kunt haar niet aanvaarden. En soms, op een ogenblik, dan fluistert er iets in je, dan spreekt er iets in je, wat zegt: "Hier is rust en hier is vrede.°En je meent te vluchten. Maar als je die vrede wilt grijpen, dan is het een fata morgana, vergaan in de wind op het ogenblik, dat je er naar reikte toch is er vrede en toch is er kracht. Mant soms.durft een mens te dromen. Soms beseft een geest voor cel kort ogenblik niet de beperkingen van zijn eigen wereld en zijn. Dan vlechten alle werelden zich tezamen tot een feestelijke bloemenguirlande, sierend de troon van de Allerhoogste. Dan omstrengelen zich alle werelden en alle sferen en zijn één, onverbrekelijk verbonden. Dan verliezen woorden hun zin en worden klanken tot een bazuinroep, die zelfs de doden doet opstaan. Dan zijn leven en dood één geworden en licht en duister gemengd. En dan ontstaat vrede, want er is kracht. Kracht, in uw leven, kracht in uw wezen, Waar de beperkingen vallen, daar begint de vrijheid, daar droomt de werkelijkheid voort. En in de akkoorden van de onbegrepen klanken en woorden vormt zich voor de mens en nieuwe bede. Een vaststelling: "God, Gij beweegt mij en doet mij gaan. God, in U ga ik Uw wegen. Doch niet meer met min wil, doch met de aanvaarding van de Uwe." En dan ís goud geworden tot wit, alomvattend licht. Dan spreekt de stilte en kan het geluid niet meer klinken, gedempt als het is door de kracht der oneindigheid. Dan gebeuren er wonderen en ze zijn natuurlijker, dan het meest normale, want dan bezit voor een ogenblik de ziel zichzelf. En zichzelf bezittend is ze één, bewust en gebonden met het Zijnde. Misschien is het een droom. Misschien ook is het een werkelijkheid. Men kan slechts zeggen dat dit door velen beleefd wordt, telkenmale weer, voor een kort ogenblik meestal. En zeer waarschijnlijk is dat de openbaring van het "ik" zelve, de kern van de esoterie. De kern van de persoonlijke bewustwording„ die alle andere dingen uitsluit. De kern ook van alle leerstellingen, die wij ooit hier kunnen verkondigen. Er is een eenheid. Een eenheid tussen u en mij. Een eenheid tussen onze wereld en u alleen en uw wereld. Een onverbrekelijke eenheid. En die eenheid kan alleen bestaan als iets, dat door u bewust beleefd wordt, omdat u staat op de grens tussen twee werelden, tussen de micro- en de macrokosmos. Juist omdat ge staat tussen het kleine en het grote en geen van deze delen volledig kent beseffen, spreekt tot u de eenheid uit alle detail, uit al het kleine. Misschien - misschien, ik weet het nipt - bekoort u de idee om God te aanschouwen.. Maar ik ben bang, dat die God ons zou doden. Ons bewustzijn zou zijn weggevaagd onder de enorme druk van Zijn wezen en Zijn weten, zoals het licht van een kaars verloren gaan in de zware bundeling van een schijnwerper. Wij zouden niets meer betekenen. En wij, die nog tussen die twee werelden staan, wij zijn nog niet zo ver, dat wij onze betekenis kunnen laten vallen. Wij zouden terugvluchten of teniet gaan. En juist daarom is het voor ons belangrijk, dat wij toch leren beseffen dat die eenheid bestaat en dat ze voor ons - zij het voor een korte tijd draagbaar en beleefbaar is. SPIEGELBEELD 141

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld Belangrijk is ook zeker voor ons te beseffen, dat die krachten, die in dat heelal bestaan, zich in óns openbaren, precies zo, met precies zoveel inhoud al noodzakelijk is volgens het grote Wezen, waartoe wij behoren. Er is geen reden om onszelf te klein te zien. Er is geen reden om onszelf te groot te zien. Wij zijn een onbegrepen kwaliteit. De scheidslijn tussen twee werelden. De wereld van het grote, waarin sterren denken en planeten lichamen zijn van kinderen, die opgroeien in een wereld van onmetelijke ruimte. We staan precies aan de grens van wereldstelsels, waarin een mens een sterrennevel is. En zelfs een dier werelden, die wij niet begrijpen in hun structuur. Te weten wat wij níét zijn, helpt ons te weten wat wij wél zijn. In een zeker proces van eliminatie kunnen wij voor onszelf ontdekken wat wij werkelijk zijn, zonder de komedie, waarmee wij dan een eigen wereld opbouwen. Het is voor ons niet nodig een eigen wereld te bouwen. Er is een eigen wereld voor ons, die onmiddellijk bestaat uit de goddelijke impuls. En wij behoeven geen moeite te doen ons wezen op te bouwen. Ons wezen is geschapen door een Kracht, die wij niet beheersen kunnen. Het enige, wat wij kunnen doen, is begrijpen hoe ons wezen juist past in onze omgeving: te begrijpen, hoe wij eigenlijk bestaan als een noodzaak voor al het andere. Hoe de schijnbare ledigheid en zinloosheid van onze dagen een betekenis gewint - op enigerlei manier, geestelijk of stoffelijk - zo groot, dat zonder ons geen heelal hetzelfde zou zijn. Wij zijn belangrijk. Wij in de geest en gij in de stof, kleine en onbenullige wezens misschien, maar toch wezens, zonder welke geen heelal kan bestaan, geen god in geen kosmos. Wanneer ge u dit kunt voorstellen en u hebt kunnen aanvoelen wat ik zo-even trachtte te zeggen, dan zult u zich niet verbazen, wanneer ik dit betoog ga besluiten met een paar regeltjes. Het zijn alleen maar regeltjes. Een ieder moet ze voor zichzelf begrijpen, verwerken en toepassen. Het zijn de sleutels, die passen op de kamers van uw eigen wezen en uw eigen hart. Maar de deur kunt u alleen zelf openen. De eerste wet, die werd gesteld was: Er zij. En de tweede wet was: Er zij licht. Wij moeten bestaan. En dit bestaan moet als licht bewustzijn in zich dragen. Zodra wij wegvluchten voor een bewustzijn, sterven wij een beetje. Indien wij werkelijk willen leven, mogen wij niets voor onszelf verhullen en moeten wij de waarheid trachten te zien. De derde wet was: Alles is waarheid, want alles is uit God. Alles is waar, ook uw droom, ook uw leugen. Alleen zult gij er de waarheid niet van beseffen. Indien gij echter beseft, dat uit alle dingen Gods waarheid spreekt, dan zult ga begrijpen hoe al, wat de wereld u aandoet, wat de wereld tegenover u is, tevens de waarheid van uw eigen wezen is. En ge zult zo een oordeel krijgen over uzelve, dat waar is maar niet volledig. De vierde wet: Waar goed is, is kwaad en waar kwaad is, is goed: en in God zijn beide steeds elkaar gelijk. Besef wel, dat uw wezen niet goed of kwaad kan zijn. Het is altijd een mengeling van deze waarden. Maar belangrijk is, dat in God deze beide aan elkaar gelijk zijn. Goed en kwaad zijn ons gelijk. Niet om de waarden, die zij vertegenwoordigen, maar om het bewustzijn, dat wij erin dragen. Ons kwaad zal ons goed worden, zodra wij het doen met een besef en een doelbewustheid t.o.v. de kosmos. Ons wezen, dat tracht zichzelf te zijn en zich te openbaren, zal voel doen wat goed is en het toch kwaad heten, omdat het "ik" daardoor beperkt wordt in de uiting van zichzelve. Een vijfde wet is deze: Want er zijn vele werelden geschapen, doch slechts één ervan werd bezield. Werelden. Er zijn vele mogelijke werelden, maar er is slechts één wereld, waarin God leeft. Er is maar één goddelijke volmaaktheid, waarin gij bestaat. Elke poging om een wereld anders te beschouwen en als een reële wereld, brengt u in een waantoestand, een wereld, die niet Gods wereld is. Ge kunt daarin leven, maar ge zult vanuit Gods wereld steeds weer beïnvloed worden. Beter is het dus te trachten te erkennen wat Gods wereld is voor u: en zo in God uw eigen functionele inhoud te leren kennen t.o.v. God, als geest en als stofmens.

142

SPIEGELBEELD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld De zesde wet is de wet van kracht. En deze leert ons dat alle energieën steeds streven naar rust en evenwicht. Dat daar, waar een tekort is, de kracht zal aanvullen. Dat daar, waar een teveel is, de kracht zal uitgaan. Ge meent misschien, dat ge geen kracht genoeg hebt. Ge zoudt meer kracht willen hebben. Maar indien een kracht uw behoefte is, zo is zij de uwe. Wanneer ge niet weet hoe haar te gebruiken is dat uw zaak, maar de kracht ís er. En ge weet, dat ge die kracht bezit, maar gij zijt soms bang om haar te gebruiken. Gij zijt soms bang om haar te ogenbaren of uit te leven, nietwaar? Dan leeft ge ook niet in Gods wereld en de werkelijke wereld. Want indien uw wereld reëel is en uw opvatting van uw eigen taak reëel is indien gij uzelve dus enigszins kent - dan zult ge alle kracht, die u gegeven wordt, in geval van noodzaak kunnen aanvaarden en projecteren. Ge zult achter ook daar, waar uw hulp gevraagd wordt, die kracht projecteren, zonder te vragen: “Wanneer is het genoeg?” Want dit regelt de goddelijke wet, die op het ogenblik van een tekort die kracht schenkt. En dan een laatste regel: Toen God schiep, schiep Hij de mens naar Zijn beeld en gelijkenis, staat er geschreven. De mens is qua inhoud een beeld Gods. Leer uw God kennen en ken uzelve. Zeer uzelve kennen en ken zo uw God. Dat klinkt zo ingewikkeld, maar het is heel eenvoudig. Vraag u steeds af: Wanneer ik God zou zijn, wat zou ik doen? Uit in een fantasiewereld, maar in iets praktisch. Niet: Ik zou de wereld vrede geven, want dat is een chimaera, een nachtmerrie. Wanneer ik God zou zijn, hoe zou ik b.v. het bewustzijn bevorderen? Vraag het u af. En in het antwoord, dat gij geeft, zult ge uzelf erkennen. Maar vraag u dan af: Hoe zou ik tegenover God staan, als Hij voor mij stond? Indien gij eerlijk antwoord geeft, omschrijft ge ook uw God. Zelfs in de beperking van uw bewustzijn kunt ge uw God en uzelve kennen, kunt ge tot de kern van de waarheid doordringen. Want er zijn wetten gegeven, die alle werelden gelijk beïnvloeden en alle wezen. En zelfs zij, die op de scheiding staan tussen groot en klein, zij die nog niet zijn vrije geest en ook niet zijn stoffelijk groeiende kracht, zij zullen in deze wetten het geheim kunnen vinden van de grote en de kleine wereld van God zowel, als van de geaardheid van alle materie en alle geheimen. Lang voordat men met deze wetten begon - ik wil u daar even aan herinneren - wisten de Chinezen te spreken over de samenstelling van de materie: creëerden de vroege Grieken het concept van molecuul en atoom, vonden de Egyptenaren niet slechts overeenstemmingen tussen de werking van water en aarde en de bloedsomloop van de mens, maar wisten ze ook zelfs de zenuwimpuls te beschrijven als een bode, die uitgaat van het hof tot de provincies. En toch hadden zij niet de middelen om door te dringen in de techniek der dingen. Maar zij hadden de kosmische wet, de goddelijke wet. En met deze wet wisten zij de geheimen te doorgronden. Hun interpretaties zijn vaak fout geweest en dat zullen de onze ook zijn. Maar de kern van hetgeen zij toen dachten, en toen zeiden is ook nu waar. En zo kunnen wij eeuwen vooruit op de ontwikkeling van de materie, ongetelde aeonon van jaren vooruit op de ontwikkeling van de geest, nu in onszelf en uit onszelf de oplossing vinden van de raadselen, die het leven ons stelt en kunnen wij voor onszelf de weg vinden tot vrijheid. Met dat laatste, vrienden, ben ik gekomen aan het einde van mijn betoog en zou ik willen voorstellen te pauzeren. Na de pauze kunnen wij dan verdergaan met een ander onderwerp. Kunt u daarmee akkoord gaan? Dan dank ik u vriendelijk voor uw aandachtig gehoor en wens ik u verder een vruchtbare en zegenrijke avond. o-o-o-o-o Goedenavond, vrienden. In dit tweede gedeelte van de avond kunnen wij proberen een onderwerp naar uw eigen keuze te behandelen, als er tenminste liefhebbers zijn. (na lang zwijgen) Doet u het.

SPIEGELBEELD

143

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld DOE HET ZELF

Dat lijkt mij wel een aardige kop voor een onderwerp. Dank u zeer. Want dat "doe het zelf" is zo een afleiding van het Amerikaanse "do-it-yourself" craza. M.a.w. de gekheid van doe alles zelf. En nu is het gekke, dat we in de esoterie die dingen ook nog al eens tegen het lijf lopen. Natuurlijk kunnen wij een hele hoop dingen doen, maar het is de vraag of wij in staat zijn al die dingen werkelijk goed te doen. Laten we nu eens als voorbeeld nemen de heer Pieterse. De heer Pieterse doet alles zelf. Hij heeft behangen. De behanger heeft vijf uur nodig gehad om het er af te scheuren, voordat hij het papier weer goed kon plakken. En zo gaat het geestelijk ook heel vaak. Er zijn mensen, die zich bezighouden met dingen die hen absoluut niet aangaan. Dat klinkt nu misschien erg cru, maar het is zo. Want wanneer wij in de esoterie terechtkomen - en daarover gaat het toch vanavond - dan zijn er een heleboel mensen, die proberen hun eigen systeem van denken op te bouwen, hun eigen systeem van geloven, hun eigen systeem van filosofie en dan willen ze bovendien nog hun eigen gemeenschap oprichten om dat eigen systeem in de praktijk te brengen. U begrijpt wel, dat gaat fout. Er zijn bepaalde dingen, die wij zelf niet kunnen doen om de doodeenvoudige reden, dat wij daarvoor geen vaklui genoeg zijn. En nu is een van de eerste punten, die ik hier dan naar voren wil brengen, eigenaardig genoeg misschien de kwestie van zelf geestelijk werk doen. Dat geestelijke werk is natuurlijk erg uitgebreid. Dat vinden we als geestelijke genezing, spreken, tekenen, toekomst voorspellen, raadgeven, astrologie, enz. Dat is allemaal geestelijk werk. maar bij dat geestelijk werk zit er altijd één knoopje. En dat is dit: Er zijn ons nu eenmaal bepaalde denksystemen overgeleverd. Wij krijgen bepaalde denksystemen voorgelegd. Wanneer wij nu zelf gaan proberen uit die denksystemen een voor ons passend systeem in elkaar te timmeren, dan hebben wij nog wel eens last. En in de esoterie betekent last tevens verwijdering van het doel. Want op het ogenblik, dat wij eigenlijk niet goed weten wat wij willen, hoe wij willen of hoe wij moeten, dan staan wij voor een muur, wanneer het gaat om bewustwording. We zitten allemaal ons best te doen het probleem op te lossen, we denken dat wij goed vooruit komen, maar in feite doen we geen steek, geen jota, geen tippeltje en geen titteltje. We zitten gewoon maar te kijken. En als we het probleem hebben opgelost, zijn wij niet één schrede verder, omdat het probleem niet ons probleem is. Stel u nu voor, dat er een mens komt, die zegt: “Ik wil nu eens precies gaan uitzoeken hoe God leeft." Dat kun je niet. Natuurlijk, na een hele tijd kan hij met een schijnbaar zeer verantwoord theologisch betoog voor de dag komen, maar hij heeft niet veel meer gedaan dan die bekende dominee, die een hele twist heeft gevoerd van enkele jaren over de vraag, hoeveel engelen kunnen er dansen op de punt van een naald. Nu ja, we weten over een punt van een naald, of er engelen op kunnen dansen of niet, dat weten we niet. Een mens kan er wel op gaan zitten, maar dat doet hij maar voor een korte tijd. Dus dat is geen probleem, dat gaat ons niet aan. Gaan wij daaraan tijd besteden, dan komen wij niet verder. Als je iets zelf wilt doen - en in het geestelijk werk is er veel wat jezelf moet opknappen - dan is het toch wel in de eerste plaats belangrijk, dat je je bepaalt tot het essentiële van de zaak. En ja, dan komt nu het moeilijke ogenblik, dat ik moet gaan proberen dat essentiële te omschrijven. Dat lijkt eenvoudiger dan het is, want wij zijn hier met een aardig ploegje mensen en u weet: zoveel hoofden, zoveel zinnen. Maar misschien dat ik toch een eind op weg kom, wanneer ik die beperkingen op dat zelf werkzaam zijn nu voorlopig eens even op de voorgrond probeer te brengen. En dan zullen wij maar niet beginnen de zaak in te delen onder de hoofden geestelijke genezing, astrologie, astronomie, theosofie, enz. Want eerlijk gezegd, zodra er Sophie bij komt, dan aarzel ik tussen juffrouw Sophie, die ik vroeger kende en het sofisme. Laten we het liever zo doen: We zullen proberen een bepaalde vorm van bewustzijn te omschrijven, een bepaalde methode van denken, een bepaalde instelling en aan de hand daarvan zal ik dan proberen aan te geven, waar van dat standpunt uit de zelfwerkzaamheid dient te beginnen en ook, waar ze moet ophouden. Dan beginnen we hier met nr.1. 144 SPIEGELBEELD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld Bij deze vorm van bewustzijn neem ik het volgende aan. In de eerste plaats: een redelijk rijke achtergrond van ervaring, bij voorkeur een ervaring op de wereld dus, die een beperking in één milieu uitsluit: Het kan dus b.v. iemand zijn, die in de koloniën heeft gezeten: het kan iemand zijn, die veel gereisd hoeft: iemand, die in veel verschillende steden gewoond heeft, of in steden en dorpen afwisselend gewoond heeft, iemand die een beetje verandering heeft doorgemaakt. Van die mens nemen wij verder aan, dat hij met geestelijk werk enigszins op de hoogte is. Wij veronderstellen dus een zekere belangstelling voor het paranormale en nemen verder aan belangstelling voor filosofie, belangstelling voor abstracte problemen, mogelijkerwijs gepaard gaande met een zekere aanleg voor wiskunde. Is die omschrijving duidelijk genoeg, of moet ik daar nog wat aan toevoegen? Duidelijk genoeg? Goed. Dan krijgen we hier dus de stipulatie van de wijze, waarop het bewustzijn werkt, uitgedrukt in de probleemstelling van de mens. Zo iemand zal over het algemeen geneigd zijn om vergelijkend te beschouwen. Hij gaat dus niet één richting na, maar hij vergelijkt verschillende vormen en richtingen met elkaar en tracht daaruit voor zichzelf tot een synthese te komen. Bij de synthese echter voelt hij zich genoopt te komen tot een uitdrukking in vergelijkingen en niet in voor hemzelf concrete waarden. De daden, die hieruit voortvloeien, zijn over het algemeen goed, maar er blijft een zekere innerlijke onzekerheid, die zich o.m. kan uiten in een zwaar bomen over abstracties en daarnaast in het zich stellen van vragen, waarop het "ik" geen antwoord kan geven. Bij deze persoon is het mogelijk om tot een verdere ontwikkeling te komen, wanner hij zich leert beperken. Het zien van verschillende waarden in vergelijking is positief, wanneer wij het slechts toepassen voor onszelf: niet wanneer wij trachten daarop een wereldbeschouwing te bouwen. Een wereldbeschouwing kan aan de hand van de gegeven waarden n.l. niet bereikt worden. In de tweede plaats is deze persoon niet geschikt om te gaan debatteren over God, goddelijke kracht e.d. Elk debat daaromtrent zou uitlopen op een hopeloos getheoretiseer en gefilosofeer, zonder werkelijke vooruitgang of inhoud. De consequentie hiervan is dus, dit de stelling van de problemen altijd scherp geformuleerd moet zijn. Wij mogen niet in het vage of het, algemene weg gaan denken, wij verknoeien daarmee alleen tijd. De persoon heeft door zijn zekere aanleg b.v. voor mathematiek de mogelijkheid om scherp en kort te formuleren. Hij is, dus in staat om desnoods via door hem gebruikte symbolen te komen tot een zeer nauwkeurige analyse van zijn noodzakelijke daden. Hij weet wat hij móet doen, wat hij kán doen, hij weet wat hij wíl doen en kan deze zo vergelijken, dat hij een maximaal nuttig, effect krijgt. Dientengevolge is voor deze mens wel nodig om scherp bezien en bekritiseren van zijn eigen daden. Zo iemand is verder nogal eens geneigd om - ik wil niet zeggen zich bóven leiding te plaatsen maar om een leiding te zoeken, die met hemzelf of met haarzelf in overeenstemming is. Zo iemand meent n.l.: Ik heb wat gezien van de wereld, ik heb veel gelezen, veel gestudeerd, ik wéét dus wat, en iemand, die mij nu iets vertelt, wat ik niet weet, mag dat alleen maar doen, wanneer het met de rest van mijn wetenschap werkelijk strookt. Hier wordt een fout gemaakt. Dit zou betekenen een beperking van de mogelijkheid tot accepteren en opname. Juist een dergelijk persoon moet, niet alleen in vergelijkende zin openstaan. voor vele meningen, maar moet in staat zijn emotioneel bepaalde meningen en stellingen te ondergaan en zo te komen tot een gewenst resultaat, n.l. een uitbreiding van eigen bewustzijn. Voor vergroting van zelfkennis is het voor de persoon verder goed, wanneer hij zich voortdurend bezighoudt met een aspect van zijn eigen wezen. Door zijn al te universele belangstelling zal hij niet in staat zijn zichzelf in het juiste daglicht te zien als geheel. Door zijn vermogen tot mathematisch en redelijk denken, scherp redelijk denken, zal hij wel in staat zijn, een bepaalde fase van zijn persoonlijkheid of leven volledig te ontleden en dáár conclusies uit te trekken. Bovendien is hij dóór zijn scholing zeker ver genoeg gekomen om niet tot een generaliseren over, zichzelf aan de hand van één bepaalde eigenschap over te gaan,. Door zó eigenschap na eigenschap af te handelen zal deze mens zelf zeer wel kunnen doen voor zijn eigen bewustwording. Commentaar of vragen over dit eerste punt? Was het allemaal helder? SPIEGELBEELD 145

