You are on page 1of 144

© ORDE DER VERDRAAGZAMEN

Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

LES 1

Goeden avond vrienden,
Zo, we zullen dan maar eerst even beginnen met kennis te maken. Uiteindelijk, de inleiding die
we nu houden, krijgt U later niet meer te horen: dus gaat er maar één keer een klein stukje
van de kostbare tijd aan weg.
Als U mij een naam wilt geven, ik wil dat in navolging van wat anderen studiekringen ook
doen, navolgen, dan kunt U mij noemen Gerard. Hoe ik verder geheten heb en hoe ik geleefd
heb, is van minder belang. Mijn studie in de laatste tijd, dat U dat goed begrijpt is er een
geweest die berust op filosofie, maar ook toch wel op het nazoeken van werkelijke feiten.
Filosofie is uiteindelijk een stelling, gebouwd op realiteit. Proberende het totaal der dingen in
een logisch en begrijpelijk verband te verklaren. En met vele andere broeders heb ik gekozen
het onderwerp GOD. Dat is een zo groots en zo veel omvattend werk, dat we daar
waarschijnlijk nooit mee klaar zullen komen, of, komen we er mee klaar, dan zeker niet als
studerende gemeenschap, maar eerder als individu, dat in zich mogelijkerwijze buiten de rede
om, het Goddelijke volledig begrijpt en bevat. Wanneer wij met elkaar gaan spreken over God,
dan zal ik proberen, beginnende natuurlijk op een trap en peil, waarvan ik overtuigd ben, dat
U het allemaal kunt volgen, en dit later waarschijnlijk opvoerende, om onze zienswijze over
het Goddelijke en al wat ermee in verband staat, kenbaar te maken. Wij hebben een hele hoop
termen, die we stuk voor stuk zullen trachten te ontrafelen, omdat we ze later veel gebruiken:
maar dat doen we zo in het verloop van elke redevoering, anders krijgen we een teveel ervan.
Nu is dit een principiële uiteenzetting: telkenmale dus een discussie hier, over in de zin van:
“is dit nu wel zo”, is betrekkelijk vruchteloos. Dit zijn de dingen zoals wij ze zien en ze
geloven. Maar wanneer U een andere daar tegenover heeft en U wilt onze reactie daarop leren
kennen, dan krijgt U aan het einde van elk betoog daar gelegenheid voor. Er is ook nog een
tweede spreker, die ook op deze avond U ter beschikking zal staan, hij zal zichzelf wel
voorstellen, en met deze spreker kunt U dan bepaalde andere en in het van de avond, liggende
problemen, verder beschouwen. Dat is een kwestie van Uw eigen keuze natuurlijk.
Maar, nu zullen we ook al weer één ding erg op prijs stellen, wanneer U daaraan mee wilt
werken tenminste. Wij zullen in de tweede helft overgaan tot bespreking van onderwerpen en
ik hoop daar voor het grootste gedeelte, zo niet als spreker dan toch als toehoorder bij
aanwezig te kunnen zijn. De eerste avond is dat niet nodig, maar wanneer U een probleem
naar voren brengt, zouden we dat graag gepaard zien gaan van een belichting van Uw eigen
zienswijze. Waar om u het vraagt, hoe U denkt dát het is, en hóe U dit ziet in verband tot het
geheel. Dit zijn zo een paar dingen, die kunt U gemakkelijk uitdrukken. U hoeft daarvoor niet
veel tijd te nemen, maar laten wij zeggen, dat zo’n inleidinkje Uwerzijds toch altijd wel 2 of 3
minuten in beslag mag nemen, met een maximum van 5. Ook op deze wijze zullen wij dichter
bij elkaar kunnen komen juist omdat wij dan elkaars denkwijze leren kennen. Niet alleen wij
de Uwe, dat gaat toch wel, maar ook U onder elkaar. Want als er één ding erg belangrijk is, wil
een studiegroep, en vooral een studiegroep, die een onderwerp kiest als wat wij nu uiteindelijk
willen gaan behandelen, een hechte eenheid worden. Daar moet een geestelijke resonantie en
harmonie aanwezig zijn, waardoor wij uiteindelijk kunnen stijgen tot ver boven het persoonlijk
bewustzijn uit. Ik vertel U dit nu allemaal, opdat U een klein beetje weet waar we aan toe zijn.
De gebruikelijke waarschuwing, die we overigens verder maar zullen verwaarlozen, geldt ook
hier, dat niets wat wij zeggen dé grote waarheid is, maar dat al wat wij zeggen, de waarheid
is, zoals wij die zien.
Ik hoop, dat U het niet erg vindt, dat ik deze problemen m.b.t. U heb afgehandeld, en we
zullen dan nu gaan beginnen met het onderwerp van deze avond, hopende dat we het
vanavond zo ongeveer kunnen afsluiten, kunnen afronden. Het eerste probleem, want het is
een probleem, dat is HOE ZIEN WIJ GOD? Natuurlijk, God is een woord, dat we allemaal
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

kennen en dat we allemaal vaak soms zelfs veel te vaak gebruiken. Maar wat ís eigenlijk die
God, voor ons tenminste. Wij weten allemaal, dat God is het totaal van het geschapene. Daar
zijn we het wel over eens, als er een God is, dan moet Hij het totaal van het ZIJN zijn. Maar,
wanneer ik ga nadenken, over mijn eigen stelling tegenover het Goddelijke, die waarschijnlijk
ook bij U ongeveer gelijk is, dan valt mij dit op: alles, wat ik begrijpen en verklaren kan, wat
binnen mijn eigen levensbereik valt, vereenzelvig ik niet met God. God is voor mij alleen
datgene, wat ik niet begrijpen kan. Dat is natuurlijk erg bitter van één kant, want van deze
God blijft steeds minder over naarmate ik meer leer en meer wijsheid in mijzelf vergaar, maar
toch is het zo. Het schijnt voor onze schepselen nu eenmaal niet anders mogelijk te zijn God te
benaderen. Wij zijn niet in staat om in ons dagelijks leven, onze eigen sfeer, ons eigen
bestaan, ja ons eigen Wezen, iets terug te vinden van die Goddelijke kracht. Wij zijn er te veel
aan gewend. God, dat is het onbegrijpelijke. Maar ja, het onbegrijpelijke kun je je ook niet
realiseren. En daarom willen wij heel graag een voorstelling hebben van wat die God dan
tenminste betekent voor ons. Wat Hij is, nu ja, wij omschrijven het zo flauwtjes, maar we
voelen wel dat dat niet precies de waarheid is. God is voor ons de kracht, die onze wensen in
vervulling doet gaan. Dat is heel eigenaardig. Wij zien in God, als het ware, een aanvulling van
ons eigen wezen, waardoor het boven zichzelf verheven kan komen, tot een grotere bereiking
en vervulling in het leven.
Daar mogen we niet neerslachtig over zijn. Het klinkt misschien een beetje als afbreken wat ik
hier vertel, voor sommigen van U, maar het is nu eenmaal de simpele waarheid, die een
onderzoek, gaande over eeuwen en gaande over volkeren en sferen, ons voortdurend weer als
onomstotelijk voor ogen heeft geplaatst. God is vaak voor ons te veel geworden een deel van
ons eigen wens- en driftleven: zoekende naar een bepaald iets. Sommigen noemen dat geluk,
anderen noemen het vrede - gaan wij het Goddelijke, stellen als het ideaal hiervan. God is dus
een denkbeeld op dat moment. En nu gaan wij naar dit denkbeeld toe onze gedachten
uitzenden. We gaan trachten om die gedachten op een zodanige wijze tot God te richten, dat
God er wat aan moet doen. Dat brengt met zich mee het probleem van het gebed en het ge-
bedsverhoor, oftewel de zegen, die rust op het gebed en wat dies meer zij. Hoe gaat dit nu in
zijn werk? Dan moeten we eigenlijk beginnen met de menselijke psyche. De mens heeft een
begrips- en voorstellingsvermogen, dat zijn daadwerkelijk vermogen tot realisatie ver te boven
gaat. Dat deze God ons sterk in het voorstellingsleven staat, is onomstotelijk. Er is practisch
geen mens, ik zou zelfs zeggen geen wezen, ergens in de schepping te vinden, dat niet een
God in zich draagt. En deze God blijkt dan te bestaan uit het totaal der edele plus aangename
factoren in het voorstellingsleven, geprojecteerd op een zo hoog mogelijk plan en veelal
gericht op een bepaalde persoonlijkheid, een bepaald symbool of een bepaalde voorstelling.
Simpel dus: de hond heeft zijn God, zijn baas. Deze baas is onbegrijpelijk, maar vervult vele
wensen, betekent voor die hond een grote genoegdoening, emotioneel en anderzijds: betekent
in diens leven dé beslissende factor en dus is die baas voor het dier God. Totdat hij begrijpt
dat deze baas zelf afhankelijk is van andere machten, en dan gaat hij zeggen: ja, hij is onder
goden. En later komt hij tot de conclusie, dat deze goden weer door een andere macht worden
geregeerd, en gaat die God noemen. En nu zitten wij hier bij elkaar, en op de achtergrond van
ons verlangen ligt toch wel het naderkomen tot de werkelijke God. Dan moeten wij van deze
dingen, die het primitieve in onszelf zien van een God betekenen, afstand gaan doen. We
moeten de primitiviteit der dingen opzij leggen. We mogen niet maar alleen aan God denken
als aan een vreemde kracht, of als een persoon, of als iets dat hetgeen je verlangt, ver-
wezenlijkt.
Hou zien wij God, wanneer we ons zelf in relatie tot het Goddelijke tijdelijk uitschakelen? Dan
wordt het makkelijker om God te definiëren, want dan zeggen wij: God is het totaal van de
levende kracht. God, dat zijn de bomen, de planten, de dieren. God, dat zijn de aarde, de zon
en de maan. God, dat is de duisternis van de onmeetbare diepe ruimte. God, dat is de kosmos,
onze wereld zoals wij die kunnen zien en begrijpen. En dan komen we al heel wat dichter bij
de waarheid. Maar deze waarheid hinkt toch nog weer op twee gedachten.
Want wij zeggen ik en het heelal. Het heelal is God. Ik stel mijzelf erbuiten. Op het moment,
dat ik dat, doe, heb ik dus in mijzelf van God afgesneden en is mijn voorstelling wederom
beperkt. Als algehele beschouwing juist, maar ik heb naast deze grote God, die ik erken, in mij
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

nog een ander beeld van de Godheid dat mijn persoonlijke relatie naar voren schuift, met deze
kracht. En laten we daarom proberen nu eens eerst precies te zeggen: hoe zien wij God. Nu
gaan we dat doen op basis van die studies, die we gemaakt hebben. We zien God als de ledige
ruimte. God is het Zijn zonder meer, niet geuit. God is niet in de eerste plaats het direct
allesbeheersende, alles belevende denkend vermogen, maar God is het wezen, waarin dit allee
plaats vindt. God is de totale omgrenzing van ons Zijn en onze zijnsmogelijkheid. Kunt U het
met deze definitie eens zijn of zijn er ernstige bezwaren tegen? Deze God nu draagt in zichzelf
de mogelijkheid tot deling van deze ledige ruimte: wij zeggen ledig, omdat wij voor de kracht,
die daarin heerst, geen woord noch een begrip weten: voor ons is het ledig. En deze deling
stelt dan de verschillende delen in de ruimte tegenover elkaar of naast elkaar. Waar zij elk een
apart deel van het Goddelijke vertegenwoordigen, kunnen wij zeggen, dat uit de ledige ruimte
geboren wordt de werkelijk scheppende of creërende God. De Grootmeester, het deel van het
bewustzijn dat op een bepaalde wijze zich gaat uiten. Van een dergelijke realisatie en
denkvermogen, zover wij kunnen nagaan, is bij deze machten sprake in een zin, die voor ons
begrijpelijk is. In deze hoge krachten zien wij de levengevende stromingen en velden, die ook
het Al, (het stoffelijke Al en de sferen ) doorpulst. Hierin kunnen wij iets terug van onze eigen
Godsvoorstelling. Hierin vinden wij pas het begrip: LICHT, en dan nog in een zodanige zin
uitgedrukt, dat het voor ons bijna niet uit te houden is. Maar wij weten, dat dit de superieure
vorm is van licht. Deze superieure vorm van licht blijkt dan bij nader onderzoek te bestaan uit
een verschil van toestand met de andere dalen van de ledige ruimte. Ledige ruimte, die, zoals
ik nogmaals zeg, voor ons is het enige woord dat wij kunnen vinden om het werkelijk
Goddelijke, het oorspronkelijke, de werkelijke Al-Vader aan te geven. Deze grote krachten
blijken ook weer niet onmiddellijk scheppend te zijn, maar zij scheppen uit Zichzelf een aantal
voorstellingen. Door het verschil is een bewustwording mogelijk geworden, en deze
bewustwording leidt tot het scheppen van zekere impulsen. Deze kunnen wij weer als
persoonlijkheid zien. Deze persoonlijkheden nu zijn voor ons eerst de werkelijk scheppende
want zij zijn het, die aan de schepping van de materie direct deel hebben wanneer wij dus
zeggen: veni creator, kom o schepper, dan bedoelen daarmee misschien wel de Al-Vader,
maar roepen wij, in feite aan een kind van de onmiddellijke zoon Gods. Deze kracht is voor
ons wel begrijpelijk, n.l. de scheiding in verschillende fasen en hierin zien wij da drie-eenheid
zeer sterk op de voorgrond treden. Dus in de derde trap zien wij pas de drie-eenheid optreden,
waarbij drie verschillende fasen samen komen tot één levensplan, waarvan wij kennen de
facetten: ziel, geest en stof, die in een voortdurende wisselwerking onderling nu eens op dit,
dan op dat bewustzijnsvlak ons levensuiting, het vergaren van ervaring, etc. mogelijk maken.
Het blijkt ons dan, dat in deze Creator een aantal hoogscheppende machten, directe
uitvoerders a.h.w. gepersonifieerde uitvoerders van bepaalde taken en projecten optreden. Ik
zou deze willen noemen Aartsengelen, of HEREN DER SCHEPPING. En deze nu zijn de
regeerderen der grote sterren, zijn het, die het mogelijk maken, dat b.v. een zonnestelsel als
het Uwe bestaat en daarin in een steeds rijker wordende rij-volgorde een reeks van
scheppingsvormen ontstaat, die aan de kleine geest, die wij zijn, bewustzijn geeft. Willen wij
onze eigen relatie echter als geest vaststellen tegenover deze Scheppers of zelfs Aartsengelen,
dan blijkt ons een eigenaardig iets. Wij zijn niet de onmiddellijke delen of afstamming van
deze, krachten die ons in standhouden. Het blijkt, dat wij iets anders zijn. En dat dit andere
het best kan worden gezien als een directe zoon Gods, een directe voortbrenging uit het
Goddelijke uit het ledige die onderverdeeld in een groot aantal persoonlijkheden, als werkzame
kracht van het Goddelijke medewerkt aan de zeer sterke bewustwording van deze grote
krachten van de Schepper.
Ondertussen krijgen wij een persoonlijk gevoel. Dit schijnt voort te komen uit een zeer sterke
deling van taak, die in het oorspronkelijke wezen plaats vond, zodat wij te maken hebben met
één groot lichaam, dat onderverdeeld in een onnoemelijk aantal kleine cellen de totale
scheppingstaak voorlegt aan alle scheppers.
Het blijkt ons, dat geen enkele der scheppende krachten, of van de Aartsengelen of engelen, in
staat is een directe schepping te bewerkstelligen, zonder dat daarbij de geest die niet uit hen
geboren wordt als levengevende kracht optreedt. Om het bijbels te zeggen: de mens scheppen
kan elke schepper, maar de mens leven geven kan alleen de adem Gods of wel dit deel van
het totaal van het geschapene, die in ons leeft. Dit doel van deze grote Godheid, dit gebeuren
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

van een splitsing van één wezen In een oneindig aantal delen, een wezen geboren uit het
ledige, uit het niet, uit het onvoorstelbare, zullen wij voortaan de ZIEL noemen.
Tot zover hoop ik, dat ik U duidelijk heb gemaakt wat ik bedoel.
De Ziel staat dus in een tweeledige relatie tot het Goddelijke. Ik meen hierin een verklaring te
vinden voor de gedeeldheid in ons Godservaren, waarbij wij de God buiten ons, dus voor de
wereld, anders zien en definiëren dan wij onze persoonlijke Godsvoorstelling in onszelf
definiëren. In het ene geval n.l., spreken wij over de God der Schepping en wij spreken hier
over iets onpersoonlijke, omdat wij weliswaar werkzaam zijn ín en mét de Schepper, maar niet
geestelijk volledig en vooral ook in de ziel afhankelijk zijn van die Schepper. Onze eigen kracht
gaat verder een hoge weg. En juist omdat wij nu dit geheel van de schepping zoals wij dit
kennen en ervaren, waar wij deel van zijn, waar wij werkzaam zijn erkennen als onvolledig
voor onszelf, iets dat we weg willen drukken, komen wij tot een ander begrip God voor onszelf.
En wij kunnen deze God niet definiëren als het wezen waar wij deel van zijn zonder meer,
maar wij Willen daar een voorstelling voor vinden. Deze voorstelling nu berust op onze
ervaring binnen het gebied en bereik van de Schepper. Zo is ons persoonlijk Godsbegrip
gebaseerd op een aanvoelen van de Eeuwige waaruit wij geboren zijn, waar wij een deel van
uitmaken, maar gemodificeerd, veranderd en vervormd om in het voorstellingsleven te passen
van de Schepper, waaronder wij werkzaam zijn. Ik hoop, dat ook dit duidelijk is.
Wanneer wij deze aanloop hebben begrepen, nogmaals, wanneer het niet duidelijk is, maakt U
het a.u.b. kenbaar, dan zou ik graag van hier een ogenblikje in de wereld willen kijken naar de
verschillende vormen van Godsbegrip en Gods voorstelling, zoals ze bestaan. Wij hebben te
maken met het zeer primitieve Godsbegrip van de mens, die nog niet de menselijke vrijheid
van zelfstandig handelen heeft verworven. Deze mens, of mensachtige misschien, blijkt dan
geleid te worden door geestelijke impulsen. Deze geestelijke impulsen, personifiëren zich en
we krijgen dan hier de uitleg van: Adam wandelde met God. Bij deze wezens treden actuele
manifestaties van geestelijke geleiders op en het blijkt, dat hier de Godsvoorstelling volledig
op berust. Maar eigenaardig genoeg wordt deze God ook weer niet met het ik vereenzelfigd,
maar ziet men deze als een kracht, die aan het ik, dat dan schijnbaar in dit voorstellings-
vermogen heel vaak toch als different wordt gevoeld, leiding geeft, en als zo danig beslissend
is voor het totaal van het stoffelijk en geestelijk welzijn.
Van dit zeer primitieve uit komen wij tot de mens, zijn oervorm, die gaat zoeken naar zijn
God, omdat hij déze geestelijke krachten verworpen heeft. Hij is niet meer de instinctieve
natuurgeleide, half dierlijke mens, maar is de zelf denkende en realiserende mens. Daarmede
valt het totaal van deze onmiddellijke manifestatie weg. Deze krachten kunnen zich alleen
maar manifesteren, wanneer zij groepsgeleiders zijn, en bij het ontstaan van een individuele
ontwikkeling vallen zij dus weg. Zij zijn er wel, zij blijven leiding geven, maar zij treden niet
meer zichtbaar in verschijning, omdat een veelheid van reacties dan hun doel volledig zou
verbrijzelen.
De primitieve mens zoekt zijn God en zoekt die overal. Hij zoekt zijn God op de zeebodem en
in de wind. Elke kracht in het geschapene, geeft hij een naam en noemt hij God. In de
veelheid der vormen richt dus deze primitieve mens zich voortdurend op de Schepper als God
en stelt zichzelf daarbuiten. Stelt zich zelf eigenlijk als iemand, die in relatie treedt met een
bevriende of vijandige mogendheid. Hieruit blijkt, dat deze scheiding, deze tweeledigheid, die
ook vandaag de dag nog steeds bestaat, in de eerste tijden van de mens ook aanwezig moet
zijn geweest. Vraagt U mij nu niet om U dit met voorbeelden te gaan beleggen en bewijzen,
want ik wilde vandaag nog wat verder.
Daarna zien wij, dat de mens bepaalde voorwerpen uit zijn omgeving ziet als meer
krachtdragend. En het eigenaardige is, dat hij nog wel alles God noemt, maar een
voornaamste God begint te kennen. De voornaamste God is een betrekkelijk klein deel van de
schepping, waarmee hij in onmiddellijke relatie is getreden en waaruit bij voor zichzelf de
grootste voordelen, de grootste bescherming verwacht te kunnen verwerven, of wel welks
kwaad vermogen, voor hem dus vernietigend vermogen, hij het meest heeft te vrezen. In deze
tijd zien wij bepaalde dieren, bepaalde stenen, bronnen, bomen apart als stamgod optreden.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

Dat het fetisjisme daarnaast optreedt, is een psychologische, kwestie, die hier eigenlijk
enigszins buiten onmiddellijke beschouwing valt. Van hieruit komt de mens tot realisatie dat,
wat hij legt in zijn boom, een ander precies gelijk in zijn bron heeft gelegd. Terwijl een derde
ditzelfde heeft gezien in de zee of de wind.
Wanneer deze mensen met elkaar in voortdurend contact komen, en gezamenlijk beginnen te
handelen, is het begrijpelijk, dat deze zeer kleine groepsgoden samensmelten tot een nieuw
begrip. De oude vereerde beelden, bomen, bronnen, stenen, etc. worden dan attributen van
die God. Opvallend in de ontwikkeling van het Godsbegrip bij de mens, is dus wel speciaal, dat
hij voortdurend zijn opvatting omtrent God behoudt, maar deze uitbreidt, zodat deze God
steeds meer attributen krijgt: en uiteindelijk gaat het zover, dat een God de totale Schepper
wordt en dus al het geschapene zijn attribuut is. Maar zelfs hier zien wij dan een voorkeur
optreden.
De primitief Semitische volken geloven, als eerste stem van God, aan de donder, en zien in
zijn bliksem en in verschillende lichtverschijnselen de directe uiting van zijn wezen hun
voorkeur wederom voor de meest onbegrijpelijke krachten. Dit betreft het Judaïsme, het
Jodendom althans. Opvallend, dat er maar één beschrijving wordt gegeven van de Heer, van
Jahwe die enigszins overeenkomt met onze voorstelling daarvan. Dat is, wanneer wordt
gesproken over God als een, die wordt voorafgegaan door de stem, de bliksem, de aardbeving
maar die zich uit in een zuiverende stilte. Hier komt dus zeer sterk tot uiting overigens in zeer
fraaie taal, dat de mens dit alles ziet als een attribuut van het Goddelijke, zonder dat het het
wezen van het Goddelijke zelf is. We vinden dit in verschillende andere volken gelijkelijk.
Hoe meer echter de mens zich gewent aan Goden, hoe meer hij wil trachten hen te begrijpen.
En het trachten deze Goden te begrijpen, leidt dan tot een voorstelling, waarbij zij dan
bepaalde genualogieën hebben, bepaalde afstammingsreeksen, waarbij zij zich gedragen zoals
mensen zich gedragen zouden hebben, alleen met bepaalde toverkrachten of magische
krachten begaafd zijn. De sterkste uiting, ook literair de schoonste, vindt U in de Griekse
verhalen hierover. En we vinden ook elders ditzelfde begrip: en wanneer wij b.v. de
geschiedenissen nagaan, die worden verteld over de Syrische Baäls, de Syrische Heren, dan
valt ons ook op, dat deze Goden zeer menselijk zijn. Het was voor de mens, de eenvoudige
mens voldoende, deze primitieve, voorstelling te aanvaarden. Hierin zoekt hij n.l. naar het
onmiddellijk contact tussen zichzelf en God, en projecteert zich dit in menselijke gestalte en
vorm, waarbij de Schepper op de achtergrond geraakt en de relatie, tot het Goddelijke
onmiddellijk op de voorgrond komt. Deze relatie is op zichzelf natuurlijk niet zo gewichtig,
maar het gaat verder. Die relatie wordt zodanig gedefinieerd, dat de denkers, die langzaam
maar zeker als leiders van godsdiensten op de voorgrond gaan treden, een tweede
Godsopvatting als geheime leer en opvatting verwerken, binnen dit kader van de persoonlijke
relatie Mens-God. En nu is er weer een zeer opvallend iets: in de geheime leer wordt de
tegenstelling geschapen tot de persoonlijke. God. Want de esoterische leer, de geheime leer
binnen deze Godsdiensten wijst altijd weer op de Schepper als beheersende macht. En daar
naast een vrijwording van de wetten en machten, die de schepper oplegt door onmiddellijke
versmelting van het eigen wezen, met prijsgave van het ego, zoals het binnen de schepping
van de Schepper tot stand kwam. De onmiddellijke versmelting met het Goddelijke, de oerbron
van alle menselijke, van alle geestelijke bewuste Zijn. We kunnen natuurlijk die hele
geschiedenis nog verder gaan vervolgen, maar voor wij dat doen, moeten wij nog even dit met
elkaar bespreken. Is er vandaag aan de dag nog reden om deze wijze van Godsbeschouwing te
handhaven? Onze studies wijzen hier op een bevestigend antwoord. Wij zijn, zodra wij ons
vrijmaken uit de knechting van de materiele schepper, die uit ons leert en met ons
experimenteert - zij het dan langs zijn rechtvaardige wetten en lijnen, die ook hem zijn
ingeschapen - dan blijken wij náást deze schepper te staan. Klaarblijkelijk kunnen wij dus,
wanneer wij de persoonlijkheid die wij onszelf hebben opgebouwd, prijsgeven, op een bepaald
moment stijgen tot dit directe en hoogste deel van het Ledige, waaruit wij geboren zijn! Ja,
hoe zouden we het anders zeggen. De Al-Vader is wéér een vormend begrip. Het is juist het
onvormelijke, waardoor wij aan de term "Het Ledige" de voorkeur geven.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

Het is op zichzelf veel betrekkelijk moeilijk dat uit te maken, maar willen wij doordringen tot
een werkelijk en waar geestelijk bewustzijn, dan moeten wij, o.i. althans, de volgende stelling
absoluut handhaven.
Ik ben een direct deel van een kracht, die gelijk is aan de kracht van de schepper van
mijn wereld en mijn heelal. Mijn bewustzijn kan, zodra ik mijn persoonlijkheid
prijsgeef, zij het voor een moment, in bezinking, in stille overpeinzing, ofwel
voortdurend door het verliezen van de persoonlijkheid als zodanig, terugkeren en
deel gaan uitmaken van de bewuste vorm, die deze grote scheppende kracht in zich
zelve is.
Om te komen tot een realisatie van de twee scheppende krachten, die wij dus kennen, de
kracht waaruit ik geboren ben en de kracht die mijn wereld schept, moet ik mijzelf leren
kennen. Wanneer ik mijzelf leer kennen, kom ik tot een deling in twee zeer uitgesproken
impulsen. De ene uitgesproken impuls is stoffelijk in gedachte, vorm en handeling, draagt in
zich het totaal van idealen en begeerten, die gekoppeld zijn aan mijn huidige
voorstellingswereld. Het tweede wordt, vooral in menselijke vorm, vaak aangevoeld als een
onbestemd verlangen, dat uitdrukking vindt in symbolen, die nooit geheel tot eigen be-
vrediging kunnen worden geduid. Mijzelf kennende, kan ik hierdoor dat gedeelte, dat
vormbewust en, zoals dat op aarde heet, redelijk fungeert, tijdelijk uitschakelen. Bij dit
uitschakelen van de rede kom ik tot een onmiddellijk contact met mijn eigen bron. In mijn
eigen bron verwerf ik een kracht, die mij meer en meer stelt naast de scheppende factoren in
mijn wereld, in plaats van onder de scheppende factoren in mijn wereld. Hoe meer ik echter
deze, kracht ontvang, hoe meer ik zal begrijpen, als broeder levende onder dezelfde wet, of als
zuster levende onder dezelfde wet, te staan náást deze Schepper. En wij zullen dan op een
gegeven moment niet meer zeggen: Gij Schepper, maar: wij Schepping, daarbij bedoelend, de
scheppende kracht in zichzelf plus mijn eigen wezen en alle wezens die hetzelfde plan bereikt
hebben, optredend als regelende en creërende: krachten in een bepaald Heelal, in een
bepaalde wereld, in een bepaalde materievorm. Is dit zover te volgen, nog steeds? En nu
moeten wij een ogenblik proberen om heel simpeltjes, heel eenvoudig, dit in onszelf vast te
leggen. En nu kan ik U natuurlijk wel literatuur hierover aanbevelen, waarin vele van deze
dingen, zij het wat anders naar voren komen, o.a. "Pad der Inwijding", van Bailey, maar ik
geloof, dat wij het beste doen, als we eenvoudig een ezelsbruggetje nemen.
Ezelsbruggetje 1:
Dit zouden we zelfs als een methode Coué kunnen gebruiken, om soms in ons zelve een
verhoogde toestand van bewustzijn te verwekken in de schepping, op andere momenten
daarentegen een verhoogde activiteit van ons eigenlijke wezen, onze ziel en een contact met
het kiezen, waaruit onze ziel tijdelijk werd afgescheiden, Ik begin met: Ik ben, maar ben
niet alleen. Dat is heel eenvoudig, kunt U zo nazeggen. Ik ben, maar ik ben niet alleen.
Heel eenvoudige woorden. Begrippen, die U misschien honderd keer in andere zin hebt
gebruikt. En nu gaat u denken aan de materie, dus aan de schepping, en gaat U verder: Ik
ben kracht van de Schepper, maar de Schepper bestaat slechts door mij. Daarmee
stelt U een absolute eenheid tussen Uzelf en de Schepper. Zo is mijn gedachte, de
gedachte van de Schepper, de gedachte van de Schepper mijn gedachte. Wederom een
eenheid, en bewustzijnsplan.
U gebruikt dit natuurlijk niet als een toverformule. Maar U gebruikt het, om U voor ogen te
stellen, dat U zich, verzinkende in een bepaald probleem, een bepaalde gedachte, kunt
verheffen tot het peil van de Schepper, en, zover het redelijk vertaalbaar is, door Uw eigen
lichamelijke middelen, U al onmiddellijk de wil van de Schepper, dus de wereldvormer, rond U
naar voren kunt brengen. Duidelijk?
II
Daarnaast komt er een moment, dat U uit de schepping als zodanig, met al zijn vormen, zijn
veelheid van problemen en gebeurtenissen, wilt ontvluchten. Nu gaat U wederom beginnen
met hetzelfde: Ik ben. En nu zegt U (in plaats van: ik ben niet alleen,) Ik ben niet één.
Ik ben déél van de Ene, die is de zoon van God en staat boven alle schepping. Zo val
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

weg, alle vorm: val weg, alle denken: val weg: alle bewustzijn. Opdat ik één moge
zijn met Hem van Wie ik een deel ben.
Kunt U dit ook onthouden? Zo, het is eenvoudig. Anders, kunt U het misschien een keer
opschrijven. Wanneer U dat wilt gebruiken als een begin van meditatieoefening, heeft U daar
twee gescheiden richtingen van meditaties. De ene richting brengt U tot een dieper kennen en
begrijpen van de materie, de wereld en zelfs de sferen, die onmiddellijk met deze wereld in
verband staan. De andere echter onttrekt U aan deze wereld en haar vormen, en brengt U in
een toestand, die geen vorm en geen realisatie kent. Stelt U zich dat niet voor. Maar het geeft
een zeer grote vrede, een zeer grote innerlijke kracht die symbolisch meestal wordt uitgedrukt
als Licht zonder meer, omdat men aan de stemmingen uitdrukking moet geven. Zo, nu zijn wij
gelukkig met deze materie betrekkelijk ver gekomen. Behoorlijk gevorderd vanavond.
Mag ik even vragen wat U bedoelt met: aan stemmingen onderhevig zijn, welke
stemmingen?
Ik heb niets gezegd over: aan stemmingen onderhevig zijn, maar uitdrukking van
stemmingen, waarbij ik bedoelde dus, dat een gevoel van vreugde en harmonie, dat in U werd
opgewekt vrij van elke vorm, van elke persoonlijkheidsbinding, in U een zekere toestand
verwekt, die in de rede, dus Uw geestelijk bewustvermogen plus Uw stoffelijk zijn, een zekere
stemming wekt, en dat deze stemming dan het symbool voor deze ervaring geeft meestal in
een lichtende kleur.
In dat hetgeen de Liturgie doet?
Neen, de Liturgie probeert er gebruik van te maken, maar dan komen we in de Godsdienst zelf
terecht. Ik zou zeggen, laten we dat voor later bewaren omdat we dan door moeten dringen in
de kern van de Liturgieën dan komen we o.a. tot de overeenkomst van kleuren in de Roomse
Liturgie, de Mithrasdienst, met bepaalde bindingen weer aan bepaalde oude mysteriën, dat
voert ons op het ogenblik weer iets te ver. Maar we gaan nu kort en krachtig dit maar
besluiten. Ik geloof, dat het maar het beste is. Ik heb U genoeg te horen en genoeg te
overdenken gegeven, wanneer wij ons God voor moeten stellen, dan weten wij dat wij dat niet
kunnen. Wij gaan echter toch proberen om deze God te bereiken en dat kunnen wij op twee
manieren doen dus,
A. Teruggaan naar de kern van onze zielekracht, en teruggaan naar de kern van ons
bewustzijn.
B. Bewustzijn is uit de schepping, is deel van de schepping. Zielekracht is deel van de broeder,
van de schepper, de Zoon Gods, onmiddellijk uit God geboren. Wanneer wij dit doen, dan
kunnen wij op een gegeven moment toch niet er erheen een voorstelling te geven. Wij
realiseren ons dan, dat de hoogst voor ons voorstelbare waarde gelijk moet komen aan een
bepaald deel van het Goddelijke, anders zou het niet voorstelbaar zijn. Deze voorstelling
brengt ons dus op een geestelijk plan, dat ver boven het onze staat maar waarmede wij door
ons voorstellingsvermogen in harmonie kunnen komen.
Uit deze vlakken kunnen wij zonder meer putten. Het probleem gebed en gebedsverhoring, dat
ik aansneed, berust hierop. Ik bereik een geestelijk plan, dus ook een plan van kracht, en dat
ver boven mijn eigen ligt en ik onttrek daaruit kracht voor mijzelf. Deze kracht wordt mij dus
geschonken, omdat ik in harmonie ben. Alle werkingen berusten op gebed, meditatie en alle
andere vormen van contact met het geestelijke en het Goddelijke zoals die op aarde bekend
zijn berusten op hetzelfde. Harmonie met een sfeer die hoger is dan eigen onmiddellijke
levenssfeer. Een harmonie, die zodanig wordt opgevoerd dat krachten uit deze sfeer
overvloeien tot eigen sfeer. Later zullen wij kennis maken met het probleem van de naast
elkaar liggende werelden, waarbij dan het Godsprobleem nog wel veel sterker in zijn
gedeeldheid naar voren komt, maar voorlopig houden wij ons aan de gewone horizontale
sferen. De verticale delen zullen wij later beschouwen. Waar wij zijn, wat wij doen, wat voor
problemen er in ons leven zijn, door bezinning en instelling op hogere krachten en waarden,
kunnen wij te allen tijde in ons zelf een verhoogd bewustzijn bewerkstelligen. Maar dit
bewustzijn is de vórmgevende kracht, en willen wij buiten deze bewuste problemen en vormen
komen tot een groot innerlijk vermogen en daarmee tot een meer betekenen voor onze
medemensen dan kiezen wij niet dit pad, maar gaan wij tot de kern waaruit alle mensheid is
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

voortgekomen, alle ziende kracht samengesteld als één deel van het Goddelijke. En hierin
kennen wij dan het totaal van de menselijke kracht en worden wij een voortdurende
verbinding ook voor de zielen onzer medemensen, met deze kracht. Wij kunnen daardoor
verwerkelijken binnen de wetten van de Schepper, en binnen de schepping en vormwereld al
datgene wat voor een mens noodzaak is om terug te keren tot zijn erfdeel. Welke poging om
dit te doen, stelt ons in staat anderen iets beter, iets sterker te maken. Dit betekent, dat de
bewustheid van het grote Wezen waar wij uit voortspruiten, steeds groter wordt. Zodat dit
Wezen, de geestelijke kracht uiteindelijk, de volwaardige broeder, misschien zelfs meester zal
zijn van alle andere scheppende Heren. Is dat voor U begrijpelijk en aanvaardbaar geweest?
En dan geloof ik vrienden, dat dit voor U om te beginnen voldoende is als de materie U te
simpel is gebleven, dan zegt U het maar, dan kunnen we de volgende keer wat harder van
stapel lopen.
Is het dan zo dat wij ons helemaal leeg moeten maken van al onze eigen gedachte en
problemen? Dus totaal leeg, wat wel erg moeilijk is om dat te doen, dat we dan weer in
contact komen met het eeuwige, met het Goddelijke?
Inderdaad. Met deze beperking, dat we niet het totaal Goddelijke bereiken, maar de directe
onmiddellijke bron van ons wezen en dat de verdere verbinding pas bij de voleinding van dit
wezen door de gehele realisatie en bewustwording in alle zielekracht tot het volledige zal
worden gesteld ten opzichte van andere delen van het Goddelijke en waarschijnlijk zelfs ten
opzichte van het Ledige, wat wij dan waarschijnlijk volledig zullen vullen in deze
persoonlijkheid en daarmee één worden. En dat is natuurlijk een probleem, dat gaat weer te
ver. Maar de zienswijze op zichzelf is goed. Wanneer U zich ledig wilt maken, dan zou ik U een
heel eenvoudige raad geven. U Moet leeg worden van het persoonlijke. U hoeft dus niet
helemaal leeg te zijn van gedachten. Neemt U dan een zeer veranderlijke vorm als onderwerp
van Uw beschouwing of van Uw gedachten en doe ze het gedachtebeeld overheersen.
Bijvoorbeeld, gewoon een druppel water. Deze dingen zijn daarvoor zeer geschikt.
Vrienden, wanneer het U te zwaar is geweest deze keer, schaamt U zich dan ook niet,
overweegt U dit allemaal en komen wij de volgende keer bij elkaar, zegt U dan zelf: ik voor
mij, ik neem aan, dat een groot gedeelte begrepen werd op onbewust vlak, terwijl een deel
ook zeer zeker, een groot deel meen ik zelfs, vooral in het begin, op het bewuste vlak ook kon
worden verwerkt. Maar komt er een moment, dat U zegt, dit gaat mij te hard, zegt U dat,
denkt U niet dat U de enige bent, want voor de één die, spreekt, zijn er vijf die het niet durven
zeggen, nietwaar. Dus, we moeten dat heel ridderlijk en ruiterlijk tegenover elkaar kunnen
zeggen.
Christus heeft gezegd: Ge zult tot de Vader komen door mij. Komt dit in grote trekken
overeen met wat U gezegd heeft?
Het komt in grote trekken overeen met wat ik gezegd heb, omdat Jezus met prijsgeving van
de persoonlijkheid Jezus, werd tot Christus, dus tot onmiddellijke Zoon Gods, waar wij allen
deel van zijn, maar hij de bewuste vertegenwoordiger was en sprekende uit dit geheel kon Hij
dus zeggen, als direct de Zoon Gods: kunnen wij alleen het Goddelijke benaderen door de
Zoon Gods. De mensheid moet eerst de ziel bewust opvoeren tot deze vorm wil zij verder
kunnen gaan, dan kan ze pas werkelijk tot God komen. Voor die tijd blijft zij in de vormwereld
gevangen.
Bedoelde Hij zichzelf ook als één van onze scheppers?
Neen. Hij spreekt van zichzelf als de zoon des Mensen, daarmee te kennen gevende, dat Hij
niet is één van de Scheppers, maar één van diegenen, die onmiddellijk de scheppende kracht
werkzaam in zich voelen en wel speciaal de scheppende kracht die de ziel tot stand brengt en
in stand houdt, en die dus buiten en boven alle vorm om, het onmiddellijke bewustzijn van de
mens beïnvloedt en betekent en diens uiteindelijke wordingsgang bepaalt. Dat heeft Hij
bedoeld. Hij heeft nooit gezegd, dat hij geschapen heeft. Ik geloof, dat we hier dan het beste
doen een ogenblik te pauzeren, vrienden, dan kunt U na de pauze met een ander onderwerp
verder gaan, zoveel mogelijk natuurlijk in, ik zou willen zeggen, de stijl van onze groep. En
dan hoop ik alleen, dat het voor U even prettig is geweest met mij te werken, als het voor mij
was om met U te doen.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

LES 2

Goeden avond vrienden,
We zullen maar beginnen met eerst te zien, of U nog wat te vragen heeft over de behandeling
van de vorige keer. We hebben n.l. gesproken, zoals U weet, over het Godsbegrip, dat we dan
thans verder voort willen zetten deze avond en het onderwerp "HET GODSBEGRIP" en "DE
GOD IN U: om vanavond zelf tot "DE GOD IN UZELF" over te gaan. Zijn er nog vragen te
stellen over het vorige onderwerp, of is het begrepen, is het duidelijk?
Ik zou graag over de persoon Gods nadere toelichting willen hebben.
Ja, in welke zin?
Ik heb wel begrepen, dat God het grote Al is en dat er nog wel iets onder is, dat dan de
Zoon Gods is, maar.....
U kunt zich die samenhang niet voorstellen. Kijk eens om het precies voor te stellen, moeten
we het ongeveer als volgt uitdrukken: In God wordt alles geboren en blijft in God bestaan als
een deel van het Goddelijke. Er bestaat nooit de mogelijkheid om de binding met het
Goddelijke te verbreken, waar - en dat kunt U in het verslag dan ook vinden - o.i. bestaan
buiten het Goddelijke tot de onmogelijkheid behoort: evenzeer natuurlijk het bestaan los van
het Goddelijke, waar alles in het Goddelijke, uit het Goddelijke bestaat. Is dat nog duidelijk?
Juist. Op het moment nu, dat zich binnen het Goddelijke een entiteit of persoonlijkheid vormt,
waarvan wij kunnen aannemen, dat deze entiteit of persoonlijkheid, binnen het Goddelijke en
uit de Goddelijke kracht bestaand zelf een besloten geheel vormt, dan mogen wij dus deze
tweede entiteit, die voor ons reëel is, voor God een deel van Zijn wezen, rustig beschouwen
als de Zoon Gods, nietwaar? En in deze zin kunnen wij dus eventueel alle delen der schepping,
kinderen Gods noemen. Maar omdat wij nu voor onszelf wel begrijpen, dat deze toestand niet
reëel is in ons wezen, passen wij deze naam alleen toe op diegenen, die een zodanige
verhoging van bewustzijn hebben weten door te maken, dat zij zich van deze onmiddellijke
relatie met het Goddelijke zelf bewust zijn. Commentaar daarop?
Dus er zijn meer Zonen Gods?
In feite kunnen wij het mogelijke aantal oneindig stellen. In feite is het voor ons zeer moeilijk
vast te stellen, wie Zoon Gods was en wie niet, omdat velen der kinderen Gods zeer zeker niet
op de voorgrond treden en dus in stilte hun werk doen. Maar waar wij het van enkelen weten
zoals b.v. van Jezus mogen wij zeggen, dat hij zeer zeker dit bewustzijn reeds in zich droeg en
dus een ware Zoon Gods was. Of er meerdere zijn? Ik geloof, dat wij zeker de Gautar
Boeddha, om nu iemand te noemen en verschillende andere groten, ook Zonen Gods mogen
noemen. Doch het is voor ons erg moeilijk om daarover tot een beslissing te komen. Op dit
moment is het Christendom wel de meest op de voorgrond tredende religie in deze omgeving.
Juist in deze religie komt het probleem van de Zoon Gods het sterkst naar voren, vandaar, dat
het mede werd verwerkt in "Het Godsbegrip". Zijn er nog problemen, vrienden? Neen? Erg
vleiend voor ons dan. We zijn er schijnbaar in geslaagd U althans een klein tipje van de sluier
op te lichten. Wij gaan verder met "HET GODDELIJKE," en dan kunnen wij meteen aanknopen
bij deze vraag: Wanneer wij kinderen Gods zijn, hoe is het dan mogelijk, dat wij onze Vader
niet kennen? Want God is voor ons niet kenbaar. Dit kunnen wij alleen begrijpen, wanneer wij
aannemen, dat ons bestaan een vóórbestaan is, d.w.z. een bestaan, dat vóór de werkelijkheid,
de voleinding van onze zelfstandigheid, plaats vindt.
Op dit moment zijn wij nog geborgen in de Schepping. In deze Schepping kunnen wij nooit
komen tot een bevatting van hetgeen, dat buiten de Schepping ligt, terwijl een groot deel van
het Goddelijke zeer zeker buiten de Schepping moet liggen. Als resultaat komen wij tot de
conclusie dat op een gegeven moment het Goddelijke naast zich moet zien, de bewuste mens
of de bewuste geest, hoe of U het noemen wilt. Deze bewuste mens of bewuste geest moet de
gelijkvormigheid aan het Goddelijke volledig in zich dragen en daardoor in staat zijn het
Goddelijke als zodanig te bevatten en te begrijpen. Wat is nu het grote verschil, dat tussen
deze beide waarden op kan treden? God is het potentiële, van menselijk standpunt uit gezien,
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

zou ik willen zeggen, het negatieve, waaruit tevens alles geboren wordt. De mens is het
positieve, het uit het negatieve gevormde. Mens en God zullen elkaar dus bij volledige
ontwikkeling volledig ontmoeten en volledig aan elkaar gelijk zijn. Maar deze gelijkheid bestaat
slechts in de gegeven vorm, in het gegeven bewustzijn, maar nooit in de uitdrukking, of totale
uitdrukkingsmogelijkheid daarvan. Is dat begrijpelijk? (Stilte). Hieruit kunnen wij dan de
conclusie trekken, dat wij nog zeer ver van deze grote werkelijkheid staan. Wij kunnen ons n.l.
deze grote voorstellen en wij kunnen ze misschien gedeeltelijk beleven, maar een volledig
emotioneel beleven van het Goddelijke is haast onmogelijk in de volledigheid, die wij door de
rede kunnen omschrijven. Conclusie, die wij hieruit trekken luid dus als volgt: Het Goddelijke
is redelijk kenbaar omschrijfbaar gezien vanuit ons eigen standpunt. Het is echter niet
emotioneel beleefbaar. De beleefbaarheid van het Goddelijke is dichter bij onze eigen vorm
dan bij de werkelijke vorm van het Goddelijke, terwijl de werkelijke vorm van het Goddelijke
voor ons bij nadenken redelijk bewijsbaar en aanvaardbaar. Ook dit duidelijk? En hier zitten
wij dan met de grote moeilijkheid, die ons in het Godsbegrip terugdwingt tot een bescheiden
geborgenheid. Zoals we reeds besproken hebben een Gods voorstelling uit de aard der zaak
geschapen uit de mens. Elke mens en elke geest stelt zich een God voor in zijn eigen beeld en
gelijkenis. Wanneer U dat primitief uitgedrukt wilt zien, gaat U dan maar kijken naar de
votief-beeldjes, die worden gemaakt door menige religie, die zich uitbreidt over meerdere
landen. Wanneer U bij de negers komt, dan zult U kruisbeelden en Mariabeelden vinden, waar-
op b.v. een neger wordt weergegeven. Dáár is dus de Zoon Gods, of de Moeder Gods van
hetzelfde ras. Deze rasgelijkheid, deze poging tot vereenzelving met het Goddelijke leidt uit de
aard der zaak voor ons tot de mogelijkheid, om een bepaalde voorstelling van het Goddelijke
wel degelijk te beleven. En in dit deel van het Goddelijke volledig op te gaan. De mens, de
geest, de entiteit, die in zich een beeld draagt van het Goddelijke en zich volledig en geheel tot
dit beeld wendt, zal door dit beperkte deel van het Goddelijke in contact komen met de
totaliteit. Maar het totale zal zich aan het bevatting- en kenvermogen ten alle tijde blijven
onttrokken. Ook dat duidelijk?
Deze kwestie brengt ons vanzelf tot de God in ons. In ons leeft deze eigenaardige voorstelling
van God. En ieder doet dat op een andere manier en ziet God als een vereeuwigde mens. Men
ziet God als een machtige kracht in het menselijk uitdrukkingsveld, beheersende het
natuurgeweld. Men ziet God als een klank, als een kleur, men begrijpt God als een grote stilte.
Die grote stilte, zowel als deze klank en kleur liggen uit de aard der zaak, ver boven de scherp
omschreven en gelimiteerde vorm, beschrijvende God in menselijke vorm, of in de vorm van
een natuurverschijnsel of natuurgeweld. Want zodra wij gaan spreken over klank en kleur, dan
komen wij in aanraking met de trilling. Het beginsel trilling, dat hier zo sterk doorklinkt is het
principe van de Schepping. De Schepping werd door één trilling geschapen in voor mensen
onvoorstelbaar korte en gelijktijdig ook onvoorstelbaar lange tijd. Zeer lange tijd namelijk,
voordat de volledige vorming plaats vond. Een onvoorstelbaar kort moment, vóórdat het pa-
troon van de eerste trilling tot uitdrukking kwam in het Heelal. Wij hebben in deze trilling, in
deze kleur, in deze klank, het Goddelijke zelf nog niet bereikt, maar wij krijgen inzicht in de
hoogste uitingsvorm van het Goddelijke n.l. de direct scheppende kracht. Kunnen wij dit punt
bereiken, dan bestaat er voor ons een vluchthaven, waarin wij veilig ons kunnen
onderdompelen en nieuwe krachten opdoen. Er bestaan voor ons werelden, die ons verbinden
met het gehele Al. Daarom is het wenselijk, dat wij onze opvatting van het Goddelijke niet
binden aan een menselijke vorm doch aan verschijnselen, die in zichzelf beperkt zijn. Zoals U
weet is klank, is kleur, op zichzelf niet beperkt. Het drukt uit een totaliteit van verschijnselen,
die overal, maar in verschillende vormen voorkomen. Overal waar middenstof is, zal klank zijn,
overal waar middenstof is zal kleur zijn. Beiden zijn n.l. de uiting van een trilling, die zich uit
en vertoont door een middenstof, waarin zij werkzaam is. De middenstof van ons eigen leven
nu, waarin wij als trilling geuit zijn, is wat wij noemen God.
En op het moment dus, dat wij dit begrijpen, dringt de Goddelijke kracht dieper in ons wezen
door, komen wij tot een verscherpt waar nemen van ons eigen "ik", een grotere realisatie van
de vermogens, die in ons schuilen. Ik zou zelfs het voorbeeld van de communicerende vaten
hier kunnen gebruiken. Want op het moment, dat wij ons bewust van het Goddelijke worden in
een onpersoonlijke vorm, boren wij een oneindig reservoir aan en waar wij zelf liggen ver
beneden de geestelijke kracht, die in het Goddelijke normaler wijze moet schuilen (anders zou
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

niets kunnen bestaan), is het begrijpelijk, dat deze kracht voortdurend in ons door kan dringen
en ons beperkt bevattingsvermogen voortdurend en zonder enige pauze tot de uiterste grens
gevuld kan houden. Onverschillig hoeveel wij van die kracht aan anderen spenderen, hoeveel
wij daarvan weggeven en uitstralen. Dit is voor ons een erg belangrijk punt, waar wij later nog
wel even op terug zullen komen. Nu gaan wij even terug naar het Godsbegrip. Wanneer ik kom
tot een herhaling, dan is het omdat deze onderwerpen nooit en te nimmer genoeg herhaald
kunnen worden, Het grote Lege, het Ledige, het Niet is gelijktijdig het grote Al. Want zou het
Niet niet zijn, dan zou het Zijn zelve niet bestaan. God is ten allen tijde en blijft ten allen tijde,
van ons standpunt uit gezien, in zijn grootste en laatste voor ons bevattelijke vorm, het
volkomen tegen deel van al wat wij ons voorstellen als wereld, leven, bestaan en kracht. Maar
nietigheid, waaruit het grootse van de Kosmos voortspruit, waarin het grootse van de kosmos
bevat wordt en waarin dan nog ruimte ligt voor vele andere kosmische wordingsgangen.
Want denk niet dat de beslotenheid van Uw Heelal, deze beperkte oneindigheid de werkelijke,
enige Oneindigheid is. Naast deze bestaan er vele in wie het wervelingsspel zou zien van de
vele Heelallen, die elk in zich zelf besloten als Oneindigheid, draaiend om de grote kracht, die
in het grote Ledig bevat is, zou begrijpen, dat het Goddelijke zich veel verder uitstrekt dan
voor ons meer enigszins voorstelbaar is. Het Goddelijke zelf zien wij niet, bemerken wij niet.
Het Goddelijke is als de lucht: lucht bemerk je niet. Je haalt voortdurend adem, maar dat die
lucht er is, bemerk je pas wanneer er een wind waait en zelfs dan bemerk je het eigenlijk niet,
want je bent er aan gewend. Je spreekt niet over de lucht, die tegen je aan zweeft. Je zegt: de
wind. Zo gaat het ons ook. Velen van U leven in vrije sfeer of gebonden op aarde, anderen in
het diepe duister. Wij herkennen God niet, omdat God een voortdurend deel van ons leven is,
zonder hetwelk wij ons leven niet voor zouden kunnen stellen. Zo accepteren wij dus dit grote
Ledige, deze grote Oneindigheid, als vanzelfsprekend en zien daarin slechts de verschijnselen.
Nu is het echter voor ons een taak om te trachten het Goddelijke te benaderen. Te trachten
meer en meer doorzicht te verwerven en inzicht, om dichter en dichter te komen, niet tot de
uiterlijke voorstelling of de meest correcte omschrijving, maar tot de werkelijke beleving van
het hoogst voor ons bereikbare. Het hoogst voor ons bereikbare moet noodgedwongen liggen
in de vormenwereld. Wij kunnen God niet komen in de stilte maar alleen in de storm. De stilte
lijkt ons normaal. Wanneer de stilte ons te drukkend wordt, dan verstoren wij die zonder er
verder over na te denken. Maar in de storm van verschijnselen, van jagende krachten, van
wetten, die ons regeren met vaste hand, daarin vinden wij God. Dit begrip, het begrip van de
God in de verschijnselen, is noodgedwongen voor ons allen de benaderingsweg. Langs deze
weg slechts kunnen wij gaan tot het Goddelijke en langs geen andere weg. Vandaar, dat het
nodig is, dat wij in ons zelf een beeld zoeken van een God, die acceptabel is. Ik herhaal dit
nogmaals: Een God, die voor ons werkelijk acceptabel is. Want wat we ook aannemen, hoe we
ons dwingen om aan te nemen, zoals dit vaak gebeurt in een dogmatische kerk, wij zullen toch
nooit de juiste God hebben. In vele gevallen gaan de mensen door de wereld met een
Godsbegrip, dat hen te nauw is. Een keurslijf en jak, waar ze ingewrongen zitten en bijna
uitbarsten. Voor anderen is het een flodderpak, vijf maten te groot, dat hun belet vooruit te
komen. Het is niet de bedoeling, dat wij door het Goddelijke beëngt zullen worden in onze
groei, door ons Godsbegrip zullen worden gekneveld. Integendeel, onze weg naar het
Goddelijke moet een weg zijn van natuurlijke groei, van natuurlijke bewustwording. Daarom
moeten wij in onszelf de God aanvaarden, die ons en speciaal voor ons, elk onzer
aanvaardbaar is en begrijpbaar is. Wanneer U een beeld wilt aanbidden, dat staat U uit de
aard der zaak niet erg hoog en is Uw begrip zeer bekrompen en beperkt. Maar beter dat U
intens en eerlijk een beeld vereert en aanbidt, dan dat U grootse woorden over het Goddelijke
spreekt, die in U niets zijn dan een leegte, een holte, een ruimte waarin het Goddelijke
doorklinkt, maar door Uzelf niet gevat of bevat kan worden. Geloof in God op Uw wijze. Heeft
U een deze noodzaak voldaan en heeft U in zich gevonden een beeld van God, bedenk dan dat
God, die U zich voor kunt stellen voor Uzelf bereikbaar is, benaderbaar. Hoe wij die God ook
stellen, in welke vorm ook, of wij die God uittekenen in zijn geweldigheid, of dat wij Hem zien
als Een, die onder de mensen omgaat. Altijd weer de God, die wij ons voor kunnen stellen,
kunnen wij benaderen. Want deze Godsvoorstelling is geboren uit ons wezen. Dat is heel
begrijpelijk, dat wij tot God moeten gaan, tot de God in ons. U kunt niet tot God gaan in een
kerk. U kunt een God niet vinden op de heuvelen, ofschoon misschien in een kerk of de reine
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

stilte van ademloze hoogten Uw wezen in een toestand brengen, waardoor het nader tot de
God kan komen. God is ín U, in Uzelf is Hij te vinden: in de beperktheid van Uw gedachten en
voorstellingen. Het wezen, zich daarop concentrerend, verder doordringend in de diepe
waarheid van eigen bestaan en besef zal een God vinden, die volledig antwoord geeft. Klamp U
dan niet vast aan die God, probeer ook dat niet te doen. Klamp U niet vast aan deze ene vorm
als aan een magische formule, die U voortdurend zal helpen om kracht te krijgen, om anderen
te helpen, kortom datgene te doen, wat U begerenswaardig vindt. U begrijpt, dat deze vorm,
altijd wanneer ze bereikt is, vervaagt. Achter elk bereikt besef van het Goddelijke ligt een
grote nieuwe open vlakte en ruimte, waarin wij het waar Goddelijke in een nieuwere, grotere
en grootser voorstelling vinden, waarin wij wederom moeten gaan streven, om er ons weer
een nieuw beeld van te vormen. Onze opgang is uiteindelijk niets anders dan een
voortdurende bereiking naar binnen toe. Steeds weer worstelen we om onze God te zien,
Wanneer we onze God zien, worstelen we om in Hem op te gaan. Wanneer wij in Hem op
willen gaan, wijkt die God voor ons terug, verdwijnt Hij in de ruimte. En ziet: Ver in de ruimte
zien wij Zijn Beeld, grootser, stralender, hernieuwd, herboren en wij beginnen onze weg
opnieuw, tot wij wederom het beeld bereiken en het wederom voor ons wijkt. Slechts éénmaal
zal dit beeld niet meer wijken. Dat is wanneer wij de idee, de gedachte van het grote Ledige
werkelijk kunnen aanvaarden en accepteren. Buiten het Niet bestaat er niets meer. Het Niet in
zich zelf betekent een uitblussing van de vormen: betekent een ophouden van elke
bestaanstoestand, zoals wij ons die voorstellen. Wie deze vorm van bewustzijn komt in een
nieuwe, een andere wereld. Een wereld, waarover ik niets zeggen kan op het ogenblik, omdat
ik haar zelf niet betreden kan. Ik hoop vrienden, dat U dit althans nog enigszins begrijpelijk in
de oren klinkt, want er is niets, dat moeilijker onder woorden te brengen is, dan de
werkelijkheid van het Goddelijke, om het werkelijk grote Godsbegrip op te bouwen, zonder U
daarmede de mogelijkheid te benemen, zelf ooit eens tot God op te schouwen. Dit is n.l. ook
een groot gevaar. Op het moment, dat wij ons te ver willen verheffen, dat wij willen gaan tot
een te grote God, kunnen wij niets meer bereiken. Dan blijft ons leven verketend
voortslingeren aan het rad der Oneindigheid van vorm tot vorm en we vinden nooit, nooit onze
God, omdat wij nooit een God vinden, die binnen ons bereik ligt. Wanneer een kind zegt: "Ik
wil de maan hebben", dan is het wel zeker, dat het kind dat in stoffelijke vorm nooit
verwezenlijkt. Wanneer een mens zegt: "Ik wil God, de kosmische God, begrijpen", dan is het
wel zeker, dat hij dit nooit tot stand brengt. Maar wanneer het kind zegt: "Ik wil een lichtbron
bereiken", dan vindt het een lamp, die het met zich mee kan dragen, waardoor het duister
verjaagd wordt. Daardoor kan men dichter tot de maan komen, dichter tot de zon. Zo gaat het
met ons. Vergeet niet, dat wij uiteindelijk geesten zijn die nog aard-gebonden, wel reeds
aard-bevrijd zijn, die in zich zelf voortdurend moeten streven naar een uitgangspunt om het
Goddelijke te vinden. Het is voor ons niet zo, dat wij op dit ogenblik het allerhoogste
onmiddellijk als doel kunnen stellen. Dat gaat niet. We moeten integendeel juist een doel
vinden, dat we kunnen verwerkelijken en dat ons dichter tot God brengt. We moeten dus eerst
de richting naar God vinden. Nu bestaat er een aardig verhaal. Er waren op de Noordpool vijf
mensen: de één ging Noord, de ander ging West, de ander ging Zuid, de ander ging Oost. De
vijfde bleef staan. Toen zij allen de aarde waren rond gegaan stonden ze alle vijf weer op
hetzelfde punt. De bol is het symbool van de absoluutheid, van het Goddelijke. Volledig gelijk
en aan elke zijde te omtrekken en te doorleven. Wie in het Goddelijke blijft, zal uiteindelijk
degenen, die uit zijn gegaan ontmoeten. We zullen terug moeten keren tot het kernpunt,
willen wij ooit tot een werkelijke beleving komen. Maar er is één verschil tussen diegenen, die
uitgingen en degene, die bleef. Zij die uitgingen om rond de aarde te trekken hebben elk voor
zich een deel der aarde gezien, hebben een voorstelling van haar landen en volkeren, van haar
zeeën en lucht en daardoor kennen zij de grootsheid van de aarde, terwijl degene, die bleef,
alleen maar aanschouwde: de wisseling van licht en duister, de diamanten schittering van het
ijs. Wij kunnen natuurlijk zeggen, wij willen in het Goddelijke blijven. Dan zouden wij zijn als
de Engelen, de groten, die staande boven alle levende vorm, op dit moment in God vertoeven,
zoals zij altijd in Hem vertoefd hebben. Maar dezen zullen nooit de grootheid en volheid van
het bestaan kunnen kennen, zoals de Geesten, die zijn uitgegaan. Voor wie in de tropen
vertoeft, valt het moeilijk zich de koude van de IJszee voor te stellen....We vergeten veel.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

Daarom kunnen wij die kernwaarde van het Goddelijke niet terugvinden. We weten alleen
maar, wat wij op het ogenblik zijn en we weten, omdat wij eens zijn uitgetrokken, de richting,
waarin wij verder moeten gaan. Wanneer die Noordpool nu het Goddelijke is, dan trekken wij
in feite naar de Zuidpool en wij noemen dat het Goddelijke. Een redelijk denkend mens zou
zeggen: "Je verwijdert je dus van je God". Dat is niet waar. We gaan tot onze God. Maar om
onze God te realiseren moeten wij zijn tegendelen leren kennen, het totaal van zijn uitingen.
Dan eerst zal de mens inderdaad groter kunnen zijn dan de Engelen. Dan zal de Geest, die de
weg van de materie ging, vrijer, grootser, gelukkiger kunnen zijn, vrediger en harmonieuzer
dan elke Geest, die voortdurend in contact met het Goddelijke bleef, omdat wij uit ons zelf
hebben verworven en zij slechts ontvangen hebben, waardoor zij de waarde ervan niet
beseffen. Zo, laat ik eerst eens informeren, of er vragen uit voortkomen?
(Vraag niet te verstaan).
Ik weet wel, wat U bedoelt, U wilt n.l. zeggen: "Is het redelijk van ons te verlangen, terwijl wij
nu niet verder kunnen komen dan een bepaald punt, ons daar druk over te maken. Waarom
eigenlijk? Misschien een beetje harder geformuleerd, dan U het zou doen, maar daar komt het
op neer. Daar kan ik dit antwoord op geven: een verstandige huisvader zorgt, dat hij in de
zomer reeds begint met de aanschaffing van de kolen, die hij voor de winter nodig heeft,
nietwaar? We hebben in ons wezen een geest. Deze geest heeft zintuigen en vermogens. Die
vermogens kunnen tot een zeer grote hoogte reeds ontwikkeld worden. We kunnen dus als het
ware, ons leven in de geest beginnen op volwassen basis, waartegen over een ander in de
kinderschoenen begint. Dit geeft voor ons zelf allereerst reeds vele voordelen gedurende het
leven: we kunnen ven onze geestelijke capaciteiten gebruik maken. Ten tweede geeft het
groot voordeel na de overgang. Want waar een ander in een moeizaam bestaan uiteindelijk
zich tot een begrip van zijn nieuwe omstandigheden en wereld op moet worstelen, kennen en
begrijpen wij deze wereld onmiddellijk en kunnen daar dan onmiddellijk verder gaan. Dit alleen
is. m.i. al reden genoeg, om je hier op aarde over je geest en over al datgene wat daarmee in
verband staat, dus in de eerste plaats wel het Goddelijke, druk te maken. Kunt U het niet mij
eens zijn? Dan ten tweede: U kunt zich misschien voorstellen, dat wij op een plaats staan, op
de aardbol. Wanneer wij ons nu zover zou den kunnen bekwamen, dat wij door die bol heen
zouden kunnen zien, dus gelijktijdig ook met onze tegenvoeters leven, dan zouden wij dus bij
een kleine reis tweemaal de afstand afleggen en tweemaal de ervaring opdoen. Kunt U dat met
mij eens zijn? Wanneer wij op aarde ons geestelijk bewustzijn reeds zo ver weten te
ontwikkelen, dat wij ook in een ander deel van de Goddelijke uiting een voortdurend beleven
hebben, dan leven wij niet slechts één leven, maar twee levens. Wij brengen dus met gelijke
moeite a.h.w. ons noodzakelijk afgezonderd zijn van het Goddelijke terug tot ongeveer de
helft. Vindt U dat ook niet de moeite waard? U ziet dus, er zijn voordelen aan verbonden. En
nu komt het derde en misschien wel voornaamste punt. Wanneer wij een derde voorbeeld
nemen, b.v. dat wij eens zouden zitten in een kamertje met een televisieapparaat,
aangesloten op een centraal punt van waaruit alle gezinnen en mensen der aarde te
projecteren zijn. Dan zouden wij vanuit dat ene kamertje niet alleen slechts het tegendeel van
onze wereld kunnen zien, onze tegenvoeters, maar zouden we het totaal van de wereld
kunnen zien en wel naar eigen verlangen en behoefte. Alle wezens zijn uit het Goddelijke
ontstaan. Het Goddelijke is het centrale punt. Op het moment, dat wij ons verlangen plus ons
ervaringsvermogen in het Goddelijke kunnen projecteren, kunnen wij uit het Goddelijke het
totaal van het leven ontvangen. En kunnen wij als zo danig in één bewustwording van één kort
moment, het totaal van onze verdere levensreis onnodig maken en onmiddellijk intreden in het
grote contact met het Goddelijke. Wat onze verschijningsvorm op aarde dan verder doet, is
eigenlijk niet meer onze zaak. Het is de zaak van het Goddelijke dat wij bereikt hebben.
Duidelijk? In feite is het echter zo, dat wij de directe centrale heel moeilijk onmiddellijk kunnen
bevatten en begrijpen. Vandaar dat we zitten met de grote moeilijkheid. Waar is God, hoe
vinden wij God? Wat is eigenlijk God? Vandaar deze lezing over het Godsbegrip en God in
Uzelve. Dus wij kunnen zover niet gaan. Maar wij vormen ons een beeld, dat identiek is,
misschien niet in uiterlijk, maar althans in inhoud, met een hogere macht. En om bij hetzelfde
voorbeeld te blijven, dat hoofdstation, dat heeft uit de aard der zaak verschillende
verdelerstations, waar dus een groot aantal verbindingen samenkomen om van daaruit verder
geleid worden tot het centrale punt. Begrijpelijk?
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

Bedoelt U de kernpunten, die in de stof over de wereld gelegd zijn?
De kernpunten, die over de wereld neergelegd zijn. De kernpunten, die liggen binnen het
zonnestelsel, binnen een planeet. De kernpunten, die liggen binnen een sterrennevel, waar dus
weer alles samenvloeit. Het is dus een voortdurende vertakking. En wanneer wij nu één van
deze knooppunten kunnen raken, al is het ook maar hetgeen wat het dichtst bij ons ligt, dan
hebben wij hiermede dus een verveelvoudiging van ons eigen vermogen tot leven bereikt. Nu
is het zo, wanneer je op aarde leeft of in de geest, je levenskracht zich ook weer uit. De levens
kracht uit zich voornamelijk door ons vermogen tot daden stellen. Hoe groter onze
levenskracht, de werkelijke, ik bedoel niet de stoffelijke vitaliteit, de werkelijke levenskracht,
hoe makkelijker wij allerhande dingen tot stand brengen, hoe scherper ons begripsvermogen,
hoe groter ons doorzicht, hoe meer wij begrijpen, hoe meer wij door onze gedachten kunnen
doen. Tot uiteindelijk de waarde van ons geestelijk bestaan volledig één wordt met al datgene,
maar ook werkelijk al datgene, wat er in ons bereikingsmogelijkheid aanwezig is. Ik hoop, dat
ook dit niet te moeilijk is. U ziet dus, hoe wij met een enkele vraag soms een heel eind verder
komen. Hieruit kunt U dan voor Uzelf wel concluderen, hoe belangrijk het is dat wij een
Godsbegrip in ons vormen, een Godsvoorstelling vormen, die voor ons gelijk is met het
knooppunt, dat wij nog net met onze eigen vermogens kunnen bereiken. Wanneer wij dus
steeds meer ons vermogen kunnen vergroten, maar tegelijkertijd ook natuurlijk meer één
worden met de totaliteit van het leven. En daarom zijn wij hierover bezig. Het is dus niet een
nutteloos iets, ofschoon ik onmiddellijk toe wil geven, dat de mogelijkheid tot bereiking niet
voor elk van de aanwezigen even groot is en even ver. Nu hopen wij echter, dat de eenheid,
de sfeer, die op het ogenblik hier al werkelijk acceptabel is, in de toekomst nog steeds intenser
zal worden, zodat wij na een aantal keren bijeen te zijn geweest kunnen gaan werken met
andere mogelijkheden, dan alleen het woord. Zoals sommigen Uwer reeds op hebben gemerkt,
heb ik mijn voordrachtstechniek deze keer wat gewijzigd. En dat zal ik meer moeten doen, wil
ik uiteindelijk, het magische, dus hetgeen, dat niet meer redeneren is, mede doen werken om
bronnen in U aan te roeren, die dieper liggen dan de rede en daardoor ook grotere kracht
hebben. De rede is betrekkelijk nutteloos. Nu gaan wij terug naar God weer, want God is het
raadsel, waar wij op het ogenblik mee moeten worstelen. Waar kan ik God vinden? Overal
natuurlijk. Maar als God overal is, dan is het zo moeilijk. U kunt wel God zien in een bloem in
een boom, in de aarde. U kunt God zoeken in een kerk, in een kluis, in een kamer, maar je
moet er een bepaalde plaats voor hebben: dit klinkt heel vreemd, maar een zekere gewoonte
dus. Is God dan alleen daar te vinden? Welnee, maar voor ons is het noodzakelijk, dat wij,
juist in ons gewoonteleven, ons lichamelijk leven dus, voor ons in de geest, is het lang zo erg
niet als voor U: wij hebben een veel fijner voertuig dan U, door gewoontevorming en
associatievorming, die onmiddellijk zeggen: "Hier ben ik, hier is God." Ik weet niet, of U wel
eens gemerkt heeft, hoe het gaat met kerken. Er zijn kerken, waar mensen komen, die
werkelijk niet God vrezen, maar God liefhebben. Die iets van de Goddelijke Liefde begrijpen.
En wat voor een genootschap nu ook die kerk gebouwd heeft, wie daar binnen treedt
ondergaat een zekere stilte en wijding. Het is alsof je gedwongen wordt op je tenen te lopen
en fluisterend te spreken. U zoudt eigenlijk graag een ogenblik gaan zitten, alleen maar zitten,
omdat er iets is, wat je met geen enkel zintuig waarneemt. Je hoort het, niet, je ziet het niet,
ja voelt het niet en toch bemerk je het. Er spreekt een kracht tot iets in U, die normaler wijze
niet op de voorgrond komt. Is het God, die daar aanwezig is? Nee, want God is overal
gelijkelijk aanwezig. Maar het is de gewoonte der mensen, die voortdurend deze plaats met
God hebben geassocieerd. Deze gedachteassociatie is zo sterk doorgedrongen in het materiaal,
dat van daaruit reeds de gewijde stilte van het contact met het Goddelijke doordringt tot elk,
die daarmee in beroering, of aanraking komt. Zo moeten we dus eigenlijk onze eigen
meditatieplaats, onze eigen gebedsplaats vinden. Dan komt het grote probleem, als we gaan
bidden tot een God, die we niet eens goed voor kunnen stellen. Hoe moeten wij dat dan doen?
Ach, simpel eigenlijk. Stelt U zich het mooiste voor, want U kent een waterlelie misschien in
een maannacht, een roos in volle geur en bloeiende in de stralende zon, een woud, dat ruist,
terwijl tussen de stammen de lucht zindert en orgelt, alsof je in een kathedraal bent. Stelt U
zich voor een oude man, vriendelijk en gezellig, een jonge frisse mens, lachend, stralend met
het nieuwe leven. Stelt U zich maar voor en zeg dan: "Hierin zie ik mijn God", zeg niet: "Dit is
mijn God", want het is UW God niet. Maar: "Hierin zie ik mijn God". Draag dat beeld bij U als
een heiligdom. U zult zien dat, of het nu een waterlelie, een roos, een woud, of een mens is,
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

wanneer ge tot dit beeld spreekt, ge antwoord krijgt. Vreemde werkingen in Uw eigen psyche
maken U dan bereid om een contact te ontvangen, om Gods stem te horen, God te horen
spreken. Herinnert U zich nog wel dat wij het daarover hadden? En God te horen spreken,
d.w.z. voor het eerst iets ervaren van het wederkerig contact met de Oneindigheid. Het
bereiken van een tweede knooppunt in dit grote net, dat het totaal van het geschapene
omspant, is een deling van het leven met anderen. Iets dichter bij de totaliteit van het
Goddelijke te komen. Vrienden, voor U klinkt dat misschien wat vreemd, wanneer ik U zeg:
"Neem maar een beeld, wanneer het maar het mooiste is wat je je kunt voorstellen. Toch zit
er iets in, want wat is voor ons schoonheid? Schoonheid is hetgeen, wat met ons wezen
volledig harmonisch is. Schoonheid is dus ook voor ons een vreugde. Schoonheid is iets
weldadigs. Juist het weldadige, het een ogenblik verzinken in het schone, kunnen wij
gebruiken om deze vreemde onbegrijpelijke God toch naderbij te komen. Wij dringen in één
facet van Zijn Wezen door, een facet, dat volledig harmonisch is met ons zijn. Wij spreken met
de God, die in ons is, met geen andere. De God, die in ons is. Hoeveel woorden wij daar ook
voor gebruiken, dat kunt ge alleen ervaren. Het is mij onmogelijk om ook maar een klein beeld
te geven, van wat dat betekent. De God, die in je is. Dat is meer dan je hele leven. Het is
meer dan alle vreugde, die je kent. Het is meer dan je hele weten, het is meer dan je hele
geestelijk bestaan. Het vreemde is, wanneer je in contact komt met die God, dan voel je dat,
dan weet je dat, dan doordringt je dat. We zoeken niet voor niets naar die God. Daar is een
reden voor. Een hele grote. Nu gaan wij weer een ogenblikje naar het abstracte terug. Nu ligt
daar de wereld, het Heelal uitgespreid en dan denken we aan God, die speelt met de sterren
en zijn voet zet op de maan, maar het zegt ons niets. Het is voor ons net zo iets als symbolen
van de Waterman, Scorpio, de Steenbok, Taurus of de Tweeling, de Weegschaal: de beelden,
die de Ouden in de sterren aan de hemel zagen. Een vreemde reus zonder meer. Het Ledige,
het zwarte is meer God dan de beelden of sterren daaruit geboren. Toch zien wij alleen de
sterren. Alleen maar de sterren, zoals we alleen maar de verschijnselen zien. Hoe moet dát
machtig wezen, deze oneindige kracht, die ons Al draagt en doordesemt, ons zien. Niet zien
zoals wij natuurlijk, maar ik kan mij voorstellen, dat God een wezen is, samengesteld zoals
wij. Een eenheid zijn we. U bent ook een eenheid. Uw lichaam is een eenheid, nietwaar, en
toch zijn er allemaal verschillende delen in die allen te samen spelen op wonderlijke manier en
gij denkt er vaak niet aan.
Maar er kan een moment komen, dat intens de kracht van het Goddelijke in U doordringt en
op dat moment denkt als het ware God speciaal aan U. Zoals soms de emotie in Uw wezen een
bepaald deel van Uzelf met nieuwe vitaliteit, met kracht, met stuwend bloed vult, tot het
verzadigd is. Zo is God met ons ook. God geeft ons ook tot verzadiging toe Zijn Kracht,
wanneer Hij aan ons denkt. Ik geloof niet, dat Hij zich van ons wezen, als eenheidje zonder
meer, bewust is. De persoonlijke rechter, de strenge persoonlijke rechter, ach, die bestaat
niet. Maar wel bestaat het Wezen, waar wij deel van zijn. Het Wezen, waaraan we moeten
gehoorzamen, of we willen of niet. Het Wezen, waaraan wij nooit kunnen ontvluchten, omdat
we buiten dat Wezen niet kunnen bestaan. Dit machtige, dit wonderlijke, dit krachtige kan ons
redden voor alle uit werping, ondergang en verdoeming. Dit machtige weten, deel te zijn van
God kan ons redden van alle vertwijfeling. Ik zeg het niet alleen voor U. Ik zeg dit, omdat er
ook anderen bij zijn. Wat er ook gebeurt, het gebeurt in God. Waar het ook gebeurt, het
gebeurt in God. God, het raadsel, daar kunnen wij over filosoferen. Het Ledige tussen de ster-
ren, het lijkt een zwarte vlek, waarop zich niets aftekent. Wie er in door zou dringen, zou
miljoenen jaren kunnen reizen met de snelheid van het licht en nog het einde niet vinden,
want in het duister is zeer veel. Het wonderlijkste is, dat uit dat duister het licht geboren
wordt, er is geen twee-eenheid. Er is geen Goed en Kwaad als worstelende waarden naast
elkaar te stellen. Er is alleen maar duister. De ruimte die onbegrijpelijk is, die je niet kunt
doorschijnen, daarin zien wij dan de punten van het gevormde leven, de ster. Leven, een
lichtende kracht. Zeker, maar een lichtende kracht, die alleen geboren wordt doordat de
krachten, die in dit vreemde ledige duister geborgen zijn, samenvloeit voor één moment op
één punt. De ster kan ondergaan. Ze kan worden tot een duister element, dat voortzweeft op
zonderlinge banen door de ruimte. Maar de ruimte blijft. God blijft, altijd. Wij kunnen komen
en gaan. Wij kunnen onze wegen zoeken. We kunnen onze krachten ten volle gebruiken. We
kunnen ze misbruiken in de verborgenheid van zelfzuchtig denken. Maar wat we ook doen,
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

God blijft. God is het enige, wat je niet kunt verslaan. God is het enige, dat je overal vindt,
waaraan je niet ontvluchten kunt. God is een Totaliteit. Onbegrijpelijk. Dan denken we, dan
zoeken we en gaan onze wegen, verkondigend onze wijsheid. We spreken onze woorden. We
denken, dat we veel zijn. Vreemd, in ons is iets, dat meer is dan wij. Hier bedoel ik niet, de
God in ons, maar alleen het feit, dat wij bestaan, dat wij in de ruimte bestaan, dat wij leven.
Er bestaan voor ons wetten. Wetten, die niet alleen van buiten af komen, die even goed in ons
rusten. Een wet, die je niet verwerpen kunt, omdat ze in je leeft. Je kunt er hoogstens tegen
zondigen. Deze wetten zijn de dingen, die ons het dichtst brengen bij het werkelijk Goddelijke,
bij de werkelijke kracht. Wie tegen deze wetten zondigt, d.w.z. bewust de gedachte aan die
wet van zich zendt om zijn eigen weg te gaan zal daarvoor zeer zeker zijn boete moeten
betalen. Die zal daarvoor voelen de kracht, die hem ketent. De kracht van de wet, die in hem
is en niet een God buiten je, die wil straffen. Een wet in je, want wij zijn deel van God. Wij
kunnen niet iets handhaven, dat tegen het Goddelijke indruist. Wij kunnen het een ogenblik als
een goochelspel produceren. U kunt het een ogenblik naar voren brengen, maar we kunnen
het nooit handhaven: het gaat met ons ten onder. Het verbleekt en het vervaagt, alsof het
nooit geweest ware, omdat het alleen maar een gedachtespel is. Gedachten van een mens, die
niets in werkelijkheid kan scheppen, dat niet reeds in God geschapen is. En toch willen wij
gaarne in ons zelf scheppen. Want één van de wetten uit God in ons voortgekomen zegt ons:
"Gij zult voortbrengen, gij zult scheppen, gij zult iets nalaten, gij zult iets doen, gij moet iets
bouwen, gij moet iets bereiken. De Goddelijke wet is de wet van bewustwording, die in ons
doordringt, altijd weer, die ons doorspeelt en drijft tot het oneindige. En of wij die nu richten
op de tegenwoordige Boogie-Woogiewaanzin, op muziek, filmsterren, beroepsvoetballers, of
dat we ze richten op het esoterisch geheim, de kracht, die ons stuwt, is dezelfde. Wanneer we
die kracht goed gebruiken, kan die kracht in ons een onnoemelijk denkbaar bewustzijn
plotseling openen. We denken dat ons bewust zijn een vingerhoed is, maar er vloeit meer
water in deze ene vingerhoed, dan vloeien kan in een wereldzee. Het oneindige in ons als wat
maakt ons groot, terwijl wij klein lijken. Wanneer we deze krachtbron aanboren, wanneer we
deze wetten in ons zelf realiseren, komen wij vanzelf tot een beeld van God, dat acceptabel,
aanvaardbaar is. En wij weten, dat het nog niet de werkelijke God is. Toch aanbidden we geen
afgoden en we zeggen alleen: "Ziet, lang hebben we gezocht en lang zijn we gegaan een weg,
maar de Waarheid wijkt, wijkt steeds verder tot wij weten, dat wat wij waarheid achtten, waan
is en wat wij waan achtten, waarheid wordt. Wij hebben het waan geacht, omdat wij de
volheid daarvan niet kenden, omdat wij de waarheid waar dachten te zijn, omdat zij ons
volledig leek. Helaas, zij was slechts een schim, uit onze gedachten gevormd. Ik hoop, dat U
me nog steeds kunt volgen?
(Onverstaanbare vraag).
Dan zijn we hiermede, tenminste voor een deel tegemoet gekomen aan Uw behoefte. Ik ben
daardoor een klein beetje, dat wil ik eerlijk toe geven, uit het spoor geraakt, d.w.z. dat ik dit
onderwerp wat anders heb behandeld en aangevat, dan ik oorspronkelijk wilde doen. U zult mij
echter hopelijk billijken, dat het beter is af te gaan op de gedachte-uitstraling van U en de
problemen die in U leven, dan ons te stram en te straf aan een nu eenmaal vastgelegd
studieschema te houden. En nu geloof ik, vrienden, dat U, voorlopig althans, voldoende stof
tot overpeinzing heeft gekregen, wanneer de mogelijkheid U wordt geboden, zou ik U willen
vragen, bestudeer, wat we hier gezegd hebben. Zoek het na, verwerp al datgene, dat U
onaanvaardbaar is. Zoek voor Uzelf de juwelen eruit, die voor U een verklaring zijn van Uw
eigen leven en denken. Zoek de krachten, die Uzelf kunnen stimuleren in de richting van het
goede, opdat de God in ons voor U een werkelijkheid moge worden. Een werkelijkheid, die
verder en verder gaat tot zij ons gezamenlijk eens brengt tot de algemene voleinding. Een
volgende maal zullen we nogmaals terug moeten keren tot dit en het voorgaande onderwerp,
maar ik hoop, dat U mij thans verder zult excuseren. Nog een kleine bemerking, voordat ik
afscheid neem. Ik heb enige proeven genomen met U, vooral met suggestieve krachten en ik
ben erg dankbaar, dat het gemiddelde resultaat zo goed is geweest. Goeden avond.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

