You are on page 1of 104

© ORDE DER VERDRAAGZAMEN

Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

LES 1 - DE MENSELIJKE PSYCHE

24 Februari 1955
Goeden avond, vrienden,
Aan het begin van deze cursus zal ik U eerst nog even vertellen, wat wij zullen trachten te
doen. Het ligt niet in onze bedoeling, om in te gaan op de hoofdzakelijk wetenschappelijk vast
gestelde feiten over de psyche. Wij zullen echter proberen U de delen der psyche voor te
leggen, zoals die zich aan ons voordoet, samen met de conclusies door ons daaromtrent
getrokken. De indeling van de avond zal als volgt zijn: het onderwerp met daarin de
gelegenheid om vragen te stellen over het onderwerp. Hierna een pauze. Daarna een
onderwerp naar Uw eigen keuze en het gebruikelijke slotwoord. Ik meen, dat dit zo Uw aller
goedkeuring zal kunnen verwerven. Bij alle besprekingen verzoek ik U echter wel voortdurend
U te blijven herinneren, dat wij niet onfeilbaar zijn. Dat de dingen, zoals wij die zien,
waarschijnlijk in Uw wereld wel iets anders liggen.
De eerste these, die wij zullen behandelen, betreft de hersenen, waar deze het deel der psyche
is, dat bij U het meest bekend is. Over de werking ervan is op andere bijeenkomsten wel
genoeg gesproken, zodat wij kunnen volstaan met kort vast te stellen, dat minuscule
stroompjes cellen daarin zodanig beïnvloeden, dat zij voortaan beginnen te trillen onder een
bepaalde frequentie, ontstaan door een waarneming, ofwel van een gedachte. Wij zien echter,
dat een groot deel der hersenen niet gebruikt wordt. Wanneer wij het precies zouden willen
uitrekenen, zouden wij waarschijnlijk tot de conclusie komen, dat ruim één derde ervan geen
bekende functie heelt. In dit derde deel zou zélfs een ernstig operatief ingrijpen mogelijk zijn,
zonder dat de gevolgen daarvan voor de patiënt merkbaar zouden worden. Toch kunnen wij
niet aannemen, dat de natuur voor komende behoeften voorzorgen gaat treffen. In alle
ontwikkelingen, evolutie, zoals men dat bij u gaarne noemt, kunt U zien, dat een aanpassing
van lichamen plaats vindt, gericht op de bestaande levensomstandigheden en
levensvoorwaarden. Op grond hiervan zou er dus vroeger voor de natuur een noodzaak
geweest moeten zijn om de hersenwerking uit te breiden en daarin die speciale functies en
centra te leggen, die nu dood zijn. Dan zou de huidige mens enigszins gedegenereerd moeten
zijn. Waar echter de hersenen nu eenmaal in deze bepaalde verhoudingen groeien, is het
aannemelijk, dat een zekere evenredigheid in de groei ook blijft bestaan. Ofschoon wij
natuurlijk toch wel vaak zullen zien, dat het niet gebruikte deel van de hersenen enigszins
wordt overwoekerd en terzijde gedrongen door het voortdurend actieve deel der hersenen.
Hoe kunnen wij dit alles verklaren? Indien er vroeger nu eens een ras geweest ware, b.v. in
het fantastische rijk Mu of in Atlantis, waarin de mens andere, voor Uw tijd, misschien buiten
zintuiglijke vermogens had. Wanneer de omstandigheden hem er in de beginperiode van de
mens er toe dwongen, is een dergelijke theorie helemaal niet zo dwaas. Dan zou die mens
misschien daar alle instrumenten in de stof geschapen hebben, die nodig waren voor de
realisatie en bewustwording, ook van de geest. Het is bekend dat vele verschijnselen van
suggestibiliteit, maar ook van de z.g. occulte krachten: telekinetische vermogens, telepathie,
gedachtelezen, waarbij dus het subject niet telepaat behoeft te zijn, het zien in de ruimte en
tijd, de mogelijkheid tot snel uit het hoofd te rekenen, tot ongewoon snel en volledig
memoreren van dingen, het z.g. Edeitisch geheugen, op één of andere wijze in de mens
aanwezig moeten zijn. En wat gebeurt er nu vaak? Wanneer er een ongeluk plaats vindt,
waarbij de frontale hersenlobben zwaar geschokt, of zelfs gewond worden, zien wij nog al eens
één dezer gaven opeens optreden, in grotere of kleinere mate. Dat kan nogal eens verschillen.
Over het algemeen worden echter deze herwonnen begaafdheid door de nuchtere mens
terzijde geworpen. Hij zegt: "Ik ben nog wat abnormaal van de schok!” of "ik ben nog niet
helemaal mijzelf", en onderdrukt de gave. Hier treedt dus de wil op als een factor, die samen
met de invloed van de buitenwereld een dergelijke begaafdheid tot een minimum terug brengt.

1
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

De sensitiviteit blijft echter bestaan, maar slechts in zeer geringe mate en vaak door de
bezitter gewantrouwd, geminacht etc.. Ik geloof niet, dat dat laatste noodzakelijk is.
Integendeel. Het is mogelijk een groot aantal begaafdheden in het menselijke lichaam te
wekken. Er bestaan enkele roes-veroorzakende giften, die in staat zijn om deze dode gaven
tijdelijk te wekken. Een van de meest opvallende verschijnselen, die zich daar bij voordoen, is
o.a. het beheersen van de tijd, zodat men een normaliter ondeelbaar ogenblik, toch nog weer
in een duizendtal kleinere delen kan breken. Sommigen van Uw Jazz-pianisten, die marihuana
gebruiken, overigens niet één van de beste giften hiervoor, maken juist van dit effect gebruik
om een fantastische virtuositeit ten toon te stellen. Er zijn andere giften, hoofdzakelijk
derivaten van hennep en opium, die in kleine dosis toe gediend, zodat geen verlamming
optreedt, doch door de geringe hoeveelheid de hersenen activeren, helderziendheid en
helderhorendheid tot stand brengen. Eigenschappen, let wel, die men normalerwijze alleen aan
de geest toeschrijft. Eigenschappen, die echter klaarblijkelijk ook in het lichaam aanwezig zijn
en in het lichaam door zuiver stoffelijke middelen gestimuleerd kunnen worden. Tot zover. Is
er iemand, die opmerkingen wil maken?
Die stimulering kan die ook door de geest gebeuren?
Dat is een kwestie, die wij later zullen bespreken. (Uitstekend). Het gaat hier voorlopig om het
zuiver stoffelijke aspect. Nu weten wij verder, dat in de hersenen bepaalde centra dienen voor
de normale functies van het denken. Voor horen, zien, spreken, de herinnering, kortom, voor
iedere functie vinden wij vaste groepen, die juist deze taak op zich nemen. Wat is er dan
volgens ons inzicht gebeurd? Er heeft vroeger een mens geleefd, die veel intenser zijn eenheid
van stof en geest beleefde, dan op het ogenblik het geval is. Deze mens heeft waarschijnlijk
lang voor de Neanderthaler geleefd. Dit is overigens volgens de aardse stand der wetenschap
niet bewijsbaar. Volgens de esoterische wetenschappen is dit echter wel het geval en werden
hierover meerdere dingen geopenbaard. Die mens had een groot aantal capaciteiten, waarover
andere wezens niet beschikten. Wij horen in de verhalen over Atlantis niet alleen over
luchtvaart, maar ook over levitatie. Wij horen over ketens van gedachtelezers en telepaten,
die een continent omspannen. Mensen, die telepathisch mededelingen doorgeven, zoals U een
telefoon opneemt, of U een telegram opgeeft. Wij horen van mensen, die "om de hoek"
kunnen kijken, dus naar alle zijden gelijktijdig waarnemen en hun ogen alleen gebruiken om
zich tijdelijk te concentreren op een voorwerp, terwijl in een vlak van 360 graden toch een
waarneming plaats vindt. Het lijkt U misschien fantastisch, maar U voelt het toch ook, wanneer
iemand achter U staat, of naar u kijkt? Stelt U dit dan maar een beetje scherper ontwikkeld
voor, met een scherper onderscheiden van het Wie? Wat? en Hoe?, dan bent U al een heel
eind op dreef. Verder zijn er vroeger zeer ingewikkelde berekeningen gemaakt. Nemen wij nu
alleen maar eens het rekenwerk, dat in de grote piramide verwerkt is. Het is dan toch wel naar
de huidige standaard de vraag, of dit nu zo maar door enkele rekenmeesters tot stand kan
worden gebracht, zonder verdere hulp middelen. Men denkt daar meestal niet over na omdat
men tegenwoordig de beschikking heeft over rekenlinialen, rekenmachines etc., die de
oplossing van dergelijke problemen in zeer korte tijd mogelijk maken. Maar het meten b.v. van
de aardomtrek is niet zo eenvoudig, dat kost ook vandaag aan de dag nog heel wat moeite.
Hoe zouden dan deze oude mensen, die zich lang niet zo snel konden verplaatsen, schijnbaar
als de moderne wereld dit kan e.d., al deze dingen zo nauwkeurig gemeten hebben? Wat mij
betreft, moogt U dan de piramide zelfs rustig aan Cheops toe schrijven. Er zijn nog veel andere
tekenen, waaruit blijkt dat de mensheid in een vroegere periode ontzettend veel geweten moet
hebben. Per slot van rekening zijn al die openbaringen en wijsheden van de ouden niet zomaar
van zelf ontstaan. Die moeten uitgedacht en lange tijd bewaard zijn gebleven. Een oplossing
vinden wij dan misschien in deze vraag: zou het niet mogelijk zijn, dat de oude mens een
levende bibliotheek had, zoals de Romeinen nog een "levende courant" hadden?
Een memo-techniker met een begaafdheid zo groot, dat hij in staat was om zijn leven lang de
volledige inhoud van meerdere boeken in zich te bewaren, een lezing eenmaal aan kon horen
en dan deze volledig weer kon geven etc.. Nogmaals. Wetenschappelijk zijn deze dingen niet
bewijsbaar. Wel is voor ons uit onze wereld bewijsbaar, dat soortgelijke omstandigheden
bestaan moeten hebben. Ik spreek dan nog niet over betrouwbare zegslieden, die dit alles
bevestigen. Het eerste dus, wat wij vast stellen, wanneer wij spreken over de menselijke
psyche, is de hersenen - het werktuig bij uitstek van de stof en van het bewustzijn in de stof -
2
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

zijn op het ogenblik lang niet volledig in gebruik. Wij moeten dit goed in de gaten houden.
Want de mens van heden is zich van zijn geest over het algemeen maar zeer weinig bewust.
Zelfs het bewustzijn, dat er optreedt, is zo zeer verweven met stoffelijke waarnemingen en
gedachte, dat de huidige mens er zeker niet toe komt om stof en geest als verschillende en
gelijktijdig in tijd en ruimte optredende factoren te beschouwen. Toch is er een tijd geweest
waarin dit inderdaad zo werd ervaren. We zullen dit nu echter even laten rusten en overgaan
naar de geest. Want deze geest heeft een voortdurende wisselwerking met de hersenen en als
zodanig heeft zij dus ook zeker vroeger een grote invloed op de vorming daarvan gehad. Zij
zou dan ook in het heden een grote invloed kunnen hebben op het herwinnen van verloren
gegane begaafdheden. De geest, zoals u allen zonder twijfel bekend, wordt door ons
beschouwd als het bewustzijn van de levenskracht zelf, die wij zien als een gerichte
oneindigheid. Een bewustzijn houdt in, een zich stellen tegenover de wereld en een zich zelf
als persoonlijkheid binnen de wereld beschouwen. Zodra het persoonlijk aspect van de geest
verloren gaat, kan zij niet meer handelend en actief optreden en heeft zij deze eigenschappen,
die wij toch meestal wel voor het wezen van de geest bepalend achten, verloren. Elke geest is
dus een persoonlijkheid. Een persoonlijkheid, die tegenover een wereld staat, staat ook in
voortdurende relatie met die wereld en zal daardoor verschillende impulsen en prikkels
ondergaan, Hieruit trek ik de volgende conclusie: de geest, levend in haar eigen wereld, is
voortdurend geladen met verlangens en begeerten, evenals zij geladen kan worden met
angsten, haat en afschuw. De geest trekt hieruit haar conclusies. En zoals zij weten, is juist de
keuze, die zich aan ons bij het contact met de buitenwereld voordoet, de werkelijk richtende
kracht voor de wil. Wij komen dus hierdoor tot een kennen en richten van de persoonlijkheid
en noemen dit: de wil. Hierop enig commentaar? De wil is dan het product der levensomstan-
digheden. Maar door het bewustzijn geleid kan zij dienen om dit bewustzijn voortdurend te
vergroten en de levensomstandigheden voor dat bewustzijn zodanig te scheppen, dat het
bewustzijn zelve daarmee vrede kan hebben. Aangezien het gebaseerd is op het weten van het
bewustzijn moet ook de wil de mogelijkheid hebben om binnen het bewustzijn een
hergroepering van de mogelijkheden of faculteiten tot stand te brengen.
Wanneer U het hierin met mij eens kunt zijn, is het volgende aannemelijk en duidelijk voor U.
De geest die op aarde reïncarneerde had de behoefte een volledig voertuig te bezitten. Een
volledig voertuig kan echter alleen een voertuig zijn, dat alle functies van de geest, zover deze
in verband kan staan met de stof, zelfstandig en automatisch uit kan voeren, waardoor voor de
geest de mogelijkheid bestond om levend in haar eigen sfeer en ervarend in haar eigen sfeer
deel te hebben aan een stoffelijke, in vaste vorm geklede wereld, om daaruit haar conclusies
te trekken en haar ervaringen op te doen. Wanneer dus de geest inderdaad hetgeen is
geweest, dat de mens heeft gevormd, vloeit al het voorgaande daaruit voort. En in de
primitieve taal van een noordervolk staat het toch zo in "Genesis" neer geschreven. De geest
moet dan aan het lichaam alle eigenschappen toebedeeld hebben, die voor de geest
noodzakelijk waren om in de stof te leven. Die eigenschappen, mijne vrienden, heeft de geest
heden ten dage nog. Maar wanneer zij ze gebruiken wil, moet zij zich van het lichaam
distantiëren. Zij moet buiten het lichaam treden om daar haar wijze van waarnemen en leven
zelve, gescheiden van stoffelijk voertuig, dat hiervan geen vol bewustzijn kan hebben, en
houden, door te voeren. Op het ogenblik is dus de geest in een zeer nadelige positie. Op de
duur zou daar in misschien een verandering kunnen worden gebracht. Maar die verandering
zou alleen tot stand kunnen komen door de wil, dus het richten van de begeerten op een
bepaalde verwerving. En ten tweede een voortdurende oefening. Er zijn de laatste tijd
pogingen gedaan, o.a. in de U.S.A. om latente eigenschappen te ontwikkelen. Ik wil U o.m.
wijzen op de z.g. Scanners, waarmee het vermogen van de mens tijdens het lezen zeer sterk
kan worden opgevoerd. En dan ook op de geluidsapparatuur, die op het ogenblik wordt
gebruikt in enkele opleidingscentra voor piloten, waarbij men het geluid zelve in toon verhoogt
en gelijktijdig de spreeksnelheid opvoert, zodat zeer grote a.h.w. in de tijdsduur van twee of
drie normale woorden kunnen worden uitgesproken. Dit alles wekt in mij het vermoeden, dat
het voor de mens mogelijk moet zijn om deze latente gaven en vermogens in zich weer te
wekken. Ik geloof echter niet, dat dit voor iedere mens gelijkelijk mogelijk zal zijn. In de
eerste plaats heeft de mens geen bewustzijn, dat hem nu in staat stelt die gaven reeds te
overzien. In de tweede plaats ontbreekt het de mens vaak aan wilskracht om een training, die

3
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

lange tijd geen resultaten oplevert, vol te houden of te bevorderen. Zo heeft de geest nu een
voertuig, dat onvolledig is en niet meer het vermogen heeft de geest als het juiste voertuig te
dienen. Iets tegen deze conclusie in te brengen?
Als de geest het lichaam heeft geschapen als een perfect voertuig, hoe komt het dan, dat
de geest die eigenschappen er niet in heeft kunnen houden?
Kort gezegd dit: Het lichaam kent in zichzelve een groot aantal begeerten en een groot aantal
behoeften, die deel uitmaken van de persoonlijkheid. Zolang deze begeerten zonder meer een
deel uitmaken van een natuurlijk leven, vormen zij geen enkele belemmering voor de mens.
Zodra de mens echter kwam tot een bezit, dus een iets voor zichzelf behouden, moest deze
mens zich gaan verdedigen tegen de anderen. Er ontstond toen de angst. Met de angst
ontstonden toen de haat, de strijd en wat dies meer zij. Het is begrijpelijk, dat in deze periode
een aantal van degenen, die werkelijk slécht wilden, de z.g. zwartmagiërs hun eigen
gedachtestralingen zorgvuldig begonnen af te schermen tegen de waarneming van anderen.
Vele anderen vonden het niet prettig voortdurend herinnerd te worden aan de twijfelachtige
status, waarin zij verkeerden. Zij dachten: "Ik heb nu dit alles, wat heb ik eraan, wanneer ik
mij nu voortdurend laat storen door de gedachte van de begeerten van anderen." Zij begonnen
dus hun vermogens steeds minder te gebruiken. Toen kwam er strijd. Er is niets, waarin
geestelijk zo onaangename invloeden naar boven komen, als juist in de strijd. Het vervlechten
van haat, afschuw, pijn, wanhoop, brengt een patroon teweeg, dat psychisch de mens kan
vernietigen. Het is dus te begrijpen, dat men aan de strijders in deze beginperiode een
behandeling gaf, een soort van afscherming, waardoor zij althans tijdelijk doof waren ten
opzichte van alle dingen, die geestelijk werden waargenomen. Men gaf hen echter profeten,
zieners of priesters mee, die deze begaafdheden wel hadden. Dezen hielden zich verre van het
strijdtoneel zelve en gaven alleen hun aanwijzingen. Deze toestand bracht met zich mee, dat
een aantal personen, die in deze toestand nog hun volle begaafdheid met zich mee droegen,
begonnen te proberen om de wereld zonder meer te regeren. Hun kracht lag echter in liet feit,
dat wij deze begaafdheid zonder meer konden blijven gebruiken, terwijl de anderen daarin
belemmerd waren. Dit was o.a. de reden, dat men in Atlantis ook het stoffelijk luchtverkeer
heeft gekend. Wij zien dan uiteindelijk twee groepen, die tegenover elkaar staan. Wij noemen
hen de wit- en de zwartmagiërs. Beiden hielden deze capaciteiten. Waar echter de
zwartmagiër belemmerd wordt door zijn begeerten in zijn geestelijk beleven, hij is immers ge-
concentreerd óp en met zijn wil gericht náár de materie, zullen ook bij hen bepaalde contra
ongebruikt blijven, verzwakken en uiteindelijk afsterven. En U weet, dat, wanneer het niet
gebruiken van een bepaald deel van het lichaam langere tijd wordt volgehouden, het
nageslacht na enige generaties dit al in voor minder ontwikkelde mate vertoont. Wat gebeurt
er dan? De grootste beschaving, die de wereld heeft gehad, wordt kapot geslagen. Degenen,
die het overleven, bestaan verder als intelligente dieren. Zij waren gewend aan een cultuur,
een beschaving, waarin een groot aantal mechanische hulpmiddelen etc. hen ten dienste
stond. Zonder dat, zijn zij niet meer in staat om zichzelf te handhaven als mens en vallen
terug tot een dierlijke status. Daarmee is dan een groot deel van het geestelijk bewustzijn
teniet gedaan in de strijd om stoffelijk te blijven bestaan. Hoe meer men zich verzet tegen het
vrij zijn in de geest en daardoor verlangt een zich handhaven in de stof, hoe meer ook de aan
de geest aangepaste capaciteiten teloor gaan. Toch blijven zij hier en daar nog bewaard en wij
zien bij Sjamanen en Voodoo-priesters nog een aantal mensen, die deze gaven in zekere mate
nog bezitten. Veel van de inwijdingsmysteriën van de latere tijd waren gericht op het
ontwikkelen van deze gaven om hierdoor de geest weer een grotere bewustwording te geven.
Ik hoop, dat U hiermee duidelijk is geworden, dat de geest door te zeer te leven in de stof en
zich te veel tegen over de wereld te stellen, in plaats van te leven als deel daarvan, uiteindelijk
deze gaven voor het nageslacht verloren deed gaan. Er groeide hierdoor een maatschappij, die
het voor de mens, niet gemakkelijk maakte om deze capaciteiten naar buiten toe te dragen.
Het machtsbegrip, dat zelfs vanaf de vroegste tijden heerst, leidt er toe, dat zelfs degenen, die
die gaven hebben, de wichelaars, profeten, a.h.w. in een soort luxe gevangenis worden
gehouden en alleen de vorst mogen dienen, die op dat moment regeert. Staan zij een ander
bij, dan gaat dat op eigen verantwoording. Het risico is vaak de dood, hun ondergang. U zult
begrijpen, dat op deze wijze een groot aantal van degenen, die nog iets van die capaciteiten
bezaten, verloren zijn gegaan. Toch blijven er altijd nog mensen bestaan, die de volheid van

4
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

het leven kennen. De poging om deze volheid opnieuw te bereiken is o.a. een bestanddeel van
het Yoga.
Ik had U graag iets willen vragen over Uw nomenclatuur. U bent begonnen te spreken over
de psyche en later over de geest. U heeft ook het woord vehiculum in de mond genomen.
Nu wilde ik even een spraakverwarring, althans met mijzelf, voorkomen. Ik meen, dat de
ziel het enig vehiculum is van de geest en het lichaam wederom het vehiculum voor
beiden, dat dus de psyche, ofschoon fijnstoffelijk en dus voor ons niet waarneembaar, wij
nog een zekere stoffelijkheid toekennen en de geest, die is principieel
Wij hebben dit inderdaad omgekeerd, omdat men ons ook een geest noemt. Wanneer U ons en
onze broeders geest noemt, zo bestaan wij toch in de fijnstoffelijke vorm en is het ons
bewustzijn en uiterlijke persoonlijkheid, die U erkent, meer niet. Wij hebben daarom het woord
"ziel" genomen voor de kernkracht, die niet stoffelijk geuit wordt en "geest" daarentegen voor
de bewustzijnsvorm van de ziel,
Ja maar, dat is net andersom. (Ja). Maar U zegt: zij noemen mij ook geest. Maar U heeft
toch ook een vehiculum, dat de ziel is? De psyche.
Volgens onze nomenclatuur is de ziel de Goddelijke kracht: zij is de kern van het wezen. Deze
kern op zichzelf is kracht zonder meer en dus onstoffelijk. Zij draagt echter rond zich een kern
van fijnstoffelijke materie, die zij verzameld heeft en waarin het bewustzijn wordt gevormd in
vele lagen. Het totaal van deze lagen tot het stoffelijk lichaam toe, noemen wij dan
gemakshalve de geest. Zo is o.i. dan dus de geest het vehiculum, het voertuig van de ziel.
Daarbij komt dan, dat deze geest een lichaam heeft, dat gedeeltelijk voertuig is van deze
geest. Dit is overigens ook de nomenclatuur, die door ons ook altijd werd gebruikt.
Ja maar, die gaat toch eigenlijk wel tegen de Bijbelse in, want toen de mens uit aarde
geformeerd werd, werd hem, de adem in de neusgaten geblazen: "En alzo werd de mens
tot een levende ziel".
Mag ik een opmerking maken? Bijbels gezien vind ik juist het gebruik van "geest" onjuist voor
de kern der dingen. "De geest zweefde over de wateren”. De geest was dus een bewustzijn,
want de geest nam de wateren waar. De mens daarentegen werd een deel van de Goddelijke
kracht, een levende ziel, tot de Goddelijke adem, kracht, in hem was. De kern van het wezen
is dus hier wel degelijk de Goddelijke adem en het bewustzijn is secondair. Adam is niet
bewust, wanneer God hem de adem inblaast. Hij leeft. Dat is wel een verschil. Want "Hij gaat
rond en geeft aan de dieren namen". Waaruit wij dus kunnen nagaan, dat hij zich een
bewustzijn verwerft door de beschouwing der dingen en het kentekenen voor zichzelve.
Ja maar, dat is een probleem, dat wij hier zo opvangen, dat wij zeggen: "Ja maar, dat is
maar een gedeelte van de menselijke persoonlijkheid, want het bewustzijn is maar een
klein gedeelte, maar het onbewuste is een veel groter deel”. Ik ga natuurlijk in Uw
nomenclatuur met U mee. Maar ik moet het even voor mijzelf vaststellen, anders kom ik in
verwarring.
Ja, dat kan ik met U meevoelen. Maar U heeft daar zojuist een opmerking gemaakt: het
grootse deel van mij is het onbewuste. Ik hoop dat wij aan het einde van deze cursus zo ver
zullen zijn, dat U begrijpt, dat het onbewuste niet het afgescheiden deel van het bewustzijn is,
maar alleen dat deel van het bewustzijn, dat de mens niet wenst, of niet ontwikkelt. Dat het
dus een wilsdaad is, die het onbewuste en een deel van het onderbewuste uitschakelt, terwijl
in de normale toestand, die op het ogenblik dus niet voor de mens bestaat, dit alles geheel
deel uitmaakt van het realisatie- en denkvermogen. Het bewuste realisatie- en denkvermogen.
Dat is in dit geval aanwezig op het ogenblik, dat het volledig contact van geest, en stof tot
stand komt. Maar wij hebben nog wel meer van die noten te kraken.
Ja, want het onbewuste en het onderbewuste zijn twee verschillende eigenschappen.
Het is jammer genoeg, dat men meent een scheiding te moeten maken tussen het onbewuste
en het onderbewuste. Dat is n.l. alleen maar aan te nemen, wanneer wij van een zuiver
stoffelijk standpunt uitgaan. Dan hebben wij inderdaad het onderbewustzijn als dat deel van
het herinneringsvermogen, dat niet aan de oppervlakte treedt en daarnaast het onbewuste,
dat de verdere ervaring, zover niet gerealiseerd, in zich draagt. Maar deze beiden zijn ook één,
want het z.g. onderbewustzijn is tevens gelijk aan het totaal kennen van het stoffelijke leven

5
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

door de geest. Het is een stoffelijke reflector. Juist daarom ben ik op deze wijze begonnen. Het
ligt in de bedoeling U er in de loop van deze cursus op te wijzen, dat de mens een eenheid is,
dat de graden die wij stellen, door ons betrekkelijk willekeurig zijn genomen. Evenzeer als de
mens in zijn verdeling van het bewustzijn, onderbewustzijn, geest en ziel, die hij ook alle
probeert van elkaar te scheiden, dit ook betrekkelijk willekeurig heeft gedaan.
Het standpunt, vanwaar wij uitgaan, is dit: De menselijke psyche behelst uiteindelijk het totaal
van zijn wezen. Ingesloten hierin vinden wij de kleinste lichamelijke functie en tevens de
grootste geestelijke uiting. Al wat er als verschijnsel naar buiten treedt, wordt beheerst door
het bewustzijn, het bewustzijn, dat het kenteken van deze psyche is. Een soort
beginselverklaring.
Eigenlijk gegeven als resultaat van Uw vragen. Eigenlijk had ik het liever wat langzamer aan
gedaan, opdat wij niet te veel schokken tegelijk moeten verwerken. Maar kom, wij gaan
verder. De hersenen. Hoe moeten wij deze zien? In lichamelijk verband kunnen wij ze zien als
de coördinators van een bepaald aantal functies plus een opslagplaats voor een bepaald aantal
prikkels. Zij zijn echter niet het enige deel, dat heersend optreedt. Wij kunnen zien, dat b.v.
de zonnevlecht een aantal functies zelfstandig beheerst, waarbij de hersenen alleen als een
magazijn voor kennis worden gebruikt, maar geen deel hebben aan de daadwerkelijke
handeling. Er bestaan nog een aantal van dergelijke knooppunten en centra in het lichaam, die
voor een deel van het lichaam eigenlijk het bewustzijn betekenen. Ik hoop, dat daar geen al te
groot protest op naar voren komt. Het is n.l. iets, dat zich van onze kant af met grote
zekerheid als zodanig laat herkennen. Hieruit zouden wij kunnen concluderen, dat, waar dit
alles direct deel uitmaakt van het leven en van het beheersen van het leven, ook deze delen
gerekend moeten worden bij de menselijke psyche. Ik kan nog wel veel verder gaan, maar dat
doe ik voorlopig niet. Wij blijven bij de hersenen. De hersenen in hun coördinerende functie
weven als het ware de rol van de verschillende weefsels tegen elkaar af, en ook de waarde
daarvan. Zij proberen hieruit een totaal van handelingen tot stand te brengen en elke
handeling is zeer complex.
Zo gecompliceerd, dat een groot deel dezer handelingen automatisch is. Het eigenaardige
hiervan is, dat deze normaler wijze automatisch uitgevoerde handelingen door U kunnen
worden gecontroleerd. Het eenvoudigst kunt U dit zien bij de ademhaling. U kunt Uw
ademhaling en daarmee ook de hartslag en verschillende andere functies, regelen naar Uw
eigen welbehagen, wanneer men zich althans de moeite geeft, zichzelve dit ritme zolang op te
leggen, tot het op de duur een gewoontepatroon is geworden, dat door de hersenen
automatisch kan worden voortgezet. De hersenen vragen dus een zekere sjabloon, willen zij
kunnen functioneren. Maar nu komt het vreemdste: op het moment, dat deze kunstmatige
sjabloon is aangebracht en het lichaam daar op reageert, is het op elk gewenst ogenblik
mogelijk deze sjabloon weg te nemen en terug te vallen op de oude wijze van ademhaling, of
wel op elke tussen deze beiden liggende trap. Na de eerste bereiking zou dus de ademhaling
geregeld kunnen worden naar Uw verlangen. Maar ook Uw bloedsomloop. Het zou ook
mogelijk zijn voor de stofwisseling. Het is mogelijk om de groei van weefsels op deze manier
te beheersen. Al deze functies kunnen door de hersenen, bewust geregeld en geregeerd
worden. Zij zijn het, die de gegevens verstrekken aan het gehele lichaam. Zij kunnen indien
nodig, zelfs de betrekkelijk zelfstandige functies in het lichaam zodanig beïnvloeden, dat deze
op de gegeven impulsen toch reageren zullen, zij het dan ook, dat dit gebeurt op een eigen
wijze, naar eigen inzicht a.h.w.. Het menselijk lichaam is dus in feite volledig te beheersen. In
de praktijk wordt het echter slechts voor ongeveer 20% beheerst, 20% van hetgeen U
lichamelijk doet is werkelijk beheerst. Ongeveer 45 %, wordt gedeeltelijk beheerst en berust
op het automatisch reageren op een gegeven stimulans, waarbij dan de wil inderdaad de
mogelijkheid heeft die stimulansen op verschillende manieren te richten. Het restant, 35%, is
volledig onbewust in het lichaam. De hersenen zijn op het ogenblik voor de geest het grootste
contactoppervlak, samen met de zonnevlecht. Het is begrijpelijk, dat de geest, waar het
lichaam al zo weinig beheersing toont over zichzelf, te weinig de mogelijkheid tot bewust
reageren benut, de geest nog een veel kleinere invloed zal hebben op het menselijk,
bewustzijn. En vooral ook natuurlijk op de lichamelijke toestand van de mens. Dit is het begin,
vanwaar wij verder uit kunnen gaan. Op het ogenblik dat de geest een grotere invloed heeft op

6
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

de hersenen, krijgt zij ook een grotere invloed op het zenuwstelsel. Op het moment, dat zij
haar invloed op het zenuwstelsel doet gelden, kan zij een groot deel van de weefsels regeren.
De geest, die dat bereikt is dus in staat om in het lichaam volledig datgene te uiten, wat zij
zelve is. Wanneer dit gebeurt zullen ook de eigenschappen van de geest ongetwijfeld ook
langzaam maar zeker lichamelijk geuit worden. Dan blijft alleen over als niet deel zijnde van
de psyche, het feit van het stoffelijke bestaan. Al het andere kunnen wij aan haar toe kennen.
Het lijkt mij verstandig om voor vandaag hiermede het onderwerp te sluiten. Wanneer U de
consequenties van het gesprokene heeft overdacht, kunnen wij verder gaan en zien, wat wij
dan tot stand kunnen brengen. Er komen ongetwijfeld heel wat vragen, en verschillende
twistpunten uit voort. Daar ben ik wel van overtuigd.
Het tweede punt, dat ik voor vandaag met U wilde aansnijden was, zo U weet, de geest zelve.
Hoe moeten wij die zien? Ik heb reeds gezegd: wij zien haar als een bewustzijn en niet als de
kern van het wezen, wat ik hierbij nog even uitdrukkelijk vastleg. Wanneer ik dus spreek van
de geest, bedoel ik hiermee niet het totaal van het wezen, of de kern daarvan, maar het
bewustzijn dat zich om de Goddelijke kracht bevindt. De geest is opgebouwd uit een groot
aantal verschillende lagen. Elke laag behoort, zoals dat heet, tot een andere sfeer. De
buitenste laag, die bewust leeft, is over het algemeen bepalend voor het totaal bewustzijn van
de geest op dat moment. M.a.w. de geest leeft ook een onderbewust, en een onbewust
bestaan in zich. Dat is noodzakelijk. Zou zij onmiddellijk tot haar kern door kunnen dringen,
dan zou zeer zeker haar deel in het spel der uitingsmogelijkheden geheel anders zijn. Dan zou
zij zeer zeker nooit kunnen komen tot het zelfstandig beschouwen van het Goddelijke, of zelfs
maar tot een zelfstandig handelen. Resultaat: de geest heeft haar verschillende lagen van
bewustzijn. Die lagen van bewustzijn moeten zijn opgebouwd uit ervaringen. Wanneer zij nu
zien, dat een aantal van die lagen nog geen ervaring hebben, wordt het ons eens te meer
duidelijk, dat een gang van de bewustwording van buiten naar binnen moet worden
aangenomen. Het stofervaren beïnvloedt de buitenste laag van de geest. Dit is haar
begeertelichaam. Dit begeertelichaam is dus opgebouwd uit stoffelijke waarnemingen en
stoffelijke drijfveren. Echter worden hieruit op geestelijke basis conclusies getrokken, die
stoffelijk niet getrokken worden. Er worden n.l. in het eigen wezen begeerteverhoudingen ge-
schapen, waarin het "ik" veel meer zeggingschap heeft, dan bij de onbewuste stoffelijke mens
mogelijk is. Hierdoor zal een groot deel van de ervaringen van dit lichaam, in zo verre als zij
niet zelve tot de begeertematerie behoren, worden doorgegeven aan een daarachter liggend
lichaam. Dit verzamelt dus deze indrukken, maar dan ontdaan van alles wat niet in deze sfeer
thuis behoort. Van hier dringen weer, na selektie a.h.w. enkele indrukken verder door. Hoe
meer wij dus aan de buitenkant van de geest blijven, hoe groter wij de vorm van haar voertuig
zien willen, hoe groter haar bewustzijn. Maar gelijktijdig ook, hoe minder haar begrip van het
eigen "ik". Het is dan ook begrijpelijk, dat er vaak een verschil van instelling voor zal komen
tussen de verschillende sferen in één persoon. Hierdoor kan dus ook een strijdigheid in de
geest ontstaan. Deze strijdigheid uit zich dan over het algemeen in een zeer groot vertoon van
krachten en daarnaast een onnatuurlijke rigiditeit van vorm en van beleven. Hoe meer de
geest gebonden is aan vorm, hoe meer zij vormscheppend werkt. Hoe meer zij dus ook uit zich
krachten geeft om vormen te scheppen in haar eigen sfeer. Hoe minder zij de vorm, hoe meer
zij het wezen der dingen uit, hoe hoger haar voertuigen, die zich bewust kunnen worden en
hoe hoger ook het bewustzijn, dat zich daarin uit. Nu mogen wij ons niet voorstellen, dat deze
voertuigen van de geest ten alle tijde blijven bestaan. Het gaat hen als een menselijk lichaam.
Zij gaan op in de sfeer, waartoe zij behoren en kunnen ter gegevener tijd uit de daar
aanwezige materie weer worden gevormd, indien dit wenselijk of noodzakelijk blijkt. Heeft er
iemand over dit wezen van de geest iets te zeggen? De geest plus het lichaam worden samen
gedreven door de kracht van de ziel. De ziel is dus de levende kracht. Wanneer wij dit zo zien,
dan komt de eerste vraag: in hoeverre is de werking van de ziel actief merkbaar te maken in
de stof?
Ten tweede, in hoeverre zou het bewust ervaren van deze kracht in het lichaam het bewustzijn
zelf beïnvloeden? Hoe zal men dus psychisch reageren op dit erkennen? En dit zullen dan de
laatste punten zijn, die wij vandaag bespreken, vrienden. Wanneer ik mij bewust ben van
eenheid met de dingen, op het ogenblik, dat deze gedachte van eenheid mij omgeeft en in mij
doordringt, zal ik daardoor ook dichter komen tot de levens kern in mij zelve: de ziel. Hoe
7
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

sterker ik dit naar voren breng, hoe zuiverder ik dit geestelijk ervaar, hoe meer mijn ziel dus
kenbaar in mij aanwezig en bewust voor mij werkzaam is. Ik ervaar dit als een kracht en
vitaliteit, die in een zeer kort ogenblik tot mij komt. Die vijf minuten van slaap, die U weer
verfrissen dan anders een slaap van twaalf uur. Het ogenblikje van ademen in de vrije natuur,
dat U weer weken van kracht geeft om verder te gaan enz.. Is dat zuiver lichamelijk te
verklaren? Neen. Die ademhaling, of dat moment rust betekenen voor Uw lichaam betrekkelijk
weinig. Wij hebben hier te maken met een psychische werking. Hoe kan die psychische
werking tot stand komen?
Alleen wanneer het bewustzijn en de geest samen werken om dat lichaam in een bepaalde
richting te beïnvloeden. Conclusie: bewustzijn van de zielekracht in de mens bevordert diens
vermogen om op aarde te presteren, om geestelijk bewust te zijn. Het vergroot de eenheid,
die bestaat tussen geestelijk en stoffelijk bewustzijn. Met dat laatste wordt dan het
waakbewustzijn bedoeld. Dan: indien ik mij stoffelijk bewust ben van de ziel, zal ik mij ook
geestelijk van deze kracht bewust moeten zijn. Op het ogenblik dus, dat deze door stof en
geest gedeelde ervaring doordringt, zal zij ook doordringen tot de diepste kern van mijn
bewustzijn. Zij brengt een tijdelijke harmonie tussen alle voertuigen van de geest. Al deze
voertuigen samen met het daarmee harmonische lichaam, schakelen alle verval, vermoeidheid
etc. uit. Het ontwinkelt op de duur capaciteiten, die nog niet tot nu toe aan het redelijk
bewustzijn van de mens deel nemen.
Het bewustzijn van de werking van de ziel in de mens bevordert de eenheid tussen stof en
geest en moet als zodanig psychisch van het allergrootste belang geacht worden. Immers, de
eenheid van wezen, die optreedt kan niet anders dan gunstig werken. Waar harmonie bestaat,
zullen de normale belemmeringen van het bewustzijn, als blokken en remmingen, de
vervormingen in het bewustzijn als fantasterijen en dagdromen, de ontvluchting van de
werkelijkheid als door het vormen van een waan om het eigen "ik" wegvallen. Is dit tot stand
gebracht, dan is ook een reëler voeling met de buitenwereld bereikbaar. Is dit laatste ook
bereikt, dan kunnen wij spreken van een werkelijk gezonde mens in een gezonde wereld. Wij
kunnen dus, naar ik meen, het eerste onderwerp niet beter sluiten dan met de conclusie, dat
het noodzakelijk is om in de eerste plaats de Kracht van de ziel tot ons te doen doordringen.
Wilt U daar nog iets over weten?
Kun je niets doen om dat te bevorderen?
Op zo'n vraag zat ik inderdaad al te wachten. Je kunt inderdaad iets doen om dat te
bevorderen. Je moet jezelf op een moment weten te vergeten. Dat niet in de stoffelijke zin,
dat begrijpt U wel. Men moet zoveel mogelijk proberen om de dingen te beleven en niet
slechts te aanschouwen. U moet het leven niet ondergaan, maar voortdurend als een actieve
kracht in Uw wezen trachten te voelen. Dit is punt één. Heeft U die tot stand weten te
brengen, of althans redelijk getracht te bereiken, dan begint fase twee. U doet een beroep op
Uw eigen wezen en U stelt zich een taak, die normalerwijze boven Uw prestaties ligt. Maar
voorlopig zou ik die taak kiezen op mentaal gebied. Indien dat goed gaat, kan men het
uiteindelijk ook fysiek en psychisch doen. Wanneer U dit doet zult u door steeds iets boven Uw
eigen kunnen te grijpen. U zelf dwingen om alle krachten, die in Uw wezen zijn te realiseren.
Heeft U dan uiteindelijk gefundeerd een gunstige mening over Uw zelve verworven dan kunt u
aan de derde fase beginnen. N.l. U voor te stellen, dat in U een levende kracht, denkt U maar
aan een vlam of zo iets, leeft, die U voortdurend doortintelt, die met het bloed door Uw aderen
gaat. Ja, u geheel aan het gloeien brengt enz. enz.. Probeer dan U zelf in deze vlam voor een
ogenblik te verliezen. Doe dit bij voorkeur daar, waar U contact met de natuur hebt, daar waar
het voor U mogelijk is de schoonheid der dingen, de volheid der dingen, de eeuwigheid van het
zijnde te realiseren. Tracht U er van bewust te worden, dat, wat in U leeft eeuwiger is dan een
ster. Dat wat in U leeft groter is dan de afstand, die U naar de hemel opziende, met de blik
kunt omvatten. Wanneer deze gedachte regelmatig heeft, dan komt deze zielekracht meer en
meer in U tot uiting. Uw bewustzijn wordt leeg van woorden en gedachte. Het is niet meer een
overpeinzen en nadenken, maar een toestand, waarin U verkeert. Een toestand overigens, die
over het algemeen maar enkele seconden aanhoudt. Maar dat korte ogenblik is eigenlijk
oneindig in tijd en in intensiteit. Geheel juist is dat niet, maar ik kan het U niet anders
beschrijven. Dit is de weg. Zij heeft echter enkele valkuilen. De grootste is wel, dat je geneigd
8
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

bent om maar meteen wat te veel hooi op je vork te nemen. Je moet nooit iets onder handen
nemen, waarvan je weet, dat je het niet kunt, maar iets, waar van je denkt, dat je het wel niet
zult kunnen. Een andere weg, die echter moeilijker te begaan is, is een weg, waarbij, een
volledige lichamelijke ontspanning moet worden bereikt en in deze ontspanning de mens door
gedachteconcentratie onmiddellijk het beeld van de Eeuwige probeert op roepen. Een zeer
moeilijke weg. Maar ook langs deze weg kan op de duur de eenheid bereikt worden, ook hier
begint dat met enkele seconden. U zult op de duur merken, dat de toestand ten hoogste voor
een kort ogenblijk beleefd kan worden, maar dat de gevolgen, die daar aan herinneren zeer
lange tijd kunnen blijven. Een dergelijk beleven met een duur van ongeveer 10 seconden heeft
ten gevolge een verhoging van weerstand, kracht en innerlijke vrede van ongeveer een week.
U begrijpt dus dat er hier inderdaad vele mogelijkheden in schuilen. Er bestaat nog een derde
weg. Maar daar kan ik U pas over inlichten, wanneer U op de hoogte bent met het wezen van
de geest en de werkingen erop, vanuit de stof.
Mag ik even mijn denkraam verifiëren? U gaat uit van een monistische wijsbegeerte. In het
begin bracht U een psychisch monisme naar voren en op het laatst een pluralisme. In de
totaliteitsgedachte zijn dit verschillende aspecten van één en hetzelfde. Heb ik U goed
gevolgd? (Inderdaad). Dank U.
Om mijn standpunt dus nog even te verhelderen: Alles is één geheel. De mensheid in zijn
bewustzijnsafzondering van het Goddelijke is in alle sferen met alle voertuigen ten alle tijde
één geheel. Dit geheel kan nooit ten gronde gaan. Wel kan het voorkomen, dat delen van het
wezen tijdelijk worden uitgeschakeld uit vorm en bewustzijn om voor de mens, of de geest pas
weer te herleven, wanneer zij noodzakelijk zijn. Ik geloof, dat de stelling hiermee dan duidelijk
genoeg naar voren is gebracht.
Er is een bewust weten, maar dan moet er ook een onbewust weten zijn.
Zoals de mensen over weten spreken, ja. Weten is een functie van het bewustzijn. Het
onbewuste treedt op, wanneer wij het bewustzijn in en het weten uitschakelen. Het bewustzijn
kent dan weten noch onwetendheid meer, maar ervaart als totaal. Maar nu de mogelijkheid
van bewustzijn gelijk is aan het totaal van de zijnsuiting, die voor het wezen maximaal
mogelijk is, is hiermee de vervulling van het eigen wezen bereikt. De totaliteit van weten, die
daaruit voortvloeit houdt inderdaad in, een niet weten van het buiten het "ik" liggende. Echter
treedt dan een kennen van het Goddelijke op en daarmee een aantal wetten, die wij vanuit de
stof of vanuit de geest helaas niet verder kunnen volgen. Hoe en wat er dan gebeurt is voor
mij een raadsel.
Nu ga ik een stap terug naar het stoffelijke. Er is een hersendenken met een geheugen. Er
is ook een onbewust geheugen. Een onderbewust geheugen. Hoe kunnen wij dat erkennen,
al die dingen, die weg gestopt zijn?
Er is inderdaad maar een geheugen, maar de sterkte van indruk kan zodanig verschillen, dat
een deel daarvan tot een bewustzijnsimpuls wordt, terwijl een ander deel daarvan op de
achtergrond blijft. Alleen wanneer de buitenwereld geheel is buitengesloten kan die tweede
vorm van bewustzijn op de voorgrond treden, maar het deel van één en hetzelfde vermogen.
Ja. Wij kunnen zelfs zover gaan, dat wij mogen zeggen, dat die centra waar ik het over had in
het begin, onbewust bij menigeen nog een beetje functioneren, zodat de mens onbewust,
onderbewust meestal, een aantal factoren heeft te verwerken, die in de sfeer van het occulte
liggen.
Dat ogenblik van gevoel van innerlijke harmonie? Kun je dat ook ervaren zonder dat je er
bewust naar toe geleid bent?
Het is mogelijk dit onder verschillende omstandigheden te ondergaan, waarbij dan niet het
directe aardse bewustzijn, maar wel alle delen van het wezen deel hebben daaraan. Het kan
dus zijn, dat onbewuste, of zelfs onderbewuste impulsen U daartoe brengen of helpen om deze
toestand zelf te scheppen. Men kan hierbij putten uit velerlei stoffelijke omstandigheden, zelfs
uit het afwezig zijn van enigerlei activiteit. Met de middelen, die op aarde daarvoor op het
ogenblik aanvaard worden is het niet mogelijk de duur van het beleven te verlengen.
Nu meen ik hiermee het eerste deel te mogen besluiten. Maar voordat ik heen ga, zou ik U nog
het volgende willen verzoeken: gun een beschouwing aan al hetgeen wij gesteld en

9
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

gestipuleerd hebben. Overdenkt U alles nog eens. Er zijn hier veel dingen gezegd, die aan de
meeste ontgaan zijn, maar consequenties in zich bergen, die voor U mogelijkerwijze aanleiding
zijn tot het vragen van een duidelijker uiteenzetting. Wij zullen echter de volgende maal de
vragen beperken door niet de zuiver geestelijke problemen en die welke de ziel betreffen niet
te stellen, maar te noteren tegen de tijd, dat wij daaraan toe zijn gekomen. De vragen hebben
zich dus in hoofdzaak bezig te houden met de problemen van de stof, het stofbewustzijn en de
relatie van deze beiden tot de geest.
Ik dank U voor Uw aandacht, vrienden.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Het is dan op het ogenblik aan U de keuze om een bepaald onderwerp te bepalen.
Mogen wij het aan U overlaten?
Ja, als U dat speciaal wilt, zullen wij dat voor deze eerste keer doen. Maar wij houden er wel
eigenlijk van om in de studiekringen de aanwezigen zelf een beetje aan het woord te laten.
Dan had ik wel iets willen vragen. Uw voorganger heeft het daarnet gehad over de
hersenen. Zoudt U willen spreken over de psyche. Over het aangrijpingspunt van de psyche
op de materie, ons lichaam.
Dat is een vraag, die zeer nauw met de cursus gelieerd is, maar ik zal wel proberen om er wat
van te maken. Kijkt U eens, in de eerste plaats moet U zich realiseren, dat het
aangrijpingspunt, voor wat wij de geest noemen, is gelegen in het achterhoofd. Daar is dus het
eigenlijke, het werkelijke contactpunten dat breidt zich dan uit tot ongeveer hier deze top. De
geest zelve heeft het totaal van haar wezen a.h.w. langs de ruggengraat. Ik wil niet zeggen,
helemaal in de ruggengraat, dat is niet helemaal waar, maar in en langs de ruggengraat.
Daarnaast komt natuurlijk het zenuwstelsel zelve, dat dus het aangrijpingspunt is voor de
geest ten opzichte van de stof, maar nu hebben wij ook nog het stoffelijk deel van de psyche.
En dat grijpt nu eigenaardig genoeg niet aan op bet zenuwstelsel - men zou het wel denken -
maar dat speciaal werkt op een groot aantal interne klieren. En b.v. de afscheiding daarvan
remt afscheiding daarvan etc.. Op deze wijze kan de stof dus het functionele evenwicht in het
lichaam veranderen en daardoor de gehele stof aanpassen aan hetgeen - volgens de stoffelijke
impulsen - op het moment nodig is. Wanneer dit wel eens een keertje verkeerd gaat, ja, dan
ontstaan daaruit lichamelijke bezwaren. Een groot gedeelte van wat men dan ook
zenuwkanalen gelieft te noemen, is niet alleen terug te voeren tot een zuiver psychische
werking, maar zou wel degelijk in die verstoring van het interne evenwicht kunnen worden
teruggevonden. Hier heeft U dan de beide hoofdaangrijpingspunten. Ik hoop, dat ik ze
duidelijk genoeg naar voren heb gebracht. Heeft U nog commentaartjes?
Geen commentaar. U zegt zo, in het achterhoofd, dat is zo hier en gaat dan zo naar boven
toe, vermoedelijk een beetje te laag. Heeft het thalamus-centrum daar wat mee te maken?
Het heeft er inderdaad iets mee te maken. Ja. Het ligt n.l. in één van de sterkste
concentratiepunten van de geestelijke aangrijpingskracht. Dat is natuurlijk weer begrijpelijk,
omdat hierdoor een volledig gevormde reactie voor de geest mogelijk wordt.
Is het daardoor aan te bevelen, dat als je iemand daar psychisch behandelt, dus als je de
wensvoorstellingen, of liever de bewustzijnsvoorstellingen, die je tracht in te drukken in je
patiënt, dus daar bij als therapeut de voorstelling vast te houden van die thalamus, welke
daar uiteindelijk dus gaat aangrijpen. Is dat wel aan te raden?
Ja, U kunt zelfs iets verder gaan. U bevindt zich over het algemeen met een patiënt, als ik mij
niet vergis, toch al in zo'n toestand, dat de patiënt zelve niet volledig op de hoogte is, van wat
U eigenlijk doet en niet doet. Dus heeft U ook de gelegenheid om deze concentratie door te
zetten met het lichaam zelve en dit kan dan gedaan worden - ik weet niet, in hoeverre Uw
voorstellingsvermogen daartoe reikt - maar ten eerste door de handen te richten, als U dus zo
zit te luisteren, nietwaar, en U begint Uw eigen betoog de indruk, die U wilt maken, dan legt U
Uw handen zo in de richting van dat centrum en richt Uw ogen daarop. Hierdoor hoeft U

10
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

automatisch n.l. het totaal van Uw eigen invloeden en uitstraling geheel gericht op een
zichtbaar en kenbaar punt, waarbij het voor U zeer makkelijk is om ongeveer de omgeving te
raken. Raakt U ongeveer de omgeving, dan beïnvloedt U daarmede zeer sterk de geest, die
nog sterker van het lichaam ontvankelijk is voor deze invloed. U krijgt dus een onmiddellijke
reactie van de geest hierop plus een versterkte doorwerking naar dat gedeelte van de
hersenen, dat normaler wijze niet tot het directe bewustzijn behoort. Dat zou dus voor de
therapeut een voordeel kunnen betekenen, omdat daardoor een langere en sterkere werking
kan worden verkregen.
Aan de andere kant, wanneer U het doet, moet U wel zeer zeker zijn, dat wat U als U
suggestie geeft, inderdaad in het bepaalde psychische patroon past. Zoudt U n.l. een daarvoor
niet passende niet-harmonische suggestie leggen, dan zou het mogelijk zijn, dat er een
innerlijke strijd wordt veroorzaakt, waardoor een groot aantal hernieuwde opstoppingen,
vooral in het emotionele gedeelte ontstaan. Dat is altijd een twijfelachtige kwestie. Dus men
moet dit wel pas toepassen, wanneer men werkelijk overtuigd is, dat men het beeld begint te
benaderen. Niet voordien, dat zou ik niet aanraden, want U kunt op deze manier, onuitwisbaar
zelfs, iets in de hersenen inleggen. Iets wat verder helemaal niet uitgesproken wordt
desnoods, maar wat als tendens, begeleidt door woorden wordt uitgezonden in gedachte. Maar
inderdaad, het is wel wenselijk in zo'n geval. Uw vraag is dan al weer beantwoord, geloof ik.
(Ik dank U zeer). Is er ondertussen iemand anders nog tot het bewustzijn gekomen, dat hij
ook nog een onderwerpje of een vraagje
Ja, Uw voorganger heeft gezegd, dat je onder de invloed van de ziel moet weten te komen.
Een methode daartoe was, om niet in aanschouwing verloren te gaan, naar meer beleving.
Als je nu aanschouwelijk bent aangelegd, hoe kun je dat leven bevorderen? Misschien een
beetje laag bij de grond, maar ik ben altijd practisch.
Neen, dat is eigenlijk helemaal niet zo laag bij de grond. Maar het is toch wel zeer logisch op
te lossen. Kijkt U eens. Stellen wij voor, wij hebben een slak en een renpaard naast elkaar. Zij
hebben beiden hetzelfde doel. Dan kunnen wij tegen die slak zeggen: "Klim op het spatbord
van die auto daar en blijf in beschouwing, totdat je bij je doel bent". Dat is volgens het wezen
en de geaardheid van de slak de enige methode om er werkelijk te komen. Zouden wij dat
tegen het paard zeggen, ach, dan ben ik bang, dat het renpaard en de auto beschadigd zouden
worden. Die vergroting van activiteit dus, is speciaal bruikbaar voor diegene, die de behoefte
hebben aan ervaring en bewustzijn, intensere - beleving in de wereld etc.. Daar is dat speciaal
voor. Wij mogen nooit de vergissing begaan om één panacee voor alle kwalen voor te
schrijven. Stelt U zich dat nu eens voor dat er een dokter komt en die zegt. "Ja, door een
kleine dosis arsenicum heb ik werkelijk resultaten bereikt bij een hartpatiënt. Wat heeft U,
meneer Jansen? Ach zo, heeft U last van voortdurende indigestie e.d.? Nu, mijn waarde heer,
neemt U maar een dosis arsenicum. En U, juffrouw, last van reumatiek? Arsenicum.” Begrijpt
U, wat in het ene geval nuttig kan zijn, in het andere geval zelfs erg schadelijk kan zijn, zelfs
dodelijk kan zijn. En vandaar ook, dat op die methode het ogenblik door mijn voorganger
waarschijnlijk niet zo erg diep is ingegaan. Per slot van rekening de methode, waarop je zelf
het Goddelijke benadert, die is voor een zeer groot gedeelte afhankelijk van de instelling die je
hebt. Er zijn vroeger mensen geweest, die inderdaad deze toestand van beleving en
verkenning van de ziel bereikten op een methode, die ze op het ogenblik schandalig zouden
noemen, n.l. sexuele beleving. Dat waren mensen, die, nu ja, daarin de grootste stimulans
vonden en daardoor ook daarin een bewustwording konden bereiken op het moment, dat ze de
belevenis gingen sublimeren. Maar er zijn ook mensen geweest, die hun leven in eenzaamheid
en overpeinzing doorbrachten. En in deze overpeinzing het hebben gevonden. Er zijn scholen
geweest, die het in beweging zochten en die een voortdurende ritmische beweging eigenlijk
maakten tot hét middel, waarmee zij deze eenwording met het Goddelijke beleefden. Er zijn
tempeldansers geweest. Er zijn er geweest, die speciaal daarvoor zich in het water neerzetten,
of aan het water en het stromen van het water alleen met het gevoel waarnamen. U kunt ook
deze oude toestand bereiken. U ziet dus, er zijn ontzettend veel methoden voor, maar de
methode, die voor de één goed is, kan voor de ander erg gevaarlijk zijn. Wat U dus heeft
gekregen aan praktische richtlijnen dat is iets, waar U wel mee kunt beginnen, waarmee Uw
eigen geaardheid ongetwijfeld en innerlijke verlangens wel zullen bepalen, welke weg U
uitgaat. Ik noem nu deze methoden zo, maar U zult begrijpen, U leeft in een maatschappij
11
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

etc.. U moet wel zorgen, dat U precies de weg kiest, die Uw omgeving, Uw opvoeding plus Uw
eigen wezen past en die is wel te vinden. Maar die is pas te vinden, wanneer U werkelijk een
zuiver inzicht krijgt, dus in de samenstelling van Uw eigen wezen. Daar komt o.a. bij te pas
ook zelfanalyse. Een heel gevaarlijk iets zelfanalyse, daar moet je erg mee oppassen. Kan niet
zo aan de eerste de beste worden voorgelegd, daar hoort verder bij een toepassing van
bepaalde concentratiemethoden. Voor sommigen zus en voor anderen zo. Nietwaar, de één,
die bidt het beste, wanneer hij met zijn knieën op de harde stenen ligt, nietwaar, maar de
andere kan zo niet bidden, want dan denkt hij alleen maar aan de pijn, die hij in zijn knieën
krijgt. Wanneer bidden het hoofddoel is, dan ligt het er wel degelijk aan, wie je eigenlijk bent.
Wat voor houding je nodig hebt, om te bidden, nietwaar? En zo kunnen wij verder gaan. Maar
gelooft U maar, U hebt een bepaald streven tot nadenken etc.. U heeft een bepaalde manier,
waarop U de problemen van het leven benadert. En deze methode van benadering kunt U het
beste ook hierop toepassen, voorlopig. Ongetwijfeld zult U later zien, dat wij met kleinigheden
een hele wijziging tot stand kunnen brengen, zonder dat wij U enigszins in disharmonie
brengen en daardoor makkelijker resultaten, maar ja....Als je een ladder op wilt klimmen en je
wilt op de bovenste sport beginnen, dan breek je je nek. Maar rustig van onderen af klauteren.
Dus laten wij zeggen, op het ogenblik inderdaad, de methode is gegeven. Houdt U zich daar
voorlopig aan. En zegt U niet voor Uzelf: nu wil ik eens actief gaan worden. Wanneer U
beschouwelijk bent aangelegd, zegt U dan voor Uzelf: dan wil ik deze beschouwelijkheid op
zo'n manier concentreren in bepaalde ogenblikken, dat zij voor mij de mogelijkheid tot beleven
medebrengen. Ik hoop, dat de raad het niet tegenvalt, maar het is de beste, die ik U geven
kan.
Nu vrienden.
Mag ik nog wat vragen? (Zeker). Zoudt U eens een beschouwing willen geven over ons
menselijk geheugen, dat is eigenlijk een merkwaardig ding, het geheugen, dat wij mensen
hebben, dat geheugen.
Ja, weet U, wat menselijk geheugen is in vergelijking? Een administratiekantoor waar
driekwart van de bescheiden voortdurend zoek zijn. M.a.w. het menselijk geheugen lijdt aan
een gebrek aan systematiek. Het systeem van denken dus, dat die mens gebruikt, is niet
goed. Hij moet tot een ander systeem van denken weten te komen, nietwaar, wil hij wat
bereiken. En nu is maar de vraag: wat is het systeem? Wat je gebruiken kunt? Bij iedereen is
het geheugen weer enigszins anders. Maar over het algemeen helpen associaties het beste.
Wilt U een methode hebben om het geheugen langzaam op orde te brengen, zo'n soort
efficiency expert voor het geheugen? Het is eigenlijk heel eenvoudig, hoor. U begint met te
zeggen: het is eigenlijk een kinderspelletje. Hier heb ik vier woorden. Ik kijk er vijftig
seconden naar. Dan, vanavond, over een uur of zes, wanneer de hele dag weer voorbij is, dan
zal ik die vier woorden opschrijven. Maar de volgende keer neemt U vier regels, ook vijftig
seconden. Gaat U weer kijken. U leest het a.h.w. één keer in die vijftig seconden door.
Weergeven. Gaat het niet, dan doen wij het nog eens. Nog eens. Totdat wij steeds vier andere
regels nemend in staat zijn om de regels te onthouden. En dat zetten wij nog eens een paar
keer voort, tot, laten wij zeggen, een bladzijde van zestig regels, dat niet te veel, hé. Het is
heus geen groot blad, waar zestig regels op staan, geheel na een zeer korte beschouwing
kunnen onthouden en kunnen weergeven. Ondanks alle tussenkomende gebeurtenissen. Wat
hebben wij nu gedaan? Wij hebben ons geheugen gericht om bepaalde dingen zeer snel op te
vatten. Wij hebben geleerd a.h.w. om deze te behouden in reserve en weer te geven, wanneer
wij ze nodig hebben. Want het kan in de eerste tijd voorkomen, dat U dat geheugen wel
inderdaad belast hebt met die bladzijde, maar het geheugen geeft dat ding niet terug,
wanneer je wilt. Als je het hebben wilt, als je eraan zit te denken, komt het niet. Maar op den
duur, door er voortdurend maar weer aan te wennen: en nu wil ik hebben en niet op een ander
moment, dan gaat het geheugen zeggen: nu, daar krijgen wij dat gezeur en dat gepieker, laat
ik het maar geven. En, als U op die manier te werk gaat, dan komt U uit de aard der zaak tot
een methode van beschouwing en denken, waarbij U zich aanwent om a.h.w. fotografisch alles
op te nemen en in staat bent om het desnoods uren later als beeld weer voor U te halen en uit
te werken. Denkt U niet, dat het niet gedaan kan worden?

