You are on page 1of 186

ORDE DER VERDRAAGZAMEN

1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

GROOT GEESTELIJKE SCHOLING

LES 1
Goeden avond, vrienden,
Aan het begin van dit nieuwe cursusjaar zal ik de bijeenkomst nogmaals inleiden. Voor zover
niet bekend, wijs ik U erop, dat het zeer wenselijk is, dat U de gegevens regelmatig
bestudeert. Alleen in dat geval zult U werkelijk vruchten van de bijeenkomsten plukken. Waar
wij zoveel mogelijk stof willen behandelen, zullen wij in het begin van de avond over het
algemeen een betrekkelijk hoog tempo aanslaan. Laat U daardoor niet storen. Het geheel heeft
een behoorlijke samenhang. Door herlezing is het mogelijk, het gegevene geheel te begrijpen
Persoonlijke leiding wordt in deze groep gegeven. Het staat U dan ook vrij uw eigen problemen
aan te snijden. Hiervoor is het tweede gedeelte van de avonden bestemd.
Het doel van onze groep: Zij tracht niet U in de eerste plaats tot magiërs te maken. Het
onderricht tracht U inzicht te geven in de wetten der magie. Hierbij worden U alle aanwijzingen
gegeven, die het mogelijk maken de beginselen zelf in de praktijk te brengen. Verder zullen
wij ook dit jaar weer enkele malen een probleem stellen. Wij hopen dat U dan ook zult
trachten de oplossing te vinden.
Om de stof van één avond geheel te begrijpen, is een studie van 6 á 8 uren noodzakelijk. Bij
het geven der lessen rekenen wij er dan ook op, dat U inderdaad zult studeren. (tot hier
verkort.)

INLEIDING
Wanneer wij spreken over magie, bedoelen wij hiermede alle wetten, die nog niet behoren tot
de door de wereld algemeen erkende. Het hanteren van dergelijke wetten kan zowel
geschieden door middel van stoffelijke als onstoffelijke middelen. Een groot deel van hetgeen
wij magie noemen berust in de eerste plaats op psychische krachten en verschijnselen. De
verschijnselen zijn echter noch supra-, noch a-normaal. De meeste van deze krachten komen
ook in het dagelijkse leven regelmatig voor. Elke mens beschikt over de eigenschappen, die
noodzakelijk zijn, om de magie op den duur te kunnen beoefenen. Wel vraagt alle magie van
de magiër een zeer grote zelfbeheersing.
Wij hebben de vorige jaren een zekere opbouw gegeven, waarin wij hebben getracht,
verschillende belangrijke aspecten duidelijk te maken. Enkele punten wil ik U hernieuwd in
herinnering brengen.
Ten eerste: Fantasie is niet veel meer dan een eigen wereld waarin men leeft. Men kan soms
gebruik maken van de fantasie om de z.g. werkelijke wereld aan te vullen. Deze aanvulling
kan door de gedachte zo intens worden opgebouwd, dat men a.h.w. astrale vormen schept, die
ook in werkelijkheid beantwoorden aan de eisen, die wij in onze fantasie stelden.
Dergelijke astrale figuren noemen wij Scheingestalt. d.w.z. een figuur die geen eigen leven
heeft. Dergelijke figuren kunnen wij gebruiken als helpers. Zij helpen ons dan in eigen wereld
tot maximale prestaties te komen. Ook kunnen zij ons helpen méér te begrijpen. Dit alles is
gebaseerd op het volgende: De doorsnee-mens heeft meestal grotere capaciteiten dan hij,
beperkt door gewoonte en gebruik naar voren weet te brengen, of weet te gebruiken. Het
gevolg is, dat er een remming bestaat, die hem de ontplooiing van zijn volledige persoon-
lijkheid onmogelijk maakt.
Al hetgeen de mens zich voor kan stellen is echter in feite een deel van zijn persoonlijkheid.
Door zich nu daar, waar hij meent zelve niet te kunnen volbrengen, een figuur voor te stellen,
die dit wel kan, heeft hij zich a.h.w. een nieuwe persoonlijkheid geschapen, die zijn gekende

1
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

persoonlijkheid geheel aanvult. Beide persoonlijkheden te samen vormen dan de werkelijke
persoonlijkheid met alle inhouden.
Door een beroep te doen op de Scheingestalt (in vertrouwen, dat deze zal helpen, U bij zal
staan) is het dus mogelijk, prestaties met het gehele wezen te volbrengen en niet slechts met
de op aarde erkende persoonlijkheid en mogelijkheden. Natuurlijk is het vormen van een
Scheingestalt niet noodzakelijk. Wij kunnen tot hetzelfde komen, wanneer wij geheel
vertrouwen op een grote en onbeperkte macht die ons bij staat. Wel moeten wij ons dan met
deze macht geheel kunnen vereenzelvigen. Een vereenzelvigingsproces is voor ons altijd zeer
belangrijk. Wanneer wij met iets één zijn, één in denken, gevoelen enz. groeit hieruit voor ons
een begrip van dat andere. Het is dan tijdelijk deel van onze persoonlijkheid geworden.
Tenminste, zover het onderwerp der vereenzelviging voor ons aanvaardbaar en begrijpbaar is.
Wij kunnen dan handelen met een praktisch volkomen voorkennis van hetgeen een ander zal
ervaren en de reacties die een ander zal tonen. In vele gevallen is dit voor de magiër zéér
belangrijk.
Wij weten verder, dat gedachten een uitstraling hebben. Deze kan gericht worden. Hierdoor is
het mogelijk anderen te beïnvloeden. Omgekeerd kan deze uitstraling worden gebruikt om zelf
uit de denkende omgeving datgene te vernemen, wat men nodig heeft.
Al deze punten zijn in feite niets anders dan een herhaling van feiten, die overal gekend zijn.
Zij behoren tot de leerstellingen van meerdere inwijdingsscholen en kunnen niet worden
gezien als een afzonderlijk gegeven wijsheid. Deze inleiding is eerder een klein compendium,
waarin punten - van groot belang worden aangeroerd.
Verder zullen wij gebruik maken van alle hulpmiddelen, die ons ten dienste staan. Wij zullen
trachten zoveel mogelijk ook proeven te nemen, wanneer wij menen iets te kunnen bereiken.
O.m. betreft dit uittreding, magnetiseren, harmonisch zijn met anderen. Wij zullen dus steeds
weer trachten het hier geleerde in de praktijk te toetsen. Slechts datgene in de praktijk
getoetst is, geeft ons een volledig vertrouwen. Dit vertrouwen in het "ïk" en de mogelijkheden
ervan is noodzakelijk, om te komen tot een magische prestatie.
De grote grondwaarde van de materie zelf kan worden teruggebracht tot kracht. Alle kracht is
te bundelen door de wil. Daar, waar de wil in staat is met een begrip van de haar omringende
krachten een bepaald doel na te streven, zal zij zich te allen tijde altijd kunnen vervullen.
Kracht reageert niet alleen in Uw eigen wereld, maar in alle werelden, op alle vlakken van
bewustzijn. Het gevolg is, dat de mens, die leert om door de beheersing van zijn wil en begrip
van zijn omgeving en verschillende sferen aldaar krachten te hanteren, in deze wereld een
sferen bewust kan bestaan, volledig bewust kan handelen en volbrengen. Bij het kennen van
meerdere werelden, b.v. van de mogelijkheid van het astraal vlak gebruik maken, kan men de
belemmeringen van een lagere gelegen wereld uitschakelen.
Het is dus mogelijk een bepaalde gedachte-impuls van hieruit in een astraal gebied te
projecteren en vandaar op aarde terug te doen keren. Dit schakelt tijdslimieten uit, bovendien
afstandlimieten. Projectie van de eigen persoonlijkheid is mogelijk, maar kan moeilijk worden
bereikt. Hierover zal nog meer worden gezegd.
Al hetgeen wij doen, doen wij steeds ten bate van de gemeenschap. Nooit ten bate van
onszelf. Op het ogenblik, dat wij egoïstisch denken, of streven, sluiten wij ons af van de
wereld. Dit betekent dat wij uit die wereld niet voldoende impulsen kunnen ontvangen, om een
waar beeld van de werkelijke toestand te vormen. Een verwrongen beeld leidt tot misvattingen
en dus ook tot mislukkingen. Elk volkomen zelfzuchtig streven is tot ondergang gedoemd.
Wij kunnen niet tolereren, dat hetgeen hier wordt geleerd op zuiver zelfzuchtige wijze wordt
gebruikt. Gebruikt men het om anderen bij te staan, of te helpen, is er helemaal geen bezwaar
tegen. Wanneer U daar tevens zelf enig nut, of baat, van heeft, zal niemand zich daar tegen
verzetten. Maar het streven van alle doel moet steeds weer liggen in de mensheid, in de
gemeenschap, in de geest, of in de kosmos.
Als alle punten bekend zijn, gaan wij kort een inleidend eerste lesje geven. Het is vandaag
kennismaking, dus behoeven wij niet zo hard van stapel te lopen.

2
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

Deze les zal zich dan bezig houden met de mogelijkheid om met eigen geest te werken, te
intensifiëren.

INTENS GEBRUIK VAN EIGEN GEESTELIJKE KRACHTEN

Elk denkproces in de stof speelt zich af via de hersenen. Buiten de hersenen bestaat de geest,
die de hersenen beïnvloedt grotendeels door het onderbewustzijn. Het feit, dat dit
onderbewustzijn vanuit de stof niet geheel beheerst, of bereikt kan worden, maakt het ons
onmogelijk alle waarden daaruit te putten. Wel kan met zekerheid worden gezegd, dat elke
gedachte en elke reactie in de stof onderbewuste waarden in zich draagt en mede verwerkt
heeft.
Een ieder, die wil trachten zijn eigen geestelijke capaciteiten intenser en beter te gebruiken,
zal moeten beginnen uit te gaan van het standpunt der rede. De gevoelswereld is zeer
belangrijk en zal op den duur de rede moeten verdringen. Wij kunnen echter niet beginnen
met zuiver op het gevoel af te gaan, gezien de strijd, die dan tussen rede en gevoel in ons
bestaan. Afgaande op de rede stellen wij ons in de eerste plaats een doel. Men kan niet
zeggen, dat men zijn geest ontwikkelen gaat, zonder erbij te zeggen, wat men van die geest
wil ontwikkelen. Wil men b.v. het geheugen ontwikkelen, dan zal het noodzakelijk zijn de
daarvoor noodzakelijke lichamelijke oefeningen evenzeer te doen, als de concentratieperiode
aan te houden, als een geestelijke intensifiëring beoogd wordt. Wanneer men het geheugen wil
uitbreiden, moet men zich gewennen veel objecten in zo kort mogelijke tijd te beschouwen, dit
later te beschrijven. Wanneer men op een hoeveelheid van 20 objecten in een
beschouwingstijd slechts 4 of 5 x mist, of onjuist beschrijft, kan worden gezegd, dat de
lichamelijke opnamemogelijkheid voldoende is. Het feit, dat men zich oefent in het dus snel
waarnemen en later verwerken van deze indrukken, betekent, dat het geheugen wordt
verscherpt.
Geestelijk kunnen wij dit doen door ons in te stellen. Instellen betekent een ogenblik
meditatief richting geven aan onze gedachten, de gedachten gaan dwalen. Uit het dwalen der
gedachten de hoofdpunten desnoods op te schrijven en hieruit later wederom een redelijke
synthese te maken, die ons duidelijk maakt, waarover wij in feite hebben gedacht en wat in
feite zich heeft afgespeeld. Waar bij het dwalen der gedachten het onderbewustzijn sterk tot
uiting komt, kunnen ook geestelijke impulsen op deze wijze stoffelijk verstaanbaar worden
neergelegd. Alle intensifiëring van geestelijk kunnen, blijft te allen tijde voorbehouden aan
hen, die geestelijk in de eerste plaats streven. Op het ogenblik dat Uw belangstelling te zeer
stoffelijk is gericht, is het onmogelijk de geest werkelijk bewuster te maken, of haar
vermogens te ontwikkelen.
Op het ogenblik, dat men alleen aan de geest denkt, is de band met de stof te zwak en zal het
onmogelijk zijn om stoffelijk hetgeen geestelijk bereikt werd, door te krijgen. Als zodanig heeft
men geen enkel nut ervan en zal men op de duur zelfs schade hiervan kunnen ondervinden.
Stof en geest zijn een "eenheid" zolang men op aarde leeft en moeten als gelijkwaardig
worden beschouwd en daarbij de stof gelijkwaardig achten aan de geest en omgekeerd. Een
ontwikkeling dus van geestelijke eigenschappen heeft alleen zin, indien hier stoffelijke
gevolgen uit voortvloeien. Stoffelijke handelingen hebben alleen zin wanneer zij geestelijke
waarde en inhoud kunnen verkrijgen.
De geestelijke capaciteiten, die wij geestelijk kunnen intensifiëren, terwijl wij in de stof leven,
zijn de volgende:
Gevoeligheid, of sensitiviteit: deze kunnen worden doorgegeven aan de stof en kan in de stof
beelden, ja, zelfs hallucinaties doen ontstaan. Z.g. helderziendheid is uiteindelijk niets anders
dan een visionele hallucinatie, die voortkomt uit een reeks waargenomen verschijnselen, die
omgezet worden in een beeld, dat niet overeenstemt met de werkelijkheid.

3
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

Wanneer wij deze gevoeligheid willen ontwikkelen, zullen wij ons moeten aanwennen, op elke
kleine impuls te letten, te trachten elke kleine impuls in overeenstemming te brengen met
hetgeen rond ons is. Het geven van een bovennatuurlijke uitleg aan elke impuls is schadelijk,
omdat wij hier dan té zeer de nadruk leggen op het bovennatuurlijke. Wij komen dan in een
waantoestand, waarbij wij zuiver stoffelijke impulsen geestelijk gaan noemen om een
vertekend beeld krijgen.
Wanneer wij echter ontdekken, dat geen onmiddellijke, of redelijke uitleg, voor de kleine en
opkomende impulsen te geven is, kunnen wij zeer rustig stellen, dat hier een bepaalde
geestelijke factor mede een rol speelt. Het opmerken hiervan betekent, dat de werkzaamheid
van de geest op dit gebied groter wordt. Op de duur voelt men veel aan en zal men heel vaak
van tevoren kunnen bestemmen, hoe een gesprek zal verlopen, hoe een dag zal worden, wat
er precies zal gebeuren, ja, zelfs welke geestelijke invloeden in onze omgeving zijn. Deze
gevoeligheid is zeer zeker de moeite waard en kan ons ten dienste staan bij elke magische
volbrenging. Wij weten n.l. aan de hand hiervan met welke geestelijke invloeden wij te
rekenen hebben, op welke geestelijke bijstand wij kunnen steunen, welke stoffelijke factoren
ons zullen belemmeren en welke ons een zekere steun zullen verlenen.
Het kennen van deze waarden maakt het mogelijk ze te gebruiken maakt het mogelijk om evt.
tegenstand, of nadelige invloed te ontgaan
Het twee-werelden-beleven. Het geestelijk leven speelt zich af in een wereld, die, al kent ze
andere normen en andere normen dan degenen die U hier kent, toch altijd nog een zekere
vormwaarde heeft. Hetgeen in die wereld gebeurt, heeft overeenstemming met het
normaal-sociaal verkeer op aarde. Men maakt kennis met bepaalde geesten. Men spreekt met
bepaalde invloeden. Men wordt geleid door bepaalde krachten, men heeft bepaalde
hulpbronnen ter zijner beschikking. Indien men leren kan dit geestelijk leven voortdurend te
ervaren, dus het geestelijk bestaan zoveel mogelijk over te brengen in de stof als een bewuste
factor, dan zal men kunnen putten uit elke geestelijke bron, die ter beschikking staat.
Omgekeerd zal men wetend omtrent zijn stoffelijk bestaan, heel vaak in de stof handelingen
kunnen verrichten, die geestelijk b.v. grotere krachten geven, groter inzicht, mogelijkheid tot
snellere verplaatsing.
De weg, die hiervoor te volgen is, is over het algemeen deze: Wanneer U droomt, na het
ontwaken trachten die droom vast te leggen. Eerst wanneer zij vastgelegd is en er enige tijd
over heen ging, b.v. na enkele uren, desnoods pas des avonds de droom, die men ’s morgens
heeft opgetekend, nagaan in hoeverre stoffelijke factoren voor bepaalde beelden
verantwoordelijk kan worden gesteld. Nagaan welke tendens er is. De tendens van een reeks
van dromen, genomen dus over enkele weken, waarbij U niet elke nacht behoeft te dromen en
U er bewust van te zijn, geeft aan in welke richting ons onderbewuste leven zich beweegt. Wij
weten dat de symbolen, die getoond werden in de droom niet met een geestelijke realiteit
overeenstemmen. Wij weten wel, dat zij de inhoud van een geestelijke realiteit vertalen voor
een stoffelijk bestaan. Hierdoor wordt het dus wederom mogelijk de nadruk te leggen op
bepaalde geestelijke behoeften. De nadruk leggen hier op in de stof, betekent, dat de geest
sterker en intenser zal trachten haar eigen wezen aan de stof te openbaren.
In het begin gaat dit als een droomactiviteit, later wordt het een zich herinneren, of een zich
bewust worden van dingen, die eigenlijk niet meer tot de stof behoren.Dit laatste zal nog
uitvoeriger en verder worden behandeld.
De volgende mogelijkheid om geestelijke krachten te intensifiëren: wij kunnen uit de geest
krachten putten. Men kan stellen, dat boven het reservoir der stoffelijke energie een tweede
reservoir ligt: dat der geestelijke energie. Op het ogenblik, dat wij dit reservoir kunnen
aanboren en zelf de kracht daaruit komende, kunnen geleiden zijn wij in staat om een veel
grotere kracht dan onze eigene te richten op elk door ons gekozen punt binnen onze eigen
stoffelijke wereld Dat geldt dus indien wij in de stof zijn. In de geest betekent het dat wij een
hogere sfeer zullen moeten aanboren.
Het aanboren hiervan is een kwestie van concentratie. Een van de simpelste methoden: het
intense gebed, het intense geloof. Op het ogenblik, dat men dit werkelijk bezit, kan men uit
4
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

een hogere sfeer krachten onttrekken. De wil, die deze kracht moet richten, kan vaak niet
gelijktijdig optraden met de concentratie, die noodzakelijk is om de kracht te kunnen
verwerven. Wij zullen daarom van tevoren trachten een beeld te scheppen, dat ons zegt hoe
deze krachten te gebruiken. Wij bouwen a.h.w. eerst in ons voorstellingsvermogen een
dwangbeeld op, dat ons dwingt elke impuls van geestelijke kracht te richten op een bepaald
doel. Eerst daarna zullen wij trachten de geestelijke kracht aan te boren en te bereiken.
Wij zullen ontdekken, dat indien wij voldoende vertrouwen en geloof hebben, met een zeer
grote zekerheid betrekkelijk grote krachten kunnen worden onttrokken. Ook zullen wij
ontdekken, dat die krachten niet altijd met goed resultaat te gebruiken zijn. Er zijn n.l.
invloeden, die sterker zijn dan de geestelijke sferen zelfs, waaruit wij die krachten onttrekken
kunnen. Krachten, die wij misschien karma of noodlot kunnen noemen, die in feite het wezen
en de geaardheid van anderen zelf betekenen.
Wanneer een mens, krachtens zijn geaardheid, een zekere instelling, een ziektebeeld vertoont,
een geestelijke afwijking vertoont zich een bepaald lot schept in zakelijk, of sociaal opzicht,
dan kunnen wij daar niets aan doen, indien dit inherent is aan de persoonlijkheid en diens
streven. Dit zijn kosmische krachten en wetten, waar wij niet tegen in kunnen gaan. Blijkt, dat
wij absoluut niets kunnen doen, dan zullen wij trachten onze vriend, die wij helpen willen, tot
medewerking te bewegen. Werkt deze mee in gunstige zin, dan treedt de wijziging op en
kunnen wij van onze krachten, zij het niet zoveel als anders, afgeven. Weigert de persoon mee
te werken op de juiste wijze dan is het niet mogelijk iets te doen.
Een volgende mogelijkheid om geestelijke kracht te intensifiëren: Wij zullen in sommige
gevallen gebruik willen maken van de hulp van anderen, b.v. van astrale wezens, of zelfs
wezens uit een lichtere sfeer. Het gebruik maken van wezens uit een duistere sfeer moet ik
absoluut af raden. Dit is gevaarlijk en brengt meestal zeer onvoorziene resultaten.
Dit te doen, betekent dat wij deze geesten moeten bereiken, aanroepen, of zelfs moeten
beheersen. Dit geldt vooral voor het astraal gebied. Wij kunnen dit zonder meer niet doen. Er
zijn bepaalde formules voor nodig en een zekere eigen instelling. O.a. is het noodzakelijk dat
wij, indien wij andere geesten dan die der materie willen beheersen, beschikken over enkele
geheimen van de Goddelijke kracht, zodat wij met de Goddelijke wet a.h.w. andere krachten
kunnen richten en dwingen een bepaalde reeks van handelingen te volvoeren.
Wij zullen weten, dat wanneer wij deze krachten gebruiken om ergens schade aan te richten,
het zeer goed mogelijk is, dat deze schade in veelvoud op ons terugslaat. Wij weten ook, dat,
indien wij iets goeds willen doen en het niet volbracht zal kunnen worden aan een ander, deze
kracht zichzelf op ons zal ontladen, zodat wij deze kracht in reserve hebben voor een
eventueel een andere volgende poging. De ontwikkeling hiervan kan alleen geschieden door
een langdurige scholing, waarbij geleerd wordt - U zult trachten dit te doen - hoe men
dergelijke krachten kan bezweren, hoe men een dergelijke kracht kan richten en op welke
wijze het geoorloofd is dit te doen.
Onze geestelijke vermogens houden in, naast het redelijk denken, een soort van wijsheid.
Wijsheid is in de eerste plaats het vermogen ware verhoudingen te zien en het gekende in een
juiste verhouding te brengen. Wijsheid is niet in de eerste plaats een mentaal proces. Het is
een spiritueel, een geestelijk proces. Wijsheid is dan ook, of behoort te zijn, een eigenschap
van de geest in de eerste plaats.
Wanneer wij vele verschillende gebieden van kennis ontmoeten wanneer wij vele verschillende
gebieden van ervaringen en beleving zien, moeten wij altijd trachten een synthese hiervan tot
stand te brengen, waardoor wij met een zeer eenvoudige uitdrukking het gehele gebied in zijn
gezamenlijke werking kunnen weergeven. Wij moeten dus trachten alle naast elkaar liggende
waarden met elkaar in verband te brengen en in dit verband onszelf zo kernachtig en zo kort
mogelijk uit te drukken.
Dit zijn enkele punten voor geestelijke ontwikkeling, die in de loop der cursus nog verder ter
sprake komen.

5
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

Tweede gedeelte der les: om goed te begrijpen, hoe wij in de wereld staan, is het niet
voldoende b.v., dat wij onze redelijke begaafdheid intensifiëren, of dat wij een bepaald geloof
hebben. Wij moeten begrijpen, hoe een wisselwerking ontstaat aan de hand van Goddelijke
wetten. Simpel gezegd: al datgene, wat wij doen, doen wij aan onszelf, want wij kunnen
slechts handelen t.o.v. onszelf, of onze eigen projectie in anderen. Al hetgeen anderen ons
aandoen, kunnen zij ons slechts aandoen, omdat het in onszelf bestaat.
Elke wisselwerking berust op eigenschappen in ons eigen Ik. Wij spiegelen ons in de wereld, de
wereld spiegelt zich in ons. Dit is de werkelijke verhouding en relatie. Dit geldt voor elke
wereld, waarin wij leven, elke wereld, die onze ogenblikkelijke werkelijkheid vormt. Er kan
worden gezegd, dat het goed is om b.v. alleen naar het licht, het goede, te streven. Streven
naar het licht, zonder een erkennen van het duistere en de mogelijkheden daarin gelegen,
betekent, dat men door eenzijdigheid niet zal kunnen komen tot een waar begrip van de
kosmos en de Schepping, noch tot een ware verhouding t.o.v. de kracht, die in ons leeft.
De belangrijkste bron van alle krachten, het belangrijkste wezen dat in ons bestaat, is de ziel,
de kern van het geheel. Deze ziel en deze kern kan alleen met het Goddelijke en met de
kosmos in contact komen. Andere contacten zijn niet mogelijk, zij het dan door rede, door
kennen en ervaren van een voertuig als de geest, of geest en stof. Wanneer wij alleen één
extremiteit erkennen en andere punten buiten beschouwing laten, dan zullen wij niet in staat
zijn, tot enig resultaat te komen. De kosmos bestaat niet alleen uit licht, maar uit licht en
duister.
Gods openbaring is niet alleen datgene, wat wij goed noemen, maar goed en kwaad. Alle
tegenstellingen zijn aanwezig: wij moeten ons steeds alle tegenstellingen durven realiseren en
kunnen realiseren.
Wij zouden ons verder moeten realiseren, dat telkenmale weer wanneer wij ten goede gaan,
wij daarmede onze mogelijkheid ten kwade vergroten. Wie werkelijk kwaad is, kan werkelijk
goed zijn, wie werkelijk goed is, kan werkelijk kwaad zijn. Onbetekenendheid is een van de
grootste zonden. Onbetekenendheid wil zeggen: rond één bepaald middelpunt blijven, zonder
je bewust te worden van de tegenstellingen, die er kunnen bestaan. Dit is versuffing. Het
betekent de noodzaak om een leven eventueel te herhalen in de stof, of op andere wijze die
ervaring: alsnog op te doen in de geest. Ik geloof, dat wij, wanneer wij een geestelijke
bewustwording nastreven en een geestelijk bereiken, zeker ook een magisch bereiken, dit
zullen trachten te voorkomen. Wij zullen dus steeds rekening houden met alle krachten, die
optreden, met alle mogelijkheden, die er voor ons bestaan.
Wij zullen ons onthouden van een oordeel over licht en duistere, goed en kwaad, zij het dan
als een persoonlijke vaststelling van mening. Wij zullen nooit trachten een kosmisch begrip in
onze woorden als een oordeel uit te drukken. Elk oordeel is overbodig. Oordelen kunnen wij
alleen over ons zelf en dan nog slechts, zover wij ons bewust zijn van onszelf en ons dit
mogelijk maakt. Elk oordeel over de buitenwereld betekent een vermogen om met die
buitenwereld in contact te komen, dus ook een vermindering van vermogen om met deze
buitenwereld te werken, hetzij in magische, hetzij andere zin.
Wij zullen moeten begrijpen, dat juist krachtens het voorgaande, veel van hetgeen in de
wereld usance is, voor degenen, die werkelijk de magie nastreeft, nutteloos is. Zeer vele
gebruiken en wetten, die op de aarde bestaan, hebben geen enkele werkelijke zin. Zij zijn een
uitdrukking van een bepaalde wijze van sociale samenleving, maar zeker niet van het werkelijk
wezen van de mens, noch van zijn geestelijke vermogens.
Stellen wij geest en geestelijke ontwikkeling, ja, ook stoffelijke beheersing en ontwikkeling,
boven het opgaan in de massa, dan zullen wij in vele gevallen dus onze eigen richting moeten
kiezen. Het kiezen van deze richting betekent, dat deze richting gekozen wordt, ongeacht de
consequenties. Soms zal het in het leven nodig zijn bepaald consequenties te aanvaarden. Men
mag trachten aan die consequenties te ontkomen, indien dit op verantwoorde wijze mogelijk
is. Men behoeft zich dus niet te laten doden, omdat de consequentie van een daad de dood zou
zijn. Men mag echter niet naar middelen grijpen, om een dergelijke consequentie te

6
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

voorkomen, die niet in overeenstemming is met hetgeen wij voor onszelf als verantwoord
kennen en gevoelen.
Derde deel van onze inleiding: Uitgaande van de magie als hoofdlijn en de esoterie als tweede
lijn van onze scholing, is het noodzakelijk, dat wij ons, zowel de essence van de materie
bewust zijn, als van de essence en mogelijkheid van de geest. Voor degenen, die meer over
materie en kracht willen weten, zou ik willen verwijzen naar hetgeen omtrent gisteravond
gezegd is. Degenen die voldoende hebben aan een korte aanwijzing, zullen zich het volgende
moeten herinneren.
De kern van alle materie is kracht. Beweging en de kracht hebben de materie geschapen. Elk
kleinste deel der materie is kracht in een wervelende beweging. De wijze, waarop deze
krachten t.o.v. elkaar reageren, bepaalt de stoffelijke verschijnselen. Kleinere delen in hogere
trilling vormen de halfstoffelijke verschijnselen der lagere geestenwereld. Ook de geest zelf
kan als kracht worden uitgedrukt. Het feit dus, dat wij een grootst gemene deler hebben, één
factor die in alle delen gelijkelijk voorkomt, maakt het ons mogelijk alle dingen gelijkelijk te
aanvaarden, gelijkelijk te bereiken en gelijkelijk te hanteren. Het gaat er om energie, de
kracht van de materie, voortdurend te realiseren en deze te gebruiken.
Voorbeeld: een z.g. transport. D.w.z. het verplaatsen van voorwerpen, ongeacht
tussenstaande hindernissen, over grotere of kleinere afstand, kan eenvoudig tot stand worden
gebracht door de kracht, die de kleinste delen in verhouding t.a.v. elkaar bepaalt, zozeer te
vergroten, dat de interatomaire ruimte een zodanige grootte hebben aangenomen, dat de
delen zonder enige belemmering door atomen en moleculen heen kunnen gaan. Het is
mogelijk door het wegnemen van de spanning met betrekkelijk gering krachtverlies de
voorwerpen weer in hun oorspronkelijke toestand te brengen. Voor levende wezens is dit
moeilijker en kan U voorlopig niet worden aangeraden.
Geest: geest is in zichzelf besloten krachtveld, dat voortdurend gegevens uitwisselt met de
buitenwereld door uit die buitenwereld kracht op te nemen en bovendien uit zichzelf weer
kracht aan die buitenwereld terug te geven. Dit uitwisselingsprocessen maakt het mogelijk, dat
elke geest dus voortdurend met het kosmisch krachtveld in verbinding staat. D.w.z. dat door
de uitwisseling, die voortdurend plaats vindt in het kosmisch krachtveld, alle impulsen, die ooit
bestaan hebben, of zullen bestaan, in persoonlijkheid aanwezig zullen zijn.
Indien wij leren in het kosmisch geheugen te lezen, kunnen wij daaruit alle kennis putten, die
voor ons noodzakelijk is. Wij kunnen echter nooit meer putten uit zo'n geheugen, dan het ons
mogelijk is te verlangen uit dat geheugen. Kennis is noodzakelijk ter verwerving. Verwerving
kan eerst plaats vinden, nadat een voorstelling van hetgeen te verwerven is, aanwezig was.
Proberen wij zonder volledige kennis iets te verwerven, dan is het zeer goed mogelijk, dat wij
ons een soort Trojaans paard in huis halen, waar wij machten rond ons ontplooien, die wij niet
kunnen beheersen.
Op grond hiervan zou ik de raad willen geven: datgene wat zuiver stoffelijk te volbrengen is,
stoffelijk te volbrengen. Het heeft geen zin te trachten iets langs geestelijke weg te doen,
indien dit stoffelijk volbracht kan worden. De stofwereld kent en beheerst U. De geestelijke
wereld niet. Wanneer U geestelijk handelt, dan zult U, gezien het feit, dat U in de stof leeft en
deze wereld het beste kent, slechts in zoverre van geestelijke hulpmiddelen gebruik maken,
als noodzakelijk is om een stoffelijke voortzetting en een stoffelijke handeling verder mogelijk
te maken. Gebruik maken van geestelijke krachten om iets te verwerven met minder moeite
dan in de stof, betekent in vele gevallen: zich stoffelijk voor problemen plaatsen.
Wij weten, dat wij geestelijke krachten in ons bezitten. Wij weten, dat wij geestelijke krachten
kunnen hanteren op geestelijk vlak, maar of wij deze krachten ook reeds beheersd kunnen
hanteren op stoffelijk vlak, is een grote vraag. Het is dus verstandig zoveel mogelijk alles te
doen, wat stoffelijk te volbrengen is: datgene, wat geestelijk wordt gedaan, moet stoffelijk
worden nagegaan, opdat zij het achter af door stoffelijke kennis een verdere voortzetting in
zuiver stoffelijke zin voor de stofmens mogelijk maakt.
Degenen, die in de vroegere cursus hebben meegelopen vinden nog eens oude gegevens hierin
terug.
7
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

Er zijn bepaalde problemen hierbij. O.m. zoals U hier bij elkaar bent, zoekt ieder voor zich een
andere methode van denken te volgen. Het is ons niet mogelijk onze lezingen aan te passen
aan elk afzonderlijk, wel om ze aan te passen aan het geheel en voor elk afzonderlijk de
begeerde uitlegging toe te geven, wanneer dit gevraagd wordt, of noodzakelijk is. Wij zullen in
deze reeks van lezingen U voornamelijk trachten dienen. D.w.z., dat U bevelen kunt en
wanneer het mogelijk is, zullen wij Uw bevel opvolgen.
Wat de leerstof zelf betreft, zult U ons toe moeten staan zelf het heft in handen te houden,
omdat samenhang noodzakelijk is. Nu hebben wij hiermee de inleiding afgesloten. Heeft U
misschien nog een kort onderwerpje? Graag zou ik dat dan van de oude leden willen hebben.