2E GEDEELTE

Goeden avond vrienden, Wie komt er met een onderwerp uit de hoek?
Zoudt U dan willen spreken over de bedoelingen van God ten opzichte van de mens?
Ik wil er wel over spreken, maar de afspraak was, dat U zelf even zoudt zeggen, wat U er over
denkt.
Ja, dat is slechter. Ik had me niet geprepareerd. U had gevraagd, over een onderwerp en
het is me werkelijk ontgaan, dat ik mij eerst moest prepareren. Zal ik me dan
terugtrekken?
Nu, het is niet nodig, hoor, tenzij een ander zich wel geprepareerd heeft natuurlijk, die heeft
de voorrang.
Ja, ik wil dit onderwerp niet torpederen, ik zou zeggen, laten we het onderwerp maar
houden.
Ja, maar dan zullen we nog een keer heel goed iets afspreken, dat is dit: Het is hier niet alleen
de bedoeling, dat wanneer wij een onderwerp vragen, dat U een onderwerp stelt. Het is juist
de bedoeling dat Uzelf een onderwerp overweegt, U daar een mening over vormt, nietwaar, en
deze mening in het kort, U kunt 5 minuten nemen als spreektijd, uiteenzet. Ook voor de
anderen. De kwestie is n.l., U bouwt voor Uzelf veel meer op dan ik zo voor U op kan bouwen.
U moet Uzelf inleven in het onderwerp. U heeft nu wel een hele hoop gedachten over de
bedoeling van God, en U vindt er heel rare knepen in zitten,
Zoudt U dan willen beginnen? De volgende keer doe ik het beter.
Met zo'n verontschuldiging kunnen we niet anders doen dan beginnen. Maar ik blijf er nog
even bij, het is dus niet voor U nu, met U heb ik voor het ogenblik afgehandeld. Wij hebben
een akkoordje zo onderhands, maar we praten er verder niet over. Wanneer iemand komt dus
met een onderwerp, alstublieft heel graag een kleine samenvatting. Denk er eens over na. U
weet toch heus van te voren, wanneer die avond is en dan komt U zo in de loop van zo'n
maand wel eens wat tegen. Schrijft U eens op. Dat is nu een aardig onderwerpje. Eens
opschrijven. Het briefje legt U natuurlijk ergens neer, waar U het niet vergeet en waar niet een
ander het voor U wegmaakt. Dan gaat U er eens over denken en den zegt U: "Wat denk ik er
zelf van?" Dat schrijft U dan even op. Komt U hier, dan hebt U het alleen maar voor te lezen.
Nu gaan we dan even spreken over: DE BEDOELING VAN GOD. Ja, als ik zo moet peilen, wat
deze vriend zou zeggen, aan zou je zeggen, wanneer God een denkend wezen is, dat wil ik nu
wel accepteren, waarom doet Hij dan zoveel gekke dingen. Als God met al die dingen een
bedoeling heeft, waarom doet Hij het dan op zo'n manier, dat wij het niet uit kunnen vinden.
Want het gaat er zo nu en dan wel erg raar en gepeperd aan toe in de wereld. Je komt steeds
weer voor situaties te staan, waarin je je afvraagt: Waarom eigenlijk en hoe moet dat nu? Als
er nu een God is, zou Die daar dan niet een methode op kunnen vinden?" Ik geloof dat ik zo al
een deel van de vraag heel aardig heb weergegeven.
Inderdaad, zeer juist.
Nu kijkt U eens. De bedoelingen van God. Wat zou God bedoelen? Hij heeft een schepping
voortgebracht. En die schepping, die heeft Hij natuurlijk niet voortgebracht alleen maar voor
de aardigheid, voor de leut. Dat doe je niet. Je gaat niet zo maar iets scheppen om het later
weer heel gezellig in elkaar te laten trappen door de wezens, die je erin loslaat. Dus God moet
een bedoeling hebben gehad met deze wereld, die in den beginne, waar alles uit Hem
voorkomt, met Hem in onmiddellijk verband stond. Dat met elkaar in verband staan zie ik dan
als volk: God schiep om Zichzelf aan Zichzelf te uiten. Dat is punt één. Dus God wist wel, wie
Hij was, maar Hij wilde Zichzelf beschouwen. En als U over Uzelf gaat denken, gaat U ook U
zelf voorstellen, wat U eigenlijk bent en dan kom je zo tot een conclusie: Zo moest God
Zichzelf uiten en Gods denken, is scheppen. Zo kwam de Schepping dus tot stand. Toen heeft
God gezegd: Ja, maar als ik nu alleen dit alles als een harmonie, als een eenheid beschouw -
tenminste ik stel het me zo voor - ik heb niet met Hem hoogst persoonlijk erover gesproken en
ik dat alleen maar in harmonie beschouw, dan zie ik wel het grote geheel, maar ontgaan me
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

alle kleine aspecten. Laat ik nu eens een aantal schepselen maken, die wel zelfstandigheid
hebben. En toen heeft Hij dan de Grootmeesters van het Licht geschapen, de Aartsengelen, de
Tronen, de Heerschappijen. Nadat Hij dat allemaal had gedaan, zei Hij tegen zichzelf: Ja, dat is
allemaal wel aardig, maar dit blijft nog steeds harmonie: Ik heb nu die harmonie in wat delen
onderverdeeld, ik kan wat van de samenstelling ervan zien, maar om nu werkelijk tot een
volledige realisatie te komen, dat lukt me niet. Hij heeft gedacht: Ja, dan moet ik iets groters
doen. Nu moet ik een wezen scheppen uit mijn eigen kracht, dat ik volledig onafhankelijk
binnen mijn Wezen, volgens de wetten van mijn Wezen een aantal besluiten laat nemen,
waardoor tegenstrijdigheid ontstaat. Ik moet dus scheppen in mijn Wezen en uit mijn Wezen,
een wezen..... - er zijn een hele hoop wezens, hoor, maar het eerste is een Goddelijk Wezen -
dus het Goddelijke Wezen schept uit het Goddelijke Wezen of uit het Goddelijke een Wezen,
dat wel uit de Goddelijke kracht is opgebouwd, dat beperkt wordt door de wetten van het
Goddelijk bestaan en de Goddelijke kracht, maar dat toch een eigen wil heeft, een
mogelijkheid om tegenstrijdigheden te scheppen. Om zo tegenstellingen tot stand te brengen.
De wet der overtreding bedoelt U toch?
Nee, overtreding kun je niet zeggen.
Afzondering dan?
Ja, een afzondering. Het is absoluut wel een splitsing, in ieder geval, want deze geesten, die
we voortaan maar de mens zullen noemen, deze mensen dus, staan tegenover de Engelen in
dit punt: de mens is niet geschapen in de Goddelijke harmonie zonder dat hem de
mogelijkheid werd gegeven om ook uit zichzelf tot bewustzijn te komen. En dat vindt U dan in
het bekende verhaal van de "Tuin van Eden", weet U wel. Er was een boom en een verboden
vrucht en de mens had de vrijheid om haar al of niet te eten. Alleen hij moest de
consequenties ervan aanvaarden. Er was n.l. geen wet, die zei: "Je moet die vrucht niet eten".
Er was geen wet. Alle vruchten waren er om te eten. Maar er werd iets aan vastgeknoopt.
Wanneer je van die vrucht eet, dan verbreek je het verband tussen jezelf en Mij, je God.
Heeft Jesaja het zo gezien?
Ja, d.w.z. Jesnja II, hoor. Jeseja I, die heeft het enigszins anders benaderd, want er zijn
meerdere Jesaja's, maar ja, ze heten één boek. Op deze wijze komt de mens dus tot een
zelfstandige daad, waarbij hij zich buiten het Goddelijke stelt in zijn eigen bewustzijn, dus
alleen in het menselijk bewustzijn. God wandelt nog steeds met de mens. Maar de mens
wandelt niet meer met God. Snapt U de tegenstelling? Daar begint eigenlijk het hele verhaal.
Maar was het niet de bedoeling van God, dat de mens zijn bewustwording kreeg om vanuit
die eerste bewustwording steeds verder te gaan tot een volledig bewust worden en weer zo
naar God toegroeien?
U spreekt een slotwoord, ik ben pas aan het begin. Ik moet het eventjes ontwikkelen. Stelt U
zich voor, dat ik het in twee woorden af deed. Wat zou ik de rest van de tijd moeten doen? En
ik wil natuurlijk tot een logische ontwikkeling komen, juist in verband met de bedoeling van
God. Nu stel ik als beginwaarde, de mens, die de vrijheid heeft om te zondigen: dus een kant
uit te gaan, die hem afleidt van het Goddelijke in zijn bewustzijn. Is het de bedoeling Gods,
dat dit tot stand komt? Ja, want als het Gods bedoeling niet was geweest, dat dit tot stand zou
komen, dan zou Hij logischer wijze - God is al-wetend, nietwaar, zelf-voortbrengend - die
mogelijkheid niet geschapen hebben.
Dus dan is het ook geen zondigen?
De mensen noemen al datgene zondigen, wat tot hun eigen nadeel uitvalt. Het is een heel
eigenaardig iets. Moet U maar eens opletten. De mensen noemen al datgene zondigen, wat ze
zelf niet prettig vinden of wat degene, die ze wijzer of machtiger achten, niet prettig vindt. Dat
is zonde. Enfin, dat zondigen, dat zullen we er maar buiten laten. Maar die eerste mens beging
dus een stommiteit. God had alle voorwaarden zo gesteld, dat het haast niet anders kon, want
de begeerte tot weten had Hij in de mens geschapen. De mogelijkheid tot verleiding had Hij
geschapen door het object, de boom in kwestie met zijn vruchten, plus de bewustzijnskracht,
in dit verhaal de duivel in de vorm van de slang en de slang in de vorm van de duivel. Laten
we niet vergeten, dat beiden uit God zijn voortgekomen. Dus het was Gods bedoeling.
Dus het was geen stommigheid, want ze wisten wel degelijk, wat God van hen verwachtte?
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

Neen, dat wisten ze juist niet.
Ze deden precies, wat God van hen verwachtte.
Inderdaad.
Dus het was geen stommigheid.
Van God niet, van de mensen wel. Hadden ze die stommiteit niet uitgehaald, dan zat U nu nog
in het aards Paradijs. Stelt U zich eens voor! Aards Paradijs! Geen ziekte.
Wanneer is het begrip Goed en Kwaad ontstaan?
Op het ogenblik, dat de mens in zichzelf gedeeld werd, tussen zijn weten en zijn leven. Dus
het is heel eenvoudig. Op het moment, dat er een verschil komt tussen wat U denkt en wat U
instinctief doet, heeft U het verschil tussen Goed en Kwaad.
Viel dat gelijk met wat wij dan de zonde van de Aartsengel noemen?
Neen, dat is eigenlijk gelijk met de zonde in het Paradijs, als je dat zo Bijbels wilt uitdrukken.
Want voor die tijd, de val van de Aartsengel is op zichzelf geen zonde, dat is ook iets
eigenaardigs. Het is alleen het stellen van een tweeledigheid in de Schepping, om dat alleen
tussen twee polen een harmonie zich toch uiten kan. Als een harmonie n.l. geen tegenpool
heeft, dus geen weerklank kan vinden kan ze zich niet uiten.
Of ik het begrijp of niet, dat komt er op het ogenblik niet op aan.
Voordat ik klaar ben, denk ik, dat U het wel begrijpt. Tenminste, hoop ik, hoor, misschien
overschat ik mijzelf. Maar ik geloof toch niet, dat ik U onderschat, dus in dit geval, zal het wel
gaan. Om nu eventjes terug te komen op het verhaal zelf. Gods bedoeling was dus inderdaad,
dat deze uiting tot stand kwam. En op dat moment, kwam het grote verschil voor de mens
hieruit voort. Tot op dat moment had hij geleefd met God, d.w.z. volledig volgens alle wetten
der natuur, Volgens alle wetten, die hem ingeschapen waren, zonder zich er druk over te
maken, waarom die wetten bestonden, zonder zich af te vragen, of het ook anders zou
kunnen.
Hij was dus niet in strijd met zichzelf. Op het moment nu, gesymboliseerd door het eten van
de vrucht, vergrijpt deze mens zich voor de eerste keer tegen zijn ingeschapen wet en instinct.
Hij gaat dus verder denken dan hij tot nog toe gedaan heeft. Daardoor komt hij tot een
handeling, die met zijn vorige bestaanswaarden in strijd is. Er staat nu wel, dat er een Engel
kwam, die de mensen uit het Paradijs dreef, maar vindt U dat wel redelijk? Want God is Liefde,
God is Goedheid, God is de Schepper. Zou God nu werkelijk een Engel met een vlammend
zwaard naar beneden sturen. Ik zou zeggen, als Hij werkelijk zó boos was geweest, dan had
Hij eenvoudig het Paradijs kunnen doen verdwijnen. Ik denk ook wel, dat dat gebeurd is. Niet
zoals de mensen het zich misschien voorstellen, met een daverend geweld en het verzinken
van een geheel land, maar heel doodgewoontjes. Op het moment dus, dat de mensen met
andere ogen hun omgeving zagen, veranderde de totale waarde van wat zij zagen. Tot op dat
moment waren zij wezens van vrede geweest. Voor hen waren dus alle dieren vreedzaam. Ik
geloof dat de leeuw alleen bij het lam lag, zolang als de mens aanwezig was en dat buitendien
de dierlijke ontwikkeling zijn eigen gang ging. De mens was echter overheersend. Is het nu
nog. Een mens met een sterke wil kan op het ogenblik nog de dieren beheersen, alleen met
zijn ogen al, indien het nodig is, maar de meesten zijn bang en als je angst hebt, gaat het niet
meer. De eerste mens had geen angst, was dus volledig in harmonie met zijn gehele
omgeving. Als er een slang kwam, nu ja, dan keek hij eens naar dat beest en dat beest keek
eens naar hem.
Hij kende hem ook niet in al zijn hoedanigheden.
Hij kende de hoedanigheden niet, dat zegt U heel goed. Hij kende het wel, maar hij kende het
niet in zijn eigen wezen. Dat is nu juist het grote verschil, dat hier naar voren komt. Nu is het
natuurlijk Gods bedoeling geweest dat dit zou gebeuren, want anders had Hij het niet zo
geleid, dat het kon gebeuren. Maar als Hij dit heeft gewild, is het dan redelijk om aan te
nemen, dat God de ellende op aarde heeft gewild? Ik geloof het niet, want God heeft de mens
met zijn bewustzijn de mogelijkheid gelaten om te ontvluchten. Te ontvluchten aan de ver-
deeldheid in zichzelf om weer tot vrede te komen. Het eigenaardige is, dat de enige mens, die
dat doet in de eerste fase, Abel, onmiddellijk door zijn broeder Kaïn wordt doodgeslagen. Het
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

is niet zo, dat God de mens de kans tot verdediging niet heeft gegeven. Het is helemaal zijn
bedoeling niet om U daarvan terug te houden. Maar Uw medemensen zijn niet geneigd om Uw
contact met het Goddelijke te accepteren. Op het moment n.l., dat U in contact komt met het
Goddelijke, wordt het voor U weer een Paradijstoestand. Dan bent U in het Paradijs, met dit
verschil, dat U nu de geaardheid der dingen kent en ze beheerst. Ter wijl U vroeger door niet
kennen en niet begrijpen het totaal van het leven langs U heen liet gaan, U zag het eenvoudig
niet. Op dat ogenblik zie je het wel. En nu is de grote moeilijkheid voor de mens om te
begrijpen, waar het verschil schuilt tussen Gods bedoelingen en zijn eigen leven. Die mens
zegt: "Ja maar als God werkelijk Liefde is, waarom laat Hij dan oorlog toe? Waarom dan giftige
dieren? Waarom dan dieren, die elkaar verslinden? Waarom al die wreedheid in de natuur?
Fout gezien. Die wreedheid is er niet. En die oorlog, die wordt niet geboren uit Gods
bedoelingen. Zijn werkelijke bedoeling is, dat de mens tot bewustzijn van het Goddelijke
wezen komt. Buiten het Goddelijke om. Het kan natuurlijk niet, wat ik hier zeg: buiten het
Goddelijke om: maar buiten de onmiddellijke Goddelijke lijn om. En wanneer een mens dit
presteert, dan staat hij op een heel nieuw peil. Laat ik nu eens een voorstelling geven: U bent
gewend om elke dag copieus te dineren. Ik zeg niet, dat U dat doet, maar neem eens aan. U
heeft het Uw hele leven gehad. Kunt U dan werkelijk de spijzen nog waarderen? Neen, U weet
niet, hoe goed die spijs is, om de eenvoudige reden, dat U nooit honger gekend heeft. Het is
pas de honger, die je werkelijk de spijs doet waarderen. Zo is het ook het leed, dat je het
geluk doet waarderen. Als je gelukkig bent, dan voel je je nog ongelukkig, omdat je je
voorpraat, dat het nog beter zou kunnen zijn, dan ben je ontevreden. Wanneer je niet
ontevreden bent, dan ben je, zoals de wereld zegt, maar een zucht en een sukkel, want dan ga
je rustig je eigen gangetje: er gebeurt niet nieuws en in dat sleurtje, ben je misschien eigenlijk
nog niet eens tevreden.
Je hebt alleen zoveel vrede, dat je er niet aan denkt om je ontevredenheid uit te drukken,
begrijpt U? Zo zijn al die andere wezens, die opgenomen zijn in het Goddelijke en daar in
onmiddellijk contact mee bestaan natuurlijk volledig aan het Goddelijke geketend. Zij kunnen
zonder het Goddelijke niet bestaan, maar zij kunnen zich ook het Goddelijke niet realiseren: zij
hebben het altijd gehad. Zij weten niet wat het is. En nu komt daar die arme mens aan, rijker
dan menige geest, die op het ogenblik door de mensen hemelhoog verheven wordt, aanbeden.
Al die hoge geesten zijn in onmiddellijk contact met het Goddelijke, zij zijn gelukkig op hun
wijze, maar zij kunnen nooit komen zoals de mens, tot een proeven van de diepste afgrond
van leed en daardoor het reëel en volledig ervaren van het hoogste geluk. De mens beleeft, de
geest ondergaat. Als je iets kunt beleven, dan moet dat betekenen, dat je een zelfstandig
denkproces kunt hebben, dus dat je een realisatie bent van iets, dat je je iets realiseert. Twee
dingen: je bent ergens een realisatie van en je realiseert het. Waarvan kunnen wij de realisatie
zijn? Dat is uit de aard der zaak van de Schepper, die ons realiseert. Maar in ons moet dan
zijn, de realisatie van de Schepper. Wat zou de bedoeling Gods zijn geweest, toen Hij de mens
schiep? Zich te spiegelen in Zijn schepping. Is dit acceptabel? Nu dan gaan we van daaruit
verder. Waarom heeft dan de mens zoveel leed en zoveel kwaad en zoveel ellende? Omdat de
mens als zodanig verkeerd tegenover het leven staat. Het is nooit de bedoeling geweest, dat
de mens meer zou bezitten dan voor hem nodig was, dan om op dit ogenblik in zijn
levensonderhoud te voorzien. Maar de mens heeft gezegd: "Ik wil niet alleen voor vandaag en
morgen alleen maar gedekt zijn, maar voor de vijfentwintig jaar. Of misschien zelfs nog voor
een paar honderd jaar voor het nageslacht. Daar heeft die mens een spanning opgewekt,
tegenover andere mensen. Er is voor ieder net genoeg om te bestaan en dat blijft het.
Vandaag aan de dag in de wereld ook, hoor, want als de mensen eerlijk zouden zijn en ze
zouden eerlijk met elkaar willen delen, dan zou er voor iedereen een redelijk levenspeil zijn
met voldoende voedsel, maar voor niemand luxe, voor niemand een bezit, wat hij na kon
laten. En dat wil de mens juist hebben. De mens eist meer dan hij nodig heeft. Doordat hij
meer eist, dan hij nodig heeft, komt hij altijd in strijd met een ander, want er is precies
genoeg voor iedereen. Hij moet dus een ander iets te kort doen. Doordat die ander iets te kort
wordt gedaan, hij zich eerst, wat hij vroeger gehad heeft en kan hij gaan aanvoelen wat die
ander nu bezit en waarom hij het wil hebben. Daardoor komt nu eigenlijk oorlog in de wereld.
De eerste oorlog kwam in de wereld, toen er een stukje vruchtbare grond was en twee
mensen, die de landbouw dreven. De een had steenachtige bodem, de ander had vruchtbare
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

bodem. Het was een kwestie van geluk. Degene, die op de goede bodem zat, zei: "Nu ja,
broeder, als je oogst slecht uitvalt, kun je van mij nog wel wat krijgen." "Nee", zei degene, die
op de slechte akker zat, ik wil die grond hebben, “want wat ik van jou krijg, is maar krijgen,
moet ik maar afwachten. Maar wat ik heb, dat weet ik zeker". "Nu ja", zei die ander, "daar
begin ik niet aan. Ik heb die akker zelf nodig". Toen nam die andere boer een stevige steen op
en werd toen algemeen erfgenaam van de man met de goede akker.
Dus zo ontstond er de begeerte?
Inderdaad. De begeerte moet ook weer in de bedoeling Gods gelegen hebben. Niet de
uitvoering van de begeerte, maar de begeerte zelf. Wanneer we het nagaan, dan blijkt dat,
mits de begeerte juist gericht wordt, hierdoor juist het Goddelijke bereikt wordt. We zouden
aan kunnen nemen, dat God de begeerte aan de mens heeft gegeven in de weten schap, dat
hij daardoor één keer tot het Goddelijke terug zou keren. Ook al weten wij, mensen en
schepselen en geesten niet, wanneer. Elk ding, dat bestaat heeft zijn tegendeel. Kijk maar
naar een atoombom. Die krachtbron, die de wereld rijk kan maken en een dreiging, die de
wereld kan vernietigen, nietwaar? Zo is het met alle dingen. Elk ding, dat wij stellen als
positief kan niet bestaan, of het moet evenwichtig zijn, dus het moet een negatief tegendeel
hebben. Zo is het met die begeerte nu ook. Was die begeerte om het Paradijs, dus om de
toestand, bewustzijn met God, teruggevoerd geworden, dan was het Paradijs heel gauw door
de mensen gevonden, maar die mens dacht aan wat anders. U weet wel, Kaïn. Hij dacht aan
aanzien, eer en bezit. Hij ging eraan denken, hoe hij over de anderen de baas kon spelen enz.
Dat is nu juist het kritieke moment, want zolang de mens iets begeert ten koste van een
ander, in plaats dat hij van zichzelf begeert om tot een vervulling te komen van zijn begeren,
dat uiteindelijk betekent, volmaakt geluk en vrede, daar verlangt hij naar. We verlangen naar
geluk, verlangen naar vrede. Wie die twee dingen heeft, die eigenlijk ook nog identiek zijn, nu
ja, die heeft verder niets nodig. Maar de mens, die streeft ernaar op een verkeerde manier.
Die denkt, dat je geluk en vrede kunt vastleggen in macht en in bezit. Hij heeft zich zo aan die
denkwijze gewend, dat daardoor voortdurend strijd ontbrandt, tussen degenen, die de gelijke
dingen begeren. Of er nu twee jongens zijn, die een partijtje gaan vechten, omdat ze hetzelfde
meisje begeren, of dat het 2 staten zijn, die met elkaar gaan vechten, omdat zij de su-
perioriteit, of de grootste afzetmarkt of iets dergelijks begeren. Het blijft hetzelfde. God wist
dat wel. Voor God is dit allemaal zo onbelangrijk: Gods bedoeling is, dat de mens en niet
alleen de mens van deze aarde natuurlijk, maar al datgene, dat een intellect heeft, een geest
heeft, dat dat allemaal tot Hem Zal komen. Dat het voor zich zelf eerst a.h.w. schept het aards
Paradijs: in het aards Paradijs opnieuw wandelt met God en vandaar opstijgt tot in de hemel -
onsterfelijk - geworden. Begrijpt U? Dus zonder ziekte of dood. Dat is de hele bedoeling. Nu
zegt de mens van zijn standpunt uit - ja, hij beziet het maar een ogenblikje - ach en nu is er
weer een mens dood en een ramp en een orkaan en waarom moeten er nu zoveel gevaren zijn
in de wildernis en waarom zijn er schorpioenen en waarom zijn er muggen? Ja, de dieren zijn
er altijd. Ze zijn er, omdat ze deel uitmaken van het evenwicht van de natuur, van de
Schepping: de mens echter leeft in die natuur op een onnatuurlijke wijze. Hij verstoort dus de
harmonie. Zo krijgen we in plaats van de perfecte symbiose, de volledige tegenstelling tussen
al het geschapene. De mens zoekt dus het negatieve op. Vandaar kan hij ook verder gaan. Als
hij zo verder gaat, dan komt hij bij de negatieve God, dus bij de Chaos terecht. De Chaos is
ook vrede, omdat het "ik" als bewustzijn oplost. Dan bestaat er geen "ik" meer en waar geen
"ik" meer bestaat, daar kan ook geen lijden meer zijn.
Ook geen begeren, dus?
Neen, ook niet. Dan valt alles weg, dus absolute vrede en het absoluut geluk ook. Maar
onpersoonlijk. Terugval en vandaar waarschijnlijk door het stuwende principe, wederom
uitgaan. Maar dan kun je niet meer zeggen of je het zelf bent of niet, dat is net de..... van
lbsen uit de Peer Gynt. Wat goed is gaat ten hemel, wat slecht is gaat ter helle. Wat zo
middelmaat is, dat giet ik wel. Wat overigens niet van Ibsenis, die schande wil ik hem niet
aandoen.
Mag ik U een gewetensvraag stellen? (Ja). U heeft steeds gesproken over het Paradijs, over
die twee mensen, over Kaïn en Abel. Kunt U aannemen, dat God die twee mensen gelijk
geschapen heeft? (Welneen). Daarom stel ik U die vraag.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 2 – 11 november 1954

Als we weten, wat er achter schuilt en de meeste Uwer kunnen wel weten, wat er achter
schuilt, achter deze frasen, nietwaar. Maar we gaan er vanuit, omdat het het perfecte
voorbeeld is. Maar U moet niet denken, dat diegenen, die dat geschreven hebben, dat dat
domme jongens zijn geweest. Zij wisten heel goed, wat zij neerschreven. Adam en Eva zijn
natuurlijk symbolen voor de mensheid en de boom is natuurlijk een symbool voor een zekere
kracht van bewustwording en de slang de uiting van een bewustzijn, dat zich buiten God
beweegt en dat beïnvloedend werkt.
Zijn goedheid en slechtheid beide subjectieve krachten?
Zeker, absoluut subjectief. Aardig voorbeeldje. De koppensnellers, die slaan Uw kop af. Zij
zeggen: "Hij heeft 20 koppen, dat is een groot en goed mens. Hij is edelmoedig tegenover ons
en heeft nog zoveel koppen afgeslagen! Dan komt de B.B., de ambtenaar van het
Gouvernement en die zegt: "Die vent is een moordenaar, die is slecht". Wie van de twee heeft
gelijk?
Nog een vraag, alstublieft. Wat nemen we mee, als we overgaan?
Ons bewustzijn.
Met alles wat erbij hoort?
Gelukkig niet. U neemt mee de totale geestelijke instelling, het geestelijke bewustzijn en de
geestelijke instelling wordt door gewoontevorming wel door het lichaam sterk beïnvloed. U
neemt een aantal lichamelijke gewoonten mee, maar waar deze niet een eigenlijk bestanddeel
van de geest zijn, kunt U ze prijs geven. Geeft U ze prijs, dan blijft er dus zuiver geest over en
leeft nu in een zuiver geestelijke sfeer. Doet U dit niet, dan kunt U in deze geestelijke sfeer
niet bestaan, met Uw waanbeelden. U moet U dus terugtrekken in een beslotenheid, in een
duisternis, waarin U dan probeert Uw begeerten na te gaan, maar waar U geen
vergelijkingswaarden meer heeft, blijft elk streven negatief. Dat kan nooit een verwerkelijking
geven.
Tijd, hoe bestaat het in de zin, waarin de mensen het beschouwen.
Nu als we dat eventjes in de gaten houden. Er is eigenlijk geen tijd. Het is allemaal gelijktijdig
en wat wij doormaken is een kwestie van bewustzijn eerder dan van tijdsverloop, in de zin
waarin wij het zien. Tijd is een waarde, die desnoods omgedraaid zou kunnen worden. Als ze
hier op aarde technisch knap genoeg zouden zijn, nietwaar, dan zouden ze een weg uit vinden,
daar loop je overheen en dan kom je tien jaar jonger eraf, dan je er op bent gegaan. Ook
lichamelijk. Het is allemaal mogelijk. Dus die tijd bestaat eigenlijk niet. Voor God is dit dus een
gelijktijdigheid. En het is niet wreed, in die sfeer gezien dus, wanneer Hij U een ervaring door
laat maken, wanneer Hij U gelijktijdig de volledige bewustwording geeft. Zijn bedoeling is Zich
te spiegelen in zijn Schepping. En als zodanig, dat de mens Zijn volmaakte Spiegelbeeld wordt.
En door dit te doen, geeft Hij de mens inderdaad zoveel grote en goede bewustwordingen, dat
al die kleine tussen fasen, die nodig zijn om er een spiegel van te maken, eigenlijk wegvallen.
Dat zijn maar kleine onaangenaamheidjes. Dat is het materiaal, waaruit de spiegel wordt
opgebouwd en waardoor de mens zelf het grote geluk bereikt. Wij hebben de tijdservaring,
daardoor lijkt het ons heel erg lang te duren. We lopen n.l. stukje voor beetje alle vakjes, die
er gelijk zijn, af. Doordat wij ze allemaal gelijk niet kunnen bevatten, of af kunnen lopen
zeggen we: "Nu wat duurt het lang". Dan hebben wij bovendien nog de onaangename
gewoonte, om de beroerdste hokjes het eerste te kiezen. Het is eigenaardig, hoe verder de
bewustwording gaat, hoe groter de innerlijke harmonie, hoe groter de gelukservaring, hoe
groter de vrede, hoe minder strijd. Dat wou ik nog even opmerken daarover. Was dat
voldoende zo?
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 3 – 9 december 1954

LES 3

Goeden avond, vrienden.
Allereerst zou ik graag willen weten, of er nog vragen zijn over hetgeen, wat de vorige maal
besproken is. (Stilte). Dan kunnen wij verder gaan. Zoals U weet, is het belangrijkste, wat wij
in de vorige onderwerpen hebben vast gesteld, dat de God in ons, geen andere God kan zijn,
dan de God, die wij in ons zelf geschapen hebben. Dit, omdat de grootheid van het werkelijk
Goddelijke voor om onbenaderbaar is en als zodanig redelijk misschien omschreven kan
worden binnen de beperking van ons denkvermogen, maar zeker niet emotioneel kan worden
benaderd. Terwijl juist de emotionele binding met de Godheid voor ons een noodzakelijkheid
is, willen wij komen tot die geestelijke verheffing, die geestelijke verlichting, die wij verlangen.
Ik geloof niet dat deze korte samenvatting iets tekort doet aan het voorgaande behandeld. Het
gaat er vandaag om vast te stellen, hoe wij dit Goddelijke in ons benaderen kunnen.
Uiteindelijk, wanneer er in ons een Godheid leeft en deze Godheid voor ons niet te benaderen
is, is het resultaat precies hetzelfde voor ons, wanneer die God er niet zou zijn. Wij moeten op
één of andere manier door kunnen dringen tot de kern van ons wezen, waarin wij het
Goddelijke kunnen vinden. Hierover hebben wij reeds gesproken. In dit geval spraken wij over
de krachten der ziel, die door de geest naar voren worden gebracht. Ik meen, dat wij zelfs kort
het probleem van geest en ziel hebben aangesneden. Indien wij echter op dit moment hier
verder over na gaan denken, blijft voor ons het belangrijke de God, die wij in ons kénnen, niet
die wij in ons drágen. Die wij in ons kénnen, dus de God, die wij ons zelf geschápen hebben.
Slechts als zodanig, kunnen wij die God geheel omschrijven, kunnen wij alle eigenschappen
van die Godheid in ons zelf doorleven en doorvoelen, kunnen wij ons realiseren, wat deze
Godheid voor ons en ons wezen betekent. Dat betekent verder, dat de stemmen van die God
identiek zijn met de stem van ons geweten. Er is nu eenmaal geen andere weg om nader te
komen tot de kosmische wetten. We kunnen de kosmische wetten accepteren of bespreken.
Dat zullen wij dan ook in het verder verloop van deze cursus doen. Maar wanneer wij met deze
God in ons zelf bezig zijn, blijft het bij de wetten, die in ons zelf bestaan. En deze Goddelijke
Wet, zoals U begrijpt, zal verschillen elke keer, dat een nieuw mens een Godheid in zich zelve
realiseert. Er kan dus geen gelijk gekende en beleefde Goddelijke Wet bestaan in het totaal
der mensheid. Elke God geeft zijn eigen wetten uit het individu, dat vorm aan Hem geeft. Op
het moment, dat wij met deze Godheid willen spreken, moeten wij ons terugtrekken in het
diepst van ons wezen. Wat spreekt dan tot ons? Is dat de Godheid zelve? Is dat het
Groot-Goddelijke, of is het alleen maar een gedachte? Wanneer wij met die God willen
spreken, kunnen wij er verzekerd van zijn, dat een groot deel van Zijn Stemmen uit ons
bewustzijn of onderbewustzijn voortkomt. Ik zeg dit niet, om U te ontmoedigen in Uw streven
naar het totaal Goddelijke, maar alleen als een redelijke verklaring van wat zich in Uw hart en
wezen af kan spelen, wanneer U God probeert te benaderen. Het is dus altijd zo dat elk
antwoord, dat God op Uw vragen geeft door Uzelf ook gegeven zou kunnen worden. Elke
oplossing, die Hij U biedt is gebaseerd op het totaal van weten en kunnen, dat in U leeft. En
waar blijft dan de God? Dit nu is het eigenaardige: op het moment, dat wij geloven aan die
God, die God voor ons werkelijk het scheppende deel van de wereld uitmaakt, voelen wij ons
verbonden met die God in zijn onvolledige voorstelling en deze God is toch de kern van ons
wezen. De kern van ons wezen is deel van de Al-ziel, die het Al doordesemt en door-ademt,
die Al creëert en Al in stand houdt. Wij spreken dus door deze God met ons zelf. Maar wij
verwerven door te spreken met deze kracht, met deze God mogelijkheden krachten, machten
bewustwordingen, die onmiddellijk uit het Groot-Goddelijke voort kunnen vloeien. Is dat
begrijpelijk?
Dus is er dan onmiddellijk verband?
Dan is er een onmiddellijk verband. Het onmiddellijk verband bestaat altijd, maar moet door
de persoon zelve beleefd worden, wil het kunnen komen tot een onmiddellijke uiting. Ik wil in
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 3 – 9 december 1954

dit verband niet verder ingaan op vele gebruiken, die er bestaan. Maar er zijn heel veel
methoden om het Goddelijke te benaderen. Elk voor zich zijn zij bruikbaar, zolang de
Gods-voorstelling, die op deze wijze benaderd wordt, emotioneel en niet redelijk benaderd
wordt. Is dat voldoende? Het contact met onze God is dus een contact, waar bij het redelijke
denken, tenminste zoals de mens dat beschouwt wordt uitgeschakeld. Wij kunnen die God niet
benaderen, zoals ik al heb gezegd, door alleen maar bezig te blijven met ons verstand. Wij
moeten a.h.w. onze God beleven en in dit beleven in Hem verzinken. Ook wanneer die God
maar een waanbeeld is. Op het moment n.l., dat in een werkelijk beleven van alle
werkelijkheids-realisatie, alle overwegingen, gebaseerd op het beperkte vlak van een bestaan
zijn weggenomen, krijgen wij een verbinding, een directe verbinding, zoals U reeds zei, met
het Goddelijke en leeft het Goddelijke in ons, zoals wij in het Goddelijke leven. De krachten die
hierdoor stromen zijn niet te analyseren met de rede. Zij zijn niet te rubriceren of te
classificeren of vast te leggen in zoveel erg of zoveel tiende P.K. Er valt alleen maar te zeggen:
er is een vreemde vitaliteit in ons, die van buiten ons komt en die door middel van deze
Godheid tot ons doordringt. Zolang wij deze God naderen in het besef, dat wij het goede, zoals
deze Godheid het voorschrijft en ziet, willen volbrengen, zullen wij ten alle tijde de positieve
kant van de Goddelijke kracht ontvangen. Ook wanneer de handeling tegenover de wereld in
Zichzelf negatief verschijnt, het gaat hier dus bij het bereiken er benaderen van het Goddelijke
niet in de eerste plaats om de betekenis van daad of handeling in de wereld waarin U leeft. Het
gaat om de betekenis van deze daad in Uw innerlijk. Hoe Uw eigen wezen het ziet. Hoe dichter
U komt tot de kernwaarde van Uw eigen bestaan, hoe dichter U Uw Godheid benadert. Dit is
geen axioma, geen straling, die U maar aan hebt aan te nemen. U kunt het zelf ervaren. In
elke handeling, in elke beleving voor het ervaren van het leven wordt achter gesteld, komt het
Goddelijke dichter tot U. Dit uit zich op allerlei gebied door de beschouwing van dingen,
schoonheidservaren, een ogenblik van stille bezinning ergens in de natuur in het contact met
medemensen, overal waar de gevoelswereld streeft naar het positieve en het lichtende, uit
zich de Godheid in ons. Komen wij nader tot die Godheid, dan kunnen wij deel hebben aan die
kracht. Nu komen er verschillende problemen, die niet onmiddellijk met het Goddelijke in
verband staan, maar in verband met het voorgaande toch wel belicht moeten worden. Ik hoop,
dat U daar tegen geen bezwaar heeft. Want wij moeten uitgaan van het menselijk standpunt
en het menselijk leven. U leeft op deze wereld. Deze wereld is stoffelijk. Al Uw emotionele
ervaringen, al Uw gevoelswerelden staan op enigerlei wijze met het stoffelijke in relatie. Zij
kunnen niet daar buiten worden gedacht. Als zodanig is het afwijzen van de stofwereld een
jezelf verwijderen van de God, die in je leeft. Je mag de stofwereld niet verwerpen.
Integendeel, wij moeten trachten haar zodanig te sublimeren, dat Wij datgene, wat wij van dit
leven verlangen, erkennen als het goede. Zeer nadrukkelijk wil ik dit herhalen: kan erkennen
n.l. het goede. Wij moeten dus weten dat het goed is, wat wij verlangen. Dan zijn wij er. Het
kan zijn het verwerven van bezit, het mag zijn het schenken of geven het kan zijn in elk
aspect, dat in het leven zich voordoet. Al deze aspecten gelijkelijk betekenen voor ons in feite
een geestelijke realisatie en bewustwording, zodat wij hierdoor de geestelijke kracht en de
Alkracht in ons benaderen en beleven kunnen. Dat kan nooit, wanneer wij blijven redeneren.
Wie dus in de stofwereld probeert zijn God te vinden en te benaderen, die zal, wanneer hij
geleerd heeft, gerealiseerd hoe hij zich of zij zich de Godheid in het wezen denkt.....
Hoe men denkt aan God. Zo nauwkeurig definiëren als mogelijk.
Dan kan die persoon aan de hand van zijn eigen wezen, zijn eigen persoonlijkheid uitmaken,
wat goed en wat kwaad is Dat geldt alleen voor die persoon, dat ben ik volledig met U eens.
Maar in het wezen gelden nu eenmaal alleen deze waarden als uiting van het bewustzijnsplan.
Heeft men goed en kwaad uitgemaakt, dan realisere men zich dat goed en kwaad de
tegendelen zijn, waarin de Schepping zich uit. Normalerwijze kunnen wij echter geen beleving
uit het volledige in ons zelf aanvaarden. Wij kunnen niet en positief en negatief in ons zelve
aanvaarden, tenzij wij zeer ver zijn doorgedrongen, niet alleen in de wetten van het Goddelijke
zelf, maar ook in de magische wetten, rituelen en praktijken, die er onmiddellijk mee
verbonden zijn. En zover zijn wij in deze groep nog niet gevorderd. Dus wij blijven zoeken
naar het positieve, naar de daad waarvan wij weten dat zij goed is. Elke onthouding van een
daad, die goed is, is negatief dus slecht. Het goed moeten wij nu nader definiëren Goed is al
datgene, wat in onszelf als goed wordt ervaren, onverschillig of het met ons persoonlijk
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 3 – 9 december 1954

(persoonlijke bevrediging zelfs) of met de buitenwereld, (dus het schenken van bevrediging en
vrede aan de buitenwereld) in verband staat.
Wanneer wij ons dit geheel gerealiseerd hebben, kunnen wij het totaal van ons leven zo
dirigeren, dat de negatieve krachten zoveel mogelijk worden uitgeschakeld, wij meer en meer
het positieve blijven doen en onze houding ten alle tijde, waar dan ook en onder welke
omstandigheden dan ook, zo positief stellen, dat elke daad, die wij volbrengen er een is van
negatie van onze wet, maar een volledige erkenning van hetgeen in ons leeft. Doen wij dat (dit
is een wet, die in de stofwereld nog sterker tot uiting komt dan in de geest, ofschoon zij ook in
de geestenwereld nog lange tijd kan gelden), nogmaals, doen wij dat, dan zullen wij hierdoor
een steeds inniger gebondenheid krijgen met de kracht van het Goddelijke in ons. Uit de taal
van onze daden spreekt de wil van deze God. Wij worden tot Zijn volledige werk- en
voertuigen. Misschien dat u nu merkt, waar ik naar toe wil. Misschien mag ik even een kleine
intelligentietest houden? Wie weet waar ik op aan stuur?
Dat wij onze God in ons leren kennen.
Ja, inderdaad. En waar leeft die God? Weet U dat ook?
Die zouden wij zelf kunnen zijn.
Uitstekend. Als ik schoolmeester was, zou ik zeggen: 9 +. (ik ben blij dat ik er iets van
begrijp). Misschien kunt U zich dat niet voorstellen, maar ik ben hiermee nog blijer dan U,
want het, is een bewijs, dat mijn werk niet verprutst is en dat het niet voor niets wordt
gedaan. De God, die wij in ons wezen zoeken en die wij kunnen beredeneren, is onze
eigen ziel. Dat is heel erg belangrijk. Wanneer ik het neer zou moeten schrijven, zou ik het
met grote hoofdletters, schrijven en dubbel onderstrepen. De God, die wij in ons zelf kunnen
zoeken en vinden, is onze eigen ziel. De ziel is de kern-kracht van het leven. De geest is
het bewustzijn, waarin deze levende kracht tot uiting komt. De geest is dus het
bewustzijn van de ziel. Dit bewustzijn schept de Gods-voorstelling, die in het ideaal,
dat leeft volgens de ervaringsmogelijkheid van de ziel in de ziel. Duidelijk? Zo is God
dus het hoogst bereikbare, dat op dit moment in de bewustzijnsmogelijkheid van onze
zielekracht schuilt. Dit moeten wij benaderen. We benaderen dus de werkelijkheid niet, de
grote Alkracht. Wij benaderen ons eigen wezen, onze "ik"-heid. Maar denkt U niet, dat dit een
kleine taak is. Wij hebben in het begin gezegd en moeten het weer en weer herhalen: de ziel is
de levende kracht. De levende kracht is de uiting van het scheppend vermogen. Het
scheppend vermogen, dat zich uit, is het Goddelijke, dat zich alleen binnen het Goddelijke kan
uiten omdat het Goddelijke volledig, en volmaakt is. Buiten het Goddelijke kan o.i. niets
bestaan. In het benaderen van onze zelf benaderen wij de werkelijke Goddelijke Kracht. De
grote Al-geest. Wij doen dit volgens de ontwikkelingsfase, waarin onze ziel op het ogenblik
verkeert, opgelegd door deze mede te gebruiken. Wij blijven hierdoor binnen onze eigen
mogelijkheden. Nu geloof ik, dat U dit niet zal ontmoedigen. Als je bij je ziel bent, ben je nog
tamelijk ver af van de grote Godheid. Toch zullen wij al datgene wat ik hier heb omschreven
eerst moeten bereiken, voordat wij verder kunnen gaan. Maar er is een voordeel: dit behoeft
niet redelijk ervaren of ondergaan te worden. Dus het samenspel van emoties, van gevoelens,
van intuïties, van geloof. Kortom alle factoren, die niet redelijk nagaanbaar en bepaalbaar zijn.
Dit zijn echter de factoren, die het leven zijn uiteindelijke vorm en gestalte geven. Wij kunnen
door deze gevoelens deel van het leven uit gaan maken op sommige momenten: wij kunnen
voor een moment ondergaan in het leven van een ander en b.v. meevoelen, hoe die hond, die
daar zo gezellig loopt te springen en te spelen en te blaffen.
Wij kunnen een ogenblik stilstaan in de stomme verwondering van een bloem, die openbloeit
en zich verheerlijkt voelt in de zon, zonder een realisatie van haar eigen zijn verder te ervaren.
Wij kunnen een kort moment met andere levens gebonden zijn. Dit is een uitbreiding van
bewustzijn, die ons al nader tot het Al-zijn brengt, maar in ons zelf maar voor zekere beperkte
tijd volledig ervaren kan worden. De benadering van het Goddelijke is een moeilijke taak. Al
het voorgaande is een aardige theorie, dit is praktijk. Al het voor gaande kunt U desnoods nog
terzijde leggen met een: nu ja, ik vindt het erg knap gezegd en het betekent veel voor mij,
maar ik zal er eens over denken. Dit kúnt U niet overdenken, want hoe je het ook overdenkt,
je komt er niets verder mee. Het andere spreekt tot Uw rede, dit moet spreken tot Uw
gevoelens. Daarom gebruik ik juist deze manier van brengen deze avond. Dit moet met
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 3 – 9 december 1954

woorden in Uw wezen geschroeid staan, zodat het nooit vergeten kan worden. Wij benaderen
de God in ons wezen door onze gevoelens. De God in ons wezen, die uiteindelijk is onze ziel.
Onze ziel, een zeer klein deel van de werkelijke Al-kracht, maar voor ons de enige weg om
met de werkelijke God en de Al-kracht in beroering te komen. Nu moeten wij natuurlijk verder
gaan. Wij nemen een ogenblik aan, dat al het voorgaande duidelijk is. Is dit niet het geval, dan
deelt U dit wel mee.
Wij leven. Wij leven voortdurend naar het Goddelijke toe. Hoe meer wij het Goddelijke
toestreven, hoe rijker en voller ons eigen leven wordt. Maar ook hoe groter de niet-redelijke
krachten, die zich in ons uiten. Want naarmate ons leven zich uitbreidt (een uitbreiding van
geestelijke en stoffelijk zijn, het "ik" langzaam maar zeker wordt afgeschud), worden de
krachten der directe, algemene en kosmische wetten in ons meer en meer stuwende kracht en
blijft aan onze eigen kracht tot besluiten - juist door het kennen van die wetten - slechts een
zeer klein gebied tot persoonlijke uiting over. Hoe groter wij worden, hoe meer wij voor de
keus komen te staan onze God te verwerpen of slechts Zijn wil te volbrengen. Die grote God,
die wij uiteindelijk niet zo maar vinden. Die grote God, die in onze ziel a.h.w. in miniatuur is
weergegeven. Die wondergrote kracht, die in haar wezen en sterkte voor ons kan betekenen
de grote realisatie van het leven en daardoor het bereiken van het harmonische rustpunt. Ik
weet niet of U begrijpt wat ik daarmee bedoel. Wanneer er een magneet is, die heeft U wel
eens gezien, nietwaar: en misschien ook wel eens ijzervijlsel er over uitgestrooid gezien, dan
ziet U, dat dit veld zich uit in vele krachtlijnen, maar dat er ergens een plaats is, waar de
werking van Noord- en Zuidpool elkaar volkomen opheffen. Die plaats is een vrij gebied, een
nulpunt. Eigenaardig genoeg is dit nulpunt het harmonische punt in het veld. Hier komen alle
krachten samen en verweven zich met elkaar tot een zo volmaakt evenwicht, dat geen enkele
uiting mogelijk is. Dit bedoel ik, wanneer ik het heb over een volledige harmonie. Volledige
harmonie wordt bereikt wanneer wij positief strevend in onze ziel, alle positieve waarden, die
onze Godheid kent, hebben vervuld. Want daarmee zijn wij geworden tot beeld en gelijkenis
van deze God in ons. Wij hebben onszelf gemaakt tot het hoogst voorstelbare, dat ons leven
kent, dit hoogst voorstelbare gaan voor ons nieuwe grenzen en horizonnen open. Daar ligt een
nieuwe wereld, die veroverd wil worden. Een wereld waarin wij nieuwe volheden van zijn en
bestaan kennen, waar in de waanwijsheid en geborgenheid van de stoffelijke vorm lang
verwaasd is en zelfs de finesses van kleur en licht langzaam maar zeker een andere betekenis
verworven. hebben. Een wereld van wonderen. Maar...... onze wereld. Wereld, waarin wij
meer en meer ons één voelen met de dingen, zodat op de duur het licht niet meer straalt
buiten ons, en door ons wordt waargenomen, maar uit ons straalt en in ons doorleefd wordt
eerder dan dat wij het zien. Dit houdt in, dat wij onze God bij het benaderen meer en meer in
ons krijgen en dat de krachten van het Goddelijke meer en meer vanuit ons zich uiten, in
plaats dat zij door ons zich uiten. Op dit moment leeft U in een wereld waarin Uw eigen
handelingen, Uw eigen reacties en besluiten de uitdrukking moeten zijn van het Goddelijke of
de absolute negatie Goddelijke. Denk niet dat er een tussenweg is. Tussen zwart en wit zijn
vele tonen van grijs te vinden maar tussen positief en negatief Goddelijke is geen verschil. Dat
zijn twee vastgestelde normen en daar kom je niet onderuit. Omdat die tussentonen er niet
zijn, kunnen wij positief streven. Maar als wij positief bereikt hebben, dan hebben wij een
vorm geschapen aan alle kanten. Wij hebben, a.h.w., Gods Schepping, in ons gereproduceerd
en deze Schep ping, in ons God genoemd. Is dit begrijpelijk? Op het moment dat wij deze
Schepping in ons God noemen hebben wij één zijde van het Goddelijke volledig benaderd en
erkend. Maar wij zullen al deze vormen der Schepping, het totaal van het
voorstellingsvermogen in ons moeten breken. Vandaar deze twee werelden, waar ik het over
heb. Voordat wij door het volledig wegvagen vanuit dan erkende Goddelijke, behoudende
daaraan de emotionele binding, maar weglatende de waarneming en de beleving, kunnen
komen tot het nulpunt, want het negatieve van de vernietiging en het positieve van het
opbouwen gezamenlijk zijn geworden de waarde 'God'. Wanneer wij die benaderd hebben,
hebben wij ons zelf vernietigd.
Tenminste in de vorm het nu beleven kunnen. U ziet, wat ik U hier vertel is logisch. Het is wel
meer door onze broeders bij vele gelegenheden naar voren gebracht, maar ik breng het U hier
in een zuiver en duidelijk verband met het Goddelijke. Ik hoop U daardoor in staat te stellen U
een begrip te verwerven omtrent de gang, die U doorloopt. Zijn daar vragen over? Geen? Dan
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 3 – 9 december 1954

zal ik op deze avond (ik weet niet of we dat voor de andere cursus, die loopt ook kunnen doen)
het woord geven aan iemand, die de omschrijving van het Goddelijke in zijn wezen zal
trachten weer te geven en daardoor zijn benadering van het Goddelijke als voorbeeld zal
stellen voor de Uwe, in de hoop, dat wanneer ik terug keer met commentaar daarop om deze
les te besluiten, U uit deze beschrijving een vergelijking heeft kunnen trekken ten opzichte van
Uw eigen leven, Uw eigen wereld en door dit illustratieve materiaal in staat zult zijn te
beginnen met de benadering van het Goddelijke in Uw eigen wezen. Gaat U hiermee akkoord?
Bent U het eens?
o-o-o-o-o
Er is mij gevraagd om U een beeld te geven van het Goddelijke in mij. En om U dat duidelijk te
maken, zal ik U wat vertellen over mijn leven. Ik ben niet direct wat de mensen noemen een
braaf of een net mens geweest. Ik ben mij heus te buiten gegaan op velerlei gebied, maar ik
moet er één ding bij zeggen: ik heb nooit geprobeerd om iemand daardoor te schaden of
kwaad te doen. Men heeft mij, toen ik op aarde leefde, verweten, dat ik al mijn lusten vrij spel
liet. Misschien is dat wel waar geweest. Men heeft mij ook verweten dat ik aan God of gebod
nooit heb gedacht. Dat is niet waar. Want diep in mij zelf heb ik altijd gedacht aan God als aan
het leven. En ik vond dat alles, wat ik van het leven genoot, mij met het Goddelijke in contact
bracht. Ik weet nu dat ik beter een andere manier van benadering van het Goddelijke had
kunnen kiezen. Dat is waar. Maar het was in ieder geval een tamelijk aangename manier. Toen
ik over ben gegaan, kwam ik voor de moeilijkheid te staan, dat ik moest gaan denken aan
God. Ik moest eigenlijk weten wat God was en ik had niets anders dan de herinneringen aan
mijn leven. Want om eerlijk te zijn, met God zélf had ik mij nooit bezig gehouden. Daar had ik
geen tijd voor. Wanneer je zo bezig bent om het dierlijk element in de mens volledig tot zijn
recht te laten komen, dan houdt je daar weinig tijd voor over. Het verbaast U misschien wel,
dat ik nog in een lichte sfeer terecht ben gekomen. Maar ik heb altijd een grote eenheid
gevoeld met al die dingen. De wijn, die ik dronk, was voor mij iets van de zon, van het bloed
der aarde. Een erg poëtische term, maar zo heb ik er heus over gedacht, hoor. En dat
betekende voor mij zoiets van een verbinding met vreemde krachten. Dat voelde ik zo aan. Zo
was het met een hoop andere dingen ook. Toen moest ik God gaan zoeken uit die
herinneringen heb ik uit die herinneringen gezegd: Kijk als er een God is (ik was daar toen nog
lang niet zeker van) dan moet die God eigenlijk geweest zijn in al die belevenissen. Een ander
beleeft zijn leven maar één keer terug, maar ik heb het wel een keer of tien terug beleefd. Ik
wilde elke keer weten wat er was. En toen kwam ik tot de conclusie, dat er een gevoel was in
mij, dat voor mij God was. Dat was de vreugde, die je hebt, wanneer je samen met een
stelletje anderen vrolijk bent. Alleen maar de vreugde. En toen heb ik zo tegen mij zelf
gezegd: als jij dan God bent, vreugde, waarom voel ik mij dan op het ogenblik ze benauwd en
zit ik hier zo sip te kijken. U hoeft mij niet te geloven, maar die vreugde, dat geluk gaf mij
antwoord. En dat zei zo maar doodgewoon: Omdat je mij altijd aan uiterlijke waarden
gebonden hebt. Nu, dat was een aardig hartige brok en ik heb er een hele tijd over na zitten
denken. En toen ben ik er achter gekomen. Ik was van binnen wel blij, maar ik dacht, dat die
vreugde en die blijheid alleen maar echt was, als het aan de buitenkant zat. Nu, dat was niet
waar, hoor. En toen ik dat eenmaal in de gaten had, voelde ik mij van binnen blij worden. Het
was net of toen de wereld buiten mij ook ruimer werd. Zo heb ik een hele tijd ermee
geworsteld. Want God is vreugde, voor mij tenminste. Nu ja, ik heb er wel eens anders over
horen denken ook, hoor. Er is er bij ons ook één, een heel goeie vent, die heeft altijd gedacht,
zegt hij, aan de God der Wrake. Nu, je zal er mee rond moeten lopen. Ik had mij helemaal niet
prettig gevoeld, als ik er zo over had gedacht. Maar omdat ik aan God gedacht heb als de
vreugde en daar toch werkelijk ook wel naar gestreefd had, werd mij de kracht gegeven om
het licht uit die vreugde te puren. En toen ben ik verder en verder gaan denken en nu op het
ogenblik is de God, die ik voor mijzelf ken, zoals ik Hem dus zie, de vreugd die ik in een ander
wek. Als ik een ander blij kan maken, als ik een ander een genoegen kan doen, een ander iets
kan geven, ik hoop, dat ik mij goed uitdruk, maar dan wek ik bij die persoon iets, dat bij mij
aanspreekt en dan krijg ik meer licht. Dan voel ik mij steeds vrolijker en vrijer. Daarom denk
ik, dat dat mijn God is. (En nu moet U niet denken, dat mijn naam Henri is, want dat is hij
niet. Dat is even voor degene, die daar over na zit te denken. Ik ben bang, dat ik de
voorstelling van het Goddelijke, die híj in zich draagt, nog niet bereikt heb. Maar veel doet dat
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 3 – 9 december 1954

er niet toe, want ik ben met de voorstelling, die ik heb al heel erg tevreden. Ik er gelukkig
mee.) Maar er komt altijd weer wat bij, God is de grote vreugde van het leven. En wanneer die
vreugde van het leven weerkaatst wordt in de dingen, die je buiten je ziet, dan weet je dat de
God in je leeft. En als je weet, dat de God in je leeft, wordt je helemaal doortrokken met de
kracht, die daaruit voortkomt. Nu, ik heb eerlijk voldaan aan het verzoek van onze meester,
broeder mag ik wel zeggen in dit verband, en ik hoop, dat het voor U iets betekent. Helpt het
niet, dan kan ik er ook niets aan doen, helpt het wel, dan ben ik er heel erg blij mee.
Goedenavond.
o-o-o-o-o
Zo vrienden, U heeft deze beschrijvende beschouwing gehoord. En dat houdt dus voor U in,
dat er heel veel methoden zijn om het Goddelijke te benaderen, maar dat elke benadering op
zich zelve goed is, onverschillig, hoe zij plaats vindt. Het is, geloof ik, wel heel belangrijk, dat
U dit goed in zich door laat dringen.
Het gaat er niet om, hoe je God benadert, indíen je maar God benadert. U kunt het beste als
mens leven. Kijk, deze mens heeft niet naar een wijze gezocht, die voor de mens acceptabel
was. Maar om dat er iets in zijn leven was, waar hij aan hechtte en waaraan hij groter waarde
toekende dan aan het tijdelijke, had hij een verbinding met God. Door deze verbinding met het
Goddelijke kon hij komen tot een realisatie van de God in hem. Uit deze God in hem kan hij
leven op dit ogenblik in een lichtende sfeer, waar hij anders zeer zeker aan ten gronde zou zijn
gegaan. Ik heb nu zo-even voor alle zekerheid de persoon in kwestie overschaduwd, omdat hij
geen gewend spreker is en ik ben zo vrij geweest om als een soort monitor een deel van zijn
woorden te controleren. Toch meen ik dat hetgeen gesproken werd voor U duidelijk was. U
hebt elk in Uzelf een band aan dit leven, hoe klein of hoe groot hij is. Er draagt ieder een
verlangen in dit leven en begeren. Wanneer U dit begeren kunt terugbrengen tot hetgeen U in
Uw leven goed heet en dit noemen het Goddelijke in mijzelf, of een deel van het Goddelijke in
mijzelf, dan heeft U de relatie met het Goddelijke kunnen scheppen. Wanneer U deze relatie
met het Goddelijke schept, vrienden, kunt U daardoor steeds verder en verder in het
Goddelijke doordringen. U kunt de God in Uw leven meer en meer benaderen tot uiteindelijk
de eenheid tussen de God in U en Uzelf een feit is geworden, waar door de benadering van de
grote Werkelijkheid en het Groot-Goddelijke plaats kan vinden. Is daar commentaar op of zijn
er vragen over?
Ja, ik wilde zeggen, hoe meer je ervan gaat begrijpen, hoe moeilijker je het in gaat zien. Is
dat juist? Of is dat iets wat ieder voor zich heeft?
Neen, dat is iets wat ieder voor zich heeft. Zodra de rede de geloofswaarde, met de
Godswaarde in strijd komt. Omdat het Goddelijke iets onbegrijpelijks is in zich zelve. Wel
ervaarbaar in zijn beperktheid, zelfs omschrijfbaar, maar in zijn relatie alleen te zien buiten
het verband der rede. Zodat elke redelijke omschrijvingspoging problemen opwerpt.
Zodra je dus de rede uitschakelt is het dus gemakkelijker?
Dan komt U veel verder. Maar nu is de grote moeilijkheid voor de meeste mensen, dat zij het
redelijke niet uit willen schakelen bij het zoeken naar het Goddelijke. (Dat is heel goed
verklaarbaar). Dat is heel goed verklaarbaar. Zodat daarom onze poging bij deze cursus, maar
zeker op deze avond gericht is op het mogelijk maken van de redelijke aanvaarding van het
Goddelijke als een gevoelsmatige invloed.
Dus het verlangen om zo lang we bezig zijn, goed te zijn?
Het verlangen om goed te zijn kan ontleed worden in verschillende factoren. Eigenaardig
genoeg kan telkens, wanneer wij verlangen om goed te zijn, dit maar zelden wordt terug
gebracht tot het Goddelijke als zodanig. Het verlangen om goed te zijn kan vaak worden terug
gebracht tot de angst voor het kwade. Waarbij dus het kwade als een persoonlijk iets wordt
ervaren en het goede naar voren schuift in de hoop het kwade daardoor te kunnen ontgaan.
Een zeer sterke invloed. Ten tweede: goed betekent conform aan de eisen de gemeenschap.
Het erkend worden door de gemeenschap is voor velen een noodzakelijkheidswaarde in het
eigen bestaan. Zij zijn goed om daardoor de erkenning als goed te verwerven. De derde reden
van goed willen zijn is het erkennen van bepaalde waarden in het eigen ik als noodzakelijk
voor het eigen bestaan en het voortdurend streven om deze te handhaven. Degenen, die dit
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 3 – 9 december 1954

doen zullen misschien door de wereld gek genoemd worden, omdat hun goedheid ver uitgaat
boven hetgeen door de angst of uit begeerte naar erkenning geboren kan worden. Maar deze
goedheid gaat zover, dat zij het kwade negeert en ontkent. Dan probeert men goed te zijn om
de doodeenvoudige reden, dat dit de enige wijze, is waarop men leven kan en vrede met
zichzelf hebben, Alleen de laatste wijze van goed zijn heeft voor de Gods-erkenning enigerlei
waarde. Voldoende duidelijk? (Dank U).
Is het eigenlijk zo, dat men uit elke eigenschap het Goddelijke bereiken kan, indien men
hem dienend instelt?
Dit dienend instellen als dienst aan de naaste is een noodzakelijkheid voor de vergroting van
Godsbegrip. Maar op zichzelf geen noodzaak voor het dienen van het Godsbegrip. Duidelijk?
(Ja.) Dus wij kunnen elke, onverschillig welke uiting van het leven, onverschillig hoe zij
genoemd. wordt door de mensen, gebruiken op twee manieren, één daarvan is de beperkte
manier waarvan heeft U zo-even een klein voorbeeld gezien.) Dit is niet het streven naar het
negatieve of het kwade, maar het streven voor zich zelf naar een bepaalde factor, waarbij de
naaste veelal wordt getolereerd, maar zeker niet als voornaamste wordt gesteld in het totaal
van het zoeken naar rust vrede, bevrediging en wat men noemt het goede. Dit kan alleen zijn
de benadering van de beperkte, van de persoonlijke God en zal deze persoonlijke God geen
uitbreiding van bewustzijn kunnen geven. Als zodanig blijft het totale bewustzijnspeil en de
maximale bereiking gelijk. In het tweede geval kan men elke, onverschillig welke trekfactor in
het eigen bestaan, ondergeschikt maken aan het dienen van anderen.
Het dienen van anderen zodanig te verstaan, dat niet alleen het eigen ik, maar ook een ander
hiermee wordt gediend. Men kan n.l. niet alleen een ander dienen en zich zelf verwaarlozen
zonder zich zelf te zondigen. Dan schept men voor zich zelf het kwade. En of men het kwade
nu voor zichzelf of voor ander schept, het blijft gelijkelijk slecht. Dit dienen van de naaste en
dit zoeken om binnen het gevoel van goed en vrede in het eigen wezen deze waarden zoveel
mogelijk bij anderen te realiseren, is de naastenliefde. De naastenliefde, die de naaste als
gelijkwaardig aan het zelve erkent, aan het ik, en waardoor het ik tijdelijk zich uitbreidt met de
reacties en waarden, die het in het ik van een ander wakker roept. Dit betekent uitbreiding van
bewustzijn en van begrip. Als zodanig een vergroting van bewustwordingsmogelijkheid van de
persoonlijke God, het uitbreiden van de bewustzijnsmogelijkheden in een bepaalde periode.
Hier in dus het grote verschil. In beide gevallen kan men het Goddelijke benaderen, maar de
ene is een nauwe, beperkte en bekrompen weg, die wanneer eenmaal het maximale peil is
bereikt, vraagt een zeer groot zelfonderzoek, een vaak pijnlijk zelfonderzoek voor er een
verdere realisatie van het Goddelijke plaats kan vinden. In het tweede geval zal de
voortdurende uitbreiding van het bewustzijn een stilstand in het eigen ik niet gedogen en als
zodanig een voortdurend als goed ervaren voortgang plaats vinden. Dit betekent niet dat het
leven en lijden uitgeschakeld worden, maar dat zij binnen het wezen als positieve factoren
worden ervaren en dus goed zijn.
Ja, ik had nog dit willen vragen: of niet elke eigenschap op zijn tijd beleefd moet worden
en dan gesublimeerd moet worden om op die wijze uiteindelijk tot enige ontplooiing te
komen?
Ja, ik hoop, dat ik dit kort kan beantwoorden, ik zal het in ieder geval proberen. Men kan elke
eigenschap natuurlijk uiten. Want wanneer de eigenschap in het wezen ongeuit blijft, dan
betekent dit een frustratie van de persoonlijkheid of wel een verminking van het persoonlijk
bewustwordingsproces. Is dat duidelijk? (Ja) Er blijven dus slechts twee wegen, ofwel het
directe en volledige beleven, ofwel het zodanig richten van de begeerte, dat zij gesublimeerd
wordt. D.w.z. dat zij in zichzelf verhoogd wordt en in uiterlijke andere waarden innerlijk
dezelfde bevrediging biedt. De ervaring wordt dan op een ander plan, maar gelijkelijk
doorgemaakt. Iemand, die daarover nog iets te vragen heeft?
Ik zal dan hieraan nog toe kunnen voegen: wanneer U een sterke en onontkomelijke drang
hebt tot bepaalde handelingen en daden, onverschillig hoe deze sociaal, religieus of anderszins
worden aangezien, zult U moeten volbrengen wat in U leeft, en dat is niet altijd mogelijk,
zonder Uw eigen blijheid te beïnvloeden, want dan ervaart men deze drang toch nog altijd als
kwaad bij volbrenging. Dus nadat uiting wordt gegeven aan de innerlijke drang komt men zelf
tot een afkeuring van het resultaat daarvan. Ofwel, men moet een bepaalde methode gebrui-
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 3 – 9 december 1954

ken om, zoals U heeft gezegd, haar te sublimeren. Dus: hoger te richten. Ik kan hier een
voorbeeld van geven: Een mens heeft lust tot onmatigheid. Deze onmatigheid houdt in, dat hij
zwelgt en voedsel begeert. Deze mens heeft deze begeerte in zich en kan daar zonder meer
niet aanontkomen. Hij erkent echter dit in zich zelve als kwaad. Hij wil daarom aan deze
drangniet voldoen. Zou hij zich zonder meer onthouden, dan spijt het hem meer dan
noodzakelijk is. Dan zou deze mens daardoor in voortdurende onrust en onvrede leven.
Nu gaat deze mens zich echter aanwennen om gelijk met, of kort na de maaltijd bepaalde
schone dingen aan te zien en daardoor in zich gedachtereacties te wekken van schoonheid en
vrede. Hier werd het verlangen naar spijs gesublimeerd en geestelijk voedsel in de plaats
gesteld van het stoffelijk voedsel. Aan drift en drang werd tegemoet gekomen, terwijl
gelijktijdig de erkenning als goed in het eigen wezen verworven kon worden. Deze daad leidt
dus dichter tot het Goddelijke. Dit kan op elk gebied worden gedaan. Ik hoop, dat ik U niet
behoef uit te leggen, hoe elk begeren tot iets anders kan worden gesublimeerd, onverschillig of
het uit toorn of iets anders voortvloeit. Elke begeerte in zich zelf betekent n.l. de ontwikkeling
van een daadkracht. Deze daadkracht overgebracht op dat veld, waar zij een zo groot mogelijk
nuttig rendement geeft en tevens de grootst mogelijke bevrediging, betekent voor U zelf een
voortdurend grotere rentabiliteit van Uw stoffelijke en geestelijke vermogens, waardoor Uw
persoonlijke bewustwording zich voortdurend versnelt en vergroot. Verder betekent dit een
erkennen van de goede waarden en in het erkennen van de goede waarden een vergroting van
de mogelijkheid tot Gods-aanvaarding, tot beleving in het binnenste, vergroting ven de
Godsvoorstelling in Uw binnenste. Dus een nader komen van Uw eigen ziel tot het totaal
Goddelijke, waardoor het aanvaarden van het Goddelijke bij het bereiken van het eigen
standpunt vereenvoudigd wordt. Ik hoop, dat dit voldoende is. Ik meen, dat ik U voor vandaag
voldoende stof ter overdenking gegeven heb. Goeden avond.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

LES 4

Goeden avond, vrienden,
De vorige maal heeft U een voorbeeld gehad aangaande de verschillende waarderingen, die er
kunnen bestaan bij de benadering van het Goddelijke. Wij zullen deze avond gebruiken voor
een kleine afwijking hiervan. Wij zullen iets verder in gaan op de persoonlijke benadering van
het Goddelijke en wat daarbij op de voorgrond kwam. In de eerste besprekingen reeds hebben
wij het sterke verschil vast gesteld tussen de God in ons, dus de God, die wij kennen en de
universele God, die voor ons onbenaderbaar is, die wij omschrijven kunnen, maar niet kunnen
bevatten. Wij hebben toen verder aangeduid, hoe wij tot die God in ons zelve moeten gaan
spreken, zoals U zich zult herinneren. Wij zullen op het ogenblik juist hierop iets verder door
kunnen gaan. Zoals U weet, is God eenmaal nu een al-omvattende kracht. God leeft dus in alle
dingen, niet alleen maar in één ding. Wanneer God leeft in een bloem, dat is ook al eens
gezegd, dan kunnen wij door het beschouwen van deze bloem a.h.w. God beschouwen. Er
mankeert ons slechts één ding. d.i. de bloem is het Al in een grote veelheid. Deze grote
veelheid benaderen is voor ons zeer moeilijk, want wij kunnen niet in die ene bloem het Al
zien, Wij zien er altijd maar een deel van. Dit wordt opgelost door onze persoonlijke
aanschouwing, onze persoonlijke beleving. Wij gaan dan in alle dingen God zien en gaan zelve
proberen, evenals God dit doet, nu op dit, dan op dat deel der schepping onze bijzondere
aandacht te doen vallen. Nu zou ik U voor willen stellen een wijze van Gods benadering, die in
haar karakter magisch is, d.w.z. dat zij werkt met krachten, die op aarde nog niet volledig
worden begrepen, In de eerste plaats is het nodig, dat de mens zich terug trekt in zichzelve.
Het is noodzakelijk, dat wij een innerlijke stilte kunnen beleven, willen wij nader komen tot het
Goddelijke. Wij hebben tot nu toe, wanneer wij hier of in andere kringen daar over spraken, al-
tijd op de voorgrond geschoven de concentratie naar U zelf toe, zonder uiterlijke waarden, de
concentratie met gesloten ogen, in eenzaamheid etc. Wij zouden het voor de benadering van
het Goddelijke, zoals wij het op het ogenblik in deze kring nastreven, kunnen vervangen door
een andere methode. Wij nemen een ding in natuurstaat in natuurlijke vorm. Dat kan een
bloem zijn, het kan ook een steentje zijn, het kan misschien een takje zijn, of een sprietje
gras. Wij leggen dat voor ons neer. Wij kiezen daarvoor een ondergrond, die niet vermoeit,
dus een donkere ondergrond, die zonder meer toch iets met het voorwerp, contrasteert. U zult
zeggen: Waarom dit allemaal, waarom al deze omslachtigheden, misschien, dat het U dadelijk
duidelijk wordt. Wij moeten dit n.l. op een bepaalde wijze doen. Wij moeten dit als het ware
ritueel doen. Van het moment dat wij besluiten tot de beschouwing van een bloem, een blad,
een takje, is deze bloem, is dit blad, dit takje voor ons geworden God. Niet de Al-omvattende
God, maar een directe uiting van het Goddelijke, wij moeten dat dus met de nodige eerbied
behandelen. Wij moeten het op een zodanige manier plaatsen, dat wij geen last krijgen met
onze zintuigen. Gaan wij het dus met de ogen bestuderen, dan zullen wij zeer zeker daarvoor
een blad moeten nemen, dat de ogen niet vermoeit en toch een zodanig, contrast geeft dat
een redelijke waarneming en beschouwing mogelijk blijft. Wij kunnen op andere manieren,
hetzelfde gaan doen. U kunt b.v. ook, laat ons zeggen, dat U een roos heeft, de geur van die
roos als een Goddelijke essence op U in laten werken, dus alleen door het reukorgaan. U kunt
zelfs door het gehoor zo doen. Maar de hoofdvoorwaarde is althans voorlopig voor U: het
moeten natuurlijke dingen zijn. Niet een beetje parfum, maar een zuivere roos met haar eigen
natuurlijk aroma, ook al is die geur wat zwakker. Een blad met zijn eigenaardig frisse geur, die
kan het hebben, b.v. wanneer het gekwetst wordt etc. Een geluid, zoals dat van die vogel, dat
wordt voortgebracht door een schepsel en bij voorkeur geen mens. Een geluid, dat voor ons
iets betekent van een ander deel der schepping. Wanneer die vogel zingt, dan uit hij zich op
zijn eigen wijze, natuurlijk, volgens de manier, waarop hij geschapen is. Maar het is aan de
Goddelijke kracht te danken, dat hij zo geschapen is. Zijn uiting maakt dus deel uit van de
Goddelijke Schepping.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

Als zodanig kan in de klank, die hij een ogenblik laat gaan over de menigte en de wereld zich
uiten de duidelijke cadans van een Goddelijke kracht in focus gebracht door een klein diertje,
nietwaar? Nu gaan wij dit dan beschouwen en proberen om alle andere dingen te vergeten. Wij
gaan kijken naar de schoonheid en proberen om alle gedachten en begeerten op zij te zetten.
Nu gaan wij tegen ons zelve zeggen: Kijk van al de vele delen, die het Al kent is dit het facet
Gods, wat ik op dit moment kan beschouwen. Er bestaat op dit ogenblik voor mij geen goed en
geen kwaad. Er bestaat geen licht en geen duisternis. Er bestaat alleen een bloem, een takje,
een geur of een klank. Hierin wil ik ondergaan. Door dit medium, dit middel, dat ik hier heb,
wil ik trachten het Goddelijke te benaderen. Het vreemde is, dat die dingen dan tot ons gaan
spreken. Een bloem gaat spreken over de voortgang der jaargetijden, over de bloei en de
vreugden van de bloei. Hij gaat ons iets over zich zelf vertellen. Het is net of ons wezen zich
wat uit rekt en wat uitdijt, totdat het uiteindelijk de waarheid van die bloem omvatten kan. Wij
hebben dan een klein deel van de Goddelijke Schepping tot ons genomen. Dat doen wij nog
eens en nog een keer, maar steeds verschillende voorwerpen. Wat gebeurt er dan? Dan
hebben wij op een gegeven moment ons zelf vergroot. D.w.z. wij hebben een Goddelijke rela-
tie gevonden in de natuur, die voor de doorsnee mens teloor gaat.
Ja, en nu moet ik tot iets komen, dat U misschien bijgeloof lijkt. Maar wij kunnen dan een
voorwerp in de natuur vinden, dat voor ons tot talisman kan worden. Dat wordt voor ons de
speciale vertegenwoordiger van de Goddelijke Kracht der Schepping, dat dragen wij bij ons. En
dat doen wij enige tijd, maar niet te lang. U kunt dat enkele maanden doen, hooguit. Wanneer
U nu eens een keertje in nood zit, in moeilijkheden, dan neemt U dat voorwerpje zo even
verstolen in Uw hand, of U denkt er even aan. Dan denkt U: "Ja, de Goddelijke kracht is in
mij". De mens heeft nu eenmaal iets stoffellijks nodig om tot een waarneming te komen, die
hij geestelijk alleen vaak maar heel moeilijk bereikt. Dan zult U door deze realisatie
voortdurend het contact met het Goddelijke hebben. Dus dit is het menselijke
voorstellingsvermogen, dat verantwoordelijk is voor al hetgeen, maar dan ook werkelijk al
hetgeen, wat de mens zelf uit. Hoe meer U dus het Goddelijke deel maakt van Uw leven en
een zo groot mogelijke Godsvoorstelling in Uw eigen wereld zo tastbaar mogelijk uitdrukt, hoe
meer U er in zult slagen om God te benaderen. Nu kunnen wij dat echter heel moeilijk doen in
één richting. God vertoont n.l. zoveel facetten. Er is zo'n grote veelvoudigheid van Goddelijke
uiting, daT je op een gegeven ogenblik gevangen wordt tussen de tegenstrijdigheden Dan zeg
je: “Ja, maar als ik nu neem, dan kan er dat toch niet zijn?" Nemen wij nu b.v. een vlinder, eN
een vogel. Zij zijn beiden in onze ogen schoon. Beiden doen zij ons denken aan de Goddelijke
kracht. Op het moment, dat de vogel de vlinder eet, is er voor ons iets van het Goddelijke
vernietigd. Dat is natuurlijk dwaasheid. De tegenstrijdigheid moet op een andere wijze op te
lossen zijn. Maar dat kunnen wij zo gauw niet. Laten wij ons dus bepalen tot een facet en
desnoods kunstmatig, alle andere dingen ter zijde stellen. Wees er maar blind voor, laat het
maar terzijde liggen. Beter, dat je op één vlak God volledig benadert en dient, dan dat je Hem
op twintig vlakken probeert te benaderen en door de tegenstrijdigheden het einddoel niet
bereikt. Nu komt echter de grote vraag: "Wat is dan de God, die wij benaderen? Is dat de
persoonlijke God of de kosmische?” M.i. benaderen wij zeker de persoonlijke God en zelden
het totaal van de kosmische God. Herinnert U zich lezing 1 en 2, waarin uitdrukkelijk word
gestipuleerd en vast gesteld het grote verschil tussen deze beide waarden en de
overeenkomst. De persoonlijke God is ook een facet van de kosmische God: laten wij dus onze
persoonlijke God trachten te benaderen.
Maar dat kunnen wij alleen doen, wanneer wij de kracht van onze persoonlijke God geuit zien
in de wereld buiten ons. U kunt niet leven in een wereld, waar alle waarden binnen U zijn. De
dingen moeten geuit worden en juist door de uiting krijgen zij voor ons waarde en worden zij
voor ons gerealiseerd. Onze persoonlijke God is ook de scheppende God. Kunt U het zover met
mij eens zijn, kunt U het zover volgen? Geen vragen of commentaar? Wij hebben ook gezegd:
wij moeten de persoonlijke God zoveel mogelijk trachten te bereiken in een realiteit. Wij
moeten die God met zijn eigen in ons levende wetten van goed en kwaad superieur stellen
boven al wat er verder op de wereld bestaat. Wanneer wij echter overgaan tot de beschouwing
van een bloem en wij begrijpen de vreugde daarvan, dan zullen wij de plant niet vernietigen.
En wanneer wij de bloem plukken zullen wij dit met een zekere eerbied doen. Er is iets
toegevoegd aan onze eigen wetten. Aan de wetten, die onze God in ons stelt. Deze benadering
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

van het Goddelijke is dan eerder ook gelegen in een beperking van hetgeen wij voor ons zelve
nog acceptabel vinden, een scherper onderscheid tussen, wat wij goed en kwaad noemen voor
onze persoonlijkheid, dan in een groots, plotseling en wonderbaarlijk beleven. Wij mogen dan
niet verwachten, ook al gebeurt het misschien een keertje, dat het wonder zich zonder meer
aan ons openbaart. Wel mogen wij verwachten, dat naarmate wij dichter tot het Goddelijke
komen in ons wezen meer en meer de wetten van het Goddelijk worden uitgedrukt in
overeenstemming met alle facetten van het Goddelijke. Onze persoonlijke God wordt vergroot
en vergroot. Het is a.h.w. een spiegelbeeld, dat eerst verkleint, langzaam maar zeker zo wordt
vergroot, dat het zich dekt met de werkelijke grootte van de persoonlijkheid. We moeten
echter oppassen, want wanneer wij God gaan benaderen dan zien wij in heel veel gevallen de
grote fout: dat is deze, wij gaan onze eigen begeerten, onze eigen wensen en gedachten die
God aanpraten. Dat is niet acceptabel, dat kan niet gebeuren. Ik zou U tenzij er bezwaar is,
een paar beschouwingen aan willen halen van oudere wijsgeren. Een van hen, die meer
bekend is, omdat hij sprak over de God, die hij kende, de God in hem zelf, de demon in mij,
zoals hij dat zei, heeft eens deze beschouwing over het Goddelijke ten beste gegeven, zij past
voor ons persoonlijk m.i. zeer zeker als een benaderingswaarde.
In mij leeft een kracht: welke deze kracht is, weet ik niet, maar zij heeft een stem, die tot
mij spreekt. Maar deze stem spreekt niet slechts over wat zij is, maar wanneer mijn ogen
niet zien, dan hoor ik de stem en zij zegt mij de diepe betekenis der dingen. Wanneer er
een vraag is in mij, geeft zij mij niet het antwoord, maar zij wijst mij de weg in de veelheid,
die ik buiten mij zie. Ik kan geen waarheid vinden buiten haar, daarom is deze stem in mij
de God. Zij is de enige kracht, die tot mij spreekt en die ik ken, die mij in harmonie brengt,
het woord, dat de denker zelf gebruikte, was iets anders, maar in harmonie brengt met het
totaal van wat ik beleef en zie, mij in staat stelt dit te dragen en te verwerken.
Dit houdt in, dat deze mens dus zeer sterk leefde met zijn persoonlijke God. Deze persoonlijke
God was voor hem iets geworden, veel verder gaande dan de doorsneemens normaler wijze
bereikt, n.l. het contact met de buitenwereld. In hem was een stem, die hem precies vertelde,
wanneer hij een steen zag, wat die steen betekende, wanneer het hoofdzakelijk was althans,
dat die steen in het brandpunt van zijn belangstelling zou komen te staan. Een stem, die hem
de weg wees, wanneer hij dacht, dat hij verdwaalde, maar niet alleen de kortste weg wees
maar de voor hem juiste weg. Een stem, die hem zijn problemen oploste, niet door te zeggen:
"Hier heb je het antwoord", maar door te zeggen: "Hier zijn de waarden, waaruit het bestaat.
Men vormt hieruit zelf de synthese, vormt hieruit zelf de eindoplossing". Zo moeten ook wij
uiteindelijk proberen de God in ons te maken tot onze enige God, de stem, die voortdurend tot
ons spreekt. Een andere, evenzeer eerbiedwaardige wijsgeer sprak op de volgende wijze:
Wanneer ik adem haal, dan is het mij, of in mijn lichaam de kleinheid van mijn wezen zich
huwt met het Grote, met de kosmos. Het Al dringt met elke ademhaling in mij door en gaat
met elke harteklop door al mijn aderen. Wanneer ik de ademhaling versta, zal ik dus de
kosmos verstaan. Wanneer ik de kosmos versta, ken ik de werkelijkheid. Maar ik kan deze
werkelijkheid alleen kennen binnen de beperking van mijn grenzen. Daarom ben ik eer-
biedig, wanneer ik adem haal, zoals ik alle leven spaar, omdat het ademt en leeft, omdat
ook daarin de kosmos is doorgedrongen. Want wat leeft, is Goddelijk. Het Goddelijke in mij
is de weg, die mij uiteindelijk zal voeren tot de grote rijken, waarin het Eeuwige zich aan
mijn wezen voordoet".
De opvoedkundige waarde is misschien wat minder zichtbaar hierin. De esoterische waarde
daarentegen nog zuiverder en grootser dan bij het eerste citaat. Deze mens beloofde voor zich
zelf de heiligheid van het bestaan. Hij was dan ook een Jaïn. Een kaste, die het leven wel zeer
heilig acht in Indië. Maar dit leven was voor hem niet heilig, omdat het leven was, of omdat
het dieren waren. Het was voor hem heilig om dat de kosmos, ofwel de Al-ziel, hoe U het ook
noemen wilt daarin werkzaam was. Ik vertaal het natuurlijk onbeholpen. Misschien is het mij
niet mogelijk de volheid van zijn gedachten tot U door te laten dringen. Maar ook hij benadert
zijn God en zegt”:
Wanneer ik adem haal, adem is voor mij een levensnoodzaak, dan kan ik alleen iets
inademen, wat geschapen wordt door de Al-ziel. Wanneer ik mij dit realiseer, zal die Al-ziel
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

dus steeds in mij doordringen, die zal door mijn hele lichaam gaan. Zij zal mij dus zo
voortdurend haar eigen wezen openbaren".
Daarom zegt hij ook. "Ik ben eerbiedig, wanneer ik adem haal". Al deze filosofieën, ik zou er
nog veel meer kunnen citeren, geven U misschien een klein denkbeeld over hetgeen ik bedoel,
wanneer ik spreek over deze speciale benadering en daarvoor haast magische aanwijzingen
geef van voorbereiding, van overweging. Het is voor U allen mogelijk om zover te komen, dat
God in U spreekt. Maar denk nu niet, dat dat de grote, alomvattende stem is. Het is vaak de
stem van een geleidegeest. Maar een geleidegeest uit het Goddelijke, zijnde voor U de stem
Gods. Voor U zijnde de kracht, die bij U past, uit het Goddelijke gedestilleerd. En wanneer dit
allemaal begrepen en bereikt wordt, wel vrienden, dan kunnen wij verder gaan met over God
te spreken, want God is voor ons kenbaar. God is duizend maal, misschien miljoen maal in
gedachten en filosofieën. Maar met al die dingen samen, komen wij toch nooit tot een beeld
Gods. Wij kennen alleen het beeld in ons zelve. Dat beeld moeten wij bereiken, maar wij
moeten gelijktijdig dit beeld in ons zelve meer en meer in overeenstemming brengen met de
waarheid, de werkelijkheid. Dit wordt heel aardig uitgedrukt in een heel oud boekje met z.g.
leervragen, dus een soort catechismus:
"Gij zegt mij, Meester, dat God met mij gaat. Zeg mij, hoe ik Hem kan vinden?" Dan is het
antwoord zeer eigenaardig: "Zie in Uw eigen ogen. Daarin zult Gij de God zien, die met U
gaat.”
M.a.w. spiegel jezelf in jezelf. Als je jezelf beziet en je kijkt naar de ogen, wetenschappelijk
misschien waanzin, maar volgens anderen niet, dan kun je in die ogen aflezen, wat je bent. Je
kunt zien, wat je lichamelijk bent, je kunt ook zien, wat je geestelijk bent. Wat als je in de
ogen kijkt, zie je ook het vlak tussen de ogen. Dat is eigenaardig genoeg juist bij de mens dat
deel van het hoofd, waar zich Goddelijke of duivelse krachten zeer sterk griffen. Dan zie je de
geest, die met je gaat. Dat zien moeten wij bereiken. Wij moeten onze God natuurlijk
uitbreiden. Maar wij moeten Hem voordien eerst beleven voor die uitbreiding werkelijk plaats
kan vinden.
Voor die beleving hebben wij het ritueel nodig, hebben wij die stille overpeinzing
nodig. Een overpeinzing, die, waar wij niet naar het Al gaan en dus gebonden zijn aan
waarden binnen ons zelf, niet gebonden zijn aan de magische werkingen besloten binnen ons
eigen bewustzijn, kunnen grijpen naar elk willekeurig punt uit het Al, dat niet door mensen of
mensenhand gemaakt werd. Alles wat niet kunstmatig is, is voor ons een onmiddellijke binding
met de schepping, voor ons de onmiddellijke binding met God. En uit elk dezer dingen, kunnen
wij een deel der Goddelijke waarde distelleren. Wanneer U dan de bloemen heeft gezien en de
takjes en de bladeren en u denkt, dat deze dingen U voldoende zijn, dan zou ik U willen raden:
Neem een goed vergrootglas, als U het heeft. Bekijk eens een mier, of een spin. Want die zijn
ook deel van de schepping. Probeer dan, of U na de stilte rust en de schoonheid van het
plantaardige in de voor U monsterachtige uiterlijkheid van het insect toch terug kunt vinden
het Goddelijke. Doe dat met overleg. Doe het niet alleen met een wetenschappelijke
nieuwsgierigheid, maar met een eerlijk zoeken naar de waarheid. En ga dan kijken en zeg dan,
of ook deze dingen op zich zelf niet schoon zijn. Het doel van vele der dingen, die gij ziet, zal U
vreemd zijn, of zo het U niet vreemd is, is het U weerzinwekkend. Toch zit daar ook God in.
Ook dat ding is deel van de kosmos, begrijp dat goed. Het is niet alleen maar wat de mens
mooi en wonderbaarlijk noemt. Het is het lelijke en het schone. Maar het lelijke en het schone
zijn in zich harmonisch. Die reuze grote mier, zoals U ziet door het vergrootglas, heeft zijn
eigen schoonheid. Een schoonheid, die voor U misschien niet zo gemakkelijk acceptabel is, dat
is verstaanbaar. Maar ook dit leeft in Uw eigen God. De God in ons is een samenspel van wat
de wereld en daardoor ook alomvattend is, zelfs in zijn beperkte weergaven van de grote God.
Daardoor zult Gij, mijne vrienden, met Uw overwegingen, met Uw rituele overpeinzing kunnen
komen tot een besef van deze waarde. Hebt Gij dat gedaan, dan hebt Gij de eerste trap
bereikt. Gij beziet Uw God als een wezen, dat zijn goed en zijn kwaad heeft naar Uw
standpunt. Gij weet tevens, dat het God zijnde goed moet zijn vanuit Uw standpunt, zodat Uw
eigen waarderingen beperkt en zeer relatief zijn, terwijl de Goddelijke relatie, die Gij vast hebt
gesteld niet relatief, maar objectief genoemd mag worden.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