12
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

Het is een kwestie van training. Heeft U dat gedaan, dan heeft U Uw geheugen dus eigenlijk er
aan gewend om alle met elkaar samenhangende feiten en gebeurtenissen op te slaan. Wat
gebeurt er nu? Nu leest U vandaag een bladzijde van dat boek in vijftig seconden en morgen
een bladzijde van dat boek in vijftig seconden. Die bladen liggen niet bij elkaar. U leest dan
eens van voor, dan eens van achteren, laten wij zeggen, honderd bladzijden. Maar op die
manier zal het een sluitend geheel zijn. Dan kan er een moment komen, dat U, beginnend, bij
een willekeurige bladzijde U de totale samenhang van dat boek U herinnert op de juiste manier
en de juiste wijze. Nu, dat is eigenlijk wel voldoende?
Dat is die weg. Maar je zou het ook kunnen opbouwen door de ene associatie aan de
andere te rijen.
Ja natuurlijk, maar kijkt U eens. Als je iets gauw wilt doen, dan gebruik je gewapend beton, of
een moker, naargelang wat je gauw wilt doen. U kunt natuurlijk met kiezelsteentjes aan elkaar
gaan metselen. En nu is het associatiesysteem iets, waarmede je een aardig eind weg kunt
komen, over het algemeen alleen maar, zo ver als de keten van associatie reikt. En die keten
van associatie kan alleen worden opgebouwd uit bewuste gedachte en bij elke associatie een
bewust verbinden der gedachte. Terwijl wij in het andere geval een automatisch vaststellen
van associatie der verschillende dingen krijgt en U in staat bent om gehele scènes uit Uw eigen
leven voor te dragen en weer te geven. Daarom heeft het dus een voordeel. Ik kan mij
voorstellen, dat U voor de dagelijkse dingen, terwijl U met die andere training gaat beginnen,
voorlopig de associatieve weg noemt. U gaat de dingen met elkaar verbinden en komt zo tot
een gemakkelijker herinneren. Maar dat kan nooit volledig zijn. Dan hebben wij dus de
administratie, waarbij de typiste, alles wat nodig is, in het laatje onder de hand heeft. Maar de
rest lijkt nog wel een asbak. Enfin, ik heb er mijn mening over gezegd. Uw mening is
ongetwijfeld Uw eigene.
U heeft het nu over het geheugen en dat je iets kunt leren door het een keer te bekijken,
of het een keer te lezen. Daar speelt het woord of klankbeeld daar ook niet een grote rol
bij?
Nu, de ervaring, die wij daarbij over het algemeen opdoen, is, dat de mens voor het plastische
en het visuele in het begin der training van het geheugen gemakkelijker vatbaar is, dan voor
auditief waarnemen. M.a.w. dat het gehoorde eerst na ettelijke herhalingen wordt vast
gehouden, terwijl vaak al na eenmalig zien, goed wordt herinnerd. Bovendien geeft het beeld,
vooral in het begin een veel grotere samenhang, dan woord of klank kunnen geven. U zult dus
ongetwijfeld niet verlangen, dat men alles gaat vertalen om het als klankbeeld in de
herinnering te bergen. Maar, heeft U het geheugen getraind voor het visuele, dan krijgt U
automatisch het auditieve onthouden erbij. Wanneer de hoofdafdeling van een zaak efficiënt
werkt, dan gaat de rest er vanzelf wel aan mee doen. Er kunnen dan maar heel weinig
afdelingen zijn, waarin het een rommeltje kan blijven. Er zit echter nog iets anders aan vast:
Stelt U zich eens voor, dat een mens een bijzonder scherp herinneringsvermogen heeft voor
alles, wat hij of zij hoort. Dan is het altijd nog de vraag, of hij of zij genoeg hoort. Maar men
ziet altijd wel genoeg. (ja).
Ik ken uit mijn naaste omgeving een geval, waarbij het gehoor zeer slecht is. En daardoor
is juist het vermogen om iets op schrift weer te geven, zeer klein geworden. Men heeft mij
toen uitgelegd, dat door het gebrek aan het gehoor, het geheugen voor een woord niet
zuiver ontwikkeld is.
Dat woordgeheugen, dat kan ik nog wel met U eens zijn. Dat kan voorkomen. Maar het beeld
is meer omvattend dan het woord. Wanneer U begint met het gewoon visueel herinneren en U
komt dan tot woorden, dan zien wij de associatie van woord met beeld. Op de duur zou dit dan
ook het auditief herinneringsvermogen kunnen genoemd worden. Een herkennen, van het
beeld in het woord, ook al luidt het klankbeeld dan ook nog anders. Terwijl in een dergelijk
geval de reactie op het gehoorde door de scherpere voorstelling scherper en beter omschreven
zal zijn. Wanneer je dus niet horen kunt, lees dan maar, dan wordt je woordenschat ook
groter. Wordt je woordenschat groter, dan wordt de mogelijkheid om voor jezelf iets uit te
drukken iets groter. Is die mogelijkheid groter, dan kun je ook, wanneer je dat wilt, meer
dingen voor jezelf duidelijker omschrijven. M.a.w. je kunt een groter aantal indrukken bewust
weergeven. Dat is het probleem, waar U het over heeft.

13
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

Ik zou U nog graag iets willen vragen. Wanneer er iemand met moeilijkheden komt bij een
advocaat, heeft die mens de neiging om zijn hart uit te storten en alles te vertellen over die
moeilijkheden. Is het nu te voorkomen, dat de fantasie daarbij een grote rol gaat spelen?
Ik bedoel van de zijde, die dat allemaal maar aan moet horen? Och, daar zou wel een methode
voor zijn. Een methode, die sommige psychiaters er ook op na houden: laat ze in het begin
maar een beetje kletsen en luister niet te veel. Formuleer dan, wanneer ze uitgepraat zijn, je
vragen, liefst zo scherp mogelijk en je komt toch wel te weten, wat je wilt.
Ja maar, is er geen methode om het tot een meer waarheidsgetrouw beeld te brengen?
Kijkt U eens. Iemand, die bij een advocaat komt, is de verdrukte onschuld in persoon.
Onverschillig, wat er werkelijk gebeurd is. Dus het feit alleen, dat de advocaat er is, prikkelt de
fantasie en stelt het gehele beeld der waarden om. (Dus een zeker affect). Ja natuurlijk. Dat
moet er toch eerst uit, voordat U aan de waarheid zelf kunt komen. Het lijkt mij echter heel
moeilijk om ze daartoe te brengen. Het enige lijkt mij, tenminste voor sommige typen:
trachten ze heel sterk te imponeren. Maar ik weet niet, of de advocaat in kwestie daar nu wel
de man voor is. Maar wanneer U ze zo kunt overdonderen, dat Uw almacht en alwetendheid ze
maakt tot kleine sidderende mensjes, die een God om hulp komen smeken, heeft U wel de
kans, dat U alles ongeveer juist opgediend krijgt. Ofschoon U natuurlijk dan heel wat
onderdrukt. Maar dan onderdrukt U ook misschien een deel van de waarheid, dat op de duur
heel belangrijk zou kunnen zijn. Het ligt er naar aan, hoe je dat nemen wilt. Is er nu al iemand
weet, wie ik ben? (Weet ik niet ........Henri ....etc.). Ik ben, wat men noemt, beschaafd
vandaag. Dat moet je ook wel eens een keer zijn. Wij kunnen uiteindelijk niet altijd op klap
humor leven, zo van: Lach, of ik sla je dood.
Wilt U Uw identiteit aan ons geven?
Dat is toch al gezegd. (In koor: Henri). Ja. Ik ben Henri, ook wel kortweg de "Bult" genoemd.
Maar gezien het feit, dat ik de laatste tijd wat vooruit ben gegaan, heb ik getracht mij een
gestalte aan te schaffen, die een beetje beter past bij het werk, dat ik wil doen. Als ik in mijn
oude gedaante een esoterische wijsheid uit zou kraaien zou het zijn als een ernstig stukje van
Buziau. De mensen zitten maar te wachten, totdat zij weer kunnen lachen. Gezien Uw reactie
is deze vorm wel zeer geslaagd. Ik dank U voor de tip. (Kunt U ons zelf nog niet iets
vertellen?). Ik ben bang, dat ik door mijn neiging tot spot het onderwerp bespottelijk zou
maken. Zijn er geen vragen of problemen meer?
Kunt U ons vertellen, waarom uit één gezin de kinderen, die toch dezelfde vader en moeder
hebben, zo volkomen anders kunnen zijn?
Ofschoon vader en moeder dat over het algemeen niet graag willen weten, omdat zij beide
eigenschappen hebben, die zij in het gezinsverband niet uiten. Wanneer die dan in een van de
kinderen met bijzondere nadruk naar buiten komen, zeggen zij: Die lijkt nu helemaal niet op
mij. Laat ons als voorbeeld zeggen, dat Pa iemand is, die er eigenlijk meer van houdt om te
zitten peinzen dan hard te werken, dan kan één van de kinderen een beetje dromerig zijn. Het
fantaseert graag. Dan zegt Pa, die wel druk werken moet: dat kan toch niet van mij komen. En
Ma zegt: ja maar, op mij lijkt zij toch ook niet. Moeder heeft allang geleerd om niet meer zo
snibbig te zijn. Om niet meer altijd haantje de voorste te zijn. Heeft één van de kinderen die
eigenschap, dan weet men ook niet, waar dat vandaan komt. Of Pa is een driftkop. Hij leert
dat wel een beetje te beheersen. Als dat dan bij één van de kinderen onbeheerst naar buiten
komt, zegt hij: tut tut, tut tut, waar zou dat nu toch wel vandaan komen?
M.a.w. de eigenschappen, die de ouders in hun kinderen vinden, zijn meestal eigenschappen,
die zijzelf hebben, maar die zij in zichzelf niet erkennen, of om één of andere reden niet willen
erkennen, ofwel eigenschappen, die zij door één of andere oorzaak zelve nooit geuit hebben.
Maar het kind zal over het algemeen dezelfde mogelijkheden in zich dragen als de ouders. Wel
zien wij vaak dat eigenschappen, die twee of drie geslachten lang een zeer ondergeschikte rol
hebben gespeeld in een bepaald kind, kan dan weer zeer sterk op de voorgrond komen. Maar
dat zijn toch altijd dingen van hereditaire aard en origine. Daarnaast kennen wij natuurlijk de
invloed van de geest. Nu kun je jezelf wel af gaan vragen: wat doet zo'n geest? Maar die geest
moet werken met het voertuig, dat hij heeft. Die kan dus hoogstens een sterker nadruk op
bepaalde eigenschappen leggen, maar zal toch nooit nieuwe eigenschappen erbij kunnen

14
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

scheppen, voordat de mens tot rijpheid is gekomen. Voor het kind geldt de werking van de
geest dus bijna niet.
Uw voorganger heeft zo-even gezegd, dat de geest het lichaam schept.
Nu ik geloof niet, dat hij in die zin heeft gezegd, waarin U het op het ogenblik schijnt op te
vatten. Ik denk wel, dat hij bedoeld zal hebben, dat de geest het lichaam geschapen heeft. Dat
wil zeggen, dat het lichaam geschapen werd onder de drang van een geest, die een bepaalde
uitingsmogelijkheid begeerde. Maar daardoor ontstond het ras "mens", Homo sapiens. Hoe
komen zij daar eigenlijk aan sapiens? Ik zou zo nu en wel Homonucules willen noemen. Het
lijkt wel, of de mens voor zijn geheugen een machine nodig heeft, voor zijn denken, voor zijn
woorden, voor zijn zien, overal gebruikt hij kunstmiddelen tegenwoordig. Maar om terug te
komen op Uw vraag, wanneer wij de kwestie nader gaan bekijken: schept de geest
tegenwoordig een lichaam? Neen. Hij incarneert in een lichaam, dat onder de druk der
geestelijke behoeften is gegroeid in een bepaalde wereld uit wat voor die wereld materie is.
Incarnerende heeft die geest het voordeel, dat zij niet honderd of misschien wel
honderdduizend jaren moet zoeken, voordat zij een lichaam ter beschikking heeft. Aan de
andere kan moet een geest dan ook genoegen nemen met de minder gewenste eigenschappen
die in dat lichaam liggen, krachtens de herediteit enz.. Wanneer u een huis gaat bouwen, dan
kunt U het precies zo inricht zoals u zelf maar wilt. Trekt U in een huurhuis, dan is dat wel
beschikbaar ....... Is dat tegenwoordig nog wel zo? Ik geloof te zien aan U, dat dit niet zo is.
Maar laten wij dan maar aannemen, dat vroeger de huurhuizen dus gemakkelijk te krijgen
zijn. Of later wij liever op een ander gebied zoeken. Kleding. U kunt een kostuum laten
aanmeten. Maar dan moet U ook maar wachten tot de kleermaker er mee klaar is. Maar in drie
minuten kun je nergens een confectiepak kopen en mee nemen. Dat maatwerk zal wel een
paar dagen duren. Reken dat nu een tegen elkaar: drie minuten en een paar dagen. Dat is een
heel verschil. Ik kan mij best indenken, dat een geest die wil gaan incarneren, niet zegt: Nu ga
ik mij eerst een geschikt lichaam ontwikkelen. Hij zal eerder zeggen: Ik kies mij het voertuig
dat mij het beste past en het beste aan mijn smaak en behoeften tegemoet komt en op dit
ogenblik voor zij beschikbaar is. En zo komt het dan dat geest op het ogenblik zijn lichaam,
niet meer schept. Indertijd heeft zij natuurlijk dat wel gedaan, maar op het ogenblik is de zaak
een going-concern met massaproductie. Het resultaat is, dat een ieder wel zijn lichaam op de
duur aan eigen wezen en verlangen een beetje kan gaan aanpassen, maar uiteindelijk toch
gebonden blijft aan de manier, waarop het gebouwd is. Wanneer je heel hoog bent gestegen,
heb je dat niet meer nodig. Wanneer je dan op aarde moet wezen, creëer je wel even een
lichaam.
Overzie je dan ook de mogelijkheden van je lot op dat moment? Of moet je het maar
afwachten?
Het woord "lot" zegt het zelf al: het leven is een loterij. Als je begint denk je allemaal wel dat
je een hoofdprijs zult winnen. Maar de meeste hebben een niet. Je mag al blij zijn als je met
een eigen geldje naar huis gaat. Het lot, dat stoffelijk is vastgelegd, kun je niet in zijn geheel
overzien. Maar wel de hoofdtendensen. Je weet dus welke mogelijkheden tot winst en
verliezen je hebt. Maar hoe dat nu later precies zal uitpakken, weet je niet.
Wanneer je iets moet ondergaan, kun je dus niet zeggen? Ik heb het zelf gekozen.
Natuurlijk kun je dat wel zeggen. Per slot van rekening, wanneer je uitgaat, wanneer het
regent, dan heeft U niet het plan om doornat te worden en een verkoudheid op te lopen, maar
als het gebeurt, is het toch wel Uw eigen schuld. Dan had U maar niet in die regen uit moeten
gaan. U heeft dus a.h.w. die verkoudheid zelf gekozen. Het is Uw eigen schuld. Zo moet je het
met je lot ook bekijken. Je ervaringen zijn inderdaad wel je eigen schuld. Maar je hebt
misschien een toestand voor jezelf geschapen, waarin je noodzakelijkerwijze die dingen moet
ondergaan, omdat je nu eenmaal met je eigen mogelijkheden niet in staat bent om aan die
dingen te ontkomen. Om het in een slagzin te zeggen: Neem weinig tijd voor zelfverwijt. Ik
geloof dat de enige, die dit regelmatig toepassen de ministers zijn. Die hebben zoveel tijd voor
hun reizen nodig, dat er voor zelfverwijt eenvoudig geen tijd overblijft. Behalve Mendés France
dan. Die heeft na veel zelfverwijt een bordje ingepakt en naar Pinaud een bordje gestuurd,
waarop staat: "Melk is goed voor elk".

15
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

Wanneer ik U dan goed begrepen heb, is het dus ook vanuit de geest niet mogelijk om alle
factoren te overzien'?
Neen. Alle factoren kun je nooit overzien. Wanneer U aan het begin van een weg staat, kunt U
natuurlijk de lucht in stijgen en een globaal beeld van de ligging daarvan krijgen. Maar U kunt
niet van te voren vast stellen, dat, terwijl U neerdaalt en in Uw auto stapt, een auto met
eieren omvalt, zodat U even later onverwachts rondplast in het roerei en uiteindelijk als omelet
met geklutste auto te voorschijn schuift. Je overziet wel het beeld van de mogelijkheden, maar
wat daar nu reëel van naar voren komt, kun je ook niet zeggen. Het zou trouwens niet eens
leuk zijn. Stel je voor, dat je als een baby met wat geestelijk herinneringsvermogen begaafd,
als eerste woord tegen je moeder zegt: Wanneer is het nu 29 Februari 1976?" Zegt moeder
dan: "Waarom wil mijn schattebout dat weten?" en jij als antwoord geeft. “Dan ga ik trouwen
met het meisje van de melkboer, dat over zes weken geboren wordt". U begrijpt zelf, dat zijn
dingen, die gelukkig niet geheel vast te stellen zijn.
U sprak daarnet over de verborgen gebreken van het lichaam. Kan de geest die dan niet
zien?
Wij kunnen toch alleen maar zien, wat er geuit is, mijn waarde vriend. Laat ons nu eens
veronderstellen, dat U in U, wat natuurlijk niet zo behoeft te zijn, iets draagt van een
toornende vader. Het kan wel eens zover komen, dat je bloed aan het koken slaat. Maar zoiets
slijt op de duur. Dat gaat weg, dat is voorbij. Wanneer U dat nu heeft leren beheersen in de
eerste vijfentwintig á dertig jaar van je leven, dan zegt elk kind, dat daarna geboren moet
worden: "God, wat een leuke rustige vent is die aanstaande papa van mij. Laat ik maar eens
kijken, wanneer er voor mij de gelegenheid is" Maar zij vergeten dan één ding, n.l., dat die
aanleg voor uitbarstingen ook in het lichaam van het kind weer is. U heeft dat dan
overwonnen. Misschien is de invloed wel iets verzwakt. Maar het kind zal haar toch opnieuw
moeten overwinnen, want zij blijft aanwezig.
Even een vraagje. U leeft nu als een geest. Interpreteert U tijd?
Nu, dat heb ik een tijdje lang geprobeerd, ja. Om eerlijk te zijn, Uw tikkende tijd lijkt uit ons
bewustzijn een beetje getikt.
Dat is toch de enige objectieve tijdsbepaling, die ons ter beschikking staat?
Pardon. U bedoelt de enige gemeenschappelijke interpretatiemogelijkheid, maar objectief is zij
in geen geval.
Laten wij dan daar niet verder op doorgaan, maar U leeft in een soort tijd, nietwaar? Hoe
kunt U die interpreteren?
Wij meten de tijd aan de mate van opgedane ervaring. Aan de ervaring meten wij de tijd, dat
wij zijn. Maar door onze ervaring zijn wij wel in staat terug te keren tot de aarde en daar de
tijdsopvattingen van de mensen ervarend, deze vergelijkend althans ten dele voor ons zelf
toepasselijk te verklaren. Wij kunnen ons dus aan Uw gemeenschappelijke maat ons
onderwerpen, maar nooit volledig. Wanneer wij dit doen, komen wij dus tot wat U zoudt
kunnen noemen, een redelijke tijdsverhouding. Maar wanneer ik daarover ga praten, moeten
wij eigenlijk gaan spreken over tijd-ruimtelijke verhoudingen. (Doet U dat dan s.v.p.). Ja
maar, heeft U wel op de band gelet? (Een volgende keer dan?).
Goed, dat is dan afgesproken. Herinnert U mij er maar aan. Dan krijgt U een glad betoog over
tijd en ruime zonder enige bultigheid, dat beloof ik U. Maar nu wordt het tijd de laatste spreker
aan het woord te laten. Goeden avond dus, het was mij een genoegen ook in deze gestalte
met u kennis te mogen maken.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden. Wat wenst U vanavond als slotvorm? Dichterlijk, meditatie of
verhalende vorm. (Meditatie). Heeft U de voorkeur voor een bepaald onderwerp?

SCHADUWEN
Waar een schaduw valt, moet licht zijn. De schaduw is immers het teken van het zijnde, in zich
onstoffelijk: dat aangeeft, dat het zijnde door het licht getroffen wordt. Ons bestaan lijkt ons
16
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 1 – 24 februari 1955

soms ook vol schaduwen. Wij zien soms de vrees als een dodend dreigende schaduw over de
wereld heen gaan. Dan denken wij, dat het de eeuwige duisternis is. Maar dat is niet waar. De
schaduw is voor ons het duister, omdat wij niet weten, wat zij betekent. Elke schaduw is de
keerzijde van een lichtende gestalte, die in een Goddelijk of geestelijk licht staande,
voortschrijdt over de wereld. Er was eens een zuil, die voor de Israëlieten uittrok. Aan de ene
zijde was deze zuil duisternis, aan de andere zijde was zij licht. Is dat niet de waarheid van
alle zijn? Als Janus heeft al het zijnde twee gezichten: schaduw en licht. Is de schaduw diep,
zo zijn wij geneigd om haar duisternis te noemen, maar zelfs dan nog geeft zij aan, dat het
lichte bestaat. Wanneer de wereld voor ons zo vol schaduwen is, is het misschien goed om ons
een ogenblik te wenden, want als de schaduw voor ons ligt, is het licht achter ons. Wanneer
wij weten, dat het licht met ons mee trekt, voortdurend ons kracht gevend, dan zullen wij de
schaduw niet vrezen. Wanneer de schaduwen ons tegemoet schijnen te vallen, dan moeten wij
de moed hebben om boven de schaduwen uit te zien, zodat wij de gestalten kunnen ervaren,
die de schaduw werpen. Wat een dreiging leek, is dan slechts de voorbode van de hemelse
schoonheid en waarheid, die steeds naderbij komt. De schaduwen in je leven zijn allen
werkelijke schaduwen en geen duister, wanneer je begrijpt, dat het licht er achter staat. En
kan er iets in het al bestaan, dat niet uit lichtende kracht word opgebouwd? Wanneer wij dat
weten en overdenken, dan kan voor ons het duister niets anders dan een schaduw, zoals zelfs
de nacht de schaduw der aarde is, die een ogenblik als een kogel de ruimte inpiekend, de zon
doet verdwijnen voor onze ogen. Zolang echter de schaduw van de nacht komt, weten wij, dat
ergens ook het lichte nog is. Want zou de zon doven, de aarde zou geen leven meer kennen.
Zolang wij leven in schaduw of licht, weten wij dat God met ons gaat. Met dit weten zullen wij
ongetwijfeld alle schaduwen van leven en dood kunnen overwinnen, want zie, ik zal niet
vrezen, al moet ik gaan door het dal der schaduw des doods. De schaduw zelve is het teken
van de werkelijk schoppende kracht, die ons altijd nabij is. En worden de schaduwen ons te
zwaar, laat ons opschouwen naar boven en wij zullen het licht zien. Dit was dan de korte
meditatie voor deze avond, vrienden. Goeden avond..

17
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 2 – 24 maart 1955

LES 2 - DE MENSELIJKE PSYCHE

24 Maart 1955
Zoals U zich ongetwijfeld herinnert hebben wij de vorige maal besproken en getracht
aannemelijk te maken het feit, dat een groot deel der z.g. occulte capaciteiten van de mens
een stoffelijke oorzaak hebben. Wij hebben de feest daar slechts terloops bij besproken. Ook
voor vandaag zou ik de geest nog enigszins op de achtergrond willen laten. Uiteindelijk is van
de psyche, wanneer wij in de stof zijn, het belangrijkste en ook meest begrijpelijke deel, de
materie, omdat wij vanuit de gedragingen in de materie dan langzamerhand kunnen gaan zien,
wat een werking van de geest kan zijn en wat een uiting is van dat eigenaardige lichaam, dat
soms met geest en al op hol slaat. De opvatting, die wij verdedigen hebben wij eerst
besproken. Zo U weet, is dan ook de vorige maal opgemerkt, dat zij gericht is op de eenheid
terwijl zij anderzijds een splitsing in twee delen als begripsnoodzaak aanvaardt. Wij kunnen
n.l. voor de verklaringen, die binnen ons bereik liggen, niet buiten de tegenstelling. Wij
moeten dus wel met een tweeheid werken. Wij zijn er echter in ons diepste wezen van over-
tuigd, dat ook deze tweeheid uiteindelijk een eenheid is, die echter voor ons als zodanig nog
niet kenbaar is. De menselijke geest, levend in het menselijke lichaam, heeft, zoals wij reeds
de vorige maal zeiden, contact met de hersenen. Wij hebben tevens aangestipt, dat soms dat
contact ook op andere punten van het bewustzijn plaats vindt. Deze punten worden in de
geheimleer ook wel als "Chakra's" aangeduid. Dit is echter niet geheel juist, want deze
chakra's zijn geestelijke organen en de plaats, waarop zij volgens de traditie gelokaliseerd
worden is niet geheel in overeenstemming met de contactpunten, die de geest met het
lichaam verbinden en invloed van de geest op het lichaam mogelijk maken. Vandaag zou ik het
probleem aan willen snijden van de z.g. geestesziekten. Afwijkingen dus, die sterk naar voren
treden bij de abnormale gevallen, maar die wij toch in meerdere of mindere mate aantreffen
bij practisch alle mensen. Wij moeten heel goed begrijpen, dat de hersenen weliswaar voor het
voorstellingsleven en het bewustzijn volledig primair zijn, zover men in de stof verkeert. Maar
dat anderzijds - en vergeet U dat niet - het lichaam toch door de geest wordt geregeerd. De
wijze, waarop dit geschiedt, wil ik trachten aannemelijk te maken door het volgende te citeren.
Ik haal hier een studiewerkje aan.
De menselijke geest. Een kracht, die overigens niet omschrijfbaar is, maar alleen uitdrukbaar
als begrip, werkt in haar eigen wereld en neemt in haar eigen wereld waar, ongeacht
bewustzijn of niet, bewustzijn van het stoflichaam in de stoffelijke wereld. Wanneer deze geest
ervaringen in haar eigen wereld opdoet, als reflex, het lichaam daarop reacties vertoont.
Omgekeerd zal elke reactie van het lichaam ook door de geest mee worden ervaren, zoverre
als zij binnen het bereik van het geestelijk bewustzijn valt. Het emotioneel gedeelte der er-
varingen wordt het sterkst overdragen. Dit beïnvloedt geest en stof gelijkelijk.
Dit is dan het aanloopje. Maar ik wil nog iets verder gaan. Stellen wij, dat de geest een aantal
problemen te verwerken krijgt in haar eigen bewustzijnssfeer, waardoor zij in strijd komt met
de stof, wat is dan het resultaat? Ongetwijfeld een vijandigheid tegenover de stof. Hoe komt
dan deze vijandigheid tot uitdrukking? In de bewustzijnscentra. D.w.z. zij kan tot uiting komen
op alle knooppunten, die het zenuwstelsel met de geest verbinden. Hoofdzakelijk echter in de
hersenen. In de hersenen kan daardoor een verschuiving van de bewustwordingen in de
wereld ontstaan en deze heeft dan een a-normale reactie op de omgeving tengevolge.
Wanneer dit alles zou zijn, was het zo erg nog niet. Maar het gaat verder. Deze verschuiving
van reactie en waarneming, van realisatie in de stoffelijke wereld brengt ook een verschuiving
te weeg van de beïnvloeding van het gestel door het zenuwstelsel, dus ook van de interne
secreties. Een practisch ondenkbaar kleine verschuiving brengt o.a. een verandering van
activiteit voor de bijnier te weeg. De persoon in kwestie wordt dan slachtoffer van epilepsie.
De schildklier werkt niet volledig normaal meer. Daardoor ontstaat door reactie op andere
prikkelstoffen giftstoffen, die in het bloed een in de weefsels doordringen, deze zijn vaak
18
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 2 – 24 maart 1955

verantwoordelijk voor schizofrene verschijnselen. Een kortsluiting in de hersenen kan, zo wij
weten, tot een manie, b.v. achtervolgingswaanzin leiden. Een waan, waarbij een enkel
denkbeeld suprème staat boven al het andere en elke uiting van de buitenwereld in dit beeld
mede wordt betrokken. Dit is echter niet alles, dit abnormaal reageren van de hersenen kan
onmiddellijk invloed hebben op het lichaam zelve. Wij krijgen dan ook in dit lichaam een
toestand van vergiftiging, waardoor de activiteit van de hersenen steeds sterker wordt bereikt.
Uiteindelijk blijft dan slechts deze enige gedachte over. Het is dus wel belangrijk, dat wij,
wanneer wij op aarde leven deze verschijnselen, die toch ook tot de menselijke psyche worden
gerekend, vanuit een stoffelijk standpunt kunnen zien en benaderen. Er bestaan vele
soortgelijke gevallen. Ik wil nu een geval nemen, waarbij schijnbaar met geen enkele afwijking
van het redelijke gerekend kan worden. Ofschoon toch een bewustzijnsverschuiving plaats
vind, gepaard gaande met verandering van de samenstelling in het bloed. Tuberculose. Bij T.B.
zien wij in vele gevallen een beïnvloeding van het bloedbeeld met een gelijktijdige verandering
van de zuurstofopname door het bloed. In de meeste gevallen geeft dit verschijnsel aanleiding
tot een versterking der erotiek in de man. Verder gaande zou ik U er op kunnen wijzen,
hoeveel zeer kleine factoren ziekten, die U misschien helemaal niet acht, tot aanmerkelijke
verschuivingen in gevoels- en gedachteleven aanleiding kunnen zijn. Indien het wenselijk of
noodzakelijk blijkt zullen we ongetwijfeld later nog verder op deze zaak in kunnen gaan. Ik
verzoek U echter op het ogenblik dit slechts als een vaststelling mijnerzijds te beschouwen,
welke U aan de hand van eigen ervaring of onderzoek al dan niet kunt verwerpen.
Ziektebeelden hebben invloed op het bewustzijn. Het bewustzijn heeft invloed op
ziektebeelden. In ieder geval, onverschillig hoe de beïnvloeding ligt, krijgen wij een
verandering van emotioneel leven. Het emotionele leven echter beïnvloedt sterk de geest. De
geest maakt dus wel degelijk de menselijke ziekten mee door. Wederom een punt, dat wij, als
zijnde van belang, vast steilten. Nu gaan wij weer een ogenblik over de stof alleen denken.
Wanneer ik in een stoffelijk lichaam een aantal wijzigingen weet aan te brengen wijzigingen
van een geaardheid, waardoor een normaal functioneren van het lichaam wordt bevorderd,
zullen wij ongetwijfeld niet slechts een gezond gedachteleven zien en een gezond lichamelijk
bestaan, maar daarnaast ook een gezonde bewustzijnstoestand in de geest. Al deze dingen
zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden. Dit geldt natuurlijk niet alleen bij de exepties, maar
bij alle, dus ook de normale gevallen. U weet ongetwijfeld, dat de meeste mensen een tic
hebben. En daarmede bedoel ik zeker niet een tik van de molen, Ofschoon van de laatste soort
er waarschijnlijk ook wel meer dan genoeg rond lopen. Aanwezigen uitgesloten. Tics bestaan
uit gewoontegebaren. De één tekent, de ander tikt met zijn potlood tegen zijn tanden. De
derde vouwt zijn handen op een bepaalde manier en verzinkt in een beschouwing, waarbij één
of ander lichaamsdeel regelmatige bewegingen voltrekt. De arm b.v. of het been. Er zijn er
zelfs die op sommige momenten met hun oren kwispelen. Dit laatste stamt uit de tijden, dat
de mens uiterlijk nog meer aap was en innerlijk minder. Althans waar het mode e.d. betreft. Al
deze tics verschillen van persoon tot persoon en zijn de uiterlijke aanduidingen van een kleine
afwijking, die in de persoonlijkheid bestaat.
Het is de uiting van een bepaalde fout in het denkpatroon, die door de beweging wordt
geneutraliseerd. Nu zult U ongetwijfeld willen opmerken. "Ja, maar jullie doen dat toch ook.
Jullie hebben toch ook allemaal je eigen gewoonten, bij het spreken, je eigen houdingen. Er
zijn er verschillende bij, die altijd met hun handen zitten te wriemelen, aan hun boordje
moeten zitten, snuiven of iets dergelijks. Inderdaad. Omdat dat bij de oude persoonlijkheid
hoorde. Maar onze vriend, die zo graag snuif gebruikte, was in vele gevallen zo verward in zijn
eigen denken, dat hij niet in staat was om geheel normaal te reageren. Dit herhaalt zich,
wanneer hij probeert om wederom een gelijksoortige gedachtegang naar voren te brengen.
Hierbij zal dan het gelijke verschijnsel onmiddellijk weer optreden. Tics e.d. zijn
verschijnselen, die bij de studie van het abnormale zeker niet over het hoofd mogen worden
gezien. Zij zijn niet alleen aanduidingen van stoffelijke aard, b.v. van emotionele toestanden,
maar evenzeer aanduidingen van bepaalde geestelijke fouten. Wanneer men de stoffelijke
mens en de stoffelijke delen van de menselijke psyche begint te begrijpen, dan zal men
misschien wel niet in staat zijn om het wezen en bewustzijn van de geest te beschrijven. Maar
wel zal men in staat zijn, althans enige van haar eigenschappen te begrijpen en te benaderen,
zo kan men zich zelfs in de stof een voorstelling vormen van de meest voorkomende fouten,

19
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 2 – 24 maart 1955

die ook in het geestelijk leven worden gemaakt. Normaal het gemiddelde. De mens, die daar
onder blijft, of bovenuit komt: is dus reeds in zekere zin a-normaal vanuit het stoffelijke
standpunt. Voordat ik dus verder ga met te spreken over normaal en a-normaal, lijkt het mij
goed eerst samen even te definiëren wat wij hiermede bedoelen. Normaal noem ik elke mens,
waarin geest en stof harmonisch samenwerken om zo een gelijktijdige en voor beiden
aanvaardbare bewustwording te bereiken. A-normaal noem ik elke mens, waarbij stoffelijk of
geestelijk tendensen zo zeer de overhand gekregen hebben, dat de andere functies daar onder
lijden. Kunt U daarmee akkoord gaan? Dan gaan wij allereerst nog even kijken onder het
gemiddelde. Wat valt ons dan op? De mens wordt gedreven door verschillende krachten. De
vrees, de hebzucht, sexualiteit, vormen meestal de hoofdfactoren. Indien U hier nog aanvullen
wilt, kunt U dat rustig doen. Ik noemde slechts de voornaamste motieven in het
ervaringsleven. Uitgaande van het standpunt, dat deze drijfveren in het stofbewustzijn
overheersend zijn, dat de wijze waarop men daarop zal reageren in overeenstemming zal zijn
met het totaalbewustzijn, zouden wij voor elk dier factoren een onderverdeling kunnen maken.
B.v. overdreven, normaal, milder dan normaal en negatief. Of anders gezegd: positief,
normaal, negatief-positief en negatief. In deze factoren zien wij dan de invloeden optreden, die
in overwegende mate van invloed zijn op alles wat er op aarde gebeurt. Allereerst zullen wij de
vrees even beschouwen. Wat vreest een mens? De mens vreest al hetgeen hij niet kent. Al wat
eens doorstaan werd, kan geaccepteerd worden. Men zal het misschien niet prettig vinden,
maar men kan het dan toch nog wel aanvaarden. Hetgeen echter, dat men niet kent, datgene
wat men nog niet heeft doorgemaakt vreest men. Ook in de oorlog en in een Jappenkamp,
zoals iemand daar denkt. Daar evengoed als elders. Want men vreest hetgeen men kent, niet,
maar het onbekende, dat naar men vermoedt er achter schuil gaat. Wanneer er oorlog is,
vreest men niet de vernietiging of de dood. Die dingen heeft men voldoende leren kennen.
Men vreest de verminking en het moment, dat men pijn zal moeten ervaren. Van enige
moraliteit is daarbij verder meestal geen sprake. Zo gaat het trouwens met de meeste dingen.
Een normaal mens zal in staat zijn om zich een gevaar te realiseren, zonder het te vrezen. Hij
is dan echter geen dwaas, die vertoont, wat de mensheid moed noemt. De moed, eigenlijk de
positieve kant van de vrees, die men op aarde meestal als negatief ziet, betekent niet meer en
niet minder dan een onbesef tegenover het gevaar. Nu kan er een mens bestaan, die met
zichzelve zover is gekomen, dat hij die vrees van zich afwerpt. Wat kan dat betekenen? Een
uitschakeling van alle complexen? Zeker. Echter ook een normaal geestelijk leven, want deze
mens kan dan het leven aanvaarden en zal er deel aan nemen zonder te proberen de
consequenties van zijn daden in het leven, in de maatschappij, waarin hij nu eenmaal leeft, te
ontgaan. Gezonde emotie: dus en een gezond bewustzijn. Iemand, die negatief-positief is, zal
over kunnen slaan tot de moed. Ofschoon het dan vaak de moed der wanhoop is, zoals dat
dan heet. Anderzijds zal hij intens vrezen. Deze mens zal, doordat hij eerst vreest, om er dan
uiteindelijk de dingen accepterend maar op los te stormen, in de ogen van de meeste mensen
een normaler mens lijken, dan de harmonische mens, die dit niet kent, waar hij zich dreiging
en gevaar altijd wel degelijk realiseert. De persoonlijkheid is niet stabiel meer. Dit
onevenwichtig zijn betekent, dat de mens de vrees twee maal leert kennen: voor en na het
ogenblik, dat de moed hem een ogenblik beheerste. Hij vreest dan niet alleen de
omstandigheden maar ook zichzelve wanneer hij moedig voor een ogenblik zichzelf in de
omstandigheden verliest, hieruit kunnen een aantal zielsconflicten zich vormen, die soms zó
kwaadaardig kunnen zijn, dat shockverschijnselen zich voordoen. Er ontstaat plotseling een
verweer tegen de wereld en de mens is net in staat haar verder te aanvaarden. Dit is niet
ongeneselijk. Je kunt die mens nog wel weer helpen. Maar de vrees, die hij op een ogenblik
moest doorstaan, was zo afgerond diep, dat hij de wereld of geheel verwerpt, of haar met
onredelijke té grote bravoure tegemoet gaat treden. U zult begrijpen, dat dat voor de geest
niet direct prettig is. Die geest wordt belemmerd in haar eigen uiting. Omdat het voortdurend
twijfelen tussen wel en niet, tussen aanvaarden en vrezen voor haar betekent de
onmogelijkheid om zuiver en rationeel haar eigen wezen tot uitdrukking te brengen. Zij wordt
belemmerd in haar daden en de daden die zij dan uiteindelijk nog aan het lichaam op kan
leggen worden zó onbeheerst uitgevoerd, dat zij in hun consequenties verder gaan dan de
geest bedoelde. Ofwel zij bereikt het doel niet, dat de geest zich gesteld had. Een jammerlijk
verschijnsel. En dan krijgen wij de negatieve mens. De mens, die werkelijk vreest. Eigenaardig
genoeg is deze mens gelukkiger dan de moedige en gelukkiger ook dan de negatieve-positief,
20
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 2 – 24 maart 1955

want deze mens, die vreest zal zijn vrees een deel van het leven van zich afschuiven. Die
mens aanvaardt het leven en de waarde van de maatschappij niet en schept voor zichzelf
nieuwe waarden. Hij wordt heel vaak door de wereld als normaal gezien, maar zal dit nooit
kunnen zijn. Ook niet volgens de zuiver wereldse opvatting. Want te allen tijde zal de vrees
zijn daden regeren. Voor de geest is echter de consequentie dat zij - in dit geval - niet in staat
is overal waar de angst als drijfveer naar voren komt, enigerlei werking op de stof uit te
oefenen. Wanneer zij dit toch doet, ontstaat een conflict, dat leidt tot waanzin. U ziet, heel
veel dingen, die zo schijnbaar normaal zijn, zijn als een alang-alangveld, waarin menige slang
verborgen ligt. Een mens kan - negatief zijnde - zijn hele leven normaal leven. Hij kan zonder
enige fout en zonder enige misstap van het menselijk standpunt verder gaan en nooit komen
tot een uiting, die ook maar enigszins afwijkt, wat de mens als norm heeft gesteld. Toch heeft
die mens een innerlijk leven, waarbij die vrees op de voorgrond komt. Geestelijk is de vrees
één van de dingen, die voor de psyche het meest schadelijke is, terwijl zij ook in de complexen
en hun gevolgen zelfs van lichamelijke aard voor de mens vaak fataal kan zijn. Wat is het
wapen, dat de mensheid kiest tegen de vrees? Onverschilligheid. Maar wat is die
onverschilligheid in wezen? Een zich doof-houden, een zich blind-houden voor de verschillende
omstandigheden, waaraan hij toch weet, dat zij bestaan. De onverschilligheid is geen afweer
voor de angst, de vrees. Zij is alleen een verschuiven van de problemen der angst uit het
bewuste naar het onbewuste gebied. Zij blijft voortbestaan. Nog commentaar? Hetzelfde
kunnen wij vertellen voor elk der verschillende andere factoren, die hier ook mee in het spel
kunnen zijn. Begeerte b.v. Er bestaat bij velen een bezitslust, die positief is. D.w.z. men wenst
een bezit, omdat het gebruik wenselijk is. Omdat het voor het leven op dit moment iets
betekent, maar verlangt de dingen niet om zich zelve. Dit is echter een wensen, dat toegeeft,
een begeren, dat toegeeft aan alle nukken van de persoonlijkheid en een dergelijk begeren is
altijd gericht op de hoogst mogelijke luxe en de hoogst mogelijke bereiking etc.. Begeren kan
zelfs van stoffelijke en z.g. geestelijke aard zijn. Dan kennen wij de normale mens. De normale
mens, die, zoals U gemerkt heeft - ik stel onmiddellijk na het positieve - wenst wel degelijk te
bezitten. Hij wenst te bezitten - hij begeert dus - om de eenvoudige reden, dat dit voor zijn:
bestaan noodzakelijk is. Hij begeert al datgene wat voor hem niet noodzakelijk is, niet.
Daardoor kan hij tegemoet komen aan alle redelijke eisen en wezen van de stof, zonder door
te grote gehechtheid aan de materie anderzijds, zijn geest te ketenen binnen perken, die
nauwer zijn, dan de perken, die voor de geest zelve open liggen. Alweer is het de
positief-negatieve mens, die ons het meest lastig maakt. Hij begeert op het ene ogenblik
ontzettend veel, het andere moment is hij geneigd om alles weg te werpen. Elke keer,
wanneer hij iets wegwerpt, betreurt hij het: elke keer, wanneer hij iets verwerft, hij een zeker
weer degout tegen zichzelf, omdat hij zoveel begeerde. Resultaat strijd in het eigen wezen
vaak tot uiting komend in verschillende neurosen, zenuwoverspanning, lichamelijke kwelling
etc.. Instabiliteit en in sommige gevallen hier bij de negatief-positieve mens, ook uitdrukkelijk
waanzin. De mens kan de wisselingen, die in zijn eigen begeren bestaan, niet meer bijhouden
of verwerken en begint irrationeel nu dit, dan dat te doen. Wanneer dit het geval is, zullen de
erfgenamen zo iemand ongetwijfeld onder curatele laten stellen. Dan hebben wij ook het
negatieve type. Wat zijn de verschijnselen bij deze negatieve mens? Hij wijst alle bezit af. Hij
wenst zo weinig mogelijk te bezitten. Hij is in staat om zelfs het weinige, dat hij voor het leven
nodig heeft, weg te schenken. Het lichaam komt hierdoor dan in slechte conditie. De wereld is
geneigd deze asceten, want dit zijn zij meestal, als wijsgeren of als heiligen te vereren. Toch is
er niets minder waar dan dit: het zijn geen wijzen, het zijn dwazen. Zij erkennen de rechten
der materie niet en richten zich op een ander doel. Voor sommigen is dit geestelijke
bewustwording, bereiking van bepaalde occulte effecten. Voor anderen misschien het dienen
der wetenschap, het geven van onderricht etc.. Zij gaan hierbij echter zover, dat zij zich zelve
hiervoor geheel verwaarlozen. Het resultaat is dan dat de optredende spanningen
voortdurende waanvoorstellingen wekken, waarbij het lichaam om zijn rechten vraagt. Deze
waanbeelden leiden dan tot een vorm van abnormaliteit, waarbij een gefantaseerd leven
leiden, waarin wonderen gebeuren. Dit komt dan in de plaats van de realiteit. Een treurig iets.
Zo'n mens kan niet rationeel reageren. Echter vinden wij niet, zoals bij de angstwaan een zich
dekken achter een andere persoonlijkheid. De gespletenheid van de persoon komt hier niet zo
sterk naar voren, daartegenover echter weer wel het manisch optreden. Gierigheid kan één
van de vormen zijn, waarin de positieve vorm tot uiting komt. Zoals de vrijwillige asceet,
21
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 2 – 24 maart 1955

zwerver en bedelaar, die sterft, omdat hij voor zichzelf geen zorg over heeft, het negatieve
beeld vormt. In beide gevallen is een zuiver geestelijke afwijking mede oorzakelijk.
Onverschillig hoe zij ook leven, kunnen wij over deze mensen het volgende vaststellen: hun
gedachteleven is absoluut niet in orde. Hierin bestaan waanvoorstellingen, die meestal de
werkelijkheid domineren. Deze voorstellingen kunnen lelden tot gebrekkigheid, ziekelijkheid.
Maar in de eerste plaats leiden zij tot een fantasiebestaan, dat wordt aangevuld met het reëel
stoffelijke. Zijn dergelijke mensen voor de wereld niet goed bruikbaar, voor de geest is het nog
een zwaardere slag, want een dergelijk lichaam is op de duur niet meer te hanteren. Ik zal zo
vrij zijn om de andere voorbeelden niet te behandelen. Ik heb er nu twee gegeven. U kunt
ongetwijfeld andere drijfveren in de mens erkennen en even op dezelfde wijze uitwerken. U
komt dan vanzelf tot een beeld waarbij blijkt, dat het volkomen normale zelden voorkomt en
practisch iedereen een verschuiving vertoont, hetzij positief, hetzij meer aan de negatieve
kans. Verschuivingen naar het negatieve zijn over het algemeen overheersend, de negatief -
positieve soort van afwijking is degene, die wij het meeste zien. Een geest, die met een
dergelijk lichaam werkt, ondergaat er de schade van. De schade, die zij ervaart door
onvolledige uiting reflecteert zij in het lichaam, waarbij dan een niet normaal reageren van het
lichaam vaak het gevolg is. Dat lichaam heeft trouwens nog meer van die eigenaardigheden.
Dingen, waar een mens meestal niet eens op let. Uw bloed b.v.. Daar heeft U waarschijnlijk
nog nooit over gedacht als een werkelijk bijzonder vocht. Toch is het een zeer bijzonder vocht.
Het bloed als drager of drager, hoe U dat ook wenst, van een groot aantal stoffen, die voor Uw
leven belangrijk zijn, is in staat onder bepaalde emotionele invloeden giften te produceren, die
sterk vernietigend zijn. Wanneer het aangevallen wordt, zal het een tegengift produceren.
Maar wanneer die aanval van buiten af gebeurt, d.w.z. door voor het weefsel vreemde wezens,
dan zal het weefsel trachten de schade te beperken tot een minimum. Wanneer echter een
aanval uit het wezen zelve voortspruit, ontstaat een vergiftigingsproces, dat niet onmiddellijk
door strijd kan worden opgevangen. Het gehele weefsel werkt maar al te vaak mee. Dergelijke
vergiftigingen treden sneller en meer omvattend op dan iets anders, ofschoon men dit
waarschijnlijk van wetenschappelijke zal betwijfelen: reuma, ook z.g . zenuwreuma komt vaak
op een dergelijke wijze tot stand. Omgekeerd kan het optreden van een bepaalde ziekte een
evenwichtsverstoring in het lichaam betekenen. Er zijn ziekten, die, ook wanneer men er
geheel van geneest, toch altijd een verandering in het wezen zelf veroorzaken. Eén daarvan is
b.v. de malaria. Malaria betekent een verandering van karakter, uiteindelijk ook van denkwijze
voor de lijder. Naarmate het meer en heviger optreedt is de wijziging sneller en scherper. Zijn
deze voorbeelden voldoende of heeft U hierover iets te vragen of op te merken?
Die veranderingen, die bij malaria optreden, zijn die voor- of nadelig? Of is dat ook
afhankelijk van het individu?
Ik zou zeggen, dat zij in het algemeen in het nadeel zijn en wel, omdat voor de malarialijder
de zwakte na de aanval, wat overigens vaak gepaard gaat met een iets scherper worden van
het denken, een scherpere realisatie van eigen persoon en denken met zich brengt. Hierdoor
ontstaat een scherpere kritiek van het "ik". Dit betekent vaak een afstand doen van de vrede
in de mens. Er moet dan vaak lang gezocht worden om een evenwichtsfactor te vinden,
waardoor men weer een evenwicht kan vinden, zij het dan ook een evenwicht, dat verschilt
van de vorige levenshouding. Is dat voldoende?
Nu heb ik gesproken over de geest de vorige keer. Degenen, die daar niet bij waren kunnen
dat nog even na zien. Dit, gepaard met het voorgaande zal U er toe brengen om die geest te
zien als een leidende kracht in de dubbele zin des woords: Zij behoort inderdaad het leven van
de stof te leiden, maar men heeft haar door een te materialistische levenswijze veel van haar
onmiddellijke contact mogelijkheden in het stoffelijk bewustzijnsvlak ontnomen. Daarnaast
heeft men en dat is voor haar al heel erg vervelend, tot slachtoffer gemakt van de menselijke
onharmonische gedachtetoestanden. Iets, waaronder zij ten zeerste lijdt. Een geest, die in een
vergiftigd lichaam leeft, kan over het algemeen, wanneer zij vrijkomt betrekkelijk snel haar
normale status herwinnen. U moet niet denken, dat er krankzinnige geesten bestaan. Dat kan
niet. Maar wat wel blijft bestaan, is een reeks van ervaringen, die, hoe irreëel misschien in het
oog der aardebewoners, toch deel van het ervaringsleven en het bewustzijn der geest
uitmaakt, Hierdoor krijgen wij dan ook een voorstellingsvermogen, dat sterk verschilt van het
normale. Men kan niet zeggen, dat dit altijd voor geest een gunstige waarde betekent. In
22
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 2 – 24 maart 1955

sommige gevallen is die ervaring gewenst. In vele gevallen echter is zij iets verschrikkelijks.
Indien men zelve deze afwijking van het normale heeft veroorzaakt dan voelt men het als een
tekort, dat men niet de normale reacties kan vertonen op bepaalde verschijnselen in de
geestenwereld, in onze sfeer. De geest lijdt en leeft met het lichaam. Wat is voor die geest het
prettigst? In de eerste plaats, dat zij een lichaam heeft, dat tevreden is. Een lichaam dus, dat
aan alle behoeften voldoende tegemoet kan komen om niet te klagen. Begeren zal een lichaam
altijd, hoor. Een lichaam vraagt altijd meer, dan het nodig heeft omdat de mens niet heeft
geleerd om de natuurlijke remmen te gebruiken. Voor het dier ligt de zaak enigszins anders:
daar bestaat een balans, die alleen door een heftig begeren b.v. smaak- of reukprikkel kan
worden verbroken, waardoor een evenwichtsverstoring dan optreedt. Bij de mens echter is die
evenwichtsstoring permanent. Wanneer het lichaam heeft, wat het nodig, heeft, dan komen
daar voor de geest echter nog bepaalde voorwaarden bij te pas: alles moet verkregen zijn op
zo'n wijze, dat ook de geest die procedures kan aanvaarden. Dit laatste is wel zeer belangrijk.
Iemand, die zijn brood verdient - en dat goed verdient - maar daarbij zondigt tegen zijn eigen
opvattingen, zal, omdat hij de dingen slecht vindt, die hij doet, althans ze niet aannemelijk
vind, geestelijk onder deze dingen lijden. Dit lijden van de geest werkt dan vaak weer uit op
het lichaam. Menige kanker, menige aanval van T.B., zowel als ferunculoze, steenpuisten,
negenogen enz. kan uiteindelijk ook worden teruggebracht tot een dergelijke oorzaak. Ook
hier dus weer het abnormale van de geest, dat zich uit in een abnormale toestand van het
lichaam. Het lijkt mij gewenst, dat wij zoveel mogelijk lekentermen blijven gebruiken. Ik zal
dus niet technisch worden, maar toch proberen om een oplossing te geven voor deze
problemen. Wanneer men ze zich tenminste kan realiseren. Dit laatste is wel heel voornaam.
Zelfkennis is het moeilijkste, wat er bestaat. Maar het zal U ongetwijfeld opvallen, dat U een
bepaalde begeerte heeft, of een bepaald verlangen, waartegen zich andere dingen in Uw
bewustzijn of wezen verzetten. Wanneer dat gebeurt, dan moet U zoeken naar een
mogelijkheid, waarbij beide partijen tevreden worden gesteld. Dat is heel erg lastig, want U
wordt dus gevraagd om met een aards bewustzijn de kool en de geit te sparen. Dat valt niet
altijd mee. Laat ons echter onthouden, dat je de kool en de geit wel kunt sparen, wanneer je
de kool op een koolveld zet en de geit een eind verder in de weide. Dan kunnen zij elkaar niet
benaderen. En voor Uzelve zijn beiden vaak toch ook weer een levensnoodzaak. Uw stoffelijk
begeerteleven, Uw wezen, Uw reacties op alle dingen zijn wel degelijk noodzakelijk voor Uw
bewustwording. Aan de andere kant zijn de morele normen die U kent, de intuïtief als goed of
slecht aangevoelde waarden, zeer zeker van even groot belang. Men moet voor een probleem
dus een benadering zoeken, waarbij men aan het één voldoet zonder het andere te schaden.
Dat vraagt vaak menige overweging en ik geef onmiddellijk toe, dat dan de onmiddellijke
voorkeur niet altijd mogelijk is. Ik stel mij voor een geheelonthouder, die ineens staat te
watertanden, omdat hij opeens zin heeft in rumpudding en toch die pudding niet wil genieten,
omdat zij drank bevat. Het zou ongetwijfeld gemakkelijk zijn om te zeggen: Er zit maar zo
weinig in, kerel. Eet het nu maar: Maar juist zou het niet zijn. O, ik geef toe, dat er heel veel
blauwe-knopers zijn, die zich daar geen zorgen over maken. Die zeggen: Pudding is pudding
en drank is drank. Maar dat neemt niet weg, dat het probleem op zou kunnen treden. Nu
bestaat natuurlijk voor deze mens de mogelijkheid om te gaan zeggen: ik neem een ander
soort pudding. Het is ook mogelijk, dat hij zegt: Nu ja, laat ik het voor deze keer dan maar
doen. De enige methode echter, die voor hem geheel aanvaardbaar zal zijn, is het gebruik
maken van een essence, waarin zover ik weet, geen alcohol verwerkt is. Essence, die dan toch
de illusie van rum in de pudding schept. Ik weet niet, of U…. kom, daar bestaat zo'n aardige
uitdrukking voor de fijne nuance hiervan voelt. Die nuancering krijgen wij op praktisch elk
gebied van het leven. Denkt U nu niet, dat ik deze antialcoholist een beetje karikaturaal heb
geschetst. Misschien, dat het op dit gebied zo niet zo vaak voor komt. Maar op andere
gebieden zien wij problemen, die in Uw ogen ongetwijfeld nog veel bespottelijker zijn. B.v.
men is eerlijk tot op de halve cent. Dan komt het belastingbiljet. Een grote verleiding om te
ontduiken. Men ontduikt dan ook meestal, maar niet altijd zonder een zeker schuldgevoel of
een zekere onrust. Dan, mijne vrienden, moet er een middenweg gevonden worden. Juist voor
die problemen moet U een oplossing vinden. Omdat het juist deze kleinigheden vaak zijn, die
Uw evenwicht verstoren. Die komen overal elke dag voor. Al is het maar een mevrouw die wil
vermageren en een koekje ziet, waartegen haar geweten "neen" zegt en haar mond "ja". Daar
moet iets op gevonden worden. Nu kan ik begrijpen, dat zo'n mevrouw zegt: Nu ja,, dat ene
23
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 2 – 24 maart 1955

koekje. Ik neem het maar, en zich daaronder toch schuldig gevoelt. Ik kan mij ook voortellen,
dat zij zegt: Neen, en dan hunkerogend, watertandend de schaal achterna staart, terwijl zij
groot leedwezen gevoelt over elke kruimel, die ter aarde druppelt. Wat zou nu de juiste
oplossing voor mevrouw zijn? Haar dieet zo veel mogelijk zo in te delen, dat zij althans iets
met de anderen kan genieten en dus niet helemaal zonder zit, maar aan de andere kant de te
hoge voedingszwaarden van het koekje, of het te hoge suikergehalte toch vermijdt. Dat is al
een heel eenvoudige oplossing, zo U ziet, en U denkt: och, wat zouden al deze kleine dingen
betekenen? Ik kan U verzekeren, dat veel geestelijk lijden, veel typische kwalen allen uit deze
kleine bouwstenen zijn opgebouwd. U ziet een huis. Dat is uit stenen opgebouwd. U zegt: ik
kan mij dat nog in stenen denken. Maar niet in de korrels zand of klei. Toch zijn het de kleine
deeltjes van klei of zand, waaruit de stenen konden worden gebakken. De stenen, die U bakt
in Uw leven, wanneer U zich niet realiseert: hoe zijn over het algemeen psychische misbaksels,
die het leven van een mens misvormen. Dus in al die kleinigheden niet zonder meer de rechte
lijn trekken. Zo van: nu doe ik dit en nu doe ik dat. Terwijl aan de andere kant er toch wat
leedwezen over het besluit blijft. Probeer een weg te vinden, waarbij en het bewustzijn en ook
het stoffelijk begeren althans enigszins tevreden worden gesteld. U moet zoveel mogelijk de
omstandigheden zo leiden, dat U tevreden kunt zijn. Er is niets voornamer voor U. Voor Uw
fysiek en psychisch welzijn bestaat er geen grotere gave dan de tevredenheid. Een mens, die
tevreden is, zal niet altijd de vroegere kwalen onmiddellijk uit kunnen bannen. Maar hij zal
althans geestelijk en in het gedachteleven een groot aantal van uw fouten kunnen herstellen,
die er bestonden. Het gaat hier niet om de uiterlijke tevredenheid, maar om de innerlijke
tevredenheid. Dus niet á la Couê, jezelf voorpraten: ik ben tevreden, ik ben tevreden, ik ben
tevreden, ik ben tevreden. En nu hoop ik maar dat .... Dat is n.l. vaak de gebruikelijke
methode. Ik heb op aarde heel wat mensen gezien, die steeds maar vertellen: ik heb het zo
goed en ik ben zo dankbaar, dat ik het zo goed heb. Als je dan ging kijken, zat daar achter
verborgen maar al te vaak een grote leegte en een grote ontevredenheid. Praat anderen en U
zelf toch niets voor. Doe dat vooral niet. Maar probeer een middenweg te vinden, dan zult U
zeker langzaam maar onophoudbaar het punt, dat wij normaal noemen, n.l. het harmonisch
zijn, kunnen bereiken. Nu moet ik natuurlijk nog even overgaan naar de geestelijke factoren.
Dat hoort er nu eenmaal ook bij. Wanneer de geest een harmonisch lichaam heeft, d.w.z. een
lichaam, waarin zij zelve de vrede vindt, terwijl ook dit lichaam niet in onvrede verkeert, dan
kan zij met dat lichaam wonderen doen. De vorige maal hebben wij o.a. aangestipt, hoe je
daardoor zo oud zoudt kunnen worden als Methusalem. Wij hebben er over gesproken, hoe
een gezonde geest in een gezond lichaam zal huizen. Ik wil dit vandaag wat meer geestelijk
stellen. De geest leeft in een wereld, waar alle voorstellingsvermogen afhankelijk is van het
eigen denken. In de geest kunt U zich alleen maar iets voorstellen, dat in uw eigen ervaringen
ligt. Wanneer er buiten U iets bestaat bent U het, die er vorm aan geeft en die het erkennen
moet. Dit kan alleen gebeuren krachtens Uw innerlijk wezen en bewustzijn. Ik hoop, dat dit
bekende materie is, zodat ik daarover niet verder behoef uit te wijden. Laat ons nu eens
aannemen, vrienden, dat Uw geest ontevreden is. Dan heeft zij een aantal voorstellingen, die
niet mooi zijn. Ontevredenheid betekent n.l. het zien van tekorten. Het zien van tekorten
betekent vaak pogen om andere vorm te geven aan de dingen en de wereld rond U. Een
dergelijke geest ziet nooit de volle schoonheid van haar omgeving en zal aan vele op zich
onschuldige dingen een demonisch karakter kunnen geven. Die geest maakt dat ook door,
terwijl U nog leeft. Die geest zal dus door de ontevredenheid, die U in U zelve geschapen hebt,
ook in haar geestelijk beleven ongezond zijn. Vooral op Uw nachtrust kan dit van zeer groot
belang en invloed zin. Die geest leeft dan in een wereld waarin voortdurend verschrikkingen
voor komen. De geest wordt bang voor het leven. Zij wordt zo bang, dat zij het zou willen
verwerpen. Dat betekent niet alleen, dat haar werk om het lichaam in de juiste vorm in stand
te houden steeds vermindert, maar ook dat zij in zich zelve langzaam maar zeker het duister
gaat zoeken, in plaats van het licht. Wat zou de meest juiste uitdrukking zijn, die wij kunnen
geven voor het demonische? Heeft U daar enige idee van? Dan zal ik het U zeggen: het
demonische is de onvrede, die zich naar buiten uit, omdat zij haar innerlijk tot een hel heeft
gemaakt. Zij is het niet aanvaarden der dingen, het verwerpen. Voor men het weet wordt zo'n
geest soms tot een demon. Maar een demon, die geen slachtoffers vindt en zich toch op het
leven wil wreken. Een demon, die tracht zichzelve te vernietigen en zich zelve eeuwig en
onvernietigbaar, daardoor steeds weer moet pijnigen. Uw leven van het ogenblik bepaalt heus
24
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 2 – 24 maart 1955

niet, of je alleen maar in de hel of in de hemel komt. Het betekent, dat U nu al in de hemel of
in de hel leeft. De werkingen van stof en geest betekenen voor de geest ook nu reeds helse
kwelling en hemelse vreugden. U kunt daar lichamelijk slechts ten dele van genieten, want:
leeft Uw geest ook in de hel, U heeft altijd weer de stoffelijke vlucht in de dingen en U kunt in
de uiting in en het u wreken op de gereld rond U vaak dan nog menige verlichting bereiken.
Omgekeerd: Wanneer U reeds een hemelse vreugde kent in Uw feestelijk besef en bestaan,
dan is er altijd weer de onvolmaaktheid van de dingen rond U, die U van het al te volmaakte
terug houdt. U blijft altijd een middending, zolang U leeft in de stof. Maar op het moment, dat
die stof wegvalt, zit U in het uiterste, dat U Uzelf geschapen hebt. Dat kunt U zich ook wel
realiseren? De geest, die in de stof door de hel gaat, terwijl zij nog een stoflichaam heeft, kan,
wanneer zij zich realiseert waarom, dit veranderen en verbeteren. Vaak is een moment van
bewustwording genoeg om de hele instelling te doen veranderen. Dat kan heel vlug gaan,
omdat de geest niet de traagheidsverschijnselen kent, die aan de stof inherent zijn, terwijl zij
veel minder lijdt onder gewoontevorming dan een lichaam. Maar wel is het nodig, dat U tot dat
bewustzijn komt, terwijl U op aarde leeft. Het zou dus doelmatig zijn, wanneer U na, dit
gehoord te hebben, wat naar onze ervaringen volledig juist is, probeert om voor U zelve te
ontdekken, hoe U geestelijk eigenlijk leeft. Leeft U in de hel? Of leeft U in de hemel geestelijk?
Is Uw wereld er één van verwrongen spookgestalten, of is Uw wereld er een van vrede. Een
lichtende kracht? Probeer het maar eens na te gaan. Wanneer U merkt, dat het donkere
demonische, de waan, de nachtmerrie U voortdurend beheersen, dan is er iets niet in orde.
Wanneer er een andere mens is, waar dit het geval is, dan kunt U er zeker van zijn, dat het
ook bij dié mens niet in orde is. En dan kunt U het probleem niet altijd benaderen op de meest
technisch juiste wijze. U moet proberen te vinden, waar de fout schuilt, ook bij die andere en
dan trachten het tekort aan te vullen, dat is vaak zo moeilijk. Heel moeilijk, om dat tekort aan
te vullen. Op die wijze dan schept U voor Uzelf vrede en al hetgeen, wat U bij een ander
geneest, lijkt U misschien vreemd, geneest U ook bij Uzelf. Wanneer U tracht die ander te
genezen en die niet genezen kunt, dat is een last op Uzelf, houdt U daar rekening mee. De
menselijke psyche is niet de afgesloten eenheid, waarin men haar graag ziet. Zij is één deel
van één groot geheel, en naarmate dat contact met haar inniger wordt, zal zij de ervaringen
en de problemen van dat geheel sterker delen. Mijne vrienden, ik zal niet lang meer voort
blijven spreken hierover, maar ik zou U willen verzoeken, dringend willen verzoeken, dit goed
te onthouden. U bent geen eenheid. Er zijn in de geest en zelfs in de stof duizenden voelers,
die U voortdurend beroeren, die U voortdurend beïnvloeden, zoals gij ook tegelijktijdig anderen
beïnvloedt. Gij kunt vrede genieten, wanneer gij vrede geeft, maar nooit door iets van anderen
te nemen, want al hetgeen, wat gij buiten U uitwerpt, haar gedachte en daden, keert
onvermijdelijk tot U terug. Het kan zijn, dat het in psychische invloeden, zijn gedachte en
complexen tot U terug keert. Het kan ook stoffelijk, in materieel en daden, U aangedaan b.v.,
terugkeert, maar terugkeren doet het. En het is misschien nog beter, wanneer de reactie
stoffelijk komt, dan wanneer zij in U komt. Wanneer iemand voor U een voortdurend verwijt
gaat betekenen: omdat gij hem onrecht hebt gedaan, wanneer datgene, waarvoor u zoveel
voor hebt opgeofferd, U nu niet meer waard is, omdat Uw innerlijk wezen zegt: ik heb schuld.
Probeer eerst jezelve te regeren. Natuurlijk. Probeer voor alles voor jezelf een gemiddelde te
vinden van handelen en van denken, waarbij je vrede kunt hebben. Maar vergeet niet, dat je
dat aan de wereld moet geven, wil je werkelijk resultaat bereiken. Ik geloof, dat wij het daar
mee wel kunnen doen voor vandaag, vrienden, wanneer U over hetgeen wij de vorige maal
besproken hebben, of hetgeen heden besproken hebben, nog commentaar heeft kunt U dat de
volgende keer voorleggen. U kunt thans eerst gaan pauzeren en daarna voortgaan met de
tweede spreker. Goeden avond, vrienden.
Na de pauze:
Henri besluit zijn betoog met: En nu ik toch eens eventjes ouderwets losgebrand ben, zou ik
eigenlijk met een dichterlijke uiting willen afsluiten. Hebben jullie er wat op tegen? (Neen). Nu
goed.
PSYCHE
Wonderlijk labyrinth van vreemd gevlochten gangen, waarin de mensen gaan.