SCHEINGESTALT
De Scheingestalt is een wezen, dat is opgebouwd door de gedachte. Zo-even heb ik
aangestipt, dat de astrale wereld halfstoffelijk is. D.w.z. er is materie, die zeer fijn is, en kan
door betrekkelijk hoge trillingen in een bepaalde vorm worden gedwongen. Op het ogenblik,
dat wij denken aan een bepaald wezen, of aan een bepaalde vorm, scheppen wij deze tijdelijk
naast ons in het astrale. Wanneer wij regelmatig aan hetzelfde denken, wordt de kracht, die
zich accumuleert, op de duur zo sterk, dat ook zonder de voortdurende de gedachte, de vorm
gehandhaafd blijft. Op deze wijze kunnen wij hem voor ons zelf en zelfs voor anderen
zichtbaar opbouwen.
Dit wezen is uit ons geboren. De kracht, die het beheerst en regeert, is de kracht, die wij erin
hebben gelegd. De gedachten, die in dit wezen bestaan, zijn de gedachten, die onmiddellijk
voortvloeien uit de kerngedachte, die wij erin geschapen hebben. Het wezen ervaart en
handelt. Op grond daarvan zal het zichzelf verrijken, het kent dus een soort bewustwording.
Het kan deze bewustwording alleen gebruiken, wanneer deze vermeerdering van weten, van
kennis, van ervaring, wordt overgebracht naar onszelf. Van dit verschijnsel kunnen wij gebruik
maken in onze magie. Wij weten allemaal wel, dat wij meer zouden kunnen moeten doen, dan
wij doen. Waarom nu aan te nemen, dat wij eenvoudig niet kunnen. Waarom niet te vragen, of
er een helper is, die dat wel kan, of die het ons mogelijk maakt. Wanneer ik zo'n astraal wezen
heb geladen, b.v. met de wil tot genezing, weten tot onderzoek, dan zal deze kracht zich in mij
ontladen op het ogenblik, dat ik zelf voor genezing, onderzoek enz. deze kracht nodig heb.
Ik heb dus een krachtreservoir, dat mij over het dode punt heen helpt. Biologisch gezien is dit
natuurlijk een aardig verschijnsel. U weet, dat bepaalde wondergenezers - er is er pas een
geweest, er komt er binnenkort weer één - in staat zijn een mens, door wat men noemt
suggestie te doen lopen, terwijl hij verlamd is: althans de illusie te geven, dat hij genezen is
en soms zelfs te genezen.
Dit gebeurt doordat de mens daarin gelooft. Zo'n genezing is vaak niet meer dan een actief
maken van zekere reserves aan energie die normalerwijze door de onwil, of onwetendheid,
van de patiënt, of diens wantrouwen in eigen krachten, ongebruikt bleven. Ditzelfde kunnen
wij bij onszelf doen. Er bestaat enig gevaar. Dat is dat wij die Scheingestalt als een soort
godheid gaan zien. Dat wij alles aan die Scheingestalt refereren, met het gevolg, dat wij dus
voortdurend in gesprek met onszelf zijn. Dat is niet zeer wenselijk.
Vooral in het begin, wanneer wij een overtuigende kracht nodig hebben, een helpende kracht,
zullen wij in de magie van een dergelijke figuur gebruik maken. Oude magiërs hebben dat
gedaan en zelfs Eliphas Levi beschrijft, zij het enigszins bedekt, een soortgelijke procedure.
Paracelsus was, hiervan op de hoogte. (Heer van Höhenheim).
In verschillende inwijdingsscholen vinden wij deze gedachte terug. Het gaat hier om een soort
van autosuggestie, waarbij het thans nog niet gekende deel van de persoonlijkheid geactiveerd
wordt in schijnbare gestalte. Uw persoonlijkheid is compleet. Op het ogenblik, dat God
geschapen heeft, heeft Hij alle mogelijkheden in U gelegd, die ooit tot uiting zullen komen. Een
gedeelte van die mogelijkheden is gerealiseerd. Dat is Uw huidige persoonlijkheid. Een
gedeelte van die mogelijkheden is niet gerealiseerd, dus nog niet bewust gemaakt. Deze
eigenschappen vormen eveneens deel van Uw persoonlijkheid. Wij verlangen veelal naar die
eigenschappen, die in ons nog niet ontplooid zijn. Slechts zelden verlangen wij naar iets, wat

8
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

in onszelf leeft. Datgene, wat wij dus verlangen te bereiken, is aanwezig. Wij bouwen hieruit
een gestalte, die volledige toegang heeft tot dat deel van ons wezen, waarin wij door gebrek
aan kennis zelf niet kunnen komen.
Dit wezen kan dan alle krachten - en niet slechts de gekende - activeren. Dit wezen kan onze
krachten aanvullen, waar wij dreigen te falen enz. Ik weet, dat deze methode van
autosuggestie bij velen op ernstige bezwaren zal stuiten. Toch is het voor ons zeer praktisch
van deze methode gebruik te maken. Want wanneer men hulp nodig heeft, is deze hulp
aanwezig. Wanneer men denkt, dat men hulp heeft, heeft men die hulp, wanneer men maar
intens genoeg hieraan denkt. Naarmate men vaker een beroep doet op deze helper, zal deze
voor U reëler zijn en dus ook reëler hulp kunnen betekenen. De helper blijft daarbij echter
steeds beperkt tot alle mogelijkheden, die in Uw ware wezen schuilen. Nogmaals: Niet Uw
eigen wezen, zoals U meent dit te kennen, maar Uw wezen zoals dit in werkelijkheid bestaat.
Dit zijn dan enkele gegevens over de Scheingestalt.
Maar groeit je bewustzijn hierdoor?
Ja. Het bewustzijn groeit, doordat men zich de mogelijkheden realiseert die tot men hiertoe
kwam, niet realiseerbaar waren. De kennis om het ik wordt vergroot. Daarna de kennis
omtrent eigen mogelijkheden. Op den duur betekent dit bovendien een kennen van alle voor
het ik nog aanvaarbare procedures. Wanneer men zich niet voortdurend overgeeft aan de
waanidee, dat de Scheingestalt werkelijk een eigen persoonlijkheid is, doch zich steeds blijft
realiseren, dat zij slechts een deel van eigen persoonlijkheid is, zal zij op den duur weer in de
eigen persoonlijkheid worden opgenomen. Zij bestaat dan niet meer daar buiten. Dit houdt int
dat alle eigenschappen en gelijkheden van de Scheingestalt dan beheersbare eigenschappen
van het ik zelve zijn geworden. In termen van bewustwording betekent dit alles: een
vergroting van het bewustzijn, van begrip, van vermogen. Verder houdt het in, dat inzicht
wordt verworven in meer dan een wereld gelijk. Het bestaan van de Scheingestalt ligt immers
altijd reeds in een andere wereld dan de Uwe?
Merkwaardig: Een maaksel van jezelf, dat je tot deel maakt van jezelf.
Niet zo heel erg merkwaardig. Voorbeeld: een uitvinder. Deze loopt reeds jaren lang met de
idee, dat dit of dat eigenlijk mogelijk zou moeten zijn. Buiten zich ziet hij het verlangde wel
bereikbaar, maar toch niet, zoals hij het zich voorstelt. Nu begrijpt hij op den duur, dat hij het
verlangde toch wel kan doen op zijn wijze, wanneer hij daar zijn eigen middelen voor gebruikt.
Hij denkt nu na over de wijze, waarop het verlangde met de hem bekende middelen mogelijk
is. Later maakt hij dit tot werkelijkheid. Daarmede heeft hij uit zich iets voortgebracht,
waaraan niet slechts hijzelf, maar zelfs de gehele gemeenschap iets aan heeft. Door zijn
uitvinding krijgt hij tevens ideeën omtrent verdere mogelijkheden voor zich. Noem het
bekende voorbeeld van James Watt, de kracht van stoom. Hij zag deze kracht een dekseltje
oplichten. Indien zijn denken niet al gezocht had naar een nieuwe kracht om bij de arbeid te
helpen, had dit normale verschijnsel hem zeker niets gezegd. Nu realiseerde hij voortzetting
van gedachten, wat er gebeurde. Het gevolg van zijn denken en streven was niet alleen het
verkrijgen van de idee. Deze wordt tot realiteit. In de realisatie van zijn idee leerde Watt
echter heel wat meer dan het manipuleren van stoomkracht. Hij leerde o.m. veel over
mechanica en krachten. Hij leerde ook, dat er weerstanden bestaan van vaste inhoud, en
waarde. Kortom: Hij leerde vele andere begrippen hanteren binnen zijn eigen streven en
wereldbeeld, die op den duur zijn visie op de wereld geheel wijzigden. Wanneer dit mogelijk is
met een uitvinder, die immers stoffelijk zijn denkbeelden buiten zich stelt, zie ik niet in,
waarom iemand, die geestelijk iets schept en geestelijk buiten zich stelt, daaruit geen
ervaringen en kennis op kan doen, zolang hij er mee werkt.
Een bewustzijnsvergroting vindt dus plaats. Maar omdat de tweede persoonlijkheid - de
uitvinding - een deel van de eigen persoonlijkheid is, zal de tweede persoonlijkheid minder
belangrijk worden, naarmate men zich beter van eigen werkelijke persoonlijkheid bewust
wordt. Op den duur zal door het proces der bewustwording dus de tweede persoonlijkheid door
de werkelijke persoonlijkheid worden geabsorbeerd. Men komt dus tot een vereenzelviging
met de Scheingestalt. Ik heb juist het woord absorptie gebruikt, omdat deze persoonlijkheid

9
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

een kracht is, die uit ons is voortgekomen. Op het ogenblik, dat deze persoonlijkheid uit ons
voort kan komen, moet de mogelijkheid ook bestaan dat zij tot ons terugkeert.
Wanneer ik mij bewust wordt, dat in mij iets aanwezig is, wat normalerwijze door mij aan de
Scheingestalt werd toegeschreven, dan neem ik het door deze realisatie met alle daartoe
behorende mogelijkheden en krachten uit de Scheingestalt terug. Zij wordt minder belangrijk
en kleiner, terwijl mijn eigen wezen in gelijke mate een groei van de bewuste persoonlijkheid
vertoont. Zo absorbeer ik op den duur alle door mij eens aan de Scheingestalt toegeschreven
eigenschappen, tot van de gebouwde figuur niets meer over blijft. Alle kracht die volgens mij
eens daarin heeft gelegen zal dan in mij zelve berusten. Vereenzelviging kan echter alleen
optreden met iets, dat ook werkelijk buiten ons bestaat. Het is nooit mogelijk ons te
vereenzelvigen met een deel van onze eigen persoonlijkheid.
(vraag over de genezers voornoemd.)
Wij kunnen in deze kring alleen antwoord geven in zoverre het Uw eigen bewustwording ten
goede komt. Tijd besteden aan nieuwigheden is niet aanvaardbaar.
Goeden avond, vrienden.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden. Dit deel is bestemd voor vragen en Uw eigen problemen.
Beheersing van het lichaam gaat nog wel. Maar gedachten niet. Afdwalen van gedachten
bij b.v meditatie komt vaak voor.
U wordt hierbij sterk beïnvloed door hetgeen U op de dag hebt meegemaakt. Dit houdt Uw
gedachten bezig. Wanneer U nu krampachtig gaat trachten U tot een bepaalde meditatie te
beperken, wordt het probleem zeer moeilijk. U bent dan meer bezig met een U beperken tot
het onderwerp der meditatie, dan met het mediteren zelf. Elke afdwaling ergert Uw U zult dan
ook verstandig doen, door elke afdwaling van de gedachten in verband te brengen met het
onderwerp, waarover U mediteert. De meditatie zal dan misschien een enigszins andere
gestalte krijgen dan U zich had voorgesteld. Maar haar onderwerp blijft gelijk. Wanneer U zo
ook door eigen gedachten geheel met het onderwerp verbonden bent, zal de meditatie een
grotere beleving betekenen en zo ook grotere vruchten met zich brengen. Het is hier niet zo
zeer een kwestie van beheersing, alswel van noodzaak tot grotere elasticiteit. Men moet met
een zekere veerkracht en zonder te grote strakheid zijn gedachten weten te richten. In het
denkvermogen van de mens zijn zoveel gedachten praktisch gelijktijdig aanwezig, dat een
streng beheersen en selecteren daarvan praktisch onmogelijk is. Wel kan men elke
willekeurige gedachte, en elk willekeurig beeld, dat binnen het ik rijst, altijd weer in verband
brengen met een hoofdgedachte, met een bepaald hoofdthema. Het voordeel is als volgt door
dit te doen, komt men niet meer tot een poging zich af te sluiten. Dit spaart krachten, terwijl
men gelijktijdig meer op kan gaan in zijn meditatie. De werkingen zijn dus groter. Bovendien
bereikt men door dit steeds weer te doen op den duur een beheersing, die geheel natuurlijk is.
Niemand mag van U vergen, dat U zult komen tot een onnatuurlijke beheersing. Alle
beheersing is slechts werkelijk en waardevol, indien zij zich ook weet aan te passen aan de
mogelijkheden. Anders zou men de wereld moeten beheersen om tot zelfbeheersing te komen.
En dat is - zoals U wel zult beseffen - dwaasheid. Ook lichamelijke beheersing is in feite pas
goed, wanneer men in staat is alle handelingen te richten naar de behoeften en noodzaken van
het ogenblik, zonder daarbij een ogenblik af te wijken van het doel, dat men zich heeft
gesteld. Het zelfde geldt geestelijk. Buiten een vasthoudendheid die als blijvende noodzaak, de
kern vormt, brengt ook dit geen moeilijkheden met zich. Op deze wijze zult U zowel in
meditatie als contemplatie, goede vruchten kunnen plukken. Beheersing ligt niet in streng een
- enkele strakke - lijn van denken volgen, doch in het bundelen van alle krachten in één
richting. Elk bijkomstig punt dat op deze wijze van de hoofdgedachte word toegevoegd geeft er
nieuwe inhoud, kracht en rijkdom aan. Zeg niet "Ik zal het proberen", maar " Ik zal het doen."
Want moeilijk is dit niet, zodat U hiermede kunt beginnen wanneer U wilt.
Een helderziende beschrijft mijn geleider als een Bedoeïn. Als ik mij nu deze gestalte voor
de geest haal als helper, is hij dan een Scheingestalt? Mag ik dit doen?

10
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

Deze figuur is voor U in de eerste plaats een Scheingestalt. Dat deze in vorm identiek kan zijn
met een ook elders bestaande geleider, sluit dit niet uit. Het is niet verkeerd, wanneer U dit
doet. U kunt U de geleidegeest toch niet in zijn ware gedaante voor de geest halen. Daarvoor
kent U hem te weinig. Wel kunt U zich uit het eigen ik een gestalte opbouwen, die beantwoordt
aan de eisen die U een geleider stelt. Waar echter de gedachte aan de geleidegeest mede
besloten ligt in de opgebouwde gestalte, kan deze U soms benaderen door middel van de
Scheingestalt. Het gaat hierbij dan om het wekken van reeds in U aanwezige waarden op
zekere wijze. Door het op de juiste wijze samenvoegen van aanwezige gegevens kan de
begripswaarde veranderd worden, zodat U een nieuw inzicht kunt verkrijgen, of nieuwe
krachten in Uzelf ontdekt. Alleen verwondert het mij, dat de geleider U als Bedouïn word
beschreven. Ik zou eerder zeggen: Soedanees.
Figuur en kledij werden mij nauwkeurig beschreven.
Dat brengt mij er nog niet toe, een dergelijke gestalte Uw persoonlijke geleider te noemen.
Overigens is dit van weinig belang. Wat geeft het dat U uw geleider kent? Dat uw geleider U
kent. Daar gaat het om. Bedenk verder, dat elke helderziende waarneming een indruk is van
een waargenomen entiteit en de daarmede verknoopte voorstelling bij de waarnemer. Het
blijkt vaak, dat bewuste of onbewuste kennis, bij de waarnemer een grote invloed kan hebben
op de beschrijving. Men kan dus zeggen, dat helderziende waarnemingen, die niet als direct
bewijs dienen, slechts zelden een juist beeld van de waargenomen persoon zullen geven. Op
het ogenblik, dat een bekende gestalte wordt beschreven, ook wanneer slechts enkele details
juist zijn, zal uw eigen denken een aanvullende voorstelling uitzenden, waaruit dan de
beschrijving verder volledig kan worden gemaakt. Vooral bij de niet beheerst helderzienden
komt dit sterk voor. Belangrijk is dit overigens zeker niet. Het komt er slechts op aan, dat de
helderziende de krachten juist aanvoelt en daar zo nodig ook meer weet te werken.
Dergelijke vreemde beelden hoort men ook vaak van mensen, die menen U te kunnen
vertellen, wat Uw voorgaande incarnaties zijn. Zij weten U overtuigend te zeggen, dat U in
Perzië arts bent geweest en ook priester ergens in de Himalaya. Bovendien heeft U nog in de
vroeg Egyptische periode geleefd en bent U nog met Alexander mee getrokken. Dergelijke
beelden kunnen juist zijn. Meestal niet. Maar het is niet belangrijk of deze dingen nu wel juist
zijn: Zij hebben voor ons geen enkele waarde. Wat U werkelijk geweest bent, zult U pas
weten, wanneer U niet meer bent, wat U thans denkt te zijn.
Door dromen te onthouden, ontstaat een cyclus, die een beter inzicht geeft. Ik heb nog
nooit een cyclus gedroomd, ben mij er vaak van bewust van dat ik geheel niet droom.
Wie zegt niet te dromen bedoelt dat hij zijn dromen vergeet vóór hij geheel ontwaakt. Het is
dan ook nodig een bepaald systeem te volgen, niet trachten U de droom geheel te herinneren,
maar eenvoudig de eerste indrukken na het ontwaken neer te leggen. In vijf woorden, of op
vijf velletjes. Dat hangt van de impuls af. Door regelmatig de ideeën die men heeft, op het
ogenblik van ontwaken vast te leggen krijgt men de cyclus van droomreacties, waarover werd
gesproken. Bovendien mag men nooit vergeten, dat elk droombeeld een interpretatie is van
impulsen en indrukken der geest door middel van de hersenen. De hersenen zullen hierbij
steeds weer zeer verse, of zeer bekende impulsen uit het stoffelijke leven mede in verweven.
Herinneringen spelen een rol, wanneer zij - zelfs onbewust - worden gewekt door het zien van
voorwerpen, of toestanden. Romantische, of dramatische voorstellingen worden gevormd aan
de hand van gehoorde verhalen, gelezen romans etc. Ook de prikkels, die het lichaam in de
slaap onderging, of opnam, spelen een rol. Ook dezen veroorzaken dromen.
Al deze dromen te samen echter vertonen een bepaalde tendens. Dit is de kern. Hierin ligt dus
alles te samen de aanduiding van belevingen op ander gebied verborgen. De dromen vertonen
dan ook, ongeacht hun oorzaken, een zeker ritme. Wanneer men wil wachten tot een duidelijk
kenbare cyclus komt, is de mogelijkheid zeer groot, dat de meeste mensen deze nooit zullen
beleven. Heeft men ondanks dit noteren niet voldoende gegevens om reeds na een maand iets
te concluderen, dan wacht men desnoods een jaar. Ik kan U overigens verzekeren, dat de
doorsnee-mens per maand tenminste 4 intense droomnachten doormaakt. Deze vallen steeds
weer binnen een periode van 28 dagen.

11
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

Opvallend is daarbij dat 2 droomnachten meestal in mineur vallen. Zij vallen bovendien
lichamelijk samen met een korte periode van verslapping. De andere dromen liggen haast
altijd in majeur. Zij zijn dan uitingen en vallen samen met een top van energie. Vluchtdromen
zijn nooit majeurdromen. Elke mens volgt een cyclus van 28 á 29 dagen. De hierin
voorkomende top en diepte punten van energie vormen een gelijkmatige golflijn. Hierop
komen dan nog andere golvingen voor: o.m. een 3-daagse cyclus en een dito met een verloop
van ongeveer 8 uren. Deze vier droomdagen heeft men dus meestal wel in ieder geval.
Dergelijke dromen zal men zich - zij het vaag - onmiddellijk na het ontwaken wel kunnen
herinneren. Dat zijn tenminste 50 dromen per jaar. Aan de hand daarvan kan men dus al een
heel aardige doorsnee van droombeleven opmaken en conclusies daaruit trekken.
Is vallen in onbegrensde diepte een majeurdroom?
Neen. Een dergelijke droom is altijd mineur. De droom zelf zal overigens zeer waarschijnlijk
door een lichamelijke prikkel zijn veroorzaakt een trilling van het bed of een dalende beweging
van het hoofd. Een vallen van het hoofdkussen, of een even verlagen van het hoofdeinde, is al
voldoende om dergelijke valdromen te veroorzaken. Het feit, dat U spreekt van een eindeloze
diepte, geeft aan dat hier altijd sprake zal zijn van een mineurdroom. Mineur doet ondergaan
en ook beschouwen zonder eigen handelen. De majeurdroom daarentegen, bestaat uit
handelen, volbrengen. Daarbij ondergaat men niet zonder meer. De droom, zelf heeft dus niet
zonder meer een geestelijke betekenis. Herhaalt zij zich regelmatig, dan wijst zij echter op
lichamelijke gebreken. Komt in valdromen regelmatig de eindeloze diepte voor, zonder dat
deze weer levend wordt - b.v. heelal - dan kan worden aangenomen, dat een organisch effect,
dat bloedsomloop in de hersenen en daarmede de zuurstoftoevoer naar de hersenen enigszins
beëngt. Tevens kan men zeggen dat dergelijke dromen ook wijzen op psychische weerstanden.
Hierbij gaat het meestal om ervaringen, die men moet of moest ondergaan, zonder dat men
zich hiertegen daadwerkelijk verzetten kon. Dit laatste resulteert in innerlijk verzet. De
verhouding, waarin genoemde feiten voorkomen, kan verschillen. Maar steeds weer treffen wij
beiden samen aan in deze gevallen.
Ik sprak met een dogmatisch mens over de dag des oordeels. Daarbij mij bewust
wordende, van een overeenkomst tussen de nacht van Brahman en deze dag des oordeels.
Is dit juist?
Er is een heel groot verschil. De dag des oordeels is niet in de eerste plaats het einde van het
Al, of van de wereld. Het is een oordeel over allen. Het andere is haast incidenteel. Het gaat
om de scheiding van de bokken en de schapen. Degenen, die hier letterlijk in geloven zijn
meestal dan ook de grootste schaapskoppen. Bij de nacht van Brahman hebben wij te doen
met een terugvlieden van het geuite leven in het ongeuite, waarbij de nacht zelve energie van
de komende nieuwe Schepping betekent. Geen oordeel, maar een hernieuwd creëren. Een zeer
groot verschil.
Ik dacht hierbij aan allen, die nog niet bewust zijn op het ogenblik dat de nacht van
Brahman begint.
Vergeet U niet, dat Brahman, de levenskracht, in een Hindoe-geloof behoort. Daar gelooft
men, dat wat niet bewust is, ondergaat. Daar staat t.o. bij de dag des oordeels ligt eigenlijk
iedereen. Zelfs degenen, die dood zijn geweest staan weer op. Zij zullen leven in eeuwigheid,
maar in een vastgesteld hokje n.l. Het dwaze van de dag des oordeels is niet dat men gelooft
aan 't oordeel, dat bestaat. Maar dat men gelooft, dat het op één dag kán komen. De dag des
oordeels is begonnen op het ogenblik, dat in de schepping het eerste bewustzijn zichzelf kon
beschouwen. Vanaf dat ogenblik was het conflict met de kosmische wet mogelijk. Elk conflict
met de kosmische wet betekent een correctie op de persoonlijkheid. Elke dergelijke correctie
kan worden gezien als een oordeel Gods. Zodat men, staande naast, of tegenover, de
kosmische wet, zelf steeds oordeelt en aan de hand daarvan vreugde kent, of vluchtend voor
de krachten van bewustzijn en licht tijdelijk lijden kent. Het is een continu proces. Het speelt
zich nu af, het heeft zich afgespeeld in den beginne vanaf het eerste ogenblik in de legende,
en dat is het ogenblik, dat Adam en Eva kennis van goed en kwaad hebben verworven. Het
kwam, doordat zij de eerste fruiteters waren. Het bestrijden van een dogmatische leer heeft
nooit zin. Wie een dogma bestrijdt, probeert met logische redenen, of geloofsredenen, het
aanvaarde geloof van een ander aan te vallen, dat geen rechtvaardiging kent in rede.

12
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

Daardoor is het onaantastbaar. Een dogma is en blijft onaantastbaar. Wel kan men trachten
naast het dogma nieuwe begrippen te wekken. Deze maken langzaam maar zeker het dogma
tot een innerlijk niet meer zeker punt en eerst dán kan men zeggen, wat eigen oordeel is.
Maar niet voordien.
Ik heb soms in één seconde tijd het gevoel, alsof alle kracht weggezogen wordt.
Ten eerste komt dit... Zie dit niet als een kritiek op U w gedrag maar dat U emotioneel
volkomen onbeheerst bent. D.w.z. dat kleine zelfs niet opgemerkte omstandigheden en
condities, in U soms een emotionele reactie teweeg brengen. Deze reactie, plus het werk, wat
U verricht, maakt het dan soms mogelijk, dat een groot gedeelte van Uw kracht plotseling
wordt ontladen. Wilt U daar iets tegen doen: op het ogenblik, dat U een dergelijke leegte
ervaart, gaat U niet neervallen en zeggen: "Ik kan niet meer maar gaat U naar buiten.” U loopt
10 minuten, haalt diep adem, daarna gaat U naar huis, drinkt 2 glazen helder water. Dan gaat
U gewoon door alsof U kracht hebt. Ongeveer een uur nadien heeft U alle energie waar
terug.... In het begin is het moeilijk, maar als U zich eraan gewent zo te handelen, zult U
binnen 2 á 3 maanden helemaal niet meer van dit krachtverlies spreken. Wanneer U daaraan
toegeeft: het eerste ogenblik, dat U denkt, dat U Uw energie verliest, is geen energieverlies,
maar slechts een begin daarvan. Geeft U daaraan toe, dan blijft U kracht uitgeven. U gaat dan
naar buiten toe, haalt adem en beweegt zich, U brengt Uw bloed in circulatie. U haalt diep
adem. U haalt zuurstof binnen, U neemt prana op. U vult dus, wat evt. teloor was, aan. U
komt terug. U drinkt water. Water is zeer belangrijk voor het lichaam: deze actie geeft een
reinigingsidee. Zuiver water verkoelt, geeft reiniging, geeft een gevoel van frisheid. In deze
frisheid gaat U rustig verder met Uw werk. U heeft het werkelijk afvloeien van krachten
voorkomen en komt niet in deze uitputtingstoestand terug.
Ik heb nog een klein onderwerp voor U:

LEVENSKRACHT
Wij weten, dat levenskracht Alkracht is. Als U het Hindoeïstisch wilt zeggen, Boeddhistisch
misschien ook: Atman in alle dingen. Levensziel. De levenskracht is altijd gelijk. Op het
ogenblik dat wij leven verschuift onze eigen positie in bewustzijn t.o.v. de levenskracht, die de
kern van ons eigen wezen uitmaakt. Wanneer wij beginnen te leven, dan gaan wij naar grotere
kracht toe. Wij voelen ons steeds sterker worden, komen een hoogtepunt voorbij en het zakt
af. Er komt een einde. Dit is niet de levenskracht voor onszelf, maar is de wijze waarop wij
leven. Gedurende een bepaalde periode van Uw leven, leeft U naar de toekomst. Dan bent U
een gerijpte mens. U begint dan meer en meer te leven in het verleden. Het feit, dat dit
gebeurt, betekent, dat U minder levenskracht heeft. Hoe meer U terug verlangt naar vroeger,
hoe meer U terug denkt aan vroeger, hoe meer U zichzelf zegt, dat het vroeger anders was,
hoe zwakker U wordt. Op deze manier verliest U lichamelijk levenskracht, omdat Uw geestelijk
standpunt met de volle levenskracht niet meer parallel ligt met Uw bestaansmoment in de stof.
Wanneer ik levenskracht moet bezien, in de zin van vitaliteit, dan zal ik trachten om deze
vitaliteit te zien als een stoffelijke en geestelijke waarde. Stoffelijk gezien spelen een rol: de
voeding, de verschillende stoffen in het lichaam aanwezig, maar ook wel zeer sterk de
krachten van de velden, waarin ik mij bevind. Is de elektrische lading van de lucht te hoog,
dan ben ik of wel zeer prikkelbaar, ofwel loom, of vermoeid. Kortsluiting. Hetzelfde gebeurt
emotioneel. Wanneer emotioneel mijn spanningen te hoog zijn, dan komt er een ogenblik van
ontlading. Na deze ontlading ben ik uitgeput. Ik heb geen vitaliteit meer. Ik kan deze eerst
langzaam terugkrijgen. Geestelijk gezien is vitaliteit afhankelijk van de wisselwerking met de
omgeving. Zolang ik geestelijk in contact met anderen ben, heb ik kracht. Op het ogenblik, dat
ik afgesloten ben en dus geen contact meer heb met de wereld buiten mij, of opneem, heb ik
steeds minder kracht. Wanneer ik in het duister vlucht, sluit, ik mij geestelijk bewust af voor
alle indrukken van een wereld buiten mij. Duisternis is een geestestoestand. Men zegt wel:
katatonische trance. Levensontkenning, zoals die bij geesteszieken optreedt. Zo is het voor de
geest precies hetzelfde. Daarin zal zij trachten zichzelf te handhaven, maar steeds haar
krachten verliezen, zodat zij van buiten niets aanvoelt, maar in haar voorstellingsleven
voortdurend krachten afgeeft. Op deze wijze zou men dus kunnen verzwakken. Maar dat
betekent dat het omgekeerde versterking van krachten betekent. Zowel lichamelijk als

13
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

geestelijk betekent een voortdurend en intens contact met de omgeving een vergroting van
vitaliteit. Niet wanneer dit egocentrisch gebeurt. Egocentrisch leven betekent alles op jezelf
betrokken. Dus in feite je afsluiten van de omgeving.
Je moet altruïstisch zijn. Altruïstisch leven en denken. Leven met de gemeenschap als deel van
de gemeenschap. Niet als middelpunt van de wereld. Dat betekent dat je alle krachten van je
omgeving krijgt. Dan kan een mens zeer oud zijn en nog fantastische prestaties verrichten.
Voorbeeld: de heer Schweitzer. Ander voorbeeld: Einstein. Mensen die in jaren oud, maar die
een levenskracht hebben, een vitaliteit, die iedereen verbaast. Waarom? Omdat zij een
voortdurend contact hebben met de wereld, met het heden, omdat zij nú leven én geestelijk
én stoffelijk. Omdat zij door geestelijk uit te grijpen naar alles wat arm is en gebrekkig, alles
wat wijsheid is, alles wat nog niet ontdekt is, leven in contact met alle geestelijke sferen in hun
omgeving. Selectief misschien, maar desalniettemin in grote wisselwerking. Zij zullen
lichamelijk ook een streven kennen, want zij hebben een taak die zij stoffelijk willen vervullen.
Zij hebben geen tijd terug te denken aan gisteren. Zij moeten vandaag werken, vandaag
leven. Daardoor zal alles, wat er aan kracht in de omgeving is, in hen samenkomen. Tot er een
ogenblik komt dat men denkt: "Nu, is mijn taak volbracht. Nu heb ik niet zoveel meer te doen.
Dit bestáát!" Dan komt ook daar het ogenblik, dat de vitaliteit wegvloeit. Dan wordt heel vaak
zelfs de stoffelijke vitaliteit omgezet in geestelijke vitaliteit. Dan zien wij een korte periode van
buitengewone wijsheid, een zachtmoedige bloei van geestesleven door de stof nog voordat het
lichaam definitief wegvalt.
Wanneer wij levenskracht hebben willen, zullen wij dus moeten leren, om de juiste wijze deel
te hebben aan de omgeving. Dat betekent ook dat wij onze omgeving op moeten merken. Een
mens leeft in de stof: hij wil gebruik maken van alle krachten rond hem, moet alles opmerken.
Wie bewust ademt, neemt méér kracht op in de ademhaling, dan degenen, die onbewust deze
levensfunctie verricht. Wie zijn voedsel proeft, keurt a.h.w., zal uit minder voedsel méér
voeding halen, dan één die alleen maar eet, omdat eten noodzakelijk is. De mens, die een
boek leest en dit boek a.h.w. probeert te beleven, trachten te begrijpen, wat de schrijver wil
zeggen, zal uit een onzinnige roman méér wijsheid halen, dan een ander, die alleen maar leest
in groot filosofische werken. Dit principe moeten wij begrijpen. Wanneer wij kijken naar de
zon, naar haar licht en kleuren, dan zijn wij ons ervan bewust. Zij hebben een sterke werking
op ons. Zij geven ons emotioneel steun. Zij geven ons vitaliteit. Zij bevorderen de
omzettingsprocessen in het lichaam. Zij maken ook vaak de geest weer vrij. Geestelijk
hetzelfde. Op het ogenblik, dat wij strak en star gebonden aan één geestelijk streven blijven
hangen, of ons in een reeks van dogma's opsluiten, opdat wij alleen de waarheid hebben, dan
versikkert onze kracht. Er is niets, wat ons werkelijk voedt. Wanneer wij, ondanks ons eigen
geloof en denken kunnen luisteren naar de Boeddhist en een Islamiet, kunnen luisteren naar
de theosoof, heiden, de Christen, of de antroposoof, naar de Rozenkruiser, of de Hindoe,
Shintoïst, kortom, naar alle richtingen, dan zal ons eigen geloof en wezen zich daaruit
verrijken. Dat betekent niet alleen dat ons gedachteleven rijk wordt, het betekent ook dat de
veerkracht, die wij hebben - geestelijk en stoffelijk - groter wordt. Hoe intenser wij leven, hoe
schoner, krachtiger, vitaler wij leven. Helaas, er is één "maar" bij. Op het ogenblik, dat wij ons
sterk hechten aan iets. Een persoon, een voorwerp, een toestand, een begrip werkelijk sterk
hechten zonder meer, dan geven wij daarmee iets prijs. Wij staan vanaf dat ogenblik niet
meer zonder vooroordeel t.o.v. anderen: wij zullen, wanneer wij zeggen: “Het licht van de
maan is mooi", niet meer van het zonlicht kunnen genieten. Wanneer wij zeggen: “Slechts
deze mens is werkelijk mens", wij het menszijn van andere mensen niet meer zo goed kunnen
ervaren. Wanneer wij zeggen: "Slechts deze leer is waarheid”, zullen wij geen waarheid meer
uit een andere leer kunnen putten.
Gehechtheid is een groot bezwaar. Niet, dat er geen liefde mag zijn. Niet, dat men niet een
zekere tederheid mag bezitten voor voorwerpen, personen, of stellingen, dat moogt U hebben,
mits dit niet betekent, dat U ten koste van alles eraan gebonden wil zijn: dat niets anders wil
kennen in het leven. Een tweede bezwaar is angst. Elke angst betekent vluchten. Wanneer ik
iets vrees, dan durf ik daar niet meer op in te gaan. Daarom zal ik mijn krachten op deze
vlucht prijs geven. Alleen: ik verbruik kracht zonder redenen. Door angst voor het verlies van
één punt, zal ik 100 punten die belangrijk zijn, voorbij gaan. Zo verarmen zowel hechting als

14
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

angst, zij verliezen van vitaliteit. Wanneer U dat begrijpt, zult U ook begrijpen, dat het
verwerven van levenskracht, een zaak is, die wij moeten vinden in de kosmos zelf. Er is geen
enkele beperking aan de krachten, die wij kunnen aanvaarden. Er is geen enkele grens aan
hetgeen voor ons de taak aan weten, aan stoffelijke en geestelijke kracht voor daad, voor
begrip, voor bestreving. Want met ons is de Schepper. De kosmos zelf bestaat in ons, zowel
als rond ons. Indien wij, dat, wat in ons is, niet verloochenen en het rond ons erkennen, leven
wij. Anders sterven wij.
Het ligt niet aan de voedingswijze?
Het ligt niet aan de voedingswijze in die zin, dat de mens dus af moet gaan in zijn voeding op
het erkennen. Ik kan mij voorstellen, dat een gerecht dat scherp gekruid is, dat vlees bevat en
vele dingen, die anderen onaanvaardbaar vinden, lekker is. Dat U dit met een waar
fijnproeverstalent smaak na smaak beleeft. Dan zal dat U niet veel kwaad doen, tenzij U
organische gebreken heeft. Integendeel, het zal U juist door dit weldoend ervaren van de spijs
een bijzondere ontwikkeling van alle sappen der spijsvertering bezorgen, dus een volledig
verteren van de gehele voeding. Wanneer U alleen genoegen heeft in vruchten, en U eet deze
met een waar genot, dan zijn zij evenzeer een goede voeding. Men zegt wel eens. Men mag
niet eten van vis zonder schubben, van het zwijn, van de koe, of van andere heilige dieren.
Waarom? Qua voeding is dit onbelangrijk. Is er het lichamelijk kennen, of aanvaarden?
Wanneer men U de beste biefstuk van de wereld voortzet, de mooiste saté van het beste
geitenvlees en je hebt weerzin, eet het dan niet, het is U een schade. Maar indien het U lust en
zegt dit: "Dit is goed voor mij, dit smaakt mij, dit is iets, wat ik genieten kan", dan bevordert
dit de omzetting en spijsvertering. De voedingswijze is eigenlijk niet belangrijk. U zult zeggen:
Waarom dan zo vaak horen, vlees eten is eigenlijk voor hen, die geestelijk hoger staan, iets
wat je niet meer doet? Het erkennen van de levende functie, de belevingsdrang in het dier, het
erkennen van dit medeschepsel als lagere broeder, brengt dezelfde weerzin, die U heeft tegen
menseneterij. Het voedsel kan U niet meer smaken en vanaf dat ogenblik is het schadelijk.
Wanneer het bewustzijn de aanvaarding van een bepaalde spijs onmogelijk maakt, zal het
lichaam deze spijs weigeren, of er ongunstig op reageren. Hebt U nog vragen?
Waar U de woorden weg blijven, zal ik er niets meer aan toe voegen. Wij zullen sluiten met
een meditatie. Mag ik U nederig danken voor Uw welwillende aandacht? Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Wat zal het onderwerp zijn voor de meditatie zijn?