Dan gaan wij met het tweede punt beginnen. Wanneer wij eenmaal bezig zijn, dan gaan
wij in de meditatie ons niet meer concentreren op een bestaand onderwerp. Dan gaan wij ons
concentreren op een vraag. Een enkel woord misschien. Wij zenden dit met al onze kracht
naar onze God. Wij leren dan in stilte te wachten tot het antwoord komt. Hoe vreemd het U nu
misschien nog klinkt, dan gaat de demon in U, de geest in U spreken. Zij gaat op de duur
verstaanbaar, duidelijk spreken. Zij zal spreken, wanneer Gij haar nodig hebt. En niet alleen,
wanneer Gij haar aanroept en Uw vraag aan haar projecteert. Zij brengt U in contact met Uw
eigen innerlijk, Uw onderbewustzijn. Maar zij gaat verder en brengt U op de duur in contact
met geestelijke waarden, die zich aan Uw onmiddellijk bewustzijn verre onttrekken. Zij geeft U
daardoor een wereldbeleving, schoner, dieper, intenser dan anders mogelijk is. Ook dit gaat
voor ons uiteindelijk voorbij en wordt een normaal deel van het leven.
Dan gaan wij de derde trap van benadering proberen. Wanneer de God in ons spreekt,
beschouwen wij Hem gelijktijdig. Dus de zintuigelijke waarneming komt in de plaats voor wat
wij eerst in het Goddelijke voelden. Het vreemde is dan, dat de stem van de God niet meer tot
ons spreekt in ons zelve, maar uit hetgeen, dat wij waarnemen of beleven. Hebben wij dit
uiteindelijk bereikt, dan spreekt de God, zij het dan ook onze persoonlijke en beperkte God, tot
ons uit alle dingen. Dan spreken de tafel en de stoel, dan spreekt het huis, dan spreekt de zon,
dan spreken de sterren, dan spreekt de aarde. Wanneer wij het zover gebracht hebben en wij
blijven daarbij de redelijk strevende mens, dan hebben wij een benadering van onze God
gevonden, die ons sterk stelt tegenover alle dingen. Tot zover duidelijk en acceptabel?
Dan gaan wij nu verder met de spreken over de Goddelijke wijsheid. Althans, wanneer U over
het voorgaande geen vragen meer hebt te stellen. (Stilte) Aangezien dit dus niet het geval is,
iets over Goddelijke wijsheden. Wij beginnen met een gelijkenis en ik zal U dadelijk nog een
persoon voorstellen, die U daarover ook zijn eigen zienswijze mee zal delen. Zoiets zult U wel
meer tegenkomen in het verdere verloop van onze cursus.
Goddelijke Wijsheid, Goddelijke kracht zijn niet het leven. Maar het leven is slechts de
schaduw van de Goddelijke wijsheid en de Goddelijke kracht.
Dit is het eerste citaat. Wij moeten niet denken dat wat wij zien, het werkelijk Goddelijke is, of
dat wat wij zijn het werkelijk Goddelijke kan zijn. Wat wij zien is een vlek, een kleurloos iets.
Een schaduw, een schaduw, die de bewegingen van het Goddelijke ten opzichte van iets
anders, of de bewegingen in het totaal misschien zelfs volledig zou kunnen volgen en imiteren,
maar waarin de lijnen van het schimmenspel slechts grof en vaak onvolledig aangeven de
fijnheden van onderscheid, die in het Goddelijke zelf vindbaar zijn. Wij kunnen de hoofdlijnen
vinden en herkennen in schaduw maar nooit de werkelijke details, die God maken tot wat hij
is.
Men kan een schim snijden van een bepaalde menselijk figuur. U heeft ze wel eens gezien, de
bekende silhouetten. Een silhouet kan bepaalde eigenschappen weergeven. En als je zoiets ziet
kun je zeggen: hé ja, dat stelt die en die voor. Maar je zult nooit zeggen: dat is die en die. De
wereld, zo wij ze zien, de wijsheid, zo wij ze leren, is in zich slechts de schaduw, slechts in zijn
beste kwaliteit een weergave van de hoofdlijnen van het Goddelijke, terwijl de vlakken zelf
duister en leeg blijven, die slechts kunnen worden ingevuld, wanneer wij van een schaduw,
van het beeld uit hebben geleerd ons om te wenden tot het Goddelijke zelf. D.w.z.
Het redelijke en de z.g. wijsheid de schaduw Gods één en dat één bij het erkennen van de
schaduw van het Goddelijke in rede en wijsheid een ons omwonden naar het schijnbaar
onredelijke, het gevoelsmatige, het geopenbaarde in ons mogelijk maakt.
Begrepen, ja? Dan punt twee. Ook een klein citaat (2e). Het leven vergaat niet, maar het
verandert van vorm. Toch is het leven van God en God is eeuwig. Hoe kan God van vorm
veranderen? Dan is het antwoord op deze vraag: Niet God verandert, maar Gij verandert in de
waardering van Zijn Wezen. Dat houdt in dat elke mens, die in de veelheid der veranderingen,
van de tijd enz. het Goddelijke zoekt, er rekening mee moet houden, dat al de constante
waarden in zijn waarnemingen het werkelijk Goddelijke vertegenwoordigen. De
bijkomstigheden, de verandering die vaak voor de mens het meest belangrijk is en ook voor
de geest vaak nog heel veel kan betekenen, is in werkelijkheid een spel, dat vanuit ons wezen
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

gaat, dat ons wisselende oordelen over het Goddelijke betekent. Dat slechts wanneer wij op de
duur van dit oordeel afstand doen en het Goddelijke kunnen aanvaarden zonder meer, de
werkelijkheid voor ons geopenbaard wordt. En nu krijgt U het derde citaat en daarna laat ik
even een andere spreker aan het woord:
Wanneer God is in het duister en in het licht, hoe kan er dan een rijk der duisternis
bestaan?"
Ik citeer hier uit hetzelfde werkje als het vorige, eh…… vraag en antwoord. Het antwoord
hierop luidt:
Er is geen licht en er is geen duisternis, er is alleen eenheid. Maar wie in zich de eenheid als
tweeheid ervaart zal kiezen tussen licht en duister. Ofschoon de eenheid dit niet bemerkt".
Dit laatste citaat wil alleen zeggen, dat het een persoonlijke toestand is, die elk verschil tot
uiting doet komen en dat de hel en de hemel gelijkelijk niet zijn Goddelijke scheppingen of
creaties, maar menselijke creaties. Althans creaties der schepselen, die in zich een
onderscheid maken tussen God en God. Iets wat op zich zelve dwaasheid is, maar voor de
levensrealisatie van deze wezens tot nu toe een noodzaak blijkt. Nu laat ik U een spreker, die
kort hierover ook zijn eigen inzichten weer zal geven, iemand, die ik zeer respecteer.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Te spreken over Goddelijke waarden is een zeer moeilijke taak, Wanneer wij God zoeken te
benaderen dan is ons hele streven uiteindelijk gericht op het vrij maken van ons zelve. Van de
veelheid der rond ons bestaande feiten, gebeurtenissen en personen, die zich voortdurend in
ons emotioneel in ons gemoedsleven indringen, en een aparte betekenis voor ons verworven.
Hierin ligt nu vrijwording, maar ook vaak een grote fout. In mijn leven heb ik geprobeerd om
altijd weer alle menselijke beweegredenen en emotie uit te blussen uit mijn leven. Toen ik dit
bereikte, werd ik eenzaam. En in mijn eenzaamheid heb ik het Goddelijke niet gevonden. Ik
ben terug gekeerd tot de mens. Ik heb aan de mensheid gegeven wat ik geleerd had aan de
mens te weigeren. Ik heb, wat ik zintuigelijk en redelijk verworpen heb, aanvaard en ben
daardoor gekomen tot een gelijker houding tegenover alle mensen, alle schepselen, al het
zijnde. Van dat ogenblik af had voor mij de gehele wereld een gezicht. Men dacht, dat ik het
Goddelijke bereikt had,
De dwaasheid en verwaandheid van een mens in mijn toestand zijn vaak ver boven alle
verwachting, boven alle mogelijkheidsverwachting verheven. Overgaande heb ik gezien, dat
het gezicht, dat de wereld voor mijzelf slechts een deel van mijn wezen was, dat ik in die
wereld had gelegd. Toen heb ik gezegd: dit gelaat wil ik niet meer aanschouwen. En ik heb het
uit mijzelf weg gevaagd met veel strijd. Nu zie ik iets, dat misschien voor mij God kan
betekenen. Want nu heeft de wereld weer duizend gezichten, niet slechts één. Maar ik zie in
die duizend gezichten altijd weer eenzelfde woord, een zelfde gedachte, eenzelfde kracht. Deze
vinden hun weerkaatsing in mijn ziel. Waar zij in mij klinken en in de wereld. En toch niet door
mij kunnen worden erkend als deel van mijn wezen, meen ik hiermede het Goddelijke
benaderd te hebben. Het is moeilijk om uit te maken, of mijn nieuwe wereld van vormloosheid,
van licht van ongekende klank meer Goddelijk is dan Uw wereld. Want in beiden zie ik dezelfde
veelheid, maar voel ik dezelfde weerkaatsing in mijn wezen. Wel weet ik, dat mijn nieuwe
wereld het mij eenvoudiger maakt om deze weerklank te scheiden van wat leeft uit mijn
persoonlijkheid, uit het denken en streven in mijn wezen. Ik meen echter te mogen zeggen,
dat wij allen gelijkelijk dicht, waar wij ook zijn, bij God zijn. Dat het slechts onze fout is, dat
wij Hem niet willen erkennen als de stem, die van buiten af spreekt tot ons en als een echo
terugspreekt uit ons wezen. Want die kracht, die ons wezen gelijk aan alle wereld, harmonieus
heeft, moet wel zijn de grote oplossing, die de werkelijke Al-kracht betekent, zoals men zegt:
in de bloesemtak of in de vrucht, in de rijstwijn of in de vrouw, ik vind de volheid van het
bestaan, wanneer ik ze beschouw. Dit is althans voor mij, langzaam tot waarheid geworden,
en in deze waarheid meen ik mijn God genaderd te hebben. Wanneer ik voor U wat
onbegrijpelijk spreek, moet U mij verontschuldigen, waar ik menselijke taal en zeker Uw taal,
in lange tijd niet gehanteerd heb. Maar waar Uw wezen een echo in mijn denken achter laat,
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

mogen wij toch denken, dat in ons een gemeenschappelijk vragen werkt, die voor ons allen
een gelijke bewustwording zal kunnen betekenen.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
U heeft dan weer hier een stukje van een filosofie en wereldbeschouwing kunnen zien, die in
onmiddellijk verband staat met het persoonlijk zoeken naar het Goddelijke. Wij mogen deze
vriend zeer dankbaar zijn, dat hij zich zelve zo heeft willen uiten. Of zijn zienswijze juist is?
Voor hem waarschijnlijk, maar voor ons is het een grote vraag. Echter weten wij één ding
zeker. Wij allen begeren het ogenblik te bereiken, dat uit ons wezen een echo antwoordt op de
stem, die uit de wereld en de kosmos tot ons komt. Dat moment is voor sommigen zo nabij,
dat de geleidelijke ontwikkeling al begonnen is. Voor anderen nog ver weg. Laten wij vooral
trachten de stemmen in de wereld buiten ons te verstaan. Moge dan onze beschouwing
subjectief zijn en onze beschouwing nog volledig onderworpen aan onszelf, op een ogenblik
zullen wij zeker in de wereldrond ons iets herkennen, dat wij er mee gemeen hebben. Dit
gemeenschappelijke brengt ons waarschijnlijk dichter tot het Goddelijke. Daarmede wil ik voor
vanavond de lezing mee besluiten, vrienden. Ik hoop, dat U de betekenis hiervan goed hebt
begrepen.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden.
Het is dan weer het ogenblik, dat wij een onderwerp van U kunnen gaan behandelen. Ik ben
erg benieuwd of U een onderwerp heeft. (stilte). (Spreker moedigt de aanwezigen aan, geeft
ook de gelegenheid om vragen te stellen).
Kiest U dan een eigen onderwerp.
Dan moet ik toch nog eventjes iets zeggen. Als ik jullie hier zo allemaal bij elkaar zie zitten,
zijn er verschillende bij, die problemen of onderwerpen hebben. Wij kunnen een groot deel
daarvan natuurlijk ook wel zo oplossen, maar het is juist de bedoeling, dat U met die proble-
men zelf naar voren komt, dat U ze voor U zelf overdenkt en omschrijft. Het is dus niet voor
ons, dat wij zeggen: begint U nu maar eens met een onderwerp, maar werkelijk voor U. Ik
geloof, dat het toch wel heel goed zou zijn, wanneer U zich die moeite zo nu en dan zoudt
getroosten: zoveel moeite is het per slot van rekening niet. U heeft weer een hele maand de
tijd om nu eens te zeggen. Dat is een probleem, waar ik wat over wil weten. Dan U zelf eerst
af te vragen: wat weet ik er eigenlijk over, wat denk ik er over en dat samen te vatten in twee
of drie minuten spreektijd. Die ben je zo kwijt. Op die manier kunnen wij heus heb meer
gunstig werk verrichten in deze cursus. Vaak is het zo, dat op de duur de eigen onderwerpen
belangrijker worden dan de cursus. Die cursus kan wel heel mooi en heel goed zijn, maar zij
gaat van ons uit. Wat van U uit gaat, kan veel belangrijker voor U zijn, omdat het de
problemen zijn, waar U zelf mee worstelt. Zullen wij dus afspreken, dat wij het de volgende
keer anders doen, ja?
Mag ik U dan hierop een vraag stellen? (Zeker). Hoe denkt U over God de Vader, de Zoon
en de Heilige Geest? Moeten wij die zien als drie gescheiden delen, of is het één? Ik voor
mij persoonlijk kan het nooit gescheiden zien. Het is voor mij één en dat is.... ja..... de
Schepper, of oerbron. In het Christendom hebben wij God de Vader, de Zoon en de Heilige
Geest gekregen. Kunt U ons daar iets over zeggen?
Ja, wanneer wij zeggen de Vader, de Zoon en de Heilige Geest spreken wij daarmee drie
functies aan, die in onze ogen gescheiden zijn, van hetzelfde wezen. Ik geloof, dat wij dat eens
zijn. Nu is de kwestie natuurlijk, hoe zijn wij daartoe gekomen. In de eerste plaats sprak Jezus
reeds over de Vader. De Vader. Waarmee Hij niet alleen bedoelde zijn vader, ofschoon zeer
zeker de Vaderrelatie altijd bestaat, maar de Schepper. Nu is de mens ertoe gekomen om God
a.h.w. in twee delen te scheiden. Het één is de Geest en het andere is de stof. Beiden zijn uit
God voortgekomen en op de duur is deze titel de Vader, die eerst een aanduiding was van het
zelfstandig karakter Gods. Vergeet niet, dat in Jezus de naam "De Vader" gebruikte en niet de
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

moeder, de man de dragende kracht was van de gemeenschap en de vrouw iets, wat er nu...
eigenlijk maar een beetje bij bungelde. Binnenshuis was het misschien anders, maar daar
kunnen wij op het ogenblik niet over oordelen. Dus de naam "Vader", wilde aangeven, de
zelfstandigheid plus de scheppende realisatie tot de Schepping. De mens kwam, zoals gezegd,
al heel gauw tot een scherp onderscheid tussen stof en geest. Dit onderscheid werd in het
Christendom zover doorgedreven, dat men in de Vader uiteindelijk alleen maar een geestelijke
macht zag die zelfs tegengesteld was aan de stof. Wanneer U daar iets meer over wilt weten,
zou ik U raden om de verschillende, mysteriespelen eens na te gaan, de z.g. religieuze
mysteriespelen, die in de middeleeuwen werden gespeeld en waarvan er tot heden nog velen
bewaard zijn gebleven. Daar zult U steeds dezelfde uitdrukking in zien, daarin wordt God
tegenover de wereld gesteld. De Vader is de gene, die verlost en met Zijn Engelen schept en
regeert. Maar de duivel, zoals die op de voorgrond komt, is degene, die met de centenbak
rammelt en die het over lekker en andere genietingen heeft. M.a.w. die de wereld, de
stoffelijke genietingen etc. vertegenwoordigd. Ook in de huidige toestand leeft dat nog verder.
Er zijn zelfs gemeenschappen, die bang zijn om eens een keer te lachen, omdat zij menen dat
stoffelijke vreugde schadelijk is voor de geest. Wat een onzin, nietwaar? De z.g.
zwarte-kousen-kerkjes. Ofschoon het mij duister is, wat kousen en lingerie hebben uit te staan
met het al of niet goed dienen van God, dus de Vader. Jezus spreekt van de Vader om de
scheppende relatie tussen Hem, schepsel, en de Vader, Schepper, vast te stellen. De uiting
van de Goddelijke Geest is het totaal der schepselen, maar kan in sommige dier schepselen
weer bewust plaats vinden, dan in anderen. Wanneer een eenheid, zij het dan ook maar op
één punt of bewustzijnsvlak, bereikt wordt met de Vader, dan kunnen wij spreken over
degene, die dit stoffelijk draagt, niet meer zoals de Schepper, maar als de Zoon, waar de Zoon
de Vader kent. Dus de Zoon is voortgekomen uit de Vader en draagt in zichzelf het kennen van
de Vader. Dit laatste is noodzakelijk. Hierdoor eerst wordt Hij tot de Zoon, zodat wij kunnen
zeggen, dat de Zoon een uiting is van een deel der Goddelijke kracht door een schepsel, of een
deel der Schepping. Maar het is een uiting van dezelfde God, De Vader. Zijn wij het zover met
elkaar eens? (Ja). Nu waren er verschillende fenomenen, die men wenste te verwerpen. Het
eigenaardige is, dat over de Geest vaak, wordt gesproken, ook reeds in het begin van het
Christendom, maar dat over de Heilige Geest eerst wordt gesproken, ongeveer driehonderd
jaar na Jezus' sterven. Dat heeft een betekenis. De geest, zoals men het uitdrukte, daarmee
bedoelde men de Geest Gods, ofwel een onzichtbare kracht, die uit de onmiddellijke Schepper
voortkomende, bepaalde personen begeesterde en hen tijdelijk ver boven hun eigen zijn en
kunnen verhief. Maar men heeft langzaam maar zeker die Geest Heilig willen maken. Alles wat
uit het Goddelijke komt, is natuurlijk in zich Heilig. Maar om die Geest nu apart de Heilige
Geest te gaan noemen, de Heilige Geest, heeft daarvan een persoonlijkheid gemaakt. En zo
zien wij dan b.v. dat het symbool van de duif, die tijdens de doop van Jezus door Johannes de
Doper verschijnt, oorspronkelijk door de Evangelist bedoeld als een herschepping: en de geest
zweefde over de wateren, hé? En de Geest zweefde in de gedaante van de duif, weet U wel?
Dit brengt met zich mede, dat de Evangelist wilde meedelen, dat door de Goddelijke kracht en
kennis, die in Jezus, tot uiting kwam, de Goddelijke Geest een herscheppende mogelijkheid
vond in de mensheid en Hij vanaf dit moment, de doop door Johannes de Doper, Jezus maakte
tot het herscheppend element van de Goddelijke Kracht in stoffelijke vorm, werkzaam op
aarde. Men maakte daaruit de Heilige Geest. Al heel gauw ontmoet te men meerdere
fenomenen, die moeilijk verklaarbaar waren. Denkt U nu maar aan het Pinksterfeest. Er
werden handen opgelegd in het begin van het Christendom, er word genezen, er werd
geprofeteerd en gezien. Er waren profeten. Dit alles was zeker een werken van "de Geest"
omdat een verheffing boven het stoffelijke peil, waarbij het Goddelijke, dichter benaderd werd,
welke uiting, zo U weet, oorspronkelijk "de Geest" werd genoemd door personen en groepen
beleefd, of benaderd werd. Maar deze kracht was een persoonlijkheid. Dit was een uiting van
de scheppende krachten in de mensen. Men vond het echter veel te lastig, al deze dingen aan
de Vader toe te, schrijven, want dan zouden die mensen misschien gaan denken, dat zij het
deden. Er waren inderdaad genezers in handopleggers, die zeiden: "Met de hulp van de Vader
genees ik". Er waren echter ook een stelletje van die hoogwaardigheidsbekleders die konden
niet genezen en profeteren. Maar ja, zij waren toch net zo goed vertegenwoordigers van de
Vader op aarde als die anderen. Dus daar moest wat op gevonden worden. Toen gingen zij
zeggen: "Ja maar, die anderen worden door de Heilige Geest bezield. Dat is een Goddelijk
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

persoon". Ziet U, dat riekt naar een beetje bijgeloof eigenlijk, die manier om het te zeggen.
Het was een verontschuldiging voor het eigen wezen, dat men op een gegeven moment niet
de werkelijke prestatie, die verwacht kon worden van iemand, die naar het Goddelijke streeft
en principes en leerstellingen zelf volledig in de praktijk brengt. Dat men daarin faalde en dat
het niet ging. Die uitvlucht is langzamerhand geworden tot een derde persoon van de
Drievuldigheid. Nu hadden zij daarbij een grote hulp aan oudere leerstellingen, want ook
vroeger al was er sprake van een Drievuldigheid, of een Drie-Eenheid. Men stelde reeds in het
vroege begin der mensheid de Godheid voor als een prisma. Later werd het een driehoek.
Maar een prisma en wel omdat een prisma een breking veroorzaakt in het licht en daardoor
oorspronkelijk witte licht in een gekleurde band uiteenspreidde. Daar is het eigenlijk mee
begonnen. En elk dier zijde van het prisma had dus een eigen functie in het geheel. Het eerste
ontneemt, het tweede reflecteert en het derde uit. En zo zei men: "Het Goddelijke is één
kracht. Maar die ene Kracht werkt op drie wijzen. In de eerste plaats wordt deze Kracht
opgenomen: in het wezen zelf wordt dus deze opgenomen, overwogen, er is een
denkvermogen, dat de Kracht overdenkt en het wordt na deze opname een overweging, dus
weerkaatsing, geuit, zodat het Goddelijke in zichzelf tot uiting brengt het totaal van de
krachten, die in het Goddelijke leven. Daar stamt het eigenlijk van af.
Nu kunt U wel nagaan, dat op de duur het prisma, een drie-dimensionaal geval dus, in de
twee-dimensionele weergave dus, werd tot een driehoek. Drie vlakken. Nog steeds juist
wanneer ten minste de juiste uitlegging er bijkomt. Later ging men verder en zei: Daarom
moet er een kennend wezen zijn, een wetend wezen, dat het Al kent en ziet". Wat vereend
met het voorgaande leidt tot het bekende symbool van het oog in de driehoek. begrijpt U?
Deze symboliek vinden wij terug bij sommige Perzische godsdiensten: wij vinden het b.v.
terug in de Mithrasdienst en wij vinden het natuurlijk evenzeer terug in het Christendom. Maar
in het Christendom eigenaardig pas in het algemeen in de jaren drie- tot vierhonderd jaar na
Christus. (Bij de Albigenzen). Bij de Albigenzen ook inderdaad. Daar vinden wij dit teken in de
eerste plaats als het Goddelijke Symbool. (Maar daar spreken zij dan ook niet van de Heilige
Geest). Neen. Zij spreken hoogstens van de Geest Gods. Dat is een heel verschil. De Geest
Gods is dus de uiting van het Goddelijke op het geestelijk vlak. U zult begrijpen, dat wanneer
wij het probleem op deze wijze beschouwen, voor ons de scheiding in drie personen, hoe dan
ook onderling geketend, onzinnig wordt. Zouden er drie afdelingen in de Godheid zijn, dan
zouden er drie, misschien gecoördineerde, maar op zich onafhankelijke scheppingen moeten
bestaan en juist dat is iets, wat wij het absoluut nooit mee eens zouden kunnen zijn. Want wie
leeft, zoals wij leven, ieder heeft zijn eigen bestaan, de eigen sfeer, waar men in woont, zo
leeft U in Uw wij in onze eigen wereld: ieder leeft op zijn eigen manier, ieder van ons kent in
zichzelf reeds verschillende bewustzijnsvormen. Wij kunnen dus aannemen, dat die overal in
de schepping tot uiting komen. Dat, naar gelang ons eigen bewustzijn zich concentreert op een
van die vlakken, wij dat vlak als het sterkste en meest betekenende beleven, nietwaar? Dus
mogen wij aannemen, dat de gehele schepping een geheel is, dat zich echter als totaal aan
ons kenvermogen onttrekt, doordat wij steeds maar op een niveau leven daarin en van niveau
tot niveau ons ontwik kelen, maar het voorgaande althans ten dele, voorlopig laten vallen om
eerst het nieuwe in ons op te nemen. Het is één geheel. Maar door ons wezen en onze
geaardheid onderscheiden wij verschillende vlakken. Eén geheel, één schepper: verschillende
bewustzijnsmogelijkheden in één schepping, in één uiting. Nu, ik geloof dat ik daar voldoende
mee heb gezegd. Commentaar? Vragen? Is er iemand anders die nog een onderwerpje heeft?
(stilte)
Ik heb er wel een, maar dat is zo'n kleine. Het is een probleem. Het is misschien voor
meerdere ook een probleem maar er is wel eens gesproken over licht en duisternis..... dat
iedereen mens in zich heeft. Dat zou hij dan op dit ogenblik zo kunnen noemen: misschien
is het je zou ook kunnen zeggen, het is fout. Maar iedereen heeft dus positief en negatief,
of hoe U het noemen wilt, of goed en kwaad. Maar er wordt ook wel eens gezegd: Het
bestaat niet. Maar wij zijn nog op het vlak, dat wij zeggen: het bestaat wel voor ons. Heb
ik het zo goed gezegd? (Ja hoor, heel goed zelfs, ik zou niet weten, waarom niet). Nu is de
moeilijkheid.....nu heb ik ook eens gehoord en gelezen op een cursus, op een avond, dat
iedere mens heeft evenveel goed en kwaad in zich. Is dat zo?
Dat is volledig zo.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

Ja, ik vind het wel erg moeilijk, want je wilt altijd het goede, maar je doet kwade, of je
denkt, dat je het kwade doet. Is dat ook een persoonlijke belevenis. Dat vind ik nu juist de
grote moeilijkheid om te... ik zou haast willen zeggen, boven jezelf uit te stijgen, want daar
wil je natuurlijk naar toe.
Ja, maar je kunt nooit boven jezelf uitstijgen.
Dus je blijft altijd jezelf? Maar je wilt dus altijd beter worden?
Ja, maar wat is nu beter worden? De meeste mensen denken, dat beter worden betekent in
één richting gaan. Maar dat is eigenlijk niet waar.
Neen, want je wordt getrokken......... ik zou haast zeggen, aan duizend kanten. Dat vind ik
nu juist de moeilijkheid, want wij hebben zo-even gehoord over die stem in ons. Die stem,
die heb ik ook. Maar ik heb dan zo dikwijls ook weer een andere stem. Ja, soms wel
meerdere. En dat vind ik nu een grote moeilijkheid. Moet je nu weer terug gaan.... Je weet
dikwijls niet eens meer welke stem het eerst sprak. Laten wij dan naar aannemen dat, dat
is de goede stem. Het zou misschien nog mogelijk zijn, wanneer wij allen terug konden
brengen tot de eerste impuls. Maar die zijn wij meestal al weer vergeten, omdat wij zo
druk bezig zijn met enfin, dan zijn wij die eerste impuls alweer kwijt en dan weten wij niet
meer, wat wij doen moeten, zodat wij het juist verkeerd doen en dan achteraf zeggen: nu
heb ik weer het verkeerd gedaan en ik wil zo graag het goed doen. En ik doe het steeds
weer fout en dan wordt dat eenvoudig een onharmonisch voelen in jezelf, tenminste, zo
heb ik het. Misschien hebben anderen het ook, maar daardoor ga je jezelf ongelukkig
voelen, doordat je maar steeds verkeerd doet. Ja, dat zo ik tenminste van mijzelf. Ik weet
niet, of.....
Nu, mag ik dan eerst even een opmerking maken? Datgene waar ik in het begin om heb
gevraagd, dat komt nu als een z.g. klein vraagje naar voren en ondertussen komt een
levensprobleem naar voren, waarmee wij ons zeker allemaal een tijdje mee bezig dienen te
houden.
Ik vond het eigenlijk te persoonlijk.
Kijk eens, het is niet persoonlijk, omdat het ook op U betrekking heeft. Maar pas op. Daar
gaan wij van stapel. Ik zal proberen het zo kort en toch zo duidelijk mogelijk af te doen. In de
eerste plaats leeft in ons natuurlijk een voortdurend ervaren van goed en kwaad. Maar goed
en kwaad, licht en donker zijn persoonlijke ervaringen. Die hangen af van ons standpunt. Er
zijn wezens voor wie Uw licht een duisternis wordt, doordat het verblindt, terwijl Uw duisternis
voor hen juist een zuiver zien, een gezichtsvermogen geeft en dus voor hen licht betekent. Er
zijn ook wezens voor wie Uw volste licht een duisternis betekent terwijl wat wij licht noemen
voor U het niet is. Laten wij daar even mee beginnen. Wanneer je dit dus goed begrijpt, dan
komt je dus tot de realisatie, dat elke waardering van licht en donker, van goed en kwaad voor
U een relatieve waarde heeft. Wij kunnen dus niet afgaan op een oordeel, dat wij zelf vellen
van: dit is goed en dat is kwaad. Wij kunnen hoogstens zeggen: ik vind dit goed of ik vind dit
kwaad. Nu is de grootste fout, die er wordt gemaakt wanneer men, zoals U met dat probleem
worstelt, is deze: men handelt op het moment zo goed als men maar kan. Men meent op dat
moment, dat, wat men doet op dat moment geoorloofd, redelijk en aanvaardbaar is. Men
probeert het verder zo goed en zo juist mogelijk te doen. Maar wanneer men terug ziet, gaat
men er anders over oordelen. Maar dan heeft U het recht niet meer om er nogmaals over te
oordelen. Wist U dat? (Oh). Want wanneer iets gedaan is en het is zo goed mogelijk gedaan,
dan zijn de gevolgen ervan misschien onaangenaam. Maar dat mogen wij onszelf niet
verwijten. Wanneer die gevolgen, volgens ons kwaad zijn, moeten wij alleen de volgende keer,
hetgeen dat wij geleerd hebben, mede inrekenen en zo verder kwade gevolgen voorkomen.
Verder: Wij hebben natuurlijk allemaal een zekere reeks van verlangens in ons, of begeerten,
of hoe U het noemen wilt. Die verlangens of begeerten zijn wij vaak geneigd kwaad te
noemen, omdat deze op onjuiste wijze geuit, volgens de gemeenschap, niet juist zijn. Maar het
oordeel van de gemeenschap heeft alleen in ons leven iets te maken in zoverre wij er zelf
volledig in geloven. M.a.w. wanneer U iets doet, U heeft b.v. een kippetje geslacht en er komt
een dierenvriend-vegetariër bij U, die U vertelt, dat het ontzettend slecht is. Ja, ik kan mij
voorstellen, dat zoiets zou gebeuren, dan zoudt U zich aan kunnen laten praten, dat U iets
slechts heeft gedaan begrijpt U? U heeft dat kippetje geslacht in de eerste plaats, omdat U dat
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

vlees nodig had, maar niet omdat U verlangde die kip te doden, of alleen op te eten, maar
omdat U tevens dat voor wat anders nodig had. Laten we zeggen, U wilde bouillon maken voor
een zieke. Die handeling was dus goed. En nu zegt deze vriend tegen U: Ja maar, je had dat
plantaardig ook kunnen doen, en dan was het veel gezonder en veel beter geweest. Dan zegt
U: hoor eens, vriend, dat is jouw mening, maar daarom is mijn zienswijze nog niet slecht.
Zelfs wanneer ik ongelijk heb, heb ik dan niet het beste gedaan, wat ik kon doen? Maar als je
me leert, hoe die plantaardige bouillon te maken is en in ontdek, dat zij even goed is, een zal
ik mij voortaan daar aan houden, dan maak ik geen kippen meer dood, nietwaar? Dus wat
voor U het grote bezwaar is: wat u nu goedkeurt, dat keurt U dadelijk weer af. Dat is een heel
vervelende kwestie, want als je daar eenmaal mee begint, dan zit je altijd in de knoei.
Dus spijt is er niet meer bij.
Neen. Als er iets U moet mij niet kwalijk nemen, hoor, maar als er iets nutteloos is, dan is het
spijt of berouw. Je hebt iets gedaan, dus je moet de consequenties erven aanvaarden. Dat is
logisch. Je moet niet zeggen: oh, wat heb ik nu een pech, want nu heb ik dit gedaan en nu is
heb zo uit gelopen. Als U een praatje heeft gewaakt en de melk is overgekookt, ga dan niet
staan jammeren over de rommel. Ga ook niet later tegen jezelf zeggen: wat ben ik toch dom
geweest, dat ik die melk heb laten overkeken. Denk alleen bij jezelf: hè, ik dacht, dat dat
praatje goed was, maar het was schijnbaar toch niet goed, want de resultaten waren niet in
orde. Ik moet U voortaan een beetje anders aanpakken. Als je op die manier door het leven
heen gaat, dus zonder steeds weer te zeggen, wanneer je terug kijkt: nu ben ik toch slecht
geweest. Maar integendeel, zeg: wat zijn de gevolgen van mijn daden?
Ja maar, als nu het motief ven dat praatje goed geweest is, wat komt het er op aan al
kookt die melk over? Degene met wie dat praatje gehouden is, heeft misschien een heel
prettige dag, of in misschien uit de put gehaald, of wat dan ook. Het motief gold toen
alleen maar.
Inderdaad. Het motief geldt alleen ener. Maar..... het was onverstandig om de beide ringen te
combineren. Ja en nu neem je het motief mijnentwege als hoofdpunt en je zegt: ik heb het
goed bedoeld. Ik ruim de rommel op, maar de volgende keer zet je eerst even de melk af.
Begrijpt U? Daar gaat het om.
Maar in vind, wanneer je iemand kunt helpen misschien door een praatje te maken, dat het
er niets op aan komt, dat de melk overkookt.
Neen. In werkelijkheid komt het er ook niet op aan, behalve dan voor jezelf. Omdat U niet
kunt beoordelen in hoeverre dat praatje nodig was, de rommel ziet en dan komt tot spijt of
berouw, dat niet nodig was. U kunt over het algemeen de werkelijke consequenties en
draagwijdte van Uw daden en handelingen niet beoordelen
Ja en daar zit nu juist voor mij de moeilijkheid. Wat je wel eens voor een feit wordt
gesteld, wat er door dit of dat te doen, wat daar uit voort kan komen. Ik bedoel, je wordt
wel eens voor een feit gesteld, dat je iets moet beslissen voor de één of ander. De moei-
lijkheid is dan, dat je zegt: ik kan dit doen en ik een dat doen, maar ik kan eenvoudig er
niet uit komen.
Nu, dan is het toch heel eenvoudig want je kunt er altijd uit komen. Dan gaat U tegen U zelf
zeggen: kijk, ik sta hier voor een keuze. Wat zijn mijn begeerten? dat wil ik doen? Wat zijn
mijn bezwaren? Dan zegt U tegen Uzelf: ken ik de consequenties voor mijn geweten
aanvaarden? Ja? Dan doe ik het. Kunt U dat niet, dan schuift U het helemaal van U af en zegt:
dan doe ik maar iets anders, iets dat ik wel kan accepteren. Begrijpt U? Als U ooit voor een
beslissing staat, onthoud dan maar één ding. Ten eerste, dat ben ik met U eens, wanneer U de
eerste stem, de eerste impuls volgt, doet U het meestal goed. (Daar gaat het om). Die stem is
er wel, maar dan ga je meestal proberen er die stem te beredeneren. Dan raakt U juist in de
war. Maar laten wij aannemen, dat dat nu eenmaal is gebeurd. Je zit in die war. Dan is het
toch zeer logisch, wanneer je jezelf vraagt: Wat is het beste, dat ik naar mijn inzicht van dit
ogenblik kan doen. Dan overweeg je het allemaal en dan praat je er niet verder over. Dan zeg
je: doen. Dat is nu het verschil tussen de U.N.O. en Mendes Franco. De U.N.O. praat en praat.
Zij bedoelen het allemaal ontzettend goed, maar omdat zij zoveel er over praten, komen zij tot
niets en brengen zij uiteindelijk een veel grotere verwarring tot stand, dan wanneer zij,
misschien iets minder doordacht, maar daarentegen wat meer besluitvaardig zouden zeggen:
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

nu ja, hup, dat doen wij. Basta. En blijkt het niet goed te zijn, den zullen wij dat erkennen, het
terugnemen en het anders doen. Maar dit doen wij. Dan gebeurt er tenminste iets. Dat is
hetzelfde als Mendes France heeft gedaan. Die heeft gezegd: kijk, ik neem het risico. Het is
misschien niet goed wat ik doe, maar dat zal ik later wel zien. Maar nu voel ik, dat dit de beste
weg is en zo doe ik het.
Ja, een mens moet toch ook wel eens een risico durven nemen. Dat is zo.
Maar dan kun je brokken maken.
Ja, ik meen, dat je toch van dag tot dag moet durven leven.
Juist. Weet U, er zijn een hele hoop mensen, die, als ik een voorbeeld mag noemen, die een
gelegenheid krijgen om een nieuwe luxe-wagen te kopen. Zij kopen hem, poetsen hem, zetten
hem in de garage. Het ding wordt regelmatig onderhouden etc. Maar ze durven er niet mee te
rijden. Stel je voor dat er een krasje op zou komen!
Je hebt je leven gekregen om er mee vooruit te komen. Niet om dat leven met alle zekerheid
te leven, te zorgen dat er vooral niets gebeurt. Dan kom je ook nergens. Dus de mens die
risico durft te nemen, ik zou haast willen zeggen, die gevaarlijk durft te leven, zal veel meer
bereiken in zijn leven. Die zal veel meer geluk, veel meer geestelijke bewustwording hebben
etc., dan degene die het altijd maar bij het zekere houdt. Onthoud nu maar één ding: Het is
beter, dat je loopt en desnoods iemand op de tenen trapt, want daar kun je nog altijd je
excuses voor maken. dan dat je stil blijft staan als een zout pilaar, geen mens iets doet, maar
misschien voor iedereen een sta-in-de-weg bent.
Is daar nog commentaar verder? Ik heb het zo kort mogelijk gehouden, hoor. Want U weet, er
komt nog een spreker voor het schone woord ook......Maar mag ik dan nog één ding zeggen?
Dat is dit: wees nooit bang om iets fout te doen. Doe alles zo goed als je kunt, maar wees niet
bang om het fout te doen. Slechts door de fouten, kun je leren, alleen door het donker kun je
het licht leren zien enz. enz. Je kunt dus pas uit je mislukkingen iets werkelijk goeds
opbouwen. Let maar eens op. Ga naar een laboratorium, waar geëxperimenteerd wordt.
Duizend mislukkingen, maar de duizendste keer kan men slagen. Uit de mislukkingen werd
uiteindelijk het gewenste resultaat bereikt. Het laatste experiment was eigenlijk voor niets.
Waar het op aan kwam was de reeks, die daaraan vooraf ging en verder niet meer over wordt
gesproken. Voor U is precies zo. Uit Uw fouten in het leven zult U meer leren, dan uit Uw
voorzichtig goed leven. Hoe meer U denkt dat geborgenheid noodzakelijk is, dat je zeker van
je zaak moet zijn enz. enz., hoe minder kans, dat je vooruit kunt. maar wel één ding in de
gaten houden: je hebt een einddoel. Dat einddoel is geestelijke verreiking en bewustwording.
Hoop ik. Die geestelijke uitbreiding van bewustzijn zegt tegen je: denk er om, je mag nooit
iets doen, dat strijd of strijdig is met je eigen wezen. Wat je zelf verwerpt, mag je nooit doen.
Verder verwerp je automatisch al datgene, waar een ander werkelijk het slachtoffer van wordt.
Je wilt, wanneer je eerlijk bent, niet jezelf verbeteren ten koste van een ander. Je zou dat
onwillekeurig kunnen doen. Maar dan heb je daar niet veel mee te maken en rest je
hoogstens, die andere daar voor een zo mogelijk aangemeten vergoeding te geven. Maar je
moet voor jezelf zeggen: Dit vind ik goed, dus doe ik het. Door mijn mislukkingen zal ik dan
het einddoel ook kunnen bereiken. Nu vrienden, dan ga ik afscheid nemen. Ik zal het woord
overgeven aan de laatste spreker.
Goedenavond allemaal.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
U zult met mij besluiten met het Schone Woord en wij zullen trachten dit een eigen vorm te
geven. Mag ik van U een paar onderwerpen vragen, waarop wij dit kunnen baseren?
Levensdurf - Offer - Bezinning
Ik geloof, dat dit voldoende is.
Een offer brengen is geen kunst. Er zijn momenten, dat een offer een vlucht is, een vlucht
in het offer. Laten wij dus onthouden, dat een offer alleen maar worden gebracht, wanneer
daarmede voor een ander werkelijk iets bereikt wordt. Maar dat een offer brengen voor je
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 4 – 13 januari 1955

zelve een dwaasheid is, laten wij dan zeggen, dat levensdurf een noodzaak is. Want
wanneer wij niet durven te leven, zullen wij ondanks onze bezinning en overweging ten
gronde gaan. Dat kunnen wij dan samen vatten op de volgende wijze:

Ik zocht in het leven naar levende kracht en dacht, dat het leven de vrijheid mij bracht.
Ik wilde gaarne offeren, zelfs dat leven, wanneer mij daardoor geestelijk licht en wijsheid
werd gegeven.
Ik heb het offer tevergeefs gebracht, ik verkreeg gen licht, mij bleef alleen de nacht
ondanks het geestelijk streven.
Toen heb ik een offer voor anderen gebracht.
En ik zei: "Mens, durf toch te leven, durf toch werkelijk te zijn zo, je bent te geven.
Wat deert mij het lijden, wat deert mij de pijn, wanneer ik mij zelve, mij zelve kan zijn,
wanneer ik naar bewustwording kan streven.
En ziet, in de fouten van het leven geopenbaard.
Heb ik de waarheid gezien en meer dan alle lijden was mij dit waard.
Ja, meer dan het leven. Ik zag er een kracht, die het lichte mij bracht, mij zei: De fouten
van het leven zijn door de erkenning juist van hun bestaan het licht, dat U, mens, wordt
gegeven.
Ga er je weg en zing er je zang, durf er volmoedig te streven.
De overwinning vindt alleen wie er durft te leven.
Maar valt soms het offer van het leven je zwaar, voel je je bedreigt door het vele gevaar.
Bedenk, het bewustzijn bereik je alleen wanneer je durft te gaan door het leven heen.
Wie niet offert, of offert alleen maar uit angst, denkt: Ik leef zeker, maar streeft nog het
langst.
Die kan geen bewustzijn bereiken.
Er zal echter in grote nood, in 's levens fouten blijken: De Goddelijke Kracht, die het leven
leidt, de wetten van de Eeuwigheid, het doel van leven, leed en strijd worden U dan
gegeven.
Mens, strevend naar Eeuwigheid ,bezin je op de werkelijkheid.
Breng geen offer aan je ijdelheid en durf voort te leven.
Dan kunnen wij aan het einde niets anders zeggen dan dit: Een ieder, die zich bezint, bezinne
zich, op wat hij nu is. Het verleden is voorbij gegaan. De gebeurtenissen hebben in Uw leven
hun tekenen gegrift. De gevolgen van Uw vroeger bestaan zult Gij nu moeten beleven en
ondergaan. Op heb moment, dat Gij dit kunt aanvaarden, dat Gij de voorstelling, die Gij van
Uzelf hebt durven offeren, ja, om die gevolgen voor anderen te niet te doen, het offer van Uw
gehele wezen en persoonlijkheid kunt brengen, dan zult Gij zeer zeker, juist, dank zij Uw
levensmoed, het einddoel bereiken. Weten, waarom Gij leeft en waarom Gij zo moest leven.
Dan zult Gij gelukkig zijn, dat Gij geleefd hebt, zult Gij zien, dat in Uw fouten, die Gij duister
noemt, meer licht geborgen was, dan in hetgeen Gij licht genoemd hebt in Uw waan. Ik dank U
voor Uw aandacht. Goeden avond.
o-o-o-o-o-
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

LES 5

Goeden avond, vrienden,
Wij hebben bij de andere cursus een paar dingen uiteen moeten zetten en dat zullen wij hier
ook even moeten doen. Wij zijn op het ogenblik zover gekomen, dat wij willen, willen wij met
deze cursus in de bepaalde termijn afwerken met bepaalde onderwerpen, zeer vlug moeten
zijn. Wij zullen het echter voor deze kring zo trachten te doen, dat wij de vaststaande punten
afwerken binnen deze termijn, om dan later, indien daar behoefte aan is, gelegenheid geven
om op verschillende onderwerpen verder in te gaan. Ik meen, dat dit Uw aller goedkeuring zal
kunnen weg dragen. Dan heeft U misschien gemerkt, dat ik een ander ben dan de eerste
spreker die U hier normaler wijze krijgt. Ik zal dan, ondanks het ietwat pijnlijke van mijn
naam, mij toch waar voorstellen. Ik moet, concurreren met de Voorzitter der vergadering, mijn
naam is Kees. Wij zijn de laatste tijd erg gemakkelijk geweest, vrienden. Daarom moeten wij
nu even hard gaan aanpakken. Dit kan hier wel, omdat meerdere van de aanwezigen het
onderwerp van deze avond, n.l. GODDELIJKE WETTEN al uit den treure uit hebben horen
werken. Ik zal dit dus, schetsmatig weergeven, omdat het mij toch mogelijk zal zijn hier ook
enig illustratiemateriaal bij te geven. Geen bezwaar? (neen).
In de kosmos bestaan een groot aantal wetten. Dit grote aantal blijkt echter te zijn afgeleid
van een betrekkelijk klein aantal hoofdwetten, die alle leven en alle verschijnselen plus
verschijningsvormen beheersen. Is een wet eenmaal kosmisch van geaardheid dan kunnen Wij
rekenen, dat zij alle materie, - zover bekend- plus alle geest, - zover bekend- beheerst. Uit
elke kosmische wet echter komen een aantal varianten voort, die voor een bepaald en klein
deel van sfeer of kosmos volledig geldend zijn, maar daar buiten niet volledig tot uiting
schijnen te komen. Zij zijn een uitbreiding van de hoofd- of kosmische wet. Wij kunnen dan
ook zien dat zij een uitbreiding en aanpassing betekenen, aangepast aan het gebied, waarin zij
werkzaam zijn. De wetten, die wij kennen en die voor ons van groot belang zijn, zijn in
hoofdzaak: Oorzaak en Gevolg, Wet van evenwicht, de Wet der Gelijkmatigheden. Van
de laatste wet heeft U waarschijnlijk nog nooit gehoord, ik zal zo dadelijk trachten deze uiteen,
te zetten. Andere wetten zijn over het algemeen voor het gebied, waarop U zich bevindt van
minder belang, maar t.z.t. zal ik op enkele der voornaamste geestelijke wetten nog terug
komen.

Oorzaak en Gevolg.
Elke gebeurtenis brengt met zich mee, een reeks van gebeurtenissen, die als gevolg van de
eerste gebeurtenis kunnen worden aangenomen. Aangezien dit ook voor elke mens geldt, is
het voor ons belangrijk vast te stellen, hoe dit verloop is. De onmiddellijke reeks oorzaak en
gevolg, is altijd rechtlijnig. De ervaring van oorzaak en gevolg echter is afhankelijk van het
geestelijke bewustzijn, of wel het hoger bewustzijn, naargelang de sfeer, waarin men zich
bevindt, zodat ten opzichte van het gevolg een bewustzijnswijziging, kan worden gevonden,
die de mens stelt buiten de op zich zelf voortgaande keten van oorzaak en gevolg. Is dat
duidelijk? De wet van het evenwicht zegt het volgende: wanneer een bepaald geestelijk
bewustzijn bereikt is, of een bepaalde bestaanssfeer, zullen wij altijd zien, dat het bereikte
bovenbewustzijn of bestaanssfeer, kan worden gezien als een rustpunt, beschouwd ten
opzichte van bewustzijn en uiting. Elke uiting van dit punt uitgaande, behalve in zuiver
horizontale lijn, zal wel zich mede brengen, dat de uiting gelijkelijk naar beneden als naar
boven plaats vindt. Aangenomen dus dat een gelijkarmige wip zich in een horizontaal
evenwicht bevindt en wij die wip noemen het bewustzijn van de mens. Wanneer het
bewustzijn stijgt ten goede, daalt gelijktijdig de ander arm en wordt gelijktijdig het bewustzijn
van het kwade vergroot. Duidelijk? Dit kan overal op worden toegepast.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

Wet der gelijkmatigheid.
Deze Wet houdt in: alles is in één vorm en verandert niet. Dit lijkt U strijdig met het
voorgaande, maar het is een kosmische wet en berust op het volgende, wanneer iets is, dan
bestaat het in deze vorm en zal een organisch geheel uitmaken met het totaal van het zijnde,
gezamenlijk genoemd het kosmisch bewustzijn, ofwel de kosmische spiegeling van de
Godheid. Hieruit kan men de conclusie trekken, dat elke ervaring een schijnvorm is en elke
verandering slechts plaats kan vinden binnen het bewustzijn, waar gij het totaal der
geaardheid van het bewustzijn niet veranderd of gevarieerd wordt. Duidelijk? Nu, zijn daar
bepaalde vragen over te stellen? Nu moet U eens even goed luisteren. Wanneer een wet tot
uiting komt, dan blijkt ons, dat het enige punt, waarop die wet variabel schijnt, het bewustzijn
is. Dit komt voort uit het feit, dat het bewustzijn een onmiddellijke realisatie is van een deel
der Goddelijke kracht, die in ons zelf schuilt. De Goddelijke kracht op zichzelf is alomvattend
en dus niet aan beperkingen onderhevig. Hieruit kunnen wij de conclusie trekken, dat ook het
bewustzijn niet aan beperkingen onderhevig is, tenzij aan beperkingen, die mogelijk in de
Godheid zelve bestaan. De consequentie hiervan is, dat, terwijl onze uiterlijke vormen,
onverschillig in welke sfeer wij ook vertoeven en welke bewustwordingsgang wij ook door
maken, ten alle tijde vast staand is volgens de genoemde wet: dat daarnaast echter een
uitbreiding in het bewustzijn niet aan deze wetten is gebonden. Wij hebben al besproken, dat
al het bestaande gelijktijdig bestaat en tijd dus een fictie is. Indien het niet zo is, dan
corrigeert U maar. Ik neem waar, dus ben ik mogelijk niet geheel op de hoogte. Dit betekent
dus, dat alle gebeurtenissen gelijktijdig plaats vinden en alle vormen ook gelijktijdig bestaan.
Elke verandering, die wij denken door te maken moet dus een verandering binnen het
bewustzijn zijn. Wanneer wij ons eigen bewustzijn wijzigen, dan verplaatsen wij ons b.v. van
de ene lijn, oorzaak en gevolg naar de andere, lijn, oorzaak en gevolg. De praktijk leert ons
daar bij, dat voor de aarde en de lagere sferen een verplaatsing van bewustzijn niet mogelijk
is, tenzij naar aangrenzende gebieden, zodat dus slechts knooppunten en paralelle lijnen
worden aangesneden en geen verder liggende gebieden bereikt kunnen worden en geen
plotgrote wijzigingen mogelijk zijn. Wanneer echter een mens, wetende, dat deze mogelijkheid
bestaat, zich voortdurend beijvert om van lotslijn tot lotslijn verder te gaan, of van reeks van
oorzaak en gevolg tot reeks van oorzaak en gevolg, als U het zo wilt zeggen, verder kan gaan.
Hierover moet ik overigens morgenavond ja, spreken in de grote zaal. Een erg interessant
onderwerp. Dan kan de totale bewuste waarde, binnen de mens worden gewijzigd binnen
betrekkelijk korte tijd. Men heeft er echter geen rekening mee te houden, dat het totaal der
mogelijkheden van elke levenslijn, lotslijn, of lijn van oorzaak en gevolg, die door het leven
wordt gepasseerd in het bewustzijn van de geest wordt opgenomen. Gelijktijdig wordt elke
voortgaande ontwikkelingsreeks van de op dit ogenblik beleefde oorzaak en gevolgslijn ook
vastgelegd in het onderbewustzijn van die mens, zover het stoffelijke, lichamelijke
gebeurtenissen betreft. Elke verandering van oor zaak en gevolg als lijn, zelfs een
richtingverandering, brengt met zich een onnoemelijk grote verandering van vooral het
onderbewustzijn. Duidelijk?

Wet van evenwichtigheid
Wanneer wij dit echter doen en het niet beheersen, dan krijgen wij te maken met de wet der
evenwichtigheid, die ons zegt, dat deze veelheid een gelijktijdige belasting van het hogere en
het lagere in ons betekent. Bij gebrek aan grote beheersing zal bij versnelde ontwikkeling voor
sommigen het gevaar bestaan, dat zij een z.g. gespleten persoonlijkheid vertonen en hierdoor
komen tot uitingen, die als niet meer normaal en niet meer voor het normale acceptabel
kunnen worden beschouwd. Zij leven gelijktijdig twee of drie levens, die als mogelijkheid
binnen het "ik" bestaan hebben, of hebben voorgedaan. Als resultaat kunnen zij met geheugen
en bewustzijn zich niet bepalen tot één oorzaak en gevolgslijn, maar wisselen van de één naar
de ander. Vindt dit plaats, dan is de enige mogelijkheid, één der lijnen zodanig te stimuleren,
dat de anderen daardoor langzaam worden onderdrukt. Plotselinge genezing hiervan is niet
mogelijk. Verder is het voor ons noodzakelijk dat wij enig bewustzijn hebben van de Wet van
gelijkmatigheid. Ons hele bestaan is gelijkmatig, hoe stormachtig en variabel, het ons ook lijkt
te verlopen. Al wat zich, in ons afspeelt en rond ons schijnt af te spelen, is een kwestie van
waan. U moet dit dus heel goed begrijpen. Er is inderdaad begoocheling. Maar deze is niet van
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

die aard, dat al datgene wat rond U is, irreëel is, maar alleen, dat de waarderingen en
waarden, die U daarvoor in Uzelf vindt, irreëel zijn. Daardoor kunt U komen bij begrip hiervan
tot een voortdurend grotere beschouwing van de genoemde velden van bestaan. Ik zal U dit
meteen even verder uitleggen, want er komt daar ergens een vraag oprijzen: een veld van
bestaan is het totaal van het bewustzijn, dat homogeen en gelijkmatig, als centrum heeft de
persoon, die het beleeft. Dit veld schijnt zich onbeperkt uit te breiden, maar het is gebonden
aan een grens. Het kan niet verder gaan dan zo ver. Het is dus een in zich zelve gelijkblijvende
en gelijkmatige waarde. Echter de wijze waarop wij ons dit veld realiseren en de invloeden
daarin voorkomende en deze, in ons eigen wezen verwerken, is variabel. Alweer: de geest, de
bewustzijnsvorm van de ziel, kent variatie van waarden, niets anders. Hieruit moogt U de
conclusie trekken dat alle veranderingen binnen ons zelf liggen en dat het Goddelijke in zich
zelve onveranderlijk is. Akkoord? Nu is het natuurlijk zeer moeilijk om dit alles zo onder meer
te belichten. Ik zal mij dus veroorloven - U zult bemerkt hebben, dat ik er expres wat stoom
achter gezet heb - U kort enkele personen aan het woord te laten, die zullen trachten U elk
één der wetten te illustreren aan hun eigen ervaring. Ik hoop, dat U het hiermee eens bent. Ik
kom terug om commentaar te geven, dus denkt U niet dat U voor vandaag van mij af bent.
o-o-o-o-o

Oorzaak en gevolg
Nu, ik zal mij maar niet voorstellen, want ik ben helemaal niet trots op mijzelf. Maar ik ben
dan illustratie nummero één: Oorzaak en Gevolg. Je zult zeggen: hoe kom je hier: "Nu, ik kan
jullie wel vertellen, dat ik maar een heel kort tijdje in het licht zit en nu niet direct in eh… nu,
laten wij maar zeggen, het is een schemerlampje. Met mij is het zó gegaan, ik was op een
ogenblik niet tevreden met mijn leven. Ik weet, waar het vandaan komt. Het komt uiteindelijk
hier vandaan, dat mijn vader veel knapper was dan ik en wilde, dat ik even knap als hij zou
worden. Het beroerde was, dat ik de man nooit zijn zin kon geven. Resultaat : een
minderwaardigheidscomplex. Dat is op zichzelf al niet zo aardig, maar ja, je werkt het dan nog
uit, hé? Dat deed ik dan op mijn manier door heel erg brutaal te worden. Brutaliteit wordt niet
overal geaccepteerd. Ik zocht dus een omgeving, waar dat wel geaccepteerd werd. Die kun je
vinden bij elke tapkast. Ik dronk dus in het begin om geaccepteerd te worden. Later werd ik
alleen geaccepteerd, omdat ik dronk. Een kwestie van oorzaak en gevolg. Op de duur..... nu,
laat ik het zo zeggen. Mijn hersens stonden allang op alcohol, voor dat ik dood was. Ik was een
slappeling en ik heb een groot deel van mijn leven geld verdiend met het verkopen van
doosjes lucifers, die niet bet… of beter, die wel betaald werden, maar niet werden afgenomen.
Ik denk, dat U zoiets wel allemaal kent. Heel voordelig handeltje. Alleen, ik kon niet zoveel
lucifers op één dag verkopen, of 's avond, had de kastelein meer nodig. Aan de andere kant
had ik werkelijk behoefte aan iemand, voor wie ik werkelijk wat kon betekenen en wat kon
doen. Dat kan een dronken lor in het fatsoenlijke niet vinden, dat kun je wel begrijpen. Maar
nou had ik daar in een krotje een kamertje en een buurvrouw met een kleine jongen en die
jongen was een beetje kreupel. Die had iemand nodig, waar hij tegen op kon zien. En ja, hoe
de bliksem er toe gekomen is, weet ik nog niet, maar hij heeft mij er voor genomen. Enfin....ik
heb er wat voor gedaan. Ik heb er zelfs zo nu en dan een paar borrels voor laten staan. Dat
was weer het gevolg van mijn eigen "ik", dat zo beroerd nog niet was. Dat is geen eigen roem,
hoor. Ik heb wel gestonken, maar niet daarvan. Dus toen ik overging had ik één voordeel, ik
had niet alles verkeerd gedaan. Toen heb ik mijn hele leven met mijzelf uitgeknokt en
aangezien ik nog steeds een minderwaardigheidscomplex had, heb ik het allesbehalve gezellig
gehad. Totdat dat jochie ook in onze sferen terecht kwam. Ik zeg nu, onze sferen, maar laat ik
dat niet te hard zeggen. Daar zat ik toen nog lang niet. Omdat ik voor dat kind veel betekend
had, betekende hij toen omgekeerd veel voor mij en heeft mij uit de dalles gehaald. Daar heb
je het hele verhaal. Als ik in mijn jeugd een andere weg in was geslagen, dan had ik een heel
ander leven gehad. Ik zou kunnen zeggen, dat ik steeds de slechtste mogelijkheden heb
genomen, die zich voordeden, omdat ik geen zin had om mijzelf druk te maken. Ik was
overtuigd dat ik het toch niet kon. Nu, dat is mijn bijdrage van deze avond. Als iemand er zijn
voordeel mee kan doen, zal het mij een genoegen zijn. En ik kan er wel bij zeggen, dat een
groot gedeelte van wat ik beleefd heb, niet alleen mijn schuld is geweest. Begrijpt U? Dat weet
ik nu ook. Dat ik die hele serie van stommiteiten en complexen en wat er bij hoort.....ik heb
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

een goede opvoeding gehad, hoor, veel beter dan iemand later gedacht zou hebben. Maar
eh…… ik had veel te danken aan een vroegere incarnatie, waarin ik ook niet al te netjes ben
geweest. Zo komt het één uit het ander voort. Wie weet, wat ik de volgende keer doe. Nu, wat
mij betreft, tot kijk. En dan geef ik het woord over aan tentoonstellingsnummer twee.

Wet der gelijkmatigheid
Goeden avond, vrienden, wanneer U het leven beziet van mijn voorganger en het mijne, dan
zit daarin wel een zeer groot verschil. Ik voor mij, ik heb een handwerk geleerd en het altijd
beoefend. Ik heb mij hoofdzakelijk bezig gehouden met, wat men tegenwoordig noemt,
houtbewerking. Ik heb in het hout de schoonheid van vorm leren vinden en heb vooral ook
geleerd die vorm er uit te halen. Op het moment, dat ik droomde van het mooie, zag ik ook
steeds meer verschrikking om mij heen. Hoe meer mijn bewustzijn voor lijn in mij vormde een
schoonheidsbeleven, hoe meer de hatelijkheidheid en lelijkheid van vele dingen rond mij, mij
is opgevallen. Hieruit zijn voor mij verschillende conflicten geboren. Conflicten in de eerste
plaats tussen school en leven. In de tweede plaats conflicten tussen mijn eigen visie en die van
mijn medemensen. Uit deze belevingen heb ik het volgende geleerd: wanneer je schoonheid
vindt, dan is dat jouw schoonheid. Kan een ander die zien, dan moet je er gelukkig mee zijn.
Maar je zult ook veel lelijkheid zien, die voor anderen schoonheid betekent. De enige manier
om dit op de juiste wijze in je eigen leven te verwerken, is te begrijpen, dat er voor elke
schoonheid, die je ontdekt een nieuwe hatelijkheid, een nieuwe afzichtelijkheid geboren zal
worden, die je ook zult ontmoeten. Wanneer je dit begrijpt, dan zal je leven zich af gaan
spelen tussen deze beide waarden, die je gelijkelijk erkent. Ik heb veel schoons geschapen. Er
staan nu nog banken, die ik gesneden heb in verschillende kerken en men vindt ze nog
schoon. Maar toch is er ook snijwerk van mij te vinden, waarin de lelijkheid en de hatelijkheid
sterk op de voorgrond komen. Omdat ik het schone zo intens beleefde, moest ik het
afzichtelijke scheppen, al wist ik zelf niet, waarom. Het was nodig, omdat ik alleen op deze
wijze mij zelve kon blijven. Om niet verloren te gaan in dromen, die met de werkelijkheid niets
meer te maken hadden. Nu geef ik U over aan nummer drie, die zal trachten de derde wet
voor U te illustreren. Ik hoop, dat ook het beeld, dat ik U heb gegeven, voldoende duidelijk is
geweest. Is dat niet het geval, dan wil ik zeker dat nog graag aanvullen. Maar ik geloof niet,
dat het nodig is.
Goeden avond dan.

Wet der evenwichtigheid
Goeden avond,
Het is zeer moeilijk om de derde wet uit te leggen in de juiste vorm en gestalte. Want is zij
voor mij een bewust deel van mijn leven geworden, het is mij onmogelijk haar kort en
duidelijk in enkele woorden of belevenissen te schetsen. Men heeft mij in mijn leven vaak een
wijsgeer genoemd, lang heb ik zelf geloofd dat ik dit was, deze wet kende ik niet. Ik bleef
bekrompen en benepen in mijn eigen wezen onbewust altijd weer van mij afsnijdende dat, wat
deel was van mijn leven.
Komend in de sferen was het een gelukkige maar kleine wereld, waarin ik lang heb bestaan.
Totdat ik een ander wezen zag in een diepere sfeer, dat ik tot mij wilde opheffen. Toen
herkende ik in dat andere wezen mijzelf ziende, dat het lot van deze mens, mijn menselijk lot
had kunnen zijn, toen werd mijn wereld groter. Ik heb mij afgevraagd, waarom? Ik heb
gezocht en gezocht door sfeer en wereld heen en telkens weer heb ik een beeld gevonden,
waarvan ik kon zeggen: dit zou jezelf kunnen zijn. Uit die velen ben ik mij bewust geworden,
wat ik ben. Gelijktijdig, heilige en duivel, wijsgeer en dwaas, alchemist en wetenschapsmens.
Dichter en nuchter materialist. Al dit ben ik, en meer nog. Meer dan ik U hier kort in een paar
woorden op kan sommen. Al deze dingen zijn deel van mijn wezen en vermogen. Ze ziende in
anderen heb ik ze erkent en gerealiseerd. Nu weet ik wat de grenzen van mijn wezen zijn.
Deze kan ik niet te buiten gaan. Maar dat wat ik ben, zal ik altijd blijven. Omdat ik niet alleen
maar ben een mens of een ziel, maar een deel van een Goddelijke schepping, die in zich
volmaakt en volledig is, waarvan mijn bewustzijn een facet is, dat mede glanst, een licht van
de grote edelsteen der schepping. Ik zal niet meer terugkeren tot de aarde als mens. Die tijd is
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

voorbij, maar de wereld en het veld, waarin ik leef en bewust ben, bestrijken zó grote ruimte,
dat vele werkzaamheden zich aan mij voordoen, het helpen van mens en geest. Welke sfeer of
wereld ook, die behoren tot mijn leven, tot mijn zijn, ik neem ze op en berg ze in het
bewustzijn, dat ik heb bereikt. Zie, ik ben als een bloem die, komend tot rijpheid, barstenden
zaadknop, uitwerpt haar zaad. Ik zie naast mij nieuwe bewustzijnsvormen, verwant en toch
vreemd groeien. Ik weet, dat zij altijd geweest zijn, maar door mijn wezen en werken, mede
hun bewustzijn hebben kunnen verwerven. Meer kan ik U over deze wet niet zeggen. Ik kan U
slechts zeggen, dat een bewustwording daarvan, een realiseren van je eigen begrenzing, te
midden van de oneindigheid, geluk is, een geluk, zoals op aarde of in andere sfeer, aan
weinigen is beschonken: de volheid van je wezen te kennen en dit kennende te dienen de
grote kracht van het Al. Het is de volmaking van al wat leven kan en alle geest, die eens naar
bewustzijn streefde. Ik dank U voor Uw aandacht.
o-o-o-o-o
Nu, dat is mij meegevallen, lui. Ik dacht, dat wij, vooral met de laatste spreker, enige
moeilijkheden zouden hebben, maar de sfeer is inderdaad uitstekend gebleven. Ik heb ter
illustratie drie personen naar voren laten treden, die alle drie in verschillende sferen leven.
Alleen in verschillende bewustzijnstoestand en ten opzichte van de laatste, moet ik zeggen,
was het niet een naar voren treden van mij. Maar een nederig verzoek, of dit kon en mocht
worden gegeven. Ik hoop, dat U evenals, ik, tevreden zult zijn met het resultaat. Is er na het
gesprokene aanleiding voor U om een vraag te stellen over deze wetten? Indien U tenminste
een verdere verduidelijking verlangt hiervan.
Ja, ik zou willen vragen, de tweede spreker heeft over herscheppen van schoonheid in zijn
houtbewerking en hoe hij moest naast die kerkbanken allerlei lelijke dingen uit een
oogpunt van haat en van lagere sfeer. Nu zou ik kunnen vragen, is het voor hem een nood-
zakelijkheid geweest om het zo te uiten? Of kan hij die neiging ook bestrijden zonder zich
zelf daarmee te kort te doen,
Die uitleving is noodzakelijk op enigerlei wijze. Ik heb echter juist dit geval naar voren doen
brengen, omdat het genoeg in de zelfde tak, waarin de schoonheid bereikt werd, ook werd
geuit. Wij zien ook wel dat mensen schoonheid scheppen en dan in hun persoonlijk leven de
hatelijkheid en de afgrond in ieder geval het evenwicht gezocht in één vlak. Dat is
buitengewoon belangwekkend en daarom juist heb ik deze persoon verzocht hier zijn
standpunt uiteen te zetten. U kunt het overigens nog vaak terugvinden. Kijkt U maar eens in
een kerk, waar zij nog oude kerkbanken hebben naar die kleine paneeltjes, die daarin
gesneden zijn. Dan zult U zien, dat aan de ene kant de schoonheid van engelen wordt
weergegeven soms de luimige boert van het dagelijks leven, maar soms ook de
verschrikkelijke afgrijselijkheid, die uit de diepste krochten der hel gekropen schijnt te zijn. Dit
is dan wel het bewijs, dat deze wijze van uiting niet alleen bij één, maar bij velen is
voorgekomen. Dit is een veel voorkomend verschijnsel en wij zien altijd, dat de mens, die een
grote schoonheid beleeft, aan de andere kant dit moet compenseren door een afgrond van
afschuwelijkheid. Naarmate men verder gaat in het vinden der schoonheid, zal men ook verder
moeten gaan met het vinden der afgrijselijkheid. Naarmate men deugdzamer wordt, zullen de
verzoekingen en dus de zonden der gedachten groter worden enz. enz
Ja, dat is volkomen duidelijk. Maar ik heb toch nog niet gevonden het antwoord dat ik
zocht. In hoeverre het voor het zelf noodzakelijk is om dit tot uiting te brengen, of in het
algemeen gesproken, dus niet speciaal voor deze persoon, of dat bestreden kan worden in
het zelf, of zo zonder schade te veroorzaken.
Dat kan niet bestreden worden. Alleen de uiterlijkheid, dus de wijze waarop de beide krachten
tot uiting komen, ligt binnen Uw mogelijkheden tot beheersing. Maar nooit de wijze, waarop zij
zich aan U voor doen.
Mag ik hier nog eens iets op zegen? (Zeker). Je denkt het dus in ieder geval. Maar kun je
het dan zo beschouwen, dat je het door het denken voldoende geuit hebt en het verder
onderdrukken? Is dat ook een vorm daarvan?
Wanneer het gedacht is, dan kan het natuurlijk onderdrukt worden.
Maar is dat de bedoeling? Of is dat niet noodzakelijk?
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

De bedoeling is eigenlijk, dat U, terwijl U het positieve zoveel mogelijk uit, daarentegen
hetgeen U als negatief ervaart een zodanige uiting wordt verschaft, een mogelijkheid tot
uiting, dat hierdoor Uw eigen denken en bewustzijn ten opzichte van goed en kwaad niet ten
kwade wordt beïnvloed. Zoals dus de houtsnijder hier, of beeldhouwer in hout, hoe moet je dat
zeggen. Zijn schoonheidservaren en zijn lelijkheidservaren op dezelfde wijze uitend, daarbij
wetend, dat hij opzettelijke afzichtelijkheid schiep, maar hiermede toch weer tegelijk het doel
dienend, dat hij goed achtte, n.l. de contrasten in de wereld te stellen. En zonder dat zulks
ergens schade deed.
Ja, ik had bij de laatste spreker ook nog het gevoel, dat de laatste spreker zei, dat het zo
moeilijk is om ons bewustzijn te kunnen bepalen. Om de dingen te kunnen zien. Dat is juist
de grote grens, die wij zelf niet kunnen trekken. Dat het maar aan weinigen gegeven is, om
dit te kunnen realiseren. Dat is, wat mij betreft, natuurlijk de grote moeilijkheid. Is het
noodzakelijk, dat wij daartoe komen om onszelf te kunnen zien?
U kunt het ongeveer als volgt voorstellen, als ik tenminste hier een voorbeeld mag geven. U
staat op een platte grond. Elke boom, elk huisje, ja, elke wat hoogstaande bloem is een
obstructie, die U belet om volledig de horizon te zien. De horizon is de begrenzing van Uw zijn.
Naarmate U hoger schijnt te stijgen, in werkelijkheid U zelve verhoogt, wordt deze
belemmering minder. U zegt: de horizon wordt hoger. Maar hoe hoog U ook stijgt, Uw horizon
zal nooit groter kunnen worden dan de omtrek van de aarde. Duidelijk? De verandering van de
details en het erkennen daarvan, is dus de bewustwording van het zelf. Terwijl waarden, die je
vroeger niet gezien hebt, deel ervan gaan uitmaken en dingen die je vroeger van groot belang
hebt geacht, verminderen in belangrijkheid.
Is het dan ook van belang om altijd te trachten afstand te nemen? Van alle dingen, ook die
je beleeft? En hoe je ook alles beter kunt bezien en ook beter bewust zijn? Ik dacht
daaraan door die ruimere horizon, die je zult krijgen.
Kunt U afstand nemen wanneer U niet de hoogte daarvoor heeft? Ik zou zeggen: in het
gegeven beeld komt de verbinding direct naar voren tussen stijging of wel groei van de eigen
persoonlijkheid en de verwijde horizon, totdat je de uiterste grens bereikt. Op het moment,
dat je zelf nog niet zo hoog bent gestegen, dat U afstand kunt nemen, dan kunt U doen, wat U
wilt, maar U zult niet in staat zijn, om het te volbrengen. Tot dat moment maken die dingen
dus, nog een reëel en belangrijk deel van je leven uit. Waar U echter streeft naar bewustzijn,
zult U wel trachten de dingen altijd zo onpartijdig mogelijk te bezien, zonder dat U natuurlijk
een absolute onpartijdigheid kunt bereiken, waar het volmaakte voor U altijd nog onbereikbaar
blijft. Het resultaat is dan, dat U van zelf komt tot een realisatie, die aan Uw hoogste
bewustzijn van dit moment gelijk komt. U zult dan zien, dat de belangrijkheid, of
onbelangrijkheid der dingen een sterke verandering ondergaat in de loop van Uw leven. Maar
een leven is maar een heel kort moment in Uw totale ontwikkeling. Wilt U daar rekening mee
houden? Vraagt U niet te veel ineens. Degenen, die te hoog willen stijgen, hebben de kans, dat
zij iets alleen gebruiken om er op te klonteren, en, zoals de man zei, die in Hyde-Park op het
kistje stond: "Ik kan jullie wel beter zien, maar als ik er afval, breek ik mijn nek". Dat geldt
voor U ook. Als U kunstmatig probeert om een hoog geestelijk standpunt in te nemen, zult U
nooit in staat zijn om zonder gevaar die horizon te zien en er komt toch weer een moment, dat
U naar beneden moet. Dus heeft dat niet veel nut. Zo, dan gaan wij nu nog eventjes verder.
Achter de wetten van het kosmische en het Goddelijke schuilt natuurlijk een kracht, die wij
God noemen. Of dat waar is kunnen wij niet zeggen. U heeft in de eerste beschouwingen daar
zeer wel voldoende over gehoord. Het is mogelijk, dat het wezenstrekken van het Goddelijke
zijn, het is ook mogelijk, dat het wetten zijn, die uit het Goddelijke voortspruiten, zonder dat
zij een direct deel van Gods wezen zijn. Wij kunnen dat niet nagaan. Wel kunnen wij nagaan,
dat al die wetten op ons een voortdurende en sterke invloed hebben. Verder kunnen wij
nagaan, dat, waar je ook bent, voor ieder die wetten volkomen gelijk gelden. Dit houdt in, dat
de natuurkundige wetten, die U kent uit de natuurkunde, doorwerken in alle sferen, aangepast
aan de verhoudingen, die daar heersen. De grondwet daarvan is dus gelijk. U kunt dan o.a.
vinden, wanneer U een doodgewoon wetje neemt over b.v. de druk van water. De druk in
water plant zich naar alle richtingen gelijk sterk voort, wanneer dus op een klein vlak een
bepaalde druk wordt uit geoefend en dat heeft als kleine hoeveelheid water verbinding met
een grote hoeveelheid water, dan zal per vierkante centimeter overal de druk gelijk worden
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

voortgeplant. Dit is voor ons ook weer belangrijk, al zijn dit misschien maar bijwetten. Op het
moment, dat wij geestelijk als wij zijn, ons kunnen wenden met een geestelijke druk tot het
groot kosmisch reservoir van geestelijke kracht, dan zullen wij op al het zijnde, de gelijke druk
uitoefenen, die in ons eigen wezen uitgeoefend wordt. Aardig hè? Wel eens over gedacht? Dit
houdt in, dat een mens de wet van de hydraulische krachten gebruikend voor zichzelf door het
zeer sterk uitdrukken van een bepaalde gedachte in zichzelf, nadat eerst contact werd
gemaakt met het totaal denken, in staat is het totale denken onder een druk te brengen, zó
sterk als hij maar in zichzelf kan plaatsen. Voor iemand met een behoorlijk
concentratievermogen kan dat zeer veel zijn. Verder houdt dit in, dat U op de grote menigte
gelijke druk kunt uitoefenen als op een persoon. Denkt u dus niet, dat U een persoon bij het
gebruik maken van deze wet gemakkelijker kunt beheersen dan een menigte. Integendeel. Bij
een persoon zal het moeilijker zijn de verbinding te vinden waar de persoonlijke waarde een
scherpere afzondering van Uw persoonlijkheid, een scherper grens betekent dan de massa kan
hebben ten opzichte van Uw wezen, omdat U deel bent van de massa. Op het moment, dat U
die druk aanwent echter, kan binnen de persoonlijkheid nooit groter druk worden ervaren dan
Uzelf uitoefent. In verband hiermee zou ik gaarne, al behoort het niet bij het onderwerp zelf,
op het gebed als zodanig willen wijzen. Bidden is een heel eigenaardige kwestie. Bidden, zegt
de mens, is spreken tot God. In werkelijkheid is bidden, je wenden tot de gehele
kosmos, want je spreekt tot de grootst gemeenschappelijke kracht, die je kent
binnen de kosmos: “God” Hoe intenser je dus aan God vraagt, hoe zuiverder ook de
verhoring van het gebed zal zijn, hoe minder men door twijfel a.h.w. een lekkage van
geestelijke kracht in zichzelf veroorzaakt, hoe zekerder de vervulling volgt. Er staat
niet voor niets: Vraagt en U zal worden gegeven: klopt en U zal worden opengedaan. Dit is
helemaal niet een sprookje voor de vromen, het is een zuiver natuurlijke en kosmische wet.
Op het moment n.l., dat U vraagt, kunt U kracht buiten U zelve op de wereld uitoefenen en
dus zelf als deel van de massa deel hebben aan de kracht, die u aan het werk heeft gezet. Op
het moment dat U tracht door te dringen tot een gebied, dat deel uitmaakt van het
gemeenschappelijk bewustzijn, zult U daar toe door kunnen dringen, omdat U deel bent van
het gemeenschappelijk bewustzijn. De moeite waard om eens toe te passen. Dan heb ik nog
een paar kleine puntjes, niet zo erg belangrijk, maar daarom ook gauw al gedaan.
Wij zullen eens kijken bij de andere cursus, hoe dat loopt en dan ongeveer gelijke maat
houden. Naderhand kunt U dan nog altijd bij mij komen en zeggen: "Hoor eens, Kees, ik wil dit
of dat nog eens van je horen, en dan komt de zaak best in orde. Wij moeten altijd wanneer wij
over een kosmische wet na gaan denken een aanknopingspunt hebben. Dit punt is te vinden in
elke willekeurige uiting. U hoeft niet te weten wat de kracht zelf is, wanneer U maar weet wat
de wet is, die haar beheerst. Weet U wat de wet van zwaartekracht is? Dan kunt U deze als
uitgangspunt nemen om ze nader te komen tot de kosmische wet. Kookt de melk over? Weet
U hoe dat komt? Daar zit ook een wetmatigheid achter. Denkt U er over na. U zult ontdekken
dat U bij dezelfde kosmische wet terecht komt, die tot de zwaartekracht in verband staat,
bindende velden plus warmte. Waar U ook kijkt, altijd weer zult U een bepaalde wet zien en
deze wet zal U beheersen. Uit elke wet, die in zichzelf deel is van een kosmische wet, zij het
wat persoonlijk uitgewerkt, zult U de kosmische wet terug kunnen vinden. Het is dus voor mij
niet nodig om alle bijwetten te behandelen, want U kunt die zelf vinden, wanneer dat nodig is.
Mijn taak is het U op de hoofdwetten te wijzen. Nu moeten wij nog eens de relatie tot het
Goddelijke nader vast stellen. Zo-even heb ik daar al over gesproken. Wij willen het Goddelijke
zo dicht mogelijk benaderen. Krachtens de wet der gelijkmatigheid kunnen wij nooit verder
gaan dan het vermogen, dat ons door het Goddelijke is gegeven. Wanneer wij dit echter
bereiken, zijn wij een in ons zelf volledig en afgerond geheel, D.w.z. wij zijn in het kleine, wat
God in het groot is. Een volledig en afgerond geheel. Wij zijn in ons zelf evenwichtig en
volmaakt. Wij zijn a.h.w. zijnde in het niet-zijn, omdat de totale evenwichtigheid voor ons elke
ervaring, zoals wij die tot nu toe kennen, onmogelijk maakt. Aan de andere kant wordt het
ervaren voor ons volledig uitgedrukt, omdat wij de relatie tot God en dus ook tot de naast ons
liggende kleine, weerkaatsingen daarvan waarschijnlijk als een voortdurende
bewustwordingen, bewustzijnsvormen verder kunnen beleven. Het resultaat is, dunkt mij, dat
wij grote, zeer grote vorderingen kunnen maken, ondanks het feit, dat wij in ons zelf beperkt
zijn. Wij kunnen ons zelf steeds meer met licht vullen tot de intensiteit van het licht, dat leeft
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

in ons beperkt veldje, ons beperkt wereld je van gelijkmatigheid volkomen gelijk is aan het
Goddelijke. En dan zijn wij van ons eigen standpunt uit, opgegaan in het Goddelijke, omdat wij
in ons zelf het Goddelijke erkennen en in het Goddelijke ons zelf. Er is dan geen scheiding
meer te maken, wij zijn een organisch deel van het Goddelijke. Duidelijk? Ja? Hmm, daar
denkt er eentje. "Dat zal ik eerst eens na lezen" Maar heb ik dan zo vlug gesproken?
Ik dorst het U niet goed te zeggen.
Neen, maar het was toch niet de bedoeling om U nu helemaal met woorden dicht te hameren.
Maar wij zullen, wat U gezegd heb, toch goed moeten nalezen, U zegt zoveel.
Ja, wanneer U, wat ik vanavond gezegd heb, na gaat lezen, dan zult U, dunkt mij tot de
conclusie komen dat ik in deze paar woorden net zo veel gezegd heb als een ander in een paar
boeken. U heeft het dus van mij in een gecomprimeerde vorm gekregen. Geestelijke.
Maggi-blokjes, a.h.w. Wilt U er soep van hebben, dan moeten wij die later maar eens maken,
nu moeten wij verder. En aangezien ik meen dat wij in dit gecomprimeerde genoeg gezegd
hebben laat ik het er verder bij. Bestudeert U nog eens wat wij gezegd hebben. Nu kunt U na
een korte pauze met een andere spreker verdergaan. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond vrienden,
Een onderwerp naar Uw eigen keuze mits U een kleine uiteenzetting geeft en vertelt, wat U er
zelf over denkt.
(De Heer XXXXXX vraagt een verdere uitwerking van de stof in het eerste deel)
Nu, ik geloof toch dat wij mijn voorganger mogen verwijten, dat hij niet duidelijk is geweest.
Dus bestudeert U het maar eerst eens. Dan kunnen wij nog altijd verder praten. U moet er zelf
ook iets voor doen. (Gelach, ja, natuurlijk, etc). Lees het eerst maar eens over. Wanneer ik
het nu weer ga behandelen, dan heeft U er helemaal geen nut van. Wanneer U dan de
volgende keer er Uw mening over kenbaar maakt, kunnen wij nog altijd zien, wat wij dan weer
doen. Strop, hé? (Neem ik graag)
Mag ik dan een probleem aansnijden? Indien wij uitgaan van de stelling dat iedere geest
een bewustzijn heeft, dan kan ik mij begrijpen, dat er geesten zijn van verschillende
graden van bewustzijn. Naarmate zij dus gegroeid zijn in hun bewustwording. Aannemende
dat een geest in Uw wereld zo ver gevorderd is in zijn bewustzijn, dat hij om verder te
kunnen stijgen een reïncarnatieperiode in de stof nodig heeft, dan zal deze geest bewust
reïncarneren. Op het moment dat hij zich meester maakt van een stoffelijk voertuig, heeft
deze geest een bewustzijn van, laat ons zeggen om dit nader te bepalen, van de derde
graad. De vragen zijn nu deze: ten eerste, blijft gedurende de gehele stoffelijke fase deze
geest, die gereïncarneerd is deze bewustzijnsgraad drie behouden? Totdat hij dan weer
overgaat naar Uw wereld. Ten tweede: Zal deze geest zich met een beperking van
uitingsvorm door zijn stoffelijk kleed, dat hij gekregen heeft zich uiten conform zijn geeste-
lijke bewustzijnsgraad drie, zoals hij had op het moment dat hij bewust verkoos te
reïncarneren?
En wat denkt U daar zelf van?
Nu ik heb een hele conclusie, na hierover te hebben nagedacht. En dat is deze: Ten Eerste:
uit iedere geest zich conform de bewustzijnsgraad van het Goddelijke, dat in hem leeft. Ten
tweede, naarmate hij zich conform dit uit, zal hij groeien en stijgen tot een hogere graad
van bewustwording. Onafhankelijk in welke wereld hij is. Nu wilde ik graag Uw mening
hierover horen.
Ik vind het in ieder geval een heel knappe conclusie, die U heeft getrokken. Dat is heus niet zo
gek. Kijkt U eens. Wij hebben hier aangenomen, een bepaalde graad. Nu is graad drie een zeer
betrekkelijke aanduiding. Maar wij zullen ze voor het gemak aanhouden. Aangenomen, dat ik
bewustzijnsgraad drie heb en dus bewust reïncarneer, dan heb ik dus ook een duidelijke
voorstelling van hetgeen ik met de reïncarnatie wens te bereiken. Dit houdt in, dat ik bij mijn
reïncarnatie, wat omgeving en sfeer, ja zelfs, wat lichamelijke bevoertuiging, een keuze heb,
die ik zal richten naar mijn doel. Een bewuste geest, die reïncarneert heeft dus alleen al door
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

het bewuste der incarnatie het grote voordeel, dat in de eerste plaats wat meer op het gemak
kan worden uitgekeken. Men heeft meer bewustzijn, het komt dus niet plotseling. Het verschil
is ongeveer dit. Laten wij maar in Uw eigen stijl blijven. U weet al een hele tijd van te voren,
dat er een bevalling, opkomst is. U weet ook ongeveer dus wanneer het gebeurt. Dan kan het
wel een inconveniënt zijn op het ogenblik, maar U heeft er eigenlijk al mee gerekend. Het
geval der onbewuste incarnatie kunnen wij dan vergelijken met een bevalling die eigenlijk bij
een collega behoorde, maar die U door omstandigheden plotseling in de schoenen wordt
geschoven. Dat brengt meestal enige verwarring en plannen, die niet doorgaan, met zich mee.
Dat is duidelijk, niet waar? Nu, dan kunnen wij hieruit wel meteen verder gaan en zeggen, dat
dus de voorbereiding, bij de bewust incarnerende geest, dus veel beter is. Dat houdt dus ook
in, dat die geest haar eigen bewustzijn zelfs door de stof gemakkelijker en eenvoudiger, gezien
haar instelling zal kunnen uiten dan een niet-bewust, incarnerende geest. Wanneer wij dus - ik
houd niet van opscheppen, hoor -, maar vanuit onze sfeer tot reïncarnatie komt, dan weten wij
zo ongeveer, waar wij aan toe zijn en dan kunnen wij een groot deel van onze geestelijke
eigenschappen zo heel eenvoudigjes tot uiting brengen.
Nu kom ik echter in de stof. Wat brengt dit met zich mee aan belemmeringen? Ik word a.h.w.
gedwongen bewust te vergeten, want het stofkleed betekent voor mij een uitsluiten van al
mijn vorige ervaringen en het aanvaarden van deze overgangsperiode om weer tot een nieuwe
ervaring te komen. Ik heb dus nog wel steeds mijn geestelijk bewustzijn nummer drie, maar ik
ben mij niet meer van die bewustzijnsgraad als zodanig bewust. In dit niet-bewustzijn zal ik
dan instinctief of intuïtief geleid worden volgens de geestelijke hoogmoed van geestelijk
bewustzijn, die de mijne is. Maar mijn stoffelijke sfeer en uiting kunnen daaraan tijdelijk een
geheel eigen karakter geven. Er bestaat dus de mogelijkheid, dat de stoffelijke
omstandigheden, ondanks mijn zorgvuldige voorbereiding toch zodanig verkeerdelijk gekozen
waren, dat ik wel een aanvulling van mijn ervaring binnen de bewustzijnsgraad drie verwerf,
maar niet over kan gaan naar bewustzijnsgraad nummer vier. Nemen wij echter aan, dat dit
niet het geval is. Ik kan niet minder van het Goddelijke bewust worden dan ik ben. Het
Goddelijke leeft a.h.w. in mij en ik heb het moeizaam toegang verschaft tot een bepaald deel
van mijn wezen en bewustzijn. Dat kan ik niet meer uitschakelen. Ik leef nu in de stof en kan
dus mij zelve gelijk blijven. Ik kan ten opzichte van mijzelf schuld waken. Dat is wat men op
aarde noemt, zondigen. Maar ik kan niet zo zondigen, dat ik in geestelijk bewustzijn daal. Ik
kan niet naar beneden gaan. Wel zal ik misschien een hele tijd nodig hebben, om hetgeen ik
volgens mijn eigen inzichten heb misdaan te boeten en waarden te scheppen, die het voor mij
mogelijk maken om het licht van mijn eigen bewustzijnssfeer weer te aanvaarden. Maar met
een lagere sfeer kan ik geen genoegen nemen. Ik moet dit uitvechten. Hoe hoger ik dus sta,
hoe groter de strijd, die ik met mijzelf heb uit te vechten om over mijn eigen leven weer een
zeker bewustzijn te bereiken, zodat het wordt omgezet in die ervaring en die wetenschap, die
het mij mogelijk maakt om in de geest voort te werken. Zo kunnen wij zien, dat wij het tot nu
toe met elkaar heel aardig eens zijn, niet? Nu zit er alleen maar een haakje aan en dat is dit:
wanneer ik bij mijn incarnatie niet voldoende heb opgelet, dan bestaat de mogelijkheid, dat ik
incarneer in een lichaam, dat mij als dwang oplegt een aantal belevenissen, die niet in
overeenstemming zijn met mijn geestelijk zijn en sfeer. Nu sta ik voor de grote moeilijkheid,
kan ik dit lichamelijk aanvaarden en verwerken, zonder geestelijk a.h.w. mee te leven met die
dingen, die niet bij mij horen. Ben ik in staat om deze daden als een soort noodzaak te zien,
die ik zoveel mogelijk beperk, waar zij niet stroken met mijn eigen wezen, dan zal ik er over
het algemeen geen last van hebben. Dan kom ik toch heel rustig verder gaand, in die hoge
sfeer terecht. Maar heb ik er met hart en ziel deel aan, dan komt de moeilijkheid, dat ik straks
al die daden eerst uit moet vechten. En heb ik dat gedaan, dan heb ik over het algemeen geen
kracht meer over en geestelijk nog een sfeer verder te gaan. Ik blijf dus dan in mijn graad
drie. Verder kunnen wij als algemene regel stellen, dat geen enkele geest kan dalen beneden
het geestelijk bewustzijn, dat hij zich verworven heeft. Ten tweede: geen enkele geest is in
staat tot een uiting, die voor haar eigen wezen totaal vernietigend zou zijn. Dat verder elke
geest in het lichamelijke gedwongen is de ervaring te zoeken, die voor de geest noodzakelijk
is, ongeacht de waarderingen, die daar voor in de stof worden gegeven. Hierop volgt
onmiddellijk de conclusie, dat wanneer de geest inderdaad voldaan heeft aan deze
voorwaarden, en dat moest zij haast wel, zij dus een vergroting van bewustzijn heeft
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