25
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 2 – 24 maart 1955

De moedigen, de bangen, de angstigen, de vrezenden, de studerenden, de lezenden, allen
door elkaar.
Ieder zoekt een uitweg, haast niemand speelt het klaar, want de vrezenden, die vrezen te
veel,
De lezenden, die lezen te veel,
En ieder denkt te veel aan zijn eigen deel, te weinig aan het geheel.
De menselijke psyche is deel van een werk, dat betekent de enige ware Kerk,
Het Goddelijk Bestel, De Kosmos, het Al, en wie voor zichzelve erkennen zal deel te zijn van al
wat is, die voelt niet meer het zwaar gemis.
Van persoonlijke gewichtigheid.
Van aandeel in de levensstrijd.
Van rust, van vrede, rijkdom, lach.
Die hoeft niet te vragen, of iets nu wel mag.
Die hoeft niet te vrezen, dat iets gebeurt, want de Goddelijke Kracht is nog nooit gescheurd.
De Geest Gods is nog nooit gestorven en van het Goddelijke werk is er nog nooit wat
bedorven.
De psyche, die deel is van het geheel en dat weet, is niet slechts wat geest en wat stof, maar
meer: Zij is een deel van de Goddelijke Wet
En voor heel de mensheid een leer.
En wanneer zij dan eindelijk zichzelve vergeet, is zij door de psyche gered,
Omdat zij leeft naar de kracht, die haar werkelijk regeert,
De werkelijke Goddelijke Wet.
Het is niet zó spits als jullie misschien verwacht hadden, maar ik meer wel de aandacht waard.
Buitengewoon goed, hoor. En nu het Schone Woord, hé? Het is altijd weer jammer, hé,
wanneer je eens een keer zo'n uitbarsting hebt, moet je direct het woord geven aan de
concurrentie, maar ja ík ben van de Verdraagzamen en nu, Goeden avond.
Goeden avond, wij zullen dan deze bijeenkomst gaan besluiten met het Schone woord.
Aangezien mijn kleine vriend dichterlijk is geweest, wil ik deze vorm van te voren uitsluiten.
Dan zou ik dus willen voorstellen om als laatste woord een kleine meditatie te spreken. Het
onderwerp daarvan laat ik aan Uw eigen keuze over. Wat zal het zijn?
Verwachting. (Het ideaal)
Eén onderwerp is genoeg. Ofschoon. de verwachting gebaseerd is op een ideaal, laat in je
zelve woont, of op een vrees, die woont evenzeer in jezelve.

DE VERWACHTING
Ik weet, dat een wonder zal gaan gebeuren. Waarom ik dat weet, weet ik niet. Maar ik voel in
mijn hele wezen, dit kan niet verder voortbestaan. Er moet ergens iets zijn, er moet iets
gebeuren, er moet een poort open gaan, waardoor ik het leven binnen kan treden. Ik ben vol
verwachting, want zonder dat ik het weet, heb ik heden afgelezen, dat er iets komen zal, iets,
wat ik misschien moet vrezen, wat ik toch zo gaarne, als werkelijkheid voor mij zou zien.
Verwachting is uiteindelijk een vreemde mengeling van vrees en hoop. In jezelve is een beeld
getekend en je weet, dat het beeld onjuist is. Een ideaal, zoals u dat ongetwijfeld zoudt
noemen. Je voelt, dat er dingen zijn, die waar moeten worden, er moet iets zijn. En hoe je ook
zoekt, in alle bewustzijn, in alle feiten, je kunt het niet vatten. O zeker, je hebt misschien voor
wat er gaat gebeuren een naam. Maar achter die naam verbergt zich het spel van hoop en
vrees. Een mens verwacht eigenlijk altijd iets. Een geest verwacht iets. Soms verwacht je de
wonderlijkste dingen en er komt alleen maar een stilte. En in je teleurstelling begrijp je niet,

26
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 2 – 24 maart 1955

dat in die stilte juist hetgeen is, waarop je zolang hebt gewacht, datgene, waarnaar je hele
wezen naar is uitgegaan. Want aan verwachting, is niet slechts vrees, maar ook een droom
aan verbonden. Beeld van iets, dat komen gaat. Een schets, waarin jezelf met vage lijnen iets
hebt aangeduid, dat zo dadelijk naar je idee in volle kleuren naar voren zal springen.
Verwachting, die niet altijd zo uitkomt. Vaak zeg je: ik ben in mijn verwachting beschaamd. Ik
heb iets meer gedacht te zien, ik had gedacht, dat het zo en zo zou zijn .... Maar het is niet zo.
Een mens, die iets verwacht, een geest, die iets verwacht tekent altijd de beelden der
toekomst met de kleuren van het heden. Vaag en nevelig en toch reeds bepaalde
vooropgezette meningen. En daarom wordt de verwachting zo vaak beschaamd. Maar wat
moeten wij dan verwachten? Wat is dan die stille verwachting in ons? Er moet een reden voor
zijn. Die verwachting is zeker niet de zon, die morgen schijnt, of het leven, dat zo dadelijk zo
vrolijk zal worden, of die avond van gezelligheid en dans, of die stilte van begeestering, van
geestelijke waarheid, al die dingen. Neen. Het is de vorm, die wij eraan geven. Maar eigenlijk
is al onze verwachting niets anders dan een zekerheid, dat wij intenser zullen leven en
bestaan, dan nu mogelijk is, dat de wereld groter zou zijn, het leven schoner. En dat is iets,
wat altijd gebeurt. De verwachting is niet iets, wat werkelijk beschaamd wordt. Maar wij zijn
als kinderen ongeduldig, omdat onze zoete dromen ook maar meteen werkelijkheid moeten
worden, anders dan duurt het te lang. Ja, maar dat, wat wij verwachten, dat komt. Achter alle
beelden, die wij onszelf getekend hebben al onze verwachtingen, staat toch een werkelijkheid.
Wij zijn geboren uit het Goddelijke Licht. Wij leven uit het Goddelijk Licht. Dan moet het toch
eens zover komen, dat wij dat Licht zien. Dan zijn al onze verwachtingen vervuld en meer dan
dat. Wij weten het en wij tekenen het onszelve voor in schone kleuren, wanneer wij luisteren
naar ons gemoed. Alleen is er dan geen bede, maar een ongeduld: een ongeduld, totdat onze
verwachtingen vervuld zullen worden. Tot eindelijk onze verwachting vervangen zal worden
door een zekerheid en een bezit. Wanneer dat zijn zal, kan niemand U zeggen. Ik weet alleen
maar, dat, of het lang duurt, of kort duurt, er in het Al geen verwachting werkelijk beschaamd
wordt. Dat de waarde, die je achter de beelden zoekt groter en hoger is. Het einddoel, waar
wij allen heen streven.
Misschien is dit niet erg logisch voor U. Maar toch..... verwachten wij niet allen veel? Begrip en
bewustzijn en waarheid?
Licht en kracht en vermogen? Welnu, omdat wij het verwachten, moet het gebeuren. Misschien
niet, zoals wij het nu zien. Maar schoner en beter, met een diepere, en grotere werkelijkheid.
De verwachtingen van nu zijn gelijktijdig de schaduw, die onze voleinding reeds werpt in ons
huidig bestaan. Ik dank U voor Uw aandacht. Goeden avond.

27
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

LES 3 - DE MENSELIJKE PSYCHE

28 April 1955
Goeden avond, vrienden,
Wij zullen vanavond de vrijheid nemen het programma iets te bekorten om geen al te grote
oververmoeidheid te veroorzaken. Ik meen echter dat dit voor U geen schade betekenen zal. U
heeft van de vorige malen behandelde materie kennis kunnen nemen: Heeft U hierover nog
vragen te stellen?
Ja. Ik heb gelezen in het begin, dat de invloed van het lichaam doorwerkt op de geest, dat
karakter veranderingen etc. op deze wijze tot stand koren. Maar later wordt er verklaard,
dat vele ziekten, zoals T.B. kunnen ontstaan, doordat er iets met de geest niet in orde is.
Het eigenaardige bij U mensen is over het algemeen, dat U, ofwel het lichaam, of wel de geest
als dominerende factor wilt zien. Waarom kunnen de mensen toch niet begrijpen, dat geest en
stof twee gelijkwaardige factoren zijn, die elk voor zich een verschillende ontwikkeling hebben
doorgemaakt, die samenkomende, tesamen de mens vormen en ten opzichte van elkaar: wat
welzijn en bewustzijn betreft, een voortdurende invloed uitoefenen, zodat de geest het
lichaam, maar ook het lichaam de geest beïnvloed. Dit is toch heel eenvoudig, nietwaar?
Maar men zegt toch altijd: doordat er iets met de geest niet in orde is, wordt het lichaam
ziek.
Maar wij kunnen dat ook omdraaien: wanneer er iets met het lichaam niet in orde is, kan ook
de geest daarvan ziek worden. Alleen één ding: de geest heeft een veel groter kernvermogen
plus een veel groter eigen vitaliteit dan het lichaam. Wanneer de geest zich dus berust is van
het lichaam, kan zij door haar invloed in het lichaam over het algemeen veel herstellen. Dit
voordat een definitieve schade, ook voor de geest zelve, ontstaat. Overigens gebruikt U
karakterwijziging in Uw voorbeeld. Mag ik U erop wijzen, dat het karakter voor een heel
behoorlijk percentage bepaald gordt door zuiver stoffelijke eigenschappen en factoren?
Dus het bewustzijn wordt niet bepaald voor de geest door het karakter?
Neen, of zoudt U soms willen zeggen, dat het voor Uw persoonlijkheid een verschil uitmaakt,
of U rijdt op een fiets, in een Ford, in een Buick, of in een Cadillac? Maakt dat verschil uit?
(Neen). Neen, nietwaar? U blijft U zelve gelijk. Alleen naar buiten toe zal de verschijning en de
prestatie een aanmerkelijk verschil uitmaken. De mensen geloven allemaal graag, dat het
lichaam het voertuig van de geest is. Dan zijn het dus de eigenschappen van het voertuig, die
het uiterlijk beeld plus de maximum prestatie bepalen. Maar het is de bestuurder, die door zijn
handigheid wel of niet een goed gebruik maakt van hetgeen hem ter beschikking staat en wel
of niet brokken maakt. In wezen dus heel eenvoudig, wanneer U het eens wat meer plastisch
voor durft te stellen. Nog meer commentaar?
Dan zou ik, voordat wij tot de eigenschappen van de geest overgaan, willen spreken over de
DE INVLOED VAN DE ANGST OP DE MENSELIJKE PSYCHE. En over het zeer grote deel,
dat de angst in de menselijke bewustwording heeft. Ik voel hier onmiddellijk iemand denken:
O. ja, de psychologie van de angst. Zeker zullen wij ook bepaalde dier gegevens naar voren
moeten brengen. Wij hebben gesproken over het begeren. Wij hebben gesproken over het
schuldgevoel. Wij hebben het gehad over goed en kwaad en wij hebben getracht aan te tonen,
dat al deze factoren mede bestemmend zijn voor het welzijn van de mens, voor zijn
harmonisch bestaan en ook voor zijn geestelijk welzijn.
Wij hebben echter een factor nog lang niet voldoende besproken: de angst. De angst, mijne
vrienden, is iets, dat U veel meer beheerst dan U zichzelve op aarde ooit zult kunnen
realiseren. Waar moeten wij de kern van de angst zoeken? Ik geloof dat wij dit het best
aanduiden, wanneer wij zeggen: elke angst is de uiting van een begrip, dat eigen
onvolkomenheid erkent. Wanneer men dus denkt - het behoeft niet eens waar te zijn - dat

28
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

men het leven aan kan, dan zal de angst niet in verschijning treden. Welk resultaat belooft die
afwezigheid der angst? Op het moment, dat zij niet meer bestaat, zal de mens geheel volgens
zijn eigen inzichten, zijn eigen bewustzijn gaan handelen. Hij zal niet bevreesd zijn om kennis
te nemen van nieuwe dingen. Hij zal niets verwerpen, maar over het algemeen al evenmin
alles aanvaarden. De mens, die niet bang is voor de dood, die kan men niet kwellen met de
dood. Hij zal zich door het verschijnsel "dood" als factor in de één of andere proef niet af laten
schrikken. De mens, die niet bang is voor honger, omdat hij overtuigd is, dat hij wel altijd
voldoende voedsel om te leven zal hebben, zal zeer zeker nooit gekweld worden door de
zorgelijkheden, die veel mensen na de oorlog nog lange tijd hadden, als het bevragen van
korstjes brood e.d.. De zorgvuldigheid met het voedsel was een resultaat van de angst voor
het gebrek. De politiek, de sociale aspecten der samenleving, ja, zelfs een groot deel der
godsdienstige gevoelens zijn op dezelfde drijfveren gebaseerd. Op de vrees, die de mens heeft
voor zekere dingen in zijn leven, of bepaalde onbestemde waarden, waarvan hij aanneemt, dat
zij wel eens zouden kunnen bestaan. Het blijkt ons echter, dat een groot gedeelte van de
angsten, die in de mens leven, niet gebaseerd zijn op reële waarden. Zij spruiten uit het
minderwaardigheidsbesef, dat in het eigen "ik" leeft. Daar hebben wij dan het punt, van
waaruit wij dit betoog op moeten gaan bouwen. Het onvolwaardigheidsbesef, waar komt dat
vandaan? Zeker, nu kunt U gaan praten over libido en andere invloeden. maar
onvolwaardigheidsbesef betekent eigenlijk niets anders dan een te grote afhankelijkheid van
de omgeving. Dit kan natuurlijk stoffelijk veroorzaakt worden, maar het kan ook geestelijk
aanwezig zijn. Wij vinden dat onvolwaardigheidsgevoelens worden veroorzaakt door gebrek.
Het gebrek schept gedachte. Deze geven weer aanleiding tot het ontstaan van de angst. De
angst is aanleiding tot het stellen van irrationele handelingen. Deze geven geboorte aan
schuldgevoelens. Deze betekenen een realisatie van eigen minderwaardigheid en daar begint
dan het gehele proces weer op niet zichzelf versterkend ad infinitum. Dat is niet aanvaardbaar
natuurlijk. Wanneer een mens dit in zichzelve doormaakt, dan is het redelijk om langs de
suggestieve weg te trachten hier enige verbetering in teweeg te brengen. Maar waar komt die
angst dan vandaan? Is dit minderwaardigheidsbesef zuiver gebaseerd op lichamelijke
oorzerken? Of is het mogelijk, dat de geest hierbij een grote invloed heeft en als zodanig een
lichamelijk niet bestembare factor van bevreesdheid en angst, bleuheid etc. in de lichamelijke
bewustzijnsnormen invlecht en iedereen met de handen in het haar laat zitten? Ik meen, dat
wij deze laatste vraag moeten bevestigen. Wij hebben reeds gesproken - zij het enigszins
oppervlakkig - over het samenspel der waarden in de psyche. Daarbij hebben wij reeds
genoemd, ofschoon de eigenschappen ervan niet werden besproken, de geest zelve. De geest
bestaat uit een weten, dat van andere geaardheid is dan het stoffelijke, wanneer zo'n geest in
een lichaam terecht komt, waarin deze geest zich niet thuis voelt, omdat geen der in de geest
aanwezige begrippen in voldoende mate in het lichaam vertegenwoordigd zijn om daardoor
een innerlijk contact te maken, dan zal de geest zich ongeveer gevoelen als een kind, dat in
een volksmassa verloren is gegaan en angst heeft, omdat de ouders weg zijn. De angst van
het onbegrip is resultaat van het niet harmonieus leven. Hebben wij dit begrepen, dan
begrijpen wij ook, dat die geest zich nooit positief zal kunnen uiten of doen gelden. Zij wordt
door het lichaam geleefd en door de reacties van het lichaam maar heeft hiermee geen vrede
resultaat: een innerlijk verzet hiertegen, waardoor een geestelijke veroordeling van de stof
ontstaat, zonder dat stoffelijk of geestelijk bewustzijn geheel in staat zijn om het probleem te
overzien en zo op te gaan lossen. Deze oorzaak komt meer voor dan U denkt. Zeer veel van de
psychologische problemen, die op de wereld voorkomen, kunt U als kern vinden in het geschil
tussen geestelijk en stoffelijk leven, waarbij de geest de stoffelijke wegen niet aanvaardt en de
stof de geestelijke normen verwerpt. Dan hebben wij verder te maken met het
onderbewustzijn. Nu wil ik ten opzichte van de angst ook hier even op een eigenaardig
verschijnsel wijzen. Er bestaat in de mens bewust meestal een sterkere herinnering voor het
aangename. Onderbewust echter voor het onaangename. Dit is begrijpelijk. Al hetgeen voor
de mens aangenaam is, is voor hem waardevol. Als resultaat zal hij deze schat koesteren en
steeds bij zich trachten te houden. Dus ook het in zijn bewustzijn zo veel en lang mogelijk
mede voeren. Al hetgeen hem onaangenaam is, zal hij trachten uit het bewustzijn weg te
vagen. Hij kan de herinnering dan wel uit het directe bewustzijn verdringen, maar kan niet
deze herinnering ook uit het onbewuste keven bannen. Hij heeft nu ook hieraan geen bewuste
referentie mogelijkheid meer. Hij kan dit niet meer aanschouwen. Als resultaat kan de
29
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

belangrijkheid van een op zich onaanzienlijke factor zo al beheersend morden, dat zij elke
onaangenaamheid terug voert op hetzelfde principe. Dat wordt dan gevaarlijk.
Dan krijgt U de levensangsten, die gebaseerd zijn op simpele dingen, als een vader, die het
jongentje eens in zijn drift een klap gaf. Nu ben ik heus geen voorstander van een slagvrije
opvoeding. Ik houd ook niet van opvoeders, die voortdurend een slag om de arm houden,
maar ik meen, dat enige vrije armslag hen toch altijd moet worden toegelaten. Toch kan onder
omstandigheden een klap, die op zich eigenlijk niets betekent, zeer grote schade aanrichten op
de volgende manier: Het kind is zeer aan de ouders gehecht. Het kind doet alles om zijn eigen
aanzien bij die ouders te verhogen. Een bekende kinderlijke eigenschap. De slag komt op een
moment, dat hij niet verwacht werd en niet verdiend was. Zij wordt door de ouders verder als
een normaal iets geaccepteerd. Op dit moment wordt die slag een soort ontzetting. De ouders
met hun normaal verder gaan, brengt het kind er al heel snel toe om dan maar net te doen,
alsof de slag niet gevallen is. Verdringing. Maar zelfs indien het kind voortaan zijn best doet,
zal er de onbewuste onzekerheid zijn: Is het wel goed, wat ik doe en zou ik misschien niet
onrechtvaardig een klap weer krijgen? Een zeer simpel geval. U zult wel begrijpen, dat wij dit
alleen als een zeer vereenvoudigd voorbeeld hier kunnen gebruiken. Wanneer deze mens
groter wordt, zal de gewoonte steeds weer te refereren aan dit onaangenaam gebeuren steeds
toenemen in het onderbewustzijn. Bewust zal de mens zich niets eens meer kunnen
herinneren waarschijnlijk, dat hij ooit die klap gehad heeft. Wil men dat terugvinden, dan moet
er heel lang en heel erg voorzichtig worden gezocht. Nu komt deze mens in een wereld te
staan, die hij onbewust wantrouwt. De wereld is niet zijn meerdere, zoals zijn ouders. Die
wereld blijkt ook niet iets, waarvan je nog bescherming kunt verwachten, of waar je
genegenheid voor hebt. De bedreiging van het onrecht echter blijft bestaan. Resultaat: een
voortdurende achterdocht, een voortdurende wijfeling, waarbij kleine problemen tot obsessies
worden en redelijk steeds weer verdrongen worden. Daarmede wordt het oorspronkelijk
probleem steeds weer vergroot. Op de duur leeft in een dergelijke mens een angst voor het
leven en de wereld, omdat de hele wereld die mens een poel van onrechtvaardigheid toe
schijnt. Hij vreest zich zelve te vernederen, wanneer hij goed is. Hij vreest bovendien, dat die
wereld zich op hem zal wreken, wanneer hij werkelijk slecht is. De achterdocht en de angst
werken in de persoonlijkheid als een opeenhoping van problemen, die binnen de "ik"heid
moeten worden verwerkt. Er worden slinkse wegen gezocht om datgene te verwerven, wat
men meent op een andere wijze niet te kunnen verkrijgen. Komt de wereld en zegt: "Ik wil U
helpen", dan wordt die hulp niet als oprecht gemeend aanvaard. Vertrouwen is er niet. Die
wereld zou hiermede de enige reden, waarom men U wat beter en rechtvaardiger zou moeten
behandelen, van U weg willen nemen. Zoudt U dat tolereren? Ik hoop niet, dat U mij kwalijk
neemt, dat ik het volgende onderwerp ter sprake breng, maar ik meen juist zo de werking der
angsten nog verder te kunnen accentueren: Er zijn vrouwen, die er zich van bewust zijn, dat
zij tegenover hun echtgenoten te kort schieten. Zij zijn ervan overtuigd, dat, wanneer zij maar
een paar kinderen zouden hebben, dezen voor de man wel een binding zouden zijn. Zij kunnen
er zich echter niet toe brengen om de gunst van de man te blijven werven. U kunt ervan
verzekerd zijn, dat een dergelijke vrouw een kwaal heeft, die zij nog zorgvuldiger vertroetelt,
dan zij een kind zou doen. Die zij beschouwt als een soort van recht op de man, waardoor haar
angst althans enigszins wordt weggenomen. Maar gelijktijdig komt daarbij de nieuwe angst,
dat zij ontdekt zal worden. Diep in zichzelf weet zij heel goed, dat zij overdrijft of komedie
speelt. De vrees vergroot zich. De koraal verergert. Wanneer er nu een geest leeft in een
lichaam, dat om zuiver stoffelijke beweegredenen in een dergelijke angst leeft, wat zullen dan
de consequenties zijn? Geen enkele realisatie of beleving in de wereld is op de juiste wijze
geschiedt. Het is de geest niet mogelijk enigerlei juiste conclusie te trekken. Alle sentimenten
werden gedreven door deze angst volkomen egocentrisch en gelijktijdig volkomen irreëel. Van
realiteit is geen sprake. De gevoelens zijn allen kunstmatig. Het is of je iemand zaagsel geeft
in plaats van brood. Hij kan er misschien wel van leven, maar heel moeilijk. Wat doet de angst
verder? Zij geeft aanleiding tot het zoeken naar steun. Men zoekt een verzekering te sluiten
tegen de angst, die men in zich gevoelt. Deze angst kan echter niet alleen gebaseerd zijn op
het goede, want het goede zou niet. Alleen de angst weg nemen, maar tegelijk ook de
verschijnselen, die, zo spiegelt de angst voor, het enig mogelijk verweer zijn angst tegen,
onrecht en al wat dies meer zij. Een dergelijk geval zien wij b.v. als abnormale uitspattingen

30
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

als duivelsaanbidding. Wij zien demonenverering, zwarte magie e.d. naar voren komen. Dit is
verschrikkelijk én voor lichaam én voor geest, omdat in een dergelijke wereldwaan, elk gevoel
voor de normale stoffelijke verhouding, die zo belangrijk is voor geest en stof samen, teloor
gaan. De angst drijft de mens tot alle dingen, die hij niet doen wil. Is het anders te verklaren,
dat - laten wij nu eens naar een dier toe gaan - één hond, die eigenlijk de vriendschap van de
mens verlangt en diens tederheid, de mens bijt. Zet U dat nu eens in het groot. Dat een volk,
dat innig verlangt naar vriendschap en vrede een ander volk aanvalt, omdat het bang is, dat
het anders dát volk wel eens aan zou kunnen vallen. Past U dit toe op de gehele wereld, dan
liggen al Uw sociale en politieke problemen voor U, tesamen met zeer veel van de
eigenaardige geestelijke problemen, als religie en dergelijke. De basis van dit alles is angst,
mijne vrienden. Bent U er wel zeker van dat Uw belangstelling voor deze dingen ook niet voor
een deel te wijten is aan een verborgen angst? Al Uw irrationaliteit, als U onbegrip, al Uw
fouten maken is het resultaat van de angst. U kunt misschien een enkele keer, een enkele
keer zeg ik door die angst gedreven prestaties leveren, die ver Uw normaalheid te boven gaan.
Inderdaad: Overprestatie tot 100%, misschien 200% door de invloed van de angst. Maar
negen van de tien keer, dat die prestatie wordt geleverd, was het hele probleem onnodig en
dus ook de prestatie. Er waren andere en betere wegen beschikbaar geweest, die lichamelijk
én geestelijk veel minder zouden kosten. Daar heeft U mijn betoog tegen de angst. Nu wordt
het de grote vraag, hoe kun je de angst voor jezelf uitroeien? Heb je reden om bang te zijn?
Waar bent U bang voor? Voor de onverantwoordelijkheid van anderen? Dat denkt U nu, maar
is het eigenlijk niet voor de consequenties, die het voor U persoonlijk zou hebben? Is dat niet
hetgeen, wat U werkelijk vreest? U bent bang, zegt U, dat er weer zoveel mensen zullen
moeten lijden. Bent U in werkelijkheid niet bang, omdat het U persoonlijk zou kunnen treffen?
Kernpunt van de vraag. Nu gaan wij weer naar het stoffelijke terug. Kernpunt van de vraag is
het gehele voorstellingsvermogen, dat in de stof mogelijk is. In de stof is alles gecentreerd op
het "ik". En dat "ik" moet ten opzichte van de wereld, ten koste van alles behoed en zo
mogelijk zelfs bevoordeeld worden. Verwonder het U, dat onder dergelijke omstandigheden,
kostbare gaven, die elke mens heeft, teloor gaan? Verbaast het U dan, dat gedreven door deze
verschrikkelijke egoïstische inslag de mens komt tot volkomen foutieve begrippen en
daarmede volkomen foutieve gedachtegang? O zeker, de doorsneemens zal dit niet gaarne
erkennen. Men zegt: Ik probeer toch altruïst te zijn. Misschien…. Maar ik meen, dat wij zelfs
dán de beweegredenen tot het "ik" terug kunnen brengen. Waarom is het "ik" dan zo
belangrijk in het hele voorstellingsleven en waarom is de totale drijfveer der angst gebaseerd
op die "ik"heid? De stof heeft zijn eigenschappen. Eén ervan is: dat die stof vreest - zuiver
stoffelijk dus - reageert op en zich verzet tegen al datgene, wat voor haar vernietiging zou
kunnen betekenen. Zij wil zichzelve handhaven in de positie waar zij op het ogenblik in
verkeert en waarin zij zich prettig gevoelt. De stof moet zichzelf wel handhaven. Er moet een
drang zijn tot zelfhandhaving, want anders zou de mensheid ten onder gaan. Het is dus
begrijpelijk, dat de stof voor haar behoud voortdurend het wereldbeeld in zichzelve moet
centreren en de wereld moet zien als iets, wat draait om haar eigen wezen. Wanneer zij dit
stoffelijk moet zien echter, mogen wij niet vergeten - dat zal aan sommigen Uwer wel bekend
zijn - dat zij geestelijk precies de tegenover gestelde behoefte heeft. De geest ziet zichzelve
als het brandpunt, waarin alle krachten der aarde samenkomen. Het is dus heel egocentrisch,
maar niet zozeer egoïstisch. Het streeft niet naar zichzelve toe, maar het wil zichzelve in de
gehele wereld uiten en deze uiting van de wereld in zichzelve verwerken, om daardoor tot
eenheid met die wereld te komen. Het lichaam heeft een behoudende drang, de geest eigenlijk
een zelfvernietigende. Zelfvernietigend in die zin, dat zij voortdurend geneigd is een deel van
haar eigen wezen terzijde te stellen, indien daarvoor grotere waarden kunnen worden
gewonnen uit de omgeving en deze als deel van het "ik" dan ook tevens kunnen worden
opgenomen. Deze tegenstelling moet zich natuurlijk afspelen op bepaalde bewustzijnsvlakken,
die bij de doorsneemens zeker net tot het bewuste behoren. In het eigenlijke onderbewustzijn
zullen wij dit niet zo vaak vinden. Het eigenlijke onderbewustzijn behoort nog - herinnert U
zich dat vooral - tot de lichamelijke functies. Het behoort tot de hersenen. Zeker, er spelen
factoren in mee die door de rede en het bewustzijn niet erkend worden en niet behoren tot het
onderbewustzijn zelve. Ofschoon men in de terminologie dit meestal er mede onder begrijpt.
Het eigenlijke onderbewustzijn, het herinneringsvermogen, is stoffelijk. Het is zo stoffelijk, dat
het door organische gebeurtenissen, herinneringen der vorige geslachten kan behouden,
31
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

terwijl geestelijk geen enkel aandeel werd gnomen aan het totaal der handelingen, die toch
met hun ervaringen vastliggen als een soort van "referentiealbum aan het leven mijner
voorouders". Waar vinden wij dan dit contact? Ik heb U de vorige keer gesproken over de
Chakra's en er op gewezen, hoe zij met bepaalde zenuwknooppunten voor de geest het
werkelijk contact betekent voor het lichaam. Dat wil dus zeggen, dat de geest werkt in het
zenuwstelsel, ook in het vegetatieve en hierdoor een voortdurende uiting tot stand weet te
brengen, die in het lichaam merkbaar is. De gezamenlijke uitstraling nu, of beter gezegd
vitaliteit dat is een heel vreemd woord, maar ik weet zo gauw geen beter, een vitaliteit, die
door stof en geest via zenuwstelsel gezamenlijk wordt beïnvloed, vormt een lichaam, dat men
in de termen der esoterie vaak het begeertelichaam noemt.
Hierin spreekt het totaal van de stof, maar ook het totaal van de geest. En dit nu is het
kernpunt waarin de onevenwichtigheden en angsten maar al te vaak zich werkelijk opbouwt.
Hier speelt zich de werkelijke strijd af tussen twee behoeften. De behoefte aan voor alles het
"ik" in zekerheid te stellen en te handhaven - bij "ik" dan ook natuurlijk begrepen de processen
der voortplanting etc., vaak in de eigen omgeving en het stoffelijk "ik" opgenomen, soms zelfs
in de eigen groep - daarnaast echter de behoefte om het Al te ervaren als deel van het wezens
of beter gezegd, het wezen als deel van het Al. De geestelijke tendens. Deze tegenstelling kan
ook wederom in angst tot uiting komen. Vaak angst voor jezelf. Dit is begrijpelijk. Het totaal
van de mentale processen wordt in het begeertelichaam weerkaatst. De geest kan daar
krachtens haar eigen weten en kennen, begrijpen, wat er gebeurt en volledig overzien, wat de
consequenties zijn. Het lichaam gaat voort en zegt: dit is mijn zwerk. De geest zegt: Dit mag
niet, want .... en geeft de reden. Innerlijke onzekerheid. De innerlijke onzekerheid zal zich
stoffelijk uiten in de vraag: Heb ik dan wel gelijk? Zij uit zich eerder in de vraag: Kan ik het zo
wel aan? En daar hebben wij dan wederom het minderwaardigheidscomplex, dat ten opzichte
van een enkele daad of gebeurtenis, of ten opzichte van het hele complex van haar levensaard
tot uiting komt en deze mens voortdurend drijft tot angst. Angst, die emotioneel is, emotioneel
beheersend niet alleen de spieren en het lichaam beroert, maar zeer sterk het zenuwstelsel.
Die, het zenuwstelsel betreffende, laten wij dat niet vergeten, in contact komt overal met de
geest door het hele lichaam heen, in deze geest een weerzin wekt tegen het lichaam. Een
weerzin, die weerkaatst wordt in het begeertelichaam natuurlijk en daardoor door de stof
wordt ervaren. Een degout voor jezelf. Bestaat er eigenlijk een groot
minderwaardigheidscomplex, een degout voor jezelf? Ja, vrienden, die angsten van de wereld
zijn zeer beslissende factoren voor een groot gedeelte van de bewustwordingsprocessen. In de
eerste plaats zijn deze angsten vaak bepalend voor de wijze, waarop de ervaringen in bewuste
en onbewuste herinnering worden gerangschikt. Ten tweede zijn deze angsten vaak
aansprakelijk voor de reactie, die, ofschoon onredelijk, het gehele stoffelijke "ik" blijft
beheersen. In de derde plaats kan zij aanleiding zijn tot de conflicten, die ontstaan tussen
geest en stof. Zij is de meest vernietigende factor en toch ook vaak een weer opbouwende,
want het vreemde is dit: Wanneer de angst rijst als een erkennen van hét uiterlijke gevaar en
een nuchter erkennen van eigen capaciteiten, om dat te dragen of niet te dragen, dan wordt
die angst tot een ander iets. Diezelfde angst, die zo-even in het begeertelichaam vernietigend
werkte op de geest en de geest ertoe bracht het lichaam zelfs te vernietigen, wanneer dit
mogelijk ware, brengt nu de geest tot een maximum van bewustzijn. In de angst wordt de
ander deel van het gezamenlijk zijn, erkent het gevaar in zijn wezen en reageert lichamelijk
schijnbaar automatisch, dus zonder redelijk overleg en zonder zelfs, dat de ervaring daarvoor
aanwezig is, soms op de meest juiste manier, alsof hij precies - of zij - precies zou weten,
waar het gevaar vandaan kwam. Men noemt dat dan graag intuïtie. Men zegt: Ja, op dat
moment werd ik beschermd, of, was ik intuïtief enz. enz: Neen, in dit geval ontstond onder
een dreiging, die lichaam en geest gelijkelijk betrof, omdat zij niet een kwestie van één der
beiden was, maar een kwestie van een in de wereld voor de geest niet aanvaardbare toestand,
waardoor zij zich als deel van het "ik" moest erkennen in verzet tegen een bedreiging van het
bestaan in de stof. Nu heb ik hier gekregen de enige waarde van de angst n.l.: het verschaffen
van inzicht. De angst echter kan ons alleen inzicht verschaffen in het kwaad. Wanneer wij dus
door de angst tot bewustzijn komen, dan is ons begrip van het goede een negatief begrip: het
is niet-kwaad. 99 van de 100 der mensen kennen helaas dit begrip van goed. Goed is
"niet-kwaad". Dit brengt veel verwarring met zich mee. Het brengt voor de geest veel

32
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

verwarring met zich mee. Het legt vaak waarden vast in het begeertelichaam, die niet alleen
ongewenst, maar zeer gevaarlijk kunnen zijn. Zijn wij het tot zover net elkaar eens? Of heeft
iemand er iets over op te merken?
Ik zou dan graag willen weten, is de houding van het lichaam een permanent iets, of is dat
een stage, waarin de mensheid op het ogenblik verkeert?
Ja, de houding van de mens is gegroeid uit zijn behoeften. D.w.z. dat de mens een tijdlang
een viervoeter is geweest en waarschijnlijk zich op de duur tot een vierhandige zich zal gaan
ontwikkelen. Dit laatste onder de voortdurende tendens tot mechaniseren, die aan de voeten
meer en meer ook een werking toewijst, waarvoor de voet op zichzelve niet geschapen werd.
En wanneer dit gebeurt, dan zal waarschijnlijk de lichaamshouding nog weer iets gaan
veranderen. De evenwichtsorganen - laten wij dat niet vergeten - passen zich zeer snel aan de
gewoontehouding van het lichaam aan en Uw referentie is er niet één van: zo moet ik gaan,
maar Uw evenwichtsreferentie is alleen maar: zo ben ik gewoon te gaan: U erkent dus de
normale toestand.
Ik bedoel de instelling van de stof, laat ik het zo zeggen: Ik geloof dat, wanneer wij dit dus
als kernpunt beschouwen, moeten zeggen, dat er zeer veel veranderingen plaats moeten
hebben gevonden, wilde de viervoeter tot tweevoeter worden. En wil de tweehandige tot
vierhandige worden.
Klaarblijkelijk heeft dus het lichaam een voortdurende taak tot aanpassing. Wij zien echter
gelijktijdig, dat in het lichaam, waarden langzaam maar zeker verdwijnen - denkt U maar aan
de paranormale begaafdheid van een centra, waar ik in mijn eerste lezing over heb gesproken
- dus denkt U daar eens goed bij na, dan zult U met mij eens zijn, dat, waar de verworpen
begaafdheid langzaam maar zeker verdwijnt, gelijktijdig nieuwe begaafdheden betrekkelijk
snel worden verworven en het lichaam een bewustwordingsgang in zichzelve doormaakte. Wij
kunnen dit niet noemen een bewustwording in de algemeen gebruikelijke zin en vorm. Er moet
echter een bewustzijn bestaan van de cellen. Wanneer er een bewustzijn van de cellen
bestaat, dan meen ik, dat de ontwikkeling van het menselijk lichaam voortdurend heeft
gewezen op grotere specialisatie. Steeds meer werd een cel slechts voor één doel geschikt en
ondergaande geeft zij haar taak over aan een cel, die voor hetzelfde en alleen hetzelfde, doel
is geschikt. Is zij gewijzigd dan geeft zij aan de daaropvolgende cel deze wijziging door en is
een terugval tot het oorspronkelijk type over het algemeen alleen mogelijk, wanneer uit de cel
der voortplanting wederom één geheel moet worden opgebouwd, Dit aannemende, mag ik
zelfs verder gaan. Ik kan dan zeggen dat het bewustzijn der cellen tesamen het vorm
bewustzijn van het lichaam uitmaakt. Dat niet het brein de vorm kan bepalen, maar dat in het
geheel der in het lichaam aanwezige cellen doen, plus de wijze waarop zij zich uiten. Gezien de
aanpassing van een groot deel der cellen aan de behoeften en de wijze, waarop deze cellen
zeer conservatief zichzelf trachten te hardhaven: Mogen wij dus de conclusie trekken, dat het
lichaam zelve denkend a.h.w. - maar op een geheel andere schaal dan u - voor voortdurende
ontwikkeling van vorm kan zorgen. Die vorm blijft natuurlijk niet meer bij het uiterlijke
bepaald. Gij zal ongeveer tegemoet komen aan innerlijke eisen. En wanneer zij tegemoet komt
aan innerlijke eisen, dan hebben wij daarmee, meen ik, kunnen bewijzen, dat het lichaam zijn
houding voortdurend verandert. Heb ik dit gesteld, dan durf ik te beweren - wanneer U het
voorgaande aanneemt - het is dus een ontwikkelingsgang, dat elke mens gedurende zijn leven
zijn lichamelijke houding meermalen verandert. D.w.z. dat het evenwicht, de
karaktereigenschappen, zelfs de functie van het lichaam gedurende elk menselijk leven
meermalen veranderen en dat daarmede de innerlijke, meer dan de uiterlijke vormen van de
mens zo sterk wordt gewijzigd, dat zij voortdurend aangepast is aan de behoefte, die de mens
als zodanig gevoelt, ofwel aan de conflicten, die in de mens woeden, zodat het niet als de
behoefte gevoelde, tot behoefte werd door de innerlijke strijd, waarvan de afwijking het
resultaat kan zijn. Kunt U het met mij eens zijn?
Ja, maar ik had mijn vraag slecht gesteld. Ik had moeten zeggen: is het feit, dat het
lichaam, de stof dus, zo egoïstisch is ingesteld, zal dat altijd zo blijven? Is dat ook aan een
ontwikkeling onderhevig? Er zal eens toch een tijd moeten komen, dat het lichaam ook de
stof, ingesteld is op het geheel en niet alleen op de instandhouding van zichzelf?

33
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

Dan houdt het op stof te zijn. De eigenschap van de stof is juist haar dwang tot behoud. De
eigenschap van de geest, die haar als geest kenmerkt, is de neiging tot uiting. Erkent tussen
deze beiden alleen maar één perfect evenwicht, één perfecte harmonie werden gevonden.
Maar ontstaat die tussen stof en geest, dan hebben wij iets, dat noch stof noch geest is, omdat
het in zichzelf gesloten harmonisch geheel is, waarbij dus de uiting van de geest door de stof
wordt opgevangen en wederom naar het innerlijk wordt teruggezonden, nietwaar? Dus geen
uiting. Is het duidelijk of is het ingewikkeld?
Maar separeert het zich dan van het geheel?
Het separeert zich dan van het geheel. Het leeft in het geheel, maar kan buiten zich het geheel
niet ervaren, maar alleen door zich. Dan komen wij tot dat deel, waar wij nog helemaal niet
over hebben gesproken. Dan vinden wij dus de harmonie met de kosmos door de ziel, de
kernkracht, die dit in stand houdt. Maar het wezen zelf, geest - stof, is voor zichzelf God gelijk,
d.w.z. in zichzelf afgesloten, de buitenwereld niet meer beroerend en in zichzelve creërend.
Duidelijk? (Ja). Nu, dan hebben wij een lastig probleem opgelost. Daar komen wij later nog
wel eens een keer op terug.
Mag ik nog eens vragen? Heb ik goed begrepen, dat paranormale verschijnselen
overblijfselen zijn?
Ja, dat heeft U goed begrepen.
Maar ik heb toch ook wel eens gehoord dat zij op de duur toch weer terug komt bij de
mens,
Kan komen: Kijkt U eens, het is natuurlijk de behoefte van elke mens om te zeggen: wij
maken evolutie door op alle gebied. En er zijn er maar weinig, die toegeven, dat zeer veel van
de huidige verschijnselen bij de mensheid degeneratíevormen zijn, in plaats van
ontwikkelingsvormen. Ook weer een angst. Een angst om toe te geven, dat je verandert en
niet alleen in je voordeel. Een minderwaardigheidscomplexje. Net over gehad. Maar de
eigenschappen, die een behoefte waren in het verleden - let U wel niet alleen een prettige
gave of zoiets, of iets, dat toch wel heel erg mooi is, maar een levensbehoefte - zijn dat niet
meer. Voor diegenen, die er de beschikking over hebben, zou ik willen verwijzen naar het
verslag over Atlantis, de strijd van Atlantis. Zo kunt U zien hoe juist dáár dus de geestelijke
immuniteit, het uitschakelen van telepathie en verdere paranormale verschijningsvormen,
noodzakelijk werd voor de mensheid. Hier degenereerde dus wel degelijk een bestaande
capaciteit. Maar dat neemt niet weg, dat, wanneer de behoefte ontstaan zou, deze vormen, die
nog niet geheel zijn afgestorven in de mens, wederom tot leven worden gewekt. Maar dan
zullen zij een andere vorm aannemen dan zij vroeger gehad hebben. Dan zullen zij moeten
beantwoorden aan geheel nieuwe normen en eisen. Dus denkt U niet, dat het oude wéér terug
komt. Datgene, wat er is, kan zich op een geheel andere wijze gaan uiten. En wanneer op het
ogenblik de primitieve vormen door de behoefte tot leven werden gestekt door verlangen, dan
mogen wij daarbij helemaal niet aannemen, dat wij nu wel weten, wat deze verschijnselen
zijn. Dit is zo primitief en zó barbaars in vergelijking met wat vroeger geweest is, dat het op
zijn minst genomen shockerend zou worden voor de eigenwaarde van mens en geest, aan te
nemen, dat dit nu de hoogste uiting is. Integendeel: U bent teruggevallen tot een beginpunt
practisch. En van hieruit is de vraag: Zult U wederom beginnen met een ontwikkeling, waarbij
een evolutie van het in zichzelve gedegenereerde opnieuw plaats vindt, maar in een andere
richting? Mogelijk zelfs een zeer gunstige ontwikkeling. Ofwel zullen deze eigenschappen
geheel teloor gaan? De mens staat op het ogenblik n.l. op een punt, waanbij vooral voor de
jongere kinderen, een vergrote activiteit van de hersenen, een verscherpen van het geheugen
een noodzaak wordt. Alleen dan kunnen zij beantwoorden aan de eisen, die worden gesteld.
De tijd van specialisme is weer voorbij. De specialist moet meer en meer weer allround
werkman worden. Dit vraagt een vergroting van kennis, een vergroting van hersencapaciteit
en vermogen. Wanneer de mens niet begint deze paranormale centra nu te gebruiken, dan
zullen zij ongetwijfeld deel uit gaan maken van het normale bewustzijn en daarbij dus hun
eigenschappen, die voor de mens soms zo begeerlijk lijken, verliezen.(Dank U wel). Tot Uw
dienst.
Mag ik nog een vraag stellen? (Zeker). Het is een bekend feit, dat door Uw zijde
meermalen geponeerd is, dat in Uw sfeer geen geesteszieken zijn. Maar nu heeft U het
34
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

daarnet gehad over het begeertelichaam. Bij onze overgang nemen wij ons
begeertelichaam mee. Dit begeertelichaam is dat deel, waarin wij alles weg stoppen, wat
wij ervaren tussen geest en stof. Nu vraag ik mij het volgende af: Wanneer wij in ons leven
voortdurend een conflict kennen tussen ons stoffelijk “ik" en ons ziele "ik" en hierdoor een
disharmonie ontstaat, dan wordt toch deze disharmonie verwerkt en weggestopt in ons
onderbewustzijn. Hieruit mag ik dan wél de conclusie trekken, dat ons onderbewustzijn
enigszins te vergelijken is met ons begeertelichaam.
Neen. Definitief niet.
Dan ligt hierin waarschijnlijk mijn denkfout en is het probleem waarschijnlijk opgelost.
Het onderbewustzijn is, zoals ik ook vanavond naar voren heb gebracht, eigenlijk stoffelijk. Het
behoort tot de hersenen. Het zal natuurlijk zijn invloed hebben op de zenuwkracht of vitaliteit,
die, zoals ik uitdrukkelijk heb getracht te fourneren, uiteindelijk de vorm, de "Gestalt'', is, die
wij het begeertelichaam noemen. Want of het hier gaat om een reële vorm, waag ik te
betwijfelen. Ik geloof eerder, dat het hier een schijnvorm, een projectie is. In het
begeertelichaam zitten dus de stoffelijke problemen en conflicten tussen stof en geest
inderdaad vewerkt. Maar op het moment, dat de stof zichzelve niet meer verdedigen kan door
haar voortdurende aanwezigheid, zal de geest in staat zijn om de problemen, die in het
begeertelichaam zijn, te elimineren. De geestesziekte komt dus over het algemeen voort uit de
strijd. Ik schakel even uit dus alle door ongevallen etc. veroorzaakte geestesziekten b.v.
shock. Die houdt op te bestaan, zodra de realisatie plaats vindt, dat de stof als zodanig geen
reden tot vrezen meer oplevert. Het conflict wordt dus opgelost door het wegvallen van één
van de beide partners. Wanneer wij geestesziekte voorstellen als een strijd tussen het "ik" en
de wereld, of tussen twee delen van het "tik", dan mogen wij aannemen, dit één van de beide
partners sneuvelt in het gevecht, de strijd afgelopen is. Wanneer de strijd in het "ik" gaat
tussen geest en stof en de stof valt weg is de geest overwinnaar. Misschien gewond, maar niet
meer gebonden en dus ook niet meer ziek in de ware zin des woords. Wanneer het een conflict
is tussen de wereld en het “ik'' en de waarden van de wereld vallen weg, dan valt het conflict
weg. Blijft ook wederom de geest met haar ervaring, met haar wonden waarschijnlijk en
misschien een enkele trofee over. En wat is het leven uiteindelijk anders dan dat? Het leven is
een voortdurende strijd, waarbij - laat ons dat niet vergeten - de geest uiteindelijk zich steeds
weer terugtrekt. Zo ook de stof: dus de stof hergroepeert zich. D.w.z. trekt zich veredeld en
ervarener door de strijd terug in andere vormen, vaak meer primitief, om daarin haar eigen
geaardheid te versterken, bepaald echter door de feiten, die zij in het stoffelijk lichaam heeft
geleerd bij de mens, bij een dier zelfs. Gelijktijdig gaat de geest terug naar de eigen sfeer en
trekt zich daar terug in de primitiviteit - ik noem dit ook primitief - van het zich uitend wezen,
dat zijn eigen omgeving kan scheppen, waarbij dus elk conflict kan worden vermeden. Blijft
ons over een soort van geesten, die wij geestesziek zouden kúnnen noemen, degenen, die in
het duister zijn. Want deze weigeren bepaalde waarden in het kosmische te aanvaarden,
omdat zij waarden in zichzelve op hoge prijs stellen. Maar indien wij dit leven in een bepaalde
sfeer, waar dit bewustzijn als gemiddelde geldt niet meer als ziek beschouwen, maar alleen
maar als een graad van bewustzijn, valt voor ons het idee geestesziek weg. Duidelijk
geworden? Dit zijn dus graduale verschillen in de bewustzijnsgraad van de verschillende
geesten. Voor de rest is er niets eigenlijk. U zoudt het op aarde n.l. ook zo uit kunnen
drukken. Iedereen is gek, maar de één niet zo erg als de ander. Nu vrienden, hebben wij nog
iets hierover te bespreken? Niet?
Dan wil ik U juist i.v.m. het begeertelichaam om een knooppunt te maken naar de geest, waar
wij zo dadelijk over zullen gaan spreken - ja, niet vanavond, de volgende keer - iets vertellen,
dat behoort tot leerstof, dat U waarschijnlijk aan de hoge school niet voorgezet zal krijgen. Het
berust op de oude wijsheid en waarheid op aarde en is door ons als goed en redelijk bevonden.
Het wezen, dat zich mens noemt, is in werkelijkheid een veelheid van bewustzijnsvormen, die
gezamenlijk een schijnbaar vaste gestalte hebben aangenomen. Op het moment, dat één
dezer vormen wegvalt, of van houding verandert, wordt het totale evenwicht veranderd en
verandert ook de mens. De mens komt tot uitdrukking door zijn bewustzijn. Het is zijn
bewustzijn, dat het totaal van zijn mogelijkheden limiteert. Het is zijn bewustzijn, dat hem als
geheel op alle momenten beheerst en maakt, tot wat hij is. U ziet, dat hier dus een zekere
tijdsfilosofie is vastgelegd. Daar achteraan uit hetzelfde werk het volgende: Een mens is een
35
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

volk. Een volk, waarin priesters, krijgslieden, kooplieden, werkers en slaven zijn. Boven allen
regeert de Zoon van de Zon. Hiermede wordt dus de Goddelijke afkomst van hetgeen het
lichaam bestuurt, aangeduid. Echter is de Zoon van de Zon gebonden door zijn hofhouding. En
de hofhouding wordt op haar beurt gelimiteerd door de mogelijkheden, die het volk heeft in
vrijheden, die zij het volk toestaan. Zo zijn zij allen geketend, ongeacht hun af komst en zij
zijn slechts tesamen, maar kunnen voor zich niet datgene zijn, wat zij zijn in het geheel. Ik
zou graag willen, dat U die beide dingetjes eventjes probeerde te doorgronden, omdat zij ook
psychologisch van groot belang zijn. Ik geloof n.l., dat U de feitelijke juistheid van het
geciteerde - ondanks de misschien eigenaardige terminologie - gaarne zult toegeven. Maar
indien dit zo is: dan hoeven wij niet anders te doen, dan een onderzoek naar de opinie in te
stellen bij alle delen van het volk, om te weten, wat de mogelijkheden zijn voor de heerser.
M.a.w. wij kunnen voor de geest de mogelijkheden vinden. Wanneer wij zien, wat zijn
hofhouding presteert en toelaat. M.a.w. het brein en de bewustzijnsvormen. Wij kunnen dan
ook verder nagaan, wat het volk als zodanig toelaat: dus waar de lichamelijke fouten schuilen.
Een goed vorst kan dan zeer veel van de gebreken verhelpen. Dat is ook één van de punten,
waar wij terecht moeten komen. Juist vandaar, dat wij de volgende keer definitief over moeten
stappen op de geest. Voor vanavond meen ik, dat het voldoende is. Wanneer U nog vragen
heeft te stellen over deze of voorgaande bijeenkomsten van deze cursus, kunt U dat de
volgende keer afdoen. Ik zou U er verder op attent willen maken, dat deze cursus
waarschijnlijk beëindigd zal worden op een moment, dat zij overgaat in een daarop volgende
cursus. Dit in verband met een verandering in het programma. Wij zullen gedurende de tijd,
die ons ter beschikking staat trachten het geheel zoveel mogelijk voor U af te ronden.
Wanneer Uw belangstelling verder reikt, dan hetgeen wij in de beslotenheid van de groep
kunnen brengen, zou ik U willen zeggen: Maakt u dan deel uit van de nieuwe groep. Daar
zullen ook ongetwijfeld goede resultaten bereikt kunnen worden. Wanneer U wensen heeft
omtrent het ene, wat ik hier gezegd heb, of voorstellen heeft omtrent hetgeen, wat u in de
toekomst, gaarne zoudt willen zien ontwikkeld door ons, gebracht wilt zien, dan zou ik het zeer
op prijs stellen, wanneer U dit, hetzij op één dezer avonden aan ons, hetzij aan het Bestuur
kenbaar zoudt willen maken, echter bij voorkeur vóór de datum 15 Juni, omdat wijzelve
beloofd hebben het programma voor te leggen per 15 Juli aan het Bestuur en hierin gaarne
ook Uw verlangens en behoeften zoveel mogelijk tegemoet zoudt willen komen. Dan geef ik
hiermede het medium vrij en dank U voor Uw aandacht. Goedenavond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Voor deze avond neem ik de spreekbeurt van onze vriend Henri waar. U kunt dan op het
ogenblik een onderwerp of vragen stellen naar Uw eigen verkiezing. Welk onderwerp heeft op
het ogenblik Uw bijzondere interesse?
Op de eerste avond van de cursus over de tijdsinterpretatie in Uw wereld sprekend heeft U
ons beloofd te vertellen, hoe U dit ziet. Nu zijn wij zeer benieuwd iets te horen over de
interpretatie van tijd en ruimte, zoals die bestaan in Uw wereld.
Ter vereenvoudiging eerst deze vraag: Heeft U enige voorstelling van de werkelijke geaardheid
van ons wezen en zijn?
Wij hebben daar wel enige voorstelling van.
Goed, luistert U dan. Wij zijn, wat men noemt, geest. Nu kan een geest niet omschreven
worden als een bijzonder ruimtelijk iets. De beste voorstelling, die ik U ervan kan geven in
simpele vorm is een energetisch veld, dat willekeurig vergroot en verkleind kan worden, maar
waarin het aantal krachtlijnen, dus de onderlinge verhoudingen daarvan gelijk blijven. Is die
voorstelling voor U begrijpelijk? (Ja). Dan zult U begrijpen, dat een dergelijk krachtveld zich
betrekkelijk ver uit kan zetten en op dat moment een zeer groot deel van de ruimte in beslag
kan nemen. Dat kan zelfs meer zijn dan de ruimte, die Uw zon met haar activiteiten daarbij, in
beslag neemt. Op zo'n moment is een dergelijke geest dus bijzonder groot. Zij ervaart alleen
de meest massale dingen in het Al, het kleine ontgaat haar. Het tijdsbewustzijn is dan
gekoppeld aan haar ruimtelijk bewustzijn en wat voor haar één seconde schijnt, kan voor U
een miljoen jaren zijn. Want de gebeurtenissen in de kolossale wereld zullen uit de aard der

36
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

zaak zeer langzaam verlopen en zullen slechts zeer geringe veranderingen, dus waarneming
en ervaring, voor die geest betekenen. In haar existentie is dan de tijd geworden tot een
ervaringsfactor, zoals dit voor ons allen werkelijk betekent. Wanneer diezelfde geest
willekeurig, onwillekeurig, zich samen zou trekken, dan kan zij haar wezen in kleinheid terug
brengen, waarbij de wereld der atomen voor haar kenbaar wordt. Zij neemt dan natuurlijk een
zeer gering gedeelte van de ruimte in beslag, maar daarin spelen zich onnoemelijk veel dingen
af: 1/10 van Uw seconde kan voor haar dan een miljoen jaren zijn. Nu is de ervaring, die wij
opdoen echter de volgende: De bewustwording van de geest begint met een zeer grote
uitbreiding. Zij is zeer groot en komt slechts zeer langzaam tot een zijnsrealisatie. Van daaruit
concentreert zij haar wezen steeds meer en komt tot een steeds snellere ervaring, waarbij de
tijd steeds voor haar vlugger gaat dan de Uwe en dringt uiteindelijk door in de wereld van de
microkosmos. Van hieruit gaat zij met een nu gevormd persoonlijkheidsbewustzijn,
"ik"bewustzijn, weer steeds grotere en complexere werelden opzoeken, waarbij haar eigen
omvang zich uitbreidt. In onze wereld, in onze sfeer, laat ik het zo zeggen, is dit uur, dat ik
ongeveer met U kan praten, neen, het is minder deze keer, maar laten wij zeggen, deze drie
kwartier, die wij gezamenlijk kunnen praten, ongeveer gelijkwaardig aan één minuut van onze
tijd. Maar dan een minuut van zeer grote krachtsinspanning, waardoor de gebeurtenissen in
ons wereld niet buiten ons om gaan, wij staan niet buiten onze eigen wereld, daarvoor is de
onderbreking van het zijn te kort, terwijl aan de andere kant door de krachtsinspanning de tijd
ons veel langer schijnt te duren. Het is hier dus een relatieve tijdbepaling, die gepaard gaat
met de ruimte, waarin wij ons wezen concentreren. Waar echter de wereld, waarin wij normaal
leven, een ongeveer gemeenschappelijke standaard kent voor een bepaalde bewustzijnsgraad,
is het begrijpelijk, dat wij toch wel komen tot een gemeenschappelijk tijdsbesef - zij het dan
ook, dat dit niet is in te delen in jaren, maanden en minuten maar eerder omschreven kan
worden als het in doorsnee ervaren van een bepaald aantal emoties. Heb ik hiermede het
probleem duidelijk genoeg uiteen gezet?
Ik dank U zeer, het was heel mooi.
Zijn daar vragen over? Ben ik voor iemand onbegrijpelijk gebleven? Goed, dan zullen wij eerst
eens kijken, of er nog verdere vragen of onderwerpen zijn. Niemand meer, die een bepaald
onderwerp aan de orde wil stellen?
Wij hebben nu gesproken over ruimte en tijd, zoals de geest die ervaart. Maar ik weet niet, of
U zich interesseert voor onze slaap. (Ja). De Slaap van de Geest n.l. is iets verschillend
natuurlijk van die der stof. Wij kunnen haar het beste als volgt omschrijven: Een terugval van
het veld in zodanige afmetingen, om bij het vorige beeld aan te sluiten, dat geen ervaring
meer kan worden opgedaan en geen emotie kan worden gemaakt, waar al hetgeen de geest
nog zou kunnen beroeren, behoort tot de omgevormde delen der materie en geest. Hieruit is
nu geen ervaring te verwachten. In zich draagt de geest het totaal van haar kennis. Zij is
uitgeschakeld uit de wereld en beleeft binnen zichzelve haar eigen waarde tot ook deze
verbleekt. Het bewustzijn slaapt, maar de kern der geest, die wij zo gaarne ziel noemen,
omdat wij haar zien als een werkelijk deel van het Goddelijke, kan juist daardoor tijdelijk weer
volledig deel hebben aan de kosmos. Want zij wordt niet meer gehinderd door een
persoonlijkheidsbewustzijn, dat haar activiteit en werkingssfeer sterk beperkt. Deze
slaaptoestand duurt uit de aard der zaak tot het moment, dat de geest met deze kracht a.h.w.
verzadigd wordt. Zij heeft nu zoveel energie uit de kosmos opgenomen, dat deze zelfs - en dat
is misschien wel een eigenaardig verschijnsel voor U, U kent het, meen ik, in de aardse slaap
niet - maar een deel van de gedachte van waarde zijn veranderd. Gedachte, die voor de slaap
een zeer primaire plaats innamen in het bewustzijn blijken tot secundaire potentiële waarden
geworden te zijn. Andere ideeën, die lange tijd slapend zijn geweest, die op de achtergrond
lagen, komen nu in het brandpunt van de belangstelling. Wanneer dit gebeurt, dan droomt de
geest. Zij is nog steeds binnen zich zelve besloten en heeft aan de wereld van verschijning en
verschijnsel geen enkel deel. Maar in haar speelt nu het spel der ervaringen, gebaseerd op
deze opnieuw op de voorgrond tredende gedachte. Deze droom brengt uiteindelijk met zich
mee een probleem. Het probleem is, vergelijkend een wekprikkel. De geest ontwaakt en begint
haar wezen te ontplooien. Naarmate het probleem in haar bewustzijn blijft zij betrekkelijk
beperkt en levend in het kleine, of gaat zij in haar ervaring zeer snel over tot het alleen

37
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

waarnemen en werken van het grootste. De instelling verandert verder zodanig, dat ook haar
trillingsgevoeligheid zeer sterk onderhevig is aan variaties.
Zij heeft echter één zeer groot voordeel. Deze toestand is als Uw concentratie. Wanneer U
denkt, bent U ook gedeeltelijk van Uw omgeving afgesloten. Dan kunt ge U tijdelijk in een ……
ongeveer, zelfs als in een soort ander leven bevinden, U leest een goed boek, nietwaar? Zo is
die geest dan dus moeilijk te bereiken voor degenen, die met haar een gelijk bewustzijn
bezitten, maar al degenen in haar sfeer, waarin zij dit moment vertoeven, kunnen haar
bereiken. Zo gaat zij langzaam maar zeker haar probleem dan voorleggen aan
buitenstaanders. De overwegingen van dit probleem brengen dan over het algemeen een
werkdrang teweeg. De werkzaamheden dragen een ietwat experimenteel karakter, zelfs
wanneer het hier gaat om een helpen van geesten in legere sferen, het spreken tot groepen
als de Uwe, etc.. Het is voor ons een werkzaamheid, die niet alleen op het doel buiten ons,
maar tevens op een oplossing, waarop het probleem in ons is gericht. Is de arbeid volbracht,
dan is de volgende fase meestal wederom een vergelijking van gedachte. Is in de sfeer geen
verdere richtlijn te vinden en is het probleem niet opgelost, dan volgt concentratie, die op de
duur overgaat in de slaap en vindt wederom een omzetting der innerlijke waarde plaats,
waarop een volgende fase wederom begint. De slaap treedt echter bij de geest niet regelmatig
op, zoals bij U, maar kan met zeer veel verschillende tussenpozen optreden. Deze slaap zoudt
U voor velen onzer gelijk kunnen stellen met verandering van sfeer of een vergroting van
bewustzijn. Waar nu gedurende deze periode alle tijdservaren plus alle ruimtelijke ervaren nul
is, voegt de geest zelve, die periode, wanneer zij voor U ook miljoenen jaren is, niet aan de
geest en haar geestelijke ervaren tijd en ruimte toe. Zij leeft a.h.w. tot zij inslaapt om de
volgende seconde te ontwaken en verder te gaan. De tussenliggende periode is haar onbewust
proces, waarvan zij wel de resultaten kent, maar de werking daarvan voor haar veelal
verborgen blijft. Het leek mij aardig om ook dit eens toe te lichten, i.v.m. Uw cursus hier.
Mag ik U dan vragen, komt die omzetting van ideeën in de slaap voort uit het gaan der ziel
in de ruimte?
Neen, vermoedelijk komt het voort uit het keren in jezelf, waarbij tijd en ruimte ophouden,
want nu blijven dus alleen met je eigen waarden in een uitputtingstoestand blijft, een laatste
idee overheersen. Ik kan niet met zekerheid beweren, dat het altijd een idee is, die bij het
ontwaken wederom op de voorgrond treedt. Maar op grond van ervaringen, geloof ik wel te
kunnen zeggen, dat de vorm van overpeinzing, die voor de uitputting, dus slaap, de werkelijke
slaap zonder dromen, nog plaats vindt, bepalend blijkt voor de hervatting van het leven, bij
het ontwaken. (Dank U.)
Mag ik dan een vraag stellen? (Zeker.) Nu is de slaap in de sferen zou je kunnen
beschouwen als een overgangspunt van het ene bewustzijn naar het andere bewustzijn. Ik
kom nu nog even terug op het afstoten van het begeertelichaam. Men spreekt dan wel van
de tweede dood. Die slaap zou je dus kunnen beschouwen als een toestand van dood en
weer herboren worden. Is dat juist?
Dat is wel volledig juist, ja. Wij spreken van slaap, omdat de persoonlijkheid ivoor zichzelve
gedurende deze periode geen kenbare verandering ondergaat, zij het dan dat haar vitaliteit na
deze periode enorm vergroot is. Maar er zijn inderdaad voor sommigen ogenblikken, dat zij het
lichaam achterlaten, de ene mogelijkheid. Of sublimeren, de andere mogelijkheid. Wanneer zij
dit achter moet laten en daardoor dus hun eigen bereik van bewustzijn en werking moeten
bekrimpen om naar een hogere sfeer te gaan in plaats van hun gehele wezen om te zetten in
voor deze nieuwe sfeer aanvaardbare en passende krachten zou men van dood kunnen
spreken, in het tweede geval kunnen wij van dood alleen spreken, wanneer U Uw slaap ook
dood noemt. Is dit voor U verhelderend genoeg? (Ja).
Ervaren alleen bewuste geesten die slaap?
Slapen alleen de verstandige mensen? Of slaapt ook de dwaas? Zoals bij U de slaap inherent is
aan de normale zijnstoestand "mens” waar wel uitzonderingen op mogelijk zijn maar zelden
voorkomen, zo geldt ook voor met gehele bereik der geest zover als ik dit ken, met enkele
uitzonderingen, dat slaap bij elk hunner voorkomt. Zelfs zo vergaande, dat vooral in de
duistere sferen een slaapperiode vaak aan een hernieuwde incarnatieperiode vooraf kan gaan.
Is dit ook duidelijk? Zijn er nog vragen, vrienden?
38
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

Hoe groot kunnen de tussenruimten zijn tussen twee slaapperioden?
Dat is zeer moeilijk te zeggen met ons tijdsbewustzijn. Maar ik vermoed dat dat zal liggen
tussen de vijf à zes biljoen jaren en een dag. M.a.w. de periode, die voor een normale planeet
nodig is van vorming tot ondergang en de periode van 24 uur, die de mens kent als dag. Het is
helemaal afhankelijk van de toestand, waarin het wezen zich bevindt en de activiteit die plaats
vindt en de schaal en het gebied, waarop zij plaatsvindt. Wel kunnen wij zeggen, dat in
verhouding tot de wereldgrootte, dus als U die ene dag hebt, dan leeft U in de microkosmos
toch nog altijd wel een paar honderd tot een paar duizend jaar. De tijd en dus ook de slaap
wordt bepaald. Nu levert de microkosmos complexer levensvormen op dan de macrokosmos.
Daardoor is deze laatste dus minder vermoeiend en zal de dag dus voor iemand daarin langer
duren. Slechts daar, waar het ervaren ten opzichte van het Uwe enorm versneld is, treedt de
slaap met kortere tussenperioden op, wat - zoals gezegd -, dan vaak ongeveer 24 uur kan
bedragen. Voor iemand, die alleen maar in de wereld der sterren leeft - dat is de hoogste
vorm, die ik nog enigszins na kan gaan - is de duur ongeveer gelijk aan de periode tussen het
ontstaan en de ondergang van een ster. Ik wil niet speculeren, hoeveel tijd dat neemt. Maar
van de ene slaapperiode tot de andere omsluit deze tijd hun dag. Misschien dat er daar boven
nog weer iemand bestaat, die alleen maar gaat slapen, wanneer het hele Al weer tesamen
sterft. Wie weet: Het spijt mij, dat ik U geen nauwkeuriger gegevens kan verschaffen. Maar de
relativiteit onzer werelden maakt dat mij te zeer moeilijk.
Mag ik aannemen, dat hierover geen vragen te stellen zijn? Dan zult U mij hopelijk niet euvel
duiden, wanneer ik in overeenstemming met de wens van de leiding het woord over ga geven
aan de laatste spreker van deze avond. Ik hoop, dat mijn betogen voor U genoeg
belangwekkend zijn geweest. Goedenavond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden. Wij zullen dan gaan besluiten met een meditatie. Een meditatie
waarvoor U dan zelve het onderwerp zult kunnen bepalen.