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld Geval 2. En nu hebben zij mij altijd verteld dat de wereld het van de tegenstellingen moet hebben. Dus zou ik als tegenstelling hier iemand willen nemen, die over het algemeen eenzijdig is. En nu moet u rekening houden met het feit, dat ik hier natuurlijk algemene termen gebruik en iemand, die zich steeds in een eigen coterie beweegt, b.v. vergelijk met iemand, die in een dorp leeft. Dus mensen, die alleen een bepaald soort mensen en een bepaald soort gemeenschap steeds zoeken en niet in staat zijn om.... Laten we het zo zeggen: dat zijn van die "hela-hola-Hollanders. Het zijn mensen, die gaan naar Turijn, naar Milaan en naar Venetië en overal staan ze voor de Kathedraal gezamenlijk in het Hollands te kletsen dat het wel mooi is en dat het doet denken aan de St. Bavo of de St. Jan, waarna ze weer in de bus stappen om hela-hola-end verder te gaan. En dan komen ze thuis met de misconceptie, dab ze nog iets gezien hebben van Italië. In feite hebben ze allen maar Holland gezien door een andere bril. Begrijpt u wat ik bedoel? Dan moeten wij voor dié persoon verder grondwaarden stellen. Dan stellen wij daarbij - dus buiten deze beperking van belangstelling, in feite dus milieugebondenheid - een zekere sensitiviteit en ook een zekere emotionaliteit. Daarnet was het zo redelijk, laten we nu een zekere emotie nemen. Dan stellen wij daarbij verder ook een beperking aan algemeen inzicht en algemene, kennis. Dat klinkt erger dan het is. Maar we hebben in dat andere geval iemand gesteld, die zeer belezen was op allerhande terrein, die veel had meegemaakt. Nu stellen we dus een beetje het tegenovergestelde. Wat krijgen we nu? Nu krijgen we iemand, die op het ogenblik dat hij gaat proberen om voor zichzelf een levenssysteem uit te knobelen, altijd in de war knobelt. Want deze knobelarij is gebaseerd op een beperkt, een zeer beperkt concept. Het is dus geen werkelijke vrijheid. Het betekent alleen een vertekening van een bestaande. Werkelijkheid, waardoor wél strijd ontstaat, maar geen groter bewustzijn. Die persoon moet zich onthouden van het proberen een synthese te vormen. Dat kan zo n.l. niet. Wel kan zo iemand - gezien de sensitiviteit plus de emotionaliteit, die beide als factor worden gesteld - zich door eigen gevoel laten leiden bij de keuze van de factoren, die aanvaardbaar zijn. Dan komt daar verder nog iets bij. Deze dorpsmentaliteit (niet ongunstig gebruikt), leidt er toe, dat men zich veel met anderen bemoeit. En dat bemoeien is over het algemeen wel een beetje een verkeerde factor. U weet hoe het gaat. In een grote stad kan er bij de buren gebeuren wat wil: zolang je geen overlast hebt, geloof het wel. Maar als in een dorp de dokter aan de andere kant van de straat, een nieuw meisje moet hebben, omdat zijn vrouw ruzie hoeft gemaakt met de huishoudster, dan is het hele dorp in spanning en zitten de oude vrijsters aan de andere kant van de straat regelmatig achter het horretje te loeren en te kijken, wie er komt solliciteren. Dat is natuurlijk een volkomen foutieve instelling. Je moet het zé bekijken, vooral voor dit type dus: Zolang als je je te veel verbindt aan het lot van anderen, ben je niet vrij genoeg in het vormen van je eigen lot. Hier is beperking noodzakelijk. Je kunt niet zeggen Hier zal ik zelf ingrijpen ten bate van of ten laste van anderen: Hier is absoluut een je beroepen op stuwende krachten noodzakelijk, anders kom je er niet. Wat betreft de bewustwording, deze kan over het algemeen niet voortkomen - zoals bij die ander - uit een beredenering. Elke poging tot beredeneren leidt - of je het nu leuk vindt of niet - tot verwarringen, onmogelijkheid a.h.w. tot rechtuit denken. Je moet dus ook niet proberen theorieën op te bouwen. Voor deze mensen is de praktijk beter dan de theorie en kan werkelijke bewustwording alleen gewonnen worden uit de daad, niet uit de overpeinzing. Is er op dit type commentaar? Dan heb je ook nog mensen en dat zijn heel leuke mensen, die n.l. altijd precies het tegenovergestelde doen van wat je verwacht. Ik weet niet of u ze kent. Van die mensen kun je in de eerste plaats zeggen: Ofschoon ze vaak zelfs internationaal georiënteerd zijn, zijn ze zeer vasthoudend aan eigen milieu en eigen denken. Het is geen dorpsbeslotenheid, maar het is eerder een te groot respect voor het "ik", waardoor men anderen op de achtergrond brengt. Daar komt in vele gevallen een scherp verstand bij, maar dat verstand zal altijd rekenen met vakwaarden. Als zo iemand slager is en hij ziet op het strand een aardig meisje voorbijgaan, dan zegt hij: "Kijk eens, wat een leuk lendestuk daar gaat." Als het een koopman is en hij ziet een kunstwerk, dan informeert hij onmiddellijk naar de prijs. Dit dus om een indruk te geven van dat type. Een waardering, n.l. de mijne. In die waardering volledig recht door zee 146 SPIEGELBEELD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld misschien en trouw en nog veel meer, maar eenzijdig. Zo iemand heeft verder heel vaak de gewoonte om zich.... laten we zeggen zoveel mogelijk gelijkvloers te bewegen. Een zekere: sensitiviteit of gevoel voor het paranormale zullen wij de persoon in dit geval niet ontzeggen om het een klein beetje te laten slaan hoofdzakelijk ook op onze eigen milieus, maar hier zit een zekere would-be nuchterheid bij. En die nuchterheid is in deze typen meestal een ontkenning van eigen dromen. Is dit type voldoende omschreven? Kunt u zich van zo iemand een voorstelling maken? Als we met zo'n type te maken hebben, dan zullen wij in de eerste plaats moeten zeggen, dat de bewustwording gebaseerd moet zijn op de eigen persoonlijkheid, zoals overal. Die persoon kan zich niet gaan storten in een paranormaal avontuur, wanneer hij van beroep geen paragnost is. Hij/zij kan zich niet gaan bewegen op het gebied van de kunst, wanneer hij b.v. persoonlijk in de handel is geïnteresseerd. Hier ligt de grootste mogelijkheid én tot bewustwording én tot bereiking op eigen terrein. Verder is het duidelijk, dat we een dergelijk persoon - we hebben n.l. een zekere milieugebondenheid met een gelijktijdig wereldkennen samengesteld - als bewustwordingswaarde ook moeten toekennen de mogelijkheid zijn eigen milieu te kennen en te leiden. Een typisch verschijnsel: Hier is leiding noodzakelijk, mits - en dat is de beperking bij "dit doe het zelf" beleid - zelf de richting, waarin alles gaat, maar ontzie altijd de persoonlijkheid van anderen. Dat is weer de beperking. Daardoor wordt bewustzijn opgedaan, omdat het ik zich associeert met alles, waaraan het leiding geeft. Elk op zich nemen van verantwoordelijkheid is dus in feite een uitbreiding van de persoonlijkheid. Daarbij komt verder, dat - ofschoon geen direct filosofisch concept bestaat (soms wel een filosofische belangstelling) - in feite elk beleven en elke gebeurtenis wordt overgebracht op filosofisch terrein. Er bouwt zich aan de hand van de stoffelijke en materiële belevenissen een reeks van stellingen op, die eigen daden beheerst maar gelijktijdig eigen bewustzijn stimuleert en richt. Voor deze persoon is het belangrijk om altijd de daden gezond te stellen in overeenstemming met zijn eigen instelling. Dus voor de zakenman zakelijk, voor de wetenschapsmens wetenschappelijk, (alleen voor de paragnost paranormaal) en daarnaast geen andere overwegingen te doen intreden. Voor de grootste bereiking op eventueel geestelijk terrein komt daar verder bij, dat eigen geloofswaarden, zoals levend in het eigen ik, volledig projecteerbaar zijn in het leven van alledag. In het leven van alledag kan door het uiten van eigen geloof binnen de eigen daadstelling een grotere kennis van het ik, plus een groter vermogen tot gebruik van goddelijke kracht verworven worden. Is dit ook duidelijk? Waarom zou die man filosofische aanleg hebben? Dat was me niet helemaal duidelijk. Ik heb niet gesteld, dat hij een filosofische aanleg heeft. Ik heb gesteld, dat hij een zekere interesse, een zeker gevoel voor het paranormale had. Dat heeft u ook gezegd, maar ook het een en ander over wijsbegeerte Ik heb niets gezegd over wijsbegeerte: ik heb de opmerking gemaakt, dat hij zich een filosofie opbouwt aan de hand van zijn eigen ervaringen. Ik geloof, dat dat niet verder duidelijk gemaakt behoeft te worden, omdat praktisch elk mens zich een filosofie opbouwt aan de hand van zijn beleven. Dat is een normaal verschijnsel. Zelfs een dief heeft zijn filosofie: "Als een ander meer heb dan ik, dan neem ik wat hij heb, dan heb ik meer dan hij heb". Dat is ook een filosofie. Want filosofie is het opbouwen van een stelling op grond van bekende feiten, waardoor je een verklaring krijgt voor hetgeen je niet verklaren kunt of een reden voor datgene, waaraan je zonder meer geen reden kunt geven. Volgend type. Wat zullen wij daar nu voor nemen? De sortering wordt klein, wanneer je het algemeen wilt houden tenminste. Laten we nu nog twee typen tegenover elkaar nemen. Dan houd ik er mee op en dan moogt u vragen: gaan stellen over andere typen, waar u nog meer van wilt weten. Maar nu wil ik het "doe het zelf" stellen tegenover elkaar voor b.v. een paranormaal genezer. Met een bepaalde begaafdheid en een astroloog met een bepaalde begaafdheid. Beiden zijn typen, die zich dus bezighouden met het paranormale, daar die al krachtens de soort wetenschap die ze beoefenen, een zekere instelling hebben. Het zijn natuurlijk weer grensgevallen. Het zijn allemaal grensgevallen. Er liggen hopen trappen tussen. Die moet je zelf maar uitkienen. Dan beginnen we maar met de paranormale genezer. SPIEGELBEELD 147

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld Magnetische en genezende krachten. Wij nemen aan een achtergrond van sensitiviteit. Wij nemen verder aan, zoals meestal bij dergelijke personen, een gevoelsmens en een begeertemens. Dat gaat meestal samen. En daarnaast stellen wij dan een zekere wereldgebondenheid, dus snel ontstaande binding t.o.v. andere personen, en wij zullen er ook bij stellen (dat komt toch ook vaak voor in dit geval) theoretische kennis van magie en occultisme. Akkoord? Dan beginnen wij allereerst te stellen, dat hier dus sprake is van een bepaalde beroepswerking, die tevens moet voortkomen uit een zeker idealisme. Dat idealisme kan bij de slechten voortkomen uit het ideaal zoveel mogelijk geld te verdienen op zo eenvoudig mogelíjke wijze: bij de goeden zoveel mogelijk mensen te helpen en te genezen, opdat ze zo gelukkig en zo vredig mogelijk zullen zijn. Maar een zeker idealisme zit er achter en dat is onmiddellijk beroepsgebonden. Deze binding is bij een dergelijk beroep veelal veel sterker dan in normale gevallen en daar komt dan ook bij die persoonsgebondenheid. D.w.z. dat de slechte groep zich voortdurend op de hoogte gaat stellen van: Hoeveel heeft die ander, hoeveel zou hij willen geven? Terwijl de andere daarentegen zich meestal op de hoogte zal stellen van: Hoeveel lijdt die ander, hoeveel pijn en hoeveel ellende heeft die ander? Nu is het natuurlijk logisch, dat in geen van beide gevallen voor de bewustwording een maximaal effect wordt, bereikt, tenzij de werkingen van elkaar gescheiden blijven. Op het ogenblik dat wij het genezen met het geld verdienen of met het medelijden gaan vereenzelvigen, ontstaat een emotionele toestand, die een bewust beheersen van onze krachten feitelijk uitsluit. Daarmee komen wij niet verder. Wij komen dus steeds te staan voor verschijnselen, die wij niet kunnen verklaren en als gevolg daarvan voor raadsels, welker oplossing - zo wij ze ooit kunnen oplossen - op zijn minst genomen een enorme vertraging in ontwikkeling betekenen. Het zou zo moeten zijn. De paranormale genezer in dit geval helpt, maar heeft geen medelijden. Hij kán medelijden hebben met iedereen, behalve met zijn patiënt. De paranormale genezer helpt en hij mag zo tuk zijn op centen als hij wil, maar hij mag zo nooit zien als deel van de behandeling van zijn patiënt. Anders komt hij niet verder. Dan heb ik in de tweede plaats ook gesteld: theoretische kennis van het occulte en vaak ook van het magische. Een persoon, die over een voldoende sterk magnetisme beschikt of over het vermogen dat magnetisme op een andere wijze te versterken, kan natuurlijk met de magie vaak heel wat bereiken. Maar wanneer wij het magisch werken primair gaan stellen, zullen wij altijd verkeerd uitkomen. Zo iemand kan zelf alleen datgene in praktijk brengen, wat hij weet (als b.v. een doel van beroepsuitoefening), maar hij kan nooit experimenteren. De paranormaal genezer b.v., die zich gaat bewegen op het terrein der alchemie, dus zelf experimenten gaat doen van laten we zeggen pseudo-magisch karakter, zal daardoor in de war komen t.o.v. zijn normale werkzaamheden en daarnaast niet in staat zijn tot een volledig inzicht te geraken van zijn liefhebberij. Beperk je dus altijd in het magische en ook in het occulte tot datgene, wat jezelf kunt ervaren en beheersen. En daar hoort dan ook bij: stel daaraan geen eisen. Want op het ogenblik dat je zegt "ik wil dit of dat beleven", ga je feitelijk een magische dwang uitoefenen. En wanneer je deze magische, dwang uitoefent zonder te weten, hoe dat precies moet gebeuren, heb je grote kans, dat je te veel problemen schept en alles in het honderd loopt. Maar wat moet je dan wel doen? Want het is hier de kwestie van doe het zelf. Wat kun je in zo'n geval zelf doen? In de eerste plaats kun je door je steeds bewust te zijn van de kracht, waarmee je werkt, steeds meer leren omtrent de kosmische krachten en daardoor een aanmerkelijke uitbreiding. van eigen bewustzijn, een verandering van eigen instelling en verduidelijking van eigen inzicht verkrijgen. In de tweede plaats, kun je door bewust alleen daar te werken, waar een noodzaak wordt aangevoeld, leren in hoeverre je gevoelens betrouwbaar zijn. De betrouwbaarheid van de gevoelens met een uitschakeling van het emotionele, zover mogelijk, betekent, een zuiverder onderkennen van datgene, wat bewust ontnomen wordt aan omgeving en kosmos én datgene wat voortkomt uit eigen wens- en dwangleven. Het resultaat is dat hierdoor een zuiverder instellen op kosmische waarden mogelijk wordt. En dan een laatste punt, (d.w.z. voor deze persoon, hoor: want ik heb nog een astroloog achter de hand). Je moet te allen tijde je baseren op het enige, waarvan je zeker bent. Dit 148 SPIEGELBEELD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld klinkt misschien - vooral voor iemand, die zich bezighoudt met het paranormale, het occulte wat vreemd. Toch is het waar. Juist degenen, die in de omschreven instelling vaak wat instabiel zijn, zullen zich op het zékere moeten baseren, willen zij voor zichzelf voldoende houvast krijgen aan het leven. En dat houvast kan alleen vertaald worden in een vergroting van bewustzijn, wanneer het een vast punt van uitgang is, waaraan alle belevingen, geestelijke zowel als onderes a.h.w. worden vergeleken en getoetst. Die personen kunnen verder, wanneer ze iets willen bereiken, dit alleen bereiken wanneer ze recht door zee gaan: Langs omwegen zal zo iemand steeds terecht komen in een verwarring, waarbij meestal het occulte een te grote rol spelt om een beheersing mogelijk te maken. Dergelijke problemen zijn bewustwording vertragend. Was dit voldoende en duidelijk? Dan krijgen wij de laatste, de astroloog. Nu hebben ze de astroloog wel eens gezien als de vervoeging van astro liegt, oftewel de ster liegt. Dat is natuurlijk niet waar. Als astroloog is men uiteraard een mens, die gelooft aan vele dingen, die voor de normale wetenschap onaanvaardbaar zijn. Hij zal verder vaak enigszins paranormaal begaafd zijn. Het kan haast niet anders, want hij gaat - ook al berekent hij - toch meestal op zijn gevoelens af, vooraf bij zijn interpretaties. Hij moet een goed geheugen hebben voor cijfers, moet dus goed kunnen rekenen, maar zal zijn berekeningen over het algemeen slechts kunnen aanvoelen en kunnen aanvullen door zijn gevoel. Daar komt uit voort, dat de doorsnee astroloog een schijnbaar rustig mens zal zijn. Hij houdt zich meestal nogal kalm en vaak zelfs wat op de achtergrond. Hij is in staat diep te voelen, hij is in staat scherp te denken en te analyseren, maar zal daarnaast beperkt zijn tot zijn eigen gebied van denken. Hij is dus van eenzijdigheid over het algemeen niet geheel ontbloot. Kennis van bepaalde esoterische leringen en andere waarden van het occultisme is aanwezig. Is deze persoonsomschrijving duidelijk genoeg? Dan kunnen wij stellen, dat deze persoon in de eerste plaats zich geheel werpt in de wetmatigheid van het leven en zich te weinig bewust zal zijn van persoonlijke wilsvrijheid. Wil deze persoon verder komen, dan zal hij moeten beseffen, dat het uitoefenen van de vrije wil de eerste plicht is van de mens. En de uitoefening van de vrije wil vergelijkend bij de invloed van de sterren zal hij kunnen komen tot een juister concept van zijn eigen levensmogelijkheden. Dit leidt tot een zuiverder persoonlijkheidsuitdrukking, een vaak actiever bestaan en als gevolg vergroting van bewustzijn. In de tweede plaats zal de astroloog bewust of onbewust vaak zoeken naar een zekere meerderwaardigheid te demonstreren. Psychologisch is dat natuurlijk verklaarbaar, omdat hij als astroloog door de wetenschap altijd met een scheef oog wordt aangezien en misschien nog wel door de klanten in de nek wordt gekeken, wanneer hij tenminste niet handig genoeg is zijn klanten in de nek te kijken:. Hij verdedigt zich voortdurend, bewust of onbewust dit is foutief. Hij mag zich niet verdedigen tegen de wereld, maar moet - gebaseerd op zijn eigen weten - trachten de verschijnselen van die wereld duidelijker te omschrijven en te definiëren. Voor deze astroloog, is deze omschrijving van het algemeen wereldgebeuren van het grootste belang voor, zijn eigen verdere ontwikkeling. Daarnaast zal hij moeten trachten, zonder - ondanks zijn aanwezige sensitiviteit - te ver in te gaan op geestelijke waarheden, te komen tot een godsconcept, dat voldoende overeenstemt met zijn eigen opvattingen en verklaringen om zich daarop voortdurend te beroepen. Dit beroep op die God is voor hem een bewustwordingswaard, waar hij hieruit een aanvulling kan verkrijgen op elk ogenblik, dat hij meent tekort te schieten. Een vergroting van prestatie, vergroting van zekerheid, vergroting van belang ook in de omgeving en in de wereld brengt met zich mee een verscherpt denken, een verscherpt voelen en daardoor een duidelijker omschrijving van de wereld, met als gevolg inherent daaraan een juistere definitie van het ik en zijn positie tegenover de wereld, een juistere keuze van richting en van streven, dan voor die tijd het geval was. Dat zijn zo'n paar gevallen, waarbij wij zo dat “doe het zelf" onder de loep genomen hebben. Had je niet gedacht, hé? Maar daarmee heb ik misschien ook wel weer wat problemen opgegooid en ik zou zeggen: Nu is het ’t ogenblik om ze te spuien, wanneer je zin hebt. Je hebt van die mensen, die altijd in tegenspraak zijn. Wat is dat nu? Die er een sport van maken altijd tegen te spreken. Dat ben ik zelf ook vaak geweest, wist je dat? Dat wil ik dan ook wel wat algemener definiëren. Iemand die altijd in tegenspraak is of in de contramine is iemand die over het SPIEGELBEELD 149

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld algemeen zich scherp bewust is van de onvolmaaktheden van zichzelf zowel als van de wereld. Dat is een grondwaarde daarvoor. Dat kan bewust of onbewust zijn, maar het is altijd aanwezig. In de tweede plaats veronderstelt over het algemeen dit reageren - wanneer het met enige felheid gebeurt - een betrekkelijk grote gevoeligheid. Gezien het feit, dat wij het over ons eigen milieu hebben, zeggen we wederom: belangstelling voor filosofie, voor het paranormale, met mogelijk enige sensitiviteit. Wanneer de sensitiviteit te groot wordt, zal die absolute tegenspraak n.l. niet meer opgaan. Ze kan dus slechts beperkt zijn. Dan stellen wij, dat voor deze persoon, het volgende geldt: In de eerste plaats: Wanneer je hebt tegengesproken - dat doe je toch, of je wilt of niet -, dus wanneer je hebt tegengesproken, vraag je je af, waarom je het hebt gedaan. Een voortdurend definiëren van de redenen, geeft je een juister inzicht omtrent jezelve en dus de mogelijkheid je eigen denken en streven juister te baseren. In de tweede plaats. Wanneer je houdt van een debat - en dat is in deze gevallen heel vaak het geval - probeer je dan af te vragen, welke partners je bij voorkeur kiest om tegen te spreken. Hieruit kun je n.l. afleiden om welke personen in feite het meest met je harmonisch zijn. Want je zult je over het algemeen alleen wenden tot diegenen, met wie je een geestelijk contact hebt. Dit geldt niet, voor degenen, die tegenspreken tegen hun minderen. Dat is een kwestie van meerderwaardigheidsconcept. Maar als. het gaat over gelijken, wanneer je weet, wie je het scherpst beroert, met wie je het scherpst contact krijgt en wie je het zuiverst en het duidelijkst de waarheid zegt en wie jij dan ook weer duidelijk de waarheid zegt: dan heb je hieruit begrepen in welke klasse van mensen. je thuishoort. Je zelfkennis is wederom vergroot. Daarnaast echter zal deze zelfkennis kunnen leiden tot een bewust kiezen van partners in het leven, dus personen, met wie je op geestelijk en ook vaak filosofisch terrein verder kunt gaan. Die keuze brengt weer met zich mee een verrijking van eigen inzichten, waarbij de vaak in ruimer mate aanwezige algemene kennis wordt omgezet in meer gespecialiseerde kennis op bepaalde gebieden. Is dit gebeurd, dan zal ook de neiging tot tegenspreken vaak afnemen. Daarvoor in de plaats komt een grotere evenwichtigheid plus een inzicht, dat zich niet over een maar over meer sferen zou kunnen uitbreiden. Een gevoel voor samenhang kan ontstaan op het ogenblik, dat voldoende evenwichtigheid is bereikt om dit in-de-contramine-zijn wat te beperken. De vergroting van beheersing betekent hier dus over het algemeen tevens vergroting van kosmisch inzicht. Conclusie: Doe het zelf - beheers je. (Dit is niet persoonlijk, hoor) Wie volgt. Iemand die te spontaan handelt. Iemand die te spontaan handelt, bestaat niet. Er bestaan alleen mensen, die steeds hun spontaniteit betreuren. Kunt u dat begrijpen? Het is n.l. zo: Spontaniteit is een directe persoonlijkheidsuiting. Een directe persoonlijkheidsuiting - ook wanneer deze door de wereld niet altijd op prijs wordt gesteld - betekent een ervaring, waardoor het ik in zijn eigen ontwikkeling en bewustwording voortdurend wordt verrijkt. Maar wanneer je mensen hebt, die deze spontaniteit betreuren, dan hebben we te maken met een tweeslachtigheid. Degenen n.l. die spontaan zijn en deze spontaniteit regelmatig betreuren, zullen over het algemeen het gevoel hebben de mindere van anderen te zijn. Is er niet sprake van een direct minderwaardigheidsgevoel, dan overheerst over het algemeen een aangeleerd concept de eigen persoonlijkheid. In beide gevallen is dit schadelijk. Wij moeten de spontaniteit nooit beschouwen als iets schadelijks, maar wel als iets, wat langzaam maar zeker door verandering van de persoonlijkheid,- en niet alleen van het gedrag kan worden gevoerd in een steeds volmaakter en juister richting. Uit deze belevingen - zolang werkelijk spontaan komt altijd vergroting van bewustzijn, vergroting van inzicht omtrent eigen persoonlijkheid en de wereld op de voorgrond. "Doe het zelf" is dus in dit geval a. Probeer zelf steeds aan de hand van hetgeen je spontaan doet te begrijpen wat je beroerd heeft: en b. wat de gevolgen daarvan zijn. De vaststelling omtrent de wereld, die je zo bereikt, is voor jou een voldoende aanleiding om je streven in de wereld juist te richten. En doe dit vooral niet (dat hoort er ook bij). Laat nooit je spontaniteit wegdrukken door de miskenning, verachting en afkeuring van de omgeving. Elke mens heeft het recht zichzelf te zijn en - wat meer is - de plicht zichzelf te zijn. Het aanpassen bij een aangeleerd concept - en dat was hier in zijn geval dan ook medegesteld - brengt met zich tweeledigheid van denken, onevenwichtigheid (een innerlijke onevenwichtigheid), die zich kan uiten in een rusteloosheid, die zich kan uiten in een 150 SPIEGELBEELD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld voortdurende strijdvaardigheid, die zich verder nog kan uiten en dat is nog ongelukkiger - in een voortdurende terugkerende melancholie. Wanneer één van die drie factoren optreedt, dan kunnen we zeggen: Degene, die hieraan onderhevig is, dankt dit aan het feit, dat hij zich te zeer aanpast en te weinig tracht zichzelf in de wereld juist te plaatsen. (Er is voor ons en onze spontane capaciteiten en spontane handelingen altijd een plaats in de wereld, mits wij deze plaats juist weten te kiezen). Heroriëntering in het leven is dan dus noodzakelijk. Wanneer deze heroriëntering gebeurt op basis van een geestelijk concept, waarbij in een dergelijk geval het raadzaam is niet alleen te denken aan God en God's wil, maar daarnaast ook wel degelijk aan een bepaalde formulering daarvan (dat kan dus christendom zijn: boeddhisme, noem maar op, elk systeem) dus aan de hand van een bepaald denksysteem, dan krijgen we een vergrote mogelijkheid tot goed en juiste werkzaamheid in de wereld (en dat is op zichzelf belangrijk en bevredigend voor een dergelijk type), met daarnaast een vergroting van innerlijke kracht en innerlijke wijsheid. Wie volgt?...... Niemand. Wat is niemand? Niemand is iemand, die zozeer van zichzelf bewust is: dat niemand begrijpen kan, dat hij iemand is: omdat hij steeds iemand anders voorstelt dan hij in feite kan zijn. Vandaar dat een dergelijk iemand. altijd niemand is in de ogen van iedereen. (Dat was weer een toegift) Hoeveel mensen zijn er eigenlijk iemand en niemand? Ik zou zeggen, dat er haast niemand is, die niet soms iemand is. M.a.w. er zijn heel veel mensen, die niemand zijn gedurende één bepaalde tijd van hun leven: vaak zelfs gedurende een bepaalde tijd van de dag. Het is helaas op de wereld zo gesteld, dat men in een afhankelijkheid van anderen zich genoopt ziet zich te vermommen voor zichzelf zowel als voor die ander. Dus zich anders voor te doen dan men is. Op dat ogenblik kan men niet met hart en ziel zichzelf zijn, werken, enz. Men is op dat ogenblik alleen een soort pion, bewogen door impulsen van anderen. Dus niemand. Maar op het ogenblik, dat die gebondenheid afflauwt en je iets krijgt, waar je jezelf in geeft, je eigen belangstelling en je eigen persoonlijkheid in kunt uiten, dan ben je weer iemand. Het is toch eenvoudig, wanneer je het goed bekijkt. En dat noemen ze dan filosofie van de koude grond. Hebben we nog meer? Ik heb nog een vraag, maar die staat niet in verband met het onderwerp van nu. We hebben de vorige keer gesproken over het begin van het evangelie van Johannes: In den beginne was het woord, enz. en het eindigt met en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heft het niet begrepen. Is de vertaling daarvan goed? Of moet het misschien zijn gegrepen of overmacht? Ik zou zeggen: bevat. Als je duisternis hebt en er komt licht in, maar het licht wordt door de duisternis niet vastgehouden, niet bevat, dan kan de duisternis geen licht zijn. Ze blijft dus zichzelf als tegenstelling tot het licht. Je zou het dus zo kunnen vertalen: Het licht is gekomen in de duisternis, maar deze was niet in staat zichzelf te verloochenen of te veranderen of daardoor licht te worden. Dat is eigenlijk de juiste uitleg. Maar wat is in het Nederlands nu het beste? Is het begrepen of gegrepen of het woord overmacht, waarmee ze in de kerken zo weglopen? Dat laatste is logisch, omdat de kerk meent dat zij het licht heeft en dus als zodanig overmachtig is t.o.v. het duister, wat natuurlijk een misvatting is, als we zien hoeveel duisternis er in de kerk tot uiting komt. Dat gaat door tot de gewoonste dingen van het leven toe. Want waarom praten ze anders over een zwartekousenkerk? Daar zijn de onderdanen ook al een duister geval geworden. De zin is dus "bevat". En ik zou in deze zaak dus liever "begrepen" dan "gegrepen" zeggen. Want het is hier in de eerste plaats wel geen kwestie van intellect: het is een kwestie van instelling, dus van bevatten of omvatten. Maar "grijpen". is een te lichamelijke uitdrukking hiervoor. Ik geloof dus, dat wanneer wij het houden op de keuze tussen die twee waarden, dat we dan "begrepen" moeten nemen, maar dat "bevattend" beter is. Nou, nou, als die dominee, die vroeger zo de p... aan me had, dat had gehoord, zou hij gek hebben zitten kijken. SPIEGELBEELD 151