GEESTELIJK BELEVEN
Het beleven van de geest. In de mens leeft méér dan alleen maar het lichaam en de
menselijke rede. Op het ogenblik, dat de kern van: zijn wezen, het bewustzijn, dat verborgen
is achter het denken, voor zichzelf tot één ervaring komt, spreken wij van geestelijk beleven.
Geestelijk beleven kunnen wij niet beperken. Wij kunnen niet zeggen, dat het alleen maar een
staal van verschillende krachten is. Wij kunnen niet zeggen, dat het beperkt blijft tot een
zuiver geestelijk of mentaal streven. Men kan alle dingen geestelijk beleven en geestelijk
beleven is in alle dingen gelegen. Een roos, die haar schoonheid verfraait ziet door een paar
druppels van dauw, kan de geest evenzeer een nieuwe relatie geven, een nieuw begrip van de
kosmos, als een beleven in een andere sfeer, in een ontwaken in het zonnige licht van een
gouden wereld.
Daarom mogen wij geestelijk beleven zeker niet stellen als iets, wat ligt boven de aarde, of
buiten de sferen. Het is overal. Juist daarom is het voor ons makkelijk tot een geestelijk
beleven te komen. Natuurlijk zolang wij zoeken naar het uitzonderlijke, naar het sensationele,
naar het gebeuren buiten het normale, zal ons idee van geestelijk beleven klein zijn. Zolang
wij menen, dat alleen het onvoorstelbare werkelijk geestelijke waarde heeft, is ons geestelijk
beleven nil. Geestelijk beleven is leven op een zodanige wijze, dat de geest zich daarmede
verrijkt. Die verrijking van de geest openbaart zich in alle dingen. De mens, die op aarde leeft,
heeft een geest. Een geest heeft vele voertuigen. Elk voertuig staat in contact met zijn eigen

15
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot Geestelijke Scholing
Les 1 – Intens gebruik van eigen geestelijke krachten – 9 september 1958

wereld. Er is geen grens en geen beperking voor ons. Het leven van de mens reikt van de
primaire afgrond, waarin het eerste licht geboren word, tot de laatste voleinding van een
Goddelijk volmaakte Schepping. In elk van deze fasen leeft hij. Wanneer hij nu, bewust als
mens, bewust als geest, ervaart, leeft, dan is dit niet alleen iets, wat beperkt blijft tot één
wereld. De vreugde van een stoffelijk bestaan klinkt door, tot in de diepste afgrond, tot in de
hoogste hemelen.
Het bewustzijn, dat U op aarde uit doet gaan, of in de sferen, om anderen te helpen, klinkt
mee in alle sferen. Wanneer gij intens genoeg leeft in Uw eigen wereld, dan is het leven zó
intens in die andere werelden, dat een echo terugkeert. Een echo, dat U dan verrijkt, ook in
dat bestaan, dat gij op dat ogenblik werkelijkheid noemt. Geestelijk beleven. Kunnen wij iets
beleven zonder geest? Bestaat er een mogelijkheid iets te doen, iets na te laten, iets te
denken, iets te vergeten, waarbij de geest niet betrokken is? Alles, wat je bent, is eenheid. Als
de tijd verder gaat en Uw stofvorm niet meer bestaat, wanneer gij misschien de laagste sferen
allang hebt verlaten, dan draagt U nog die werelden, hetzij besloten, in Uzelf, zoals gij thans
besloten in Uzelf werelden draagt, waarvan U nog geen flauw begrip hebt. De dingen zijn één.
Het is de intensiteit van ons leven, de intensiteit van ons zoeken, dat het ons mogelijk maakt,
om geestelijk te beleven.
Dan worden wij ons bewust van die waarden uit de andere werelden. Dan schemert achter ons
heden, achter onze werkelijkheid plotseling een tweede wereld, een tweede bestaan, een
tweede begrijpen. We behoeven daar niet naar te zoeken. Wij hoeven het niet af te dwingen.
Het is er. Het is er, wanneer wij intens genoeg en goed genoeg leven in het heden, wanneer
wij streven in het heden, dan is dat geestelijk beleven er te allen tijde. Dan moeten wij
misschien alleen leren om die vage tekenen te verstaan, om ze langzaam maar zeker op te
laten bloeien tot een volledig bewustzijn, een volledig kennen. Misschien, dat een van de
grootste vormen van geestelijk beleven, dat er bij de mens bestaat, het bidden is. Niet het
formalistisch bidden, het afraffelen van een bepaald gebedsformulier, het langzaam maar
zeker uitspreken van algemeen gangbare gedachten, maar het werkelijke gebed. Een intens
roepen naar de hoogste Kracht, die je kent. Dán vergeet je een ogenblik de stoffelijke
werkelijkheid als werkelijkheid alleen te zien. Dan word je plotseling vatbaar voor al die
impulsen, die reeds lang rond je en in je zijn, die je tot op dat ogenblik nog niet hebt ontdekt.
Dan erken je plotseling de kracht, die altijd met je is en waar je op dit ogenblik pas toe
ontwaakt bent.
Wanneer ons gebed de vorm aanneemt van een meditatie, of van een beschouwing, de vorm
misschien de daad van naastenliefde, maakt geen verschil. Alle dingen, die wij doen, of zoeken
te doen i.v.m. de kosmos, is een gebed. En elk gericht zijn op de kosmos, op God, betekent
ook een openbaring van het geestelijk leven, dat in en rond ons bestaat.
Dat wordt dan, wat men noemt een geestelijk beleven. In feite slechts een intenser beleven
van een grote werkelijkheid, dat verborgen ligt voor de doorsneemens, achter de schijn van
een heden, dat al verdwijnt, voor hij het zich bewust is. Laat ons daarom het geestelijk
beleven niet zoeken buiten onszelf. Niet zoeken buiten deze wereld, waarin wij thans moeten
leven. Laat ons het geestelijk beleven zien als de innerlijke aanvulling de vervulling misschien
zelfs, van ons bestaan op dit ogenblik. Wanneer wij ons bewust zijn van de banden met de
eeuwigheid ons bewust worden van de tijdloosheid van ons eigen wezen, dan is er een
geestelijk beleven als grote en volle werkelijkheid in ons uitgedrukt. Dan hebben wij geen
behoefte maar aan helderziendheid en helderhorendheid. Dan hebben wij geen behoefte meer
aan een uittreding in een andere wereld. Dan is er zelfs geen behoefte meer aan bezwering,
die U geesten als dienaar geeft. Dan is er de grote werkelijkheid, waarin de geest beleeft,
omdat zij leeft. Leeft als bewust deel van de kosmos, in een beperkte vorm voor een ogenblik
en tijdloos door de vele vormen, waarin zij leven kan en zal.
Dát, mijne vrienden, is m.i. het geestelijk beleven. Daarmede zullen wij dan deze inleidende
bijeenkomst van onze groep besluiten.
Tot de volgende maand.
o-o-o-o-o

16
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

LES II – MAGISCHE ONTPLOOING VAN HET IK

Goeden avond vrienden,
Mag Ik U allereerst vragen of U bij het doornemen van de stof nog grote problemen ontmoet
hebt?
U zegt ergens: astrale figuren hebben geen eigen leven. Dergelijke figuren kunnen wij
gebruiken als helpers. Op welke wijze moet men daarmee beginnen?
Dit is het vorig jaar volledig behandeld. Ik wil het kort nog eens aanvullen, ofschoon het bij het
tweede onderwerp behoort. Een "Scheingestalt" wordt opgebouwd door de fantasie. Men stelt
zich een figuur voor die een volledige aanvulling is van het eigen wezen, waarbij dus alles,
hetgeen men zelf tekort komt, wordt gezien in deze figuur. In feite is elke mens een volmaakt
geheel zoals U weet. Het resultaat is dat U, door U voor te stellen, dat deze eigenschappen
elders bestaan en haar deze vorm en gestalte geeft, dat deze inhoud zit, krachtens Uw eigen
persoonlijkheid en wezen. Doet U een beroep op dit wezen, dan activeert U daarmede de
buiten U geprojecteerde waarden, die gij in het wezen hebt gelegd. Door een voorstelling te
vormen, onverschillig hoe, kan men een "Scheingestalt” scheppen.
U kunt het dus doen door U een demon, een engel, een godheid, een oude leraar, een
meester, ja zelfs een abstracte figuur voor te stellen mits U de waarden daaraan toekent en
tracht dezen voor Uzelf te visualiseren: dus U voor te stellen, dat zij voor U een realiteit wordt.
Dat is de enige. Wanneer U dan ontdekt, dat U zelf ergens niet verder kunt, dan doet U een
beroep op deze "Scheingestalt". U mediteert a.h.w. en wacht op het antwoord dat U krijgt.
Wanneer U enkele malen deze gestalt reeds gevisualiseerd heeft dan zult U ontdekken, dat U
antwoord krijgt. Hoe intenser deze gestalte voor U gaat leven, hoe intenser antwoord, dat zij U
geven kan. Daar stel ik tegenover, dat bij een verdere ontwikkeling, toch het ogenblik komt,
dat wij voor ons bewust de functies op zullen nemen, die wij, als in ons onbewust, voorlopig in
de "Scheingestalt" geprojecteerd hebben. Indien wij leren uit het kosmisch geheugen te
putten. dan kunnen wij daaruit alle kennis putten, die voor ons noodzakelijk is. Wij kunnen
echter nooit meer putten uit zo'n geheugen, dan het ons mogelijk is te verlangen uit dat
geheugen. Dat is heel eenvoudig. Om een vraag te kunnen formuleren, moet men weten, wat
men vragen wil. U hebt dus een primaire kennis nodig, om die vraag te stellen. Wil men in het
kosmisch geheugen een bepaalde waarde wekken, dan zal men eerst als vraag de gedachte
daarmee harmonisch uit moeten zenden. Er moet dus in het ik een primaire waarde aanwezig
zijn, wil de functie van het kosmisch geheugen, een secondaire waarde, het antwoord in het ik
wekken.
Indien er geen vragen meer zijn, dan wil ik vandaag een aantal onderwerpen met U bespreken
die in verband staan met:

MAGISCHE ONTPLOOIING VAN HET IK

Het ego is een afgerond geheel, dat harmonisch is met de kosmos. Het is zich noch van deze
harmonie, noch van het innerlijk afgerond zijn bewust. Het is juist dit feit, welke het ons
mogelijk maakt de beïnvloedingen die ons van buitenaf bereiken te selecteren en daarmede in
ons zelf te werken.
Er zijn vele invloeden van buitenaf. Op geestelijk terrein kunnen zich ook wel onderscheiden in
7 groepen van aardberoerende waarden. Elk van deze 7 groepen heeft haar eigen
grondeigenschappen. Hier wordt zij vaak onbewust van het werkelijk principe, gebruik van

17
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

gemaakt bij astrologische berekeningen. Wanneer wij deze groepen nu volgens onszelf juist
realiseren, dan begrijpen wij dat het mogelijk is in het ik invloeden te wekken, eenvoudig door
een concentratie op een buiten ons staande oorzaak, een buiten ons staande beïnvloeding. Dit
houdt in dat deze 7 gebieden voor de magische ontwikkeling belangrijk zijn. Zij zijn in feite de
uitgedrukte bewustzijnsvormen binnen het Goddelijke, die een eigen volmaaktheid hebben en
in deze volmaaktheid evenveel strevende, dus onvolmaakte wezens, kennen als in b.v. Uw
wereld bestaan.
Deze werelden onderscheiden wij dan al hetgeen wij er mee tot stand kunnen brengen.
Als eerste spreken wij over de Heren van Kennis. De Heren van Kennis, of Weten, worden
wel voorgesteld als de Beheersers van het Kosmisch Geheugen. Dit is niet geheel waar, maar
komt toch wel zeer de waarheid nabij, vanuit menselijk standpunt. De waarden van kosmisch
geheugen vragen van ons een zeer mystieke instelling. Het is een verinnerlijking, een in het ik
verzinken, waarbij een aanwezige vraag wordt losgelaten, om in de ruimte zijn antwoord te
vinden. Wanneer wij magisch tot het verwerven van kennis over willen gaan, dan moeten wij
dit doen in de vorm van droombeelden. Droombeelden zijn niet in woorden uit te drukken. Er
zijn vele begrippen die noch met woord, noch met letter omschrijfbaar zijn. Voor heel veel
waarden is alleen een symbolische uitdrukking mogelijk. Wij realiseren ons dit natuurlijk wel,
maar vragen toch aan de Heren van Kennis bij herhaling een belichting van het probleem. Wij
stellen ons daarvoor meer het volgende voor:
In de eerste plaats: wanneer wij denken aan lichtblauw, wanneer wij denken aan
kleurvarianten van blauw of zilver, wanneer wij denken aan gestalten: edelen, in lange
gewaden geklede gestalten, zonder figuratieve tekening of dekoraties aan het gewaad.
Wil men het zoeken in een landschapsbeschouwing dan denkt men aan een verlaten
berglandschap, waarin wel plantengroei is, maar niet overvloedig. Grootsheid is hier
belangrijker voor de realisatie dan een kennis van detail.
Een dergelijke indruk kan men soms krijgen indien men enkele fuga's van Bach beluistert, of
naar sommige werken van Beethoven.
Ik vertel U dit alleen, opdat U begrijpen zult, welke sfeer. Is deze instelling bereikt dan is het
noodzakelijk, dat de vraag geponeerd is. Er bestaan zeer veel methoden om dit te doen. De
meest eenvoudige is deze: Men schrijve voor zichzelf de vraag op. Overdenk haar goed,
formuleer haar zo kort en schel mogelijk. Men houde deze gedurende de overweging of
meditatie, tegen de zonnevlecht. Hierdoor heeft men een aandachtrelatie geschapen tussen
een vraag, die buiten het ik ligt en het ik. Gelijktijdig kan het ik worden ingesteld op de Heren
van Kennis. Van de Heren van Kennis kan echter niet worden verwacht, dat zij ingrijpen in
aardse toestanden, of bewegingen. Ook kan van hen niet worden verwacht, dat zij persoonlijk
zijn. Alle kennis die gegeven wordt, kan in relatie tot een persoon staan, maar is nooit alleen
en zuiver op die persoon in toepassing.
De tweede groepering, die wij kennen zijn de Meesters van Wijsheid. De Meesters van
Wijsheid treffen bij voorstelling aan: kleuren van groengoud. Wanneer zij aanwezig zijn:
gewaden van goud, goudkleurig of met goud gegarneerd. Voor landschap: wijde vlakten met
zeer weinig daarop te zien. Delen van pampa's, woestijn, weidegronden zonder begrenzing,
Het eindeloze van de kosmos moet gerealiseerd worden. Hierbij is een bewust contempleren
noodzakelijk. De gedachtegang van de mens wordt gericht op de Meesters van Wijsheid,
waarna hij zich - een ogenblik in stemming brengende de grootsheid van de kosmos, maar
vooral de eindeloosheid ervan te aanvaarden - begint zijn probleem, onbelangrijkheid in deze
oneindigheid voor zichzelf te ontrafelen en te ontwikkelen. Men denkt hierbij voortdurend terug
aan de wijsheid. Op deze wijze kan uit de Heren van Wijsheid worden verkregen een inzicht en
begrip, dat verre het normale te boven gaat. Dergelijke oefeningen zijn in staat om het begrip
voor het leven, voor anderen, zelfs voor de problemen van leven en dood, zodanig te
verdiepen en te vergroten, dat een feitelijke geestelijke inwijding daarvan het gevolg is.
De daaropvolgende heersers zijn de Heersers van het Leven, de derde groep. De Heersers
van leven regeren krachten hun wezen is vitaliteit. Zij mogen niet als vormen worden

18
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

voorgesteld, doch eerder als lichtende zuilen of als bliksemstralen, die voortdurend heen en
weer flitsen in een donker zwerk. Heeft men zich deze donkere hemel, het majestueuze van de
bliksem voorgesteld, dan stelle men zich verder voor, dat men zelf hiermede in relatie staat.
Het licht van de bliksem is op U gericht. Deze voorstelling is noodzakelijk om de schok van de
levenskracht in Uzelf te wekken. Het is mogelijk, dat bij een voeren van een dergelijke
voorstelling een verhoging van hartklop, of een versterking van bloeddruk mogelijk is.
Dit laatste is van geen belang, waar het verschijnsel onmiddellijk verdwijnt nadat de meditatie
voorbij is, terwijl gedurende de meditatie deze verhoging van bloeddruk en deze versnelling
van harteklop, slechts een versterkte circulatie betekenen in het ik. Niet slechts van het bloed,
maar van alle lichaamsvochten, plus de lichaamsvitaliteit. Deze vitaliteit kan in het ik worden
geabsorbeerd. Het stelt de mens in staat tot buitengewone prestaties, qua inhoudsvermogen
te komen. Het brengt hem verder in de gelegenheid om de in hem ontladen krachten aan
anderen over te dragen. Dit behoort ook bij het gebied van magnetiseren. Het wordt verder
gerekend onder de sympathische magieën, waarbij levenskrachten moeten worden
gedomineerd. Om een dergelijke werking ook buiten het ik tot stand te brengen is het
noodzakelijk een zeer nauwkeurige voorstelling te hebben van de persoon, of voorwerp,
waarop de ontlading plaats zal vinden. Visualisatie kan het best geschieden aan de hand van
een afbeelding. De persoon moet in deze afbeelding worden voorgesteld en zozeer met het
beeld worden vereenzelvigd dat wij deze persoon, of voorwerp, zien staan onder een donkere
hemel waaruit bliksemschichten die persoon treffen. Gelijktijdig horen wij géén donder. Er is
géén geweld. Er is slechts levenskracht, die zich schoksgewijze ontlaadt. Op deze wijze is het
mogelijk aan anderen vitaliteit te geven en bij toepassing tot het uiterste toe, zelfs om tijdelijk
aan doden het leven te hergeven. Dit laatste behoort onder de verboden experimenten.

De vierde groepering is het gebied van hen, die geluk en menselijke driften
beheersen. Geluk is het Toeval. d.w.z. het niet-redelijk bestembare juist kiezen uit zeer vele
mogelijkheden. Menselijke driften zijn automatische processen binnen het lichaam, evt.
gestimuleerd, of zelfs georigineerd door het menselijke gedachteleven, die echter het totaal
van de menselijke levensinhoud helpen bepalen. Wanneer wij ons daarop concentreren, stellen
wij ons een vuur voor. Dit vuur is koel, het geeft géén hitte. Maar het beroert en het geeft een
glans aan alles, wat er in wordt gebracht. Willen wij geluk hebben - en dan denk ik hier niet
aan hazardspel, maar wij willen een aangename avond hebben, een vriendschappelijke
verhouding. Wij willen dus prettig leven, dan stellen wij ons voor, dat onze omgeving tijdelijk
door dit vuur overspoeld wordt.
Gaat het om een toekomstig moment, dan stellen wij ons die omgeving, zoals wij die ongeveer
denken, voor en stellen ons dit weer voor omspoeld door dit koelvlammend element. Wij
krijgen daardoor sfeer en stemming, die den volledig kan worden aangetast aan datgene, wat
men er zelf in legt, waar de eigen gedachte bestemmend is voor de invloed, die dit
voorgestelde vuur kan hebben. Achtergronden achter het vuur, bij voorstelling zonder
voorwerpen erin geprojecteerd, moet vermeden worden.
Dan gaan wij menselijke hartstochten, lusten, kortom, neigingen die ook hierdoor zijn te
beheersen na. Daarbij neme men de symbolen, die het eenvoudigst zijn. B.v. men heeft grote
teleurstelling, grote verlangens. Men wenst. die te zuiveren. Dan stelt men zich heel rustig het
doorboorde bloedende hart voor, wat hiervoor zo vaak als voorstelling wordt gebruikt, loutert
het in het vuur, men ziet het glans krijgen. Deze voorstelling is voldoende om alle bitterheid
uit een menselijk leven te bannen, mits regelmatig herhaald..
Zijn wij onrustig, dan moeten wij voor de onrust een voorstelling hebben. Wij stellen ons een
slang, of een aardworm voor. Deze worm wordt in het vuur gebracht en verandert in een
gouden koord. Ook deze voorstelling, met zeer suggestieve werkingen overigens, is zeer goed.
Zij geeft goede nachtrust, mogelijkheid tot ontspanning, geeft het zenuwstelsel rust. Gepaard
met de oefening over vitaliteit, die ik U bij de Meesters van het Leven beschreven heb, is het
geschikt om iemand, die werkelijk overspannen is. in zeer korte tijd wederom tot een
volkomen vitaliteit en zelfbeheersing terug te brengen.

19
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

De daaropvolgende drie zijn drie sferen, die wij noemen: Dienende sferen. Zij zijn van
verschillende waarde en kunnen niet alle gelijkelijk voor de mens worden gebruikt met goede
bedoelingen. Ik verzoek U dus hieraan wel aandacht aan te willen schenken.
De eerst sfeer van dienenden moet worden gezien als een sfeer waarin vele overgeganen
bestaan. Hier is onvolkomenheid van weten, bevooroordeeld zijn van de helpers. mogelijk Het
is daarom noodzakelijk dat men hier nooit om hulp vraagt, tenzij men zelf een uitvoerig plan
van actie heeft. Men moet weten, wat men wil, vóór men hier hulp kan vragen. De voorstelling
is willekeurig. Zij kan geschieden onder elke vorm, desnoods onder die van een aantal
engelen, wit geklede figuren danwel overgegane vrienden en bekenden. In deze voorstelling
stelt men zich tevens voor, dat het ik daarbij aanwezig is, tegemoet treedt en vriendelijk,
hoffelijk, doch niet al te nederig vraagt om hulp en bijstand, daarbij het probleem
omschrijvende.
Daarna ontwikkelt men zelf, al sprekende tegen deze geesten zijn plan van actie.
Correctiestellingen kunnen worden aangebracht. U zult dus op een gegeven ogenblik ervaren,
dat U plotseling een opgebouwd systeem zoudt willen veranderen. Denk dan daarover eerst
na, wat hier komt, stamt niet uit een onfeilbare bron. Bent U in de war, eindigt Uw meditatie
hierover en mediteer eerst over de Heesters van Wijsheid.
Wilt U verder nog van deze groep andere hulp hebben, dan moet u dit onthouden. Een
ingrijpen zover het ligt op het gebied der gedachten ook bij anderen, is mogelijk, waar dit niet
verhinderd wordt door de eigen gesteldheid van de persoon, op wie de kracht wordt gericht,
Er kan vanuit deze sfeer niets kwade geboren worden. Er zijn geen z.g. fysieke effecten te
bereiken op deze wijze.
De z.g. Dienaren van het Licht zijn een tussenklase. Het zijn géén lichte geesten.
Voorgesteld het best als grauwe monniken: achtergrond nevelig. Tot dezen sprekende is men
hoffelijk. doch gedecideerd. Men beveelt en geeft zijn opdrachten. Wanneer deze opdrachten
met voldoende intensiteit worden gegeven, zullen zij worden volvoerd, ook voor lichte fysieke
effecten.
Dergelijke groepen kunnen U bijstaan om b.v. verschijnselen als levitatie tot stand te brengen,
maar zij kunnen ook stoffelijke wijzigingen tot stand brengen in omstandighedeng door U te
helpen b.v. met het verdienden van iets, het produceren, het terugvinden van voorwerpen e.d.
Men houde er rekening mee, dat men deze grijze monniken, deze Dienaren des Lichts, wel
degelijk kan dwingen. De dwang geschiedt dan uit de realisatie van God. Wie zich het
Goddelijk licht voorstelt, is altijd meester van deze geesten, die zelf het licht nog niet
aanschouwen, maar wel het dienen. Zou men hen iets kwaads opdragen, dan is het zeer goed
mogelijk dat zij het volbrengen. Uitingen van haat, terwijl men deze voorstelling zich voor de
geest heeft gehaald, is dus uit de boze en ie zeer gevaarlijk.
De laatste en tevens gevaarlijkste sfeer: Wij noemen hen wel de Heersers van het Rode
Vuur, Hiermede wordt uitgedrukt, dat zij behoren tot wat U noemt helse geesten, anderen
Saturnus-demonen e.d. De voorstelling hiervan: vuur. Verterend vuur. Bij voldoende
concentratie zult U hierin gestalten zien, die donker zijn. Deze gestalten kan men vragen
stellen en door de realisatie van het licht in Uzelf hen dwingen tot antwoorden. U kunt hen
echter nooit geheel beheersen. Zend hen dus nooit uit om een taak voor U te vervullen. In
sommige gevallen zij U vrijwillig hulp aanbieden. Aanvaardt deze niet. Zij is gevaarlijk. Gij
kunt niet nagaan in hoeverre deze geesten, qua weten, of qua magisch kunnen uw meerdere
zijn. Het bezweren, oproepen, of zelfs concentreren op geesten van deze laatste orde, moet ik
ten zeerste afraden.
Deze 7 functies werken van buiten af, op elke mens. Elke mens is daarmee voortdurend in
contact, maar onbewust. De geest en stof hebben denkprocessen, uit een realisatie van
onvolledigheid geboren, treden buiten de volmaaktheid van het wezen uit, zodat contacten
worden geschapen met al hetgeen naast dit eigen wezen in de Goddelijke Schepping, volgens
Goddelijk plant volmaakt geschapen is.

20
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

Wij wekken daarin die krachten, waar wij mee in harmonie zijn. Onze daden, onze woorden.
onze gebaren hebben een zeer grote invloed op de wereld, die rond ons is. Omgekeerd stellen
zij ons in verbinding, niet slechts met de zichtbare, maar ook met de onzichtbare werelden,
zodar een wederkerige invloed voor ons hieruit onmiddellijk geboren wordt.
Bij een magische ontwikkeling van het ego moet altijd deze beïnvloeding erkend worden, er
moet rekening mee worden gehouden. Wil men komen tot scherpere realisatie van zijn
mogelijkheden, dan is het toegelaten te experimenteren. Deze experimenten moeten echter
beperkt blijven tot de drie hoogst genoemde sferen: weten, wijsheid en leven. De andere
sferen lenen zich niet tot experimenten, waar hier te grote risico’s aan verbonden kunnen zijn.
De eerste experimenten worden vooral gemaakt om het ik te doen ontwaken tot de
mogelijkheid. Zij bestaat uit concentratie, en contemplatie: verder een beroep doen op deze
krachten, waarbij de voorgeschreven handelingswijzen vaak dienstig zijn om resultaten zeer
snel te behalen. Na 3 of 4 maal concentreren zullen de meesten Uwer reeds dergelijke
contacten kunnen krijgen en dus ook in staat zijn dergelijke krachten reeds te dirigeren.
Heeft men deze proeven enige malen genomen, dan wordt het ik zich dus bewust van de
verbinding met de oneindigheid en de belangrijkheid, die men er zelf in heeft. Daarna is het
tijd U te realiseren, dat het ik bestaat uit elk van die werelden, die hier omschreven zijn. Dus
nog ongetelde andere werelden. Het vermogen van een bepaalde voor ons voorstelbare wereld
kan in elke wereld, waarin wij bestaan, bewust worden geuit, zo wij ons deze wereld kunnen
projecteren - een gedachtebeeld dus - in die wereld Wanneer U dus gebruik wilt maken van de
lichtwereld, zult U deze als een wezenlijkheid, als een deel van Uw eigen werkelijkheid, moeten
projecteren in deze wereld. Daarmee kunt U soms wonderbaarlijke resultaten verkrijgen.
Wanneer het ik zich bewust wordt van de geleedheid van zijn bestaan, waarbij dus als schakels
de verschillende werelden dienen, dan zal het ook leren bepaalde werelden bij elkaar te
brengen. Men zal dan leren wijsheid aan intuïtie te paren, om weten te paren met
levenskracht, om b.v. zelfs het demonische, dat in ons allen schuilt, onmiddellijk te paren met
streven naar het goede, wat in de derde sfeer tot uiting komt. Levenssfeer.
Het maken van deze combinaties en begrippen in onszelf ontplooit het ego zeer. Eerst nadat
wij deze ontwikkeling hebben doorgemaakt, zullen wij trachten met de gevoeligheid van ons
eigen wezen en lichamelijk wezen hier vooral, vast te stellen.
Men doet dit bij voorkeur als volgt:
Men neemt hiervoor een voorwerp waarvan men de geschiedenis niet kent, maar waarvan men
die wel kan achterhalen. Men brengt dit achtereenvolgens voor het middenrif voor de borst, bij
de keel, bij het voorhoofd. De beelden, of gedachten - ook al zijn zij absoluut onredelijk of
onsamenhangend met het voorwerp, worden na elke proef zo goed mogelijk genoteerd.
Daarna wordt de werkelijke geschiedenis, zover bekend van het voorwerp nagegaan. Het zal
blijken, dat bij bepaalde contactpunten en sterke overeenkomst met de geschiedenis van dit
voorwerp plaats vindt.
Het is dit punt, wat door oefening verder ontwikkeld kan worden. Dit is niet wat men noemt,
psychometrie. Het is geen meting van de psyche, maar het is een begin van ontwikkeling,
waardoor via de werking van het chakrum een verplaatsen in andere condities mogelijk is. Het
is, wanneer wij sympathische magie willen beoefenen van een groot belang.
U moet goed begrijpen, dat magie een basis moet hebben, die voor een mens nergens anders
kan liggen dan in de wereld die hij “werkelijk” noemt, in de stoffelijke wereld.
De basis van alle magie moet gelegen zijn in stoffelijk - en dus ook mentaal - weten. Vóór die
wetenschap zijn bepaalde dingen bijzonder belangrijk. In de eerste plaats: wiskundige kennis
maakt het vaak mogelijk abstracte voorstellingen op eenvoudige wijze onderling te
vergelijken. Daarom is een kennis van althans elementaire wiskunde, praktisch en
onontbeerlijk. Men moet daarvoor, zo nodig, de formules man de tweedimensionale wiskunde
even ophalen. Het zal U mogelijk om de verschillende krachten U voor te stellen, die t.o.v.
elkaar werkzaam zijn.