SLAAP
Wanneer je inslaapt is het een sterven in de ene wereld. De vage flitsen der herinnering bij het
ontwaken zeggen je, dat je toen in een andere verder leefde. Welke wereld weet je niet. De
slaap is een raadsel. In de slaap kan de geest soms uitgaan van de stof, zegt men U. Gij
vraagt U af: Is het werkelijk mogelijk? Men zegt U: De slaap verwijdert de giften uit Uw
lichaam en vervangt ze door frisse krachten en vitaliteit. Zou het waar zijn? Zou de functie van
de slaap alleen gelegen zijn in het in stand houden van Uw wezen? Dan komen er twijfels in
ons op. Twijfel die zegt: Maar wanneer dit het enige doel van de slaap is, dan is dat toch niet
erg verstandig gekozen. Wij zien overal in de schepping een aanpassing aan de
omstandigheden. Zeker. Maar gelijk ook een grote rationaliteit. De mens, zoals hij op aarde
leeft, moet toch wel één van de meest rationele schepsels zijn, die werden voortgebracht.
Tenminste, binnen de nauwe beperking van deze zon en haar werelden. Zou die mens dan
werkelijk moeten slapen? Of zouden hier misschien meerdere functies vereend zijn? Laat ons
niet vergeten, wat er hier zo-even is gezegd over de slaap van de geest. In de slaap wordt de
ziel bevrijdt van haar ketenen. Het bewustzijn valt weg, nieuwe werelden openen zich en
nieuwe krachten stromen binnen, die van groter belang zijn dan alleen maar een lichamelijke
reiniging en een herstel van de veerkracht. Slaap is het sterven van de wereld rond ons. Het is
nooit een sterven van ons "ik". Wanneer de ogen in sluimer gesloten gorden, vervaagt de
wereld en zij bestaat voor U niet meer. Gij zijt weggevlucht uit haar bereik. Wat ervan U
overblijft, geketend misschien nog aan die wereld, is toch niet zo ingesteld, dat het die wereld
als al-belangrijk blijft beschouwen. Wanneer de ziel vlucht naar de zuivere krachten der
kosmos om daar te ervaren en te leven zal zij heus wel meer doen dan alleen maar zoeken
naar kracht. Want de kern van de kosmos waartoe zij behoort, hetgeen waarheen zij vliedt en
waarin zij vliedt, is het Goddelijke zelf. Het is de hoogste trap, die voor de geest bereikbaar is.
Het is de vervolmaking van haar wezen en zijn. Al haar slaap zal voor de geest althans niets
anders zijn dan een voortdurend pogen om het Goddelijke te bereiken en het in zichzelve te
versterken. Hoe dan de slaap van de mens? Gedurende de slaap van de mens sterft zijn
39
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 3 – 28 april 1955

wereld. De volheid van indrukken vervlakt en verflauwt. Het bewustzijn neemt niet meer waar.
In het "ik" beginnen de krachten van het bewustzijn te strijden, te vechten. Zij maken uit de
gedachte en de daden van de dag een nieuw en wonderlijk merk. Zij vlechten een trap van
ideeën. De geest streeft moeizaam omhoog om door te dringen tot haar wereld van
werkelijkheid en geestelijk bewustzijn. Ja, verder nog, om de vrede in de tuinen der sferen
voor een ogenblik genietend onder te gaan, te werken, te zoeken en te streven. Men noemt de
slaap wel eens de zuster van de dood. Maar sterven wij, wanneer wij slapen? Of leven wij dan
eerst recht? Wij leven, wanneer wij slapen. Intenser en actiever dan wij ooit waakbewust
kunnen doen, of wij nu stof of geest zijn. Verder dan anders mogelijk is, dringen wij door tot
de kern van ons zijn. Wij kunnen de ketenen afwerpen, die het bewustzijn ons heeft
aangelegd. De slaap is een liefdegave God's. Zij is een poze van verademing. Het ogenblik,
waarop alles stil staat. Het ogenblik, waarin het leed vervaagt en de vreugde niet langer U
bindt. De slaap is de weg naar de vrede. De eeuwige vrede. De vrede, die er altijd is. Die je
voor jezelve bewust wilt gaan verwerven, maar waaruit je niet door het leven gebannen wilt
zijn. Het is, of de poorten van Gods Huis telkenmale weer voor ons open staan, opdat ons
wezen rust en de beslommering vergeet, die haar zo ver van de oorsprong verwijderde, wij
terug kunnen keren en een ogenblik aanzitten aan de tafel in het Huis des Vaders. Opdat wij
een ogenblik de broederschap kunnen genieten van de kosmos, die één is. God geeft de slaap
zelfs aan de verdoemden. Aan hen, die in het duister, gekweld door hun eigen wezen, worste-
len moeten om bewustzijn. Eeuwen en eeuwen, ja, misschien wel aeonen van jaren. Ook voor
hen is er een respijt. Een poze van terugkeer. Omdat de Schepper geschapen heeft en niet
rechtvaardig zou zijn, wanneer Hij slechts van zich zou sluiten al wat Hij heeft voortgebracht,
zonder het wederom tot Zich te trekken. Wij slapen. God haalt adem en onze zielen vlieden
heen tot Hem, zijn een ogenblik met Hem vereend om dan weer uit gestoten in de wereld
verder te gaan, zoekend naar een bewustzijn, dat ons meer zal geven dan dat alleen. Het
begrip van Zijn Werkelijkheid en Wezen.
En hiermede, vrienden, sluit ik de bijeenkomst. Ik dank U voor Uw aandacht en wens U verder
een gezegende avond en een gezegende huisgang, Goeden avond.
o-o-o-o-o

40
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

LES 4 - DE MENSELIJKE PSYCHE

26 mei 1955
Goeden avond, vrienden.
Ik zal vanavond onze de enige spreker zijn, aangezien wij er in geslaagd zijn een expert te
vinden, die bereid is het op zichzelve zeer moeilijke "Probleem der Geest" met U te
bespreken. Wij zullen deze avond n.l wijden - na ons de vorige maand te hebben bezig
gehouden met de emotie: voornamelijk de angst - met de geest als zodanig. Men verwaarloost
veel te veel in het beschouwen der menselijke psyche de geest en de problemen, die zij weer
scheppen kan in haar eigen voertuig. Uiteindelijk draagt toch de geest een bewustzijn in zich.
Een bewustzijn, dat weliswaar tot het waakbewustzijn van de mens doordringt, maar aan de
andere kant toch een zeer grote invloed heeft op zijn handelingen en impulsen, via het
onderbewuste. Als resultaat wordt het voor ons nu noodzakelijk om deze geest vanuit haar
eigen sfeer en met de eigenschappen, die zij altijd behoudt - dus ook wanneer zij in de stof
leeft -, eerst nader te definiëren en vast te stellen. Ik meen, dat ik kan volstaan met een
redelijke definitie van het begrip:
Geest. Als geest moeten wij zien het bewustzijn, dat wordt gedragen door de ziel. De ziel op
zichzelve is onbewust. Het totaal van haar levens aanvaarden, haar ervaren en beleven is een
deel van de geest, die een terugkeer naar de oorspronkelijke status van de geest hiermede
beoogt.
Nu zou ik U veel kunnen vertellen over de wijze, waarop deze geest, dit bewustzijn, in de ziel
tot stand komt. ik zal dit echter uitstellen, omdat wij deze cursus binnen redelijke tijd moeten
afronden. Zij het U voorlopig genoeg om aan te nemen, dat de geest uit alle fasen, die zij
doormaakt, een herinnering meebrengt. Deze herinnering is in de eerste plaats emotioneel. Zij
kan niet gelijk worden gesteld met de feitelijke herinnering, ook b.v. aan leerstof, zoals men
die op aarde kent. Al haar ervaren is integendeel een projectie van haar eigen wegen in de
buitenwereld. Vanaf de eerste fase, waarin de geest ontwaakt, het bewustzijn zich vormt, is
het practisch onmogelijk voor de geest een scheiding te maken tussen de processen, die zich
speciaal in haar afspelen en de processen, die door de buitenwereld in haar wezen worden
geïnduceerd. Zij heeft verder de neiging, wanneer zij een sterke gedachte heeft, deze als een
realiteit in de wereld buiten haar gespiegeld te zien. Zij leeft a.h.w. op een eiland, waarop
alleen haar eigen wezen, haar eigen gedachte, haar eigen realisaties van belang zijn. Al is dit
voor de stofmens niet geheel zo, voor de geest moeten wij nadrukkelijk vastleggen: haar
ervaring is haar eigen reactie, haar eigen denken. Door het voortdurend wekken in de geest
van impulsen door buiten haar "ik" optredende omstandigheden, vormt de schepping echter
mede haar bewustzijn Zij realiseert zich dit zelve echter meestal niet. Alle omstandigheden -
waar en hoe dan ook voorkomende - worden door deze geest alleen geregistreerd zolang zij
onmiddellijk invloed op het eigen wezen hebben. Haar eigen houding tegenover deze
problemen, wanneer zij ze eenmaal buiten zich kan erkennen, is de emotie. De wijze, waarop
zij reageert op de invloeden, die haar van buiten bereiken, wordt bepaald in hoeverre hiervan
een sterke, of slechts zwakke indruk zal worden meegenomen. Nu gaat de geest door vele
vormen. Ik meen, dat het niet tot mijn taak behoort hier te gaan spreken over reïncarnatie
etc., waar deze stof elders door ons meer dan voldoende behandeld werd. De geest gaat dus
door vele vormen heen. Zij bindt zich nu met deze, dan met gene vorm, waarbij zij zó sterk
indrukken van die vorm ervaart, dat de vorm voor een ogenblik haar werkelijkheid, haar 'ik"
wordt. Elke keer, wanneer de verbinding wordt verbroken door een verandering van het
verschijnsel, waaraan zij gebonden is, kunnen wij zeggen, dat zij sterft. D.w.z. dus zeggen,
dat het bewustzijn een nieuwe wijziging ondergaat. Zij onthoudt alle emotionele toestanden,
verworven door het gebonden zijn met deze vormen. Al het andere gaat verloren. Sommige
indrukken verdwijnen snel, anderen langzaam, maar zij gaan teloor. Wat echter emotioneel

41
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

sterk erkend werd en grote indruk op het wezen heeft gemaakt, is voor eeuwig in haar
verankerd. Het kan wel worden uitgebreid, maar nooit worden bekort. Het kan wel worden
aangevuld, maar nooit veranderd of uitgewist. Wanneer een geest dus gaat incarneren, brengt
zij deze impulsen mee. Waar de beïnvloeding van geest en stof een wederzijdse is, zal de
geest, zowel haar invloed in de stof tot uiting brengen, als wel de invloed van de stof op haar
beurt ondergaan. Hier begint dan het grote probleem. Hoe moeten wij handelen, wanneer er
een strijd bestaat tussen de bewustzijnsvorm "geest" en de bewustzijnsvorm "stof"? Juist voor
dit probleem heb ik gemeend een o.i. zeer ter zake kundige uit te moeten nodigen, die U
hierover in kan lichten. Wanneer hij uitgesproken is, zal ik nog met U verder gaan. Ik hoop op
deze wijze dit onderwerp op deze avond te kunnen beëindigen. Wij komen ook hierna nog voor
vele problemen in de menselijke psyche te staan. Wij moeten eerst echter dit probleem
erkennen, zoals wij de vorige maal getracht hebben de conflicten tussen het "ik" en het leven
te erkennen, voor wij verder kunnen gaan met een redelijke verklaring en ontleding van het
geheel, dat dan wel geest, ziel, of ook psyche genoemd wordt. Dat laatste ligt er maar aan
welke termen worden gebruikt. Ik vraag dus wel Uw aandacht voor deze spreker.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden. Het grote probleem, dat wij vinden in elke mens - U zult mijn niet
correct spraakgebruik moeten excuseren, ik ben er niet aan gewoon toespraken door middel
van een medium te houden -, wanneer wij een tegenstelling vinden tussen de stof en de geest
in de mens, dan is dit in de eerste plaats een verschil van eigenschappen. De geest heeft haar
bewustzijn, zoals de eerste spreker U ongetwijfeld reeds heeft medegedeeld, te danken aan
het totaal der emoties, die zij heelt doorgemaakt. D.w.z. dat er voor haar bepaalde toestanden
bestaan, waar zij zich zeer sterk tegen verzet, waar zij een grote afschuw van heeft. Haar
onvolledige waardering van bepaalde stoffelijke normen en waarden brengt haar dan ook vaak
in conflict met het lichaam en het bewustzijn, dat het lichaam zich gevormd heeft. Over het
algemeen vinden wij als basis van het conflict tussen geest en stof op de eerste plaats
bepaalde stoffelijke emoties. Wij kennen b.v. angsten, die in de mens tot uiting komen en
leiden tot het afstand doen van alle verkeer met anderen. In uiting: een zoeken naar
afzondering, beslotenheid en eenzaamheid met het eigen "ik''. Een afschuw voor beroering
met anderen, vaak gerationaliseerd in het denken door de verklaring, dat hier besmetting uit
voort kan komen. Hier kan ook ruimtevrees uit voortkomen. De oorzaak is over het algemeen
wel stoffelijk te bepalen. Meestal geeft zij echter de volgende geestelijke achtergrond. De
geest heeft in haar vorige bestaanstoestanden het contact met de buitenwereld als niet zeer
begerenswaardig ervaren. Zij voelt in zich wel de noodzaak tot incarnatie, maar meent, dat zij
zoveel mogelijk althans, haar eigen wereld moet handhaven. Gij heeft zich niet gerealiseerd,
dat alle stoffelijk bestaan betekent: leven in een communiteit, een verbinding met
medemensen en vele andere schepselen. Tegenover de stof, die geen gedachte uitstraalt, blijft
zij over het algemeen betrekkelijk onverschillig. Maar al wat bepaalde stromingen met zich
brengt, gevoelt zij een afschuw.
Zij vreest in haar eigenwaarde gekwetst te worden. Zij vreest haar eigen onvolmaaktheid te
moeten erkennen in de wereld, die zich stoffelijk voor haar gaat uiten. Wij mogen zeggen, dat
het grote conflict voor de geest meestal de vrees is, dat haar emoties niet in staat zullen zijn
om het werkelijke contact met andere gedachtewerelden te aanvaarden. Een dergelijke geest
leeft in de sferen afgezonderd van anderen en heeft langere tijd waarschijnlijk ingekapseld in
een waanwereld bestaan. Dus in wat U noemt: de meer duistere sferen. Een tweede conflict,
dat tevens veel tot uiting komt, is de drang van de geest tot verrijking. De geest heeft
zichzelve een emotie geschapen, een verlangen, dat haar gehele wezen beheerst en heeft alle
krachten die in haar zijn, gericht op een bepaald punt. In de wereld buiten haar meent de
geest nu zich perfect te kunnen uiten. Het lichaam biedt echter deze mogelijkheden niet. Hier
is geen sprake van een normaal minderwaardigheidscomplex, dat wij bij velen langs stoffelijke
weg zien ontstaan. Wel is er sprake van een voortdurende frustratie. Al wat het leven te
bieden heeft, is te weinig. Een dergelijk iemand heeft twee mogelijkheden. In het eerste geval
gaat zo'n iemand over lijken. Hij zal nooit gelukkig zijn en zich met zware schuld beladen
gevoelen, terwijl hij zijn doel niet bereikt. In het tweede geval trekt ook zo'n iemand zich van
de wereld terug en laat zich door de stromingen der massa drijven zonder verder doelbewust

42
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

eigen levensdoel na te streven. De geest en haar bewustzijn stellen de stof voor vele en grote
conflicten. Ik zal trachten U een opsomming te geven van de stoffelijke eigenschappen en
tendensen, die voor de geest bij incarnatie over het algemeen onaanvaardbaar zijn: sexe,
voedselopname, stofwisseling en spijsvertering, contact met anderen op intiemere wijze, zelfs
met de moeder. Geestelijk kan dit contact nog verdragen worden. Zodra dit echter stoffelijk
wordt en er emoties komen van grote tevredenheid, die berust in anderen, voelt de geest zich
tekort gedaan in haar zelfstandigheidsgevoelens. Zij meende immers te incarneren om iets
redelijks, wat wij rijkelijk had overdacht tot stand te brengen. Zij wordt nu plotseling het
slachtoffer - althans zo gevoelt zij dit - van een groot aantal buiten haar staande krachten en
bewustzijnsvormen, die gaan beslissen, wat er met het stoffelijke voertuig zal gaan gebeuren:
inplaats van hetgeen de geest voor zichzelve heeft uitgedacht. Dit wekt in haar een groot
verzet. Het is voor de geest vaak heel moeilijk de kinderjaren te verwerken. Het is voor de
geest vaak zelfs zeer moeilijk om de gebondenheid in de laatste maanden der prenatale
perioden te verwerken. Zij kan zich gewoonweg niet één voelen met het voertuig, omdat dit
voertuig niet aan haar eisen en verlangens kan beantwoorden. Heeft deze geest in haar
emotioneel bestaan - en dus ook in haar bewustzijn - een aantal stoffelijke waarden, die op
begeerten gebaseerd zijn, dan zal de frustratie van deze begeerten die in de jeugdjaren niet te
vervullen zijn, haar vaak nog bitterder maken. Het resultaat is, dat de rebellie tegen de stof:
die in ferociteit en gewelddadigheid vooral bij het iets ouder wordende kind vaak tot uiting
komt soms ook de uiting is van dit geestelijke probleem. De werkelijke drang tot vernietiging,
de drang om alles kapot te slaan of pijn te doen, om anderen lijden en onrust te veroorzaken -
vergist U zich niet - is als tendens in álle kinderen aanwezig. Het is zelfs een kenteken van het
menselijke bestaan, gezien dan vanuit geestelijk standpunt. Vanaf het moment, dat die geest
zich realiseert, dat haar voertuig voor vernietiging bruikbaar is, bestaat reeds voor haar de
mogelijkheid om nu ook opbouwende werkzaamheden volgens haar eigen bewustzijn plaats te
doen vinden. In dergelijke gevallen krijgen wij te maken met een sterke voorkeur voor
bepaalde studies of hobby’s. Wij krijgen een redelijk indelen van de tijd. Kinderen, die binnen
hun innerlijke mogelijkheden zeer verstandig zijn, die niet lijdzaam zijn, een sterke eigen wil
hebben. Aan de andere kant echter zullen zij voor elke redelijk betoog vatbaar blijken. In deze
gevallen heeft de geest, - nu zij uiteindelijk bevonden heeft, dat het voertuig bruikbaar is -
besloten, dit zo snel mogelijk klaar te maken voor de taak, die zij meent te gaan volvoeren.
Wanneer echter de geest een verzet voelt tegen de moeite, die zij zich zal moeten gaan
getroosten om het voertuig te ontwikkelen tot het voor haar doel bruikbaar is, zien wij haar
vaak als de mens, die de gehele wereld als vijand beschouwt. Deze vijandschap zien wij als
één van de gevaarlijkste eigenschappen van de geest naar voren komen, de geest is amorf. Zij
voegt zich in elke vorm. Zij zal zich in het onderbewustzijn van de stof voegen naar de vorm
van haar wereld. Volledig aangepast aan die wereld, tovert zij een schijnbeeld voor,
waarachter zij haar werkelijke wezen verbergt. Zij weet dit door te doen dringen tot het
stoffelijke wezen zelf, zodat de houding en handelingen van dit wezen niet meer in
overeenstemming zijn met de innerlijke bestaande spanningen en emoties. Het resultaat: de
mens, die door iedereen voor goed wordt versleten, maar die op bepaalde momenten uitbreekt
of zelfs amok loopt, die op een gegeven ogenblik alle tot nu toe erkende waarden opzij gooit
en van karakter schijnt te veranderen. Er zijn er velen onder de spiritisten en spiritualisten, die
dit bezetenheid zouden willen noemen. Ik zou er de nadruk op willen leggen, dat dit in vele
gevallen niets anders is dan het vallen van het masker. Het vallen van een masker, dat de
geest voor haar eigen doeleinden lang genoeg heeft gehandhaafd. Wanneer wij echter in haar
ware gestalte naar voren treedt, tracht zij maar al te vaak de gehele wereld te vernietigen of
te schaden, ofwel naar haar eigen denkbeelden te dwingen. Laat ons niet vergeten, dat de
geest in haar eigen wereld, doordat zij de lichte materie, die rond haar is, vorm kan geven met
haar gedachte, de illusie heeft schepper te zijn. Hoe meer haar bewustzijn zich de laatste
fasen in eenzaamheid en teruggetrokkenheid heeft ontwikkeld, hoe sterker de gedachte
hieraan in haar leeft. Hoe meer deze gedachte in haar leeft, hoe meer zij ook zal trachten deze
wereld, zowel als haar eigen voertuig te vormen naar haar eigen wezen, bewustzijn en
gedachte: Ik meen dat ik hiermee reeds een redelijk beeld heb kunnen geven van het
probleem, dat er bestaat tussen stof en geest. Tegenstellingen, die met elkaar samen moeten
werken. Maar een geest die veelal, omdat zij sterk emotioneel is eerder dan rationeel,
gedreven wordt tot het beheersen van de stof, of wel het volledig de heerschappij van de stof
43
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

erkennen. In beide gevallen kunnen wij zeggen, dat de geest - stof combinatie een mislukking
is.
Dan het probleem voor de geest, gezien haar stoffelijke ervaringen. Zij heeft een kennis van
goed en kwaad, maar op een peil, dat U ongetwijfeld dierlijk zult vinden. Zij erkent als goed,
wat voor haar goed is. Zij erkent als kwaad, datgene wat voor haar kwaad is. D.w.z. wat voor
haar leed of schade betekent. Deze begrippen van goed en kwaad brengt zij wel degelijk mede
in de stof. De stof echter legt haar andere waarderingen van goed en kwaad op, mede ook
door haar leven in een gevormde omgeving en een maatschappij. De geest ervaart dit als een
onrechtvaardige belemmering. In vele gevallen zal zij trachten de stoffelijke begeerten aan te
moedigen, opdat de zo door haar gehate wetten der stof zullen worden doorbroken. Dit
zondigen brengt een emotie van voldoening mee voor de geest, maar gelijktijdig ook een
ervaren van de emotie onbehagelijkheid, die de stof zelve ervaart hierdoor. Zo kan langzaam
maar zeker een ervaren van buiten het "ik" liggende waarden als bewustzijn in de geest
worden opgebouwd. Ook dan nog is dit ervaren en bewustzijn echter nog geheel gebaseerd op
haar eigen ervaring. Een kind, dat zich aan de kachel brandt is voortaan met die kachel heel
erg voorzichtig. De ervaring van de geest is te danken aan het zich branden. Dus het resultaat
van pijn, leed, onaangenaamheden, het ondergaan van onaangename emoties, duisternis als
gevolg van bepaalde handelingen, die daardoor voor haar tot gevreesde waarden in het leven
worden. Naarmate de geest het leven in de stof belangrijker wordt, zal zij ook trachten met de
stof in betere harmonie samen te werken. Het ideale punt in de stof is het punt, waarin de
geest volledig de stof haar stoffelijke rechten laat, maar de beheersing van het intellect voor
zich opeist. De ongelukkigste combinatie zien wij, waar de geest tracht de stoffelijke begeerten
te regeren.
Zodra zij dit gaat doen, raakt zij n.l. verstrikt in de emoties, die voor de mens nu eenmaal met
de normale vervulling, of niet-vervulling van een begeerte gepaard gaan: zij is sterk vatbaar
voor emoties, zodat dan haar bewustzijn meer en meer gebaseerd wordt op de stoffelijke
verlangens, begeerten en gedachte. Een dergelijke geest draagt bij de terugkeer in haar eigen
wereld - wat U wel, eens het begeertelichaam noemt - maar wat wij beter kunnen noemen een
complex van stoffelijke begeertewaarden, die zij ook in het geestelijk leven tracht te
verwerkelijken, omdat zij ze ziet als een werkelijk deel van het "ik". De geest is dus zeer zeker
niet de grote, onfeilbare geleider van het menselijk lichaam. Zij kan dit op de duur worden. Zij
is het meestal niet. Nu een ogenblik voor de wijze, waarop zij zich uit in de stof. Zoals bekend
zal zijn, uit zij haar wezen in het stoffelijke onderbewustzijn. Zij kan slechts in zeer zeldzame
gevallen doordringen tot het waakbewustzijn en dit slechts onder de meest gunstige
omstandigheden. Het onderbewustzijn is een complex van herinneringen, moeilijkheden en
emoties, die, ofschoon van zuiver stoffelijk, niet behoren tot het onmiddellijk bewustzijn van
de mens. De geest tracht hierin die delen te vinden, die het meeste met haar eigen wezen
overeenstemmen. Zij gebruikt deze gedachte en reacties dan om met sterke stimulansen het
lichaam aan te passen aan haar eigen verlangens en begeren. Verder maakt zij gebruik van de
stoffelijke levenscentra, waarin zekere levensimpulsen bijzonder sterk naar voren komen. Gij
uit zichzelve hierin, maar kan hierdoor slechts enkele veranderingen reëel tot stand brengen.
Daarentegen kan zij op de duur zo vele begeerten scheppen of vernietigen.
Zolang de geest het lichaam als vijand beschouwt, zal zij trachten alleen haar eigen waarden
in de stof te doen uiten. Ik kan U dit niet dikwijls genoeg zeggen, omdat het het belangrijkste
punt is in deze bespreking.
Stof en geest zijn in het lichaam meestal vijanden: Vijanden, die steeds weer trachten elkaar
te overwinnen. De strijd, die de geest voert om zichzelve superieur en suprème te uiten in de
wereld, die zij tot de hare meent te maken brengt een voortdurende worsteling met zich, die
geest zoveel als stof voortdurend krachten kost. Tevens betekent dit het niet bereiken van
bepaalde bewustwordingsmogelijkheden, omdat de geest deze uitwist op het ogenblik, dat de
indruk zou worden gevestigd. In een dergelijk geval zal het stoffelijk geheugen grote hiaten
vertonen. Wij krijgen een volledig ongelijkmatige herinneringsvermogen. Wij krijgen een
zodanig ziekelijk herinneringsvermogen, dat het de onevenwichtigheid ook op zuiver stoffelijk
gebied sterk in de hand werkt. Een gewapende vrede tussen stof en geest is bij de meer
bewusten meestal de meest juiste omschrijving van hun toestand. Hier worden de waarden
44
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

van de stof weliswaar de stof gelaten, maar de geest weigert elke aantasting van haar eigen
emoties en wezen. Zolang deze toestand voort bestaat, zal geen vrijwording van het stoffelijke
de noodzaak plaats kunnen vinden. De geest zal wel in staat zijn om op de duur te begrijpen,
dat zij het lichaam toch werkelijk als partner en vriend moet beschouwen, waar anders de
verdere uitbreiding van haar bewustzijn, waar zij toch naar verlangt, niet mogelijk zal zijn. De
toestand van de bewusten - op aarde wel de "ingewijden" of de "meester:" genoemd - verenigt
stof en geest in perfecte samenwerking. Hier wordt het geheel der stoffelijke behoeften
gerealiseerd en door de geest tot een tijdelijk deel van eigen wezen gemaakt. In ruil echter
voor de erkenning van het stoffelijk begeren en de stoffelijke behoeften legt de geest het
bewustzijn alle waarden op, waardoor zij begeerten en behoeften zó weet te richten, dat zij
voor de geest geen schade kunnen betekenen. Zij zullen integendeel dan vaak een bevestiging
van in de geest levende waarden betekenen. Op deze wijze bevestigt de geest zichzelve in de
stof en bereikt een bewustzijn, waarbij het totaal der stoffelijke waarden in haar begrepen en
verwerkt kan worden. Op het moment, dat de stof geen nieuwe emoties meer heeft te bieden,
zal zij zich terug trekken uit deze stofwereld en een andere uitingsmogelijkheid zoeken om
daar verder bewust te worden.
Ik meen, dat dit korte overzicht voor U voldoende is. Indien U zich echter geroepen voelt om
nog vragen te stellen, zal ik deze beantwoorden voor ik de spreker zelve weer aan het woord
laat.
Heeft de geest, voor zij gaat reïncarneren, geen inzicht in de vijandigheid, die zij tegen de
stof zal voelen, wanneer zij daartoe overgaat?
De geest is gewend in alles wat haar omringt, slechts zichzelve gespiegeld te zien. Zij ziet
zichzelve ook in de stof en realiseert zich te laat, dat in die stof ook andere waarden tot uiting
komen, die zij niet erkend heeft. Het is de zelfprojectie, die hier tot misleiding voert.
En in een volgende incarnatie?
In een volgende incarnatie vindt evenzeer een zelfmisleiding plaats, omdat de
omstandigheden, die stoffelijk optreden, nooit gelijk zijn. Naarmate echter perfecter kennis
van de stof wordt verworven, zal - uit de aard der zaak - kleinere zelfmisleidingen plaats
vinden, waar de emoties, die door de geest in de stof verlangt worden meer in hun stoffelijke
vorm gekend en aanwezig zijn in het "ik'". Naarmate men perfecter leeft, zal men natuurlijk
minder in de stof terugkeren. Dit gaat niet over wat U noemt perfect leven. Als heilige leven,
of als misdadiger leven, maakt niet al te veel uit. Het gaat hier alleen om het in harmonie
leven, zodat de geest het totaal der stoffelijke emoties kan verwerken, zonder krachten te
verspillen aan het bestrijden van de stof, of het regelen van de stof. Is dat duidelijk?
Mag ik vragen: Het moment, dat geest en stof van elkaar scheiden is dat een bewust of
een onbewust moment?
Voor de stof is het een onbewust proces, de geest is er zich van bewust.
Dus de geest verlaat de wereld van de stof zo bewust, als hij indertijd in de stof
geïncarneerd is?
Inderdaad. Met één uitzondering: zomin als de geest bij incarnatie in staat is om de stoffelijke
toestanden te overzien en te begrijpen, waar zij slechts zichzelve ziet in de wereld, is zij in
staat zich beter een juist beeld te maken van de wereld van de geest, die zij nu meer gaat
betreden. Haar voorstelling van de geest is grotendeels op stoffelijk - emotionele waarden
gebaseerd en als zodanig onjuist. Zij maakt een overgangsperiode door, waarbij een zekere
waan blijft bestaan. Deze waan wordt het gemakkelijkste overwonnen, wanneer zij contact
opneemt met andere entiteiten, die reeds een volledig bewustzijn van het geestelijk bestaan
hebben. Hierdoor wordt de geest in staat gesteld, zich te spiegelen aan de anderen en zo
uiteindelijk zich te realiseren, wie en wat zij zelve is. Voldoende duidelijk?
Kan de stoffelijke mens mee helpen om dat bewustzijn te bereiken, of het doel te bereiken,
dat de geest zich gesteld heeft?
Waar zij zich meestal stoffelijk niet bewust is, neen. De mens kan de geest pas helpen een
doel te bereiken, wanneer hij er zich van bewust is, wat de geest is. Wanneer de geest vertoeft
in de wereld van de geest, kan zij door de stof hoogstens gewezen worden op misvattingen
omtrent haar wereld. Maar zij kan nooit en te nimmer geholpen worden. door de stof in de zin,
45
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

dat men haar een hoger bewustzijn geeft. Dit kan zij slechts verwerven, of door het afzweren
van bepaalde reacties in haar voor zichzelve verwerven. Duidelijk genoeg?
Dus wij zijn een combinatie van stof en geest, zoals wij hier zitten?
Inderdaad. Als U het precies wilt zeggen: U bent een ziel, die een bewustzijn in zich draagt en
met dit bewustzijn tesamen zich uit in haar tegendeel, n.l. de geuite materie, waar zij zelve
immers de geuite kracht is. Mag ik aannemen, dat dit voldoende is voor U?
Dan geef ik het woord over aan de spreker zelve, die zijn betoog nu voort zal zetten. Ik hoop,
dat het voor U geen teleurstelling is geweest, dat ik mij heb bepaald tot de hoofdzaken en mij
niet heb gewaagd aan bijzonderheden.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
U heeft hier dus verschillende dingen kunnen horen en heeft daaruit voor U zelve ongetwijfeld
conclusies getrokken. Het conflict tussen geest en stof vraagt van ons in de eerste plaats een
realisatie van onze eigen toestand. Wanneer wij eenmaal weten, dat er in ons zich een strijd
afspeelt tussen geestelijk streven en stoffelijke waarden, dat de geest alleen reeds door het
stoffelijke bewustzijn hieromtrent haar taak vereenvoudigd vindt, dan zal het haar vaak ook
mogelijk zijn om meer met de stof in contact te komen. Wij zulten thans nog een ogenblik
trachten toe te lichten, hoe stof en geest tegenover elkaar staan. Stelt U zich voor, dat een
kracht gedeeld wordt tweeën. Wij hebben een grote cirkel. Deze wordt zó gedeeld, dat er twee
cirkels worden gevormd, die tesamen dezelfde oppervlakte hebben als de grote cirkel. U kunt
ook zeggen: bollen en inhoud. Dat blijft hetzelfde. Deze vormen elk afzonderlijk, een
afgesloten wereld. Zij zijn echter in kracht aan elkaar tegengesteld. Deze tegengesteldheid
brengt met zich mee, dat zij, indien zij elkaar beschouwen, in de ander niet meer eigen
waarden ontdekken, maar waarden die zich aan het eigen bewustzijn onttrekken. Wanneer wij
twee volkomen tegengestelde waarden naast elkaar stellen, zal geen der beiden zich een reëel
beeld kunnen vormen van de andere waarde. Zo is het met geest en stof. De geest kan zich
geen reëel beeld vormen van de stof, zolang zij de stof niet heeft gekend van binnen uit. De
stof zal nooit de waarden van de geest kunnen erkennen, wanneer zij niet de vormende
waarden van de stof aan zich zelf ervaren heeft. Stelt U zich nu voor, dat de beide cirkels zo
dicht bij elkaar worden gebracht, dat de buitenste grenzen, de omtrek dus, een punt van
aanraking vertonen. Dan is er een moment, waarop waarden van beide werelden door iemand,
die zich langs deze buitenste lijn beweegt, worden ervaren. Dit is het begin van het bewustzijn
van de ziel, van de vorming van de geest. Naarmate zij verder doordringt in de stof, zien wij,
dat een deel dezer cirkels elkaar gaat overlappen. De cirkels zijn even groot en er kan van
absolute congruentie worden gesproken. Zij zullen elkaar steeds meer gaan dekken, gaan
overlappen. Maar er blijft dan nog steeds een deel, dat buiten het bereik van de stof blijft,
zoals ook een deel van de stof buiten het bereik van de geest blijft. Telkenmale weer zullen wij
echter trachten elkaar dichter te benaderen. Wanneer wij elkaar volledig dekken, betekent dit,
dat het leven van de beide werelden geheel één is geworden. Het geheel één worden betekent
tevens een verliezen van de eigen waarde en een opgaan in de grote cirkel, waarvan in het
begin deze beide kleine cirkels zijn uitgegaan. Dit is als stelling voor U nog begrijpelijk,
nietwaar? Dan heeft U nu een conceptie van geest en stof, zoals wij die te zien kregen. Wij
stellen ons nu echter dit voor: in alle wezen, in alle stof, is traagheid een eigenschap. Een
traagheid, die met alle krachten tracht om de bestaande toestand te handhaven. De geest zal
trachten de in haar levende waarden volledig te handhaven, zoals ook de stof tracht de in haar
bestaande toestanden ongeschonden te bewaren en aan zichzelve gelijk te houden. Waar de
geest voor de stof en de stof voor de geest een verandering brengende kracht betekent, zullen
zij dus noodzakelijker wijze krachtens deze eigenschap elkaar moeten bestrijden. Er bestaat
o.i. niet de mogelijkheid van werkelijke vrede. Er kan sprake zijn van een samengaan, van een
werken in één richting. Er kan evenzeer sprake zijn van een tegen elkaar ingaan. Dit is dan de
vijandschap. Maar in alle gevallen beschouwt de geest de stof en de stof de geest als iets, dat
vreemd is aan het eigen wezen. Slechts een gedeelte wordt geheel ervaren als deel van het
eigen "ik". Dat is het deel, waar geest en stof elkaar geheel overlappen. Veel commentaar is
hierop niet mogelijk. Het is een voorstelling, die U voor U zelf moet uitdenken. U zult

46
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

begrijpen, dat in de mens zeker nog geen sprake is van een elkaar dekken der waarden.
Wanneer wij spreken van een overlappen van een derde deel, geven wij een ruime schatting
van de gedeelde eigenschappen. Het resultaat hiervan is, dat Uw geest altijd vreemd zal
blijven aan de stof, zoals ook een gedeelte van de geest altijd aan de stof vervreemd blijft. Het
conflict tussen geest en stof komt er uit voort, dat men zich dit niet realiseert. De geest wil
geheel de stof beheersen, ofschoon zij dit niet kan begrijpen. De stof wil geheel haar wezen
ook in de geest geuit zien, ofschoon zij noch de geaardheid van de geest, noch haar
capaciteiten begrijpt. Op het moment, dat U dit weet, is het dus redelijk te trachten om in Uw
eigen wezen deling te brengen tussen stof en geest en wel in zoverre, dat U vaststelt, dat een
aantal functies, handelingen en gedachte zuiver stoffelijk zijn. Dat deze alleen volgens de
stoffelijke normen beleefd mogen worden, dat deze alleen mogen worden gezien als een
lichamelijk gebeuren etc.. Daarnaast zullen er een aantal impulsen zijn, hoofdzakelijk intuïtieve
gedachte, die niet moeten worden geprojecteerd in de stof, maar voorlopig in zichzelve
moeten worden verwerkt. Wanneer wij dit doen, dan is de strijd voor een groot gedeelte
opgeheven. Vermindert de strijd, dan is ook de spanning niet zó groot meer en kunnen beiden
elkaar bereiken. Hoe meer zij op deze wijze met elkaar omgaan, hoe meer wij geest en stof in
een gelijktijdige uiting zien. Is deze gelijktijdige uiting volmaakt, dan zal er geen angst meer
worden ervaren, omdat alle waarden, zowel van de stof als van de geest, worden begrepen.
Beiden worden gezien als eenheid. Men vreest niet meer voor lijden en dood, want dit zijn dan
waarden, die niet meer in de vocabulaire voorkomen. Er is misschien sprake van een wisseling
van omstandigheden, maar de geest kan dit accepteren en de stof is van haar eigen
onvernietigbaarheid overtuigd. Lijden heeft alleen betekenis, wanneer de stof zich het lijden
toe laat voegen. In samenwerking met de geest is zij echter in staat om alle lijden voor alle
tijd af te sluiten. Zij kan dus elke ervaring ontgaan, indien zij dit wenst. Uitputting betekent
niets meer, want de gelijke geaardheid van stof en geest maken het mogelijk voor de geest
om de stof in stand te houden, terwijl de stof op zijn beurt voedsel kan geven aan de geest,
indien de geest hieraan behoefte heeft. Dus: een perfecte eenheid, die zichzelve in stand
houdt. Valt de angst weg, de vrees, dan valt ook al heel gauw de begeerte weg. De begeerte is
uiteindelijk ook op een zekere angst gebaseerd. De stoffelijke drijfveren der begeerte zijn
geschapen op grond van een bepaalde angst. De angst voor het niet continueren van het eigen
ik. Dit als voorbeeld. Zonder deze waarden zal de wereld zeker niet uitsterven en de mensheid
ten onder gaan. Maar zij zal geen slaaf meer zijn van haar eigen wonderlijke denkstelsel, dat
wij dan de naam hebben gegeven van menselijke psyche. De grondstellingen, gegeven in deze
korte uiteenzetting, beveel ik zeer in Uw aandacht aan. Indien het gecombineerd wordt, met
wat U op de vorige bijeenkomst hebt gehoord, kan het U een inzicht geven in de waarde van
Uw geest, zoals zij in tegenstelling met de stof bestaat en misschien daardoor in staat zijn, de
eenwording van stof en geest bij Uzelve te bevorderen. Ik zou er verder op willen wijzen, dat
het erkennen van de tegenstelling stof - geest in een ander, voor U vaak de verklaring geeft
van gebeurtenissen en zaken, die zich anders aan Uw begrip onttrekken en dan moeten
worden uitgelegd op een onlogische wijze. Het zal U verder kunnen leren om de wereld op
haar juiste waarde te schatten. De wereld verwerpen is dwaasheid. De wereld suprème stellen
boven al het andere is evenzeer dwaasheid. U bestaat uit twee werelden, die elkaar treffen in
Uw wezen: de mens. Beide werelden moeten tot hun recht komen. De volgende maal zullen
wij ons verder bezighouden met de geest. Wij zullen trachten dan de uitingen, die de geest de
stof oplegt, verder te ontleden om enig inzicht te krijgen in de verschijnselen, die speciaal door
de geest in de stofwereld worden veroorzaakt. Ik hoop daarna nog gelegenheid te vinden om
het omgekeerde evenzeer te belichten. Voor deze maal dank ik U voor Uw aandacht en wens U
verder nog een aangename en gezegende avond.
o-o-o-o-o
Ik heb wel een vraag. Of die verstandig is, moet U maar beoordelen. Het gaat n.l. over wat
wij voor de pauze gehoord hebben. Er werd ons gezegd, dat een geest, die wil incarneren,
meestal een verkeerd stoffelijk voertuig kiest, omdat hij de eigenschappen van dat voertuig
niet kan beoordelen. Nu is mijn vraag dit: Wordt die geest bij die keuze niet geleid? En zo
ja, waarom is het dan nodig, dat deze keuze altijd zo verkeerd is?

47
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

Mag ik in de eerste plaats opmerken, dat U hier niet slechts aanhaalt, wat in het eerste
gedeelte van de avond werd gezegd, maar bovendien aanvult met gegevens, die U van andere
bijeenkomsten hebt?
Ja. Dat is inderdaad zo.
Vergeet U niet: wij weten precies, wát wij gezegd hebben, waar wij het gezegd hebben en
zelfs wanneer. Verder is Uw vraag in zoverre verstandig, dat de vraag zelve reëel genoeg is.
Een antwoord hierop werd al meerdere gegeven, maar wij kunnen het nog wel wat
uitgebreider zeggen. Op welke manier verkrijgt de geest haar bewustwording? Hoe komt de
ziel aan zijn bewustzijn? Dit werd in het eerste gedeelte besproken. Door ervaring. En wel door
herhaalde ervaringen, waarbij dan emotie in het "ik" ontstaat en hierdoor een aanvaarden en
realiseren van de buitenwereld voor het "ik" mogelijk wordt, nietwaar? Stelt U zich nu eens
voor, dat men alle tegenstellingen uit de weg ruimt. Kan er dan nog bewustzijn zijn?
Neen, niet zonder alle tegenstellingen.
Neen? Dus alleen maar de verkeerde keus uit de weg ruimen? Maar hoe moet die geest dan
weten, wat zij wél en wat zij níet is? Juist de fouten, die zij maakt stellen haar voor ogen, wat
waarde heeft in haar eigen leven, dus wat waar is en wat alleen maar waan is. Wat dus een
verkeerde associatie is. Het is dus begrijpelijk, dat - al is er zeer zeker veel leiding - die leiding
zich zeker niet met de keuze van de incarnatie gaat bemoeien. Wel met de mogelijkheid. Zij
zal misschien wel een lichte wenk geven, maar zij zullen U nooit dwingen: Wees dus maar niet
bang. U zult nooit behoeven te zeggen: "Jawohl, mein Fuhrer", wanneer U wilt incarneren. Het
zit eigenlijk zo in elkaar. Een geest heeft een voorstelling van het leven in de stof. Zij heeft
deze gekregen door eerst onbewust een binding met de stof aan te gaan, toen steeds meer en
meer, tot zij uiteindelijk mens kon worden. Zij heeft dus een voorstelling. Die voorstelling is
meestal niet geheel juist. Zij denkt, dat zij superieur is aan de stof en deze zonder meer zal
kunnen gaan beheersen, Het is overigens ook de bedoeling, dat zij op de duur met de stof zo
volledig wordt, dat zij a.h.w. het vormende, scheppende en denkende vermogen uitmaakt,
terwijl de stof het vormdragend en uitend deel is van het leven. Maar die geest heeft nu wel
een hele hoop praatjes, zij moet ze echter ook waar maker. Daarom incarneert zij juist: zij wil
wat doen. Je kunt nu wel heel aardig gaan zeggen: "Kinderen, hier heb je een rekenboekje.
Dan geef ik je alle antwoorden. Reken het dan maar eens na". Denkt U, dat die kinderen dat
doen? Zo zeggen zij ook tegen de geest: "Kijk eens, dat is je probleem. Je vindt hier niet meer
aan in deze sfeer. De hogere sfeer kun je nog niet begrijpen, die kun je niet begrijpen, daar
kun je nog geen contact mee krijgen. Je vindt hier alles zo langzamerhand vervelend gorden.
Dan moet je gaan incarneren". "Uitstekend', zegt die geest, "dan zal ik eerst dit en dat”. "Denk
erom", zeggen ze dan, "je kunt niet alles". "Ja, maar ik kan het wel". "Goed, probeer het dan
maar, stoot je neus maar. Dan leer je wat en kom dan later maar terug". Zo gaat dat, begrijpt
U? Wanneer er per slot van rekening geen zin hebt in lijden en strijd, dan zou het er ook niet
zijn. U kunt het natuurlijk wel voor Uzelve oplossen. Als U in staat bent - en dan moet U een
heel eind komen - om bij al Uw lijden, bij elke tegenslag, bij elke teleurstelling, die U
ondergaat, ook na te gaan: waarom. Wanneer U dat weet, dan zijn de verschijnselen weg. Dan
bemerkt U opeens, dat het helemaal zo gek niet is, dat U het bewust zelf kunt veranderen. Dat
merkt U dan wel. Maar U moet eerst leren om dat te doen. De geest moet eerst leren om zich
zelf te kennen en weten hoe zij zich zelve temidden van de Schepping moet uiten in de stof.
Dan komt de rest van zelf wel. Duidelijk genoeg zo? (Ja). Wie heeft daar commentaar nog op?
Er blijft mij nog één vraag over: Ik heb voor mij zelf ook nog al eens het gevoel, dat geest
en stof tegen elkaar indruisen. Maar wie moet het nu zeggen? Moet die stof nu toegeven,
of moet die geest altijd maar toegeven?
Kijk eens: wat doe je, als er twee mensen zijn die samen een zaakje hebben? Het hele leven is
uiteindelijk een zaakje, nietwaar?
Ja, dat is zo.
Nu zitten er twee experts. De een is de inkoper en de andere is de verkoper. Wanneer de
inkoper zich met de verkoop bemoeit, dan heb je grote kans, dat de zaak verkeerd gaat en
omgekeerd al precies zo. Want als de verkoper gaat inkopen, vergeet hij een hoop factoren,
waar de inkoper wel rekening mee houdt. Zo is het nu met stof en geest ook. Kom je voor een
probleem te staan, vraag je dan af: "Wat is de waarde hiervan? Is het stoffelijk, is het
48
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

geestelijk?" Probeer het niet te zien, als iets van allebei tegelijk. Deel het rustig. Zeg, kijk, dit
is een probleem van de geest. Dat moet ik dus oplossen met een volkomen negatief van de
stoffelijke waarden. Dat is geestelijk. U moet er een oplossing voor vinden. Maar hier is de
geest superieur. Het volgende ogenblik sta ik tegenover een probleem, dat stoffelijk is. Dat
moet ik dan ook stoffelijk bepalen. Ik wil natuurlijk niet hatelijk zijn, maar stel je nu eens voor,
dat je geestelijk gaat bepalen, of je gaat vermageren of niet. Je kunt het wel doen, hoor. Je
kunt gaan zeggen: Als mijn lichaam zoveel slanker en zoveel gezonder en steviger is, is het
vitaler en dan kan ik er geestelijk meer mee gaan doen. De geest kan dan wel "ja" zeggen.
Maar als de geest zegt: ik ben te slap, ik verdraag dat niet, dan heeft de geest ook niets meer
te vertellen. Dan is er een fout gemaakt. Als de stof zegt: Ik wil lekker eten, dan zegt de
geest: goed. Zoek geen genotzuchtige emoties in dat eten, maar lekkier eten mag je best.
Voor mij is het aangenaam,als je jezelf goed in stand houdt. Wanneer het je smaakt, dan
verteer je het beter. Hoe ik het ook bekijk: eet rustig, lekker, maar denk erom, niet alleen
voor het lekkere eten. Want is er voor het lichaam de verzadiging en heeft de geest een ander
probleem, dan kan zij ook rustig tegen het lichaam zeggen: Hé, stop eens even. Je moet er
altijd mee rekening houden, dat het lichaam zijn behoeften heeft en zijn eisenstelt. Iets waar
de geest dus met al haar emoties niet veel in te zeggen heeft. Laat ons maar zeggen:
helemaal niets. Maar het mag niet zo worden, dat men zegt: de geest heeft het lichaam in
stand te houden. Weg met de geestelijke problemen. Het moet U niet gaan, als die zwerf- en
bedelbroeder van een geestelijke orde, die zijn gedachte ogenblikkelijk op de hemel richtte,
wanneer er een vette gans te stelen was. Die stal op een zeer vrome wijze, n.l. in gebed.
Die geest moest dus even weg?
Neen, die geest ging niet weg. Het was nog veel erger. Het was n.l. zo, dat de goede man,
wanneer hij er op uit trok om een gans te stelen, of om de boeren, burgers en buitenlui een
paar aflaten aan te smeren, altijd de Aartsengel Gabriël aanriep. Verder wendde hij zich dan
nog tot ...... hoe heette hij ook al weer? Servatius, geloof ik. Hij riep twee Heiligen aan. Hij
was uitermate geestelijk. Hij raakte dan zo in geestelijke verrukking, dat hij het beest de nek
al had omgedraaid, of de aflaat verkocht, vóór hij het zelf wist. Dat is natuurlijk zelfbedrog. U
zegt nu, dat U het zo leuk vindt. U lacht er even om. Maar ehhh.... Maar hoeveel mensen zijn
er nu bezig om met hoog geestelijke beweegredenen ganzen te stelen? Je moet niet proberen
om een hoog geestelijke motievering te vinden voor hetgeen je stoffelijk doet. Omgekeerd
moet je niet proberen om een redelijke en stoffelijke verklaring te vinden voor je geestelijke
noodzaak. Houdt die dingen gescheiden. Laat de geest de geest leiden en de stof de stof. Maar
probeer dat zó voor elkaar te brengen, dat zij dat in harmonie met elkaar doen. Dus zo, dat
het geestelijke probleem dan ook stoffelijk wordt aanvaard, dat de geest, daar superieur mag
zijn, terwijl diezelfde geest zich er bij neer legt, wanneer het stoffelijk gedeelte op de
voorgrond komt. Dat is de meest verstandige uitweg, en dat zou althans voor U een oplossing
van al Uw problemen kunnen betekenen: Nu, daar was ik bijna persoonlijk geworden. (Niet
erg). Neen, het was niet zo persoonlijk en wat er aan persoonlijke in zat, was niet erg, hé? Nu
.....
Wanneer stof en geest zó in conflict gekomen zijn, dat ik zou haast zeggen, de ziel een
vorm van bezetenheid vertoont. Is dan de persoon zelf alleen in staat om de toestand weer
in orde te krijs gen? Of ehhh .....of zijn er invloeden van buiten, waarmede daar iets aan
veranderd kan worden?
Neem mij niet kwalijk. Uw formulering is tamelijk ongelukkig. De ziel kan n.l, niet bezeten
worden. De ziel IS. Het kan alleen zo zijn, dat de geest bezeten wordt, of wel dat de stof, wat
men noemt, 'bezeten wordt'. Is er sprake van een bezetenheid van de geest, dan heeft dus
een andere geest een zó sterke invloed op de gedachtegang in de eigen geest gekregen, dat
de normale uitingen van het eigen "ik" worden onderdrukt en daarvoor in de plaats vreemde
impulsen komen. Bij de stof is het nog veel eenvoudiger. Daar wordt de eigen kracht en
werking van de geest uitgeschakeld plus een deel van het bewustzijn. In de plaats daarvan
worden vreemde impulsen gevoed, waar door gedrag, handelingen etc. een geheel ander
aspect krijgen.
Maar er is gezegd, dat de geest, ik zal maar zeggen, waanbeelden kan scheppen?