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld Misschien hoort hij het nu ook wel. Ik wil niet hatelijk zijn, maar hij staat zo nu en dan nog preken. Ja, niet op aarde hoor. Ik zal je het verhaal vertellen. Dat zit n.l. zo: En nou weet je - of misschien weet je het niet - dat vroeger en misschien tegenwoordig nog wel, als je met armoe langs de weg zat, het wel de gewoonte was om bij een parochie aan te gaan. Die waren meestal wel goed voor een paar boterhammen en een kop koffie en soms nog voor een dubbeltje erbij. En was het geen dubbeltje, dan kreeg je nog altijd wel een cent of twee. Dus ik kwam bij zo'n dominee. En toen zei hij: "Ja, vriend, (dat zeiden zo toen ook al), vriend, dat je nu hier komt, dat is vast Gods wil." Toen wou hij me meeslepen naar een soort oudeliedenkransje, dat hij daar had en dat aan het "psalmeren" was. De oorspronkelijke psalmist zou zich dood geërgerd hebben in het geval hij erbij was geweest. Nou zei ik tegen die dominee: "He, dominee, mijn maag knort. Mij staat het niet naar geestelijk voedsel, maar voor een boterham zou ik erg dankbaar zijn. Neen zei de dominee: "Als je nou meezingt, dan zal ik dadelijk de meid eens in de keuken laten kijken, wat er voor je is." Ik zei: "Dominee, als je je "vriend" noodt, nood je hem ter tafel en niet naar de keuken toe." Toen gooide hij de deur dicht. Enfin, ik dacht dat die deur dicht zou blijven, dus ik zei: "Vrome salamander......... krijg de pest." (Ja, iets minder gekuist, hoor.) Maar goed, laat hij, nou net die deur opendoen. Toen begon hij te vertellen, dit hij invloed had bij de dorpsveldwachter. Vandaar dus, dat ik met die dominee eigenlijk in geschil kwam. En toen zij hij tegen mij, dat het de wil van de Heer niet was, dat hij zo'n domme godloochenaar zou... slaan. Maar als zijn hem dat niet verboden had, dan zou hij mij zijn erf afranselen. Waarop ik heb gezegd: "Dominee, ik weet meer van God af dan jij, denk ik." En dat heeft hij, mij heel erg kwalijk genomen. Ik heb in dat dorp in anderhalf jaar geen veter verkocht en geen pot verkocht. Ik vertel dat zo, want daar heb je nou werkelijk iets van dat licht en het duister, waarover we het hadden. “Heb uw naasten lief gelijk uzelve." Dat was het licht. Maar de duisternis had het niet begrepen. De dominee had zichtzelve lief en wenste die eigenliefde in iedereen weerkaatst te zien door een aanvaarding van zijn mening. En als dat niet het geval was, dan hád hij niet lief. Dientengevolge was al zijn gebazel over naastenliefde: een persoonlijkheidsuiting. En het beroerde is - en ik vind het werkelijk beroerd, hoor, ik heb medelijden met die vent - dat hij daar niet van af kan komen. Hij predikt. Ik weet dat hij soms doorkomt in een kring. Nou ben ik niet kieskeurig. Maar ik weet niet of ik daar nou graag gezien zou worden. Er zijn zo van die kringen, waar men toch niet kan komen. Dat heb ik ook geleerd, hoor, sedert ik boven ben. Hij preekt dus. Maar met al dat preken, predikt hij niet God, of het Licht. Nee, hij predikt zijn eigen belangrijkheid. Daar komt het op neer. En zolang hij zo blijft, ja, dan kom ik ondanks mijn veters verder vooruit dan hij met al zijn geleerdheid. Zit zo'n man dan in de duistere sfeer? Nou, duister, duister... ja, nevelig hè. Maar dan zonder die vrolijke bijeffecten, die je wel eens aan beneveld verbindt. Dus dat is wel een heel somber wereldje. Er is wel licht. Hij ziet zijn God wel. Daar is hij vroom genoeg voor. Maar hij blijft daarbij hangen: Hij ziet alleen dat licht, dat tegen hem zegt: "Mijn zoon, je hebt goed gedaan." En dan gaat hij weer weg. Dan zegt hij: "Nou, ik heb het goed gedaan, dan gaan we weer verder preken:" Maar het gevolg is, dat deze man stellingen verkondigt, die onwaar zijn in waarvan hij weet, dat ze onwaar zijn, alleen om de aandacht te boeien voor zichzelf. En nou kun je van mij zeggen, dat ik heel wat redenaarskunstjes uithaal en heel wat flauwiteiten ook. En ik hoor mezelf graag praten en dat weet ik ook. Maar één ding kun je niet van me zeggen en dat is dat ik zoete broodjes bak om toehoorders te houden. Dat komt, omdat ik in mezelf van een waarheid ben overtuigd, die ik blijf uitdragen, onverschillig hoe of wat. Dan hoef je het daarmee niet eens te zijn. Je kunt met me bekvechten, als je het aandurft. En ik sta ook voor mijn idee van de waarheid in, maar ik zal je altijd de vrijheid laten om je eigen gedachten te denken. Ik zal je misschien op je vingers tikken, als je niet netjes bent. Dat kan best voorkomen. Maar dat komt dan over het algemeen, omdat ik zie wat je doet t.o.v. de wereld en van anderen, waarvan je zelf misschien geen flauw benul hebt. Ik zal nooit iemand kwetsen om te kwetsen. Geloof dat. En dan mag ik op mijn manier nog vaak benepen en bekrompen zijn, dat geef ik graag toe. Maar ik heb één zekerheid. En dat is nu juist wat hen mankeert. Dat - of ik nu meer- of minderwaardig ben, of ik de waarheid bezit of niet - ik alleen door mijn gelóóf in dit licht, mijn aanvaarden van God 152 SPIEGELBEELD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld en mijn eerlijk streven op wat ik van die God erken uit te dragen op mijn manier, nooit iets kwaads maar altijd iets goeds zal bereiken. Ik zal ook nooit vragen - ja, ik vind het leuk, als jullie lachen, als ik een mop vertel, natuurlijk, iedereen wordt graag een beetje gevleid - maar ik zal nooit vragen "hebben ze mij "mooi" gevonden (ik bedoel "prettig”!) of niet?" Er zijn van die dingen, waardoor sommige toehoorders wel eens een beetje nou ja, zich aan me ergeren. Dat weet ik wel. Maar kijk, ik sta voor min idee van wat juist is, wat recht is: en voor míjn idee van God. En geloof me, het is voor mij een geluk, dat ik niet meer zweten kan, want ik zou mezelf de zweetdruppels inlopen, elke dag weer, om mensen te helpen - soms met kleine onbenulligheden- al is het alleen maar om hen eventjes de zekerheid te geven, dat er iets is, dat lééft en dat hen helpt. Ja, ik doe het misschien ook weer op mijn manier, soms een beetje anders dan anderen. Goed, zo ben ik. Laat dat nou maar zijn. Maar wat ik doen kán, dat zal ik doen. Niet omdat ik goed ben, maar omdat er iets is, dat voor mij waar is. Dat in mij leeft en dat mij niet dwingt om de "meerdere" te zijn van anderen óf de "mindere", maar wat mij in staat stelt voor ieder een werkelijke vriend te zijn. Een vriend, die soms de waarheid zegt, maar die toch nooit te beroerd is om eens een paar pootjes uit te steken en een handje te helpen, als het nodig is. Laat ik ophouden zeg. Dat noemen ze nou esoterie.... een potje opscheppen. Het komt toch van binnen uit. En esoterie is immers ons binnenste. Ja, goed. Maar leeft nou wat in mij leeft, ook in u? Dat is nou weer een vraag. Dikwijls wel, ja, als wij het van u aanneem. Nou, één ding is een feit en dat is misschien het meest typische voor de mens: dat wijsheid het best erkend wordt in het gewaad der dwaasheid. En dat is niet van mij, hoor. Dat is een gezegde, dat is al oud. In de tijd van Lao Tse en Confucius waren er al wijzen, die zich als narren aanstelden, omdat dat de enige manier was om hun gedachten onder de aandacht van de mensen te brengen. Misschien komen daar wil de narren vandaan. Dat is nu weer zo: Om een dwaas te amuseren moet je meer verstand hebben dan tien dwazen. Een wijze is snel geamuseerd. Om een dwaas te amuseren is er heel wat nodig. Vandaar dat de meeste vorsten alleen maar een scherp intellect konden gebruiken als hofnar, want ze waren zelf te dwaas om de fijne finesses te begrijpen. Dan vraag ik mij af waarom ze dan koning waren. Dat is altijd nuchter logisch. Wanneer je een schip van staat bouwt en je hebt een boegbeeld nodig, dan snij je het uit hout. Een vorst met een ziel is te lastig voor het volk. Dan moet je of de vorst uitschakelen, machteloos maken, zoals in sommige staten ook gebeurd is, waar de vorsten te goed waren: of je moet een republiek worden: of - wat nog erger is - je vorst wordt een dictator. Een weldoende dictator, wiens werk staat en valt met zijn eigen leven. En dat kan niet. Een staat is een continuïteit. Vandaar dat hoe stommer de vorst, die aan het hoofd staat en hoe verstandiger de ministers, hoe beter het gaat. Waarmee we van de esoterie op de staatkunde terechtkomen in historisch verband. Laat ik zo langzamerhand maar eens plaats gaan maken voor een ander. Tot bij gelegenheid. o-o-o-o-o DE JUISTE WEG. Daarover zou je eigenlijk moeten filosoferen. Bestaat er een juiste weg? Een juiste weg is een persoonlijke weg. En daarom kun je nooit zeggen Dit is de juiste weg. Je kunt wel zeggen Er bestaat één weg en één waarheid. Dat was Jezus. Die kon dat van zichzelf zeggen: Ik ben de weg en de wáárheid. En wat meer is: hij wás het. Maar hij was het juist, omdat hij niemand aan banden legde. De juiste weg kun je n.l. alleen dan vinden, wanneer je een bepaald aantal dingen begrijpt en zelf volgens je eigen persoonlijkheid en eigen beleven, je eigen wezen verdergaat. En dat moet ik eigenlijk wel vooraf vertellen, want anders kan ik van dat onderwerp niet eens een schoon woord raken. Want er ís een juiste weg.

SPIEGELBEELD

153

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld Een weg, die door het leven wordt omschreven als zijnde ons van God gegeven en met legenden wel omweven, een smal pad, dat ons leidt tot in de kern der eeuwigheid. Maar de juiste weg is een innerlijk begrijpen en eigen wezen: en aanvaarden van de God, Die in je leeft. Het is 't besef van in het leven geven, maar ook aanvaarden al van Hem, Die ál in 't leven geeft. De juiste weg is mééster zijn - niet van jezelf alleen, maar van de wereld bovendien - en toch vrijwillig afstand doen van al je rechten: en voor het heersen stellen het "ik dien in naam van God". De juiste weg is de weg van liefde. Een weg van liefde en van strijd, omdat in ons niet slechts de gave van de liefde wordt verbeid en stil verwacht, maar liefde uit ons ook moet treden als 'n kracht, die de wereld overstroomt en allen samenbrengt in ene band. De liefde voor de naaste moet ons worden het geestelijke vaderland, waarin we leven en we wonen, waarin we streven en we denken. Dan slechts vind je in eeuwigheid een eenheid zonder grenzen. Slechts zo vereen je goddelijk licht ook met de wereld van de mensen en met de sferen zelfs nog van de laagste geest. Slechts zo vind je het juiste pad en kun je onbevreesd door 't leven gaan, aanvaardend al wat werd gegeven, aanvaardend al, wat je wordt opgelegd en gevend anderen de eenheid en de liefde van je streven als hun recht, dat je hun zelve hebt gegeven. De juiste weg van leven, de juiste weg tot God, het is voor ieder anders. Want 't lot heeft nu de een en dan de ander stil gegrepen en misschien het pad gestuurd, waarop men zoekt: tot een geslepen weten om 't hoekje gluurt en zegt: Zo zou je verder kunnen gaan. Maar dan de wenken te verstaan en toch het goddelijk récht nimmer te krenken, dat is de juiste weg. De juiste weg is n.l. bezitten en ontvangen en toch aan het bezit niet hangen, niet begeren om 't begeren. De juiste weg is anderen helpen, anderen troosten in hun smart, anderen genezen in hun lijden. En als er één de wereld tart, niet trachten strijd hem te vermijden, maar geven hem je waarheid en je krachten, met je beste wil, met heel je hart. Dat is de juiste weg. De juiste weg is eigenlijk uit God te leven en uit jezelf te geven des heren heerlijkheid en kracht, zoals ze in je leeft. De juiste weg is niet van anderen te verschillen. De juiste weg is niet 't onmogelijke te willen, maar jezelf te zijn, eenvoudig en klein, met de gaven en lasten, die bij je behoren: in alles te zoeken naar goddelijke wil. Te volgen de sporen van hen, die op de juiste weg zijn voortgegaan: zij, die uit liefde voor de wereld tot haar keren en zijn met ieder, opdat niemand ooit ten onder zal gaan in een duisternis zonder grenzen. Ja, dat is de juiste weg. Het is zo gemakkelijk gezegd: de juiste weg. Wie weet wat u bent? Wie weet wat u bent geweest en waar u heengaat? Niemand kan u omschrijven wat uw weg is. Je kunt de werelden van de geest niet in kaart brengen. Je kunt niet vertellen waarom dit gebeuren moet en dat. Je weet alleen maar: in jezelf leeft God. En die wil Gods is uitgebreid over al het zijnde, want God is in alle dingen. Dien je God in alle dingen, zoals in jezelf. Heb God lief, in alle dingen, zoals in jezelf. Erken de waarde van alle dingen in jezelf en in anderen. Dan vind je de enig juiste weg. Want de juiste weg is elke weg, die ons dichter brengt bij God, ons meer één maakt met Zijn schepping en ons zuiverder doet inzien waar onze plaats is in God, in het Al, in de kosmos. En dan kunt u natuurlijk zeggen: Ja, maar wat is min juiste weg? Uw juiste weg is: zelf te zoeken naar een zo groot vertrouwen in God, dat u niet nodeloos u zorgen maakt, niet nodeloos begeert, niet nodeloos hangt aan bezit, niet nodeloos hangt zelfs aan het leven: maar daarvoor in de plaats de zekerheid in u draagt dat God u helpt, zo gij in Zijn naam helpt en werkt voor anderen. Dat is altijd de juiste weg, ook al is hij voor ieder anders. Hij is toch altijd weer gelijk, omdat hij de uiting is van Gods koninkrijk in ons en in al het zijn. Meer kan ik er niet over zeggen, vrienden. Ik weet geen juiste weg en ik weet ook geen vreugdiger weg. Want te weten dat je goed hebt gedaan is de grootste vreugde, die je kent. Te weten dat God achter je staat in alles, wat je doet en te weten dat alles altijd goed komt, ook al besef je zelf nog niet hoe of waarom, dat is de grootste rust, die je kunt hebben.

154

SPIEGELBEELD

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 19 mei 1959 Les 9 – Spiegelbeeld Wanneer je God volgt door Zijn liefde uit te dragen in de wereld, tot de wereld, God te eren in jezelf en in het zijnde, dan heb je die zekerheid, dan heb je die rust en dan behoef je over de rest niet meer te praten. En daarmee gaan we nu de avond besluiten, vrienden. Ik zou haast zeggen: De meesten zijn op weg naar de goede weg, de juiste weg. Ga er mee door, totdat je in jezelf voelt. Wat ík doe komt er niet op aan, zolang God in mij handelt komt alles goed. Ik wens u toe dat u dat bereiken moogt. Goedenavond.

SPIEGELBEELD

155

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie 16 Juni 1959. Goedenavond, vrienden, Wanneer we zo vandaag weer gaan praten over verschillende dingen, dan voel ik me eigenlijk een tikje geroepen om voor één keer eens over te schakelen naar wat zwaardere materie. Nu begrijp ik wel, dat er onder u zullen zijn die zeggen: "Ja, maar wat hebben we daaraan. We begrijpen het niet goed." Ik ben het volledig met u eens. Er zullen erbij zijn voor wie dit in het begin wat te veel is. Aan de andere kant zoals u het in onze bedoeling om langzaam maar zeker ook:

PRAKTISCHE WERKINGEN VAN MAGIE

en wat theorie in te lassen in deze cursus. We zullen dus eigenlijk al zo’n klein beetje gaan voorbereiden voor het volgende jaar. De beschouwing van de kosmos is afhankelijk van het eigen standpunt. D.w.z. dat God vele aangezichten heeft, omdat wij in vele richtingen God kunnen vinden of kunnen zoeken. Er is echter altijd een middelpunt, van waaruit al die dingen gebeuren. Dat middelpunt zijn we zelf. Datgene van het Goddelijke, wat ons beroeren kan, moet met onszelf in harmonie zijn. Datgene, wat wij ontrent onszelven kunnen erkennen wanneer wij ons spiegelen in de kosmos, kan ook alleen zijn opgebouwd uit datgene, wat reeds harmonie met de kosmos heeft verworven. Dat klinkt erg gewichtig, naar het is eigenlijk heel eenvoudig. Wij kunnen alleen de schepping kennen naar onze eigen geaardheid. We kunnen in die schepping alleen werken zoals we zijn. Alle begoocheling, alle waan vooral ook die begoochelingen en die waan vooral ook die begoochelingen en die waan, die we zelf helpen creëren zijn in feite uit den boze. Hoe eerlijker wij tegenover de schepping en vooral ook tegenover onze God staan, hoe beter het ons gaat en hoe meer contact we daarmee krijgen. Nu zullen wij in dit zoeken naar erkenning van ons eigen wezen heel vaak afdwalen. Wij gaan n.l. zoeken naar een verschijnsel in plaats van naar ons eigen wezen. En dat zoeken naar verschijnselen gaat gepaard met – volgens velen althans – met een honger naar levitatie, manifestatie in allerlei geaardheid, het wonder, het kennen van de toekomst: "Ja, wij willen onze Meesters in de geest leren kennen. Wij willen een persoonlijke leiding hebben en al wat er bijhoort. Het is logisch dat deze dingen buiten ons allemaal bestaan. Levitatie is een verschijnsel, dat helemaal berust op de gangbare wetten in het heelal. En manifestatie van de geest - materialisatie zelfs - is helemaal niets buitennissigs of iets vreemds. Het gehoorzaamt aan de normale wetten van de natuur. Maar wij kunnen zelf alleen intermediair zijn in dergelijke gevallen, wanneer wij daarmee harmonisch zijn. Die harmonie berust hoofdzakelijk op datgene, waarvoor wij zelf gevoel hebben. Niet belangstelling, vergis u niet! Het feit dat u een zeer grote belangstelling hebt voor bepaalde feiten van het paranormale, misschien zelfs van het normale leven of de filosofie, zal helemaal niet uitmaken of u daarin werkelijk iets bereikt. De Engelsman zegt: "It is a matter of feeling." Je moet het voelen. En dat is inderdaad waar. We kunnen soms met een paar woorden proberen om een sfeer te scheppen en dan zijn een groot aantal van onze toehoorders in de ban, maar enkelen niet. Die enkelen kunnen we juist weer beter pakken op een andere manier: die kunnen we op een andere manier a.h.w. meeslepen. En dan zijn er ook bij, die we nooit zullen kunnen bereiken. Degenen, die direct in contact komen, zijn degenen, die niet alleen begrijpen wat we zeggen, naar die het ook aanvoelen. Degenen, die we op een andere wijze benaderen, zijn degenen, die een bepaald aspect hebben in zichzelf, een verlangen, een denken, waardoor we met een beroep daarop de gevoelswereld zover kunnen wekken, dat ook die mens komt tot het ervaren van wat wij dan magie noemen. Er zijn ook mensen? die in zichzelf besloten blijven. Dat laatste is het meest treurige, dat ons kan overkomen. We moeten altijd met zo iemand medelijden hebben. Want zo iemand zal vechten om een waarheid te vinden en hij kan haar nooit vinden, nooit volledig. Waarom? Omdat hij te zeer besloten in zichzelve zijn gevoelsleven niet kan losmaken van zijn eigen scheppingsconcept en dat ligt in 156 PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie hem. Hij is dus met zo weinig in de wereld rond hem in harmonie, dat het haast onmogelijk is om daar een werkelijk beroep op te doen. In feite is alles wat bij de magie hoort, evenals alles wat in de esoterie thuishoort, een kwestie van Godserkennen. God bestaat voor ons in een reeks van wetten. Wanneer u over die wetten wat meer wilt lezen, zou ik u raden eens in Sleutels te kijken, waarin we verschillende van die wetten uitvoerig behandeld hebben. Deze wetten zijn de begrenzing niet alleen van de mogelijkheden in de schepping maar ook van ons eigen kunnen. Wij zullen altijd gedreven worden door een wet, maar ook gelijktijdig geleid. Wanneer we dat niet beseffen, wanneer we die wetmatigheid in het leven a.h.w. doorkruisen met onze eigen wil, dan wordt het hele leven een doolhof. U heeft misschien zo’n ding wel eens gezien op een kermis ergens of in een tuin. En het doolhof, waar dat leven het meest op lijkt, is een spiegeldoolhof: zo’n voortdurende reeks van glazen platen, waarin je in noch uit weet en waarin je je voortdurend afvraagt: Moet ik nu rechtdoor gaan of afslaan? Want je denkt steeds, dat je rechtuit kunt gaan. Maar de schotten: die je dat hier mogelijk maken, daar echter beletten, dat zijn nu de wetten Gods. Die Wetten Gods zijn nu vanuit menselijk standpunt eigenaardig krom. Er is niets vreemder dan een goddelijke wet. Die wet gehoorzaamt helemaal niet aan al hetgeen de mens denkt of de mens wil zeggen. Om een voorbeeld te geven: De wet van evenwicht zegt dat wij voortdurend voor onszelf alle dingen zullen compenseren. Kennen wij meer goed, dan zijn we ook in staat tot meer kwaad, zijn we in staat tot meer kwaad, dan kunnen we ook komen tot meer goed. En dat blijft in een precies parallelle verhouding. Maar wij denken daar niet aan. We zeggen niet:" Ik ben nu kwaad en dus kan ik goed worden." Men zegt: "Ik ben nu eenmaal kwaad en ik kan er niets aan doen." Men verwaarloost het element "goed" in het "ik". Men komt tot een plotseling handelen, waarbij men het goede zou willen doen (datgene, wat men als goed erkent) maar als men dan zelf zegt: "Ach? wat is het nut voor mij?", dan stoot men de neus in het leven en zegt men: "Nou ja, ik kan hier klaarblijkelijk toch niets bereiken. Wat ik ook doe het gaat altijd verkeerd." Het omgekeerde bestaat ook. Er zijn mensen, die zó goed zijn dat ze soms moeten komen tot iets, wat eigenlijk kwaad is. Om een voorbeeld te geven: Petrus, de leerling van Jezus, had nooit Petrus kunnen worden (de best-menende en misschien naast Johannes de meest eerlijke van Jezus leerlingen), wanneer hij niet juist in zijn grote ijver voor zijn Meester was gekomen tot een verraad van zijn Meester. Of moet ik zeggen aan zijn Meester? Jezus wist dat en hij heeft dat voorspeld. Maar Petrus heeft dat nooit kunnen geloven, totdat hij door het gevoel gedreven dat verraad toch pleegde. Hij had daarover zeer berouw, zo zegt men. Maar in feite was het niet alleen berouw. Petrus, zijn eigen zwakheid erkennende, was juist door deze stimulans van het kwade in staat om tot het goede te komen. U zult zeggen: "Dat is een eigenaardige wet van God. Dat Hij dus iemand, die moet komen tot een eerlijk en oprecht leven en een goed leraren, opeens dwingt om terzijde te gaan, om kwaad te doen volgens zijn eigen concept." Toch is dat zo. Er moet evenwicht zijn. En van dergelijke voorbeelden kan ik u er honderden meer aanhalen, alle in verband met verschillende wetten, en die kan ik illustreren met de groten, die op aarde geleefd hebben. Een ander voorbeeld wil ik voor het evenwicht nog even invoegen: Napoleon. Want anders denkt u, dat het alleen in de religieuze sfeer ligt. Bonaparte was een mens, die eigenlijk hoofdzakelijk door bluf steeds gewonnen heeft. Vele kenners van zijn leven zullen het er misschien niet mee eens zijn. Maar als je nagaat, zul je zien hoe hij rond zich voortdurend een zeer kunstmatige maatschappij, een schijnfaçade heeft opgericht en zo dus kwam tot een overschatting van dit "ik" door heel de wereld. Dat moest gecompenseerd worden. Dus beïnvloed door de omgeving kwam Napoleon tot een zelfoverschatting. Die zelfoverschatting leidde weer tot een nederlaag in Moskou en de bekende terugtocht met al zijn gruwelen. Het leidde ook tot de val van Napoleon. Nu heeft Napoleon in zijn leven heel veel mensen verbannen. Hij heeft hen eenvoudig, omdat het hem niet zinde hen in zijn nabijheid te zien of omdat hij meende dat zij zijn grootheid niet voldoende accepteerden, verbannen naar de provincie of naar het buitenland. Want ook in Napoleons tijd waren er veel emigres. Het resultaat is geweest dat Napoleon zelf als banneling moest sterven. De eenzaamheid, die hij eens anderen aandeed vanuit zijn wil onrechtvaardig moest hijzelf ondergaan even onrechtvaardig in feite door de wil van anderen. Want het meest PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE 157