21
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

In de tweede plaats: wij hebben behoefte aan een kennis van ritme en klank. Wij moet
trachten ons muzikaal gevoel en selectievermogen op te voeren door alle verschillende soorten
muziek en klank te ondergaan, zonder kritiek. Het zal blijken, dat de invloeden omgezet in
stemmingen, voor ons zeer kenbaar zijn. Wij weten dan daarmee welke ritmen voor ons goed
en welke voor ons slecht zijn. Wij zullen trachten die goede ritmen in elke uiting mede tot
stand te brengen, zodat wij zelfs in het spreken zullen trachten de melodie b.v. van onze
muziek, ons muzikaal ritme, dat ons het beste pakt, tot uiting te brengen. Wij zullen zelfs bij
de toonvorming van de stem datzelfde proberen naar voren te brengen.
Ons gebaar dient beheerst te zijn, maar een gebaar kan een volkomen magische werking
hebben. Wij aanvaarden dit, maar wij moeten het nog ervaren. Daarom moet het overwogen
worden van beweging ook zeker een deel uitmaken van de magische scholing.
U moet realiseren dat een gebaar betekenen kan. Stel U op de hoogte van verschillende
eenvoudige moedra's. Dit draagt bij tot Uw verdere magische ontplooiing. Ik zeg niet dat het
noodzakelijk is deze studies te doen, maar zij zijn zeer nuttig. Wilt U werkelijk resultaten
hebben, dan zijn op de duur toch onontbeerlijk. Dan moet men verder leren om te spreken
zonder te denken. De mens heeft een onderbewustzijn, dat door redelijke factoren vaak zó
sterk wordt beheerst en geremd dat men niet kan uitdrukken, wat men meent. Door deze
remmingen van het psychische weg te nemen, de correctiefactor, die vrees voor
belachelijkheid, onjuistheid e.d. betekent weg te laten vallen, komen wij tot een volledige
persoonlijkheidsuiting. Men kan dit echter, vooral in den beginne, slechts doen in
eenzaamheid, of wel met enkelen, die dit systeem erkennen als waardevol.
In deze uiting komt de persoonlijkheid sterk naar voren. De persoonlijkheid onthult aan
zichzelf zijn innerlijke bron en zijn innerlijk streven. Daarbij ontdekt men verder, in hoeverre
gelijke normen bestaan in anderen. Sympathische werkingen tussen mensen kunnen groepen
vormen, de kracht van groepen is onvoorstelbaar veel groter dan van elke persoon
afzonderlijk. De groepsvorming is, ook in het ontwikkelen van het magisch leven soms nuttig.
De magiër moet begrijpen, dat er niets in het Al weerzinwekkend of afschuwwekkend is. Hij
moet zich zover kunnen beheersen, dat hij genietende b.v. van een goede maaltijd, een
onsmakelijke maaltijd zonder weerzin tot zich neemt. Dat hij elke materie, onverschillig welke,
al zouden het fecaliën zijn, kan hanteren zonder ook maar één ogenblik terug te schrikken. Dit
doen afsterven van het principe van verwerpen en dus oordelen en daarvoor in de plaats
brengen aanvaarding, vergroot het innerlijk vermogen om alle krach uit het Al binnen het ik te
ervaren, te realiseren en - als werkingen - te projecteren.
Het is voor ons zeer belangrijk, dat ons hele leven bestaat uit een voortdurende wisselwerking,
tussen wat wij noemen licht en duister, goed en kwaad. Wanneer wij afschuw hebben voor het
kwaad, zullen wij vluchtend in het licht, ons evenwicht kunnen verliezen. Wanneer wij echter
het kwaad niet vrezen, maar krachtens ons verlicht bewustzijn hanteren zijn wij meester over
het duister.
Dit alles is noodzakelijk om het ik magisch te ontplooien. Hoe verder men hierin komt, hoe
meer men ontdekt, dat realiteiten relatief zijn. De ware magiër is meester der relatieve
waarde, doordat hij in zichzelf het ene onveranderlijke punt, de volmaakte levensuiting Gods
die hij is, heeft erkend. Hij kan dan elke werkelijkheid wijzigen. Wijziging van werkelijkheid
betekent een aanpassing aan zijn ideaal van volmaaktheid. Daarmede heb ik dan mijn les voor
vanavond, vrienden, beëindigd. Zijn er nog vragen?
U sprak zo-even van het projecteren van andere wereld in de eigen wereld. Is dit fantasie?
Neen, dit is geen fantasie, Het is alleen het erkennen van iets wat men normalerwijze over het
hoofd zou zien. U weet, wanneer men luchtfoto's noemt in de oorlog, dan maakt men opnamen
met tussenpozen van 24 uur van dezelfde streek. Men legt deze foto's over elkaar en ontdekt
zo een beweging, een verschuiving van bepaalde punten. Dit geeft dan b.v. aan het gebeuren
van troepenverplaatsing, en langs welke wegen. Het maakt ons duidelijk, waar stellingen zijn
opgebouwd, ondanks het feit, dat zij zeer goed gecamoufleerd zijn. Deze zelfde kunst kunnen
wij gebruiken. Wij hebben een beeld van onze andere wereld. Die andere wereld is in feite
identiek aan deze wereld, want wij kunnen ons menselijk denken niet losmaken van die

22
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

wereldvoorstelling, waarin alles, wat wij liefhebben, wat wij kennen mede behoort. In het
geestelijke - dat is geen fantasie, maar een aanvoelen misschien - zijn sommige punten
anders dan in de werkelijkheid. Bij de vergelijking van beelden blijkt, dat niet elk van de
voorstelling op zichzelf waardevol is, maar dat de verschillen tussen beiden ons werkingen en
activiteiten aantonen, die in geen van beide werelden zó gerealiseerd zijn. Ons gehele wezen
kan dan op die verandering b.v. door reacties en ingrijpen de begeerde invloed uitoefenen.
In de 7e groep, die over het Rode Vuur gaat. Bij de andere groepen heeft U gestalten
genoemd, die wij konden zien. Heb ik het juist dat U hierbij geen gestalten genoemd hebt?
Ik heb geen gestalten genoemd. Ik heb die beschrijving eigenlijk nagelaten, omdat deze
gestalten van een zodanige melancholie zijn en vaak ook van een zodanige gedrochtelijkheid
en afzichtelijkheid, dat voor de doorsnee-beschouwer het beter is deze gestalten onmiddellijk
terug te dringen, achter de voorstelling van het vuur. U weet verder, dat ik U zeer dringend
verzocht heb om deze sfeer niet te hanteren. Ik heb ze slechts volledigheidshalve genoemd.
Het was dus niet noodzakelijk om U voor te bereiden om hetgeen daaraan verschrikking naar
voren kan treden.
Ik wilde die gestalten niet gebruiken, maar evt. herkennen.
Die gestalten zult U nooit herkennen. Zo goed als de gedachte regeert in de lichte sfeer, doet
zij dit in een lage sfeer. Wanneer U niet de werkelijkheid van het Rode Vuur oproept, denkt U
dan, dat het Rode Vuur U benaderen zal in zijn ware gestalte en gedaante? Het zal zich
vermaskeren en vermommen als een wezen, dat voor U aanvaardbaar is. Duistere gestalten
vormen zich daaruit. Laat het daarbij genoeg zijn.
Nu gaat U eerst pauzeren: daarna kunt U tot algemene vraagstelling komen.
Vrienden, ik hoop, dat deze korte, maar inhoudsvolle lering u misschien zal kunnen helpen een
beter begrip te krijgen van de mogelijkheden, die ook in U schuilen.
Magie is niets bovennatuurlijks. Het is volkomen natuurlijk aan de hand van Goddelijke wetten.
Magie grijpt niet naar dingen, die U niet bezit, maar wekt slechts datgene, wat U wel bezit.
Realiseer U dit en vergroot Uw kennen en vermogen om Uw bewustwording daarmede uit te
breiden. Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Dit tweede gedeelte kunnen wij besteden aan de vragen die u heeft.
Sinds de vorige avond heb ik een groot gevoel van vitaliteit en een gevoel van "ik moet wat
doen". Maar wat, daar kan ik niet achter komen
Dat betekent dat U op het ogenblik nog geen uitweg vindt voor de krachten, die U gekregen
heeft. Maar die uitweg komt vanzelf, dat moet een natuurlijk groeiproces zijn. Wij kunnen dus
niet zeggen op het ogenblik: "Ga dit of dat doen". Dit zal zich zelf aan U openbaren: het ligt
ten dele op geestelijk en ten dele op stoffelijk terrein. Dat duurt nog ongeveer 45 dagen. Zeg
dan niet, dat U uiteen barst van energie, want ondertussen heeft U dan ook een dieptepunt
gehad.
Bestaat er voor mij een mogelijkheid om mij meer in het magnetiseren te bekwamen? Het
is misschien wat moeilijk deze vraag, maar het is wel nodig in mijn directe omgeving. Wat
voor advies kunt U mij daar voor geven?
Dat kunt U niet uit eigen krachten doen. Het is namelijk zo gesteld dat, wat wij levenskracht
noemen, een licht magnetisch veld is. Dat betekent, dat in de omgeving dus volgens de wet,
die velden volkomen op elkaar afgestemd zijn en elkaar afvlakken. Er zijn dus geen grote ver-
schillen aanwezig. Het gevolg is, dat U in Uw naaste omgeving, wanneer U dat dus uit Uzelf
wilt doen, daar weinig resultaat mee zult hebben. Ik meen dat men U een raad heeft gegeven
en wanneer U die raad opvolgt en van te voren goed instelt op degenen, die de raad gegeven
hebben, dan zult U ontdekken dat U door oefening en openstelling - wat voor U zo nu en dan
nogal eens moeilijk is - dus langzaam maar zeker wat meer krachten kunt krijgen. Vergeet
niet, dat U zelf op het ogenblik ook niet in een periode van optimale vitaliteit verkeert. U bent
zelf ook tamelijk overspannen. Als het goed zou moeten zijn, dan zoudt U eerst bij een ander
23
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

de kracht moeten gaan halen om zo ver te komen, dat U krachten kunt putten uit de sferen. Ik
hoop, dat het geen teleurstelling voor U is, maar zo staan de zaken op het ogenblik. Bent U
weer normaal vitaal en wilt U zich daar verder op in stellen, dan kunt U dit het beste doen door
buiten Uw onmiddellijke omgeving enkele patiënten te helpen. Neem daarvoor niet te zware
gevallen en probeer nog, wanneer U dat regelmatig oefent, leert U op de duur aanvoelen, hoe
een kracht uittreedt. Heeft U dat gevoel eenmaal, dan zult U ook merken, dat de behandeling
zelf zeer eenvoudig is en praktisch instinctief kan worden gevolgd. Doet U dat wat vaker, dan
krijgt U daardoor een steeds grotere potentie van levenskracht. Dan komt er een ogenblik, dat
U ook in Uw omgeving kunt werken. U spreekt op het ogenblik onwetend, net als een kleine
jongen, die zegt: Moeder, ik wil geen kiezelsteentje opzij rollen, ik wil gaan spelen met de
Amersfoortse kei." Daarvoor moet je eerst oefenen, voordat je zover komt. Dus houdt U zich
op het ogenblik even aan de raad, die U is gegeven heb: ik geloof dat U daar toch resultaat
van hebt gekregen zet U het voort, dan wordt dit resultaat nog beter.
Het samenspel van geest en stof gebruik makende van het onderbewust zijn. Op welke
wijze bespeelt de onderbewustzijn om zich te uiten in de stof?
Het onderbewustzijn bestaat uit grote reeksen van herinneringen, die vooral sterk zijn met
reacties. D.w.z., dat het onderbewust de sterkste herinnering vooral bepalend is. Wanneer ik
dus een bepaald herinneringscentrum in het onderbewustzijn stimuleer, dat een zekere reactie
inhoudt, dan kan ik als geest, door deze stimulansen op de juiste wijze te verdelen, de reactie,
althans grotendeels, in de richting van mijn eigen streven voeren. Dit geldt nu ook voor de
eigen geest, die in de eerste plaats zelf reeds van het begin af aan de voor haar belangrijke
reacties in de herinnering heeft vastgelegd en de tweede plaats gebruik kan maken van alle
ervaringen, die tijdens het stofleven zijn ontstaan. Door deze dingen te prikkelen wordt een
gedachteproces gewekt, dat de bewuste gedachte, het redelijke tijdelijk vervormt en
overstemt. Deze vervorming en verstemming resulteert in daden, die gepreconditioneerd,
gepreselectioneerd zijn eigenlijk, voor een reeks van handelingen, overeenstemmend met wat
de geest wenst. De geest maakt dus in het onderbewuste gebruik van de verschillende
stoffelijke impulsen en vooral van de stoffelijk aanwezige begrippen om zo een reeks
ervaringen en ervaringscondities te scheppen, die voor haar persoonlijk begeerlijk zijn.
Als ik het goed begrepen heb, het zijn herinneringsbeelden uit het stofleven zelf en uit
vroegere levens.
Dat zijn impulsbeelden, geen herinneringsbeelden, of zwakke herinneringsbeelden. In het
onderbewustzijn staan de zaken er eigenlijk zó voor, dat elke herinnering gepaard gaat met de
herinnering aan actie en reactie, als zodanig angsten, lustgevoelens e.d. kan wekken. De
herinnering zelf kan vaak sterker zijn dan deze ermee verbonden impulsen. Van de 1.000
herinneringen in het onderbewustzijn vast gelegd, zijn er misschien maar 12 of 14, waarbij de
reactieprikkel sterker is dan de herinneringsimpuls. Maar de geest legt haar impulsen zó vast,
dat de reactie haast altijd sterker is dan herinneringsbeeld. Vandaar, dat het herinneringsbeeld
op de achtergrond blijft en nu toch naar voren komt als daad.
Als je het maar weet, dan is het makkelijk en kun je het ook makkelijker reproduceren.
En wat bovendien nog erg prettig is: wanneer je het van deze kant af leert bezien, krijg je een
grotere verklaring van schijnbaar onredelijke handelingen.
Om tot rust te komen, hebt U gezegd dat wij een pier of slang naderhand zien als een
koord. Ik verg constant te veel door mijn werk en toch moet ik daarmee doorgaan. Hoe
kan ik mijn idee van rust versterken?
Het gaat dus hier om het werken met een bepaalde sfeer, het z.g. koude vuur. Bij het koude
vuur kun je eigenlijk denken aan een waas van goud. Nu is een slang voor de mens over het
algemeen een afschrikwekkend beeld. Gelijktijdig heeft die slang de beelden van oneindigheid
en wijsheid in zich. Wil je nu tot rust komen, dan neem je dus iets, wat je in een bepaalde
vorm afschuw inboezemt, dus een angst a.h.w. Je gaat deze onderwerpen aan de werking van
een bepaalde sfeer in je meditatie en stelt je de verandering voor.
Wat is nu het gouden koord?
Dat is de verbinding die tussen geest en stof bestaat. M.a.w. wat eerst een symbool van
angsten was, is nu de verbinding tussen het geestelijk en stoffelijk bestaan geworden,

24
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

waardoor dus de geestelijke inhouden, die heel anders gestemd vaak zijn dan de stoffelijke
spanningen, vrijelijk tijdens die toestand en meditatie, toegang krijgen tot het lichaam en daar
de onrust egaliseert en de spanning weg doet vlooien.
Wat is dan het zilveren koord, waarover gesproken wordt, wanneer wij sterven?
Dat is een verbinding, die ook het astrale betreft, dus alle voortuigen. Het gouden koord
betreft de geest zelf. Wanneer wij het over het zilveren koord hebben, dan bedoelen wij een
gouden koord, dat verzilverd is door overbodige voertuigen die nog blijven bestaan en gevoed
worden. De zon is de krachtgever: goud, de maan is de reflex, zilver. De geest is de
vormgever. Het astrale is het vormkennende. Niet het vorm houdende: dat is de stof.
Tezamen vormen zij de kleurengamma's. Of: het lichaam is de regenboog. Alle kleuren, alle
mogelijkheden van het Al, zijn mede in die stof geopenbaard. Maar wat op astraal
geopenbaard is, is gepolariseerd. Daar zijn niet alle dingen mogelijk. Het is een uitdrukking
van een bepaald doel, meer niet. Het goud is weer de totale uitdrukking......... een kwestie van
symboliek.
Elk conflict met de kosmische wetten betekenen een correctie op de persoonlijkheid.
Invloeden van buitenaf kunnen wel eens moeilijkheden geven.
Ik zie niet in, waarom. Wij beginnen bij het citaat van Uw vraagstelling. U ziet hier een muur,
daar is een deur. Wat zegt een wet? Dat geen 2 lichamen - materieel - gelijktijdig op dezelfde
plaats kunnen zijn, en behoren tot hetzelfde dimensionale stelsel. Probeert U even door die
muur te lopen. Als U zich vergist en probeert er door heen te gaan i.p.v. de deur open te doen
en erdoor heen te gaan, krijgt U een buil, dat is de correctie. Zo is het met de kosmos ook. Op
het ogenblik dat de persoonlijkheid probeert tegen een kosmische wet in te handelen, komt hij
tegen iets aan, dat sterker is dan hijzelf, waaraan hij zich dus kwetst. Dat is een lering over de
grotere sterkte van de wet: de correctie in de persoonlijkheid. Nu zegt de kosmische wet dat
er evenwicht moet zijn. Nu zeg je: "Maar dat evenwicht kun je toch maar moeilijk houden met
je omgeving". Fout. Op het ogenblik dat U dat evenwicht niet houdt vanuit Uw eigen
bewustzijn, de spil waarom de wereld draait, dan zult U iets doen waarover U ofwel spijt over
hebt, het gevolg, dat U niet zo prettig meer verder gaat. U staat in een scheve verhouding en
U heeft er zorg en ellende over enz., ofwel dat U zichzelf zó erg op de rug aan het kloppen
bent, dat het leidt tot onachtzaamheden. U overschat Uw eigen kunnen. Met het gevolg, dat de
hoogmoed voor de val komt. In beide gevallen is de onevenwichtigheid door het normale leven
gecorrigeerd. Uw omgeving kan daar niets áf, of aan tóé doen. Want slechts zolang U handelt
in volledig evenwicht met Uw geestelijk besef, plus Uw lichamelijk moeten t.o.v. Uw omgeving,
zult U vrij blijven van het schuldbesef enerzijds, of van de zelfverheffing anderzijds, en blijft U
dus de correctie bespaard. Verdraagzaamheid, die geen lijdzaamheid mag zijn.
Verdraagzaamheid is een noodzaak. Maar het is een innerlijke toestand. Verdraagzaamheid is
niet uiterlijk. Uiterlijke verdraagzaamheid is een leugen. Elke verdraagzaamheid komt uit het
wezen zelf voort. Het is een zelfoverwinning, waardoor men objectief staat t.o.v. de wereld,
i.p.v. subjectief, dus onderworpen aan eigen oordeel, mening en verlangens en eigen ervaring
ook. Het resultaat is dat, zolang als U verdraagzaam bent en Uw omgeving beschouwt als een
buitenstaander, Uzelf betrekkend in precies dezelfde gelijke waardering, U zonder lijdzaam te
zijn, Uw evenwichtigheid volledig kunt bewaren. Dan zult U nooit handelen tegen datgene wat
U erkent als kosmisch en waar. U zult ook altijd harmonisch blijven met geest en stof. Het gaat
erom dat je anderen volledig de waarde wilt toekennen, die naar jouw oordeel, moeten
hebben. Het kan zijn, dat anderen een grotere waarde menen te bezitten. Het is mogelijk, dat
je de eigenlijke waarheid meent te benaderen, maar met de overwaarde, die de ander meent
te bezitten, in conflict komt, U moet het eens van deze kant bekijken. Wanneer die ander een
voorstelling heeft, die hem/haar een overwaarde geeft, dan is dit ofwel rechtens gebaseerd.
D.w.z die overwaarde, die meerwaardigheid, wordt metterdaad uitgedrukt: of het is een holle
eis. Een holle eis kunt u nooit toestaan tenzij op die ogenblikken, dat U zelf en het recht, zoals
U het in de wereld ziet, buiten het geding blijven. Op het ogenblik, dat al denkt U de waarheid
benaderd te hebben, U komt te staan voor twijfel - nu moet U goed opletten - waarbij het U
dus niet mogelijk is een definitieve conclusie te trekken, dan zult U, zover die meerwaardigheid
althans schijnbaar tot uiting komt deze aanvaarden tot het ogenblik, dat U blijkt, dat zij niet
aanwezig is, of zo niet bestaat, als U meende, dat zij aanwezig was. Het betekent dus, dat
wanneer een ander op enigerlei gebied een meerderwaardigheid voor zich opeist, deze
25
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

meerwaardigheid aannemelijk gemaakt moet worden. Is zij aannemelijk vanuit een objectief
standpunt niet subjectief "Ja, maar ik denk het zo en ik wil ook gelijk hebben en nu zal ik eens
eventjes.... ", dat komt er niet bij te pas. Maar eerlijk: Wat betekent dit? Wat heeft het voor
inhoud? Wat betekent het voor mijn leven voor de mensheid? Ja, goed, dat klopt. Toch kan ik
het niet zo helemaal aanvaarden. U kunt dit niet aanvaarden, subjectief. Objectief gezien is er
geen verweer. Het antwoord is dus: Ik aanvaard deze meerwaardigheid onder het voorbehoud,
dat ik anders mag handelen, zodra mij gebleken is, dat de meerderwaardigheid niet in feite
aanwezig is. Maar ik zal er eerst een objectieve proeve van moeten hebben. Geen subjectieve.
Nu de andere zijde, wanneer blijkt dat deze meerderwaardigheid niet aanwezig is, volgens
het eigen wezen, maar opgeëist wordt.
Dan kan zij niet geaccepteerd worden.
Daar kunnen conflicten uit voortkomen.
Daar kunnen alleen in zoverre conflicten uit voortkomen, dat men in een dergelijk geval dus
heel voorzichtig moet zijn. Nu gaat men zich dit afvragen: In hoeverre is dit begrip van
meerwaardigheid, dat in feite niet aanwezig is, in feite strijdig met belangen en goede harmo-
nie zoals ik deze niet vanuit mijn standpunt, maar objectief beschouw, ervaar. Dan is de
verdraagzame oplossing hiervan. Ik zal trachten zonder die meerderwaardigheid te vernietigen
te bewijzen, dat zij op het punt van belang niet bestaat, zo mogelijk proefondervindelijk. Zo
niet, dan in ieder geval langs argumentatieve weg. Eerst wanneer dit niet gelukt, zal ik laatste
ressort grijpen naar de directe actie waarbij deze niet bestaande meerderwaardigheid dus
volkomen negeer. Dan komt daar het conflict uit voort, dat ben ik met U eens. Wanneer het
conflict op deze wijze benaderd is, kan U daarover geen verwijt treffen. Dus kan het U ook niet
beroeren. Iets kan U alleen beroeren, wanneer het een zelfverwijt betekent. Het kan een
ongemak betekenen. Dit ongemak zult U ongetwijfeld kunnen compenseren door het besef
juist gehandeld te hebben. Als zodanig is er geen geestelijk nadeel, zeker niet van geestelijke
zijde aan een dergelijke handelwijze verbonden.
Ik heb gedacht, dat ter bescherming van het heelal een ondoordringbare barrière is
getrokken om de aarde, waardoor wij niet heen zullen dringen bij de huidige geestelijke
stand van de mensheid.
Dat is wel een klein beetje verzinsel. Wanneer de mensheid haar technisch kunnen op kan
voeren met maximaal 7 % in dit speciale gebied van ruimtevaart zal het mogelijk zijn om een
mens buiten de aarde, zelfs buiten de maan te brengen, dus naar een andere planeet, zonder
dat enige grens dit direct kan verhinderen. Iets ander is de vraag, of in een dergelijk geval niet
ingegrepen zou worden, b.v. door degenen, enkelingen, die uit deze aardkring komen,
eenvoudig op te voeden, zodat zij als zendelingen naar hun eigen wereld kunnen. Op het
ogenblik bestaat wel om de aarde een grens. Er is een kwestie van z.g. dodelijke straling, die
op enkele punten een doordringingskracht heeft van 17 á 18 röntgen, een groot gebied, waar
de metingen zo liggen tussen de 6 en 3 röntgen, plus een tamelijk uitgebreid gebied, waar de
straling 1 á 1,5 röntgen bedraagt. Dus straling, die voor het menselijk leven inderdaad wel
schadelijk is. Er zijn betrekkelijk eenvoudige afweermiddelen tegen te vinden, want met z.g.
fluctuerende velden kan men deze straling volkomen af schermen.
Indien er geen vragen meer zijn: een onderwerp.
Is het mogelijk, dat U iets dieper ingaat op de vaststaande Goddelijke wetten en hoe die
door de mens evt. ingeschakeld worden?
Dat laatste zal wel erg moeilijk worden. Wat de eerste spreker betreft, dat hangt samen met
de gebieden, waar de mens mee te maken krijgt, niet met Goddelijke wetten als zodanig.
Goddelijke wetten zijn kosmische grondeigenschappen, die niet gewijzigd kunnen worden,
zonder de totale structuur van de kosmos te veranderen. Als zodanig is elke kosmische wet
niet slechts een Goddelijke, of geestelijke, maar ook een stoffelijke waarde. Elke Goddelijke
wet zal kenbaar worden aan de hand van de omstandigheden, waarbinnen zij zich openbaren.
Eenvoudige wetten leren ons, dat een voortdurend evenwicht aanwezig moet zijn. Elektrisch
wordt dat gedemonstreerd in de wet van Ohm. Wij leren, dat tussen weerstand, stroomsterkte
en spanning een altijd direct verband blijft bestaan. Datzelfde geldt overal. Wanneer ik een
bepaalde hoeveelheid weten heb, plus een zekere hoeveelheid inspanning, dan zal ik komen

26
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

tot een resultaat dat in overeenstemming daarmede is. Is mijn weten groot, is het resultaat
groot, dan zal het zeker zijn, dat de inspanning groot is. Zo kunnen wij die waarden onderling
verwisselen. Dit is een van de vele uitdrukkingen van de wet van evenwicht. Er staat b.v. ook
geschreven, dat niets teloor kan gaan. Ook dat is een kwestie van evenwicht. Zodra iets
vernietigd kan worden, verandert er iets. Zodra er alleen maar verplaatst kan worden, kan er
hoogstens een verschuiving van evenwicht sprake zijn. U zult begrijpen, dat de Goddelijke wet
in de stoffelijke wet wordt geuit. Dan kent men de wet die men oorzaak en gevolg noemt. Ook
dit is eigenlijk niet geheel juist. Zij is - om het precies uit te drukken - de logische continuïteit
van het Goddelijk bewustzijn. Want in het Goddelijk bewustzijn bestaat het totaal van alle
voorstelbare, denkbare en zelfs niet denkbare variaties en varianten op de bestaande
toestand. Het ik kan door het kiezen van een bepaalde toestand als uitgangspunt de
mogelijkheid tot beleven beperken en heeft dus geen keuze meer uit alle mogelijkheden, maar
slechts uit enkele. Het gevolg is dus het resultaat van een keuze, plus een oorspronkelijk
standpunt. Dan hebben wij verder in de magie nog met een hele hoop Goddelijke wetten te
maken. Maar waar het nu eigenlijk op neer komt, is dit: Al, wat bestaat, bestaat eeuwig. Ook
wanneer het niet eeuwig bestaat voor een deel van de Schepping. Dit impliceert, dat elke
bestaande toestand ten eeuwige dage gecontinueerd is en pas verdwijnen kan op het ogenblik,
dat de hele Schepping ten gronde gaat. Dit moment van Nu, waarin dit woord Nu dus wordt
gesproken, blijft eeuwig bestaan. Met U daarin, met Uw gedachten van dat ogenblik, met Uw
houding van dat ogenblik, met Uw geestelijk bewustzijn van dat ogenblik en is uit de kosmos
te allen tijde terug te lezen. Nu zult U begrijpen dat U ook een tijd hebt gehad, dat U geleefd
hebt in een bepaalde sfeer. Het blijft bestaan, dat moment. U heeft in andere sferen geleefd.
Ook die momenten zijn blijven bestaan. En Uw bewustzijn blijft haken bij de laatste toestand,
die U in elke sfeer hebt beleefd. Het gevolg is dat wij, als wij een statistiek willen maken,
verschoven lijnen zien. Wij krijgen dus b.v. bewustwordingssfeer A, dus tot dat punt gekomen,
met sfeer B zijn wij tot zover gekomen. Met sfeer C kwamen wij zover, met sfeer D kwamen
wij zover. Nu komen in deze sfeer zover en weten niet of wij nog verder gaan. Aarde is ook
een sfeer. Het totale beeld met elke bereikingsmogelijkheid apart kan vanuit elk willekeurig
punt van het als heden ervarene, lineair worden uitgedrukt. Er is geen verschil in plaats, maar
een verschil in potentie.
Zo kan het mogelijk zijn, dat een mens zeer sterk is op hooggeestelijk gebied, gelijktijdig op
astraal gebied volkomen blind en volkomen machteloos is. Dat ligt aan de vorige fase, die men
heeft doorgemaakt. Hier treedt de wet van harmonie op als corrector, want door
onevenwichtigheid van ons erkennen en ervaren van de sferen wordt nu uit gedrukt voor ons
in de onevenwichtigheid van ons leven. In dit leven moeten wij dus trachten ervaringen op te
doen, die ons zo dadelijk in die sfeer, waarin wij het minste bewustzijn hadden, vooruit te
helpen totdat er een evenwichtige relatie met de sfeer en de aarde bestaat
Voor de mens en ook voor de magiër is het natuurlijk van belang: wat kan ik daarmee doen op
deze wereld? Er is maar één antwoord op te vinden: Terwijl je leeft om de evenwichtigheid te
bestrijden, moet je gelijktijdig daarbij van de onevenwichtigheid, die in je bestaat, zo groot en
zo intens mogelijk gebruik maken. Dat klinkt misschien erg gevaarlijk, maar per slot van
rekening: als je nu eenmaal een auto hebt in een hellende straat en je hebt geen benzine,
breng die auto dan op de helling en laat hem rollen. Dan kom je ergens, waar je misschien
benzine in kan nemen. Blijf je staan, kom je nooit verder. Wanneer je geestelijk een
buitengewoon scherp inzicht hebt, maar anderzijds niet kunt luisteren naar andere entiteiten,
maak dan van dat inzicht gebruik en wacht niet totdat je het luisteren erbij hebt, want dan
kom je niet verder. Wanneer je als mens de instelling kunt vinden, waardoor je harmonisch
bent met hoge krachten, maar je kunt daarvoor geen directe uitdrukking vinden in beelden, of
in daden, gebruik die instelling dan om je eigen daden, die dan niet geïnspireerd zijn, zodanig
te verbeteren en te leiden volgens die hogere harmonie, dat je die harmonie althans ten dele
uitdrukt. ook al zijn andere waarden er tijdelijk bij teloor gegaan.
Het gebruik maken van je eigen onevenwichtigheden om te komen tot een evenwichtigheid in
je leven, punt I. Punt II: een vergroting van bewustwording en punt III: een vergroting van
activiteit en mogelijkheden. Is ook een van de bases, waarop wij ons moeten grondvesten.

27
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

Wanneer je nu spreekt, zoals daarnet, over de verschillende gebieden, dan wordt hiermede
eigenlijk niet alleen mee aangeduid de sfeer. U denkt dan altijd aan een bepaalde plaats, of
bepaalde mensen, er worden verschillende fasen van het bewustzijn geactiveerd, waarmede
zelf verwant bent, omdat U daar ook leeft, ook al is Uw leven daar tijdelijk tot een stilstand
gekomen, het zal duidelijk verder gaan. Vorm is niet bepalend, zelfs niet voor de stof,
tenminste vanuit ons standpunt, alleen voor de stof zelf heeft de vorm betekenis En wel: de
functie van verdurende verandering, waardoor een verdurende herconstructie mogelijk iep dat
is voor de stof.
Maar voor onszelf is dus dat niet belangrijk. Wij breken zo dadelijk ons leven af in de stof. Nu
kan het zijn, dat wij daar terug keren. Nu bent U vandaag een wijze, oude vrouw, een schone,
jonge dame of een interessante heer met grijzende slapen, of met een kaal hoofd, maar
morgen bent U i.p.v. een dame ineen een ondeugend jongetje i.p.v. een heer met een kaal
hoofd een schoonheid, die wiegend de wereld in verleiding brengt. Voor U zit daar niets
tussen. Dat is het wonderlijke en dat moet je begrijpen. Dus die stoffelijke dingen sluiten aan,
de hiaten van tijd zitten daar alleen volgens menselijk bewustzijn, maar voor Uzelf is het een
continuïteit.
Misschien heeft U wel eens, dat U in slaap bent gevallen en dat U ineens wakker werd en dat
de klok een paar uur later was, dat U dacht, dat U even Uw ogen dicht had gedaan. Daar heeft
U typisch een demonstratie van wat er dus kan gebeuren. Een deel van de tijd bestaat niet
voor ons, ons leven blijft continu. Zo is het Goddelijke in alle dingen continu. Maar wij breiden
sprongsgewijze en t.o.v. elkaar verschillende werelden uit, tot wij in alle werelden gelijkelijk
harmonisch en volledig zijn en dan het geheel kennen en daarin de volmaaktheid hebben. Dat
drukt de Goddelijke wet dus uit. Wanneer wij dus onvolmaaktheden hebben, weten wij dus,
dat dat het resultaat is van een gebrek hier of daar. Dat kunnen wij nu niet corrigeren. Wij
weten dat de Goddelijke wetten correctief ingrijpen, zodra ons gedrag tegen een Goddelijke
wet ingaat. Het is voor een hoop mensen maar goed, dat de Goddelijke wetten niet zo zijn als
de menselijke wetten: kleingeestig. Anders zouden er heel wat builen op hoofden zijn.
Laat je rustig leiden door die Goddelijke wetten. Ik kan hier aan dit leven weinig veranderen
als alleen leren en die lering aanvaarden. Ik ben nooit meer en nooit minder waard dan een
ander. Maar ik heb deze onregelmatigheden en deze onvolmaaktheid, die mij speciaal tot een
persoonlijkheid maken, mijn eigen fase van ontwikkeling, die met niemand te vergelijken is.
Daarvan ga ik nu gebruik maken om speciaal persoonlijke eigenschappen, die geestelijke
sferen mede kunnen openbaren in de stof, waarin ik nu leef en die mij het vermogen geven
omgekeerd vanuit mijn stoffelijk zijn een beroep te doen op de geest in de sfeer, dat te
activeren. Daarmede zal ik de inhoud van dit leven verdiepen en zeer waarschijnlijk het proces
van egalisatie, waarvoor dit leven ook dient te vergroten. Heeft U misschien nog een klein
onderwerpje?