gekregen, waardoor zij, na in haar eigen sfeer dit aan gepast te hebben aan haar innerlijke
waarden en het vrij gemaakt te hebben uit de stoffelijke opvattingen hernieuwd meer
Goddelijke kracht in zich draagt en meer licht. Daardoor komt zij dan tot een groter en meer
bewuste uiting, die U dan noemt, een stijging in bewustzijnsgraad. Dat wordt dan dus de
vierde klas. En is het erg goed gegaan, dan sla je een klas over en wordt het dus de vijfde
klas. Is daar commentaar op?
Kunnen wij dit al beleven? Kunnen wij aan ons zelve, merken, dat wij er iets aan doen? Dat
is altijd de grote moeilijkheid. Maar je kijkt er vaak zo heel erg tegen op, omdat er nog
zoveel voor de boeg is. Er is nog zo ontzettend veel. Doe ik eigenlijk wel iets?
Het feit alleen, dat U zich dat afvraagt, is het bewijs, dat U iets doet. U begint dus reeds Uw
prestatie te meten. Dat is er nu in de stof over het algemeen bij iedere mens opvallend? Dat
hij of zij de geestelijke vooruitgang nooit juist zal kunnen schatten, omdat men ze met
stoffelijke maatstaven tracht te meten. U kunt dus niet voor U zelf uitmaken, hoe ver U vooruit
bent gegaan en hoever U bewust bent geworden. Wij zouden dat veel kunnen, maar wij doen
het niet. Weet U waarom? Wanneer wij zeggen, dat U erg vooruit bent gegaan, dan bestaat de
neiging om op je borst te gaan slaan, omdat je meent, dat je het nu wel weet. En zeggen wij,
dat je te weinig vooruit bent gegaan, dan zoudt U ontmoedigd zijn en zeggen: het haalt toch
niets uit. Het is dus wel heel goed, dat U in Uw aards leven dat zelf niet kunt beoordelen. Maar
één ding weet U wel: het streven naar een bewustwording, ook geestelijk, eerlijk gemeend,
onverschillig, op welke wijze is een geestelijke vooruitgang. Hoe groot die is, dat zult U af
moeten wachten. Dit ziet U vanzelf wel, wanneer U weer in de geest bent teruggekeerd,
wanneer U weer thuis bent. Is er verder nog iets?
Ja. U sprak van onbewuste incarnerende geest. Nu wilde ik vragen, of U iets kunt zeggen
over de functie van het onbewuste bij de incarnatie? Hoelang of dat plaats heeft, dat men
onbewust reïncarneert?
Dat heeft net zo lang plaats, tot je je van je eigen wezen en positie bewust bent en je eigen
verantwoordelijkheden in de geest accepteert. Dus een onbewust incarnerende geest kunt U
zien als iemand, die of hij nu wat gedaan heeft of niet, hard weg loopt, omdat hij een
politieagent ziet en de eerste de beste openstaande deur in schiet, zeggende, zo, nu ziet hij
mij tenminste niet meer. Maar hij moet dan ook maar afwachten, waar hij terecht in is
gekomen. Het kan een opiumhol zijn, het kan ook een kerk zijn.
Dus het ontvluchten van een verantwoordelijkheid?
Juist. Als U er iets voor voelt kan ik U wel wat vertellen over de bewustzijnsprocessen in de
geest. (Graag). Wanneer een geest zich werkelijk bewust is van het hele zijn, dan is haar
bewustzijn niet tot de eigen persoonlijkheid beperkt en tot de voorstellingen, die uit de per-
soonlijkheid voort komen. Er is een voortdurende wisselwerking met andere entiteiten. Men
leeft in een wereld, waarvan men de voorstellingen erkent als een gedachtebeeld, bestudeert
als een gedachtebeeld en toch ervaart als een werkelijkheid en als een ware vreugde. Dit zijn
overigens toestanden, die bij sommige mensen op aarde ook al voorkomen. Wanneer zij die
beleven, dan zit er over het algemeen ook een realiteitsvorm achter. Alles wat de geest als een
voorstellingswereld accepteert moet zij voor zichzelf verwerkelijken binnen zichzelf. Wanneer
zij dat in zichzelf kan dan is de zaak volledig afgerond. Dan is het één geheel. En dan is dat
deel afgesloten. Zolang als wij nog buiten ons zelf verschillende dingen af gaan tasten en wij
weten dat, groeit ons geestelijke bewustzijn. Wanneer die groei ophoudt, is het voor ons de
tijd om, of naar een hogere sfeer te gaan, of kunnen wij dat nog niet bereiken, terug te keren
opnieuw naar de aarde om daar in andere omstandigheden het bewustzijn verder uit te
breiden. Dat is duidelijk, nietwaar? Stellen wij nu, dat een geest weigert om het bewustzijn
van anderen te accepteren. Ik kan mij vele redenen voorstellen, die daartoe aanleiding zouden
kunnen zijn. Denk b.v. eens aan iemand, die erg trots is op zichzelf, b.v. zichzelf op aarde heel
erg mooi heeft gevonden. Die komt in de geest. En geestelijk is die persoon helemaal niet
mooi. Elke relatie met krachten van buiten zegt dus de waarheid omtrent die persoon. Maar
dat wordt vaak niet geaccepteerd. Dat is begrijpelijk. Zo iemand staat voor de keus aan te
nemen, dat hij of zij lang zo mooi niet is, als men denkt te zijn, of wel alle anderen van zich af
te sluiten en in de eigen gedachtewereld te leven. Erger nog, soms weet men wel: die anderen
zijn waar, maar men durft ze niet te accepteren, want zij zouden eens kunnen zeggen dat je
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

lelijk bent. Je geeft ze dus vanuit jezelf een persoonlijkheid. Dan kan de grootste engel Gods
bij je komen, maar die betekent voor jou alleen maar een bedreiging van de eigen waarde.
Dus is die engel dan voor jou de grootste demon. Wanneer ik nu een groot aantal demonen
rond mij zie, is het begrijpelijk, dat ik op de vlucht sla. Dit vooral, omdat ik niet lang genoeg
durf te beschouwen. Want blijf ik mij er lang genoeg op concentreren, accepteer ik die
benadering, dan zie ik hen in hun ware gestalte. Maar ook mijzelf. Zo krijg je dan een,
oneindige vlucht in het duister. Een wanhoop. Nauwelijks is de persoonlijkheid, waarvoor je op
de vlucht was weg, of er komt weer wat anders. Is dat slechter of lelijker dan jij, dan vindt je
het mooi. Het is zoiets als die mopjes over de baas en zijn typiste. Zijn echtgenote vindt die
typiste niets waard, wanneer zij mooier is. Maar als zij zo lelijk is als de nacht, dan is het een
doelmatige typiste volgens de vrouw des huizes. Ik weet natuurlijk niet, of dat waar is ook,
hoor. Ik heb zelf in deze nooit ervaring gehad. Maar op die manier gaat dat dus. Nu komt er
een moment, dat de mogelijkheid tot vluchten is uitgeput. Dan staat de geest voor de keuze
om nieuwe geestelijke waarden te accepteren, dus ook hier de mogelijkheid om naar boven te
gaan. Maar die geest kan dat niet verdragen. Zij vlucht dan in de stof. Omdat zij niet weet,
waarheen zij vlucht, zij vlucht alleen maar. Neemt zij dan de eerste de beste gelegenheid tot
vluchten, die haar geboden wordt. Dus wanneer de trillingsverhoudingen in de kosmos gunstig
zijn en dus het ogenblik van conceptie juist is, dan.....Bom, daar heb ik eindelijk een lichaam.
Dit zonder dat daar verder enige kennis bij is. Nu komt een dergelijke geest natuurlijk met
voorop gezette meningen van grootheid in de wereld. Dat brengt enige nadelen met zich mee,
want daardoor wordt een dergelijk mens over het algemeen niet direct de prettigste. Dan
krijgen wij van die figuren á la malade imaginaire. Je voelt je dan niet zo heel prettig in die
wereld en je verbeeld je een hele hoop. Leer je nu in de loop van het leven te accepteren, wat
je bent, dan zul je dit ook weer kunnen doen. Je hebt niet meer zo'n overdreven voorstelling
van jezelf. Je kunt de waarheid aanvaarden. Dan kun je een hoger wezen wel aanvaarden. Je
kunt daaruit de lering putten, die je zo vrijelijk wordt gegeven en daardoor opstijgen tot
nieuwer en groter bewustzijn. Nu wij dit dan in directe samenhang met de vraag hebben
behandeld, zou ik er nog wel wat aan toe willen voegen. Ons denken is een heel eigenaardig
denken, het z.g. beeld denken. Zoals U trouwens wel gehoord heeft. Wat is nu de moeilijkheid,
wanneer ik met een geest, die hoger staat dan ik, wil gaan converseren? Ik kan alleen die
beelden zien, die binnen mijn bevattingsvermogen liggen. Zal een geest, die boven mij staat
de volheid van het eigen wezen uiten in de beelden, die hij mij toont, dan zou ik er door ver-
blind worden. Het is een veel te fel licht voor mij, zoals U zich op aarde voelt, wanneer U in de
zon kijkt. Ik kan dus zelden direct met een werkelijk veel hogere geest converseren. Dat alleen
dan nog, wanneer ik de kunst versta om mijn ogen te sluiten en dus niet de beelden te
ontvangen, maar alleen de indruk van het geheel te ondergaan, zonder het te analyseren, wil
ik echt wel alles begrijpen, dan moet er een tussenschakel zijn moet er een lager voertuig
tussen geschakeld zijn, dat voor mij een helder, maar nog net niet verblindend licht afgeeft.
Wissel ik met iemand van gedachten, die in de duisternis is, dan is het niet zo erg, want kan
die persoon mij aanvaarden, dan dringt mijn licht in die persoonlijkheid door er is dan voor mij
dus altijd licht genoeg.
Kan die hogere geest zich niet voordoen in de gestalte van een vorig leven waardoor hij
acceptabel voor U wordt?
Niet direct uit een vorig leven hoor, maar U heeft toch gehoord, wat ik heb gezegd: er moet
een voertuig tussen zijn. M.a.w. wanneer de hoogste geest tot in onze sfeer wil komen, dan
moet die geest zich een voertuig aanschaffen, dat voor onze sfeer aanvaardbaar is en toch
tevens nog voor de geest zelf acceptabel. U heeft misschien wel eens gehoord over die grote
geesten, die in onze sferen als zonnen, als lichtstralen, of als wervelende kolommen van licht,
zichtbaar zijn. Dat is nu een vorm, die zo laag komt, dat het in onze wereld zichtbaar is en zich
uitdrukken kan. Gelijktijdig is het voor hen nog een methode van uitdrukking, die er nog net
mee door kan. Want je kunt niet onbeperkt dalen. Wil je dat toch doen, dan zou je a.h.w. van
sfeer tot sfeer moeten incarneren. Elke keer weer in zo'n sfeer door er enige tijd te verblijven
een voertuig bouwen, dat past in die sfeer. Ik ga er mee naar een lagere sfeer, waar ik er dan
een nieuw voertuig omheen moet zetten. Totdat je alle voertuigen hebt verworven en dan op
aarde, of desnoods in de diepste hel, de diepste wanhoop en duisternis af kunt dalen als
gelijke van degene, die er zijn. Maar dat wordt alleen gedaan door, wat wij de
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

reddingsbrigades - zouden kunnen noemen. Dat zijn dus de groepen, die er speciaal op uit zijn
om onderricht te geven, of wat de diepere sferen betreft, zelfs waar zij edele gevoelens
ontdekken, deze zodanig te versterken, dat zo'n persoon even van zijn omgeving vrij komt.
Dan wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om hem meteen in een lichtere omgeving te
plaatsen. Moet daar nog verder commentaar op gegeven worden?
Zoiets heeft U zeker op Kerstavond ook voor ons gedaan. Maar dan op een andere manier.
Wij hebben op Kerstavond ook wel bezoek van heel bijzondere persoonlijkheden gekregen.
Dat ging voor U natuurlijk ook wel met veel moeilijkheden gepaard.
Ja. Dat kost je soms tamelijk veel inspanning, wanneer je iemand, die uit een hogere sfeer
komt, op een redelijke wijze te ontvangen. Dat betekent in de eerste plaats, dat de sfeer veel
zuiverder moet zijn. Er moet dus een afstemming bereikt worden. Wij moeten eigenlijk de
mensen een klein beetje boven hun zelf uithalen met de geestelijke afstemming. Lukt dat ons,
dan is het contact al een beetje gemakkelijker. Wij kunnen dan op de volgende wijze te werk
gaan. Wij kunnen een tussenschakel vormen. Dat is zo-even gebeurt. U heeft dus toen wel de
persoonlijkheid zelf gehoord, maar meer zoals in de U.N.O. Een vertaler, die Uw taal spreekt,
maar verder probeert intonatie en persoonlijkheid zo zuiver weer te geven, als dat maar kan.
In een ander geval, en dat is toen op die kerstavond gebeurd, had de persoon in kwestie, die
ook sterk genoeg was om zich daarvoor voertuigen aan te schaffen, zich een aantal daarvan
gevormd, waardoor hij ook inderdaad persoonlijk kon dalen en deel nemen aan de
bijeenkomst. Maar ook dat brengt nog wel enige bezwaren met zich mee. Voor ons was hij nog
altijd een zeer lichtende gestalte. U ziet, wij bezorgen onszelf heel wat moeite met U, maar zo
nu en dan loont het wel eens. Tenslotte, wanneer wij nu een mens, in zes maanden werken
alles bij elkaar, een bewustzijn kunnen verschaffen, waardoor hij iets vrijer en iets hoger
geestelijk in het leven komt te staan, dan zijn wij allang tevreden. Nu, en dat minimum wordt
werkelijk wel overschreden, hoor. Maakt U zich geen zorgen. Het gaat nooit zo hard, als wij
wel zouden willen, maar toch ook niet te langzaam, dat wij zouden moeten zeggen: onze
werkzaamheden blijven onbeloond.
Waarom is het eigenlijk zo dat het bewustzijn dat wij hebben in de sferen, verloren moet
gaan als je incarneert? Je kunt toch je sfeer beter vinden, wanneer je weet welke fouten je
gemaakt hebt?
Heeft U wel eens mee gemaakt, dat iemand had leren zingen, of had leren typen, of iets
dergelijks, voor zichzelf en daar nog fouten in had? Dan weet U ook dat men begint met deze
persoon eerst alles af te leren, voordat hij of zij een nieuwe techniek kan leren. Het zou
natuurlijk wel veel eenvoudiger zijn, wanneer je die persoon al die kennis zou kunnen laten
vergeten. Wat dat betreft heeft U bij incarnatie dus het onnoemelijke voordeel, dat U Uw
vroegere fouten vergeten hebt, terwijl het bewustzijn zelve, zij het dan niet in stoffelijk
bewustzijn geuit, voortdurend aanwezig blijft. Zo kunt U dus veel gemakkelijker en veel sneller
in het leven leren, dan wanneer U die vroegere kennis er bij had. Want dan zoudt U geneigd
zijn te zeggen: Nu ja, ik heb het vroeger zo gedaan en toen ging het toch ook wel. Dus laat ik
het nu maar weer zo doen. Experimenteren doe ik niet graag." Zo zoudt U dus niet, of haast
niet vooruit komen. Die neiging zou wel heel erg schadelijk zijn wanneer je het een beetje ver
hebt gebracht in het vorige leven. Je hebt uiteindelijk zo heel wat aardige trucjes geleerd. Stelt
U zich nu eens het volgende geval voor iemand is een beurszwendelaar geweest in een vorig
leven. Die komt weer op deze wereld om door zijn voorkeur voor een bepaalde omgeving,
wordt hij klerk en komt op een bank terecht. Zou hij nu herinneringen hebben aan zijn
vroegere zwendeltjes en de mogelijkheden daarvan, dan kunnen wij er wel zeker van zijn, dat
hij meteen weer aan het speculeren zou zijn en waarschijnlijk niet met eerlijke middelen. Dan
zou dus de fout versterkt worden. Maar hij weet het niet. Hij kan die dingen niet zo gauw terug
vinden. Wil hij dan kwaad, dan vindt hij die ervaring toch wel terug. Maar wil hij goed, dan
wordt hij niet voortdurend gehinderd, door dat er een oude ervaring naar boven komt en zegt:
"Ach joh, neem het niet zo zwaar. Je hoeft toch niet direct iemand voor een paar ton op te
lichten. Je leent het en je legt het dadelijk maar weer terug. Dat komt toch allemaal in orde.
Gaat dat niet, nu dan doe je zo en zo en je komt er ook gemakkelijk af". Dat zo iets niet voor
kan komen vind ik een groot voordeel. U moet maar zo denken, het tijdje, dat U hier op aarde
bent, dat is maar net een werkdag voor de geest, hoor. Laat het nu eens veel zijn. Laat U nu
eens honderd jaar op deze aarde zitten. Wat is dat nu? Dat is toch niets. Er zijn er bij ons wel,
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

die zijn aan hun ontwikkeling al bezig, ofschoon zij nog in onze sfeer zijn, zoiets van twee- tot
drie duizend jaar.
Wordt dat niet vervelend?
Ach, wat zal ik U zeggen. Er is altijd zoveel nieuws te beleven, dat je geen tijd hebt om je te
vervelen. Je vervelen doe je alleen maar, wanneer je bewustzijn je niet in staat stelt om
verder te gaan. Wanneer je tot stilstand komt, dan heb je geen zin meer om verder te gaan.
Dan is er geen aardigheid meer aan. Je kunt toch niet meer. Het wordt dan doods en saai en
daarom incarneer je dan. Of dacht U dat de lichtende geest naar deze aarde terugkeert, omdat
zij het hier zo prettig vind? (Neen). Zij incarneren, omdat zij niet verder kunnen en dan de
vrede verliezen, die zij in Zichzelf hebben. Dan neem je liever een tijdje op aarde op de koop
toe, dan dat je langzaam zou versuffen en verbleken, terwijl je daar blijft rondhangen. Maar de
één beleeft de dingen kort en snel en wordt ook snel bewust, de ander doen er heel lang over.
Waar ligt dat aan?
Dat ligt aan de persoonlijkheid.
Ik denk dat iedereen het graag zo snel mogelijk zou willen.
Dat zegt U nu zo, maar dat is helemaal niet waar. Ik zal U vertellen, dat wij hier iemand
hebben, die op het ogenblik tot de hogeren van de Orde behoort en deze mens is op het
ogenblik ruim eh…. zesendertighonderd jaar van deze wereld weg. Er zijn nog wel ouderen,
maar die treffen wij in onze groep zelf niet aan. Ik neem dit voorbeeld juist, omdat ik hem
goed ken. Die man is vroeger priester geweest en ook magiër er bij. Die had zoveel van die
magie geleerd en meegenomen, dat hij honderden en honderden jaren met die magie heeft
geëxperimenteerd. Hij vond dat buitengewoon prettig. Hij bemoeide zich met de wereld. Hij
toverde een beetje, laten wij het maar zo noemen. Eindelijk, toen hij daar alles van had
uitgeput, van deze liefhebberij en niets nieuws meer kon vinden, ging hij zichzelf pas afvragen
"Waarom doe ik dit eigenlijk?" Toen begon zijn geestelijke bewustwording pas. Nu had deze
mens ontzettend veel geleerd op deze aarde. Onder die oude priesters had je ook biechtvaders
en zo had hij heel veel van andere levens gehoord. Alle problemen, die hij op die manier had
mee gebracht, ging hij toen uitwerken. Dat testte hij toen tegen de nieuwe wereld, waarin hij
was. Daarvoor had hij ook weer een enorme tijd nodig. Toen hij daarmee klaar was, kwam
opnieuw zijn belangstelling voor magie naar voren. Met zijn pas gevonden wetenschap ging hij
weer opnieuw experimenteren, maar door de ervaringen, die hij nu allemaal had opgedaan in
de geest, in een heel andere zin. Hij begon te proberen het lot van de mensen een beetje te
helpen verlichten. Weet U met wie hij o.a. nog geëxperimenteerd heeft? Met een zekere
Paladino. Naar ik meen een bekende figuur in de spiritistische wereld? (Ja). U ziet dus, dat hij
zelfs toen nog aan het experimenteren was. Maar over de wereld ging opeens een golf van
bewustwording. Haast zou ik zeggen: de golf van de nieuwe profeten. Het spiritisme dat zich
ontwikkelde tot een openbaring. Hij word toen door de gebeurtenissen getroffen, die hem
toonden, dat hij niet genoeg had aan experimenten, maar het nodig bleek de mensen licht te
geven. Toen zei hij: "Nu ga ik licht halen". Met zijn grote ervaring en zijn begrip voor de
mensheid is hij toen zeer snel gestegen. Het vreemde is echter, dat hij naar boven steeg om
licht en het zelf aan de mensen te brengen. Maar hij doet het niet. Hij helpt alleen maar
anderen om dat te doen. Hij heeft allang begrepen, dat het voor hem beter is om boven
werkzaam te zijn en daar de zaak te regelen met zijn kennis, waar hij met zijn kracht wel vijf
of zes anderen kan helpen om het werk te doen, dat hij anders alleen zelf een keer zou kunnen
doen. Hij verveelvoudigt dus zijn werking. Hij bewaart zo de afstand, die nodig is om
onpersoonlijk te werken, althans voor het grootste deel van de tijd. Maar de bevrediging ligt
voor hem er in, dat hij ondanks dat, met die wereld in contact staat, nieuwe dingen ziet groei
en daardoor problemen krijgt, die hij overdenken kan, zijn wereld hier door uit kan breiden en
hierdoor nog verder bewust worden. Misschien moeten wij over een tijdje zeggen: die vriend
heeft onze Orde verlaten, omdat hij te groot werd en haar ontgroeide. Hij zal wel altijd een
vriend blijven, maar niet meer zo als nu actief deel nemen aan het werk, dat wij hebben. Dan
zij wij er aan de ene kant blij om, en aan de andere kant een heel klein beetje bedroefd. Maar
nu zit ik eigenlijk een beetje uit de keuken te klappen en dat hoort eigenlijk niet.
Maar kracht geeft hij U nog wel, deze geest?
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

Kracht? Ik kan u wel zeggen, dat hij nog heel iets anders doet. Op het ogenblik, dat ik iets
verkeerds zou willen zeggen, sluit hij mij af! Bom. Afgelopen. Je krijgt er geen woord meer
door. Dan draait hij gewoon de kraan dicht. Wanneer ik iets niet juist zou doen, dus een grove
fout zou maken, dan krijg ik van hem uit door: "Denk er om, dit niet en dat wel. Of zo, en niet
anders!". Hij leidt, hij heeft dus de leiding, hij organiseert. Hij geeft mij de kracht. Ik ben een
handelsreiziger. Een reiziger in de begrippen, die de Orde heilig en hoog houdt. Nu zegt hij mij
als mijn afdelingschef. “Kijk, eens hier kerel. Hier heb je honderd gulden" Nu moet je zien, dat
jij daar zoveel mogelijk propaganda mee maakt en zorg dat je met resultaten en orders thuis
komt. Ik ga dan naar beneden toe. Maar als mijn rekening niet klopt, als ik de kracht, die hij
mij geeft, verkeerd zou gebruiken, dan zou hij mij onmiddellijk terug roepen en zeggen:
Kereltje, hier heb jij je ontslag - of - ga maar eens een tijdje op non-actief of ik word van
school gestuurd.” Het is maar, hoe je het zeggen wilt. Wilt U nog meer weten?
Er zijn nog vele problemen. Er is ook nog het bewustzijn van de wordende mens. Voor het
geboren worden. Dat is het foetale bewustzijn. Hoe gaat dat over naar het bewustzijn van
de baby, van baby tot kind, tot volwassen mens enz. tot aan de dood? Deze wordingsgang
van het bewustzijn heeft mij n.l. zeer geïnteresseerd. Ik kan nog niet omschrijven, nog niet
bevatten, hoe dat eigenlijk gaat.
Ik zal proberen om het heel eenvoudig te zeggen. Wij krijgen in deze pre-natale periode
natuurlijk eerst de vorming van het lichaam. In deze eerste vorming is het lichaam van de
moeder plus de omzetting van afscheiding, die zich daarin gelijktijdig afspeelt bepalend voor
alle ervaringen, die in het levensbeginsel worden gevoeld. Er is nog geen sprake van
deelnemen aan het leven van de moeder in intense zin. Lichamelijk. Van een echt foetaal
bewustzijn kan hier dus niet zo zeer worden gesproken. Het bewustzijn is nog kleiner dan dat
b.v. een slak. Gelijktijdig is de geest van dit wordende lichaam voortdurend bezig de
gevoelsfeer van de moeder te doorgronden. De gevoelens van de mens spreken het duidelijkst
tot de geest. Nu groeit het lichaam. En met het groeien worden de reacties van het
moederlichaam steeds belang rijker voor de foetus. Dus worden ook sterker en sterker de
gevoelsreacties van de moeder, let wel de gevoelsreacties, afgedrukt op het foetaal
bewustzijn. Dit gaat steeds verder en naargelang het lichaam zelf complexer, het
instrumentarium groter wordt, de hersenen al meer vorm krijgen, is het begrijpelijk, dat ook
het onderscheid dat tussen de verschillende indrukken wordt gemaakt, steeds groter wordt.
Gelijktijdig echter gaat de geest zich meer vereenzelvigen met het lichaampje en komt in de
plaats van de zuiver geestelijke binding met de moeder, een lichamelijke binding. Dat is
ongeveer in de zesde tot de zevende maand in orde. Dan is er dus van het geestelijk
samengaan van het wordende kind met de moeder eigenlijk minder sprake dan van een zuiver
lichamelijk samengaan, waarbij de geestelijke impulsen vaak zelfs in de tweede plaats komen.
Alles wat er dan met de moeder gebeurt in stoffelijk en geestelijke zin wordt echter door het
wordende kind volledig mede verwerkt. Het kan alleen nog niet op een zodanige wijze worden
verwerkt, dat hier een bewuste uiting aan te geven is. Dan komt het ogenblik, dat de scheiding
van moeder en kind plaats vindt, de geboorte. Op dat ogenblik is er een groot rapport tussen
het moederlichaam en de moederlijke geest en het kind, dat zo dadelijk de wereld gaat
betreden als stof en geest samen deze scheiding wekt over het algemeen een innerlijk verzet,
er is een geborgenheid, waarin men Zichzelf wel voelt. Vaak zelfs zó wel gevoeld, dat nog lang
in het latere leven, soms tot aan de dood toe, men onbewust die zekerheid tracht terug te
vinden. Dat komt tot uiting o.a. in de slaaphouding en bepaalde reacties, zoals U weet. Deze
geborgenheid en zekerheid heeft het lichaam niet zo zeer nodig als de geest. De geest wil de
zekerheid hebben van iets, wat achter deze geest staat. Nu het lichaam eenmaal complexer is
geworden en voortdurend wordt bestormd met nieuwe indrukken is de geest niet meer in staat
zich volledig in de eigen geestelijke sfeer te bewegen en hierdoor voldoende zekerheid voor
het stoffelijke leven, dat zo druk en interessant lijkt te vinden. Het bewustzijn van de baby
vertoont dus aan de ene kant een zoeken naar zekerheid en welbehagen, zoveel mogelijk
identiek aan hetgeen in het moederlichaam werd beleefd, terwijl er aan de andere kant is een
voortdurend zoeken naar de nieuwe fenomenen. Een voortdurend trachten om de nieuwe
zintuigen te gebruiken en ze a.h.w. te gebruiken voor een redelijk proces, waardoor de geest
niet alleen een in druk, maar ook een voorstelling kan verkrijgen. Vandaar uit gaat het proces
vorder en wij krijgen het kind. Het kind heeft zijn indrukken van de wereld, maar is
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

voortdurend geneigd om deze indrukken nog eens te controleren. Het kind experimenteert.
Veel meer dan de baby, die het experiment over het algemeen tot het eigen "ik" beperkt, tot
een zekere bezitslust. Verder gaat dat niet. Wanneer het kind wat groter is, vaak in de periode
van negen maanden tot anderhalf á twee jaar, experimenteert het hoe langer hoe meer met
de buitenwereld. Is deze periode voorbij dan is meestal een zekere bewegingsvrijheid
gevonden. De eerste experimenten met het eigen "ik" zijn voorbij. De gehele belangstelling
wordt nu naar buiten toe gekeerd. In deze periode is elk kind bepaald extrovert. Het leeft niet
van binnen uit. Het leeft alles van buiten en naar buiten. Van een bewust innerlijk beleven is in
deze periode nog weinig of geen sprake. Wel put de geest een grote serie gevoelsindrukken
van zeer grote intensiteit, naar aanleiding van gebeurtenissen van buiten af. Het kind legt een
groot deel van deze in drukken vast in de hersenen, zodat onderbewustzijn en geest in de
jeugd reeds zeer sterk worden beïnvloed. Naarmate het kind groter wordt, wordt de vrijheid,
die het heeft, meer bewust beperkt. Voordien werden de beperkingen nog niet zo bewust
ervaren en alleen door een protest vastgesteld. Nu komt de periode, dat het kind de beperking
aanvaardt, maar naar het waarom gaat vragen. Het komt dus tot een associatie en het
associërend denken is over het algemeen een bewustwordingsgang, die in de stof en in het
stoffelijk bewustzijn direct plaats vindt, waarbij geest en onderbewustzijn echter nog steeds
een even intens deel hebben aan deze gang, die duurt tot ongeveer het twaalf de tot
veertiende jaar van het kind. Is deze periode afgelopen, dan zien wij dat het kind een
bepaalde vorm heeft gekregen plus een duidelijk herkenbaar karakter, dat het naar buiten toe
vertoont. Voor die tijd zijn er hierin nog veranderingen mogelijk, na deze tijd echter wordt het
steeds moeilijker. Nu gaat het kind, associërend denkend, zijn zintuigen gebruiken en ook nog
zijn geestelijke impulsen, om hierdoor zijn eigen stof met de buitenwereld te associëren. Het
gaat zich een plaats bepalen in de buitenwereld en zijn eigen kracht en aantrekking in directe
relatie met de buitenwereld brengen. Deze periode duurt over het algemeen tot het twintigste
jaar, soms ook tot het vijfentwintigste, of het achttiende of negentiende jaar. Dat verschilt
voor verschillende persoonlijkheden nogal eens zeer. Nadien is de behoefte niet zo zeer een
behoefte van associatie in de zin van een nieuw beleven, maar krijgen wij daarvoor steeds
sterker in de plaats de behoefte om een eigen plaats in de buitenwereld in te nemen. Dit
zoeken duurt over het algemeen tot het dertigste, of drie-endertigste, soms echter ook het
vijfendertigste tot het veertigste jaar. In deze periode is het streven gericht op de bevestiging
van de indrukken, die men van het eigen wezen heeft, het doorzetten van de persoonlijkheid
in de buitenwereld en het uiten van het eigen wezen in de buiten wereld. Het is dus eigenlijk
nog steeds een extroverte beweging, waar in wij echter gelijktijdig de geestelijke impulsen
meer en meer zien toenemen. Zijn wij deze periode voorbij dan krijgen wij de bezinnelijke
periode. In deze tijd zoekt de mens voor zichzelf, naar de waarden van het leven, tracht te
komen tot een accepteren, een verwerken van de omstandigheden en gaat nu niet meer alleen
van zichzelf uit na denken, maar gaat vaak trachten voor anderen te denken. Hier krijgen wij
dus de associatieve vorm van denken in een geheel nieuwe bewust zijnstoestand. Men
verplaatst zich in het leven van anderen. In sommige gevallen geeft het aanleiding tot
roddelzucht, tot bemoeizucht, in andere gevallen een veel grotere behulpzaamheid en een veel
groter begrip voor de medemens. Deze periode duurt over het algemeen een jaar of vijf, zes.
Dan krijgen wij het optreden van de eerste verschijnselen. D.w.z. dat de mens tot nu toe in
het heden heeft geleefd, of vooruit heeft geleefd. Hij begint terug te zien en waarden uit het
verleden te putten. Hierin zijn de geest plus het onder bewustzijn vaak beheersend. Het geeft
aanleiding tot lichamelijke verschijnselen en kan vaak duren tot het zestigste á vijfenzestigste
jaar. Bij sommigen nog langer. Het komt vaak tot een poging om die jeugd te reconstrueren
en wel speciaal die periode in de jeugd, waarin men een bepaald bewustzijn, een bepaald
verlangen had. Onderdrukte verlangens uit de jeugdtijd komen in deze periode vaak op de
voorgrond en men tracht ze te verwerkelijken. De geest beleeft de bewustwording van deze
mens als een uiting. Komen wij bij iemand, zo omstreeks de zestig jaar, dan wordt de drang
tot daden anders. De herinneringen komen meer op de voorgrond en gelijktijdig zien wij een
steeds groter wordende, geestelijke impuls, die de wens vaak beheersten. Hoe sterker de ze
impuls wordt, hoe sterker ook het vorige leven reeds een basis voor bewustzijn heeft gelegd,
hoe meer deze mens dan vergeestelijkt en de stoffelijke middelen worden voor hem alleen
maar een middel om geestelijke, al zal hij dat altijd niet zo uitdrukken, rust en vrede te
bereiken. Dan krijgen wij de naperiode, waarin het geestelijke bewustzijn zijn hoogtepunt
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

bereikt heeft en op dit punt blijft staan, terwijl het stoffelijke bewustzijn, dat geen drijfveer
meer heeft, langzaam maar zeker begint terug te keren tot de zuiver stoffelijke waarden en
normen. Deze uit zich in het begin door nog door de bedrijvigheid der oudjes. U weet wel, die
oudjes, die het nog zo best doen, daarna echter tot een steeds meer op de voorgrond kerend
herinneren, dat uiteindelijk dreigt te ontaarden in seniliteit, ook vooral, wanneer het lichaam
verval vertoont. Voor de rest is er dan eigenlijk geen nieuw beleven meer mogelijk en de uiting
van de geest zal over het algemeen hoofdzakelijk op de voorgrond komen in de poging om het
leven van anderen te leiden en te richten, in de goede richting. Zo heeft U daar schetsmatig
dan de bewustwordingsgang uitgedrukt.
Ik dank U voor deze prachtige uiteenzetting. Het is mij volkomen duidelijk geworden,
Daar ben ik erg blij mee. Ik dacht dat ik het nogal erg oppervlakkig had gedaan. Maar ja, ik
moet met de tijd ook rekening houden.
Mag ik nog eens iets vragen? N.l. over de seniliteit. Hoe is dan de geest ten opzichte van
de mens? Trekt hij zich terug, of is hij dan niet meer verstandig en redeneert dan dikwijls
uit zijn kindsheid en andere dingen, maar de geest, is die dan nog geheel op aarde?
De geest is dan nog hier op aarde, maar zij maakt balans over het stoffelijk leven op, waar zij
geen uitingsmogelijkheid of uitingsdrang meer heeft ten opzichte van het stoffelijke. Is dat
duidelijk? Ik hoop, dat ik nog steeds de simpele schoonheid weet te handhaven, hoor.
Het is voor de omstanders niet waar te nemen, dus dat moet je dan zo maar aanvaarden.
Er zijn mensen, die daar niet over denken......
Maar het is voor andere mensen wel eens een probleem. Ach weet U, het is natuurlijk erg
onplezierig voor de mensen, wanneer een mens seniel wordt in de naaste omgeving, maar aan
de andere kant moeten zij zich realiseren, dat vele gevallen tot stand zijn gekomen, door een
te sterk vermoeien en gebruiken van het lichaam, dat in de periode van grootste
werkzaamheid juist ten bate vaak van die omgeving en te nutte van die omgeving plaats vond.
Er zijn natuurlijk uitzonderingen, maar in de meeste gevallen zullen wij dat toch wel zien.
Seniliteit treedt dus eigenlijk op door verzwakking van de voedingsstof der zenuwcellen. Daar
komt het dus eigenlijk op neer. Er zijn daarnaast nog andere oorzaken en........... U weet wel
verkalking enz.enz. Maar juist de verschijnselen van de gezonde seniliteit, dat is een gebrek
aan zenuwkracht. Treedt dat op, dan kunt U zeggen, dat de geest zo langzamerhand haar
portie heeft in dit lichaam en balans opmaakt, daar heeft ze vaak een hele tijd voor nodig en
daarom kan het jaren duren, voordat eigenlijk een neiging tot sterven aanwezig is. Begrijpt U?
(Dank U wel). Nu alweer een stukje.
Nu vind ik eigenlijk wel, dat het zo langzamerhand wel tijd wordt om de laatste spreker aan
het woord te laten, maar ik wil niet ineens weglopen, dat staat ook zo vreemd, hé? Er wordt
zoveel gekucht, ik zal maar een toestemming nemen, en mij zo langzamerhand terug te
trekken, ja? Nu vrienden, dan allemaal nog een prettige avond dan verder. Het woord is aan
de laatste spreker.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Wij zullen dan deze bijeenkomst weer gaan besluiten niet het Schone Woord. Ik geef U voor
deze gelegenheid de keuze tussen de beschouwende, mediterende en de beschrijvende vorm.
Heeft U een bepaalde voorkeur?
Ja, de mediterende vorm.
Mediterende vorm. Waarover wenst U te mediteren?

ZELFBESCHOUWING
Het is moeilijk ons zelf te beschouwen. Zolang wij bouwen en volgebonden zijn aan het eigen
wezen, vinden wij haast geen tijd om afstand te doen van alle dingen, die voor ons in het
dagelijkse leven belang rijk en groot zijn en onpartijdig van verre afstand, zonder goed te
praten en zonder te veroordelen, ons eigen leven aan te zien. En toch moeten wij voortdurend
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 5 – 10 februari 1955

onszelf beschouwen, Zo beginnen wij in het leven met onszelf af te vragen, hoe passen wij in
dit speciale, wat wij wensen te bereiken? Wij gaan onszelf afvragen, wat zijn de krachten, die
ons drijven? Hoe kunnen wij deze maken tot een nieuwe stuwkracht, die je eigen wezen
voortjagend, de bereiking in het vooruitzicht stelt? Dan zoek je naar al wat je, beweegt. Je
realiseert je, langzaam en over wegen, de paden, die lichaam en geest gaan. De behoeften,
die erin bestaan en de wijze, waarop je deze dienstbaar kunt maken, aan wat in je bewustzijn
het meest begeerlijk is. Zo begin je. Maar je weet ver der gaan. Dan komt het ogenblik, dat je
jezelf beschouwen gaat als een spiegel. Je zegt tot je zelve: "hier sta ik. Dat heb ik bereikt en
zo ver ben ik gekomen”. Nu, op dit moment, wil ik alle dromen terzijde stellen en zeggen.
Vreemdeling, vreemdeling, die ik zelve ben, hoe zie je er uit en hoe ben je?" Dan tekent zich
een beeld, dat ons vaak ervaringen lijkt, omdat wij het nog niet durven of willen accepteren.
Wij vluchten in de vaagheid der gegevens. Toch hebben wij reeds een beeld gekregen van
onszelf. De vage omlijn werd vastgesteld: wij heb ben wat schakeringen en kleuren gezien, die
ons nader brengen tot een begrip van dit wezen, dat wij zijn en beleven. En dan komt de dag,
dat onze ogen, onze geestelijke ogen, scherper en helderder gaan worden. Dat wij niet meer in
de spiegel kijken, maar dat wij heen zien door de mantel, die wij onszelf hebben omgehangen.
Dat wij onder de fraaie kleuren van idealisme van hoogstaand leven, waarin wij ons zo gaarne
vermommen, het geraamte zien van het wezen, mens. Het wezen: geest, dat zoekt naar uiting
en bewustzijn. En dan ontplooit in ons langzaam maar zeker zich de kennis van de werkelijke
waarden en krachten des levens. De wereld krijgt een ander aangezicht en wij zelve gaan
soms als verdwaasde vreemdelingen door de tuinen der bewustwording en vragen ons steeds
weer af: Ben ik dit?" Maar we beschouwen nog steeds ons zelve en zelfs het beeld der
innerlijke waarden bevredigt ons niet, Verder en verder zoeken wij. Wij zoeken naar de kracht
van het leven. Voor onze nog half blinde ogen doet zich een schijnsel voor als een aarzelende
vlam, tergend in een ver duister. Wij staren en denken en zoeken en turen en helderder
brandt de vlam, helderder, totdat het wordt als een offervuur, brandend in een vreemd
knokerige tempel, die wij met schrik herkennen als ons eigen "ik". Een vuur, waaruit, oh
wonder, hoge kracht tot ons spreekt, onze God. En dan, gedreven door het innig verlangen om
toch ons zelf te zijn, al beschouwen wij onszelf duizendmaal, storten wij ons in het vuur en
laten ons gaan, drijven ver van alle stoffelijke beschouwing, van alle geestelijke
bewustwording, van alle sfeer. Ons uitend in zwarte duisternis zien wij onszelf getekend staan
op de wereld, zien wij onszelf zweven door de sferen. Een doel, dat behoort in de grootsheid
der schepping. En dan eerst, schouwend in een kort moment Een geestelijke verrukking uit
een Goddelijke kracht, zien wij onszelf werkelijk, wordt onze zelfbeschouwing tot een
zelferkenning, ten volle en volledig. Dan weet je, mens of geest: Dit ben ik. Vlam van
Goddelijk vuur, vormend rond zich vreemde waan en beelden, maar lichtend, lichtend altijd of
je wilt of niet. Denkend zelfstandig te gaan alle wegen en toch slechts gaan kunnen tot de
lichtende kracht die geleidt. Uit de wereld van waan wordt langzaam een werkelijkheid
geboren. Een werkelijkheid, die eeuwig is, waarin jezelf een deel bent van het zijn. Dan
beschouw je jezelf niet meer. Aanschouwend in jezelf zie je God en Zijn schepping. De
volmaaktheid, die in elke mens en ook in elke geest besloten ligt. Dan eerst heeft de
zelfbeschouwing ons geleid tot haar doel. Altijd jezelf kennen, zo goed je kunt, is een taak.
jezelf erkennen, voor wat je bent en de kracht in je, voor wat zo is, is alle beschouwing
beëindigen en de volheid van het bestaan beleven.
Ik dank U voor Uw aandacht.
Goeden avond.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 6 – 10 maart 1955

LES 6

Goeden avond, vrienden,
Wij hebben de vorige maal over de Goddelijke wetten gesproken. U heeft de gelegenheid
gehad om het gesprokene na te zien. Wanneer daaruit nog problemen zijn voortgekomen
kunnen wij die eerst nog even behandelen. Geen? Dan was het blijkbaar gerechtvaardigd, dat
de tweede spreker de vorige maal weigerde verder op dit onderwerp in te gaan voor U het na
gelezen had.
Wanneer wij over de Goddelijke wetten gaan spreken, zoals ook wij nu gedaan hebben, dan
moeten wij altijd één ding goed in ogenschouw nemen. Wij kunnen deze wetten niet zien als
vervreemd van ons wezen, of buiten ons wezen staand. Er zijn ongetwijfeld nog heel wat meer
wetmatigheden, die wij stuk voor stuk zouden moeten gaan bekijken. Bij nader inzien hebben
wij besloten, om dat althans voorlopig, terzijde te stellen. U zult zich ongetwijfeld afvragen,
waarom? Het hoofddoel van deze cursus is de benadering van het Goddelijke voor U
persoonlijk en uit Uw eigen wezen mogelijk te maken. Een inzicht in de Goddelijke wetten leek
mij daarvoor inderdaad noodzakelijk. Verschillende reacties, niet altijd juist op deze daartoe
meest geëigende plaats, hebben er echter toe geleid, dat wij meenden de nadruk op de
Goddelijke wetten althans voorlopig, een weinig te moeten verzwakken. Ik hoop dat daar geen
bezwaar tegen is. Wanneer wij het Goddelijke moeten gaan benaderen, dan is voor ons de
grote vraag: Hoe? Wij kunnen weten, dat er wetten zijn: wij kunnen allerlei beschouwingen
omtrent het Goddelijke opbouwen en er heel veel over filosoferen. Maar het gaat erom
persoonlijk contact te krijgen met het Goddelijke en in ons zelve de resultaten van dat
Goddelijke te ondergaan. In de eerste plaats is het natuurlijk nodig, wij hebben daar al meer
malen de nadruk opgelegd, dat wij een bepaalde Godsvoorstelling in ons dragen. Wij moeten
een beeld hebben van God. Hoe echter dit beeld te vormen? Wij hebben gezien, dat dit voor
elke persoonlijkheid verschillend is en noodzakelijker wijze ook verschillend moet zijn.
Wanneer ik U nu een algemeen beeld zou gaan geven, dan zoudt U ongetwijfeld Uw eigen
interpretatie daarvan geven. Maar ik meen dat dit niet noodzakelijk is. Ongetwijfeld heeft U
allemaal een beeld van God in U, zoals gij dat in Uw kinderjaren hebt geleerd. Op de duur
heeft die Godsopvatting plaats gemaakt voor een ruimere denkwijze. Maar hoe ruim U ook
wordt in Uw denken, U zult ongetwijfeld altijd blijven associëren met deze
kindsheidsvoorstelling, deze eerste ervaring gedurende de eerste kennismaking met grotere
machten. Laten wij dus aannemen, dat gij dit Godsbeeld, dat ieder op zijn eigen wijze in zich
draagt als kernpunt stellen. Kunt U het daarmee eens zijn?
Tot op zekere hoogte. Ik kan mij helemaal geen beeld van God vormen.
Aha. Nu blijkt ineens, dat er nog moeilijkheden zijn. U kunt zich geen beeld van God vormen.
Dan moeten wij dat geval van U eigenlijk eens afzonderlijk gaan bekijken. Wat noemt U God?
U moet mij nu de vragen even beantwoorden.
Wanneer ik geen beeld kan vormen, kan ik ook geen lijn aangeven. Natuurlijk geloof ik, dat
er iets bestaat. Iets groots. Maar ik kan er geen vorm aan geven. Ik vraag mij af, of Jezus,
toen Hij bad tot God, de Vader het beeld zag, zoals wij God meestal in menselijke vorm
zien. Of dat zo juist is, want de Christus kan God zien.
Dit laatste betwijfel ik zelfs. Hij wist God volledig te ervaren. Maar ervaren en kennen zijn nog
twee verschillende dingen. Dit, om dat de hoogste Godsconceptie vormvrij is. Maar U knoopt
er aan vast: Ik heb er geen voorstelling van.
Kan ik geloven in God en er toch geen vorm aan geven? Voor mij is dit niet een kwestie
van twijfelen. Ik geloof wel degelijk aan een God.
U gelooft aan een God, maar U moet er een beeld van hebben. Ziet U de lucht? (Pardon?) Kunt
U de lucht zien? (Neen). Gelooft U aan de lucht? (ik weet, dat zij er is). Ervaart U de lucht?
(Ja). Welnu, God is de lucht, waarin onze geest ademhaalt. Kunt U zich dat voorstellen? Is dat
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 6 – 10 maart 1955

beeld voor U aanvaardbaar? (Absoluut). Dan zou ik mij daar maar op baseren. Het is een
beeld, dat nog niet eens zo dwaas is. Integendeel. Naar ik meen, gaat het heel wat verder dan
vele meer persoonlijke opvattingen. Hiermee hoop ik dan voor U een formule gegeven te
hebben, waaronder U het Goddelijke voor Uzelf kunt definiëren. (in ieder geval een basis) Meer
heeft U niet nodig. De rest komt vanzelf. Zijn er nog meer vrienden, die moeilijkheden hebben
op dit gebied? Moeilijkheden met hun voorstelling van het Goddelijke?
Ik heb het ook wel gehad. Maar ik ben tot de conclusie gekomen, dat het niet nodig is om
een voorstelling te hebben. Ik probeer het overal in te zien. Het Goddelijke is voor mij
alles, wat ik beter kan zien, dan mijzelf.
Juist. Die laatste uitdrukking is volledig juist: alles wat ik beter kan zien, dan mijzelf. Als U
Uzelf volledig zoudt kunnen zien, zoudt U in Uzelf het Goddelijke moeten ontdekken.
Dat kan ik helemaal niet. Dat is voor mij de grote moeilijkheid. Maar dat is niet belangrijk
genoeg.
Ja. Dat is juist wel belangrijk. U heeft gemerkt, dat ik volledig van toon en wijze van
onderricht ben afgeweken. Zelfs van mijn opvattingen omtrent de cursus. U zult ook bemerken
dat ik mij op het ogenblik de grootste moeite getroost om meer persoonlijk in te gaan op de
verschillende mogelijke problemen. Dit alles juist, omdat deze verschillende vraagpunten zijn
blijven bestaan en niet alleen door illustratief materiaal waren weg te nemen. U zegt: Ik kan
het Goddelijke in mij zelve niet zien. Waaruit, waardoor en hoe leeft U dan?
Dat is heel moeilijk te zeggen.
U heeft een zekere levensessence nodig, zo goed als Uw lichaam de lucht. Zoudt U God niet
willen zien als iets, dat overal rond U is, zoals in het luchtbeeld, dat ik zo-even gegeven heb?
Zoudt U dan ook op dat beeld willen doorbouwen en God zien als iets, dat geregeld in Uw
eigen wezen doordringt. Iets, waarin U geregeld moet adem halen. Waarvan U meer, althans
meer bewust in U kunt laten doordringen? En aan de andere kant, iets, dat overal rond U is,
dat in alle dingen is en zonder hetwelk er een leven mogelijk is. Zoudt U het zo niet kunnen
accepteren? (Ja). Dat het in U is. Dat het voortdurend in U werkzaam is en dat U zonder dat
geen ogenblik zoudt kunnen leven, bestaan, denken of handelen? (Ja) U moet niet naar het
Goddelijke in U zelve zoeken als iets moois en iets goeds. Dat zijn vaak de verkeerde
opvattingen, die de mensen hebben. De opvatting, dat zij God alleen maar als het mooie, als
het schone en goede moeten zien. Ik mag U er misschien op wijzen, dat dat niet het geval is.
God is niet alleen het mooie en het schone, maar alles. Wanneer ik U mag verwijzen naar de
eerste en de tweede les, die wij U gegeven hebben. Dan kunt U dit daar zo nadrukkelijk in vast
gelegd vinden. "God is alles". Wanneer U zich herinnert de kwestie van de wet van evenwicht,
die wij ook vorige maal nog besproken hebben, dan vindt U het wederom: "Goed en kwaad
zijn één. Er bestaat geen eenzijdige belichting van alleen goed. God is. Alles is in God. Goed en
kwaad zijn alleen maar dingen, die voortspruiten uit onze persoonlijke beoordeling". Het is niet
de kunst om in al het goede en schone God te zien. Maar in alle dingen God te zien, dat is één
van de belangrijke punten.
Ja, dat is wel zo. Maar het is zo merkwaardig, dat de mens de dingen verschillend ziet. De
ene keer zie je het zo en de volgende keer zie je het weer anders. Op een ogenblik ervaar
je het dan zo ineens weer heel anders. De mens is niet altijd hetzelfde. Je kunt a.h.w. niet
altijd geloven. De mens is per slot van rekening geen eenzijdig vlak.
Neen. En juist waar het zo is, moet het ook begrijpelijk zijn, dat waar de hoofdwaarden in zich
gelijk blijven en de waarden van het leven gelijk blijven, het de mens is, die steeds weer een
ander punt ziet.
Is er nog iemand anders, die een probleem heeft op dit gebied?
Ik stel mij voor dat het een gevoelskwestie is. God moet je benaderen met het gevoel.
Inderdaad. Maar in elke gevoelskwestie ligt eigenaardig genoeg een samenspel van
verschillende bewustzijnswaarden. Het is niet voor niets, dat ik aan het begin van een nieuw
onderwerp begin met de nadruk te leggen op het feit: wij moeten een voorstelling hebben van
God.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 6 – 10 maart 1955

Is niet iedere voorstelling, die wij ons maken, fout, omdat wij ons niet voor kunnen stellen,
hoe het werkelijk is?
Elke voorstelling, die wij ons maken is goed, evenzeer als fout. Fout, omdat zij onvolledig is en
wij het groot Goddelijke nooit kunnen overzien. Goed, omdat al wat er bij ons kan rijzen
binnen onze beperkte persoonlijkheid zeker in de volmaakte volledigheid van het Goddelijke
aanwezig moet zijn, U ziet dus, dat het er niet zozeer op aan komt, hoe wij God gaan
benaderen en naar welk beeld, maar dat het wel voor ons belangrijk is om altijd en ten alle
tijde een beeld van God te hebben, dat wij zelf steeds weer voor ons kunnen halen, wanneer
wij over God denken. God mag voor ons in het leven niet alleen maar een abstractie blijven.
Wij moeten met God iets associëren, dat in ons leeft, ook in ons bewustzijn. Dat is de eerste
voorwaarde willen wij nader kunnen komen tot het Goddelijke langs de eenvoudigste en meest
gebruikelijke weg. Zijn wij het zover met elkaar eens?
Dus het behoeft geen vorm te hebben?
Het behoeft geen vorm te hebben in die zin, dat U het zich niet behoeft voor te stellen als
vormhebbend. Maar het moet voorstelbaar zijn. Er zijn dingen voorstelbaar, die in het weten
nauwkeurig zijn omschreven en toch geen vorm hebben. Waarom zoudt U niet aan God den-
ken als een licht of een klank. Deze zijn evenzeer Goddelijk als alle andere dingen. Zij hebben
toch geen vorm. Het beeld, dat ik daar voor zo-even gaf. God is een atmosfeer, waarin alle
leven adem haalt en zonder dewelke niet kan bestaan. Hij is vormloos in wezen. Maar Hij is als
vorm omschrijfbaar. Begrijpt U, wat ik met dat laatste bedoel?
In de Christelijke Godsdienst, de mensen die tot God bidden, bidden wel tot God, maar zij
halen zich vaak daarbij de beeltenis van Christus voor ogen. Ik heb dat persoonlijk ervaren.
Wanneer zij bidden tot God, de Vader, dan zie ik de meeste toehoorders tot Hem bidden in
de vorm Christus, want zij kunnen zich geen vorm van de Vader maken. Vele mensen
vereenzelvigen de figuur van Jezus Christus met God, de Vader. Is dit fout? Geeft het
aanleiding tot moeilijkheden?
Theoretisch gezien kan het niet fout zijn. Praktisch zitten er enkele moeilijkheden aan vast,
vooral ten opzichte van het Christendom. Zodra wij van Jezus Christus een God maken, heeft
Zijn leven voor ons geen enkele waarde, want het is een demonstratie van het volmaakte. Het
volmaakte is voor ons niet bereikbaar en dus ook niet navolgbaar. De drang tot bereiking en
aanvaarding van Zijn Leer met alle consequenties van dien, valt weg. Praktisch heb ik dus
menig bezwaar hier tegen. Maar beter dat een mens zich Jezus als God voorstelt en hier mede
het Vader-principe associeert, dan dat deze mens geen voorstelling van het Goddelijke zou
hebben. Zo zie ik dit althans. Wanneer wij een beeld van het Goddelijke hebben en wij willen
dat gaan benaderen, wij hebben al een voorstelling. Wat is dan het eerst hoofdzakelijke? Dat
wij ons kunnen realiseren, dat dat Goddelijke in ons werkt. Voor sommigen brengt dat
moeilijkheden met zich, voor anderen niet. Hebben wij dit eenmaal kunnen bereiken, dan
moeten wij ons gaan realiseren, dat alles, wat wij doen, alleen gedaan kan worden door middel
van het Goddelijke, dat in ons aanwezig is, dat er geen andere weg bestaat.
Daar begint de moeilijkheid juist. Het is zeer moeilijk om je bij alles, wat je als stofmens
doet dit beeld steeds weer voor ogen te houden, elke keer betrap je je erop, dat je hierin
faalt.
Inderdaad. Maar waarom betrapt U zich er op, dat U hierin faalt? Omdat U nog steeds Uw
persoonlijkheid van de Goddelijke persoonlijkheid tracht te scheiden. Vooral bij de spreker
daar een probleem, dat heel vaak voorkomt. U zult de persoonlijkheid zo sterk stellen in vele
gevallen, dat het dan moeilijk wordt om de krachten en personen, die buiten het "ik" worden
gezien, volledig te beleven en te aanvaarden. Dit is geen verwijt, maar een fout, die bij de
meesten voorkomt. Er zijn er hier nog wel enkelen, waarvan ik het zelfde zou kunnen
vertellen.
Deze fout behoort ook tot het Goddelijke en door onze fouten moeten wij dus leren om het
ook beter te doen. Het bewustzijn, dat wij verkrijgen, wanneer wij weten, dat wij de fouten
maken. Is dat heel erg verkeerd gezien van mij?
In zichzelf mag ik dit ook alweer niet, helemaal onjuist noemen. Mag ik een voorbeeld geven?
Dit, omdat, neemt U mij niet kwalijk, de benadering van dit probleem niet zo heel erg
eenvoudig is. Wanneer wij fouten maken, dan liggen die fouter, in ons bewustzijn en niet in
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 6 – 10 maart 1955

ons zijn. In het Goddelijke kan geen onvolmaaktheid bestaan. Het is dus alleen de wijze
waarop wij ons realiseren deel te zijn van het Goddelijke en in het Goddelijke op dit moment in
een bepaalde functie aanwezig te zijn, maakt uit, hoe wij goed en kwaad zullen zien etc. Dit
onbewust zijn nu, is in zichzelf geen fout, tenzij van het bewustzijn. Kan er door die fout wat
geleerd worden? Die fout kan alleen de drang betekenen tot een bereiking, wanneer U zich
eenmaal van de eenheid met het Goddelijke geheel bewust is. Dan zult U b.v. deze lezing nog
gaarne aanhoren, maar meer als een soort verstrooiing, dan in een behoefte om te leren. De
lering, die wij U kunnen geven is alleen de lering: hoe U zelf te vinden. Wanneer wij spreken
over het Goddelijke, dan moeten wij toch tot de kern van Uw eigen wezen doordringen. Nu
moet U dit goed begrijpen, mijne vrienden: Uwe persoonlijkheid, zoals U die ziet, is deel van
het Goddelijke. U bent een deel van God. De persoonlijkheid, die U bent, is Uw bewust zijn.
Een bewustzijn, dat één afgescheiden en daardoor onvolledig deel is van één groot geheel.
Kunt U dat accepteren? (Ja). Dan is het net zo, dat U zich voortdurend moet realiseren, dat U
deel van het Goddelijke bent. In deze realisatie stelt U Zichzelf in feite tegen over het
Goddelijke. Dan probeert U een eenwording te bewerkstelligen. Maar zij is er reeds. Er behoeft
daarover niet gepraat te worden, niet nagedacht te worden. Dit is een feit. Wat is dan het enig
noodzakelijke? Dat wij leren het te aanvaarden. Dat zult U met mij eens zijn. Wij kunnen dit
Goddelijke in ons en in het totaal der verschijnselen van onze eigen sfeer, of wereld altijd weer
leren ervaren.......op welke wijze denkt U? Door jezelf te zijn en jezelf te beleven. Maar....
Door in het zelfzijn te vertrouwen op een Goddelijke leiding en kracht. M.a.w. je bewustzijn te
aanvaarden als beperkt en in deze beperktheid te vertrouwen, dat het altijd daar aangevuld zal
worden, waar het volgens het plan van het Goddelijke, het volmaakte noodzakelijk is. Zo dat
het niet noodzakelijk is alleen op Uw eigen bewustzijn te vertrouwen, waar het Goddelijke
onmiddellijk ingrijpt en aanvult, waar Uw bewustzijn te kort zou schieten om U als een
volledige functie van het Goddelijke tot uiting te doen komen. Dat dringt heel gauw tot U door,
wanneer U leert te vertrouwen. Ik weet niet, of U de tendens, die in alle lezingen, niet alleen in
deze, hebben gelegd, goed heeft kunnen verwerken. Maar één van de voornaamste
achtergronden is altijd weer vertrouwen, vertrouwen, vertrouwen. En daarop volgt: Kennis.
Dat zijn de twee punten die wij aanroeren. Waarom? Omdat juist door het bewustzijn van de
beperktheid der eigen kennis de noodzaak tot vertrouwen is. U zelve steeds meer zal moeten
ontwaken. Vandaar de kennis. En het vertrouwen zelf? Het vertrouwen is voor ons de enige
mogelijkheid om met het Goddelijke intenser één te worden en daardoor te verwerkelijken,
niet alleen maar de idealen van onze Orde, maar tevens alle kosmische wetten, die uiteindelijk
binnen ons net zo goed bestaan, als buiten ons. Kom. Ik heb mij voorgenomen om wat minder
kortaf te zijn vandaag en wat minder snel. Maar het gelukt mij niet altijd. Zoals U weet, de kat
verloochent haar aard niet en ook de mens niet. Zo valt het mij ook zwaar om de mijne te
verloochenen. Ik meen echter, dat ik verschillende punten al wat duidelijker heb gemaakt en
sommige personen een beetje meer inzicht heb kunnen geven in de richting, waarin zij moeten
werken.
Ik kwam tot de conclusie dat je jezelf steeds maar weer meer in het licht trachten te
plaatsen. Wanneer je vertrouwen hebt, dan stel je je open en dan is het net alsof je gevuld
wordt met dat licht.
Dan gaat alles ook gemakkelijker. Dan is het of het vanzelf gaat en of je ineens gedragen
wordt. Wie zich bewust is van het Goddelijke, is zich bewust dat hij gedragen wordt. Wie zich
er niet van bewust is en zich er niet voor openstelt, wordt evenzeer gedragen. Maar zijn
bewustzijn kan de kracht, die hem draagt niet begrijpen of verwerken. Laat ons echter voor
deze avond zo zuiver en zo scherp mogelijk zijn. Ik hoop niet dat het nodig zal zijn om dit
soort avonden veel te herhalen. Maar het is uiteindelijk zo nu en dan nodig, dat wij de
verschillende punten wat duidelijker uiteen zetten. Dat wij even elkaar goed leren begrijpen.
Wij zijn uiteindelijk al over de helft van onze cursus heen. Wanneer, mijne vrienden, wij
zeggen: Ik ga mijzelf in het licht plaatsen, maken wij een fout. Laat ons liever zeggen: wij
openen de ogen voor het licht, dat in en rond ons is. Dit niet, omdat ik de formulering fout
vindt, maar omdat ik wil trachten dit begrip zo scherp mogelijk voor U te stellen. Wij zullen de
volgende keren voornamelijk op dit onderwerp - de benadering van het Goddelijke - terug
moeten komen. Pas wanneer wij dat werkelijk geheel hebben afgewerkt, zullen wij nog even
terug komen op de wetmatigheden, zo ons daarvoor altijd rest. Maar het gaat nu om de
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 6 – 10 maart 1955

hoofdzaak. Wij weten dat het Goddelijke ons draagt. Hoe kunnen wij dan in contact met het
Goddelijke komen? Zo vreemd als het moge klinken, door ons bewust door dat Goddelijke te
laten dragen. Wat zal dit voor de doorsneemens betekenen? Voor de doorsneemens zal dit
betekenen een langzaam maar zeker bewust worden van het gebed, dat in een ieder leeft
maar door zo weinigen wordt gerealiseerd en uitgesproken. De mensheid zegt wel eens: wij
moeten leren bidden. Dat is niet helemaal waar. Het bidden, d.w.z. het vragen is elke geest en
elke mens aangeboren, zozeer als verlangen en begeren ons aangeboren zijn, Wij moeten
echter leren om, wanneer wij ons door het Goddelijke gedragen weren, voor ons zelf uit te
drukken, wat onze wensen zijn. Ons gebed is niet gericht tot God, want God leeft ín ons. Ons
gebed is eerder een ogenblik van bewustwording omtrent de waarden die in U zelve leven.
Wanneer U zich dit realiseert, dan wordt het bidden heel eenvoudig. Wij sommen in vol
vertrouwen op wat, daar zijn wij ten volle van overtuigd, wij werkelijk nodig hebben om onze
taak te vervullen. Wij hebben daarmede niets anders gedaan, dan het doel vastgesteld,
waartoe het Goddelijke ons helpt en draagt, en waartoe wij thans zelve in deze richting ook
mede werkzaam zijn. Want wij kunnen onszelf onthouden en in het bewustzijn a.h.w. de
vervulling missen, teniet doen, terwijl zij in het leven zelf, zowel in de geest de stof zowel als
zeer zeker ook in het licht ten alle tijde volledig verwerkelijkt is en wordt. Kunt U dat
begrijpen. In God zijn alle dingen en alle tijden in één wezen en in één moment verenigd. Kunt
U dat begrijpen? U zegt, ja. U bedoelt: ik wil het accepteren. Begrijpen kunt U het niet. Sta mij
deze correctie toe. Aannemende, dat dit zo is moeten wij ons er evenzeer bewust van zijn,
vrienden, dat in het Goddelijke de plaats van ons bewustzijn bepaalt, welk deel van het
Goddelijke wij beleven. Wanneer wij echter het bewustzijn zelve uitschakelen, dan bewegen
wij ons niet meer zelve, maar worden wij door het Goddelijke bewegen. Wanneer in ons een
mens leeft en wij bidden daarom niet, dan zijn wij dus iemand, die zelf worstelt om iets te
bereiken. Wij zijn als een voetganger die snel lopend, probeert de grootst mogelijke afstand
binnen de kortst mogelijke tijd af te leggen. Wanneer wij echter bidden, dan nemen wij een
andere positie in. Wij zijn a.h.w. degenen, die in een tram zit en gedreven door de altijd
aanwezige kracht, gevoerd wordt door deze kracht naar zijn doel. Waarbij wij voortdurend zelf
waakzaam zijn, opdat wij begrijpen, hoe wij tot het doel komen, opdat wij ons kunnen
realiseren, dat wij ons doel bereikt hebben. Is dat duidelijk? Dan zult U aan de hand van het
voorgaande het met mij eens kunnen zijn, dat het voldoende is in onszelf de mensen vast te
stellen en ons door het Goddelijke te laten dragen in de zekerheid, dat wij dat punt binnen het
Goddelijke zullen bereiken, waarin zover, volgens ons wezen en bewustzijn mogelijk, onze
wens volledig vervuld is. Dat is een zeer belangrijk punt in het contact met God. Wij willen het
Goddelijke bereiken: wij willen van het Goddelijke bewust worden, vrienden. Dat bewustzijn
kunnen wij niet bereiken met onze rede. Wij kunnen onze rede gebruiken als een instrument,
waardoor wij onszelf in een toestand brengen, waarbij wij door uitschakeling van de rede de
mogelijkheid tot beleving van het Goddelijke krijgen. Nu zult U zich afvragen: Waarom moeten
wij dan zoveel weten van de Goddelijke wetten? Waarom moeten wij dan zoveel weten
omtrent het Goddelijke? Waarom moeten wij dan dit alles aanhoren tot nu toe, wanneer dit
één van de consequenties is? Ik zal proberen het U duidelijk te maken: Heel de wereld is een
voorstelling onzerzijds plus een realiteit, die wij in haar werkelijke waarde niet kunnen zien en
waarderen. Dit geldt voor elke wereld, waarin wij kunnen leven. Echter moeten wij, gebaseerd
op ons huidige bewustzijn, een toestand bereiken, waarbij wij onze eigen schijnbare realiteit
uitschakelen, dus de rede en vandaar kunnen komen tot het ervaren van een grote
werkelijkheid, die wij niet geheel kunnen bevatten.
Het is daarvoor nodig, dat wij redelijk op de hoogte zijn van al hetgeen, wat ons te doen staat
plus van de mogelijkheden, die ons te wachten staan, zover dit redelijk te overzien is. Dit,
opdat wij in onszelf het vertrouwen en de kracht kunnen opbrengen om te aanvaarden wat
zich buiten het voor ons kenbare begeeft. Begint U te begrijpen, waarom deze voorbereidingen
nodig waren? Ik wil nu trachten, om aan nemende, dat U inderdaad dit alles goed begrepen
heeft U nog enkele dingen te verklaren. U heeft zich er lange tijd mee tevreden kunnen stellen
om toehoorder te zijn. Wanneer wij met deze cursus verder gaan, dan zal U dit niet altijd meer
mogelijk zijn. Wij kennen elkaar thans in deze omgeving voldoende, dat U zich niet meer
behoeft te schamen, wanneer U eens een keer zegt, wat er in U leeft. U heeft mij ook al
genoeg leren kennen om te weten, dat ik niet één van de zachte geneesheren ben, die bang
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 6 – 10 maart 1955

zijn om pijn te doen. U zult mij anderzijds ook ongetwijfeld hebben leren kennen als iemand,
die weet waar hij over spreekt en tracht, dat wat hij weet, zó duidelijk mogelijk weer te geven,
zonder daar onnodige franjes om heen te weven. Als U het niet zo ziet, dan kunt U het mij
rustig zeggen. Wij weten wel wat van elkaar af. Vandaar dat, wanneer er problemen zijn op dit
gebied, wij ze nu moeten uitspreken. Niet, omdat ik ze anders niet beantwoorden kan, want ik
heb U zelfs vandaag al meerdere malen in het korte ogenblik, dat ik hier aan het spreken ben,
gewoon als met een touwtje, naar buiten gehaald, wat erin zat. Ik heb getracht U zo lang te
prikkelen, tot U met Uw problemen en tegenwerkingen naar voren kwam. Al heeft U dat
misschien zelf niet eens zo gemerkt. Maar U moet voor Uzelf Uw probleem durven formuleren.
Zo goed als U Uw wens moet kunnen formuleren, wilt U kunnen komen tot het aanvaarden van
het Goddelijke zonder meer. Ik ben het Goddelijke niet. Maar ik probeer U in contact te
brengen er mee. Ik probeer U iets te geven, dat U, waar U ook gaat, en wat U ook doet, altijd
zal helpen om een goed mens en een mens vol innerlijke vrede te zijn.
Ik ben het volkomen eens met hetgeen U het laatste heeft gezegd, maar wanneer wij dat
nu doen en wij leven zo, komen wij dan niet in conflict met onze omgeving. Onbegrepen,
zoals dat ook bij Jezus het geval is geweest?
Wat baat het U de wereld te winnen, wanneer Uw ziel daarbij verloren gaat? Ik begrijp echter
Uw probleem wel. Het is een probleem, dat U in verschillende vormen de laatste 30 jaren zo
ongeveer 250 keer naar voren hebt gebracht. Dat is bijna een jubileum. Wij kennen elkaar lan-
ger dan vandaag. Ook al kent U mij, naar U meent, nog niet zo lang. Het probleem, waar alles
om draait bij U is dit: U bent één van die mensen, met wat men noemt, een ordelijke geest. U
wilt van alle dingen het voor en het tegen ruimschoots overwegen en U wilt de zekerheid
hebben, dat de dingen binnen Uw eigen gezichtsbereik en volgens Uw eigen begrip, zo goed
mogelijk geregeld zijn en zo goed mogelijk zullen verlopen. Als het niet waar is, moogt U mij
rustig tegenspreken. Daarmee komt U dus, ondanks Uw hunkeren naar het hogere en Uw strij-
den om het hogere te bereiken, voortdurend met Uzelf in conflict. Want hetgeen, dat wij
trachten en willen te bereiken is het contact met het Goddelijke, mijn vriend. Zoals reeds
gezegd, het contact met het Goddelijke ligt boven het redelijke. De mogelijkheden van het
Goddelijke liggen ook ver boven het redelijke. Er komt een moment, dat je gedragen door het
Goddelijke in vertrouwen op het Goddelijke, omdat jezelf het beste doet, wat je kunt, al het
verdere aanvaardt. Het eigenaardige is, dat wanneer U dit doet U niet, zoals Jezus in conflict
komt met de wereld. Want U bent geen Messias. Integendeel. De wereld zal meer en meer U
vriendschappelijk, vriendelijk U tegemoet komen, of U onderdanig zijn. Er zijn maar twee
mogelijkheden. Hoe meer gij op het Goddelijke vertrouwt, hoe meer gij door het Goddelijke
gedragen nader kunt komen tot de lichtende kracht. Hoe nader komt tot de lichtende kracht,
mijn vriend, hoe meer er ook licht in U heerst. Bewust licht. Hoe meer licht, hoe verder Uw
geestelijke vermogens, zich uitbreiden. D.w.z. hoe scherper U, wat men dan intuïtief noemt,
de ware situatie aanvoelt. Hoe meer U meester wordt van de omstandigheden en hoe meer U
weet, waar U volgens de Goddelijke wet verantwoord in kunt grijpen en waar U de handen
opheffende, misschien met leedwezen, de mogelijkheid voorbij moet laten gaan om in te
grijpen en te helpen. Kunt U dat zo begrijpen? (Ja). Het heeft wel enige moeilijkheden. Weet
U, het Goddelijke kun je niet vast leggen. Je kunt ook niet proberen om het Goddelijke te re-
gelen. Dat gaat niet. Er zijn maar twee mogelijkheden in het leven: Je kunt het Goddelijke
aanvaarden en het Goddelijke stellen boven je denken en logica. Of je kunt logica en denken
boven het Goddelijke stellen. Maar U moet dan ook niet teleurgesteld zijn, wanneer het Godde-
lijke u soms verlaat. Wanneer je leeg schijnt te zijn, omdat je bewustzijn niet meer in staat is
onder alle bedenken, alle redeneren het Goddelijke terug te vinden. Maar God is er en blijft er
altijd. Dat is al lange tijd Uw probleem geweest. Het heeft U verschillende malen tot conflicten
geleid, die niet nodig waren. Innerlijke conflicten mijn waarde vriend. En het zal U nog meer
conflicten bezorgen. Maar U weet nu tenminste, wat de waarheid is. Op een moment durven
zeggen en doe het dan desnoods op de meest godsdienstige wijze, die er bestaat: "Heer, hier
leg ik mijn zorgen neer, draagt Gij ze voor mij". Dat klinkt wel erg religieus, hè? Maar het is
niet religieus. Dat is werkelijkheid en waarheid. Dat is de enige mogelijkheid om bewust het
Goddelijke te benaderen, om ermee te leven. Je moet het Goddelijke niet beschouwen als de
áchtergrond van je leven, maar als de dríjfkracht van je leven, als de bepalende kracht van je
leven. Wanneer je dat kunt, dan is het goed.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 6 – 10 maart 1955

Waarom schijnt het Goddelijke ons dan steeds zo terug getrokken?
Om de doodeenvoudige reden, dat de mens zijn bewustzijn van "zelf Godje" zijn in eigen
bewustzijnssfeer zo moeilijk kan verlaten. Onbewust of bewust. Hoe wilt U het noemen? De
mens wil niet geleid worden. De mens wil leiden. De mens wil niet, dat de lasten hem af
worden genomen. Hij wil ze alleen maar afgeven, wanneer het hem past. Dat is de grote
moeilijkheid. De mens durft over het algemeen het Goddelijke niet te accepteren, omdat hij
bang is, dat hij zijn eigen persoonlijkheid kwijt raakt. Omdat hij bang is, dat het hele beeld van
zijn wereld, waar hij ondanks alle kritiek zo zeer aan hangt, ineen zal storten, wanneer dat
Goddelijke macht over hem krijgt.
U zegt dat allemaal zo positief. Mag ik dan ook een persoonlijke vraag stellen: Ik heb het in
krijgsgevangenschap gehad, dat alles mij duidelijk was, dat ik alles kon aanvaarden. Ik
wist van dit soort werk niets af. Maar in de binnenlanden van Birma heb ik het
meegemaakt, ik heb het aanvaard. Ik heb God zelf gezien als iets, ja, het had geen vorm.
Als iets groots. En toch, hoe vaak je,die momenten dat je omhoog gevoerd wordt, je wordt
steeds weer teruggevoerd naar de stof. Die houdt je vast. Ik begin te beseffen, dat alles,
wat in de stof is, geen waarde heeft. Maar stijg je er even boven uit, dan voel je des te die-
per. Willens en wetens. Of is er een andere macht, die ons vast houdt? (Het is in de mens).
Maar in mij persoonlijk, of?
Een eigenschap van Uw wezen.
Machtswellust. Een eigenschap van mijn leven.
Ik zou het niet zo willen noemen, ofschoon er ongetwijfeld tijden in Uw leven zijn geweest, dat
het er heel erg op heeft geleken, mijn waarde vriend. Het gaat echter niet om de macht. Het
gaat alleen maar hierom: De mens houdt er van zijn wereld te scheppen naar zijn eigen beeld
en gelijkenis. De mens heeft een scheppingsdrang. Die scheppingsdrang leeft hij soms uit door
zijn wil aan anderen op te leggen. Door zijn eigen gedachten superieur te verklaren boven alle
andere gedachten, door goederen te verwerven meer dan een ander bezit etc. De enige
maatregel, zover hij dit kan zien, om hierboven uit te komen, is het geheel prijs te geven. En
daar kan hij niet toe komen. Hij begrijpt niet, dat er een andere weg is. U zegt: Ik word zo
vaak terug getrokken. Neen, mijn waarde vriend, U wordt niet teruggetrokken, maar U richt
Uw aandacht te vaak op andere dingen. Of U geld heeft of niet, werkt of Uw dagen in ledigheid
slijt, of U macht heeft of lang moet vechten om Uzelf toch nog gehoord te maken. Er is één
ding dat in U altijd gelijk blijft, ik heb het U reeds gezegd: Het Goddelijke. Wanneer U leert het
Goddelijke te verbinden met de verschijnselen van Uw leven, iets wat verder gaat overigens,
dan wat ik dacht te behandelen op deze avond, maar waar wij ongetwijfeld ook nog aan toe
zullen komen in een meer uitvoerige zin, dan zult U leren begrijpen, dat elk verschijnsel in het
leven Goddelijk kan zijn. Dat het leren leven, alsof al deze dingen niet alleen van U uitgaan, of
dat het alleen Uw bewustzijn is, dat zo denkt, U langzaam maar zeker komen tot een
voortdurend meer beleven van het Goddelijke. Maar ik geef toe, er zijn hoogtepunten, die
zelden bereikt worden. Hoogtepunten, waarin de persoonlijkheid een ogenblik verloren schijnt
te gaan. Denk niet, dat U dat kunt bereiken, althans niet bij voortduring. Zeker niet, terwijl U
in de stof leeft en ook zeker niet, terwijl U in vele sferen, die o.a. ook de onze bevatten, Uw
leven lijdt en werkzaamheden heeft. Maar dat deze God er is, en laten wij het nu eens
beschrijven, zoals U het zelf eens beschreven heeft: het één zijn met God, zodat de hele boel
je niets weer verd............ kan etc. Wanneer je dat eenmaal ervaren hebt, probeer je dat ook
voortdurend in je leven tot uitdrukking te brengen. Dan wordt je relatie tot de wereld, tot de
mensen, ja, zelfs tot wezens uit onze werelden anders. En dat is een belangrijk punt. De mens
vraagt af, dat men hem een troon in de hemel bereidde, of dat men hem gebonden laat in de
diepe afgronden van de stof. Maar een troon in de hemel bestaat helaas niet. Er bestaat alleen
een vorm van bewustzijn, waarin je intens één bent met God, die reeds altijd in je was. Dat
kun je alleen bereiken door steeds meer je eigen bewustzijn te vergroten. Daarnaast door
meer en meer te leren in dat bewustzijn, meer en meer één te zijn met die God. Heb ik U hier
ook een duidelijk beeld kunnen geven?
Kunt U iets aangeven?
Nu nog niet. Maar ik meen, ben ik deze avond toch al heel ver gegaan. En ik moet U zeggen,
dat dit niet geheel zonder innerlijke strijd is gebeurd. Ik had het mij zo mooi uitgestippeld. Ik
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 6 – 10 maart 1955

had vandaag nog twee wetten met U willen bespreken. Ik had een paar voorbeelden voor U
klaar staan. Ik had het graag anders gedaan. Maar wat ik U aanraad, dat heb ik ook zelf
gedaan. Ik laat mij op dit moment leiden door krachten en een bewustzijn, die groter zijn dan
de mijne. Daarom probeer ik zelfs mijn persoonlijkheid enigszins te veranderen. Alleen om
uiting te geven aan die dingen, die je eigenlijk niet zeggen kunt. Er bestaat geen recept en
geen methode om zonder meer God te benaderen. De eerste trap, die moet worden bestegen,
is die van het bewust vertrouwen op God. Het weten, dat God voortdurend deel heeft aan je
eigen bestaan. Het spijt mij, dat ik het niet anders zeggen kan.
Moeten wij dan alleen gaan?
Wat geeft het, hoe gij Uw weg gaat? Gij kunt niet alleen gaan, want God is altijd met U. Daar
gaat het om. Onthoudt één ding. De Goddelijke wetten leven in U en zijn een deel van Uw
bewustzijn. En in dat bewustzijn, mijn waarde vriend, zijn er verschillende factoren, die zuiver
aards zijn, maar die op het ogenblik voor U een grote kracht hebben. Vergeet dit niet: het is
beter, dat de mens tegenover zichzelf zondigt, dan tegenover een ander, want wat je
tegenover jezelf misdoet, dat vergeef je jezelf gaarne. Maar wat je een ander hebt misdaan,
dat vergeef je die ander niet. Een mens, een geest, die kunnen van zichzelf een hele hoop
verdragen,
Maar wat men niet verdragen kan is dat een ander U aan Uw fouten herinnert. Maakt U die
fout niet. Gij moet Uw weg gaan. Beantwoordend aan alles in ons, dat zegt: wees goed, laten
wij begrijpen, dat geen enkele aardse relatie, geen enkele verandering van omstandigheden
ook maar iets ten voordele kan betekenen voor onze geestelijke bewustwording, wanneer deze
niet geboren wordt uit ons eigen wezen en leven en niet ten koste van een ander gaat.
Daarmee heeft U een meer dan voldoende antwoord op Uw vraag mijn waarde vriend. U zult
mij ongetwijfeld niet kwalijk nemen, dat ik mij echter binnen bepaalde perken heb gehouden.
Mag ik eens vragen? Ik meen dat wij geschapen zijn naar Zijn Beeld en Zijn Gelijkenis. Hoe
moeten wij dat zien?
De menselijke ijdelheid heeft geleid tot een formulering, die voor de mens aanvaardbaar was.
Inderdaad. Gij zijt geschapen naar God's beeld en gelijkenis. Te alle tijde, waar en hoe gij ook
bestaat, zijt gij deel van Hem. Er bestaat geen moment van scheiding tussen Hem en U, dat
voor mij denkbaar of zichtbaar is. Geestelijk en stoffelijk. Overal en in elke sfeer. Alles wat U
bent, alles wat U ooit zult kunnen zijn of ooit geweest bent is uiteindelijk niet anders dan God.
De stof, waaruit U bent opgebouwd, de materie, waarin U werkt, leeft en handelt zijn allemaal
delen van God. Het is God. Alleen is het niet God in een vorm, waarin wij Hem mogen
aanbidden, omdat wij dan de vormen en dingen zouden gaan aanbidden, in plaats van de
waarheid, waarvan dit alles slechts een deel en een uiting is. De mens draagt in zich het
vermogen dit alles te kennen en te realiseren, zich bewust te zijn van die God. Wanneer hij
zover is gekomen op de trap der ontwikkeling, dat hij inderdaad na kan denken over God en
God kan leren aanvaarden zoals God zich van zichzelf bewust is, kunnen wij werkelijk zeggen:
Ziet, de mens is geschapen naar God's Beeld en Gelijkenis.
Ik hoop, vrienden, dat wij vanavond meer hebben bereikt dan op andere avonden.
Ik kan U deze avond geen voorbeelden geven. Het is mij onmogelijk, omdat gij van alles, wat
hier vanavond besproken gijzelve het voorbeeld zijt en moet zijn. De grote les van deze avond
is dit: Elke mens, elk wezen kan alleen maar tot bewustwording en geluk komen, indien het
leert God te aanvaarden. God aanvaarden, het Goddelijke aanvaarden betekent, dat ons
bewustzijn moet gaan functioneren op het plan, waarop het Goddelijke in ons aanwezig is. Wij
weten, dat dit met de rede en het voorstellingsvermogen niet te bereiken is. Maar wij weten
wel, dat het er zijn moet. Wetende, dat het er zijn moet, nemen wij aan, dat het er is. Dat is
voor ons de enige weg, zolang wij in deze toestand verkeren op aarde, of in de sferen. Maar U
werkt op de aarde zoveel net stellingen, waarvan U aanneemt, dat zij juist zijn, ook al. kunt U
dat niet bewijzen. U heeft zelfs meestal heel wat minder redenen om dat te aanvaarden, dan
wij hier hebben om het Goddelijke te aanvaarden als de drijvende, in standhoudende en
dragende kracht in ons eigen leven. Wij moeten werken met deze hypothese, ook al is zij voor
ons nog niet bewezen. Wij moeten, uitgaande van dit als grondslag, beginnen om het
Goddelijke persoonlijk te benaderen. Wij moeten begrijpen, dat wij over het Goddelijke kunnen
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 6 – 10 maart 1955

filosoferen en denken, dat er vele begrippen mogelijk zijn, die allen gelijkelijk juist en goed
kunnen zijn. Dat in ons een verlangen naar God is en een pogen om het Goddelijke te
realiseren, die voor ons persoonlijk van het grootste belang zijn. Dat dit, wat in ons leeft,
uiteindelijk de weg is, waarop wij het Goddelijke kunnen benaderen en de eenwording der
dingen bewust kunnen beleven. Dit was de les. In het tweede deel van de avond zult U
ongetwijfeld in staat zijn meerdere voor U belangrijke onderwerpen te behandelen.
Ik voor mij echter neem nu afscheid van U en wens U verder een goeden avond.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