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie tragische is misschien het verraad, dat aan Napoleon word gepleegd, toen hij naar St. Helena word gebracht. Wanneer je die dingen zo beziet, kom je tot de conclusie dat eigenlijk Gods wetten voor ons een doolhof vormen, tenzij we een leidraad hebben. Zoals eens in het Labyrinth de geheimzinnige Minotaurus school en de held alleen door Penelopes magisch koord de weg kon vinden, zo hebben wij ook in ‘s levens doolhof een leidraad nodig. We kunnen er zonder dat niet komen. Deze leidraad geldt zowel voor esoterie als voor de magie. En zij berust eigenaardig genoeg op een van de minst erkende waarden in ons eigen wezen, op ons eigen gevoel. En dat is niet alleen - dat moet ik er uitdrukkelijk bijzeggen - ons geestelijk gevoel. Dat is ook het gevoel, dat we hebben t.o.v. onze wereld met al zijn hartstochten, zijn vooroordelen en wat er verder bij hoort, want ook in die wereld hebben wij een innerlijk beleven. Dit innerlijk beleven stelt ons in staat voor ons juiste wegen te kiezen: het maakt ons mogelijk snel door het doolhof heen te gaan en het geheel te erkennen, het einddoel te bereiken. Hiermee hebben we dus allereerst een paar simpele waarheden gesteld. Nu ga ik echter die waarheden even overzetten in een andere taal, een andere terminologie, waardoor ik exacter en minder vaag kan spreken. Het geheel van de schepping is gebaseerd op krachten, die in zichzelf besloten zijn en die nu zichzelf uitend in de goddelijke Kracht, dan weer zich realiserend in de goddelijke Kracht komen tot een soort fluctueren van eigen vermogen. Deze fluctuaties kunnen een zeer hoge snelheid hebben, waarbij dus Godserkennen en zelferkennen praktisch gelijk is. Beide erkenningen kunnen ook zeer ver van elkaar afstaan, waarbij we dan spreken van lage of een tragere frequentie. Elke frequentie zal vooral in haar omgeving trachten haar eigen frequentie en harmonische frequenties te treffen. De leer der harmonieën deelt ons mede, dat we zowel naar boven toe als naar beneden altijd een bepaald aantal harmonische factoren vinden. Wanneer je op een piano een snaar aanslaat, gaan een bepaald aantal tonen meeklinken. En dat zijn niet alleen de tonen waarvan je dat precies zou verwachten, naar er zitten ook zelfs halftonen tussen, die toch heel sterk kunnen meetrillen, omdat er op de een of andere geheimzinnige manier tussen die trillingsgetallen een verbinding bestaat, een harmonie. Dan kun je wel zeggen: "Ja, dat ligt natuurlijk aan de lengte van de snaar en de zwaarte, waarmee zij gebonden is. Maar daarmee zijn wij er niet. Want wanneer we dat in het leven zien, geldt dat precies hetzelfde. En het vreemde is nu, dat elk van ons in staat is om te komen tot een bereiking van veel hogere trillingen naar ook kan reageren op veel hogere trillingen, dan hijzelf ooit bereikt. Omgekeerd kan een ieder een veel lagere trilling beïnvloeden en zal elke handeling en elke daad, die men dus stelt, elke gedachtes een weerklank vinden niet alleen in het eigen "ik" maar in meer of minder sterke mate in al die werelden en sferen, waarmee men harmonisch is, in al die trillingsgebieden, al die entiteiten, die zich daar bewegen. De magie berust er nu op, dat we dergelijke trillingen ons niet alleen realiseren en bewust wekken, maar ook dat wij een zo sterke trilling veroorzaken in andere sferen, dat de kracht daarvan weerkaatst in onze eigen wereld. We trachten dan ondertussen door onze eigen instelling de harmonische verhouding zo te wijzigen, dat het resultaat, niet meer in onszelf kenbaar is maar buiten ons. Bij de ware esoterie doen we dit eigenlijk op andere manier. Wij blijven daar zelf ontvankelijk, we proberen een zo hoog mogelijke sfeer te beroeren en dan de openbaring van die sfeer in onszelf te ondergaan. Maar de werking is precies gelijk. Alleen de esotericus zoekt het ter zelfopenbaring in zichzelf, de magiër ter openbaring aan de wereld buiten zichzelf. Dat is het grote verschil. Nu noemde ik zo-even reeds verschillende dingen, die uw aandacht hebben. Ik sprak daarbij o.a. over levitatie. Nu is er aan die levitatie een verschijnsel verbonden, dat onder dezelfde naam doorgaande toch wel aanmerkelijk verschilt van vele van de tafeldansen en dergelijke, die we dan zien. En dat is n.l. het levitatieverschijnsel, dat optreedt bij een mens in verrukking b.v, zodat deze mens a.h.w. zweeft of vliegt. We zien daar o.a. een opheffing van de zwaartekracht. Hier wordt dus tijdelijk een normale natuurwet gewraakt door een kracht, die dan de wetenschap niet zo gemakkelijk kan vaststellen. Wat gebeurt er hier? De mens in verrukking is afgesloten van zijn eigen wereld. Dat is dus de voornaamste factor. Wanneer dat gebeurt, dan zal hij zijn hele lichaam dus in overeenstemming brengen met een trilling, die 158 PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie niet zijn eigen is. Dit besloten geheel als massa ondergaat zo werkingen, die niet bij deze aarde horen en daarmee niet volledig harmonisch zijn. Het resultaat is, dat i.p.v. een aantrekking een afstoting ontstaat. Die afstoting kan zeer groot zijn. De zeer grote factor krijgen we alleen, wanneer iemand "ten hemel vaart": en dit gaat meestal gepaard met een desintegratie van de materie. Maar in de andere gevallen zien wij een tijdelijk afnemen van de aardaantrekking op een zodanige wijze, dat men zweeft: b.v. enkele meters boven het publiek. Het is niet een verschijnsel, dat alleen vertoond wordt door heiligen of zo. Want we weten b.v. van het grote medium David Home, dat hij in staat was om van een kamer het ene raam uit te zweven en het andere binnen en dat op klaarlichte dag en onder getuigen. Het is logisch dat dit verschijnsel van tijdelijk uitgesloten zijn uit de eigen wereld zeer belangrijk is. In de eerste plaats voor het innerlijk beleven. Wanneer wij een ogenblik buiten onze eigen wereld staan, zullen de factoren die in die wereld zo belangrijk leken, tot praktisch nil gereduceerd zijn. Wat zo even nog het enige goed, het enige kwaad leek dat er bestond, wordt nu teruggebracht tot iets onbetekenends. Daarvoor in de plaats komt de intensiteit, de innerlijke vibratie van beleving, waardoor wij ingaan als het ware in een besef, dat boven het onze ligt. Zo’n besef kan natuurlijk nooit meer geven dan wijzelf ervaren. Daar wil ik dit mee zeggen: Wij hebben een zeker bewustzijn, een zeker erkennen. Dit. erkennen, dit bewustzijn kan niet uitgebreid worden buiten zijn eigen grenzen. Wij kunnen dus geen openbaring ontvangen, die verder gaat dan ons eigen denken, ons wezen, ons eigen geloof. Maar wat kan er dan wel gebeuren? Het bewustzijn van de mens is niet scherp gedefinieerd. Het is a.h.w. een vlak met hier en daar als op een landkaart nog witte vlekken, en buitendien aan de randen over het algemeen nevelachtige gebieden van kennis en ervaring, die wel aanwezig zijn, maar die nog niet concreet genoeg zijn om werkelijk verwerkt te worden en een direct deel van de persoonlijkheid uit te maken. Nu weet u allemaal dat u soms denkbeelden hebt, die u voor uzelf pas kunt verwerken, wanneer u ze hebt uitgesproken. Dat er ideeën zijn, die je heel vaag: in je draagt maar die bij de uitvoering het.scheppen van iets b.v. plotseling zo concreet worden, dat je zegt: "Ja, dat heb ik nu altijd gedacht." Toch heeft U het nooit kunnen beschrijven. "Zo heb ik het altijd gewild." En eigenlijk heb je het niet geweten. Kijk, op deze manier kan dus de kracht uit de hogere sfeer voor ons betekenen een concretisering van deze fase, punten van kennis, die in onszelf zijn. Het is een vergrote zelfrealisatie, een vergrote zelfopenbaring. Daarnaast kunnen wij in die toestand omdat wij afgesloten zijn van de wereld ook een veel grotere invloed uitoefenen op de werelden, waarmee wij nog wel in harmonie zijn. Zolang u alleen met uw eigen wereld in contact bent, is dit contact meestal te vaag en tegelijk te veeleisend om een werkelijk resultaat in een andere wereld mogelijk te maken. Maar stel nu, dat u die invloeden uitschakelt, wat gebeurt er dan? U bent veel vatbaarder voor indrukken uit de andere werelden, zeker. Maar ook uw eigen indrukken: mits scherp genoeg geformuleerd en door de wil mede gedreven werken in die andere sferen veel intenser. En dan behoeven we misschien niet te leviteren daarbij, ofschoon het verschijnsel heel vaak - als secundair - toch wel ontstaat ook bij de magiër. Het belangrijke is echter dan dat wij in een andere sfeer dingen kunnen veroorzaken en tot stand kunnen brengen, die ook in onze eigen wereld hun terugslag hebben. Die terugslag is altijd ongeacht de wijze, waarop wij wensen of werken, of de magie wit is of zwart een weerkaatsing van goddelijke wetten en nooit van iets anders. Ja laat ik eerst vragen: Is dit duidelijk, kunt u dit volgen? (Ja) Ik formuleer liet tenminste zo eenvoudig mogelijk. Wanneer we nu echter even goed nadenken en een voorbeeld nemen, dan kunnen we zien hoe dat gaat. Misschien bent u wel eens in Zwitserland geweest of een ander land, waar men passen heeft en lawinemuren heeft gebouwd. Nu zult u daar niet alleen lawinemuren vinden maar heel vaak ook lawinebanen, d.w.z. dat men het neerstorten van een lawine op een bepaalde plaats gemakkelijk heeft gemaakt. Het is hierdoor dat dus de lawine gevoerd wordt naar een plaats in het dal, waarin weinig schade ontstaat. Datzelfde kunnen wij doen. Wij kunnen niet bepalen waar de lawine van boven afgaat, tenzij we weten: deze lawine is het juist. De goddelijke wet staat daar soms als de geul, die de lawine dus de vergrote neerstortingsmogelijkheid geeft: soms ook aan de andere kant als de remming kunstmatig of natuurlijk gegroeid waardoor ze in haar baan wordt afgebogen. Maar komen we beneden, dan PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE 159

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie zien we dat we niet meer te maken hebben met rotsmassief, waarin dus die banen worden gemaakt of die gletscher: dat we niet te maken hebben met de natuurlijke afweer maar met gemetselde muren b.v. Men maakt b.v. wanden, waardoor men zeker is dat de bepaalde steenlawines wanneer ze naar beneden komen over een weg heen zullen springen en die dus met rust zullen laten. Men bouwt soms muren en ja, eigenlijk moet ik je zeggen sterke wallen (want dat zijn ze meer, met steen bekleed), waardoor het mogelijk is een lawine of een steenstorting zo af te buigen, dat er geen schade ontstaat. Wat de magiër nu kan doen is dit: Wanneer eenmaal de kracht via de goddelijke wetten zich dus richt tot zijn eigen wereld, dan kan hij op de wereld met de middelen van die wereld en niet meer van een andere wereld een zodanige afbuiging van die kracht veroorzaken, dat hij zelfs nog een klein beetje kan bepalen waar ze terecht komt. Om u duidelijk te maken wat het is, zou ik hier iets willen herhalen wat we in de groot geestelijke scholing al vaak hebben gedaan en wat misschien ook hier wel weer eens aardig is als een demonstratie: Ik kan gewoon een incanatie uitspreken en ik kan zelfs gewoon willekeurige woorden nemen om daardoor invloed te scheppen. Maar ik kan die invloed wijzigen. Nu is het hier niet in mijn belang om u prikkelbaar te maken, ik zal dus trachten o.m dat te vermijden: anders krijgt misschien het arme medium dadelijk op z’n kop, omdat u door die lezing een slecht humeur hebt gekregen en dat zou allerhande verwikkelingen enz. veroorzaken en dat zou niet leuk zijn. Maar alle woord heeft zijn eigen magie. En waar we eigenlijk ons hier vooral met de esoterie bezighouden, zouden we misschien een klein stukje van zelferkenning en zelfbeschouwing incantatief kunnen trachten op te roepen. Hierbij maak ik dus uitdrukkelijk geen gebruik van een directe bezweringsformule. Dat kan ook, maar dat is uitgesproken magie. Doch dit is alleen een kwestie van harmonieën. Die harmonieën worden “geleid" zou ik haast kunnen zeggen door de goddelijke wetten. En wat ik verder daar zelf mee doe, is niet veel anders dan proberen alleen proberen daaraan een zekere bestemming te geven. (Ik zou zeggen. probeert u niet alleen te letten op de wijze, waarop ik spreek, maar probeert u ook de associaties te volgen, omdat deze zo dadelijk weer belangrijk worden voor ons, als ik verderga met het lezinkje, waarmee we bezig zijn.) Dat, wat leeft in de kosmos, is gebonden aan de kosmos. "Al wat men ziet en kent is voortgekomen uit het eigen "ik". Scheppend heeft men rond zich een wereld geschapen, waarin alles tot zelfs God een projectie is van eigenwezen. Men spiegelt zich zozeer daarin, omdat elke eigen daad niet slechts het eigen wezen beroert, maar de innigste roerselen van dit wezen uitwerpt in het spiegelbeeld en terug doet keren tot het eigen wezen, versterkt in hun invloed, als door sterke spiegels. Je denkt, je leeft, je ademt. je zoekt soms naar oneindigheid. Maar wie zoekt naar de oneindigheid, moet de oneindigheid kennen. Wie het Eeuwige in zich als een waardig doel heeft gesteld, kent reeds het Eeuwige en moet zich dit alleen realiseren.. Je vreest, je zoekt en je begeert. Maar in de gedachte heb je voor jezelf reeds de werkelijkheid geschapen. Wie begeert in gedachte en door vrees weerhouden wordt, heeft tweemalen zichzelf verloochend. Eerst in het begeren, dan in de vrees. En toch is dit het lot van alle mensen. Want eerst als men achter begeren en vrees komt en achter de werkelijkheid van wereld en leven, bouwt er zich iets op, waarin wij onze waarheid kunnen uitdrukken. Die waarheid is voor elk van ons een andere. Maar de waarheid, die ik erken in leven en kosmos, zoals deze voor mij klaar, duidelijk en helder staat geschreven, die wil ik u dan zeggen: Er is geen God en toch is alles God. Want God is niet één wezen maar alle wezens. Als ik spreek tot God, richt ik mij willekeurig tot een wezen en Hij antwoordt mij, niet sprekend van uit dat wezen maar van uitmijn wezen. Er is geen wereld. Want alle werelden, die ik ken en gekend heb, ze waren niets dan een beeld van hetzelfde, van God. Er is maar een Kracht, waarop ik mij beroepen kan en waarop ik mij beroep: de God, Die mij geschapen heeft. Want mijn leven en mijn werkelijkheid kunnen niet bestaan zonder de voortdurende band met het Scheppend Principe, waarin ik één ben en mijzelf erken. En zo beweeg je dan een mens met een wijze van zegging, sterkte van geluid en wat er verder bij hoort tot een ogenblik van zelfbeschouwing. Zo probeer je in een sfeer iets in te brengen wat de mens beroert. Wat rustigs misschien maar toch met enkele problemen. Maar wanneer 160 PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie ik dat doe, dan kan ik dat nooit doen op een andere manier dan mijn eigene. Er zijn honderden mogelijkheden om u een bezwering voor te leggen. Ik kan mij beroepen op de oude goden, op Tsien. Ik kan mij beroepen misschien op Allah, Boeddha of Brahma. Ik kan mij op God beroepen of op Jezus Christus. Maar op wie ik mij ook beroepen zal, steeds is het mijn beeld, mijn werkelijkheid. Want datgene wat ik van die God verwacht, datgene wat ik verwacht van die Werkelijkheid, komt uit mij voort. Waarom spreek ik op een gegeven ogenblik over een Alscheppend Vermogen? Er moet een reden zijn, dat ik God associeer met een Alscheppend Vermogen. Een vermogen: dus geen persoonlijkheid maar een kracht. Is het misschien mijn ervaring en mijn denken? Is het eigenlijk niet mijn wijze van leven, mijn levensbeschouwing? Ook wanneer ik het niet wil, komt dat steeds weer naar voren. Waarom ga ik op een gegeven ogenblik over van een algemene beschouwing met al haar gewicht en haar kracht misschien in iets, wat voor mij persóónlijk geldt: God, God? God. En dan toch weer vaag. Waarom kan ik niet anders dan alles associëren met kosmos en met God? omdat mijn leven zichzelve steeds weer zoekt te erkennen in de kosmos en in God. Maar voor u kan het wat anders zijn. En misschien bovendien de vraag: Waarom begint nu zo iets met een: Er is geen God, maar alles is God." Schijnbaar is dat dan een terugkeer tot een heldendom, een atheïsme, dat haast zinloos lijkt in moderne ogen. En toch begin ik ermee. Niet om u een schok te bezorgen, maar omdat het voor mij een betekenis heeft. "Er is geen God”, daarmee wil ik alleen maar zeggen: Er is niet ergens een God. Maar God is alomvattend en ik kan me nergens heenwenden of ik vind God. Daarom zeg ik liever: Er is geen God. Tenminste geen God, zoals ik me denk. De bewering lijkt misschien dwaas. Toch is ze voor mij waar, want zo voel ik het, zo beleef ik het. Dan zeg ik: Er is geen wereld. Dat is natuurlijk dwaasheid. Want, u leeft in uw wereld en ik leef in de mijne. Ja, dat is allemaal goed en wel, wanneer we het uiterlijk bezien. Maar wanneer je - zoals ik - tot de overtuiging komt, dat al die werelden eigenlijk maar vormen zijn van hetzelfde, dan kun je niet meer over een wereld spreken. Eigenlijk niet eens meer over een plaats of over een tijd. Wat er overblijft is een zijnsrealisatie, meer niet. Daarom zeg ik dit zo. En nu kan ik het ontleden. U kunt het misschien minder goed. En u zult misschien, wanneer u tracht het te ontleden, uw associaties aanpassen aan een ontleding, die u later wilt gebruiken. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb werkelijk zo voor de vuist weg geïmproviseerd. En in deze improvisatie geprobeerd om mijzelf terug te vinden met mijn beelden en mijn associaties. Ik heb u ook gezegd: let u daarop. Want dat is heel belangrijk. Een associatie is n.l. niets anders dan een harmonisch begrip voor ons. In de psychologie b.v. zien we ook de associatietest optreden. En daarmee proberen we ons dan te realiseren, hoe een mens denkt. Maar eigenlijk zou je er ook uit kunnen leren, hoe een mens leeft. Er zijn overal overvloedig voorbeelden gegeven, nietwaar? Een stadsmens, die water hoort, denkt aan een kraan: een zeeman denkt aan de zee, een Arabier zal waarschijnlijk denken aan een oase met een diepe put, waarin water is. Ieder heeft zijn eigen manier van voorstelling, zijn associaties. Wij hebben in ons leven te maken met bepaalde grondbegrippen. Aan die grondbegrippen kunnen we nooit ontkomen, omdat ze in ons zijn gegroeid of zo u wilt in ons zijn geschapen. Ze maken een deel uit van een voor ons onvermijdelijke werkelijkheid. En we zoeken die dingen steeds weer voor onszelf sterker te bevestigen natuurlijk. Dat doen we op onze manier. En nu is het ellendige, dat wanneer je in een bepaalde wereld leeft dus je alleen bewust bent op een bepaalde wijze en op een bepaald vlak dat je dat eeuwige niet duidelijk kunt uitdrukken. Wij zeggen b.v.: licht. Maar waar denken we eigenlijk aan, wanneer we spreken over licht? Denken we aan een lamp? Neen, wanneer we geestelijk zijn ingesteld denken we iets verder. Dan brengt elk licht weer enige associatie met God. Maar waarom dan "licht"? Omdat we onbewust begrijpen dat God en Gods werk bewustzijn is: het licht, waardoor we komen tot een erkenning van ons "ik" en van wat er buiten dat "ik" bestaat. Daarom spreken we over het goddelijk Licht. En zo associëren we steeds verder. Ons eigen bewustzijn bepaalt daarbij. Wanneer we willen konen tot zelf kennis is het soms zeer dienstig PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE 161

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie om ons zo nu en dan eens te realiseren waarom we nog een voorkeur hebben voor bepaalde ideeën, een voorkeur vertonen voor bepaalde formuleringen en bepaalde woorden. Daaruit groeit het beeld van het "ik". En niet alleen dat het beeld van het "ik" eruit groeit maar daarnaast en dan gaan we even over naar de magie zullen we juist krachtens deze associaties ook kunnen leren waar wij in feite werkzaam kunnen zijn, wat ons vermogen is, wat onze kracht is. Op t gevaar af dat u nu denkt: "Nou, hij weet zeker verder niets meer", wil ik er een citaat achteraan zetten van Li Po, iemand uit de Soengdynastie. En deze Li Po was een begenadigd dichter maar ook een begenadigd esotericus. Nu heeft hij geschreven in de gangbare versvormen. Dus versvormen, die niet alleen het oog boeien door het ritme van de regels, of het oor boeien door klankassociatie, of de gedachte door het beeld, naar die bovendien in een zeer nauw kader moesten worden ingepast, n.l. het z.g. klassieke kader. En dat laatste kan ik voor u moeilijk reproduceren, wanneer ik het overzet. Maar toch vindt u er misschien wat in: Wie zoekt naar wijsheid is wijs, omdat hij zoekt. Wie zoekt naar rijkdom is dwaas, omdat hij niet beseft. Wie grootheid begeert moet zich vernederen, doch wie nederig is bezit alle grootheid. Wie hemelse kracht en. kent schat de wereld, doch wie slechts zichzelve schat en de wereld niet zal hogere kracht niet kennen. Zoals het schip wordt gedragen door het water, wordt de mens gedragen door het weten. Zoals de wind speelt met de bladeren, zo speelt het noodlot met onze zielen. Ik heb juist die laatste regels er ook bij genomen, opdat u dus beseft dat hier toch wel een zeer typische gedachtegang aan vast zit. Maar past u dat alles nu eens toe op hetgeen we gezegd hebben. Dan ziet u daar in de eerste plaats de wet van tegendelen in vertegenwoordigd. In de tweede plaats ook wel degelijk het begrip van aanvulling, van compensatie en van het vinden van de juiste weg. Nu schreef deze zelfde dichter een zeer flamboyant beeld, een levensbeeld eigenlijk, dat misschien voor westerse oren ietwat lichtzinnig klinkt, maar dat men dus ook moet bezien in de termen van een beschaving van 800 na Chr. ongeveer en dan in het grote Aziatische rijk, het Rijk van het Midden. Dan schrijft hij dit: "In een kelk wijn, in een vrouw en in een bloem vind ik hetzelfde lied. En als mijn ziel het lied zingt, zijn zon en maan gelijk gerezen." Hij bedoelde daarmede dit te zeggen: Wanneer ik in iets werkelijk vreugde vind, dan schakel ik eigenlijk de tegenstelling uit. Ik schep voor mijzelf een innerlijke harmonie, die schijnbare tegenstrijdigheden als zon en maan dus een maakt, mij beide kracht en gelijk geeft, of wij zouden misschien zeggen de tegendelen een maakt. En daarin vind ik wel een beeld van zeer grote wijsheid. Omdat n.l. zowel de magiër als de esotericus steeds moet trachten om tegendelen een te maken: moet trachten dus om i.p.v. tot een onderscheiden van verschillende waarden tot een erkennen van grondwaarden te komen. En wanneer we dit doen op grond dus van de harmonische mogelijkheden, die wij in onszelf hebben, de harmonie en die wij kunnen wekken in sferen en in onze eigen wereld, dan hebben we daarmee geloof ik wel de juiste weg gevonden voor een zelfrealisatie, een verpersoonlijking a.h.w. van God in onszelf door het beeld, dat we winnen uit de wereld. Zo, vrienden, dan moet u het daar maar mee doen. Ik hoop. dat u het geen nutteloos betoog hebt gevonden en dat u ondanks de ingewikkeldheid zo hier en daar de sprongen van de gedachte toch zult kunnen beseffen, dat eigenlijk deze rede, zoals de hele kosmos, bestaat uit bepaalde schijnbare tegendelen, die tot eenheid gevoegd, eigenlijk waarheid betekent. Ik zou zeggen, gaat u nu rustig pauzeren, dan kunt u na de pauze, hetzij met een onderwerp van uw eigen keuze, hetzij met een onderwerp dat de spreker brengt, verdergaan. Ik wens u in ieder geval wat mij betreft verder een echte zegenrijke en aangename avond toe. o-o-o-o-o Goedenavond, vrienden. Dit tweede gedeelte zullen we dan besteden aan een onderwerp, dat u zelf kunt kiezen wanneer u wilt, of waarvan u althans de richting kunt aangeven. 162 PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie Zou het geoorloofd zijn u te vragen nog eens ter verduidelijking enig commentaar te geven op de eerste voordracht van de vorige keer? Daar zijn vijf of zes punten gesteld, die toen aan onze speciale aandacht werden aanbevolen en die heel mooi zijn, maar ze zijn toch wel een beetje moeilijk. Ik heb ze overgelezen en getracht een oplossing te krijgen. Maar ik zal misschien in dat geloof versterkt worden als ik uw uitspraak ook mag vernemen. Ja, maar vertelt u dan eerst maar even welke die punten waren. Dan nemen wij ze een voor een, dan komen we er het gemakkelijkst af.

DE WETTEN

Eerst hebben we dan de eerste Wet: Er zij. De tweede wet was: Er zij licht. We kunnen het even kort commentariëren, het gaat in en moeite door. "Er zij" is noodzakelijk omdat eerst wanneer zijn dus ook bewustzijn aanwezig is, licht waarde heeft. Zonder erkenning kan het licht geen waarde hebben. "Er zij licht" betekent: er zij erkenning. Om die erkenning mogelijk te maken moet er dus een bestaan aanwezig zijn. Dat is logisch. Ik zou zeggen daar hoeven we niet verder over te praten. De derde wet: Alles is waarheid, want alles is uit God. (voor de verdere aanhaling zie les no. 9): Natuurlijk. Ik zou zeggen: Eigenlijk is het niet zo moeilijk, wanneer u nu eerst begint te stellen, dat alles uit God is en dat er niets is dat zonder God kan bestaan: dus dat alles in feite een direct deel is van de goddelijke Kracht. Dan kan er geen demon en geen duivel bestaan. Dan kan er niets bestaan buiten God. Alles wat wij erkennen is dus uiting van God. Als je begint om dat te beseffen, zul je ook begrijpen dat je geen enkel woord kunt uitspreken of geen enkel denkbeeld kunt opperen, dat niet ook feitelijk waar is. Een leugen is dus een ontwijking van de waarheid, zoals u haar ziet. Maar in vele gevallen tevens een vaststelling van waarheid, zoals die elders bestaat, of bestaan kan. Dus in en wereld misschien, die u niet kent. Begrijp je dit, dan zul je je realiseren dat de leugen in feite het uitspreken van een waarheid is, zoals ze voor jezelf geldt. Op het ogenblik, dat u liegt, dat u zegt, dat wit zwart is, geeft u dus daarmee toe, dat u deze stelling alleen hebt geopperd, omdat u misschien een eigen mening wilde hebben of omdat voor u inderdaad wit zwart is. Een van de twee. Maar is het een leugen, dan bent u zich ervan bewust dat het niet helemaal klopt. Toch drijft u het door. Dientengevolge streeft u naar het zwarte als het voor u lichte. U heeft dus waarden omgekeerd. Die waarden blijven oven werkelijk en uw leugen zal in uw eigen leven en in uw ervaring van uw omgeving ook steeds tot uiting komen. Ze is dus waar geworden. Kunt u volgen wat het is? Wanneer we nu in de wereld leven, krijgen we uit die wereld een hele hoop - ik zou haast zeggen - ellende, een hele hoop last, een hele hoop vreugde ook. Maar al die dingen hangen niet af van die buitenwereld, ook wanneer we denken dat het wel zo is. Ze hangen af van onze reactie. Laten we nu maar eens een heel simpel geval nemen: Er sterft iemand, b.v. Stalin. Dat is voor sommigen een ontzettende slag geweest. Anderen waren heel erg blij dat het eindelijk zo ver was. Dus hetzelfde feit kan goed of kwaad zijn. Het ligt aan onze waardering. Wanneer je dit beseft, zul je ook begrijpen dat je eigen wezen bepaalt, hoe de wereld tegenover jou reageert. Anders gezegd: of dat je persoonlijke eigenschappen en je persoonlijke kwaliteiten van uit de wereld op jou toekomen. En héb je dat begrepen, dan zul je zeggen: Al wat ik ervaren heb, is dus waarheid. Onverschillig of het nu een droom is geweest of een leugen is geweest, wat in mij leeft, wat ik ontmoet van uit de wereld of van uit een andere sfeer, is waarheid. Het is een onthulling van mijn eigen wezen. Maar zolang ik niet het totaal van de schepping ken, kan deze waarheid nog niet volledig zijn. Ik moet dus alle dingen ervaren om de totale waarheid te kunnen kennen uit mijn eigen reactie op al deze dingen. De waarheid, die ik erken, is de waarheid omtrent mijzelve. en daaruit vloeit voort mijn kennis van mijn eigen reactie tot God. Dat is eigenlijk de hele kwestie. PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE 163