49
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

Ja, maar die schept zij altijd nog zelf. Dat is een kwestie van obsessie. En een obsessie is nog
geen bezetenheid. Iets obsederende is iets, dat uit jezelf geboren wordt, of in jezelf leeft en
zich zo zeer aan de aandacht opdringt, dat het alle andere begrippen op de achtergrond stelt
en op de duur uitschakelt. Dat is een weer een heel andere kwestie, hoor. Je kunt nooit de
waan, die in iemand leeft, zo maar vernietigen. Je kunt wel bereiken, dat die waan
voortdurend doorbroken wordt door anderen. Als voorbeeld: U bent in de geest en U denkt: ik
ben alleen. Nu zie ik kans op een ogenblik, dat U dat "Ik ben alleen" even laat verslappen tot U
door te dringen en te zeggen: ik ben er ook. Dan denkt U, dat U gek bent op dat moment. U
denkt helemaal niet, dat ik echt ben. Maar ik herhaal dat. Dan gaat U op de duur denken: ben
ik nu gek, of is er toch wel iets? Op het ogenblik, dat U die vraag stelt, kan ik doorbreken en
tegen U zeggen: je bent niet alleen. Er zijn er hier nog veel meer. Begrijpt U? Dat is een veel
voorkomende obsessie bij geesten, die sterven en de dood niet willen aanvaarden. Daar weet
ik veel van. Daarom neem ik ook dit voorbeeld juist. Dit kan dus door hulp van buiten
uiteindelijk ook nog wel verbroken worden. Maar degene, die het verbreekt, die de waan
verwerpt moet uiteindelijk het "ik" zijn. Er is geen ander, die dat kan doen. Is het een kwestie
van bezetenheid, waarbij dus een andere geest U beïnvloedt, dan kunnen wij op onze beurt die
andere geest gaan beïnvloeden. Ofwel wij versterken Uw eigen kracht, ofwel wij vallen de
andere geest aan. Dan kan vaak de bezetenheid verbroken worden. Stoffelijk is dat al precies
hetzelfde. Wanneer U bezeten bent, werkelijk bezeten, - laten wij even aannemen, dat ik een
mens ben - en ik heb de kracht, die sterker is dan de bezitnemende geest, of zelfs indien ik
gelijkelijk sterk ben, dan kan ik die geest weg dwingen. Heeft Uw eigen geest dan kracht
genoég om dat te continueren, om die afweer te handhaven, dan zult U niet meer bezeten
worden. Maar anders zal die geest U gemakkelijk weer in beslag nemen, zodra mijn kracht
weg valt. Je zoudt ook kunnen proberen, en daarmee kom je meer bij de stoffelijke
geneeswijze, om bij een dergelijke bezetenheid het leven zo onaangenaam te maken voor
degene, die bezit néémt, dat hij denkt: Nu ja, dat ik aldoor weer in hetzelfde slop verzeild raak
van nu weer een shock en nu weer een dit en dan weer een dat, ga ik er maar van door. Maar
ook dat is geen blijvende behandeling. Het verstandigste zou zijn: de bezitnemende te
overtuigen, dat dit niet goed is, waardoor hij in zichzelve automatisch een afweer schept tegen
de verdere beïnvloeding van een ander. En ten tweede door de méns, die bezeten werd, of de
geest, die bezeten werd tot een beter begrip te brengen van de bezetenheid en de noodzaak
het "ik" sterker tot uitdrukking te brengen. Dat kun je dus wel doen. U ziet, er zitten dus wel
een hele hoop kantjes aan.
Dan geloof ik ook niet, dat dit geval bezetenheid is.
Ik ook niet. Ik meen, dat U het wel degelijk heeft over obsessie.
Dan is er dus geen inwerking van buitenaf mogelijk?
Neen, U kunt dus alleen maar voortdurend blijven demonstreren, dat deze obsessie niet reëel
is. Het beste wat U daarvan kunt hopen is, dat er bij die ander op de duur een twijfel ontstaat.
Op het ogenblik, dat die ander gaat zeggen: maar is het dan wel zo? dan kun je gaan
antwoorden: neen, het is niet zo. Dan kun je je eigen gedachte daarover weergeven. Zeggen:
zo zie ik het. Dat andere is allemaal maar onzin. Desnoods kan je gaan zeggen: Kijk, daar en
daar komt dat nu allemaal uit voort. Zo ben je er aan gekomen. Dan kun je het breken. Maar
als die persoon dat niet wenst te aanvaarden, blijft de obsessie voortbestaan. Die kun je niet
gewelddadig verwijderen.
Mag ik eens vragen: in welke vorm openbaart zich bezetenheid? - Ik zou zeggen: daar
bestaat geen bepaald ziektebeeld voor.
Paranoia of zoiets?
Dat is helemaal niet nodig. Iemand kan bezeten zijn en voor de wereld geheel normaal lijken.
Zonder enige afwijkingen. Want als de bezitnemende geest zich aanpast aan de normen, die
gelden voor het algemeen en het lichaam ook verder respecteert, dan blijft dat lichaam ook
verder in prima staat. Iedereen vindt die mens geheel normaal en toen handelt hij niet volgens
zijn eigen wil en wezen, maar onder de invloed van een ander: Hij is dus bezeten. Om hier dus
een ziektebeeld voor aan te geven, lijkt mij tamelijk brutaal. Je gaat het dan beperken tot een
bepaalde vorm.
Dan is er toch wel een split te bespeuren in de persoonlijkheid?
50
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

Dat is helemaal niet nodig. Als de bezitnemende geest sterk genoeg domineert, komt de
innerlijke verdeeldheid nooit naar buiten. Die kan dus door een buitenstaander niet worden
opgemerkt. Hoogstens misschien door een geest en dan nog alleen - let wel: ALLEEN -
wanneer de bezitnemer niet op een heel handige wijze speculeert op de gemakzucht van de
gastgever en deze niet de kans geeft om juist door deze in bezitname grote voordelen te
verwerven. Heeft U het in de gaten? (Ja) U zult zich herinneren, dat er inde slaventijd slaven
waren, die het heel erg vonden om vrij gelaten te worden. Want, zo zeiden zij, nu moeten wij
voor ons zelf zorgen. Dit kan natuurlijk ook geestelijk bestaan. Bezetenheid kan als conflict
ook tot uiting komen. Het kan zich uiten als paranoia. Inderdaad, maar het kan zich ook in
andere vorm uiten. Melancholie b.v. Dus in neerslachtigheid. Het resultaat is naar buiten toe:
stil zijn en teruggetrokken. Geneigdheid tot droefgeestige beschouwingen, misschien zelfs tot
zelfvernietiging toe. U noemt dat een melancholieker.
In werkelijkheid is het een persoon, die zowel de bezitnemende als de eigen geest voortdurend
voor het conflict stelt: wat moeten wij nu? Waardoor, ofschoon zij het samen nogal kunnen
vinden, zij de wereld gaan bekritiseren en verwerpen, die het het onmogelijk maakt om
gezamenlijk gelukkig te leven. Ik zou zeggen: Laten wij ons alsjeblieft niet bepalen tot een
ziektebeeld, wanneer wij het over bezetenheid hebben, want het is geen ziekte. Het kan
ziekteverschijnselen veroorzaken en uiteindelijk als resultaat van de bezetenheid een ziekte
doen ontstaan. Zo zit de zaak in elkaar.
Maar niet elke melancholieker behoeft toch een bezetene te zijn?
Absoluut niet. Laten wij daar even duidelijk zijn.
Dat wilde ik maar zeggen.
Wanneer ik dat ook maar geïmpliceerd heb, heb ik een, grove fout gemaakt.
Ik wilde het alleen maar duidelijk stellen.
Ik heb dus alleen bedoeld te zeggen, dat elk karakterbeeld zelfs het resultaat zou kunnen zijn
van bezetenheid, ZOU KUNNEN ZIJN. Niets IS. Ik heb verder willen stellen, dat bezetenheid
niet noodzakelijkerwijze bemerkt wordt door de medemens. Dat dit in sommige gevallen zelfs
voor de geest heel moeilijk te bemerken is. Het is wel te bemerken, maar soms heel moeilijk,
n.l. wanneer er geen sprake is van een verzet van de gastgever.
Maar weet hij het zelf wel?
Ja, over, het algemeen weet de geest het zelfs heel goed. Neem mij niet kwalijk, dat ik weer
met een voorbeeld aan kom dragen. Maar als U in de tram wilt stappen, en er komt iemand
aan, die U bij de arm grijpt en zegt: Neen, je gaat een taxi nemen Heeft U dan nog de illusie,
dat Uzelf heeft besloten om een taxi te nemen? Neen. Nu, zo is het nu bij bezetenheid ook. Je
kunt wel zeggen: Dank je wel. Je hebt gelijk blij zijn, dat hij je er op gewezen heeft. Want
eigenlijk is die taxi toch wel gemakkelijker. Bent U nu obstinaat, dan geeft U die man een klap
en zegt: Man, blijf van mij af. Ik doe wat ik zelf wil. Dan zegt hij: O, wacht eens even. Hij pakt
U stevig vast en wij krijgen een vechtpartij. Dan kun je verschijnselen krijgen, die wel op
paranoia kunnen lijken. Inderdaad. U kunt ook zeggen: ik zal doen, of ik die man zijn zin geef.
Ik loop dan die taxistand wel voorbij. Misschien dat hij mij dan wel met rust laat. Dan lijkt U
normaal, maar U beidt het niet helemaal. Dan kunt U neerslachtig worden en zeggen: Hij
maakt mij alles onmogelijk, wat ik wil. Dan krijg je die eigenaardige toestand, die nog niet tot
de kenbare gespletenheid leidt, maar dan krijg je, dat onstabiele, dat ongelukkige. Maar als U
zonder meer in de taxi stapt kan het best, dat U voor een ieder een heel normaal mens lijkt.
Als U dit voorbeeld nu maar in de gaten houdt, heeft U het antwoord op Uw vraag,
Wat is eigenlijk de positie tussen de geest en de stof? De positie van het "ik"?
Een moeilijke vraag Wanneer wij zeggen "ik" als mens bedoelen wij n.l. iets anders dan de
geest, wanneer zij zegt "ik". De mens bedoelt met "ik" het totaal van eigenschappen en
verschijningsvormen, die hem maken, dat wat hij is. Daarin zitten dus verwerkt zijn stoffelijke
eigenschappen, hun uiting, zijn uiterlijk plus zijn geestelijke eigenschappen, zijnde zijn
impulsen, drijfveren, intuïtie, die evenzeer deel van de persoonlijkheid uitmaken. Willen wij het
dus veilig gaan formuleren, dan moeten wij zeggen: Ego is ons wezen in een bepaalde
toestand. Of beter nog: het erkennen van ons wezen in een bepaalde toestand. Dat is voor de
mens het "ik!". De geest daarentegen zegt - en zo denk ik er ook over - :het "ik" is de kern
51
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

van het bestaan, dat onverwoestbaar is en onveranderd blijft, terwijl het in zich een
uitbreidingsmogelijkheid voor het bewustzijn draagt binnen de eigen begrenzing. Ongeacht,
wat of hoe er begrepen wordt. Daarvan zeggen wij dan natuurlijk: dat is geest. Maar bekijken
wij de lagere sferen, dan is dat ook niet helemaal waar, want daar kunnen van die
eigenschappen er een paar wegvallen, zonder dat wij niet-ik worden, dus geen ego meer
hebben. Het is dus wel heel moeilijk om antwoord te geven op Uw vraag en dit juist te
bepalen. Ik meen, dat wij het verstandigste kunnen zeggen, dat het "ik" is het ervaren van ons
eigen wezen, zodat dit tussen stof en geest een gedeeld ervaren is. Zodat bij stof en geest
twee kleine "ikjes" één grote "ik" vormen. Een "ik", waarin dan de kanten nog wel eens
verdeeld zijn. Dit is natuurlijk geen antwoord op Uw vraag, maar misschien kan het de zaak
zover verduidelijken, dat U de vraag enigszins anders ziet. (Ja, dank U wel.)
Ik zou nog iets willen vragen over dat conflict tussen stof en geest. Er is gezegd, dat de
geest vanuit het onderbewustzijn meewerkt in het waakbewustzijn. Dat betekent dus, dat
voor ons denken de zin van ons denken uit het onderbewustzijn komt. Zoudt U daar nog:
eens verder op in willen gaan?
Dat de zin van het denken uit het onderbewustzijn komt, vind ik sterk uitgedrukt. U vergeet
één ding. De geest heeft volledig deel aan het totaal van het bewustzijn. Maar haar uitingen
worden als zodanig door de stof niet erkend in de stoffelijke vorm. De stoffelijke "ik”heid
erkent de geest niet als aparte uiting en realiseert zich dit wel onderbewust - of onbewust,
indien U dat liever zegt - maar zal zelf denken: dat is nu mijn geest, die dit zegt. integendeel.
Zij rationaliseert deze geestelijke impulsen probeert ze met stoffelijke reden te omkleden.
Daar komt het eigenlijk op neer. Als U het zo beschouwt, geloof ik, dat er verder heel weinig
over te zeggen is. Wij kunnen dan natuurlijk gaan spreken over het onbewuste en dan komen
wij terecht op de oude uitleg, die ook in deze cursus al eens een keer is besproken en op de
Dinsdagavondkring, die U daar heeft, is het ook meerdere malen besproken. Het
onderbewustzijn wordt, voor zover het de geest betreft, overstemd door alle prikkels, die het
bewustzijn en de reacties, die daarop noodzakelijk zijn. Als resultaat is het een zacht
bijgeluidje: dat wel bemerkt wordt, maar toch niet de hoofdtoon aangeeft. Het is eigenlijk vaak
te verwaarlozen. Zodra het lichaam rust, komt de geest plus het deel der herinnering, dat van
het waakbewustzijn was afgesloten, onmiddellijk weer tot zijn recht. Wij zeggen wel eens: het
bewustzijn is uitgeschakeld in de slaap b.v., maar dat is eigenlijk niet waar. Wij kunnen beter
zeggen: Het bewustzijn is van de waarneming afgesloten en ervaart zichzelve als geheel
binnen de eigen persoonlijkheid. Dan komen wij veel dichter bij de werkelijkheid. Want
wanneer U spreekt van onderbewustzijn op een bepaald moment en wij nemen de
waarnemingen weg, er wordt niets meer waargenomen, zelfs niet het eigen "ik" en zijn, er
blijft slechts over de waarde van het zuivere denken, dan zitten daar ook wel degelijk de
waarden in, die door het waakbewustzijn worden verworven, verweven, excuseer. Als U het zo
beziet, zult U dus kunnen zeggen: De geest is een intrinsiek deel van het wezen, maar haar
impuls wordt niet als zodanig gerealiseerd. U zegt wel:"mijn maag doet hol aan, het wordt tijd,
dat ik weer eens iets eet.” Maar U zegt zelden af nooit: "Hé, mijn geest begint te vragen. Het
wordt tijd, dat ik wat geestelijk voedsel ga nemen." U heeft die behoefte wel, maar U gaat niet
zeggen: het is mijn geest, die dat vraagt. Of Uw geest zegt U opeens: “Nu moet U eens een
ogenblik stil gaan zitten.” Dan zeg je ook niet: dat is mijn geest. Dan zeg je: “Hé, ik voel mij
moe en slaperig. Ik ga eens even lekker zitten.” Begrijpt U nu, hoe U dat zien moet? (Ja).
Blijven er nu nog vragen over? Niet? Dan moet dat schijnbaar eerst eens even verwerkt
worden. Dan gaan wij ondertussen maar verder. Als er tenminste nog meer te vertellen is.
Ik zou nu willen vragen, of die stem van de geest in het onderbewustzijn, of daar niet in
schuilt iets van het harmonisch zijn, het harmonisch voelen: Ik bedoel, wanneer de stem
van de geest, wanneer de geest niet meer tot zijn recht komt, wanneer daar geen gevolg
aan wordt gegeven ook geen gevoel van niet harmonisch zijn, van onbevredigd zijn
ontstaan zal?
Ja, natuurlijk. Dat heeft U toch bij de eerste spreker toch wel heel duidelijk gehoord. Stof en
geest staan over het algemeen tegenover elkaar. Wanneer de stof de geest zijn rechten laat,
dan is het misschien wel een gewapende vrede, maar dan is het vrede. Zolang er nog vrede is,
kan er sprake zijn van enige harmonie. Dat kunt U vandaag of morgen zien, wanneer Eden

52
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

gaat spreken met Krutsjew. Dat zal binnenkort wel gaan gebeuren, denk ik zo. Nu ja,
binnenkort. Het zal nog wel een paar maanden duren, maar dan is het: ook een gewapende
vrede. En toch zullen zij samen borrelen in de beste harmonie. Zo is het met stof en geest ook.
In hun vorm zijn zij nog steeds potentiële tegenstanders. Maar geeft U de geest haar aandeel
in het leven, dan komt men tot een soort gemiddelde. Dan is er reeds, wat U noemt,
harmonie, of tevredenheid. Maar het is een wankel evenwicht, hoor. Het blijft lang niet altijd
bestaan. Laten wij die harmonie vooral niet met sereniteit gaan verwarren. Komt U nog
verder, dan krijgt U natuurlijk een veel sneller reageren op de dingen, een veel sneller
bevatten van de dingen. Hoe groter je innerlijke harmonie - zoals U dat dan noemt - hoe beter
het U gaat. Maar ook: hoe meer de belangen van geest en stof samen gaan smelten. Zolang er
nog een stem van de geest is, is dat het bewijs, dat er nog eisen moeten worden gesteld.
Zolang er nog eisen moeten worden gesteld, al wordt het bewijs daaraan nog zo graag toe
gegeven en voldaan, is dat het bewijs, dat U nog steeds in een toestand van gewapende vrede
leeft. Maar dat Uw harmonie nog zeer gemakkelijk kan worden verstoord en een nieuw conflict
op kan laaien.
Ik heb zo'n idee dat de stof, ons lichaam, een bijeenraapsel van deeltjes is. Iets dat op
zichzelf geen entiteit is. Daarom vind ik het zo moeilijk te begrijpen, dat geest en stof als
vijanden tegenover elkaar staan.
Wel, hoe denkt U over een mier? Deel van het volk, hé? Toch is het een mier. De mens is als
stof in het stoffelijke leven toch tevens deel van het totaal stoffelijke. Nu is de vorm, die wij
tegenover elkaar stellen, wel heel verschillend. Want als wij een mier tegenover een mens
stellen, dan stellen wij een wezen, dat een massabewustzijn heeft - wel een persoonlijkheid,
maar toch een massabewustzijn - tegenover een wezen, dat, wanneer het is zo als het hoort,
een individueel bewustzijn heeft. Een groot verschil dus. De één streeft als eenling en de ander
als deel van het geheel. Toch kunt U zich die tegenstelling wel voorstellen, niet? (Ja). Nu, als U
het dan eens van deze kant gaat bekijken. De stof kent niet de persoonlijkheid. De
persoonlijkheid is de vorming, die de geest kent. Daardoor kent zij ook niet de beperking, die
de geest kent. De geest leeft alleen binnen de beperking van de ziel, die weer op zichzelf een
afgescheiden deel van het Goddelijke is. Wanneer U zich dit ook goed voorstelt, dan merkt U,
dat wij hier met geheel andere dingen te maken hebben. Wij hebben aan de ene kant iets, dat
zich in al zijn delen voortdurend tracht te veredelen, maar daarbij dan ook voortdurend vorm
en vormgeving aan moet passen en te handhaven. Aan de andere kant een entiteit, die zich
bewust wil worden van zichzelve, om dan zichzelve te uiten als deel van het totale zijn. Het
één wil het totale zijn, het ander wil door begrip deel van het totaal worden. De stof in zich is
onbewust, maar de kracht stof als geheel gezien heeft wel degelijk een redelijke functie en
kent wel degelijk een organische ontwikkeling. Wanneer een deeltje ijzer b.v. door Uw lichaam
is gepasseerd, dan zullen de chemici misschien zeggen: het kan als hetzelfde ijzer worden
terug gewonnen. Maar dat is niet waar. Dit ijzer heeft andere eigenschappen dan ijzer, wat
men zo in de aarde vindt. En dat heeft weer andere eigenschappen dan ijzer, wat wij b.v. in
een meteoriet vinden, of het ijzer van een andere wereld. Het zijn misschien wel heel kleine
verschillen, maar het zijn toch ook heel belangrijke. Het heeft een ietwat andere samenstelling
in de kern. Zo is het met water ook. Water in Uw lichaam is vocht, maar vocht in bepaalde
suspensie. Wanneer men dit terug zou winnen, heeft het andere eigenschappen, dan het water
van de zee b.v., of van een slootje. Dus elke transformatie betekent voor de deeltjes, die
daaraan deel nemen een verandering van innerlijke spanningen en daardoor een verandering
van geaardheid. Waarschijnlijk zullen zij mij uitlachen, wanneer ik vertel, dat er niet tien of
twintig vormen van het ijzeratoom bestaan, maar wel een paar duizend. De meeste van die
verschillen zullen de mensen ontsnappen. Toch, wanneer het aankomt op het samengaan met
andere stoffenmenging, reactie, cohesie, adhesie etc., dan zijn deze allen iets andere normen
en wanneer die allen in het juiste geheel samen passen kan de stof, de materie, daardoor het
totaal van haar bestanddelen rangschikken in een alle vormgeving omvattende materie.
Iets wat werkelijk álles omvat. Dus zo goed plantaardig en dierlijk leven als mineralen, vast en
gasvormig, zowel als de ruimtelijke ijlheid van losse stofdeeltjes. Alles omvat in één
verschijningsvorm. Stof die a.h.w. geworden is tot een uitgebeeld begrip. Dat is waar de stof
heen streeft. Daarom moet U de stof wel degelijk zien als iets, dat buitengewoon veel invloed
heeft. U moet niet zeggen: Ik heb een stoflichaam. Dat denkt U maar. Dat lichaam is een deel
53
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

van de stof, waar U op het ogenblik mee werkt. Iets, dat krachtens Uw behoeften plus de
machten van de stof een vorm heeft aangenomen met zekere eigenschappen. Maar U kunt die
stof niet zo maar zonder meer even gaan beïnvloeden. U bent afhankelijk van de stof. Dat U
hier of daar heen kunt gaan heeft U te danken aan de graviteit.
Wat is graviteit? Een eigenschap van de stof. Een energetische vorm, waarin de stof optreedt.
U bent dus volledig gebonden. U leeft op een aarde. U bent aangepast aan die aarde. U kunt
niet leven zonder een voortdurend uitwisselingsproces met de materie plaats te doen hebben.
U bent a.h.w. een doorgangshuis, waarin de stof zelve steeds weer hervormt. Nu moet U niet
denken dat ik ga spreken over de gereformeerde materie. Wat dat betreft: een reformatie kan
ik op prijs stellen. Maar het gereformeerd zijn brengt m.i. wel enige bezwaren met zich mee.
Dat is iets dat de stof niet kent: stilstand. In alles is beweging, tot in de meest vaste rotsen en
de meest vast geperste materie toe. Altijd weer wisseling, beweging, omzetting. Het is één
voortdurende hervorming en nooit een vaststellen, dat men nu voldoende hervormd is en blijft
zitten. Ik denk dat, wanneer wij het uiteindelijk van de stof zullen zien - ik denk, hoor, ik weet,
het moet - dat wij dan zullen zien, dat de stof geen vormen meer kent, zoals wij die zien, maar
dat zij in haar verdeling van krachten - uiteindelijk is stof ook niets anders dan kracht - een
specifieke uitdrukking geeft aan al het zijnde. Dan kan dus elke bewustzijn dat zich met die
stof vereent binnen die stof alle vormen, alle voorwaarden, alle condities vinden, die voor een
volledige uiting van dit bewustzijn plus een volledige beleving van het eigen "ik" noodzakelijk
zijn. Dan hebben wij dus de volmaaktheid gevonden, vooral wanneer het bewustzijn ook
volmaakt is. De geest leeft ook in fijne materie, maar ook daarin is zij beperkt. Indien dat
volmaakt zou zijn, nu ja, dan zou de uiting waarschijnlijk afgelopen zijn. Kunt U nu begrijpen
waarom wij spreken van tegenstander?
Ja, daar zat ik juist over te denken. Per slot van rekening komt Uw betoog hier op neer, dat
je in het geheel het Goddelijke, of hoe je het noemen wilt, een stoffelijk principe hebt en
een geestelijk principe?
Inderdaad. De dualiteit, die de uiting is van de monade. Er is een wezen. Maar wil er een
erkenning zijn of een uiting, dan moet er ook een deling zijn van dit wezen in elkaar
tegengestelde principes noodzakelijk. Daarin is eerst de erkenning van het wezen zelve, zowel
als van de delen ten opzichte van elkaar mogelijk geworden, U ziet het dus: Uw samenvatting
is kort en duidelijk.
Is het mogelijk, dat door het groeien van het collectieve bewustzijn ook het individuele
bewustzijn groeit?
Geestelijk of stoffelijk gezien?
Geestelijk gezien.
Neen, stoffelijk gezien wél. Omdat stoffelijk het collectief bewustzijn is een perfectionering van
de massa en een schrede in de wording van de perfecte stoffelijke massa, die onmiddellijk
reageert, zich onmiddellijk aanpast en toch zichzelve blijft, wat de individualiteit der massa
betreft, ook van elk deel. Maar geestelijk gezien is dit niet geheel waar, want van de ene kant:
hoe beter, beter en zuiverder het collectief bewustzijn wordt, hoe moeilijker het ons zal vallen
om als individu slecht te zijn. Inderdaad waar. Maar ook: hoe moeilijker het ons zal vallen ons
los te maken van de gemeenschappelijke normen en te komen tot een persoonlijke uiting van
ons wezen, die feestelijk gezien noodzakelijk is tot voltooiing van het "ik" als een volledig door
het 'ik" gekend iets.
In verband met onze geestelijke groei als mens. Wij hebben als mens toch ook geestelijke
groei gehad. Voor wij het begrip " mens" hadden, waren wij toch eerst een collectief
begrip.
Het individu is dus een ontwikkeling uit de collectiviteit. Inderdaad. Hoe is het nu op het
ogenblik? Ook voor ons in de geest? U moet ons maar zien als een paar bergbeklimmers. Wij
slaan een paar beugels en klimmen maar heel langzaam omhoog. Wanneer wij eens een keer
een gevaarlijk deel over moeten, slaan wij eens een pen met een katrolletje. Dat kunnen wij
echter niet zo gemakkelijk doen zonder dat wij een tegenwicht hebben. Om dat alles in je
eentje te doen is heel erg lastig. Maar als je iemand hebt, die je zekert, dan moet die niet té
ver achter je zijn, maar hij moet niet te dicht bij je zijn. Er moet tussen jou en het collectieve

54
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

bewustzijn, wil je meest ideale gelegenheid hebben om individueel bewust te worden, een
zekere afstand blijven bestaan. Je moet gelijktijdig boven het collectieve uitblijven en toch je
gelijktijdig kunnen blijven baseren op de collectiviteit, als U weet, wat ik bedoel. Wij kunnen
soms op een gegeven moment niet verder meer, omdat wij niets onder ons hebben. Dan
moeten wij eerst aan het touw gaan sjorren tot onze vriend ook weer boven is gekomen,
hijsen desnoods, als het niet anders gaat. Maar als hij weer vaste voet heeft en in staat is om
ons te zekeren, gaan wij weer verder. Kijk eens, wanneer wij niets achter ons hebben staan,
geen collectiviteit, geen gemiddelde, dat ons opvangt, wanneer wij vallen, dan gaan wij
verloren. Dan verliezen wij ons bewustzijn. Wij kunnen wel eens een keer té ver grijpen.
Zouden wij te vergrijpen, dan kunnen wij terug keren tot het collectieve en zo al heel gauw
ons eigen punt weer bereiken. Dan is een wel een les, meer niet. Maar maken wij ons los van
het geheel, dan hebben wij niets meer om op terug te vallen. Misschien dat wij dan gauwer
slagen. Dat ben ik met U eens. Maar slagen wij dan niet, dan hebben wij eigenlijk een briefje
voor onze eigen ondergang getekend. Dan verliezen wij ons bewustzijn en moeten wij van het
begin af aan weer naar boven toe klauteren. Onze persoonlijke bewustwording moeten wij
echter m.i. als individueel zien en staande boven de collectiviteit. Aangezien elk individu dit
voor zich zal moeten trachten, kunnen wij zeggen, dat de collectiviteit het laagst gemiddelde
is, waarboven een ieder zich als individu practisch verheft. Reken dat maar eens uit in Uw
eigen wereld. Wanneer U een gemiddelde gaat trekken, is het altijd aan de lage kant. Ziet U,
waar wij terecht komen? Een basis vanwaar wij als personen verder kunnen klimmen, dat is
collectiviteit. Maar ons bewustzijn is individueel. Als wij door individuele bewustwording
omhoog zijn geklommen en zo anderen misschien met ons mee voeren, dan bouwen wij dus
een collectiviteit op hoger niveau op. Kunnen wij zelf dan niet meer verder, dan zijn er daarin
wel weer anderen, die wel verder klimmen die tonen ons dan, hoe het moet en zo komen wij
weer hoger op. Als individu. Kunt U er zo mee tevreden zijn? Staan er nog meer vragen op de
nominatie, of zijn wij er door heen? Als wij er doorheen zijn, ga ik het woord over geven aan
de laatste spreker.( Stilte ). Het wordt nu niet met een zucht van verlichting aangenomen, dat
de laatste spreker komt, maar U vindt, dat er stof genoeg is gegeven om over na te denken.
Dat ben ik overigens geheel met U eens. Ik heb het een erg gezellig babbeltje gevonden, maar
nu ga ik toch werkelijk het woord over geven aan de laatste spreker. Dan kan die proberen
met een waardige meditatie of overpeinzing de avond voor U te sluiten. Ondertussen zullen wij
zeggen: tot de volgende keer. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden, wij zullen dan deze bijeenkomst gaarne besluiten met het Schone
Woord. Vorm: Meditatie. Onderwerp Uw keuze.

HARMONIE VAN STOF EN GEEST
Kan er harmonie bestaan tussen stof en geest? Stof en geest zijn de twee uitersten van het Al,
die, wanneer zij elkaar beroeren een voortdurende tegenstelling moeten blijven. Kan er dan
harmonie zijn? Harmonie is samenklank. Niet éénwording. Tegengestelden kunnen inderdaad
samen klinken, harmonieus zijn, wanneer zij op voldoende afstand van elkaar staan en deze
afstand redelijk en voldoende wordt bepaald. Wanneer wij de tonen horen van een klavier, dan
weten wij, dat tonen, die op een zekere afstand van elkaar liggen, ofschoon zij zeker geen
trillingsgemeenschap met elkaar hebben, toch harmonieus kunnen zijn. Dat zij samen één
akkoord kunnen vormen, dat zijn eigen klank en schoonheid heeft en een nieuwe trilling wekt.
Wanneer stof en geest het juiste standpunt ten opzichte van elkaar hebben gevonden, zijn zij
zeker niet anders geworden. Wij kunnen hen niet zien als een aaneen gesloten geheel, dat nu
zijn eigen weg kan gaan, waarbij stof en geest één van denken en streven blijven. Maar zij
kunnen zodanig ten opzichte van elkaar staan, dat ergens, misschien in het middelpunt, een
nieuwe waarde ontstaat. Deze waarde is dan wel kosmischs een volledige harmonie. Dit is de
schoonheid van het bestaan. Het is de vrede der realiteit. Gij is niet stof en niet geest, maar
wordt uit beiden gezamenlijk geboren en in het eigen wezen vaag ervaren. Ik heb het
vergeleken met een klank. Laten wij dan zeggen, dat dit een akkoord is van het Goddelijke,
van de eeuwige melodie, die in de Schepping zichzelve voortdurend weer herhaalt. Een motief,
dat zich altijd op dezelfde wijze oplost en toch herhaalt in steeds weer nieuwe klank en toon,

55
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 4 – 26 mei 1955

steeds weer met een ietwat ander ritme een stuk muziek is van wonderlijke schoonheid en
volmaaktheid. Je leeft in de stof. Je bent stof en geest. De stof met zijn luidruchtig bewustzijn
dringt zich op. De geest met haar behoefte tot scheppen, tot creëren en vormen, worstelt
daarmede. Eeuwige tegenstelling. Maar wanneer de luidruchtige stof leert om in haar
luidruchtigheid de scheppende gedachte te verwerken, die de geest op haar afzendt, dan wordt
haar luidruchtigheid langzaam tot rede en schoonheid. Dan is haar uiting niet meer voor de
geest een hinderpaal om zichzelve te beleven, maar een plotselinge uiting in een nieuwe
gedaante en vorm, waardoor de gedachtevorm door de geest geuit opbloeit uit de stof en haar
een inzicht verschaft in haar eigen gedachte. Zo, als het haar anders niet mogelijk ware. Zo
vindt de geest dan het doel van haar zijn in de stof. Zij ziet in de stof, doordat zij uiting geeft
aan haar wezen en het haar mogelijk maakt verandering te brengen, zichzelve te verbeteren
en te komen tot schoonheid. Zij accepteert die stof. De stof, door de geest geleid voelt
plotseling uit redeloze drift, uit eigen onbenullig. bestaan, nieuwe volle waarden. Zij ontdekt in
zichzelve schoonheid. Zij voelt hoe de wereld rond haar verandert. Flauw voelt zij, dat dit de
geest is, die in haar werkt. Krachtiger, schoner dan ooit, samengevoegd in een lichaam, voelt
zij zich doortintelt door een scheppende kracht. Die haar herinnert aan het scheppende
principe, dat haar eens origineerde. Zij is de geest daarvoor dankbaar. Nog steeds zijn zij
tegenstellingen. Nog steeds kent de stof háár vorm, de stof háár eigen wezen. Nog steeds is
het wezen der geest vreemd aan de vormenrijkdom der stof. Maar tesamen hebben zij iets
gevonden, dat bindt. Iets, dat een gemeenschappelijk leven en streven mogelijk maakt. Iets,
waardoor het samenzijn voor elk hunner een nieuwe beleving van het eronder des zijns
betekent. Gebeurt dit, dan spreken wij van harmonie tussen geest en stof. Zeker, er kont een
moment, dat de wegen zich scheiden. De geest, verrijkt met de kennis uit de stof gaat haar
weg in de sferen, waarin de stof haast geen toegang vindt. De stof, veredelt door het
samenzijn met deze geest, keert terug tot de stof en werkt door daarin als de zuurdesem in
het brood tot het schoon, smakelijk en wonderlijk wordt. Totdat het past voor een spijs, die de
Schepper Zichzelve toedient. Het lichaam van een goed mens veredelt de aarde, waarin het
rust. Het geeft nieuwe krachten aan de luchten, waarin delen van het lichaam worden
opgenomen. Ja, het wijdt en geeft nieuw karakter aan de rivieren, waarin de vochten des
lichaams langzaam versikkeren. De stof is rijper en edeler geworden en ook de geest heeft een
beter besef gekregen van zichzelf en de Schepping. Wanneer die beiden weer samen komen,
dan leeft er nog iets door van dat gezamenlijk bestaan in de stof, zoals er nog kennis van de
stof leeft in de geest. En zo bouwen zij gezamenlijk een werk, schoner, beter, harmonieuzer
dan tevoren. Tot er eens een dag komt, dat wij niet meer spreken van harmonie, tot de stof de
geest veredelde, de stof de geest een nieuw bewustzijn schonk, zó schoon, zó sterk, zó ver,
dat men niet meer kan zeggen: dit is geest en dat is stof. Dan zijn beiden één. Dan is er
niemand meer om te zeggen wat wij zouden zeggen, wanneer wij dit zouden kunnen
aanschouwen: Ziet, hier openbaart God Zich aan Zichzelve in volle Volmaaktheid, zijnde Zijn
Wezen in Schepping en werkelijkheid. Voltooid is het Al. Dan geen harmonie meer, maar tot
die tijd de strijd van stof en geest om één te worden. Harmonie van stof en geest, wanneer dit
binnen beider beperking word bereikt voor een kort moment. Gelukkig het wezen, dat een
dergelijke harmonie in zich draagt, want het kent onbewust de werkelijkheid der Goddelijke
Vrede.
Ik dank U voor Uw aandacht.
Goeden avond.
o-o-o-o-o

56
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

LES 5 - MENSELIJKE PSYCHE

23 Juni 1955
Goeden wond, vrienden,
Wij zullen proberen om vanavond een klein beetje op te schieten, opdat wij aan het einde van
de cursus tenminste kunnen rekenen het voornaamste een klein beetje belicht te hebben. Er
bestaat bij ons overigens een vraag, die alleen door Uw kring kan worden beantwoord en die
alleen van kracht blijft, wanneer U op ons voorstel ook werkelijk in wilt gaan. U kunt dat dan
nog eventueel eerst met de aanwezige bestuursleden overleggen. Wij hebben een vierde
cursus als mogelijkheid gesteld. Het zou mogelijk zijn deze geheel of gedeeltelijk op te nemen
in, of zelfs te substitueren voor de voortzetting van de cursus "De Menselijke Psyche”. De
onderwerpen liggen op ongeveer hetzelfde terrein. U kunt dat onderling verder bespreken.
Alleen zouden wij, wanneer het maar even kan, de uitslag nog vanavond willen weten, opdat
wij dan daarna ook de rest van ons programma in kunnen delen. Ik geloof niet, dat er verder
organisatorische problemen of kwesties zijn op het ogenblik?
Mag ik even een vraag stellen? Is het de bedoeling, dat deze kring dus gecontinueerd
wordt? Ik meende, dat er na de laatste keer weer leden mochten worden opgenomen?
Inderdaad: Hoe U deze kring inricht moet U zelf weten. Welke onderwerpen U kiest, moet, U
voor uzelf weten. Maar ik meen, dat U in staat zult zijn de door ons reeds genoemde
onderwerpen beter naar voren te brengen. Maar er zijn er onder ons, die menen dat de
lezingen interessanter zullen worden voor cursist en lezer - onverschillig onder welk hoofd dit
gaat - indien wij deze richting kiezen, dan wanneer wij ons zouden blijven bepalen bij de wat
meer gespecialiseerde onderwerpen van de eigenlijke cursus "De Menselijke Psyche". Wij
kunnen dan in het tweede gedeelte nog altijd op de zuiver psychologische onderwerpen
ingaan, terwijl wij in het eerste gedeelte de meer algemene problemen als onderwerp kunnen
behandelen. Dit is alles overigens ter Uwer discretie. Ik zou zeggen, hierin moet U uiteindelijk
zelf besluiten.
Dan vrienden, zijn we nu al een tijdje met deze cursus bezig en hebben al enkele problemen
kunnen behandelen, o.a. "Angst en Begeerte", als factoren, die voor de mens heel veel
betekenen. Voordat ik overga tot het volgende gedeelte van ons programma, zou ik eerst
willen vragen: Is alles ze duidelijk en acceptabel? Is er nog behoefte aan bepaalde vragen?
Zijn er nog bepaalde problemen gerezen? Ik bedoel hiermee, alleen uit, deze onderwerpen?
In verband hiermee zou ik U willen vragen nog eens in te gaan op het werkelijkheidsbesef,
dat de mens heeft in verband met de waan. U heeft de vorige keer ons gesproken over
geest en stof en daarbij gewezen op de verschillen tussen realiteit en hetgeen wij als
zodanig ervaren. Zoudt U ons niet kunnen wijzen, hoe dit te beseffen?
Zoudt U er bezwaar tegen hebben dit probleem aan de tweede spreker voor te leggen?
Neen, zeer zeker niet.
Anders zijn wij n.l. dit gedeelte van de avond voor de voortgang van de cursus kwijt, terwijl
wij het nu in het tweede gedeelte toch op kunnen vangen. Zijn er nog meer vragen of
problemen, die belichting behoeven? Niet?
Dan wil ik aanknopende aan het voorgaande, trachten om enkele psychische problemen
van de mens te belichten. Ik wil dan beginnen met het conflict, dat de geest kan ontmoeten
in de prenatale periode. De geest kiest zich voor de geboorte een woning. De keuze van
woning is gebaseerd - U heeft dit reeds meerdere malen kunnen horen - op een sfeer, waartoe
zij zich voelt aangetrokken, plus een doel, dat zij zich gesteld heeft. In de eerste maanden is
het zeker niet zo belangrijk, wat er met haar lichaam gebeurt. Zij kan dan over het algemeen
nog heel wat verdragen. Maar naarmate de zwangerschap belangrijker wordt, geteld in de

57
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

omgeving en het gezin, en de vrouw door psychische voorstellingen wordt getroffen, zullen wij
zien dat ook de fysieke reacties van de vrouw steeds sterker en groter worden.
De reactie werkt door op het zieleleven, wat zoals wij reeds hebhen vastgesteld op één van de
voorgaande lezingen, een zeer sterke invloed uitoefent op de toestand van het embryo. Hier is
immers een volledig deelnemen aan de lichaamsstromingen, reacties en voedingsstoffen van
de moeder. D.w.z. dat elke omstelling van klierwerkingen etc. doorwerkt in het wordende
lichaampje. Wanneer in de moeder toestanden ontstaan, die in tegenstelling zijn met de sfeer,
die de geest gezocht heeft, zal dus in die geest het conflict reeds beginnen voor de geboorte.
Hij is dan ook vooral gevoelig voor conflicten, die op een meer geestelijke basis liggen. Onder
de meest schadelijke tendensen kennen wij dan ook o.a. hysterie, twist, onvrede etc.. Erger
nog is, wat men wel eens noemt de te grote zelf-toegevelijkheid van de vrouw, waardoor een
sfeer van “laisser faire” ontstaat.
De geest heeft dat alles niet mede kunnen berekenen. Zij is daarvoor nog niet bewust genoeg.
Was zij dit wel, dan zou zij niet meer behoeven te incarneren. Zij staat dus voor de grote
moeilijkheid deze veranderingen, die voor haar als een schok komen, te verwerken, terwijl de
verbinding tussen haar en het wordende lichaam - vergeet dit niet - nog slechts ten dele in
orde is. Dit brengt met zich mee, dat de geest zich van bepaalde gebieden - vooral op
emotioneel gebied - terugtrekt en vaak de verbinding naar het lichaam juist op dit gebied zwak
wordt. Hier krijgen wij dan dus een zuiver dierlijke sensitiviteit, een zuiver dierlijke
overgevoeligheid, waarbij alle aspecten over het algemeen schrikreacties zijn, waardoor een
verdringing uit het bewustzijn van vele acties en reacties mogelijk wordt. Dit juist dus door de
gebeurtenissen in de prenatale periode. Hierdoor ondergaat de geest gelijktijdig dus een
inkrimping van haar werkgebied en is slechts zelve in staat te realiseren waarom. Het waarom,
dat zij niet kent, schept in haar een onbevredigdheid en leidt tot een verscherpte uiting op de
andere gebieden, die nog wel tot haar gebied behoren.
Bij dergelijke personen, instabiel als zij zijn, zien wij, dat de geest dringt tot beleving op
lichamelijk gebied, terwijl het lichaam zelf zich zelfs meer kenbaar kan maken, dan bij een
normaal persoon. Elk conflict in de voorgeboortelijke periode, vooral in de laatste maanden
van de zwangerschap, is voor de geest dus wel zeer fataal. Zij wordt in haar mogelijkheden
belemmerd, zij wordt in haar uitingen omgeschakeld in een andere richting. Zij leeft dardoor in
een voortdurende strijd met de stof, die voor de geest, zowel als voor de stof op de duur zeer
uitputtend kan worden.
De stoffelijke mogelijkheden, die op kunnen treden in de prenatale periode, wil ik verder niet
meer behandelen, aangezien er hier aardse deskundigen aanwezig zijn, die U daarover even
goed kunnen voorlichten als ik.
Wij blijven hier bij het conflict "geest - stof" staan, juist voor deze periode. Wanneer dit
optreedt is het voor de geest zeer belangrijk. Het emotioneel beleven is verder niet zeer sterk.
Het is alleen met de moeder gebonden. Er bestaat geen persoonlijk verzet hiertegen, alleen
maar een ervaren. Wanneer echter de emotie het eigen "ik" bedreigt, het wordende mensje,
dan treedt het op dit gebied in tweekamp met de moeder. In deze tweekamp worden dus
krachten uitgeput, die eigenlijk gebruikt hadden moeten worden voor de integratie van stof en
geest.
Geen wonder, dat zoveel ziekten, geestesziekten zelfs, uit deze verschijnselen voort kunnen
komen. Stellen wij dus vast: de menselijke psyche is practisch kwetsbaar vanaf de vijfde
maand van de zwangerschap. Theoretisch zelfs vanaf het ogenblik der bevruchting. Zover
duidelijk en logisch? Geen commentaar? Dan gaan wij verder.
Punt twee: Geboorte. Geboorte betekent een plotselinge verandering. Een verandering is zeker
niet zonder lichamelijk onbehagen wordt doorgemaakt. Aan de ene kant is er de drang naar
bevrijding, gesymboliseerd in de verhoogde bewegelijkheid van het kind, in de veranderingen
van houding. Anderzijds het verlangen naar geborgenheid, terwijl geen voorstelling van de
buitenwereld in zijn juiste vorm bestaat. Ook voor de geest is het zich voorstellen van een
buitenwereld niet geheel mogelijk. Zij kan zich er wel een betere voorstelling van maken dan
de stof, maar zij is over het algemeen nog niet ver genoeg doorgedrongen om het kind

58
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

hierdoor te beheersen. Resultaat: Geboorte betekent voor het doorsnee-kind een schok. Een
schok, die niet alleen lichamelijk is, maar tevens gepaard gaat met een groot aantal emoties,
die voor de geest overweldigend zijn. De geest wordt hierdoor dan ook zeer getroffen. Ook
hier kan het geboorteproces met alles wat er mede samen hangt, een grote invloed hebben op
het geheel der psyche, waarbij afwezigheid van reële gedachtebeelden - behalve dan de
erfelijke in het onbewuste - de gebeurtenis van dit ogenblik nog zeer scherp in de hersenen
wordt afgedrukt en later een belangrijk deel uitmaakt van het onderbewustzijn. Duidelijk?
Dan krijgen wij de jeugd. Beginnende bij het kind wan ongeveer één dag tot negen maanden.
In deze periode begint het kind zijn eigen lichaam te kennen en het eigen zijn te begrenzen.
Lichamelijk is dit eigenlijk een poging tot vaststelling van het eigen "ik" als "ikheid” tegenover
de omgeving. Dit gaat gepaard met vele pogingen om zich in die omgeving uit te drukken,
maar is en blijft in de eerste plaats een ervaringsperiode, waarbij de zintuigen dienst doen als
middel tot ervaring. Later krijgen wij daar ook de redelijke processen bij, maar denkprocessen
zijn de eerste negen maanden over het algemeen weinig, of niet aanwezig. De geest kan dit,
wanneer er van te voren geen schade is aangericht, over het algemeen rustig mee lopen. Waar
dit echter voor haar een nieuw begin is, kan zij juist in deze maanden vaak heel veel doen om
het lichaam te vormen voor het deel, waartoe zij het bestemd heeft. Zij kan een meer grote
invloed uitoefenen op de wijze, waarop bepaalde zintuigen ontwaken.
Dit hoeft echter ook nadelen. Sommige geesten hebben niet de minste behoefte aan uitingen,
die de mensen juist zeer op prijs stellen.
De geest is b.v. in de eerste plaats gekomen om een beeld te krijgen van de stof. Wij krijgen
dan een kind, dat niet actief is en b.v. eerst laat leert lopen, geen neigingen vertoont om
zindelijk te worden. Dat duurt vaak tot het vierde à vijfde jaar, soms nog later. Verder zal het
over het algemeen weinig spreken. Hier is dus een eerste conflict geschapen met de
buitenwereld. Het groeiende "ik", stof, geest, plus bewustzijn, is wel degelijk tevreden met de
heersende toestand. Het beleeft zichzelve volkomen en voelt zich best thuis. Het gevoelt, dat
stoffelijk, zowel als geestelijk, aan alle behoeften tegemoet wordt gekomen. Maar de
buitenwereld dringt aan op een verandering van deze houding, die voor het "ik" wel geheel
acceptabel is, maar toch voor de buitenwereld niet past. Zover duidelijk, ja?
Begrijpelijk, dat hier een conflictwaarde ontstaat van het "ik” tegenover de buitenwereld. Dit is
heel iets anders dan het normaal conflict, dat door stoffelijke behoeften ontstaat. Wanneer een
baby ongemak heeft, protesteert zij door te schreien. Wanneer een baby honger heeft, dan
maakt zij dit kenbaar. Wanneer daaraan niet tegemoet wordt gekomen, dan zal daarop geen
overdadige krachtsinspanning hier over het algemeen op volgen. Is baby echter gewend om
regelmatig verzorgt te worden, dan zal baby ook schreeuwen, wanneer het maar enigszins
mogelijk is. D.w.z. wanneer er ook maar enigerlei behoefte ontstaat. Hier is dus een soort
automatisme, dat moet worden begrepen als een poging tot erkenning en handhaving van het
"ik" in de buítenwereld. Dat is normaal. Het hoort erbij, het levert ervaringen op en is als
zodanig ook geestelijk nuttig. Waar echter iets wordt opgedrongen, dat voor het "ik" niet
aangenaam of acceptabel is, vindt een innerlijk verzet plaats.
Een kind, dat traag is in het leren lopen, spreken enz. kan wel een zeer sterk verzet hebben
tegen de deelname aan de wereld, zoals het die rond zich ervaart. Resultaat: de geest zegt:
neen, het lichaam a.h.w. gedwongen door de van alle kanten gegeven aanmoedigingen, wil ja
zeggen. Er wordt n.l. een zeer sterk beroep gedaan op het "ik” gevoel.
Indien door het kind daaraan wordt toegegeven, dan zullen de ouderen waarschijnlijk zeer
tevreden zijn, dat het bewustzijn reeds zo snel is gekomen. Dat het kleintje van één jaar oud
nu reeds spreekt. Dat kan nietwaar? Of loopt. De geest zegt echter: dat heb ik niet nodig.
Lichaam, dat is niets voor mij. In de bezigheid ontstaat wederom een conflictwaarde. Deze
wordt later over het algemeen terug gevonden in het onderbewustzijn. Wij zien b.v. in
sommige gevallen van stamelen als achtergrond het feit, dat vroeger het spreken als een
belangrijke factor te vroeg afgedwongen werd.
Verder: De geest is in staat emoties te voelen en verder zich een redelijke beeld te vormen
van hetgeen er rond het "ik"gebeurt. Vooral in de tijd, dat het kind klein is, heeft de geest een

59
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

veel groter aanvoelingsvermogen voor de sfeer van omgeving en persoonlijkheden dan later
het geval is. De aura is dan als ontvanger gewichtiger dan later.
Het resultaat is, dat de zinloze manier, waarop zo menigeen met een baby omspringt - indien
zij althans niet oprecht is en dus de uiting van een genegenheid- opnieuw conflicten schept,
conflicten met de buitenwereld. Over de eerste negen tot twaalf maanden van het leven kan
worden gezegd, dat vele van de conflicten met de buitenwereld die later optreden, hier hun
oorzaak vinden. Terughouding tegenover mensen, verdenkingen zonder reden van huichelarij
enz., zoals soms later naar voren komt, tot manie wordt, ja, zelfs een achtervolgingswaan kan
worden, vindt in deze periode vaak reeds zijn oorzaak.
Ik wil niet alle kleine perioden afzonderlijk behandelen en zal nu in eens onderhanden nomen:
de kinderen tot het schoolgaan. Deze periode is gewijd aan het leven in de wereld en met zich
aanpassen aan de wereld. Lichamelijke ervaring plus wereldervaring zijn het hoofddoel van het
lichaam en worden over het algemeen door de geest harmonisch meebeleefd. De geest begint
echter gelijktijdig reeds meningen te uiten aangaande het nog betrekkelijk eenvoudige beeld in
het denkvermogen. Dit omtrent de oprechtheid der mensen, omtrent verschrikking en
vreugden, zoals die geborgen zijn in alle kleine momenten.
Waar voor de kleine mens het tijdservaren enigszins anders ligt dan voor de volwassen mens,
worden de momentsbelevingen veel intenser, heviger en sterker vast gelegd in het "ik" dan
later mogelijk lijkt. Resultaat: wat bij het kind vaak als een fantasie wordt gezien, zelfs indien
het niet stamt uit erfelijke factoren en/of uit een herinnering aan vorige bestaanstoestanden
van de geest - in sommige gevallen is dit mogelijk - krijgen wij hier toch altijd weer te maken
met een waarderen van de wereld. Hieruit worden dan vaak schrikbeelden geboren. Waarom
denkt U dat kinderen zo vaak een onredelijke angst hebben? Een angst voor het duister, een
angst voor dit en voor dat? Niet, omdat er een sprookje over een boeman wordt verteld. Het
gaat er ook niet om, dat zij bang zijn, dat er een spook bestaat. Spook en boeman zijn
uiteindelijk niets dan verbeelde vormen, die staan voor de waarde der onoprechtheid, der
aanvalsdrift van de mensen rond hem. Begrijpelijk? Commentaar?
De periode van het schoolgaan. Schoolgang betekent in de eerste plaats een afgezonderd zijn
van de familie, die tot nu toe een zekere geborgenheid betekende. Het kind wordt gedwongen
voor het eerst geheel op eigen voeten te staan. Dit is niet voor alle kinderen even gemakkelijk
te accepteren. De mens is niet altijd geneigd om deze zelfstandigheid toe te juichen en te
bevorderen. Wanneer de geest zich in de eerste plaats heeft aangetrokken gevoeld tot het
gezin en pas in de tweede plaats heeft gedacht aan de verdere levensmogelijkheden zal er in
het kind vaak een sterk geestelijk verzet zijn tegen de langere verwijdering uit de sfeer en de
omgeving, die in de eerste plaats het doel der incarnatie uitmaakten. Wij mogen dus verder
vaststellen, dat, wanneer het kind wel geestelijk een verder doel in het leven heeft, een
grotere zelfstandigheid in de schoolperiode optreedt en een grotere zelfstandigheid in zeer
korte tijd kan worden verworven. Vaak is die zelfstandigheid ook voordien reeds kenbaar
aanwezig. Verder betekent schoolgaan: discipline en leren.
Dit nu zijn dingen, die voor de geest slechts betrekkelijk acceptabel zijn: Het leren gaat te
traag, omdat het lichaam niet in staat is snel op te nemen. Discipline betekent een aan banden
leggen van een aantal uitingen, die de geest in het lichaam als voor zich waardevol beschouwt.
Reactie: ofwel een vlug en gemakkelijk leren met daarnaast een grote ongedurigheid. De
geest, die leren wil en tot leren dringt - zover als er lichamelijke capaciteiten aanwezig zijn -
maar gelijktijdig zijn volledige ervaringsdrift niet in het leren alleen vervuld ziet. Aan de andere
kant het ijverige zwoegertje, dat niet mee komt, maar toch ijverig blijft leren. De geest, die –
geslagen - het leren maar accepteert, maar niet in staat is daarvoor een bevorderende factor
te zijn. In deze tijd vooral kan de ontwikkeling, van het denkvermogen een grote invloed
hebben, terwijl het contact met andere kinderen primitief, dus niet met leugentjes, voorzorgen
enz. beladen, zoals de grote mensen zijn, een zuiverder beeld kan scheppen van eigen
persoonlijkheid. Minderwaardigheidscomplexen etc. worden echter in deze tijd bij de vleet
opgelopen.
De eerste drie à vier jaren van het schoolgaan kunnen vaak beslissend zijn voor de wijze,
waarop de mens later de wereld tegemoet treedt. Wanneer een mens in de schoolperiode
60
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

wordt gedwongen om te vechten en aan de andere kant ook zo nu en dan eens de gelegenheid
krijgt om te winnen, dan zal hier voor elk mensenkind een gunstige factor worden geboren:
n.l. een soort zelfverzekerdheid, die ook later in het leven vaak helpt problemen te
overwinnen.
Indien echter deze factoren in de eerste schooljaren niet tot uiting komen, dan kunnen de
nevenliggende factoren in de verdere schooljaren van heel groot belang worden. Voorbeeld:
Volksschool. Alle moeders zijn eenvoudige vrouwen. Eén moeder daarentegen, is opgedirkt en
zwaar geschminkt. Resultaat? Jouw moeder is een .... enz.. Is moeder dat? Verdediging?
Misschien: In ieder geval een ervaren van: ik ben anders dan anderen. Dat is in deze tijd vaak
het ergste, wat er maar ervaren kan worden. Vaak hierdoor een onbewust verzet tegen de
moeder. Reactie: een terug wijzen van factoren die vormende vaak van het grootste belang
zijn in deze periode. Conflícten: zelfzucht, dus egoïsme, eenzaamheid. In het komende leven
zien wij vaak de resultaten hiervan. Schooljaren voor hoger onderwijs, het leren van een
beroep, etc.. Het aanvaarden van een verantwoording is voor een kind niet altijd gemakkelijk.
Wanneer het kind inderdaad leert en in dit lerende gedachte heeft iets te kunnen presteren, zal
het zich over het algemeen met vreugde aan de arbeid wijden. Het moet echter een arbeid
zijn, die tegemoet komt aan de eisen van het kind. D.w.z. het moet de gelegenheid geven,
zowel tot leren als beleven en een. uitingsmogelijkheid scheppen, zowel geestelijk als
lichamelijk. Is dit in het arbeidsproces niet aanwezig, dan wordt er naar compenserende
factoren gezocht. Deze liggen meestal in bandeloosheid buiten het werk, waarbij tevens een
verzet tegen de regimentatie, die mogelijkerwijze in het gezin heerst, plaats vindt. In deze
zelfde tijd treden over het algemeen de eerste sexuele problemen op. Hierop hebben wij al
eens meer gewezen.
De volgende periode wordt over het algemeen - ook in de moderne maatschappij - beheerst
door "totem" en "tabu". Allerhande symbolen worden vaak als vererenswaardig voorgehouden,
zonder dat er een reden achter schuilt, die het kind begrijpen kan. Allerhande normale en
natuurlijke fenomenen worden verdoezeld. Er ontstaat een foutieve conceptie van
levenswaarden en levensbegeerten. Wanneer dit plaats vindt is er een verwrongen instelling
van de stof tegenover de stof, die de geest ook zeer sterk beïnvloedt. Resultaat in het latere
leven: Het volgen van de normale wijze van leven kan een weerzin wekken in het
onderbewustzijn, die in de geest ook medeklink. Wat uiteindelijk betekent het onmogelijk
worden tegenover de medemens en het ongelukkig worden in het eigen "ik" met als gevolg de
nodige neurosen etc.. Dan de periode van ongeveer achttien tot ongeveer vijf en twintig jaar.
In deze periode moet de jeugd zichzelve bewijzen iets te zijn. Deze periode brengt dan ook
een zeer grote mate van zelfstandigheid, ook al is deze in vele gevallen meer schijn. Aan de
ene kant is er geen juiste inschatting van de werkelijke waarden en lasten des levens. Het kind
in de mens is nog te veel gebonden aan het verzorgd en zeker zijn, dat gezin en schoolgaan
uiteindelijk hebben betekend. Aan de andere kant komt steeds meer de realisatie op de
voorgrond: Ik moet presteren ik leef en ik wil niet door anderen geleefd worden. De geest is
n.l. in deze periode bereidt de eerste proeven af te gaan leggen in de richting, die zij begeert.
Het lichaam zoekt een vrijheid, die juist in deze periode van rijpheid van groot belang is.
Wanneer de geest de redelijke kans krijgt om haar eigen verantwoordelijkheden te
aanvaarden, wanneer zij niet voortdurend herinnerd wordt aan haar onvolledige vrijheid, maar
een steeds verantwoording en voor het "ik" en voor het gezin, waaruit het stamt, evenals
misschien voor de school, of de fabriek waar men werkzaam is, te dragen krijgt, kunnen wij
hier een gunstige ontwikkeling verwachten: verantwoording is noodzakelijk, zelfs wanneer die
volgens menselijk inzicht eigenlijk niet gegeven mag worden. Een mens heeft zelfstandigheid
nodig. In de eerste plaats, omdat men hierdoor slechts de geestelijke impulsen, die de
drijfveer zijn voor een groot deel der lichamelijke reflexen de juiste uitingsmogelijkheid kan
verschaffen. De geest moet een voortdurende drang uitoefenen op de stof om de stof zo te
leiden naar het door haar begeerde leven, naar het door haar zo begeerde bereiken van
bewustzijn. Aan de andere krant moet de geest harmonisch zijn met de stof en mag geen
onmogelijke eisen gaan stellen. In het geval van onjuiste voorlichting, huichelarij, "totem", en
"tabu" wordt deze periode kenbaar door een sterk veranderen van alle waarderingen. Vaak
wordt al het geleerde eenvoudig opzij gegooid. Hierdoor wordt aan het "ik" veel schade

61
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

berokkend. In het latere leven zien wij dan ook vaak mensen, voor wie een geforceerde
onmatigheid eigenlijk een poging betekent om het zelfverwijt te stelpen, dat met elke
overtreding van de in de jeugd geleerde waarderingen groter wordt. Duidelijk? Dan gaan wij
verder.
Huwelijk. Wij nemen aan dat de gunstigste periode voor het huwelijk ligt tussen het 25ste en
35ste jaar. Na het 35ste jaar lijkt ons geen gunstige periode voor het ware huwelijk meer te
bestaan, omdat dan andere waarden en waarderingen in het "ik" optreden. Er kan dan eerder
van een gezelschap zoeken worden gesproken.
Wij zien de man vaak in de eerste plaats een huishoudster zoeken, terwijl bij de vrouw dan
vaak van het "een broodkaart zoeken” sprake is. Met alle respect overigens voor de
genegenheid, die daar dan vaak mee gepaard gaat. Maar het is niet het vaak ietwat onstuimig
eenwording zoeken van de jeugd. Het huwelijk is een vuurproef. Het samengaan der sexen
betekent geestelijk en lichamelijk een aanpassing. Voor de geest is deze aanpassing vaak
ietwat smartelijk. Maar zij leert op de duur door het geestelijk bestaan van de partner in zich
op te nemen zich te assimileren en door de assimilatie een vergroting van het eigen bewustzijn
te bereiken. Een huwelijk kan in deze periode de grootste vreugde zijn, die er op aarde
bestaat. Het betekent een rijping der geest, een gevoel van verantwoordelijkheid, een
versterking van het doorzettingsvermogen, een vergroting van bewustwording, een scherper
inzicht in het leven. Dit alles gelijkelijk voor de beide sexen, wanneer men in het huwelijk
treedt.
De geboorte van kinderen is in het huwelijksleven natuurlijk ook een zeer groot gebeuren. Het
lijkt mij echter redelijk dit niet in een te vroege periode te stellen. Ik meen, dat én voor de
ouders én voor de kinderen de meest gunstige leeftijd voor conceptie tussen 25 en 32 jaar ligt.
De ouders zijn dan noch te jong, noch te oud. Te jong zijn met het kind leidt tot het
onwillekeurig scheppen van conflictwaarden voor het kind, te oud zijn betekent vaak de
kinderen een mogelijkheid tot uitleving ontnemen, die voor hen nog zeer noodzakelijk is. Voor
de ouders betekent het kind een grote verantwoording en tegelijk een grote zelfvoldoening.
Het kind wordt vaak een zelfprojectie. Men tracht zichzelve te verbeteren en te verheffen in
het kind. Dit kan geestelijk zeer belangrijk zijn, omdat hier de onbaatzuchtigheid sterker naar
voren komt dan tot nu toe in het huwelijk zelve, waar eerst de strijd de uiteindelijke
aanpassing gaf.
Echter dient men er goed op te letten: dat men niet "bezit gaat nemen" van de kinderen.
Wanneer dit zou plaats vinden is er n.l. weer iets schadelijks geschapen. Men gaat het "ik"
teveel zien als eenheid met het kind. Men kan het later niet loslaten. Indien dit later
gedwongen gebeurt, krijgen wij het probleem van een geestelijk en lichamelijk onbevredigd
zijn. Het zoeken van aanvullende waarden hiervoor heeft vaak zeer ongelukkige resultaten.
Wanneer kinderen de aandacht krijgen, die voor hen noodzakelijk is, moet tussen elke
geboorte tenminste twee jaar liggen. Dan pas is van een werkelijk verantwoord ouderschap
sprake. Bij kortere tussenpozen treden allerhande conflictwaarden op.
Verder heeft men er rekening mee te houden, dat bet kind een voldoende attentie behoeft,
ook wanneer er meerdere kinderen zijn. Dit, omdat de jalousie, het verweer, de
zelfhandhavingsdrang in het kind veel sterker en veel wreder is dan bij de volwassen mens,
terwijl dit toch niet teveel op de voorgrond mag komen. De ouders zien zichzelve in de
kinderen, maar kunnen ook vaak zichzelve beter door hun kinderen leren kennen. De
resultaten hiervan ten opzichte van zelfkennis en persoonlijke bewustwording zijn dan ook
vaak uitstekend te nemen. Daar staat tegenover, dat een te hoog grijpen voor de kinderen bij
dezen een overbelasting betekent van het "ik" in een richting, waarin dit niet gewenst is. Men
moet de kinderen durven geven, wat men heeft. Men moet niet datgene aan de kinderen
willen geven, wat men zelve niet bezit. Wanneer een kind boven zijn stand wordt opgevoed -
zoals dat nog steeds op aarde heet, naar ik meen - krijgt het een voor de omgeving, waarin
het moet leven een valse reeks van waarden mee in het leven. Hiermede zal het geestelijk
altijd blijven worstelen. Het is immers bij incarnatie juist af gekomen op de sfeer van dit
milieu? Het kan dan ook met dit milieu meegroeien, maar het kan zich nooit boven dit milieu
verheffen, zonder in een groot innerlijk conflict te komen met de innerlijke drang van "ik hoor

62
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

erbij", terwijl gelijktijdig de rede zegt: Daar heb je niets meer mee te maken. Daar sta jij nu
ver boven. Dit betekent dus een conflictwaarde én voor de ouders én voor de kinderen.
Duidelijk? Dan, verder gaande, de rijpere leeftijd genomen als liggende tussen de 35 en de 45
jaar.
Ik weet, dat noemt men tegenwoordig niet meer middelbaar. Degenen, die die leeftijd hebben,
noemen zichzelve nog jong. Dat doet men echter zelfs nog als men 60 is. Men kijkt dan alleen
maar naar de mensen van 80. Voor ons echter is dit een middelbare leeftijd, omdat er hier een
ontwikkeling begint, die sterk verschilt van de voorgaande.
De vorige fase bracht een geestelijk en lichamelijk zoeken naar een levensvorm. Tussen de 35
en 45 treedt een stabilisatie op. Men heeft een aantal waarden onderzocht, men moet nu
achter leren om deze te gebruiken, te hanteren op een verantwoorde wijze. Er zijn nu vaste
voorstellingen aanwezig, die nooit meer zullen veranderen.
Dit betekent dat de geest in deze periode, dus tegen het 35e jaar, om richting moet hebben
gevonden, die voor haar bevredigend is, zonder een directe tegenstelling tot de stof te
vormen. Integendeel, zo mogelijk harmonieus met de stof samengaande. Zo moet zij haar
doel weten te stellen en te bereiken. Een periode van 10 tot 15 jaar is over het algemeen
voldoende om een zekere bereiking plaats te doen vinden Zij ligt haast altijd onder het peil,
dat stoffelijk als bereiking werd gesteld, maar kan het geestelijke peil vaak benaderen of
bereiken. Wanneer wij begrijpen, dat de geestelijke factoren in de psyche vaak even belangrijk
zijn als de stoffelijke, zal men over het algemeen een gelukkig en redelijk harmonisch kunnen
voeren, ook wanneer nog veel te wensen overblijft. De wens neemt dan echter de vorm aan
van een droom. Een droom, die vluchtig wordt gedroomd en meer een soort uitvlucht
tegenover het "ik" betekent dan een geestelijke waarde in de psyche. Anders wordt het
wanneer de geest haar doel niet bereikt, terwijl ook de stof zijn doel niet bereiken kan. In een
dergelijk geval krijgen wij een sterk verzet tegen de wereld. Juist in deze periode zien wij dan
de mensen, die zich niets van hun medemensen aantrekken. Juist in deze periode wordt de
natuurlijke wreedheid van de jeugd soms omgebogen tot een zeer berekende wreedheid,
waardoor men anderen tracht te laten boeten voor de gebreken, die men in zich zelve erkent.
De periode van 45 tot 60 jaar brengt met zich mede het verouderen. Een aantal omstellingen
in het lichaam enz.. Hierdoor zien wij een aantal stoffelijke problemen rijzen, die gepaard gaan
met geestelijke problemen, wanneer een te sterke binding aan stoffelijke waarden heeft plaats
gevonden. Wanneer de geest n.l. meent alleen in het stoffelijke te kunnen leven en ervaringen
op te doen, zal zij elke poging van het lichaam om zich om te stellen op een nieuwe
levenswijze ervaren als een belediging van haat persoonlijk zijn. Zij schept dan een waarde in
het onderbewustzijn, dat in het bewustzijn als onvrede tot uiting komt. De onvrede leidt tot
het zoeken van compensatie in stoffelijke vorm. Het zoeken van compensatie in stoffelijke
vorm kan vaak leiden tot een vluchtpoging, waarbij men tracht te ontkomen uit de realiteit van
het ouder worden. Hieruit zijn allerhande morele katers te verwachten, zo niet erger.
Daarna de periode van ouderdom. De ouderdom brengt met zich mede, mijne vrienden, dat de
levenservaringen moeten gaan bezinken. Men moet terug gaan zien en a.h.w. uit het
gewonnen ernst des levens dan het goud der ervaring gaan puren. Velen zijn echter niet
geneigd met de ervaring genoegen te nemen, maar menen, dat zij het geheel als zodanig
moeten gaan projecteren in de moderne wereld. De geest zal dit over het algemeen niet doen.
Voor haar is het puren der ervaring voldoende, omdat zij alleen in de bewustwording
geïnteresseerd is. De stof daarentegen is - wat men noemt - conservatief, vooral in de
ouderdom. Men gaat niet al te graag meer met zijn tijd mee. Wanneer dit gebeurt, is het maar
al te vaak een bewijs, dat er iets niet meer gezond is. Men mag niet omwille van de oude
waarde ook steeds weer de oude vorm blijven hanteren. Alleen de innerlijke waarde geldt.
Deze moet worden aangepast aan de wereld, waarin men op dit moment leeft. De mens, die
dit kan doen is meestal in zekere zin evenwichtig, streeft geestelijk en leeft bovendien - en dat
is zeer belangrijk - de mogelijkheid in zich om alras tot harmonie en vrede te komen. Degene
echter, die voortdurend teruggrijpt naar "mijn tijd", wat vroeger is geweest, daarmede alles uit
het heden verwerpende, vlucht terug, maar zijn jeugd. Deze vlucht betekent een verwerpen
van de realiteit, een vervalsen van het verleden en daarmede een verwazen van de ervaring,