LES 7

Goeden avond, vrienden,
De vorige keer hebben wij het gehad over de harmonie der dingen en de harmonie niet God.
Dat herinnert U zich misschien nog wel. Zijn er vragen over? Geen, uitstekend. Wij hebbende
vorige maal betoogd dat de harmonie met het Goddelijke een noodzakelijkheid is, die wij be-
reiken kunnen door onze eigen voorstelling van het Goddelijke. Wij moeten echter verder
gaan. Wij willen niet alleen de harmonie met het Goddelijke bereiken, maar verwerkelijking
van het Goddelijke in onszelf, voor onszelf kenbaar, indien ook niet geheel te begrijpen tot
werkelijkheid maken, onverschillig in welke sfeer of wereld wij vertoeven. Over dat onderwerp
hoop ik dan vandaag enige woorden te kunnen wijden. Ja, ik zal toch proberen U een stukje
illustratief materiaal te laten horen. Dat lijkt mij beter voor het begrip der dingen. Ondanks
dat, zal ik proberen om de nieuwe betoogtrant aan te houden. Wanneer wij onszelf een
ogenblik geheel kunnen vergeten, dan blijkt - vreemd genoeg - dat het Goddelijke in ons
plotseling actief wordt. Een moment van schoonheidsontroering brengt niet alleen de harmonie
met de omgeving, maar het kan in onszelf veel grotere waarden scheppen. Het kan a.h.w. in
ons waarden scheppen, zó groot, dat wij tijdelijk aan onszelf ontrukt, plotseling iets van het
kosmisch bewustzijn aanvaarden. In dit kosmisch bewustzijn zullen wij op de duur leren één,
altijd weerkerende, kracht te erkennen. Deze altijd weerkerende kracht moet worden gezien
als een directe uiting van het Goddelijke. Ik hoop, dat U het tot zover met mij eens bent. Hoe
bereiken wij nu deze momenten? Die harmonie is nog te begrijpen en te bereiken. De
voorbeelden, die gegeven werden in deze - en ook in de parallelcursus - handelen speciaal
over de wijze, waarop men de voorwerpen rond zich, de wereld rond zich in harmonie met het
licht kan brengen, zijn ongetwijfeld heel aardig. Wij kunnen heel ver komen, wanneer wij
alleen maar een ogenblikje ons de moeite getroosten om ons één te voelen met de dingen,
maar dat éénvoelen is niet genoeg, willen wij het Goddelijke zelf bereiken, zelfs, wanneer wij
één zijn niet alle dingen en wij ervaren dit als een Schepping God's en niet als een deel God's,
dan staan wij tegenover God. Wanneer er iets is, dat ons hindert om dit contact, het directe
contact met het Goddelijke voor onszelf te verwerkelijken, dan is dat toch vooral, dat wij
tegenover het Goddelijke stellen. God is een vreemd, onbegrijpelijk Wezen. Over God kun je
veel denken en filosoferen en je kunt er niets over zeggen. Maar hoe veel, of hoe weinig je ook
zegt, spreekt en denkt, God in zich zelf blijft een raadsel. De redelijke benadering - wij hebben
er reeds op gewezen - is practisch niet mogelijk. De benadering door gevoel en geloof is
eerder mogelijk, maar hier stuiten wij – vooral wanneer wij in de stof nog vertoeven - vaak op
grote moeilijkheden. Ons lichaam wil niet zichzelf vergeten. Ons lichaam wil met alle geweld
zichzelf bewijzen een ik-heid te zijn. Alle krachten in dit lichaam zijn gericht op instandhouding
van dit lichaam, van dit ik. De tweeledigheid der dingen - geest en stof - zouden kunnen
worden gesteld als een monistisch dualisme. De eenheid van wezen – geest plus stof - die op
zichzelf geuit moet worden en niet anders kan worden dan de tweeheid, tegenover elkaar
staan der geest - stof, die tezamen een afgerond geheel vormt, een geheel, dat gezamenlijk in
het Goddelijke aanvaard wordt. Is dit begrijpelijk? Dan kunnen wij daaruit conclusies gaan
trekken. De eerste conclusie, die ik voor wil leggen en waarvoor ik U, zal trachten een
illustratie te geven is: Geest en stof moeten als eenheid opgaan in het Goddelijke, zolang als
geest en stof gelijkelijk deel uitmaken van ons bewustzijn.
Geen protest ertegen? Ik geef U het voorbeeld deze keer niet door een andere persoon hier
een ogenblik bezit te laten nemen, maar ik zal citeren, wat deze persoon hier mij meedeelt. Dit
ter versnelling van de afhandeling en ter vereenvoudiging. De persoon in kwestie spreekt over
zeer oude riten en ik wil er wel op wijzen, dat deze riten voor de tijd, waarin zij gebruikt
werden absoluut passend waren, maar ook aan die tijd gebonden waren. Ik zal zelfs zo ver
gaan - het lijkt mij eenvoudiger om de "ik"-vorm te gebruiken - dan weet U dus, dat ik
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

hiermede bedoel iemand, die deze eenheid van stof en geest nastreeft in een periode, is lang
geleden ergens in het Oosten, maar de plaats te bepalen, lijkt mij niet noodzakelijk.
“Wij hebben altijd geweten, dat tussen geest en stof een eigenaardige wisselwerking, bestaat.
Vaak bleek dat de grootste rust geestelijk, gepaard ging met de grootste mogelijke,
lichamelijke vitaliteit. Ik was dan ook al zeer vroeg besloten om van deze eigenschappen
gebruik te maken. Mijn eerste intrede in de tempel viel in met mijn jaren van jongelingschap.
Deze tempelfeesten zou U heden ten dage onzedelijk noemen, waar één der
hoofdgebeurtenissen een paring was.
Dat werd door ons als iets zeer heiligs ervaren en betekende de verrukking, de opwinding en
de totale activiteit van het lichaam, tot uitputting toe. Eerst in de dans, d.w.z. in de daarop
volgende fase voor ons een methode om het lichaam te doden om de geest volledig meester te
laten over al het lichamelijke en haar de gelegenheid te geven een vrije vlucht te nemen. Dit
maakt het voor ons mogelijk om geestelijk zeer hoog te stijgen, ons begrip van Goddelijkheid
en kosmos werd zeer verruimd. Vooral diegenen onder ons, die langere tijd regelmatig aan
deze tempelplechtigheden deelnamen, - daarbuiten een leven van bespiegeling lijdende -
hebben dan ook zeer veel inzicht kunnen verwerven in de bijzonderheden van micro- en
macrokosmos. Persoonlijk heb ik echter gemeend, dat deze weg ons niet ver genoeg voerde.
De eigenschappen die wij konden ontwikkelen, de krachten die wij konden verwerven waren
als speelgoed in de hand van kinderen. Daarom heb ik mij teruggetrokken in de eenzaamheid
en getracht om alleen het leven van de geest te leven. Dit bleek mij onmogelijk. Ik kon niet in
stille bespiegeling blijven en dan God vinden, zoals ik dat verlangde en wilde, in mijzelf een
gevoel van éénheid met het Al verwekkend en daardoor aanschouwende niet slechts de
uitingen van het Goddelijke, maar ervarend in mijzelf direct de scheppende kracht daarvan. Nu
gebeurde het in die dagen, dat de rivier, waar ik betrekkelijk dicht bijwoonde regelmatig door
hevige regenval, plotselinge regenval, buiten haar oevers trad. Na een lange periode van
bespiegeling gebeurde wederom een dergelijke ramp en ik spoedde mij van de heuvel af om te
gaan helpen mensenlevens en vee te redden. Ik was volledig geboeid en gebonden door al
hetgeen, wat ik lichamelijk moest verrichten en ik heb - dat kan ik eerlijk en met overtuiging
zeggen – geen ogenblik gedacht aan het Goddelijke. Toen er een toestand, waarin mijn
lichaam automatisch verder handelde, waarin mijn stem bevelen gaf, mijn handen hulp
verleenden en geruststelden en troostten en mijn geest deel van alle dingen voelde een
scheppende kracht, die gelijkelijk in al deze mensen in de stervenden en de levenden in de
aarde, en in de rivier, de bergen, de volken en de sterren aanwezig was. Ik kan U dit gevoel
niet omschrijven wanneer men spreekt van hoogste gelukzaligheid houdt het nog een ik-zijn in
en zelfs dit verdwijnt. Men is er niet meer. Het gehele wezen siddert van een kracht, een
kennis, die, wanneer de toestand voorbij gaat, ons wederom tot mysterie wordt, ons alleen de
mogelijkheid latend om beter de wereld te begrijpen".
Tot zover citeer ik dan deze kluizenaar en priester. In het voorbeeld heeft U ongetwijfeld
bepaalde elementen kunnen vinden, die U bekend voorkwamen. De wijze, waarop deze mens
tot het Goddelijke kwam - ik ben er van overtuigd, dat hij inderdaad bereikte, wat wij allen
nastreven - n.l. het volledig ervaren van het Goddelijke. Ik weet, dat hij ook dit in de geest
nog doet, ofschoon hij zeer zware werkzaamheden verricht. Deze hebben hem verder geleid
dan het voor ons mogelijk te gaan. Van een uitputtingstoestand spreekt hij. Uitputting en dan
zou ik onwillekeurig zeggen: Ja, maar je hebt toch gewerkt, je gaat automatisch door. Wat is
er dan gebeurd? Je werd van een persoonlijkheid, die tegenover de Schepping stond even een
marionet. Tot je persoonlijkheid ben je later teruggekeerd, want dat was je niet op dit
moment. Je geest was gericht op het goede. Komende uit contemplatie (beschouwing) die was
gericht, heb je jezelf gewijd aan het redden van Zijn Schepping. Op dat moment en niet eerder
kon deze eenheid met God ervaren worden, waardoor er niet meer sprake was, van een
persoonlijk gevoel, een persoonlijk handelen, zelfs geen sprake meer was van geluk of
ongeluk, maar alleen wat je daar noemt, kracht.
Dat commentaar kan ons misschien een heel eind verder helpen, wanneer wij zelf gaan zoeken
naar dit wonderlijke, naar dit Goddelijke. Een harmonie met onze omgeving zullen wij dan ook
natuurlijk bereiken. Maar wanneer wij zover kunnen gaan, gaat de zaak veel verder. Dan
komen wij dus in de volledigheid van ons werken, lichamelijk, in het Godgerichte streven van
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

onze geest, tot een moment, dat deze beiden elkaar opheffen als bewustzijn en daardoor in de
plaats tot uiting komt, (wat naar m.i. in de Bijbel wordt genoemd: "Het Koninkrijk Gods"). Is
het eerste voorbeeld duidelijk genoeg, of is er commentaar op te leveren? Niet? Dan zullen wij
proberen om verder te gaan met een volgende afdeling. Uitputtingstoestand van het lichaam,
natuurlijk. Maar kan een mens zich permitteren om een uitputtingstoestand op te wekken? Kan
een geest zich permitteren het totaal van zijn kracht en wezen te verliezen? Ik meen, dat er
daar altijd zeer vele factoren zijn, die dit belemmeren en beletten. Een mens is geneigd vóór
het moment, dat het bezwijken komt, op te houden. Een geest is geneigd om het laatste
restant kracht te gebruiken om in zoete bespiegeling te verzinken en zichzelf weer te
versterken en de levenskracht weer op te wekken. Wij kunnen deze weg dus wel begrijpen,
maar wij kunnen haar niet gaan. Wat kunnen wij wel? Wij kunnen proberen onze lichamelijke
activiteit aan geestelijke overpeinzingen te paren. Een systeem dat overigens lang zo nieuw
niet is als U misschien zoudt denken. Het werd reeds toegepast ongeveer 10.000 jaar vóór
Christus geboorte en het leeft op het ogenblik nog in verschillende kloosters, waar de
dansende derwischen (ook bedelmonikken) en dergelijke bijeen komen. De methode van
lichaamsverminking of foltering in geestesverrukking, die soms ook wordt gebruikt, vergist U
zich niet ook in de Christelijke kloosters. De geseling, etc. de zelfkastijding, lijkt mij geen
aangename, geen zinlijke en geen doelmatige manier om het doel te bereiken. Ik voel dan
meer voor de ritmische dans der derwisch, die in zijn beweging inderdaad door een
automatisch voortgaan het lichaam kan overwinnen en een maximum van activiteit en
bewustzijnsmogelijkheid daarvan paren met die van de geest en zo komen tot een opnieuw
accepteren van het Goddelijke etc. Maar ik geloof niet, dat er onder U zijn, die bereid zullen
zijn om als dansende derwischen de voortdurend kringvormige wenteling uit te voeren, die
daarbij hoort. Voor het Westen is dus deze methode niet geschikt. Wij kunnen er wel wat
anders voor in de plaats stellen. Lopen b.v.. Een behoorlijk eind lopen, zodat langzaam maar
zeker de pas automatisch wordt, dat je benen hun eigen gang gaan en je niet eens weet, of ze
zich bewegen of niet. Dan gelijktijdig denken. Misschien is er niet veel gelegenheid voor in
Nederland. Maar ik geloof toch wel, dat er ergens een plek te vinden is, waar U op deze wijze
automatisch reagerend kunt zijn, gelijktijdig mediterend en overpeinzend. Op die manier
kunnen wij een heel eind komen naar deze eenheid van het Goddelijke. Wij kunnen komen tot
toestanden van verrukking, die zich misschien op het moment van de beweging door omgeving
niet geheel kunnen uiten en daardoor niet onmiddellijk ervaren worden in hun volle glorie, en
pracht. Maar dan toch wel - daar ben ik van overtuigd - hun kracht in U wekken en voor U de
benadering van het Goddelijke beter mogelijk maken. Natuurlijk zijn er vele methoden, die
hiervoor te gebruiken zijn. Het kan zelfs zo ver gaan, dat gewoon muziek daarvoor gebruikt
kan worden, mits zij zodanig U bindt en boeit, dat de lichamelijke activiteit luisteren het
lichaam zodanig domineert, dat alle lichaamsfuncties daaraan onderdanig zijn en dit a.h.w.
automatisch wordt, zodat de melodie niet weer gehoord wordt op de duur, noch het ritme,
maar in de plaats daarvoor een leegte komt, waarin de geest - vrij zijnde - zijn eigen
denkbeelden nog een ogenblik kan uitstellen om deze, ook mede te verliezen en zich bewust te
worden van een kracht, die niet het ik is, die toch de kern van het ik uitmaakt. Ben ik duidelijk
genoeg?
Dan zou ik U een voorbeeld willen aanhalen uit een ietwat moderner tijd. Spreker in kwestie
zou ik niet eens naar voren kunnen laten komen, als ik het wilde maar ik kan wel op de
gebruikelijke weg de gegevens uit hem putten en die zelf in een redelijke vorm gieten. De
persoon in kwestie was een musicus. Hij had momenten dat hij geïnspireerd speelde. Hij
improviseerde dan voort en kon urenlang achter een spinet gezeten blijven, of achter een
orgel, terwijl voortdurend de klankenregen uit zijn vingers geboren werd. In het begin
overdacht hij nog enigszins de varianten, die hij maakte. Maar dit werd meer en meer tot een
inspiratief grijpen. Hij omschrijft het als volgt:
“In het begin werd de melodie moeizaam geboren en waren mijn gedachten voortdurend bezig
met het probleem: Majeur - Mineur. Welke toonsoort? Welk akkoord? Maar die vele boekjes
van moeizaam pogen werden samen tot een machtige rivier, die mij mede sleepte. Ik werd
gedragen op de vloed der muziek en ik wist niet meer, wat mijn handen grepen. Ik hoorde nog
de melodie tot zij soms voor mij verstomde. Het was, alsof ik verdronk in die zee van klanken,
die ikzelf geschapen had. Dan was er eigenlijk niets. Ik weet, dat ik urenlang orgel speelde,
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

soms wonderlijk schoon. Soms ook een wij ze, die men degout noemde in die tijd. 0p deze
momenten echter word alle leed van mij afgenomen. Ik voelde melodieën in mij zelve, die
eeuwig waren en voelde mijzelf als een deel van die melodie zweven. Wanneer ik terug keerde
uit die toestand, werd ik ontvangen door de klanken die ik zelf nog steeds voortbracht, en
zacht daarop neerdalend, voelde ik mij dan in een toestand van lichamelijke uitputting, maar
ook van geestelijke verrukking genoten om met een kort en laatste akkoord mijn pogen af te
breken. In deze momenten heb ik de eeuwigheid gevoeld".
Ook uit dit citaat kunt U dus zien, dat er inderdaad mogelijkheden te over zijn, om dit te
bereiken, maar dat altijd weer noodzakelijk blijkt te zijn voor de stofmens een zodanige
stoffelijke concentratie, op een lichamelijke bezigheid, dat hierdoor de geest vrij wordt. Dat zij
in haar vrij-zijn begint te denken aan het lichaam, dat automatisch uitvoerder maakt als in dit
geval en op de duur zelfs de reeks van gedachten en conclusies kwijtraakte om te verzinnen in
het niet -ik waarin zij dan het Goddelijke in zichzelve erkent en aanvaardt en Zichzelf voelt als
compleet deel van de kosmos. Duidelijk? Ik wil het niet te lang maken vandaag. Ik heb te
maken met een tamelijk vermoeid medium en tegelijk op laden en spreken vraagt natuurlijk
wel het een en ander.
Maar derde punt. Dan zwijgen wij voorlopig verder over dit onderwerp. Wanneer deze dingen
dus voor ons niet bewust te bereiken zijn en wij leven in de stof, wat is dan de methode, die
wij moeten gebruiken om althans dat doel zoveel mogelijk te benaderen? Hiervoor heb ik
helaas geen voorbeeld ter beschikking. Maar ik zal trachten het U goed te beschrijven:
Punt 1. Wij moeten ervan overtuigd zijn, dat er een God is. Wij hebben nu een voorstelling van
die God. Hoe meer die God voor ons een persoonlijkheid is, hoe beter het voor ons is, want
hoe beter wij ons op die God kunnen concentreren. Wij beginnen net als die kluizenaar met de
overpeinzing. Die overpeinzing betekent een absoluut concentreren op het Goddelijke: zo
zuiver, zo rein en zo goed gedurende niet al te lange tijd. Laten wij zeggen, dat wij daar een
kwartier of een half uur aan besteden. Als U dat één keer per week doet, is dat wel voldoende.
Wanneer U dit doet, dan gaat U daarna aan het werk. Lichamelijk aan het werk. U heeft hier in
de stad de gelegenheid niet, anders zou ik zeggen: "Ga spitten of iets dergelijks. Kies een
bezigheid, die kracht vergt. Lichaamsbeweging vergt een zeker ritme. Wanneer wij die
bezigheid hebben, dan laten wij de gedachte nog door spelen met de concentratie van zo-
even. Op de duur wekken dan deze beiden gelijktijdig werkzaam zijnde delen in ons wezen een
besef van eenheid, van homogeniteit, dat noodzakelijk, is om het Goddelijke dichter te
benaderen. En niet alleen, dat wij op zo'n moment absoluut tevreden kunnen zijn in harmonie,
maar meer nog, wij kunnen in het vergeten van onszelf - en dat gebeurt vaak in de arbeid -
langzaam maar zeker zó ver komen, dat het voor ons niet meer een onbereikbaar iets is, de
Goddelijke kracht in ons te voelen. De benadering van het Goddelijke is het belangrijkste. Dit
in zeer belangrijk. De benadering, zoals aangegeven in eerste instantie hier heeft bezwaren,
daar ben ik van overtuigd. Bezwaren n.l. van moeilijke uitvoering, beschikbaarheid van tijd,
het vinden van een ruimte, waar niet teveel storingen voor komen etc. Zij is echter een weg,
die ons zonder rede en zonder zelfkennis kan leiden tot het Goddelijke, alleen omdat wij het
Goddelijke zoeken in eenheid van wezen.
Punt 2. Indien wij echter een methode, waarbij zware en lichamelijke werkzaamheden
noodzakelijk zijn, niet kunnen volgen, dan zullen wij toch moeten trachten, een methode te
vinden, die hem voor lichaam en voor geest gelijktijdig een reiniging, een purificatie betekent
en daarnaast ook - laten we dat vooral niet vergeten - toch ook beide factoren - geest en stof -
een bezigheid bezorgt. Wat ik hier zeg, is natuurlijk helemaal niet verplicht, dat is volledig
vrijblijvend. Als raad zou ik U dit willen geven: Voedt U gedurende drie dagen, eens per maand
b.v., alleen met fruit. N.B. ik zeg, niet vasten. Vasten is voor dergelijke doeleinden niet goed.
Een volledig vasten is voor de doorsnee- en moderne mens eerder schadelijk dan gezond,
ongeacht tegengestelde opvattingen, die sommigen hebben.
Maar voedt U zich een dag of drie met fruit. Wanneer U dat doet, dan komt er een moment,
dat de honger gaat verminderen, dat weet U. Wanneer dit moment bereikt is, probeer dan
door het luisteren naar muziek, het beschouwen van een landschap, of van bloemen, Uw totale
capaciteit van waarneming, lichamelijk in te schakelen. Probeer dan in het gedachtepatroon
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

steeds mee te vlechten de gedachte God. Alleen maar het woord desnoods. U zult zien, dat
dan op een vreemde manier juist door het lichaam, dat in een uitzonderingstoestand verkeert
plus de klanken, of de kleuren, waarin U schouwt, of de lijnen, het beeld God's langzaam maar
zeker gaat overheersen. U ziet de dingen nog wel, maar het is net alsof ze een andere inhoud
krijgen. Als U naar een landschap kijkt, is het net, als of U een boom en een weg en een
weiland bent, alle dingen tegelijk. Luistert U naar muziek, dan is het net, alsof U zelve een
akkoord bent, dat meezwelt in deze muziek om terug te vlieden een ogenblik en dan weer uit
te barsten en dan te zoeken naar een jubelende oplossing in een groots akkoord. Denk erom,
dit is geen fantasie, dit is niet vreemd. Het is een verschijnsel, dat veel voorkomt. Er zullen er
heus wel zijn, die het kennen, wanneer wij dit bereikt hebben en wij kunnen het woord, het
beeld God, dominerend in onze gedachten houden, dan bestaat de kans, dat op een gegeven
moment alle denken plus de gedachte God wegzinkt, daarvoor in de plaats komt het je je
gedragen en gebaad voelen in een Goddelijke kracht. Wanneer dit moment bereikt is en wij
kunnen dan afstand doen van het ervaren hiervan, dan is evenzeer het onmiddellijk contact
met het eeuwige en het Goddelijke bereikt en dan behoeven wij niet bang te zijn, dat wij de
laatste schreden niet kunnen gaan. Het is echter moeilijk om van de persoonlijke ervaring van
deze heerlijkheid afstand te doen, omdat men op het moment dat men zich gedragen voelt in
het Goddelijke, natuurlijk de weldoende koestering daarvan zo lang mogelijk wil bewaren. U
moet leren ook dat prijs te geven, dan kan men doordringen in het Goddelijke zelf,
Commentaar? Juist. Nu, dan zullen wij het ons wat gemakkelijker maken. Het één en ander
wat hier gezegd is, is een gebruiksaanwijzing voor degenen, die het weten en het kennen is dit
natuurlijk iets heel gewoons. Voor degenen, die er nog nooit van gehoord hebben, lijkt het
misschien wel vreemd. Maar ik meen, dat wij, in de loop van de cursus wel zo ver zijn
gekomen gezamenlijk, dat wij zeggen. Er is hier iets bereikt. Wij moeten nader komen tot deze
God, want wij zien nu toch wel in, dat wij deze kracht in ons leven niet mogen laten slapen.
Dat wij niet voorbij mogen gaan, omdat wij zonder dat eigenlijk niet geheel kunnen leven,
omdat wij anders half dood zijn. En dan ga je dus proberen om deze dingen te doen. Stel je
niet voor, dat zo'n moment van het Goddelijke plotseling Uw hele leven verandert. Denk niet,
dat het U plotseling vrede geeft met alles, wat op aarde gebeurt, bedoel ik. Maar het brengt in
U nieuwe en vreemde waarden naar voren. Waarden, die ik niet kan om schrijven omdat zij
niet stoffelijk of geestelijk direct als uiting te zien zijn. Ik zou haast zeggen een aroma, dat van
U uitgaat, een straling, een sfeer. Een verandering van Uw wezen.
Verandering van Uw wezen, die U meer in harmonie brengt met de wereld, zeker. Een
verandering van Uw wezen, die U tot weldoende kracht maakt voor al, wat U ontmoet in de
wereld. Inderdaad. Maar ook een wezen - en dat is het vreemde -, dat hierdoor de grenzen
kan overschrijden, die veelal tussen de verschillende sferen zijn gesteld. Uw gedachteleven,
wanneer het werkelijk in contact is geweest met dit kernpunt van het Goddelijke, wanneer het
zich verloren heeft in het Goddelijke, schijnt eigenaardig genoeg - en ik kan het niet verklaren
- in staat te zijn in elke sfeer, in elke gedachtewereld, in elke uitstraling of vorm, die met het
ogenblikkelijke bewustzijn of met de ogenblikkelijke behoefte van de mens in verband staat.
Dit kunnen doen is toch wel een zeer grote gave, vrienden. Dit is niet iets, wat je zo maar op
zij kunt gooien. Deel te kunnen worden van het bewuste Scheppingsproces. Dit betekent
verder, dat moge Uw vorm ook duizendmaal veranderen, Uw wezen, zoals het heet, geen
tweede dood sterft, dat gij behouden blijft, altijd zoals ge zijt en dat de enige mogelijkheid tot
verandering is, het opgaan in het Goddelijke, dat ik zo-even heb aangeduid en dat andere,
vrienden hebben geprobeerd, bij monde van mij dan, in een beschrijving U duidelijk te maken.
Dat is dan het enige, wat er blijft. Wij leven, wij kunnen niet meer een moment van verzinken
kennen, want alle sferen, alle poorten en alle werelden staan voor ons open. Dit is de reden,
waarom wij dit zozeer begeren. Wij in de sferen. Wij verwachten, dat gij het in de stof het ook
zult begeren en zult trachten het voor U zelf te verwerkelijken. Gij kunt veel meer bereiken,
dan gij zelf denkt. Gij kunt veel meer vrede kennen, dan U soms mogelijk lijkt. U kunt dit
bewustzijn bereiken, ook al denkt U misschien, dat het voor enkelingen bestemd is. Het
Goddelijke leeft en uit zich in alle dingen. Het is in U en het contact met het Goddelijke is dus
een daadwerkelijk iets. Het bestaat reeds nu, maar wij moeten de realisaties, die daar buiten
liggen, die ons voortdurend belemmeren om dit te bereiken, ter zijde stellen. Hoe vaak hebben
wij het al niet gezegd in deze cursus? Wij moeten de muur van eigen bewustzijn afbreken,
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

zodat het Goddelijke in ons, ook in ons zelf doordringt. Nu moet U altijd onthouden, dat
wanneer een grote kracht een kleine kracht ontmoet, de kleine kracht probeert om die grote
kracht te beheersen, of tegen te houden, de kleine kracht er aan te gronde gaat. U moet niet
denken, dat U in het Goddelijke Uw wil kunt uiten, wanneer het op deze wijze U bereikt. Dat
gaat niet. Zoudt U dat toch proberen te doen, dan zoudt U op zo'n moment zeer waarschijnlijk
Uw eigen geestelijk vermogen vernietigen. U zoudt voort kunnen blijven leven, U zoudt er
geen grote schade van hebben, maar geestelijk zoudt U nooit meer kunnen vliegen. U zoudt
gebonden zijn aan de stof en geketend. Wanneer U echter in staat bent om U door deze
enorme Goddelijke kracht voort te laten stuwen, om er in op te gaan a.h.w., samen te werken,
dan is Uw eigen kracht zó verveelvoudigd, dat U een bewuste uiting van het Goddelijke kunt
worden. En dan komt misschien het moment wel, dat gij ons in onze sferen met een
vriendelijke glimlach probeert een kleine raadgeving te geven, zoals wij nu proberen het U te
doen.
Vrienden, ik geloof, dat dit voor vanavond voldoende is, wanneer U de consequenties van het
besprokene overweegt zult U het met mij eens zijn, dat het enig nadenken vergt om de totale
inhoud ervan te begrijpen. Daarom houd ik rekening met de omstandigheden en geef nu het
medium vrij. Goedenavond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Het is thans weer Uw beurt om met vragen en onderwerpen naar voren te komen. Wat zal
voor vanavond het onderwerp der discussie zijn?
Zoudt U het onderwerp vertrouwen willen behandelen? Moeten wij ieder mens vol
vertrouwen tegemoet treden, of moeten wij altijd enige reserve hebben? Volgens mij moet
men ieder mens vol vertrouwen tegemoet treden. Maar ik kan het mis hebben.
Ja. Kijk eens, een mens vol vertrouwen tegemoet treden, dat is nogal iets. Dat betekent dus,
dat je jezelf weerloos tegenover een ieder stelt, die niet definitief heeft bewezen, dat hij niet te
vertrouwen is. Ik kan mij voorstellen, dat er veel mensen zijn, die zeggen: Neen, zover wil ik
niet gaan. Ik wil niet iedereen vertrouwen, want dan krijg ik de klappen. Nu alleen de vraag,
wat is geestelijk gezien schadelijker voor ons? Dat die klappen krijgen, of dat wij ons zelf
afsluiten van ervaringen, die voor ons goed zijn, verheffend of buitengewoon aangenaam.
Daarom zou ik het als volgt willen stellen. Wanneer het over de mensen gaat. Vertrouw ieder
mens, totdat hij bewezen heeft, niet te vertrouwen te zijn. Vertrouw die mens dan verder nog,
behalve op het punt, waarop hij bewezen heeft niet vertrouwenswaardig te zijn. Want op het
moment dat U een mens vertrouwt, kunt U met die mens in contact komen. Er is geen grens
tussen U en die ander gesteld door een terughoudend: tot hier toe en niet verder. Dat is heel
belangrijk, want wij leren uiteindelijk, wanneer wij in de stof leven - en ook in de geest - het
meeste van anderen. Wantrouwen betekent dus een deel van levenslessen verwerpen, voordat
zij gegeven zijn. Wij moeten inderdaad elkaar, mens en geest zelfs, zo veel mogelijke
vertrouwen schenken. Wanneer het tegendeel van de vertrouwenswaardigheid feitelijk
bewezen wordt, dan moeten wij zelfs nog heel voorzichtig zijn: dan moeten wij ons afvragen:
Hebben wij misschien een aanleiding gegeven tot de misleiding. Zijn wij er misschien ook
schuld aan? Hebben wij echter vast gesteld, dat dit niet het geval is geweest, dan moeten wij
zeggen: Kijk, op dat punt is die persoon niet vertrouwenswaardig. Dan zullen wij dus voortaan
alles, wat ons door die persoon in dat bereik tegemoet wordt gebracht, moeten nagaan op zijn
juistheid. Ik geloof, dat wij dan, wat het menselijk vertrouwen betreft, het beste doen voor ons
zelf, voor de wereld en voor onze geestelijke bewustwording. Het menselijk vertrouwen zelf
echter, (indien U het mij tenminste niet euvel duidt, dat ik, wat verder door ga op het
vertrouwen) evenals het vertrouwen, dat wij in de mensen en de schepping, en is uiteindelijk
een vertrouwen in, want op het moment, dat wij zonder kenbare en klaarblijkelijke reden iets,
of iemands bedoelingen, eigenschappen toedichten, die wij voor ons zelf verwerpen, dan
vertrouwen wij dus niet meer op de Schepper, Die voor ons toch altijd de mogelijkheid zal
scheppen om zo goed, zo juist en zo snel mogelijk onze bewustwording te voltooien en terug
te keren tot het doel, dat Hij ons gesteld heeft en waarvan wij zijn uitgegaan. Nietwaar? Ik
geloof zelfs, dat, wanneer wij vertrouwen hebben in God en alles wat ermee samen hangt, dus
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

het geschapene, wij juist door het vertrouwen dat wij stellen voor werkelijke en intrinsieke
schaden aan ons wezen worden, behoedt, God is liefde. Wanneer wij vertrouwen om terwille
van de liefde God's, dan zou God ons moeten verloochenen, als Hij dat vertrouwen niet zou
honoreren. Dan kan het wel eens zijn, dat wij liever willen, dat Hij Zijn lessen op een andere
manier zou geven. Maar God is alwetend. God weet wat goed voor ons is. Hij weet welke
lessen wij moeten leren. Hij leert ons door de voortdurende ervaringen, die wij zelf wel kunnen
kiezen, maar waarvoor Hij ons toch de mogelijkheid geeft, ons begrip van zijn Schepping, Zijn
Wezen verder te doorgronden. Dan kan er ook nooit een moment zijn, dat vertrouwen
misplaatst is, dat in oprecht geloof wordt gegeven, Al is het aan het giftigste en woest
verscheurende dier. Dit, totdat de ervaring ons geleerd heeft, dat wij in dit aspect van het
geschapene met eigenschappen rekening hebben te, houden, die niet passen bij ons wezen in
zijn huidige vorm van bewustzijn. Zo zou ik dat willen zien. Is daar nog wat over te zeggen?
Wanneer je nu eens vertrouwen hebt geschonken en dat is verkeerd gebruikt, dan moet je
toch weer tot dat vertrouwen terugkomen. Ook al is het weer diezelfde persoon. Je mag
het vertrouwen nooit opgeven, zou ik zo zeggen.
Juist, maar het vertrouwen, dat wij stellen, mag gebaseerd zijn op de voor ons duidelijk
kenbare wezens trekken, die in dit deel van het geschapene liggen. Wanneer wij dus tot de
conclusie komen: hier is sprake geweest door een bepaalde persoon van een misleiding, die
voortkwam uit angst, luiheid, begeerte..... noem maar op, dan gaan wij zeggen: O, dat is dus
een fout. Deze fout kunnen wij rustig met God's hulp overschrijden. Wij behoeven dus dat
wezen niet als vijand, of als iets gevaarlijks te zien. Maar wij moeten wel weten, dat het die
eigenschap bezit en dat alleen God's kracht ons veilig over die eigenschappen en
verschijnselen heen kan dragen, want het wezen in zich bezit die niet. Zoals Petrus wandelde
over de wateren, niet wetende in zijn vervoering, dat het water normaler wijze geen mens
draagt, Verzinkende toen hij zich dit realiseerde. Dat is het vertrouwen, dat beschaamd wordt,
wanneer de ware toestand plotseling naar voren treedt. Hij werd echter door Jezus bij de arm
genomen en over de wateren tot aan het schip gevoerd. Waar de Goddelijke kracht tot uiting
komt is de verraderlijkheid van het niet erkende voorbij. Maar wanneer wij erkennen, wat de
eigenschappen zijn, dan weten wij ook dat wij God' s hulp nodig hebben. Neem mij niet
kwalijk, dat ik die naam zo vaak noem vanavond. Maar het vertrouwen in onze relatie met
God, dat is de beste relatie, die wij hebben. Onthoudt, dat wij met God's hulp de bezwaren dan
toch overwinnen, maar dat wij alleen het niet kennen, omdat wij de onschuld verloren hebben,
die het ons eens mogelijk maakte om er overheen te schrijden zonder meer. Dat wij
erkennende de eigenschappen en fouten er dus niet meer krachtens onze onschuld over heen
kunnen gaan, maar wel geholpen door het Goddelijk Al-weten, nu het negatieve weer kunnen
neutraliseren en het voor ons een positief deel van ons eigen leven kunnen maken.
Moeten wij ook geen rekening houden, als ons vertrouwen misbruikt is, hoe het komt, hoe
zo'n persoon reageert? Wat het leven met hem gedaan heeft, wat de mensen hem
misschien aangedaan hebben? Dat hij misvormd is. Daar zullen wij toch ook rekening mee
moeten houden.
Zeker, maar wanneer wij weten, dat de gifslang slaapt, wanneer hij een bepaalde houding
aanneemt, dan is het begrijpelijk, dat wij wanneer wij onder andere omstandigheden die
houding bij die slang zien, zeggen: He, hier is iets fout! Wij mogen dan niet zeggen, dat die
slang een schepping des duivels is. Maar wij moeten zeggen: die slang heeft eigenschappen,
die wij op het ogenblik niet kunnen begrijpen of overheersen. Wanneer die slang ons aan wil
vallen, dan kunnen wij bidden: Vader, geef ons Uw liefdeskracht. En als wij dat oprecht doen,
dan valt die slang ons niet aan, want daar kan zij niet tegen op. Maar wij zijn dan ook niet
meer argeloos en lopen argeloos in de val, want het grote gevaar van het niet-weten komt
eerst naar voren, nadat het vertrouwen beschaamd werd, of wanneer wij een redeloos
vertrouwen willen aanstellen, in het wezen, dat ons vertrouwen beschaamde. Het is
klaarblijkelijk een verkeerd vertrouwen geweest, anders ware het niet beschaamd. Wat is dan
de oorzaak? Dat wij niet vertrouwden in de persoon, of het wezen als een deel der schepping
God's, maar als een deeltje, dat in Zichzelf door ons begrepen en vertrouwd om zichzelf. Dat is
de fout. In het kosmisch geheel is er niets, dat het vertrouwen niet waardig is. Maar dan moet
het ook uit de kosmos benaderd worden met de kosmische liefde en de Goddelijk kracht. Maar
op het ogenblik dat wij het uit eigen krachten gaan doen en dat krijg je al heel gauw, wanneer
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

het vertrouwen beschaamd is (en je besluit toch weer te vertrouwen) dan komt het uit jezelf.
Dan probeer je te vertrouwen, terwijl het wantrouwen er toch nog onder door loopt. Dan schep
je daarmee alweer de voorwaarde voor de beschaming van het nu zo aarzelend kosmisch
weten, denken en geheugen kunnen wij het totaal der eigenschappen overzien. Zien hoe zij
passen in ons levensbeeld. En vertrouwend op dit beeld, dat het werk der schepping is, kunnen
wij elk deel van ons levensbeeld op zijn juiste plaats zien en in zijn juiste verhoudingen. Zo,
dat alles voor ons een zo groot mogelijke vrede en geluk betekent.
Zo, dat het vertrouwen en het beschaamde vertrouwen voor ons, geen betekenis meer hebben
als en persoonlijk iets. Dan blijft ons allen God over. Dat is een manier! Een lastige manier,
hoor..
Maar toch vertrouwt U een hele hoop mensen op dezelfde manier, niet waar? Als U een
politieagent in de straat ziet lopen, dan zegt dat uniform U, dat die man niet loopt om U te
beroven, maar om U te beschermen, of misschien wel om U een bon te geven, omdat Uw
achterlichtje niet brandt. Dat is tegenwoordig de mode. Vertrouwt U die mens? Neen. U
vertrouwt die instelling. U baseert Uw vertrouwen op de uiterlijke kentekenen. Het kan ook wel
een misdadiger zijn, die dat pakje aantrekt, nietwaar? Maar als het een misdadiger is, dan is
de politie als zodanig nog niet onbetrouwbaar. Daar zit nu juist de knoop. Wanneer wij vanuit
het Goddelijke gaan, dan vallen de uniformen weg. Dan blijft alleen de kern, de basis van alle
bestaan over. Daar kunnen wij wat mee doen. Dat is één ding. Er zijn geen twee kanten aan.
God is God en daarbuiten bestaat er niets. Door het Goddelijke te accepteren in dat wezen, in
die mens, in dat dier, kernen wij dan tot een gelukkige oplossing. Want dan weten wij: Zover
kunnen wij gaan en verder niet. En dan nog iets. Wanneer je vertrouwd hebt en je vertrouwen
wordt beschaamd, dan is menigeen geneigd om met wantrouwen en onaangename
handelingen te reageren op de dingen. Dat is dwaas. Want dan neemt U wraak op een ander,
omdat U zelf geen inzicht genoeg heeft gehad. Dat is meestal het springende punt van een
beschaamd vertrouwen. Daarom zijn de mensen daar altijd zo over opgewonden. Niet dat zij
het erg vinden, dat zij wat armer zijn geworden, of dat er van hun gastvrijheid misbruik is
gemaakt, of dat zij wat simpel zijn geweest. Dat zouden zij allemaal nog niet zo erg vinden.
Maar het feit: ik ben de dwaas geweest. Dat is de bron van wantrouwen voor de meeste
mensen, die wantrouwig zijn. Omdat zij bang zijn om voor een ander als een gek te staan.
Maar als je niet bang bent, dan kun je tegenover een ander niet als gek komen te staan. En
wanneer wij daar niet bang voor zijn, omdat wij leven in en uit God, nu ja, dan komt de rest
vanzelf wel in orde. Dat was dan een hele dissertatie over het vertrouwen. Wie heeft daar nog
iets over te vertellen?
Wij hebben hier enige keren gesproken over het probleem van de geest, die bewust of
onbewust uit de sfeer van de geest kenbaar maakt, dat hij of zij in de stof wil. Nu zou ik dit
willen vragen: De geest, die in de stof leeft, bepaalt die ook bewust of onbewust het
moment, dat hij weer overgaat naar de geest?
Wij zouden kunnen zeggen, dat bepaalt zij onbewust.
Nooit bewust?
Zelden. Een dergelijke graad van bewustzijn wordt maar zelden door een mens verworven,
want wie al zover komt heeft meestal de behoefte niet meer om in de stof terug te keren.
Laten wij het eens heel duidelijk stellen. Elke mens begint zijn leven met een bepaalde dosis
levenskracht. Dat is zijn kapitaal. De manier, waarop hij die verbruikt bepaalt de tijd, die hij
kan leven. Wanneer hij er dus zuinig mee is op een verstandige manier, dan kan hij heel oud
worden. Wanneer hij ze daarentegen met handen vol weg smijt, dan zou hij uit de aard der
zaak jong sterven. De manier, waarop je met die levenskracht omgaat, heeft dus wel een heel
grote invloed op de eigenlijke levensduur. De geest bepaalt dus door de wijze, waarop zij leeft
het moment, dat zij overgaat. Stelt men nu daarnaast de gewelddadige dood door een
ongeval, strijd enz, dan speelt hier vaak een rol het onbewust aanvoelen van het gevaar. Komt
dit positief tot uiting, dan zien wij vaak eigenaardige verschijnselen. Ik herinner mij een
vliegtuigongeluk. Daar was toen een meneer, die bewust en onbewust tegelijk zijn aktetas
vergat, zodat hij terug moest gaan. Ofschoon hij op de hoek van de straat een taxi had
kunnen krijgen, liep hij drie blokken ver om daar een wagen te pakken, die er daar niet was,
zodat hij daardoor zijn vliegtuig miste. Het vliegtuig verongelukte. De inzittenden waren op
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

slag dood, op twee na. Die persoon echter bleef hiervoor gespaard. Nu zeggen de mensen wel:
Ja, maar dat is het ingrijpen van God. In zekere zin misschien.
Maar het is zeker een ingrijpen van het onderbewustzijn. Wanneer U ergens een hekel
aanhebt, dan zult U onbewust - U zegt zich te ergeren, omdat U het nu al weer vergeten hebt -
steeds uit stellen en verschuiven, totdat het U zo mogelijk van de baan kunt schuiven. Zo zijn
er veel reacties, die aanleiding zijn tot ongelukken, het deelnemen aan een reis etc., die in een
ongeval eindigen. Van het verkeersongeval tot de oorlog toe vaak een deelnemen onder
invloed van een onbewuste drang, waarbij die drang soms zelfs een punt van waanzin kan
naderen, indien de innerlijke spanningen maar groot genoeg zijn. Dan krijgen wij de
zelfmoord, of de handelingen, die daaraan gelijk zijn. Dan krijg je die mannen aan het front,
die eventjes iets alleen op gaan knappen, die mens, die eenvoudig gek wordt en amok gaat
lopen. De mens heeft voor een zeer groot deel - en dit geldt wel vooral voor de geest, die het
meest bewuste deel van de mens is - invloed op het moment, dat het leven verlaat. Zoals die
de mens eveneens vaak een heel grote invloed heeft op toestanden als ziekte en gezondheid,
zoals hij die zelf doormaakt. Nu meen ik, dat dit weer een redelijk antwoord is en wanneer U
daarover dus nog meer wilt weten, dan vraagt U maar.
Die momenten, die je onbewust in de geest met jezelf bezig bent zijn voor mij wel een heel
moeilijk deel van het geheel. Het is oplossen van een ding, waaraan je deel hebt en je hebt
er geen deel aan. Dat is wel het merkwaardige.
Het is voor U moeilijk te begrijpen? Wat zegt de psycholoog? Vooral wanneer bepaalde
dwanghandelingen op gaan treden? B.v. een z.g. tic. Dat hier het onbewuste uiting zoekt in
het bewuste buiten de beheersing van de rede om. Dus er bestaat tussen rede en het normaal
bewustzijn en het onbewuste een spanning, Dan moet U mij eens vertellen, waarom het voor
U zo moeilijk is om hetzelfde aan te nemen ten opzichte van de geest, die deel uitmaakt van -
voor de meeste - onbewuste leven. Er is maar één enkele, die althans een deel van het
geestelijke zijn volledig kan beseffen en ervaren. Waarom zou het dan zo vreemd zijn, dat
diezelfde invloeden via de geest en het onbewuste overgebracht worden op het lichaam, op
voorstellingen in het bewustzijn etc. Is dat nu werkelijk zo vreemd?
Ik kan het intuïtief aanvoelen van een dergelijke toestand mij wel voorstellen. Maar ik kan
mij niet voorstellen, dat je als geest op een gegeven ogenblik tegen jezelf zegt: Nu is het
genoeg geweest. Nu heb ik dit en dat volbracht. Ik vind het voor mezelf voldoende en ga
over naar een andere sfeer.
Als het zo simpel was, zou het vreemd zijn, ja. Een voorbeeld zal het U misschien duidelijk
maken. U zit in een bioscoop. Dit kunt U zich voorstellen. Er loopt een film, die heel erg
vervelend is. Dat kunt U zich zeer zeker voorstellen. U heeft geen zin om er naar te blijven
zitten kijken, maar U heeft eigenlijk ook geen zin om op te staan en weg te lopen. Nu breekt
die film af. Het licht gaat aan. Wat is daarop Uw reactie? U neemt Uw hoed en jas en verlaat
op dit ogenblik de zaal. Denkt U niet dat het leven, vooral wanneer dat leven uit stoffelijke,
voor de geest hoogst onbelangrijke effecten bestaat, voor die geest heel wat vervelender kan
zijn, dan die film voor U? Wanneer er dan een ogenblik komt, dat bepaalde invloeden het
mogelijk maken voor die geest om een besluit te nemen, vindt U het dan zo vreemd, dat zij de
deur uitloopt en haar lichaam achter laat?
Dat kan ik mij voorstellen. Maar toch zou ik hier nog even op terug willen komen. Ik heb
vaak aan het bed van een persoon gezeten, die mij verklaarde: waarom moet ik nu gaan?
Ik ben nog niet klaar. Die voelt dan bewust, dat hij nog niet klaar is.
Neen, neen, neen. Die voelde niet dat hij nog niet klaar was, maar die had de gebruikelijke
reactie bij het binnentreden van het voor hem redelijk onbekende. De mens is bang voor de
dood, omdat hij niet weet wat het is. Ongeveer zo, als wanneer je je bioscoop bijna uit bent en
je ziet, dat het buiten regent. Dan sta je even te aarzelen. Je zoudt eigenlijk wel weer naar
binnen willen gaan. Maar dan moet je weer een kaartje kopen en weer door de controle. Dan
zeg je: Waarom moet het ook nu juist gaan regenen? Ik had veel liever die film nog af zitten
kijken. Waarom is dat licht dan ook aangegaan? etc. Het verzet van de mens tegen de dood
berust over het algemeen een op een onbegrip van de waarden van de dood. Een plotseling
overschatten van hetgeen men heeft, omdat het andere onzekerder en onstabieler lijkt. Dat is
de angst voor de dood, niet zozeer de angst voor het gebeuren zelf, het gaat om de
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

onzekerheid. De mens verwerkt dat nu eenmaal op verschillende manieren. De één accepteert
het zonder meer. Ik spreek nu niet over degenen, die bewust overgaan. Die weten meestal al
een paar uren voor de dood, dat er een aardige erewacht klaar staat. Wij hebben het hier dus
over onbewusten. Er zijn er, die voelen plotseling dit onbekende als een hen aangedaan
onrecht. Ze zeggen nu wel, dat er een hemel en een hiernamaals is, maar ik zou toch liever
hier willen blijven. Heb je dan een cholerisch type, U weet wel: zo'n meneer, die altijd lelijke
woorden gebruikt, dan heb je een grote kans, dat hij tot het laatste restje van zijn bewustzijn
verdwijnt zeer zinvolle vloeken ligt te stamelen. Een verzet tegen het onbekende. Een ander
gaat na, wat er nog allemaal moet gebeuren op aarde. Die gaat opeens al die dingen zo
belangrijk zien en zegt: Ja, maar ik had nog zus gewild en zo moeten doen. Had die persoon
verder geleefd, dan had hij wel wat anders gedaan. Maar hij bouwt zich nu opeens een beeld
van wat zou kunnen zijn. U in Uw film: Ja, maar, die vierde acte ging net beginnen, die had
misschien toch wel goed kunnen zijn. Dan zou je toch nog waar voor mijn geld kunnen krijgen.
Een verzet tegen het naar buiten en de kou in gaan. Weer een ander gaat de zaak weer anders
tegemoet. Dat zult U ongetwijfeld ook wel hebben meegemaakt. Die zegt maar: ik ben bereid
te sterven, ik ben bereid te sterven, maar die durven geen ogenblik alleen te zijn. Zij vragen
steeds maar om gezelschap en ondertussen vertellen zij aan een ieder, dat zij zo blij zijn, dat
zij mogen sterven. Ondertussen springt de angst hen uit de ogen. Dat zijn degenen, die zich
door een proces van zelfsuggestie proberen wijs te maken: ik heb het toch wel goed gedaan,
maar er zelf niet meer aan durven geloven, omdat zij niet meer weten, wat zij eigenlijk
gekozen hebben. Daar heeft U dan een paar van die typen. Maar U begrijpt nu wel, daar komt
verzet uit voort. Dan krijg je verder de doodsstrijd van het lichaam zelf. Dat lichaam wil blijven
wat het is. Het verzet zich, zoals de meeste krachten in de natuur tegen elke invloed die tracht
de geaardheid te veranderen. Het resultaat is, dat het lichaam, terwijl de geest vaak al heel
rustig contact heeft met een andere sfeer, ligt te krampen, te rochelen tot het met een laatste
snurk de strijd half op geeft. Dan blijft het toch nog een tijd doorgaan. Dan probeert het toch
nog. O, als het hart nu nog maar even aan het kloppen werd gebracht, dan zou alles weer
reageren. Maar één enkele stimulans en het zou zo graag weer trachten te gaan leven. Het wil
niet teniet gaan. Het lichaam is een eenheid en die wil niet uiteen vallen. Denkt U dat vooral
niet. Denkt U maar eens aan de verschijnselen der inductie. Toch heeft de geest aan die strijd
geen deel meer, evenmin als de rede er deel aan heeft. Het is doodgewoon het organisch
besef, waarmee de organen hun eigen werkzaamheid zó lang in stand houden als zij maar
kunnen. Maar heb je eens iemand, die de dood weet te begrijpen en de consequenties daarvan
ook in het lichaam door te doen dringen, weet U, wat U dan krijgt? Zo iemand gaat zitten en
sterft. Daar kun je niets aan doen. Dat zijn degenen, die al slapende weg gaan. Die voelen
aan, of weten bewust of onbewust. wat de dood gaat brengen en kunnen juist daardoor die
dood zo gemakkelijk accepteren.
Waarom hebben de mensen eigenlijk die angst? Is die hen opgelegd, omdat zij anders te
gemakkelijk uit zouden stappen?
Neen, de angst is uiteindelijk slechts een realisatie van de drang tot zelfbehoud. Deze drang is
noodzakelijk om de ontwikkeling van het organisme juist mogelijk te maken. Slechts door het
te dwingen voortdurend zichzelf gelijk te blijven, dwingt men zo zich zó aan te passen aan elke
omstandigheid, waarin zij zich bevinden. Daardoor kunnen zij zich dus ontwikkelen en
ontplooien. Als die angst er niet was geweest, dan zouden er, denk ik, nooit mensen geweest
zijn. Dan zouden het allemaal eencellige wezentjes gebleven zijn. Dan dobberde U nu
misschien als een amoebe ergens in de Oceaan en zei: brrr wat is het water vandaag koud.
Maar neen, dat zoudt U niet eens zeggen, want U zoudt geen mond hebben om mee te
spreken en geen bewustzijn om mee te denken. U zoudt U hoogstens kunnen realiseren, dat
het onaangenaam was, maar meer in geen geval. Dat U een mens bent, heeft U aan die drang
tot zelfbehoud te danken. Maar dat houdt in, dat U móét vrezen voor elk dingetje, dat Uw
lichaam en leven verandert.
Mag ik nog een stapje verder gaan?
Zeker, loopt U door hoor.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

Ik kan mij voorstellen, dat er een hoog bewustzijn is, dat bewust reïncarneert. Dan maakt
deze geest een stofleven door en verlaat het lichaam weer onbewust onder het bestuur van
de geest, of gaat die bewust over?
Die gaat bewust over.
Dus een geest, die bewust reïncarneert, gaat bewust over?
Ja, die gaat bewust over, zij zou op het stoffelijk vlak, bewust elk verzet - tegen het geestelijk
weten - moeten ondergaan en ervaren. Gelijk Jezus moest lijden in de Hof van Olijven. De
dood wordt geestelijk aanvaard als een noodzaak, maar daar is dan het lichaam, dat
daartegen in verzet komt, omdat het lichaam zich realiseert, wat er gaat gebeuren. Omdat het
licháám wil blijven en niet kan blijven, als die geest er uit gaat.
Dus een wisselwerking?
Ja, daar komt de dualiteit in de mens eigenlijk naar voren. Je zoudt het misschien het beter
nog zo kunnen zeggen - het hoort hier bij deze cursus eigenlijk niet thuis, maar nu het zo ter
sprake komt - een mens bestaat uit twee hoofddelen. Twee delen, die zijn opgebouwd uit
dezelfde kracht: allebei van God, maar met een verschillende reactie. De drang van de stof is
voortdurend gericht op het in standhouden van het ik. Zij realiseert alles naar binnen, toe. Zij
stelt zichzelf, in het centrum van het Al en kan niet anders ervaren en uiten dan met Zichzelf
in het middelpunt der dingen. De geest echter is juist het tegenovergestelde. Zij is het
waarnemingspunt, dat bestaat te midden van alles. Waarnemingen, die de stof niet op zichzelf
betrekt, betrekt de geest wel op zichzelf. Bij haar is het een projectie van het eigen wezen in
de dingen en buiten het ik en omgekeerd, het aanvaarden van de dingen buiten dat ik, als doel
van het ik. Dit is het leven, waardoor zij haar ervaring krijgt. Dat zijn twee tegengestelde
levensgangen. Als je dat als cirkels uit zou moeten zetten, dan zou je moeten zeggen: Kijk, zij
draaien eigenlijk tegengesteld. Zij lopen in het midden een beetje naast elkaar. Dan hebben
wij daar dus stof en geest. Hoe dichter zij bij elkaar komen, hoe intenser. Tot zij zo dicht bij
elkaar komen, dat zij elkaar a.h.w. een stukje overlappen. Dan hebben wij daar de mens. Bij
het beginpunt, de geboorte, raken stof en geest elkaar. Zij gaan dan echter verder en de geest
verzinkt zich in de stof, terwijl de stof de invloed van de geest ondergaat, Totdat het moment
komt, waarop zij zich scheiden en verrijkt met de ervaring van het andere gebied zijn
gekomen tot een realisatie van het totaal der schepping en niet alleen het eenzijdige gebied,
waarin zijzelf oorspronkelijk bestaan en leven. Eigenlijk eenvoudig genoeg, als je het zo
bekijkt. De mens is dus niet, zoals men denkt, een eenheid, maar de grens, waarop twee
krachten elkaar treffen om door uitwisseling van gegevens te komen tot een begrip van het
gehele gebied, dat zij beiden ter beschikking hebben. Stof wordt veredeld in haar werking door
de geest. De geest wordt sterker en bewuster in haar vermogen om buiten het ik te ervaren en
zichzelf te projecteren door haar contact met de stof. Want de tijd van binding, dus die
grensperiode, waarin beiden met elkaar in contact zijn, worden zij a.h.w. door elkaar
gelimiteerd met enkele uitzonderingsmogelijkheden. Wanneer n.l. stof en geest erg
harmonieus zijn in dit gebied, dan kan de geest door de stof toch weer haar eigen wereld
betreden, terwijl omgekeerd, terwijl de geest niet zo sterk de stof domineert, de stof geneigd
zal zijn om haar eigen middelpunt van instandhouding op te zoeken. Meestal is de geest
sterker dan de stof. Zo behoort het althans te zijn.
Kan de stof niet de vijand van de geest zijn?
Neen, gek genoeg niet. Het voorstellingsvermogen, dat uit stof en geest voortkomt, wordt
vaak de vijand van stof en geest, omdat de interpretatie, die als bewustzijn door het
samengaan der beiden wordt verworven, strijdig is met de oereigenschappen van beide
factoren. Dan krijgen wij de zelfvernietigende werkingen. Maar zolang de mens - en dat is nu
juist het moeilijke - zover kan komen, dat hij niet probeert om één geheel te zijn zonder meer,
maar probeert te zijn de meest volledige en harmonieuze samenwerking tussen zijn twee
factoren, n.l. stof en geest, dan komt die mens tot iets anders. Dan is zijn bewustzijn geen
verwerpen van de stof meer, maar evenmin een afsluiten van de mogelijkheden van de geest.
Alleen daar waar de stof de geest zou willen vernietigen, legt de geest de stof een rem op en
omgekeerd. Zij komen tot een soort van grootst gemene deler op de eeuwigheid, waarin de
waarden van stof en geest gelijkelijk en uitgebalanceerd ten opzichte van elkaar worden
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

gehandhaafd, de rechten van elk gebied door het andere gebied volledig worden erkend, en
niet met schijnredenen worden omkleed.
Men verliest elk begrip van ziekte en gevaar hierdoor.
Ja, het is een grondgedachte. Maar deze gedachte hoort eigenlijk thuis in een andere cursus,
dat weet U wel. Daar zijn wij, geloof ik, nog niet eens aan toe. Dat hindert niet, want als het
uitgewerkt wordt met al zijn consequenties, dan kun je er nog heel wat avonden mee zoek
brengen.
Maar bij het bewustzijn van de mens speelt de geest toch een zeer grote rol?
Ja, hoe minder de mens zichzelf ziet als een centrum van alle werelden en zichzelf ervaart als
een deel van alle werelden, hoe meer zij ook het evenwicht in zichzelf zal kunnen handhaven.
Hoe beter hij dus ook zijn eigen harmonisch bewustzijn gedurende de periode, dat stof en
geest samen gaan, kan handhaven. Daardoor kan hij dan ook vrijelijk geestelijke en stoffelijk
ervaren.
Nu, dat was dan ook nog een betrekkelijk zware knoop ook. Maar een zeer interessant on-
derwerp. Wij zullen het verder maar niet al te lang maken vandaag. Maar een kleine
toevoeging krijgt U toch nog wel van mij, want niet dat laatste onderwerp hebben wij - al heeft
U dat misschien niet zo direct gemerkt - de kern van het eerste onderwerp geraakt, het ver-
trouwen. De geest moet in staat zijn te vertrouwen, dat geen enkele stoffelijke uiting en
behoefte voor haar vernederend kan zijn, zolang deze niet direct de intrinsieke waarde van de
geest aantast. Dat ervaart zij heus zelf wel. Omgekeerd moet de stof nooit proberen de baas
te spelen over die geest, omdat zij denkt, dat die geest haar ergens iets te kort zal doen. Want
die geest zal die stof ook moeten instandhouden, omdat een onderbreking van de lotslijn-stof
ook een onderbreking van de lotslijn-geest betekent en voor beiden gelijke schade en gelijke
voordelen oplevert. Begrijpen wij dit dan goed, dan moeten wij vertrouwen op de macht, die
die banen zo leidt, dat stof en geest elkaar kunnen kruisen, De kracht, die deze waarden, als
verschijnsel tussen twee werelden mogelijk heeft gemaakt. Wat zou dat anders kunnen zijn
dan de basis van beider bestaan? De oerkracht. En waar komt de oerkracht vandaan? Van
God. Wanneer wij dus vertrouwen op God, dan zal die samenwerking van geest en stof perfect
zijn, omdat wij zelf vertrouwen genoeg hebben, zonder ons te storen aan de stoffelijke of
geestelijke overwegingen, die niet op een realiteit, maar op gebruiken of opvattingen etc.
gebaseerd zijn. Stof en geest een deel te geven zonder strijd in het ik. Zonder schuldgevoelens
op te laten komen en zonder een ander onrecht aan te doen. Want werken wij met de
werkelijke kracht, die ons drijft, het Goddelijke in de stof als in de geest, dan zal elke uiting
naar ons zelf toe, of van ons zelf uit, gelijkelijk volmaakt zijn als de kracht, waaruit zij is
voortgekomen. Brengen wij dat tot stand, dan zijn wij de harmonische mens, waarover U
vorige maal en ook vanavond in het eerste deel zoveel over verteld is. Nu, daar heb ik dan nog
even het hele stelletje onderwerpen mooi aan elkaar gelijmd.
De oorsprong van de ziekten ligt dus in een gebrek aan liefde?
Ja. De geest is een wezen, dat is en zijnde in de uiting zichzelf ziende, nooit anders kan doen
dan zichzelf aanvaarden, is identiek met liefde. Dus is de geest ook liefdesgeest. Of beter nog:
Het wezen Gods is de liefde voor het Goddelijke en als zodanig is al het geschapene daarin
mede besloten. Maar nu zal ik maar eens het laatste woord gaan geven aan de laatste spreker,
vrienden. Wij hebben ons voor vanavond weer duchtig geweerd, geloof ik. Goeden avond,
allemaal.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Wij zullen dan de bijeenkomt gaan besluiten met naar keuze, een meditatie of een meer
dichterlijke vorm. Waaraan geeft U de voorkeur?
Meditatie.
En welk onderwerp?
Victorie.
Victorie …………. overwinning.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: -Het Goddelijke
Les 7 – 14 april 1955

OVERWINNING
Wat kan ik overwinnen, want ik ben deel van grote krachten en als zodanig kan ik als deel
nooit het geheel overweldigen. Kan ik de wereld overwinnen? Neen. Kan ik de wereld van de
geest, de sferen overwinnen? Neen. Ik ben deel van die beiden en hen overwinnende zou ik
mijzelf moeten overwinnen en daardoor mijzelf wederom gelijk stellen met wat ik overwonnen
heb. Ik kan niet overwinnen buiten mij. Wat kan ik dan wel overwinnen? Ik kan overwinnen
mijzelf. Want in mijzelf, en in mijzelf alleen, heb ik het volledig weten en kennen, het
bewustzijn, dat mij mogelijk maakt hier in dit, wat ik ben, zodanig de krachten, waaruit ik
besta tegenover elkaar te plaatsen, dat hierdoor een schoon en harmonisch geheel, een won-
derlijk samenklinken van sferen en werelden plaats vinden, dat werkelijk en reëel weergeeft de
Goddelijke kracht en de Goddelijke klank, het lied God's, dat geuit wordt in de Schepping. Ik
kan uit mijzelf, een gebied, dat ik ken en beheers de onjuistheden verwijderen. Ik kan in
mijzelf hergroeperen die dingen, die schijnbaar onharmonisch samengaande, in werkelijkheid
toch deel zijn van een wezen, dat in zichzelf volmaaktheidsmogelijkheden draagt. En wanneer
mij dat gelukt, dan wordt mijn ik een klinkend deel van het Al. Dan zing ik mee als een klok,
die ter kerke roept met de eeuwige stem van de kosmos. Kom tot God! Kom tot God! Dan zing
ik mee in het lied, dat de Schepper zingt tot zichzelf: Vrede! Wanneer ik mij zelve deel maak
van het grote geheel, wanneer ik weet in mijzelf te bereiken, die eenheid van kracht en
bestreving, die het kenmerk is van het ware en het Goddelijke, van het volledig bewuste en
harmonische, dan mag ik Victorie roepen. Dan is er het ogenblik van de zegepraal dan is er het
moment gekomen, dat ik mijzelf overwinnen de overwonnen ben door het Al en overwonnen
door het Al ben geworden tot deel van het Al, dat alle kleine bewustzijnsvormen, die er
bestaan, overwint en zegevierend terugkeert tot zijn volmaakte grootheid, waarin het Zichzelf
steeds aanschouwt. Ik dank U voor Uw aandacht.
Goeden avond.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

LES 8

Goeden avond, vrienden,
Deze avond zou eigenlijk de laatste van deze cursus moeten zijn. Wij zullen dan ook voor
degenen, die dit wensen deze cursus van avond afronden, zodat de cursus als geheel hierna
beschouwd kan worden. Wij hebben echter en de laatste tijd wel wat te snel over verschillende
punten heen moeten lopen. Dit is ons bij verschillende cursussen gebeurd. Ook bij de Uwe. Wij
menen daarom verstandig te doen U in overweging te geven een aantal aanvullende avonden,
waarschijnlijk een drietal, hieraan vast te knopen. Wij kunnen dan nog wat verder ingaan op
bepaalde problemen, die rijzen bij het beschouwen der Goddelijke Wetten en misschien ook
nog iets verder doordringen in de beeldende kracht van het Goddelijke, die in ons werkzaam
is. Een onderwerp, dat nog niet ter sprake gekomen, helaas, en dat ook nu slechts zeer
vluchtig ter sprake komt. Indien U hier bezwaren tegen heeft, of bijzondere voorwaarden aan
een voortzetting wilt verbinden, verzoek ik U dit kenbaar te maken aan de spreker na de
pauze, waarmee U dan ook tevens overleg kunt plegen omtrent hetgeen U dan wel of niet
wenst. Verder zullen wij ook deze keer de duur van de bijeenkomst iets moeten beperken,
gezien de omstandigheden, die nog steeds bestaan. Wij hebben in onze laatste bespreking de
benadering van het Goddelijke in een paar punten bij zonder naar voren gebracht. Wij hebben
getracht U aan te tonen, dat het noodzakelijk is om op de één of andere wijze God in jezelf te
dragen. U zult begrijpen, dat dit door Uzelf persoonlijk moet worden toegepast. Maar past U
het toe, dan zullen vele eigenaardige verschijnselen in het leven U gaan overtuigen, dat God
levendiger is en intenser in U leeft, dan U zich voor kunt stellen. Wanneer men het Goddelijke
heeft benaderd, hetzij langs de weg van het geloof, hetzij door de waarden van het
geschapene nagaande, te komen tot de overtuiging: er is een Hoger Wezen, Dat ik dan maar
de naam God geef, ofschoon ik er verder niets van weet, dan kunnen wij het volgende
vaststellen: In de eerste plaats: de God, Die wij ons voorstellen is, zoals in de vorige
bijeenkomsten reeds besproken is, uitgedrukt in een aantal wetten voor ons. Deze wetten zijn
de grondwetten van ons eigen wezen en bepalen de weg van bewustwording die wij moeten
gaan.
Deze bewustwording is voor ons zeer belangrijk, want kunnen wij dit pad van bewustwording
niet gaan, of gaan wij het te traag en met te vele omwegen, dan betekent het voor ons een
lijden. Op dit moment is heb voor de meesten zeer moeilijk te begrijpen, waarom dit lijden
over hen komt, waarom zij dit leed te dragen krijgen. Indien U doordringt tot het Goddelijke in
U, tot de kern van Uw wezen, dan zullen de wetten zelve U bewijzen, waarom U lijdt, wat de
reden is van Uw lijden en strijd, terwijl zij U gelijktijdig de weg wijzen om strijd en lijden te
overwinnen en terug te keren tot de perfecte samenwerking met het Goddelijke, zoals Het ook
eens in U tot uiting is gekomen.
Het tweede punt is al niet minder belangrijk. Wanneer wij de Goddelijke wetten kennen zijn wij
niet alleen in harmonie met God: dan zijn wij in harmonie met het totaal van het geschapene.
Deze harmonie komt vaak op een haast onwaarschijnlijke wijze naar voren. Al hetgeen,
waarmee ik in harmonie ben, is van mij, dat is een deel van mijn leven. Er is geen moment en
geen seconde, dat het totaal van mijn omgeving niet één is in streven en bewustzijn met mij.
Mijn streven is geen eenzaam gaan meer, maar een opgenomen en gedragen zijn in het totaal
der wetten, in het totaal der wereld. Dit totaal der wetten en werelden is voor ons het meest
belangrijke. Gij moet goed begrijpen, dat wanneer alleen maar een voorstelling hebt van het
Goddelijke, wanneer je alleen maar veel over het Goddelijke hebt gepraat en gedacht
misschien, maar niet in staat bent om het Goddelijke werkelijk te accepteren, dat het
Goddelijke voor een deel van je wezen niet een dragende, maar een remmende kracht is. De
wetten, die overal in de kosmos optreden worden tot wapens, die U steeds weer beletten de
weg te gaan, die U volgens Uw eigen inzichten had willen gaan. Waar U slagen als zekerheid
dacht te bezitten, vervolgt U de mislukking en waar gij dacht te zullen mislukken, slaagt gij en
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

begrijpt niet, waarom. Gij kent de wetten niet en de wetten zijn in ‘s levens spel U tot
tegenstander geworden. Gij gaat a.h.w. tegen de stroom in en uiteindelijk toch mee gesleurd
te worden. Wanneer echter al deze dingen een levend deel van Uw wezen uitmaken, wanneer
alle omstandigheden van Uw eigen wereld en alle andere werelden, die voor U open staan,
deel van U zijn, dan kan er geen strijd zijn. Dit is niet de weg van de minste weerstand, denkt
U dat niet. Het is de weg van de grootste waarheid. De weg van de grootste waarheid gaan wij
om op deze wijze voor ons zelf tot waarheid te worden. Dit brengt ons tot het einde van de
cursus, ofschoon er zeker nog heel wat punten niet belicht werden, die toch zeer zeer een
bespreking waardig zijn en gaarne nog door ons besproken zullen worden, indien U daar
belangstelling voor heeft. Maar alles draait steeds weer om God. Dat beheerst je hele wezen,
dat is de kern van heel je zijn. Dat hebben wij nu reeds meerdere malen vast gesteld. Maar
wat kunnen wij doen met deze waarheid? God is waarheid, zeker. Maar hoe kunnen wij deze
waarheid benaderen? Wij zijn niet, zoals sommigen gaan denken, wanneer zij eenmaal leren
over de wereld der begoocheling, alleen maar schepselen der waan. Wij zijn een werkelijkheid
en ons leven is een werkelijkheid. Maar een werkelijkheid, die slechts zo onvolledig wordt
beleerd, dat de werkelijkheid van ons bestaan ons reële, ons ware "ik", niet - op de voorgrond
kunnen komen. Wij zijn maskeradefiguren en weten niet, of er achter het mom van de duivel,
misschien een engel, achter het paard misschien een zakenman schuil gaat. Wij weten het
niet, zelfs niet van ons zelve. Daardoor krijg je moeilijkheden, want tijdens een maskerade
gedraag je je zoveel als de figuur, die je voorstelt, niet naar hetgeen je in werkelijkheid bent.
Dit is juist het punt, waardoor de waarheid voor ons zo belangrijk wordt. Wanneer onze
begoocheling teniet gaat, wanneer alle bijgedachten eenvoudig teloor gaan, dan weten wij wat
wij zijn en leven ons zelve precies zo als wij zijn. Dan leven wij de Goddelijke Wet in ons tot
uitdrukking, zonder enig respect voor de poppenkast, die de gedachte rond ons heeft
opgebouwd, als een scènerie voor het ego, waarin het kan paraderen in grote
zelfverheerlijking. Dat is de waan n.l.: waan is het niet-bewustzijn van onze werkelijke plaats
in het Al. De Goddelijke Waarheid is het, die ons deze waan ontneemt, die ons daarvoor in de
plaats geeft een juist begrip van ons eigen wezen en een juist begrip, van wat wij moeten
doen om met al dit, wat wij zijn de weg van het Goddelijke mee te streven en zo ons waardig
te tonen de gave van het deel uitmaken van een groot en volmaakt geheel. Ik meen, dat
hierop Uwerzijds niet veel over te zeggen valt. Zou dit toch het geval zijn, dan zal ik U zo
dadelijk nog wel in de gelegenheid stellen om te vragen. Ik had mij n.l. voorgenomen U eerst
nog een spreker te laten horen, die ik in dit geval niet als voorbeeld of illustratie bedoel. Ik zou
hem U echter gaarne voor willen stellen als één van degenen, die volgens ons weten het
Goddelijke het meest benaderd zijn. Ik zou U van deze benadering een beeld willen geven door
deze vriend in de gelegenheid te stellen via een contact van het medium gebruik te maken van
al datgene wat er leeft, wanneer de waan wegvalt. Wij denken ons het leven zo arm en wij
denken ons de regelen des levens zo streng. Naar wat deze vriend ons leert is dat niet het
geval. Wij spreken in onze bekrompenheid over de Goddelijke Liefde, en het is goed, dat wij
dat woord kunnen gebruiken, omdat wij zonder de Goddelijke Liefde - dat moet U ook al weer
kunnen begrijpen en accepteren - eenvoudig geen voorstelling kunnen maken van de
verhouding die het Goddelijke heeft tegenover ons. De wijze, waarop wij in verbinding staan
met het Goddelijke, kan voor ons het beste worden gekarakteriseerd met liefde. En toch is het
meer en minder tegelijk. Veel meer, omdat het een intensiteit heeft, Zó groot, dat het
praktisch onmogelijk blijkt ook maar in woorden een klein beeld ervan te geven. Aan de
andere kant minder, omdat wij ons liefde denken als een vergoeilijkende genegenheid en hier
is geen sprake van. Van vergoeilijken is geen sprake bij het Goddelijke. Het Goddelijke is niet
vergevensgezind in de zin, waarin mensen zich dat voorstellen. Het scheldt geen schulden
kwijt, het neemt ook geen wraak. Het laat de mens zichzelf door eigen strijd opwerken tot het
bewustzijn. Bewustzijn van God de gelijkheid a.h.w. aan God. Om iemand te verheffen tot je
gelijke moet je hem zeer liefhebben. Om hem door strijd dit te laten winnen, betekent zelfs
meer dan liefde en gelijktijdig ook iets anders dan liefde. Er zit een zekere rechtvaardigheid in.
Er zit een zekere hardheid in. Het Goddelijke is niet week. Juist daarom heb ik geprobeerd om
deze spreker voor U deze avond hier te krijgen. Ik neem aan, dat U belangstelling voldoende
heeft om ook zijn woorden aan te horen. Dat U mij voor deze keer niet kwalijk neemt, dat ik
tóch weer terug val op het oude, daarbij misschien wel wat al te veel rekenen op Uw
goedgunstig gehoor, ook wanneer wij deze avonden hebben afgerond. Met Uw toestemming
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

zal ik hem dan eerst aan het woord laten, opdat wij zo dadelijk, kort samenvattend de tendens
van onze cursus en het doel van onze cursus, nog met een klein commentaar van onze
onbeholpen en nog zo persoonlijk denkende zijde, ons eigen standpunt nog wel beter kunnen
gaan omschrijven en vast stellen dan deze schrij... spreker voor ons kan doen. Ik zeg
"schrijver", maar dat was, dat is niet meer. Een ogenblikje stilte dus a.u.b., opdat wij contact
op kunnen nemen.
o-o-o-o-o-o
Vrienden,
Ik moet spreken over het Goddelijke. Dat is een dankbare en gelijktijdig haast onmogelijke
taak. Hoe kan ik U vertellen, wat de vreugde is van een gezonde cel in een gezond, lachend
verheugd lichaam? Indien ik U dat duidelijk zou kunnen maken, dan zou het mij misschien
mogelijk zijn U een beeld te geven van onze werkelijkheid, wanneer wij het Goddelijke nabij
komen. Wanneer je opstijgt naar God toe, dan verdwijnen er hele werelden. De gedachten en
vormen, die je je zelve hebt opgebouwd in het voortdurende spel van tijd en beweging,
houden op te bestaan. Er is geen tijd meer, er is geen ruimte meer, er is geen beweging. Er is
alleen een bewustzijn, dat voortdurend en intens gedreven door Goddelijke waarden en
krachten in ons steeds weer hetzelfde doet herrijzen. Wij herbeleven onszelf en onze taak in
de Schepping keer op keer en het is ons altijd weer een vreugde, omdat wij nu eerst kunnen
zijn, dat, waarvoor wij van den beginne af geschapen werden: Het bewuste deel van één grote
God, Die in de volheid van Zijn scheppend Vermogen een aarde heeft gecreëerd, een heelal
heeft geschapen en de mens heeft toegestaan, klein en nietig zijnde, toch te vinden Zijn grote
waarheid en wezen. Hoe moet ik U dit zijn, trachten te beschrijven, dat zo'n grote vreugde
wordt? Dit zijn, dat ik soms een ogenblik mag genieten om toch weer terug te zinken in de
gedachten, de waan en de verbindingen, die voor mij steeds nog weer tijd en ruimte tot
werkelijkheid raken. Ik weet, dat wanneer men in die wereld leeft en werkt, wanneer ik leraar,
gezeten op een grazige berg in een sfeer, waarin alles waan is, dat ik droom. Ik sluimer.
Slechts wanneer het kloppende leven van het Goddelijke mij doortintelt en doorstroomt en
alles wegzinkt tot het ledige overblijft, dan leef ik. Maar het is moeilijk om afstand te doen van
je gedachten en dromen. Daarom en daarom alleen kan ik nu nog tot U spreken over God en
Het Goddelijke. Is er een God? Neen. Bestaat er dan geen wezen, dat God is? Ja en neen. Wat
is dan God? God is een complexe uiting van krachten, zeker. God is een krachtenspel, dat
gekristalliseerd in een oneindigheid, een volmaakt beeld geeft, zuiver en schoon van lijn als
een enkele ijskristal, die uit de hemel neerdwarrelt.
Symmetrisch en afgerond zuiver ingedeeld. Maar het is meer en het is groter wonder. Een
kristal, waarin de gedachten gaan van het uiterste deel tot het uiterste deel. Een kristal,
waarin het leven voortdurend pulseert. Een kristal, waarin de ruimten tussen de delen gevuld
zijn met de droombeelden, die het kristal zelve schept. Droombeelden, vrienden. God is geen
mens. Om God een wezen te noemen lijkt mij sacrilege. Het heilige kan men niet omschrijven,
of beperken door het een wezen te noemen.
Maar wel kunnen wij zeggen: "Het Goddelijke is". Het is niet de God, waarvan wij hebben
gedroomd, die wij ons voorstelden. Het is iets, dat vast is, waarin geen ruimte en tijd bestaan.
Het is ondeelbaar en één: eeuwig en onvernietigbaar, zover als ons bewustzijn ons toestaat
dat na te gaan. Die eenheid en ondeelbaarheid wordt voor ons steeds weer tot nieuw
bewustzijn. Maar waarom zijn er dan zoveel dromen? In het deel, dat niet Goddelijk is, lijkt het
een spel der krachten, die een ogenblik elkaar trachten te bevechten in een speels ogenblik
van waan. Is het misschien zo, dat God Zich steeds weer uit in Zijn dromen en de dromen voor
God slechts gedachten over Zijn eigen Wezen inhouden? Wie zal het zeggen. Wel weet ik, hoe
het voor ons schepselen is. Wij zijn deel, werkelijk en reëel deel van dat vaste en
onveranderlijke. Er is geen minuut, dat wij werkelijk van plaats of van sfeer veranderen. Er is
geen moment dat wij iets worden dat wij niet reeds altijd geweest zijn. Deel van dit ene en
volmaakte, dat men God noemt en dat een Goddelijk iets is, maar waarvoor ik geen naam kan
vinden. Maar ons wezen bindt zich in de droom en speelt mee in het spel der verbeelde
vormen. Het vergeet, waarvan het werkelijk deel uitmaakt. Het is niet meer het deel van of
intrinsiek verbonden met de kracht die pulst van pool tot pool, van kristal tot kristal, tot geheel
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

het Goddelijke doortintelt is met de levende kracht. Het zondert zich af, het bemerkt het
Goddelijke niet meer en klampt zich vast aan de grillige waanbeelden, die in een ogenblik van
waan ontstaan en weer teniet gaan. Zo zijn wij, wanneer wij gebonden zijn aan een wereld,
wanneer wij gebonden zijn aan sferen, of deze nu hoog of laag zijn. Dit wil zeggen, dat er voor
ons alleen één gelijke bereikingsmogelijkheid is. Het moment, dat wij terugkeren tot het
bewustzijn één met God te zijn. Er is geen verandering slechts een spel van
verbeeldingswaarden. Dan moet, wanneer wij dit kunnen aanvaarden, het Goddelijke weer in
ons werkzaam zijn en krachtig worden. Maar wij kunnen het niet. Wij hebben geleerd ons
zelve te vereenzelvigen met droombeelden. Daarom spelen wij het schimmige spel, waarbij
mensen geboren worden en sterven, werelden opgaan in het laaiende vuur van een nova, of
lange tijd in de ijzige koude van het niet, een lange tijd als verijsde ijsklompen rond zoeken
naar een nieuw bestaan en leven. Zo dromen wij en in onze droom gaat ons het geluk van de
werkelijkheid verloren. Wanneer wij bewust deel van God zouden kunnen blijven, doortrild zijn
van Zijn volledig bewustzijn en Zijn kracht, heersend over het zijn, omdat er geen verandering
bestaat, gelijktijdig mee kunnende spelen in het spel van dromen, dat gaat tussen deel van
God en deel van God, dan zouden wij waarschijnlijk de volmaaktheid bereikt hebben. Ik
gebruik steeds weer de naam God. Het is een naam, die mens en geest altijd weer in de mond
bestorven ligt. Wij kunnen niet zonder. Het is een deel van het beeld, dat wij ons vormen van
leven en zijn. Zelfs de God echter is in zekere zin een waan. Hij is een deel van onze dromen.
Er is geen God buiten ons. Er is geen kracht, die, waar dan ook, zetelen kan dan in ons. Er is
alleen het eeuwige bestaan, dat eeuwig en altijd Zichzelf blijft en ons in zich draagt: delen van
dit wezen, delen van dit bewustzijn. Wij spreken over de Goddelijke Wetten. Maar wat is een
wet? Een wet is iets, dat tot uiting moet komen. Ik meen tenminste, dat dit de waarde die men
er meestal aan geeft: een regel. Hoe kunnen er regels zijn in iets, dat altijd onveranderd is?
Wat de mens een wet noemt van het Goddelijke, wat kan dat anders zijn dan een lijn, waarin
het Goddelijke wordt bepaald, wanneer het "ik" in het Goddelijke een ogenblik zijn plaats
vindt? Er zijn geen wetten. Er is een zijn, eeuwig en onveranderlijk.
De uitdrukking, die dat zijn in ons vindt bewustzijn doet zich aan ons warrig voor als, een wet,
die de beelden, die wij uitzenden en regeren en denken te zijn, regeert en bepaalt. Ik ben
geen nihilist. Ik ben dat ook nooit geweest. Ik ben een gelovige geweest, toen ik op aarde
was, ofschoon men mij wel heeft uitgekreten voor een godloochenaar. Ik geloof, dat ik weet.
Ik geloof in mijn weten, omdat ik weet, dat dit zelfs voor mij niet omschrijfbaar is. Ik kan het
doorvoelen en toch niet aantonen of bewijzen. Ik weet, maar ik weet niet, hoe ik weet, of
waarom ik het weet. Het is in mij. Een eigenschap van mij. En daar geloof ik aan. Ik geloof
eraan, dat dit mijn leven en bewustzijn. Zo, vrienden, zie en beleef ik het Goddelijke. In de
volle vreugde van bestaan, waarin ik mijzelf zie als een droombeeld en toch gelijktijdig voel,
dat ik een wezen ben, veel groter dan de droom, waarin ik eens dacht te leven. Ik weet niet,
wat ik ben, zomin als ik weet, wat God is. Ik weet alleen, dat God en ik op de één of andere
wijze haast identiek zijn. Dat ik wel geen God ben, maar dat er geen God kan bestaan,
waarvan ik geen deel uit maak. Dat ik voor die God alleen als een deel van Zijn Wezen reali-
seerbaar ben, zoals ik mij dan ook God alleen waar als een deel van mijn eigen zijn realiseren
kan. Dat is God voor mij. Dat zal God voor U moeten worden. Ik kan U helaas de vreugden
niet schetsen, omdat er geen ontroering is, die dit een-zijn maar enigszins nabij kan komen. Ik
kan U alleen dit zeggen: geloof aan God zo gij wilt en gij zult nooit onwaar geloven. Droom
van God zo gij wilt, Hij zal U nooit ver loochenen. Droom van Uzelf en wees in die droom, wat
gij wilt zijn: gij zult het zijn. Maar realiseer Uzelf, dat dit alles een spel is, waarbij de enige
vaste en onveranderlijke waarde, die U alle wereld sfeer en ruimte in één beeld samenvat en
het ware is en dat al het andere onbelangrijk is. Onbelangrijk. Alleen belangrijk voor Uzelf.
Daarom zou ik, - wanneer ik U een raad mag geven ik, die niet meer in een menselijk zijn wil
geloven, ik, die probeer niet meer te geloven aan persoonlijke dromen en dit spreken hier zie
als een waanspel, waarin de waarheid haar dromen een ogenblik zich zelve openbaart om ze
meteen weer terug te nemen - als ik U een raad mag geven, is het deze: Uw wezen ligt in de
wetten, die U in U voelt. Dat is ook het wezen Gods. Dat is de waarheid. Druk ze uit, zo gij
wilt, maar weet dat gij zonder hen niet leven kunt. Tracht niet anders te zijn dan Uw wezen en
wetten zijn. Nu bedoel ik hier Uw geestelijk Wezen. Ik bedoel hetgeen in Uzelf als het goede,
het edele, het ware en het recht voelt. Dan vindt gij gemakkelijker een eenheid met de delen
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