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie Nu komen we bij de vierde les: Waar goed is, is kwaad en waar kwaad is, is goed. En in God zijn beide steeds aan elkaar gelijk. We hebben het eigenlijk al beantwoord, maar voor de zakelijkheid zullen we het nog even vastleggen. Goed en kwaad kunnen in feite niet bestaan. Ze zijn een oordeel, uitgesproken aan de hand van ons eigen standpunt omtrent uitingen van het Goddelijke, die in God volledig goddelijk en als we God dus "goed" willen noemen dus goed zijn maar die van uit ons standpunt dus aanmerkelijk verschillen. God echter is evenwichtig. Zolang wij leven in God en met God, moet dus het totaal van goed en kwaad te allen tijde een balans vormen, willen wij kunnen komen tot een erkenning van God. Het hele doel van ons leven is tot erkenning van God te komen, zodat goed en kwaad altijd in het Goddelijke in en volledige balans zijn. Eigenlijk simpel, als je het goed begrijpt. Is het voldoende? Voor mij wel, ja. Voor de rest ook? Akkoord, dan gaan we verder. Het is altijd een mengeling van deze waarden, maar belangrijk is dat in God deze beide gelijk zijn. Goed en kwaad zijn ons gelijk, niet om de waarde die zij vertegenwoordigen maar ook het bewustzijn dat wij er in dragen. Dat wij eruit verwerven. Is dat de bedoeling? Nou, verwerven is eigenlijk niet helemaal juist. Om goed of kwaad te erkennen moet er reeds een bewustzijn aanwezig zijn. Goed en kwaad zijn dus niet bewustzijnveroorzakend maar oordeelsgevolg van bewustzijn. En dientengevolge dragen wij dus een bewustzijn in ons, dat ons persoonlijk en van uit ons eigen standpunt doet aanvaarden of verwerpen, doet begeren of vrezen. Dat is dus een kwestie van goed en kwaad. Zou het nu zo zijn, dat er voor ons meer te vrezen dan te begeren zou zijn, dan zouden wij niet tot leven komen, dan zou onze angst te groot zijn. Zou er voor ons veel meer te begeren dan te vrezen zijn, dan zou ons hele bestaan een losgebroken verwervingsdrang worden a.h.w. En dientengevolge zouden we ook weer niet komen tot een erkenning, Alleen maar tot een beleving maar niet tot een erkenning, dus geen bewustzijnsuitbreiding. Het gevolg is dus, dat in God willen wij tot een bewustzijn van God kunnen komen. altijd een evenwicht van die twee waarden aanwezig moet zijn, omdat alleen daardoor voor ons een werkelijke bewustwording mogelijk is. Kunt u het argument volgen? Ons kwaad zal ons goed worden, zodra wij het doen met een besef en een doelbewustheid t.o.v. de kosmos. (Zie verder les no. 9) Kijk eens, dat kan ik misschien het best met een voorbeeld duidelijk maken. Laten we eens aannemen, dat er een grote tiran is, een grote dictator, een Mussolini of iemand anders, een Napoleon, een Robespierre, een Marat, een Alexander de Grote: iemand dus, die o.i. onnoemelijke schade betekent voor de gemeenschap. Nu is doden op zichzelf een mens doden kwaad. Moord zien we altijd als iets kwaads. Maar in een dergelijk geval wordt door onze eigen instelling en ons streven plus bewustzijn het doden van die mens juist "goed". De vraag is natuurlijk: Is dit nu feitelijk goed of niet? Maar dat heeft er weinig mee te maken. Het is voor ons het bewustzijn. Omgekeerd zullen wij heel vaak goed willen doen en eigenlijk voor onszelf iets kwaads presteren. Misschien mag ik hier een ietwat belachelijk voorbeeld bij halen: Iemand, die geen begrip heeft van muziek, gaat naar een plechtig concert toe, waarop alleen de zwaarste muziek van Bach wordt gespeeld. Hij heeft absoluut geen begrip van de constructie van de muziek, geen gevoel voor de harmonieën, voor het zwellen van bepaalde akkoorden, de bewerking die ze ondergaan, de klankrijkdom, kortom hij zit daar alleen omdat het Bach is. Dan zegt hij: "Ja, het is goed om naar Bach te luisteren. Bach is klassiek en Bach is het summum summarum van de muziek. "Maar hij voelt het niet aan, dus verveelt hij zich. Zijn goed is kwaad. En als die mens dus op muzikaal gebied nu werkelijk zou moeten genieten, dan zou hij niet naar een concertzaal moeten gaan maar ergens naar een gelegenheid, waar ze zoiets zingen van: Marie, die vrijt met een huzaar. Misschien dat hij dat kan waarderen. Dan kun je zeggen: "Maar dat is geen kunst meer. Dat is onbeschaafd of." Dat kan zijn, maar voor die mens is dat goed, want daarin kan hij zich inleven en daarin kan hij zich dus ook uiten. Begrijpt u waarin het hier dus ligt? Op het ogenblik dat wij dingen doen, die goed zijn, niet omdat wij ze voelen als goed, maar omdat wij menen dat het zo hoort, dan is het slecht. 164 PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie Dan leeft hij boven zijn stand. Neen, dan leeft hij niet boven zijn stand dat gezichtspunt is helemaal verkeerd. Maar hij vergist zichzelf in de waarde van het leven. Laten we het nu heel, heel eenvoudig nemen. Een ander voorbeeld dus: Een jong meisje, dus rijp, maakt contact met de andere sexe. Maar ze heeft voor zichzelf het idee, dat het buitengewoon slecht is zich te laten kussen enz.enz. Het gevolg is, dat ze iedereen van zich afstoot. Nu blijft ze daardoor niet alleen vrijgezellin, maar ook in de letterlijke zin des woords een oude verzuurde jonge juffrouw. Nu kan ze voor zichzelf zeggen: "Ja, maar ik heb goed gedaan, want ik heb al dat onzedelijke altijd van mij afgehouden." Dat kan waar zijn, maar haar hele leven is daardoor vertekend en verzuurd Haar bewustwording is daardoor in de war geraakt misschien. Ze zit met allerhande voorstellingen, die ze niet verwerken kan en die ze dan misschien uit in haar liefde voor hondjes en katjes of voor iets dergelijks. Dus ziekelijk. Door dit ziekelijk aspect zal dit leven in de stof voor haar niet voldoende vruchten dragon. Toch heeft ze gehandeld naar haar begrip van goed. Maar dat goed is kwaad geworden, omdat het een persoonlijkheidsbeperking werd. Het kwaad zou voor haar beter zijn geweest, omdat daardoor een persoonlijkheidsuitbreiding, een groter bewustzijn en dan een bewuste keuze plaats had kunnen vinden. Een kwestie van frustratie. Ja, goed. Hoe u dat nu wilt noemen, of dat nu een kwestie van frustratie is of wat anders, het is en het blijft dus zo, dat er in een mensenleven een ogenblik kan zijn, dat het kwade beter is dan het goede volgens de algemene norm. Dan staat er verder: Omdat het "ik" daardoor beperkt wordt in de uiting van zichzelf. Ja, natuurlijk. Daarom staat dat er ook. De vijfde wet is deze: Want er zijn vele werelden geschapen, doch slechts één ervan werd bezield. Nu rijst bij dit gezegde deze vraag: Hoe kan iets geschapen zijn, waarin God niet leeft? Bezield in de zin van: Met bewustzijn voorzien voor zichzelve. En om dit te begrijpen moet u eigenlijk toch wel een klein beetje thuis zijn in de esoterie. Het is n.l. zo: U leeft hier in een wereld. Die wereld is niet bezield. U moet het goed begrijpen. Ik leef in een sfeer. Die wereld is ook niet bezield. Er is maar een Werkelijkheid. Al het andere is wel geschapen als een mogelijkheid om die werkelijkheid te erkennen in haar ware zin, maar daarin is geen werkelijk leven. Wij leven niet in die sfeer, wij leven in de goddelijke werkelijkheid. Wij leven niet in deze wereld, we leven in de goddelijke werkelijkheid. Deze wereld is niet in zichzelf bezield, maar zij is geschapen als een mogelijkheid, waar in wij tijdelijk de schijnbare bezieling doorlevend dus een bewustzijn van de werkelijkheid verwerven. Anders gezegd, om het nu terug te brengen tot zijn eenvoudigste religieuze termen: Er is slechts één Koninkrijk Gods, waarin alle dingen behoren. Toch zijn er vele dingen geschapen, die niet direct tot het Koninkrijk Gods behoren maar slechts een tijdelijk, niet blijvend en niet reëel middel zijn om het Koninkrijk Gods te kunnen betreden. Ja, maar dat "geschapen", is dat niet een donkproces van onszelf? Ja, goed. Maar wij kunnen niet denken en scheppen zonder God, Die in ons de kracht legt tot denken en scheppen. En daar zit nog iets anders aan vast en dat is n.l. dit: De bezielde wereld is onveranderlijk. Dus daar kun je geen verschil van waardering kennen. Die is echt. Om het nu heel simpel te zeggen: daar is een peerd, een peerd. En dan is het niet zo, dat de één zegt dat het poten heeft en de andere zegt dat het benen hoeft. Dan is het en paard. Maar in uw eigen wereld is het anders. Uw wereld is een gedeelde reeks van illusies, die voor een ieder afzonderlijk verschillend zijn. Niemand ziet uw wereld op precies dezelfde wijze als u, ook al denkt u dat misschien. Er zijn altijd verschillen van inzicht, van waardering e.d. En daarom zegt men in de esoterie heel vaak, dat deze werkelijkheid, waarin u meent te leven, in feite de waan is, waardoor de werkelijke en enig werkelijke wereld voor u verborgen blijft. Is er een middel om die wereld te kennen. Het middel, om een wereld te kennen is: eerst te erkennen waar de waan bestaat. Wie erkent waar de waan is, kan deze langzaam maar zeker voor zichzelf verbreken en in het verbreken van de waan zal de werkelijkheid steeds sterker naar voren komen. Geen commentaren? Nu, moeten we nog meer hebben? PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE 165

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie Nu nog het zesde punt. De zesde wet is de wet van kracht en deze leert ons dat alle energieën steeds streven naar rustend evenwicht. Enz. Zie les no. 9. Ik wist niet dat dat een duister punt kon zijn. We weten allemaal dat er inderdaad gevallen zijn, dat een mens b.v. met handoplegging of door een schijnbaar wonder een genezing tot stand kan brengen. We weten, dat al gebeurt het heel zelden soms: die genezingen ook genezingen zijn van zuiver organische kwalen. Nu kun je zeggen: "Ja, dat heeft een eenling." Maar dat is niet waar, want u bent allen mens. Als zodanig beschikt u allen over dezelfde menselijke potentie. De goddelijke Kracht is rond u allen even sterk. Alleen met dit verschil, dat de een durft vertrouwen en die kracht geven met alle gevolgen van dien terwijl de ander zegt: "Ja, maar ik kan het niet", of eraan twijfelt en dus die kracht niet accepteert. Een ander voorbeeld: We weten allemaal dat een mens, die b.v. belaagd wordt, achterna gezeten, in gevaar is, buitengewone prestaties levert gedurende een zeer lange tijd. Zodra er een noodzaak is, kun je veel meer verdragen en verwerken dan normaliter, nietwaar? Dat wil dus zeggen, dat het feitelijk prestatievermogen ver ligt boven het algemeen aanvaarde prestatievermogen. En dit impliceert weer, dat de kracht wel aanwezig is, maar dat men over het algemeen deze niet gebruikt. Met die voorbeelden wordt het u waarschijnlijk zo langzamerhand duidelijk waar het om gaat. Wij hebben een direct contact met het Goddelijke en het Goddelijke is almacht. Wij hebben dus zelf a.h.w. de beschikking over die almacht, zolang wij daarmee niet - en dat is uitdrukkelijk voornaam hier - tegen het Goddelijke ingaan, dus een evenwicht verstoren. Maar zelfs wanneer wij niet in staat zijn om die kracht te gebruiken of te projecteren, dan zal in het Goddelijke toch altijd een aanvulling plaats moeten vinden van het tekort. God kan niet onevenwichtig of eenzijdig zijn. Hij blijft Zichzelf altijd gelijk. Dus op het ogenblik dat wij hier een te veel aan kracht hebben, zal die kracht zich ontladen en ergens waar een tekort aan kracht is, die kracht brengen. Op het ogenblik echter dat er ergens een tekort aan kracht is, ontstaat a.h.w. een vacuüm, dat altijd alle kracht die overvloedig is buiten het evenwichtige naar zich toetrekt. Denkt u maar gewoon aan de kwestie van isothermen en isobaren in de weerkunde daar kunt u ook zien, hoe het hogedrukgebied zich altijd weer probeert te spoeden naar het lagedrukgebied en het lagedrukgebied automatisch dus elke aanvulling probeert aan te zuigen, waardoor het zelve tot een hogedrukgebied of tenminste tot een normaalgebied kan komen. Denkt u aan communicerende vaten en alles wat erbij hoort, dan weet u dus wat dit betekent. Ik dank u vriendelijk. Nu, dat waren dan enige vragen. Hebben we nog iets anders op het ogenblik, dat belangrijk genoeg is? Of voor een kort onder werp misschien? Zoudt u iets willen vertellen over de eenheid van de mens op de aarde? En nu is mijn vraag daarbij: de aardgeest, is dit een waan of is dit een werkelijkheid? Een aardgeest is een bewustzijn, dat zich veel beter een gevoelt met het Goddelijke dan de mens. Van uit een reëel standpunt gesproken is het dus een niet volbewust deel van het Goddelijke, evenals we zelf zijn. Als zodanig blijft voor ons die aardgeest reëel, zolang ons bewustzijn niet hoger wordt. Wordt ons bewustzijn echter hoog genoeg, dan zien we de aardgeest als een deel van onszelf en het Goddelijke, waardoor de bewustwordingsbehoefte, die in ons zelf bestaat, gereproduceerd wordt in de wereld, waarin we leven. Kunt u het volgen? Hieruit volgt dus wel dat er ergens een soort overkoepelend orgaan moet zijn. (Het klinkt natuurlijk heel erg staatkundig tegenwoordig, nietwaar? Als er drie mensen een bewaarschool beginnen, dan krijgen we onmiddellijk een overkoepelend orgaan, dat dan weer wordt ondergesteld aan andere overkoepelende organen, die dan gaan over alle bewaarscholen van de verschillende gezindten. En die worden dan weer overkoepeld door ministeriele raden, commissies e.d. die aan het ministerie alles mededelen, dat op zijn beurt door de ministerraad overkoepeld wordt.) Dit klinkt dus wel heel erg raar, maar eigenlijk zit er toch wel iets in dat beeld. Alleen moeten we van.de andere kant af redeneren. Het Nederlandse volk bestaat uit individuen. Toch erkent men het Nederlandse volk als een eenheid, die zich onderscheidt van alle andere volkeren in de omgeving. Dit volk wordt geregeerd door een wet, een grondwet. Die wet is het product van de begeerten, verlangens 166 PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie en angsten van dat volk: geïnterpreteerd door latere geslachten eventueel. Volgens die grondwet delegeren verschillende functies en grootheden, die dus in dat volk bestaan, hun leden om dit volk te besturen en de wetgeving te handhaven, eventueel ook aan te vullen en aan te passen. En daaronder vinden we dan dus weer de kleinere, lagere instanties en tenslotte weer het individu. Nu kun je dus zeggen. dat administratief gezien b.v. de gemeente Den Haag een eenheid is, ook al bestaat ze uit een honderdduizend of weet ik hoeveel mensen. En Amsterdam is ook een eenheid. Maar Beesterzwaag, Rodeschool en noem nog maar een gat Zevenaarskerke, Eersel, Boerswijk, dat zijn ook eenheden. En dan kennen we zelfs nog plattelandsgemeenten, waarin b.v. een gemeente een aantal vlekken of wijken omvat. Zoals Den Haag b.v. tevens Scheveningen en Loosduinen omvat, agglomeraties dus. Toch zien we die allemaal als een geheel. De mensheid als zodanig is een bepaalde tak van ontwikkeling. Ten opzichte van de rest van het heelal onderscheidt die mensheid zich dus door een gemiddeld bewustzijn, een gemiddeld verlangen, een gemiddelde angst enz. Dat wil dus zeggen, dat die mensheid als het ware overkoepeld kan worden door bewustzijn dat uit die mensheid is gewassen. Kunt u me nog steeds volgen? Nu zien wij, dat de mensheid geleid wordt - en vooral in geestelijke zin kunnen we dit zeggen maar ook stoffelijk is dit wel waar voor degenen, die sterker zijn in hun bewustzijn en een zuiverder inzicht hebben. Degenen, die dat zuivere inzicht hebben, behoren dus tot laat ons zeggen een hogere klasse. Maar die klasse zelf onttrekt ook haar bewustzijn weer aan een hoger wezen. Al die wezens tezamen echter vormen de mensheid. Dus om het nu religieus te zeggen: God de Vader of Jehova is de God van de mensheid. (Dan schakelen we Hem even als stamgod nu uit.) Daaruit komt voort een reeks van profeten en de Zoon. Een hiërarchie van belerende factoren. Maar gelijktijdig komen daaruit voort de wetten o.a. de Tien Geboden: daar komen uit voort verder de toorn, de wraak, de liefde en het wonder. Dus die komen ook uit dezelfde factor voort. Het gehele leven wordt door het hoogste Wezen geregeerd en beheerst, maar in overeenstemming met het bewustzijn van het geheel. In deze zin zijn dus alle mensen één. Wat meer is? Het is praktisch onmogelijk, dat er op de wereld een groot geestelijk verschil bestaat tussen verschillende delen van het overheersende ras. Dat geldt voor elke wereld in de kosmos. Er is één gemeenschappelijke norm waar de één wat bovenuit kan komen, de anderen wat onder zitten, maar zo hebben allemaal aan een grondeis - zeg een exameneis - moeten voldoen, voordat ze mens werden. Dus een minimum is gegarandeerd. Maar een maximum is evenzeer gegarandeerd. Want op het ogenblik dat het maximum overschreden wordt, zijn we meer dan mens, onttrekken wij ons dus aan het direct menselijk bestaan, ook wanneer wij aan die mensheid gebonden blijven door onze interessen en belangen misschien. Kunt u volgen wat ik bedoel? Dus er is een geestelijke norm. Ook deze betekent eenheid. Maar er is nog meer. Want juist doordat men zo gezamenlijk bestaat, krijg je hetzelfde als in een klas. Als daar een paar kinderen achter zijn en de onderwijzer houdt zich daar te veel mee bezig, dan zal de hele klas geremd worden. Maar als de onderwijzer die kinderen prijsgeeft, voldoet hij niet aan zijn verplichtingen tegenover het geheel, want hij moet iedereen wat leren. Hij kan dus niet een paar leerlingen er maar bij laten zitten. Op deze manier zal het bewustzijn van een individu in de klas bepalend zijn voor het lot van de hele klas. Zit er een enkeling in die klas, die buitengewoon schrander is, dan zien we dat hij natuurlijk door middel van spieken en afkijken maar ook door verklaren zelfs als dat een beetje opschepperij wordt zo nu en dan degenen, die minder bij zijn, bijbrengt en bijwerkt. Op deze manier dus zal het aanwezig zijn van enkele mensen, die beter zijn in de mensheid, op de duur door voorbeeld, hulp, verklaring het peil van de mensheid wat hoger brengen. Maar dat wil ook zeggen omdat deze klas een continue klas is dat de exameneis voor het mens worden langzamerhand ook verhoogd wordt, zodat de komende geslachten aan een hogere eis zullen beantwoorden. Wanneer echter te veel slechte individuen in die mensheid zijn, dan zullen zij de normen die werkelijk belangrijk zijn, zoals onderlinge verhouding van mens tot mens, enz, dus drukken. Ze worden te egoïstisch. Dat betekent dat de exameneis daalt en dat er dus in onze klas leerlingen komen, die beneden het oorspronkelijke niveau liggen. Dan kunnen we toch wel zeggen, dat die mensen onderling dus zeer van elkaar afhankelijk zijn. Ze zijn een eenheid, of ze willen of niet.

PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE

167

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie Datgene, wat een enkeling doet, is voor het geheel steeds belangrijk. Naarmate het bewustzijn van het individu groter wordt, wordt zijn invloed op de ontwikkeling van de wereld niet op de onmiddellijke toestand maar op de ontwikkeling van de wereld groter. En wel, omdat gezien de grote massa die we in de klaswereld hebben dat gaat in miljoenen het tenslotte lang duurt, voordat die werking iedereen bereikt heeft. Dus een goed mens is in staat om het peil van de mensheid als zodanig een ietsje omhoog te brengen. Zijn er meer goede mensen wat gebeurt, als het peil omhoog gaat dan gaat het peil dus sneller. We krijgen een reeks van 2, 4 ,8 ,16 enz. U weet hoe snel dat gaat. Een meetkundige reeks. Wanneer er twee goede mensen zijn in het begin, dan zullen er na laat ons zeggen tien geslachten dus rekent u dat voor de aardigheid maar eens uit. Dan zult u verbaasd staan te zien wat dus twee goede mensen betekenen voor het geheel en hoeveel goede mensen daaruit voortspruiten. En vergeet niet, het is geen erfelijke kwestie, het is een geestelijke kwestie. Als u nu weet, dat het getal bij de bekende schaakbordbeweging van een graantje op het eerste, twee op het volgende, vier enz: dat dat een astronomisch getal werd op het 64e bord, dan kunt u dus nagaan hoe groot de belangrijkheid kan zijn van een paar goede mensen. Die kunnen een invloed uitoefenen, waardoor een heel continent na 20 of 30 geslachten dus goed kan zijn. En dan is er alleen maar één beperkende bepaling bij en dat is, dat hun goed dus niet door een even zwaar kwaad wordt geremd of tegengehouden of geneutraliseerd. We moeten altijd twee mensen meer goed hebben dan kwaad. En omdat je nu nooit zeker bent of er niet ergens een heel stel kwade mensen zitten, is het dus in het belang van de eenheid van de mensheid wel erg noodzakelijk, dat je probeert om goed te zijn. Want wat je doet beïnvloedt niet alleen jezelf maar de gehele mensheid, de gehele wereld. En de aardgeest is dus uiteindelijk een bewustzijn, dat alle breukdeeltjes van al die individuele bewustzijntjes is opgebouwd. Want de goddelijke kracht en openbaring, die daarin wordt geuit, kan alleen zover gaan als voor het gehele bewustzijn van de mensheid nog aanvaardbaar is. Er is dus een directe relatie. Aardgeest is geen waan, maar ze is van uit het Goddelijke gezien een functie van het Goddelijke. Van uit de mens gezien: de Godheid, die voor de mens nog erkenbaar is. Kunt u het volgen? En waar is die aardgeest, waar bestaat hij? Die aardgeest bevindt zich in het totaal der aarde. D.w.z. dat de mensheid o.m. een deel van het lichaam uitmaakt, maar daarnaast dus ook alle materie. Die aardgeest zit net zo goed hier aan die stoel vast als aan de grond. En nu is de grootste massa voor ons misschien erg gelukkig, geestelijk gezien dode materie. Dat wil zeggen materie, die ligt onder een bewustzijnsnorm, die wij nog als leven erkennen in stoffelijke zin. Wat daar geestelijk in leeft valt niet direct onder de aardgeest. Het is een parallellopende uiting, die binnen de aardgeest geen ongebroken bewustwordingsgang heeft. Vandaar het bekende sprookje dus dat feeën, elfen, enz. met mensen moeten huwen, dus het menselijk peil moeten betreden, voordat zij een eeuwig leven, voordat zij een ziel krijgen. Want dan zijn ze gebonden binnen het geheel van de aardgeest en maken zij dus deel uit van de continuïteit, die daarbinnen bestaat. Maar tot die tijd zijn ze een verschijnsel op en in het lichaam van de aarde, dat niet aan de bewustwordingsgang van de aarde zelf geheel gebonden is, maar daarentegen vaak aan natuurwetten, die kosmisch zijn. Dus om het nu heel simpel te zeggen: Een waternimf hier kan net zo goed in een zee van vloeibare zuurstof op een andere planeet werken. Dat maakt helemaal geen verschil uit. Daar kan ze even goed in leven, daar heeft ze precies hetzelfde bestaan en dezelfde band met haar omgeving. Dus dat was even terzijde. Die aardgeest leeft dus in alle dingen, maar zijn bewustzijn ligt niet in de mensheid. En dat zou een fout zijn, die je misschien maakt, als je denkt: menselijk bewustzijn en bewustzijn van die geest is gelijk. Neen. Het menselijk bewustzijn is a.h.w een deel van het denken van die aardgeest, maar eigenlijk een onwillekeurig denken. En dan is dat het bovenbewustzijn van de mensheid. Dus dat is dat onwillekeurige denken. En dan kun je je de aardgeest misschien het beste voorstellen als iemand, die een bepaalde inwijding ontvangen heeft en die nu aan yoga doet om een bepaalde zelfbeheersing te leren, maar die dit pas bereiken kan wanneer hij de onbewust optredende, dus de niet-beheerste gedachte, in een vast met het harmonisch kader kan dwingen. Vandaar dat de aardgeest voortdurend bezig is om eenheid te stichten onder de mensen op aarde.