DE BETEKENIS VAN DE ADAM- EN EVA LEGENDE
alleen als kerkelijke geloofsbasis.
Is het de onwikkelingsaanvang van onbewustzijn tot bewustzijn van de mensheid? (Ik denk
hierbij aan de kosmische Adam).
Is hier een analogie met de bewustzijnsontwikkeling van elke mens aanwezig?
Is deze ontwikkelingsgang van de mensheid te schetsen met inbegrip van invloeden van de
boodschappers, zoals Christus er een van was?
De Adam- en Evalegende is in de eerste plaats een gelijkenis, het is geen letterlijke waarheid.
Het is ook geen basis voor een kerkelijk geloof. Zeker heeft het kerkelijk geloof zijn stempel
erop gedrukt, maar men moest voor het menselijk bewustzijn een redelijke verklaring, althans
een aanvaardbare verklaring, geven binnen de beperking van geloofsaanvaarding voor het
bestaan van de mensheid als zodanig.
Indien wij ons de moeite getroosten om het paradijs te zien. Dan komen wij tot de ontdekking,
dat het 6 grenzen heeft. 6 is het getal van de wordende mens. Dat het door vier stromen

28
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

wordt doorsneden: getal van het dier. Tezamen vormt het het getal 10, het getal van de
volbewuste. Hierin alleen al komt mede tot uiting dus, dat de kabbalisten wel degelijk hebben
nagedacht voordat zij dit beeld, dat overigens uit de achtergrond van de Egyptische
wijsbegeerte is voortgekomen, dus hebben vastgelegd en de wijze, waarop zij dit hebben
gedaan.
Wanneer wij nu verder gaan: de mens leeft en wandelt met zijn God. Er is een ogenblik, dat
de mens geleid wordt door een geleidegeest, of groepsgeest en geen zelfstandig denken kent.
Deze groepsgeest is voor zijn God. Als zodanig kan worden gezegd, dat Adam wandelend met
God, identiek is met het dier geleid door de groepsgeest, die zijn Godheid verbeeldt en de
uiting is van de kosmische harmonie door een hogere wil aan de lagere schepselen opgelegd.
Nu wordt er een rib uit Adam genomen. De ribben zijn de bescherming van het hart. Het hart
staat over het algemeen als symbool voor het leven. De bescherming van het leven wordt
verminderd. Uit deze vermindering van zekerheid komt een vraag op: wat is dit? Zo wordt de
vrouw erkend als vrouw en niet slechts gezien als een soortgenote, die onder bepaalde
omstandigheden - die van een bronstijd b.v.- plotseling voor andere doeleinden geschikt is. De
vrouw wordt erkend als een ander wezen: Eva. Zodra de erkenning van het verschil plaats
vindt, ontstaat ook psychologisch het verschil. De psychische ontwikkeling van beide sexen
gaat vanaf dit ogenblik in licht gescheiden richting. Adam is de behoudende, Eva is de
vooruitstrevende. Dit klinkt misschien voor menig man dwaas. Maar bezie het zo: De man is
de rede. De rede zoekt een geleidelijke opbouw gebaseerd op het oude. De vrouw is het
niet-logische element. Want zij kan in de logica ten hoogste de gelijke van de man zijn, maar
zij is gelijktijdig lichamelijk aan hem ondergeschikt door haar eigen constitutie. Zij moet haar
meerwaardigheid dus zoeken op een ander terrein en dat wordt het terrein der intuïtie. De
slang wendt zich tot Eva. Maar de slang is niet alleen het symbool van de duivel. Het is ook het
symbool van de wijsheid en van de eeuwigheid. De intuïtieve kracht brengt Eva tot een besef
van het oordeel, maar zij durft dit oordeel voor zich niet uit te spreken om de reden dat je aan
de hand van intuïtie wel meningen hebt, maar geen gevestigd oordeel. Adam moet van de
vrucht - van haar overwegingen - eten, moet dus haar argumenten verwerken om zelf te
oordelen. Op het ogenblik, dat hij oordeelt, heeft hij zich vrijgemaakt van de groepsgeest,
want hij heeft een oordeel over zijn eigen omstandigheden en wezen, evengoed als over zijn
omgeving. Het resultaat is: de bevrijding van de groepsgebondenheid, maar gelijktijdig ook
het verlaten van het paradijs.
In de dierlijke status was de mens volledig onderworpen aan een ander, die echter ook de
verantwoording droeg. Het dier heeft te aanvaarden, kan zich volgens zijn instincten
verzetten, maar zal altijd weer vergeten, zodra de ervaring voorbij is. De mens moet echter
van nu af aan elke ervaring registreren en onthouden.
In het zweet Uws aanschijns zult gij Uw brood verdienen. Dat kan worden vertaald als: Gij zult
U baserend op ervaring en herinnering door vallen en opstaan tot wijsheid moeten opgroeien.
Vanuit dit standpunt gezien is de symboliek er een, die volledig overeenstemt:
In de eerst plaats met de werkelijke ontstaansgeschiedenis van de wereld.
In de tweede plaats: zij geeft een redelijke verklaring voor de tweeheid, waarin de mens
zichzelf gerealiseerd heeft.
In de derde plaats geeft zij ons de basis voor het begrip van de perfekte hermafrodiet, het
begrip: de volmaakte mens, die geboren wordt uit de tweeheid, die tot één wordt.
Intuïtie is het aanvaarden van eeuwige waarden. De rede is een menselijk proces, waarbij het
ik erkend wordt in de omgeving. Verenig deze beiden met elkaar en wat krijgen wij? Een
erkennen van het Goddelijke. Het Goddelijke is tijdloos. Zo ontstaat eeuwigheid in de mens.
Zo lang echter de mens in tweeheid bewust is, zal hij tweeheid zoeken en aanbidden. Wanneer
de leraren komen, dan zijn de eerste grote wereldleraren leraren, die zich op die tweeheid
baseren: de mens kan niet anders. Wij vinden het voortdurend evenwicht van man en vrouw,
het voortdurende evenwicht van ontvangende schepping en gevende kracht. Langzaam maar
zeker moet dit veranderen. Er wordt getracht het concept van het Niet te brengen. Het Niet
wel te verstaan, dat op duur de mensheid moet verheffen tot een realisatie van de schijn, die
29
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

door zijn oordeel is ontstaan. Eerst wanneer wij het Niet aanvaarden, kan de werkelijkheid zich
openbaren. Hierin is de grondslag gelegd. Nu echter moet de mens leren dit Niet niet búiten de
wereld, maar ín de wereld te zoeken. Dus zal de volgende leraar ons het verband met de
wereld doen kennen. Het ik is gelijk aan alle andere, niet meer of minder. Wij zijn gezamenlijk
één geheel, gezamenlijk één Schepping, gezamenlijk één Koninkrijk Gods. Daarom zijn wij
voor elkaar verantwoordelijk.
Het begrip van eenheid waarbij de waan, eerst verdreven, nu plaats maakt voor een concept,
waarbij God niet meer buiten het ik staat, maar in het ik wordt gerealiseerd en God geen
abstractie meer is, maar een actieve factor in het ik.
Er is sedertdien nog een leraar geweest, al wordt hij niet algemeen onder de grote leraren
gerangschikt. Deze heeft dit geleerd: Elke leerstelling van elke meester is één facet van de
waarheid. Alle facetten tezamen genomen vinden wij de ontwikkelingsgeschiedenis van de
mensheid in geestelijk opzicht. Ook het geestelijk ontwaken van de wereld, uitgedrukt in
geloofstermen en ook in verwerkelijking dus in de daad. De vergelijking tussen beiden geeft
ons de werkelijke geestelijke status van de mensheid op elk moment waarop wij trachten deze
te aanschouwen. Op deze manier hebben de grote leraren een grote keten gevormd, die
overigens nog niet gesloten is, waarin steeds weer uiting wordt gegeven aan hetgeen voor de
mens bereikbaar is. Daarbij wordt steeds een bron aangeboord, die ligt op de plaats, waarop
de verwerkelijking het beste mogelijk is.
Adam en Eva kunnen niet bestaan buiten een paradijs. Een Boeddha kan niet bestaan zonder
de strijdvaardige weelde en de tegenstelling grote armoede van Indië. Jezus kan niet bestaan
zonder het onderdrukte en gejaagde volk der Joden. Elke leraar komt op de juiste plaats. Elk is
in zijn leven a.h.w. een interpunctie in de geschiedenis van de mens, de apóstrof die de
grepen van de Godsnaam van elkaar onderscheiden. De mens komt al steeds verder. Dat is
maar gelukkig ook. Er waren in de Hof van het Paradijs twee bomen. De boom van het Eeuwig
Leven en de Boom van Kennis van Goed en Kwaad. De Boom van het Eeuwig Leven was het
onbewust eeuwig bestaan in de groepsgeest, waarin de geest hernieuwd wordt opgenomen,
zodat voor haarzelf nooit de continuïteit van haar bestaan binnen een bepaalde groep
onderbroken wordt voor zij zelf zich daarvan losmaakt. Zij kan overgeheveld worden van de
ene groep naar de andere, maar uiteindelijk heeft ook dat geen werkelijk verschil, want het
bewustzijn blijft continu, maar continu van grotere krachten beïnvloed en geleid. De mens kan
nog niet eten van de Boom van Eeuwig Leven. Zijn ervaring is niet groot genoeg om het
verband te zien tussen de verschillende vormen van zijn bestaan. Twee is weer de tweeheid.
De mens moest kiezen tussen de twee mogelijkheden: de eeuwigheid van het gebonden leven,
of het kennen, het oordeel, en daarmede ook de onderbreking van eigen bestaan. Er zal een
ogenblik komen, dat de twee tot één worden, Dat dus het oordeel gepaard gaat met de
eeuwigheid en als zodanig de vollédige evenwichtigheid en harmonie herwint. Dit is - kort
gezegd - een klein deel van de paradijslegende overgezet in esoterische taal.
De z.g. kosmische Adam is de rode Adam. Die twee zijn niet van elkaar te splitsen. De rode
Adam is de aarde. Wanneer het bewustzijn van de aarde tot eenheid is geworden, is het
bewustzijn van de mensheid geworden tot het lichaam, of belichaming, van de aardgeest die,
bevrijd van de stoffelijke band, kan stijgen voor Gods troon.
Ik neem aan, dat wij voor het ogenblik niets meer met elkaar te behandelen hebben. Dan mag
ik misschien nog even op een paar punten wijzen.
Herlezing van deze onderwerpen is werkelijk noodzakelijk wilt U er vruchten van plukken.
Vooral ook, wanneer wij zo'n beetje op tempo gaan komen. U heeft misschien wel gemerkt,
dat wij het vandaag alweer een ietsje hebben opgevoerd. Nu heeft U er weer wat nieuws
bijgeleerd en elke keer krijgt U een beetje meer. U moet dat voortdurend met elkaar bij ons
brengen. Nu kun je hetgeen volgt niet begrijpen, zonder te begrijpen wat er aan vooraf gaat.
Daarom hoor ik dan ook, dat U, wat onduidelijk is, zult vragen. Niet zeggen: Ik geloof het wel.
Ik snap het toch niet. Vraag desnoods van elke regel een uitleg. Als het nodig is, zullen wij die
geven. Als het moet, doen wij er een heel jaar over, om die eerste les duidelijk te maken.
Maar duidelijk moet hij worden, want dan komt U pas een stap verder, niet voor die tijd.
Bedenk, dat Uw vraagstellen een zeer bewust en actief deel is van deze cursus, zonder dat
30
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

heeft U er niets aan. Degenen, die nu al verschillende proeven hebben gedaan, die gewerkt
hebben met "Scheingestalt", die gewerkt hebben met instelling van het kosmische enz.,
hebben in deze les een reeks voorstellingen gekregen, die voor hen dienstig kunnen zijn. Niet
om de oude methode prijs te geven, maar om de oude methode aan te passen aan de
verdeling, die werd gegeven. Die verdeling word gegeven om U duidelijk te maken, dat U
selecteren kunt. En zeer bewust kunt selecteren, niet alleen uit de waarden, die in U liggen,
maar ook uit de krachten, die buiten U bestaan.
Vooral de ouden zou ik dus willen zeggen: Bezie dit in die zin. Degenen, die hier pas bij zijn
gekomen, zou ik willen zeggen, brengt wat vandaag is gezegd, vooral in verband met die
inleiding van de vorige bijeenkomst. Het is noodzakelijk, dan krijgt U pas een visie op het
geheel. Dan begint U pas te begrijpen, waar wij naar toe willen. Wanneer U persoonlijk
moeilijkheden hebt, dan kunnen wij daar betrekkelijk ver op in gaan in deze groep. Wij hopen,
dat U die moeilijkheden kort zult formuleren. Hoe korter U Uw vragen formuleert, hoe
scherper, hoe meer wij kunnen doen, hoe meer wij dus tijd over hebben voor bezinning over
hetgeen besproken is.
Uw persoonlijke vragen en problemen, die op kosmisch terrein liggen, op ethisch, op moreel
terrein, op zuiver stoffelijk terrein zelfs, kunt U hier rustig stellen. Soms kunt U juist aan Uw
eigen moeilijkheden het best bewijzen wat U begrepen hebt van onze lessen. Die worden o.a.
ook gegeven om moeilijkheden uit de weg te ruimen. Wanneer er een vraag is, die U zelfs in
zo'n klein groepje niet durft stellen, geeft U dat dan eventjes te kennen, misschien aan de dan
aanwezige bestuursleden, want dan heeft U toch wel voorrang bij de eerste gelegenheid om
onder vier ogen te spreken.
Ik wens U allen een prettige avond toe. Goeden avond, vrienden.
Welk onderwerp zoudt U willen kiezen voor aan besluitende meditatie?

BEZIELING
Bezieling: iets, wat ons bevangt, wat ons plotseling ver opvoert boven eigen kunnen en
begrijpen. Een ogenblik vrij zweven boven de wereld en beneden je de nuchtere aldag zien.
Maar dan ook weer de verlatenheid, wanneer de vlucht ten einde is,dan moet je weer op eigen
benen verder. Och, wij weten het, bezieling is schitterend, wanneer zij je voor een ogenblik tot
verdere hoogte op kan voeren, daar is het juist dit slechts bezieling te noemen? Zijn wij niet
allen bezield? Leeft in ons allen niet de ziel, de vonk van Goddelijke kracht, die zich openbaart
in elk wezen en in elke mens onmiddellijk en zonder enige aarzeling.
Wij kunnen niet bezield worden, wij zijn bezield. Wanneer wij een ogenblik kennen van deze
ontruktheid, van deze verheffing boven het normale, dan hebben wij alleen maar een ogenblik
teruggrepen op de werkelijke waarden, die in ons leven. God is ons en er is niet, wat die
Godheid uit ons verdrijven kan, zonder die God bestaan wij niet. God is in elke ademhaling, in
elke vezel van je lichaam, in elke gedachte, die je denkt.
Wanneer wij die God beseffen daarin, dan wordt het mogelijk plotseling beter alles te
coördineren, beter samen te vlechten de eeuwigheid te doorvoelen in de beperking van ons
zijn. Dan hebben wij plotseling de kracht in ons, de kracht om uitdrukking te geven aan
gedachten, de kracht om onze gestalte te veranderen desnoods en in een ander wezen te
reproduceren de waarheid, dia bestaat. Dan kunnen wij plotseling woorden vlechten, waar wij
anders stamelend stil zwijgen. Dan kunnen wij de krachten van de Eeuwige plotseling rond ons
werpen als een licht en een vreugde, terwijl rond ons anders alleen maar de beslotenheid ligt
van een sfeer zonder zin.
Bezieling: wat is er niet bezield in het Al? Wat is er niet met ons verwant, totdat het evenzeer
uit God is geschapen? Eén zijn met alle dingen, verbonden met de eeuwigheid, zo goed als
met de schijnbare ondergang van de tijd. Bezield zijn wij. Dan zijn wij één met het vliedende
elektron met het berstend atoom en met de sterren, zo juist uit de nevel ontstaan.

31
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 2 – Magische ontplooiing van het ik - 6 oktober 1958

Eén zijn met de grote duisternis en met het weten, dat erin geborgen is. Eén zijn met dat
geheimzinnige lied, waarin het licht zelve ontstaat, dat de wereld in leven houdt. Wij zijn één
met alle dingen.
Indien wij ons dit realiseren, dan vindt heel de wereld zijn uitdrukking door ons wezen. Dan
vindt alle waarheid zijn openbaring in ons denken en spreken. Dan vindt alle kracht zijn uitweg
door de beperktheid van ons zijn. Want bezield zijn wij. Dragers van Goddelijke kracht.
Dragers van Goddelijk leven. Dat is onze werkelijkheid.
Het dragen van een weten dat het Al kon scheppen uit deze daden. Dragen een macht, die
werelden weg kan vagen met één ademtocht en sterren doen ontstaan met één blik van de
ogen.
Wij, wij zijn de eeuwigen. Wij, wij zijn de cellen van het lichaam, dat God Zich heeft geschapen
en dat Schepping heet.
Wij, wij zijn het onverwoestbare weten, dat alle tijden samenvat als een juweel, fonkelend in
een gouden ring.
Wij, wij zijn de zielen, de zielen, die leven uit God, die God zijn in feite, omdat Zijn Wezen
onverbrekelijk verbonden is met elke vonk van zijn kracht.
Laat ons dan toch niet spreken van de bezieling van een ogenblik. Laat ons dan niet spreken
van een tijdelijk verschijnsel, van een ogenblik van vlucht naar verre ruimte. Laat ons spreken
van het leven. Het leven zelve, dat uiting is van de bezieling, die ons in stand houdt. Laat ons
spreken van de eeuwigheid, die in ons gelegen is en niet slechts van een ogenblik van
realisatie. Laat ons spreken van de kracht, die wij zijn en niet van de zwakte, slechts nu en
dan onder breken door een stamelend pogen.
Als wij dit beseffen: wij zijn de zielen, wij zijn Gods kracht, geopenbaard, wij zijn de
eeuwigheid vormgegeven, dat God in Zijn Schepping moge leven, omdat Zijn wil volbracht
worde. Dan zullen wij altijd bewust bezield de Goddelijke kracht rond ons voelen als een
beschermende mantel, de Goddelijke liefde als een aanvaarden, dat ons heel de wereld doet
opengaan.
Dan zullen wij voelen: bewustzijn van eenheid, als een samengaan met al het levende, door
alle tijden en sferen heen, tot een eenheid, die onveranderlijk is, Goddelijke waarheid in wezen
en in denken, in de kracht, die Hij Zelf is.
Daarmede vrienden, zullen wij dan deze bijeenkomst besluiten.
Dit is de kern van de esoterie, de kern van de magie. Dit is het machtwoord van mens en
geest: wij zijn de zielen, de delen Gods, waarin Hij leeft en Zich in openbaart. Dat is ons recht
van leven en dat is ons bestaan.
Als wij dat kunnen aanvaarden, dan zullen wij de grootheid van Gods wezen ervaren, in onze
wereld rond ons, in onze macht tot daden in onze volbrenging en in onze aanvaarding van het
leven.
Vrienden, een gezegende en goede avond en een gezegende nacht rust.

32
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

LES III – MAGIE EN MAGISCHE PROCESSEN

Goeden avond, vrienden.
Vanavond wil ik allereerst beginnen U te vragen, welke punten er eventueel onduidelijk waren
in het eerste betoog.
Ik heb mij ingesteld op de Meesters der Wijsheid. De kleur komt goed door. De
moeilijkheid was mij daarna over te schakelen op oneindigheid.
Wanneer U zich instelt op oneindigheid, moet U het zich zó realiseren: U begint met een
instelling, gewoon op Meesters der Wijsheid als omschreven. Daarna stelt U zich de kleur voor,
vervagend tot een eindeloosheid. U kijkt zo ver als U kunt: er is niets anders meer. Dan heeft
U de instelling al bereikt. U kunt het rustig in elkaar over laten vloeien.
Dan ben ik verkeerd begonnen: Ik begon met de kleuren en toen met de meesters der
Wijsheid. Mijn struikelblok was dus, over te gaan van de meesters naar de oneindigheid.
Van de meesters dus weer over naar de kleur. Dit laten vervloeien in een onbegrensde ruimte.
Dat is de eenvoudigste weg.
U heeft geen vragen meer. Dan een vraag mijnerzijds: Door ons werden enige praktische
magische procedures omschreven. Is er iemand onder U, die deze irreëel vindt? Kunt U zich
voorstellen dat deze krachten werkelijk bestaan?
Tja dat zij werkelijk bestaan. Maar begrijpen doe ik het niet.
Dan zullen wij nog even proberen, dit zo eenvoudig mogelijk duidelijk te maken. Ook al is dit
dan meer technisch. Kunt U zich voorstellen dat er naast Uw eigen wereld een andere wereld
bestaan kan, die toch de zelfde ruimte beslaat?(ja.) Dan is het niet zo moeilijk, U ook in te
denken, dat zo een wereld tevens een eigen beschavingsvorm heeft. Deze beschaving kan ho-
ger of lager zijn dan die van Uw eigen wereld. Wanneer de beschavingsvorm hoger is, kan die
wereld ook hulp verlenen, maar alleen binnen de begrenzingen van haar eigen beschaving.
Wat wij nu doen met de magische procedures, is een gebruik maken van krachten, die feitelijk
in parallel werelden bestaan. Die parallelwerelden kunnen binnen het zonnestelsel worden
geïdentificeerd met een bepaalde planeet. De aanduiding daarvan heeft U in het verslag
gevonden. Deze werelden staan n.l. i.v.m. het veld van een bepaalde planeet of ster.
Wanneer wij nu een gunstige constellatie hebben - hier komen wij dus bij de astrologie terecht
- zullen er zekere spanningen ontstaan in de tijdruimtelijke verhouding, waaronder U in uw
wereld leeft. Vergelijk tijd en ruimte bij twee afmetingen van een stuk gummie. Wanneer er nu
spanning op het gummi komt te staan, zal een gaatje zichtbaar worden, dat eerst niet
waarneembaar was. Het werken der planeten, hun zwaartekrachtsverhoudingen onderling en
hun eigen straling, de velden die zij zo genereren, produceren - beter kan ik het niet zeggen -
tijdelijk een zwakte in de ruimtelijke verhoudingen van uw wereld. Hierdoor wordt het
gemakkelijker zo een andere wereld te benaderen.
Wanneer er nu geen gaatje in het gummi is, kan ik ook een speld nemen. Wanneer de kracht,
waarmee ik de speld tegen het gummi richt nu maar groot genoeg is, ontstaat er ook een
gaatje. Wanneer ik mijn gedachten concentreer, genereer ik zelf ook een veld. De werking der
gedachten veroorzaakt een zekere flux. Die stoot ik uit met een bepaald doel. Ik verbreek -
mits ik kracht genoeg kan uitoefenen - de tijdruimtelijke verhoudingen van mijn eigen wereld
en kom zo in contact met een andere wereld. Doordat ik in mijn streven selectief ben, en dus
a.h.w. bepaal in welke richting ik mijn eigen tijdruimtelijke verhoudingen tijdelijk verbreekt
kom ik met de wezens van die andere wereld in contact. Zo kan ik ook gebruik maken van de
hulp en kracht, die zij mij eventueel willen geven.
Vandaar ook dat wij de z.g. Saturnus-cyclus niet nader voor U behandeld hebben. Wel hebben
wij haar aangeduid maar wij hebben U niet verteld hoe ze te gebruiken. Wanneer U leeft in

33
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

een betrekkelijk prettige wereld en men zegt U: Je kunt ook nog extra krachten krijgen in een
wereld, waar op het ogenblik oorlog is, dan zult U dit niet graag doen ongeacht de potentie,
die U zo kunt verkrijgen. Het gevaar bestaat immers, dat er een granaat van die andere
wereld naar U toe toekomen. Dan zou deze bij U kunnen exploderen. De schade zou misschien
onvoorstelbaar groot zijn. Zo moet U zich dit alles dus voorstellen. Is het U hiermede nu ook
begrijpelijker geworden?
Is dit geen hulpmiddel? Wanneer je je direct tot het goddelijke wendt, kun je toch dezelfde
effecten bereiken?
Als U wit licht heeft, en toch een bepaalde kleur van licht wilt hebben, zoekt U het licht te
selecteren door gebruik van kleur lenzen. Wanneer U zich onmiddellijk tot het Goddelijke
wendt, is dit alles wel heel aardig. Maar Uw eigen verlangen moet dan zo zeer sterk en
richtend zijn voor de goddelijke kracht, dat een tint, een kracht uit het verkregen geheel,
wordt behouden, zodat alleen de verlangde kracht geheel tot uiting komt. Ik geef toe dat wij
uit de goddelijke kracht alles kunnen putten. Maar de magische weg is in sommige gevallen
veel eenvoudiger en blijft met alle werkingen bovendien meer in de menselijke sfeer.
Dus intermediair?
Indirect, ja. Alle kracht komt uit gód. Als zodanig is elke kracht die wij tot ons trekken slecht
een intermediair voor de goddelijke kracht. Het is immers een uiting, waarin de Goddelijke
Kracht bevat is, welke dan weer in zekere en beperkte vorm weer aan ons wordt doorgegeven.
Dit neemt echter niet weg, dat het voor ons soms gemakkelijker is, ons tot een bepaalde
groep of kracht te richten, dan zelf de Goddelijke Krachten om te vormen tot de verlangde
kracht. Laten wij maar weer een voorbeeld nemen: U kunt hier in huis ook elektrische stroom
van 15.000 volt krijgen. Maar Uw leidingen werken op 110, 120 of 220 Volt. Wanneer U zelf
die 15.000 volt tot bruikbare spanning om moet gaan werken, kunt U natuurlijk veel meer
voltages krijgen. U heeft meer mogelijkheden. Aan de andere kant heeft U ook een veel groter
risico. Het is dus verstandiger om, wanneer je alleen aan een bepaalde spanning behoefte
hebt, of hieraan voldoende kunt hebben deze te betrekken van een instantie, die de
hoogspanning reeds omgevormd heeft.
De moeilijkheid is bovendien te weten of wij wel goed selecteren..
Wanneer U vooral in het begin handelt naar de aanwijzingen, die wij U hebben gegeven, zult U
ongetwijfeld juister selecteren, dan U alleen, volgens eigen instelling, zoudt kunnen doen. De
werelden, zoals door ons beschreven werken in feite als een monitor, een besturend apparaat,
dat kwade gevolgen in zekere zin uitsluit. Alleen de laatste drie - waarvan de laatste door ons
geheel buiten beschouwing werd gelaten - zijn iets gevaarlijker. Wij hebben U dan ook geraden
om met de gouden, of zonnekrachten Uw werken te beginnen. Het is echter niet redelijk, U te
zeggen, met de bepaalde kracht te werken, zonder U redenen te geven en U tevens te
vertellen, dat er ook andere krachten zijn.
Zouden wij dit hebben nagelaten, dan zoudt U misschien in Uw concentratie niet zorgvuldig
genoeg zijn, geen duidelijke verschillen maken. Per ongeluk zoudt U dan in de verkeerde
richting het vlak tijdruimte kunnen doorbreken. Met alle onverwachte gevolgen van dien.
Als alles duidelijk is, gaan wij nu weer aan de les beginnen. Veel is het niet deze keer, maar ik
hoop dat U ook de oude lessen nu nog eens zult willen herhalen. Wanneer wij gebruik maken
van krachten, die uit een andere wereld stammen - en dus niet behoren tot het voor ons
normale - worden wij steeds weer geconfronteerd met essentiële verschillen t.o.v. onze eigen
wereld. Deze verschillen te verwerken is vaak heel moeilijk. Wij kunnen over het algemeen
niet begrijpen, dat een andere wereld ook een andere logica kent dan de aarde. Dit is vooral
moeilijk wanneer wij ons nog in gebondenheid door de stof moeten bewegen. Het gevolg is,
dat gebruiken van krachten die van buiten onze wereld stammen te allen tijde zeer nauwgezet
en met een vastgesteld doel moet geschieden. Daarbij moet het ons gaan om de
verwerkelijking van het doel. De middelen die daartoe door anderen worden gebruikt, zijn voor
ons niet controleerbaar. Daar moeten wij ons dan ook niet mee bemoeien. Op het ogenblik,
dat wij met - vanuit de stof gezien - bovennatuurlijke krachten werken om zo een zeker doel
te bereiken mogen wij ons niet afvragen, welke weg daartoe wordt gevolgd en waarom. Op het
ogenblik dat wij dit laatste willen doen, zullen wij haast onvermijdelijk met die andere wereld

34
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

in conflict komen, hoe goed, hoe hoog, hoe heilig die andere wereld ook is. Het moet ons gaan
om de resultaten, niet om de procedures.
Toch is het noodzakelijk een klein inzicht te verwerven in de verschillen van mentaliteit, die zo
kunnen bestaan. Ik zal hierbij 2 kleine voorbeelden geven. U kunt deze als voorbeeld gelijkelijk
op elk der omschreven waarden toe gaan passen:
Menselijk: Ik heb honger. Dus moet ik eten, Dus moet ik voedsel hebben. Dus moet ik dit
voedsel zien te verkrijgen.
Geest: Er is honger. Het is moeilijk voedsel te verschaffen. Indien wij onmiddellijk de energie
toevoegen, die anders uit het voedsel komt, zal het leven even goed gehandhaafd blijven.
Bovendien zal deze kracht zuiverder zijn en zal het resultaat beter zijn, dan bij normale
menselijke voeding. De geest heeft volkomen gelijk: zij bereikt zo het best haar doel: het
geven van kracht, óf voedsel. De maag blijft echter daarbij leeg. De mens zich hierover
beklagend, zegt: Er is geen kracht en geen voedsel, gekomen. Ik ben in mijn verwachtingen
teleurgesteld. Hij vergeet echter, de kracht, die hem geschonken is te aanvaarden en op juiste
waarde te schatten. De mens zal zich altijd vast blijven klampen aan persoonlijke
voorstellingen en verschijnselen, doch overziet niet het gehele beeld.
Tweede voorbeeld: een mens wil een waarheid leren kennen. Hij begint dus zich een beeld op
te bouwen: Ik heb deze grondwaarden. Hieruit trek ik voor mijzelf de conclusie, dat een
ontwikkeling in gene richting te vrezen is. Die ontwikkeling, gebaseerd zijnde op dit en dat,
zou kunnen worden afgebogen door dit ingrijpen, of deze stof. Ik moet dus deze stof
gebruiken, of deze daad stellen, om zo het proces te reverseren, en een voor mij gunstig
resultaat te verkrijgen.
Geestelijke reactie: De gestelde grondwaarden zijn beperkt en dus niet geheel juist. Wanneer
ik echter met het geheel der waarden reken, krijg ik een geheel andere reactie dan de mens
meende te voorzien Deze reactie is gunstig. Ik laat dus de ontstane actie verder gaan, omdat
ik weet, dat juist daardoor, plus misschien enig toevoegen van kracht, een geheel juiste
oplossing verkregen zal worden. Wat zegt de mens? Ik zie niet de verbetering, zoals ik mij die
had voorgesteld. De reacties van andere zijde zijn niet zoals ik mij deze wens. Dus is het
geheel foutief, niet werkzaam, ongunstig. Kritiek uit te oefenen op deze wezens uit andere
werelden is dus wel heel erg lastig, wanneer men daarbij zelfbedrog wil voorkomen. Ik kan
niet genoeg de nadruk leggen voor degenen die deze weg willen gaan, om volledig te geloven
in en te vertrouwen op de krachten, waarmee zij werken. Dit is noodzakelijk.
Daarnaast zullen wij nog een ogenblik terug moeten keren tot een vriend van het vorige jaar:
De Gestalt. Want ook in ons werken met de hogere, of bovennatuurlijke krachten kunnen wij
niet komen tot een voor ons overtuigend geheel. Wij hebben geen vertrouwen genoeg in ons
zelf. Wij moeten leren op ons gehele wezen te rekenen en te vertrouwen. Wij moeten leren de
Gestalt van ons zijn te zien. Wij bereiken dit door een aanvullend schijnwezen naast ons op te
bouwen. Daarnaast echter moeten wij de gehele Gestaltstructuur ook weten door te zetten in
onze eigen wereld. Hetgeen U beleeft en ziet, bestaat uit ongetelde duizenden details. Dit is
inderdaad waar. Maar al deze details te samen geven ook een vaste structuur, een vorm weer.
Deze structuur deze vorm nu, zijn het meest belangrijk: Hieruit kunnen later alle details
afzonderlijk worden afgeleid. Het is noodzakelijk, dat degenen, die streven naar magische
bewustwording zich voortdurend richten op het grote. Men moet het grote beeld leren zien.
Later kan men daaruit de nodige détails eventueel aflezen. Overzicht is altijd mogelijk,
(inhoudende ook alle kleine onderdelen) wanneer men het grote beeld maar voldoende
duidelijk in zich bevat.
Voorbeeld. Herinnering. Je kunt de courant artikel voor artikel lezen. U zult dan ongetwijfeld
bepaalde artikelen geheel of ten dele, kunnen onthouden. U kunt echter ook het totaal beeld
van de gehele courant memoreren Dan zult U elk blad in U opnemen als geheel, met de gehele
structuur. U zult op dat ogenblik dan niet in staat zijn, een artikel, wat daarin staat, in zijn
geheel weer te geven. Ten hoogste zult U enkele koppen weer kunnen geven die Uw aandacht
hebben getrokken. Dus minder dan bij de voorgaande wijze van bestudering.