God's tot gij uiteindelijk één zijt met de werkelijkheid, terugkerend uit Uw droom. Ook ik
droom thans. Ik heb mijn droom een ogenblik met U gedeeld. Wanneer wij uitgedroomd zijn
en de werkelijkheid komt, is er geen wij meer. Dan is er nog slechts een ik. Een ik, waarvan
wij allen deel zijn, dat wij allen ervaren, dat ons allen omvat.
Ik ga afscheid van U nemen, misschien zelfs tot de tijd, dat waarheid weer onze enige
werkelijkheid is. Misschien ook, dat ik nogmaals zal spreken met één Uwer of met U allen. Het
was mij een aangename droom, maar slechts een droom. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Zo vrienden, U heeft nu gehoord, wat deze spreker U te vertellen had, U heeft misschien ook
gemerkt, dat ik zelf de tussenschakel ben gebleven, waardoor hij tot U kon spreken. Veel van
de problemen, die wij reeds te samen besproken hebben werden hier met een enkele slag
aangeroerd. Natuurlijk verlangen wij er allemaal naar eens deze werkelijkheid te kunnen
beleven, eens zo vrij te zijn. Maar zolang dat niet het geval is, laat ons zijn raad volgen en ons
spel van dromen spelen, zo goed als het ons maar gelukt. Laten wij in ieder geval proberen om
van onze persoonlijke werkelijkheid een schone en waardige werkelijkheid te maken, totdat de
waarheid haar komt vervangen.
Dat kunnen wij alleen doen, wanneer wij het beeld van grond af aan opbouwen. Zoals wij hier
bij elkaar zitten, hebt U allen reeds voor een groot gedeelte Uw leven gevormd. Gij zijt
mensen geworden met bepaalde gewoonten, met bepaalde verplichtingen en contacten. Toch
kunnen wij ook nu nog iets van grond af opbouwen. Wanneer U zich n.l. de moeite getroost
om Uw eigen God steeds weer te zoeken en de wetten van die God op U zelf toe te passen,
zonder dat U wacht totdat de vreemde macht, die men het fatum noemt, dat doet. Dan kunt
gij reeds Uw eigen wereld, hoe onreëel en vaag die dan ook mogen zijn vanuit het Goddelijk
standpunt, leren regeren. Wanneer gij Uzelf leert beheersen en regeren, dan zult U in staat
zijn om vele schonen en goede dingen tot stand te brengen.
Hiermee, mijne vrienden, kunnen wij de cursus gevoegelijk als afgerond beschouwen. Aan de
andere kant zijn er nog zovele wetten, waarover wij niet ge sproken hebben, zijn er nog zovele
facetten in het wonder der Schepping, die wij niet hebben kunnen beroeren. Indien U wilt
zullen wij die gezamenlijk nog kunnen gaan bezien en misschien zullen wij dan weer een
eenvoudiger en meer gebruikelijke weg kunnen volgen. Er waren velen, die voor deze cursus
als illustratief materiaal maar al te gaarne gediend zouden hebben, die U een voorbeeld
hadden willen zijn door te tonen, wat zij zijn en hoe zij een wet, of een toestand doorleefd
hebben, vertellende, wat dit alles voor hen betekend heeft. De veranderingen, die de Orde
heeft menen te moeten maken om de tijd althans enigszins aan te kunnen houden, zoals
afgesproken was, en ten tweede zich ook voor te kunnen bereiden op de mogelijkheden van
een nieuwe cursus, hebben ons hierin wel wat geremd. Wij hebben hard op moeten schieten,
eigenlijk spijt mij dat. Dit neemt echter niet weg, dat U ook het volgende jaar de filosofieën
over het Goddelijke op het programma zult vinden. Dat U dan ook kennis zult maken met ve-
len, indien het Bestuur althans besluit de richtlijn te volgen, die gegeven werden. Wij hebben
twee mogelijkheden open gelaten. Zou men hiermee echter akkoord gaan, dan zult U kennis
kunnen maken met nog diepere, nog schonere gedachten. Wel zullen wij dan echter moeten
afstand doen van het persoonlijke, dat aan de ene kant deze cursussen zo vaak verward heeft
gemaakt en de sprekers op zijpaden heeft geleid, maar dat toch aan de andere kant een
element was, dat ons dierbaar werd, omdat wij met elkaar werkten. Ik ben ervan overtuigd,
dat velen Uwer gaarne op deze oude weg verder zouden willen gaan. Maar het doel, dat door
de Orde gesteld werd, gaat verder. Misschien is ook dat doel een droom en een waan. Maar de
Orde erkent in zich zelve wetten, die haar drijven een bepaalde richting in te slaan. Om zekere
dingen te doen juist op deze weg, en op geen andere wijze. Daarom verzoeken wij U dan maar
zachtmoedig te zijn tegenover ons. Het ons te vergeven, wanneer wij het U misschien wat
lastig maken met Uw verslagen. Het U misschien wat lastiger maken met de lezingen en het
ons te vergeven, wanneer wij veranderingen brengen in iets, dat U nog zo gaarne zoudt willen
behouden. Want wij worden - evenals U gedreven - door een ons jagende droom, omdat wij de
waarheid reeds in ons voelen en onze God in en buiten ons willen bereiken. Wij strijden om die
weg te gaan, zo goed wij maar kunnen, evengoed als gij. De nieuwe inzichten van de Orde
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

zullen voor U zeer zeker de mogelijkheid betekenen, indien U het volgende jaar weer wilt gaan
studeren als meer gevorderden, om aan de hand van hetgeen reeds dit jaar besproken is een
groot gedeelte van de materie opnieuw te volgen. Het illustratief materiaal, dat aanwezig is en
voor het volgende jaar niet in aanmerking komt, zou ik U nog graag voor willen leggen. De
wetten, die wij slechts, ten dele af hebben kunnen handelen, zou ik gaarne nogmaals en nu
vollediger onder Uw aandacht brengen. Indien U daarvoor tijd heeft, zullen wij gaarne, dit nog
gezamenlijk met deze groep doen. Wanneer U echter daar voor om de één of andere reden
geen tijd meer voor heeft, mag ik U dan verzoeken om met het woord van deze laatste
spreker ook de materie, behandeld in de hele cursus, nog eens goed door te lezen? Haar goed
te overdenken? Wij hebben veel waardevols gegeven en veel gedachten. Deze gedachten en
waarheden, zoals wij die zien, zijn een leidraad, die U naar God voert, zoals wij Hem kennen.
Zoals wij Hem menen te zien. Gij moet Uw eigen weg zoeken, maar wij zijn allen gezamenlijk
deel van God. Wij zijn gezamenlijk "God's Lichaam", dat geloof ook ik. Gij hebt Uw eigen
plaats binnen God en de wereld. Vrienden, ik zal om aan de tweede spreker een redelijke tijd
ter beschikking te laten, nu gaan eindigen. Echter nog één ding. Dat moet mij nog even van
het hart. Het is ons drieën, die hier als eerste sprekers voortdurend samen gewerkt hebben in
deze cursus, een vreugde geweest, dat zo velen in staat zijn geweest om tot het einde toe vol
te houden. Het is voor ons een nog grotere vreugde, dat onze woorden bij enkelen een nieuw
begrip van het Goddelijke en de Goddelijke Waarden hebben mogen wekken. Mag ik U dan
danken hiervoor? U danken, dat U ons in staat stelt om zoveel prettig werk hier te verrichten.
Mag ik U danken voor de moeite, die zovelen onder U zich toch ook gegeven hebben om
geestelijk mee te streven naar een bewustwording, die ook wij gevoelen als een noodzaak in
ons en in U, voor dat wij verder kunnen gaan. Wanneer wij elkaar weer spreken - af spraken
daaromtrent kunt U maken met de tweede spreker - behoeft U niet bang te zijn, dat ik weer
met dankwoorden aan kom dragen. Maar het is goed om het eens te zeggen: Wij zijn
dankbaar, dat het ons mogelijk wordt gemaakt om dit werk te doen en wij zijn heel erg
dankbaar, dat wij er begrip voor mochten vinden. Dat, mijne vrienden, is voor vanavond dan
mijn laatste woord. Het laatste woord ook gedurende de officiële cursus. Wanneer U mij hier
weer ontmoet, dan is dat in een ietwat vrijere positie, daar ik dan niet meer gebonden ben aan
het afhandelen van een zekere leerstof en materie binnen een bepaalde tijd. Ik zal dan niet U
gaan spreken over die dingen in het Goddelijke en de Goddelijke Wetten, die m.i. zo belangrijk
zijn, dat wij er niet genoeg over kunnen denken en spreken. Ik dank U voor Uw aandacht,
opmerkingen en vragen, ook aangaande het nu gesprokene, verzoek ik U te richten tot de
tweede spreker. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Ik mag dan vandaag voor U het tweede gedeelte leiden. Ik moet natuurlijk beginnen met te
vragen, wat is Uw reactie op ons voorstel, wat voor bijzondere wensen heeft U?
Alle aanwezigen hier zullen gaarne nog een voortzetting van die cursus meemaken, met drie
avonden dan. In Juni, in Juli en September de tweede Donderdag. In Juni, wanneer valt dat?
Nog altijd voor de 15e? Dan zouden wij nog - mits goedkeuring Uwerzijds - ook op deze avond
een experiment in kunnen lassen in het tweede gedeelte, zoals wij dat reeds bij een andere
groep hebben gedaan en nog bij een andere groep gaan doen. Het betreft hier n.l. het meer
doorgronden van meer persoonlijke problemen en vragen en het gaat ons eerlijk gezegd
hierom, een klein beetje inzicht te krijgen in de manier, waarop wij dit eventueel aan zouden
moeten pakken. Dus het wordt door verschillende van onze sprekers gedaan. Ik geloof wel
dat, wanneer U dit goedkeurt er weer een andere spreker dan bij de andere malen zoudt
komen om met degenen, die a.h.w. er met hun notitieboekje klaar staan, Uw reacties en de
mogelijkheden ervan te bestuderen. Voelt U er iets voor om in zo'n geval als proefkonijn dienst
te doen, of vindt U dat beter van niet?
Is er iemand, die er bezwaren tegen heeft? Geen bezwaren?
Geen bezwaren. Ja, U moet zo rekenen, als U met een probleem komt van persoonlijke aard,
dan krijgt U ook een antwoord zo goed als wij dat kunnen geven. Maar het is voor ons een
studieobject en vóór 15 Juli moeten wij daar dan ook precies weten, wat wij kunnen en willen
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

doen, omdat wij dan verder met het Bestuur overeen kunnen komen, hoe dat in een vorm
gegoten kan worden. Dus dat is dan afgehandeld. Eens kijken, heb ik nog meer punten te
behandelen? Neen, geloof ik. Dan is het thans aan U om een eigen onderwerp te stellen, zo
mogelijk met een kleine belichting erbij. Is er iemand, die zoiets heeft?
Een onderwerp heb ik niet, maar mag ik even terugkeren op het betoog van de vorige
sprekers?
Ja zeker, ja zeker.
Degenen, die opende heeft een ander geïntroduceerd die sprak over zijn ondervinding van
het Goddelijke in hem en buiten hem. Hij sprak er ook over, dat God geen wetten had.
Maar de andere spreker, terugkomende, sprak wél over de Wetten God's. Mag ik daar even
een uitleg van hebben?
Zeker. Kijk eens, God in Zich ís. Daarom bestaan er voor God geen wetten. Het zijn in Zichzelf
als volmaaktheid, houdt in een afwezig zijn van elke verandering of beweging. Er kan dus nooit
van een wet gesproken worden, maar alleen van een toestand. Dat kunt U waarschijnlijk
volgen? Wanneer wij echter nu niet deze eenheid, niet het Goddelijke kunnen ervaren, dan
zullen de eigenschappen, dus de wezens trekken of de toestand - hoe U het wilt uitdrukken -
van God, zich in vele facetten ons voordoen als wetten, waarbinnen wij moeten blijven en
waardoor wij gelijk worden. De spreker in kwestie - hij is één van mijn leermeesters, ik moet
voorzichtig zijn, wat ik zeg, ik mag niet op het bord schrijven: Meester is gek, dat gaat niet,
maar de meester van ons, die heeft het punt, wat voor ons realiteit is, allang overschreden en
wanneer hij zijn stellingen uit, dan is het het hoogst mogelijke Godsbegrip, dat wij kunnen
benaderen, maar dat kan voor ons alleen nog maar een redelijk aanvaarden worden. Wij
kunnen niet gaan zeggen: hoe zullen wij dat nu eens toe gaan passen? Want dat blijkt
onmogelijk. Maar wij kunnen begrijpen, dat hij dit zo in feite voelt. En dan houden wij voor ons
zelve toch maar heel rustig vast aan de wetten en aan de waan, die nu eenmaal ons leventje
uitmaakt in onze sfeer, in ons bewustzijn, alles. Zolang wij daaraan vasthouden, dan wordt
voor ons het Goddelijke wel degelijk kenbaar in een wet, d.w.z. in een regel, die wij niet
kunnen verstoren, die wij niet kunnen overschrijden en die overal in de Schepping gelijkelijk
tot uiting komt. Zeg je: die Schepping is waan, alles is één vaste toestand, ja, dan zeg je, dan
is er geen wet. Dan is er alleen maar een toestand. Maar zolang als ik niet in die toestand
verkeer, dan geloof ik mijzelf toch gerechtvaardigd te mogen nemen, wanneer ik dan die
wetten, die voor mij bestaan dan maar aanvaard en er heel sterk rekening mee houd. Dus het
is hier een heel ander gezichtspunt. Het materiaal, dat naar voren werd gebracht - dat zult U
ook gehoord hebben - was uiteindelijk voor ons materiaal, waarmee de cursus moest worden
afgerond. Dit houdt dus in, dat dit dus a.h.w. de topfase is, dit was de hoogste fase, die voor
ons nog begrijpelijk was. Begrijpt U? Begrijpt U daar nu iets minder van, dan behoeft U daar
heus geen hard hoofd in te hebben.
Ik heb U die vraag gesteld.
Ja, ik weet zelfs voor wie.
Ik kan mij voorstellen, dat een mens in de stof en een mens achter de sluier zich zelve ook
nog wetten stelt. Dat neem ik direct aan, want wij stellen ons hier ook een wet, al is het
maar een wet in jezelf. En degene, die tot ons sprak, die was daar al bovenuit gegroeid,
omdat hij bijna het Goddelijke benaderde.
Ja bijna, nog niet helemaal.
Neen.
En daar zit nu juist de knoop. Zou hij het helemaal benaderen, dan zou hij niet tot ons kunnen
spreken. Dan zou hij misschien juist dátgene weten, wat voor ons op het ogenblik nog
onbegrijpelijk is.
Wij kunnen ons een toestand, zonder dat wij ons een wet stellen, nog niet aanvaarden. Het
zou ook niet juist zijn, geloof ik.
Neen, dat zou zeker niet juist zijn.
Wij zijn nog aan wetten gebonden en daar moet je boven zien uit te groeien naar het
Goddelijke.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

Maar door de wet kun je pas het bewustzijn verwerven, waardoor de wet op Zichzelf wegvalt,
nietwaar?
Ja, dan is het ook geen wet meer.
Dan is het juist: zijn.
Ik ben blij, dat wij het onderwerp nog even aangeraakt hebben.
Ja, dat is altijd heel prettig, beter, dat wij té duidelijk zijn, dan te vaag en uit de aard der zaak
is vaagheid toch iets, waar wij heel vaak in verzeild raken, niet omdat wij het prettiger vinden,
of zouden willen, maar omdat wij...
..... stoffelijke woorden beperkt zijn?
Omdat, wat wij willen zeggen, niet zó te zeggen is met de woorden, die wij hebben om het te
zeggen.
Wij moesten eigenlijk gedachteoverdracht hebben.
Wat voor sommigen ook wel al ontwikkeld is. En dat is maar goed ook. Want iemand, die de
gedachten in de geest, dus het beeld kan vangen, die heeft het woord niet nodig. En die voelt
uit de aard der zaak de finesses veel beter aan. Als ik U een geraamte laat zien en ik zeg U:
Daar staat een mens en die ziet er blozend en gezond uit en U ziet alleen maar dat geraamte,
dan is het onmogelijk om U dat voor te stellen. Zo gaat het met onze leringen ook vaak. Wij
kunnen het geraamte wel tekenen, maar hetgeen, wat er leven, vorm en betekenis aangeeft in
onze ogen, is net vaak iets te etherisch om dat onder woorden te brengen. Ja, dat is nu
eenmaal een handicap en daar moet je over heenkomen, wat wij dan ook ijverig proberen.
Dank U wel voor de uitleg.
Dan zal ik ook maar zeggen, dank U wel voor de vraag dan. Is er misschien nog iemand die
wat op tafel te brengen heeft? Onderwerp of vragen?
Mag ik U een vraag stellen? Wij hebben als mens de gave mee gekregen om ons iets voor
te stellen. Wanneer wij ons iets voorstellen, dan doen wij dat in ons zelf en als wij het
projecteren is het een waan. Nu was die spreker voor mij ook onduidelijk, omdat hij sprak:
Er is wel een God in je, maar geen God buiten je. Er is wel degelijk God buiten ons, want
als Die er niet was, zou je je geen God voor kunnen stellen.
Weer dezelfde moeilijkheid. Op het moment, dat U spreekt van een God buiten U wordt Hij
beperkt door de voorstellingsmogelijkheid die U bezit en is die God dus niet meer. God, maar
een waanbeeld. Misschien dat U hieruit al begrepen hebt, waar de knoop zit. Wij zijn deel van
God en als deel van God, kan er buiten ons geen God bestaan. Maar om dat wij ons van dat
"deel zijn" nog onvoldoende bewust worden, gaan wij zeggen dat er buiten ons een God is. Als
U alleen in een kamer bent en U wilt iemand zien, die er niet is, dan is het gunstigste nog dat
U voor een spiegel gaat staan alsof hij er is, maar zelfs dan is het beeld nog gespiegeld en is
links rechts geworden en omgekeerd. En dat gebeurt dan ook, zelfs wanneer wij in de meest
volmaakte vorm ons God buiten ons zelf voor zou stellen. Maar in het begin hebben wij dat
nodig, want als je helemaal alleen in die kamer bent en je weet niet eens, wat jezelf bent, of
hoe je er uit ziet, dan zou je waanzinnig kunnen worden. Daarom moet je beginnen met je een
voorstelling van God te maken. Maar nu is het erg verstandig om erbij te zeggen: ik wil dan
wel geloven, dat dit een deel van God is, maar ik wil niet zeggen, zo is God, en anders niet.
Want wat ik mij voorstel als zijnde God, kan dit niet zijn. Als ik daarmee nu maar begin, dan
komen wij later wel tot een conclusie: er is geen God buiten mij, er is alleen maar de God,
waarvan ik deel uitmaak, dus Die in mij is. Als je zover bent gekomen, dan ben je een aardig
op weg. Maar je moet één fout niet maken, hoor. Als de meester uit de eerste klas een jongen
uit de hoogste klas brengt, nietwaar, en die, laat hij nu eens demonstreren, wat hij kan, vindt
U het dan logisch, dat die kinderen van de eerste klas proberen net zo te doen als die jongen
van de zesde. Dat kunnen ze toch niet. Zo gaat het met U ook. Het is misschien wel goed, dat
zij weten, wat die jongen uit de zesde klas wel allemaal kan, want dan kunnen ze in ieder
geval zien, wat voor doel het heeft, dat ze nu nog in de eerste zitten? Dat is eigenlijk ook een
klein beetje het doel van de demonstratie. Om U te tonen, waar U heen moet groeien en zult
groeien. Dus als U op het een god buiten U hebt en U wilt daarin geloven, doe het rustig, hoe
dichter U bij die God denkt te komen, hoe meer die God verdwijnt en hoe meer daarvoor een
andere waarde in jezelf komt. Dit is nodig, dat je dit weet, want anders zou je op een gegeven
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

moment denken, dat God je verlaten heeft. Dan blijf je naar buiten kijken en dan luister je
binnen in niet. Daar gaat het om. Is het probleem wat helderder en duidelijker? Als je het niet
vindt, mag U het zeggen, hoor.
Ik ben erg blij, dat U het zo nog belicht hebt. Maar toen Jezus aan het kruis hing, riep Hij
toch: Vader, waarom hebt Gij mij verlaten? Hij had toch een God buiten Zich.
Ja natuurlijk. Hij had volgens menselijke voorstellingen een God buiten Zich, maar stel je nu
allen eens voor, dat Hij in de intensiteit van Zijn Gedachten zo zeer de waan van de tijd, van
wat er zou gebeuren eigenlijk zich had vast gedacht, dat Hij het contact met die God in hem,
dit deel van God-zijn was kwijtgeraakt. Dan heb je precies hetzelfde. Dus, dat hoeft niet een
God buiten Hem geweest te zijn.
Maar als wij bidden, dan zullen wij dat toch doen tegenover een God, die buiten ons staat.
Ja zeker, over dat bidden is ook al eens gesproken. Bidden is heel goed, maar bidden is in
hoofdzaak eigenlijk in jezelf realiseren, wat je voor jezelf noodzakelijk acht. Want God is er
altijd en God geeft altijd, wat er nodig is. Alleen zoals het volgens het Goddelijk beeld juist is
en niet zoals het volgens Uw voorstelling, Uw waan juist is. Daar zit dan weer dat lelijke,
knoopje.
Bidden is toch meestal egoïstisch.
Ook dat, soms is het zelfs zeuren. Maar per slot van rekening is het zelfs maar beter, dat een
mens egoïstisch bidt, dan dat hij helemaal niet bidt. Maar ja, het beste bidden volgens mij is
rustig te wachten of God nog wat tegen je te zeggen heeft. Of je er misschien een ogenblikje
contact met God kunt krijgen, zonder vragen. Dat is ook bidden namelijk. En soms kun je dat
ook noemen door, aan het werk te gaan. Er is vroeger eens een heel eenvoudige monnik
geweest, die werd aangesproken door wat superieuren en andere broeders, en die zeiden
tegen hem: "Broeder, waarom kom je zo weinig in de kapel? Je bidt zo weinig. Toen zei hij.
Weinig bidden? Elke vork mest, die ik verzet is, een gebed". "Dit kan niet". "Ja," zei hij, " maar
ik doe het ter ere Gods en om God's werk te volbrengen en dan houd ik verder mijn mond en
dan heb ik best zo'n idee, dat God mij hoort, en soms lijkt het mij wel, dat ik God hoor". En
toen zeiden zij: "Broeder, zeg dat nu niet weer, want dat is hoogmoed, anders wordt je het
klooster uitgetrapt". Toen hield hij zijn mond, omdat mensen nog niet zo zijn als God, die
begrijpt, wel wat je zeggen wilt, al voor je het zegt desnoods. Ik geloof, dat die broeder gelijk
had. Wanneer wij leven met de bedoeling, om in dit leven het Goddelijke zoveel mogelijk tot
uiting te brengen, wat door ons geuit kan worden, dan geloof ik, dat wij het beste een gebed
uit kunnen spreken. Dan hoeven wij niet verder meer te bedelen en te zitten jeremenieëren, te
zitten zeuren, nietwaar, dan kunnen wij zeggen, als wij rust hebben. God, wij hebben nu
zoveel gedaan en wij hopen, dat het U aangenaam is geweest. Hier zitten wij, heeft U wat te
vertellen, vertel het dan maar.
Plastisch uitgedrukt.
Het is plastisch uitgedrukt, natuurlijk. Maar per slot van rekening is Uw wereld nog een wereld,
waarin de plastiek nog zeer veel te vertellen heeft. Als U denkt, dat het niet zo is, let U dan
maar eens op de jongelui. Die houden zich soms meer met de plastische uitdrukkingen van
hun eigen wezen en van de wereld bezig dan met de interne en intense waarden daarvan. Nu,
jeugd gaat ook voorbij. Maar uiteindelijk hoe plastischer wij de zaak uitdrukken, hoe
duidelijker het wezen zelve tot uiting komt. Je kunt dat heel hoog en edel gaan zeggen. Maar
dat is één van de dingen, waarvoor wij bang zijn. Weet U waarom? Als je de dingen zo erg
verheven zegt, dan vergeten de mensen, dat zij grond onder de voeten hebben. Dan denken
zij zelve zich reeds lustige, engeltjes, die van wolkje naar wolkje dartelen en "Hallejuja"
zingen. En zeg je het een klein beetje plomper, dan grijnzen ze misschien van binnen, of ze
ergeren zich een keer, maar dan kunnen ze in ieder geval realiseren, dat het zo nog niet is.
Dat het misschien zo eens een keer zal worden. Daar gaat het om. Dat is het gevaar van een
goede redenaar. Die voert tijdelijk zijn toehoorders op tot zijn eigen peil, of misschien neemt
hij ze naar beneden, dat ligt eraan, wat voor redenaar het is. Maar wanneer dit nu een hoger
peil is geweest, dan zijn de aanwezigen meestal maar al te graag, geneigd om aan te nemen,
dat dat peil, dat gedurende die rede werd bereikt, hun eigen peil is geweest. Dan zijn het
kinderen, die op het stoepje staan en denken, dat ze al zo groot zijn, als ze naar de straat
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

kijken, één stap wagen en ze op hun neus liggen. Dat vind ik altijd belangrijk om dat een
beetje te voorkomen. Ja, dat is het betreffende plastiek.
Mag ik nog even vragen, aangaande dat bidden? Wij groten weten, hoe wij moeten bidden.
Zoals U dat heeft uitgelegd, daar kan ik het volkomen mee eens zijn. Maar hoe leren wij
een kind bidden? Een kind heeft geen begrip van het Goddelijke, zoals wij dat geleerd, of
van huis uit mee gekregen hebben
Neen, dat brengt met zich, dat één van de beroerdste dingen, die je kunt doen is: je kinderen
leren bidden door hen te zeggen: bid zus en zo. De meeste mensen leren de kinderen bidden
op een manier, die een gevaar betekent, dat het kind God gaat zien als een soort hemelse
Sinterklaas, aan wie je elke avond alles kunt vragen, in plaats van alleen maar een
verlanglijstje te maken tegen 5 December. Dat wordt natuurlijk dan een hele foute instelling.
Ik zou het kind willen leren bidden door het te spreken over de Schepper. Dat dan maar heel
simpeltjes. Zo in de stijl van: Zie je dat allemaal? Dat heeft God nu allemaal gemaakt. Dan
mogen wij God eindelijk wel dankbaar zijn. Die God is toch wel een heel lieve Meneer. Als je
het van die kant bekijkt en je leert het kind om zo nu en dan eens te zeggen: Dank U wel,
God. Ik geloof, dat je dan heel wat dichter bij het ware bidden bent gekomen met het kind,
wanneer je ze een formuletje leert. U weet wel: zo van Onze Lieve Heertje zegen mijne
nachtrust, behoedt mij voor de zware dromen en bescherm mij tegen de duveltjes, die komen
en zorg voor Opa, Oma, tante Mies, Ome Henk en tante Jet en mag ik alstublieft een
Teddybeer? Heus, een dergelijk bidden van een kind is heel lief en aardig. Maar het belemmert
ze vaak later om redelijk te leren bidden, want bedelen wordt op de duur een gewoonte. Het
lijkt je zo gemakkelijk, dat je door blijft bedelen, ook al krijg je 9 van de 10 nul op het request.
Het is juist, dat leren vragen en bedelen tegen God, in plaats van Hem voor zijn gaven te
danken, dat van zo veel volwassenen mensen bedelaars maakt tegenover God en ook tegen de
wereld. Ook al geeft men dat voor Zichzelf niet graag toe. Dat zijn de mensen, die bij voorkeur
zeggen: dat moet de regering doen, en als buurman nu zijn straatje eens zou schrobben, dan
zou ik het mijne ook wel gaan schrobben. Zij mopperen: moet je nu toch eens zien, wat die nu
weer heeft gedaan. Ik wou dat de wereld enz. Die houding komt heel vaak uit dit soort van
bidden voort. Wanneer er iets niet in orde is, vraag het dan maar aan God. Neen. Dan moet je
aldoor maar naar de slechte dingen kijken om te weten, wat je vragen moet. Beter kun je
kijken naar alle goeds, wat God gegeven heeft. Dan ben je dankbaar en gewoon voor jezelf te
zorgen. Wanneer er dan een straatje geschrobt moet worden, zeg je tegen jezelf: Het is
vandaag een mooie zonnige dag. Kom, laat ik mijn straatje maar eens gaan schrobben en dat
stukje van buurman zal ik dan meteen ook maar even meenemen. Op die manier zal het altijd
veel beter zijn. Leer dus een kind een begrip krijgen over God. Stop het kind niet vol met
stellingen en dogma's. Leer het over God zo eenvoudig mogelijk, zo kinderlijk mogelijk. Vertel
voor mijn part in het begin over een Meneer, die God heet en in de hemel achter de wolken
woont. Die Meneer heeft de wereld gemaakt met een hele hoop prettige dingen er in. Wij zijn
blij, dat wij er mogen wonen en daarom is het verstandig om beleefd te zijn en "dank U" tegen
Hem te zeggen. Dat lijkt mij voor het begin een heel goede manier van denken en bidden. Als
er iemand is, die het niet met mij eens is, dan wil ik hem graag van repliek dienen.
Zo dat waren dus de kinderen. Is er nog meer bij? Of zijn wij er al door? Dan krijgt U van mij
als slot nog een kleine predicatie. Dat gaat n.l. ook weer zo'n klein beetje over hetzelfde. Wij
hebben nu aldoor over God gesproken en over de noodzaak van het bidden. Nu heb ik zo-even
gezegd: Bidden is eigenlijk je eigen behoeften voor jezelf uitstallen. Zo is het eigenlijk altijd in
ons leven. Ons leven in de stof, of wanneer wij in de sferen zijn, is eigenlijk niet veel anders
dan een uitstallen van hetgeen ons ontbreekt. Ons valt nooit op, wat wij hebben, maar alleen
dat wat wij niet hebben. Daarmee maken wij dan heel vaak de grote fout, dat wij alleen ons
gemis belangrijk gaan achten, of alleen maar letten op onze tekortkomingen. Toch is dat niet
juist. Natuurlijk, wij moeten proberen om steeds beter en steeds groter te worden. Zoals je
biddende kunt zeggen: God, ik dank U, dat Gij mij dit hebt gegeven, maar dat zou ik er graag
nog bij willen hebben. Ik zal dus beginnen te proberen dat zelf te bereiken. Ik begin en als God
mij daarbij helpt komt het best in orde. Zo zou ik graag willen zien, dat de mensen het leven,
de bewustwording ook bewust meemaken. Ik heb het zelf. Met een harde les moeten leren.
Het is niet prettig om ie zien, dat de tekorten, die je altijd zo op de voorgrond hebt gesteld, je
belet hebben om het goede van het leven te zien en je verhinderd hebben de moed te vinden
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

om zelf dat leven te verbeteren. Iemand, die verzekerd op zijn rijkdom neerziet wordt juist
daardoor gestimuleerd om op een rustige, en zekere wijze met die rijkdommen te gaan werken
en hen op redelijke wijze te vermeerderen. Maar hoe onzekerder de mens wordt en hoe
minder hij zich voelt opgewassen tegen de invloeden van buiten, hoe minder hij zich ook
bewust is van zijn eigen vermogen en reserves. Hoe groter dan ook de kans wordt, dat hij
door zenuwachtigheid en pessimisme inderdaad niets bereikt.
Laat ons niet spreken over hetgeen wij missen. Laat ons spreken over al, wat wij hebben.
Laten wij een lijstje opmaken, waarin wij zeggen: Ik mens, - of - ik, geest, heb dit allemaal
gekregen van het leven. Dit bezit ik allemaal, dat is allemaal van mij. Hier heb ik mijn kostbare
herinnering en daar wat ik nu nog kan en mag doen. Wat is dat eigenlijk veel, wanneer je het
allemaal samen neemt. Zo rijk ben ik dus, zeker. Ik had het nog anders willen hebben, maar
met de rijkdommen die ik heb, kan ik ook heel wat doen. Laat ik dan die rijkdommen
gebruiken om nog wat rijker te worden. Laat ik die rijkdommen bovendien zó gebruiken, dat
niet alleen ik er iets van verdien, maar dat anderen ook een graantje mee kunnen pikken. Het
klinkt U misschien heel egoïstisch, maar het is de meest logische.
Op zo'n manier denkend iets van je leven en jezelf maken is n.l. ook bidden. Dan ga je
zeggen: Dat heb ik nu weer gekregen. Zeg nooit: Dat heb ik verdiend, verdiend hebt U feitelijk
niets. Alleen het feit dat U leeft is in geen honderd jaren met heel veel daden af te betalen. Het
leven alleen is al onbetaalbaar. U heeft het gekregen en met hetgeen U gekregen heeft, moet
U proberen om winst te maken. En met zoveel mogelijk winst. Maar dat kunt U ook alleen
maar, wanneer U ook weet, wat U in kas heeft. Dan weet je werkelijk, waar je aan toe bent.
Dan kun je zeggen: zover heeft het leven mij gebracht.
Kijk, dat is nu het woord, de gedachte, die je steunt, wanneer je ziet, wat er nog voor de boeg
is. En heb je zo je rijkdommen eens bekeken, dan kun je rustig zeggen: Dat wil ik nu hebben.
Dat heb ik nu nodig. En zeg dat dan ook maar rustig tegen God. Zeg dan: Heer, dit heeft U mij
allemaal gegeven. Help mij nu ook om er zover mee te komen, dat ik er dit en dat mee bereik.
Maar wees dan ook zo verstandig om er bij te zeggen: Niet door een wonder, maar door het
leven, dat U mij gegeven heeft, wil ik dit bereiken En zeg er dan ook bij: Ik overzie het
misschien niet volledig, God, maar niet mijn, maar Uw Wil geschiedde. Als je die woorden erbij
kunt gebruiken en ze eerlijk menen tijdens het opsommen van je rijkdommen, dan is het het
mooiste gebed, dat er bestaat. Ik meen, dat wij allen - stof en geest gelijk - juist hier in nog
wel eens falen. Wij zien zo weinig, wat wij hebben en zoveel, dat wij willen hebben. Laten wij
daar maar eens voor een keertje proberen verandering in te brengen. Nu, dat was dan de
zedenpreek. Iets, waar ik misschien niet direct het figuur en de stem voor heb, maar het is
een preekje, dat uit het diepst van het hart komt, dat ik op het ogenblik in beslag neem. Ik
kan niet zeggen: mijn hart, want in mij klopt geen hart meer. In mij pulseert de Kracht God's.
Dat hart is eigenlijk ook een deel van de Kracht van God. Maar het klinkt wat beperkter en
persoonlijker. Daarom zullen wij het daar maar uit laten komen. Het brengt ons een beetje
dichter bij de gezelligheid en de gemoedelijkheid, die zo vaak dienstig is om de waarheid een
klein beetje dichter bij ons te brengen. Wanneer wij het zo allemaal doen, al is het maar voor
een paar dagen, dan denk ik, dat wij een hele sprong verder komen. Alleen al, omdat wij dan
weer de moed hebben om weer eens flink aan te pakken. Dus niet denken of zeggen: dat ging
niet, dat werd mij ontnomen en dat werd mij ook al niet gegeven. Foei. Ik ben eigenlijk
helemaal niet uit het goede hout gesneden voor een zedenpreker. Maar goed. Het was mijn
toespraakje. Wanneer U nu niets meer te berde te brengen heeft, dan ga ik heel rustig het
woord over geven aan de laatste spreker, die ongetwijfeld zal gaan zondigen tegen mijn
voorschrift om niet al te mooi te spreken. Daarvoor is hij het Schone Woord. Enfin. Het is niet
erg, als je even een sprongetje maakt van de grond weg. Als je maar zorgt, dat je bij het
neerkomen weer op alle twee je voetjes terecht komt. Wat dat betreft, mijne broederen en
zusteren, niet té dartel. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

Wij zullen thans deze bijeenkomst gaan besluiten met een meditatie. Onderwerp naar Uw
eigen verkiezing. Welk onderwerp zoudt U dus graag deze avond hiervoor in aanmerking zien
komen?

GEBED
Ik bid. Ik stel mij voor, dat mijn stem draagt tot ver achter de wolken, tot ver achter de
sterren en komt tot voor de troon van een daar zetelende God. Maar hoe kan die gedachte,
hoe kan dat woord zo ver doordringen? Ik zou de weg na moeten zoeken, die het gebed is
gegaan. Dan vind ik, hoe het bewustzijn is gegaan van mijn bewustzijn naar mijn
onderbewustzijn en vandaar naar mijn geest. Hoe dezen allen, mee smekende het hebben
doorgegeven door alle sferen van mijn wezen. Tot het gebed is gekomen tot in de kern van
mijn wezen. En daar staat de troon, die ik mij zo ver achter de sterren heb gedacht. Ik bid. Ik
spreek tot mijn God. Het lijkt wel, of de woorden steeds weer in grote stromen ontspruiten aan
een gekweld bestaan. Ik kan niet zwijgen.
Ik spreek en ik spreek en ik spreek en ik spreek en vind, dat mijn gebed onverhoord blijft. Het
lijkt mij of de woorden in de ledige ruimte, zijn geslingerd. Of zij, afkaatsend van de troon van
de Oneindige, weg Zijn gevallen als sterren, die een ogenblik opblinkend in het Al, al gauw
verbleekten. Mijn wensen, mijn gebeden om hulp, mijn verwachtingen lijken soms wel door
Geel verworpen te worden. Maar hoe kan dat zijn? Want God zetelt in mij. Ik heb wel gebeden.
Ik heb tot God ge sproken. Maar heb ik ook God tot mij laten spreken? Maar God is toch de
kracht, die in mij leeft? Die moet ik toch tot mij laten spreken? Hoe kan ik dan tot die God
spreken zonder te luisteren? Hoe kan ik dan met een groots gebaar spreken en danken en
verder doen, of die God mij niet bereiken kan? Wat een dwaze verwaandheid gaat er vaak
schuil achter een gebed. Te denken, dat jij wel door kunt dringen tot God en God niet tot jou,
zoiets van: Ik behoef niet te luisteren. God geeft toch geen antwoord. Of een valse
nederigheid: God zal zich zeker niet bekommeren over een onbelangrijk mens, dat voor Hem
uit eindelijk niets is. Maar hoe kan dat? Wij zijn toch deel van de, Goddelijke Schepping? Hoe
kan er dan een moment zijn, dat wij voor God niet belangrijk en waardevol zijn? Neen. Ons
gebed wordt al gehoord en verhoord lang voor het uitgesproken werd. Want lang voor het be-
wustzijn in ons gerezen is, de wens is op gekomen, heeft de Kracht, Die alles leven geeft, Die
met elke ademhaling ons doortrilt, Die al tijd weer onze werkelijkheid en ons bestaan
uitmaakt, geweten, wat er komen zou en reeds volgens Zijn Wezen over de vervulling ervan
beslist op de wijze, die past bij, wat voor ons nog onze wereld is, bij wat wij zijn. Wij weten
eigenlijk al deze dingen. Maar al te vaak lijkt een gebed ons een hopeloze onderneming.
Behalve, wanneer de nood hoog komt, wanneer wij niet meer weten, waarheen wij gedreven
worden, of waarheen wij gaan, dan ontsnapt ons toch weer het gebed: God, sta ons bij. Dan
roepen wij toch tot God, zelfs wanneer wij altijd gezegd hebben, dat wij niet aan een God
geloven. Waarom dan dat gebed? Zou het niet zijn, omdat wij God erkennen als een factor in
ons bestaan ondanks alles? Omdat wij innerlijk weten, dat God ons wezen uit maakt? Dat wij
alleen maar een deeltje van het Goddelijke zijn, dat een tijdje in een schijnbare vrijheid rond
dwarrelt en werkt. Dat gebed uit nood is alleen een vraag aan het Goddelijke: God, ik ben toch
deel van U? Daar komt het eigenlijk op neer. Een wens en een poging tot vluchten zijn er in
verborgen. Die wens tot vluchten is vooral uit de stof geboren. Maar wanneer de geest mee
bidt, wanneer de geest ze mee voelt, biddende en slingerende de gedachte tot in de diepste
kern van het eigen wezen, treffende de diepste, Goddelijke kern daarin, dan is het een
erkenning God's. Daarom lijkt het mij goed te bidden. Het gebed is niet alleen een smeekbede,
het is niet alleen een danken zonder meer. Het is een erkennen van God. Het is een ogenblik
terug keren tot iets, dat in ons wezen de, werkelijkheid uitmaakt. Daarom is een oprecht
gebed zo iets hoogs en zo iets heiligs. Wanneer wij bidden, laten wij dan maar rustig vragen
om stoffelijke dingen, wanneer zij nodig zijn. Laat ons rustig onze wensen en problemen voor
God uitstallen, evenals wij onze weelde, onze rijkdommen hebben uitgestald. Laat ons
dankbaar zijn en tonen wie wij zijn. Laat ons dan ten minste tegenover God geen masker
opzetten. Laten wij God erkennen, waar wij ook denken, dat Hij woont, wie wij ook denken,
dat Hij is. Want hoe zouden wij kunnen leven als er geen God was? Ieder bidt op zijn wijze.
Eens was er Eén, die bad: Vader, Gij die woont in de hemelen, zowel als op aarde. Ik zou op
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 8 – 12 mei 1955

mijne wijze kunnen bidden. Een gebed met U tezamen spreken misschien. Dan zou ik moeten
zeggen: God, Kracht, waarvan ik deel uitmaak, uit het diepst van mijn wezen erken ik U. Gij
zijt het Enige, het Ware en het Werkelijke. Daarom dank ik U voor al, wat ik ben. Daarom
vraag ik U, laat mij blijven, wat ik ben, of maak mij groter en beter. Laat Mij meer en meer
één worden met Uw Wezen, tot ook aan mij vervuld wordt de belofte, dat ik ben Uw beeld en
gelijkenis. Want God, al valt het ons moeilijk om aan U te geloven, al trachten wij maar al te
vaak U te determineren, wij kunnen zonder U niet bestaan. Daarom, heers over ons, zoals Gij
altijd hebt geheerst en wees gedankt voor Uw heerschappij. Laat ons Uw paden gaan.
Wanneer het nodig is, leidt ons. Wij zijn van U en van niemand anders. En daarachter aan
kunnen wij zeggen, wat achter zo menig gebed wordt gezegd: Amen. Wij kunnen zeggen: Het
zij zo.
Moge God ons leiden. Dan kunnen anderen zeggen, dat wij dwazen zijn. Men kan over ons
lachen en ons honen. Maar zij, die lachen en honen zijn dan de werkelijke dwazen. Want wij
hebben God erkend. Wij hebben de grootheid erkend, waar ook wij in thuis horen. Wij zijn
verheven en ook in onze eigen ogen geworden tot Kinderen des Lichts, Kinderen God's. Het
gebed is ons een paspoort tot de eeuwigheid. Dit moet het einde zijn. Een einde, dat misschien
wat kerks heeft aangedaan, omdat ik sprekende over het gebed, niet zonder gebed kon
eindigen. Maar ik herkende mijzelf in U en in U de kracht, die ook in mij leeft. Laat ons dan
voor elkander bidden, opdat wij niet het gebed vergeten, dat de verheffing is boven de,
beperking van ons eigen wezen en een bewustwording van de grote werkelijkheid, waarin wij
thuis horen en ook eens bewust herboren zullen zijn.
Ik dank U voor Uw aandacht en geef U het medium vrij.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

LES 9

Goeden avond, vrienden,
Wij zullen dan vanavond, eigenlijk voor het eerst, de cursus met elkaar gaan bespreken. Het
tweede gedeelte brengt U de gelegenheid, zoals reeds was afgesproken, tot het stellen van
meer persoonlijke vragen. En nu lijkt het mij toch wel gewenst, dat wij onderling even
vaststellen, welke punten wij vanavond bespreken. Ik heb beschikking over enig illustratief
materiaal ook, wat ik ook nog wel naar voren zal brengen. Maar vertelt U eerst eens: welke
punten uit de nu afgelopen cursus vindt U de belangrijkste en wilt U nog graag bespreken. Wij
hebben twee gebieden n.l. die allebei nog verdere belichting verdragen. Wij hebben dat ook de
vorige keer reeds gezegd. Het ene is n.l. De Goddelijke Wetten, het tweede gaat over het
Goddelijke Zelf en de verhouding, die wij zelf tot het Goddelijke hebben. Welke van die punten
vindt U het meest interessant en welke onderdelen daarvan zoudt U graag besproken zien
vandaag? Is er iemand, die daar een voorkeur voor heeft?
Ja, ik heb wel enige voorkeur voor de Goddelijke Wetten.
Nu, dat is dus Goddelijke Wetten. En welke wetmatigheden zoudt U nader belicht willen zien?
Weet U dat ook, of..........
Ja, U heeft de wet van gelijkmatigheid, weet U wel?
Ja, dan weet ik al ongeveer, welke richting wij dus uitgaan. De wet van gelijkmatigheid, wet
van evenwicht. Dat zijn dan de twee punten, waar wij op het ogenblik op terecht moeten
komen. Wij moeten ons goed realiseren, dat in het Goddelijke altijd een absoluut evenwicht
gehandhaafd moet zijn. Wanneer dit evenwicht op houdt te bestaan als geheel, dan is de
volmaaktheid van het Goddelijke verloren en bestaat het als zodanig niet meer volmaakt. Dus,
mijne vrienden, wanneer wij dan spreken over Wetten van gelijkmatigheid, over Wetten van
evenwicht en dergelijke, dan zou ik U allereerst willen verzoeken goed nota te nemen van het
feit, dat dit betreft óns, die binnen het Goddelijke leven. Maar dat deze wetten slechts kunnen
worden gezien als een eigenschap van het Goddelijke, die niet verder het Goddelijke zelf
aantast, regeert of bepaalt, aangezien wat het Goddelijke misschien nog zou beïnvloeden, zich
toch in ieder geval aan onze kennis onttrekt. Akkoord? Wet van gelijkmatigheid. Het is
begrijpelijk, dat in het Goddelijke wet Zijn volmaaktheid, abrupte wisselingen slechts kunnen
voor komen, wanneer er een zeer sterke verstoring heeft plaats gehad van het evenwicht,
ofwel een deel der Schepping zichzelf projecteert op een volledig verkeerde plaats. Wij kunnen
niet aannemen, dat iemand, met één sprong ten hemel vaart. Evenmin als wij kunnen
aannemen, dat iemand met één sprong ter helle gaat. (Aangenomen nu even dus hemel en hel
in de zin, die wij al besproken hebben: bewustzijnstoestanden) Een gelijkmatig bestaan houdt
in: een gelijkmatige opgang. D.w.z. wanneer ik begin en mijn eerste snelheid van ontwikkeling
is - laten wij zeggen - per sfeer duizend jaar, dan is het voor mijn wezen het beste en het
meest logische, wanneer ik tot de hoogste sfeer toe, ditzelfde tempo volhoud. Maar er bestaan
ook andere punten, die wij b.v. bij het bewustzijn zelve zien. Bewustzijn kent n.l. geen vast
tempo, zoals bewustwording. Maar het kent een versnelling. Het bewustzijn begint bij
practisch nul. De enige realisatie is het ZIJN waarbij dan het "ik ben", naar voren komt, zodra
er geestelijke invloed merkbaar wordt. 0f omgekeerd een geestelijke invloed merkbaar wordt,
wanneer het "ik ben" wordt gesproken.
Dat is iets, daar kunnen de filosofen over vechten, ik geloof, dat daar alleen maar een kwestie
van uitdrukking is, aangezien wij het met elkaar wel eens zijn geworden bij ons, dat de geest
bestaat op het ogenblik, dat de erkenning "ik ben" wordt uitgesproken en vóór die tijd er niet
over een bewustzijn wordt beschikt en men dus moet zeggen: Er bestaat ziel (oftewel
Goddelijke Kracht) plus stof.
Nu begint dat bewustzijn met "ik ben". Van dat "ik ben" duurt het zeer lang, tot het komt tot
het "ik ben wat. Van het "ik ben wat", komt het tot "ik ben waar", wat is de relatie met mijn
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

omgeving enz. enz. Steeds sneller. Wij kunnen dus zeggen, dat hier sprake is van een
versnelling. Een versnelling, die ook wel gelijkmatig is, aangezien ze in een vaste meetkundige
waarde kan worden uitgedrukt. Maar aan de andere kant betekent het dus - laten wij maar
zeggen - steeds een verdubbeling van realisatiesnelheid. Toch blijft de ontwikkeling volledig
gelijkmatig. Hoe zit dat in elkaar? Wij kunnen dat het gemakkelijkste zó verklaren: de lagere
sferen zijn zeer beperkt en bieden betrekkelijk weinig ervaringswaarden. Hoe hoger de sfeer
komt, waarin men zich bevindt echter, hoe meer deze omvat: want zij omvat tevens alle
lagere waarden plus een nieuw gebied. In elke nieuwe sfeer echter moet - gezien de nieuw
erkende omstandigheden - opnieuw het bewustzijn tot een volledige realisatie komen van alle
onderlinge verhoudingen en niet alleen er iets bij leren. Het moet herwaarderen wat het al
eens geleerd heeft. Daardoor is dus de bewustwording groter, terwijl de tijd hetzelfde blijft.
het gebied vergroot zich zozeer, dat moet worden aangenomen, dat de versnelling van
bewustwording - pardon, van bewustzijn - voor de vergrootte gebieden der bewustwording
uiteindelijk maar net toereikend is. Kunt U dat allemaal volgen, ja? Of klinkt het als Latijn?
Zegt U het maar rustig, wij hebben nu de tijd vandaag.
Ja, dat laatste.
Juist, omdat ik dit punt - ja, U hebt het zelf aangesneden - maar als ik eerlijk moet zijn: ik had
eigenlijk iets dergelijks verwacht. Daarom ben ik zo vrij geweest om illustratief materiaal mee
te brengen uit verschillende sferen. Ik ben wel zo vrij geweest, om enkele van de allerlaagste
sferen en van de meest rebelse geesten uit te schakelen. Daar heb ik niets uit meegebracht.
Maar om U het verschil in bewustzijn en bewustwording te tonen, wil ik dus een aantal
voorbeelden geven en hoop U aan de hand daarvan te bewijzen, dat een absolute
gelijkmatigheid in ontwikkeling bestaat. Ik heb dus eigenlijk beroerd dit (in een heel eenvoudig
voorbeeld nu ondergebracht): "ik ben bewust”. Nu zetten wij in de plaats van "bewustzijn"
even "zien", "ik kan zien" dus.. Akkoord?
Nu bevind ik mij in een zeer klein vertrek. Ik kan met de ogen die ik heb, heel rustig alles
gaan bekijken. Daarvoor hebben we tijd nodig. Als die ogen van mij nu maar 15 cm. ver
kunnen zien, dan heb ik heel veel tijd nodig om zelfs een heel kleine cel volledig te
beschouwen met alles, wat er in is. Duidelijk, ja? Nu vergroot ik deze kamer. Maar die kamer
vergroot zich naar alle kanten. Die wordt nu aan alle kanten groter. Mijn ogen, om gelijke tred
daarmee te houden, moeten dus niet van 5 op 10 cm. komen, wanneer die kamer 2 x zo groot
wordt, d.w.z. wanneer de onderlinge afstand tussen alle wanden 2 x zo groot wordt, want dan
ben ik er nog niet. Het oppervlak, dat ik nu moet waarnemen, is n.l. het kwadraat van het
vorige. Mijn ogen moeten dus veel sneller ontwikkelen, wil ik in dezelfde tijd alle
bijzonderheden van deze nieuwe kamer kunnen waarnemen. Dat kunt U begrijpen, ja? Nu, dan
gaan wij heel eenvoudig verder, want het is simpel als de dag, zou ik zeggen. Wanneer ik nu
begrijp dus, dat er een relatie moet bestaan tussen mijn bewustzijn en de wereld, waarin ik
leef, wanneer ik verder zie, dat de vergroting niet plotseling plaats vindt van die kamer, maar
in een langzaam verschuiven, waarbij uiteindelijk de wanden wegvallen en ik sta voor het
gebied oneindigheid natuurlijk, dat er van een gelijkmatige ontwikkeling kan worden
gesproken. Maar is het bij die kamer uitdrukbaar als een springende reeks, nietwaar, dus als
2, 4, 8, 16 enz., zo is het bij mijn ogen daarentegen een andere reeks. Die loopt: 19, 29, 39,
49, 59, 69, 79 enz. Kunt U dat bevatten, ja? Of niet? Helemaal geen commentaar? Is het zo
duidelijk? (Toestemmend gemompel). Het wordt nu wel duidelijk? Fijn!
Nu betekent de gelijkmatigheid voor ons, dat wij juist door het voortdurend en regelmatig
ontwikkelen van ons eigen wezen, dus het beste passen in de werelden, die zich voor ons
openen. Dat kunt U ook begrijpen, ja? Wanneer wij plotseling op een bepaald gebied een
topprestatie bereiken, dan hebben wij twee mogelijkheden: ofwel, deze topprestatie blijft
gehandhaafd, maar wij worden uitermate eenzijdig. U kent het verhaaltje wel van die man, die
zo graag kegelde, nietwaar. Op het laatst had hij een rechterarm, die was zo gespierd, dat hij
daar zo een tafel mee kon optillen: maar zijn linkerhand was zo verschrompeld, daar kon hij
nauwelijks een glas mee vasthouden. Begrijpt U? Daardoor was hij onevenwichtig en niet meer
geschikt voor het doel van zijn leven. Het is natuurlijk een karikatuurtje.
Maar goed, wij moeten ons volledig gelijkmatig, d.w.z. aan alle kanten, op alle gebieden
gelijktijdig ontwikkelen. Op het moment, dat wij ons alleen stoffelijk ontwikkelen en geestelijk
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

niet, dan zijn wij aan één kant lam. Duidelijk? Op het moment, dat wij ons alleen geestelijk en
niet stoffelijk ontwikkelen, zijn wij ook aan één kant lam. Want of nu je linker- of je rechterarm
lam is, (het is misschien handiger, als de rechterarm in orde is, dan wanneer de linker in orde
is, maar daar kun je aan wennen), in beide gevallen ben je verminkt. Is dat duidelijk? (Ik moet
dus zelve gelijkmatig. ontwikkelen) inderdaad. Maar ik moet tevens in deze ontwikkeling
voortdurend gelijke tred houden met de wereld rond mij, Nu, dat is ook duidelijk, ja? Het
resultaat is, dat wij - aan de hand van het gegeven voorbeeld - komen tot een begrip van:
ALLES MOET GELIJKMATIG ZICH ONTWIKKELEN. Er mogen geen plotselinge sprongen
voorkomen, want komen die sprongen voor, dan betekenen zij een terugval, die even groot is
als de sprong. Wet van evenwicht. Daarentegen waar een geleidelijke verhoging plaats vindt
van capaciteiten, zal deze verhoging zowel het positieve als het negatieve gebied beroeren.
Maar door haar gelijkmatigheid blijft zij stabiel. Door haar stabiliteit is zij in staat om zich
voortdurend te handhaven op het punt van bewustzijn, waar zij eigenlijk behoort. Duidelijk?
Nu begin ik eigenlijk met een paar voorbeelden en nu zou ik U dit willen zeggen. U krijgt na
elke spreker van mij enig commentaar, opdat U die spreker kunt begrijpen. Maar deze
sprekers zijn niet allen in staat om nu maar eens een redevoering te gaan afsteken. Het eerste
exemplaar, dat ik U voorstel, is iemand, die leeft in een wereld van duisternis, wel enig
bewustzijn heeft, maar toch zeker nog niet behoort tot degenen, die wij hopen binnenkort
werkelijk in een lichte wereld te kunnen plaatsen. Ik heb zelfs voor dit specimen mij enige
krachttoeren moet veroorloven, om daar contact mee te krijgen en dat hierheen te brengen.
Zouden er uitingen zijn, die U niet bevallen, trek U er niets van aan. Wordt het té erg, dan
halen wij hem heel eenvoudig. weg. Het is hier een illustratie van een kleine wereld, met een
kleine mens, die zeer onevenredig in zijn belevingen is. Die sommige dingen ervaart op een
wijze, die wij in de sferen kunnen waar deren, terwijl hij op andere gebieden, nu ja, ik zou
haast zeggen, hopeloos is. Wie van U wil mij het genoegen doen om een paar vragen te stellen
aan die persoon? Nu moet ik iemand daarvoor hebben, die een paar vragen stelt aan die
persoon, opdat wij de gewenste reactie krijgen.
Over welk onderwerp wilt U vragen stellen?
Nu, die vragen wilde ik juist voorschrijven, maar ik moet eerst even de spreker hebben, die
dat wil stellen. Kijk eens, U hebt niet veel te vragen. U vraagt: Wie bent U? U vraagt: waar
bent U? Dan vraagt U: Bent U gelukkig? Dan vraagt U: Gelooft U aan God? Vier vragen kunt U
die onthouden, ja?
Ja zeker.
Dan stelt U die vragen aan deze persoon. Is de reactie anders, dan ik had berekend, dan zal
ik hem onmiddellijk weghalen. Noch voor het medium, noch voor U bestaat enige gevaar van
schade. De zaak is goed afgeschermd. Nu, dan zal ik even verdwijnen, want ik kan helaas niet
gelijk op hem letten en hem hier in het lichaam laten. Dat gaat niet, dus......
o-o-o-o-o
Goeden avond, vriend, kunt U ons zeggen, wie U bent?
Wat gaat je dat aan?
Kunt U ons misschien zeggen, waar of U bent?
Dat zou jij mij beter kunnen vertellen, dan ik jou, vrind. Ik weet in ieder geval, dat het geen
prettig leven is.
En U gelooft een God? (Terzijde: ja, dat is al beantwoord).
Nu, daar vraag je mij wat. Neen. Waarom zou ik in een God geloven?
Kunt U enige beschrijving geven van waar U bent, waar U leeft?
In de meest beroerde stad, waar een mens ooit geweest is. Het is en het blijft er hartstikke
donker. Ze jatten je alles onder je handen weg, wat je hebt en het is allemaal rottigheid. Waar
het is, weet ik ook niet, want je kunt er niet uit. Ik heb honderd keer naar een weg gezocht,
om er uit te komen, je komt er niet uit. Toch kommen er wel is vreemden binne. Een rare
bedoening. Neen, ik geloof niet in een God, dat zal ik je wel vertellen. Soms geloof ik, dat de
hele wereld de schuld is van die vuile, verrekte N.S.B.-ers. Het zou een concentratiekamp
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

kunnen zijn, ja, als wij er Duitsers zagen. Maar die zie je ook niet. Eten en drinken,
dat............
Zó, dat vind ik als voorbeeld voldoende. Kijkt U eens, wij hebben hier met een individu te
maken en U moest natuurlijk een paar vragen stellen, om hem aan het praten te krijgen,
anders had hij misschien het eerste half uur niets gezegd. Dat was tijdverspillen geweest. Uit
de beschrijving, die hij over zijn wereld geeft, ( ik heb hem genoeg laten zeggen om U een
idee te geven): besloten: hij komt er niet uit. Toch heeft hij zeer zeker gedachten, die daar ver
bovenuit gaan. Wanneer wij rekening houden b.v. met de haatgevoelens, die hij uitdrukt, dan
kunnen wij begrijpen, dat hij emotioneel betrekkelijk sterk ontwikkeld is. Hij zou dus
waarschijnlijk, wanneer het alleen daarom ging, veel verder kunnen komen, dan hij op het
ogenblik gekomen is.
Maar hij komt tot een negatieve ervaring, een verwerpen van alles. Hij leeft daardoor in een
wereld, waar maar plaats is voor één ding. Een wereld, die erg onaangenaam en somber is (ik
wil niets aan de beschrijving toevoegen, daar heeft U heel weinig aan). Een wereld waarin
praktisch het enige is: vrees en haat. Die beiden worden exceptioneel scherp beleefd. Wanneer
wij de persoon helemaal los hadden gelaten, d.w.z. als mij niet een gedeelte van hem a.h.w.
onder bedwelming hadden gehouden, dan had U waarschijnlijk nog heel wat taal gehoord, die
niet thuis hoort op een bijeenkomst als deze, en misschien nog heel wat gevoelens ook. Ik ben
blij, dat wij hem zozeer in bedwang hebben kunnen houden. Hij wordt nu teruggebracht.
Maar waar het hier om gaat, is dit: waar wel haat is en geen liefde, daar is de gelijkmatigheid
zoek. Daar is geen mogelijkheid zelfs, deze gelijkmatigheid te scheppen. Bij deze mens zal de
ontwikkeling zich waarschijnlijk als volgt voltrekken: Hij wordt té moe van zijn bestaan om nog
te haten. Hij heeft niet lief en hij haat niet meer. Hij vreest niet meer en hij begeert niet meer,
omdat er niets meer te begeren of te vrezen valt. Het is allemaal gelijk. In deze
gelijkmatigheid van bestaan zal hij langzaam naar zeker insluimeren en zal dan moeten
trachten met een nieuw stoffelijk bestaan te komen tot een redelijk aanvaarden van het
gelijkmatige element in ontwikkeling, in bewustwording, zodat hij in zijn wereld stabieler leeft
dan tot nog toe. De oorzaak van zijn toestand is waarschijnlijk te zoeken in een betrekkelijk
grote drankzucht en het gezelschap, dat hem in....eh....minder prettige kringen heeft
gebracht. Ik geloof, dat deze illustratie duidelijk genoeg is voor een kleine wereld, ja? of niet?
(ja).
Dan heb ik hier een voorbeeld voor U van iemand, die tegen de grens van het licht aanleeft.
Deze zal ongetwijfeld proberen om een redevoering te gaan afsteken. Die hoeft U dus geen
vragen meer te stellen. Maar let u dan voor de aardigheid eens op: dan ziet U weer een
bepaalde bekrompenheid. Deze bekrompenheid is tevens het teken van een grote
eenzijdigheid in denken en ontwikkeling. Zolang dit niet in orde is, zal deze mens nooit
gelukkig zijn. Hij zal U spreken over het geluk. Onthoudt U dit van mij: hij is niet gelukkig,
deze mens. Ik had eerst gedacht daar een vrouw voor te nemen, maar ik meende, dat dit
beter was in deze vorm om hier een gewone man aan het woord te laten, aangezien dat in het
medium wat makkelijker uitkomt. Want anders krijgen wij nog weer te maken met persoons-
en lichaamsverschillen en daar kunnen dergelijke wezens nog wel eens heel eigenaardig op
reageren. Per slot van rekening moeten wij alles zo netjes en beschaafd mogelijk houden,
want anders zou bij ons de gelijkmatigheid zoek raken en misschien zelfs de evenwichtigheid.
Dat kunnen wij zeer zeker niet tolereren, wanneer wij over die onderwerpen praten. Dus
nummer twee. Het is ook weer een kort proefje... Wanneer ik meen, dat er weer genoeg
gezegd is, dan ben ik, ook weer zo vrij om de spreker af te snijden en weg te halen. Anders
duurt het te lang en neemt het te veel tijd.
o-o-o-o-o
Goeden avond. Mag ik vragen, wat voor een bijeenkomst dit hier is?
Een bijeenkomst van de Orde der Verdraagzamen.
Vreemd, die ken ik niet. Dat moet een vergissing zijn. Ik mag mij misschien voorstellen?
Johannes Gerardus Duivestein en ja....Woon ik ik weet eigenlijk niet meer, waar ik woon. Ik
heb hier gewoond in Den Haag, o.a. op de Dennenweg, maar....
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

Die bestaat nog, vriend.
Ja, dat neem ik aan. Wat voor een Orde is dit, waar ik…
Wij houden een bijeenkomst om geestelijke wijsheid op te doen.
Aha, ongetwijfeld onder geestelijke leiding.
Onder geestelijke leiding.
Ja, eh en waar is dan de pastoor of de kapelaan?
Die is niet aanwezig, vriend.
Zo, dat is jammer.
Maar misschien wilt U iets vertellen van Uw inzichten?
Mijn inzichten, dat zijn die van de kerk. Inzichten, inzichten, waarover inzichten? Er is maar
één waarheid. Die waarheid zult U ongetwijfeld dan ook onderling bespreken.
Welke waarheid bedoelt U, vriend? Van welke kerk?
Natuurlijk van de Heilige Moederkerk van Rome.
Juist.
Ik ben hier ik mag uit Uw vragen opmaken, dat U niet op de hoogte bent van de enige
waarheid?
Wij hebben daarvan gehoord, vriend.
En U heeft ze niet erkend? Het spijt mij, dat ik hier als vreemdeling mij moet uitspreken
hierover. Maar weest U er wel van berust, dat, wie sterft, zonder de Sacramenten der
Moederkerk, verdoemd is! Er is maar één waarheid en één weg en geen andere. Maar terwille
van Uw ziele.....
Het fragment is, geloof ik, voor Zichzelf sprekend en duidelijk genoeg. (Zeker). Aangezien wij
enige tijd in het begin verloren hebben ik had gedacht, dat hij wel iets vlotter zou zijn met zijn
aanklacht van de wereld, dan geloof ik, dat wij goed doen om hier ook wat te commentariëren.
Kijkt U eens: iets geloven is goed. Maar zodra dit geloof meent de enige waarheid te hebben,
of zodra je ment, dat je zelve de enige bent, die recht heeft om te oordelen over een ander,
dan breng je jezelf in gevaar eenzijdig te zijn. De eenzijdigheid van je wereldbeschouwing en
beleving brengt een verstoring van je geestelijk evenwicht tot stand. Wij krijgen dan te maken
met figuren als deze, die.......... - laat ons zeggen - gebonden zijn zo zeer aan hun eigen
opvattingen en beschouwingen, dat zij ternauwernood hun eigen dood erkennen. Wanneer ik
deze vriend even door had laten praten, dan had hij U ongetwijfeld verteld, hoe hij thans in
het vagevuur vertoeft, dan had hij U waarschijnlijk ook nog verteld, dat hij realiseert, dat U
spiritisten bent en dat U daarom allemaal in de hel komt. Een bewering, die ik overigens niet
graag zou onderschrijven, hoor…. (Gelach).
Hadden wij iets kunnen doen voor deze man? Zijn wij onmachtig om.......
Neen, daar kunt U niets aan doen. Kijk, wij kunnen daar wel iets voor doen voor zo'n iemand
het bewijs, dat wij zo'n iemand hierheen kunnen brengen, dat bewijst al, dat wij met hem
bezig zijn. U zult begrijpen, dat wijzelf onze maatregelen nemen. Er zijn séances, red-
dingscéances, waar ook sommigen onzer broeders medewerken. Daar brengen wij dan zo'n
iemand in een medium, (meestal een betrekkelijk primitief ontwikkeld medium), en proberen
dan op die manier een realisatie van eigen toestand te bewerkstelligen. Maar dat moet eerst
voorbereid zijn, want anders heeft het geen nut, geen zin. Daarvoor gebruiken wij dit medium
hier niet, want dat is een tamelijk uitputtend werk en wij vragen van het medium toch al
betrekkelijk veel.
Het volgende voorbeeld, dat ik U geef, zal sommigen Uwer zeer bekend voorkomen. Ik heb n.l.
een spreekster van een spiritistische groep gevonden, die bereid is om ook hier te spreken.
Deze kan ik helaas, niet afsnijden, want zij behoort reeds tot degenen, die het licht - zij het in
geringe mate - gevonden hebben. Dus staat mij niet meer het recht toe om deze eenvoudig
terug te trekken. Ik zal echter wel proberen om het zo kort mogelijk te houden. U zult alleen
een boodschap krijgen. U ziet in deze verschillende ontwikkelingen ook weer een zekere
geleidelijkheid. Die geleidelijkheid komt hier heel aardig tot uiting, omdat wij hier te maken
met iemand te maken hebben met iemand, die - in tegenstelling tot de twee vorigen - een ge-
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

lijkmatigheid van ontwikkeling heeft, maar een bekrompenheid van bewustzijn. Is dat
duidelijk, ja? Nu, dan behoef ik niet langer te aarzelen. Dan kan ik dat onmiddellijk even
doorgeven. Ik ben erg blij, dat ik nu nog eventjes met al mijn zorgzaam verzameld illustratief
materiaal voor de dag kan komen, weet U dat? Ik geloof, dat het toch wel ook voor U
interessant zal zijn. (Ja, ja). De commentaren, die U later krijgt, zullen ongetwijfeld
waardevoller zijn dan de demonstratie zelve, maar zij zullen door de demonstraties, meen ik,
begrijpelijker zijn geworden. Dan ga ik weer even weg, hé, dan zullen wij wel weer zien, wat
het wordt.
o-o-o-o-o
Goeden avond, Broeders en Zusters. Ik mag door de grote Goedheid Gods en de geleidende
vriend, die mij hier heeft gebracht, een kort ogenblik tot U spreken. Er is een leven na de
dood. Een wonderlijk leven in een wereld, zo schoon en zo licht, dat het mooier is dan een
hemel. Wij zullen allen voortbestaan en ook U. Daarom, luistert ijverig, wanneer de geest U
iets zegt, want de geest erkent de waarheid in haar wereld en zij zal U geleiden en altijd rond
U zijn. Ik mag niet te lang spreken, heeft men mij gezegd. Waar ik een gast ben van de
Broeder, die zo bereidwillig zijn plaats voor mij heeft afgestaan, zou ik U alleen willen zeggen:
weest gezegend, vertrouwt op de geest en vindt de weg naar het Ware Licht met de geest
gezamenlijk, opdat wij de eeuwige heerlijkheid van de lichtende sfeer, waarin ik mag
vertoeven, gezamenlijk kunnen ervaren. Goeden avond, Broeders er, Zusters. (Goeden
avond, Zuster)
Zo vrienden, dat is genoeg illustratief materiaal voorlopig. Wat hebben wij nu ontdekt?
Degenen, die in hun leven en in haar bewust zijn door uitersten in één richting worden
gedreven, voelen zich ongelukkig, uit de - ik heb niet direct de laagste genomen, er is nog een
lagere klasse van geesten, die met een medium werken - maar degene die ik hier heb
genomen is in goedbedoelde, onbenullige zelfverheffing (Zij hoort het toch niet meer, dus ik
mag het rustig zeggen) van de lichte sfeer, waarin ik mag vertoeven, toch gelukkig, vindt zich
een taak en leeft intens. Hier hebben wij nog wel een kleinigheid, een beslotenheid, een
eenzijdigheid misschien ook wel.
O, ik had U met evenveel plezier een Heilsoldate kunnen brengen, die voortdurend vertelt, dat
er redding voor U is en dat Jezus nog leeft. Ik had U duizend voorbeelden uit deze sfeer
kunnen brengen. Ik heb dit gekozen, omdat het niet zo erg in strijd is met ons eigen wezen.
Maar dat zult U dus begrepen hebben, dat het geluk alleen door de gelijkmatigheid van het
bestaan tot een werkelijke vrede kan worden. De voorbeelden, die ik heb gegeven, deze drie
kennen nog niet de werkelijke vrede en ook ik ken die nog niet. Want de drang in ons om te
leraren, om te gaan leren dus, om onze eigen mening a.h.w. aan anderen mede te delen, of –
zoals in één van de getoonde gevallen - zelfs op te dringen onder dreigementen dood,
verdoemenis en hel, bewijst wel, dat wij nog niet de vrede gevonden hebben, waar het om
gaat. Wanneer wij volledig gelijkmatig verdeeld zijn a.h.w., dan kunnen wij het het beste zó
uitdrukken: God is de Oceaan, wij zijn een kleine olievlek van bewustzijn, die daarop drijft.
Wanneer wij onszelf gelijkmatig kunnen uitspreiden en aan de andere kant niet te ver gaan,
vinden wij geluk en vrede. Wij zijn a.h.w. één met het water, dat ons draagt, al kunnen wij het
niet bevatten. Het Goddelijke leven draagt ons, de Goddelijke Kracht draagt ons. Wanneer wij
ons daaraan overgeven en niet zelve komen tot een te scherp richten in een bepaalde
gedachtegang, in een bepaalde richting, maar komen tot een accepteren van het leven en
zoeken vooral de vrede te vinden in onszelf, niet een vragen naar buitengewone bereiking,
maar tevreden zijnde met een normale groei, die voor ons allen is weggelegd, dan vinden wij
de grote gelijkmatigheid van het bestaan, die misschien voor de aartsbeschouwer suf en doods
lijkt. Maar aan de andere kant vinden wij daar toch ook in de grote vrede, de grote harmonie,
waardoor wij de Goddelijke Kracht, die ons draagt als een klankboden weer kaatsen binnen
onze eigen, capaciteiten. Is die laatste zin begrijpelijk? Ja? (Ja).
Dan zult U dus begrijpen, dat het Goddelijke dan in ons kan doorwerken. Op het moment, dat
wij dit verstoren, dat wij ongelijkmatig worden, dan zullen wij het ritme van het Goddelijke
niet meer in onszelf beleven. Dan krijgen wij een verstoring, waardoor bepaalde delen uit de
Goddelijke ervaring sterk in ons worden geuit en geprojecteerd, wijzelf er ongelukkig door
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

worden, omdat wij het eenzijdig zien. Denkt U nu maar aan die goede man, die al zo lang dood
is en die onmiddellijk moest uitbarsten tegen die vuile N.S.B.-ers. Ik heb hem er maar heel
gauw uitgehaald, want dat past niet. Zeker niet in de Orde der Verdraagzamen, dergelijke
scheldpartijen.
Bovendien, er zou over te spreken zijn in hoeverre dergelijke verwijten redelijk en onredelijk
zijn. Zeker is er enige reden voor. Aan de andere kant, geloof ik, dat men er wel eens te ver
mee gaat. Maar goed, dat is politiek, dat laten wij buiten beschouwing. Het gaat erom, zodra
je dus ongelijkmatig bent, ben je vervreemd van het Goddelijke. Dat geldt natuurlijk niet
alleen voor mensen, dat geldt voor al het zijnde. Zolang iets een gelijkmatige ontwikkeling
doormaakt, dan vindt het een harmonie met zijn omgeving, uiteindelijk het Goddelijke en
daarin een geluk en een vrede. Voorbeeld: koren, dat normaal opschiet, draagt een volle aar,
vervult zijn bestemming en is daardoor gelukkig in de beperkte wijze, waarop die korenhalm
gelukkig kan zijn. Een korenhalm schiet fel op, is leeg, dort, lijdt dus, is onbevredigd. Zij was
te eenzijdig, zij wilde te snel gaan. Ander voorbeeld: een korenhalm groeit niet fel genoeg,
daardoor is zij in de tijd van rijpheid nog niet tot een redelijke vruchtvorming gekomen. De
omstandigheden beletten haar nu datgene te volbrengen, wat zij reeds volbracht moest
hebben. Zij voelt zichzelf dus in haar werking belemmerd, tegengewerkt en is ook tevens weer
ongelukkig. Is het voorbeeld duidelijk?
Dan geloof ik, dat het tijd is, om ….. nu, dat mag ik eigenlijk geen voorbeeld noemen, dat is
iemand, tegen wie ik ook nog met heel veel respect, zo heel uit een klein hoekje zo, naar
boven kijk. Maar iemand, die U over gelijkmatigheid en vooral ook over evenwicht, wel het een
en ander te vertellen heeft. Iemand, die nooit zal leraren, tenzij het hem gevraagd wordt.
Maar die ook nooit weigert zich te uiten, wanneer iemand daartoe ook, maar de geringste
wens te kennen geeft. Een eigenaardig beeld dus van gelijkmatigheid en evenwichtigheid,
waarbij automatisch al hetgeen dat contact wet het "ik" zoekt, tijdelijk in het "ik" wordt
opgenomen.
Ja, ik geloof, dat wij de verbinding wel direct kunnen maken zo. Er zitten geen storende
factoren bij. Dus dan krijgt U hier het laatste voorbeeld, dat ik voor U heb meegebracht in mijn
betoog hierover. Dan gaan wij nog even over wetten praten, hoor. U bent nog niet van mij af.
Nu mag ik praten, zoals ik wil. Ik hoop, dat U het prettig vindt. En als U het niet prettig vindt,
dan heeft U het zelf op de hals gehaald. Maar nu eerst even deze spreker.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden, Er werd mij gevraagd U te spreken over gelijkmatigheid en over
evenwicht. Ik moet dit doen uit het standpunt, dat ik zelf bereikt heb en ik zal zeer zeker niet
ten allen tijde volledig aan Uw wezen tegemoet kunnen komen. Maar die delen van U, die
reeds op kunnen gaan in de wereld, die op het ogenblik mijn ware bestaan uitmaakt, die zullen
ongetwijfeld begrijpen, wat ik tracht U zeggen.
Evenwicht, dat betekent niet alleen maar de wonderlijke balans, waardoor tegen alle invloeden
in twee loshangende factoren elkaar proberen uit te schakelen. Evenwicht betekent veel meer
in de werkelijke zin, waarin het beleefd wordt in mijn sfeer. Wij allen zijn evenwichtig, omdat
al, wat ons beroert, behoort tot God. Wij worden gedragen in alle uitersten van besef en
bestaan door een Goddelijke Kracht, Die ons op alle punten gelijktijdig voedt, verrijkt en
maakt tot een deel van het lichtende "Ik", dat zoveel groter is dan ons eigen bestaan, toch mij
lijkt te zijn de wereld en het zijn, waarvan ik zelve deel ben.
Er is bij ons zeer zeker wel verandering. Soms voel ik mijn gedachte groeien, wanneer ik peins
over de lichtende Bron,- die ik toch ondanks alles - beschouw als het doel mijn levens,
waarvan ik weet, dat zij mijzelf benadert. Terwijl ik in stille afwachting hier ben, sprekende,
wanneer men mij vraagt te spreken, zwijgende, wanneer het spreken geen noodzaak is. God
komt tot mij. Niet, dat ik tot God kom. Daar ben ik bovenuit gegroeid. Er is een tijd geweest,
dat mijn jacht naar Goddelijke waarden mij heeft gedreven tot in de diepste diepten van
teleurstelling, van beschaamde verwachting. Omdat ik dacht, dat het zelf-zijn een
noodzakelijkheid was. Nu ben ik nog datzelfde wezen, zoals ik altijd mijzelf was. Maar mijn
wereld is groter en machtiger geworden en mijn wezen heeft de waarden bevat, die reëel en
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

werkelijk zijn, boven alle begrenzing van tijd, ruimte of sfeer uit. Zolang ik God niet als basis
neem voor mijn bestaan, dan verlies ik mijn evenwicht. Wanneer ik mij in alle dingen, leed en
vreugde, in geestelijk en stoffelijk bestaan, gedragen en geleid weet door het Goddelijke.
Wanneer ik in mijn sfeer leef en de materie zie, als iets dat zodadelijk, door de Goddelijke Wil
met mij verbonden, rond zal wentelen ergens in het verborgen Al, dan vraag ik niet waarom of
hoe. Ik weet dat dit deel is van een Oneindigheid, die in mij leeft en in mij zich uit. Ook tracht
ik niet een deel van mijzelf belangrijker te maken, gewichtiger te doen schijnen, dan andere
delen. Want ziet, al wat ik ben, is geboren uit dezelfde Kracht en wordt gedragen door dezelfde
Kracht. Waarom zou ik dan de nadruk leggen op een bepaald deel van mijn wezen of
bewustzijn. Wel weet ik dit: ik spreek tot U. Ik heb mijn wezen neergericht vanuit het
brandende Licht tot de geborgenheid van Uw wereld, die zoveel van mijn wezen buitensluit.
Zo dadelijk zal ik uit moeten grijpen naar het Licht. Uitgrijpen naar het Licht om een evenwicht
te scheppen, dat niet stoffelijke impulsen en invloeden voor een ogenblik beroert in mij de
gelijkmatigheid van zijn en bevatten schept, die betekent: verliezen het heerlijk rusten in God,
in een geloof en vertrouwen, dat niet vráágt en dat werkelijkheid geeft.
Voor Uw leven, zowel als voor ons leven zijn deze waarden alle gelijk. Zoek niet naar de
excessen des levens. Probeer niet één moment van laaiende vreugde te vinden als
culminatiepunt van een bestaan, van een dag, van een periode. Tracht de vreugde te vinden in
al wat het bestaan betekent. Heb niet de vreugde in het grote maar in het reine, dat Uw
wereld uitmaakt. Dan zal Uw vreugde gelijkmatig zijn. En deze vreugde zal vergezeld worden
van een even zeer gelijkmatige smart. Beiden zullen zijn gelijkmatig bewustzijn. Een
handhaving van het contact met het Goddelijke en de gelijkblijvende waarden van het "ik", die
langzaam maar zeker in bewustzijn groeien, maar nooit hun evenwicht verliezen, nooit de
belangrijkheid van alle delen van het zijn vergeet t.o.v. één enkel punt of één enkel
verschijnsel.
Dit is de wereld van leven, die de mijne is, bekrompen geschetst in woorden, die te klein zijn:
onbeholpen misschien getoond in dingen, die mijn wezen zo gaarne voller zou geven. Maar
wanneer ik heen ga en de vriend, die mij heeft gevraagd tot U te spreken, nog enkele woorden
toevoegt aan deze redevoering, die hij voor deze avond zo zorgzaam heeft voorbereid, dan zal
ik trachten om iets van mijn wezen te doen voelen, hopende dat gij een ogenblik de
evenwichtigheid zal kunnen aanvoelen, in Uw wezen, de gelijkmatigheid van zijn, die een
vrede is, een stille vreugde eerder dan een verheerlijking van toestand. Ik geef nu het woord
weer over aan onze vriend. Ik heb gesproken, omdat men mij het gevraagd heeft. Want wie
mij vraagt en wie ik erkennen kan in mijn wezen die weiger ik niet. Wanneer gij vraagt, kan ik
U ook niet weigeren. En zo zijn er velen, want alle wereld is God en God is ons wezen, God is
onze wereld en bestaan.
Ik wens U een goede avond.
o-o-o-o-o
Misschien vrienden, dat deze laatste illustratie - als ik tenminste dit woord mag gebruiken voor
een wezen, dat zoveel rijper is dan ikzelf - de tegenstelling heeft getoond, die bestaat tussen
het onevenwichtige, bekrompen leven, dat slechts in één richting zoekt en in het aanvaarden
van een leven, dat aan alle kanten gelijktijdig het bewustzijn vergroot en eeuwig weer het
Goddelijke tot uiting brengt in het eigen wezen. Want wij kunnen die wet van
evenwichtigheden, van gelijkmatigheden, wij kunnen al die wetten, ook oorzaak en gevolg en
wat er dies meer zij, terugbrengen steeds weer in onze eigen wereld. Wij kunnen het aantonen
in je leven, wij kunnen het aantonen overal, in Uw eigen bestaan, zowel als in de stof, in het
leven van een mier of van een wesp, of in het leven van een planeet. Wij kunnen het zien
onder de microscoop, wij kunnen het zien tussen de sterren. Deze wetten bestaan overal en zij
zijn overal gelijk. En omdat zij overal gelijk zijn, zijn wij niet afhankelijk van ons bewustzijn of
onze grootte om er deel van te worden. Wij kunnen binnen ons bewustzijn deze wetten
gebruiken. En wanneer wij die evenwichtigheid kunnen gebruiken, wanneer wij die
gelijkmatigheid kunnen gebruiken, dan kunnen wij door de evenwichtigheid in onszelf kijken
een volledig uitgebalanceerd bestaan, waarin wij stil kunnen zijn. Door het gelijkmatige, dat de
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

stilte ons kan geven, de realisatie van alle dingen, kunnen wij dan het Goddelijke rond ons
voelen en ons later, dragen door het Goddelijke, alsof het iets ware, dat vanuit de hoogste
sferen plotseling tot ons kwam. Maar het is niet plotseling tot ons gekomen. Wij hebben het
alleen geáccepteerd want de wereld zee van het Goddelijke Licht spoelt altijd rond ons.
God ís Zijn Schepping, op dit moment, op alle ogenblikken, God in de lucht rond U, God in Uw
lichaam, God in Uw geest, God overal.
Alles is Goddelijke kracht en Goddelijk Wezen. Goddelijke Kracht, Goddelijk wezen, dat er op
wacht, dat wij uiteindelijk de rust zullen vinden, dat wij eindelijk de balans, het evenwicht
zullen vinden, waardoor wij deze stuwende, deze levende Kracht in onszelf kunnen ervaren.
Zodat wij, misschien niet denkend en bewust ervaren, maar door het prijs geven van ons
persoonlijk inzicht en ons streven in één kant en één richting alleen, omdat wij het zo goed
weten en omdat dat de enige weg is.
Wanneer wij dát kunnen laten, dan komt daarvoor in de plaats een intuïtie, dan wordt er een
kracht geboren, die ons draagt. Een kracht, die er altijd, is, maar waarvan het bewustzijn in
ons groeit, waardoor wij buiten de rede om de ervaring kennen, die zoveel groots voor ons
betekenen kan.
Alle wetten van het Goddelijke zijn belangwekkend en belangrijk. Maar belangwekkend en
belangrijk worden zij pas vooral, wanneer zij voor ons worden wetten, die in ons leven.
Krachten, die ons helpen om het bewustzijn te bereiken, waar wij uiteindelijk toch naar
verlangen. Nu zeg ik: bewustzijn - en ik weet dat ik daarmee iets miszegd heb, omdat het
zelfs geen bewustzijn is. Maar hoe moet ik het dan noemen? Eén zijn met God!
Er zijn vele wegen, die tot het Goddelijke leiden. Alle wegen, onderdanig aan dezelfde grote
wetmatigheden. Er zijn krachten, die ons altijd weer ten dienste staan, maar ook zij zijn
gebonden aan wet in hun uiting en wezen.
Welke weg wij gaan is onze eigen zaak. Gij kunt, zoals wij het doen, zoeken naar een weg,
waardoor wij althans enigszins tot een redelijke aanvaarding kunnen komen van God. Dat wij
eindelijk eens een keertje durven zeggen: "Ja, God, ik erken U volledig als een realiteit. Doet U
het nu maar". Dat wij eindelijk zover durven komen. Niet dat wij zeggen:" God, doet U dat
voor mij". Neen. "God hier ben ik, ik leef en ik laat mij drage door Uw kracht in dit leven en ik
uit alles, wat ik van Uw leven en weten ervaar”. Onverschillig in welke sfeer je bent. Wanneer
wij dát kunnen bereiken, dan schakelen wij al die grepen naar groter bewustzijn in de zin van
weten en erkennen uit. Dan komen wij in de plaats daarvan te staan tegenover één van die
uitingen van de wet van evenwicht en gelijkmatigheid tegelijk, waarbij wij zelfs oorzaak en
gevolg kunnen getrokken, omdat de weg daarheen zeer zeker bepaald wordt door onze
handelingen van dit ogenblik en dit moment reeds. Dan komen wij tot de toestand, waarbij
God in ons spreekt en ons bewustzijn te boven gaat en toch in ons wezen als een stil weten
aanwezig is. Een weten, dat je niet kunt uitdrukken en omschrijven, omdat je daar te klein
voor bent. Dan hebben wij de directe weg gevonden naar God. Dan zijn wij één met al het
zijnde. Dan is er niets anders meer.
Nu heb ik misschien heel weinig dingen technisch gezegd. Ik heb geen zin om vandaag
technisch te spreken. Ik weet niet, waarom. Misschien dat het ook iets is van het Goddelijke,
dat in mij doordringt, wat in mij zegt. Er is een moment dat de filosofie en aan de rede een
grens bestaat. Er is een moment, dat wij moeten proberen te erkennen, dat er buiten deze
dingen om krachten zijn, die - hoe redelijk en wetmatig zij omschreven kunnen worden - toch
voor ons iets groots betekenen, dat verder gaat, dan wij ooit zullen beseffen. Dat heb ik
geprobeerd op het ogenblik in een paar illustraties en een paar woorden voor U te vangen. O,
U moet niet denken, dat ik alleen voor deze redevoering was voorbereid. U had minstens een
tiental andere problemen en vragen kunnen stellen, en ik had U er ook de antwoorden en zelfs
de illustraties voorgegeven. Ik ben blij, dat U dit gekozen hebt. Het past bij deze avond. Het
past bij de stille vredigheid van de spreker, die zo-even de goedheid had om ook op zijn wijze,
iets bij te dragen tot de stilte en de wijding van deze avond.
Een vriend, die nu aarzelend afscheid neemt van U en die altijd iets van U in zich zal
behouden, maar die daarvoor in Zichzelf zal vinden ook weer een dieper bewustzijn van het
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

Goddelijke buiten vorm, buiten bewustzijn en denken om, omdat hij zo de begeerde toestand
van leven in God en alleen antwoorden, als je iets gevraagd wordt, weer kan bereiken.
Ik weet niet, of deze dingen U iets te zeggen hebben. Ik vraag mij zelfs af, of al deze woorden,
wanneer zij zo dadelijk neergeschreven zijn. Voor U nog iets kunnen betekenen en zonder de
herinnering aan de sprekers van deze avond. Want zij hebben allen iets goeds gedaan, in hun
bekrompenheid. De drie kleinen en de ene grote. Zij hebben het gedaan met verschillende
beweegredenen en op een andere manier, maar zij allen zoeken toch precies hetzelfde als wij
allemaal.
Zij zoeken ook naar vrede. En wat is vrede anders dan een gelijkmatigheid van bestaan waarin
alle kleine vreugde worden, waarin alle kleine smarten ook tevens weer worden een volledig
evenwicht, zodat het "ik" in een intens leven volledig gelukkig is en buiten zich geen verlangen
meer kent. Dat het "ik" uiteindelijk antwoordt op de Schepping en antwoordt op God, maar in
zichzelf erkent een volheid van bestaan, die geen plotselinge uitbreiding meer gedoogt, die
geen plotselinge val of daling toestaat, waarin het langzaam groeit, langzaam verder gaat, in
zich steeds meer opnemende, harmonisch steeds blijvende, tot het misschien de Schepping
eens omvamen zal. De vriend, die zo goed was tot U te spreken, is er één, die machtiger is
dan velen van onze eigen leiders uit de hoogste sferen. U zoudt het misschien niet zeggen: hij
is eenvoudig. Maar laat ik U zeggen, wanneer zijn taak hem verder voert, dan zal er ergens
een ster geboren worden. Dat wil heel wat zeggen. Dan is hij a.h.w. een kleine God geworden,
die door zijn eigen harmonie een harmonische Schepping moet ontwikkelen, waarin het
bewustzijn van hen, die nog niet zo ver zijn te komen, zich kan ontplooien, omdat zij dezelfde
rust vinden, die in hem reeds leeft. En ik ben ervan overtuigd, dat hij een betere zon zal zijn
dan Uw eigen zon. Want wanneer hij in de Schepping optreedt, dan zal het alleen zijn, omdat
God hem dit zegt, of omdat de Schepping hem roept. Maar hijzelf, zal blijven in God gehuld, in
harmonie met God. Wanneer deze ster geboren wordt, dan zal zij één licht geven, zó helder en
zuiver, als volgens de legende eens de ster van Betlehem op deze aarde.
Wat filosofie en bewustzijn betreft, staat hij lager dan menigeen die in onze hoogste sferen
vertoeft, die wij dus onmiddellijk nog kunnen bereiken. Hij is geen groot filosoof en geen groot
denker.
Hij weet niet veel. Maar hij is één met God. En in die eenheid is hij ontvlucht aan al onze
sferen en gedachten. Wij zijn blij, dat wanneer wij roepen, antwoord geeft en ons een
ogenblikje probeert op te nemen in zijn eigen wezen. Zet dat in tegenstelling tot de drie
figuren in het begin van de avond en U zult zien waarom wij de gelijkmatigheid na moeten
streven, waarom wij het evenwicht moeten zoeken in onszelf en trachten zo uiteindelijk
gedragen te worden in God. Onverschillig of dit gebeurt door geloof, of door aanvaarden, of
door weten. Maar het kunnen aanvaarden, of - beter gezegd - het kunnen zijn in God,
harmonieus met God, dat is hetgeen, waar het ook aan komt. Daarvoor zijn alle wetten altijd
noodzakelijk geweest.
Nu laat ik het aan U over, vrienden, om in de pauze zelf te concluderen, of deze verlenging
van de cursus voor U de moeite waard was, of niet. Zou het U interesseren, om een volgende
keer verder te gaan, dan zou ik willen voorstellen om wederom dezelfde onderwerpen ter
bespreking te stellen zij het dan ook misschien op een andere wijze, wanneer U voor dezelfde
wet aansnijdt. Ook dan laat ik U de keuze van het onderwerp: dus onderwerpen binnen het
Goddelijke ofwel onderwerpen aangaande de Goddelijke Wetten. In het tweede gedeelte kunt
U persoonlijke vragen stellen, maar nu op het ogenblik gaat U eerst even pauzeren. Dan geef
ik het medium vrij, dat, naar ik meen, met al deze wisselingen, enige rust wel degelijk
verdiend heeft.
Goeden avond.