168

PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie Ik ben hiermede bezig gewest in mijn gedachte en daarom had ik dit idee bij me: Als de mensheid geworden omdat er op het dan een uitwerking op de (minder één geworden omdat er zoveel gaande is), heeft dat aardgeest of is dat een gedeelte van de aardgeest,of de aardgeest die daarbij hoort? Mag ik eens een heel oneerbiedige vergelijking gebruiken? Mensen te veel ruzie maken of te veel disharmonie dan is het voor die aardgeest hetzelfde als een krabje. Als je toevallig raak krabt, dan is de vlo er geweest. Dus de mensheid in haar geheel? Neen, niet de mensheid in haar geheel, maar dat gedeelte. Vandaar b.v. dat je natuurrampen soms ziet op plaatsen, waar de mensheid op een of andere bijzondere manier hinderlijk is geweest voor de harmonie van de aardgeest. Dat hangt dus weer direct met elkaar samen. Nu spreekt men in de theosofische literatuur van: de koning der wereld. Is dat weer iets anders? De koning der wereld is weer iets anders. De koning der wereld is n.l. niet de koning van het totaal der wereld of de aardgeest, maar is de bewustzijnsvorm, die dragend optreedt voor de mensheid. En de koning der wereld is misschien zelfs meer een legende dan een werkelijkheid. Daarvoor moet u dit goed begrijpen: Er zijn rassen geweest, vóórdat de mens er was. Onder die rassen zijn er geweest, die ten onder gingen. Nu neemt men aan dat een van die rassen zich teruggetrokken heeft en wel in grotten onder de aarde. Dat is een overlevering, die Tibetaans is. En nu weet u misschien dat de lamaïstische invloed in de theosofie heel groot is. Vandaar dat men de term "koning der wereld" heeft overgenomen, misschien niet geheel beseffend wat men daarmee bedoelde. Het is een soort koning van de onderwereld, die recht heeft op deze wereld en wacht zoals b.v. Barbarossa in zijn berg op het ogenblik, dat de behoefte op aarde zo groot zal zijn, dat hij zijn legerscharen die met hem zijn afgedaald zal wekken en van uit de spleten en krochten der aarde. Ik citeer Hier dus direct uit het Tibetaanse boek daarover uit de krochten en spleten der aarde zijn leger zal doen optrokken, vernietigend hen, die niet de waarheid beleven en allen, die de waarheid beleven, beschermend en in zijn rijk opnemend. Reeds nu echter zo telt hij met zijn ministerraad en de natuur kent. Hem, zodat wanneer de koning der wereld spreekt tot zijn raadslieden, de dieren stilstaan, de verslindende dieren niet jagen en alle geesten in de lucht fluisteren dat er een nieuw besluit en een nieuw gebeuren is. Dus daar komt het eigenlijk vandaan. Maar die koning der wereld is eigenlijk om het nu heel logisch te zeggen: het schuldbewustzijn van de wereld. Verpersoonlijkt weer in een geestelijke entiteit, maar eerder in een schil dan in een werkelijke entiteit. Kunt u begrijpen wat ik bedoel? Dus het is een projectiebeeld. Op het ogenblik dat het schuldbewustzijn van de aarde te groot wordt, zal dit schuldbewustzijn de mensheid dwingen tot een vernietiging van datgene, wat. haar schuld veroorzaakt óf van zichzelf. Het gevolg is, dat er dan een nieuwe tijd en een nieuwe aarde komt. Dat is dan wel actueel, zou ik zeggen. Dat is wel altijd actueel geweest. Want het schuldbewustzijn van de mens wijzigt zich weinig. Wel datgene, waarover hij zich schuldbewust gevoelt. Daar is b.v. een tijd geweest, dat demons zich erg schuldbewust gevoelde, wanneer hij een speelschuld niet had betaald of te diep had gebogen voor iemand, die het eigenlijk niet verdiende. Maar dat hij zich helemaal niet schuldbewust gevoelde, wanneer hij een tegenstander neerstak in een duel, wanneer hij er een hele reeks vrouwen op nahield, of heel rustig "op de lat" zoals dat heet een kostbare staat voerde ten koste van de burgerij. Dat vond hij helemaal niet erg. Dus dat schuldbewustzijn staat niet in verband met goed en kwaad maar met een erkenning van onjuist in een schuldbewustzijn. En nu is het op het ogenblik zo, dat de wereld als zodanig gezien het aantal mensen dus, dat moeten we in de gaten houden een betrekkelijk grote meerderheid heeft die stabiel is. Er is een kleine minderheid, die zich op enigerlei wijze schuldbewust voelt en als zodanig schuldcomplexen veroorzaakt. Zouden die in staat zijn dat schuldcomplex zich te doen uitbreiden, dan zullen de resultaten daarvan kenbaar worden. Maar je kunt b.v. op je vingers natellen, dat degenen, die dus voor die koning der aarde weer niet belangrijk zijn, wel voor de geest der aarde belangrijk kunnen zijn. Zodat het helemaal niet gek is dat bepaalde gebieden, waar men nu toevallig erg onvriendelijk is tegenover zijn PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE 169

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie medemensen, bijzonder overstromingen. bezocht worden door wervelstormen of aardbevingen of

Dat hebben wij de laatste tijd erg veel gehad. Ja, dat is de compensatie van uit de aardgeest. Maar dat heeft nog niets te maken met de koning der wereld. Nu, na deze koninklijke beschouwing misschien nog iets anders? Of vindt u het voldoende? Kunt u misschien ook zeggen: Is geloven noodzakelijk? Is abstract denken ook noodzakelijk voor geloven? Neen. Geloven vraagt eigenlijk helemaal geen denken. Ik zou zelfs zo willen zeggen: Hoe scherper je nadenkt ook abstract denken dus hoe moeilijker het wordt om te geloven. Want hoe meer het denken zich richt op een bepaald punt, hoe meer men voor zichzelf een bewijs vergt en dus minder tot een gevoelsmatige aanvaarding bereid is. Geloof is iets, wat je in jezelf draagt. En iedereen gelooft ergens in, maar niet iedereen in hetzelfde. Daarbij komt dat ieder zijn geloof op een eigen wijze omschrijft, dus er een vorm aan geeft. Maar geloof maakt van af het begin der mensheid deel uit van het menselijk bestaan. Het is n.l. de noodzakelijke compensatie voor een bewustzijn van eigen onvolledigheid. Daaruit vloeit voort dat ook degene, die zegt niets te geloven, toch nog bepaalde dingen gelooft. Al is het alleen maar dat de mensheid slecht is of dat de mensheid goed is. Maar zonder bewijs. Dus hij aanvaardt iets, omdat hij het zo voelt. En nu is geloof eigenlijk een aanvaarden, omdat je voelt dat het zo is. Waarbij dan later een rationalisatie kan optreden door het aanhalen van meestal zeer onvolledige bewijsgronden. Maar een mens die helemaal niets gelooft, heeft geen enkele zin of geen enkele reden in zijn leven. Dus zouden we kunnen zeggen: Degene, die niet gelooft, leeft eigenlijk niet werkelijk meer, omdat hij volkomen doelloos is. Hij heft geen richting. Je gelooft b.v, dat iets je plicht is of dat iets je recht is. Je weet het nooit zeker, maar je denkt het. En daarom handel je. Wanneer je daar niet aan toekomt, sta je voortdurend stil. Dan heb je geen rechten en geen plichten. Dan wacht je maar af wat er komt. En zelfs moet je dan nog geloven dat je dat moet aanvaarden. En doe je dat ook niet, dan zeg je: "Nou ja, goed, laat ik maar een eind aan mijn leven maken. Weg is weg." Dus er zijn bepaalde geloofsnormen, die de geest a.h.w. dwingen in vele gevallen zich te voegen naar stoffelijke drang als b.v. drang naar zelfbehoud. Er is een geloof noodzakelijk om een werkelijk doel in je leven te vinden, een werkelijke inhoud te vinden in je bestaan. Zonder geloof kun je niet leven. En zonder geloof is ook praktisch geen bewustwording mogelijk. Zo eventjes werd er gesproken over de buitenste grenzen van het bewustzijn, die nevelachtig en vaag zijn. Kijk, dat zijn dingen die weet je niet. En die weet je toch eigenlijk ook weer wel. Dat weten, dat je niet als en weten kunt uitdrukken, is in feite je geloof. Dus zou je dat niet hebben, dan zou dat betekenen dat je hele bewustwording stilstaat, zich. niet verder uitbreidt. En hoe groter je weten dus wordt, hoe groter je geloven. Is het voldoende? Ja. Dus in het kort gezegd: het is juist het tegenovergestelde. Dus als je abstract denkt, dat je dan eigenlijk niet gelooft. Op het punt waarover je abstract denkt meestal niet. Omdat zelfs abstract denken uiteindelijk uit moet gaan van het concrete. Een abstractie wordt toch nog gebaseerd op een concreet iets, een aanvaarding die op een of andere wijze redelijk aannemelijk is te maken. Want anders is het zinloos. Dan is het geen abstract denken, dan is het kletsen in de ruimte. Maar ik zou daar toch tegen willen aanvoeren, dat als je in de natuur om je heen kijkt en je geeft je rekenschap van de groeiprocessen, die je daar ziet, je toch door dit denken over die dingen komt tot het geloof, n.l. van de bezielende eenheid, die in alles aanwezig is. Dat ben ik niet met u eens, dat ligt er maar aan hoe u het ziet. Het ligt aan de wijze van beschouwing die oor U een geloof mogelijk maakt. En die wijze van beschouwing is weer gevoelsmatig. Dus die komt niet voort uit een weten maar uit een gepredisponeerd zijn tot een bepaalde beschouwingswijze, voortvloeiend uit dat nevelgebied van nog niet geconcretiseerd denken en bewustzijn. Ja, maar ik kom tot die beschouwing doordat ik met mijn zintuigen (n.l. mijn gezicht) een waarneming doe en die ik in mijn overdenken misschien tot een gevoel opvoer. Het ligt toch aan uzelf of u kijkt. 170 PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie Inderdaad. Maar zonder mijn zintuigen zou ik niet kunnen kijken. Goed. Maar als u deze zintuigen niet zoudt hebben en u moet leven, dan zoudt u toch andere middelen hebben om in communicatie te komen met die wereld. Zelfs een blinde kan, terwijl hij niet ziet, toch wel degelijk het leven ervaren. Die ervaart het weer op een andere manier. Die doet het. niet visueel maar doet het meestal auditief. Of door aanraking of wat dan ook. Dat is ook zintuiglijk. Ja, goed, dat is ook zintuiglijk. Maar daar wil ik maar mee zeggen dat die wereld dus erkend wordt door heel veel dingen. Er bestaat zelfs iemand, die doofstom en blind is, zoals u misschien weet, en die toch kwam tot een reeks van - ik zou haast zeggen - esoterische beschouwingen. En die met heel veel moeite op de duur geleerd heeft om contact met die buitenwereld te krijgen. Maar het vreemde was toen, dat dit wezen niet zoals men aannam ledig was van alle kennis en ervaren, maar wel degelijk zijn realisaties had, ondanks het feit dat praktisch alle zintuigen buiten de tastzin, de smaak en de reuk waren uitgeschakeld. En als je in de geest komt, dan heb je helemaal geen lichaam en geen ogen meer, maar je ervaart verduveld goed. Dat kan ik u wel garanderen. Ja, maar ik heb het nog maar over ons aardse menszijn. Maar dat moet u niet doen. Als u begint te zeggen: het zintuiglijke is noodzakelijk, dan zeggen we: waarom gelooft u een dier dan niet? Er moet iets meer zijn. Waarom zou een dier niet geloven? Neen, een dier gelooft niet. Een dier constateert, maar een dier gelooft niet. Een dier gelooft niet dat u goed bent of dat u slecht bent, maar een dier constateert, dat u voor dat dier het goede of het kwade bent. Vaak volkomen onredelijk. Dus dat gaat direct van zichzelve uit. Het kent ook geen redelijk denken zoals u, en zeker geen overweging. En een geloof moet ook omschreven zijn wil het een feitelijk geloof zijn. Dat zult u toch met me eens zijn. Je kunt niet in het vage, ins Blaue Hinein geloven. Dus kan het dier, dat niet het vermogen heeft om iets volledig te stellen en voor zichzelf te concretiseren, ook niet een geloof bezitten. Het bezit wel verstand, het is dus wel een redelijk wezen. Maar het bezit het niet in een zodanige mate, dat het tot een geloof kan komen, dat als zodanig gerealiseerd wordt en waarmee het dus werkt. U spreekt toch over het verstandelijk denken van de hond. Maar dat is inadequaat om tot een geloof te komen. De mens heeft juist daarentegen dat bovenverstandelijke n.l. het abstracte denken, waar het lager ego niet mee verbonden is, dat m.i. wel tot een geloof moet brengen. Neen, de mens heeft het meeromvattend geheugen en daardoor een veel groter correlatievermogen. En het correlatievermogen dat niet abstract behoeft te zijn, is noodzakelijk om te komen tot een vaststelling, waaruit een geloof kan groeien. Dus ik zou moeten substitueren: correlatievermogen voor abstract denken. Inderdaad. Nu, vrienden, dat was eventjes een kleine gedachtewisseling. Misschien al bijna op de valreep, tenzij u nog gauw met een ander belangrijk punt komt. Het loopt naar het einde van het seizoen, dus zolang u belangrijke punten heeft gaan we nog even door. Heeft u ze niet meer, dan gaan we aan het Schone Woord beginnen en dan naar huis. Het huis lokt wel erg, hé. Laten we dan maar zeggen: Goedenavond, vrienden. o-o-o-o-o SPIEGEL Als een mens in de spiegel kijkt, ziet hij niet zichzelf zoals hij is, maar zoals hij denkt dat hij is. Alleen degene, waarop hij zijn aandacht richt, wordt door hem althans enigszins redelijk erkend. Zo zien veel mensen zichzelf mooier of lelijker, jonger of ouder, dan zij in feite zijn. Zij gaan af op hun eigen denkbeelden. En alles wat de spiegel hun zegt, zelfs wanneer het een volledige weerkaatsing is wordt eenvoudig genegeerd. Het is duidelijk dat wanneer je dat gewoon met een spiegel doet die bestaat uit wat glas met een laagje kwikzilver of uit gepolijst metaal, je dat zeker doet met de grotere spiegel van de wereld. In de wereld leven wil zeggen de wereld en al wat erin gebeurt interpreteren. De interpretatie van de wereld betekent het gevoel dat je hebt, de wijze waarop je beleeft. Als je het beleven PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE 171

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie dus kunt realiseren, kun je ook zeggen: "Alles, Wat ik erken, ben ik zelf." Iemand, die graag roddelt, erkent ontzettend veel kwaad in de wereld, nietwaar? Dan is deze krachtens die wijze van beleven en uitdrukken alleen reeds iemand, die in zich dit kwaad draagt en zou moeten overwinnen. Iemand, die alleen sombere dingen ziet, is niet alleen een realist, maar hij is iemand, die op z’n minst genomen in zichzelve het goede denken omdraait. Zo is de hele wereld een spiegel, waarin je jezelf voortdurend ziet, maar waarin je weigert jezelf te erkennen. Dat gaat zelfs nog een stapje verder, wanneer we in de kosmos kijken. Want God spiegelt Zich in Zijn schepping. De macrokosmos spiegelt zich in microkosmos, het grote en het kleine, ze zijn elkaars evenbeeld. En God, de Almachtige en Zijn kleine schepselen als de mens zijn ook elkaars evenbeeld. Maar de mens ziet niet naar de goddelijke werkelijkheid, die in hem leeft. Hij ziet niet naar het beeld, dat hij van zichzelf heeft gemaakt. En hij probeert zelfs God te ontkennen of God te maken tot een product van zijn eigen gedachten, waardoor hij zonder al te veel moeite of last zichzelf in dezelfde waan kan blijven voortbewegen. Maar dat neemt niet weg, dat God er is. Dat voortdurend de hele schepping en al wat er bestaat u hetzelfde toeroept, wat de spiegel u toeroept: Ken uzelve. Wees u bewust van uzelf. Realiseer u wie en wat u bent. Kijk niet alleen naar de uiterlijkheden. Een spiegel van glas en kwikzilver weerkaatst misschien niet, wat verborgen zit achter uw wezen, ofschoon de lijnen van uw gezicht, ja, zelfs de eigenaardige wijze, waarop u zich plaatst in het gelaat, heel vaak een aanwijzing is van wat u in feite bent. Neen, het innerlijk wordt weerkaatst in de reacties van anderen. Wanneer u een voortdurend vriendelijk mens bent, dan zal de wereld vriendelijk tegen u zijn. Maar voelt u zich wat te nederig of te minderwaardig, durft u niet voor uw eigen waarde uitkomen, dan merkt u dat u een voetveeg bent. Wanneer de wereld misbruik van u maakt, dan is het niet de schuld van de wereld maar van uzelf. U geeft de wereld de kans. Wanneer u dit bewust doet, zult u zich nooit vernederd daardoor gevoelen. Want dan zegt u: dat zie ik als een taak, of dat zie ik als een noodzaak. Maar op het ogenblik, dat het u ergert en hindert, bewijst het uw eigen onvolkomenheid. Let dus op in de wereld waar u zich aan ergert en u zult ontdekken waar eigenschappen in uzelf schuilen, die niet deugen volgens uw eigen bewustzijn. Mee eens, nietwaar? En de dan gaan we nog een stap verder. God spiegelt Zich in de mens, zich in God. Is God almachtig? Ook de mens. Is de schepping een gedachte Gods? Met de gedachte schept de mens zich elke wereld, die hij begeert. Is God eeuwig? Het menselijke in de mens is onsterfelijk want het is een deel van zijn wezen, dat nooit kan worden uitgeblust. Alles is een spiegel, wanneer je het ervan maken wilt. En als je dat nu wilt omzetten in een wat dichterlijke vorm en ik ben er trots op, dat ik dat ook een beetje kan ja, ik mag mezelf een tikje op m’n schouder geven, ik heb het nu zo netjes en ernstig gedaan dan zou ik het b.v. zou in kunnen kleden: De boom spiegelt zich in het water, toont zich daarin de bloesempracht, zoals de schaduw en het duister het beeld van diep verborgen nacht. De boom toont zich met vrucht en luister van een volle zomertooi, maar laat ook in de spiegel vaak de bladeren vallen. Hij ziet zijn kaalheid daar onthuld en is niet van zichzelve maar van een spiegelbeeld vervuld, dat wordt beoordeeld en bekritiseerd. "De boom”, zo zegt de boom al ziende in het water:"staat er nog redelijk bij". Maar wordt het winter later, dan zegt hij: "Neem me niet kwalijk, ik ben zo vrij, boom daar in het water, je bent te kaal, je hebt geen leven. Kijk naar mij dan zie je hoe een boom moet streven." De mens leeft in de massa en ziet zichzelve in de massa weer, ziet zijn eigen eigenschappen en eigen fouten keer op keer. Hij tracht de mensheid te beleren: "Zie naar mij, zoals ik doe is goed. Kijk naar mij dan kun je leren, hoe of je leven moet." Hij weet niet, dat hij spreekt slechts tot zichzelve. een mens vindt pas bewustzijn, wanneer hijzelve leeft naar alle lessen, die hij voortdurend anderen geeft. Dan heeft de spiegel doel, dan leer je corrigeren tot achter ‘t beeld van waan zich openbaart: het beeld des Heren, dat wat in werkelijkheid bestaat. En dan pas is t dat voor je wezen de kosmos zelve openstaat.

172

PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juni 1959 Les 10 – Praktische werkingen in de magie Daarmee ik maar wil zeggen, vrienden, dat als we onszelf eens leren beheersen, waar we anderen hun onbeheerstheid verwijten, wij een heel stuk verder zouden komen. En als we datgene, wat we in anderen zo zondig vinden, zelven eens zouden nalaten, we heel wat beter zouden zijn. Vooral, wanneer we zouden leren, dat er in het leven geen uitzonderingen zijn. Als een regel voor anderen geldt, geldt hij voor ons precies hetzelfde. Of….. hij geldt voor ons niet, maar dan ook niet voor die anderen. En bepaalde dingen moeten nu eenmaal aanvaard worden, want voor anderen gelden ze. Dan kunnen wij er niet aan ontkomen, dan bestaan ze voor ons net zo. Als we dat accepteren, dan toont zich voor ons langzamerhand eerst wat we noemen een beeld van de werkelijkheid, van "Het Leven". "Zo is het Leven", zeggen we dan. Maar een tijdje later zeggen we: "He, zo zijn wij." En nog een tijdje later: "Ach, zo ben ik." En zeggen we: "Zo ben ik", dan kijken we nog eens om ons heen en zeggen we: "Kijk, zo is God," En het gekke is, als we zover zijn gekomen, dan valt het "ik" meestal mee en dan is God ons een openbaring. Nou zal ik jullie niet lang meer bezighouden, maar een ding moet me nog van het hart. En dat is dit: Je weet misschien, dat ik een hele tijd - niet alleen in deze kring - maar ook al voor die tijd bekend heb gestaan als een buitengewoon scherpe, vaak cynische en sarcastische spreker. Dan zal ik jullie ook vertellen waarom. Ik was zelf een verwrongen mens, niet alleen fysiek maar psychisch. Daardoor zag ik de wereld verwrongen. En nu ben ik zeker niet zo zoetelijk en idealistisch als iedereen me graag zou willen hebben, want de waarheid ligt klaarblijkelijk in het midden tussen onze voorstellingen. Maar ik kom er langzaam naar toe. En ik heb een vertrouwen, dat steeds groter wordt en dat me misschien in mijn hart ook steeds milder stemt en dat is dit: Er schuilt in mij veel waars: en dat kan niet in mij schuilen als het niet in de wereld bestaat. Mijn waarheid en die van de wereld zullen elkaar ontmoeten. Wanneer dat gebeurt, dan groet ik jullie voor goed, want dan ben ik één met de scheppende Kracht van deze wereld. En hoe het dan verdergaat, zal ik wel weer zien. En gezien het feit, dat je nog een tijdje zult moeten wachten, voordat ik jullie op die manier kan groeten, zal ik het nu maar op een andere manier doen en jullie allemaal een prettige avond verder toewensen, een goede huisgang en een gezegende nachtrust.

PRAKTISCHE WERKINGEN IN DE MAGIE

173

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar Goeden avond, vrienden. Wij zijn hier dan bij elkaar om het jaar af te sluiten voor de esoterische kring. Nu zijn er in die kring het volgend jaar wel enkele veranderingen te wachten. Ik denk hier in de eerste plaats aan een poging om nog ietwat meer de kant uit te gaan van de magie dan in het afgelopen jaar. Hebben wij in dit jaar hoofdzakelijk de magie van het woord gebruikt om u onbewust te beïnvloeden, in het komend jaar zullen wij trachten dit te doen met een meer praktisch onderricht erbij. U moet niet verwachten dat wij u nu onmiddellijk gaan leren hoe u de magie kunt hanteren. Dat is praktisch onmogelijk zeker op korte termijn en in een gemengd gezelschap. Maar wat wel mogelijk is - wij kunnen proberen u iets meer inzicht te geven in de achtergronden die er bestaan en tenzij u andere wensen heeft - wij zijn met een klein gezelschap vanavond dus u kunt ook eigen wensen naar voren brengen - lijkt het mij wel aardig om juist eens te spreken over die achtergronden van hetgeen wij

HET VOLGENDE JAAR

verder willen gaan uitwerken. Voor degenen die in de inwijdingsschool hebben meegelopen zal dat "oud werk" zijn, maar dan hebben wij het meteen eens vastgelegd voor de esoterische groep. Vindt u dat dat wel past? (graag). Wanneer wij spreken in de zin van de esoterie, dan gaat het, over het algemeen in de eerste plaats over het eigen innerlijk van de mens. Maar de erkenning van het ik gaat gepaard met een beheersing van de wereld. Dat is een wisselwerking. De moeilijkheid is die wereld je juist te realiseren en vooral - misschien wel het moeilijkste - om je los te maken van de vele beperkte voorstellingen, die je eigen wereld uitmaken. Wij weten - en dat weet men op aarde ook - dat men niet kan volstaan met de 3-dimensionale verhouding, zoals die op aarde nu eenmaal tot uiting komt. Er moeten meer meetbare waarden zijn die alle elkaar beroeren en in een schema onder een hoek van 90 gr. Het blijkt dat het minimum,dat een mens kan aannemen 4 dimensies behelst. Dus 4 meetbare waarden. Maar wanneer wij verder gaan kunnen wij dat aantal dimensies aanmerkelijk uitbreiden en kunnen wij komen tot een systeem van 7. Dit systeem van 7 bestaat uit 3 verschillende werelden, die elk met elkaar 2 dimensies gemeen hebben. Zo bekijkt dat deze werelden elkaar niet kunnen erkennen: omdat 1 factor wegvalt. U zult zeggen: als er 2 afmetingen aanwezig zijn, dan moét het toch voor mij kenbaar zijn. Ja, maar de afmetingen in een dimensionaal stelsel worden niet alleen gebruikt om daarmee dus lijnen aan te geven maar ook krachtverhoudingen. Om een 3-dimensionaal veld met de daarin bestaande verschijnselen te kunnen handhaven moeten er inderdaad 3 verschillende stromingen zijn, waarbinnen de lijnen van elke dimensie kunnen worden afgetekend. Als u het zo bekijkt, zal het u ook duidelijk worden dat een groot gedeelte van de magie dus berust op het gebruik van krachten uit een ander dimensionaal stelsel. En in de tweede plaats, dat onze zelferkenning nooit gebaseerd kan zijn op een erkenning van één wereld alleen, maar dat ze altijd moet worden uitgebreid tot het erkennen van het totale stelsel, dat onze eigen bestaanscyclus behelst. In de realiteit van de magie vinden we verder nog een gebied, dat heel veel te maken heeft met de mens zelf. Het blijkt n.l. dat een betrekkelijk groot gedeelte van de magische werkingen kan worden teruggebracht tot erkenbare psychologische werkingen en dat wetten van de psychologie en dieptepsychologie in vele gevallen absolute toepassing vinden in de magie. Op het eerste gezicht lijkt het nu of deze magie zich voor een groot gedeelte bezighoudt met fantasiewerkingen, gedachtewerkingen. Dat is in zoverre juist, dat de mens niet kan komen tot een realisatie van die gebieden dan door zijn gedachtewerking en zijn gevoelswereld. Maar die werkingen bestaan ook elders. Ze zijn daar niet uitdrukbaar, niet in de mens terug te vinden en worden verwaarloosd, maar ze zijn er. Wij zouden zover kunnen 174 VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar gaan, dat wij althans een groot gedeelte van de werkingen, in de dieptepsychologie omschreven, kunnen rubriceren als behorend tot een ander dimensionaal stelsel. Onze belangstelling zal nu in de eerste plaats waarschijnlijk uitgaan naar het spectaculaire. Een mens wil graag wonderen zien. Maar men vergeet er weer één ding bij: Wat je ziet is een resultaat, geen werking. Om een heel eenvoudige vergelijking te gebruiken: Wanneer u een radiotoestel krijgt uit de fabriek, dan is dat de uitdrukking van een productieproces plus kennis plus bestaande kennis van wetten plus het bestaan van onzichtbare velden, want anders zou de werking van dat apparaat niet mogelijk zijn. Er zit in: elektriciteit, kennis van magnetisme, kennis van geluidsgolven en daarnaast kennis van de mogelijkheid bepaalde trillingen te beheersen. Dat alles weet u niet. En nu krijgt u een radiotoestel. Als er nu eens geen zenders zouden zijn, zou dat toestel nutteloos voor u zijn, nietwaar? Zo is het nu ook wanneer wij de psychologie alleen maar willen toepassen op de magie en we zeggen "het is een fantasiewereld”, dan hebben wij wel de ontvanger, maar wij weten niet waar de geluiden vandaan komen, wij kunnen de zaak niet afstemmen, we zitten in het wilde weg te zoeken. Wij hebben zelfs niet de mogelijkheid om een meetzender te gebruiken en dus onze schaal a.h.w. te ijken. Pas wanneer wijzelf in staat zijn bepaalde krachten te genereren (dus voort te brengen uit onszelf) wordt het mogelijk dank zij deze krachten een vergelijking te maken met de in ons wezen ontstaande reacties. Deze reacties kunnen van buitenaf komen, ze kunnen ook van binnenuit komen (van de ziel uit), maar daarmee hebben we weinig te maken. Ze zijn er. Wanneer wij een paar verschijnselen vanuit onszelf kunnen veroorzaken, kunnen wij het proces althans beheersen. En dan nog zijn wij gebonden aan het verschijnsel. Degene, die een radiotoestel kan ijken en dus kan afstemmen op bepaalde stations, heeft ongetwijfeld al veel bereikt. Maar wat hij nog niet bereikt heeft - is het begrip, waardoor hij wanneer het nodig is - zelf een dergelijk apparaat tot stand kan brengen of zelf een zender kan maken. Begrip van de processen is noodzakelijk. En begrip van de processen kan alleen berusten op een kennis van andere dan algemeen aanvaarde wetten. Wetten die behoren tot andere werelden, die in een dimensionaal stelsel dus anders liggen en anders gegroepeerd zijn. Wanneer wij van onszelf uitgaan - en dat zullen wij in een esoterische groep toch altijd proberen te doen - dan komen wij tot de conclusie dat ons eigen wezen verdeeld is in verschillende op zichzelf werkende factoren. In de eerste plaats heb ik mijn weten, in de tweede plaats mijn onbewuste weten, in de derde plaats mijn aanvoelen, in de vierde plaats de draagverschijnselen (dus de wereldwaarden die zowel geestelijk als stoffelijk in me zijn vastgelegd), in de vijfde en misschien wel de laatste maar zeker niet de onbelangrijkste plaats: de erkenning van het onbekende. En al die factoren samen maken je leven uit. De groepering van die factoren is volkomen willekeurig. D.w.z. dat u wel iets aanvoelt, u reageert wel, maar u weet niet waarom. U kunt misschien een enkel verschijnsel veroorzaken, b.v. met een mes op een porseleinen bord krassen. (Een heerlijk geluid, het gaat je door merg en been.) U kunt dat reproduceren, maar weet u waarom die reactie optreedt? Dat is niet omdat u die toon alleen hoort, maar omdat u hem ook lichamelijk aanvoelt. Hij heeft n.l. een frequentie, die niet alleen het gehoor betreft maar die de zenuwuiteinden, zoals die in de huid verwerkt zijn (in de tweede laag van de huid) ook mede aanspreekt. Het gevolg daarvan is weer een overbelasting van het zenuwstelsel en daaruit het onbehagen. Daarom is het ook mogelijk iemand gek te maken met geluid. Wanneer we dat ook bekijken, kunnen we tot de conclusie komen dat we met geluid veel kunnen doen. En dat geluid wordt dan magisch gebruikt. Dat hebben wij hier ook gedaan in deze kring, dat hebt u vaak genoeg gemerkt. Dit produceren van het juiste geluid, de juiste trilling geeft ons een zekere macht over onze omgeving. Maar het erkennen van de VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR 175