63
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

die de geest in zich draagt. De geest zelve wordt onbevredigd en een dergelijke ouderdom is -
over het algemeen niet - direct gelukkig te noemen.
Ik heb U hier kort, in vogelvlucht, een schets gegeven van omstandigheden en situaties, die op
kunnen treden in het leven van de mens.
Ik heb dit gedaan met een vooropgezet doel. Wij hebben gesproken over het conflict tussen
geest en stof, wij hebben gesproken over de angst, wij hebben zelfs gesproken over de
opbouw van de mens en de menselijke psyche als geheel. Wij moeten goed begrijpen, dat het
gehele leven, een uiting is hiervan en dat alle aspecten, die het leven vertoont, niet anders zijn
dan reacties, die onmiddellijk in verband moeten voorden gebracht met het innerlijk evenwicht
"stof - geest". Alle denkvermogen, alle ervaring, alle vorming door omgeving, alle hereditaire
waarden zijn uiteindelijk in het werkelijke leven ondergeschikt aan dit grote probleem: stof en
geest, die samen harmonieus binnen de mogelijkheden van het leven een richting moeten
vinden, waarin beiden gelijkelijk vreugde scheppen en daardoor tot een werkelijk goede
prestatie en vorming kunnen komen. Nu, ik heb er nogal vaart achter gezet geloof ik. Vragen?
Ja, ik wilde eens vragen, ik zou graag willen weten, hoe de problemen van de geest zich
uiten in de prenatale toestand. Bezorgen zij last aan de moeder of zo?
In vele gevallen kan het inderdaad een versterking betekenen van de vlagen van
neerslachtigheid begeerte enz. in de moeder. Maar dat is eigenlijk nog niet eens noodzakelijk.
Wel zal over het algemeen het resultaat voor de moeder zijn, dat in plaats van de prettige
droom- en gevoelstoestand, het prettige zich bezinnen, dat zo vaak met de zwangerschap
gepaard gaat, angstdromen optreden. Het kind wordt dan tot een angst inplaats, van tot een
vreugde, omdat het vergiet van het kind tegen de heersende invloeden te sterk wordt ervaren?
Duidelijk? Nog meer vragen? Niet?
Nu, vrienden, dat was dan een korte, maar krachtige en naar ik hoop duidelijke redevoering.
Mag ik nog iets vragen? Als de vader of de moeder of beiden het kind niet wensen, hoe uit
zich dat dan?
Dat kan zich uiten in een verzet van het kind tegen de vader of de moeder. Maar de grootste
moeilijkheden hiervan worden over het algemeen niet in de prenatale periode ervaren. Daarna
kan een verzet tegen de wereld en een gevolg van zijn. Wanneer een kind dus door de vader
en moeder niet wordt gewenst, geen uitlaat vindt voor de behoefte om geborgen te zijn en te
behoren tot een bepaalde groep, dan zal óf een andere groep deze taak over moeten nemen,
of het kind zal zich ontwikkelen tot een a-sociaal individu, dat de gehele wereld beschouwd als
zijn wettig jachtterrein en prooi.
Dit is dan kort maar krachtig geweest, meen ik. Ik heb opzettelijk mijn betoog wat kort
gehouden, opdat U zo dadelijk over het onderwerp, dat eerst werd aangesneden op Uw gemak
nog zult kunnen discussiëren. Mag ik aannemen, dat het voor U allen voldoende is voor deze
avond? Dan wens ik U allen een aangename en leerrijke bijeenkomst verder.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Ik heb gehoord, dat er een onderwerp voor mij in het vet ligt. Mag ik verzoeken om het eruit
te halen?
Wij hebben de vorige keer gesproken over het begrip van de geest die in conflict, is met de
stof. Ik zou graag van U horen hoe wij als mens ons onze waan moeten realiseren en hoe
wij de werkelijkheid realiseren?
Nu, dat is eigenlijk zeer kort te beantwoorden. De mens realiseert zich misschien dat zijn
realiteit een waan is. Maar hij is niet in staat zich het bestaan van die waan als een realiteit te
realiseren. M.a.w. een mens is nu eenmaal niet in staat om te begrijpen, dat hetgeen voor
hem de werkelijkheid is en het gehele leven uitmaakt, uiteindelijk maar een waantoestand is.
Wij kunnen dus ook niet van de mens gaan verlangen dat hij inziet, dat dit alles waan is. Hij
kan dat niet allemaal als iets onwerkelijke zien. Voor hem is dit alles reëel. Zijn smarten, zijn

64
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

zorgen, zijn geluk zijn voor hem een werkelijkheid, die met stof en geest gelijktijdig en geheel,
door hem worden beleefd. Het wordt dus de vraag: Wat is de waan van de mens? Nu weten
wij althans, - ik meen dat dat reeds behandeld is - dat de menselijke waan ontstaat, doordat
slechts een gedeelte van de realiteit wordt erkend. Wanneer wij dus begrijpen, dat hetgeen wij
zien en ervaren een deel is van de realiteit, kunnen wij het begrip "waan" iets anders stellen.
Dan wordt het dus niets alles wat je denkt te weten, weet je niets want het is waan. Maar:
alles wat je denkt te weten, kun je slechts ten dele weten, omdat het slechts een deel van de
werkelijkheid is. Dan zijn wij er al weer een eind dichterbij. Wij zullen dan de mens, wanneer
wij hem reëel willen gaan zien: in dit probleem van waan en wat er allemaal bij hoort als een
wezen, dat door zoveel mogelijk de werkelijkheid te erkennen: zijn waan kan limiteren tot een
minimum. Wat is nu onze werkelijkheid? Onze werkelijkheid is het ogenblik, waarin wij nu
leven, de handelingen en daden, die wij nu stellen. Wat gisteren is geweest is ons reeds
voorbij gegaan en maakt alleen nog in zijn uitwerking op het moment nu een deel uit van ons
bestaan. Wat er morgen gaat gebeuren zit weliswaar mede verwerkt in al hetgeen, wat wij nu
beleven i.v.m. morgen, maar het valt in zijn reële waarde nog niet te bezien. Dat is duidelijk.
De mens zal dus zijn waan tot een minimum terug kunnen brengen door het maximum van
zijn aandacht op het heden te richten. Ik vind dat ik het er aardig afbreng vandaag, hé? Maar
ik ben nog niet klaar met jullie. Wanneer ik tracht een maximum van werkelijkheid te vinden
door het “Nu” zo intens mogelijk te beleven moet ik in verleden én toekomst als
achtergrondswaarden beschouwen, waarvan ik mij niet geheel los kan maken, maar die toch
waan zijn ten opzichte van mijn beleving in het “Nu”. Dan ben ik al een aardig eind gevorderd.
Maar nu moet ik nog leren om in dit “Nu” alles gelijkelijk intens te beleven. Dat is de grote
moeilijkheid. Want op het moment, dat ik selektief op ga treden en dus de nadruk ga leggen
op bepaalde aspecten verander ik de werkelijkheid. Alles is gelijkelijk deel van het leven,
gelijkelijk deel van het Goddelijker gelijkelijk belangrijk in de werkelijkheid. Slechts vanuit mijn
eigen benepen standpunt heeft het ene een veel groter belang dan het andere. De conclusie,
die wij hieruit trekken zal dus zijn: dat wij moeten trachten het heden zo gelijkmatig tegemoet
te treden. Hoe meer wij uitersten kunnen vermijden, hoe meer wij de gelijkmatigheid in al het
gunstige en al het ongunstige, als ervaring in ons optreedt en daardoor ook door ons geuit
wordt, hoe meer wij ook beter in staat zijn om de werkelijkheid te beseffen, die in al het
geschapene schuilt.
Ook al zien wij niet het totaal hunner consequenties, noch het totaal der werkelijkheid, die er
in zit, dan kunnen wij nog altijd zeggen: wij hebben misschien maar een gedeelte gezien. Maar
dat gedeelte hebben wij tenminste gezien in een juiste verhouding. Voor de mens is het dus
wel belangrijk om een zekere gelijkmoedigheid te betrachten ten opzichte van de
verschijnselen, die zich op het ogenblik voordoen. Het is nog veel belangrijker om een zekere
onverschilligheid te kunnen tonen ten opzichte van het verleden. Een zekere onbezorgdheid
ten opzichte van de toekomst. hebben wij die beide voorwaarden vervulde dan staan wij zo
dicht bij de werkelijkheid als een mens kan staan. Voor de geest wordt de integratie met de
mogelijkheden van het “Nu” als mogelijkheid veel groter, omdat hij verder in het wezen der
verschijnselen rond hem door kan dringen. Voor de geest wordt dus de bewustwording
eenvoudiger en gelijktijdig toch weer meer complex, omdat zij aan de ene kant de
waanwaarde, de onwerkelijkheidswaarde vermindert terwijl zij op deze wijze aan de andere
kant een groter deling van de uitingsmogelijkheid in de wereld voor zich vergt dan de
doorsnee-mens. Het op den duur gaan leven in alle dingen, die wij kennen betekent een
benaderen van de werkelijkheid. In alle dingen geheel doorleven, met wat die dingen eigen is,
betekent voor ons: dat een deel van de werkelijkheid gevonden is. Wel, ik zou zo zeggen,
daar kun je het mee doen. Als je meent dat je het er niet mee kunt doen, dan zeg je het maar,
hoor:
Maar voor ons, mensen, gaat het juist om deze selektie. Deze selektie, dat is voor ons de
moeilijkheid.
Ja, kijk eens, het selekteren der feiten is juist de grote fout, die je maakt. Weet U ook
waarom? Je ziet alle feiten buiten jezelf niet alleen in relatie tot je eigen persoonlijkheid, maar
buitendien in relatie tot de waardering, die je persoonlijkheid daarvoor heeft. De relatie is
juist, maar de waardering is meestal fout. Dus: zo weinig mogelijk selekteren, en als het even
kan, helemaal niet. Alle dingen even intens doen. Alle dingen evenzeer in het ogenblik doen,
65
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

dan kom je zeer zeker tot het meest juiste resultaat. Terwijl je zo, laten wij zeggen: de minste
psychische problemen veroorzaakt zodat het de minst psychopatische consequenties met zich
mee brengt. Als ik even mag afwijken .... Wat is in de wereld hetgeen, dat altijd de zaak weer
aan het donderen brengt? Wat er gisteren is geweest, of wel, wat zij morgen gaan doen. Maar
nooit het heden. Nietwaar. De Duitsers hadden de pest aan de Fransen omdat zij van hen in
het verleden op hun kop hadden gekregen. Toen kregen de Fransen nog veel meer de p aan de
Duitsers omdat zij toen weer van de Duitsers op hun kop kregen. Nu heeft de hele wereld de p
aan de hele wereld, omdat iedereen bang is dat hij van de hele wereld op zijn kop zal krijgen.
Dit ontaardt in haat: propaganda, oorlogsvoorbereidselen atoomexplosies enz.. Zeg nu maar
eens, dat dat logisch is. Zij scheppen een slechte werkelijkheid d.w.z. zij misbruiken de
mogelijkheden van het heden door de mogelijkheden te selekteren in een bepaalde richting.
Zelfverdediging, die op het ogenblik niet zo zeer noodzakelijk is, inplaats van de zelfuiting, die
altijd noodzakelijk is. De uiting der mensheid wordt dus beknot en beperkt ten koste van een
enkel aspect: de zelfhandhaving en verdediging, die onnodig scherp wordt geuit. Nu, dat kun
je begrijpen nietwaar? Maar ik ken van die mensen: die zijn nog veel erger. Die hebben
vandaag zoveel spijt over wat zij gisteren hebben gedaan, dat zij de mogelijkheden van
vandaag voorbij laten gaan. Dan hebben zij morgen weer berouw, omdat zij de gelegenheden
van vandaag voorbij hebben laten gaan. Je hebt ook mensen, die hebben gisteren zó in zorgen
gezeten voor de zorgen die zij vandaag misschien zouden hebben dag zij vol zorgen vast gaan
stellen, dat zij vandaag eigenlijk geen zorgen hebben om dan vol zorg te beweren, dat er nu
natuurlijk morgen nog veel grotere zorgen komen. In beide gevallen is de werkelijkheid van
het leven niet beleefd. Je moet denken, dat hoe meer je selekteert, hoe meer je ook in die
waan terecht komt. Elke selektie op zich betekent dus reeds een versterking der waan. Wat
draagt echter geen selektie in zich? De uiting van je eigen wezen.
In elk wezen zitten bepaalde natuurlijke drijfveren. Deze natuurlijke drijfveren kunnen - laat ik
maar weer eens deftig worden - worden gesteld te zijn de stoffelijke grondslagen van het
karakter plus de eigenschappen van het bewustzijn, die ten opzichte van de drijfveren richtend
werken plus de geest met haar eigen doelstellingen en redenen, waarom zij in dit leven
vertoeft. Ik heb in mij een bepaalde drang om in een zekere richting te gaan. Deze drang is
geen werkelijke selektie. Zij is alleen een selektie, gezien vanuit het kosmische.
Maar zover kan ik niet komen. Ik ben een beperkt deel van het kosmische en moet mijzelve
dus richten tot dat kosmische. Dat kan ik alleen doen volgens mijn eigen geaardheid en wezen,
waardoor ik de aan mijn bewustzijn grenzende bewustzijnsvlakken leer betreden en zo mijn
eigen wezen en bewustzijn vergroot. Waar of niet?
Dus: Leer de eigenschappen van je persoon kennen, leef deze uit. Maar laat je niet door
uiterlijke omstandigheden forceren om het één erg belangrijk en het andere maar onbelangrijk
te vinden. Alles is even belangrijk. De mug, die je dood slaat en de autobus die verongelukt
zijn allebei even belangrijk. Met een verschil, dat de mug in U een moordneming wekt, terwijl
de autobus in U de neiging tot helpen wekt. De persoonlijkheid komt dus anders tot uiting
hierover. Maar de belangrijkheid blijft gelijk. Nu,, ik zal maar vragen. is het een beetje
duidelijker geworden?
Ik dank U wel.
Ik vond mijzelf tenminste in dit betoog buitengewoon helder en klaar. Maar ja, het is voor
jezelf altijd heel moeilijk te zeggen of je helder en klaar bent, vooral als je - zoals ik - weet
dat de vroegere kromheid van je lichaam nog wel eens in je huidige tong kruipt. Iemand daar
nog iets over te zeggen, te vragen of te redeneren?
Je moet dus alle dingen tot je laten komen zonder daar een pressie op uit te oefenen,
zonder daar een waardering aan te hechten?
Zonder daar een waardering aan te hechten. Uitgezonderd de drijfveren, die uit je eigen
persoonlijkheid geboren worden. Je moet kunnen zeggen: wat anderen doen gaat mij niets
aan en wat er in de courant staat interesseert mij niet. Wat daar morgen de consequenties van
zullen zijn, interesseert mij ook niet. Wel interesseert het mij echter, hoe ik zelf op dit moment
dit alles aanvaard. In zekere zin dus ook een selektie. Maar je moet toch niet van te voren uit
gaan zoeken wat er belangrijk is. Ik weet niet, of ik mij zelf wel duidelijk uitdruk? (Ja) Kijk

66
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

eens aan. Ik ben duidelijker dan ik zelf denk. Nu kun je weer eens zien, hoe helder en klaar ik
vandaag weer ben.
Hoe komt het eigenlijk, dat iemand soms zijn somberheid niet kan overwinnen, ofschoon er
eigenlijk geen reden voor is?
Waarschijnlijk, omdat hij - of zij - vreest, dat, wanneer hij vrolijk is, hij meer verliest, dan
wanneer hij somber blijft. Soms is n.l. die somberheid een reden zoeken om het leven te
verwerpen, waarvan je bang bent, dát het jou niet meer zal accepteren. Wel eens over
nagedacht? Neen, hé? Toch is het vaak zo. Kijk eens somberheid betekent vaak het verwerpen
van een bepaald deel van het leven. Een je afsnijden van een reeks ervaringen. Maar waarom
doe je dat? Doe je dat alleen om uiterlijke omstandigheden, dan is de somberheid misschien
nog wel acceptabel. Maar doe je het van binnen uit, zoek je overal de donkere kant in, dan
moet er een reden voor zijn. Wat is de meest aannemelijke reden? Dat je bang bent voor de
lichte kant. Waarom zou je daar bang voor zijn? Omdat het je eigen persoonlijkheid in een
andere situatie zou brengen, waarvan je lang niet zeker bent dat je daarin het zelfde
indrukwekkende uiterlijk zoudt kunnen vertonen als met een somber gezicht.
Wanneer ik zo eens rondkijk in Rozenburg en ik zie daar allemaal van die arme patiënten
zitten, die gewoon blind zijn voor, alle kanten van het leven.....
Dan komen wij met geesteszieken aan dragen.
Zouden die ziek zijn?
Wat dacht je dan? Dat is een zodanige concentratie op het eigen “ik" daar. Waarom
concentreer je je zo op het eigen "ik"? Omdat je op de één of andere manier met de
buitenwereld in conflict bent. Maar deze hypochondrie en wat er allemaal bij komt, is een
ziekte. Een niet durven accepteren, wat de wereld biedt. Daar komt het uiteindelijk allemaal op
neer. Melancholie enz. ziekte. Ik weet het. Daar zijn vaak stoffelijke oorzaken voor. Dan komt
het niet van buiten af maar schuilt het binnen in. Die dingen kunnen dan ook stoffelijk soms al
voor een aardig eind genezen worden. Maar als je het goed bekijkt en er is geen directe
stoffelijke oorzaak voor, dan zie je vaak, dat zij verliefd zijn op hun kwaal, omdat dat het enige
is waardoor zij in hun eigen ogen nog enige waarde kunnen bezitten.
Ja, maar zij komen dan toch in een soort gevangenschap in die gestichten?
Ha,ha, O Heeft U wel eens gehoord van die bedelaar, die elk jaar tegen Oktober een ruit
insloeg, of zich liet betrappen op een kleine diefstal, om zo de winter in de gevangenis door te
kunnen brengen? Waarvoor deed hij dat?
Voor de warmte misschien?
Juist. Hij was bang in de kou te blijven staan. Waarom kruipen die mensen in een geestelijke
gevangenis? Omdat zij ook bang zijn in de kou te blijven staan in het leven. Omdat zij bang
zijn, voor wat zij van het leven verwachten. Bang zijn voor hetgeen zij al eens mee gemaakt
hebben en waarvan zij menen, dat het nog wel eens een keer terug komt. Dan willen zij het
leven uit. Daarvoor nemen zij dan soms een gezellige geestelijke gevangenis en gaan daar met
hun probleem gezellig zitten stoven. Maar het is niet zo gezellig, als zij in het begin denken,
omdat zij hun vrijheid van handelen toch wel heel erg missen. Dan gaat het hen als die
bedelaar, toen hij weer eens een keer dacht drie maanden te krijgen en twee jaar kreeg. Als je
die man toen had horen praten, had je nooit gedacht, dat hij ook nog Nederlands kon spreken,
zoveel lelijke woorden gebruikte hij. Tenminste, Nederlands volgens "de Vries en Te Winkel".
Snapt U nu een klein beetje, welke kant ik op wil?
Eigenlijk snap ik het nog maar half, want die mensen zijn toch wel heel ongelukkig.
Ja, kijk eens. U stoort zich er aan, dat het haast allemaal vrije wil is en deze mensen toch
ongelukkig zijn. Maar dan moet je het eens van deze kant uit bekijken. Dan gaan wij een heel
erg grof voorbeeld nemen. Er was een meneer met een gescheurde nagel. Hij had geen
schaartje bij zich, maar hij had wel een bijl. Zegt hij: "Dat ding ergert mij", legt zijn vinger op
een hakblok en hakt hem eraf. Toen zei hij: "Zo, daar ben ik tenminste lekker van af. Ik heb
wel pijn, maar geen gescheurde nagel meer". Nu was het middel erger dan de kwaal. Dat
ontdekte hij pas nadat hij het gedaan had. Was daarom die vinger er minder af? Kon hij die
vinger weer aan laten groeien zo één, twee drie? Neen, nietwaar? Hij moet leven met wat hij
heeft. Hij kan er spijt over hebben, zichzelf een gek noemen en er zelfs melancholiek onder
67
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

worden, of hij kan zeggen. "Dat was één keer, zo'n stommiteit nooit weer. Maar zonder duim
zal ik er ook nog wel komen". Die lui, die in zo'n gesticht zitten hebben ook eigenlijk een deel
van hun leven afgehakt. Wat zij weg gegooid hebben, krijgen zij niet meer terug. Met wat er
voor hen overblijft zouden zij nog wel heel wat kunnen doen, maar dat willen zij niet. Zij willen
het allemaal weer heel terug hebben. Ik zou zeggen, dat dat logisch is. Je kunt medelijden met
die mensen hebben. Dat is weer wat anders. Maar in 99 van de 100 gevallen, - behalve
wanneer het om lichamelijke defecten gaat - is het min of meer eigen schuld, hoor. Het is
natuurlijk voor U een lastig probleem. Maar laten wij het dan nog eens op een andere basis
stellen. Zij ziet hem, hij ziet haar, huwelijk, paar. Dolgelukkig, zes maanden getrouwd. Hij
altijd achter de krant. Zij altijd met kraagjes en shawltjes aan de gang. Een jaar getrouwd,
scheiding. Hij: "Eén jaar van mijn leven naar de maan''. Zij: "En daarvoor ben ik nu een
gescheiden vrouw. Oh, wat is dat verschrikkelijk". Of misschien zegt zij ook wel: "God zij
dank!”. Maar zij hebben allebei iets verloren: de spontaniteit waarmede zij de eerste keer
samenkwamen en gingen trouwen. Willen zij dat ook duizendmaal in hun leven terug hebben,
dat krijgen zij nooit meer, omdat dat zelfde nooit meer te vinden is. Dan zijn er nog wel
andere mogelijkheden, waarin zij net zo, of misschien wel nog veel gelukkiger kunnen worden,
maar als zij die nu niet meer willen zien? Wat dan? Dan zult U misschien kunnen begrijpen, dat
die mensen ziek zijn, omdat zij zich vast trachten te houden aan waarden, die niet meer
bestaan en ook nooit meer terug kunnen komen. Snapt U mij nu? (Ja). Dat valt mij dan weer
mee. Nu was ik minder duidelijk, dan ik dacht. Maar ik heb het toch gered. Zijn er nog meer
van die problemen. U hoeft niet bang te zijns hoor. Als het probleem ernstig is, ben ik het ook.
Elk antwoord krijgt de vraag, die het verdient of omgekeerd.
In hoeverre kan de mens een ander bereiken met zijn gedachte? Onuitgesproken dan?
Soms wel heel erg ver. Wanneer twee mensen met elkaar harmonisch zijn is dan zullen zij zich
niet altijd realiseren, in hoeverre zij de gedachte van de ander opvangen, maar dan kunnen wij
toch wel zeggen dat een deel van hun denkvermogen gezamenlijk functioneert. Dus zij delen
elkaars gedachte zó sterk, dat als Pa bij Wassenaar zit Ma zegt: "Ik ga de aardappels opzetten,
want Pa komt dadelijk thuis". Maar wanneer twee mensen elkaar volkomen vreemd zijn, dan
kunnen zij natuurlijk niet met elkaar mee denken, want daarvoor kennen zij elkaar niet
genoeg. Bereik je nu echter in hun gedachte een bepaald punt, dat er reeds aanwezig is, dan
klinkt dat mee. Daadoor heb je dus een aanrakingspunt en kun je dus bepaalde denkbeelden
samen delen, maar toch nooit zo sterk op het bewustzijn inwerken als bij iemand, die je na
staat.
Maar bereikbaar is het wel?
Bereikbaar is het wel. In het ene geval is het, of je bij elkaar aan tafel zit. Dan kun je gewoon
met elkaar praten. Het andere geval is, alsof je tegenover elkaar zit in een grote zaal, dan
moet je schreeuwen. Het kan ook zijn, dat je geestelijk zo ver van elkaar afstaat, - gewone
afstand telt niet - dat je elkaar alleen maar per telefoon kunt bereiken. Dat wil dan zegen, dat
je gedachte in het bovenbewustzijn van de mensheid wordt weerkaatst en alleen als
weerkaatsing die mens bereikt. Dan is er natuurlijk niet zo heel veel meer over van de
gedachte, die je eigenlijk uitzend. Maar wat er overblijft, bereikt de ander nog steeds. Wat dat
betreft geldt dit voor alle geest en voor alle sferen. Geest bereikt geest altijd, maar slechts in
zoverrre, als zij een met elkaar gedeeld stukje bewustzijn hebben. Wanneer zij dus
gezamenlijk een punt hebben, waarvan zij allebei bewust zijn, en de gedachte van daaruit kan
elke gedachte, die voor beiden begrijpbaar is, worden uitgedrukt door dit stukje bewustzijn te
gebruiken als contact en kan de gedachte de ander dus bereiken.
Ja, maar op Allerzielen werd ons gevraagd gedachte uit te zenden naar de geesten in de
duistere gebieden. Daar snap ik nu niets van. Dat zijn wezens, waar je nooit van hebt
gehoord en gebieden waar je niets van weet. Hoe kun je die dan bereiken?
Telefoon, telefoon. De gedachte gaan het gemeenschappelijk bewustzijn in. Het geestelijk
bewustzijn van de mensheid als geheel reikt van de hoogste tot de laagste sferen. Nu gaat U
denken aan een bepaalde sfeer en taal met vriendelijke gedachte. Maar in die sfeer zijn
geesten, die hunkeren naar een beetje vriendelijkheid. Het aanrakingspunt is dan dus
gevonden.

68
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

Dus aan de andere kant stellen zij zich open daarvoor en trachten die gedachte op te
vangen.
Juist zodra het gemis erkend wordt. Dat hoort er ook nog bij. Voor sommigen wordt n.l. het
gemis door waan gecompenseerd. Dan zitten wij weer met zo iets als Uw Rozenburgse
patiënten. Maar dan in de geest. Ja,ja,ja,ja. Dat is zo heel wat, hé?
Dus U heeft daar aan Uw kant ook een afdeling Psychiatrie?
Zo zou je het kunnen noemen. Alles wat zij op aarde hel en vagevuur noemen zou je eigenlijk
ook veel de geestelijke afdeling psychiatrie kunnen noemen, waar met een langzame methode
en zonder shockbehandelingen probeert in de geesten een bewustzijn van eigen tekorten te
wekken, opdat zij een aanvulling door anderen van die tekorten zullen accepteren. Wat zou je
daar van zeggen? Werk voor je aan de winkel, later hé?
En onderricht en psychiaters (Niet geheel verstaanbaar):
Zit er ook bij. Moet je later maar eens opletten, hoeveel geesten er zich mee bezig houden met
het leiden en helpen van andere geesten om die tot bewustzijn te brengen. Veelal zijn dat
geesten, die zelf maar gedeeltelijk bewust zijn. Het zijn heus de hoogsten niet. De hogeren
geven hen wel leiding. Dat zijn a.h.w. de psychotherapeuten, die hun beste patiënten maken
tot de helpers en leiders van anderen, zodat deze therapie een dubbele waarde heeft. Voor
degenen, die worden geholpen en voor de helpende patiënt nog weer eens door het
leidinggeven, dat hij doet. Een methode, die wijst op een verantwoorde therapie, die er op is
gericht grote resultaten te krijgen, zodra dat maar mogelijk is. Het ziet er dus niet altijd. Maar
laat ik niet pessimistisch worden. Wij zijn niet heel wat meer in de sferen, dan U op aarde.
Maar ik betwijfel of wij meer psychiaters nodig hebben dan de aarde. Wat dat betreft - en dat
is geen hatelijkheid, hoor - elke tweede mens heeft een psychiater nodig. Degene, die dan
gezond overblijft, moet dan de psychotherapeut zijn, die de psychiater in gezonde toestand
houdt, anders bestaat de kans, dat de psychiater als psychopaat de gehele psychotherapie tot
een psychisch defect doet worden. Dat zijn geen steken onder water, hoor.
Laten wij zeggen, het is een constateren van feiten.
Nu, dat wil ik ook weer niet zeggen. Dat laat ik aan jullie over. Men zegt altijd: "Wie de schoen
past, trekke hem aan." Maar meestal laat men de schoen juist liggen, omdat men niet wil
wetend dat hij past. Na de zeer psychologische waarden te hebben uitgebraakt, ben ik klaar
voor nog meer vragen.
Hoe is liefde-uitstraling te zien van jullie kant.
Nu, dat ligt er aan met voor kwaliteit liefde je hebt. Het is als met nylonkousen. Er is een
kwaliteit, die is geheel doorzichtig. Dat is de beste. Ladderen doen zij niet, want zij is
volkomen gelijkmatig. Dat is de vergeestelijkte liefde. Er zijn ook soorten, daar behoef je
alleen maar naar te wijzen en er zitten al allerhande schichten en ladders in. Dat is hartstocht.
Ja, maar dat bedoel ik niet.
Ja, ja. Dat begrijp ik. Maar om te vergelijken moet je uitersten tegenover elkaar zetten. Zoals
er tussen de beste en de slechtste nylons nog heel wat kwaliteiten liggen, zo is het tussen de
liefde en de hartstocht ook. Ik heb gehoord, dat er zoveel verschillen in nylon zijn, dat ik niet
graag kousen zou verkopen, als ik in jullie tijd leefde. Maar enfin. Er zijn dus heel veel
kwaliteiten en een hoop verschillende merken. Dat is met de liefde precies zo. De liefde gaat
van het hoogste en zuiverste, van het witgouden licht, dat volkomen gelijkmatig is tot een
kleur, die wel iets lijkt op een bloedneus en een blauw oog, die zo'n beetje door elkaar lopen.
Zo kan ik het het beste uitdrukken. Je moet per slot van rekening toch een naam geven aan je
indrukken. Je moet rekenen, dat je wanneer je een indruk uit wilt drukken zonder direct de
indruk te maken, dat de uitdrukking een indruk maakt, dat de uitdrukking een onvolledige
indruk geeft van de indruk, die je door de uitdrukking zoudt willen geven.
Ik heb de indruk, dat U onvolledig bent: Is wat wij er van denken, dan altijd onwaar en
onzin?
Nou, nou. Dat niet altijd: maar laat ons zeggen, dat de meeste mensen er blind voor willen
zijn. En dat is voor de meeste een geluk.
Maar de liefde is toch mooi?

69
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

Als zij een enkele keer zuiver voorkomt, inderdaad. Maar als je de rest erbij moet zien, dan
wordt je menig illusie ontnomen. De mensheid leeft nu eenmaal graag in een wereld van
illusies.
Maar U ziet dat dan schijnbaar toch allemaal wel?
Zeker. Maar wij kunnen het ook beter verdragen dan jullie. Menige mens leeft alleen op zijn
illusies. Dan is het beter, dat hij leeft, al zijn dan ook de waarden van zijn leven illusoir. Wat
de waarheid is, kan hij later altijd nog ontdekken. Maar hij heeft dan in ieder geval een leven
gehad, dat niet ongelukkig was en waarden bevatte, waarmee hij dan toch weer verder kan
gaan. Maar, ontneem je de mens zijn illusies, dan ontneem je hem vaak zijn leven. Want dan
heeft hij niets meer om voor te leven en dan zie je zo'n mens vaak langzaam wegteren.
Gebeurt dat, dan heeft hij dat leven op zijn eigen rekening. Laat dus de mens zijn illusies.
Laten wij alleen maar onthouden: Wij zien het edele en wij kennen het als iets van Goddelijke
waarde en wij drukken het dan ook uit in een licht, dat volgens onze inzichten het Goddelijke
wel heel erg benadert. Maar wij kennen het vaak ook in een andere kwaliteit die nu ja, de
nacht aardig benadert. Dat gaat bij U vaak onder dezelfde naam door. Heel vaak, weet men
daar zelfs nog geen verschil tussen. Zolang als U dat verschil zelve niet beseft, is het onze
taak niet om U daarop te wijzen. Wij hebben het recht niet, U iets af te nemen, als wij er niets
anders en beters voor terug kunnen geven. Zolang wij U geen compensatie kunnen geven voor
de illusie, die wij U zouden moeten ontnemen, kunnen wij U beter die illusie laten, begrijpt U?
Men zegt wel eens tegen ons: "Wat zijn jullie toch altijd aan de voorzichtige kant”. Ik heb
sommige sprekers wel eens horen verwijten dat zij zo vaag waren. Nu geloof ik niet dat dat op
mij gemunt was hoor. Maar in ieder geval kan ik die vaagheid best begrijpen, hoor. Zij kunnen
op een gegeven moment niet verder gaan, omdat wij in onze huidige toestand en met ons
huidig bewustzijn niet in staat zijn, om indien wij meer moeten vernietigen, dan wij geven
kunnen, daar de verantwoording voor te dragen. Snap je? Dus moet de zaak ze worden
uitgekiend, dat je precies datgene geeft wat men nog net begrijpen en verwerken kan en toch
nog net in ons eigen schema van bewustwording past. Daar heeft U dan meteen een verklaring
daarbij. Is de rest uitverkocht met de vragen?
Ik zou op de liefde nog even verder willen gaan. Het is voor jezelf al zo moeilijk te voelen,
of te constateren, hoe je tegenover je medemensen staat. De liefde, die je je zelf verbeeldt
te geven, is vaak niets anders dan een vorm van egoïsme. Ergens in de Bijbel staat zoiets
van: De liefde is onbaatzuchtig. De liefde vergeeft alles". Dat is al één van die dingen, want
als iemand, waar wij van houden, iets tegenover ons misdoet, wordt het ons vaak
moeilijker zo iemand te vergeven, dan iemand, die ons niet na staat en die ons hetzelfde
aandoet. Dus, hoe is het gesteld met onze liefde? Wij weten, zelf niet, of zij stel altruïstisch
is en volkomen beantwoord aan die zin in de Bijbel, waar zij zo mooi in omschreven is.
Zelden. Wat de mens liefde noemt, is heel vaak niets anders dan bezitzucht, trots en begeerte.
Maar je kunt gemakkelijk te weten komen, of je iemand merkelijk lief hebt. Dan moet je jezelf
afvragen: "Zou ik die mens geheel vrij kunnen laten in alle dingen en toch alles, wat ik heb en
ben en bezit willen opofferen om die mens gelukkig te maken?" Kun je zonder voorbehoud
daarop volmondig "ja" zeggen, dan kun je heus wel aannemen, dat je werkelijk lief hebt. Maar
aan een dergelijke vraag zit één bezwaar. Als je die aan jezelf gaat stellen, zit je meestal al
klaar met een spiekbriefje om jezelf nu eens heerlijk te gaan beduvelen. Dan ga je al gauw
zeggen: "Ja, zo is het toch wel. Want toen en toen heb ik, zonder dat er een noodzaak voor
bestond iets van mijzelve opgeofferd aan een ander. Dan zeg je: "Dan heb ik toch wel echt
van die iemand gehouden". Er bestaat ook nog een ander gevaar. Dat is wel niet zo erg, maar
het is er dan toch dat je de liefde lief hebt omwille van de liefde. Dus dat je de liefde zo hoog
en heilig stelt, dat je willekeurig probeert lief te hebben, alleen om de liefde in je leven te
hebben. Dat kun je natuurlijk van twee kanten zien, maar ik bedoel dit natuurlijk van de
geestelijke kant. Dan krijg je te doen met de mens, die altijd alles voor een ander wil doen
zonder daar ooit iets voor terug te vragen, maar zichzelf dit dan later voortdurend voor ogen
te stellen, En aan anderen meestal ook. Zodra je je zelf eigenlijk af gaat vragen. "Is mijn liefde
liefde “, mankeert er al iets aan. Ofwel je mankeert iets in jezelf doordat je te egoïstisch bent
en je dit realiseert en is dat niet het geval, dan mankeert er iets anders aan. Dan heb je
indertijd de liefde gezocht op een vlak, waarop je ze nu niet meer zoudt willen zoeken.

70
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

Ik geloof, dat de liefde van de meeste ouders voor hun kinderen wel de juiste liefde is.
Boe, boe, boe, boe. Mijn uiltje is mooier dan de mooiste zwaan. Niet omdat het een uiltje is,
neen, maar omdat het míjn uiltje. Trots op de kinderen. Omdat het kinderen zijn? Neen,
omdat het bij wijze van spreken eigen fabrikaat is. Omdat dit alles wordt gezien als een
verlengstuk van jezelf. Dat hoeft toch niet? Dat hoeft niet, nee. Maar het is toch meestal wel
het geval. Op de duur maken de kinderen zich van de ouders los. Dan hebben zij de kinderen
nog steeds lief, zeggen zij dan. Maar in werkelijkheid hebben zij dan meestal de herinneringen
en de illusies lief. Niet de werkelijkheid. Ik weet wel, dat dat niets aangenaam klinkt, maar het
is toch in 99 van de 100 het geval, op de één of andere manier met ouders. Hoe
onpersoonlijker de ouders tegenover hun kinderen staan, hoe oprechter zij ze lief kunnen
hebben. Want in een dergelijk geval zijn de kinderen een verantwoording, die in zichzelve geen
compensatie geeft. Maar meestal hebben zij de kinderen lief om wille vare de compensatie, die
zij daarvoor ontvangen. Wat is dat voor de meeste mensen? Voor de vrouw het kind, dat
voortdurend een beroep op haar doet. De gedachte van voortdurend te kunnen geven, van de
weldoende godin te zijn. En voor de meeste mannen? Op een voetstuk te kunnen staan en
verheerlijkt en aanbeden te worden. Wanneer dat er niet bij is, wordt de liefde meestal al wat
minder. Dan komt daarvoor in de plaats - dat is al geen liefde meer - de sociale dwang: Voor
de kinderen moet je nu eenmaal zorgen en ben je verantwoordelijk. Dan "heeft men de
kinderen lief" om wille van de gemeenschap, want als je ze niet lief zoudt hebben, zou men
zeggen: dat je een onnatuurlijke vader of moeder bent. Maar nu ik de zaak zo lekker heb
afgebroken, zullen wij nog even een paar goede punten ook vast stellen, anders ben ik niet
eerlijk. Ik mag dan wel eens een keertje wat scherp zijn, maar ik probeer toch altijd om eerlijk
te blijven. Ouders die zichzelve in hun kinderen projecteren, hebben hun kinderen niet op de
juiste wijze lief. Dat hebben wij al gezegd.
Maar ouders, die hun kinderen beschouwen als iets, dat zij aan de wereld geven - die bestaan
er gelukkig ook - zelfs al doen zij het over het algemeen met heel foutieve opvattingen ten
opzichte van ons inzicht van wat de wereld eigenlijk moet hebben. Maar ouders, die de
kinderen opvoeden om daarmede ook de wereld beter te maken, die voor hun medemensen
iets willen nalaten, dat voor de wereld een stap ten goede betekent. Die vinden heel vaak de
juiste weg om kinderen lief te hebben als iets, dat zich aan je heeft toevertrouwd, iets waar je
verantwoordelijk voor bent. Iets, waar je niet verantwoordelijk voor bent, omdat de wereld dat
zegt, maar omdat het totaal van je weten en kunnen voor deze wezens moet gebruiken, totdat
deze zelf in staat zijn hun weg te gaan. Wezens, die je niet moogt belemmeren in de uiting van
hun eigen persoonlijkheid, maar van wie je de persoonlijkheid moet richten op de verhoging
van de mensheid als zodanig en misschien zelfs van de geest. Nu zijn er wel een hoop, waar
dat er toch ook wel bij kan, dat er toch ook wel bij zit. Ik zeg niet alleen is, hoor. Ik zeg het
"zit" er bij. Bij het eigen belang. Het zwart en wit, weet je we wel. Eigenbelang met een
druppeltje altruïsme er in. In een dergelijke cocktail van ouderliefde zit dus inderdaad een
spoor of element van een oprechte liefde. Naarmate de kinderen groter worden, kunnen de
ouders - ik zeg niet, dat zij het altijd doen, hoor - leren, juist deze liefde sterker te uiten. Dan
zullen zij kritisch zijn ten opzichte van hun kinderen, maar aan de andere kant geneigd zijn te
helpen de gevolgen van de fouten, die gemaakt worden tegenover anderen, goed te maken.
Maar niet voor het kind zelf. Dan gunnen zij de kinderen dus de ervaring van het eigen leven,
maar zullen gelijktijdig de buitenwereld behoeden tegen schade, veroorzaakt door hun
nageslacht. Zij plaatsen dus het kind zo goed mogelijk in de wereld, maar geven het toch de
mogelijkheid eigen fouten in te zien door eigen ervaring en op deze wijze te komen tot een
doelmatig zijn met de mensheid. Dat was dan een klein betoog over de ouderliefde.
Wat doe je dan met een misdadig aangelegd kind? Die heb je ook.
Och, ik geloof niet, dat er misdadig aangelegde kinderen zijn.
Maar er zijn toch kinderen, die al jong stelen en liegen en bedriegen?
En waarom stelen zij? Waarom liegen zij? Waarom bedriegen zij? Zouden zij soms liegen,
omdat zij fantaseren en die fantasie fout wordt gezien en beschouwd wordt als een echte
directe leugen?
Neen. Een kind, dat beweert ergens geweest te zijn, waar het b.v. niet geweest is.

71
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

Ja, dat zou liegen kunnen zijn. Maar dan zit er weer de vraag bij: Heeft de ouder bij het b.v.
naar school sturen er wel rekening mee gehouden, dat het kind om wat te leren wel degelijk
moet passen op de school, waar het is? Heeft de ouder gezocht naar de achtergronden van het
wegblijven, of heeft hij gemeend, dat hij het wel goed heeft gedaan en gezegd: "Als je nu
weer wegblijft, dan zal ik je straffen. Denk daarom". Kijk eens, kinderen zijn de
belastingontduikers in de dop. Als wij de kans krijgen, nemen wij ze. Zij betalen hun rekening
aan het leven ook niet graag. Maar waarom liegen zij? Omdat zij van de ouderen noch begrip,
noch rechtvaardigheid verwachten. Als kinderen gaan stelen, waarom doen zij dat dan? Omdat
zij ergens een tekort voelen. Heel vaak juist in begrip, waardering en genegenheid. In 9 van
de 10 gevallen kunnen a-sociale elementen worden genezen door hen van jongs af aan een
gewaardeerde en verantwoordelijke taak op te dragen. Maar men moet deze zo weten te
geven, dat zij zichzelve daarin uit kunnen leven. Maar als je een jongen of een meisje heel kort
houdt, b.v. met een dubbeltje in de week, terwijl iedereen op school een gulden heeft, dan
moet je helemaal niet gek kijken warmeer er zo'n jongetje of meisje vandaag of morgen eens
kijkt, of het niet een paar gulden achterover kan drukken om ook eens groot te doen. Maar dat
is slecht. Dat kind heeft gestolen! Neen. Hier hebben de ouders gefaald door het kind onjuiste
waarderingen bij te laten brengen op school, zonder duidelijk te maken waarom en daardoor
een soort compensatie voor het te kort te geven. Misdadige kinderen bestaan er meestal niet.
Wel misdadige ouders, ofschoon de maatschappij dat meestal niet erkent. Dan worden
kinderen misdadigers later. Een verkeerde verhouding tussen de ouders kan van de kinderen
misdadigers maken. Huichelachtige beleefdheid van de ouders maakt van de kinderen vaak
leugenaars. Er zijn geen misdadige kinderen. Elk kind heeft bepaalde eigenschappen. Dat is
waar. Bij de één zijn die eigenschappen meer gericht naar een kant, waar zij a-sociaal kunnen
worden dan bij de ander. Maar degene, die door een foutieve behandeling in de jeugd later een
moordenaar wordt, had ook een held kunnen zijn, die zich offerde, onverschillig op welk
gebied, voor het welzijn der mensheid. De grondslag, die werd meegegeven was verkeerd en
de resultaten daarvan zie je dan.
Dus dan zijn eigenlijk de ouders verantwoordelijk voor de daden hunner kinderen?
Zij zijn verantwoordelijk voor de daden van hun kinderen in die zin, dat zij verantwoordelijk
zijn voor de grondslagen die zij hen bijbrengen. En neem mij nu eens niet kwalijk, maar
hoeveel kinderen worden er opgevoed in de huichelarij? Dan zeggen zij: "Kom Jantje, wij gaan
op het achterbalkon staan. De conducteur is op het voorbalkon, dan kunnen wij misschien
lekker voor niets mee rijden. Nu, laten wij hier maar uitstappen, anders komt hij hier en dan
moet ik betalen. Dat eindje loop ik wel voor die paar dubbeltjes".
"Verd..., komt die oude tang? Jantje, ga eens even naar tante en zeg dat het ons heel erg
spijt, maar dat wij door omstandigheden haar vanavond niet kunnen ontvangen. Maar lief zijn,
hoor?” Of vader zegt tegen Marietje "Zeg maar, dat vader niet thuis is hoor, en dat moeder
dan morgen wel de rekening komt betalen.” Dat is nu met recht een opvoeding tot leugen en
bedrog. "Breng die flesjes maar even weg, wij zullen het etiketje er wel afhalen. Zeg dan
maar, dat ze echt van hun zijn. Nu, ik ben ze vandaag weer allemaal, te slim af geweest, hoor.
Ik heb ze weer van allerlei aangesmeerd." Dat zegt men rustig alles, waar de kinderen bij zijn.
Maar..... o wee, wanneer Jantje of Pietje of Marietje tegen vader of moeder iets durven
zeggen, dat niet waar is. Dat is verschrikkelijk. Dat mogen kinderen niet. Dat is zonde. Dat
mogen dan alleen zeker de volwassenen. Maar een kind probeert een volwassene na te doen.
Dus wat wil je? De daden zijn van de kinderen zelf, maar de ouders dragen daarvoor vaak
meer verantwoording, dan zij zichzelve wel bewust zijn. Maar laat ik maar niet trachten
opvoedkundig te worden, dat past bij mij toch niet.
Dat was een hele uitbarsting. Nu ben ik niet bang, dat het medium daardoor uit elkaar zal
barsten, hoor. Daarvoor zit het te stevig in elkaar. Maar het zijn van die dingen, waar ik wel
eens bitter over kan worden. Vooral, dat men zo vaak zegt, dat het allemaal bij de kinderen
zit. Het is de misdadigheid van de kinderen. Onzin Ja, maar wij hebben zo'n last met de
jeugdmisdaad. Kort geleden nog. Ik sprak op een kring in een ander land. Daar kwamen zij
ook met dat probleem aandragen. Toen waren zij dodelijk verontwaardigd, dat ik tegen hen
zei: dat zij dan maar eens de tijd moesten nemen om de tafel te dekken. Dat zij dan maar de
tijd moesten nemen om met de kinderen uit te gaan, in plaats van eeuwig naar de televisie te

72
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

zitten kijken, en te gaan bridgen bij de buren of een spelletje, loterij te gaan spelen. Iets, waar
zij ook al kilometers ver voor lopen. Nu ja, lopen doen zij daar niet veel. Meer rijden. Maar ja,
ik heb gezegd, dat de kinderen hun ouders nodig hebben. Dat was niet de oplossing, vonden
zij. En toen ik daarop vertelde dat het grootste deel der jeugdmisdadigers zo werd, omdat zij
door de wereld alleen maar beschouwd werden als een element, dat je heen en weer kunt
sturen, zoals het uitkomt, waren er verschillende mensen bij die zich onmiddellijk afvroegen,
of ik geen demonisch element was.
Ik had moeten zeggen, dat iedereen altijd zo goed was, maar dat de kwade geesten zoveel
invloed hadden op aarde. Stommelingen! Zij denken dat je de hele wereld goed kunt maken
met een ice-cream sunday en twee kwartjes voor de bioscoop, misschien een zakje popcorn
toe voor Junior. Neen! Er zijn een hele hoop fouten daar. Die zijn er hier ook. Een kind vraagt
nu eenmaal aandacht. Als het dat niet krijgt, dan zoekt het de aandacht te trekken. Er zijn
kinderen, die stelen, liegen en bedriegen, om de aandacht te krijgen die zij anders in ieder
geval niet krijgen. Wanneer je je dat nu eens allemaal zoudt gaan realiseren, dan merk je dat
de ouders voor heel wat meer verantwoordelijk kunnen voorden gestelde dan je oppervlakkig
zoudt denken. Zeg nu scheid ik hierover uit, anders zou ik mij nog boos gaan maken en dat
past niet bij de verdraagzaamheid. Zijn er nog meer vragen?
Goeden avond, vrienden,
Wij kunnen dan deze bijeenkomst besluiten op de wijze, die U zelf verkiest.

INZICHT
Inzicht. Iets zien. Iets begrijpen. Inzicht is een soort van begrijpen, waardoor wij tot de kern
der dingen door kunnen dringen.
Het is voor ons vaak zeer moeilijk om inzicht te krijgen in de waarden van de wereld, zoals het
ongetwijfeld altijd zeer moeilijk zal zijn om een inzicht te verkrijgen in de waarden van
geestelijk bestaan en van de geestelijke sferen. Want hoe groot het inzicht ook moge zijn dat
wij hebben in ons eigen wezen en onze eigen waarden, het inzicht, dat wij hebben in de wereld
buiten ons wordt door ons eigen wezen beperkt. Toch verlangen wij er naar inzicht te hebben
in de grote waarden en problemen des levens.
Nu is er een mogelijkheid om een inzicht te krijgen in het wezen ja, in de kern der dingen. Dat
is deze dingen met je gehele wezen te benaderen, te pogen ze in je op te nemen alsof het
delen van je zelve vragen.
Je moet niet het probleem zoekend benaderen. Je moet a.h.w. het een ogenblik doorleven en
dan intuïtief het in jezelf erkennend het projecterend op de waarden, waarmede je een
ogenblik één waart. Dan ben je doorgedrongen in de kern van dat andere wezen, zover als dat
voor jou mogelijk is. Je hebt dan ook een inzicht verkregen zó groots als dat voor jou mogelijk
van al hetgeen, dat de kernwaarde uitmaakt van het Wezen, dat je benaderde. Inzicht is een
term, die vaak - soms veel te vaak - gebruikt wordt door de mensheid. Zij gebruikt inzicht
vaak in de zin van "inzage van boeken".
Wanneer wij inzicht trachten te verwerven in problemen, die buiten onze wereld liggen en
buiten onze persoonlijkheid, dan is dat maar al te vaak hetzelfde: achter de getallen en
woorden in de boeken gaan begrippen van recht, geluk en ongeluk, die zich voor ons slechts
zeer oppervlakkig kenbaar maken. Men kan dan ten hoogste de resultaten overzien en zelfs dit
nog niet in reële aanduiding maar alleen in een gestelde waarde. Ons inzicht in de wereld, in
het leven van een ander betekent niet veel meer dan een aanduiding van een eindresultaat,
dat daar in leeft, met misschien nog een benadering van de wijze, waarop dit resultaat wel
eens tot stand zou kunnen komen.
Maar vraag: kunnen wij dan wel in doordringen? In ons zelf! Inzicht! In je zelf zien. Jezelf
beschouwen en alle oppervlakkige waarden in jezelf terzijde schuiven. Steeds verder proberen
door te dringen tot de kern van je eigen bestaan en wezen. Dit zien van het "ik'' in zijn ware
vorm en gedaante verschaft dan ook inzicht in de kleine waarden van het dagelijkse leven.

73
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 5 – 23 juni 1955

Dan komt er een begrip van waarheid, een begrip van de werkelijke verhoudingen. Meer dan
dit kunnen wij niet verwachten, groter dan dat zal ons inzicht nooit zijn. Maar indien het ons
alleen reeds brengt tot het erkennen van de ware verhoudingen van ons wezen tegenover de
buitenwereld, zodat wij haar kunnen schatten op haar juiste betekenis en waarde, hebben wij
toch reeds bereikt, dat al onze uitingen tegenover die wereld zuiver berekend en juist kunnen
zijn. Door onze juiste uiting zullen wij dan ongetwijfeld een antwoord wekken in die
buitenwereld, zodat ons inzicht blijkt te zijn veranderd in een bewustzijn van waarden, die
buiten het "ik" liggen maar zelfs als deze waarden toch ook weer tot deel van ons zelf zijn
geworden.
Zo meen ik het begrip "Inzicht" te mogen noemen de wegwijzer, die U voert door het eigen
"ik" tot de wereld en door de wereld tot G5od.
Hiermede vrienden, zullen wij deze bijeenkomst besluiten.
Ik wens U een goede avond, een prettige huisgang en een aangename nachtrust,
o-o-o-o-o

74
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

NUMMER 6 - MENSELIJKE PSYCHE

28 Juli 1955
Goeden, avond, vrienden,
Als ik zo het gezelschap rondschouw, kom ik tot de conclusies dat wij goed hebben gedaan de
vorige keer, in vogelvlucht alle belangrijke onderwerpen te behandelen. Wij zullen desondanks
rekenende op het verslag, dat dan misschien dan toch ook door de anderen bestudeerd wordt,
vandaag proberen een stapje verder te gaan.
Ik zou dan op het ogenblik de "Menselijke Psyche" willen gaan beschouwen als een direct actief
deel van het lichaam. Dat is misschien iets wat U niet van ons verwacht, maar ook dit is een
zéér belangrijke functie en mag dan ook wel behandeld worden.
Omdat wij nu met een kleine groep zijn, lijkt het mij gemakkelijker dit naar voren te brengen.
Wanneer wij te maken hebben met het totaal van het menselijk geestesvermogen, dan weten
wij, dat het geheel onmiddellijk aangesloten is op het zenuwstelsel. Wij hebben er meerdere
malen over gesproken en ik heb U ook reeds verteld, dat dit gaat over bio-elektrische reacties
in het lichaam. Ik heb U ook gewezen, meen ik, op de wijze, waarop de cellen reageren zelfs.
Nu moet ik eerst proberen U iets duidelijk te maken van eigenschappen der elektriciteit en wel
de wijze waarop zij optreedt in het menselijk lichaam. Zij treedt ook elders in andere vormen
wel zo op, maar in deze vorm kent de doorsnee-mens ze niet.
Een elektron, een klein krachtdeeltje, heeft n.l. zeer bijzondere eigenschappen. Zij kan zich
inductief verplaatsen: d.w.z., zij kan van het ene punt naar het andere punt overgaan zonder
daartussen gelegen ruimte te doorlopen. Kunt U dat begrijpen?
Neen, dat heb ik niet begrepen.
Stelt U zich dat zo'n elektron een krachtwerveling is. Wanneer die kracht op een bepaalde
wijze tot uiting komt op dát punt, dan kan zij een zodanige harmonie treffen in een hier
gelegen punt dat de werveling zich hier voortzet en daar verdwijnt. Hier keert rust terug, hier
is dus niets meer als verschijnsel, op het andere punt is het verschijnsel plotseling precies
zoals het verschijnsel hier is opgetreden, zonder dat er een verplaatsing heeft plaats
gevonden. Kunt U dat volgen? (Ja).
Ik geef toe, het is een tamelijk moeilijk concept, maar het is toch wel zeer nodig, als U het
begrijpen wilt, hoe het lichaam functioneert i.v.m. de psyche. Want wij hebben te maken met
een groot aantal van deze impulsen, die ook in ons gewekt kunnen worden, ofschoon zij niet
tot onze eigen wereld behoren. Dat geldt voor de stofmens evenzeer als voor de geest. Alleen
het verschil: Bij de geest is het meestal een meer bewust proces: in de mens is het meestal
een onbewust proces.
Elke toestand, die ergens in het Al bestaat en die gebaseerd is op bio-elektrische spanningen
en stromingen, of zelfs alleen maar spanningen en stromingen van de grootte, die wij in het
menselijk lichaam zien, hebben de mogelijkheid om harmonisch werkend in de mens, bepaalde
reacties van gedachte en onbewuste processen te wekken, die onmiddellijk op hun beurt door
het zenuwstelsel, vertaald worden in het lichaam als een bepaalde prikkel waardoor een
bepaalde reactie wordt opgewekt. Duidelijk? (Ja). Dan kunnen wij verder gaan. Gesteld nu, dat
een mens hier leeft. Die mens heeft aan alle voorwaarden voldaan. De mens heeft zich dus
volledig overgegeven aan het éénworden: hij handelt stof en geest mentaal gebied, kortom
alles tesamen - als één eenheid, er bestaat dus in hem op dit gebied geen strijd. Natuurlijk een
ideale toestand, wat praktisch nooit voorkomt.
Dan kan het toch nog gebeuren, dat bepaalde tendensen onevenwichtig in die mens
ontwikkeld worden, want er kunnen ergens in het Al stromingen bestaan, die op het
zenuwstelsel aanspreken, zonder dat er een bepaalde oorzaak voor in de buurt ligt. Is dat nog

75
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

begrijpelijk? (Ja). U kunt natuurlijk de conclusie gaan trekken, dat een onevenredige
versterking door uiterlijke omstandigheden van willekeurige eigenschappen in elke mens, met
al daarmee verbonden stoffelijke én geestelijke verschijnselen tot het normale behoort. Deze
factoren kunnen wij dan het "lot" noemen. Duidelijk? Het lot heeft dus wel degelijk een zekere
functie in het menselijk bestel, ook voor de geest. Er zijn een aantal invloeden, - ondanks
onszelven - die ons kunnen beheersen, althans in een bepaalde richting brengen.
Nu is het opvallend, dat een aantal dezer invloeden voor de mens sterk werkende obsessie of
obsederende drang kan worden in een bepaalde periode. Deze drang is meestal terug te
voeren tot een psychische realisatie, die het bewustzijn niet bereikt, maar die stoffelijk
beïnvloedt, volledig wordt uitgedrukt en wordt omgezet in een chemische reactie in het
menselijk lichaam, waardoor bepaalde behoeften ontstaan. Kan de mens dan door zijn
bewustzijn niet aan deze behoeften tegemoet komen, dan ontstaat frustratie en wordt het
evenwicht in de mens verstoord, ook wanneer het voordien aanwezig was. Is dat duidelijk?
(Ja).
Het lot, het noodlot, het fatum, of hoe U het noemen wilt, bestaat dus inderdaad. De
menselijke geest realiseert zich dit, zonder het redelijk te kunnen bewijzen of aanvaarden. Er
is in het leven van elke mens zo onnoemelijk veel, dat als noodlot wordt afgedaan. "Dat moest
zo zijn", enz.. Het geloof aan een voorbeschikking is gebaseerd, niet op absoluut
voorbeschikkende feiten, maar op een drijven in een bepaalde richting. Dat drijven in een
bepaalde richting werkt dus, zowel in het denkvermogen, het bewustzijnsvlak als in het
onbewuste vlak en zo in het lichaam. Wanneer nu in de menselijke geest een zekere tendens
heersend gaat worden, dan zal het gehele lichaam zich aanpassen aan de vormgeving, die
voor die tendens het meest passend is.
U denkt misschien, dat die mens zijn uiterlijk meekrijgt op grond van een hereditaire basis en
daar verder bij zal blijven. Dat het alleen de uiterlijke omstandigheden zijn die weer, wind,
zorg, overvloed, ondervoeding enz. die verder bepalen, hoe dat die gelaatstrekken en die
lichaamsvorm zich verder ontplooien. Dat is helemaal niet waar.
Deze onbewuste tendensen bepalen het type van de mens. Zij leiden tot het aanvullen van het
weefsel op bepaalde plaatsen en het wegvallen van het weefsel op andere plaatsen. Zij
bevorderen bepaalde zenuwspanningen en bepaalde reacties, verscherpen de reuk, tastzin, of
nemen deze weg. Deze verschijnselen zijn niet alleen terug te voeren op stoffelijke
omstandigheden, of binnen het eigen denkvermogen gelegen omstandigheden. Zij kunnen
volledig bepaald worden door invloeden van buiten af. Is dat duidelijk?
Dan kunnen wij deze stelling misschien heel gauw afhandelen en kunnen wij nog tot een paar
andere punten overgaan. U moet zich realiseren, dat het totaal van het menselijk gedrag,
menselijke uitdrukking, vanuit lichamelijk standpunt gezien, bepaald wordt door de geest plus
alle invloeden, die zich in het reactiescheppend stelsel - zenuwstelsel plus enkele andere
factoren van het lichaam - kenbaar maken. Het lichaam reageert daarop weliswaar niet met
ziekten, zoals het op innerlijke spanningen reageert, maar wel met een harmonische, of
niet-harmonische ontwikkeling. Wij kunnen zien, dat in sommige gevallen, een vergroting van
denkvermogen plaats vindt, scherper en helderder denken, een inzicht in bepaalde waarden,
geïnduceerd door omstandigheden die buiten het "ik" liggen. Het lot heeft U a.h.w. die ware
kant uit gedreven: het was voor Uw persoonlijkheid geschikt. U bent daarop ingegaan.
Wanneer dan vijf jaar tot zeven jaar verlopen zijn en deze tendens is gehandhaafd, dan heeft
Uw uiterlijk zich aan Uw innerlijke toestand aangepast. Niet alleen met lijnen, plooien, maar
helemaal. Hoe sterker Uw aanpassing is, hoe meer ook het lichaam ook deze tendensen voor
het lichaam gaat trachten te handhaven.
Wij nemen bijvoorbeeld: denken, bedachtzaam. Goed. Resultaat van de bedachtzaamheid is
een aarzelend zich bewegen, uitdrukken en reageren. Er is geen sprake van plotseling en
spontaan reageren en wij zien een groot gedeelte van levensfuncties, zeer zeker zover zij
binnen het bewustzijn vallen, maar ook een aantal van de onbewust beheerste functies,
vertragen. Zij vertonen eigenaardige haperingen, alsof er overwogen moet worden, of zij zo
verder moeten gaan, of .....een andere richting moeten inslaan. Het gehele gedrag van die