35
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

Bij een goede memorering, een goed opnemen in het ik, is het mogelijk op elk gewenst
ogenblik later elke regel, elke letter, elke tittel en jota, van die gehele bladzijde, die U zo heeft
opgenomen, te reproduceren. Het betekent dus, dat het materiaal, dat U ter beschikking staat
veel groter en veel vollediger is, dan in het eerste geval. Het werken van beelden i.p.v. met
reeksen is een noodzaak van ontwikkeling. Verder is men over het algemeen gewend als mens
onmiddellijk zijn eigen combinaties en conclusies te voegen bij het beeld. Dit moet worden
afgeleerd. Men moet leren zo objectief mogelijk te observeren. Dat daarbij een zekere
vertekening door de eigen persoonlijkheid ontstaat, is niet te voorkomen. Toch is het
noodzakelijk, dat wij zoveel mogelijk een beeld in ons opnemen, zonder daar kritiek op te
geven.
Voorbeeld: U neemt een kleurenportret in U op. U constateert dat het "een aardig gezicht is”.
Maar dat rode haar vindt U eigenlijk niet mooi. Wanneer U gevraagd wordt uit Uw herinnering
dit beeld te reproduceren, aannemende dat U elke lijn voldoende gememoreerd heeft, dan zal
U blijken, dat juist die afgekeurde kleur haar niet meer juist is. Zij is vervormd en vertekend.
Het gesproken oordeel alleen heeft een bias geschapen, waardoor men niet meer in staat is,
die kleur juist te reproduceren. Wanneer wij ons voorlopig van deze regels goed bewust blijven
kunnen wij verder gaan met onze magie.
In onze magie zullen wij vooreerst werken met bepaalde groeperingen. Ik denk hierbij b.v. aan
de Heren des Levens en de Heren der Wijsheid, twee belangrijke krachten. Stel nu dat ik werk
met de Heren des Levens. Ik heb mij ingesteld. Ik heb het contact verkregen. Er komen in mij
bepaalde voorstellingen op aan de hand van dit contact. Hieraan kan ik niet ontkomen. De
beelden die in mij ontstaan zijn natuurlijk uit mij zelf voortgekomen. De werkelijke
verhoudingen en waarden van een andere wereld kan ik immers mij stoffelijk niet voorstellen.
Toch is het mij mogelijk deze voorstellingen zonder eigen oordeel te ondergaan. Wanneer wij
aan het détail, de verschijningsvorm het licht en de rest géén aandacht besteden, kunnen wij
alle aandacht concentreren op de kracht. Het werken met die kracht moet dan van onze zijde
geheel in overeenstemming zijn met de krachten die wij hebben aangeroepen.
Bij de Heren des Levens gaat het hier dus bij alles om levenskracht, continuïteit van bestaan
enz. Wil ik nu voor mijzelf b.v. een vitaliteitsverhoging en levensuitbreiding verkrijgen door
b.v. mijn levenskracht te intensifiëren en mijn geheugen uit te breiden, dan kan ik dit bereiken
met de Heren des Levens. Ik zal mij echter niet af mogen vragen, waar deze kracht vandaan
komt, hoe zij werkt. Ik moet leren haar te ondergaan als een weldoend bad. Dan zal blijken,
dat ik op deze wijze veel meer van deze kracht kan absorberen dan onder andere condities,
terwijl mij dit bovendien mogelijk is in veel minder tijd. Ook blijkt dat de werking van die
kracht langer aanhoudt, dat zij a.h.w. meer houdbaar is.
Wanneer ik echter met of voor een ander werk, wordt het geheel veel moeilijker. Wanneer ik
werken moet met iemand, die niet in staat is een geestelijke kracht geheel te accepteren,
zoals zij is, dan zal ik voor het zelfde doel geen beroep mogen doen op de Heren des Levens.
Ik zal mij moeten beroepen op de Heren der Wijsheid. De wijsheid geeft begripsvermogen. De
levenskracht die van hier wordt uitgestraald is minder dan bij de Herens des Levens. De
wijsheid geeft een begripsvermogen. De kracht en de intensiteit waarmede deze wordt
uitgestraald, worden echter dank zij het begrip op eenvoudigerwijze aangepast aan de
behoeften en mogelijkheden. Dit zal voor mij zeer belangrijk kunnen zijn. Op het ogenblik, dat
ik een ander wil helpen, zal het voor mij nu ook noodzakelijk zijn, een kracht te verkrijgen, die
op mijn patiënt is afgesteld en niet alleen op mijn wezen.
Van de Heren des Levens krijg ik alleen rauwe, onvervormde levenskracht. Wat daar eventueel
aan moet worden veranderd, moet ik wel zelf doen. Dit is echter niet aanvaardbaar, omdat ik
meestal niet in staat zal zijn, nauwkeurig te begrijpen wat een ander nu eigenlijk wel nodig
heeft. Voor de Heren des Levens is een dergelijke aanpassing onvoorstelbaar. De Heren der
Wijsheid kunnen dit echter wel, door hun andere wijze van denken, zien en begrijpen.
Verder hebben wij in de magie te maken met moraal en ethiek. Het is misschien wel goed, dat
wij hier de nadruk ook nog even opleggen. De moraal en de ethiek, die wij vinden in de magie
zijn volledig onafhankelijk van de moraal en ethiek, zoals wij die leren kennen in het dagelijks

36
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

en menselijk bestaan. In de magie gehoorzamen wij niet aan reeksen van beperkingen en
wetten, maar slechts aan twee grondregels.
De eerste luidt:
Gij zult U zelf niet verrijken ten koste van een ander. Dit betekent dus ook: ten koste van
krachten uit een andere wereld.
De tweede regel:
Gij zult niets en niemand schaden of verderven, noch in leven, noch in bezit, noch in
geestelijke inhoud.
Wie zich aan deze twee regels houdt, heeft daarmede de grondslag gevonden indien men zich
op deze gronden blijft baseren, is elke handeling toelaatbaar en mogelijk. In de magie kan het
n.l. wél voorkomen, dat men eigenaardige handelingen moet uitvoeren of van zeer
eigenaardige bestanddelen gebruik maakt. Ik denk hier b.v. aan het bereiden van sommige
magische recepten. Er zijn er daaronder, die U niet alleen verplichten gebruik te maken van
aloë-hout, cederhout, saffraan, poeder van leisteen enz. enz. maar ook b.v. van het bloed van
een vos, of de hersenen van een ezel. Dit is in feite onzinnig, want wij kunnen de zelfde
effecten ook bereiken: door o.m. gebruik te maken van het plantensap "wolfsmelk" een
plantaardig, zij het giftig product. In de oudheid echter meende men dat persoonlijkheden met
de magische werkingen onmiddellijk gebonden werden. Men vond dezen ook in dieren en
kwam zo tot genoemde voorschriften. De stoffen die zich ook daarin bevinden zijn echter reëel
werkzame stoffen. De werkzaamheid van dergelijke stoffen is echter weer niet chemisch te
bepalen. Een magisch recept, of een magische procedure, kan nooit langs een
wetenschappelijk redelijke weg bepaald worden. Toch is de werking ten dele ook gebaseerd op
wetenschappelijk vaststelbare en kenbare effecten. Een geheel vastleggen van het werkzame
deel is echter niet mogelijk. Voorbeeld: zekere magische giften kunnen niet geheel door het
westen gereproduceerd worden, ofschoon men dit wel probeert. Reden: men zoekt uit het
samengestelde gif de werkzame bestanddelen te trekken en houd er geen rekening mee, dat
temperaturen en zelfs geestelijke uitstralingen op de specifieke eigenschappen van nieuw te
vormen moleculaire structuren hun invloed uitoefenen. Het gevolg is, dat kleine, maar zeer
belangrijke eigenschappen niet in het wetenschappelijk en chemisch vervaardigde product voor
kunnen komen.
Dat men desalniettemin ook stoffen weet te ontrekken aan deze recepten, die medisch b.v.
bruikbaar blijken, is dan te danken aan het feit, dat ook stoffelijke waarden natuurlijk worden
mee verwerkt en gebruikt. Voorbeeld: Er bestaat een bepaald extract, dat wordt gemaakt uit
paddestoelen. Dit gif schenkt de mens dromen die óf een zeer ontspannende werking en
daarnaast brengt het elke kramptoestand tot rust. Het gevolg is dat het kan worden gebruikt
om o.m. zekere psychosen een tijdlang te doen bedaren, gewelddadige patiënten te kalmeren
en overspannen personen een ontspanning te verschaffen, waardoor zij na korte tijd qua
denken vitaliteit en zenuwkracht weer geheel zichzelf zijn.
De magiër kan echter het oorspronkelijke recept nog bij veel meer gevallen gebruiken. O.m.
voor een bezoek aan verschillende sferen. Bij deze contacten kan hij dan betrekkelijk ver
doordringen in licht zowel als duister. Het chemische product kan dit niet. Waaróm? Omdat de
bepaalde gedáchtekrachten de magische kadanzen a.h.w. vastgelegd in het primitief gemaakte
gif, niet meer overeenstemmen met hetgeen de wetenschap heeft gemaakt en zo een
bepaalde fijne trilling ontbreekt in de totale scala van uitwerking. Ik heb dit voorbeeld gegeven
om duidelijk te maken, dat magie en wetenschap nog twee verschillende dingen zijn. Pas op
het ogenblik dat de wetenschap leert om de inhoud van de mens, dus zijn geest, zijn ziel,
mede te berekenen en te manipuleren, is er een mogelijkheid dat zuiver wetenschappelijke
resultaten bereikt kunnen worden, die thans de magie bereikt.
Het is dus duidelijk dat zowel moraal als ethiek bij de magie niet kunnen worden gesteld onder
dezelfde maatstaven en beperkingen, die men stoffelijk aanvaardt. Voorbeeld: het is b.v.
kwaad zegt men, om demonen op te roepen. Toch zal de magiër dit in sommige gevallen doen.
Hij kan er verschillende incantatievormen bij gebruiken. Het gaat er nu om, welke
incantatievorm er gebruikt wordt, dus welk totaal trillingsgetal wordt geschapen, om uit te
37
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

maken, of hier nu een goede, of slechte werking van uitgaat. Die incantatie is onzinnig vanuit
wetenschappelijk standpunt. Magisch gezien is zij gelijktijdig zeer krachtig. Ik wil een
voorbeeld geven van een dergelijke bezwering, een kleine bezwering, opdat U een indruk kunt
krijgen. Het eerste voorbeeld is niet volledig, het tweede wel:
Ik roep U op, O machtige Azazel, bij mijn bloed en de naam, die gij kent, opdat gij zult
verschijnen en U zult binden aan mijn wil, zodat gij U zult voegen naar mijn wil, volbrengende
wat ik wens, dat wat ik denk, bereikende daarmede datgene, wat ik wil bereiken, opdat ik u
eer moge geven en dank moge heten.
Deze aanroep is fout: "de naam die gij kent". Onjuist. Azazel op zichzelf is nog niet eens een
demon. De naam van een werkelijke demon zou ik hier niet eens willen gebruiken. Belangrijk
is echter. Hier is de naam weg gewerkt, terwijl er te gelijkertijd sprake is van een geven. Er is
dus sprake van een ruilhandel met een geestelijke kracht. Ook wanneer die kracht leeft in een
lichtere wereld is dit magisch onaanvaardbaar. Dit wetende heb ik door een fout, die ik
opzettelijk maakte, er zorg voor gedragen, dat de spanningen, die normalerwijze het resultaat
zijn van dergelijke bezweringen, niet optraden.
Nu zal ik een tweede vorm van bezwering gebruiken, om U duidelijk te maken, hoe het wel
kan en wel moet. Hoe men dus in feite een dergelijke bezwering magisch kan richten op het
goede: men begint dan heel anders zeggende:
"Hoor mij, O grote geest, gij die hoedt de werken van deze dag. Hoor mij, gij behoeder van
dit uur. Verleen mij Uw gehoor en Uw vriendelijke medewerking. Sprekende in de Heilige
Naam Emanuel zeg ik U, Azazel, gehoorzaam mij en volbreng, wat mijn wil en werken is. Ik
noem U hier verplicht aan mij in de heilige namen Tetragrammaton, Ayos, Eschoïs, Agla.”
Daarna volgt dan de rest van de oproeping en de omschrijving van het doel waarmede dit
geschiedt. Is men nu klaar, is de opdracht volbracht, dan zal men in dit tweede geval wederom
een formule gebruiken. In het eerste geval doet men dit niet. Men zegt dan:
Almachtige God. Ik dank U, dat Gij mij hebt toegestaan Uw krachten en Namen te
gebruiken ter volbrenging. U dankende voor Uw kracht en dankend hen, die in deze kracht,
voor mij gewerkt hebben, zeg ik U, Azazel, U dankende voor Uw werk. Ga heen en ken
vrede in de heilige Naam Eschnios, Tetragrammaton, Agla."
Daarmee is dan de bezwering dus ten einde. Misschien heeft U gemerkt, dat deze witte
bezwering hier een zekere trilling, een zekere spanning opwekte. Wanneer dit geheel is
voorbereid zijn de spanningen en trillingen weliswaar gelijk, maar hun werking is veel groter.
Wetenschappelijk is dit onzin, nonsens. Magisch gezien is het de grote werkelijkheid, want de
kleine spanning, die hier een ogenblik werd opgeroepen, hoe onbelangrijk zij misschien ook
moge zijn, kan verduizendvoudigd worden door de juiste wijze van optreden. Wanneer U die
spanningen en trillingen voelt, gaan zij ook rond in wel alle dingen buiten U. Zij openbaart zich
in alle materie rond u. Wanneer deze spanning eenmaal in die materie bestaat en gij heersen
kunt of verzoeken kunt aan een kracht, die in staat is met de uitgezonden trillingen te werken,
om U bij te staan, dan komt daardoor als vanzelf een resultaat tot stand. Het resultaat is dan
gebaseerd op de trillingen vooral, maar niet merkbaar in alle materie, doch beperkt. Maakt dit
voorbeeld U weer het een en ander duidelijk?
Dan zijn er nog enige punten: Wanneer wij werken met de krachten, waarover ik sprak, zullen
wij soms te maken krijgen met reukstoffen. Wij gebruiken bij vele bezweringen, zelfs bij enige
meditaties parfums, om zo sneller en kenbaarder contact te krijgen met andere krachten. Dit
lijkt U misschien wat dwaas. Maar er bestaan enkele etherische stoffen, die praktisch gelijkelijk
merkbaar zijn in twee werelden gelijk. Door verhitting en de daarmee gepaard gaande
vergrote moleculaire bewegingen zenden zij een trilling uit, die door zijn grote snelheid in
twee, of meer werelden merkbaar wordt - zij het dan niet op gelijke wijze-. Sommige
reukstoffen en wierook soorten zijn echter geschikt om een brug te slaan tussen twee
werelden op een wijze, waarbij in beiden een gelijke gewaarwording ontstaat. In dit geval
ontstaat a.h.w. een spiegelbeeld aan de andere kant. Hebben wij te maken met in gelijke
ervaring, plus een gelijke of gelijk geaarde materie - het spiegelbeeld - dan is het mogelijk
voor geesten om zich op grond hiervan stoffelijk te manifesteren. Zelfs is het mogelijk, dat
38
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

door dergelijke reukstoffen contacten worden geschapen met sferen, die anders niet te
bereiken zijn. Misschien is het goed, reeds hier aan te duiden, wanneer men gebruik maakt
van reukstoffen - ook al is het schijnbaar alleen om een beetje sfeer te wekken. U moet dan
dit onthouden:
Nooit en te nimmer mag een reukstof worden ontstoken met alcohol bevattende middelen.
Zoveel mogelijk zullen wij trachten te voorkomen, dat zwavel, of een zwavelderivaat ter
ontsteking worden gebruikt. Wij weten n.l. dat zwavel en nauw verwante stoffen in de werking
een kleine verandering te weeg kunnen brengen. De meest zuivere methode is: Houtskool tot
gloed brengen op een bed van gloeiende kolen. Wanneer eenmaal een felle - witrode - gloed is
ontstaan de reukstof in korrelvorm hierop neer leggen. Daarbij zullen wij trachten, de reukstof
zo uit te strooien, dat zij haast ogenblikkelijk verbrandt. Dus niet zoals men gezelligheidshalve
wel doet, uren lang een beetje wierookdamp omhoog laten kringelen. Het gaat er om dat
a.h.w. explosief de ruimte voor een ogenblik geheel met geurstoffen wordt gevuld. Dit laatste
is belangrijker dan een langer blijven hangen van de geur.
Dit zijn een paar aardigheden. Meer betekent dit U op het ogenblik nog niet. Maar aardig,
omdat zij reeds nu ons in staat stellen, iets van de nauwe doch vreemde relaties tussen de
werelden te beseffen. In verband hiermee moet U ook nog iets anders onthouden. Er zijn
bepaalde geuren, die U prikkelen, nietwaar? Knoflooklucht b.v. zal de meeste van U wel zeer
onaangenaam zijn. Een vertrek, met deze geur gevuld zult U zoveel mogelijk vermijden. Er
bestaan bepaalde geestelijke en stoffelijke uitstralingen, die voor wezens uit een andere
wereld al even onaangenaam zijn. Ook zij zullen trachten, dergelijke onaangename indrukken
te ontgaan, door de plaatsen, waarop deze uitstralingen merkbaar worden, zoveel mogelijk te
vermijden. Zo kunnen wij ook voor het uitdrijven van geesten mede reukstoffen gebruiken.
Omgekeerd zullen wij door gebruik van de juiste geuren en uitstralingen vertakken en plaatsen
dus voor sommige geesten zeer aangenaam kunnen maken.
Nu een aanvulling van de meer praktische regels die wij U steeds trachten te geven:
Bij alle zoeken naar licht en levenskracht - ongeacht de sfeer of instantie, via welke men tracht
deze te bereiken of te onttrekken - zal de instelling er een van absolute zuiverheid moeten
zijn. In de eerste plaats moet deze zuiverheid mentaal aanwezig zijn. Wanneer U zich vuil
voelt, baadt U zich. Wanneer in Uw omgeving iets gevlekt is en de vlek behoort niet bij het
wezen, verwijder het dan, vervang het door iets anders of neem desnoods genoegen met
niets.
Zorg voor de juiste purificatie, door gedachten en handelingen samen te doen gaan. Hoe reiner
U zelve, hoe reiner Uw omgeving, hoe eenvoudiger levenskrachten op kunnen treden. Alle
bewustzijn van vuil, schuld, vervuiling en veronachtzaming is n.l. een ernstige belemmering
voor de werkingen der levenskracht. Vuil en schuldbewustzijn zijn tevens een aantrekkende
factor voor levenskracht van de krachten uit meestal lagere gebieden, het astrale gebied.
Op het ogenblik dat de bezwering, of handeling wordt volvoerd, met bovengenoemde
doeleinden, mag in de gedachten geen spoor meer te vinden zijn van bezit, sexualiteit,
persoonlijke relatie. Bij een poging om levenskrachten voor uzelf, of anderen, te verwerven is
de volgende instelling - naast de reinheid - zeer wenselijk: vertrouwen op god, een bidden,
waarin men een eenheid met god zoekt te bereiken. Een zich voorstellen van het goddelijke als
een ogenblikkelijke openbaring in de omgeving. Verder: een U voorstellen van de wereld als
gelouterd door het lijden, waardoor zij rein is en in staat, Gods kracht en licht te verdragen.
Gebruik makende van deze voorstellingen bereikt men een eigen instelling, die uitermate
aantrekkelijk en sympathisch is t.o. alle kosmische krachten en levenskrachten, ongeacht uit
welke bron zij tot U worden gedirigeerd. Verder zal een dergelijke instelling gelijktijdig
beletten, dat krachten van minder allooi, kunnen binnen dringen bij U, of slechts iets van deze
levenskracht kunnen nemen, tenzij dit de absolute wil is van de schenker.
Wanneer U verlangt naar geestelijke ontwikkeling en wijsheid. U wilt b.v. Uw denkvermogen
eens uitbreiden. U wilt een ander en beter inzicht geven in zijn eigen behoeften en
omstandigheden, dan is het absoluut verkeerd om de stoffelijke problemen te omschrijven,
waar het om gaat. Men doet dit wel voor zichzelf, opdat men het doel van eigen handelen zal
39
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

kennen. Zodra men werkelijk begint, begint men wederom met een soort reiniging. Deze
reiniging behoeft in dit geval niet zo stoffelijk te worden uitgevoerd als in het eerste geval. Er
moet toch een idee zijn van afgeslotenheid: Ik laat de wereld achter mij.
Heel vaak kan dit worden gesymboliseerd door zich tijdelijk in een klein vertrek te begeven,
waar men alleen is. De functie van het vertrek doet minder terzake, mits het geen
opslagplaats is voor voedingsmiddelen, of opslagplaats voor afvalstoffen en deze zich er ook
niet in bevinden. Wanneer men deze afgeslotenheid heeft, dan heeft men wederom de wereld
dus terzijde gezet. Men stelt zich nu in op de alwetendheid, het kosmisch geheugen overdenkt
men, dat in zich de kennis van alle eeuwen, ook van de komende eeuwen, draagt. Men stelt
zich voor de wetende God, Die de volmaaktheid in Zichzelf draagt en deze volmaaktheid uit via
al Zijn schepselen. In deze instelling krijgt men een soort reinheid en verhevenheid, waarbij
het weten een kosmische kwestie is geworden en niet slechts een persoonlijke.
Van hieruit verder gaan in de richting van weten, komt men tot veel betere resultaten. Wil
men bepaalde zakelijke en stoffelijke belangen bevorderen dan staat men weer voor een ander
probleem. Ik neem aan dat men deze zakelijke en stoffelijke problemen niet slechts voor
zichzelf zoekt te bevorderen, maar dat men dit doet in gemeenschapszin, dan wel voor
anderen, wier noodruft bekend is.
Zou dit laatste n.l. niet het geval zijn, dan krijgt het geheel een zwartmagisch aspect en als
zodanig is het dus voor ons onaanvaardbaar en zal ik om verder niet over spreken. Wij moeten
ons wederom instellen: wij hebben met zaken een voorstelling nodig. Wij hebben te maken
met de grote Parabogath, met Mercurius. Dat is een vriendelijke geest en een uitermate snelle
planeet. Wij moeten ons a.h.w. afsluiten van de wereld en het probleem voor ons zelf op
papier zetten. Bij voorkeur gebruiken wij er papier voort wat wij makkelijk later kunnen
verbranden. Het is niet nodig, dat die problemen verder blijven liggen. Wij noteren het zo snel
en zo kort omschreven mogelijk. Alle getallen, die wij kennen, schrijven wij erbij. Er moet een
volledig beeld zijn. Nu gaan wij ons voorstellen, dat dit een onvolledige uiting van een
volledigheid. Dit probleem bestaat niet in werkelijkheid. Het is een onvolledig begrip der
mogelijkheden, dat dit probleem geschapen heeft.
Wanneer wij de volledigheid van mogelijkheden kunnen krijgen, dan is dit probleem weg,
draaien het blad om en wij leggen het voor ons neer, met de blanke zijde boven. Nu
concentreren wij ons op degenen, die wij willen gebruiken om deze hulp te verkrijgen. Wij
doen dit wederom volgens de vorige omschreven les, met een absoluut geloof aan een
Goddelijke rechtvaardigheid die een volmaaktheid zal openbaren.
Wij hebben hiermede de eigenaardige zakelijke sfeer geschapen die ons onmiddellijk kan
helpen aan impulsen en gedachten. De lege zijde van het papier kan ook heel vaak gebruikt
worden om onmiddellijk de inspiratie, die men krijgt, even te noteren. Dit is een zakelijke
sfeer, er moet zakelijk worden afgehandeld. Zo als men werken wil, moet men de sfeer
bouwen. Men moet dit doen in overeenstemming met de kosmische kracht maar gelijktijdig in
een zodanige beperktheid, dat alle nevenbedoelingen wegvallen, dat elke bijkomende
beïnvloeding, bijkomende gedachtegang wordt uitgeschakeld en wij ons geheel richten op het
doel van onze concentratie. Het scheppen van deze sfeer kan worden aangepast aan elk doel.
Voor degenen, voor wie het misschien moeilijk is om de juiste sfeer voor zichzelf te krijgen,
zou ik aanraden het Oude Testament te nemen, bij voorkeur de boeken van de Profeten
(Salomon). En zoekt U daar naar een spreuk, die voldoende slaat: op Uw probleem hetgeen U
wilt bereiken.
Door dit zoeken alleen zult U afgestemd raken op het probleem. Het feit dat U dit doet in een
voor U heilig boek, brengt met zich mee, dat een zekere afsluiting en gewijdheid gelijktijdig
ontstaat. Deze methode is toe te passen bij elke specialisatie en als zodanig zeer nuttig te
noemen.
Ik schijn weer duchtig van leer getrokken te hebben. Nu gaan wij eerst eens pauzeren. Ik
wens U allen een prettige avond en goede vordering.
o-o-o-o-o

40
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

Goeden avond, vrienden,
Wij beginnen met vragenstelling. Daarna onderwerpen naar Uw eigen keuze.
Wij hebben een ex-libris gemaakt voor de bibliotheek. Wij wilden graag een uitleg ervan
hebben.
Hoe komen wij b.v. aan die uil? Is dat een uilskuiken......of is het een kwestie van uilen naar
Athene dragen? Er is een hele hoop over te zeggen. Daarom zal ik het maar op een openbare
bijeenkomst doen.
Kunt U een wenk gaven te komen tot concentratie en contemplatie?
Concentratie kun je misschien het aardigst proberen met gewoon b.v. een kristal. Je neemt
een kristal, een ronde glazen bol, desnoods een rond glazen vaasje, vul het met water, zorg
dat er van één kant een straaltje licht op kan vallen en de rest tamelijk schemerig is en kijk er
dan naar. Probeer er alleen maar naar te kijken en verder niet. Dan heb je een aardige
oefening voor concentratie. Voor je het weet ben je in staat een bepaald probleem te
verbinden met hetgeen je aanschouwt. Dan zult U ontdekken, dat U van de concentratie zelfs
al naar een zekere contemplatie over kunt gaan.
Voor contemplatie is het verder wel aardig te proberen jezelf te vereenzelvigen met het een of
ander. Daarom moet je niet bang zijn voor gek te staan, je moet niet denken dat je je
bespottelijk maakt wanneer je tegen jezelf zegt "Ik ben een bloem van de hagewinde. Ik sta
hier boven op een heg. Ik word heen en weer gewaaid door de wind enz. Of dat je denkt: Ik
ben een roos. Ik ben net opengebloeid. Ik ben een boom, ik laat een blad vallen". Dan denk je
misschien, dat het bespottelijk is, maar dat is niet zo.
Contemplatie is eigenlijk proberen een eenheid te krijgen juist door te trachten één te zijn met
iets. Beschouw je het op de juiste wijze, doorleef je het dat de zin is van contemplatie. Probeer
eens als eenvoudige oefening te denken aan een hond, of kat, aan een kanarie, of aan een
papegaai. Desnoods aan een goudvis in een kommetje. Probeer eens één te zijn met een
stukje papier, dat door de wind heen en weer wordt gewarreld. Hoe is dat, als dat gebeurt?
Hoe zou dat papier, als het kon denken, dit ondergaan? Van daaruit kunt U verder gaan tot
meer Goddelijke problemen. Maar probeert U eerst dat vereenzelvigen met te leren in de
eenvoudige en meer alledaagse dingen.
Dan kun je verder gaan. Op de duur zul je je concentratie zonder hulpmiddelen kunnen
bereiken. Je zult je contemplatie op de duur afstellen op heel wat grotere waarden, dan kleine
stoffelijke dingen. Zo'n begin is meestal makkelijk, omdat je daardoor eigenlijk meer leert in
de dingen op te gaan, omdat je ze kent. Uit het gekend bereik je dan de toestand, waarin je
het ongekende kunt ondergaan.
De bewustzijnsontwikkeling van de mens: de zon, waarin ik in het middelpunt sta, waarin
wij in het middelpunt staan, waarin de Algeest in het middelpunt staat. Het gaat n.l. om
een leercongres dat wij het volgend jaar zouden willen houden, om daardoor eigenlijk een
aanwijzing te kunnen geven voor leidende persoonlijkheden en hoe wij uit deze
moeilijkheden kunnen komen, juist door deze ontwikkeling van bewustzijn. enz. enz.
Een congres is over het algemeen de gelegenheid, waar ieder zijn eigen meningen spuit, die
van anderen aanhoort en vervolgens - zeker dat hij zijn eigen mening goed verdedigd heeft -
naar huis gaat. Een dergelijk congres is wel aardig. Het kan een bewijs van verdraagzaamheid
zijn, van een streven naar onderling begrip, maar op zichzelf kan het voor de wereld weinig
betekenis hebben. Het is het innerlijk van de mens, wat het doen moet. Want als de mens
komt tot een begrip van de Algeest, dan kan hij geen slecht mens meer zijn. Maar als een
mens 20 jaar erover zit te confereren, dan kan het nog een verduveld vervelend exemplaar
zijn, met heel veel slechte eigenschappen, die sprekend over God, uiteindelijk toch maar aan
zichzelf denkt. Dát kun je niet veranderen, tenzij het van binnen uit gaat.
Ik zit nog steeds met moeilijkheden t.a.v. de eigen ontwikkeling volgens de lessen, die U
gegeven hebt. Ik wijt dit hoofdzakelijk aan het feit van nog steeds te grote onrust,
lichamelijke moeilijkheden. Kunt U mij raad geven, hoe ik het moet voortzetten? Of moet ik
een andere richting inslaan om uit deze impasse te komen?