DE STEM VAN DE STILTE
Men denkt wel, dat de stilte niet kan spreken, want stilte, zegt men is het afwezig zijn van alle
geluid, van alle druk en invloed. Toch is dit niet waar. Want indien alles stil is, ja, zelfs ons
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

eigen wezen stil is, dan is er nog ons leven. Het leven in ons krijgt in de stilte stem. Het wordt
tot een overstelpend geluid, omdat al het andere wordt uitgeschakeld.
Er bestaan sferen van stilte, van eenzaamheid, die voor de mensheid wel verdoeming lijken,
want daarin is geen licht, geen gezelschap, daarin is alleen het bestaan, zonder vorm, zonder
dwaal, een absolute stilte. Toch spreekt dan tot degenen, die in deze stilte leven, al het
levende door de verwantschap, die het met het eigen leven heeft. Zo wordt de stem der stilte
tot de Stem Gods. God is het Zijnde, het Oneindige en het Bestaande, dat altijd en altijd weer
klinkt in al wat leeft. Dat door geen stilte kan worden geblust en door geen rumoer worden
overstemd.
Wanneer wij de stilte begrijpen en luisteren, dan kan er nooit eenzaamheid zijn, want in ons
spreekt het leven, eeuwig. In ons spreken de lang vergane dagen der aarde, spreekt het
bestaan en leven van lang gebluste sterren. In ons fluistert datgene, wat nog geboren moet
worden. In ons leeft het Al, omdat het leven is en deel van het levende, waarin wij ook thuis
horen, waarvan wij deel zijn. Wanneer alles stil is rondom, dan spreekt deze stem. Eerst
gevoileerd, duister haast in haar woorden en uitdrukkingen: een innerlijk gemurmel, dat zelve
schijnt te zijn, die nog intenser is dan al, wat ons omringt.
Dan krijgt het vorm en tekent in onze geest vurige arabesken: lijnen, die schijnbaar doelloos,
dooreen lopen, totdat zij innig vervlochten woorden vormen en begrippen. Dan openbaart zich
het totaal der Schepping, samengesteld uit het vele kleine, toch zijnde de ene grote Eenheid,
het Onverbrekelijke. Het Onverbrekelijke is God.
Wij schouwen in de stilte op en horen Zijn Stem. Ach, hoe bekrompen is dan ons wezen. Want
meer staat er geschreven, dan wij ooit zullen kunnen begrijpen en bevatten. Meer geheimen
fluistert die stem, dan wij ooit voor onszelf zullen durven onthullen.
God spreekt in de stilte, omdat Hij het Leven is. De stem der stilte is de stem van het zijn, de
stem van a1 het zijnde. Geen raadsel bestaat er meer.
Hoe kunnen wij zo stil zijn, dat wij de stem der stilte horen? Als mens zon je je zintuigen af
moeten sluiten, de geest moeten pantseren, totdat hij ondoordringbaar sterk daar staat, een
afgesloten bol in een wereld van lichtende kracht. Al zou stil en rustig moeten zijn, tot het lijkt,
of je innerlijk slaapt in een slaap des doods. En dan, terwijl de laatste gedachte zacht versterf,
begint het geheimzinnige ruisen, dat wordt tot een orkaan van onthulling.
Een stilte, zó diep en sterk, dat zij dieper is dan het zwartste duister in het Al. Een stilte, zó
blij, dat zij lichter is, dan het licht van een zon. Stilte, die spreekt. Want de stilte heeft een
stem. De stem van ons wezen. Ons wezen, dat deel is van al het zijnde, dat Goddelijk is in zijn
oorsprong. Dat Goddelijk is in zijn bestemming, dat Goddelijk is zelfs in zijn wezen en uiting.
Dat alleen niet kan komen tot de eenheid, die noodzakelijk is, om dit alles weer te openbaren.
Daarom is de stilte voor ons een stem, die luider spreekt, wijzer spreekt en waarder spreekt,
dan wat ook, wat oren kunnen horen en wat de geest en flitsende beelden kan ontvangen.
Er zijn de sferen van stilte, een stilte, waar, in hoogst bereiken, alles wegvalt. Een moment
van waarheidsbeleving wordt tot een eeuwigheid. Er zijn tuinen van lachende stilte, die voor U
- zo reeds gezegd - een duister zijn. Sommigen vrezen die stilte, omdat zij niet kunnen keren
tot de God in, maar altijd buiten het "ik" blijven zoeken. Want de tuinen der stilte zijn de
geopenbaarde schoonheid der Schepping voor hen, die de stem Gods kunnen horen. Maar zij
zijn de barre duistere eenzaamheid, de uitwerping en de uiterste hoek der duisternis voor hen,
die niet luisteren en niet beseffen. Het is een feestmaal van Goddelijke kracht: en wijsheid,
voor hen, die waardig zijn. Het is een kwelling zonder einde voor hen, die niet begrijpen
kunnen, dat door onwaardigheid zij niet in staat zijn deel te hebben aan de eenheid van het
zijnde.
De stem der stilte. Ook de mens kan soms stil worden, zó stil, dat zijn wezen rustend
achterblijft en de geest opwiekt, opwiekt tot een sfeer, waarin zij ook tot stilte komt.
Uiteindelijk vliegt een klein deel van het wezen, een kernende vonk omhoog en in de diepe
stilte, die daar heerst, fluistert God. Die kleine fragmenten dringen door tot geest en stof en
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 9 – 9 juni 1955

vormen beeldend vreemde dromen, tot het rumoer van denken en bestaan, de waan, de
werkelijkheid komt storen en alles terugzinkt.
Wanneer de stilte wordt verstoord, wanneer de sfeer met ene hamerslag gebroken wordt door
het rumoer, dat alverwoestend het bewustzijn vergt te zien naar ene plaats, dan zwijgt de
stem der stilte voor ons. Omdat wij horende doof geworden zijn.
Maar eens komt er een ogenblik voor iedere mens, voor iedere geest, dat de stem der stilte
spreekt. Dat is een ogenblik van wijding, zó groot, dat men - zichzelf verliezend – een ogenblik
meent eeuwigheidswaarden in zich te dragen. En toch, het woord heeft rijm noch rede. Geen
beeld is er, dat het schraagt in ons beperkt bewustzijn.
Dan keren wij terug. En wanneer wij trachten te ontleden, te begrijpen, verblust is de laatste
waarde van deze stem, de herinnering, die nog in ons leefde. Maar kunnen wij het bewaren als
een heiligdom, dier besloten in onszelf, dan is het moment der herinnering de sleutel die ons
toelaat tot de stille sfeer, waar - in het schijnbaar niet-zijn - het intense leven, de Kracht Gods
Zich openbaart in een stem, die spreekt uit de stilte.
Ik dank U voor Uw aandacht
Goeden avond
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

LES 10

Goeden avond, vrienden,
Zo kunnen wij dan vanavond ingaan op de verschillende problemen, die nog belangrijk zijn
voor ons. Heeft U nog speciale voorkeur voor verdere behandeling van een bepaald
onderwerp? Wilt U nog doorgaan op de Goddelijke wetten? Zijn er andere punten, die Uw
belangstelling hebben?
Ja vriend, er is wel een punt, waarin ik belang stel, maar ik weet niet of ik dat nu al direct
naar voren zal brengen. Er is de vorige keer gezegd, dat U nog zou spreken over het
Goddelijke Zelf en de verhouding, die wijzelf tot het Goddelijke hebben. Nu is in de
verschillende lezingen, die wij gehoord hebben, altijd naar voren gebracht, dat wij een
bewustwording nastreven, die in de sfeer van klank en kleur eigenlijk haar afsluiting vond,
in de éénwording met het Goddelijke. Nu vraag ik mij af, of dat de uiteindelijke toestand is,
waarin de mens moet komen, of dat daarna, na die sfeer van klank en kleur, nog weer
datgene, wat wij geleerd hebben in die sferen in een stoffelijke wereld moet worden be-
proefden nader ervaren. M.a.w. is er zoals sommigen zeggen, daarna nog een stoffelijke
wereld?
Ik geloof niet, dat er een stoffelijke wereld is in de zin, waarin U dat op het ogenblik
beschouwt, dus geen menselijk bestaan meer. Maar vergeet niet, dat, wanneer wij eenmaal
zijn doorgedrongen in de kern van het Goddelijke, zover als dit voor ons bereikbaar is, er in
ons een éénklank ontstaat met alle werelden, dus ook met de wereld van de stof. Wij kunnen
er dan ook van overtuigd zijn, dat wij ook verder actief en scheppend werkzaam zullen zijn:
alleen meen ik, dat dit gebeurt in een geheel andere scala van tijd en verschijnselen, dan U op
het ogenblik kent.
Het probleem, dat hier in deze vraag ook weer naar voren komt, noopt mij om toch wat
uitvoeriger te zijn - ik had gedacht om kort samen te vatten - maar iets uitvoeriger te zijn nog
over de verhouding, die wij hebben t.o.v. het Goddelijke en het Goddelijke Zelf, zoals dit voor
ons kenbaar is. Want ik had gemeend, hier met een korte eindlezing van ongeveer 20 minuten
te kunnen volstaan. Klaarblijkelijk heb ik mij hierin vergist. Wanneer wij spreken over God,
dan is dit, dat heb ik al vaak gezegd een voor onbepaalbare factor. God is iets, dat zich aan
ons wezen en weten volledig onttrekt, maar waarvan wij toch zelve deel uitmaken. Wat
moeten wij van onze kant zeggen over het Goddelijke zonder fouten te maken?
In de eerste plaats zijn wij ervan overtuigd, dat alle verschijnselen en alle mogelijkheden, die
ooit zelfs maar in ons kunnen rijzen, binnen het Goddelijke liggen. Ik geloof niet, dat er één
gebeuren kan zijn buiten het Goddelijke om. Wij moeten God dus zien als iets, dat misschien
meer is dan, maar zeker evenveel als het totaal - niet alleen van de verschijnselen - maar van
alle mogelijkheden. Niet alleen van alle bestaande, of voor ons bestaande werelden, maar van
alle werelden, die er ooit zouden kunnen bestaan. Dat is een uiting Gods. Dat geldt dus voor
alle sferen, dat geldt voor onze wereld.
Wij kunnen over het Goddelijke Zelf veel gaan zeggen. Wij kunnen over het Goddelijke gaan
spreken als: de Algoede, de Goedertierende, de Rechtvaardige enz. Duizend en een
bijvoeglijke naamwoorden tot zelfstandig naamwoord gemaakt. Omtrent het Goddelijke één
punt. Ik moet hier helaas iets gaan herhalen, wat wij ook gisteren hebben gezegd in een
geheel andere verhandeling, maar ik meen, dat wij dat toch moeten doen. Er is maar één ding,
waar wij zeker van kunnen zijn: wij bestaan. Als wij bestaan, bestaat er ook een Kracht, die
oorzakelijk is voor ons bestaan.
Wanneer deze Kracht ons schept, dan zal deze Kracht als Schepper ons liefhebben, omdat wij
deel zijn van Zijn Wezen. Een oude stelling, die herinnert U zich misschien nog uit les 2.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

Er kan echter niet gezegd worden, dat er iets buiten het Goddelijke bestaat. God moet dus in
alle dingen gelijkelijk tegenwoordig zijn en in alle dingen gelijkelijk Zijn liefde voor het totaal
van Zijn Schepping tot uiting brengen. Dan zijn alle dingen voor ons samen - in welke wereld
wij ook leven - altijd weer een symbool van God, van het Goddelijke. Het is een vage droom
aan de ene kant misschien, een droom, die steeds weer stuit op de beperking van ons
voorstellingsvermogen, die het ons onmogelijk maakt om God zo te zien, als wij dat gaarne
zouden willen, als een stoffelijk Vat, als iets, waar je je onmiddellijk en direct tot kunt richten.
Hoogstens door een suggestieproces. Voor gegevens, zie les 6, kunnen wij onszelf een deel
van het Goddelijke zozeer voorstellen, dat wij door dat deel toch het geheel kunnen bereiken.
Maar God is in alle dingen. Wanneer wij leren God in alle dingen te zien, dan valt voor ons elke
tegenstelling weg. Enerzijds zou men zeggen, staat hierdoor de bewustwording stil. Anderzijds
echter komt in de plaats van het thans geldende bewustzijns- en bewustwordingsproces een
veel groter bewustzijn: n.l. het bewustzijn van God, Die in en met ons is en Die nooit iets zal
laten gebeuren, dat werkelijk voor ons verkeerd of onherstelbaar is. Die zelfs nooit kan
toelaten, dat er kwaad gebeurt vanuit Zijn standpunt, omdat dit een verloochening van Zijn
wezen zou zijn.
Dat brengt ons tot de vaststelling, dat het Goddelijke voor ons in alle dingen moet zijn, in alles
gelijkelijk. In vreugde, zowel als in pijn. In smart, in lijden en in de verrukking van een nieuwe
bewustwording en een nieuw ontdekte wereld. Al deze dingen zijn in God en zijn God. En in
ons leeft God. Onze vreugden en onze smarten worden evenzeer door het Goddelijke ervaren
en uitgedrukt. Onze eigen verhouding tot God behoort dus eigenlijk een overgave te zijn, een
volledig aanvaarden van het Goddelijke, een opgaan in het totaal van het leven, waarbij wijzelf
wel de gelijk denken en leven en voelen en streven - want dat is onze aard, zo heeft God ons
geschapen - maar aan de andere kant toch ook weer, wanneer wij in het moment leven, ons
niet bezighouden met gisteren en niet met morgen, want alleen in dit moment drukt God zich
voor ons uit en op het ogenblik en dit moeten wij beleven. Niets anders.
Het is begrijpelijk, dat, wanneer wij van sfeer tot sfeer en van wereld tot wereld zouden gaan
er een voortdurende verandering in ons wezen plaats zou moeten vinden, Kan er echter binnen
het Goddelijke een verandering als werkelijkheid bestaan? God is eeuwig en volmaakt. Ik kan
mij geen verandering in iets volmaakts zien, dat de volmaaktheid volmaakt laat. Iets
volmaaktst daar kan niets bij en daar gaat niets meer af. Dus: geen veranderingen, vrienden,
Helemaal geen verandering. Belangrijk punt. Omdat er geen veranderingen kunnen zijn,
moeten wij dus bestaan in elke wereld die ooit deel van ons bewustzijn en leven zal uitmaken.
Kunt U dat volgen? (Ja)
De consequenties hiervan kunnen wij al heel gauw trekken, die zijn eigenlijk niet zo lastig. Wij
moeten dus gelijktijdig bestaan in vele werelden terwijl wij hier op dit ogenblik, zoals U leven
als mens of als geest zoals ikzelf dat meemaak - is het zeer goed mogelijk, dat wij gelijktijdig
ster zijn, die geboren is ergens in een verdeel van de ruimte, en een atoom, dat in razende
vaart, omspinnende zichzelf, ergens deel uitmaakt van de materie.
Het gaat zelfs verder. Want wanneer er geen onderscheid en geen grens tussen werelden
bestaat - en die grens alleen door ons bewustzijn wordt gebouwd - dan kan er ook geen tijd
bestaan. Want elke tijd is een eigenschap van een wereld. Die zou dus moeten verknoopt
worden met de specifiek eigenschappen van een bepaald deel van ons bewustzijn of leven. Wij
kunnen dus gelijktijdig oermens en voleinde engel zijn. Kunt U dat begrijpen?
Ja, dat is te zeggen: in wezen, maar niet in bewustzijn.
In wezen én bewustzijn. Kúnnen. Ik zeg niet: zijn. Kúnnen zijn.
Mag ik even iets vragen? Zoals ik dat kan zien, is dat dus, dat wij dat in bewustzijn kunnen
zijn. Dat ligt dus aan onze graad van bewustzijn.
Inderdaad. Nu is de vraag, die zo-even gesteld werd, die mij genoopt heeft tot deze eerste
uiteenzetting: Bestaat er nog een stoffelijk leven, nadat wij de sfeer van kleur en licht hebben
bereikt, Wanneer ik dan probeer om een eerlijk en waarheidsgetrouw antwoord te geven
volgens ons beste weten, dan moet ik zeggen: ja en neen. Want wanneer Uw bewustzijn de
sfeer verlicht en kleuren bereikt, dan nog zult gij leven in de materie en zult gij misschien ook
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

reeds leven in verdere fasen. Gij zult altijd als geheel bestaan en nooit als een deel. Dat Uw
bewustzijn eerst langzaam van de ene fase tot de ander, overgaat en volledige geboeid door
de nieuwheid van ervaring en verschijnselen de andere werelden tijdelijk uitsluit of terugwijst
tot een vage herinnering, doet aan de reële werkelijkheid, aan het bestaan van die werelden -
ook voor U - eigenlijk toch niets af. Ik hoop, dat U dit kunt begrijpen.
Er kan dus geen "later" voor ons zijn en ook geen "vroeger". Dat is een kwestie van
bewustzijn. Wij kunnen natuurlijk begrijpen, wat wij zijn, of geheel niet begrijpen, wat wij zijn.
Ons bewustzijn kan blijven stilstaan bij een eerste realisatie van zijn zelfs zonder
persoonlijkheidsgevoelens. Maar ook dan zijn wij binnen het Goddelijke de voleinde vorm, die -
wie weet welke moeilijke taak in het scheppend werk, wij verricht. Wij verrichten die arbeid,
maar onze persoonlijkheid is zich daarvan nog niet bewust. In deze andere fasen van ons
bestaan is het dus nog de Goddelijke wet en de Kracht, die ons drijft en is het de Natuur, die
ons voorschrijft, hoe te handelen. Eerst wanneer wijzelf de beheersing van zo'n sfeer hebben
gevonden, zijn wij over deze sfeer meester: treden wijzelf dus in plaats van het Goddelijke en
worden wijzelf de uitvoerende en gelijktijdig wetgevende kracht van het deel van Het Goddelijk
gebied, de Goddelijke Schepping, waarin wij geuit zijn, Kunt U dat nog steeds volgen? (ja). Ja,
het is niet zo heel gemakkelijk, hoor. De conceptie op zichzelf klinkt zeer eenvoudig, maar als
U er over gaat nadenken, dan brengt ze heel veel raadsels en problemen met zich mee.
De grote moeilijkheid, waar wij voor staan, is n.l. de gelijktijdigheid van alle dingen. Die is
voor ons niet acceptabel, omdat wij van moment tot moment leven. Ik zit hier tot U te spreken
en de woorden volgen elkaar: het is geen gelijktijdige uiting........ in ons bewustzijn. Nu
zouden wij een voorstelling kunnen geven van God en van de mens. Ik ga nu even over naar
de stof, die ik eigenlijk voor deze avond had geprepareerd.
Stellen wij ons God voor als een driehoek. Die driehoek is maar een willekeurig symbool. Nu
beginnen wij beneden, tussen de Zoon en de Geest in. Dat kunt U zich voorstellen, nietwaar,
die bekende driehoek van de Drievuldigheid. D.w.z. de Geest (het bewust zijn) en de Zoon,
(de materie), terwijl daarboven staat aan de top de Ziel, dus het Leven zelve. Dat Leven
hebben wij. Wij zijn een driehoek, die volledig congruent is met die van het Goddelijke. Maar
wij zijn a.h.w. doorzichtig. De Goddelijke Driehoek is gevuld, die is vol, daar kijk je niet
doorheen, dat is een compleet tableau.
Als het niet duidelijk is, vertelt U het maar, want ik heb dit voorbeeld met heel veel moeite
geprobeerd uit te vissen.
Stelt U zich nu voor, dat het menselijk bewustzijn steeds wisselt tussen geest en stof, tussen
stof en geest, steeds op een ietwat hoger niveau. Wat gebeurt er nu? Elke keer, dat wij deze
beweging maken, wordt de lijn, die wij trekken, iets korter, want zij ligt boven de vorige. Wij
vullen dat deel van ons wezen in met ervaring, maar wij zijn ons nooit bewust van het geheel
van ons zijn, maar alleen van het punt, waarop wij op het ogenblik griffen. Wij zijn a.h.w. de
schijf zelf, maar wij vereenzelvigen ons met de graveurstift, die lijntje na lijntje voorzichtig:
etsend ons glazen leven ondoorzichtig maakt, het vult met het patroon der ervaring. Duidelijk?
Totdat deze gehele driehoek gevuld is, moeten wij noodgedwongen steeds bij deze stift blijven
met onze aandacht. Want zouden wij afbreken, dan zou niet meer onze ervaring er zijn om
deze stift te leiden en dus de lijn te trekken. Ook duidelijk? Geen gewone lijntrekkerij, hoor, en
ook geen touwtrekken, maar de levenslijn dus. De levenslijn bestaat nu uit bewustzijn en uit
ervaringen.
Wanneer wij echter verder gaan, dan zullen wij misschien duizend, misschien wel tienduizend
lijnen moeten maken, steeds weer heen en weer tussen de beide opgaande lijnen, maar wij
komen langzaam maar zeker hoger. Hoe hoger wij komen, hoe groter de frequentie, waarmee
wij tussen beide waarden wisselen. Duidelijk?
Maar op het moment, dat wij de top bereiken, hebben wij beide krachten in één moment en
houdt de beweging op te bestaan. Want het totaal van ons wezen is beschreven. Er is geen
uitwijkruimte meer, wij kunnen niet meer gaan zoeken buiten onszelf, maar wij kunnen alleen
gaan zien, wat wij in onszelf zijn. Op dit moment kunnen wij pas ons eigen wezen gaan
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

beschouwen voor wat het werkelijk is. Op ditzelfde moment zijn wij congruent met het
Goddelijke, d.w.z. zijn wij aan God gelijk, behalve in onze oorsprong. Is dat duidelijk?
Dat probleem, dat brengt met zich de vraag mee: Kan ik dat hoogtepunt niet eerder en niet
gemakkelijker bereiken? Ja. Dat hoogtepunt is gemakkelijker te bereiken. Wij kunnen een punt
vinden, zelfs vanuit dit moment, waarop U op het ogenblik bestaat, dat U onttrokken aan een
realiteit één wordt met Uzelf in het hoogtepunt, waar de Ziel, de levende kracht dus, zich
openbaart in beide aspecten gelijktijdig en volledig. Maar heeft U dat bereikt, dan heeft U wel
de realisatie, maar U heeft niet de inhoud: U kunt Uzelf niet beschouwen gaan en in Uzelf een
volledigheid erkennen. Wanneer gij de volheid der levenservaring niet hebt gebruikt om het
gehele vlak van Uw zijn te vullen, dan zult gij altijd weer terug moeten tot het punt, waar gij
eens bent opgehouden en verder gaan. Dat is ook duidelijk, hè?
Dan komt voor ons de vraag: Wat is God dan? Wel, God kunnen wij ons voorstellen als een
heel dikke koek. Het was een hele grote driehoek. Die werd in schijven gesneden van een
duizendste millimeter. Er zijn heel wat schijven, die er in gaan. Elk van deze schijven was een
persoonlijkheid, die als beeld en gelijkenis volkomen gelijk was aan het Goddelijke: in Zich het
totaal van dezelfde mogelijkheden en zelfs eigenschappen borg. De hoeksverhoudingen b.v.
waaronder stof en geest liggen, of een belevingslijn t.o.v. een bewustwordingslijn, zijn in al
deze dingen volledig gelijk. Maar door deze deling was het Goddelijke verdeeld in zovele delen,
zovele stukken uiteengevallen a.h.w. Dat uiteenvallen zou kunnen inhouden dat het Goddelijke
inderdaad gedeeld en verdeeld waren, dus als Goddelijkheid op het moment niet zou bestaan.
Indien wij inderdaad aan de twee-dimensionale ruimte gebonden zouden zijn en zelfs de
drie-dimensionale verhouding, waarin de voorstelling op het ogenblik mogelijk is.
Maar stellen wij nu, dat er een vierde is, waarbij uiteindelijk onze driehoek – het Goddelijke,
Die wij delen - niet is in deze vier-dimensionale verhouding materie), maar juist het Niet, dat
door materie wordt omringd. Kunt U dat ook volgen? (Stilte). Erg lastig?
Stelt U het zich dan zó voor: De vierde dimensie, die wij rond onze driedimensionale koek
heen bouwen, is een soort van bol, met allerhande uitsteeksels (aan drie kanten) en in het
midden is een ruimte uitgespaard, die zuiver gelijk is aan deze driehoek met zijn verdere
afmetingen, dus deze driehoekige koek, die wij zien als het Goddelijke. Kunt U dat begrijpen?
Voorstellen kunt U het zich waarschijnlijk niet. Maar kunt U aanvoelen, wat ik bedoel, of
(Stilte). Het schijnt erg lastig te zijn. (Stilte).
Nog simpeler. Wat wij zien als realiteit, is in werkelijkheid slechts ruimte, waarin de
werkelijkheid, het bestaande, zich uit door zijn uitstraling. Kunt U dat bevatten? (Ja). Dat is
nog onjuister dan het vorige beeld, maar aangezien U het beter begrijpt, schijnt het
bevredigender te zijn, maar het komt toch op hetzelfde neer. Wat dus voor ons werkelijkheid
lijkt, is een emanatie van het Goddelijke, een uitstraling. De persoonlijkheidsverschijnselen,
waardoor wij gelijk zijn aan al hetgeen voor ons van het Goddelijke te concipiëren is, is dus
uiteindelijk niets anders dan een deel van een waan: een deel van de Goddelijke uitstraling,
gesepareerd door een verschillende opvatting omtrent ruimtelijke verhoudingen. Kunt U dat
vatten? Ja? (Vele storende geluiden van buiten). Ja, wij hebben ook wel een klein beetje
afleiding zo nu en dan. Het stoort zo hier en daar een beetje. Maar ja, daar moeten wij maar
overheen stappen, want de hitte zou waarschijnlijk nog storender zijn.
Ik kan het raam wel dicht doen.
Ik zeg juist, dan krijgt U misschien nog meer last van de hitte. Ja, het belet U n.l. om U
volledig te concentreren op wat ik zeg. Dat zijn toch heus wel punten, die wij op het ogenblik
aan het bespreken zijn, die wij toch natuurlijk met concentratie moeten trachten te volgen.
Vooral ook, omdat wij er voorlopig waarschijnlijk niet verder over zullen spreken. Stelt U het
zich zo voor: Er is een werkelijkheid. Die werkelijkheid noemen wij God. Er is een honingraat -
Ik ga het eenvoudiger zeggen. Wat is het kentekenende? Dat voor de beschouwer de
eigenschap niet ligt in de materie, waaruit ze is gebouwd, maar uit de vorm, waardoor zij een
verzameling van cellen is geworden. Toch zijn die cellen zelf t.o.v. de raat niets. Dat is ook
duidelijk? Nu moet U zich eens voorstellen, dat Uw wereld t.o.v. het Goddelijke niets anders is
dan de cel van een honinggraat. Wanneer ik op die celwand zeer fijne strepen zou aanbrengen,
dan zou ik mij kunnen voorstellen dat - dus symbolisch - deze ledige ruimte gescheiden is in
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

idem zoveel vlakken. Nu zeg ik: elk van deze vlakken is een persoonlijkheid. Dat is toch ook
begrijpelijk, hé? Wat heb ik dan als de kern van de mens?
Waan, zou ik zeggen.
Niets, begrensd door het Goddelijke. Maar wanneer "niets" door het Goddelijke wordt begrensd
en het "niets" in Zichzelf tevens begrensd is - let wel - dan zullen de verschijnselen van het
Goddelijke een beeld vormen, dat - zolang het Goddelijke als begrenzing aanwezig is - het
"niets" vult: de scheppende werking van het Goddelijke. Kunt U het volgen?
Dan hebben wij hier de oplossing van ons eigen wezen. Wij worden a.h.w. volgetekend - heb
ik gezegd met die driehoek met lijntjes -, totdat wij ondoorzichtig zijn. Wanneer wij het "niets"
voortdurend sterker vullen met uitstraling van het Goddelijke en hierin een patroon brengen,
dan wordt op de duur dit patroon een werkelijkheid, ook al wordt het alleen door de
begrenzing in stand gehouden en heeft het geen eigen substantie, zoals U iets kunt zien, een
film b.v. die staat niet op het doek, en toch heeft ze betekenis, en toch zegt ze iets, is ze iets,
nietwaar?
Zo is het met Uw leven. Maar nu is het eigenaardige met Uw leven, dat het nooit buiten de
grenzen van het Goddelijke kan zijn. Terwijl een eigenschap van het Goddelijke is, dat het
voor onze opvattingen volmaakt is. Wat het voor Zichzelf is, weten wij niet. Voor ons is het
alles, wat voor ons mogelijk is. Duidelijk?
Het resultaat is dus, dat ín het vlak van ons zijn de volmaaktheid van ons eigen wezen ligt
opgesloten. Maar nemen wij één wand weg van die cel, dan is de ruimte niet meer begrensd
en als zodanig is er geen persoonlijkheid meer aanwezig. Kunnen wij dit ook volgen? (ja). Wij
kunnen dus alleen bestaan, zolang wij geheel in het Goddelijke besloten zijn en hebben dan
ook een persoonlijkheid, die van het begin af aan in het Goddelijke vaststaat, die door het
Goddelijke wordt bepaald. Ik hoopt dat ik het niet te zwaar maak? (Neen, neen). De vakan-
tiegangers zijn het ontlopen.
Neen, het is een prachtig beeld. Ik begrijp het nu ineens.
Nu, dat doet mij erg veel plezier, als U dat nu over twee weken nog kunt zeggen: "Ik heb het
toen ineens begrepen en nu weet ik het", dan kunnen wij elkaar feliciteren.
Ik zou dus kunnen zeggen: als de wanden wegvallen, dan is het er niet meer. Dan is het er
eigenlijk niet geweest, want die wanden kunnen niet wegvallen.
Neen, omdat het Goddelijke in Zichzelf eeuwig is, volgens onze opvatting.
Het kan dus niet wegvallen, zouden wij kunnen zeggen.
Wij kunnen dan ook nooit teniet gaan. M.a.w. ons bestaan en het bestaan van het Goddelijke
zijn met elkaar volledig verknoopt. Wij zijn het resultaat of het product van het bestaan van
het Goddelijke en zijn wij dan ook door een uitstraling van het Goddelijke ontstaan, die
uitstraling moet altijd als capaciteit, of als uiting in het Goddelijke aanwezig blijven. Wij willen
nog aannemen, dat het in vorm kan wisselen, nietwaar, van slapend tot wakend, maar het
Goddelijke kan niet veranderen. Het Goddelijke is volmaakt. Op het ogenblik, dat het
Goddelijke dan weer ontwaakt, zijn wij wederom met en ín het Goddelijke, zoals wij altijd
geweest zijn, Merkt U, waar ik naar toe wil? Heeft er iemand een idee gekregen?
Ja, misschien zeg ik het verkeerd, maar wij komen ten allen tijde weer tot het punt van
uitgang terug. Bedoelt U dat misschien?
Inderdaad, maar ik bedoelde nog meer. De mens, zoals alle schepping, is uiteindelijk slechts
een geuite functie Gods, die in zichzelf in de volmaaktheid Gods ten allen tijde besloten heeft
gelegen en zal liggen, ongeacht de wijze, waarop zij geuit is en het moment of tijdstip, waarop
zij geuit of teruggenomen wordt. Zij blijft bestaan. Duidelijk?
Ja, in wisselende vorm.......
In wisselende vorm? Zelfs dat niet. Ons bewustzijn kan een wisseling van vorm zien, maar in
wezen blijft het zichzelf volkomen gelijk. Wat er ook gebeurt en hoe het ook gebeurt, het blijft
zich zelve volkomen gelijk. Nu zitten wij alleen nog met de grote moeilijkheid: Ja, maar wij
kunnen dat niet aanvaarden. Wij kunnen het misschien horen, wij kunnen erover praten, wij
kunnen het heel mooi vinden, maar aanvaarden kunnen wij het niet, want zelfs terwijl wij
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

spreken, tikken de seconden van de tijd weg, veranderen de verhoudingen, wordt het wat
donkerder, enz. enz. Nietwaar? Ons bewustzijn is niet in staat om een volledig beeld te
vormen van het eigen "ik". Zodra het gehele "ik" gekend wordt, wordt het Goddelijke gekend
in zoverre als het in relatie staat tot het eigen "ik". Dat is alles, wat wij ooit van Gód zullen
kunnen kennen.
Als wij dus onszelf kennen, dan kennen wij God?.
Inderdaad. Vandaar ook dat zovele wijsgeren altijd weer wijzen op de weg naar binnen toe. Nu
is het eigenaardige: hoe verder je naar binnen toe dringt, hoe minder "tijd" een reëel besef
wordt. U heeft ongetwijfeld wel veel gehoord van trancetoestanden, waarin verplaatsing in tijd
en ruimte plaats vinden. Wat houdt dat in? Die verplaatsingen kunnen alleen plaats vinden,
wanneer het "ik" daar inderdaad is. Want U kunt zich alleen bewegen binnen Uw eigen vlak
van "zijn". Dat is een stoute conclusie, hè?
Maar als wij het dan eens zó bekijken: Ons bewustzijn is één puntje op de lijn "aarde", die in
ons gaan tussen stof en geest getrokken wordt, waarbij wij ín deze lijn het totaal der ervarin-
gen en het wezen der wereld verwerken. Hoe wij het neergriffen, komt er niet op aan, maar
alle gegevens moeten wij hebben. Dan kunnen wij ook in alle gegevens grijpen, die wij zelf
zijn. Maar wij kunnen dat alleen, wanneer wij de graveerstift loslaten en a.h.w. vliegende in
onze vroegere ervaring. Daar gaat het om. Dus vanuit ons eigen verleden komen tot een
vaststelling van een punt waar wij dan weer een ogenblik de graveerstift opvatten en vanaf
dát punt even verder schrijven. Dan hebben wij dus een visie in de toekomst, of op een ander
deel van de ruimte enz. Kunt U dat nog vatten?
Ja, dat andere deel van de ruimte, dat kan natuurlijk ons oog (?) zijn.
Ja, kijk eens, laten wij het nu eens heel simpel zeggen: U besluit eens eventjes te gaan kijken,
wat Tschang Kai Schek en nog een paar anderen uitvoeren. En U verplaatst Uzelf dus - zoals U
dat noemt - helderziend naar China en U neemt waar wat daar op het ogenblik wordt
gesproken. - ondanks de heel andere tijd, die daar heerst - en heel ernstig gesproken. Nu kunt
U natuurlijk zeggen: "Ik heb die ander waargenomen". Maar ik zeg: "Fout, U hebt alleen
waargenomen datgene, wat in Uw bewustzijn een zeer kleine invloed was - wat ook de
handelingen van Tschang Kai Schek beïnvloeden, en U heeft dit minuscule punt van aanraking
van Uw eigen leven uit het verleden met een plaats of met een persoon opgenomen en van
daaruit dus Uw eigen leven, uitgebreid met de nadruk op bewustzijn in dit punt.” Vandaar kon
U tot op het moment "heden" doordringen, want zover als de tijd is volgeschreven, bent U niet
meer aan tijd gebonden en kunt U er overheen springen a.h.w. met allerhande trapjes: maar
dan bent U in het heden en dan beleeft U als ware U werkelijk daar enz. En - al gelooft U dat
misschien ook niet - dan heeft ook stoffelijk dit alles invloed. En geestelijk. Het heeft op Uw
hele ervaring, op Uw hele bewustwording, een invloed. Is dat nu duidelijk? Of niet? Als het niet
duidelijk is, mogen jullie het wel zeggen, hoor.
Ik kan mij alleen niet voorstellen, hoe men zich kan verplaatsen.
Het moet natuurlijk een invloed hebben, dat kan ik mij begrijpen. De verplaatsing is een
kwestie van bewustzijn, Bewustzijn is voor de mens "voorstellingsvermogen". Ons
voorstellingsvermogen wordt gerealiseerd in een ander punt van ons wezen.
Ons voorstellingsvermogen kan voor allerlei dingen gelden. In de wereld noemt men dat
vaak "fantasie". Dus die fantasie kan ook waarheid zijn.
Ja, wij kunnen ons nooit iets voorstellen, wat niet waar is.
Dus elke fantasie is een waarheid?
Is een waarheid.
Dus dan zou je daarop door kunnen en dan kom je altijd op een waarheid uit?
Neen, het is altijd, een waarheid.
Dus het is altijd goed, wat je denkt?
Het is een waarheid, Wat je ook denkt, is goed, zolang het niet in strijd is met de
bewustzijnsfase van dit ogenblik. Dan krijgen wij de kwestie van rechte weg en omwegen. Wij
weten, wij kunnen in de fantasie - zoals men dat dan misschien noemt - stijgen dus tot het
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

punt, waar wij het Goddelijke beroeren, waar wij de drie factoren van het zijn gelijktijdig
beleven. Dus Ziel, Geest en Stof.
Maar wij hebben ons leven niet volgemaakt en wij moeten terug en die ervaringslijn verder af
maken. Daarom heeft de fantasie en de gedachte voor ons geen enkele waarde. Zij kan voor
ons een leidraad betekenen bij ons handelen en ons zijn. Maar op het moment, dat de
gedachte een gedachte blijft, is ze voor ons waardeloos en kan hoogstens onze daden negatief
beïnvloeden. Zijn wij nu iets duidelijker geworden? (Ja). Dan kom ik tot het volgende punt:
Elke mens is deel van de wereld en als zodanig werken alle factoren der wereld in elke mens.
Is dat acceptabel? (Ja). Over de stelling moet U ook maar eens nadenken: er zullen nog wel
vragen overkomen, maar deze vraag kunnen wij althans bij de filosofieën over het Goddelijke
in het volgende jaar ook bespreken. Dan hebben wij ook wel veel mogelijkheden. De mensheid
als zodanig is dus qua bewustzijn volledig gebonden aan elkaar. Het is onbelangrijk, wat elke
mens als zodanig is, tenzij hij is in relatie tot zijn wereld. Duidelijk?
Wij zijn dus eigenlijk vele werelden tegelijk, maar alleen daar, waar wij een contact hebben
met deze wereld, kunnen wij voor onszelf het bewustzijn verwerven, dat ons boven deze
wereld, verheffend, het recht, de macht en het vermogen heeft om in deze wereld ten allen
tijde in te grijpen en onze eigen impressies daar te corrigeren. Kunt U dat begrijpen?
Wanneer wij eenmaal de hoogste top bereikt hebbende: het gehele leven met ervaring hebben
gevuld, dan zullen wij ontdekken, dat in het patroon van ons leven vele fouten zitten. Wij
zullen dan die fouten goed maken. Om die fouten goed te maken, zullen wij terug moeten
keren tot bepaalde momenten in leven en wereld, die eigenlijk reeds verleden zijn voor ons,
maar die voor anderen die op dat moment met die stroming in contact staan, de werkelijkheid
van nu is. Zo kan men terugkeren van de volmaaktheid van de Vader tot de wereld om mens
te zijn en zo een deel van eigen leven te corrigeren en dit aan te passen aan het volmaakte
schema, dat men erkend heeft in het Goddelijke. Dit kan alleen zó ver gaan, tot het eigen “ik”
de volmaaktheid heeft bereikt, die het Goddelijke heeft. Dan bestaat er voor de mens geen
afzonderlijk bestaan meer, want hij kan niet meer handelen binnen zichzelf. Buiten zichzelf
handelen is voor hem een onmogelijkheid, omdat hij alleen binnen de grenzen, die het
Goddelijke hem stelt, kan handelen. Duidelijk?
Dan mogen wij er ook van overtuigd zijn, mijn waarde vrienden, dat je alleen maar met God in
éénklank zijn kunt, wanneer je de volmaaktheid hebt bereikt. Maar ben je in éénklank met
God, dan zul je dus het totaal van de Goddelijke werkingen vanuit jezelf reproduceren.
Duidelijk?
Want dan ben je gelijk aan dat Goddelijke met dit verschil, dat het Goddelijke omgeeft en jij
a.h.w. de weerspiegeling bent in een dimensionaal lager staand vlak. Ik zal dus op een lager
vlak de volledig scheppende functie van het Goddelijke overnemen, maar zonder eigen impuls,
maar alleen als vertegenwoordiger van de scheppende Kracht en de uitingskracht van het
Goddelijke, dat rond mij is. Welks volmaaktheid ik weergeef door de beperktheid van mijn
eigen wezen. Daar heeft U dan het Goddelijke in de verhouding tot het Goddelijke van de
mens.
Ja, Het is zo eenvoudig gezegd en het is zo moeilijk te bereiken
Nu, ik ben blij, dat U tenminste het zeggen eenvoudig, vindt. Het bereiken, daar zou ik mij
maar geen zorgen over maken, als ik U was. Kijkt U eens, onze cursus hebben wij gegeven
met de bedoeling om een inzicht te geven in het Goddelijke en in onze eigen relatie. Het gaat
ons hier niet om een bereiking, begrijpt U dat goed. Zo min als iemand, die een landkaart
tekent, van U verwacht, dat U alle wegen zult gaan reizen, die op zijn landkaart staan, Dan
zou ik U niet graag alleen maar het stratenplan van Den Haag zien afwerken.
Het gaat dus om het bewustzijn van het nut van die kaart?
Ja, je weet dus, dat er bepaalde verhoudingen bestaan - en treden die factoren op - moet je
een deel van die weg in die stad gaan dan weet je ook, hoe je die het beste kunt gaan. Daar
gaat het om, één kaart is er niet om al die wegen ook in werkelijkheid te gaan, maar om,
wanneer je één van die wegen in werkelijkheid zult moeten gaan, ook de juiste weg te kunnen
kiezen.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

Ja, dus het is eigenlijk als een troost bedoeld: wat je ook doet, je bent altijd in het
Goddelijke: je handelt natuurlijk volgens je beste impulsen, zo goed mogelijk, dat doet
ieder mens, maar het is altijd goed, want je bent zo.
Ja, dat is inderdaad waar. Nu komen wij aan het laatste puntje, dat ik voor deze avond van
mijn kant heb en dan moogt U verder desnoods vragen stellen, zoveel als U wilt, maar dan ga
ik van mijn kant niet meer zelfstandig verder en dat is dit. Wanneer wij een lijn etsen in die
driehoek, dan bewegen wij ons in een bepaalde richting, waar of niet? Die uiterste punt, die
door ons bereikt werd op die lijnt is het punt van onze grootste bewustwording in het huidig
vlak. Duidelijk? Op het moment, dat wij gaan handelen, reageren of denken in een minder
bewuste fase, leggen wij dezelfde weg terug af en verlengen wij dus de tijd, die wij nodig
hebben om de voleinding te bereiken. Is dat duidelijk?
Dus alles, wat je doet, is goed, omdat je bent, wat je bent?
Inderdaad. Maar je bent ook een bewust wezen. D.w.z. dat je op dit moment een richting
hebt, waarin je wilt streven: een opvatting hebt omtrent hetgeen goed is (vóór je ligt) en
kwaad is (achter je ligt). Zolang je je beweegt in de richting, die voor jou persoonlijk goed is,
werk je dus verder aan het vullen van het vlak en kom je steeds dichter bij de Goddelijke
volmaaktheid. Op het moment, dat je teruggaat, verdiep je een lijn, die echter ligt in het
verleden. Je zult die nog eens een keer moeten afleggen en wanneer je eenmaal de volheid
bereikt hebt, zul je zien, dat dat drie keer afgelegde stukje weg niet mooi is, zul je naar
beneden moeten gaan om dáár eerst de groef uit te wissen en ze dan opnieuw en op de juiste
wijze te trekken, anders kun je nooit de volmaaktheid van het Goddelijke in jezelf kennen.
Dus onze houding tegenover het Goddelijke moet zijn: aanvaarden van het leven, van alles,
wat het ons biedt. Het aanvaarden van alles als komende van Gód en zelfs misschien een
beetje "zijnde God". Begrijpt U?
Echter met dit voorbehoud, dat wij ons binnen het Goddelijke nu eenmaal op een bepaalde
baan bewegen, die deel uitmaakt van onze ontwikkeling en dus onze benadering van een
begrip van het geheel. Dat wij tegen deze richting nooit in moeten gaan en als zodanig ons
moeten laten leiden door ons bewustzijn. Waar de fase, waarin men zich bevindt bij het vullen
van het vlak voor velen geheel anders kan liggen, zal zeer zeker gezegd kunnen worden, dat,
wat voor de één goed is, voor de ander kwaad is en omgekeerd. Verder gaande kunnen wij
zelfs zeggen, dat de wisseling tussen concepties "goed en kwaad" veelvoudiger optreedt:
naarmate men meer bewust wordt. Want men komt hoger in de driehoek en de weg, die van
punt tot punt wordt af gelegd, is steeds korter. Dan gaan wij toch weer terug. Alleen een
eindje hoger, op een hoger plan. Nu, dan heb ik U, geloof ik, nog een aardig inzicht gegeven in
deze materie. Tenminste, ik hoop het, hoor. Zijn er nog vragen? Geen vragen meer? (Een
gemompel over "Later"). Later......wat een optimisten. Hoogstens nog één keer kunt U vragen
stellen. Dan gaan wij met een nieuwe cursus beginnen, dan komt het misschien nog wel eens
in de "Vragenrubriek" te berde, maar dan krijgt U met een heel andere tactiek te doen. Houdt
U daar rekening mee? Dat programma, dat door ons is opgesteld in samenwerking met het
aardse Bestuur, dat is volledig uitgebalanceerd op de behoeften, die wij menen te zien bij de
mensen en de mogelijkheden, die bij ons bestaan.
Wij hebben alles gezamenlijk afgesproken, tot zelfs de prijzen.
U zult er misschien om lachen, maar dat is toch in zekere zin noodzakelijk om te zorgen, dat
wij niet te ver de ene en niet te ver de andere kant zouden uitgaan. Wij hebben het geza-
menlijk overlegd en gezegd: "Dat kan". Maar toen hebben wij ook gezegd: "Nu moeten wij drie
cursussen parallel laten lopen, zodat ieder, die één cursus volgt, in staat is om de baten van
drie cursussen te genieten". Begrijpt U?
Dat hield in, dat wij helaas het eerste gedeelte voortaan zonder deze gezellige uitwisseling van
gedachten moeten geven. Dan wordt er gedoceerd. Nu kan ik wel een aardig staaltje doceren
weggeven, maar dat is toch weer wat anders. Dus de sfeer van het eerste gedeelte zal zeker
aanmerkelijk veranderen. Daar staat tegenover dat U, wanneer er gedoceerd wordt, natuurlijk
te maken krijgt met een veel prettiger en langzamer spreekwijze.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

Kijk eens, ik, kan dat nu even met een aanloopje eruit gooien, weet U wel: dan vertel ik dat
even en het is afgelopen. Dat doet een docent natuurlijk niet. Een docent vraagt niet: "Begrijpt
U het, of begrijpt U het niet?" Die stelt zijn beelden zo klaar en duidelijk mogelijk. Wanneer het
afgelopen is, dan kun je er misschien wat over vragen.
Wat het tweede gedeelte betreft, ja, dat kan niet in één slag worden opgenomen, zonder de
financiële lasten zeer hoog te maken, terwijl de baten daarvan betrekkelijk gering zijn. Wij
geloven dat de kringen onderling dan altijd wel in staat zullen zijn om een methode te vinden
toch van dat tweede gedeelte kopieën in handen te krijgen van datgene, wat hen interesseert.
Begrijpt U? Dat kan misschien onderling geregeld worden, maar dat moet buiten de Orde en
buiten het Bestuur a.h.w. omgaan. Dat wordt niet officieel meer. Op deze manier hopen wij
dan alles zo in de juiste richting gedreven te hebben.
Om U een klein staaltje te geven van doceren - waarom niet, u bent toch klaar met vragen. Als
ik U iets laten horen van docerend onderricht, zoals wij dat zullen geven in de
cursus..........nu, welke cursus zullen wij nemen? Laten wij nemen "Filosofieën over het
Goddelijke", dan blijven wij in de stijl.
Een mens stelt zich zijn wereld voor in eindigheden. Deze beperking treedt overal op, tot zelfs
in het voorstellingsvermogen, dat onbeperkt zijnde in zijn vermogen, begrensd wordt door het
bewustzijn, dat de mens bereikt. Zo wordt het voor de mens onmogelijk enigerlei waarde te
bereiken, laat staan een oneindige waarde toe te passen in de juiste wijze voor zijn eigen
wereld.
Er kan dus nooit sprake zijn van een uitreiken van God naar de mens. Slechts de mens kan
trachten naar zijn God te reiken en zal dan - als antwoord op zijn vraag - dat deel van het
Goddelijke kunnen bereiken, dat binnen zijn eigen voorstellingsvermogen ligt. Het valt de
mens over het algemeen zeer zwaar om de gedachten Gods nader te omschrijven in een wijze,
die acceptabel blijft voor zijn vernuft, terwijl zij anderzijds aan zijn gevoelsbehoeften volledig
tegemoet komt. Daarom zal elke mens voor zich een gedachte vormen omtrent het Goddelijke.
Naarmate deze scherper omlijnd en scherper omraamd is, zal zij enerzijds zijn vermogen om
een groot deel van het Goddelijke aan te roepen en van daaruit kracht te ontvangen, sterk
benauwen en beëngen. Anderzijds echter zal zij de gelegenheid geven om door een zeer
scherpe voorstelling van een deel van het Goddelijke dit op eenvoudiger wijze te benaderen en
te bereiken, en zo dus - zij het zeer beperkt - dan toch zeer intens krachten uit het Goddelijke
te ontvangen.
Wat zoudt U ervan zeggen zo? Weer een andere stijl hé? En dat bent U niet van mij gewend.
Toch zit er een hoop in, ook in dit kleine stukje, dat ik U reciteerde: wat overigens geen deel
uitmaakt van de werkelijke cursus, hoor. Het is alleen maar een beetje de stijl.
Nu kan ik dat dan gaan besluiten, want wij zullen toch dit eerste gedeelte niet verder
voortzetten.
Als U geen vragen heeft, geloof ik niet, dat het nu dienstig is om nog veel te gaan vertellen. U
heeft n.l. een stof opgekregen vanavond, als U die nu verwerkt, voordat wij met de nieuwe
cursus beginnen, dan kunnen wij zeggen, dat de resultaten van deze cursus zeer verbluffend
zijn geweest. Wanneer U dit kunt begrijpen, dan bent U n.l. zover gekomen, dat U menige
doctor in de Godgeleerdheid nabij komt en menige filosoof in zuiverheid van conceptie kunt
overtreffen. Misschien zelfs zó ver, dat U als mens een zuiverder inzicht hebt gekregen in de
werkelijkheid van het leven en daardoor ook voor Uzelf vruchtbaarder en gelukkiger kunt
leven. Wie weet?
Daarom zullen wij zeggen, vrienden, voorlopig dan allemaal een prettige vakantie (Dank U),
want vakantie zal het worden. Wanneer wij elkaar de laatste keer spreken, dan hoop ik U
terug te zien, vooral U van deze avond, en verstandige vragen te horen over al, wat wij U
vandaag gezegd hebben.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

Goeden avond, vrienden,
U heeft dan weer de gelegenheid om Uw eigen vragen en problemen naar voren te brengen,
dus, wanneer U dat wilt, gaat Uw gang. Iemand die persoonlijke problemen naar voren wil
brengen? Ik heb niet gezegd "persoonlijke". Eigen problemen zijn geen persoonlijke
problemen. (Stilte). Zijn er geen problemen? Zullen wij dan over iets gaan praten? Waar wilt U
over praten? Wat vindt U op het ogenblik het beste? Wilt U praten over de wereldtoestand, wilt
U praten over het Goddelijke, wilt U een andere verhandeling hebben over andere waarden?
Doet U maar een voorstel.
De wereldtoestand misschien?
De wereldtoestand. Wel op het ogenblik - en vanuit de geest is dat zeer sterk bevorderd - is
men op het ogenblik bezig om naar vrede te zoeken. Dat zoeken naar vrede, dat is niet alleen
maar goedwillendheid. Maar dat is ook het feit, dat op het ogenblik enkele wapens zijn
gemaakt, die eigenlijk tot de gevaarlijkste behoren. Men heeft n.l. een wapen geperfectioneerd
in Rusland, waarmee men op een hoogte van ongeveer 65 km kan vliegen. Dat is een soort
raket vliegtuig met vleugels. De eigenaardige uitwerking brengt met zich mede, dat, wanneer
dit voertuig eenmaal gedaald is - het gebruikt zijn vloeistof om te stijgen alleen - het door de
dichter wordende atmosfeer als een steentje, dat U over het water wegkeilt, weer wordt
opgeworpen en dan sprongen maakt met een gemiddelde hoogte in het begin van 70, later
van 60 en uiteindelijk gemiddeld van 50 km. D.w.z. dat een dergelijke raket, b.v. afgevuurd in
de omgeving van Omsk, met de snelheid, die het bereiken kan, in twee uur boven Brooklyn
kan zijn, dus boven New York. De laadvermogens zijn niet zo groot, maar een dergelijk
voertuig kan toch één tot twee atoombommen van de huidige afmetingen met zich voeren. U
begrijpt wel, dat het reden is voor het Westen om de vredelievendheid van de Russen althans
op de proef te stellen. Gelijktijdig hebben ook de Amerikanen, op het ogenblik enkele
bijzondere wapens geperfectioneerd. Hun ruimtestation, hun ruimteraket heeft hun zoveel
gegevens verschaft, over de toestand aan de grens van de aardatmosfeer, dat ook zij op het
ogenblik in staat zijn om voertuigen te bouwen, longline-bombers die met een snelheid van
ongeveer 1400 km per uur kunnen bewegen en met één vloeistoflading, met één tank dus,
één keer tanken, een afstand af kunnen leggen, vergelijkend uitgedrukt van San Francisco
over New-York, Amsterdam tot Alababad. Dat is dus ongeveer de helft van de wereldomtrek.
Dat houdt in, dat een dergelijk voertuig, startende nemen wij aan in de buurt van Chicago,
vliegen de over de Pool, alle grote Sovjetindustriegebieden kan bereiken en daarna nog
voldoende vloeistoflading overhoudt, voldoende brandstof heeft om zich in veiligheid te stellen,
hetzij in Europa, hetzij in Afrika, hetzij op de Filippijnen. Dit wederzijdse spel heeft natuurlijk
de wereldvrede sterk bevoordeeld en wij zullen wel te horen krijgen over verschillende
ontwapeningsvoorstellen, waarbij men enkele inderdaad aanneemt.
Dat betekent ook tevens een aflopen van de huidige bewapeningswedloop en een stilteperiode
van ongeveer zes maanden. In deze zes maanden mogen wij aannemen, dat de prijzen van
verschillende ruwe stoffen sterk naar beneden zullen lopen. Dat zal op zijn beurt voor vele
maatschappijen, die op het ogenblik zeer grote voorraden hebben, een aanmerkelijk financieel
bezwaar betekenen. Er is dus in de industriële sector vooral in enkele grotere landen, een
zeker oproer te verwachten. Dat oproer zal zich waarschijnlijk voortzetten in de verschillende
meer financiële districten. Waar vele banken op het ogenblik als financiers optreden van
enorme industriële ondernemingen, kunnen wij zelfs de mogelijkheid in ogenschouw nemen,
dat een groot aantal bankhuizen, ofwel failliet gaan, ofwel de Staat door het schappen van
geld, dus het drukken van meer noten pardon, meer bankbiljetten, zal trachten tegemoet te
komen aan de plotselinge eis om uitbetaling. Dat betekent dan echter een inflatie, die voor
verschillende landen als de Verenigde Staten en Frankrijk b.v. zeer fatale gevolgen kan
hebben. In dit jaar mag worden verwacht, dat de landbouw weer betrekkelijk gunstige
resultaten zal maken, vooral met de late oogsten: dus de wintertarwe zal misschien iets teleur
stellen, maar daar staat tegenover, dat de zomertarwe een buitengewoon goede opkomst, een
rijke opbrengst ook belooft. Ik geloof niet, dat de wereldmarkt op het ogenblik in staat is tegen
de geldende prijzen al deze producten af te nemen. Ook in de agrarische sector kunnen wij dus
rekenen op zekere instabiliteit.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

De verschillende arbeidersbonden zullen natuurlijk trachten om pressie op te leggen aan de
verschillende staten en dergelijke. De mogelijkheid bestaat echter dat binnen zes maanden
een aantal van de thans gesloten overeenkomsten, arbeidersovereenkomsten en verdragen,
niet meer kunnen worden gehonoreerd door de firma's, zonder dat zijzelve hierdoor failliet
gaan. Dat betekent weer onrust en onvrede bij de arbeiders. Kort en goed, de periode, die
komen gaat, gebaseerd op de huidige toestand, belooft veel conflicten van meer, interne aard
in de verschillende landen en de meest fantastische prijsstijgingen en prijsdalingen van de
laatste 20 jaar. Dat wil heel wat zeggen.
Wij mogen dan ook niet vergeten, dat een dergelijke onrust een bepaalde bedoeling moet
hebben, wil zij werkelijk op aarde iets goed kunnen uitrichten. De staten zullen trachten deze
ongunstige verschijnselen op te vangen door oorlogsdreigingen te fingeren en uit deze
gefingeerde oorlogsdreigingen kan tegen het einde van dit jaar zelfs een zeer reële
oorlogsdreiging voort komen. Het zou niet onmogelijk zijn dat de periode rond Kerstmis b.v.
een grote reeks van zeer sensationele mededelingen over oorlogsgevaar en internationale
spanningen opleveren.
Ik voor mij geloof niet, dat men het tot een werkelijke oorlog zal laten komen, vooral omdat
enkele der thans ontwikkelde wapens, zoals kleinere, demontabele atoombommen, die door
para-troopers en zelfs saboteurs kunnen worden gelegd, practisch alle voorname
industriecentra uit de weg zouden kunnen ruimen, voordat er eigenlijk van oorlog sprake is.
Ik geloof dus niet, dat het zo'n vaart zal lopen. De grote heren hebben op het ogenblik geen
zekerheid meer, dat zij zichzelf zullen kunnen redden en handhaven: de industrie heeft de
zekerheid, dat zij uiteindelijk met verliezen uit de oorlog zal komen, in plaats van met winsten.
Dat zelfs voor de grote concerns, die tot nog toe winst daaruit hebben weten te maken. Dus ik
geloof niet, dat er werkelijk reden is voor de hoge heren om oorlog te gaan voeren. De kleine
man is meer vredelievend gezind, dan lange tijd het geval was.
Dergelijke spanningen moeten echter ook geestelijk worden opgevangen. Het is aannemelijk te
maken, dat dit opvangen zal gebeuren door een versterkte terugkeer tot de kerken, zich in
meerdere mate bezig houden met de esoterie en dergelijke. Ongelukkig is de mens, die noch
werkelijk religieus, noch werkelijk esoterisch denken kan. Deze zal n.l. voor een reeks van
stoffelijke conflicten komen te staan, die hij waarschijnlijk niet kan overmeesteren en die dan
in vele neurosen, psychosen en wat dies meer zijt zullen ontaarden.
De wereldsituatie, mijn, vrienden, is stoffelijk gezien op het ogenblik niet gunstig. Het harde
schreeuwen van "het gaat ons goed en het gaat ons beter" alleen, is voor iemand met enig
idee van massapsychologie en reclamemethoden al een aanwijzing, dat het hoe langer, hoe
beroerder gaat.
U kunt dus wel aannemen, dat de stoffelijke situatie lang niet zo gunstig is, als zij lijkt. Voor
degene, die nog contant zaken kan doen, is het niet ongunstig. Maar voor degenen, die voor
de verkoop van hun producten zijn aangewezen op afbetalingen en wat er bij hoort, geloof ik
toch wel te mogen zeggen, dat de naaste toekomst schokkende verrassingen zou kunnen
brengen.
Geestelijk gezien ziet het er heel wat beter uit. Het zoeken naar vrede en naar oplossing, de
aarzelend, maar toch hoe langer hoe weer aanvaarde verantwoording voor de
onderontwikkelde volken b.v., de wijze, waarop men hulp verleent aan elkaar bij rampen enz.
wijst er op, dat de wereldéénwording een goede kant uitgaat.
De plannen voor een Europese Unie, een Verenigde Staten van Europa, zijn veel verder
gevorderd in de geheime kabinetten van Frankrijk en Engeland, dan oppervlakkig zou worden
aangenomen.
Eigenaardig genoeg zijn de Verenigde Staten op het ogenblik hier een remmende factor, terwijl
bovendien Frankrijk in zijn evenwichts- en balansstel, waarbij de Verenigde Staten tegen
Rusland worden uitgespeeld, ook deze nog stil houdt. Toch zijn op vergaderingen van de
U.N.O. deze plannen reeds onderling besproken door vele eerste ministers van verschillende
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

landen. Zelfs is mogelijk dat in geheime bespreking, dit ook bij de komende conferenties van
de Grote Vier, een belangrijk punt van de agenda zal uitmaken.
De wereld staat voor een periode van overgang, een overgang, die gemakkelijk wordt
gemaakt. doordat de wereld een groot aantal nieuwe ontdekkingen heeft gedaan. Methoden
om een betere landbouwproductie, een zakelijker verantwoorde landbouwproductie mogelijk te
maken, leiden weliswaar in het begin tot een overvloed van producten, maar aan de andere
kant kunnen zij leiden tot een beperking van het landbouwareaal en de daarvoor benodigde
arbeid.
Uitvindingen op meer technisch gebied zullen o.a. de telecommunicatie in de nabije toekomst
veranderen en het zou mij niets verwonderen, als binnen anderhalf of twee jaar wordt
gesproken over de mogelijkheid om televisieprogramma's van de Verenigde Staten te
relayeren naar Europa: dit zonder dat er veel schepen worden gestationeerd en van schip tot
schip wordt overgenomen, zoals, naar ik meen het geval is geweest bij uitzendingen o.a.
vanuit Engeland.
Wat betreft de chemie, is het interessant om de nadruk te leggen op verschillende nieuwe
polymeren, die plastics, die van buitengewone hardheid, van buitengewone voegzaamheid zijn
en waarmee men nu op het ogenblik reeds als proef een aantal motoren heeft gemaakt,
waarin geen metaal meer wordt verwerkt. Het produceren hiervan is betrekkelijk eenvoudig en
men heeft zelfs een methode gevonden om dezelfde eigenschappen in plastics te verwerven,
zonder van petroleumafvalprodukten gebruik te maken. Technisch gezien zijn de
ontwikkelingen dus zo, dat gezien een vrede die nog twee tot drie jaar duren zou, praktisch elk
land in staat is, ongeacht zijn eigen grondstoffentoestand, al datgene te produceren, wat voor
het bewaren van de levensstandaard, en het garanderen van een redelijk levensonderhoud van
zijn burgers nodig is. Ook dit is een zeer mooi iets, want hier door wordt de machtspolitiek,
gebaseerd o.a. op steenkool, petroleumgebieden e.d. in waarde sterk achteruit geschoven.
Leuk is het om op te merken, dat ook vele experimenten met aandrijving, anders dan door
petroleumvervalproducten op het ogenblik goede vorderingen maken. Kleinere elektromotoren,
die op één enkele batterijset een afstand van ongeveer 1400 km kunnen maken, behoren
weliswaar nog tot de laboratoriumproducten, maar zullen toch ook waarschijnlijk in reeds meer
praktische en niet alleen modelvorm in het komende jaar worden uitgevoerd. Dit zou
betekenen een totale omwenteling in het wegverkeer. Voor stedenbouw zijn op het ogenblik
ook weer nieuwe ontdekkingen gedaan en wij kunnen waarschijnlijk ook reeds in het komende
jaar kennis maken met weer geheel nieuwe methoden van montage bouwt beter dan wat tot
nog toe werd toegepast.
U ziet, wanneer ik al deze feiten samen neemt dat het beeld van de wereld een zeer
eigenaardige is. Een vooruitgang op geestelijk gebied is te verwachten, een vooruitgang op
technisch gebied behoort praktisch tot de zekerheden. Het dreigende oorlogsgevaar is op het
ogenblik wel het meest belangrijke. Natuurrampen, waar wij in het begin van het jaar reeds
over hebben gesproken, zetten een aflopende cyclus voort, waarbij dus niet gerekend wordt
van onze kant met buitengewoon grote rampen. Wel met redelijke rampen, orkanen, vroege
blizzards b.v. in Noord-Rusland, en wat later ook ernstige stormen b.v. in Noord-Amerika tot
de staat New-York toe. Maar dát zijn dingen van minder belang.
Ik geloof, dat wij de algemene wereldtoestand dus mogen kenschetsen als over het algemeen
gunstig zijnde. De verliezen aan prestige, aan financiën, het veranderen van
staatsbestuursvorm van verschillende landen, het mislukken van wetten en, de moeilijkheden,
die in parlementen rijzen wegen m.i. ruimschoots op tegen de nieuwe vorderingen, die de
mensheid maakt in de richting van éénheid, éénwording, en samenwerking.
Wij hebben een goede hoop, dat de komende jaren dan ook én voor esoterische
genootschappen én voor kerken en voor de mens als zodanig, een verbetering zullen
betekenen van de jongeren. Het vandalisme in het komende jaar, vooral van de jeugd lijkt mij
een factor te zijn, die ernstig kan worden. Misdadigheid lijkt mij een toenemend belangrijk iets
te worden, níet alleen voor de Amerikaanse staten of voor Rusland, maar ook voor de andere
democratieën in Europa. Hier echter is geen kruid tegen gewassen.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

Dit is iets, dat door de tijd genezen moet worden. Wanneer wij er op kunnen rekenen, dat de
jongelui, die op het ogenblik - nemen wij aan - 8 tot 14 jaar zijn, reeds een gezonde mogelijk-
heid hebben om andersdenkend en niet vandalistisch van directe aanleg en uiting in het leven
komen te staan, mogen ook wij dit een gunstige factor noemen.
Ik geloof, dat ik U daarmee wel enige gegevens over de wereldsituatie heb verschaft. Maar zijn
er enkele dingen bij, die U bijzonder graag zoudt willen weten, dan wil ik U met alle genoegen
ook daarover inlichten.
Vraag over de mogelijkheid van oorlog binnen twee jaar.
De mogelijkheid van die oorlog bestaat m.i. reeds in Oktober, November, maar zal dán nog
niet aan de buitenwacht worden meegedeeld. Van spanningen, die tot oorlog kunnen leiden,
meen ik reeds gesproken te hebben als een mogelijkheid in de buurt van December. De eerste
jaren blijft die mogelijkheid zeer zeker bestaan en ik geloof niet, dat wij van een oplossing van
de huidige oorlogsdreiging kunnen spreken voor het jaar 1966. Maar ik heb daarbij
uitdrukkelijk vermeld, dat m.i. praktisch geen sprake kan zijn van oorlog, indien van een
redelijk denken in de verschillende grote staten mag worden gesproken.
Neemt U aan, dat dat in Rusland ook het geval zal zijn?
Ik neem aan, dat op het ogenblik Rusland zakelijker denkt, dan b.v. Nederland of de Verenigde
Staten. Een goed zakenman over weegt zijn risico en zal alleen dat risico nemen, dat hij dra-
gen kan zonder daaraan onder te gaan. Geloof mij, de Russische regerende klasse is in dit
opzicht veel zakelijker dan de Westerling. En veel zakelijker dan de Westerlingen denken.
Dergelijke factoren spelen natuurlijk in Azië niet zo 'n grote rol, maar ook daar geloof ik toch
wel, dat de filosofie die daar in de plaats treedt voor een groot gedeelte nog van het
economisch en politiek nuchter denken een redelijke beperking van geschillen zal maken. Wat
heeft U nog meer te vragen, mijne vrienden? (Stilte) U heeft geen vragen meer?
(Vraag over India en Pandit Nehru. Of de mensen in India met zijn optreden ook vrede
hebben).
De mensen zouden daar vrede mee hebben, als dergelijke figuren niet gelijktijdig geneigd
waren dictatoriaal op te treden. Het geldt niet alleen voor Pandit Nehru, dat geldt ook voor
Singhman Ree: dat geldt ook voor Peren en nog verschillende anderen. Velen van de figuren,
die het op het ogenblik het wel goed menen en goed bedoelen, kunnen niet nalaten zichzelf als
de eerste burger en als de belangrijkste persoon in hun land te beschouwen. Deze
beschouwing leidt tot een negeren van minderheden. Een genegeerde minderheid, die nog
enige vrijheid overhoudt, heeft over het algemeen de neiging, om een agitatie te gaan voeren,
die succesvol is omdat zij gericht is tegen iemand, die resultaten heeft. Het eigenaardige is,
dat de afgunst zich altijd keert tegen hen, die iets bereiken: dat zij uitgaat van hen, die niets
bereiken: dat de niets bereikenden dan de resultaten, bereikt door hen die iets tot stand
konden brengen, meestal weer teniet doen. Dat gaat over de gehele wereld zo op alle
gebieden. Dus ik geloof niet, dat wij van India onstellende dingen, moeten verwachten, maar
eerder, dat het zijn ietwat hachelijke evenwichtspolitiek nog enige tijd zal trachten te
handhaven. Of dat voor Pandit Nehru altijd gunstig zal zijn, valt te bezien, Ik geloof, dat hij in
de laatste 11/2 jaar in Azië reeds een deel van zijn populariteit verspeeld heeft, vooral bij de
anti-communitische menigte.
Maar hij heeft toch ook zijn verstand. Bestaat de mogelijkheid niet dat hij dat inziet.
Een mens, die het goed meent en het verkeerd doet in de politiek lijkt op een zwerver, die
zegt: "Ach mijn vriend, ben je koud? Ik zal een lucifer bij deze hooiberg houden, dan hebben
wij een weinig vuur om ons te warmen". De ruïnes, die overblijven en de schuld die wordt
toegekend aan de zwerver, houden geen enkele betrekking of relatie meer met de
oorspronkelijke bedoeling. Is er niets meer?
Dan kan ik U, indien het U interesseert - het is niet noodzakelijk, U kunt het rustig afwijzen -
nog een vriend voorstellen, die zijn leven vaak met schrijven heeft gesleten en die misschien
ietwat satirisch van aanleg is. Als U voor een korte voordracht van hem nog interesse heeft,
wil ik hem gaan doorgeven.
Graag.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

Graag. Dan, misschien niet zo gaarne, maar toch dankbaar voor Uw gehoor en medewerking,
neem ik afscheid van U en geef ik het woord aan de volgende spreker over.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
U heeft zich dan voor een, korte wijle in mijn handen overgeleverd en de directie wijst
dezerzijds alle verantwoording af. (Gelach). Na echter de keuze, die Uwer was en U mij
gekozen heeft, meen ik mijnerzijds met vorstelijk gebaar U de koninklijke gunst toe te mogen
staan te vertellen, welk deel van het menselijk of geestelijk bestaan U op mijn, misschien wat
satirische, wijze inderdaad belicht wilt zien. Heeft U enigerlei voorkeur?
De mens in wording, wilt U daar iets over zeggen?
Ik kan daar inderdaad iets over vertellen. Ik ben alleen benieuwd, of mijn stijl in staat is aan
de bedoeling van Uw vraag tegemoet te komen, wat over het algemeen een vraag is, wanneer
iets in wording is. Want alle wording wordt door bedoelingen bepaald. En de bedoelingen
mogen nog zo goed zijn, de wording kan soms eigenaardige fouten vertonen. Zo is het dan
ook gebeurd, toen het eerste proefmodel van de mens in productie werd genomen.
Gij begrijpt, er is een wereld van scheppende krachten en in de grote werkplaats van de
Schepper werd aan een aantal engelen opgedragen om de mens alvast een redelijk model te
geven. Zij hadden enkele proefmodellen gemaakt en die liepen inderdaad een geruime tijd op
een enkele zonde: Dus wat dat betreft kon men tevreden zijn en men meende een redelijke
paradijstoestand met deze mens inderdaad te kunnen bereiken. Zo besloot men dan om, na
vele proeven, de mens te gaan bouwen, zoals hij behoorde te zijn. En daar kwamen de grote
moeilijkheden.
Over de voortbeweging was men het al heel gauw eens: een tweevoeter. Wat men niet had
voorzien, was, dat de gekozen voetzoolvoering niet voldoende verhard genoeg was en
weerstandskrachtig genoeg om niet onder uitwassen te lijden. Deze uitwassen, herinnerend
aan het dierlijk rijk, worden over het algemeen tegenwoordig zwaar vervloekt en "eksterogen"
genoemd. En geloof niet dat er een ekster is, die trots is op deze benaming van een misvormd
menselijk onderdaan.
Ook de handen gaven weinig moeilijkheden, tot het tot de constructie van de duim kwam.
“Want”, zo zei men “een mens heeft handen nodig om zich te kunnen handhaven, om te
kunnen eten”, “maar”, zo zeiden sommigen der constructeurs, “wij moeten deze mensen een
duim geven. Want die duim is praktisch voor allerhande dingen. Hij kan b.v. duimen drukken
voor iemand, die een examen ondergaat, want, gezien de constructie kunnen wij aannemen,
dat examens een groot gedeelte van zijn leven zullen vullen, vooral wanneer hij in Nederland
terecht komt". "Ja" zei een ander: "maar met een duim kun je grijpen en kun je vasthouden.
Wij mogen aannemen, dat een mens met dergelijke ledematen uitgerust, op de duur de
gewoonte zal krijgen om alles te grijpen, wat hij grijpen kan en te houden, wat hij heeft. Ik
geloof niet dat dat met een paradijs in overeenstemming is".
"Och", zeiden de goede constructeurs, "geef hem die duim. Misschien, dat hij kans ziet om zijn
paradijstoestand een tijd lang vast te houden".
Ik geloof, dat de ervaring, als neergelegd in het bekende boekwerk, dat Adam en Eva
beschrijft, heeft uitgewezen, dat het aanbrengen van de duim bij de mens een ernstige
constructiefout is geweest. Wat dat betreft, wanneer ik de wereld zoals die op het ogenblik
bestaat, bezie, ontdekken wij zelfs nog meerdere constructiefouten, als b.v. het geven van
ellebogen. Want zo wij ons bezighouden met het zakenleven en de politiek, merken wij, hoé
ten koste van anderen veel met de ellebogen gewerkt wordt. Zij werden oorspronkelijk echter
daarvoor niet gegeven, maar alleen om de armen op een redelijke wijze te kunnen bewegen.
(Gelach).
Een ander punt, dat ook overweging, vroeg, was de kwestie van de motor. Er waren enkelen,
die voor een enkele aorta voelden. Zij zeiden: "Geef de mens één enkele ader, die voortdurend
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

krimpend het bloed voortstuwt en hij zal zichzelf voldoende kunnen handhaven". Maar er zijn
nu eenmaal mensen, die met het eenvoudige niet voldoende hebben. Die zeiden: "Een mens
zal het hart altijd gaan zien als de zetel van het leven en dus ook de zetel van het gevoel".
Behalve kleine schooljongens, daar zetelt het iets lager, gelegen ongeveer één graad zuidelijk
van het staartbeen.
Maar aangezien over schooljongens bij dit eerste model toch nog niet werd gesproken, besloot
men dan om een hart te geven, verdeeld in kamers. Uiteindelijk zijn het vier kamers geworden
en dat is erg jammer. Want daarmee is ook het gevoelsleven van de mens in vier delen
verdeeld, waardoor ook wederom bewezen is, dat deze opbouwfout, deze constructiefout, een
zeer ernstige kan zijn. De mens heeft n.l. één kamer in zijn hart volledig aan zichzelf gewijd.
Een andere kamer heeft hij gewijd aan het bedriegen omtrent zijn hartstoestand van de
buitenwereld. Een derde kamer heeft de verdere afval van genegenheid, terwijl de vierde voor
Zondag gebruikt wordt om in de kerk te vertonen. (Gelach).
U zult begrijpen, dat een dergelijke opbouw van het menselijk hart ook later zeer werd
betreurd, maar aangezien men het model nu eenmaal in de handel heeft gebracht, moet men
het handhaven, om te voorkomen, dat degenen, die vragen naar een dergelijk voertuig, in
verlegenheid komen. Je kunt niet verwachten, dat een bewuste geest b.v. in een kangaroe
gaat rondlopen, terwijl hij gewend is aan "mens". De gewoonte doet ook voor de geest zeer
veel.
Men heeft dan ook het menselijk oog geschapen. De plaatsing van het oog heeft ook wel
inderdaad enige moeilijkheid opgeleverd. Ik herinner mij nog heel goed, dat bij de discussies,
die daarover plaats vond, er werd voorgesteld om de mens ook enkele ogen in zijn nek te
geven. Waarop echter een ander beweerde, dat het verstandiger was om hem twee ogen in
het gelaat te geven en hem daardoor enige sierlijkheid te verlenen. Zo werd dan de plaatsing
van de eerste koplampen ter wereld bepaald door esthetische overwegingen. (Gelach).
Het heeft echter wel weer enkele bezwaren met zich mee gebracht, want nu je geen ogen
achter in je hoofd hebt, heb je kans, dat een ander je voortdurend in de nek ziet, zonder dat je
het zelf merkt.
Ja. U ziet, waarde vrienden het gaat niet helemaal de kant uit, die U bedoeld had. Dat is nu
eenmaal mijn stijl.
Om kort te gaan: de mens is één wandelende constructiefout. Zelfs in deze constructiefout
kunnen nog constructurele fouten optreden die verbazingwekkend zijn. Want een wandelaar
met een wandelende nier is wel een zeer eigenaardig verschijnsel in de menselijke wereld, wat
toch schijnbaar voorkomt Zo hebben wij ook de kwestie van de maag. Een overladen maag is
natuurlijk een zeer onplezierig ding. Men had dus een onmiddellijke losbeweging willen maken.
Men nam echter aan, dat de mens verstand genoeg zou hebben, om niet meer te vragen, noch
van de tafel, noch van het leven, dat hij onmiddellijk verdragen kon. Ook hier heeft men
schijnbaar zich vergist en dus ook een gevaarlijk voertuig geschapen.
Dat is hetzelfde met de blinde darm. Zij hadden dat ding met ogen moeten uitrusten,
nietwaar? Dan waren menige chirurgische ingrepen de mensheid bespaard gebleven en was
het inkomen van menige chirurg dan binnen redelijke grenzen gekomen, zodat hij zich niet zo
over belastingaanslagen zou behoeven te ergeren, als op het ogenblik het geval is.
Kort en goed, de opbouw van de mens heeft vele bezwaren ontmoet en de geest, die in de
mens incarneert, heeft zich dan ook gerealiseerd, dat het huidige merk zeer zeker niet van
bezwaren ontbloot is. De uitvoering in twee speciale modellen, Model de Luxe, ofwel Femina en
het zware model hebben ook wel enige bezwaren opgeleverd, want het blijkt, dat soms iemand
die zeer zakelijk aangelegd is als geest, rond moet rijden in een luxemodel en dus,
onmiddellijk wordt aangeslagen door zijn omgeving of omgekeerd. Echter zijn er sentimentele
beweegredenen, die tot nog toe de wereld van incarnerende geesten belet heeft een ander
voertuig te kiezen: zolang nog enigszins het voertuig "méns" tegemoet kan komen aan de
geestelijke behoeften, zal men daarvan geen afstand doen. Want ondanks alle opgesomde
bezwaren en constructiefouten biedt zeer zeker de mens ook aan de geest een zekere
voldoening.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

Wanneer je met een feilloos voertuig zonder enige fout een afstand hebt afgelegd, dan
betekent dat geen grote voldoening. Maar als je met een mens dat hebt gedaan, wanneer je
met een menselijk lichaam - laten wij zeggen - 20 á 30 jaren tijd zonder grote fouten hebt
doorgereden, dan voel je je een werkelijk vorst.
Want U weet zelf, hoe allerhande kleine fouten gedurende het bedrijf kunnen optreden. Een
lekkende radiator............. pardon, ik geloof een lekkende neus, nietwaar, een warmlopen van
drift, een kleine explosieve fout, kortom al deze dingen als kleine fouten alleen reeds, kunnen
het menselijk bestaan zwaar maken en een redelijk overwinnen daarvan is al buitengewoon
goed.
Maar dan heeft het menselijk voertuig in een wereld, die rechts, dus ten goede, georiënteerd
behoort te zijn, bovendien één zeer onaangename eigenschap. Er schijnen fouten in de
besturing te zijn geslopen.
Wij nemen aan, dat de combinatietabellen van de hersenen niet helemaal juist zijn uitgevoerd,
want waar het voertuig zich rechts van 's levenspad dient te bewegen, vertoont het een
onweerstaanbare neiging om steeds naar links te gaan. Menigmaal komt daar een aanrijding
plus brokken van.
Uw vraag, of beter gezegd "voorstel" om dus de opbouw van de mens te belichten, die kan ik,
helaas, niet in een optimistische noot besluiten.
Er is sterk behoefte aan een nieuw model "mens". Maar er lopen op het ogenblik nog zoveel
rare modellen rond, dat het de vraag is, welk dezer exclusieve typen uiteindelijk de eer zal
genieten voorloper te zijn van een verbeterd type mens.
Wij nemen echter aan, dat in de constructiewerkplaats, waarin menige geest zich bezig houdt
met hernieuwde opbouw van stoffelijke waarden, onder de welbekwame leiding voortdurend
gedokterd wordt, in de hoop, dat eens de perfecte mens de stoffelijke banen dezer aarde zal
kunnen betreden en daarop herscheppen datgene, wat hij eens door een eetlust plus een
neiging om de verkeerde kant uit te sturen, tot stand heeft gebracht in het paradijs, n.l. het
herwinnen van een paradijs, waaruit hij zichzelf heeft verdreven.
Deze korte beschouwing van de menselijke geschiedenis en de opbouw, van het menselijk
voertuig mogen misschien niet de feiten bevatten, die U interesseren, ik meen echter dat het
zeer leerzaam is.
Wanneer wij dus wederom een ogenblik een neiging krijgt om slecht gehumeurd door de
wereld te gaan, denk een ogenblik na en zeg: "Kerel, begrijp het dan toch. Je hebt een defecte
ontsteking.”
Ofwel: "Maak je toch niet zo kwaad. Je bent een beetje heet gelopen. Blijf maar even stilstaan,
dan koel je wel weer af"
En zo moge deze betoging dan ook tevens enigszins dienen als handleiding tot het veilig
verkeer in het leven, opdat de mens, geen ongelukken makende, zijn einddoel moge bereiken.
Het is mij overigens een genoegen U mede te delen, dat voor afgedankte voertuigen voorlopig
nog parkeergelegenheid genoeg aanwezig is, terwijl voor het welzijn van de passagiers ten
allen tijde gezorgd wordt door dezelfde firma, die de voertuigen ter beschikking stelt. Ik dank
U voor Uw aandacht.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond vrienden,
Dat was dan waarschijnlijk een onverwacht licht betoogt dat U overigens aan Uzelf te danken
heeft. Wij zullen echter thans even gaan overschakelen van de - laten wij zeggen, - lichtere
zijde naar de ernst.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 10 – 13 juli 1955

Wij zullen deze avond gezamenlijk gaan besluiten met een meditatie. Een meditatie, waarvan
Uzelf het onderwerp moogt opgeven. (Stilte). Geen voorkeur? In dat geval zal ik zo vrij zijn om
zelf een onderwerp te kiezen. (Gaarne).
Ik zou willen mediteren met U over de:

GODDELIJKE RECHTVAARDIGHEID
Er is een Goddelijk Recht, dat alle dingen steeds beheerst. Wij kennen het als een Goddelijke
Wet en kunnen niet ontkomen aan de vele krachten, die ons altijd weer dwingen in de paden,
door de Goddelijke Wil voorbeschikt, te gaan. Wij voelen ons vaak gedwongen om Goddelijke
Daden te ontkennen in ons eigen wezen.
In ons is vaak een verzet tegen de wetten, die ons binden en wij voelen ons soms de
slachtoffers van een leven, dat ons aan bepaalde waarden gebonden en geklonken heeft. Wij
vragen ons dan af : "Hebben. wij een vrije wil?. Wanneer een echo uit de eeuwigheid ons
antwoordt: "Ja, Uw wil is vrij", dan vrezen wij dat een rechtvaardige God de grote
onrechtvaardigheid zal begaan ons te veroordelen voor de fouten, die wij maakten, krachtens
Zijn wereld.
Maar God is rechtvaardig. En rechtvaardigheid betekent dat God U niet veroordelen kan, voor
hetgeen door Zijn Schepping in U tot stand kwam. God zal U dus niet oordelen of veroordelen,
omdat gij in Zijn wereld, in Zijn wezen zelfs leeft.
Wat is dan de werkelijkheid van een Goddelijk Recht en van een Goddelijke Rechtvaardigheid?
God oordeelt niet. Zijn wetten, die ons leven leiden en ons binden binnen bepaalde lijnen, zijn
in zichzelf: oordeel en rechter. Want zodra wij trachten ze te overschrijden, dan vinden wij
onszelf geconfronteerd met een Kracht, Die door onze wil niet kan worden opgeheven. In de
strijd scheppen wij dan voor onszelf de straf, voor onszelf het oordeel. De zelfopgelegde straf
zullen wij uitboeten, totdat wij ons realiseren, dat het niet God is, Die ons deze heeft opgelegd.
Daarna zijn wij vrij om verder te gaan. Er is geen ogenblik in het bestaan, in het leven, dat
God als oordelende Kracht optreedt. Want God is rechtvaardig. In Zijn Rechtvaardigheid kan
Hij geen oordeel uitspreken tegen Zijn schepselen, die van Hem, Zijn Wetten en Zijn Wezen
afhankelijk zijne Hij is mede aansprakelijk voor alle dingen.
Zo, zegt de Vader: "Goed noch kwaad zijn er in Mijn ogen, maar oordelen zal een ieder
zichzelf, omdat hij, Zichzelf oordelend, in Mijn Recht en Mijn Rechtvaardigheid zal voldoen aan
zichzelf".
Wanneer wij dit weten, wanneer wij dit begrijpen, dan kunnen wij door voor onszelf te leven
als mensen, die goed zijn, als geesten, die voldoen aan hun bestemming, vrij zijn van elke
straf. Wanneer wij de Goddelijke Wet erkennen, dan kunnen wij onszelf voeren tot het laatste
oordeel en onszelf rein bevinden en binnengaan in de lichtende wereld, want Gods
Rechtvaardigheid geeft ons allen gelijke mogelijkheid, geeft ons allen de zekerheid, dat wij uit
Hem geboren, eens tot Hem zullen kunnen terugkeren. Want ook dit is ons recht: terug te
keren tot de Bron, waaruit wij gegaan zijn. De wijze, waarop wij zullen terugkeren en de tijd,
wanneer bepalen wijzelf in ons leven en strijd, de wijze, waarop wij het doel van ons leven in
onszelf stellen en deze doelstelling volgen met al onze gedachten. Zo zijn wij dan - dankzij
Gods Rechtvaardigheid – uiteindelijk rechter, beul en misdadiger tegelijk. In dit eigenaardige
recht wordt de waardigheid gevonden, die ons behoeden kan voor een hernieuwd overtreden
van een Wet, die uit God werd geboren, steeds klaarder wijzend het pad, dat wij moeten gaan,
tot ons bewustzijn in staat zal zijn - de wil, de fouten te vermijden en de Goddelijke
Volmaaktheid te bereiken.
Hiermede, mijne vrienden, zullen wij deze bijeenkomst besluiten.
Ik dank U voor Uw aandacht. Goeden avond.
o-o-o-o-o
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