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar inwerkingen die een geluid op ons heeft betekent ook weer voor ons een zeer belangrijk punt: een erkennen van een invloed van buitenaf. En het erkennen van een invloed is het begin van een beheersing. De kwestie waar het nu voornamelijk omgaat - althans in het begin - is te komen tot een begrip van wat er buiten je bestaat, het toepassen van die kennis op jezelf en zo beter bégrijpen wat jezelf beweegt. Zelfkennis is zowel in de magie als in de esoterie, een eerste vereiste. Je kunt wel zeggen: "Ja, maar ook zonder zelfkennis kun je zekere dingen bereiken". Inderdaad. Maar dat is dan toch wel een ietwat onplezierig iets. Want als je het bereikt zonder zelfkennis, weet je nooit precies wat je gaat bereiken. Dan ben je als een kind met een experimenteerdoos op chemisch gebied, het kind wil misschien een mooie kleur maken en het produceert in feite een verschrikkelijke stank. Wanneer je op die manier werken moet kom je niet verder. Dan hoor je de mens zeggen: "Ja, maar als ik nu maar de regels weet". Aan die regels hebt u niets wanneer u niet die beheersing hebt. En dat is nu juist het typische verschijnsel. Je moet dus in de eerste plaats de beheersing hebben, dan kun je later de kennis vanzelf wel vergaren: dan kom je wel verder. De instelling van het “ik” is het meest belangrijke in de magie en die kan alleen gebaseerd zijn op een steeds groter begrip voor de processen, die zich in je afspelen. Dan komen we aan het volgende punt van ons betoog. Het is niet voldoende te berusten in het feit, dat we eerst zelfkennis moeten verkrijgen om later tot een beheersing te kunnen komen. Wij moeten door ervaring elk verkregen punt toetsen aan de omgeving. Die toetsing ligt niet alleen in het algemeen verschijnsel maar ligt in elke levensfunctie afzonderlijk vast. Het is typisch hoe de wijze waarop men zaken doet, de wijze waarop men reageert in gezelschap, de wijze waarop men zich al dan niet alleen weet bezig te houden, de richting van het studiemateriaal, de boeken die je leest, de wijze waarop je in het leven staat, de wijze waarop sexueel contact wordt beleefd, al die dingen samen eigenlijk een aanwijzing zijn van wat wérkelijk in je bestaat, wat je werkelijk bént. Het lijkt gemakkelijker dan het is om aan de hand hiervan nu een oordeel over jezelf te gaan vellen. Per slot van rekening er zijn mensen die vinden zichzelf heel erg mooi wanneer ze gele schoenen, een paarse broek en een groen overhemd dragen. Er zijn dames die dodelijk gelukkig zijn met vuurrood haar, een andere kleur rood voor de jurk, nog een andere kleur voor de handschoenen en daarbij vooral een kakelbont gekleurd tasje. Ze vinden zichzelf mooi en toch harmonieert het niet. Zo gaat het met onze zelfkennis precies hetzelfde. Wanneer wij elk effect afzonderlijk kunnen bezien, dan weten we veel heel wat maar we weten wiet voldoende. We moeten kunnen teruggaan tot het begin. En geloof mij, dat vraagt heel wat werk. Wij zijn nu toch in een kleine kring onder elkaar, ik kan er misschien wat verder op ingaan. Ik had het daarnet over de wijze, waarop je zaken doet. In het zakendoen zijn eigenaardig genoeg verschillende factoren maatschappelijk gezien van even groot belang, drijfveren en beweegredenen dus. In de eerste plaats krijgen we natuurlijk het winstbegrip. Dat is meestal niet alleen "ik wil leven" maar vooral ook "ik wil vooruit komen, ik wil iets bereiken. Dat kán gaan in de richting van macht. Er zijn mensen die in hun zakelijk beleven er vooral naar streven altijd gelijk te hebben. Zij zoeken een voortdurende zelfrechtvaardiging. Als je op die manier je zeken drijft, kun je voor jezelf zeggen dat je niet zeker bent van jezelf. Dat die hele poging dus een façade is, die je voor jezelf opbouwt. Je acht jezelf niet bekwaam. We kennen het begeerte-element, waarbij de mens dus hunkert naar elk winstje (vaak op een onverstandige manier) en als gevolg daarvan dus niet kijkt naar de inhoud van de zakelijke relatie, maar naar de opbrengst van het zakelijk contact. Iemand die zo denkt heeft ook weer een zekere instabiliteit en wordt gedreven door een voortdurende bezitszucht. Die bezitszucht brengt met zich mee een bekrompenheid, omdat men in die bezitszucht eenzijdig blijft. Dan krijgen we iemand, die zaken doet op een sportieve manier. D.w.z. hij waagt er wel eens een gokje aan, hij rekent alles heel goed uit, maar in sommige gevallen wil hij eigenlijk alleen iets beginnen omdat het een uitdaging is. In de eerste plaats is dat nu eigenlijk de enige goede zakenman, ook al zal hij misschien gauwer failliet gaan dan een ander, die het zekerder afdoet. Maar in de tweede plaats is hij ook de beste en gelukkigste mens in dit opzicht. Handel 176 VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar is ontstaan uit ruilhandel. Ruilhandel is ontstaan uit een grote diversiteit van behoeften bij de primitieve mens. Degene, die alleen aan die behoefte tegemoetkomt en daar zo goed mogelijk van wil profiteren is in meerdere of mindere mate een soort parasiet. Hij verlangt datgene wat hij in feite niet verdient: Dit parasiet-zijn ervaart men voor zichzelf: men weet dat het niet helemaal juist is, men praat het weg en verdringt het, naar het onderbewustzijn. Maar als je dit sportief doet is het eerder de uitdaging: dan is het de poging om steeds weer iets nieuws te zien. Zo iemand heeft een positieve benadering van het leven. En je kunt ervan uitgaan dat deze mens ook geneigd is tot een geestelijk avontuur. Hij zoekt niet naar de vastgelegde waarden. Integendeel hij onderzoekt alle dingen, riskeert soms zeer veel om een bepaalde stelling verder te beproeven en wordt daarmee geestelijk rijper. Hij heeft een geestelijke achtergrond van vrijheid en vrijheid betekent een grote veerkracht en een vermogen tot redelijk grote harmonie. U ziet, uit zo'n enkele ontleding kun je a1 heel wat halen. En nu haal ik er alleen maar een paar hoofdtypen uit. Het is jammer dat de meeste mensen niet weten, waar de bron eigenlijk ligt. Ja, het zou misschien interessant zijn: maar ik weet niet of u er bezwaar tegen heeft, de sexualiteit in zijn diverse ontwikkelingen toont ons n.l. ook iets dergelijks. Vindt u het goed dat ik daarover ook iets zeg: Ik zal trachten u niet te choqueren, maar het is nu eenmaal een onderwerp, dat hier en daar gevaarlijk is. Alleen voor volwassenen dus. We moeten niet vergeten dat in elke legende, elke overlevering, het de vrouw is - en niet de man - die bepalend is voor het contact. Het is Eva die Adam de appel biedt. Als we de godengeschiedenissen nagaan zien we heel vaak dat de godin - uit de eerste god geboren aan deze de beker reikt (wederom een sexueel symbool). Wij vinden verder, dat de man zich tegenover de vrouw voortdurend de meerdere wil tonen. Dat is een heel typisch verschijnsel, dat ook blijft bestaan in een matriarchaat. Naast de monogame verhoudingen vinden wij polyandrie enz., maar in alle gevallen gaat het hier om een domineren. Nu zijn er oorspronkelijk 2 factoren geweest, die de sexualiteit beheersten. De eerste is het verschil in bevredigingsmogelijkheid van man en vrouw. U zult daar misschien wat vreemd van opkijken, maar een man wordt sterker gedreven door zijn voorstellingen en deze dragen bij tot een - laten we zeggen - versnelde afwerking van de impuls. De vrouw daarentegen gaat zuiver op de gevoelsprikkel af. En het is dit verschil, dat - van begin af aan eigenlijk - de sexuele contacten mede heeft beheerst. Het tweede feit: In het begin werd de geboorte niet gezien als een direct gevolg van sexueel verkeer. Er waren heel veel volksstammen, die uitgingen van het standpunt b.v. dat de coïtus alleen diende om de ingang open te maken, maar de vrouw, die kinderen wilde hebben ging b.v. slapen in het maanlicht om zo een bevruchting te krijgen. Hier wordt dus de goddelijke functie direct erkend. Deze begrippen zijn over de gehele wereld ongeveer hetzelfde geweest. Maar er ontstonden op de duur gemeenschappen met een bepaald godsdienstig inzicht en dit godsdienstig inzicht ging de natuurlijke verhouding veranderen. Die natuurlijke verhouding ging b.v. nadruk leggen op bepaalde mechanische en technische kwesties i.p.v. op gevoelskwesties. Om u een voorbeeld te geven: Men spreekt over het algemeen over een maagd (in het westen althans zeker) wanneer het hymen niet verbroken is, althans niet door coïtus. Maar elders spreekt men over een maagd, wanneer zij dus nog niet een vaste man heeft. Het gaat er helemaal niet om of zij wel eens verkeer heeft gehad, zij blijft maagd totdat zij huwt, zich dus tot één man bekent. De domeinen maakten dan ook zelfs nog een onderscheid tussen virgo en virgo immaculata (máágd en ongerepte maagd). Wanneer u nu weet, dat die bestonden, dan zult u begrijpen hoe een vertekening van natuurlijke toestanden door religie mede zijn invloed heeft gehad. En die invloed is op de wereld typisch verschillend geweest, zodat we op bepaalde delen van de wereld nog een tendens vinden die weer geheel verschilt van een ander deel van de wereld. Om een voorbeeld te nemen: In Japan is de beheerstheid en de hoffelijkheid, die primair zijn voor het sexueel contact. Eigenaardig genoeg ook voor de bevrediging. De vrouw blijft grotendeels bekleed en stelt er buitengewoon veel prijs op, dat haar make-up, haar haartooi en dergelijke ongeschonden blijven. Alles gaat met een zeker ceremonieel. Hier komt men tot een verhouding, die - wanneer ze niet als deel van een erfelijke waarde maar als natuurlijk VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR 177

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar wordt ervaren - wel een van de betere toestanden weerkaatst. Op het ogenblik, dat ik mij niet meer- of minderwaardig voel t.o.v. mannelijke geslacht, zal het mij een behoefte zijn met een zekere terughouding, een zekere hoffelijkheid steeds het andere geslacht tegemoet te treden. Ik laat mij daarin ook niet door gewoonte verslappen. Dat is belangrijk, omdat ik juist de uitdrukking van harmonie nodig heb om de bevestiging van eenheid in het sexuele voor mij bevredigend te doen verlopen. Daartegenover krijgen we b.v. China. In China is de positie van de vrouw er één van eigendom en we zien daar ook het optreden van meerdere vrouwen, bijvrouwen. Dit systeem wordt bovendien nog aangevuld door een zeer rijke mogelijkheid tot prostitutie in zeer verschillende graden. Dus de man heeft daar uitwijkmogelijkheden te over. U zoudt zeggen: Dat komt voort uit een gevoel van meerwaardigheid bij de man. Maar dat is helemaal niet waar. Hij is onzeker tegenover de vrouw. Hij erkent haar meerwaardigheid en wordt dan over het algemeen in zijn huis, in zijn yamen, geregeerd door de oudste of eerste vrouw, de eerste dame. Juist omdat hij weet dat dit gebeurt, probeert hij zijn minderwaardigheidsgevoelens dus te spuien door naar buiten toe bevrediging te zoeken. En let wel, dit is dus een kwestie waarbij de emotionaliteit heel vaak op de achtergrond staat. Het gaat hier zuiver om de sexuele genoegdoening. Toch komen in diezelfde maatschappij monogame huwelijken voor, zeer belangrijke monogame huwelijken. Het is dus logisch dat wij in een dergelijk geval zeggen: Hier is sprake van een onjuiste waardering van het ik en deze geeft aanleiding tot afwijkingen. Afwijkingen, die b.v. in Indië voorkomen in sommige gevallen en die vooral in Perzië en Babylon een hele tijd gebruikelijk waren, n.l. veel sadisme. Dit kwam eigendijk voort uit de behoefte de eigen kracht en meerwaardigheid t.o.v. de ander te bewijzen. Schuldgevoelens worden daarentegen afgereageerd door masochisme. Ook dat zien we vaak in de meer perverse beschavingen voorkomen. Zolang dat het geval is, kunnen wij altijd weer zeggen: Maar hier deugt iets niet. Je voelt jezelf niet op je plaats. Je moet eerst eens nadenken. Je moet eerst eens voor jezelf trachten uit te maken wat nu feitelijk belangrijk is. In de oudere wereld en over het algemeen bij de meer primitieve mensen was die correctie dat geef ik toe - wel gemakkelijker te vinden dan in de moderne maatschappij. Er ontstonden n.l. stammen, die zich ten koste van alles wilden uitbreiden. U leest in de Bijbel b.v. over onanie. Maar wat u waarschijnlijk niet weet is, dat die term niet alleen in de huidige zin werd gebruikt, dus zelfbevrediging. De term onanie werd gebruikt voor elk sexueel verkeer waarbij zaad verloren ging. De zonde van Onan was niet dat hij zichzelf bevredigde, maar dat hij zaad, dat voor de voortplanting bestemd was, teniet liet gaan. Dergelijke gedachtegangen zullen natuurlijk op de duur een bepaald maatschappelijk karakter gaan krijgen, een dwang worden. Als we dan bovendien nog te maken krijgen met leerstellingen waarin de ascese de overhand krijgt wordt het helemaal beroerd, omdat dan de natuurlijke impuls van de mens onmiddellijk door schuldgevoelens bezwaard wordt. Dat is juist daarom zo ellendig, omdat de sexualiteit praktisch het gehele leven door - dus ongeacht de potentie - een zeer belangrijke plaats in het menselijk leven inneemt. Het is één van de belangrijke drijfveren van het stoffelijke: en pas wanneer die werkelijk harmonisch zijn, kan er gesproken worden van de mogelijkheid tot een verdere geestelijke groei. De asceten hebben langzaam maar zeker de sexen gemaakt van een natuurlijk en zelfs goddelijk iets tot iets wat...nu ja, alleen maar oogluikend moet worden toegelaten, omdat het anders niet gaat. Zij hebben daarbij verder de nadruk zeer sterk gelegd op het nageslacht en helemaal vergeten dat het nageslacht alleen een goed product kan zijn, wanneer de vereniging zelf goed is, dus spontaan harmonisch. Nu staat men dus in een maatschappij, waarin - dat zal ieder een moeten toegeven dergelijke tendensen al vertekend zijn. U leeft in dit opzicht al niet normaal. U hebt een heleboel voorstellingen die onjuist zijn. Wanneer u nu begrijpt dat het harmonisch principe daarin het belangrijkste is, dan zult u onwillekeurig - ongeacht dus de omgeving, het milieu met zijn onjuiste stellingen op dit terrein - een harmonie vinden, waarbij juist het contact met de andere sexe voor u een stabiliserende factor wordt, onverschillig of u nu een man of een vrouw bent. Maar wanner wij b.v. te maken krijgen met de man, die slechts zijn eigen bevrediging zoekt zonder te denken aan die van de vrouw, dan hebben wij te maken met iemand, die niet deugt. Die is niet harmonisch, die is egoïstisch. Door dit egoïsme, vertekent hij de totale betekenis van de verhouding en komt tot een valse voorstelling omtrent zichzelf. 178 VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar Die mensen hebben één meerwaardigheidsbegrip, zijn heel vaak wreed, oppervlakkig en hebben daarnaast vaak neiging tot driftbuien. Wanneer dat iets verder gaat vinden we daaronder de verkapte sadisten. Hebben wij te maken met mensen, die de bevrediging - dat kan voorkomen, nietwaar? - niet zo gemakkelijk aan elkaar kunnen geven, dan treedt weer een heel vreemde factor op in de maatschappij. Men heeft n.l. bepaalde delen van het sexuele dan toegelaten, andere worden veracht. Op zichzelf is dat onjuist. Het is noodzakelijk dat beide partners aan elkaar vreugde ondervinden en hoe minder daaraan verder remmen worden opgelegd - tenzij dan een wederzijdse - hoe beter het is. Wanneer dat niet gebeurt kunnen daardoor minderwaardigheidscomplexen ontstaan. Zo weten we b.v. dat bij de man een heel vaak voorkomende factor is de angst niet te kunnen voldoen, de schaamte over een gebrek aan potentie, enz. absoluut onnodig, maar het ís er. Als die dingen er zijn, dan zijn ze remmingen. En deze remmingen werken in op de bewustwording. Dat betekent dat die mens met een voortdurende neiging moet rondlopen om zichzelf te bewijzen dat hij toch nog meetelt, dan wel dat hij in een voortdurende schaamte zich terugtrekt. In beide gevallen wordt een overgroot gedeelte van het gedachteleven gericht op het sexuele i.p.v. dat terug te brengen tot het niveau waarop het moet bestaan, de uitdrukking misschien van een harmonische waarde, maar altijd op een stoffelijk terrein. Ik hoop dat ik u niet zit te choqueren met al die dingen, maar het lijkt mij toch wel interessant er ook even op in te gaan, al is het alleen maar hierom: Zo goed in het zakenleven als in het sexuele bestaan zijn de grondwaarden gelegd voor je eigen bewustwording: je eigen ervaring. Wanneer wij nu niet met één wereld - zoals ik in het begin heb verteld - maar met meer werelden te maken hebben en wij worden door die problemen beperkt tot één wereld alleen, dan zullen wij nooit in staat zijn om dichter te komen tot ons eigen innerlijk. We zullen ook nooit in staat zijn een beheersing te krijgen, dus een magisch vermogen. Het is misschien aan één kant jammer dat je hier niet te veel over moogt spreken en er niet te veel nadruk op moogt leggen. Ik riskeer het toch maar. Eén van de belangrijke elementen in het menselijke én het geestelijke leven is bevrediging. Dus dit is nu niet meer uitgedrukt als sexueel, maar algemeen. De bevrediging van een wel volbrachte taak is net zo belangrijk als een sexuele bevrediging en stilt evenzeer een bepaalde honger. De bevrediging van een juist contact met je medemensen is veel groter dan de bevrediging van een hongerige, die zich voedt en ze is voor het bewustzijn veel belangrijker. Het onbevredigd zijn houdt in het onevenwichtig zijn. Onevenwichtigheid betekent een sterke gebondenheid aan je eigen wereld en alle voorstellingen daarvan, met een aanmerkelijke beperking van de mogelijkheden om op een ander meer geestelijk vlak verder te gaan.. Wanneer wij van plan zijn om geestelijk verder te gaan of geestelijk verder te leren, zullen we dat nooit mogen vergeten. Het is vaak - dat geef ik toe - heel erg moeilijk jezelf voor te praten dat een bepaald offer noodzakelijk is of jezelf voor te praten dat voor jou deze bepaalde genoegdoening niet noodzakelijk is. Let wel, dit geldt weer niet alleen het sexuele maar evengoed het zakelijke succes, de royaliteit tegenover een ander, het bon met dat op het juiste ogenbik geplaatst wordt. Men heeft behoefte aan deze dingen, omdat zij juist in deze toestand van bevrediging (dus innerlijke vrede) een voldoende harmonische basis scheppen voor het beleven van impulsen uit een andere wereld. Ja, dat was een hele afwijking. Heeft iemand misschien commentaar? In het algemeen wilt u dus hiermee zeggen, dat wij door deze bevrediging harmonie kunnen vinden. Ja. Het gaat dus niet om het succesje, om de daad, het gaat om de ontspanning, die wij erdoor bereiken. En nu laat ik opzettelijk het sexuele erbuiten (ofschoon dit natuurlijk onder dezelfde condities meetelt), want anders gaat u dat misschien als te belangrijk zien in het betoog, omdat ik er te lang over spreek. Op het ogenblik dat je het gevoel hebt goed gedaan te hebben, wat doe je dan? Den rek je je a.h.w. geestelijk uit en je ontspant al je geestelijke spieren. Je hebt je veerkracht gevonden. Dan heb je het vermogen tot verdergaan. Maar op het ogenblik dat wij ontevreden zijn, zijn wij krampachtig. Als je de eerste keer op een fiets klimt, dan klamp je je aan dat stuur vast. Je verspilt heel veel kracht om eigenlijk sneller te rijden dan noodzakelijk is. Je verkeert in een voortdurend wankel evenwicht. Wat is het gevolg VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR 179

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar daarvan? Dat iedereen, die oversteekt, jóuw is: Als er een kip over de straat loopt op 60 m. afstand, dan kom je nog met het voorwiel eroverheen - al is het bijna onmogelijk - omdat je aandacht voortdurend op het gevreesde is gericht en hierdoor een kramp ontstaat, die het je haast onmogelijk maakt juist te reageren. Wanneer u dat voorbeeld kunt volgen, kunt u ook begrijpen, dat een ander, die volkomen zeker van zichzelf, op de fiets zit, niet eens ziet dat er een kip gaat maar automatisch ontwijkt. Misschien hebt u de jongelui eens zien fitsen, dik druk met elkaar zitten te praten en ondertussen door het verkeer heen zwalken op een manier dat je zegt: hoe kan het eigenlijk! Daar net vóór door, daar net áchter door, maar ze raken niets. En ze lopen in feite heel weinig risico, omdat ze volkomen ontspannen juist reageren. Denk aan een wielrenner, die zó zeker is van zijn zit op zijn fietsje, dat hij met zijn veel smallere zadel misschien, met zijn fiets die lichter is, heel rustig half slapend over een baan kan heensukkelen en daar heerlijk bij kan dommelen, automatisch compenserend en reagerend. Dat is nu juist hetgeen waar het net om gaat. In die ontspanning komt de natuurlijke, juiste reactie naar voren. Het gevolg is dat de aandacht gericht kan worden op andere dingen en dat die aandacht dan niet een kramp veroorzaakt, maar een natuurlijke mogelijkheid tot ontwikkeling biedt. Kunt u nu volgen waarom het gaat? Het vrijzijn van krampachtigheid, daar gaat het om. En niet bang, zijn voor de toekomst, niet bang zijn dat het zaakje misloopt, niet bang zijn dat je je contract zult missen, maar met een redelijke zelfverzekerdheid gaan. En wanneer het nu toevallig niet gaat, niet zeggen: "O, wat is er nu gebeurd" maar rustig verdergaan. Zoals de wielrenner, die gevallen is, op zijn fiets springt en het wel onplezierig vindt dat hij pijn heeft maar rustig verder gaat, omdat hij weet dat het niet aan de fiets ligt. Op die manier kun je juist dóór deze vrede in jezelf, door die ontspannenheid komen tot een juist reageren, niet alleen op stoffelijke maar ook op meer geestelijke waarden. Ook voor ons in onze sfeer is bevrediging in zekere zin noodzakelijk. Wanneer wij n.l. in onszelf verdeeld zijn, kunnen wij u niet helpen en kunnen wij een ander niet helpen. Wij moeten een zekere mate van innerlijk evenwicht hebben om zelfs maar iemand, in een lagere sfeer de helpende hand te kunnen toesteken of een lering uit een hogere sfeer te kunnen aanvaarden. Dat is het belangrijke ervan. Een actievrijheid, waarbij een niveau wordt bereikt, dat ligt haven het stoffelijke door een zekere bevrediging in het stoffelijke. Die bevrediging behoeft nooit overdaad te zijn, maar zij moet zijn een opheffen van de honger, mag ik het zo zeggen: Dus het is zo, wij moeten niet oververzadigd zijn, en moeten geen honger hebben, geen nóódzaak tot eten (als we het nu op eten willen overbrengen). Als we op die manier kunnen leven, bereiken we op de eerste plaats een veel zuiverder beeld van onszelf. De mens die bevredigd is let op de dingen die belangrijk zijn en houdt zich niet met details bezig. Hij zal in de wereld de belangrijke werkingen zien en. zich niet - door eigen frustraties gedreven - speciaal bezighouden met afwijkingen van anderen op één bepaald terrein. U weet wel, wie roddelt er het meest over de jongelui? De mensen die zelf verbitterd of verzuurd zijn, hetzij door een ongelukkig huwelijk, hetzij dat zij niet gehuwd zijn. Wie spreekt het meest over de fouten van andere zakenlui? De man die zelf in zaken geen succes is. Dat zijn dus typische verschijnselen. En dat hebben wij in de geest niet nodig. Wij moeten verder. Wij moeten de grote lijnen zien. Wij moeten door onze innerlijke rust een ontvankelijkheid hebben voor de impulsen, die van verderaf komen. Want wij hebben te maken met het gebied van de geest, het gebied van de ziel zelfs. Deze krachten moeten ook in ons geuit worden, wij moeten ons er bewust van zijn. En die kunnen wij niet zien, wanneer, wij in een soort draaikolk van verlangens en van gedachten zitten. Die kunnen wij alleen zien, wanneer wij één zekere rust bereiken. Hoe wij die ontspanning en die rust bereiken is onze eigen zaak. Het is mogelijk om heel veel dingen te vervangen, dus de voorbeelden die ik heb gegeven zijn natuurlijk niet obligatoir. Ze zijn alleen maar een aanduiding van mogelijkheden en de meest voorkomende fouten en afwijkingen. Wanneer wij nu in het volgend jaar op deze cursus gaan spreken over de magie (magische esoterie), dan moeten we terecht komen op dit niveau van aanvoelen, van begrijpen, van werken met krachten, dat gebaseerd is op een innerlijke evenwichtigheid. Die evenwichtigheid kan alleen ontstaan door het terzijdestellen van het hongerbegrip, het minderwaardigheidsbegrip, dus dé dwang die je in de stof te vaak ervaart. Dan geef ik toog