76
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

persoon, diens gehele lichaam tot zelfs zijn hersenen, zijn op de duur ingesteld op deze wijze
van reageren en beleven. Hierdoor heeft het lichaam bepaalde spieren misschien wat meer of
wat minder nodig. Daar wordt voor gezorgd. De mens verandert.
Nu is er één eigenaardigheid, die wij op dit terrein zien optreden. Dat is n.l. wanneer zo'n
toestand begint, in de eerste drie, vier jaren, de pigmentatie zeer sterk terugloopt. Wij krijgen
dus vaak een wittere huid, wij krijgen het ontbreken van kleurstoffen in de haren, dus grijs, of
wit worden enz. enz. Dit is een begeleidingsverschijnsel. Is die periode voorbij, is eenmaal het
lichaam aangepast, dan zien wij soms - vreemd genoeg - de pigmenten terug komen. Meestal
niet zo sterk, dat gij van witharige weer tot zwartharige kunt worden. Trouwens, het is
tegenwoordig niet meer nodig, dat het lichaam dit doet, er bestaan andere middelen genoeg
voor. Maar dan krijgt de huidskleur weer zijn normale gloed, spreekt weer aan op zonlicht door
bruining enz. enz.. Dit voorbeeld heb ik nu genomen, ik zou honderd andere kunnen noemen.
Mijn hoofdstelling voor vandaag is deze echter: Het zenuwstelsel kan via inductieve weg
invloeden van andere werelden, hetzij in of buiten, de stof, ondergaan en in zichzelf de
impulsen, die daar leven, reproduceren. Wanneer een impuls wordt gereproduceert, volledig
wordt opgenomen door de mens, dan zal hij op die andere plaats als beëindigd beschouwd
kunnen worden, zij bestaat daar niet meer. In de mens echter is het een beheersende functie
geworden, die zowel lichaam als geest in een bepaalde richting dwingt en vormveranderend
kan werken voor het lichaam. Acceptabel? (Ja). Dat was dan het voornaamste punt. Ik wil toch
niet al te hard van stapel gaan lopen, want anders kunnen wij de volgende keer besteden aan
een herhaling.
Maar een ander punt. De stof lijdt aan een bepaalde verminking. Dit kan zijn een
verschrompeling van weefsel, het kan zij het uitvallen van een deel van de normale
bloedsomloop, b.v. iemand met een kwaadaardige aderverkalking. De bloedsomloop wordt
veranderd. Wat zien wij als resultaat? Dat de prikkels door het lichaam ontvangen aan het
bewustzijn overgegeven, een andere tendens vertonen. Zo kunnen wij b.v. de aderverkalking
soms zien met achterdocht als resultaat ervan. Ik spreek hier helemaal niet over een zo
vergevorderde verkalking, dat er seniliteit optreedt, of wel een zekere mate van abnormaal
zijn. Ik wilde eigenlijk zeggen "malend" zijn, maar dat klinkt zo onvriendelijk. Het is dus
normaal: achterdocht, het zuur, het streng zijn enz. enz., dat is dan hieraan te wijten. Het is
dus aan de hand van dit voorbeeld aannemelijk te maken. Voor verhoogde bloeddruk heeft
men ook weer bepaalde reacties, wanneer een bepaald percentage te hoog is. Ik mag erbij
voegen, dat verhoogde bloeddruk, zoals zij op het ogenblik beschouwd wordt, wel eens wat
overdreven klinkt in onze oren, zoals wij dit bezien. Gezien de weerstand, die het lichaam
heeft en het aanpassingvermogen, dat in sommige gevallen in staat is, een redelijke verhoging
te verdragen, zonder enige schade, die permanent is. Maar aangenomen dat een bloeddruk,
die volgens U schrikbarend hoog is en lange tijd blijft. De reacties: onrust. Kennelijke onrust,
onvrede. Een innerlijke onrust en onvrede, die, zich kan uiten in het gunstige geval door een
zekere lakse jovaliteit: in het ongunstige geval echter voor een vatbaarheid voor toornigheid,
drift enz.. Maar elke emotie, die door het lichaam veroorzaakt wordt, wordt geestelijk
verwerkt. Wanneer U driftig wordt over iets, waar U zich normaal helemaal niet boos over
zoudt maken, dan laat dit een spoor achter in het bewustzijn. Dat spoor zal bij elke gedachte
bij elke referentie weer mee worden verwerkt in het totaal van de gedachte-impulsen en zo de
gedachtegang bepalen. Het is ook begrijpelijk, dat de geest, die door deze gedachtegang haar
bewustzijn verwerft, onderdanig is, in zekere mate, aan de kwalen van het lichaam. Dat is het
tweede punt, dat ik wilde maken. Is daar commentaar op?
Een derde punt. Aangenomen, dat wij een mens hebben, die volmaakt gezond is, - een
curiositeit ongetwijfeld, maar volmaakt gezond - wiens lichaamsbouw volmaakt harmonisch is,
wiens reactievermogen behoorlijk normaal is en die - laten wij zeggen - intelligentiequotiënt
heeft van 150. Is heel behoorlijk, hé? Deze persoon dus behoort tot de harmonische en geniale
typen Uwer mensheid, lichamelijk. Vergeet niet, Uw intelligentiequotiënt wordt voor het
grootste gedeelte bepaald door het geheugen en reactievermogen. Andere factoren blijven
buiten beschouwing. Het is dus niet onfeilbaar. Dus een stoffelijke waardebepaling een
waardemeter, die gebaseerd is op hetgeen in Uw wereld belangrijk wordt geacht. Nu leeft er
een geest in dit lichaam, die vatbaar is voor bepaalde tendensen. In de psyche zijn tendensen
77
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

b.v., ook wel door de omgeving opgelegde tendensen. Vergeet niet, U wordt voortdurend
beïnvloed en Uw geest trekt andere conclusies dan Uw lichaam. Zo'n persoon wordt b.v.
rusteloos. Deze rusteloosheid blijkt niet bij machte om een richting te geven aan de
lichamelijke volmaaktheid, Wat denkt U, dat de consequentie is? Een drang, waarbij deze
volmaaktheid a.h.w. vernietigd wordt. Onbewust. Maar het gaat waarschijnlijk door voor sport,
of genot zoeken, maar het kan bedenkelijk dicht komen bij een onbewuste zelfmoordtendens,
waarbij de onvrede, die men heeft in het "ik", zich richt vanuit de geest gezien, als een
haatuiting tegen het lichaam, dat ondanks zijn volmaaktheid geen vrede en bevrediging kan
geven. Dergelijke personen, juist met hun grote intelligenties hun lichamelijk-harmonische
toestand, zullen dan ook heel vaak het slachtoffer van ongevallen worden, zijn het slachtoffer
vaak van al die eigenaardige dingen, die schijnbaar toeval zijn, maar in werkelijkheid zelf
veroorzaakt worden. Voorbeeld. Een dergelijk iemand heeft geld en is sportvlieger, maar ook
dit geeft niet voldoende bevrediging. Ik durf met U te wedden, dat die persoon meerdere
vliegtuigongelukken heeft waar hij waarschijnlijk ongedeerd afkomt en op de duur niet meer
ongedeerd. Hoe dat zo komt? Deze persoon heeft in zich een drang om de stoffelijke waarden
en toestanden te veranderen. Er wordt misschien niet naar de dood verlangt, maar wel naar
een geheel andere situatie. Een situatie, die redelijk niet aanvaardbaar is, b.v. verminkt zijn,
niet meer volmaakt zijn, (stoffelijk), opdat de geest dan door een andere drang in het lichaam,
voldoende ervaring, vreugde en vrees kan vinden. Dit is natuurlijk een betrekkelijk grof
voorbeeld, maar ik kan U garanderen, dat in Uw dagelijks leven hetzelfde voorkomt: U vergeet
dingen, die volgens Uw bewustzijn U zich zoudt herinneren, omdat Uw innerlijk een verzet er
tegen heeft. U neemt besluiten gebaseerd op een geestelijke ervaring, die U stoffelijk maar
steeds niet na kunt komen, want als het er op aankomt, vergeet U ze steeds. Een verzet van
één der beide hoofdfactoren. dus of geest, of stof, tégen de toestand in de andere factor.
Slachtoffer en slachtveld, het mentale vlak, dat in bewustzijn en onbewustzijn gelijkelijk is:
Ook acceptabel? (Ja).
Wij kunnen wel aardig een eind afdoen vanavond. Dat is hoopgevend, dan kunnen wij
tenminste een aardig eind uit de voeten. Een relatie tussen stemming, dus gevoel van
welbehagen en onlust en reactie ten opzichte van de wereld en ten opzichte van de ervaringen
in het "ik". Ook een belangrijker punt, dan U denkt.
Wanneer een mens zich lichamelijk behagelijk voelt, dan zullen zijn lichamelijke functies vaak
een zekere traagheid ondergaan. Er komt tevredenheid. Tevredenheid betekent dat men een
bestaande toestand innerlijk wil handhaven en dus er een verzet begint te bestaan tegen elke
verandering van de toestand. U zit in de schaduw en U weet, dat U dat en dat moet doen,
maar U stelt het voortdurend uit en wanneer U uiteindelijk zou besluiten om toch maar op te
staan, dan is er ineens iets wat U dwingt om toch nog maar even te blijven zitten. Ook wel
eens meegemaakt?
Ook wel, ja.
Nu, dat is een heel normale reactie natuurlijk, maar heeft U dan wel eens gemerkt dat in een
dergelijke toestand zonder eigenlijk (zie onderaan) meer geestelijke aard heeft op kunnen
lossen? Dat is ook heel begrijpelijk. Wanneer het lichaam en alles wat er mee samenhangt,
een toestand van welbehagen heeft bereikt, dan wordt de bewustzijnsdrempel iets verhoogd
d.w.z. men neemt ah.w. minder waar van de omstandigheden, die niet onmiddellijk voor dit
welbehagen noodzakelijk zijn. Ik wil niet zeggen, dat men slaapt maar men reageert minder.
Door dit minder reageren en het lichamelijk, streven naar een handhaving van de toestand van
vrede, kan de geest, vanuit het onderbewustzijn in het bewustzijn gaan projecteren. Ik kan
dan komen tot zeer grote prestaties: geestelijk en lichamelijk, naar deze evenwichtstoestand.
Ik heb aan het totaal van de geestelijke krachten in het lichaam op kunnen nemen,
aangenomen, dat ik mens ben met een lichaam: ik heb anderzijds het totaal van mijn stoffelijk
vermogen kunnen gebruiken om nu even en de denkbeelden die er in mij leven - ook in het
bewustzijn - kenbaar te maken.
Onbehagen daarentegen schept precies het tegenover gestelde. Onbehagen resulteert in een
poging om de toestand te veranderen. Hoe groter het onbehagen is, hoe minder rationeel, dus
hoe minder overdacht over het algemeen de poging is om deze toestand te beëindigen. Op de
duur wordt het verzet tegen het onbehagen zelfs, wat men noemt instinctief, dus berust het op
78
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

de ingeschakelde reflexen van het ras. Deze strijd neemt zoveel in beslag van Uw energie, dat
Uw denkvermogen daardoor beperkt wordt. De mogelijkheid om te refereren aan het
onbewuste en dus zo zeker waarden mee te laten klinken in Uw bewust denken, vermindert.
Uw vermogen tot herinnering verzwakt. Uw vermogen om tot een geestelijke uiting te komen
is zeer minimaal. Na een dergelijke toestand bestaat er voor U maar één weg. Het lichamelijk
behagen, het zich goed voelen eerst te herwinnen. Dan zult U nog niet in staat zijn tot grote
prestaties op geestelijk terrein. Over lichamelijke prestaties spreek ik niet eens. Echter, heeft
U dat welbehagen gedurende een bepaalde tijd gehad. zodat U a.h.w. uitgerust is, (dat noemt
U n.l. zo), dan kunt U plotseling ook meer mentaal presteren. Het is dus onverstandig om in
een onbehagelijke toestand door te blijven werken. Dit wreekt zich in de kwaliteit van het werk
en wreekt zich tevens in het krachtverbruik.
Ik geloof dat daar niets tegen in te brengen is, hé? Wanneer wij met deze dingen rekening
houden, dan komt voor ons de vraag, wat maakt behagen en, onbehagen uit? Behagen is een
toestand waarin het bewustzijn - let wel, het bewustzijn -, een aangename associatie weet te
vinden met het totaal der impulsen, die ontvangen worden uit het totale zenuwstelsel, ofwel de
ervaring van de omgeving, een harmonieuze uitwerking kan hebben binnen het bewustzijn of
onderbewustzijn. Als U houdt van regen, dan kan lopen in de regen Uw denkvermogen zelfs
scherp vergroten. Het is alsof U met een vergrootglas plotseling alle detáils ziet. U kunt veel
beter de zaak in elkaar zetten. Een andere, die de regen haat, zal door het onbehagen echter
juist de capaciteit om iets zelfs "maar" als normaal te beschouwen, verliezen en zelfs slechts
maar vaag de werkelijkheid blijven zien. Behagen en onbehagen mogen dus worden gesteld te
zijn, hoofdzakelijk met mentale factoren. Akkoord? (Dank U).
Dit aannemende, is het een kwestie van mentale training, om het onbehagen voor onszelf
zoveel mogelijk uit te schakelen en alleen daar te laten bestaan, waar toestanden een direct
bevaar voor ons eigen zelfbehoud betekenen. Door een training, waarbij dus het onbehagen
zoveel mogelijk wordt uitgeschakeld, men leert zoveel mogelijk weer aan te passen aan de
omstandigheden, waarin geestelijk en lichamelijk de gunstigste prestaties worden bereikt en
volbracht. Doch verder gaande zou ik willen zeggen, dat het het onbehagen is, dat
hoofdzakelijk de vergiftigingsverschijnselen in het menselijk lichaam veroorzaakt, die men
vermoeidheid noemt. Onbehagen, eerder dan stofwisseling, veroorzaakt de versterkte neerslag
van vermoeidheidstoffen, zoals dat heet, waarbij het lichaam dus een rust behoeft of anders
zichzelf volledig uitput.
Wanneer een mens in staat is om een voortdurende toestand van innerlijke vrede te
handhavens is er dus voor het lichaam noch voor de geest rust noodzakelijk en kan het totaal
aller functies continu voortgaan. Dat vindt U misschien een beetje sterk? hé? Toch is het een
feit. Gaat U voor Uzelf maar eens na. Hoe lang kunt U niet gestaag en ernstig doorwerken aan
een lievelingsbezigheid, hoeveel kracht kunt U daaraan geven en toch weer fris en uitgerust
andere werkzaamheden aanpakken en hoe lang speelt U het klaar, voordat U doodmoe bent en
niet meer kunt een door U gehate arbeid te verrichtend. Vergelijkt U die twee maar eens tegen
elkaar. Als U dat doet, dan zult U zien, dat hierin een zeer groot verschil zit in prestatie.
Er zijn mensen, die houden dol van tennissen. Die zijn in staat een aantal sets te spelen, die -
laten wij zeggen gedurende twee uren - waarbij zij werkelijk vijf kwartier op de baan
doorbrengen, dus spelen. Dan is hun krachtverbruik tamelijk groot en zal in spierinspanning
omgerekend ongeveer gelijk komen aan een uur of zeven huishoudelijke arbeid van een
vrouw, b.v., of vier uur zware, arbeid voor een man. Dat zoudt U waarschijnlijk niet zeggen,
toch is het zo. Maar nu het vreemde: Na een wedstrijd heeft U - wat men noemt - een
gezonde moeheid. D.w.z. U moet zich even omstellen van het spel op een andere toestand.
Deze moeheid in zichzelve is een toestand van welbehagen. Na een half uur van rust begint
men - als vrouw b.v.- aan huishoudelijke arbeid, als man aan zijn eigen werk en presteert men
alsof men volledig uitgerust ware. Vreemd, hé? Er zijn nog meer van die factoren, die ons een
beetje eigenaardig aandoen en die onmiddellijk in verband staan met het spel het wisselspel
tussen geest, mentaal gebied en stof. Eén daarvan is het zonlicht. Weet U, dat zonlicht, scherp
zonlicht, nadelig beïnvloedend werkt op het mentaal vermogen? Dat zoudt U misschien niet
zeggen? Of misschien toch wel. Ik herinner mij tenminste, dat er iemand eens een boek heeft
geschreven, dat heette: "De Zon der Zotheid".
79
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

Het is werkelijk een feit, dat een teveel aan zonlicht een aantal onredelijke reacties in de mens
wekt. Er wordt een teveel aan straling ontvangen, terwijl gelijktijdig een teveel aan
uitwisselingsprocessen in het lichaam plaats vindt. Hiermede komt een verstoring van de
normale gang van het zenuwstelsel tot stand. De van buiten af ontvangen impulsen zijn niet
juist meer. Hierdoor ontstaat een verschoven accepteren van werkelijkheid, een verschoven
werkelijkheidswaarde waarbij impulsieve handelingen, die men anders nooit zou stellen onder
invloed van de zon juist worden gesteld. Naarmate men aan de zon gewend is, functioneert
men onder een bepaalde hoeveelheid zonlicht normaler. Toch is het een feit, dat de rassen en
volkeren, die juist in de tropen leven en onder zonlicht, fel zonlicht, in deze periode van
bestaan mensen ontwikkeld hebben, een geheel andere rede en een geheel andere
werkelijkheid bezitten, dan b.v. de Uwe bezit. Bij de volkeren is deze
werkelijkheidsverschuiving permanent geworden, maar voor hen ziet het leven er anders uit,
zijn de waarden anders en zijn dus ook de reacties, die redelijk zijn anders, dan voor U. Voor
de geest is de beleving gelijk, want de geest gaat af op de wereldwaarde, een stoffelijke
verschuiving kan plaats vinden.
Wij kunnen dan zien, dat een geest van volkomen gelijke hoogte, een geheel verschillend
moreelbesef heeft, een geheel verschillend idee over wereld en wereldwording heeft, een
geheel andere wijze van beschouwing van het Goddelijke en het leven, terwijl wij op een gelijk
ontwikkelingspeil staan. Het enige verschil is gelegen in het lichaam, dat zij ter beschikking
hebben, waarbij de één dus door deze te grote stralingsfrequentie plus grote hoeveelheid
ultra- violet, ofschoon dat meer een uiting is dan een directe invloed voor deze denkprocessen,
waardoor dit waardeverschil wordt gegeven, dat deze mensen dus volledig van elkaar
verschillen, terwijl hun belevingswaarden gelijk zijn. Dat is ook duidelijk?
Mag ik een vraag doen? Zonlicht is op zichzelf ook een bio-elektrisch veld.
Ik zou het eerder een chemo-elektrisch veld willen noemen.
Goed. Chemo-elektrisch veld. Uit Uw overigens begrijpelijk betoog, waar ik met mee kan
voelen, komt nu dit naar voren. U had het over induceren van tendensen, die uit de
omwereld komen. Dit is te vergelijken met de bioelektrische velden, nietwaar? (Ja).
Kunnen wij door het brengen in een bepaald veld de receptiviteit van personen, die wij
bepaalde inhouden wensen te geven te vergroten?
Ja, ik kan het begrijpen. Theoretisch is het natuurlijk mogelijk om een veld te scheppen, dat
een bepaalde spanningsverhouding tussen bepaalde grenzen geeft en dat voor iedereen een
zekere receptiviteit waarborgt. In de praktijk echter heeft practisch elke mens een ietwat
anders verlopende energiecurve, dat weet U misschien. Nu moet ik even heel erg duidelijk zijn,
want U bevat hier mijn energiecurve iets verkeerd. Elke mens heeft een eigen uitstraling, die
de omgeving oplaadt binnen een bepaalde tijd. In de wijze waarop dit gebeurt, dus de
versnelling - laten wij zeggen - bij een proef genomen over een kwartier dan zullen wij bij de
doorsnee-mens zien, dat de eerste verzadigingsperiode ligt in de eerste vijf minuten. Daarna
krijgen wij een aanvulling en een versteviging van het veld, daarna krijgen wij practisch geen
verandering meer. Maar wij hebben personen, die precies anders om zijn, die negatief zijn in
de eerste periode en pas in de laatste vijf minuten a.h.w. hun invloed op de omgeving
merkbaar maken. Wij zouden geneigd zijn om die persoon negatief te noemen, maar dat zijn
ze niet. Zij hebben van het standpunt van een normaal mens een vertraagde
persoonlijkheidsuiting. Dat is in een curve onder te brengen. Die curve bezit over het
algemeen twee knikken.
De eerste knik geeft aan het begin van een periode van hoogste activiteit, bij de doorsnee-
mens gelegen in de eerste of tweede, minuut bij anderen krijgen wij dat natuurlijk dan veel en
veel latere b.v. in de twaalfde minuut. Wij krijgen de tweede stralingsknik, wanneer een
verzadiging is bereikt, die ligt op viervijfde van de totale uitstralingskracht van de eigen aura.
Dan wordt n.l. niet zo snel meer opgeladen in die omgeving. Wanneer wij dit nu weten, dan
kunnen wij aan de hand van de verschuiving hiervan, dat zult U zelf op 1 seconde het beste
misschien zelf tot op éénhonderste seconde vast moeten kunnen stellen. Daarvoor zou men
dus meetinstrumenten moeten maken. Dan zoudt U uit kunnen rekenen, wat de eigen flux is
van een persoon, dus zijn eigen uitstraling plus zijn uitstralingsintensiteit. Kunt U dat ook
volgen? (Ja) Dan heb ik hiermede de eigen activiteit van deze mens geregistreerd zijn plus zijn
80
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

straling. Wanneer wij te doen krijgen met een schijnbaar negatief geval, dan heb ik te doen
met een vertraagde straling. Wil ik in deze mens een receptiviteit tot stand brengen en zou ik
een normale straling gaan gebruiken, zoals voor iedereen, dan zou ook de receptiviteit pas
beginnen na, in verhouding van de proef, 13 minuten.
Ja, maar ik wil natuurlijk een zo direct mogelijk resultaat hebben. Wat moet ik dan doen?
Ik moet mij in de eerste plaats houden bij een bepaalde spanning. Die kunnen wij stellen bij
een redelijke humiditeit op per meter honderd volt aardnegatief. Dus aardnegatief 100 volt op
1 meter enz.. Dat is dus de spanningsverdeling, die U weet wel, ook in een condensator
optreedt. Dan moet ik verder rekenen, dat ik een frequentie nodig heb, waardoor ik de
uitwisseling van krachten tussen beide polen van mijn condensators de platen, ofwel tussen de
aarde en het vlak, dat zich boven die persoon bevindt, kan regelen. Deze frequenties kunnen
vaak ontstellend hoog zijn. Die kan ik natuurlijk met een aardse apparatuur niet bereiken, ik
zou er een heel gebouw voor moeten maken met een hele centrale. Wat kan ik nu weldoen? Ik
kan de harmonischen berekenen. En deze harmonische komt tot betrekkelijk hoge frequenties,
maar dan kan ik met wisselfrequenties, laten wij zeggen 300 tot 20.000 perioden. Daarmee
kan ik verhoudingen scheppen, die practisch voor iedere persoon aan te passen zijn. Ik moet
echter er rekening mede houden, dat, wanneer mijn intensiteit te groot is, of wanneer mijn
bestralingsduur meer dan de helft van de eigen actieve uitstralingsperiode van de persoon, dus
de periode van grootste uitstraling overschrijdt, wij te maken krijgen met een toestand, die
trance, hypnotische trance, zeer nabij komt, n.l. de uitstraling van het totale denkvermogen.
Dat is natuurlijk weer net iets te ver, dus wij moeten dan ook wel zeer goed weten te "timen".
Dat is een betrekkelijk technische kwestie.
Maar dat zouden wij in orde kunnen maken. Die twee typen, waar U over sprak, het
positieve en het negatieve, zijn practisch gelijk aan het sympathotonische en het
pathotonische. Wij kunnen dezen zeer goed onderscheiden, daarvoor zijn methoden. Of ik
een pathotoniker ef een sympathotoniker heb, is nog na te gaan. Het is dus nu de vraag, of
wij een veld op kunnen wekken, waarin wij de voorstellingsinhouden, die wij willen
induceren, toevoegen aan de inhouden van de patiënt, dat wij dat gemakkelijker kunnen
doen. Want als wij dat doen langs de medicamenteuze weg, langs de chemische weg levert
dat bezwaren op.
Daarvan ben ik volkomen overtuigd. Maar ik ben wel van mening, dat dit gemakkelijker te
doseren is.
Ik betwijfel het.
De moeilijkheid is het meten van het veld.
Ik heb mij laten vertellen, dat de moeilijkheid ligt in de beïnvloeding van het veld door de
omringende structuren en hun veld.
Ja, maar dat is niet helemaal waar. Want wanneer ik de dwars gestreepte musculatuur ga
vergelijken met een energiegenerator van een radiozender, dan heb ik hier te maken met een
draaggolf. Kijk eens, dan kan ik die draaggolf door een gelijke draaggolf overstemmen dan zou
elke modulatie op de sterkere draaggolf aandringen, dominerend over de eigen variatie van die
draaggolf.
Dat hebben wij al jaren geleden geprobeerd, op een golflengte van vier tot zeventien
meter. Wij zouden nu nog korter kunnen gaan, maar die proef is mislukt. Dit gebeurde met
aangelegde elektroden.
Wat U hebt uitgehaald, was inderdaad gevaarlijk, omdat U geen rekening hebt gehouden met
het feit dat een aangelegd veld – laten wij zeggen een terrein van twintig meter - zou kunnen
omvatten en toch werkzaam zijn, terwijl, wanneer U het veld concentreert op het menselijk
lichaam alleen een zeer sterk verschil aan potentiaal ontstaat tussen de mens en zijn
omgeving en hierbij, zeer scherpe zenuwreacties op kunnen treden door een te plotselinge
ontlading vanuit het lichaam
Dat ben ik met U eens.
..... met alle reacties, die daar weer het gevolg van kunnen zijn in het menselijk lichaam. Ik
ben het helemaal niet eens met degenen, die trachten om dergelijke therapieën toe te passen
op ander terrein door contact, die iemand a.h.w......
81
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

Ja, dus zonder direct contact
Ja, alleen in het veld, dan krijg ik n.l. een heel ander verschijnsel. Breng ik een elektrode op
de persoon zelf aan, dan dwing ik deze hele persoon inderdaad, nietwaar, ongeacht inductie
weerstand enz. om te komen tot het accepteren van het getale dat ik opleg: maar de
omgeving heeft een ander, d.w.z., dat ik een onmiddellijke verschilswaarde tussen potentiaal,
het menselijk lichaam en zijn directe omgeving schep, zelfs door verschil met het
luchtpotentiaal. Dat wil dus zeggen, dat ik een voortdurende, onregelmatige en
oncontroleerbare ontlading krijg die geleidelijk kan zijn. Dan heb ik geluk. Maar vooral bij
hogere frequenties nog, een puntontlading kan betekenen, een puntontlading, die plaats heeft
op de delen van het lichaam, die het meest kwetsbaar zijn, omdat zij vooral een groot
watergehalte bevatten. Dat kan dus zijn de lichaamsaderen, het kan zijn het oogvocht: het
kunnen ook in het onderlichaam, zoals U weet bepaalde organen zijn, die vocht afscheiden en
daardoor ook zelve een betrekkelijk hoog vochtgehalte hebben. Daar krijg ik de mogelijkheid
van plotselinge puntontlading. Gebeurt dat, dan heb ik ten eerste de kans, dat ik een weefsel
vernietig, maar in de tweede plaats en dat is misschien, nog veel ernstiger, dat ik een groot
gedeelte van het zenuwstelsel daaromheen paralyseer misschien zelfs op een zodanige wijze,
dat het niet meer normaal zal functioneren. Dat is gevaarlijk. Daarom zeg ik, het is niet zo
eenvoudig, als het lijkt, hé?
Zoudt U een zeker inzicht kunnen geven naar het aantal "herz"- of meter golven waardoor
wij dat gemakkelijker kunnen maken?
Ik zou ze niet willen geven, zonder nader overleg. Niet zozeer, omdat ik mijn kennis
wantrouw, maar wel omdat ik hier terecht kom op een terrein dat een onmiddellijke
proefneming mogelijk maakt op een gebied, dat gevaarlijk kán zijn. Als je niet zeker weet of
iets als dynamiet kan ontploffen dan is het verstandiger om eerst even een deskundige erbij te
halen, met het verzoek om toch alsjeblieft even na te gaan, of dit nu wel helemaal juist is,
want anders zou het misschien toch nog gaan gloeien ten nadele van anderen zoals onze
vriend Descartes indertijd b.v. heeft gedaan op therapeutisch gebied.
Ik ben, zoals U waarschijnlijk wel weet, speciaal werkzaam op dit gebied. Ik experimenteer
ook op dit gebied. Ik meen zelfs wel eens een ogenblik waar genomen te hebben, dat de
vrienden van Uw zijde nogal geïnteresseerd zijn voor dit werk. De moeilijkheid is echter,
dat ik mijzelve gevoel als niet gemakkelijk genoeg om beïnvloed te worden. Het is wel
moeilijk uit te drukhen.
Zouden wij kunnen zeggen, dat bij U vertraagde reactie plaats vindt.
Ja, dat geloof ik graag, ja, ja.
Ja, daar is natuurlijk, een moeilijkheid, kijk eens, wanneer men zich met U apart als
persoonlijkheid bezig houdt, dan krijgen wij met heel andere waarden te doen. Deze dingen
komen in handen van anderen. Denkt U, dat U de enige bent, die experimenteert op dit
gebied?
Ik ben er zeker van van niet.
Juist. Met U zeer velen. Dat houdt dus in, dat een aanwijzing, die ten dele juist is, ten dele
onjuist zou zijn. Of die misschien gevarenfactoren inhoudt, waar - laten wij zeggen - ik
vergeten zou tegen te waarschuwen, dat ik zo ongelukken zou kunnen veroorzaken, waar ik de
verantwoording niet voor zou kunnen dragen. Kunt U dat begrijpen? Dat is dus van mijn
standpunt uit. Ik wil graag helpen en ik wil graag iedereen helpen, maar ik wil dat alleen doen,
wanneer ik dat ook verantwoorden kan. Daarom zeg ik: ik wil er wel eens over praten, als ik
die gegevens kan krijgen op een zodanige manier, dat U ze ook gebruiken kunt. Ik kan U wel
een paar golflengten opgeven, daar gaat het niet om. Er zijn bepaalde frequenties van een
paar Mega Herz, die inderdaad bijzonder interessant zijn. Dat kan door de reacties, die de
mens er op heeft belangrijk zijn. Datzelfde bestaat voor een doodgewone emersie in deeltjes
met een bepaalde versnellingshardheid: die hebben ook hun invloed op de menselijke mentale
gebieden. Dus ik kan U dit wel allemaal gaan vertellen, maar waar moet ik ophouden en waar
moet ik beginnen? Dat wil ik graag eventjes uitgemaakt zien en heb ik dan de gelegenheid om
in een kleinere kring daarover te spreken, een kring, waarvan ik zeker ben, dat er geen schade
uit voortkomt, dan wil ik daar als spreker heel erg graag op ingaan.

82
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

Dat zou ons een onbeschrijfelijk groot genoegen doen. Wij hebben het er lang geleden al
eens over gehad met een paar vrienden om met het medium eens een privé-avond te
hebben, waar de medische aspecten hiervan kunnen worden beschouwd en besproken. Ik
begrijp heel goed, wij zitten hier in een kleine kring en ik begrijp heel goed, dat dit geen
onderwerpen zijn om in een grotere kring te behandelen .
Dat is practisch onmogelijk. Stoffelijk gezien ook al, al is het alleen uit prestigeoverwegingen.
Dan is het nog niet altijd verstandig om die dingen openlijk te behandelen. En van onze kant
uit ook.
Daarom juist.
Dus wij moeten ook wel degelijk rekening houden met onze mogelijkheden. Maar misschien,
dat die mogelijkheid toch nog komt. Wij zullen het wel eens bezien.
Erg graag. Dank U wel voor de uitgebreide uiteenzettingen, die U hier hebt willen geven:
U drukt het zeer juist uit "hebt willen geven" maar helaas niet geheel heb kunnen geven.
Mag ik nog iets vragen? Uit hetgeen U vóór deze vraag heeft behandeld. Ik zou dus de
conclusie mogen trekken, dat zonnebaden, wat de mensen Zondags zo doen aan het
strand, dat dat wel niet een bepaald gunstige invloed is op het menselijke lichaam.
Nu ja, dat ligt er aan, in welke dosis. Ik voor mij vind het b.v. voor een mens, als ik dat bekijk
van mijn kant, buitengewoon gunstig, wanneer de huid aan de frisse lucht wordt blootgesteld.
Maar wanneer dat een verbrandingsproces wordt, vooral een geforceerd verbrandingsproces,
zo die mensen, die drie dagen vakantie hebben zo bruin als een neger daar vandaan willen
komen, dan kan ik alleen maar zegen, dat het mentaal, lichamelijk en geestelijk niet zeer
gunstig is. Zonnebaden, zonnecultus, zoals men die tegenwoordig kent, bijna een soort
zonneverering hé?, al is dat wel mode, is ongezond. Zon, inderdaad, maar voor een mens is
veel gezonder de wind, met zo nu en dan wát zon. U moet maar dit onthouden. De omzetting,
die in de huid door de zon wordt tot stand gebracht, gaat niet zo ver. Zij kan n.l. voor het
lichaam heel weinig betekenen, omdat de huid als verweer tegen te grote dosis zonlicht juist
tot pigmentatie komt. Dat is dus een bewijs, dat het lichaam zich moet verdedigen tegen de
zon en elke verdediging kost energie, is dus een energieverbruik. Daar komen dan nog bij
andere elementen van straling enz., die ook weer het hunne bijdragen voor niet-gezond zijn
daarvan.
Het meest ideale lijkt mij voor de mens een gelegenheid waarin hij zich in de zon kan
begeven, wanneer het nodig is, maar voor het grootste gedeelte toch in de schaduw vertoeft
waarbij een groot gedeelte van de huid aan de frisse lucht is blootgesteld. Het betekent n.l.
een vergroting van de ademhaling en heeft daardoor een reinigende werking voor het gehele
lichaam. Dat is hetzelfde als met baden. Eén, of twee maal per dag baden vooral in
natuurwateren, dus zee of stromend water, dat lijkt mij buitengewoon gunstig. Gunstiger dan
b.v. baden in leidingwater of stilstaand water. Maar indien dat bad, laten wij zeggen een uur
duurt, dan zijn alle voordelen, die men door dit contact met natuurlijk vocht heeft verworven,
een restant uit de amfibische tijd van de vroege mens a.h.w., hoeft men dan verspeeld door
zijn overmatige krachtsinspanning etc.. Er is dan geen gezondheid uit voortgekomen,
integendeel, een zekere uitputting, die misschien wel aangenaam lijkt, maar niet altijd goed is.
Dus het is met deze dingen, dat matigheid, een redelijke dosering daarvan, belangrijk zijn.
Wilt U veel zonnebaden, doet U dan langzaam aan. Went U zich aan de zon en houdt U zich
niet al te veel met kunstmiddelen bezig, die dan de ultraviolette stralen doorlaten en de rest
van de zon tegenhouden, want zij zeggen het veel, maar het is humbug. Als U dan bruin wilt
zijn, doet U dat dan maar met een verfspuit. Dit was het commentaar op zonnebaden: ik kan
merken, dat het al een beetje vakantiestemming is. Is er nog commentaar op?
Hoe komt het nu, dat de ene mens helemaal geen zon verdragen kan?
Naarmate er in de huid minder pigmenten aanwezig zijn, is de mogelijkheid van verweer voor
deze huid, veel kleiner. Naarmate de huid op zichzelf teerder is, d.w.z. dunner, zal hij ook
minder in staat zijn om de zon te verdragen. Het resultaat is dus dat, wanneer iemand geen
voldoende pigmenten heeft, omdat de huid dun is, verbrandingsverschijnselen, gepaard
gaande eerst met irritatie, later met blaasvorming enz., veel sneller optreden. Dan kan zo'n
iemand niet tegen de zon. Is er geen pigment aanwezig dan wordt ook geen afweerlaag

83
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

gevormd, dan krijgen wij dus dat "heerlijke" bruin niet, dan blijf je rozig blank, of wit, elke
keer wanneer je dan inde zon hebt gelegen, dan blijf je zo rood als een kreeft: Verder blijkt
nog, dat er een aantal mensen zijns die b.v. de directe warmte op het hoofd moeilijk kunnen
verdragen. Dat is een te scherpe verwarming - het gaat hier over de warmte niet over iets
anders -, waardoor in het hoofd spanning ontstaat. Het begint met de schedelhuid. Elke
verandering in de schedelhuid betekent een kleine verandering in de bloedsomloop en is dus
daardoor gevoelig en het resultaat zijn duizelingen, zwarte vlekken voor de ogen, zich niet
behagelijk gevoelen en uiteindelijk kan er als resultaat zelfs een bloeduitstorting worden
gevormd in de hersenen b.v.. Dan ben je er erg beroerd aan toe. Dus men moet er wel
degelijk rekening mee houden, dat de zon heus niet het gunstige element is in zijn directe
werking. Let U maar eens op. Uw eigen land is een vruchtbaar land. Waarom?
Omdat de zon er in verhouding weinig schijnt. Gaat U naar de Sahara, waar de zon meester is,
de aarde is dor en onvruchtbaar. Zo is het met de mens precies hetzelfde. De mens die
voortdurend felle zon moet verdragen en zich daartegen niet kan beschutten, die gaat aan de
zon ten gronde. Maar degenen die kleine doses krijgt, veel afgewisseld met indirect zonlicht
die kan vaak een behoorlijk uithoudingsvermogen hebben en heel gezond en prettig leven. Dat
waren dan enige commentaren. Is er nog meer te behandelen zo gauw?
Dan wil ik, als ik tenminste niet te lang genoeg heb gepraat, nog een ander onderwerpje
aanroeren, ook heel kort. Wij bespreken vandaag toch allemaal van die kleine puntjes. Het is
n.l. dit: Heeft U als eens gedacht over persoonlijkheidsprojectie en
persoonlijkheidsoverbrenging van lichaam tot lichaam, als mogelijkheid? Waarschijnlijk niet,
hé? (Ja). Ja, Heeft U er over gedacht? Ja, de vakman. De rest laat ik er een beetje bij liggen.
Nu moet U een één ding goed begrijpen. Onze persoonlijkheid bestaat natuurlijk uit een
lichamelijk karakter. Inderdaad. Maar wat wij zijn en, hoe wij ons uiten wordt hoofdzakelijk
bepaald door de wijze, waaróp wij op de prikkels van het lichaam reageren. Duidelijk?
Wanneer ik dus de reactie bij een ander kan aanpassen aan mijn eigen reactie, heb ik mijn
persoonlijkheid in die ander geprojecteerd en zal op de duur bij langdurige projectie het
lichaam zelfs zich vóór een gedeelte aan gaan passen aan de structuur van het eigen lichaam.
Dat houdt dus ook in, misschien ook wel interessant, dat men waanzinnige, een werkelijk
bezetene, een zeer sterke verandering van afscheidende klieren, interne en secreties e.d. het
innerlijk evenwicht doormaakt, waarbij een lichamelijke verandering optreedt. Wij hebben dan
met werkelijke bezetenheid te maken, wanneer het tenminste een jaartje geduurd heeft. Dan
kunnen wij, wanneer wij dat vóór de ziekte zien en daarna, dan zien wij een verschijnsel niet
van verval over het algemeen, maar van verandering van prikkelbrengend vocht en de
samenstelling van hormoonhoudende vochten enz. enz.. Het verandert heel sterk. Deze
kunnen dan vaak het eigen bewustzijn, wanneer de persoonlijkheid niet meer wordt
geprojecteerd, tot waanzin drijven, want die eigen persoonlijkheid kan dan met dat lichaam
niet meer overweg. En dat is wel even belangrijk, wanneer wij dat zien, want, wanneer wij
iemand hypnotiseren voor een ogenblik, dan is dat een projectie van onze persoonlijkheid,
waardoor wij aan de andere persoonlijkheid, vooral het stoffelijk deel ervan, onze eigen
impulsen opleggen.
Wanneer ik echter té ver zou gaan, dan zou ik mij in de persoonlijkheid van mijn sujet geheel
moeten verzinken. D.w.z. dat mijn gehele gedachteleven tracht op te gaan in mijn sujet,
terwijl ik gelijktijdig mijn eigen persoonlijkheid volledig opleg aan het sujet. Wanneer ik met
één sujet dit experiment te lang uithaal, - dat is ook wel gebeurd -, dan krijg ik de
eigenschappen en misschien ook wel de kwalen van het sujet, terwijl het sujet mijn eigen
persoonlijkheid gaat vertonen en heb ik te maken met een verwisseling van persoonlijkheden.
Zoiets komt wel meer voor, dan U denkt hoor. Want ik stel dit nu sterk met hypnose. Maar ook
waar voortdurend samenleving en voortdurende suggestie wederkerig tot stand brengt, krijgen
wij ook wel eens wat men noemt aanpassing, maar in werkelijkheid een verandering van
persoonlijkheid. Heeft U wel eens opgelet op de oppasser van het apenhuis? Die lijkt ook wel
een aap. Jazeker. Dat is ook zo. Of als mensen lang getrouwd zijn. Ja, maar waarom? Omdat
de man de vrouw beperkt in haar impulsen en aan de andere kant aanvult door zijn eigen
impulsen en omgekeerd.

84
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

D.w.z. dat een deel van de persoonlijkheid van beiden op non-actief wordt gesteld, terwijl het
begeerteleven en het drangleven van de ander, misschien ondergeschikte factoren van het
eigen wezen juist sterk op de voorgrond schuift voortdurend. Daardoor wordt dus hetgeen, wat
de vrouw in de man ziet a.h.w. in de man geboren en omgekeerd. Dus, dames, denkt U nu
nooit van Uw man, wat is het eigenlijk toch maar een .....nu ja, vult U maar in. En omgekeerd,
heren, denkt U nooit van Uw vrouw: bah, wat is het eigenlijk toch een…. Want als U zo gaat
denken wekt U die krachten inderdaad. U stuurt die gedachte uit en versterkt ze indien U dat
regelmatig blijft denken.
Een voorbeeld dat het zo direct aan de oppervlakte komt, maar wat in feite waar is, is jalousie.
Een vrouw, die haar man voortdurend van ontrouw verdenkt. Een man, die voortdurend zijn
vrouw van ontrouw verdenkt, wekt de drang tot ontrouw in de ander. Hij wekt die, zoals die in
het begin helemaal niet aanwezig was. Nu wordt het gedachteleven erop geconcentreerd en
bestaat de mogelijkheid dat daardoor de begeerteprikkel, die in het begin aan de partner
gebonden was, zich nu volledig op anderen gaat richten met misschien wel de feitelijke
gevolgen daarvan. Er zijn heel wat echtscheidingen door dergelijke stommiteiten, door
dergelijke achterdocht en jalousie tot stand gekomen.
Dat zou ik natuurlijk aan kunnen vullen met allerhande voorbeelden nietwaar? Als U
buitengewoon voorzichtig bent met Uw partner, Uw huwelijkspartner en U vertroetelt die altijd
dan heeft U grote kans dat de partner zichzelve zo afhankelijk gaat zien van U als U die
persoon ook ziet. Daar dan bent U die partner kwijt en dan heeft U daarvoor een blok aan het
been gekregen. Begrijpt U? (Ja). Omgekeerd: een voortdurend misachten van alle symptomen
betekent, dat je die partner voor een soort idioot en komediant uitmaakt. Wanneer U die
houding te lang volhoudt, dan wekt U hetgeen wat U misschien niet meende te wekken of
meende te projecteren n.l. een soort van zelfwantrouwen in de partner en een soort
zelfverachting. Dan heeft U weer precies hetzelfde. Dan heeft U te maken met een persoon,
die ten opzichte van U, minderwaardig is geworden. Zij wás het niet, of hij wés het niet, maar
zij zijn het geworden. Zo projecteer je je persoonlijkheid dus en delen van je persoonlijkheid
heel vaak zonder dat je het weet, op je medemensen. Vooral wanneer het contact een zeer
regelmatig contact is, is het van buitengewoon veel belang.
Wanneer wij ons volledig onderstellen aan de ander, onderworpen tonen aan een ander, zullen
wij op de duur de persoonlijkheid van die ander in ons krijgen als een werkelijkheid
ondergeschikt aan de grote persoonlijkheid, dus eigenlijk een extentie van die persoonlijkheid
geworden. Maar weten wij dan, wat voor ons acceptabel is in werkelijkheid? Want wij kunnen
wel één zijn maar in werkelijkheid ondergeschikt zijn. Maar onze ondergeschiktheid heeft weer
een invloed op de anders wekt in de ander waarschijnlijk een minderwaardigheid, die door
meerderwaardigheidsuitingen, gecompenseerd moet worden en worden zelf het slachtoffer van
onze onderworpenheid. Het kan zelfs zo ver gaan, dat iemand, die zeer onderworpen is, ik blijf
nu maar weerbij de huwelijkspartners omdat zij elkaar zo sterk kunnen beïnvloeden. Iemand
die buitengewoon onderworpen is, voortdurend geprikkeld wordt door de ander, voortdurend
erop wordt gewezen, dat hij toch of zij toch, een klein beetje meer voor zichzelf moet denken
aan anderen. Wanneer zo'n huwelijk het bewuste gouden mijlpaaltje bereikt, vinden wij vaak
dat de rollen omgekeerd zijn.
Een heel oud gezegde, dat tegenwoordig nog ten dele bekend is, drukte dat als volgt uit:
"Toen zij trouwden had hij de broek aan, sindsdien heeft zij hem gedragen". Ja, dat zijn
inderdaad verschijnselen, wij kunnen er nog zo gezellig over praten per slot van rekening: die
U niet moet misachten, want het is niet alleen maar het stellen van een verhouding tussen
twee mensen, maar het is het veranderen van de waarde in je eigen persoonlijkheid én in de
andere persoonlijkheid. Het is een projecteren van je eigen persoonlijkheid op een anders of
het geheel ondergaan van een ander, terwijl jezelve daarbij teloor gaat. Het is soms zelfs een
verwisselen van persoonlijkheden.
Dat is niet goed want U bent op deze wereld geïncarneerd om met Uw eigen persoonlijkheid te
leven en niet met een waanbeeld, dat U door een ander wordt opgelegde ook al wordt het dan
nog zo reëel in Uw bestaan.

85
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

Onthoudt U dus: men moet zichzelve trachten te blijven: men moet ook een ander het recht
gunnen zichzelve te zijn. Dat is de hoofdzaak. Men mag zichzelve nooit op een ander blijven
projecteren en voortdurend zich als superieur uiten tegenover een andere persoon want op de
duur projecteert U Uw meningen in die persoonlijkheid. U vernietigt dan. U kunt voor een
ogenblik rustig zo'n persoon domineren U moogt rustig in een persoon Uw gedachte een
moment projecteren om bestaande foute toestanden eventjes in orde te maken. Dit kunt U
geen jaar voortzetten, want dan krijgt U een afhankelijkheidsverhouding in plaats van een
genezingsproces.
Ach ja dat zijn zo van die dingen hé? Er wilde iemand nog iets zeggen geloof ik, ja.
U heeft mijn vraag eigenlijk al beantwoord.
Ik had bedacht, dat die vraag iets verder ging dan het antwoord hoor. Het kan zijn dat ik mij
vergist heb.
Neen. Ja. Ik bedoel wat gebeurt er wanneer de andere persoon het inzicht heeft dat er een
persoonsverandering betracht wordt? Kan hij zich daartegen verzetten? Hoe staat dat
tegenover al hetgeen U gezegd hebt?
Ja, er zit inderdaad…. Ik dacht het ook, hoor, maar het blijkt alweer, er zit een kant aan vast,
die niet beantwoord werd. Dat is n.l. deze: wanneer ik merk, dat een ander zich op mij
projecteert, kan ik mij er tegen verzetten. Dat werd niet geheel beantwoord.Toch is dit zeer
belangrijk. Dat kan ik alleen wanneer ik mij zodanig kan concentreren dat ik sterker ben dan
die ander. Maar als zwakkere zal ik altijd het onderspit delven tegen de persoon die zich op mij
projecteert
Kun je je dan niet aan de projectie onttrekken?
U kunt er zich niet van onttrekken. Het enige, wat u kunt doen, is de projectie voor een groot
gedeelte afschuiven naar een gebied, waarop zij niet gericht is.
Kunt U een voorbeeld geven, want het is buitengewoon belangrijk,
Wat wilt U? Stelt U maar een geval, een persoon. Dan zullen wij het vanuit die bepaalde
persoonlijkheid bekijken.
Een persoon wordt beheerst door een ander. Uiteindelijk zou ik mij dan door een innerlijke
kosmologie daaraan kunnen onttrekken. Ik kan dan de suggestie als ongerichte energie
laten vervloeien "ins blaue hinein”. Hoe moeten wij dat nu doen? Laten wij zeggen wij
hebben iemand, die staat in verhouding van baas tot knecht. Die knecht wordt voortdurend
beïnvloed door het bekende liedje van: "je moet dit, je moet dit, je moet dat". Dan gaat de
persoonlijkheid van de knecht eraan. Wat moet die knecht dan doen, hoe moet hij zich
mentaal instellen tegen die aanvallen van die baas? Aanvallen waaraan hij zich door zijn
positie niet kan onttrekken.
Dan stelt de knecht zich in het ideale geval - dit is dus ook theoretisch - als volgt tegenover de
baas: ik tracht mij allereerst te realiseren: Waarom deze verwijten? Is mijn werk inderdaad zo
slecht? Dan moet ik dus leren. Wanneer die baas dan tegen mij zegt: "dit en dat', dan zeg ik
"zeker. Wilt U mij dat even voordoen?". Ik projecteer in dit geval dus vanuit mijzelve het
verwijt verder op het werk: het werk is niet in orde. Maar indien mij getoond wordt hoe het
werk behoort te worden gedaan, dan kan ik dat ook. Het resultaat is dan aannemende dat de
baas een choleriker is, de knecht misschien zijn ontslag krijgt, maar in ieder geval zichzelve
heeft gehandhaafd. Aangenomen echter, dat de baas op zich toch een goed mens is, bestaat
echter ook de mogelijkheid, dat hij inplaats van de blijven domineren in verwijtende zin, gaat
trachten te domineren in opvoedende zin. Dan vervalt echter ook het probleem zoals het tot
dan toe heeft bestaan: de baas kan degene, die hij iets wijst niet voortdurend negatief blijven
beïnvloeden, want hierdoor zou hij toe moeten geven, dat hij niet in staat is zijn knecht iets te
leren. Hij zal dus zijn houding tegenover de knecht langzamerhand moeten wijzigen.
Ik heb een concreter geval. Er is een concern, waarvan de geëmployeerden moeten worden
behandeld, omdat die baas die chef, hen zo behandelt. Nu hoop ik, dat die baas dat zal gaan
inzien. Maar dat neemt niet weg, dat het gehele kantoor over zijn tijd is. Ik heb de employees
aangeraden zich daaraan te onttrekken. Een lastige situatie. Tenzij U het geluk zoudt hebben
een employee te vinden die voortdurend in staat is zijn baas op de juiste wijze tegemoet te

86
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

treden die in staat is zijn baas heel rustig uit te laten razen, om te vragen: "Zeker, meneer.
Hoe wilt U het dan?" En als de baas dat doet in termen van razernij te zeggen. "Zoudt U mij
dat misschien nog even uit willen leggen? Ik heb het niet helemaal begrepen". Een man, die
wanneer hij zijn werk, dat hij gaarne doet, volgens de baas niet goed doet, heel rustig een
ontwerp deponeert met de vraag: "Is het zo dan goed?" Zou het gehele kantoor uit dergelijke
employees bestaan dan zou de baas zich ongetwijfeld zeer gauw wegens overspanning van zijn
positie ontheven zien. Maar indien er één zo zou zijn, die als tegenwicht voorde overspanning
van de anderen kan dienen, dan hebben wij een grote kans op succes. Want een mens kan als
ondergeschikte alleen zo op blijven treden, wanneer hij beseft, dat het optreden van de baas
het resultaat is van een conflict in de baas. Verder zou men aan de anderen een houvast
moeten geven. Wanneer wij - ik neem maar een willekeurige mogelijkheid - iemand hebben
die zeer ongelovig is, dan kunnen wij zeggen: elke keer voor je bij die baas binnen gaat, moet
je God aanroepen. Hij helpt je dan en met God ben je de meerdere van je baas. Dit is een
suggestie, die alleen waar een diep geloof aanwezig is natuurlijk, heel vaak tot een
werkelijkheid wordt. En kunnen wij dit meest werkzame niet gebruiken, God, dan zijn er
misschien nog wel andere argumenten te vinden, waarmee wij de employé met meer
zekerheid en begrip tegenover de baas kunnen stellen. Het is voor de baas n.l. mogelijk, dat
hij een weerstand tegenover zich vindt, die een beroep doet, niet zo zeer op zijn emoties dan,
wel op zijn kundigheden. Iemand, die coöperatief is, zodra zijn baas redelijk is, en dan ook
inderdaad resultaten produceert maar die tegenover de storm ongevoelig zijnde, reageert met
een terug schuiven van de verantwoording naar de baas. Want dergelijke toestanden ontstaan
heel vaak doordat de baas van zijn ondergeschikten, afhankelijk zijnde en dit voor zich goed
wetende, in zich de onzekerheid draagt, waar hij zichzelve niet in staat acht zijn eigen taak bij
voortduring met succes te blijven vervullen.
Dit is heel vaak de achtergrond van dergelijke situaties en zo wordt dit dan afgereageerd door
de innerlijke spanningen te ontladen op de zijn aanzien bedreigende factoren, de
ondergeschikten. Hierdoor zal hij dan zijn eigen meesterschap aan zich zelf bewijzen. De
reactie daarop werkt echter vaak prikkelends slaafsheid werkt prikkelend in een dergelijk
geval. Een slag in het ledige brengt degene, die al zijn evenwicht dreigt te verliezen nog veel
verder van de kook. Er moet dus een weerstand zijn. Maar de weerstand moet zo zijn, dat zij:
niet te pijnlijk wordt. Zij moet alleen de mens een ogenblik in staat stellen zijn evenwicht te
herwinnen.
De belangrijkheid van de baas voor de ondergeschikten en van de ondergeschikten voor de
baas moet dus voortdurend, desnoods door slechts één persoon, voortdurend geaccentueerd
worden. Dat brengt dan meestal, situaties met zich mee die zo zeer humoristisch zijn, dat de
rest van het personeel dan meestal ook oreer een beetje over de zenuwspanningen heen
komt. Het geeft aan de andere kant de baas de mogelijkheid te laten zien wat hij werkelijk
doen kan en geeft hem een inzicht van eigen tekorten en gewoonten en brengt zo de oplossing
van de problemen in het "ik" door de persoon zelve wat naderbij. Iets wat theoretisch wel zeer
belangrijk is.
Ik ben zo vrij om het woord "theoretisch" hier zeer nadrukkelijk bij te voegen. Zoiets kan
natuurlijk alleen, wanneer men toevallig de juiste personen voor het experiment treft. De
moeilijkheid in de praktijk is, dat men meestal de tijd niet heeft om dergelijke personen als die
employé te gaan zoeken en zo men de tijd daarvoor heeft, is het zeer goed mogelijk, dat men
te ene male de bekwaamheid daartoe mist. Dit was dus een geval, waar die projectie weer bij
te pas kwam. Want wanneer men een verhouding schept, zoals U die naar voren brengt is het
vooral de projectie van een innerlijke onzekerheid van de baas op de employees, waardoor een
onmogelijke toestand wordt geschapen.
Wanneer wij dus de baas zijn innerlijke zekerheid terug kunnen geven, volgen de anderen van
het beste zou daarvoor, zoals gezegd zijn. Wanneer één van de geëmployeerden dit alles van
zich af kon laten glijden en op een geheel ander terrein brengen. Dus geen: "Ik ben niet voor
dit werk geschikt: of “jij bent niet geschikt”, maar “O, weet U het beter? Vertelt U mij dan
even, hoe".

87
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 6 – 28 juli 1955

Die baas is, wij hebben het gehad over sympathothonische gevallen, een dergelijk iemand,
hij gaat hieraan lichamelijk ten gronde. Een kwestie van tempo waarschijnlijk. De mensheid
weet op het ogenblik de grootste snelheden te bereiken uit de bekende geschiedenis.
Maar veel heeft zij daar niet aan, omdat zij die snelheden gebruikt om nergens naar toe te
gaan. Een symptoom van de verwarring der moderne tijden. Een mens moet een doel hebben
en daar op aan streven. Wanneer men een omschreven doel heeft en dit voortdurend
nastreeft, dan zal voor de bereiking het tempo verder betrekkelijk weinig uitmaken. Maar dat
doel moet wel een doel zijn, wat niet zo één, twee, drie bereikt wordt. Het behoort een doel te
zijn dat jaren vraagt, voor het zelfs maar benaderen geresumeerd worden kan. Een dergelijk
doel, waarop alle streven gericht is, maakt het tempo erg onbelangrijk. Wanneer wij in het
begin wat te hard van stapel lopen, moeten wij trachten in te zien, dat een dergelijk tempo
onredelijk is, gezien de weerstanden, die wij te overwinnen hebben en dus ons tempo
aanpassen aan de omstandigheden. Dan wordt het meest gunstige resultaat bereikt. U zoudt
dus die baas b.v. eens aan kunnen raden om te trachten zoveel mogelijk slechts één ding
tegelijk te doen. Want dat is het veroorzakend verschijnsel en tevens het symptoom van het
complex, dat die man beheerst. Want deze man heeft op het ogenblik de gewoonten om te
trachten vier of vijf dingen gelijktijdig te doen. En dat gaat vooral ander de huidige
omstandigheden helemaal niet. Zou hij in de gelegenheid zijn alle dingen achter elkaar af te
handelen, dan zou hij alles tot een redelijke oplossing kunnen brengen, maar nu staat hij elk
ogenblik weer tegenover de vraag: "Is dit wel goed". Dus probeert U maar om hem dat in te
doen zien. Zo vrienden, dat was dan een psychiatrisch intermezzo. Ik weet niet in hoeverre U
dit betoog belangrijk acht. Wat ons betreft, kunt U dit uit de leerstof schrappen, wanneer U de
eerste punten, die wij hebben besproken naar even naleest.
Al het andere moet U zelf maar eens bekijken en beslissen in hoeverre dit voor U
belangwekkend moet zijn. Nu zullen wij maar gaan pauzeren.
Ik wens U allen, in zoverre de vakanties nog niet achter de rug zijn een prettige vakantie, veel
zon en weinig zonnebrand.
Goeden avond.
(Het tweede gedeelte werd niet opgenomen).
o-o-o-o-o

88
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

LES 7 - DE MENSELIJKE PSYCHE

22 September 1955
Goedenavond vrienden
Ja, nu zitten wij vanavond weer met een onvolledig gezelschap.
Dan komen wij voor de vraag te staan: wat moeten wij nu gaan doen? Want nu meteen af te
gaan werken zal weinig zin hebben, waar wij dan weer een groot deel van de stof moeten
herhalen. Daarom - U kunt het natuurlijk anders krijgen indien U dat wenst - zou ik U voor
willen stellen om deze avond zelf die onderwerpen aangaande de Menselijke Psyche aan de
orde te stellen, die U bijzonder interesseren. Mij dunkt dat dit gezien al hetgeen de vorige
keren behandeld is, de beste methode. Dus wanneer er vragen of problemen op dit gebied
zijn, kunt U die eerst eens naar voren brengen. Geen commentaren?
Dan zou ik U willen verzoeken mij een ogenblik te volgen in een kleine beschouwing over de
Menselijke Psyche, die wij dan later als ingelast zijnde kunnen beschouwen. Ik heb U reeds
gewezen op de mogelijkheden paranormale gaven terug te brengen tot werkingen in de
hersenen. Wij hebben dan ook o.a. de wijze besproken, waarop dat gebeurt en de wijze
waarop zich dat ontwikkeld heeft.
Nu zou ik willen gaan overwegen in hoeverre een bepaalde psychische toestand het resultaat
kan zijn van, of in verband staan met deze bijzondere kwaliteiten. Wanneer wij iemand
hebben, die mediamiek is, d.w.z. helderziende, helderhorend enz. dan ontdekken wij tot onze
verrassing, dat deze personen altijd betrekkelijk evenwichtig zijn. Er zijn in wezen bepaalde
factoren, die hen - psychologisch gezien - tot de instabielen, tot de grotere risico's doen
behoren. Zij zijn gemakkelijker dan anderen voor allerlei beïnvloedingen vatbaar enz.. Waar
kan dit aan liggen? Wij weten natuurlijk, dat wij soortgelijke verschijnselen o.a. met
schildklierextracten te voorschijn kunnen roepen. Dat wij bij het gebruik van ontspannende en
verdovende middelen, middelen die dus t.o.v. het normale een algehele ontspanning te
gevolge hebben, soortgelijke resultaten kunnen wekken. Vanwaar dit?
In de eerste plaats is het totaal van alle paranormale verschijnselen afhankelijk van de eigen
aanvaarding daarvan. Iemand die deze dingen verwerpt, zal over het algemeen bij een begin
van ontwikkeling dezer gaven de verschijnselen onmiddellijk onderdrukken. Het wordt naar het
onderbewustzijn verdrongen, kan daar nog enige invloed hebben, maar in het bewustzijn komt
het niet meer naar voren. Wanneer wij het innerlijk evenwicht van de mens gaan wijzigen en
daarmede ook zijn temperament, dan kunnen wij een tijdelijke wijziging tot stand brengen. Er
vormt zich een tijdelijk tweede persoonlijkheid, iets wat over het algemeen zekere psychische
conflicten achterlaat.
De vraag, die nu rijst is: Is het ook mogelijk een geheel evenwichtig mens tot een ontwikkeling
te brengen van deze paranormale eigenschappen van het stoffelijke, opdat hij hieruit ook
geestelijk nut kan trekken: dit zonder dat hierdoor grote lichamelijke schade ontstaat? Ik
meen, dat dit althans in principe mogelijk is. En wel uitgaande van het feit dat de geest in haar
eigen wereld thuis is en deze dus normaal kan beleven. Indien het lichaam beseft, dat deze
reeks van verschijnselen tot de wereld van de geest behoort en zich er niet tegen verzet,
zouden wij dus kunnen rekenen met een op de duur redelijk aanvaarden en daarmede dus het
wegvallen van de innerlijke conflicten en psychische spanningen, die anders hiervan het
resultaat kunnen zijn.
Gesteld: Ik heb een volkomen normaal mens. Ik ontwikkel hierin een redelijke aanvaarding
van het paranormale, het geloof in het paranormale en het vertrouwen in het paranormale.
Geloof en vertrouwen hier noodzakelijk om een psychisch evenwicht te scheppen en
onderbewuste reacties uit te schakelen. Anders wordt vaak een innerlijk, doch niet bewust

89
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

verzet in het verloop der dingen opgenomen. Daarna ga ik deze mens verder ontwikkelen door
hem voortdurend op dit gebied te stimuleren, hem te dwingen op "hunches" af te gaan e.d.
Die mens blijft evenwichtig en gezond, maar wij zien als secundair verschijnsel dat die mens
erg bijgelovig wordt. Hij kan nog geen onderscheid maken tussen de reële verschijnselen, die
zich in en rond zijn wezen afspelen, de stimulerende factoren van buitenaf, de dingen, die voor
hem geen betekenis hebben, als toevallig opgenomen gedachte en de stem van het eigen
innerlijk. De grootste moeilijkheid is dus een tegenwicht te scheppen voor het bijgeloof. Ik
moet eerlijk bekennen, dat ik op dit probleem nog geen antwoord weet. Aangenomen, dat er
een oplossing bestaat kunnen wij echter in elke mens de sluimerende gaven, die vooral in het
begin der mensheid ontwikkeld zijn geweest, wederom te voorschijn brengen.
Een andere mogelijkheid, die ook op het ogenblik - gezien de omstandigheden - niet zo
vreemd lijkt, is een muteren van de mens, waarbij deze oude eigenschappen weer meer op de
voorgrond komen. Dit zal dan in een andere houding van de mens ten opzichte van deze
dingen kunnen resulteren. Zou zoiets gebeuren, dan kunnen wij aannemen dat de rest van de
mensheid zich zeer snel zal ontwikkelen tot het gestelde peil, ongeacht of verdere stoffelijke
mutaties plaats vinden of niet. De normale mensheid kan mee. Waardoor echter dan de
onevenwichtigheid, indien de mens op het ogenblik met deze verschijnselen in zijn wezen
wordt geconfronteerd?
Wel, mijne vrienden, de mens van heden is over het algemeen niet geneigd het buitengewone
in zijn wezen aan te nemen. Anderzijds is hij geneigd zich zeer te verheffen op grond van elk
verschijnsel dat buiten het als normaal gangbare gaat en de bewondering van anderen kan
wekken. Zo komt het, dat in de eerste plaats de onevenwichtige personen, met een
minderwaardigheidscomplex, met de behoefte voortdurend in het middelpunt der
belangstelling te staan etc. geneigd zullen zijn de in hem aanwezige mediamieke kwaliteiten te
gaan ontwikkelen, om toe te geven aan al deze impulsen en tegenover de buitenwereld daar
zoveel mogelijk van te maken. Hierdoor wordt immers de mogelijkheid geschapen te
ontvluchten uit een toestand der wereld, waarin men zichzelve onbelangrijk of minderwaardig
gevoelt.
Dit ontvluchtingsproces brengt met zich mede, dat het gehele leven wordt gebaseerd op de
gave en dat alle meer normale aspecten van het bestaan daarvoor min of meer wegvallen.
Vindt dit plaats, dan zien wij natuurlijk een volkomen onreëel beschouwen van de toestanden
op de wereld. Zij worden niet meer gezien als toestanden, die algemeen bestaan, problemen,
waarvoor de wereld reeds een oplossing heeft gevonden, maar als levende factoren, die voor
het "IK" halt houden moeten maken, omdat, dat ik nu eenmaal iets anders is dan de rest. De
consequenties is, dat elke mens met paranormale eigenschappen dus ten opzichte van de
wereld vreemd staat. Sommigen van hen vluchten hiervoor door buiten hun gaven om een
grote normaliteit .....ik zou het eigenlijk in het Duits moeten zeggen vor zu tauschen. Voor te
toveren. Zij tonen zichzelve dus aan de wereld anders dan zij innerlijk zijn. De mens, die
paranormale gaven heeft en daardoor aan de wereld werkelijkheid gedeeltelijk ontgroeid is een
komediant eerste klas.
Niet in de laatste zin meestal. Maar hij bouwt zich twee persoonlijkheden: de één van de
begaafde mens, die het middelpunt van alle dingen is, het tweede een rustige normale mens,
die in niets van een ander verschilt. Inwendig blijft hij er natuurlijk, altijd van overtuigd, dat
hij wel iets anders is. Hierdoor wordt op dingen, die de normale mens als redelijk zou
accepteren vaak aangesproken, anders gereageerd dan volgens het getoonde beeld te
verwachten zou zijn. Dat zijn de feiten waarvoor wij in een dergelijk geval staan. Is dit alles
naar het normale terug brengen?
In de eerste plaats zullen wij steeds ons moeten realiseren dat wij te maken hebben met
mensen die voor zichzelve een tweede werkelijkheid kennen die voor hen zelve innerlijk
belangrijker is en dus mogen worden gewaardeerd, noch behandeld als de normale doorsnee-
mensheid. Aan de andere kant zullen zij zich toch zo nodig aan moeten passen aan de
doorsnee-mensheid. Wij moeten voor hen een weg weten te vinden, die hen aan de kant als
een normale mens in de wereld stelt, doch hen anderzijds de waarden laat, waarop hun
eigenschappen en bijzondere gaven zijn gebaseerd.