41
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

Op het ogenblik, dat U Uw eigenlijke lichamelijke ongesteldheid en onrust voor een kort
ogenblik kunt vergeten, kunt U geestelijk wél iets bereiken. Zolang Uw aandacht nog steeds in
verband staat met Uw eigen problemen, lichamelijke gesteldheid, huiselijke problemen enz.,
kunt U dat niet. Het is dus logisch, dat wanneer ik een raad zou moeten geven mijn raad zou
zijn: ga eens verder op de weg, die U op het ogenblik gaat, maar probeer Uzelf te vergeten.
Jezelf eens met al je problemen uit te schakelen, net te doen, of die dingen niet bestaan. Ik
denk dat dat een hele hoop betere resultaten oplevert. Zolang je bewust of onbewust, bezig
blijft met je eigen problematiek, dan kun je misschien een betere houding aannemen t.a.v.
deze leerstelling, maar je kunt verder nooit veel bereiken. Alles, wat U stoffelijk beïnvloedt, is
eigenlijk een voortdurende rem.
Maar nu de logica: Wanneer deze rem bestaan, zolang ik mij bewust ben van die stoffelijke
zaken, moet ik proberen dit bewustzijn opzij te zetten. Eerst wanneer ik dat doe, onverschillig
hoe, dan kom ik verder. Wil dat dus zeggen: "Hier in huis gaat het niet", ga dan desnoods in
het park op een bankje zitten. Om het idee dus te geven. U bent over het algemeen
gedecideerd genoeg. Waarom niet eens tegenover Uzelf wat gedecideerder zijn? Het is maar
een vraag. Indien U van deze tips gebruik maakt, denk ik, dat het U wel zal gelukken verder te
komen. Deze impasse is 3/4 psychisch, zo niet helemaal. Het is het niet zien van een uitweg in
feite, i.p.v. naar boven gaan en kijken, waar je je eigenlijk bevindt. Heb je wel eens van een
doolhof gehoord? Je zit eigenlijk in een soort doolhof. Je had vroeger in die z.g. doolhoven een
z.g. uitkijktoren. Dan moest je uit die doolhof naar boven en verder zoeken. Als je de zaak
boven bekeek, krek je eerst naar het landschap. Dan keek je onwillekeurig naar beneden, je
zag de uitweg zó voor je liggen. Als je dan in de praktijk bracht, wat je daar had gezien, ging
het goed. Dat was een rijke lui's spelletje, maar wij kunnen het hier als vergelijking gebruiken.
U zit in een doolhof. Zolang U die problemen van die doolhof vasthoudt, blijft zoeken naar een
uitweg in de doolhof, komt U niet verder. U loopt steeds weer tegen de blinde muur aan. Zo
gaat het niet, zo wil het niet. Op het ogenblik, dat U zich daarboven kunt stellen, afstand kunt
doen van het probleem, kunt U pas de oplossing vinden. Die oplossing vindt U dan door eerst
geestelijk verder te gaan, dus rond U te zien, dan pas wanneer U die geestelijke vrijheid lucht
geeft. Als U die eenmaal hebt, overzie dan eens het geheel dan zie je de uitweg ook. Dit is
iets, wat U zo snel van anderen vordert, eigenlijk in vele gevallen dat U het toch niet moeilijk
moet vallen om U eigen opmerkingen in deze zin, zoals beroepshalve geuit, in de praktijk te
brengen.
Mag ik U vragen over het gebruik maken van de geest en het onderbewuste? Zijn het de
emotionele herinneringen, of herinneringsbeelden, die gebruikt worden door de geest via
het onderbewustzijn te uiten in de stof?
Ja, dat is inderdaad waar. Maar voor de mens bestaat elke emotie met herinneringsbeelden in
verband. Wanneer U bang bent, dan staat die angst onmiddellijk i.v.m. een herinnering van
vroegere angsten en de verschijnselen, die zich daarbij voor deden. Dit gaat zo ver, dat
wanneer die angst in U opkomt, U onredelijk niet verwacht hetgeen hier mogelijk is, maar
gelijktijdig verwerkelijking van hetgeen U vroeger gevreesd heeft. Daaruit volgt dus, dat de
geest weliswaar werkt door de emotie maar dat elke emotie met herinneringsbeelden gepaard
gaat, die zich dus openbaren als een vormgeving in het bewustzijn van de toestand, die de
geest begeerd heeft en als emotie heeft vastgelegd.
Dus ieder psychisch effect, dat de mens meemaakt, is eigenlijk een herinneringsbeeld uit
een vroeger leven, dat deze geest heeft meegemaakt als emotie?
Het kan door de geest met vroegere beelden verknoopt zijn, maar zal ook altijd mede
verknoopt zijn met eigen herinneringsbeelden uit een stoffelijk bestaan. Dat is juist het
eigenaardige. De geest zal in heel veel gevallen niet alleen gebruik kunnen maken van de
aanwezige herinneringen van eigen beleving. Zij zal daarom ook heel vaak herinneringen van
dramatiseringen, dus fantasie van jezelf, van boeken e.d. mede gebruiken om zo een
voldoende achtergrond voor de emotie te scheppen en dus een voldoende drang voor
verwerkelijking in de stof.
Als je jongensboeken leest en je verdiept je in verhalen zoals Karl May, dan beleef je, je
krijgt emoties. Deze emoties, die mens, als kind lezende, zich beelden scheppende van

42
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

toestanden, zijn dat nu emoties, die zuiver stoffelijk zijn, of zijn dat emoties, die nog iets te
maken hebben met doorgemaakte beelden uit vroegere tijden, of vroegere levens?
Wij moeten goed de verschillen vaststellen: de voorkeur voor Karl May zal ongetwijfeld
voortgekomen zijn uit een conditionering van vroeger plus huidige omstandigheden. Dus daar
spreekt wel degelijk ook de voor geschiedenis van de geest een rolletje mee. Zodra wij komen
tot identificatie van hoofdfiguren van zo'n roman, en dus emotionele belevingen aan de hand
van deze fantasie, is dit stoffelijk vastgelegd. Dan blijft het als zodanig een stoffelijk effect.
De eerste spreker had het over het gebruik van wierook. Zoals U bemerkt zult hebben,
gebruik ik voor deze avonden een wierookstokje. In hoeverre is dit stokje, wat gebruikt
wordt hier, dienstig voor deze omstandigheden voor dit vertrek, of kan ik dit achterwege
laten, of moet ik dit achterwege laten?
U kunt het evt. achterwege laten, want deze reukstof heeft dus het effect van een zekere sfeer
te vormen en gelijktijdig is zij reinigend voor bepaalde astrale invloeden, maar verder ook niet.
En bloemenwierook?
Die is zuiverend tegen demonen. Dit gaat dus een ietsje verder dan alleen astrale
verschijningen. Demonen behoeven niet altijd astraal geopenbaard te zijn. Een demon kan met
een adyarstokje aanwezig zijn maar nooit astrale vorm. Dus niet in een directe contactvorm
waardoor hij de mens onmiddellijk kan beroeren. Wanneer wij te maken hebben met
bloemenwierook, met de zuivere bloemenwierook (betrekkelijk dunne stokjes van een
zwartbruine kleur, ietwat dof, gezet op een stukje riet), dan krijgen wij hier te maken met een
verfijndere geur. In de eerste plaats is zij aangenamer voor de doorsneemens, omdat zij niet
zo zwaar is. In de tweede plaats is zij antidemonisch: zij verdrijft dus zekere kwade
bewustzijnsvormen door de hen aangename uitstraling die daarmede gebonden is. Het kan
echter niet beschermen tegen z.g.onwetenden. Want de werking, die de geurstof heeft, staat
in direct verband met bewustzijnskwesties en de vorm. Die aan de hand van dat bewustzijn
door dit wordt aangenomen.
Een poosje geleden heb ik van iemand gekregen iets, wat de oud-katholieken gebruiken.
Het zijn net hele kleine stukjes hars, die dus op een stukje houtskool kan worden gebruikt,
ook verwarmd.
Het resultaat is z.g. reinigend. Het verdrijft alle invloeden en schept daardoor een sfeer van
rust. Het is dan, wanneer de wierook gebrand heeft, mogelijk om contact op te nemen met
elke kracht, maar hierbij is een bescherming aanwezig, die het onmogelijk maakt voor de
kracht te naderen, tenzij een daarvoor passende instelling bij een van de aanwezigen aanwezig
is. Bij wierookgebruik moet je altijd dit onthouden: de westerling zal over het algemeen die
wierook te weinig gebruiken, omdat hij de vele gebruikswijze niet verwerken kan. Het is te
veel walm. Wanneer hij goed handelt, dan maakt hij gebruik van houtskoolbriketjes. Eerst
goed glooiend maken, dan verbranden. Dan moet het ook werkelijk als een soort walm door de
ruimte gaan. Eigenlijk net zoals in een kerk, even uitwieroken. Daarna kun je dan volstaan met
een bekken van langzaam dovende houtskool, waarop een paar korrels nagloeien. De vormen
van z.g. zelfbrandende wierook, die men maakt en in het westen hier veelal worden gebruikt,
bevatten tevens nog een stof om gloed te geven, om de gloeiing vast te houden. Dat wil
zeggen dat die soorten altijd onzuiverder zijn dan de wierooksoorten, die alleen branden, of
vergassen, wanneer zij een zelfstandige gloed onder zich hebben.
Ik heb de wierook van een boeddhistische tempel uit Djakarta. Alsik het aansteek - met
lucifer -, wanneer hij half opgebrand is, steek ik het verder aan. Met deze kaars steek ik de
wierook aan.
Als je het heel goed wilt doen, moet je een waslont hebben, zoals zij vroeger hadden. Die
moet je buiten het vertrek aansteken en met die brandende waslont, nadat hij eerst een 1/4
centimeter is opgebrand naar binnen gaan, daarmee je kaarsen aansteken. Dan mag je je
kaars ook niet uitblazen, of met vochtige vingers doven, maar zij moet gedoofd worden door
verstikking. Dan is het pas helemaal zuiver. Het is een kwestie van ritueel.
Wierook uit boeddhistische tempels is, dat weer een ander soort?
Deze wierook is door zijn invloed op de mens krachtiger. Zij brengt bij de mensen over het
algemeen een algemene verstilling teweeg. De werking op de geest uitgeoefend, is iets

43
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

minder. Het ligt ongeveer op hetzelfde peil als die adyar, maar meestal nog een ietsje minder.
Omdat die tempelwierook bestemd is gebruikt te worden in een geheime, dus gereinigde
plaats en daar als eerste invloed moet hebben de verering van het hogere en de instelling van
de aanwezigen op het hogere. Dus feitelijk zou je als je die wierook gebruikt, eerst de plaats
moeten reinigen en ze dan gebruiken. Dan is het pas goed.
En die reiniging?
Ben je bang van walm? Neem dan hetzelfde houtskoolbriketje, waar je dadelijk je wierook op
legt, gooi er gewoon een handje keukenzout op, of grof zout. Laat dat verbranden met een
gelige vlam. Dan moet je niet bang zijn, laat die vlam maar even uitbranden. Dat is absoluut
reinigend.
Heeft U nog een onderwerpje?
Wat zijn precies moedra's?
Dat is eigenlijk een onderwerpje voor een oosterling. De moedra bestaat niet alleen uit de
handhouding, maar eigenlijk uit het hele lichaam. De lotushouding is in feite ook een moedra.
Een vraag over Eliphas Levi
Dat is rituele magie. Dat moet U werkelijk maar nazoeken. Het is te krijgen.

BEÏNVLOEDINGEN
Wanneer de mens in een lichaam leeft, dan heeft hij verschillende centra en
zenuwknooppunten, die gelijktijdig samenvallen met uitwisselingscentra van de geest, of
beter: van verschillende voertuigen, waarin de geest zich beweegt binnen de stof. Dit zijn de
z.g. chakrums, of chakra. Uitwisseling van krachten vindt hoofdzakelijk via deze chakrums
plaats, zover het terreinen betreft, die hoger zijn dan de voor het lichaam normale. Wanneer
wij nu beïnvloedingen meemaken uit de ruimte, of uit de kosmos, dan zal duidelijk zijn dat
deze invloed een zekere trilling heeft een eigen kwaliteit en een eigen gehalte, of een eigen
doordringingsvermogen. Naargelang dit doordringingsvermogen, naargelang deze trilling, zal
het dus noodzakelijk zijn, dat een menselijk opvangcentrum geopend Er zijn een aantal hogere
trillingen, die door de mens niet ontvangen kunnen worden, als hij zijn hogere chakrums nog
niet heeft ontwikkeld. Het resultaat is dat een aantal trillingen vergeleken kunnen worden bij
die van het chakrum. Zij zijn niet identiek, zij worden ook wel door andere chakrums mede
ontvangen, maar in volle werking kunnen zij pas tot uiting komen door bepaalde, zeer
bepaalde punten.
Wanneer je te maken hebt met komische krachten, met Goddelijke kracht, en je wilt deze
onmiddellijk ontvangen, dan zal het kruin-chakrum geopend moeten zijn, anders gaat dit niet.
Want dit is een kracht van een zodanige intensiteit, dat het lichaam niet in staat is deze via het
zenuwstelsel door te geven. Het is ook niet in staat zich er voldoende mee te verzadigen,
omdat het geen houdbaarheid heeft tegen over deze krachten. Zou je deze kracht werkelijk
opnemen in voldoende mate, dan zou het zelf veranderen en vervallen. Kosmische kracht
wordt dus onmiddellijk toegevoerd in het kruin-chakrum, dan aangepast aan de mens en eerst
dan, vanuit die mens, of door middel van die mens, verder gestraald. Hebben wij te maken
met kosmische grootmachten, dan kunnen wij zeggen, dat al hetgeen correspondeert met het
directe, of grote licht, behoort tot het voorhoofd-schakrum voor hooggeestelijke en het
keelkop-chakrum voor halfgeestelijke werkingen.
Weerspiegelingswerkingen als die b.v. van de maan wordt dan over het algemeen nog met het
borst-chakrum opgevangen. De zonnevlecht neemt praktisch alle stralingen op, die z.g.
planetair gedefinieerd worden. Er zijn dus stralingen bij, die wij zouden kunnen vergelijken
met de invloed van Mars, van Venus, van Mercurius, Jupiter, Saturnus en Uranus.
Deze invloeden zijn de normale wisselende invloeden, die de mens in staat stellen b.v. een
astrologische bepaling te maken van de condities, waaronder hij zal leven. De hogere
chakrums echter behoren absoluut direct, tot wat wij noemen, geestelijke krachten. Het
opnemen, of ontvangen van die krachten moet U zich als volgt voorstellen: Er komt een hoge
trilling aan als b.v. een licht trilling. Zij beroert het speciaal gevoelige opengeplooide deel,
waarin het geestelijke, plus een deel van het zenuwcentrum gezamenlijk, de opengeplooide

44
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

lotus van het beeld, in staat zijn dit licht te ontvangen. Zoals licht wordt b.v. omgezet door de
bladeren van een boom en voor een omzettingsproces worden gebruikt, zo zet het chakrum de
ontvangen straling om in verschillende factoren, die elk voor zich voor het lichaam draagbaar
zijn, verdraagbaar en verwerkelijkbaar ook, die echter gezamenlijk door dit lichaam zo niet
kunnen worden verteerd, of gebruikt. Dus het chakrum utiliseert de kracht, die wordt
uitgestraald. De wil bepaalt weer het opnamevermogen. De eigen instelling laat dus ook
binnen het stoffelijk voertuig dus ook over het astraal voertuig dat ermee verwant is, de
krachten toe, die die wil aantrekt uit het geheel. De overgebleven krachten worden ten dele
door de geest opgenomen, ten dele ook gereflecteerd in de ruimte, omdat er nergens een wil
tot absorptie aanwezig is. Het is ook heel duidelijk, wat je met die krachten doen kunt. Je kunt
behalve door gerichte reflectie, niet werken met het direct Goddelijk licht. Je kunt wel het
Goddelijk licht ontvangen en een ander toe stralen of hij dat dan ontvangen, is voor de
kwestie, de vraag van eigen open gebloeide chakrums, Eigen standpunt, eigen geestelijke
instelling.
Wat geabsorbeerd wordt, is natuurlijk nuttig. Met de eigen wil kunnen wij niet bepalen op deze
manier, wat een ander van deze kracht ontvangt. Dat kan wel, wanneer wij met
weerkaatsingskrachten werken of met zonnekrachten. Dus lichtkrachten, die echter niet
kosmische in geaardheid zijn en dus een zekere eenzijdigheid vertonen. Want dezen kunnen
wij in onszelf opnemen, aanpassen aan de persoon, op wie wij ze projecteren, zodat i.p.v. een
onmiddellijke reflectie een ontvangst en een hernieuwd uitstralen plaats vindt. In een dergelijk
geval zou je dus in staat zijn om met die kracht binnen anderen zekere resultaten te bereiken.
Daarbij moet echter voor zonnekrachten de conditie worden gemaakt dat deze alleen juist in
kunnen werken op een patiënt, wanneer de geestelijke gesteldheid en aanvaarding van de
patiënt in overeenstemming is riet de kracht, die je uitstraalt. Het heeft dus geen zin om
onmiddellijk met die grote lichtkrachten te gaan werken op een patiënt, of iemand anders,
wanneer je die nader niet eerst in een toestand van ontvankelijkheid, receptiviteit, kunt
brengen.
Bij weerkaatsingskracht is het anders. Deze is minder intens maar kan wel worden
toegevoegd. Dan moet je verder nog rekening houden met het feit, dat kosmische kracht, dus
die van het top-chakrum, over het algemeen ontvangen wordt in verschillende waarden. Zij
vallen voor ons uiteen in bewust zijnswaarden, belevingswaarden en vitaliteit, of kracht. De
bewustzijnswaarde kunnen wij niet aan een ander overdragen. Dat is onmogelijk. De
belevingswaarde kunnen wij zo sterk in onze eigen uitstraling mee verwerken, dat anderen
daardoor beroerd en beïnvloed worden. Vitaliteit, mits wij ze kunnen ontvangen, kunnen wij
regelrecht overdragen aan anderen, mits wij ze in onze eigen persoonlijkheid leren aanpassen.
Dit betekent, dat wij een groot gedeelte van die vitaliteit zelf absorberen en, wanneer soms
een teveel ontstaat, waardoor overspanning op kan treden, deze in zeer korte tijd moeten
leren af te geven aan de omgeving. Maar wanneer wij nu te maken hebben met al die
aangestipte groeperingen, groepen van grootkrachten in de kosmos, hoe staat het daarmee?
Wanneer U zich richt op een grootkracht in de Kosmos, dan heeft U daarmee zelf een selectief
proces reeds doen plaats vinden. Dat wil dus zeggen, dat U over het algemeen geen
opengebloeid top-chakrum nodig heeft, maar veelal kunt volstaan met de z,g. zonne-
chakrums, zelfs voor de hoogste krachten. In de meeste gevallen kan zelfs door middel van de
zonnevlecht een deel van de kracht, waarop men zich instelt, verwerkt worden binnen het ik.
Het gevolg is, dat werkend met deze kleine krachten, wij, volgens de intentie van degenen, die
ons de kracht schenken, ontvangen, verwerken en kunnen weergeven aan anderen.
Wij kunnen deze invloeden via de zonnevlecht ontvangen.....
.... uitgezonderd de directe kosmische kracht. Wij kunnen uit de kosmische kracht. Wel
levenskracht opnemen, wij kunnen die levenskracht dus ook dirigeren en richten. Maar dit is
de normale vitaliteit en die is volledig van onszelf afhankelijk. Er zijn dus geen kosmische
waarden bij, die gaan alleen via het kruin-, of topchakrum.
Hoe moet ik dit zien in verband met wijsheid?

45
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

Voor bewustzijnsuitbreiding? Dat is eigenlijk eenvoudig. Op het ogenblik, dat ik mij voor de
Heren van Wijsheid begin te interesseren zoek ik een bewustzijnsuitbreiding. D.w.z. een
vergroting van mijn feitenkennis, plus mijn begrip, waardoor mijn wereldbeeld verruimt.
Wanneer ik dit ontvang via het chakrum van de zonnevlecht, dan gaat er nog wel eens wat
teloor. Dan krijg ik slechts een stimulans waardoor mijn eigen kennis geïntensifieerd wordt
binnen mijn eigen terrein en eigen gebied. Krijg ik te maken met een borst-chakrum, dan
wordt mijn gevoeligheid voor mijn omgeving groter. Ik ben dus bij een ontwikkeld borst-
chakrum, door middel van de Heren van Wijsheid in staat kennis uit mij omgeving te
assimileren en te gebruiken ter vergroting van mijn eigen wereldbeeld. Ben ik in staat het
voorhoofds-chakrum te gebruiken, dan krijg ik via de Heren van Wijsheid, toegang tot een
kosmisch geheugen. Het top-chakrum behoef ik hierbij niet te gebruiken.
Hoe weet je welk chakrum je gebruikt?
De eenvoudigste proef is deze: wanneer je weten wilt welk chakrum je gebruikt en je hebt een
lichte paranormale begaafdheid, dan probeer je je sensitiviteit eens te testen door een z.g.
psychometrische proef, waarbij je het te psychometreren voorwerp dus tegen verschillende
chakrums aanlegt, daar waar je de scherpste invloeden, beelden, of gedachten krijgt, zal je
gevoeligheid het grootste zijn. Wanneer je een volledig zien in tijd en ruimte hebt, dan krijg je
dit over het algemeen in een opengebloeid, althans gedeeltelijk, voorhoofds-chakrum. Legt U
dus tegen het voorhoofd om een duidelijkste beeld te krijgen, dan gebruikt U, althans voor een
deel van Uw werkingen, zeker het voorhoofds-chakrum. Heeft U daarentegen de gewoonte om
het tegen Uw borst te drukken: borst-chakrum. Heeft U, als zovelen de gewoonte om Uw
handen zo te houden, dan gebruikt U daarmede de zonnevlecht. Het is een simpele manier,
maar zij werkt altijd.
Ik wil nog één ding erbij zeggen. Bij U wisselen de chakrums nog wel eens erg, die U gebruikt.
Soms bent U in staat om betrekkelijk hoge chakrums praktisch ontplooid te gebruiken, maar U
laat zich zo sterk beïnvloeden door mentale beelden, gedachten van wat wel en niet hoort,
enz., dat U zeer snel eenvoudig de hogere zich doet sluiten, dwingt zich te sluiten, door Uw
eigen onwil U open te stellen voor hogere krachten. Dat betekent dus, dat Uw eigen
stemmingen het al of niet gebruiken van een hoger chakrum zeer sterk bij U bepalen. Ik zou
dus de proef eens 2 keer herhalen, als ik U was. Ik zou het de eerste keer doen, wanneer U zo
heerlijk afgronddiep in de put zit, de tweede keer, wanneer U zo'n bui van grote vitaliteit heeft.
Dan weet U tussen welke grenzen Uw gevoeligheid zich gemeenlijk bewegen.
Ik vind dat er al veranderingen in komen van die grote vitaliteit en dat diep in de put
zitten. Is dat niet zo?
Ja. Dat wel, maar...... Als ik het van onze kant bekijk, ben ik bang. Dat ik hatelijk ben: Het
doet ons we eens denken aan die schildpad, die zichzelf omdraaide, terugkeek en zei: "Wat
loop ik vandaag hard." Maar Uw pogen brengt op de duur misschien de omvorming van de
schildpad en de hazewind, dan begint U pas het tempo te bereiken wat U nodig heeft om te
kunnen doen, wat U wilt. Uw proberen is wel aardig, maar je moet proberen om niet alleen
uiterlijk, maar ook om innerlijk er over heen te komen. Dat is nog de moeilijkheid.
Hoe vindt het proces in jezelf keren plaats met het doel via de Goddelijke kern in
verbinding te komen met kosmische invloeden, stromingen en krachten?
Het in jezelf keren, wil zeggen: de buitenwereld afsluiten. In de eerste plaats is er een zekere
toestand van concentratie nodig waarbij men bewust het ik ongevoelig maakt voor de
buitenwereld. Je verdiept je zozeer in een probleem, desnoods in een boek, dat die
buitenwereld weggaat. Maar je neemt er natuurlijk een boek voor, wat past bij het geen je wilt
doen. De kosmos bereiken. Van daaruit moet je overschakelen op je emoties omdat je
verstand niet in staat is deze dingen verder tot stand te brengen en moet je een beroep doen
op je geloof. Dit doe je het beste in een gebed, waarbij je je voorstelt, dat God aanwezig is en
waarin je luistert, of God je antwoordt. Dat is voor de meeste mensen erg moeilijk. Praten
gaat makkelijk, maar luisteren valt tegen, vooral als het geen antwoord is, dat met woorden
komt. Toch wanneer je op die manier intens gelovig bidt, dus tot de God, zoals jij Hem ziet en
kent, dan krijg je een innerlijke verandaring, een verandering van je gevoelens, je emoties.

46
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

Eerst wanneer je dat gedaan hebt, kun je die God vragen, dus nadat je voelt, dat je rustig
wordt, als je het dan nog de moeite waard lijkt, om je te richten op bepaalde kosmische
krachten, stromen e.d. Dan heb je dus vanuit het Goddelijke en vanuit een zekere innerlijke
rust nu een daadwerkelijke richting genomen op een bepaalde kracht. Heb je dit gedaan, dan
moet je weer wachten. Je moet wachten tot hernieuwd in dit ik iets verandert, dat je het
gevoel krijgt: "Hé, ik ben een beetje anders geworden dan daarnet. Het is net, alsof er weer
een beetje andere sfeer hangt". Heb je dat gekregen, dan heb je op deze manier de instelling
dus gekregen op die kosmische kracht, of op die daadkracht binnen de kosmos waarop je je
wilde richten. Wanneer de mens spreekt over de kosmos en over de kosmische krachten, dan
spreekt hij over iets, wat m.i. onmetelijk ver van hem vandaan is. Daar begint de eerste fout
al mee. Op het ogenblik, dat wij God ver gaan zoeken, verwaarlozen wij God, waar Hij is, van
binnen. Wij moeten er eigenlijk aan gewennen, dat in ons leven de kosmos voortdurend een
woord mee spreekt.
In alles, wat wij prettig vinden en niet prettig, wat slagen en wat falen heet, is die kosmische
kracht vertegenwoordigd. Wanneer wij ons tot die kosmische kracht richten, dan richten wij
ons tevens tot het geheel van ons leven. De werkelijkheid, de waarheid, die in ons leven
schuilt, daar spreekt U eigenlijk tegen. Wanneer wij dat gedaan hebben, dan moeten wij
afwachten. Net zo goed als het in je leven onmogelijk is om van te voren alles precies te
omschrijven en zo kun je dit ook wanneer je dit contact krijgt met de kosmos. Je kunt niet
door je gebed uitdrukken, wat er gaat gebeuren. Je kunt niet door je instelling alleen bepalen,
hoe God Zich openbaart. Maar je kunt wel streven om er één mee te zijn. Die eenheid is geen
eenheid alleen van de hogere geest, vergeet dat niet. Het is een eenheid, die alles betreft: je
omgeving, je stoffelijke wezen, je stoffelijke problemen, je geestelijke nood, of moeilijkheden,
je geestelijke vreugden, je streven en je falen, alles tezamen zijn betrokken bij dit ene punt:
de kosmos: het contact met de kosmos. Het is dus logisch dat in elk van deze gebieden de
kosmische kracht zich uit en zich openbaart.
Het zal U nog veel duidelijker zijn, dat wanneer wij eenmaal het onze hebben gedaan, wij geen
enkel middel bezitten om van die kosmos een uiting af te dwingen. Wij moeten dus geduld
hebben en wachten. Wij moeten ook niet verwachten, dat de kosmos ons antwoordt, zoals wij
spreken. Op het ogenblik, dat wij tot God spreken, of dat wij bidden, of dat wij denken over de
kosmos, dan kunnen wij voor onszelf niet eens precies vertellen, wat wij bedoelen. Een mens,
die bidt zegt, wat er aan de voorkant van zijn gedachten ligt. Helemaal vooraan in het laadje.
Wat er achter schuilt kan hij niet mededelen. Je vraagt iets anders, dan je vraagt, omdat je
hele wezen betrokken is bij elke vraag. Je concentreert je heel anders dan je denkt je te
concentreren, omdat je hele wezen daarbij betrokken is.
Het antwoord, wat je krijgt, is altijd op het geheel, nooit op het gedeelte, wat jij op dit
ogenblik naar voren hebt gebracht. Ondergaan van het antwoord is daarom erg belangrijk. Het
is niet alleen maar een openbaring van wat God op dit terrein zou kunnen doen, of willen doen,
of je raadt, of je geeft, neen, het is een zelfopenbaring tevens. U bent zo'n aardig tijdje bezig
met magie. Een van de meest magische handelingen, die er bestaat, is het gebed. Wist U dat?
Een werkelijk gebed brengt o.a. met zich mee telepathische beïnvloeding van de omgeving:
suggestieve beïnvloeding van het ik en de omgeving, intense beïnvloeding van het
onderbewustzijn: intense beïnvloeding van eigen geestelijke wereld vanuit een stoffelijk
bewustzijn: intense beïnvloeding van alle geestelijke werelden, die het licht dienen en dus met
een kosmisch begrip meer of minder verknoopt zijn. Daarnaast een contact met het geheel
van alle dingen, waarin God Zich openbaart.
Zoveel banden leg je in geen enkele magische bezwering. Het is duidelijk, dat om goed te
bidden de mens nog zorgvuldiger moet bidden dan een magiër zijn bezwering voorbereidt. Een
gebed is niet iets, wat wij nu eens even doen, tenzij misschien als een wanhoopskreet, waarin
wij onszelf wat lucht verschaffen. Werkelijk bidden is een grootmagische handeling. Dat kan
niet anders. Zij dient vergezeld te gaan van al datgene, wat bij een grootmagische handeling
hoort, voor onszelf een zekere ritualiteit. Juist omdat je intens met God verbonden bent en
gelijktijdig in een zo afhankelijke positie staat, is de verhouding vader-kind misschien wel juist,
wanneer wij dat tenminste ouderwets beschouwen. Je kunt niet bij God binnenlopen als een
moderne zoon bij zijn vader: "Zo papa, daar zijn wij weer eens. Ik heb dit en dat
47
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

meegebracht, O ja, zeg heb jij even een tientje voor mij, ouwe?" Dat gaat niet. Je moet bij
God komen als een zoon vroeger plechtig bij zijn vader kwam in de studeerkamer. Je hebt
oven gauw de handen gewassen, het gezicht afgeveegd, want je staat tegen over vader. Je
moet zorgen dat je er netjes uitziet. Je hebt de scheiding een beetje geplakt, je trekt een
ernstig gezicht en je probeert zo netjes en zo beleefd mogelijk op te treden. Je wacht af, tot
vader zegt, dat je dichterbij mag komen, omdat het zo belangrijk is, dat vader tevreden over
je is, want dan pas ontstaat het rapport, waarin zo dadelijk misschien, de formaliteit over
boord gegooid kan worden. Dat gaat van vader uit, niet van jou.
Als je het op die manier beschouwt, dan zul je ook begrijpen dat juist het afwachten, het
wachten op God, een zeer belangrijk deel er van uitmaakt. Je moet nooit verwachten, dat het
gebed bepalen zal, wat er gebeurt. Een jongen zegt misschien tegen zijn vader: "Zeg, vader,
ik zou zo graag eens naar de dierentuin gaan". Zegt vader "Neen, dat doen wij niet. Het is veel
te slecht weer ervoor". Het wordt een teleurstelling. Maar je mag wel naar een voorstelling van
het koor “Toonkunst" of iets dergelijks, dan ben je teleurgesteld: maar vader weet beter, wat
goed voor je is dan jij. God weet dit veel beter, dan een vader het weten kan. Hij geeft ons
vaak alternatieve waarden, je moet leren ze te accepteren met een zekere vreugde. Op die
manier kan de eenheid met de kosmos voor ons steeds intenser worden en steeds werkelijker.
Ik weet, dat in de magie, zoals wij vanavond ook hier bespreken het werken juist met
bepaalde grotere krachten, binnen de Schepping belangrijk is. Het is ook begrijpelijk, want in
de magie willen wij niet alleen afwachten, maar wij willen een bepaald iets nastreven en
bereiken. Dat kunnen wij van God niet verwachten. Wij kunnen niet van God verwachten wat
wij willen. Wel, dat Hij voor ons verwerkelijkt, wat goed voor ons is. Maar gaan wij van ons
beperkt uit streven, dan zullen wij ons moeten wenden tot een geest: een Heer van Leven, een
Heer van Wijsheid, een Heer van Licht enz. Doen wij dit op een verstandige manier, dan
moeten wij net doen als de zoon, die zijn vader zegt: "Ik ga bij Jan hiernaast mijn huiswerk
maken, vader. Dat is toch goed, hé?"
Moeten wij tegen God zeggen: "God - kosmos, als U dat wilt – wij beginnen thans met een
magisch werk. Geef ons Uw steun en zegen, opdat hetgeen geschiede niet slechts mijn wil,
maar ook Uw wil zij". Daarmee bedoelend, dat het doel Gods, in ons geopenbaard, duidelijk
mee geuit zal zijn in al hetgeen wij trachten te bereiken en te volbrengen. Alleen op die manier
kan een werkelijk kosmisch bewustzijn ontstaan. Kosmisch bewustzijn is geen weten zozeer,
als wel een eenheid met God en het Goddelijke. Eenheid is iets anders dan weten, dan kennis.
Zelfs iets anders dan begrip. Het is een aanvaarden en ondergaan, waar in ons geopenbaard
wordt, wat noodzakelijk voor ons is om te weten en te begrijpen. Dat is heel iets anders.
Nu zal je zeggen: "Wat kan die vroom kletsen", maar het hoort er ook bij. Uiteindelijk U weet
het allemaal: achter het clownsmasker schuilt vaak de ernst. Ik geloof, dat de grootste ernst
van het leven het bewustzijn van eenheid met de Schepping is. Dat is iets, waar je niet over
kunt lachen: daar kun je hoogstens blij om zijn. Zoals ik dit in de laatste tijd beleef meer en
meer, hoop ik dat U zult leren om het te beleven. Want een magiër heeft een grote macht ten
goede en ten kwade. Eerst wanneer hij eenheid met God vindt, wordt zijn magie een
openbaring van Gods wil, door Goddelijke middelen en toch via de begripsmogelijkheid, het
geloof en de werkzaamheid van Zijn schepselen. Dat is de openbaring van Gods wil, geloof ik,
zoals het hoort. Wij leven in de wereld om zelf werkzaam te zijn, niet om God te laten
volbrengen. Onze zelfwerkzaamheid moet toch steeds een vervulling zijn van de Goddelijke
wet en de Goddelijke wil. Wanneer wij nu over al die problemen hebben gesproken, probeer
het eens op die manier te zien. Probeer de onbelangrijkheid in te zien van je eigen wensen,
probeer te begrijpen, dat je eerst met God contact moet hebben, maar dat je dan met de
middelen, die God je ter beschikking stelt, dat kan ook zijn: magie, mediamieke begaafdheid
enz., zijn wil moet trachten te volbrengen, zo goed als je die wil kunt bevatten, zo goed als je
die wil kunt volbrengen.
Ik vind het buitengewoon belangrijk, dat U dit naar voren gebracht hebt. Door het gebed
zit er voor ons een mogelijkheid in, dat wij ons langzamerhand kunnen verbeteren door dit
contact als volk.

48
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

Een volk kan zich niet verbeteren. Een mens. Als het individu zich verbetert, behoort het niet
meer tot een volk, maar tot de kosmos. M.a.w. men mag zelfs niet mondiaal denken,
wereldomvattend: men moet kosmisch denken, de kosmos omvattend. Eerst dan komt men
tot een waar concept van mens-zijn en deel van God zijn. Zonder dat is het niet mogelijk.
Zodra je probeert het gebed te beperken door te zeggen "als volk", of, "als mensheid", dan
maakt U een fout. Want God is onbeperkt en ons richtend tot God, past het ons niet deze
beperking van ons voorstellingsvermogen a.h.w. op te leggen naar Zijn uiting.
Maar heeft U dan niet eigenlijk al de kracht van die meditatie, die in deze visie van U in het
gebed gelegd, want U geeft er een bijzondere kracht aan.
Ach, wat zal ik zeggen? Vroeger heb ik "Het Schone Woord" de loef af gestoken met rijmpjes
en op het ogenblik doe ik het misschien, omdat ik het zo ernstig meen door te zeggen, wat ik
denk en wat ik geloof. Nu vrienden, als ik weer eens onzin vertelt dan moet je toch hier eens
aan terug denken. Al is het alleen maar om te begrijpen. Dat achter de schijnbare onzinnigheid
van mensen en geesten, schijnbaar irrationeel gedrag van mens en geest, ja, zelfs achter de
waanzin van de wereld, toch vaak een diepe ernst verborgen ligt.
Misschien, dat U dan ook leert beseffen, dat de dwaasheid soms de enige mogelijkheid is om
de wijsheid werkzaam te doen worden op de wereld
Goeden avond, allemaal.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden. Wij willen dan toch nog even sluiten met een meditatie aan de hand
van een door U te stellen onderwerp.