180

VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar een dérgelijke zelfanalyse is heel moeilijk. Toch is het noodzakelijk dat we steeds weer proberen om te erkennen wáár het in ons wringt. Mag ik u misschien een voorbeeld geven? Er zijn mensen die zich specialiseren in het corrigeren van grote zagen. U weet wel, de zagen die zelfs in staat zijn om gloeiend metaal door te snijden zonder dat er verder wat aan gebeurt. Dat zijn meestal grote schijven. En nu kan in die schijven een spanning ontstaan. Die spanning betekent dat er ergens in het blad iets gaat trekken. Dat trekken betekent weer dat de snee niet zuiver zal zijn, dat de zaag vastloopt, dus dat de zaag niet deugt. Of op zijn minst dat de zaagsnede breder is dan noodzakelijk en dat dus minder rationeel wordt gezaagd. En nu hebben we mensen (hoe moeten we hen noemen zagendokters?) die gaan dat bekijken. Een normaal mens zou zeggen: “Daar zit een deuk, sla erop, dan springt ze weg." Neen, want dan komt ze ergens anders, want de spanning hef je daarmee niet op. Wat doet zo iemand nu? Die bekijkt zo'n zaag totdat hij begrijpen kan, zien kan, waar de oorspronkelijke fout zit. En dan tikt hij niet daar, waar die vervorming, die spanning, die verwringing zit, nee hij begint vaak vele cm. daarvandaan te kloppen. En als hij dat doet, gaat die deuk niet weg maar ze "verloopt". Dan gaat hij net zo lang door tot de deuk naar de buitenkant toe is en zo verdwijnt. Ze wordt dus naar buiten toe weggedreven. Zo zou een mens nu eigenlijk met zichzelf moeten kunnen handelen: Het gaat niet om de fout, die we bezitten, die kunnen we toch niet onderdrukken. Dat kunnen we wel proberen, maar dan springt er als een duveltje uit een doosje weer een andere fout naar voren. Maar wat we wel kunnen doen is erkennen waaraan die fout bestaat. Dan kunnen we ze langzaam wegwerken. Daar is kennis voor nodig. Een eerlijke kennis van onszelf. En zo kunnen wij dus de stoffelijk mentale waarden maken tot een instrument, waarmee wij in staat zijn vele verschillende werelden te doorkruisen en te doorsnijden, in vele verschillende werelden impulsen op te vangen en begrip te verwerven. Dan maken wij van een stoffelijk wezen of van een gevormd geestelijk voertuig een ondergrond, waarop ons Godsbeeld gebouwd kan worden en van waaruit wij ook kunnen beginnen met het beheersen van de krachten uit de kosmos, wat dan uiteindelijk toch magie heet. Ik vind het voor vandaag voldoende. Ik weet niet of het gezelschap het er al of niet mee eens is. Maar ik geloof dat wanneer u dit allemaal overdenkt u een klein beetje begrip krijgt van de noodzaak tot zelfkennis, en dat u in de tweede plaats ook zult begrijpen het hoe en waarom. Ik heb daarbij het gebied sexualteit aangesneden. Wij praten er meestal niet over. En waarom? Omdat men snel geneigd is die dingen verkeerd te interpreteren, omdat men geneigd is dat te zien in eigen gedachtegang. Maar dat is de begeertegedachtegang, die niet begrepen wordt. Men zoekt er een soort licentie in. En dat is zeker niet de bedoeling. Dus wanneer u dit overleest en overdenkt, realiseer u dan dat dit geheel is gegeven om u de grondslag te laten zien van de magische esoterie, en u te doen erkennen hoe u in uzelf een bepaalde vrede moet vinden, een evenwichtigheid, eer u van daaruit verder kunt opbouwen. Goedenavond. o-o-o-o-o Goedenavond, vrienden. Zijn er nog vragen t.a.v. het eerste deel van de avond? Ik vraag mij af hoe het komt dat bij alle - laten we zeggen - hooggeestelijke richtingen en verenigingen men altijd dit sexuele probleem uitschakelt. Dat het als een noodzaak wordt beschouwd het opzij te duwen, want dat men anders niet tot een geestelijke bereiking komt. Dat is heel eenvoudig te vertellen. Het is zo: Er komt dan zo'n geestelijke richting en die weet verduveld goed dat het sexuele een rol speelt, maar het is buitengewoon lastig. Sexualiteit n.l. schept een zeker bevredigd-zijn, dus een mankeren van wat de Engelsman zo mooi "push" noemt. Als ik iemand hebt die enigszins gebrek lijdt op verschillend terrein, zal hij in de eerste plaats gemakkelijker kinderlijk reageren en in de tweede plaats gemakkelijker fanatiek zijn. En nu is het eigenaardig genoeg zo, dat men in menige geestelijke richting de voorkeur geeft aan een fanaticus of aan een kinderlijk mens dan aan een mens die harmonisch is. Laat ons VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR 181

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar niet vergeten, dat - ook al gelóóft men - een esoterische school hoofdzakelijk afhankelijk is van degenen, die onbevredigd zijn. En dat onbevredigd zijn is zoveel te belangrijker, omdat daaruit de pecunia moet komen, waarmee men de zaak uiteindelijk moet drijven. Nu zou je natuurlijk op twee manieren kunnen werken. Je zou kunnen zeggen: We gaan de noodzaak van ons eigen bestaan beperken door de mens harmonischer te maken. Maar ja, waar blijven we dan met al onze mooie stellingen en onze mooie dogma's? Neen, laten we de mensen juist aanmoedigen hoe langer hoe men a.h.w. onder druk te komen van sexuele en andere krachten, dan hebben wij tenminste de zaak voor het zeggen. Laten we een schuldbesef en zondebesef aankweken bij de mensen daar, waar het niet noodzakelijk is, dan kunnen wij daardoor met ons aanbieden van vergeving, mogelijkheid tot uitboeting e.d., de vruchten ervan plukken. Het is natuurlijk erg bitter om dat zo te zeggen en misschien klinkt het menigeen cynisch in de oren. Maar nu moet je ook zo eens denken: Op het ogenblik dat de mens zich wil verheffen boven het stoffelijke en het stoffelijke achterlaten, wil hij verdergaan dan het doel van het leven. Dat is toch logisch. Per slot van rekening als je in een wereld wordt geplaatst die materieel is, moet je mét dat materiele leven. Wanneer de eigenschappen van de mens o.m. sexuele zijn, dan horen die dus ook bij het stoffelijke leven en evenzeer bij de problemen ervan. Zonder dat geen mogelijkheid tot perfecte beleving en bewustwording. Nu stelt een ieder zijn eigen eisen en wat krijg je dan al heel gauw? De man heeft zijn bezitszucht, ondanks zijn meestal wat polygame aanleg: en aan de andere kant hebben we te maken met de behoefte aan zekerheid en ook weer bezitsrecht 'van de vrouw'. Zo lang nu de zaak ligt op een natuurlijk vlak, gaat dát. Maar dat natuurlijke vlak schakelt weer zoveel beheersingsmogélijkheden uit. Dus degenen, die werkelijk de zaak willen beheersen, doen dat ook mede via de belangrijkste drijfveer de sexualiteit. Dat is logisch. Degenen, die dat echter niet doen, scheppen voor de mens een zeker laissez fair en die geven de mens de kans om gelukkig te zijn. En de mens die gelukkig is streeft niet naar vooruitgang, geestelijk of stoffelijk. Daaruit kun je zelf je conclusies trekken. Als je de massa wilt bewegen tot verbetering, dan moet je haar iets aandoen. Hoe meer strijd je haar bezorgt, hoe harder ze loopt. Gaat het over de beheersing van de massa, akkoord, dan beginnen we dus de zaak te stellen op een dogmatisch standpunt en dan gaan we b.v. vertellen, dat sexualiteit tweedehands is, dat het eigenlijk niet belangrijk is. Op de duur gaan we vertellen, dat het eigenlijk maar een dierlijke functie is en dat de mens daarboven behoort te staan. Maar als we dat gezegd hebben, kunnen we ook niet meer terug. Het gevolg is dus dat wij de schijn hoe langer hoe meer moeten gaan ophouder, dat wij zelf daarboven staan. Maar hoe meer wij onszelf boven die massa. verheffen, hoe meer eisen wij aan. die massa moeten gaan stellen om onze eigin onvolmaaktheid in wat wij voorgeven te zijn te handhaven. (Achter de rok van de pastoor zit ook een liefhebber. Of hij het nu toegeeft of niet, of hij het in de praktijk brengt of niet, hij denkt er net zo goed aan als ieder ander. En het nonnetje stelt in de plaats van het meer stoffelijke de hemelse bruid en die droomt. Maar daar zit ook precies hetzelfde achter.) Door nu die zaak dus zo ziekelijk te maken, ontstaat een maatschappelijke vorm, die gebrek heeft aan vrijheid. Dan moet de kracht die daardoor ongeuit blijft, de spanning die ongeuit blijft, op de een of andere manier afgeleid worden. En dan snapt u wel hoe men dat doet. Dan zegt men- Je moet niet met elkaar naar bed gaan, maar je moet strijden voor het ware geloof, of voor het vaderland of voor het juiste systeem. En of dat nu zus gaat of zo, het blijft allemaal precies hetzelfde. Ze willen allemaal hun eigen gezag. Ze hebben een maatschappij gebouwd, die gebaseerd werd op. het gezin. Maar in dat gezin hebben ze ook weer veel stommiteiten uitgehaald. Ik weet niet of het u bekend is, dat er op het ogenblik al bepaalde delen in de wereld zijn, waar men bewust van regeringswege de kinderbeperking gaat aanmoedigen, alleen omdat ze geen raad meer weten met de mensen. Dus logisch is deze handelwijze wel maar ze is niet praktisch wanneer je denkt over oorlog, wanneer je denkt over de invloed van de massa of wat anders. Toen Rome behoefte had aan soldaten, werd het belangrijk dat er kinderen kwamen. Toen Duitsland streefde naar politieke macht, kwamen er heldenmoeders. In Rusland dito-dito. maar zo gaat het b.v. ook bij godsdiensten, die zeggen dat er veel kinderen moeten zijn. Het gaat niet om de kinderen, maar het gaat om het aantal zielen. Als er nu van een bepaald land of een bepaalde 182 VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar godsdienst steeds meer mensen korven, die daarin worden opgevoed en de anderen doen dat minder, dan word je vanzelf de baas. Misschien geraffineerd maar logisch en een systeem dat overal is toegepast: en vaak - laten we eerlijk zijn - als resultaat van een verkeerd gerichte machtsdrang van anderen. Neem nu Japan. De Japanners waren misschien rare kerels in het verleden, maar ze hadden tenminste één ding uitgekiend, het volk bleef net zo groot, dat het op die eilanden kon blijven leven. Totdat iemand het noodzakelijk vond om met een paar slagkruisers voor de kust te komen en de zaak open te breken: te zeggen: wij moeten hier binnen. Wat gebeurde er toen? Toen zei de Tenno, de mikado: Tjonge, tjonge, daar gaat onze macht verloren. Ja, zeiden alle shogoens, het is verschrikkelijk dat ze óns dat durven aandoen. We hebben soldaten nodig. Weg met alle beperkende maatregelen. Wat is nu het resultaat? Overbevolking. Dit verstoren van een innerlijk evenwicht heeft doden gekost in China. Het heeft de hele oorlog aan de Stille Oceaan veroorzaakt. Het veroorzaakt nu de economische problemen voor de V.S. en de grote kans voor communistisch China. Zo gaat dat nu. Het is oorzaak en gevolg. En zolang men dus het taboe laat toepassen in het sexuele niet meer als hygiënische maatregel, zoals dat vroeger was, maar je gaat het toepassen zeg maar als een methode om macht te krijgen, om mensen ter beschikking te krijgen, dan loopt de zaak vast. Nu zul je zeggen: Waarom houden dan zoveel van die hoog ethische stellingenbouwers zich daarmee bezig? Omdat de meeste esoterische scholen van deze tijd en de meeste godsdiensten gebaseerd zijn op het christelijk beginsel, d.w.z. op datgene, wat onder de naam van een christelijke maatschappij doorgaat. Dat betekent dus dat de eigenaardige opvattingen die overigens pas 300 á 400 jaar na Chr. in gebruik kwamen omtrent sex, enz. daarin mee zijn opgenomen als een intrinsiek deel van de leer maar het is de ondergrond, die men nodig heeft om 'in een christelijke maatschappij - naar men meent - nog wat te betekenen. Wat de kerken betreft, die hebben het zelf wel duidelijk gemaakt.En nu moeten wij nog heel erg oppassen met wat we zeggen, anders komt men ons dadelijk vertellen, dat wij bandeloosheid prediken, wat helemaal niet waar is. Maar ja, het zou misschien nog een gemakkelijke manier zijn om weer van een paar van die spiritisten af te komen. Zo gaat dat toch. Het is een wapen geworden. Bestaat er dan geen sublimeren van sexualiteit? Sublimeren van sexualiteit is alleen dan mogelijke, wanneer dit niet geschiedt door een huichelachtig wegcijferen van het sexuele, maar door een bewust gebruikmaken van het sexuele en de harmonies die daaruit voortvloeit. En dat is heel iets anders. Ziet u, dat zijn nu die dingen, waar de doorsneemens wel over praat, maar waar hij geen cent sjoege van heeft. Weet u wat het sublimeren van de sexuele kracht eigenlijk betekent? Een je beperken in het sexuele, tot het voor jou noodzakelijke met een gelijktijdig scheppen van zo harmonische mogelijke condities in dit opzicht, zodat de kracht, die anders verbruikt zou worden in het zuiver zoeken van lust, nu kan worden gericht op hoger feestelijk bestaan. Maar wat niet bestaat (en wat men wel eens denkt dat dan de juiste uitleg is), dat is dat je door het sexuele te onderdrukken tot andere krachten komt. En dat is nu weer niet waar. Laten we het nu maar heel eenvoudig zeggen: Het is misschien reuze gezellig, om met een ander in bed te rollebollen: maar, wanneer daar nu het plezier, de vermakelijkheid de overhand krijgt (laten we zeggen de hartstocht) dan is het fout. Het is een natuurlijke functie en voor het lichaam is het noodzakelijk dat die functie tot een zekere periode van rijpheid gebruik wordt. Daarna is het minder belangrijk wordt het meer een kwestie van gedachten dan van lichamelijke eisen. Toch moet je dan nog zorgen dat de lichamelijke eisen, en de dwingende gedachten voldaan zijn, want dan pas kun je door de rest van die energie op te sparen geestelijk verder komen. begrijpt u wat ik bedoel? Ja, want anders is het een rem. Natuurlijk. Het is misschien jammer als ik daarmee een illusie de kop inslag maar het is een feit, dat de nadruk die je legt op het sexuele juist de grote fout is. Als de mensen dat zo nu zo natuurlijk namen als het eten van een broodje wanneer je honger hebt, dan zou dat in deze maatschappij niets werkelijk betekenen. Dan zou er misschien wat meer - dat geef ik toe VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR 183

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar vluchtig sexueel verkeer zijn hier en daar, maar dat zou toch niet zo erg belangrijk zijn. Daarvoor in de plaats echter zou de nadruk die thans ligt op het sexuele, de aandacht die men daaraan besteedt, gelegd worden op wat anders. Het is net als met kinderen, verbied hun iets en ze proberen het te doen. De verboden vrucht. Maar wat is nu de verboden vrucht, waarover in het Paradijs wordt gesproken? Is het niet het weten of het kennen van de dingen? Neen, het is het óórdeel over de dingen. Dus het was niet de kwestie dat Adam en Eva tot de ontdekking kwamen dat ze man en vrouw waren: en het was ook niet de kwestie dat ze nu voor zichzelf hun eigen weg gingen - ook dat was normaal - maar dat zij op een gegeven ogenblik tegen de natuurlijke gang van zaken in zich een oordeel aanmatigden, dat hen dus stelde buiten de harmonie met de goddelijke Wet. Voor die tijd wandelden zij met God, na die tijd niet. Dat is de symboliek die in het boek zelf ook bedoeld wordt, maar die geheel verkeerd begrepen wordt. (Na een uitvoerige gedachtewisseling over sexuele toestanden vervolgt spreker) Het is een vertekening van de goddelijke Wet door dat. En daarom ontstaat een streven om die goddelijke Wet weer te bereiken langs een andere weg. Maar dat is dus de afwijking, die jezelf hebt veroorzaakt en die je nu gaat proberen te corrigeren. Nu is het logisch dat je in een maatschappij als deze helemaal niet meer kunt gaan redeneren zo als het vroeger was. Er zijn nog wel van die z.g. primitieve volkeren, waar het b.v. de gewoonte is, wanneer je buurman sterft, dat je de kinderen van die buurman in huis neemt, dat worden automatisch jouw kinderen. Of een kind nu echt is of onecht, dat maakt toch niets uit. Daarvoor wordt gezorgd. De gemeenschap neemt mede die verantwoording op zich. En niemand maakt er misbruik van, omdat men zich daardoor juist buiten de gemeenschap zou gaan stellen. Men gaat niet op anderen de verantwoording afschuiven, want dat néémt de gemeenschip niets dan sta je er buiten. Maar ga ik dood, dan zorgt men voor mijn kinderen: en ga jij dood, net zo. Precies hetzelfde met een onecht kind, dat vinden ze niet erg, als de vader het maar accepteert. Als die maar zegt: het is van mij. En als hij er niet voor zorgen kan, zorgt hij er niet voor. Dan hebben ze nog medelijden met hem ook, omdat hij dat niet kan. Wat zijn wij dan achteruitgegaan. Neen, het is zo, dat wij in onze zucht naar mechanische beschaving (een imitatiecultuur) het menselijke zijn gaan vergeten. De dingen bestaan nog veel. Denk b.v. maar aan de overblijfselen in Nederland: de burenplicht, zoals die bestaat in het oosten van het land. Hij bestaat nog veel, maar hij is zo langzamerhand verwaterd en geformaliseerd. Vroeger was dat normaal overal. En dát zie je nu nog als normaal in gebieden, die dan onderontwikkeld en primitief ketens maar die qua maatschappelijke bouw vaak heel wat gezonder zijn dan de z.g. christelijke wereld. Het vervelende is dat de mensen dít maar niet beseffen dat geestelijke bewustwording niet ligt aan kennis van alle technische gegevens. Je hoeft er niet voor te kunnen chaufferen en je behoeft er ook de hele dictionaire niet voor van buiten te kennen of een halve encyclopedie. Ze is niet afhankelijk van je peil van leven. Bewustzijn en bewustwording zijn, in feite gebaseerd op een zekere zelfkennis, het dragen van verantwoordelijkheid voor de medemens, en het scheppen van een harmonische kracht, een harmonisch geheel, waardoor je in aanraking kunt komen met hogere kráchten en entiteiten. En hu moet u mij eens vertellen hoe het komt dat de beste profeten, de beste genezers, de beste magiërs, de beste spoorzoekers zelfs, de mensenkenners, de beheersers van dieren altijd voortkomen uit de meer primitieve mensheid. Dan moet u mij eens verklaren hoe dat anders te verklaren is dan door te zeggen dat zij dichter staan bij de werkelijkheid en daardoor in feite een bewustwording kunnen doormaken die verder reikt dan die van de doorsneemens. Dus zonder wetenschap en kennis? Zonder wetenschap en kennis - voorlopig -. En daar schuilt nu m.i. de fout in - om nu eens over te schakelen van het sexuele op iets anders - men heeft van kennis, van wetenschap een 184 VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring jaren: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar soort fetisj gemaakt. Men meent dat men zonder dat niet verder kan. Men begrijpt niet dat een bewustwording, een geestelijk bewustzijn een verworven van wetenschap en kennis impliceert maar dat het omgekeerde niet waar is. Dat wanneer het wezen normaal groeit het geestelijk bewustzijn gevolgd wordt door het noodzakelijke weten. Maar als wij weten gaan zoeken en ons dááraan vastklampen, zullen we te ver doorgaan in een materie, die wij niet beheersen en daardoor in onze bewustwording achterraken, zodat een te veel aan kennis met een te gering besef van werkelijke consequenties dan vaak een vernietiging van bestaande vormen tot stand brengt. (Na een langdurige discussie over verschillende onderwerpen vervolgt sprekers), Ik wil nog een paar laatste noten citeren van meer esoterisch gehalten, wat is nu eigenlijk belangrijk? Is het werkelijk belangrijk of een wagen 10 jaar mee gaat of 5 jaar? Is het belangrijk of je nylonkousen draagt of wollen? Deze dingen zijn onbelangrijk. Er is echter iets wat wel belangrijk is: Op het ogenblik dat wij bewust bedrog plegen tegenover anderen, scheppen wij een schuldcomplex. Dit schuldcomplex betekent, dat wij steeds sterker verward raken in een net van zelfbedrog, zodat wij onszelf in steeds minder juiste verhoudingen gaan zien. Dat is niet alleen een remming voor onze bewustwording maar het is - en dat is wel heel erg belangrijk - bovenal het innemen van een volkomen valse plaats in de wereld. U hebt zich misschien wel eens afgevraagd hoe het komt dat zoveel filmsterren b.v. geen gelukkig huwelijksleven hebben. Hoe het komt dat zoveel van die kopstukken in de wereld uiteindelijk zoveel scheve schaatsen rijden. Dat is heel eenvoudig te verklaren. Op het ogenblik dat je de waardering van de wereld voor je eigen persoonlijkheid accepteert, ga je eisen stellen in overeenstemming met dat beeld. En aangezien je jezelf toch altijd nog beter acht dan een ander je ziet, stel je meer eisen dan je in feite stellen kunt. Hierdoor verstoor je elk evenwicht tussen jezelf en de wereld. Het resultaat is een voortdurende ontgoocheling, ontnuchtering en mislukking. Geloof mij, wanner een filmster voor de 17e keer is gescheiden, dan is dat niet een kwestie van losbandigheid. Hier is in feite een ongelukkig mens. Een ongelukkig mens, omdat er klaarblijkelijk geen enkele vaste waarde in dat leven te vinden was waarin die mens voor zichzelf harmonie en evenwicht kon vinden. En in die wereld van heden vergeet je dat soms wel eens. Het is niet noodzakelijk dat als je jezelf een ezel vindt, je dat tegen de wereld gaat uitbalken. Dat is niet nodig. Maar het is wel noodzakelijk dat je voor jezelf je ervan bewast bent wat je in feite presteert en wat in feite te danken is aan anderen. Het is noodzakelijk dat je je realiseert vanwaar de krachten komen en waarheen ze gaan. Het is noodzakelijk dat je niet meer eisen gaat stellen dan in feite je recht is in de wereld. Alleen dan zul je in staat zijn voldoende aan die wereld te geven, het is voor ons noodzakelijk veel aan de wereld te geven, om, wat te betekenen voor die wereld, willen wij in onszelf evenwichtig zijn. Geluk mijne vrienden, is niet anders uit te drukken dan in harmonie. Elk gelukkig zijn komt voort uit harmonie, tenzij dan dat het een schijngeluk, is dat voortkomt uit een tijdelijke begoocheling. Nu ben ik niet de mens om me daar druk over te maken. Maar het is voor ons zo belangrijk dat wij onszelf kunnen hanteren. Wij kunnen wel spreken over hooggeestelijke waarden en proberen ver boven elke wereld te zweven: we kunnen ons bezighouden met onze belangrijkheid voor de massa of onze onvervangbaarheid, maar dat zijn allemaal illusies. Waar wij ons in feite mee moeten bezighouden is dit: Hoe kunnen wij tussen onszelf en de wereld een relatie scheppen, waarin wij zo waar mogelijk onszelf kunnen zijn en tevens zo duidelijk mogelijk God kunnen erkennen? Dat laatste betekent dat wij elk schuldgevoel moeten trachten te vermijden. Dat we ons goed voor ogen mouten stellen wat we in feite willen, omdat we de werkelijkheid moeten zoeken. De werkelijkheid niet alleen van onszelven maar ook van de wereld Dat betekent dat wij onze gedachten en onze dromen achteruit moten zetten voor de werkelijkheid. En dat wij daarin moeten komen tot wat ik het liefst zou willen noemen een "eenvoudig-zijn". Eenvoud is noodzaak, geloof mij. Voor jezelf. In je relatie met de wereld. En vooral in je houding tegenover je eigen problemen! Een mens die eenvoudig blijft zal weinig problemen hebben, omdat hij zichzelf niet kunstmatig problemen maakt. Een mens die eenvoudig is zal op een gemakkelijke manier de harmonie kunnen handhaven en elke tijdelijke verstoring VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR 185

© Orde der Verdraagzamen Esoterische Kring: 1958 - 1959 - Datum – 16 juli 1959 Les 11 – Voorbereiding op volgend jaar daarvan onmiddellijk kunnen corrigeren. Een mens die eenvoudig blijft zal in de wereld veel omtrent zichzelf erkennen en zichzelf in die wereld redelijk en goed kunnen uiten. Waarmee ik maar wil zeggen, dat er juist in de esoterie veel voor een eenvoud van leven en denken is te zeggen. Onthoud dan nog één ding (en dan geef ik jullie de kans, met een laatste woord de avond te sluiten). Het is wel aardig om steeds meer van het leven te verlangen. Het lijkt misschien hoog-geestelijk om elke schijnbare overdaad af te wijzen. Het is echter belangrijk dat wij aan onze eigen behoeften zover tegemoetkomen - in alle opzichten, dus ook wat betekent muziek, vermaak, amusement - dat wij een voldoening kunnen ondergaan zonder een verzadiging of een roes daaruit te zien voortkomen. Nuchterheid met een gelijktijdig aanvaarden van totaal de wereld, waarin je leeft, is de basis van de grootste geestelijke bewustwording. Goedenavond. o-o-o-o-o VRIJHEID De grootste vrijheid is het besef van waarheid. Vrij zijn betekent niet in de eerste plaats een toegeven aan anderen, maar het erkennen van de vrijheid om te dienen. Het vrijwillig aanvaarden, van verplichtingen, die blijven binnen de beperking van eigen mogelijkheid en wezen, vormen ons de grootste vrijheid, zowel van stoffelijk en geestelijk leven als van bewustwording en aanvaarding van het Goddelijke. Laat ons dan vrijheid als volgt omschrijven. Vrijheid: Een bronzen klank, die in mij zingt, wanneer ik voor mijzelf erken, dat 'k waardig ben geweest. Vrijheid: Lichte kracht, die in mij schijnt, wanneer 'k aanvaarden kan de werkelijkheid en niet verlies mijzelf in dromen. Vrijheid: De moed in mij om eigen wegen steeds te gaan volgeins eigen goed en juist erkennen. Vrijheid: Verwerpen van de waan der massa, ontwaken tot mijn eigen recht. Vrijheid: 't Erkennen van Gods wet in mij gelegd, het volgen daarvan door de eigen wil en zo te komen tot een harmonie, waarin de wereld stil is en in mij het weten zich ontplooit. Vrijheid: Eigen banden leggen aan het leven, eigen voet ervaren en stellen voor het ik door eigen wil. Vrijheid: Het verwerpen van de beperking, die niet noodzakelijk is, maar het aanvaarden van elke beperking en verplichting, die je als een noodzaak gevoelt in jezelf. Vrijheid is de vrede in jezelf, waardoor je de juiste plaats kunt vinden in wereld en sferen. Ik hoop dat u mij goud hebt begrepen. Vrijheid is iets wat voor u allemaal bestaat, wanneer u de moed hebt om vrij te zijn en wanneer u in uzelf voldoende bewust bent van datgene, wat in uw even oen noodzaak en behoefte is. Vooral een behoefte innerlijk. En als u die les hebt geleerd en u zult ze - zij het misschien aarzelend in het begin, toepassen dan ben ik ervan overtuigd - dat u uit die vrijheid niet alleen een vrede verwerft maar ook meer betekenis in het bestaan. Namens alle sprekers, die hebben medegewerkt aan de esoterische groep in dit hele jaar danken wij allen die - ook nu niet aanwezig - deze cursussen steeds weer hebben gevolgd en hun oor hebben geleend aan onze woorden. Wij hopen dat u daardoor iets verder bent gekomen in de richting van innerlijke waarheid, zelfkennis en het erkennen ook van de goddelijke Wet en Kracht, zoals ze in u geopenbaard zijn. Wij wensen u - ook al zoudt u niet meer terugkeren vrede op uw pad, kracht in uw leven en steeds meer licht in uw bewustzijn.

186

VOORBEREIDING OP VOLGEND JAAR