90
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

Wij kunnen dit het beste doen door het te confronteren met de werkelijkheid en hen
tegelijkertijd in de gelegenheid te stellen krachtens hun tweede innerlijke persoonlijkheid voor
een gedeelte consequenties dier werkelijkheid althans voorlopig te ontkomen. Het lijkt zo -
oppervlakkig gezien - misschien een versterken van die waan. In werkelijkheid is dit echter
niet zo, want door de tweede persoonlijkheid te stellen als een aanvulling, als complement al
van de persoonlijkheid, die zij zouden moeten en vaak willen zijn, brengen wij deze meer en
meer tot een eenheid in het besef van deze mens. Het resultaat is dan ook dat de scheiding
tussen de twee persoonlijkheden wegvalt.
In sommige gevallen kunnen de gaven daar iets onder lijden. In de meeste gevallen zullen wij
vaak kunnen stellen dat de gaven juist sterker op de voorgrond komen, beheerster, zodat zij
op de duur niet meer zijn het onbeheerst functioneren van niet begrepen psychische plus
fysieke eigenschappen, maar een beheerst functioneren van een normale geestelijke -
stoffelijke functie die als deel van het "IK” wordt erkend, maar alleen wordt gebruikt, wanneer
dit voor deze mens een noodzakelijkheid is.
Een tweede iets, dat ik in verband hiermee aan zou willen snijden is de kwestie van het
sexuele. Eigenaardig genoeg staat n.l. de sexuele drang bij man, zowel als vrouw in sterk
verband niet psychische, zowel als fysieke organismen die de paranormale begaafdheid
beheersen. Er zal hier altijd een grotere spanning plus een grotere wisselwerking aanwezig
zijn, dan bij een normaal mens. Vindt U het goed, dat ik hierover verder spreek, of is het
onderwerp U onaangenaam? (Gaat U verder.) Wij weten, dat het driftleven van de mens, dus
niet alleen sexueel, maar ook op andere gebieden juist door zijn buitengewoon sterke fysieke
invloeden, ook de psyche zeer sterk kan richten, beïnvloeden enz.. In de psyche echter bestaat
een voorstellingsleven, dat grenzen stelt. Men moet, wil er innerlijke vrede zijn, met zijn
driftleven binnen de grenzen die de ervaring heeft geleerd, die de maatschappij oplegt enz.,
blijven.
De persoonlijkheid, die volkomen normaal is, zal daarmede over het algemeen reeds enige
moeilijkheden hebben, gezien de stoffelijke driften. Deze problemen kunnen echter over het
algemeen binnen de perken door de maatschappij goedgekeurd en ook vaak door het "IK"
worden afgereageerd. Er blijven dan slechts momenten van onredelijkheid en prikkelbaarheid
over, die voor de persoon in kwestie niet eens kunnen worden terug gevoerd tot het sexuele-
of driftprobleem. Sexe ligt mede ten grondslag aan het grootste gedeelte der problemen, die
wij zien juist waar het gaat om de eigenschappen, die het paranormale beginnen te
benaderen.
In de eerste plaats heeft U waarschijnlijk allemaal wel eens gehoord van de z.g. transmutatie
van krachten. D.w.z. dat de sexuele bracht - mits goed gericht -, kan worden geuit op een
andere wijze. Zij kan voor een gedeelte worden gemaakt tot psychische energie, waardoor een
verscherpt denkvermogen, vergrote energie dus van het denkleven plus het bewustzijnsleven,
voor het accepteren en verwerken der dingen, een versnelde uiting en een verbeterde uiting
kunnen worden verkregen. Alleen in zoverre het afreageren ook op een andere wijze mogelijk
blijft. Indien afreageren op een andere wijze niet mogelijk is, wordt in het transmutatieproces
vaak een nog veel groter conflict ervaren, dan zonder dat. Elke mens dient zich dus goed te
realiseren, dat het alleen maar nut heeft krachten te transformeren, wanneer dit bewust
gebeurt met een vast staand doel, waardoor de uiting van de op deze wijze veranderden
afgebogen krachtstromen plaats kan vinden: anders ontstaan er moeilijkheden, die groot zijn.
De paranormale persoon is - juist krachtens zijn geaardheid en wezen - tot deze bewuste
transmutatie van krachten niet in staat. Wij krijgen dan te maken met de onbewuste
transformatie. Dit brengt vele moeilijkheden met zich: het transmuteren van bepaalde
krachten in andere geuite krachten als welsprekendheid enz. enz. brengt aan de ene kant een
verzwakking van potentie met zich, maar kan tevens een in het gedachteleven sterk
verhevigde drang naar voren brengen.
Indien U een voorbeeld wilt hebben, kunt U b.v. gaan zien naar vele grote acteurs naar grote
redenaars. Kortom mensen die voortdurend weer hun gehele persoonlijkheid moeten
gebruiken om hun publiek of gehoor te fascineren. Zij zullen hun gehele wezen in deze taak
leggen en daarmede dus een groot gedeelte van hun potentie omzetten in andere krachten. Zij
91
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

zijn er zich echter niet van bewust, dat dit is gebeurd en ervaren een gemis aan potentie in
zichzelve als een gebrek, waardoor zij verscherpt trachten op andere wijze juist deze dingen te
benaderen. Waar dit natuurlijk vooral bij de volwassenen optreedt, of beter gezegd bij de
sexueel rijpen, vinden wij juist hier perioden, die bijzonder moeilijk te beheersen zijn.
Aan de ene kant staat de jeugd vaak veel dichter bij het paranormale, dan de volgroeide
mens. Aan de andere kant staat de jeugd, juist door zijn grote potentie in het driftleven zó, dat
een transformeren, een transmutatie van krachten weliswaar mogelijk is, maar over het
algemeen niet gebruikt wordt op de meest geestelijke wijze. Het onredelijke element, dat zo
vaak regeert in deze tijd, brengt storingen teweeg, waardoor, ófwel het paranormale element
geïnterpreteerd wordt en wij daardoor een zoeken zien naar het sexuele als vorm en sensatie
ten koste van alles, ófwel een verdringen van sexuele impulsen met daardoor in studie en
gedrag, tijdelijk buitengewoon gunstige verschijnselen, maar met daar achter aan een
volwassen leven, waarin jammerlijk het sexuele zozeer op de voorgrond komt, dat én de
begaafdheid én de bereiking gedurende deze eerste jaren volledig teloor gaan.
Het zal U ongetwijfeld wel eens opgevallen zijn dat de middelmatige kinderen in de wereld
verder komen dan de briljante. Hiervoor geeft men over het algemeen als reden, dat iemand,
die briljant is, een heel hoog I.Q heeft van - laat ons zeggen 150 -, een te gemakkelijk leren
kent en zich daardoor niet met de echte strijd van het leven wordt geconfronteerd voor het
rijkelijk te laat is.
Mag ik opmerken, dat dit alleen een aardig dooddoenertje is? De zaak ligt enigszins anders.
Iemand, die gemakkelijk leert en iets vindt, dat hem of haar het leren waard is, zal zeer
zeker ten allen tijde meer blijven presteren dan een middelmatige, want hier is de drijfveer
aanwezig. Maar de briljante figuur wordt, juist doordat hij, veel van zijn krachtens van zijn
genialiteit dankt aan het onbewust transmuteren van waarden langzaam maar zeker een
ontevreden en onbevredigd mens. Hierdoor treedt wispelturigheid op. Wispelturigheid, die
kan ontaarden in een verwaarlozen van alle factoren van het normale leven. Het resultaat
is dan: mislukkingen.
Ik weet niet of U er wel eens over heeft nagedacht, dat dit alles met de paranormale
kwaliteiten in verband staat. Toch hebben die factoren, onbekend als zij misschien zijn, veel
meer invloed dan zelfs de meer wetenden zouden denken. Ik heb U al eens gesproken over de
problemen in de jaren der jeugd. Ik heb U toen ook gerezen op de andere mogelijkheden, die
er bestaan. Dit laatste nu is echter een mogelijkheid, die officieel nog niet in de psychologie
voorkomt! Men zoekt daarin hoogstens naar het droomleven, maar vergeet, dat er mensen
kunnen bestaan, die twee werkelijkheden kennen en voor beide werkelijkheden willen
vluchten. Vinden wij iemand, die medium wordt, geheel of half-eerlijk, dan is daar nog een
uitlaat aanwezig en krijgen wij wel een persoon, die minder innerlijke vastheid vertoont dan
wenselijk zou zijn, maar dan toch nog iemand, die een uitlaat heeft. Is die uitlaat echter niet
aanwezig, dan krijgen wij op de duur een vernietigingsdrang op tweeërlei gebied.
In de eerste plaats: geestelijk. Men probeert alle ideeën van anderen te kraken. Men probeert
alles wat een ander hoog houdt juist aan ideële en verstandelijke waarden eenvoudig te
vernietigen. Daarnaast een stoffelijk sadisme. Een zich prettig voelen in het lijden van anderen
en desnoods zelfs in het lijden van het "IK". Een zeer fataal iets. Zoveel te fataler, omdat juist
hierdoor soms die perverse typen ontstaan, die de pijn liefhebben om de pijn zelve. Ook hier
heb ik al meer op gewezen. Liefhebben van pijn bij anderen en bij zichzelve. Maar pijn! Het
lijden kan op vele manieren gezocht worden. Men kan het zoeken in het normaal lichamelijk
doen lijden, het kan echter ook gezocht worden - en dit gebeurt veel meer, gezien de minder
consequenties - in het geestelijk kwellen van medemensen. Indien men de mens in staat zou
stellen zijn geestelijke wereld als een reële wereld te aanvaarden en gelijktijdig zijn stoffelijke
wereld als een aanvulling daarvan te ervaren, dan zou een groot aantal van deze afwijkingen
ongetwijfeld opgelost kunnen worden.
Nu ga ik het U een ogenblik weer wat meer lastig maken en wordt het wat meer technisch. U
zult zich herinneren, hoe wij in deze cursus en ook daarbuiten meerdere malen hebben
gesproken over de wijze waarop de geest regeert in het lichaam. Ik heb U indertijd geleerd dat
er verschillende knooppunten in het lichaam bestaan, die eigenlijk de contactpunten van de

92
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

geest kunnen worden genoemd. Men kan die ongeveer gelijk stellen met de chakra's. Met als
hoofdcontactpunt een deel van de grote en van de kleine hersenen. Wanneer ik nu een aantal
psychische verschijnselen moet gaan verklaren, dan kom ik altijd voor de vraag te staan: hoe
is de verhouding van stof en geest. De impuls, die de geest op de stof afzendt, kan gelijk
worden gesteld met een vonk die overslaat. Een vonk die overslaat op een bepaald deel van
het zenuwstelsel, bepaalde zenuwkanalen kiezende. Een trilling wekkende, waardoor een
bepaalde reactie kan worden verwacht. Niet elke geest heeft een gelijke aanzet aan het
lichaam.
Men hoort in de esoterische leren vaak spreken over het open bloeien der chakra's. Ik zou het
anders willen zeggen: De geest van de mens beïnvloedt zijn eigen lichaam hoofdzakelijk via
één bepaald punt. De impulsen, die in andere geest - stof contactpunten waarden ontvangen,
zijn secundair. De primaire impuls gaat dus via een bepaalde zenuwknoop.
Men zegt vaak, dat de liefde van de man door de maag gaat, en zegt ook wel eens, dat de
liefde in de lever zetelt. Het klinkt U misschien wat dwaas, wanneer ik zeg dat ik hier veel
waars in zie. Want zeer vele mensen beleven hun gehele leven geestelijk met als hoogste punt
de zonnevlecht: d.w.z. dat elke geestelijke impuls stoffelijk wordt vertaald, zoverre de
verdeling der prikkel vanuit de zonnevlecht plaats kan vinden. Dat houdt in, dat de lagere
elementen van het lichaam een meer dan evenredig deel hebben in de impulsen die worden
afgestuurd door de geest. Om dus bepaalde gevallen van psychische storingen te genezen is
het dus niet alleen nodig, dat wij afgaan op de uiterlijke verschijnselen, maar dat wij trachten
vast te stellen, vanuit welk deel van het zenuwstelsel het grootste deel der verschijnselen en
impulsen naar voren komt. Wij moeten dus het psychische probleem gaan ontleden en onze
zelf afvragen: hoe komt het, dat deze impulsen zo sterk naar voren komen? Er blijkt dan vaak,
dat een gedeelte van het zenuwstelsel onder een grotere spanning werken dan de rest. Een
zeer bepaald en nauw omschrijfbaar gedeelte vaak. Wij kunnen dit dan weer terug brengen tot
een bepaald chakra, een bepaalde zenuwknoop, waar het grootste deel der impulsen a.h.w.
samenkomt.
Wij gaan dan over naar een esoterische beschouwing zeggende: Het is dus dit punt speciaal,
dat deze mens kwaad doet. Ik zal hem moeten gaan genezen door te handelen, alsof zijn
groter en hoger, bewustzijn reeds aanwezig ware. Mijn punt van aanval is het gebied der
stoffelijke tentlenzen en ik moet gaan proberen deze langzaam aan te gaan verplaatsen op een
hoger plan. Dan eerst kan ik deze psychische problemen geheel genezen. Dit, door de stof aan
te passen aan de eisen die de psyche zelve stelt.
Zoudt U ons een concreet voorbeeld willen noemen?
Concreet voorbeeld: Hysterica. Neigingen naar het sexuele. Exhibitionisme enz.. Probleem:
innerlijk verzet tegen het vertoon, waar een ander deel van het wezen a.h.w. om smeekt. Wat
gedaan wordt is symboolhandeling voor de daad, die men niet durft te volbrengen. Dan
redeneren wij als volgt: Het is aannemelijk, dat het zoeken naar belangstelling gebaseerd
moet zijn op een gevoel van minderwaardigheid, een gevoel van niet geheel passen in de
omgeving. De oorzaak kan liggen in het onderbewuste zowel als in het meer bewuste. Maar
het zich niet passend voelen in de omgeving is factor nr. één. Factor nr. twee toont ons daarbij
een volledig onevenwichtig driftleven. Nu ga ik mijzelve vragen stellen. Ik heb hier te maken
met een in hoofdzaak sexueel schijnend probleem. Dit moet ik zien op te lossen.
Daarnaast echter een van wereldbeschouwing. Wanneer ik dit geheel om kan zetten in
gevoelsleven, een chakra hoger, dan kan ik hierdoor verkrijgen: een oplossing van het sociale
probleem. Het probleem van het zich niet passend voelen. Want wij kunnen door een
versterking van de gedachte: Ik ga de wereld helpen de gedachte der tekortkoming op de
achtergrond brengen en daarmede het op de voorgrond treden van het aandacht zoeken, dat
ontaardde in exhibitionisme. Dit is echter niet voldoende, want ik zit met het driftleven, dat
door het "IK" wordt ontkend. Dit kan ik alleen gaan veranderen door ook hier dezelfde
gedachte op de voorgrond te brengen in de vorm, wij moeten hier gaan zoeken naar een
zuivere liefde. Een liefde, waarin ik mij zelve sexueel kan sublimeren. Deze mogelijkheid
bestaat voor mij. Zij biedt mij veel grotere voldoening, dus ga ik mij hierop zichten. Dat leidt
dan vaak tot een droomleven en is als zodanig niet geheel gezond, daar de projectie van de

93
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

impulsen op de droomfiguur kan een groot aantal ontladingen teweeg brengen, waardoor het
lichamelijk evenwicht althans enigszins gehandhaafd wordt. Dan heb ik hiermede de grootste
spanningen weggenomen.
Nu eerste nu ik dit gedaan heb langs deze weg, kan ik suggestief een richting gaan geven aan
het streven en zoeken. Zó, dat het liefdeleven in Christelijke zin, zowel als het eigen
liefdeleven gestuurd wordt in een richting, die voor de wereld, of het merendeel daarvan en de
persoon zelf nog acceptabel zal zijn.
Mijn vraag ging eigenlijk een andere kant uit. Wij hadden het over de aangrijpingspunten,
ook van de eigen geest op het lichaam Nu interesseert mij dit zo hevige omdat, als ik
mensen heb die inderdaad in een psychische conflictsituatie zitten, dit via een bepaalde
chakra het lichaam evenzeer aangaat. Laten wij zeggen b.v. longtuberculose. Als ik dat in
zijn eigen chakra aan kan pakken, dan kan ik de zaak veel gemakkelijker omstellen.
Nu, als iemand long t.b.c. heeft, dan kunt U practisch altijd het beste aanzetten aan het
keelkop-chakra. Dan krijgt U dus de sterkste werking. Dát is dan zo'n aardigheidje tussendoor.
Maar laten wij eerst even verder gaan. Wanneer ik nu dit alles heb gedaan dat kan ik van
stoffelijke zijde doen, maar dat vraagt over het algemeen zeer veel tijd, moeite, plus het
domineren van de persoonlijkheid. Ik heb echter nog een ander wapen: ik heb ook nog mijn
eigen geest. Die kan ik tijdelijk zo scherp op een persoon concentreren dat a.h.w. een pode
van mijn geest naar de geest van die persoon uitgrijpt. Nu weet ik reeds, dat de fout ligt in
een bepaald chakra. Ik noemde zo-even het keelkop-chakra., Nemen wij aan, dat ik de aanzet
van de eigen geest dier persoon wil overzetten van zonnevlecht naar keelkop-chakra. Nu kan
ik moeilijk die eigen geest gaan losscheuren van zijn eigen aanzet aan het lagere chakra. Maar
wel kan ik zó sterk mijn eigen invloed op het hoger chakra gaan richten, door de door mij
gegeven kracht tijdelijk voor de geest een impuls en overdracht hier gemakkelijker wordt dan
op het lagere punt.
Ja ja, dat was mijn bedoeling.
Wanneer ik dus mijn geestelijke krachten aan ga wenden, dan kan ik het die geest mogelijk
maken om met haar impulsen dat deel van het lichaam, waar dit gewenst is, te beïnvloeden.
Ik kan haar echter niet dwingen om ook van de geschapen gelegenheid gebruik te maken. Ik
kan dus die geest nooit zonder meer in die richting brengen. Wij zullen dus de beide wijzen
van behandelen moeten combineren: Ik zal aan de ene zijde het gedachteleven van de patiënt
moeten richten op het spreken, zingen, of het musiceren. Dat is dus ook vaak een aardige
afleiding. Naast deze bezigheid - dat wordt, eigenlijk al zuiver een arbeidstherapie, - waarbij ik
dus de nadruk leg op al hetgeen daar vandaan komt, kan ik dan de grootste mogelijkheid voor
de geest daar scheppen, waar dit geestelijk gewenst is. De belangstelling, stoffelijk reeds
gericht door de impressies en suggesties, die werden gegeven, waarnaast deze mogelijkheid
voor de geest zal het geheel der belangstellingen transponeren naar het gemakkelijk te
bereiken hoger chakra, van waar de geest op de duur dan ook haar maximaal werkingen doet
uitgaan. Wanneer ik dit op de juiste wijze doe, zal de geest dus haar prikkels op een hoger
plan hebben gebracht. Maar bovendien heb ik door mijn werken op het stoffelijk bewustzijn
waarden geschapen, harmonische waarden, die oorspronkelijk niet aanwezig waren. Daar had
ik te maken met probleemwaarden. Hier heb ik te maken met ogenbliksvoorstellingen en
handelingen, die ogenblikkelijk ook door het eigen "IK" kunnen worden goed geheten. Hierdoor
valt, zij het dan tijdelijk, de strijd geest - stof, terug tot een klein gedeelte van de
oorspronkelijke waarden. Dit betekent een vergroting van beschikbare energie en dus ook een
versnelling van het lichamelijk herstel. Dit werkt weer een snellere aanvaarding van de
bestaande toestanden in de hand en daarmede een voortzetting van een groot deel der
geschapen tendensen in het verdere leven.
Dat was dan een concreet voorbeeld. Nu wil ik verder gaan door U te vertellen, hoe U
eventueel zelve hiermede kunt werken. Waar ik zo-even reeds het richten van een pode der
geest op een bepaald chakra, te berde bracht, is het bovendien noodzakelijk, dat wij begrijpen,
hoe wij bij personen, die wij willen helpen - geestelijk of stoffelijk - het probleem stoffelijk en
geestelijk gezamenlijk aan moeten vatten. Wanneer wij het alleen stoffelijk doen, is dat
verkeerd, want als wij zo werken zal het onbewuste met de geest zich hiertegen kunnen
blijven verzetten. Dat brengt ons dan wel een ander soort strijd, maar ook dit baart
94
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

onaangename verschijnselen en gedachte. Wanneer wij echter geestelijk en stoffelijk
gezamenlijk aanzetten, dan kunnen wij heel ver komen. Ik zal hier ook een voorbeeld van
geven, aangezien dat schijnbaar het beste aanslaat. Ik heb te maken met een persoon, die
b.v. een echtgenote of een kind verloren heeft. Deze persoon gaat zó op in dit gemis, dat
hierdoor een wereldontkenning optreedt, die, zoals meestal, gepaard gaat met koude
wanhoopsvlagen. Uiteindelijk een verschuiving van werkelijkheidswaarden, waardoor
zelfmoord e.d. mogelijk worden. Ik kan natuurlijk tegen die persoon gaan zeggen: Maar zo erg
is dat nu toch ook niet, hoor, anderen moeten dat ook verwerken en verder leven enz.. Het
resultaat zal slechts een innerlijk verzet tegen mij zijn, waardoor het resultaat van mijn wel
bedoelde toespraken practisch nil of erger is. Ik moet mij dus eerst voor gaan stellen: wat is
het gemis? Ik ga mij voorstellen b.v.: die vrouw heeft haar kind verloren. Wat mist zij? De
afhankelijkheid van het kind plus het bezit van het kind. Geef haar in de eerste plaats iets, dat
haar nodig heeft.
Wij moeten in dit geval dus niet in de eerste plaats beginnen met troosten, maar wij moeten
die persoon confronteren met problemen van anderen, waarin zij misschien zou kunnen
helpen. In de tweede plaats moet ik trachten om de stoffelijke tendensen, die haar aan het
kind binden, geestelijk te waarderen. Nu vind ik daar in de eerste plaats de geestelijke band
en in de tweede plaats, het geestelijk ontwaken van het kind, dat vreugde gaf.
Deze dingen wijzen mij weer op het borst-chakra. In dit geval weet ik dus, dat in hoofdzaak
daarop gerichte impulsen direct dit probleem hun uitwerking kunnen hebben. Ik kan echter
nooit het lijden van de geest gaan bestrijden met gelijkmoedigheid en vreugde: stoffelijk gaat
dat misschien nog wel, maar geestelijk niet. Ik moet geestelijk eerst een tijdelijke aanvulling
scheppen voor de waarden, die verloren zijn gegaan. Ik moet dus een gevoel van
afhankelijkheid ten opzichte van haar projecteren. Daarnaast is zij één bezit kwijt. Dit kan ik
geestelijk alleen bestrijden door deze impulsen, die oorspronkelijk in de zonnevlecht thuis
horen, een hoger gelegen chakra toe te stralen. En wel met de grondgedachte, dat dit bezit
vervangbaar is. D.w.z. ik geef zo mogelijk een ogenblik het gevoel, dat dit bezit nog bestaat,
maar in andere vorm. Voor deze beide geestelijke impulsen bereik ik dan een verandering van
vatbaarheid voor de stoffelijke argumenten. Ik kan zo de belangstelling voor omgeving en
omstandigheden groter maken. Zodra weer een doel is gevonden in het leven, zullen de koude
wanhoop de zelfmoordvlagen weg gaan vallen en het leed gezonder worden. Het is de
verlatenheid, de doelloosheid van het levens die vaak in de eerste plaats hier de storingen
brengen. In zo'n geval blijkt het dan ook vaak, of U voor een ieder onbelangrijk bent, dat
niemand U nodig heeft, behalve dan degene die gestorven is. Op voornoemde wijze kan ik dus
hier ook mijn hulp verlenen.
Wij gaan weer verder: Ik stel mij voor, dat ik die geestelijke hulp ook wil gaan verlenen aan
lichamelijke zieken, geestelijk gestoorden e.d.. Wat is dan de juiste wijze van behandelen? Of
beter gezegd: benaderen. Behandelen doet de patiënt zich over het algemeen grotendeels zelf.
Het is dus de benadering van de patiënt, die het belangrijkst en het moeilijkst is. Hierbij ga ik
uit van het standpunt, dat de hoog geestelijke waarden over het algemeen op aarde geen
probleemwaarden zullen zijn.
Top- en voorhoofd-chakra laat ik dus buiten beschouwing. Ik kan dus te malen hebben met het
keel-chakra, dat nog in verbinding staat met stoffelijke impulsen op hoger peil, ik kan te
maken hebben met het borst-chakra: alle impulsen, die een afhankelijkheidsstelling inhouden,
zowel tegenover al van anderen. Hier ligt voor de meeste dan ook betekenis en doel van het
leven. In de lagere centra vinden wij alle impulsen, die te maken hebben met begeerten, bezit
en lust. Wanneer ik heb vast gesteld, uit welk chakra de hoofdtendens schijnt te komen, zal ik
niet gaan trachten de impuls te niet te doen. Dit is mij onmogelijk. Maar wel kan ik trachten,
die tendens door een aanvullende stroom tijdelijk te bevredigen en zo tot stilstand te brengen.
Heb ik deze tijdelijke toestand van bevrediging bereikte dan treedt een grotere gevoeligheid op
voor het redelijke en reële van elke handeling in de stof. De grondslag, waarop dit alles
gebaseerd is, is dus in de psyche bestaande wisselwerking tussen geesten stof. Deze kunnen
wij kort formuleren:

95
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

Elke redelijke tendens is gedurende het stofleven gebaseerd op stoffelijke
voorstellingswaarden. Zij kunnen echter geestelijk worden aangevuld zonder dat van een
stoffelijke realiteit sprake is. Wij zeggen daar dan achteraan: het is dus ten allen tijde mogelijk
om geestelijk de stoffelijke,schokken op te vangen door de geestelijke invloed, de "geschokte
geest" tijdelijk uit te schakelen. De daardoor aan het lichaam verschafte vrede zal ook aan de
onderbewuste en bewuste vlakken der psyche, de mogelijkheid geven de onmiddellijke
indrukken van het stoffelijke in zich op te nemen en hierdoor een verandering in de
bewustzijnswaarden te scheppen die naar de geest worden gereflecteerd.
Zo, dat waren dan voor vandaag een paar kleinigheden. Zijn er nog onderwerpen, waar U op
door wilt gaan? Ik kan U alvast vertellen, dat op de vraag de vorige maal gesteld over
trillingen en frequenties door mij geen antwoord gegeven mag worden.
Mag ik U nog een vraag stellen? Die psychische beïnvloedingen zijn toch
gedachteoverbrengingen op een chakra?
Neen, dat is geen gedachteoverbrenging. De gedachte is een uitstraling van in het lichaam
ontstane trillingen en frequenties, waarmee de geest niets te maken heeft. Zij kan door de
geest worden geprojecteerd op een ander of hoger plan, maar is in beginsel reeds - en dat
altijd - in de aura aanwezige, zij het dan ook niet in gerichte vorm. Het opvangen hiervan
berust op het in harmonie zijn van twee wezens, waardoor gelijk wordt gedacht, ofwel de
gedachte van de één inducerend werken op de ander. Dit alles is echter een stoffelijke factor,
die zelfs met kunstmiddelen zou kunnen worden geïmiteerd. Men zou b.v. de reactieprikkels
van een persoon op een beeld kunnen vastleggen en door het overbrengen van de prikkels bij
de ander een dergelijk beeld kunnen wekken.
Hoe gaat dan het beïnvloeden van zo'n chakra?
Dat is een richten van de geest. Dit is echter niet afhankelijk van een gedachte. Men kan voor
zichzelve misschien een gedachte gebruiken om dit bewust te richten. Maar dat is dan niets
meer dan de leiding, die U maakt voor de kracht.
Hoe is dan de zuivere voorstelling hiervan? Dat is n.l. zeer belangrijk.
U moet het zo voorstellen. De geest in zichzelf is niet gevormd, dat weet U. De geest leeft
normalerwijze in iets overlappend dus iets buiten het lichaam. Deze geest bestaat uit een
bepaalde vorm van energie. De voorstelling, die in de geest leeft zal haar vorm bepalen.
Wanneer ik dus de situatie voorstel en mij denk, dat ik hier a.h.w. een hefboom aanzet, zal ik,
mits mijn geest aan deze voorstellingen deel heeft, mijn geest vervormen en wordt geleid door
de gedachte een deel van haar wezen tot een soort krachtsnoer wordt gemaakt, die wordt
"aangesloten" op de door mij gestelde plaats. Mijn eigen reactie op de persoon, de gedachte
die ik heb moeten verwerken om tot de realisatie te komen van hetgeen er gaande is, heeft
voor mijn geest evenzeer een reactie betekent. Mijn geest deelt voor een groot gedeelte in het
stoffelijk bewustzijn. Het resultaat is dan dat deze impuls als een kracht in deze geest is
gelegd en als zodanig onmiddellijk door deze geest wordt geuit, zonder dat een bepaalde
gedachte van U, of een gedachtecontact tussen U en de persoon in kwestie daarvoor
noodzakelijk is. Het is dus meer een kwestie van weten, met welke waarden je werkt, dat iets,
wat in zich onvoorstelbaar is. Nog vragen? Neen? Dan zouden wij misschien nog iets kunnen
zeggen over de mensen, zoals zij op aarde leven.
Als U geen vragen meer heeft te stellen, heeft U het aan Uzelf te danken, wanneer de materie
iets zwaarder blijft. De geest, gezien als het hoogste deel van de menselijke psyche heeft haar
eigen leven en haar eigen wereld. In deze wereld wordt door de geest op haar eigen gebied en
frequentie een voortdurende reeks van impressies ontvangen die aan het lichaam geheel
vreemd zijn en door het lichaam dan ook niet in omschrijvende gedachte gerealiseerd kunnen
worden. Het lichaam zal dus nooit geheel het leven en de reacties van de geest in zich kunnen
volgen. Het lichaam kent een groot aantal projecties, die in het lichaam bewust en onbewust
verwerkt werden.
Al deze realisaties en ervaringen zijn echter gebaseerd op het bewustzijn plus het drift- en
drangleven in het lichaam zelf aanwezig. De geest, niet bekend zijnde, met het drift- en
drangleven in de vormen, waarin de stof dit beleeft, zal nooit de gelijke impressies kunnen
beleven, als het lichaam zelve. Er bestaat dus een aanmerkelijk verschil in beleven,
96
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

waarderingen, realisaties in de beide hoofddelen van de mens: de geest en de stof.
Omgekeerd kunnen zij ook zeggen, dat voor de geest een deel van de stoffelijke impressies
dus wel onmiddellijk realiseerbaar is. En wel dat gedeelte der impressies, die te maken hebben
met waarden, die ook in de geest aanwezig zijn. Kort omschreven kunnen dezen worden
aangeduid als bewustzijn, daad en begeerte, die niet op bezit, maar op bereiking zijn gericht.
Wij mogen dus dan zeggen, dat al hetgeen met het zuiver stoffelijke begeerteleven van de
mens in verband staat door de geest nooit kan worden ervaren in de vorm, waarin het door de
stof wordt geprojecteerd.
Waarom kan die geest dat niet?
Omdat die geest er absoluut geen belang bij heeft, of biefstuk nu lekkerder is dan karbonade,
want de geest kent tussen deze dingen geen verschil. Wat voor de geest begrijpelijk is, is
daarentegen de toestand van welbehagen, die het lichaam zal ervaren als resultaat van dit
voedsel. Zo kan de geest dus in zekere zin de voldoening wel ervaren, maar begrijpt niet het
fijne onderscheid, dat het lichaam maakt ten opzichte van verschillende spijzen, mogelijkheden
van voortbewegen, werk, ontspanning enz.. Zover dit dan lichamelijk wordt bezien. Echter
weet zij wel, dat een groot gedeelte van de stoffelijke ervaring door omgeving, erfelijkheid
plus gewoonte worden opgelegd. Op de duur maakt dit voor het bewustzijn van de mens een
integrerend deel uit van de persoonlijkheid en gaat dus een grote rol spelen bij elke realisatie
van de scheppende gaarden, die stoffelijk geuit kunnen worden. Wij kunnen hieruit dan de
conclusie trekken, dat de geest nooit geheel de drang, de drift en de begeerten van de stof zal
kunnen waarderen, noch daaronder lijden of zich daarover verheugen. Het is voor de geest
niet belangrijk, hoe deze dingen door de stof worden uitgeleefd. Deze dingen zullen dus
psychologisch betrekkelijk weinig problemen betekenen, in zoverre hierdoor geen conflict met
de omgeving ontstaat. Iets, waarbij de stoffelijke probleemwaarden het eigenlijk psychisch
probleem tekent. Maar de geest zal wel een probleemwaarde ontdekken, zodra de wijze,
waarop men aan begeerten en lustleven toegeeft in het lichaam een tendens doen ontstaan,
die tegengesteld is aan wat als levensimpuls in de geest leeft.
Ik dacht, dat de geest juist op aarde terug kwam om al deze dingen te ervaren?
Mag ik gezien vanuit de geest, hierin een kleine wijziging voorstellen? De geest is op het
ogenblik teruggekeerd om hetgeen, dat in haar leeft op de wereld te projecteren en wel binnen
de vast omgrensde waarden van een wereld, opdat zij aangaande het in haar levende een
zuiverder bewustzijn kan verkrijgen. Dus zij is eigenlijk niet gekomen om iets te beleven, al
zeggen wij dat wel. In werkelijkheid is zij gekomen om zichzelf te uiten. Om te toetsen in
hoeverre de in haar levende waarden en bewustzijnstoestanden inderdaad kloppen met de
werkelijkheid: Dat is het punt, waar het eigenlijk bij de geest om gaat. U zult dus begrijpen,
dat de conflictwaarden tussen geest en stof eerst dan ontstaan, wanneer stoffelijke
handelingen vanuit de geest gezien, onredelijke zijn. Dat de geest dus de stof alleen dan iets
in de weg legt, wanneer er sprake is van handelingen, die het streven van de geest werkelijk
tegen gaan. Niet dus, wanneer er verschijnselen optreden, die voor haar van betrekkelijk
weinig belang zijn. Hieruit kunt U dan zelf wel concluderen, dat een groot deel van de
conflicten die men gaarne tot de geestelijke rekent, moeten worden terug gebracht tot
stoffelijke conflicten. Conflicten, waarbij bewustzijn, onderbewustzijn en begeerteleven met
elkaar in strijd liggen. De geest zal hierop alleen reageren doordat haar hierdoor vaak een
uitingsmogelijkheid wordt ontnomen, die zij begeert.
Dit begrijpende, zullen wij dus in ons eigen leven, wanneer wij in de stof verkeren, altijd
moeten trachten de scheppende tendens, die ons werkelijk leven uitmaakt, die de drijfveer is
van ons bestaan, te handhaven én koste van alles. Want dit is de enige waarde die ons in een
volledig innerlijk conflict kan storten. Zolang wij iets hebben, waarin wij onszelf kunnen uiten,
iets kunnen creëren, ons zelf kunnen openbaren aan ons zelf en de wereld, kunnen wij alle
andere dingen als van minder belang beschouwen: In dit bewustzijn zullen wij ons lichaam
grote beperkingen in denken en ideeën op kunnen leggen, zonder dat dat ons enigerlei schade
betekent, anderzijds zullen wij aan het lichaam zeer veel toe kunnen staan: zonder dat dit
voor ons geestelijk van enigerlei betekenis is, zodat de keuze van hetgeen wij wel en niet
zullen doen, afhankelijk moet worden gesteld van hetgeen gebruikelijk is in onze omgeving,
zover dit strookt met de innerlijke drang van ons leven. De stoffelijke uiting moet door de

97
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

geest, gezien de geestelijke tendens die in het leven door haar moet worden gelegd, steeds
worden beschouwd als een compromis opgelegd door geweten plus omgeving en stoffelijke
drang plus erfelijke waarden. Geen commentaar?
Nu, dan dank ik U voor Uw aandacht. Ik hoop, dat hetgeen ik U gezegd heb voor U niet al te
onbelangrijk is geweest en wens U verder een recht prettige avond.
o-o-o-o-o
Goeden avonds vrienden.
Ik wil niet zeggen, dat de pauze rijk is geweest aan veel gezwam in de ruimte, want gezwam
in de ruimte was het niet, maar de ruimte moest je ze wel geven. Nu wij met het tweede
gedeelte gaan beginnen, zou ik eerst graag willen weten, of er vragen en antwoorden zijn.
Tussen twee haakjes, als wij iets niet mogen zeggen, kun je het zelf ook nog uitrekenen. Weet
je dat?
Dat is juist de moeilijkheid.
Gebruik nu eventjes je hersens. Ik bedoel het goed en ik mag niet te veel zeggen, anders krijg
ik op mijn kop. Maar van iemand die volledig bewust denkarbeid verricht, kun je vaststellen
dat hij in zijn hersenen een bepaalde frequentie heeft. Daar heb je een meetapparaat voor,
hé?
Ja, jaja,ja.
En als iemand op inslapen staat, zou je dat ook kunnen meten, hé? Het verschil daartussen
genomen over b.v. een 20 gevallen, geeft een gemiddelde van waarden, die je in Herz uit
zoudt kunnen drukken.
Inderdaad. Maar zo'n encefalograaf is duur. De kwestie is pecunia causa,
Ja, Pecunia causa soms zelfs causaal, dat een vrouw zonder kousen loopt. Maar waarom zou je
zo'n ding zelf aan moeten schaffen? Ik zou zo zeggen, dat daar toch al genoeg experimenten
mee genomen zijn. Je zoudt dan misschien die verslagen, hoe heet dat, die dossiers zo hier of
daar toch misschien wel eens in kunnen zien?
De plaatsen waar zij die hebben, zijn niet toegankelijk voor dergelijke experimenten. De
heren, waar je dan mee te maken krijgt, hebben een verouderde zienswijze en die hebben
het voor het zeggen.
Dat begrijp ik. Maar moet je ze dan vertellen, waar je dat voor nodig hebt? Zou je b.v. niet
een studie kunnen schrijven, een artikeltje met wat statistieken, waar meteen instaat, wat je
zelf nodig hebt? Ik denk, dat je voor een studie daar toegang kunt krijgen, waar het voor een
experiment wordt geweigerd. Wil je het zelf niet dan ken je misschien iemand, die toch met
die dingen bezig is en het meteen eens voor je na wil kijken.
Op dit moment liggen er op dit gebied, althans voor mij, geen contacten. Kunt U niet
iemand op mijn weg brengen?
Ik durf op dit gebied niet op te scheppen. Maar geef mij eens drie maanden de tijd, dan zal, ik
eens zien, wat ik er aan kan doen. (Graag). Maar je moet wel uitkijken, want als ik iemand bij
je stuur en ik kan hem maar even pakken, heb je grote kans dat hij zegt: heb je nog veters
nodig?
Ik heb iemand speciaal op het oog. Die heeft toegang en een laboratorium tot zijn
beschikking.
Ik zal eens kijken, wat ik kan doen. Maar het is een harde knoop, dus ik durf niets vast te
zeggen. Nu zie je alweer. Zeg je met je goede hart: ik zal ze een beetje op weg helpen en daar
zit je al weer meteen aan een karweitje vast ook. Maar wat hebben wij verder? Is er geen
enkele doctor honoris causa, die graag wil vertellen, waar U iets over wilt weten? Kent U
eigenlijk de vertaling daarvan? Weet U wat dat is? Eredokter uit de kousenfabriek. Nu is er ook
wel eens een doctor honoris causa, die achter het net vist. Die komt dan natuurlijk uit de
afdeling net-nylons. Maar goed. Wat heeft U voor mij, opdat ik mijn reputatie van ernstiger
worden de laatste tijd een beetje kan handhaven? Lach nu niet zo hatelijk. Ik heb mij heus
goed gedragen de laatste tijd. (Gemompel) Zie je wel. Ik krijg meteen gelijk. Stilte? Kijk uit,
anders ga ik een psychologische verhandeling geven over de waarde van de stilte.
98
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

Dat zou zelfs zeer interessant zijn.
Kijk eens. Stilte kan twee dingen doen. Zij kan de mens gelegenheid geven om met zichzelve
in het reine te komen. Voor menigeen is stilte dan ook een mogelijkheid om zijn eigen
gedachte weer te rangschikken. Zo kan zij dan ook voorvelen van zeer groot belang zijn.
Jammer genoeg zijn er mensen, die, zodra het stil wordt, stilletjes lawaai gaan maken, omdat
zij de stilte niet kunnen verdragen. Nu zou je haast gaan vragen: Waarom eigenlijk? Is het een
gewoonte, die drukte? Of schuilt er iets anders achter? Wanneer zij de zaak dan tot op de kern
nagaan komen wij tot de ontstellende ontdekking, dat de mensen de stilte schuwen, omdat zij
zichzelven schuwen. Zij willen zichzelf niet zien, zoals zij zijn.
Nu is het, meen ik, begrijpelijk, dat als één van de eerste eigenschappen van de stilte en zeker
van de absolute stilte, kan worden genoemd, dat de mens geconfronteerd wordt met zichzelf.
Dat is niet altijd leuk. Wanneer iemand gedwongen wordt zichzelf te zien als hij is, dan kan dat
ook zijn schadelijke werking hebben. Dat is net zoiets, als denken, dat je knap bent, tegen een
spiegel aanlopen en dan bemerken, dat je toch ook maar een monster bent.
Dat is erg onplezierig. Als je er alleen maar even voorbij loopt, dan gaat dat nog wel. Maar als
je lang moet blijven kijken, dan loopt: het fout. Daarom ben ik van overtuiging dat, om
psychologische verantwoord te blijven, aan degenen die er niet van houden de stilte bij
herhaling maar met een niet te grote dosis moet worden toegediend.
Wanneer wij n.l. iemand regelmatig een klein ogenblik van stilte, van rust en ontspanning
geven, dan kan hij in dat ogenblik van stilte zichzelf geestelijk een klein beetje soigneren. Ik
kan de meest dringende problemen, die wat meer aan de oppervlakte liggen, wat
gemakkelijker sorteren. Hierdoor vermindert de druk op de dieper liggende problemen. Zetten
wij echter zo iemand ineens, voor de taak zichzelf opeens geheel te overzien, om opeens tot
een gehele heroriëntering te komen, dan ben ik bang, dat de zaak stuk loopt.
Zo iemand wordt gek van de stilte. Zo lijkt het mij dan psychologische het beste om de mens
aan stilte te wennen. En zonder geweld. Je kunt nu eenmaal niet tegen iemand, die altijd druk
in de weer is, zeggen: Nu ga je een paar dagen op bed liggen rusten. Dat kun je alleen maar
doen, wanneer je de beschikking hebt over dat ding, waar de dokters al eens mee willen
goochelen: een spuitje. Dat is natuurlijk niet direct de beste manier. Maar je zoudt iemand,
b.v. jezelf, kunnen zeggen, wanneer je nu een beetje aan de vermoeide kant bent: Ik ga nu
elke dag tien minuten rusten en dan gooi ik ook alle geluid, dat ik van mij weg kan zetten weg.
Dan moet het even stil zijn! geen geratel geen kopjesgerammel, geen belletje en geen
telefoontje. Dan ben ik onaantastbaar. Onbereik- en onberoerbaar.
Dan blijf je gewoon in je stoeltje zitten. Even suffen zo, hé? Het gekke is, dat je na die tien
minuten in de eerste plaats een hoop krachten hebt opgedaan, in de tweede plaats een hoop
problemen hebt opgelost en in de derde plaats weer in staat bent om je werk en je problemen
weer met volle belangstelling tegemoet te treden. Zeg nu, dat dat goed gaat. Je bent er dus
aan gewend om drie keer op een dag tien minuten stilte te houden Dan zeg je tegen jezelf:
Eén van die perioden ga ik uitbreiden tot een half uur. Ik ga niet bepaald slapen: slaap ik, is
het niet erg. Maar ik ga in ieder geval een half uurtje stil zijn. Ik blijf rustigjes zitten, ik laat
mijn gedachte een beetje gaan en voor de rest, geloof ik het wel. Als je dat dan ook kunt, ga
je de zaak nog een beetje uitbreiden. Je gaat dan aan de stilte, van geluid, een stilte,
toevoegen van kleuren. Anders heb ik zelfs met mijn oogjes dicht nog het idee van een drukke
omgeving. Dus ik ga rond mij zoveel mogelijk simpele kleuren gebruiken. Geen zwart en ook
geen donkerheid, dat is helemaal niet nodig. Maar van die tere kleuren, die zo fluisteren. En
dan bij kleuren, die van zichzelf al rustgevend zijn. Blauw, groen misschien. Zo van die
kleuren, dat je kunt zeggen: Als ik zo ga zitten, is er eigenlijk niets, dat mij stoort. Ik kan mij
voorstellen, dat iemand, die zo'n kamer zou willen hebben b.v, een teer grijs plafond zou
nemen. Alleen al om de reflex van het licht ook nog een klein beetje rustiger te maken.
Het vreemde is, dat een mens zuiver lichamelijk eigenlijk maar weinig rust in een half uur.
Maar als je dat zo kunt doen, dan knap je meer op van een half uur rusten, dan van een uur
slapen. Wanneer een mens geslapen heeft, dan moet hij eerst weer beginnen langzaam op
gang te komen. Als je de stilte in acht hebt genomen, ben je niet alleen in staat om meteen

99
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

weer vlot te gaan werken: maar je werkt zelfs rustiger, beter en rendabelere dan je voor je
rust periode deed.
Daaruit zouden wij dan wel kunnen......eh.....concluderen hmmmm, dat de stilte….. die een
moderne mens overigens schijnbaar weinig krijgt, voor de mens een behoefte is. De mens
heeft behoefte aan een ogenblik, dat hij met zijn gedachte helemaal alleen is. Dat hij zijn
gedachte eens los kan laten gaan, zonder steeds weer gedwongen te worden in een bepaalde
richting te denken. De schijnbare willekeurigheid, waarmee dan de gedachte flitsen, in je op
komen wijst er op, dat je van binnen de problemen in de volgorde, waarin zij lastig voor je
zijn, kunt afhandelen. Vandaar dus, dat wij de stilte aan zouden kunnen bevelen. Maar er zijn
stilten, die groter zijn dan de meest absolute stilte, die de mensen zich op aarde voor kunnen
stellen. Stel je voor, dat je in de stilte bent van de kosmos. Laten wij aannemen: U gaat naar
de maan, of U bent op reis naar Mars of Venus. U zit op een ruimteschip. Wij vergeten even,
dat daar geen zwaartekracht is.
De motoren slaan af. Alles is doodstil. Dan wordt die stilte op de duur voor U een obsessie. Een
te langdurende stilte gaat obsederen. Dat zou U aardig in de war brengen, want de mens heeft
behoefte aan een zekere hoeveelheid gebeurtenissen en geluidsprikkels, een zekere variatie
van ervaringen om te kunnen functioneren. Zou je de mens werkelijk in een absolute stilte
zetten en hem daar een paar maanden in laten, dan zou die mens verder waarschijnlijk
hetzelfde doen als de lichtmeter, wanneer er geen munt meer in zit. Niets, dan zouden er eerst
weer gebeurtenissen moeten zijn, die schokkend genoeg zijn om die mens weer op gang te
brengen.
Dat wordt dus, wanneer de stilte te lang heeft, geduurd, de kwestie van een shock. Dat brengt
ons terug naar de aarde, waar wij op kunnen merken, dat er bepaalde mensen zijn, wier leven
in zekere opzichten stilte is. Stilte als de afwezigheid van gebeurtenissen, impulsen, pikkels
enz.. Wanneer die mens plotseling voor een voor anderen normale gebeurtenis komen te
staan, dan krijgen zij een reuze schok en proberen ten koste van alles hun stilte terug te
vinden, maar kunnen die niet meer vinden.
Nu bestaat er eer eigenaardig ding op aarde. Ik weet niet, of U dat wel eens gehoord hebt. Je
kunt een stilte nadrukkelijker maken door die stilte op gezette tijden te verstoren. Als U in een
stille kamer zit en er wordt zo één keer per 90 seconden met een knuppel op een grote trom
geslagen, bom...bom....dan lijkt het net, of het na die slag ineens veel stiller is. Wanneer
iemand dus emotioneel behoefte heeft aan rust en stilte en wij kunnen die stilte niet zo geven,
dat zij zelf voldoende is, wat gaan wij dan doen? Wij geven een stilte, een rust, die regelmatig
door een bepaalde prikkel onderbroken wordt. Dan worden de rustperioden tussen de twee
prikkels zo intens gevoeld en genoten, dat in kortere tijd en op aanvaardbaarder manier de
mens in de stilte tot een reorganisatie van zichzelve komt, terwijl de voortdurende
terugkerende prikkel de mens op de duur bovendien minder gevoelig maakt voor storingen en
geluiden. Hij kan dus andere emoties misschien niet erg gemakkelijk, maar toch gemakkelijker
dan voorheen gaan verwerken.
Zo zien wij alweer, dat het goed is, wanneer de eenvormigheid van je leven zo nu én dan een
geschokt wordt, want te veel eenvormigheid wordt in zekere zin op de duur ook stilte. En
wanneer die stilte te lang heeft geduurd, ben je nu eenmaal niet meer in staat de normale
verschijnselen van een buitenwereld te verdragen. Dat geldt zowel voor de geestelijke als voor
de meer materiele problemen.
De beste raad, die ik iemand dus kan geven is dit: Zoek de stilte en gebruik ze om jezelf
voortdurend in een up to-date toestand te houden. Maar let erop, dat je jezelf niet aan de
stilte gaat wennen als aan één normale toestand. Stilte moet altijd een poze van ontspanning
zijn, zodra zij, het grootste gedeelte van Uw leven vult, wordt het een grote belasting. Zo
groot, dat je als mens en in de meeste sferen ook als geest, daar nog niet tegen kunt. Nu, dat
was dan mijn betoog over de stilte.
Hoe komt het dan, dat de stilte zó werkt? Dat begrijp ik nog niet goed. . .
Kijk eens, U zit in stilte op de hei. Dat is overigens niet de stilte, waar ik het over had, hoor,
en je komt in de stad en er komt een bestelwagen en die drukt op zijn toeter. Dan maak je

100
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

een sprong van een halve meter, iedereen lacht je uit en je staat een uur later nog met een
bonzend hart. Als je te veel rust, ben je niet meer in staat om de volle kracht van het leven te
verdragen: Als je de hele tijd in de stad zit, ga dan maar rustig een weekje op de hei zitten.
Dan kom je bij. Dan zakt al die moeheid weg. Dan heb je nog wat afwisseling ook in je leven,
dus het is een ontspanning en niet helemaal de stilte in de zin, waarin ik daarover heb
gesproken. Alleen zolang ikzelf die rust zoek daarin en niets anders, is het voor nog stilte.
Maar tevens geeft het mij toch ook weer voortdurend de schok van het nieuwe. Want dat is er
voor mij ook bij. Doet U dat een korte tijd, dan kunt u zeggen: Ik voel mij weer fris. Ik kan er
weer beter tegen.
Maar als U er een jaar blijft zitten, kunt U niet meer zo goed tegen het stadsleven. Geestelijk
gezien zou dat dus fout zijn. Want het is onze taak te leven. En leven wil zeggen: ervaringen
opdoen. Dus een korte tijd je van het leven af te sluiten kan goed zijn, omdat je zo een beter
overzicht kunt krijgen van de dingen in je leven. Maar een te lange tijd is slecht, omdat je dan
ontwent aan de dingen, die krachtens het leven voor jou noodzakelijk zijn. Nu, dan zijn wij
weer een eind verder. Nog meer?
Bij een bepaalde mate van stilte, zul je toch ook de problemen, waar je mee bezig bent, uit
moeten schakelen, nietwaar?
Waarom?
Omdat je anders, geloof ik, niet tot rust komt. Je moet suffen, zegt U. Suffen is een zeker
uitschakelen van je gedachtebeeld. Het is de vraag, of je dat altijd kunt.
Dat is niet geheel waar. Ik heb gezegd het uitschakelen van de problemen, die U op het
ogenblik bezig houden is alleen mogelijk, als zij voor U niet zo belangrijk zijn. U kunt wel de
bijkomstige problemen uit gaan schakelen, maar U blijft met de hoofdproblemen
geconfronteerd. Is dat het geval dan kunt U, juist omdat U er niet planmatig over nadenkt,
maar van de hak op de tak springt, vaak veel beter een oplossing vinden voor Uw problemen,
dan wanneer U er ernstig over zit te studeren. Dat heb ik nu juist geprobeerd U te vertellen.
Ja, maar dat gelukt niet altijd. Je kunt aan een probleem zó intensief denken, dat je het in
die ogenblikken van rust niet kwijt kunt raken.
Ja, dat geloof ik. In het begin zal dat dan ook wel een tijdje zo blijven. Maar op de duur zakt
dat wel af. Wanneer U dat een keer doet kunt U na afloop zeggen: Nu ben ik met dat probleem
speciaal bezig geweest. Maar na een keer of twee kun je al zeggen: Ik heb die dingen niet
redelijk overdacht, maar ik heb de voorstelling daarvan doorleefd, zoals die in mij bestaat.
Kijk. Dan ga je van zelf dingen erbij halen, die in het geheim in je leven, die je ook wel weet,
maar die je bij het redelijk overdenken van je probleem, maar liever achterwege laat. Ben je
daar eenmaal eens mee geconfronteerde dan krijg je weer een nieuwe visie op de zaak en kun
je wanneer je er weer aan gaat werken gemakkelijker en beter mee verder gaan, omdat je het
nu ook eens van een andere kant hebt bezien. Dat is misschien niet zo makkelijk, maar het
gaat.
Heb ik nog meer op mijn rekening? Niet? Ik zou haast geneigd zijn te gaan dichten over de
stilte of zoiets. Ik zou dan willen beginnen met:

Stilte
Stilte is een toestand, waar de mensen vaak van dromen. Maar waar zij in werkelijkheid
helaas, haast nooit toe komen.
Verder zouden wij dan kunnen zeggen: Bewustzijn tot de laatste grens dat is mijn doel, zo
zegt de mens.
Toch heeft hij, lach, weinig lust. Wordt hij van 't leven zich bewust, te gaan tot des
bewustzijnsgrens. Ja, daarvoor is hij slechts een mens.
Ik ken er nog meer, hoor, maar als het je verveelt zeg je het mij maar hoor, (Neen). Nu, dan:

101
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

Een glimlach spreekt slechts vage taal, maar kan niet veel beduiden. Een lach betekent vaak
niet veel,
Vooral de heel erg luide lach verhult maar al te vaak, iets, dat niemand weten mag. Van schuld
een heel verhaal.
En na al deze wijsheden heb ik nog een paar dichtwerken over mensen. Allereerst:

De Pastoor
Hij schuift wat gebogen en taai, kijkt in zwarte soutane een kraai.
Hij gaat en regeert en predikt en spreekt, hij redigeert een God, Die Zich wreekt op een ieder,
die zondigt.
Tenminste: dat is de leer. Die meneer de pastoor ons verkondigd.
Dan:

De Dominee
Hij staat op de kansel. Gekleed in talaar. Brult vele waarden. Roept dan: dat is waar.
Maar komt het einde van zijn tijd, van zijn tijd van spreken. Dan kijkt hij op de klok en zal
zonder de waarheid te kort te doen. Zijn preek meteen afbreken.
Dan heb ik er hier nog één.

De kruidenier
Een krentenweger van beroep, die ook nog doet in droge snoep, verkoopt U alles, wat U kunt
wensen
En is het standaardtype van de mensen. Wat droog, wat taai, wat uitgestreken, kijkt hij, of de
koekjes niet te veel breken. Hij heeft een lachje voor elke klant, stopt elk kind een snoepje in
de hand. Daar is de klant de winkel uit. Dan valt die grijnslach van zijn snuit. Hij lacht pas
weer, wanneer hij eerst heeft uitgekiend, wat hij aan het klantje heeft verdiend.
Ik hoop niet, dat dat van elke kruidenier waar is. Moeten jullie nog een paar coupletten meer?
Of is het genoeg voor vandaag? Nog een paar meer? Goed.

De Staatsman
Hand op de borst. Mond voor de microfoon, spreekt hij vele woorden op al te luide toon. Hij
geeft statistieken, hij roemt het vaderland, hij heeft zich tegen het voorstel van A en B zeer
sterk gekant. Hij heeft, zo zegt hij vol hoon: Met de oppositie afgerekend. En is hij met zijn
rede klaar, vraagt hij zacht, wat wel zijn speech betekent.

Peron
Peron, dat is een Argentijn, zoals er nog een stelletje zijn. Helaas kon hij geen potje meer
breken, toen Evita van zijn zijde was geweken. Daarom is hij nu ex-president, de anderen zijn
daarmee content, zij krijgen nu een andere baas die speelt dan ook weer - op kosten van het
volk - voor Sinterklaas.
Nog iemand waar U een kort portret van wilt hebben? Wat?

Drees
Ome Willem, zo goed voor de ouden van dagen, beladen met zorgen, omringd door veel
vragen, probeert socialisatie er door te jagen. Hij zoekt coalities voor zijn kabinet, en heeft al
wat steun onder de pootjes gezet, omdat het geval dreigde wat wankel te worden. Hij brak wat
Nederlands staatkundige borden, maar is uiteindelijk nog steeds de baas, want is hij misschien
geen staatsman in het groot. Heeft menigeen aan hem een broertje dood, er is er geen, die
verantwoording durft te dragen, zoals Drees in zijn eenvoud dat wel durft te wagen.

102
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

Zo, dames en heren. Dit was de laatste foto. De fotograaf gaat sluiten. Na een meer
technísche beschouwing heb ik een ogenblikje mijn eigen spraakwater losgelaten. U heeft niet
zo te kijken huisvrouw, er is niets op de grond terecht gekomen.
Er rest mij dus alléén maar afscheid te nemen en plaats te maken voor de laatste spreker. Ik
wens U allemaal nog een heel prettige avond verder. Wat de stilte betreft: U kunt mij in ieder
geval niet verwijten dat ik te stil ben geweest.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden, wij zullen dan deze bijeenkomst gaan besluiten met een kleine
meditatie. Is er iemand onder U, die een voorslag heeft of onderwerp?

STILTE
De stemmen versterven in de verte. De wind zwijgt. Het lijkt, of de stilte als een mantel om je
heen hangt. Vreemd, naarmate de geluiden buiten je sterven, wordt je hart meer gevuld met
vragen.
Het is, alsof de stilte buiten je je plotseling bewust maakt van de vele stemmen, die in je
roepen elk vragende om aandacht. Problemen, die vragen om een oplossing, Stilte:
Stilte zou een volledigheid kunnen zijn, een volmaaktheid een bereiking. Volmaakt stil te
kunnen, zijn in een volmaakte stilte, wil zeggen een groot evenwicht gevonden hebben. Is een
zijn met jezelve en de Schepper. Dat is: Ingaan tot God. Maar die stilte is voor ons nog
onbereikbaar, want kunnen wij de stilte buiten ons misschien vinden, in ons heerst die stikte
nog niet.
De stilte kan pas in ons bestaan, wanneer wij antwoord gegeven hebben op de problemen die
wij zo vaak in onszelven gewekt hebben, zonder ooit een oplossing te durven zoeken.
De stilte kan pas in ons komen wanneer wij erkend hebben, waar wij onvolmaakt zijn.
Wanneer wij begrijpen, hoe de wisselwerkingen van onze problemen buiten ons in de wereld
onvolmaaktheden geschapen hebben, terwijl zij in ons onzekerheid wekten.
Stilte betekent gedwongen zijn tot jezelve te keren. Gedwongen zijn jezelve aan te zien.
Wanneer je in de stilte je bewust wordt van je aanzien en je wezen, dan is de stilte ook de
mogelijkheid om in je zelve een nieuwe orde te scheppen. Om in je zelve een nieuwe
mogelijkheid en een nieuw bewustzijn te vinden.
Wanneer de stilte als gave je wordt gegeven en je hebt de kracht om antwoord te geven op
elke vraag, die in je innerlijk rijst, om na te gaan elk lijden tot zijn oorsprong, dan ben je in
staat om ook de stemmen, die in het "IK" nóg spreken, tot zwijgen te brengen. En indien ook
in je stilte is geboren, dan is het vreemd en onbegrijpelijk. Want de stilte blijft en wordt niet
verstoord.
Het is een gewijde stilte, heilig en vol van wierookgeuren. In de stilte wéét je, er is geen stem,
die tot je spreekt: geen woord heb je ontvangen. Geen beeld, dat je kunt zien en begrijpen
komt erg maar je wéét. Want als de stilte in ons geboren is, vangt zij de verre echo op van de
eeuwige stilte, die de stem Gods is. God is evenwichtigheid, God is voleinding zonder conflíct,
zonder storing.
Dit is een grote vrede. Het is een werkelijkheid, groter en zuiverder dan wat er in geluid en
trillingen kan worden uitgedrukt. Daarom kun je in zo'n moment van stilte soms God vinden
voor een korte wijle. Want de vele stemmen: die in U leven, roepen aldra weer om nieuwe
antwoorden. De wereld buiten je gaat verder met leven. En leven is voortdurende
tegenstellingen scheppen. Maar je weet dan, dat de stilte een haven kan zijn. Een haven in
God. Een haven in de Voleinding.
Dan zul je de stilte waarderen. Je zult haar beschouwen als het kostbaarste goed, dat je
gegeven kan worden. Dan zul je haar niet meer vrezen, omdat je begrijpt, dat de stem, die in
jezelf leeft eens haar antwoord zal krijgen en bewust der voleinding zult gij terugkeren in Uw

103
© ORDE DER VERDRAAGZAMEN
Sleutels jaargang 0: 1955 - cursus 3 – De Menselijke Psyche
Les 7 – 22 september 1955

eigen "IK" tot gij U over zult geven aan de grote stilte, die niet is: dood, die niet is: leven:
maar die is: Het zijn in God.
Met deze gedachte zullen wij deze avond gaan besluiten, mijne vrienden.
Ik dank U zeer voor Uw aandacht, wens U een goede avond, een prettige huisgang en een
gezegende nachtrust.
o-o-o-o-o

104