LES 11

Goeden avond, vrienden,
Wij zullen dan in de eerste plaats, vandaag kijken wat wij nog voor vragen over het Goddelijke
hebben. Dat wat de vorige maal behandeld is, gaf nog wel de mogelijkheid om tot
verschillende problemen te komen. Dat is dan het eerste punt, waarvoor wij op het ogenblik
belangstelling hebben.
Mag ik een vraag stellen? Wij hebben het de vorige keer gehad over die wet van
gelijkmatigheid. Daar hebt U uiteen gezet het verschil tussen bewustzijn en
bewustwording. Daar heeft U gezegd, dat het bewustzijn groeit met een versnelling. Nu
zou ik graag willen weten: het bewustzijn begint dus met O en groeit langzaam met een
versnelling van 2, 4, 6, enz. U heeft die reeks genoemd. Graag zou ik nu willen weten:
begint dat voor ons, mensen, bij de geboorte of begint dat reeds in de prenatale periode?
Stoffelijk gezien is er reeds een bepaald bewustzijn bij de bevruchting aanwezig. Er wordt een
grote reeks emotionele ervaring opgedaan in de prenatale periode die o.a. op lichaamsgroei,
lichaamsbouw en bepaalde psychische problemen invloed kunnen hebben, waarna wij dan de
redelijke reeks van versnelling krijgen, zodat het eerste getal bij de geboorte niet kan worden
gesteld op 2, maar - willen wij in die verhouding gaan praten waarschijnlijk op 22 of 24.
Wanneer wij het geestelijk willen bezien, dan ligt het punt in het moment van creatie, dus
"eerste zijn": vandaar uit ontwikkelt het zich dan verder. Dan is de menselijke periode reeds
onnoemelijk ver gevorderd en kan waarschijnlijk het getal, in de reeks reeds met 6 á 7 cijfers
worden uitgedrukt.
Dus dat begint - zoals U zegt -, bij het geboren worden (als ik dat woord mag gebruiken)
van de ziel?
Ja, het moment van Schepping.
Van Schepping. Dus bij het ontstaan van een nieuwe ziel, begint dus eigenlijk het punt
"bewustzijn", als ik het zo mag noemen.
U heeft les 3 vergeten. Geen Schepping in reeksen, maar een Schepping in één moment en
alomvattend. Het moment dus van creatie: d.w.z. dat de Schepper Zich uit en hierdoor
bepaalde delen van Zijn wezen van Zichzelf afzondert, die hierna voor zichzelf de totale
bewustwording van hun eigen wezen verwerven en daardoor hun relatie tot het Goddelijke
gaan begrijpen. Les 5.
Op één moment is dat dus ontstaan?
Dat is op één moment ontstaan.
Mag ik hierover ook wat vragen? Dus het is eigenlijk maar een evolutie, die er plaats grijpt?
Of is dat fout?
Involutie, daar hebben wij het ook al over gehad. Evolutie is een langzame ontwikkeling....
uiterlijk. Involutie is een innerlijke ontwikkeling waarbij men voortdurend sterker tot de kern
van het eigen wezen doordringt.
Dat is voor elk wezen, hoe dan ook?
Ja, dat geldt voor al het zijnde. Van wat U noemt "dode stof" af, tot het moest gevormde leven
toe. God b.v. ook. Als God Zichzelf gaat realiseren Wie en Wat Hij is, dan moet Hij eerst "zijn",
voor Hij tot die realisatie kan komen. Wanneer Hij dus Zichzelf beschouwt (zoals wij
aannemen, dat Hij doet in het scheppingsmoment), dan moet Hij vanuit Zijn wezen, Zijn "zijn"
tot de kern van Zijn eigen "zijn" doordringen en het totaal der fasen, die in Hem besloten
liggen, Zelf doorleven.
Dat is het involutieproces. U ziet, het is niet ingewikkeld. Als U nu maar vast wilt houden aan
een paar stelregels, dan wil ik U desnoods alles schenken, wat wij over het Goddelijke hebben
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

gezegd. Dat klinkt misschien vreemd aan het eind van een cursus. Toch is het waar. Want God
kunnen wij alleen van uit ons denkvermogen benaderen. Wij kunnen ons eigen standpunt er
tegenover bepalen. Dat standpunt, ach, het is voor onszelf goed, wanneer dat omschreven is,
wanneer wij wéten, hoe wij de zaak zien. Maar in het geheel is het weinig betekenend. Want of
wij het na weten of niet, de toestand bestaat, nietwaar?
Maar het proces der bewustwording en de waarde van de wereld der uiterlijkheden, die
onmiddellijk met het Goddelijke verknoopt zijn, die moeten wij niet uit het oog verliezen. Die
moeten wij wel degelijk kennen. Want, wij spreken over Goddelijke wetten b.v. ook zo-even.
Maar mag ik opmerken, dat al die Goddelijke Wetten alleen bestaan, doordat zij in ons
aanwezig zijn? Het is niet de wereld buiten ons, het zijn de wetten in ons, die ons beperken in
wat wij menen, dat onze handelingsvrijheid is. Door een onvolledige kennis van ons eigen "ik".
Naarmate wij verder doordringen in ons "ik" en ons dus ook meer realiseren, welke grenzen
aan dat "ik" gesteld zijn, zullen wij vanzelf tot een grotere en diepere realisatie komen van de
mogelijkheden, die wij hebben en langzaam maar zeker één worden met onze wereld,
waarmee wij dan harmonie, vrede, volmaaktheid, enz. bereiken. Dat is eigenlijk de hoofdzaak.
Daarom de nadruk op het woord "in", in plaats van evolutie. Wij moeten alles zien als een
ontwikkeling naar binnen toe. Alles wat wij in onze cursus besproken hebben is dan ook
speciaal in die richting a.h.w. gestuwd. Wij hebben steeds weer getracht erop te wijzen, dat
uiterlijke omstandigheden bestaan, wetten, die wij buiten ons kunnen erkennen als werkzaam,
maar die in ons leven, en dat wij nooit buiten ons iets kunnen bereiken, maar alleen in
onszelven. Het belangrijke punt. Vandaar, dat U mij onmiddellijk hoort aanvallen, wanneer U
het woord "evolutie" gebruikt.
Dat is dan maar goed ook.
Ach, het is in ieder geval geen hatelijke aanval. Zo, wat hebben wij nog meer? Zijn er verder
geen problemen gerezen? Neen? Uitstekend: dan gaan wij verder.
Wanneer U zich de moeite geeft om na te denken over al hetgeen wij reeds besproken hebben,
dan zal U opgevallen zijn, dat wij o.a. over die Goddelijke wetten eigenlijk veel en weinig
tegelijk gezegd hebben. Wij hebben getracht U inzicht te geven in het feit, dat er wetten
bestaan. Maar kunnen wij uiteindelijk de Goddelijke wetten inderdaad beschouwen als
afzonderlijke en voor zichzelf bestaande dingen? Ik geloof van niet. Want God is een Eenheid
voor Zichzelf, zoals wij een éénheid voor ons eigen idee zijn. Wij denken er niet over na, dat
dit nu onze leven is, die dit dicteert en dat dat nu onze schildklier is, die dat veroorzaakt. Zo
“zíjn wij" zeggen wij.
Vanuit het Goddelijke moet het ook zo zijn. Dus U zoudt kunnen zeggen. God heeft een
karakter. Dat Goddelijk karakter brengt al die wetten tot zijn…… Kunnen wij het karakter van
God omschrijven, dan kennen wij ook alle wetten, die binnen het Goddelijke kunnen
voorkomen, nietwaar? Dat is nu een punt, waarover ik even wil filosoferen. Dan gaan wij
meteen een klein beetje de kant uit van een mogelijke vervolgcursus.
Wanneer ik aanneem, dat God één Wezen is, dat dit ene Wezen slechts door Zijn Schepping
Zichzelf kan kennen, dan mogen wij elke scheppingsdaad van het Goddelijke (elke dag van
Brahman eigenlijk, om die term te gebruiken) zien als een hernieuwde zelfbewustwording van
het Goddelijke.
Wij persoonlijk maken ongeveer hetzelfde mee. Wij komen uiteindelijk ook eerst als een
ongevormd en toch reeds volledig wezen tot aanzijn. Vanaf dat moment gaan wij steeds meer
zoeken: Wie ben ik? Wat ben ik? Waarom ben ik? Wij gaan onze relaties met de wereld
bepalen. Waarom dit? Waarom dat? Waarom zus? Waarom zo? Wij gaan trachten regels te
stellen. Maar wanneer wij dat doen, wanneer wij wetten gaan stellen voor de buitenwereld,
dan doen wij uiteindelijk niet veel anders dan ons eigen wezen begrenzen. God moet dus ook
begrensd zijn, althans in ons voorstellingsvermogen. Ik kan mij geen onbegrensde God
voorstellen. Ik kan mij wel een God voorstellen, Die Oneindig is, omdat er een duur van
Goddelijk bestaan kan zijn voor een factor van Goddelijk bestaan, die zich volledig aan mijn
voorstellingsvermogen onttrekt. Maar ik kan mij geen God voorstellen Die steeds verder gaat
en Zich steeds verder uitstrekt, zonder einde. Ik kan mij niets grenzeloos voorstellen.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

Wanneer wij in ons denken, in onze bewustwording, leren onszelf binnen het Goddelijke te
begrenzen, dan moet God dus ook Zijn eigen grenzen a.h.w. leren kennen bij elke Zelfopenba-
ring door een scheppende daad. Dat houdt in, vrienden, dat er buiten God - wat voor ons God
is, nog iets moet zijn. En nu is er maar één ding, waarvan je altijd zeker kunt zeggen, dat het
alles begrenst. Dat is de ruimte. Zo, boven God moet er "ruimte" zijn. Maar wat is ruimte? In
onze wereld van geest, is ruimte een gedachte, een fase van bewustzijn. In Uw wereld is
ruimte een spel van afmetingen, dimensies. Wat moet dan ruimte voor God betekenen? Het
lijkt mij een heel moeilijke vraag en toch zou ik ze graag beantwoorden.
Wat moet ruimte voor God betekenen? Het kan niet een persoonlijkheid zijn. Het kan niet een
afmeting zijn, want, misschien wanneer wij alles terug gaan brengen, dat God eigenlijk, - van-
uit menselijk standpunt gezien -, en buiten God of zelfs dan het Goddelijke benaderend,
eigenlijk niets is, een gedachte. Zoals voor U een geest eigenlijk niets is, omdat hij alleen
maar een gedachtekracht is en zich niet in Uw wereld openbaart. Niets, helemaal niets. Dan
hoeft er dus geen feitelijke ruimte te zijn in de zin, waarin wij ruimte kennen. Toch moet er
iets zijn. Zou ik het dan zó mogen stellen: Er is een factor, die zelfs het Goddelijke Wezen
begrenst en door deze begrenzing dus groter is dan God. Kunt U zich dat voorstellen?
Ja, mag ik daar eens oven hardop over denken? Kijk, Uw uitgangspunt was, dat God
Zichzelf leert kennen door Zijn Schepping. Maar is dat eigenlijk niet een beperking van de
Volmaaktheid van God, als wij dat aannemen? Ik dacht, dat er een verhouding was tussen
het Geuite van God en God Zelf, Die wij aannamen als de verhouding van de gulden snede
van 1 tot 1,62.
Zelfs wanneer dat waar is, mijn waarde vriend, dan is God nog begrensd, want het begrensde
van de Schepping bepaalt dan ook de begrensdheid van de Schepper: zelfs al ligt die dan
verder dan de waarneembare grens van de Schepping zelf. Dat is toch logisch?
Ja, dat is natuurlijk logisch. Maar men kan misschien toch ook denken, dat de ruimte een
eigenschap van God is. Als men het grensbegrip daarin gaat brengen, dat stelt men
eigenlijk á priori iets, dat ruimer of buiten God ligt.
Ja, dat heb ik dan ook gedaan.
Maar is dat noodzakelijk?
M.i. wel.
Want dan komt U natuurlijk ook weer de vraag op: wie heeft dat andere dan geschapen?
Neen, want als het een Niet is, dat het Goddelijke begrenst, dan is er voor het Niet geen
Schepper nodig. Dan kan het Niet een zijnstoestand zijn.
Als het een zijnstoestand is, dunkt mij, dat er ook Schepping voor dat Zijn moet zijn.
Ik geloof niet, dat wij daar makkelijk uit zullen komen, want het is net zo iets, als de kip en
het ei, nietwaar? En logischerwijze zal er eerst een ei geweest zijn en daarna zal er een kip
uitgekomen zijn: om de eenvoudige reden, dat er vóór de kip vormen waren, die wél eieren
legden, maar waar nog geen kippen uit kwamen.
Nu ga ik verder redeneren en nu zeg ik: "Buiten God moet het Niet zijn''. Hoe kom ik tot deze
conclusie? Wanneer wij alle kennis nagaan, die voor ons bereikbaar is, (dat is behoorlijk wat,
gelooft U dat maar), dan vind ik op een gegeven moment een uitblussing van de Schepping.
Dan is er niets meer als diezelfde oermaterie zich in het duister oplost, dan is er ruimte. God ís
dan niet. Hij kan wel bestaan, maar Hij ís niet. (In de zin van zijn, bewustzijn). Wanneer ik
echter ga stellen (wat U graag zoudt willen doen), dat het Niet een functie van God, is, dan
komt bij mij de vraag op: hoe het dan kan, dat alles uitblust en het Niet blijft bestaan. Is dan
het Niet de vorm van God? (Iets, wat ik persoonlijk zou willen ontkennen). Anders zou Niet
(dus het totaal Niet-bestaande,) de ware vorm Gods moeten zijn.
Mag ik dan nog even vragen. Wij komen zo á bout portant voor deze stof te staan. U zegt
het Niet. Ja, ik meende, dat eigenlijk alles in God was en God Alles in allen. Nu komt U
plotseling iets daar buiten stellen, alleen op grond van gen begripmatige tegenstelling?
Ja, omdat de begripmatige benadering van het Goddelijke de enig mogelijke is. Want laten wij
één ding niet vergeten, wij spreken over God met een aantal bijvoeglijke naamwoorden, die op
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

zichzelf zinloos zijn. U zegt: Volmaakt. Waar is Uw waardemeter? Waar moet U Volmaakt mee?
Wat is "Het Volmaakte"? Vertelt U mij dat eens
Daar zijn wij aan bezig om dat te leren: dat is onze levensgang, de involutie.
Juist, wat voor óns het volmaakte is, dat wij óns leren. Maar wat HET VOLMAAKTE is (wat
meer inhoudt dan wijzelf) en wat dat is, weten wij niet. Wij hebben er geen waardemeter voor.
Mag ik een vergelijking maken in Uw eigen richting? (Ja). Wat is recht in de zin, waarin het op
aarde gebruikt wordt? Wat is rechtvaardigheid? Dat is toch maar een willekeurige norm? Want
er is nergens een vergelijkingsstof, er is nergens een absolute, waarneembare
rechtvaardigheid in werkelijke zin. Er is nergens de hoofdnorm, waartegen wij ons begrip van
recht en onrecht kunnen afwegen. Het wordt uit ons geboren! Vergeet U dat niet. Wanneer ik
dus iets ga benaderen, dat ik alleen omschrijven kan met uit mijzelf geboren begrippen, die
slechts voor dus mij geldende kracht hebben, wanneer ik ze aanleg naar mijn eigen
bewustzijnsmaatstaf, dan loop ik vast. Waar of niet? Ik ga dus alle kennis na, die er bereikbaar
is op dit gebied. Wanneer ik al die kennis naga, dan kom ik op een gegeven moment tot de
volgende conclusie: ik zal het U allemaal geven, dan is het makkelijker om te begrijpen, hoe ik
tot deze gedachtegang kom. Ik heb overigens dit thema al eens meer uitgewerkt.
In de eerste plaats: het totaal der Schepping kan niet worden gezien, als een reeks van
éénheden, maar kan slechts gezien worden als een onderling zeer sterk gelieerde uiting in
verschillende facetten van één beeld, van één werkelijkheid.
Punt twee: Ik kan de grenzen dezer werkelijkheid mij niet voorstellen noch ze benaderen.
Punt drie: Het is mij zelfs onmogelijk vast te stellen, waarvoor mij persoonlijk de grens der
werkelijkheid ligt. Dat kunt U allemaal met mij eens zijn, ja?
Maar deel zijnde van de Godheid, zitten de eigenschappen van de Godheid in mij. Wanneer
mijn ontwikkeling blijkt te blijven staan bij een grens ( en dat blijkt, want er komt een punt
boven, hetwelk wij persoonlijk niet meer voortbestaan: dat ligt vast: dat is ons uit zoveel
feiten, verklaringen, uit zoveel leringen gebleken, dat staat voor ons vast), dan MOET ook de
Schepper een grens hebben. De schepper is kenbaar aan Zijn schepsel.
Ik kan het niet aannemen, als wij als deel van God, als ziel, oneindig zijn, dan kan ik mij
niet voorstellen, dat wij in onze uitingsvorm en onze groei eindig zijn. Dan gaan wij net zo
zeggen: het Oneindige, dat moet als God zijn, het Oneindige.
Aangenomen, mijn waarde vriend, dat U de persoonlijkheid dan prijs geeft als uitingsvorm.
Wanneer U Uw persoonlijkheid verliest, bent U niet meer Uzelf. Op de een of andere manier
blijft alles, wat U was, bestaan. Maar het verliest zijn onderscheiding tegenover het andere en
is dus niet meer "de persoon".
Ja, de persoon als eenheid beschouwende, afgescheiden van het andere. Maar juist in het
één-zijn met het Goddelijke leven wij voort, oneindig.
Ja, dat ben ik met U eens. Maar als ik hier een kopje water heb en daar een paar druppels
water en ik meng ze door elkaar, kan ik dan nog zeggen, dat die druppels water voortbestaan?
Ja. Maar aan de andere kant kan ik zeggen, dat juist die druppels voortbestaan? (Ja). Neen,
want de druppel is de vorm, waarde vriend en de essence alleen wordt opgenomen in de grote
hoeveelheid.
Ja, niet als druppel bestaat ze, niet als vorm, maar wel als wezen.
Niet als wezen, want het wezen wordt bepaald door de vorm, anders is het geen druppel meer.
Neen, maar ik bedoel, als ziel, als bewustzijn.
Maar een ziel is toch ook een vorm? Een bewustzijn is toch ook een vorm? Het is een
begrenzing.
Maar de ziel, dat deel van God nu, dat is geschapen in het begin, en dat aan het eind zal
blijven voortbestaan, niet de ervaringen, die wij hebben opgedaan, toen die ziel tijdelijk in
de vorm van "persoon", van "vorm", optrad.
Dan heeft U onze lessen niet goed gevolgd, als U dat gaat zeggen. Dan heeft U ze niet goed
nagelezen. Ik kan mij voorstellen, dat U - zoekende in die richting - die conclusie bereikt heeft.
Maar in de eerste vijf lessen, waarin dit onderwerp zo nu en dan ter sprake komt, soms in een
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

vraag en - ik meen ook enkele malen - in het betoog zelve, kunt U leren, dat er een moment
komt, waarop wij ons bewustzijn van wat wij zijn en ín het Goddelijke reeds altijd waren (in
het Goddelijke komt geen verandering), maar doordat het verschil tussen ons en het
Goddelijke is opgeheven, wij ophouden te bestaan als persoonlijkheid tegen over het
Goddelijke.
Tegenover het Goddelijke, ja, natuurlijk.
Juist. Maar dan zijn wij er toch niet meer? Dat bewustzijn is dan toch een vorm? De vorm, die
wij hebben en het bewustzijn, dat wij dragen, dat is het verschil tussen de volledigheid, die wij
in het Goddelijke zijn en het voorstellingsvermogen, het begrip, dat wij in onszelf bereikt
hebben. Dat is een grens, die wij trokken in ons eigen wezen.
Maar U bent begonnen met te zeggen, dat God Zich leert kennen in de Schepping,
nietwaar? Als nu dat kennen voltooid is, doordat wij er zijn, dan is daar........
Maar wie zegt, dat U daar daarvoor moet zijn?
Ja, dat is het einddoel van onze persoonlijkheid.
Dat concludeert U.
De volledige éénwording met het Goddelijke.
Op het moment, dat het Goddelijke zegt. Ik ken mijzelf (of U één bent met het Goddelijke of
niet). Kan men het totaal der verschijnselen tot Zich terug roepen. (Ja). Een eigenschap van
het Goddelijke. Dus U moogt niet stellen, wat U op het ogenblik poogt te doen. Dat is eigenlijk
atheïstisch, weet U dat? Dat is atheïstisch: Alles is God, want God is in alles. En eerst, wanneer
alles het bewustzijnspunt God bereikt heeft, bestaat God en kent God Zichzelf uit Zijn
Schepping. Dat is Uw betoog.
Neen, ik haal aan, wat U begonnen is.
Neen, U verdraait, wat ik ben begonnen te zeggen. Dan moeten wij duidelijker zijn. Wij zullen
trouwens later gelukkig het hier na kunnen gaan. Dat is altijd erg dankbaar. Maar ik wil toch
nog eventjes de nadruk leggen op het feit: Als God een begrip is, een voorstellingsvermogen,
kortom, wanneer God Iets is, dan moet er tegenover dat Iets een begrenzing bestaan. Alleen
wanneer wij zeggen. God is Niets, dan blijft er het fictieve "iets" tegenover. Dan is God iets
niet-bestaands. Dat kunnen wij niet. Voor ons is God toch een Werkelijkheid. Maar zodra ik
zeg: "God is Iets", dan staat daar tegenover het tegendeel: het Niet.
Mag ik even nog iets zeggen? U zegt. "God is een Werkelijkheid", maar God is ook een
onwerkelijkheid. Hij is beide. Hij is toch ook eindig en oneindig? Allebei? Steeds?
Inderdaad. Het is beide, maar omdat het beide is, komen wij tot de conclusie, dat - wanneer
dus de uiting ophoudt - het Goddelijke dan tot Niet, tot nul, terug moet vallen.
Maar wij weten toch, wanneer de uiting ophoudt?
Dat weten wij wel. U niet. Dat is juist wat ik zo-even heb getracht te zeggen. Ik zeg: het is
duidelijk, dat wij - gezien alle leringen en ervaringen, al wat wij hierover hebben bestudeerd,
alles wat ons is geopenbaard hierover, kortom alles, wat wij hierover kunnen weten - dit ons
erop wijst, dat na verloop van een bepaalde periode dus de uiting ophoudt. Dat heb ik gezegd,
hoor. (Ja, ja). En juist, omdat wij dat weten, zeggen wij. Dan is er dus Niets.
Maar wij weten niet, wat dat Niets is.
Wat dat Niets is, weten wij niet. Maar wij weten wel, dat dat Niets niet, identiek is met God.
Lost God dan op in dat Niet?
Ja, God lost op in dat Niet. Wij zouden kunnen zeggen: God is een als een spore, die komt tot
bloei, Schepping, zelferkenning, vruchtbaarheid, a.h.w. om vandaar dan terug te gaan tot
spore. Misschien is Hij er wel, maar als leven, als iets zijns, openbaart Hij Zich niet, dat is nu
juist de grote moeilijkheid, waar wij mee zitten. Het is niet voor niets, dat ik dit probleem juist
op de laatste avond naar voren breng.
Blijft U dat toch nog monotheïsme noemen?
Inderdaad. Want er is slechts: Eén God. Althans: tegelijk. Ik voor mij ben niet oud of wijs
genoeg om te bepalen, of de verschillende creaties, die er zijn, alle uit één Wezen georigineerd
zijn, of uit verschillende Wezens, die uit elkaar geboren worden. Dat kan ik niet bepalen. Er
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

zijn aanwijzingen, die in die richting inderdaad gaan, maar ja, eerlijk is eerlijk, dat is zo vaag,
daarin durf ik geen uitspraak te doen. Het enige, wat ik zeker weet, is dit: Wanneer er een
Schepping bestaat, bestaat zij uit God en is het deze ene Kracht, Die het totaal tot stand
brengen - zoals het dan heet - in stand houdt. Of dit vanuit God een in stand houden is, is
weer een tweede punt. (Ik geloof zelfs, dat dit niet het geval is, maar..... soit).
Is het dan niet een begripsverwarring? Het spijt mij, dat ik het zeggen moet, maar ik voel het
zo. (Tegen een andere spreker: Ja, ga je gang maar).
Dit is geen begripsverwarring, maar door ons beperkt zijn als mens om dit verder en beter te
kunnen omvatten en te begrijpen, is het zó, dat van geestelijk standpunt uit bekeken, er meer
in zit, dan wij kunnen vatten. Wij kunnen dit, met de beperktheid van ons wezen hier in de
stof, niet vatten. Dat geloof ik. Dat is mijn overtuiging op het moment. Ja, er zitten nog andere
factoren aan vast. Wanneer U dit naar voren brengt, dan wil ik U wel zeggen, dat juist dít voor
zeer veel mensen niet aanvaardbaar zal zijn, omdat zij menen, dat daar mede hun eigen
onsterfelijkheid in het geding komt. Zij willen zichzelf graag als onbegrensd zien en dat
veroorzaakt bij vele mensen een innerlijk verzet tegen een God, Die begrensd is.
Maar die ideeën van de tegenstelling tussen Iets en Niets. Het Iets is door vormen
gekenmerkt, nietwaar? Als het Niets nu niet door vormen gekenmerkt is, dan wil het toch
niet zeggen, dat het daarom geen eigenschappen hoeft te hebben, die wijst, dat het
Goddelijk is?
Neen. kijkt U eens, als wij zo gaan praten, dan kunnen wij natuurlijk buiten het Goddelijke om
Iets en Niets eerst eens gaan definiëren. Dan is het grote onderscheid tussen Iets en Niets, dat
Iets begrensd is en Niets onbegrensd kan zijn. Maar voor ons bestaat er geen aanvaardbare
levensvoorstelling in het Niet. Het totaal van onze ervaringen, van onze sferen, onze bewust
wordingsfasen, ons leven, van alles, wat wij zien en vat wij kennen, is begrensd. Aannemende,
dat wij allen (en alles gelijk met ons), product zijn één deel van de Schepper, is dus het totaal
der overal voorkomende eigenschappen gelijktijdig de uiting, van een eigenschap van de
Schepper. En is onze Schepper dus een Iets en geen Niets. En moet er dus...........
Ja, dan gaat het veel te ver.
Toch niet.
Onze Schepper is inderdaad een Iets, maar Hij heeft een zekere uiting. Daarin is Hij Iets. Hij is
daarnaast ook niet geuit en daarom kan Hij ook....
Ja, niet geuit zijnde, wil nog niet zeggen: Niet Zijnde.
Neen en daarom is het Niets, wat wij ons voorstellen, datgene, wat niet geuit is in God.
Dat is een punt, waarover veel gezegd kan worden, waarde vriend. Want als U die stelling
handhaaft, dan is noch de Schepper, noch de Schepping volmaakt.
Als je dat handhaaft, dan heb je een begrenzing vanzelf ondergaan.
(Dit was een andere vragensteller).
Ja, er word toch gezegd, dat alles geuit is?
U zegt aan de ene kant, alles is geuit en aan de andere kant zegt U, ja, maar datgene van
God, dat niet geuit is. Dat kan niet. Is Uw God een volmaakt, een voleindig God? Dan kan Hij
niets onvolmaakts baren, nietwaar? De Volmaaktheid, die de volmaaktheid voortbrengt, moet
Zich dus volledig uiten in de volmaaktheid, die Het Produceert. (Ja). Nu kunt U er toch nog
tussenuit komen, door te zeggen: "Ja, maar ik kan volmaakt een déél van mijn volmaaktheid
uiten, terwijl de andere delen ongeuit blijven. Dan zeg ik op mijn beurt: dat wil ik graag
aannemen. Maar wat is dan voor mij, die berusten moet in de uiting en leeft in de uiting God,
het geuite doel? En verder Niets. Verder NIETS.
Ja, om dat geuite deel, daar gaat het juist om, voor ieder afzonderlijk.
Wat U nu wilt doen is, U wilt té kosmisch denken. U vergeet n.l. dat de kosmos ook een in
zichzelf begrensde oneindigheid is. U wilt het aan de ene kant te ver zoeken en het aan de
andere kant aanpassen aan Uw eigen beperking. Dat kunt U niet. Dan blijft U voortdurend
zitten met een groot aantal termen, die niets betekenen: met een grote hoeveelheid holle en
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

loge frasen. Aangezien al deze dingen ook behoren tot ons bewustzijn, zijn wij daarmee
begonnen.
Maar als wij nu uitscheiden, nietwaar, (tenminste met deze reeks) dan móéten wij toch
eventjes het zuiver filosofische probleem stellen: Kan onze God oneindig zijn? Dan zeggen wij:
in Zichzelf wel, maar Hij is begrensd. Maar als Hij begrensd is, moet er iets zijn, dat de grens
aangeeft. Dus bestaat er buiten die Godheid nóg iets. Iets, met voor ons géén God is, omdat
het noch in een scheppende functie met ons in relatie staat( als Creator), noch op enige
andere wijze voor ons kenbaar is.
Mag, ik nog iets vragen? Wat ik op het ogenblik zit te denken - misschien is het helemaal
fout - maar dat Niet, dat zou dus God kunnen worden, al weer.
Inderdaad. Ik vind het zelfs een zeer knappe gedachte.
Dat kan een hele tijd.
Kijkt U eens, ik zeg reeds: het is waarneembaar en kenbaar voor ons, dat op een gegeven
moment de Schepping geboren wordt en wij weten, dat er vóórdien een Schepping is geweest.
En nu met alle scherpzinnigheid in betogen, is het mij opgevallen, dat niemand mij de vraag
heeft gesteld: Hoe kun je dat nu vast stellen? Hoe zou ik dat vast kunnen stellen? Hoe zou
iemand het vast kunnen stellen, het kunnen verklaren?
Dat weet ik niet. Dat is juist, wat ik U zeg, door onze beperkt is het ons eenvoudig, niet
mogelijk om dit te bevatten.
Juist. Nu wil ik daar een zeer vereenvoudigd beeld van geven. Misschien dat U het dan ook
gelijk iets dichter bij de gedachte kan brengen. Elke dag van Brahman wordt gevolgd door een
nacht, waarin het "Zijn tot Niet wordt, tot Ledig.” Maar elke komende dag draagt in zich toch
de herinnering van gisteren, van de vorige dag. Dat geeft dus aan dat ons Niets, dat onze God
begrenst, groter is dan die God, maar gelijktijdig functies heeft, die waarschijnlijk geen denken
zijn in onze zin, noch bewustzijn in onze zin. Maar toch het totaal, van wat zich in dit Niet, dit
Ledig, afspeelt, volledig in dit Ledig op enigerlei wijze weet te behouden, zodat al, wat uit het
Niet geboren wordt, in zich het erfdeel draagt van het Niet, waaruit het voortkomt. Kunt U dat
volgen?
Vandaar uit, dan weer God, zou ik zeggen?
Ja, nu niet meer God in onze zin.
Neen, dat kunnen wij toch niet begrijpen.
Onomschrijfbaar. Nu kunt U mij natuurlijk verwijten dat ik hier op het ogenblik verwarring zit
te zaaien. Ik vindt misschien deze gedachtegang verwarrend. Aan de andere kant zal ik mij
dan moeten verdedigen tegen zo'n aantijging - aangenomen, dat die al gedacht wordt - dat de
grootste verwarring niet wordt gezaaid door de waarheid, maar door de leugen. Het is een
leugen, wanneer wij zeggen, dat het totale Zijn beperkt blijft tot onze God.
Dus onze God, Die laten wij varen, Die is nog te klein. (Neen).
Neen, hoeft dat niet?
Dat behoeft nog niet eens. Onze God is Creator, de Schepper, de Al-Vader, de Al-Geest. Hij is
het Gevormde, Hij is het Bewuste. D.w.z. dat onze God een reeks eigenschappen in Zich
draagt, die wij in onszelf hebben en in onszelf kunnen ontwikkelen. Dat bent U toch met mij
eens? (Ja). Wij erkennen een God, omdat wij menen die God eens te kunnen bereiken. Anders
zou het onzin zijn, nietwaar? U spreekt misschien over een reis naar de maan, naar Mars of
naar Venus, of naar de planeten. Maar niemand gaat U zeggen: wij gaan eens een keer naar
Antares toe. Daar heeft U op het ogenblik helemaal geen interesse voor, omdat dit te ver
buiten de huidige mogelijkheden ligt. Wanneer wij gaan zeggen. "We streven naar God", dan
moet dat een God zijn, Die binnen ons bereik ligt. Met ons zijn al die planeten met de zon
samen in het hele zonnestelsel. Zij worden omgrensd door een Niet, iets wat er misschien wel
is, maar voor ons niet bestaat, voor ons onbereikbaar is. Kunt U het nog steeds volgen? Ja,
het is niet de eenvoudigste materie, hoor.
X is al zo moeilijk en nu krijgen wij opeens : X + 1
Ja, dat ben ik met U eens. Maar wanneer wij onze richting, moeten bepalen naar het
Goddelijke toe, dan hebben wij een landkaart nodig. Als men U zegt: Edam of Amsterdam ligt
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

op dezelfde breedtegraad als New-York, op Peking, of weet ik wat. Dan kunt U die hele
breedtegraad afgaan zoeken, voordat U misschien Amsterdam vindt. Maar U kunt ook de zaak
gaan lokaliseren en zeggen: Amsterdam ligt in Nederland en Amsterdam is zo en zo te
bereiken. Amsterdam is een stad. Kortom, U gaat alles vertellen, wat noodzakelijk is om van
Amsterdam te weten. Vertellen misschien zelfs, dat er de Dam is en een Rokin en als je dan zó
afslaat, nietwaar, dan kom je daar en daar terecht. Dat kunnen wij alleen doen, als wij
begrijpen dat ons doel niet de wereld is. Zoals een kind zou doen, dat in een dorp is, dat loopt
een willekeurige richting uit en zegt: ik ga naar de stad. Mogelijk dat er een stad ligt in die
richting, maar het is de vraag, of dat kind het bereiken zal. De stad, waar het kind aan denkt,
is de stad, waar de ouders heengaan. Waar of niet? Dat is de enige stad en het enige begrip
"stad", dat het kent op dat moment.
Zo gaat het met ons ook. Misschien is er buiten ons een hele wereld, waarin onze God
uiteindelijk niets is dan een kleinigheidje. Misschien een "gezapige burger" van een volk van
Goden, Die op Hun beurt weer Hun eigen Grote God kennen. Ook daar wordt wel eens, over
gesproken. Maar voor ons is God een bepaald omschreven iets, n.l. Datgene, waarvan wij de
eigenschappen kennen en waar wij dus mee kunnen werken a.h.w. Wij moeten die God durven
definiëren. Niet definiëren in die zin, dat wij God gaan vertellen precies wat Hij is. Dan maken
wij een fout. Maar dat wij wel gaan zeggen: Onze God is dít en dít en dát.
Dan moeten wij zeggen: onze God is een begrensd Wezen. Onze God is Iets, onze God heeft
vorm. Als wij dat zeggen, dan moeten wij daaruit ook de consequenties durven trekken en
zeggen, dan bestaat er buiten die God dus iets "vormloos". Dan is er buiten dat, Iets dus een
Niets.
Nu geef ik toe, dat die termen allemaal relatief zijn. Maar zij zijn slechts relatief, gezien vanuit
een Goddelijk standpunt. Vanuit ons eigen standpunt zijn deze stellingen volkomen reëel, n.l.
gebaseerd op het totaal der waarneembare verschijnselen. Gebaseerd op de rede, de logica,
gebaseerd op de ervaringen van enkele honderdduizenden jaren, van bewust strevende
schepselen dezer aarde en al, wat daarvóór ging uit andere streken van het Al. Het is dus niet
maar een kleinigheidje, het gaat hier werkelijk om een ernstige zaak. Wij moeten onze God
durven beperken. Pas, wanneer wij die God beperken, dan krijgen Zijn wetten zin.
Als God oneindig is, mijne Vrienden, waarom zoudt U zich dan druk maken? Ga dan je gang
maar.
Ten eerste: je kunt het nooit bereiken. In de tweede plaats: als God eindig is – in elke zin -
waar blijven dan de Goddelijke wetten? Dan zijn er een oneindig aantal wetten en dan komen
wij óf tot een predestinatie zó scherp, dat wij geen ademtocht kunnen halen op aarde, of het
moet gepredestineerd zijn, (volledig met inhoud plus elk luchtdeeltje, dat naar binnen komt en
elke omzetting, die zich in de longblaasjes afspeelt), ófwel, wij moeten komen tot een
onverschilligheid: wat wij ook doen, het is altijd goed en het is altijd kwaad tegelijk, dus laat
ons onze gang maar gaan. Dat is de consequentie van een oneindige God, een onbegrensde
God Die zo al-omvattend is, dat er daarin geen onderscheid mogelijk is
Ja, je zou er heel veel en je zou er heel weinig op kunnen zeggen.
Als je een begrenzing hebt, heb je een steun, waar je naar toe zou kunnen gaan, nietwaar? Ja.
(Is dat nodig?) Wij kunnen toch niet bestaan zonder God. Als U nu alleen eens denkt aan de
gewone verschijnselen van "geloof". Wat kan gewoon het geloof in de vaardigheid van een arts
al niet voor het moreel van een patiënt betekenen en daardoor secundair voor zijn gezondheid.
Dat kan toch waan zijn?
U noemt het waan, maar is het voor de patiënt een werkelijkheid, of niet?
Ja, voor de patiënt wel.
Juist, zijn wij wezens, die zo gemakkelijk aannemen, dat alles rond ons waan is? Zouden wij
kunnen leven, wanneer wij zouden zeggen: Dit alles is waan? Neen, er moet een betekenis
zijn, anders is alles zinloos. Daarom móet er een God, zijn en wel een God Die voor
benaderbaar en bereikbaar is. Een God die - zoals reeds gezegd – waar wij mee kunnen
werken, waar wij naar toe kunnen streven, waar wij contact mee kunnen opnemen, waar wij
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

kracht uit kunnen putten. Die God moet dan toch wel uit de aard der zaak een onbegrensde
God zijn.
Moet wezenstrekken hebben.
Dat is toch hetzelfde? Als God wezenstrekken heeft, is Hij begrensd.
Wat verstaat U onder het grensbegrip?
Onder het grensbegrip versta ik een onderscheid tussen twee delen, dat is een grens. Wanneer
ik zeg: God heeft een wezenstrek, dan zeg ik dus: Hij heeft een eigenschap, waar deze
niet-eigenschap tegenover staat. Dan heb ik dus een grens getrokken. Wanneer ik zeg: God
heeft wezenstrekken, dan zeg ik dus. Buiten God bestaat dit niet. Dan heb ik daarmede
aangegeven, dat mijn God begrensd is. Dat is toch logisch?
Maar dan is niet aangegeven, dat er buiten God nooit iets anders bestaat.
Hoe kan God bestaan, als er niets buiten God bestaat? Hoe kan God begrensd zijn, als er niets
buiten God bestaat? Hoe kan God wezenstrekken hebben, als er niets buiten God bestaat?
Hij kan wezenstrekken hebben, omdat Hijzelf de volmaakte Ruimte is.
Als Hijzelf de volmaakte Ruimte is, kan Hij nooit een gestalte in die ruimte zijn. Dan kan de
gestalte in de ruimte hoogstens Zijn Schepping zijn. (Ja). Dus m.a.w. U wilt de kant uit, waarin
U zegt. Het Niet is de eigenlijke God. Of volmaakte Ruimte, als U het zo noemen wilt. Wat wij
God noemen, is geen God. Dat is slechts een Schepping.
Het is voor ons toch een God?
Ja, dat ben ik met U eens, maar als dat voor ons een God is, laten wij dan verstandig zijn. "Gij
zult geen Goden voor mijn aangezicht stellen". Wij kunnen geen God hebben met een
super-God. Want dan komen wij in de verleiding om de één tegen de ander uit te spelen.
Maar als het voor onze beperkte gedachte nu te ver gaat om ons het Niet te denken, kan
het voldoende zijn om........
Ja, maar het gaat helemaal niet over het denken aan het Niet: het gaat er om, dat wij
begrijpen, wat onze Godsvoorstelling is. Het hoogste, wat wij ons kunnen denken. Ja, en wat is
het Hoogste, wat U zich kunt denken? Ja, iets met wezenstrekken, herhaalt U die term maar.
Maar wat U nu uit het oog verliest is dit: wij denken op het ogenblik na over het Goddelijke.
Dan moeten wij ons eerst realiseren: wat is onze God, nietwaar? Per slot van rekening, een
greep in het Onbekende zul je nooit met veel vertrouwen doen. Maar wanneer wij begrijpen,
wanneer wij enigszins kunnen bevatten, wat deze God van ons eigenlijk betekent, dan zullen
wij met veel meer vertrouwen Hem benaderen, Zijn wetten gebruiken, enz. Denkt U vooral
niet, dat het allemaal zinloos gepraat is over allerhande holle filosofische problemen, wat wij
hier doen. Wij proberen een stap verder te komen. Maar.......... het is zo moeilijk om dit begrip
te aanvaarden, nietwaar?
Maar is het nodig, dat wij onze God, als een Persoon zien?
Ik heb helemaal niet over een "persoon" God gesproken. Ik heb alleen er over gesproken, dat
God wezenstrekken heeft, ofwel eigenschappen, waar tegenover niet-eigenschappen staan.
Dus een Iets. Die persoonlijkheid heb ik helemaal in het midden gelaten.
In elke plant, in elk dier, in alles is God.
Ja, uitstekend. Dat ben ik direct met U eens. Maar welke God? De God met de wezenstrekken.
De eigenschappen. Begrijpt U, wat ik bedoel? Waar ik heen wil? Als wij ons realiseren, dat God
uiteindelijk begrensd is - oneindig voor ons misschien in Zijn bestaan en oneindig zelfs in Zijn
veelheid van mogelijkheden voor ons, dat die God toch begrensd is, krijgt U dan niet de idee,
dat die God dichterbij komt? Wij halen God niet naar beneden, dat kunnen wij toch niet. Maar
wij brengen God dichter bij onszelf.
Wij hebben die grenzen naar ons toegehaald, die grenzen zijn wij.
Juist. In ons begrip zijn wij die grenzen. Als wij nu weten, niet waar, dat wij hiermee
uiteindelijk niets anders doen dan de Schepper plus Zijn Schepping in onszelf herhalen, dan
komen wij vanzelf tot de gedachte - en daar wilde ik U heenbrengen. Wij zijn hier eigenlijk een
beetje aan het twisten geraakt: nu ja, twisten niet, debatteren heet dat, proberen om elkaar te
begrijpen: wat een debat overigens behoort te zijn, maar zelden is.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

Dus dan was het toch wel goed.
Het is zeer goed zelfs, want hierdoor gaat U actief meedenken. Maar laten wij dan
eventjes............... ik heb Uw toestemming, U kunt desnoods dadelijk nog even terugkomen
met Uw probleem. Dan kunnen wij verder gaan.
Ik ben dus zover gevorderd, dat ik gezegd heb: God is Iets: daarnaast staat Niets. Ik ben in
God, maar ik reproduceer mijn God, omdat ik deel ben van Zijn volmaaktheid, van Zijn uiting.
Dan is er ook buiten mij het Niets en in mij de Schepping, Dat kunnen wij ook begrijpen,
nietwaar? Wanneer ik dus ooit iets wil doen, iets wil bereiken of iets nastreven, hoe moet ik
dat dan doen? Dan moet ik naar binnen toe gaan.
Nu kom ik op het punt te staan, waar ik zeg: Ja, maar één verschil heb ik met die God van
mij, zover ik dat althans vast kan stellen, ik ben geboren uit Iets en ik ben een persoonlijk-
heid. Ik heb wezenstrekken.
Het herhaald.
Uitstekend, mijn God en ik zijn gelijk. Maar mijn God heeft mij bewust voortgebracht. Dat weet
ik omtrent mijn God niet, of Die bewust is voortgebracht.
Omdat er dus een directe bewustzijnsrelatie bestaat tussen mij en mijn God, kan ik in mij God
vinden. Punt 1, herinnert U zich o.a. bespreking 7. Wat van groter belang is nog, kan ik vanuit
mijzelf als Schepper optreden voor de wereld rond mij. En ik kan daarin alles uiten, wat in mijn
God leeft, indien ik mijn God in mij bereiken kan.
Dat ik Deze bereiken kan, ik een zekerheid en niet slechts een streven. Want er komt een
punt, dat ik zeg: Ziet, ik heb mijn God bereikt. Mijn God kent grenzen. Het is geen eeuwig
jachten: Jakobsladder na Jakobsladder, steeds verder in de Oneindigheid, nooit tot een doel
komend, nooit tot rust komend. Er komt voor ons een moment, dat wij juist om deze
begrenzing, juist door deze begrenzing kunnen zeggen: Ziet, de taak, die wij als wezen, als
geest, als ziel, als mens hebben, is volbracht, maar dan ook werkelijk helemaal. Dat keert niet
meer terug: dat is geen voortdurende werveling meer. Dat is een toestand van evenwicht
geworden: Ik ben in God, zoals God in mij is. D.w.z., dat ik mij het niet-persoonlijk-zijnde, dat
de kern is van mijn wezen, zo volledig heb gerealiseerd, dat ik in de persoonlijkheid, die groter
is dan ik volledig ben.
Dus niemand heeft er dan meer een persoonlijkheid?
Neen en dat is begrijpelijk. Wat maakt een persoonlijkheid uit?
Niets. Ja, toch iets. Er blijft iets. (Verschillende stemmen door elkaar)
Ja, juist, wat is n.l. een persoonlijkheid? Wat maakt U tot een persoonlijkheid? De verschillen
die U heeft, tegenover anderen.
Ook weer een begrenzing.
Juist, dus als ik deze begrenzing verlies, dan ben ik geen persoonlijkheid meer. Nu weet ik, dat
er heel veel mensen zijn, die dat het ergste zouden vinden, wat hun zou kunnen overkomen,
opgaan in een Niets.
Maar vergeet niet, dat er dan toch iets anders gebeurt. Want opgaande in het Grote zullen wij
niet meer ons persoonlijk uiten, ons onderscheiden van anderen. Persoonlijk handelen of zelfs
persoonlijk denken. Maar wij blijven bestaan, wij zijn. In de toestand van harmonisch zijn
vinden wij datgene, wat wij nergens hebben kunnen vinden, n.l. een volledig en zonder
verlangen zijn. Er is geen wens meer voor ons. Ja, God. Maar dat is geen grens, die óns niet
aangaat. God had ook het verlangen om te scheppen op een gegeven moment. Neen, dat.
kunnen wij niet kennen. Want als deel van de Schepper zijn wij voortdurend scheppend,
zolang als de Schepper n.l. bestaat. Dat probeer ik U nu juist bij te brengen, als een soort van
apotheose eigenlijk. Dat er voor ons geen persoonlijke behoefte meer kan bestaan, wanneer
wij eenmaal tot éénheid zijn geworden met onze Schepper.
Aannemende, dat die Schepper geen grenzen kent, is deze toestand onbereikbaar. Dan blijkt
inderdaad ons sprookje van hemelse zaligheid en uiteindelijke bereiking....... een sprookje is
het iets, dat niet voorstelbaar of realiseerbaar wordt: iets, waar je niet van kunt zeggen: daar
kom ik vandaag of morgen. Juist, omdat wij stellen, dat God begrensd is, dus dat God iets -
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

voor ons niet, maar toch als geheel wel - omschrijfbaars is, voor ons niet, omdat wij het
bewustzijn, het vermogen niet hebben om het te omschrijven, maar omdat God een
omschrijfbaar Iets is, weten wij, dat wij het bereiken kunnen. Daar ligt nu juist - volgens mij -
de grote factor in die God opgegaan zijnde, in die God onze volledige vervulling en
verwerkelijking vinden, nooit meer buiten die God als persoonlijkheid naar voren zullen
komen: dat wij dus met die God a.h.w. op zullen gaan in een grotere wereld. En
mogelijkheden die God in die wereld..........
Ik zei het al, misschien is onze God een zakenmannetje in een volk van Goden, wie weet het?
Het klinkt erg oneerbiedig, maar, als voorbeeld..... Wie weet is die hele Schepper uiteindelijk
niets anders dan een experimenterende chemicus, die ergens in een groot laboratorium zit en
ook door moet werken, omdat hij bang is voor de baas. Wie weet het? Het zijn mogelijkheden.
Geen zekerheid.
Maar......... het gaat ons niet aan. Want wanneer wij één zijn met de Schepper, valt voor ons
persoonlijk alles weg. Zolang onze Schepper harmonisch is, zijn wij het. En wij kunnen onze
Schepper niet voorstellen in een toestand, die van ons idee uit onevenwichtig of harmonisch
zou zijn.
De grote bereiking, het opgaan in God, waarover wij in deze cursus zoveel hebben gesproken,
is dus aan de ene kant het verliezen van wat de persoonlijkheid noemen, maar aan de andere
kant, een zo rijke vervulling van alles, wat zelfs maar enigszins wensbaar of voorstelbaar is op
het ogenblik in onze ideeën, zo volledig, met zo oneindig veel meer, dat er voor ons geen
behoefte meer blijft bestaan, om zelf, d.w.z. handelend tegenover een deel van het Goddelijke
te blijven bestaan.
Alle conflict opgeheven: er bestaat geen lijden meer. En wanneer er geen lijden meer bestaat,
dan kom je in de verleiding om te zeggen er is geen vreugde meer. Inderdaad: er is geen
vreugde meer als een uitzonderingstoestand, want wat bereikt is, is de volledige verzadiging
van al, wat er voor ons denkbaar en wensbaar is.
Daarom zeg ik nogmaals, wij moeten redelijk zijn. Wij moeten toegeven, dat onze God
begrensd is. Maar aan de andere kant wordt Hij voor ons juist door deze begrenzing een
volledige vervulling waar Hij bereikbaar is. Een begrensde volmaaktheid is bereikbaar. Een
onbegrensde blijft een waan en een droom. Onze God is niet een droom: Hij is een realiteit.
Een realiteit, die bereikbaar is en benaderbaar, Die de moeite waarde is, die wij doen om er te
komen.
Ik ben begonnen daarnet met het begrip bewustzijn. Maar nu zou ik iets willen vragen over
het bewust worden van de ziel. Groeit deze bewustwording van de ziel dan van trap tot
trap en zal zij bij elke trap weer God vinden en dan weer opnieuw beginnen om dan weer
te pogen God te vinden van de ene sfeer naar de andere?
Het is een stelling, die geuit is en zelfs een stelling, die wij ook behandeld hebben, zoals U zich
misschien nog kunt herinneren. Maar het is een stelling, die alleen gebaseerd kan zijn op de
onbegrensde God. Dan is het n.l. zo: wij worden God en vinden een nieuwe God.
Maar wanneer ik het nu stel vanuit een ander standpunt, dan groeit onze geest eigenlijk niet in
de zin van: zij wordt bewuster, doordat zij meer wordt: maar zij wordt bewuster, doordat zij
minder begrenzingen in haar eigen wezen heeft tegenover het Goddelijke. Begrijpt U?
En die bewustwording zou ik graag ook eens een keer - het hoeft niet altijd, dan wordt het te
moeilijk -, maar voor een keer eens door U overdacht willen zien, niet "als het jezelf
verrijken”, maar als het weg doen vallen van belemmeringen. Wij zijn niet de mensen, die
voortdurend gas in een ballon pompen om naar de zon te stijgen. Wij zijn eerder een duiker,
die ontdaan van het hulpmiddel, dat hem onmiddellijk omhoog zal kunnen trekken, uiteindelijk
begint met ballast af te gooien, waarna hij uiteindelijk zelfs zijn loden schoenen en gordel weg
laat vallen, om in ieder geval naar de oppervlakte te kunnen komen. Wat dat betreft - ik
gebruik een duikersvergelijking, - moeten wij net als die duiker het langzaam aan doen. Want
een duiker kan een fatale kramp krijgen, als hij te snel naar boven komt. Verstikkingssysteem
door opnemen van lucht onder te hoge druk. Maar dat kan met ons gebeuren, wanneer wij
geestelijk te hard gaan.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

Daarom is het goed dat wij weten dat bepaalde delen, die wij op het ogenblik in ons
bewustzijn nog als zo reëel zien, uiteindelijk ballast zijn. Dat, wanneer de tijd daar is, wij ook
dit kunnen laten vallen en verder stijgen. Maar wij moeten ons ook realiseren, dat dat stijgen
niet ononderbroken doorgaat, dat er ergens "de waterspiegel" is: dat er ergens God is en ons
bewustzijn - één geworden met God - ophoudt te bestaan als iets in een vreemde omgeving.
Het is op het ogenblik eigenlijk overgang op deze avond. En ik probeer dat op mijn manier te
doen, door op de oude wijze met U te discussiëren over de dingen, maar gelijktijdig U in te
voeren in de mogelijkheden, die filosofieën over het Goddelijke zouden hebben, wanneer wij
daarmee voortgaan. Ik kan U verzekeren, dat wanneer U een tijd lang deze methode van
denken enkele uren per maand heeft gevolgd, dat U heel anders staat tegenover de wereld en
ook tegenover God. Maar daarnaast - en dat is heel belangrijk - dat U, andere inzichten
gekregen hebbende, zult blijven voortgaan op een wijze, waarop U thans voortgaat. Maar met
een nieuwe zekerheid. Met het vermogen om Uzelf - wanneer het nodig is - zeer snel boven
het huidige peil te verheffen, waardoor de gevaren die het leven met zich meebrengt -
geestelijk vooral zo vaak (het lichamelijke wil ik nog buiten beschouwing laten) - de geestelijke
gevaren ontgaan kunnen worden en daarvoor in de plaats dus een grotere zelfverzekerdheid,
een grotere vrijheid en een grotere zekerheid binnen het Goddelijke komt. Maar ik zeg
nogmaals, het is geen kinderstof. Het is de vraag, of wij voldoende mensen zullen kunnen
krijgen, die het begrijpen. Maar wij kunnen het proberen.
Ik geloof toch wel, dat avonden zoals deze waarop wij onze gedachten met U kunnen
uitwisselen, van zeer groot belang zijn om dichter tot bepaalde begrippen te komen, dan ze
één keer aan te horen en ze nog eens te herlezen. Ik geloof zeker, dat wij door debatteren
en uitwisselen van gedachten verder komen, dan dat wij dat alleen maar bestuderen.
Dat ben ik met U eens. Maar wat ik op het ogenblik in een aantal a.h.w. onsamenhangende
zinnen naar voren heb gebracht, zou U dan eerst voorgezet krijgen in een geheel. Daarbij dus
inzicht krijgend in de bedoelingen, waar U op het ogenblik hebt onderbroken om te vragen en
wij daardoor zo hier en daar zelfs op afwegen dreigden te geraken. Dan kunnen wij later over
dat geheel debatteren en spreken, zoveel als wij willen.
Maar i.p.v. dat wij over enkele zinnetjes gaan spreken, zoals nu het geval is, is de bedoeling,
dat wij over begrippen gaan spreken. Dus over een totale conceptie. Het is a.h.w. of, wij
hebben nu lang genoeg over bakstenen gesproken en iemand tegen U zegt: Wij hebben
gepraat, laten wij nu eens gaan praten over architectuur. Begrijpt U? Dat is het verschil. Dan
geloof ik persoonlijk, en ik ben het daarin dus met de leiding eens, dat wanneer de
medewerkers (degenen die met ons hierover willen spreken bij ons, willen aanhoren, even aan
deze wijze gewend zijn), dat het nut en de baten veel groter zijn. Omdat je nu - dat heeft U nu
zelf kunnen merken – soms interrupties krijgt, vragen, die - hoe goed bedoeld ook - eigenlijk
in het verder verloop in een ander licht hadden kunnen komen te staan. Begrijpt U?
Want het komt wel eens voor - vanavond is het nu niet zo erg het geval geweest -, maar dat
wij tegenover elkaar staan. Als ik zeg: dit is rechts en er zit iemand tegenover, die zegt: neen,
het is links. Begrijpt U? Wanneer wij nu zeggen: laat mij even uitpraten: dit is rechts, wanneer
ik zó zit, dan is het hele verschil weggevallen.
Aangezien juist, o.a. in de cursus "Het Goddelijke" het wel het sterkst is geweest en deze
misverstanden zo sterk op de voorgrond zijn gekomen - het te veel kijken naar de kleine
dingen en te weinig naar de grote lijn -, heeft men dus het besluit genomen om U te
verzoeken eerst eens te luisteren. Wanneer de zaak dan klaar is, kunt U desnoods de hele
verdere avond aan het spreken daarover besteden. Wat m.i. veel beter is, vooral wanneer je
het eerst nog een keer hebt overgelezen en je dus voor jezelf a.h.w. elk puntje, dat onzuiver
is, elke mening, hebt kunnen formuleren.
Dan hoop ik, het zelf nog eens zo ver te brengen, dat de werkelijke problemen eerst schriftelijk
geformuleerd worden. Al is het maar in een kanttekening. Dat heeft ook een groot voordeel.
Dan wordt er veel scherper omschreven, veel duidelijker en veel korter gezegd, wat men
bedoelt, dan wanneer het zo ineens opkomt. Dus wij gaan a.h.w. een beetje economischer
werken, wanneer wij de kans krijgen. Dat was de bedoeling van ons.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

Maar dat deze avonden vruchtbaar zijn, daar zijn wij althans van overtuigd. Want anders
zouden wij ons de moeite niet geven om over deze dingen met U te praten. Uiteindelijk
kunnen wij meer mensen trekken - dat moet U goed begrijpen - heel wat meer mensen
trekken en onze boodschap van verdraagzaamheid misschien heel wat meer uitzaaien, - zij het
dan veel oppervlakkiger -, wanneer wij wat mooie woorden gaan gebruiken. Begrijpt U?
Ik kan ook zo'n Zondagsfeer op gaan roepen, hoor. Nu zijn wij zover gekomen door de lessen
dat men begrijpt, wat er gezegd wordt en men niet alleen naar de toon luistert. Maar men
komt eigenlijk meer om de toon dan om de inhoud vaak. De inhoud wordt pas waardevol door
de wijze waarop ze gebracht wordt.
Zo zijn er een hele hoop mensen, die kopen een diner, niet omdat het zo lekker is, maar
omdat het zo mooi opgemaakt is. Vooral op geestelijk terrein, U moet dus begrijpen, dat
wanneer wij ons de moeite geven om al deze besprekingen met U te voeren, wanneer wij zelfs
het gevaar lopen zo nu en dan onze populariteit geheel te verliezen - als ik het zo eens mag
uitdrukken -, omdat wij een zekere richting en een zekere diepgang begeren, wij overtuigd
moeten zijn, dat dat nut heeft.
Dan is het toch ook beter, dat alleen mensen deze cursus volgen, die de vorige lessen gehad
hebben. Als er opeens nieuwe bij zouden komen, zouden zij het niet begrijpen. Juist de
voortzetting hiervan, daar is het de bedoeling van, dat er alleen aan wordt deelgenomen door
degenen, die reeds langere tijd het werk der Orde volgen. Want zou iemand helemaal nieuw
hier tegenover staan, ben ik bang, dat het voor zo iemand onmogelijk zou zijn om zelfs te
begrijpen, wat er gezegd werd.
Ja, en dat verkeerd uitleggen.
Nu ja, dat, doet men toch wel. Of men het nu begrijpt of niet, dat is altijd zo. Dat is bij
mensen onder elkaar al zo, daar zullen wij zeer zeker ook wel eens onder te lijden hebben.
Het zou mij niet verwonderen, als er mensen bij zouden komen, voor wie het zeker iets
vreemds is.
Kijkt U eens, wanneer er hier mensen bij komen, dan moeten zij ook weten, wat zij krijgen.
Daarom staat er uitdrukkelijk bij: voor gevorderden alleen. Wij hebben uitdrukkelijk hiermede
gestipuleerd, dat dit bedoeld is als een voortzetting, zodat wij een beetje dieper op de dingen
kunnen ingaan. Want denkt U nu, dat ik zo'n probleem zou kunnen bespreken met een groepje
mensen, die voor de eerste of de tweede keer zo'n avond meemaken? Onmogelijk.
Maar ondertussen hoop ik U een redelijke stof tot overdenken gegeven te hebben. Wanneer
het nu toch nog weer tot problemen en vragen leidt, al gaat die cursus dan niet op deze ma-
nier voort, komt er een voortzettingscursus hiervan, dan kunnen wij dat altijd daar nog,
wanneer de vragen aan de beurt komen, afhandelen. Anders zijn er nog wel andere avonden,
waarop U die vragen kunt doorgeven.
Zou een ander er geen raad mee weten - het kan een enkele keer misschien voorkomen - nu,
dan geloof ik wel, dat onze afdeling toch onmiddellijk zal zorgen, dat er een redelijk antwoord
beschikbaar is. En niet alleen redelijk, maar zo juist mogelijk, wat ook erg belangrijk is. Ik zou
zeggen. U heeft op het ogenblik genoeg te slikken gekregen, vrienden, het lijkt mij wel
verstandig om nu even te pauzeren, vindt U niet? Dus allemaal een prettige avond verder.
Nogmaals: God is bereikbaar, omdat Hij begrensd is. Een onbegrensde God is een Fatat
Morgana, waar je achteraan jaagt en Hem nooit bereikt. Een begrensde God is een realiteit in
de eigen wereld en daardoor bereikbaar. Wat er buiten onze wereld bestaat kunnen wij toch
niet weten.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goedenavond, vrienden,
Misschien zijn er nog onderwerpen of punten van debat, die U naar voren wilt brengen? Kijkt U
maar, of U nog een onderwerp heeft, of zo iets en anders laat U het maar aan mij over.... Nu,
het valt mij tegen, die stilte, hoor. Geen liefhebbers? Nu, dan zal ik van mijn kant nog maar
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

eens over een paar kleine dingen gaan praten. Ik wil gaan spreken over het: Verschil van
Ontwikkelingsgang tussen Geest en Stof.
Interesseert U dat?
Het wezen van geest en stof is geheel verschillend, zoals u weet en wij kunnen dat eigenlijk
zien als de tegendelen die elkaar aanvullen binnen de Schepping. Nu heeft de stof altijd weer
een drang tot veruiterlijking. Dus zij wil vorm aannemen. Maar in dit vorm aannemen heeft zij
bovendien voortdurend de drang om Zichzelf gelijk te blijven. Dat is wel duidelijk? De geest
daarentegen zoekt geen vorm, maar zoekt zichzelf en tracht zichzelf te veranderen door
hetgeen, dat in haar leeft, in de wereld buiten het "ik" te projecteren, Dat is ook duidelijk,
geloof ik?
Nu, nu, wat blijven wij stilzwijgend vanavond, vrienden. Er is zoveel gepraat, er kan geen
woord meer af.
Maar goed. Wanneer wij nu deze twee dingen tegenover elkaar zetten, dan blijkt ons dus, dat
voor de stof de vorm belangrijk is: voor de geest het vormgeven. Dat is een tegenstelling en
een zeer scherpe. De stof begint als simpel partikel en zoekt dan voortdurend naar
ingewikkelder vorm. Raakt die vorm verloren door de één of andere reden, dan zal die stof in
zich zoveel mogelijk behouden van de vroegere toestand. Zo zien wij b.v., dat stoffen, die
eenmaal opgenomen zijn in levende organismen, kwaliteiten blijven vertonen van dit levend
organisme en nooit meer geheel tot de "dode stof" terugvallen. Men zegt wel eens: uit het
menselijk lichaam kun je o.a. een spijker aan ijzer halen. Nu, ik kan U verzekeren, wanneer U
dat ijzer er uit zou halen, het andere kwaliteiten zou bezitten, dan het mineraal ijzer, dat U
kent.
Ook hier zijn trouwens veel verschillende ertssoorten met ieder hun eigen kwaliteit en
eigenschap, maar dit ijzer, dat eenmaal in een organisch proces is opgenomen geweest, dat
kent een geheel andere innerlijke structuur en samenhang. Zo verzamelt dus de stof in haar
kleine delen een zeer groot aanpassingsvermogen, maar zal altijd weer pogen dit
aanpassingsvermogen in een vaste vorm - in binding met anderen dus - te uiten. Wanneer die
uiting er niet is, dan zoekt de stof naar een mogelijkheid om vorm aan te nemen.
Voor de geest is het een beetje anders. De geest gebruikt een vorm als uiting, maar de vorm
is haar nooit het doel. Zij verlaat elke vorm weer en behoudt van die vorm betrekkelijk weinig.
Wat zij nog meeneemt aan vormbewustzijn ervan, verliest zij al heel gauw. Het interesseert
haar niet. Het gaat haar niet om "iets anders" te worden, maar het gaat haar er om, om meer
zichzelf te worden. Als wij dat willen vergelijken in termen, die zo-even gebruikt worden hier,
dan zou ik dus kunnen zeggen terwijl de stof evolueert, involueert de geest.
De evolutie van de stof is echter uiteindelijk een gang, die gaat van oneindig tot oneindig. Het
klinkt voor U misschien vreemd, maar de stof kent een oertoestand. In deze óertoestand is de
stof onbeperkt houdbaar en onvernietigbaar. Zij is n.l. een zeer bepaalde vorm van energie,
waaruit alle andere energievormen uiteindelijk voortspruiten. Hoe die stof zich ook verder
ontwikkelt, zij kan nooit verder ontbinden dan energie. Zelfs wanneer zij energie geworden is,
zal zij door eigen trillingsverhouding en trillingsgetal zich onderscheiden van andere vorm van
dezelfde energie, die een andere ontwikkeling hebben gehad.
Dat betekent, dat, wanneer een aarde b.v. in gassen uiteen zou barsten, een groot gedeelte
van de materie dier aarde de ruimte ingeslingerd wordt. Een deel daarvan als energie, als
warmte. Eigenaardig genoeg zal die warmte weer kristalliseren. Wat gebeurt er dan? De
warmte, die b.v. van ijzer is gekomen, probeert weer naar ijzer terug te keren, wat zuurstof is
geweest, probeert naar zuurstof terug te keren. Zou een dergelijk stukje kracht op een andere
planeet terecht komen en zich aan de massa van die planeet gaan toevoegen, dan is wel
zeker, dat daar de dichtst bij de aardse vorm komende materie wordt gezocht om hierin
wederom een deel te gaan uitmaken. Dat geldt zelfs voor zeer kleine delen, als een neutron,
een proton, een elektron. Wij moeten dus begrijpen, dat die stof steeds weer probeert om die
vorm terug te vinden en dat stof zonder vorm een óf wel dode, óf wel voortdurende actieve
massa is.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

Het is zo, dat wanneer de oerkracht - ik gebruik die naam nu maar voor deze vorm van
materie - in rust is, zij absoluut in rust is, Dan is er helemaal geen uiting meer en is het veld
niet waarneembaar. Dan kun je helemaal niet meer uitmaken, wat er wel en wat er niet is.
Wanneer zij echter in een gestoord evenwicht is, dan blijft zij voortdurend delen vormen. Wij
krijgen dan b.v. wolken van donkere materie, die zeer veel straling opslorpen en omzetten in
meer van die materie, totdat de massa van zo'n wolk te groot is geworden en zij een bepaalde
hoeveelheid beweging aanneemt. Daarna barst zij in stukken en ontstaat er warmte, wij zien
dan zelfs sterren geboren worden.
Nu is het in Uw melkwegstelsel niet meer zo, dat er wolken zijn, zó groot, dat zij nog tot Nova
kunnen worden. Maar in andere nevels is het op het ogenblik nog wel zo. De nevel wordt
lichtend, breekt en vormt sterren. Altijd weer teruggaande naar dezelfde vorm, die bekleed
werd. Wanneer de stof eenmaal een vorm vindt, dan tracht zij die vorm zoveel mogelijk te
handhaven. D.w.z., dat bij elke verandering van omstandigheden een kleine wijziging van
vorm plaats vindt, aangepast aan de veranderde omstandigheid en wel zo, dat zoveel mogelijk
van het reeds aanwezige wordt gehandhaafd.
Zo krijgen wij dus op de duur de evolutie, zoals b.v. Darwin die gezien heeft. Een niet geheel
juiste opvatting, maar een beeld, dat de meesten van U wel bekend is en daarom wel
bruikbaar. Die stof kan dan uiteindelijk evoluren, b.v. tot een mens, of tot een koraal, of tot
iets anders. Maar in deze evolutie heeft zij steeds getracht haar eigen eigenschappen zoveel
mogelijk te bewaren en haar eigen nuttigheidseffect zoveel mogelijk uit te buiten. Het lijkt een
ogenblik, of de mens hier niet in thuis hoort. Want, zo zou men kunnen zeggen, de mens past
zich niet meer aan de omstandigheden, maar hij past de omstandigheden aan zich aan. Dat is
maar ten dele waar. Want al wat de mens aan materie gebruikt om zijn eigenlijke wezen aan
te passen aan de omstandigheden, die buiten hem heersen, doordrenkt hij over het algemeen
met zijn eigen persoonlijke straling. Zo wordt zijn persoonlijkheid daarin ook grotendeels
vastgelegd. Zo evolueert dus de materie. Is er iemand, die daar wat over te zeggen heeft, of
te vragen? (Een onduidelijk gemompel).
Nu, het was een solostem, maar het wordt in ieder geval iets optimistischer, ik word niet meer
helemaal genegeerd: dat is altijd erg prettig. Nu dan krijgen wij de geest.
De geest ís en die geest is iets wolkachtigs. Ik zeg dat, omdat wolkachtig betekent, dat het
geen bepaalde vorm heeft. Het is een wezen, dat je begrenzen kunt. Ga je het in het begin
vergelijken dan scheelt het niet veel met de oervorm der materie, het is n.l. ook kracht. Maar
eigenaardig genoeg gaat de ontwikkelingsweg een heel andere kant uit.
Die geest, die probeert niet zichzelf gelijk te blijven. Integendeel. Zij probeert steeds meer van
de dingen, die rond haar zijn, in zich op te nemen. Zij is een soort van veelvraat, maar wat zij
behoudt van de dingen is hoofdzakelijk hun vorm en hun eigenschappen. De geest zal dus
nooit de vorm gaan zoeken, maar zij neemt ze in zich op en stelt ze vast. Daardoor heeft zij
een vergelijkingsmogelijkheid. Heeft zij voldoende mogelijkheden gevonden om voor zichzelf
besluiten te nemen omtrent haar eigen vermogens, dan gaat ze een vorm zoeken. Maar die
vorm gebruikt zij alleen maar om zich in die vorm te uiten. Dus om bepaalde proefnemingen
te doen a.h.w.
Een lichaam wordt opgebouwd, geperfectioneerd door de tijd en de stof. De geest heeft daar
geen geduld voor. Of wij moeten komen bij die geest, die leiding geeft aan deze verandering,
dus die a.h.w. de banen der stof leidt. Maar dat ligt buiten de eigenlijke geest en haar
ontwikkelingsgang.
Hoe meer de geest zich bewust wordt van krachten, die in haar schuilen, hoe groter de
scheppingsneiging, die zij in zichzelf gevoelt. Hoe groter de scheppingsneiging, hoe complexer
de vorm, die zij zal moeten aannemen om daaraan althans enigszins tegemoet te komen. Hoe
groter haar scheppingsvermogen, hoe groter ook haar voorstellingsvermogen. Op de duur
heeft zij geen vorm meer nodig. Zij kan zich elke vorm denken en door het bewustzijn, dat die
vorm in haar als een mogelijkheid bestaat, vindt zij ook reeds de middelen om haar eigen
kracht naar buiten toe te projecteren.
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

Op de duur projecteert zij rond zich een gehele wereld, die het resultaat is van de ervaringen,
die in haar zijn. Zij modelleert a.h.w. hetgeen buiten haar is, maar blijft zichzelf steeds gelijk.
Wanneer die geest nu gekomen is tot het toppunt van haar kennen en haar roem, dan heeft zij
dus het totaal der Schepping in zich. Zij kent het totaal der Schepping. Wat is het logische
resultaat? Zij zal trachten buiten zich de Schepping te scheppen. Maar daardoor leert zij dan
ook de Schepper kennen.
Zij leert dus het Wezen kennen, Dat schept. Zij voelt zich daarmee één, want zij is Schepper.
Resultaat: dat de geest op houdt als afzonderlijke factor te bestaan, waar haar behoefte tot
uiting volledig reeds in een ander Wezen vervuld wordt. In dat Wezen gaat zij op. Zo keert zij
tot zichzelf in en vindt in de kern van haar eigen wezen een éénheid, het Al scheppend
vermogen. Een aardige vergelijking, vindt U niet?
Zij houdt dan op. Is zij dan toch een scheppend wezen gebleven, omdat zij dan die
behoefte niet meer voelt? U zei zo: dan komt zij tot de Schepper en dan ziet zij zich daar
gelijk in. Maar behoudt zij dan die neiging om te scheppen?
Zij is scheppend, met de Schepper, inderdaad.
Dus dan is zij één. (Ja). Mag ik nog iets vragen? Ja, het is eigenlijk wel een teruggang nu:
ik had het zo-even moeten vragen. U had het over de Schepping, die probeert terug te
keren tot dat, wat zij geweest is. Moeten wij dan ook zo het onweer en de bliksem zien, dat
weer naar de aarde toekomt? Of is dat fout?
Als U mij toestaat om het op te merken: er is meer onweer, dat uit de aarde naar de wolken
toe slaat, dan omgekeerd. Ja, goed, dat kan natuurlijk. Dat hoeft niet. Dus dat keert niet naar
de aarde terug. Maar dat is een heel eenvoudige kwestie, nietwaar? Een onweer is een kwestie
van potentialen, zoals U weet. Nu is het zo, dat elke materie een bepaalde lading tegenover
een andere materie draagt. Wanneer het evenwicht tussen deze beide gestoord wordt, dan
voelt de stof hierin (van stoffelijk standpunt gezien dus) zichzelf onbehagelijk. Die
onbehagelijkheid leidt er toe, dat zij zoveel mogelijk van haar overvloedige deeltjes naar één
kant toestuwt. N.l. zo dicht mogelijk naar een plaats, waar daaraan een tekort bestaat. Op het
moment, dat de kracht groot genoeg is om de ruimte, of liever de weerstand, die de ruimte
biedt, te overbruggen, slaat de bliksem dan in. En wordt dus het negatieve deel langzaam
maar zeker weer positief, terwijl het positieve langzaam tot negatief wordt. Ja, elektrisch
gezien is dat een beetje raar geval. Interesseert het U? Nu, dan moet U dit onthouden,
wanneer men spreekt over positief bij elektriciteit dan bedoelt men eigenlijk een stukje
materie, dat een tekort heeft aan elektronen, aan losse elektronen, want daardoor gaat alles
daar naar toe. Men heeft gedacht: het is positief, als alles wordt aangetrokken. Maar elektrisch
gezien is het negatief, omdat er een tekort is. Zo noemt men dus negatief: het land van
overvloed.
Ja, maar ik bedoelde dit er eigenlijk ook nog bij een beetje naar de inleiding toe, maar
uiteindelijk hebben wij het altijd over de "dode stof"" maar er is dus eigenlijk helemaal
geen dode stof, want alles werkt.
Ja, alles leeft. Maar het verschil tussen leven en dood, dat is eigenlijk gelegen in de snelheid,
waarmee geleefd en beleefd wordt. Stelt U zich nu eens voor dat U op een planeet komt, die
een tijdsverhouding heeft met Uw eigen planeet van - laten wij zeggen - 1 op 6.000. Dus
6.000 seconden van Uw tijd, is 1 seconde van die tijd. U komt daar in een stad. Wat denkt U,
dat U ziet?
Niets?
U ziet genoeg, U ziet een dode stad. Met allemaal standbeelden. B.v. daar staat een juffrouw
met een kinderwagen aan de rand van de straat: zij staat daar, of zij uit steen gehouwen is.
Een eindje verder zie je een stelletje voetballers en daar hangt heel rustig een beeldje in het
doel, half in de lucht en daar zweeft een bal boven. Kunt U zich dat voorstellen? Een beetje
absurd misschien. Hoe komt dat n.l.? Voor die mensen, voor die wezens, is daar een
voetbalwedstrijd aan de gang. Die bal gaat ontzettend vlug en die sprong, van die keeper is
een redding, die bewonderenswaardig is. Maar omdat Uw opvatting van tijd, de wijze dus,
waarop U de reeks der gebeurtenissen ziet, dat tot en met 6.000 vermenigvuldigd is, is er
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

haast eigenlijk geen beweging. U moet er een paar uur bij gaan zitten en dan ziet U die bal
een heel klein eindje bewegen. Begrijpt U?
Ja, maar pas je je dan niet onmiddellijk aan, zodat je het verschil niet bemerkt?
Het is een voorbeeld, dat is punt één. Maar punt twee: hoe zoudt U zich willen aanpassen?
Want het is Uw lichaam, dat waarneemt. Zoudt U even een ander lichaam willen hebben? (Ja)
Ja, als U nu doet, zoals wij, dan gaat het wel. Maar niet, als U daar persoonlijk aanwezig zoudt
zijn. Maar goed, stelt U zich nu eens voor, dat de aarde zó leeft, dat, wat voor de aarde één
seconde is, voor U duizend jaar. Dan is daar leven en beweging genoeg in die materie. Maar
omdat U zoveel sneller leeft dan die materie, lijkt zij voor U dood. Dus is Uw dode stof eigenlijk
een aangeven van een verschil in levenstempo. Zo zou je het kunnen noemen. Daarom
spreken de mensen over de dode stof. Er is niets dood. Kijk eens, iets wat dood is, leeft niet
meer. Maar iets, wat niet leeft, kan niet bestaan. Want er is één Kracht, Die alles produceert.
Dat is de levende Kracht van God. Dat kun je ook nog in de Bijbel vinden ook, Levende Kracht
is hier ook.
Ik had er vroeger nooit over nagedacht. Maar door wat U vertelde, kwam ik hier op. Een
beetje laat misschien om op Uw vragen te antwoorden maar een reactie komt wel eens
meer later.
Ja, laten wij blij zijn, dat zij tijdig is. Soms komt de reactie te laat.
Ik hoop, dat ik daardoor niet Uw causerie in de war heb gebracht, want U was al weer wat
verder.
Nu ja, dat hindert niet. Per slot van rekening - zoveel tijd is er niet en ik zal eerst eens
eventjes...........(Het medium snuit de neus). Zo, dat was nodig, want anders klink ik net als
een grammofoon uit het jaar 1896. En dat was nu niet zo mooi. Dus, wanneer ik nu deze beide
factoren vergelijk, dan blijkt het dat het tegenstellingen zijn die stof en die geest. Maar juist
daardoor kunnen zij in elkaar zich uiten. Want de geest, scheppende, met haar
scheppingsdrang, tracht voortdurend om de stof aan te passen aan nieuwe omstandigheden.
Zij helpt dus de stof om zoveel mogelijk haar eigenschappen te bewaren en toch haar plaats,
haar positie, ook gelijktijdig te handhaven. door de vergrote involutie van de geest wordt de
evolutie van het stoffelijke bevorderd. Omgekeerd leert de geest uit de evolutie van het
stoffelijke, vergroot daardoor haar kennis omtrent innerlijke waarde, zodat de geest haar
involutie kan voltooien, dank zij het evolutionair proces, dat zij in de stoffelijke wereld zich ziet
afspelen.
Zo zie je al weer, dat alle dingen uiteindelijk samenhangen. Je kunt die dingetjes niet apart
zetten. Je kunt niet zeggen, hier geest en daar stof. Je kunt alleen maar zeggen: er zijn
schijnbaar steeds twee stromingen: twee stromingen, die elkaar opvangen en uiteindelijk
opheffen. Want als de geest haar maximum aan involutie heeft bereikt, heeft zij tevens haar
grootst vormend en scheppend vermogen bereikt. Waarbij zij dus in de stof een zodanig
volmaakte vorm produceert, dat deze vorm niet meer voor verdere ontwikkeling vatbaar is.
Dan kan de geest zich terugtrekken en de vorm weer terugvallen tot de oervorm, de stof. Maar
hij kan nooit meer diezelfde vorm uitbreiden. Of wel de vorm blijft bestaan en de geest blijft
bestaan: maar voor beiden is er dan geen verdere uitbreiding van bewustzijn of van vorm
meer mogelijk. Zij hebben een volmaaktheid bereikt.
Dus dan kunnen zij weer opnieuw beginnen?
Zo zou je het kunnen zeggen. Maar dit opnieuw beginnen, dat is een kwestie, waarmee wij
heel voorzichtig moeten zijn, want de stof begint wel steeds opnieuw, maar van de geest
nemen wij aan dat zij niet meer opnieuw begint. Om de eenvoudige reden, dat, wanneer God
weer een geest zou uiten, een ziel zou uitzenden, die ziel zou moeten voortkomen uit hetgeen
in Hem is opgegaan. Dan denk ik, dat er van allen een deeltje wordt genomen, zodat zij allen
nog aanwezig zijn en dat er toch weer wat nieuws uit wordt. Zoals met een pruik, nietwaar?
Iemand heeft een kaal hoofd. Als je nu van tienduizend mensen ieder tien haren neemt, dan
heeft die mens een pruik en bij die anderen zie je het niet eens. Op die manier zou het
misschien nog kunnen.
Maar ja, goed, dat zijn nabeschouwingen, want mijn eigenlijke onderwerpje, dat heb ik
hiermee klaar. Ik moet een klein beetje rekening ook met de tijd houden. Maar is er nog
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

iemand, die er wat over te zeggen, of te vragen heeft?...... Nou, nou, nou, nou. ik probeer
jullie.......
Ja, ik zou wel wat willen vragen, maar ik moet er eerst altijd een poosje over nadenken: ik
kan dat niet zo makkelijk verwerken.
Nu, dat hindert helemaal niet. Zij zeggen ook altijd, dat Gods molens langzaam malen.
Aangezien, wat God doet, goed is, zal het langzaam malen van een molen geen nadeel zijn
voor de mens. Het gaat er uiteindelijk niet om, hoe vlúg je de zaak begrijpt, maar hoe góed je
de zaak begrijpt. Nu, dan wil ik dus hiermee mijn poging, om jullie tot antwoord te bewegen
opgeven, aangezien ik niet alleen jullie woorden (die ik niet meer te verwachten heb) maar
ook mijzelf het woord moet gaan ontnemen.
Ik hoop, dat het onderwerpje Uws inziens aardig paste in de avond en dat U het ook nog de
moeite waard hebt gevonden.
Het woord is aan de volgende spreker.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden, Wij zullen gaan besluiten met een meditatie. Onderwerp naar Uw
eigen keuze.

ZELFBEPERKING
De wereld ligt voor je open met duizenderlei mogelijkheden. De wereld van de geest is vol met
wonderen, die de jouwe kunnen worden. En in deze volle rijkdom ben je geneigd om van het
één tot het ander te gaan, zonder volledig te genieten, wat elk der aspecten je afzonderlijk te
bieden heeft. Je vergeet maar al te vaak, dat je iets "volledig" moet kennen. En in het wilde
zoeken naar steeds ander en steeds beter en hoger, kom je uiteindelijk tot niets. Het is
begrijpelijk, dat deze zelfuiting schadelijk kan zijn voor de mens en voor de geest. Het is dan
ook nodig dit "ik" te beperken. Men moet zichzelf een grens stellen, waar men niet overheen
gaat. Men moet zeggen: deze reeks van ervaringen is op het ogenblik voor mij acceptabel. Ik
zal uit deze ervaringen eerst alles putten, wat er in is, voor ik verder ga.
Men zal moeten zeggen: Ziet, deze leer begin ik te begrijpen, maar ik moet ze geheel
begrijpen, voordat ik verder ga en een andere lering aan een beschouwing onderwerp. Men
moet zeggen: Ziet, dit lijkt mij waarheid. Toch kan er een andere waarheid zijn. Maar eerst wil
ik deze waarheid leren kennen, eer ik een volgende zoek.
Zelfbeperking betekent geen zelfontzegging. Het betekent slechts, dat je je eigen
mogelijkheden, je eigen vermogen tot leren, tot leven, kent. Dat je deze kennende, voor jezelf
uitsluit al datgene, wat in dat leven niet past, voor die ervaring op dit ogenblik niet deugdelijk
is.
Er zijn mensen, die menen, dat zelfbeperking is: jezelf een slavenketen opleggen, dat je een
leven lang meesleept. Er is geest, die meent, dat zelfbeperking betekent. blind zijn voor
lichtende schijnselen en leven in een zelfgeschapen krot, dat je een "hemel" noemt. Maar dat
is geen zelfbeperking, dat is zelfontkenning.
Er is in je wezen altijd een kracht, die vraagt om meer, die vraagt om beter, om hoger. Je
weet, dat die kracht er is en dat die kracht, ter enigerlei tijd je zal brengen naar het doel,
waarheen het hele leven leidt. Maar je weet ook, dat, wanneer je die kracht zonder richting
loslaat, je nergens terecht komt.
Zelfbeperking wil dus zeggen: een doel stellen aan de krachten, die in je wonen. Zelfbeperking
wil zeggen: voor jezelf vaststellen, wat je, wél en wat je niet kunt doen. Voor jezelf een
schema bouwen: dit is mijn leven en dit wil ik volledig ervaren. Dit is voor mij prijzenswaard,
begeerlijk. Dat andere, dat minder in je lijn ligt, dat andere, dat voor je eigen weten, je eigen
bewustzijn nog niet als "goed" geldt, eenvoudig ontkent en zegt: dit wil ik niet.
Het is vaak moeilijk om jezelf te beperken op de juiste wijze. De wereld, zowel van de stof als
van de geest, brengt soms zulke overstelpende rijkdom, dat het moeilijk wordt om iets
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

daarvan te weigeren. Je zoudt je schatten willen opslaan in steeds groter hoeveelheid: totdat
je uiteindelijk, door je rijkdom verstikt, uit je woning verjaagd wordt.
Maar het is dwaasheid. Uiteindelijk, wanneer ge leeft in de stof dan is het lichaam een
vehiculum, een voertuig. Een voertuig, dat je moet gebruiken om zo goed en zo juist mogelijk
de taak te verrichten, die je voor dat voertuig ziet en niet om toe te geven aan alle begeerten
van dat voertuig. Niet om het eenvoudig, maar te gebruiken om van het ene genot tot het
andere te gaan.
Ik zeg niet: dat gij het genot moet schuwen. Ik zeg niet, dat gij in zelfbeperking moet komen
tot een ontkenning van alle waarden. Maar gij moet weten, welke richting gij uit wilt. Gij moet
voor Uzelf vaststellen, wat U het meeste waard is. Dat gehéél tracht en te beleven en volledig
en eerlijk.
Geestelijk is het al precies hetzelfde. Alle geestelijk werk heeft een doel. Dat doel is belangrijk.
Alle geestelijk streven heeft een doel. Dat doel is belangrijk. En al vinden wij dan nog zo veel
op de weg, dat ons boeit en dat ons zou willen ketenen en ons zou verleiden om hier te
verpozen, dan moeten wij de sterkte en de kracht hebben om te zeggen: neen, ik ga hier
verder, dit is niet nuttig.
Zelfbeperking is uiteindelijk een uitdrukking van innerlijke rationaliteit. Rationeel leven wil
zeggen: een zo groot mogelijk nut trekken uit hetgeen er is. Wanneer je een gave hebt
gekregen in dat leven, dan moet je die gebruiken. Die moet je zó gebruiken, dat zij een zo
groot mogelijk rendement afwerpt, in elke zin, wanneer je een geestelijke gave hebt gekregen,
dan moet je die geestelijke gave gebruiken en wel zo, dat zij een zo groot mogelijk rendement
afwerpt.
Maar je moet niet laten verleiden om die gave te veel te exploiteren. Je moet niet een "te veel"
willen. Juist door het maathouden, door je te houden aan hetgeen je redelijk en oprecht
verwerken kunt, wat je hanteren kunt, geestelijk zowel als stoffelijk, kun je iets bereiken. Een
zelfbeperking, in de juiste zin, is de Poort der Bereiking.
Wanneer wij dan ook, mijne vrienden dit onderwerp een ogenblik samen bespreken, dan zou ik
het zó willen uitdrukken vanuit mijn eigen standpunt.
Ik beperk mijzelf. Uit de veelheid heb ik de eenheid gezocht. Ik beperk mijzelf, vanuit vele
mogelijkheden zijn mij geboden en toch heb ik mijzelf slechts één doel gesteld. Ik beperk
mijzelf, want veel zou ik willen en weinig volbrengen.
Maar ik weet, dat ik door elke fase volledig, geheel, goed en verantwoord te doen, ik
uiteindelijk kom tot een goed en ver antwoord bestaan. Tot een waardevol leven. Tot een
bewustzijn, dat reikt tot in het diepst van mijn bestaan en niet slechts blijft een oppervlakkig
iets.
Ik beperk mijzelf in woorden, ik beperk mijzelf in daden. Ik beperk mijzelf in mijn handelingen
in stof en geest. In deze beperking vind ik de bereiking, die ik verlang. Groei en bloei van de
Orde. Vergroting van mijn eigen bewustzijn. Vooral ook een zegenrijke eenheid met de wereld,
met de werelden van de geest én met de Schepper, Die ik in mij voel als diepste
levensbehoefte.
Zo moet ik mijzelf beperken. En een ieder, die het totaal van zijn begeerten, het totaal van
hetgeen hij graag zou willen, bekijkt, zal ontdekken, dat ook daar een beperking nodig is: een
zelfbeperking. Want men zou het misschien anders kunnen doen, het zou nog wel gaan, maar
het zou betekenen, dat andere dingen er onder lijden: het zou betekenen, dat je schade moet
lijden op het ene gebied, omdat je in het andere te veel wenst.
Dan kom je vanzelf tot een rationeel denken: een zakelijk denken haast, stoffelijk en
geestelijk. Maar uit deze zakelijke geest, die niet voor zichzelf vraagt en toch wil bereiken, zo
goed mogelijk en zo verantwoord mogelijk, komt dan een inzicht in de waarde der dingen.
En is dit inzicht bereikt, mijne vrienden, spreken wij niet meer van zelfbeperking. Want dat
"ik", dat Zichzelf voortdurend weer terug moest wijzen van zelf gestelde grenzen, vindt dan
een grens, die gesteld wordt door God. Binnen deze grens is er ruimte genoeg voor alle
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 1954 1955: Het Goddelijke
Les 11 – 8 september 1955

verlangens, voor alle bewustzijnsbehoeften en begeerten. Dat noemen dan sommigen: het
paradijs, of de eeuwige zaligheid. Anderen noemen het: in God opgaan of vervuld zijn van
Gods Geest.
Welke naam men het ook geeft, wie door steeds weer zichzelf te richten op één doel en dat
doel na te streven, volledig zakelijk verantwoord, volledig rationeel en overdacht, die zal altijd
weer vinden aan het einde van zijn streven en handelen, de beloning voor de ontzegging.
Namelijk een vervulling, die groter is dan al, wat op een andere wijze bereikt zou kunnen
worden.
Ik dank U voor Uw aandacht.
Goeden avond.