ZELFOPENBARING
Ik ben, ik denk en heb een bewustzijn. Ik besta. Rond mij is een wereld, die mij kan kwetsen
en zij kan mij vreugde geven. Die wereld voegt zich niet altijd naar mijn wensen. Bestaat die
wereld? Slechts zolang als ik besta, bestaat die wereld. Zou een ogenblik mijn bewustzijn
doven, het heelal wat ik ken, zou niet meer bestaan. Misschien een heelal van anderen, die
dezelfde waarheden bevat. Mijn heelal zou ondergaan. Dan ben ik dus zelf: heelal.
Ik ben het ik, dat denkt, maar ook de wereld, waarover ik denk. Ik ben zelfs de God, Die ik
erken. Want die God erkennen, is een deel van mij. Zou ik geblust zijn en niet bestaan, waar
zou die God blijven? Wanneer ik zoek mijzelf te openbaren aan mijzelf, wanneer ik zoek om de
krachten, die in mij schuilen voor mijzelf uit te stallen opdat ik ze zal leren erkennen, dan vind
ik het hele Al, met al zijn ongekende raadselen en vragen als een deel van mijn wezen. Toch
zoek ik vaak naar een oplossing, die het mij mogelijk maakt veel van deze dingen te ontgaan.
Wanneer ik mijzelf goed beschouw, dan zal ik ontdekken dat ik sommige punten verwerp,
opdat zijn aanvaarding teveel voor mij zou betekenen. Ik zal ontdekken, dat ik "zeg het één te
willen", in feite het andere nastreef. Ik zal zien dat ik erken, dat mijn eigenlijke voorstellingen
onjuist zijn, toch vraag ik ze op te leggen aan mijn hele wezen en denken. Mijn verlangen,
mijn droom zijn soms sterker dan mijn begrip van werkelijkheid.
Wanneer ik zo mijzelf aan mijzelf openbaar, dan ontdek ik hoe onvolledig ik ben, want vaak
van hetgeen, wat uit mij voorkomt, kan ik niet eens beschouwen en begrijpen. Daar liggen de
raadselen, die ook in mij bestaan en dus ook in mij hun antwoord vinden.
Wat is leven? Wat is God. Wat is Oneindigheid?....... Ik moet zeggen, Ik ken mijzelf niet.
Slechts een zeer klein deel van het ik ken ik, al zeg ik duizend maal, dat het het geheel is.
Hierin ligt de eerste zelfopenbaring, het eerste begin van de zelfkennis. Wanneer wij begrijpen,
hoe weinig wij beseffen van ons eigen wezen, ons eigen zijn, onze eigen wereld, dan kunnen
wij gaan leren.
Zelfopenbaring is het punt na punt vragen en problemen, die in je schuilen, terug te brengen
tot hun werkelijke waarden. Terugbrengen tot een plaats temidden van alle vragen en
problemen, die er bestaan. Een terugbrengen tot alle werelden, die mogelijk zijn en niet
slechts dat kleine deel van één wereld, wat ik als werkelijkheid geloof te aanvaarden.

49
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 3 – Magie en magische processen - 11 november 1958

Toch ligt achter deze zelfopenbaring een antwoord verborgen. Kan ik zijn zonder begin? Dan
schreeuwt het hele wezen. "Neen". Ergens is een begin geweest. Als ik dat besef, kan ik verder
gaan. Er is aan mij een begin. Ik heb een bron. Deze bron moet alles bevatten, wat in mij
leeft. Misschien niet zo ontwikkeld, zoals het voor mij bestaat. Misschien als zaad, i.p.v.
levensboom, die er uit is gegroeid, maar in het begin is het aanwezig geweest. Alles was in
den beginne. Als er een begin geweest is, moet een eind zijn. Maar kan dit einde abrupt zijn,
alles doden. Mijn hele wezen schreeuwt: "Neen".
Er is geen werkelijk einde. Er is slechts een fragment als getijde, waarin een ogenblik winter
"dood" genoemd werd, waarin een nieuwe lente nieuw leven betekent. Een deel van een
oneindigheid, een oneindigheid, die in Zijn bron geopenbaard werd, vóór ik was, erkende, of
beleefde. Eerst wanneer ik mijn bron erkennen kan, zal ik weten, wat ik ben, zal ik mijzelf
werkelijk kennen. Daarom streef ik er naar, in alle dingen de werking van die bron te zien, in
alles de openbaring van die bron te ervaren. Zo zoek ik in eigen streven de bron a.h.w. te
imiteren, te multipliceren tot zij uit mijzelf vloeit voor een andere wereld en een ander Al, zo
als eens die kracht voor mij vloeide in het begin.
Als ik zelve schep, weet ik eerst, wat de schepper is. Wanneer ik een schepping ken en mijn
voortbrenging van die schepping ervaar en zie, weet ik hoe eens een Schepper mij heeft
voortgebracht. Dan heb ik mij zelve aan mijzelf geopenbaard in mijn schepping, mijn
persoonlijkheid, mijn wezen en mijn eigenscheppen. In het scheppen zelf echter erken ik de
kracht, die mij drijft: Het doel van mijn bestaan, de kracht van mijn leven.
Zo: openbaar Uzelf eerst Uzelf, waar gij faalt. Begrijpt eerst het falen, de onvolkomenheid van
Uw streven. Naarmate Uw steven volkomener en juister wordt, kunt gij in het streven zelve
zoeken, de bron van het leven te erkennen. Wanneer gij deze hebt erkend, hebt gij Uzelf reeds
volledig geopenbaard aan Uzelf. Dan weet gij, wat gij zijt: Een heelal, besloten in een
gedachte. Een punt in een krachtveld en toch gelijk de weerspiegeling van een volmaakte
oneindigheid.
Dit te beseffen is voleinding. Hierna te streven is het begin van alle voltooiing.
Ik geloof, dat ik hiermede deze beschouwing kan besluiten. Ik wens u allen, vrienden, toe:
Een aangename avond verder, succes op Uw pad, een groter begrip. een grotere beheersing
en daardoor de mogelijkheid alle krachten te hanteren, die gij in het verloop van deze cursus
leert aanvoelen.
Goeden avond.

50
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

LES IV – TWEELEDIGE WERKELIJKHEID

Goeden avond, vrienden,
Wij zullen even nagaan, of hetgeen wij de vorige maal behandeld hebben, voor iedereen
duidelijk is geweest. Geen vragen dus?
De vorige maal hebben wij gesproken over "Magie en magische processen". Wanneer wij
vandaar uit nu verder willen gaan, dan is het noodzakelijk, dat wij de stelling van de twee
realiteiten verder ontwikkelen. Naast de realiteit, waarin U leeft, bestaat een tweede realiteit
die, evenzeer als deze stoffelijke volledig buiten U ligt. In U is de reactie op deze realiteiten
mogelijk en dus Uw eigen wereldbeeld. Dátgene, wat buiten U ligt, is werkelijk. Het kan U
beïnvloeden ook wanneer U zich daartegen zoudt willen verzetten. Als U door een kamer loopt
en U stoot zich tegen een stoel, dan kunt U wel zeggen, dat wilt dat die stoel er niet staat,
maar zij staat er. Zó reëel is dat voor U.
Zo geldt dat ook dus voor de tweede realiteit. Ook dáár kunnen wij obstakels ontmoeten. Die
obstakels ontstaan meestal door onze onkunde. Wanneer U weet, dat er een stoel staat, loopt
U er omheen. Wanneer U weet, dat er een obstakel is, zult U er ook omheen gaan. De grote
vraag is nu: Wanneer wij eenmaal een stemming hebben gewekt, een sfeer hebben
geschapen, wanneer wij voor onszelf een contact hebben geschapen met al die invloeden, die
buiten ons bestaan, kunnen wij dan deze tweede werkelijkheid voldoende realiseren. Kunnen
wij voorkomen dat wij daar tegen een obstakel aanlopen?
Nu moet ik met een waarschuwing beginnen. Tenzij U zéér eenzijdig bent in Uw contacten met
deze tweede werkelijkheid, zult U bijna altijd voor onverwachte obstakels komen te staan. Die
obstakels uiten zich voor ons in de eerste plaats wel als en verwachte tendensen. Zij komen
stoffelijk tot uiting in een ziekte: een plotseling mislukken van al wat je wil doen:
neerslachtigheid, onevenwichtigheid. Deze dingen zíjn te overwinnen. Als je ze niet overwint,
heb je grote kans dat je de speelbal wordt van de krachten, waarmee je hebt geprobeerd te
werken. Het is dus voor U zeker raadzaam om niet in het algemeen te gaan werken met de
krachten, waarover wij de vorige maal spraken. In eenzijdigheid kunnen wij veel bereiken.
De tweede realiteit is de realiteit waarin de. Meesters van Wijsheid, De Heren van Leven enz.
bestaan. Het is a.h.w. de macrokosmische verhouding, krachten, die zich in Uw tijd, uiting,
openbaren door hun inwijding. Zij werken in op méér dan één wereld. Wereldvlak. U weet,
geloof ik, allemaal, dat tijd niet beschouwd moet worden dat hebben wij toch al besproken?
De verschillende tijdwerelden, die naast elkaar, liggen staan allen onder dezelfde
macrokosmische beïnvloeding, waar deze zijnde van een ander gehalte dan de materie, niet
aan tijd gebonden is en dus ook niet aan de ruimtelijke beperkingen, die in de binding van een
tijdsmoment. aan een verhouding voor kan komen. Zolang U op Uw eigen wereld bent en in
Uw eigen werkelijkheid staat, kunt U het contact met de tweede werkelijkheid verkrijgen, een
tweede realiteit, door U te concentreren op een der grote krachten. Let wel: een der grote
krachten per geval, die U in staat zullen stellen de gewenste invloed tot uiting te doen komen.
Naarmate U meer preciseert, wat U tot stand wilt brengen, wordt de werking, die U verlangt,
complexer. Voorbeeld: Ik wil, dat het mij goed gaat algemeen. Ik wil morgen zo en zo laat zo
en zoveel geld ontvangen. Of: dan en dan dit boek van geestelijke wijsheid plotseling ter
beschikking hebben. Complex, er zit veel meer aan vast. Het gevolg is, dat U, naarmate U een
zuiverder definitie geeft van het verlangde en dit verlangde sterker met Uw persoonlijkheid
gebonden is, dat hoort er ook bij, meer krachten gelijktijdig in het spel brengt. Hoe meer
krachten U gelijktijdig in het spel brengt, hoe sneller U zult ondergaan in een spel van
krachten, die U niet allen kent waarvan U de verhoudingen niet kunt overzien en die U dus ook
niet kunt beheersen, totdat zij elke storing voor U verdrijven.

51
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

Degene die magisch streeft begint natuurlijk altijd weer met het element van de bezwering,
Wanneer wij zo'n voorbeeld geven, dan is het duidelijk dat zo'n bezweringsvoorbeeld niet voor
gebruik wordt gegeven. Nog niet. Het is ook duidelijk dat daarin een aantal krachten worden
genoemd, een aantal namen naar voren gebracht. Elke naam drukt een mathematische
verhouding uit. D.w.z. het geheel van een bezwering kan worden omgezet in een formule, die
als uitkomst geeft de trillingsverhouding, waarin Uw eigen persoonlijkheid, na het uitspreken
van de formule, zal bevinden. De trilling is gelijk aan een zich afstemmen op. Je kunt
afstemmen op om nu eens een vergelijking uit de ontvangsttechniek te gebruiken een zeer
smalle, of een zeer brede band, beperkte, of zeer eenzijdige band.
Hoe breder de band is, waarop U ontvangt, hoe groter de mogelijkheid, dat U storing krijgt van
een nabij gelegen station op de radio. Hoe wijder het gebied is, dat U bewust tracht te
beheersen, hoe groter de kans is, dat storende invloeden van verwante gebieden, en
mogelijkerwijze van geheel verschillende geaardheid, hun invloed doen gelden op U. Wanneer
dat gebeurt, dan ontstaat er een schrikbeeld. Dat is de beste uiting, die ik daarvoor kan
vinden. Wij kunnen dat schrikbeeld natuurlijk verdrijven door onmiddellijk onze procedure af te
breken en alle krachten, die wij hebben opgeroepen, onmiddellijk vrij te laten. In vele gevallen
betekent dat een grote schade.
Wanneer U in klei boetseert en U maakt een beeldje, U bent half klaar en U onderbreekt het,
dan is het heel goed mogelijk, dat de volgende maal die klei niet meer versterkt kan worden,
tenzij U ze heeft kunnen beveiligen. Wanneer de klei een deel van Uw eigen levenskracht is,
betekent dit, dat een deel zelfs van Uw eigen levenskracht verloren kan gaan. Nu echter
kunnen wij ook het schrikbeeld overwinnen door er onaantastbaar voor te zijn. U ziet op straat
100 mensen, U volgt er een van onverschillig wat er met de anderen gebeurt, of er een
opstootje is, of een ongeluk. U blijft die ene alleen volgen met de ogen en alleen daarop Uw
aandacht concentreren. Kunt U dat, dan kunt U die ene volgen door alle gewoel heen.
Wanneer wij komen te zitten in een situatie, waarbij ons magische ren grote verwarring tot
stand heeft gebracht, en voor ons dus plotseling een complex beeld ontstaat, waaruit wij geen
uitweg vinden, dan moeten wij - ongeacht de verschijningen, of verschijnselen - ons blijven
richten op die ene intentie, willen wij wat tot stand brengen.
Heel vaak gebruiken wij incantaties om die stemming, die bezweringsstemming, die
afstemming van het ik te bevorderen. De vorige maal heb ik U een paar voorbeelden van die
bezweringen gegeven. Kunt U zich persoonlijk voorstellen, dat U zo'n bezwering uit spreekt?.
Hoe zoudt U dat doen? Ik zou de naam in gedachten nemen, die U in de vorige les opgegeven
hebt en deze vragen mij te helpen. Ja, dan staat U voor de moeilijkheid, dat U niet weet, wat
die namen betekenen
Het zijn Goden?
Geen Goden: krachten. Ik heb dan ook o.m. uitdrukkelijk gezegd, dat de door mij gebruikte
naam Azazel niet die van een demon is. (Eerste, z.g. negatieve bezwering).
Voorzichtigheidshalve heb ik n.l. "verhoudingsnamen" gebruikt en verder alleen enkele
Godsnamen. In ieder geval: U kunt het zich enigszins voorstellen en begrijpt, dat het een soort
aanroepen is.
Ik zal heel kort zeggen, wat ik zou willen en erop rekenen, dat ik het krijg. Maar hoe zit het
met die namen?
Dit vertel ik U zo dadelijk. Ik had mij voorgenomen U iets meer te vertellen over de bezwering,
maar wilde eerste vastleggen, hoe U er tegenover staat.
Bij mij blijft de concentratie gericht op het punt, waarmee mijn concentratie begon.
U zégt het verkeerd. Gelukkig begrijp ik wat u bedoelt. Dat is hier wel het belangrijkste. U
meent, dat het belangrijk is het beeld te hebben, de intentie maar in dit geval is dit niet
helemaal waar. Bij algebra kunt U ook wel, wanneer U een bepaalde uitkomst voor ogen hebt,
proberen eenvoudig wat verschillende letters neer te zetten om dan maar te zeggen, dat het
zo wel klopt. Maar daarmee heeft U nog geen algebraïsche vergelijking. Wij werken hier met
formules. Het intuïtieve, wat hier ook al naar voren komt, is dus in dit geval niet helemaal
bruikbaar.

52
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

Ik zal mij altijd de figuur die ik altijd in gedachten heb...........
Met andere woorden, U prefereert het werken met een persoonlijke binding aan de kosmos.
Ik zal rechtstreeks aan mijn geleidegeest hulp vragen.
Dus weer hetzelfde: persoonlijke binding.
Ik zou deze aanroep doen tot God en ik meen, dat ik het bevel moet richten tot de kracht,
die het werk moet doen.
Dat geeft meer uiting tot het begrip van de situatie. Het is inderdaad waar.
Ik vind het zo'n gevaarlijk terrein, maar ik zal er niet toe over gaan, voordat ik het
vanavond goede uitleg heb gehoord.
Niemand zegt U dat U er toe over moét gaan. Als U rekenen krijgt met centen, dan wilt U toch
niet direct een groot handelshuis openen? Ik mag de reactie als volgt samenvatten. Een van de
aanwezigen kan het zich niet voorstellen. M.a.w. hij is niet in staat tot de nodige rationalisaties
om zonder een zeer grondige kennis van gegevens dit voor zichzelf te doen en vreest dan zelfs
in eigen ogen enigszins belachelijk te worden. Er zijn er ongeveer drie, die in staat zouden zijn,
om gebruik te maken van de procedure die ik U ga omschrijven. De anderen proberen op het
ogenblik een meer persoonlijke binding met het bovennatuurlijke, dat in feite een volledige
uiting van de eigen persoonlijkheid inhoud, maar met dit terrein op zichzelf weinig te maken
heeft. Het is mogelijk voor een technisch tekenaar b.v. om in enkele eenvoudige formules een
totale structuur uit te beelden. Dat betekent dat hij met deze formule de structuur op elk
moment hernieuwd op kan bouwen.
In deze ene formule ligt dus een totale opbouw verborgen. Dat kan zelfs zijn het
draagvermogen van de vleugel van een vliegtuig: het draagvermogen van een schip, de
structuurvastheid van een bepaald materiaal enz.
Alles kan op deze manier worden vastgesteld en uitgedrukt en de associatie, die de formule
heeft, voor degene die haar bewaart en gebruikt maakt een volledige reconstructie mogelijk.
Wat wij doen wanneer wij de magische sfeervormende bezwering gebruiken, wanneer wij dus
op zoek gaan naar ons contact met de macrokosmos en via de macrokosmos ook met een
tweede werkelijkheid: dat is eigenlijk onze persoonlijke structuur opbouwen, maar met een
kennis van onderdelen, zodat het ons mogelijk is door het gebruik van verschillende formules,
verschillende geestelijke structuren te doen ontstaan in onszelf - en gezien de wet van
harmonie en evenwicht - dus ook tussen onszelf én de macrokosmische krachten, een zekere
vaststaande verhouding te scheppen. Wanneer ik nu alleen met een Scheingestalt werk, dan
blijf ik uiteindelijk toch gebonden aan mijn eigen persoonlijkheid en mijn eigen bereiken.
Misschien, dat ik mij als magiër, niet in staat voor die verhouding zelf tot stand te brengen en
dat ik mij dus de Scheingestalt neem als een hulp bij het magisch werk. De Scheingestalt zelf
kan nooit dezelfde contacten betekenen, die ik langs deze weg van afstemming, van
persoonlijkheid, sfeervorming enz. kan bereiken. Wij zullen dus de kwestie van het vormen
van sfeer werkelijk eens nader onder de loep moeten nemen. U kunt zich waarschijnlijk wel
voorstellen, dat je om niet gebonden te zijn aan een steeds wisselende koers van vreemde
valuta, een gemiddelde neemt, een omrekenkoers, die je aanhoudt bij elke calculatie van een
prijs voor het buitenland. Het is toch helemaal niet belachelijk, dat je dan rekent met deze
gemiddelde prijs, dat je die opgeeft, ook al is zij onnauwkeurig. Evenmin is natuurlijk
belachelijk, wanneer wij gebruik maken van zekere middelen om toch het magische te
bereiken. Wanneer wij daarbij gebruik maken van de formule als de gemiddelde waarde, dan
is dat alleen maar om het ons makkelijk te maken met die tweede werkelijkheid in verbinding
te keren en bovendien de krachten uit de macrokosmos te kunnen verwerken, zowel in de
tweede realiteit als in onze eigen wereld. Of U daar gebruik van kunt maken, is weer een
andere vraag.
Wij hebben nu even de verschillen, die in de kring bestaan, onder de loep genomen. Nu gaan
wij dus een formule opbouwen. Wat heb ik voor een formule nodig? Geen concentratie in de
eerste plaats. De concentratie op zich zelf doet het niet. Ik heb een beeld nodig. Dat beeld
moet mij desnoods als zuiver persoonlijk beeld, een verhouding in de kosmos voor ogen
brengen. De vorige maal hebben wij, geloof ik, de naam van Mercurius gebruik de grote

53
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

Parabogath. Wat is dat? Wat is die grote Parabogath? Het is het symbool van bepaalde kracht,
met bepaalde inwerkingen. Wanneer wij dit nu eens gaan ontladen, dan kunnen wij ook
zeggen, dat dit de uitdrukking is van een bepaalde evenwichtsverhouding tussen werkelijkheid
A waarin wij leven, een werkelijkheid B, die ons voortdurend benadert maar zich aan ons
direct kennen, onttrekt. Denkt U aan de tijdsmomenten.
Ik heb hier een verhoudingsgetal a.h.w. vastgelegd in een naam. Nu is die naam
geconstrueerd. Het construeren van die namen kan ik U op 't ogenblik niet ineens gaan leren.
Dat gaat te ver. Er zijn namen, die door de letters, die gebruikt zijn en de verkortingen die
mogelijk zijn - men doet dat meestal in het hebreeuws - verkorte namen dus tot hebreeuwse
tekens een getallenwaarde hebben. Die getallenwaarde maken deel uit van onze formule. De
naam is dus een symbool als b.v. in de bereiking van de cirkel: pi, 22/7, oftewel 3, enz. Wij
geven: hiermee een waarde aan.
Wanneer ik begin met een aanroep: "grote Parabogath..." wat doe ik dan eigenlijk? Ik realiseer
voor mijzelf dus deze uiting van verhouding van kracht. De persoonlijkheid bestaat wel. Maar
niet zoals wij hem voorstellen en zoals wij hen gebruiken. De persoonlijkheid is er, maar wat
wij doen, is de werking die in de persoonlijkheid zwak wordt weerkaatst, in zijn zuivere
verhouding nemen. Er zijn ook tegengestelde namen. Wat zoudt U zeggen van Modiath?
Modiath is een z.g. dienende naam. Hij kan onder omstandigheden ook een demonische naam
zijn. Is kleiner en korter. In deze naam is ook een verhouding uitgedrukt. En nu is dit
eigenaardig genoeg, weer een verhouding, waarin Uw eigen werkelijkheid superieur is.
Parabogath stelt de tweede wereld superieur. Wij gaan dus de werkingen van die wereld in
onze wereld openbaren. Maar onze wereld heeft in Modiath invloed op de andere wereld. Het
ene geval gaat dus van buiten onze wereld de eerste werking uit, in het tweede geval is het
onze wereld, die werkingen veroorzaakt. U zult dus zich afvragen, wat doe ik met die magische
namen? Moet ik die allemaal leren?
Het is meestal beter. Een kennis van die namen is, laat ons zeggen, prettiger. Wij hoeven niet
met een eigen schrift te beginnen, maar wij hebben een schrift, dat heel oud is, dat door alle
eeuwen gebruikt is, waarmee wij dus a.h.w. met anderen contact kunnen krijgen en van
mening wisselen. Maar nodig is het niet.
Ik kan net zo goed zeggen als grote Parabogath: "O, snelle hemelbode. Mercurius", dat komt
op hetzelfde neer. I.p.v. Modiath kan ik ook zeggen: "Gij, dienende genius". De namen op
zichzelf met hun getallenwaarden, kabbalistische waarden feitelijk, zijn uitdrukkingen van
ideeën. Wanneer ik die uitdrukking van ideeën vervang door andere, althans, dan kan wanneer
de intentie gelijk is, de werking volledig gelijk blijven. U kunt een steno uitvinden, dat nergens
op de wereld bekend is, maar wat voor U herleesbaar is. Al kan niemand anders het lezen,
heeft het voor U dezelfde betekenis die een normaalschrift voor een ander heeft. Vooral in het
begin is het erg prettig dit te weten. U heeft voor bepaalde begrippen en verhoudingen ook Uw
eigen naam, uw eigen ideeën. Deze kunt U dus gebruiken. Nooit en te nimmer mag de kracht,
die U aanroept, worden gezien als alleen maar een persoonlijkheid. Zij is en blijft het symbool
van een zekere werking, anders niet. Dat moet U goed onthouden,
De Heren van Wijsheid en de Heren van Leven ook?
Zij zijn de symbolen van bestaande persoonlijkheden. Symbool van bestaande krachten, die
niet anders voorstelbaar zijn. Dat is hetzelfde als het plaatje, wat U ziet in een encyclopedie
Daar kunt U misschien uit zien, wat een tweevingerge luiaard is, maar dan weet U nog niet
precies hoe het beest werkelijk is. Dan kan er in staan, dat een automobiel U voort kan drijven
over de wegen door middel van zus en zo motoren en dan een vervoerssnelheid op kan
leveren van 130 km. per uur. Maar dan weet U nog niet, hoe het is in een auto te rijden en U
kent die auto nog niet. Maar als je geen auto hebt, kun je in ieder geval het beeld bij
benadering verkrijgen, door het encyclopedisch symbool, wat ervoor gegeven wordt, plus de
omschrijving.
De Heren van Leven enz, waar wij het over hadden, zijn in feite symbolen. Zij zijn de beperkte
uitdrukking van krachten, welke bestaan voor de doorsnee-mens en zelfs voor vele geesten,
nog niet bereikbaar is. Wij hebben verschillende planeten, die wij nemen als symbolen van

54
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

werking. i.v.m. astrologie. Nu hebben wij b.v. Mars. Mars voor de dinsdag. Zo goed als de
maan voor maandag en de zon voor zondag is. Wat geeft Mars? Wat voor eigenschappen
kennen wij Mars toe?
Strijdlustig, oorlogszuchtig.
Dat is allemaal niet even juist. Mars staat dus voor ons in de eerste plaats, behoort voor ons te
staan, als symbool van mannelijkheid, staat ook voor het mannelijk symbool. Het is
eigenaardig, dat het Zegel van Ophiël een praktisch phallische vorm heeft. Het is dus weer een
naam. Dan verder staat hij voor vrijheid van verraad, ridderlijkheid, voor krijgslustigheid, in de
vorm van nood en strijdvaardigheid. Maar Mars staat niet voor oorlogszuchtigheid. Dat is iets,
wat men op aarde wel zegt, maar dat is het demonisch, oftewel het schaduwaspect van Mars,
dus niet het goede aspect. Dan heb ik dus een aanroep te richten tot deze Mars. Nu hoef ik dat
helemaal niet te doen in termen, die zo buitengewoon zijn. Eerst moet ik contact krijgen.
Als U een vreemdeling ontmoet, wat doet U? U begint te praten. Wanneer U ergens
binnenkomt begint U ook te begroeten. Nu goed, begint U dan maar: "O Mars, gij derde Licht
van de Hemel, gij, krachtige ster, ik groet U". Wij groeten elkaar. En het werk, dat ik ga
ondernemen, dat omschrijft U desnoods, "verzoek ik U mij bij te staan en door Uwe krachten
mij te doen slagen en te beschermen voor deze dag, ik vraag U dit in de heilige naam - of de
machtige naam - en dan haalt U daar Gods namen aan. De Godsnamen zijn wel werkelijke
namen. Daar kom ik dadelijk nog op.
Dus b.v. kan die bezwering dus beginnen: "O, Machtige Mars, derde Licht van de hemel,
Heerser van deze dag. Ik vraag U om mij bij te staan in het werk, dat ik tracht te volbrengen,
Geef mij Uw kracht, Uw moed en Uw strijdvaardigheid. Dit smeek ik U bij de heilige naam
Emanuel". U had net zo goed Adonai kunnen nemen, want deze naam past ook hierbij.
Emanuel geeft n.l. een vredesaspect, zal dat wat U oorlogszucht noemt, uitschakelen. Dan
begin je dus: "Ik roep U op". Dan hebben wij contact gemaakt. Waarvoor hebben wij dat
contact gemaakt?
Ik roep U op, O, Ophiël en al Uwe strijdbare heirkrachten. Dat gij komen zult en mij
bescherme. Ik vraag U dit door de bemiddeling van Uwe geliefde dienaren" ,dan noemt U de
dienaren op, dienaren die U wilt hebben, dus b.v. om nu te omschrijven en niet de namen te
geven; “Uw dienaren, die geven de moed, de beveiliging en de zekerheid, zij die de vrede
handhaven en zijnde de krachten en sterkte der wereld. Zend hen tot mij, opdat dit werk, wat
ik volbreng ter ere van de Schepper en in Uwe naam, zal moge gelukken en slagen." Nu
hebben wij opgeroepen. Nu hebben wij te maken met die krachten en krachtverhoudingen. Nu
de bezwering:
"Ik bezweer u, gij strijdbaren van het Derde Licht der Hemel, kom tot mij. Komt en aarzelt
niet. Komt tot mij en bescherm mij tegen alle kwade krachten, die mijn werk zouden doen
mislukken”.
Dan kunt U daar iets bijvoegen.
"Geef mij de kracht, die noodzakelijk is, de taak, die ik op mij neem, te volvoeren. Geef mij
de nood om de beproevingen en gevaren te doorstaan, die daaraan verbonden zijn. Aarzelt
niet en voegt U bij mij. Dit beveel ik U in de heilige namen: Elohim, El, Yaweh, Agyos".
Het is een voorbeeld van een bezwering: U moet het ontleden. Het gaat hier, om het begrip
ervoor. Door dit spreken heb ik mij gericht op een bepaalde kracht. Dat ik daarvoor het
symbool van de planeet Mars heb genomen, komt maar alleen maar, omdat Mars in de
gedachten der mensen vereenzelvigd wordt met een bepaalde kosmische kracht, die lang niet
altijd dezelfde behoeft te zijn als Mars, de planeet. Verder heb ik de naam van die kracht
gebruikt. Soms gebruikt men ook het cijfer ervan. Door dit te doen heb ik dus een
omschrijving gegeven, een formule. Wat betekent die formule nu, zoals ik hier Ophiël heb
gebruikt?
Ophiël is, wat men noemt de heerser van de strijdbare krachten. Strijdbare krachten betekent:
krachten in conflict. Het woord "Ophiël" geeft in het "iël", dat wij ook als "aël" tegenkomen,
een veel voorkomende uitgang, praktisch bij alle namen die betrekking hebben op functies,
55
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

een kosmische werking. Het "Oph" geeft aan "goud". D.w.z.: hiermee geef ik aan de kleur van
de kracht, die werkt. In "Oph" zit verder opgesloten de weerbaarheid en het conflict. Mars is
een planeet van conflicten. Of beter gezegd de kosmische kracht, die door Mars en het
voorstellingsvermogen van de mens wordt vertegenwoordigd. Door dit zó te stellen, heb ik dus
gezegd: Heerser van de strijdbare krachten. Storing, of tegenstelling in het Goddelijk veld. “Op
U stel ik mij in" een kwestie van instelling.
Nu heb ik daarvan een bepaald iets nodig. Denkt U eens aan de vloed, waar die opkomt. Je
ziet de golven aanspoelen. Het wordt omhoog geheven, zij het tijdelijk, het water. Het kan ook
omslaan, de golf kan bedelven. De golven kunnen voor zich uitstuiven, zij kunnen ook
omwerpen. Dat is van allerhande dingen afhankelijk. Een golf kan ergens recht op aan komen,
of wel wat scheef. Degenen, die zeilen kunnen, weten het wel. Je moet stroming en golfslag en
vooral ook de branding goed bekijken, voor je je erin waagt. Doe je dit niet, dan dreigt er
groot gevaar.
Nu nemen wij dus aan, dat ik deze kracht nodig heb om een geschil uit de weg te ruimen, een
ruzie. Dan zal ik nooit een kracht nodig hebben, die direct de strijdvaardigheid zelf is. Wat heb
ik wel nodig? Stille kracht. Vandaar, dat ik in de formule spreek door bemiddeling van "Uw
geliefde dienaren". "Van Uwe geëerde dienaren," indien U met meer duistere krachten werkt.
Ik heb hiermee bepaalde functies uit dit veld gedefinieerd, zoals ik, een formule ook kan
ontleden, zodat ik stel: x = za + zb +xe enz. Ik heb uit het totaal der in de kracht aanwezige
factoren dus precies dat genomen wat ik nodig heb. Deze ga ik nu verbinden met een
Godsnaam. Maar wat is een "Godsnaam.” U weet allemaal, dat er in de kosmos krachten zijn,
die als delen van het Goddelijke de scheppende werkingen Gods in een bepaald vlak van het
Goddelijke volbrengen. Tronen, Heerschappijen enz. Dezen worden nu door die Godsnamen
aangeduid.
Het zal U duidelijk zijn dat, wanneer ik een conflictwerking nodig hebt ik deze in een bepaald
vlak nodig zal hebben. Wanneer ik een stroming zoek bij Hoek van Holland zal ik niets
bereiken in Scheveningen of IJmuiden, bij Dordrecht of bij Vlissingen. Ik zal naar Hoek v.
Holland gaan, op de zelfde wijze bepaal ik het gebied, waarin het voor mij belangrijke conflict
moet ontstaan. Ik doe dit door het gebruik van een bepaalde Godsnaam. Maar het is niet
voldoende, wanneer ik daarbij stil blijf staan. Door het gebruik van de namen heb ik a.h.w. de
som voor mij op het bord geschreven. Nu ga ik gebruik maken van de krachten, die in mij
schuilen. Dit nu is het waarbij voor U daar de scheingestalt, de geleide geest, de geestelijke
leider enz. bij te pas gaan komen. Ik ga mijn wezen instellen op het voor mij voorstelbare
totaal van de goddelijke Kracht. Nu kun je je God nooit helemaal voorstellen. Dat gaat niet.
Dus een beeld is altijd maar een deel. Wanneer je een bol ziet, zie je de achterkant niet. Goed.
Ik aanvaard God en tracht, zij alle goddelijke functies zo voor te stellen dat ik die verenig in de
kracht, waarmee ik vanuit mijzelve beveel. Want uit het totaal der goddelijke kracht trek ik het
ver mogen om via de geschapen harmonie de werkingen die ik heb aangeroepen, opgeroepen
en bezworen, werkzaam te doen worden. Zijn zij eenmaal werkzaam, dan zijn er twee
mogelijkheden: In de eerste plaats kan ik werken vanuit mijn eigen wereld, maar met deze
kracht. Ik verkrijg dan dus een door mijn denken en voorstellingsvermogen precies
gereguleerd verschijnsel en uit zo door de kracht mijzelve. Ofwel ten tweede. Ik heb een
impuls gegeven aan een kracht en zal nu afwachten, hoe deze zich in mijn wereld openbaart.
U zult misschien menen, dat die eerste methode een voorkeur verdient. Maar dit is niet juist:
Wanneer ik met de goddelijke kracht werkt beschik ik ook over een groter weten dan ik als
mens of geest ooit zal kunnen bezitten. Herinner U maar wat wij gezegd hebben over het
aanvullen van het weten en denkvermogen door de "scheingestalt. Herinner U verder hetgeen
wij vertelden over het kosmisch bewustzijn, dat ook in een mens vol kan ontstaan, wanneer hij
voor een ogenblik het eigen bewustzijn verliest in het grotere bewustzijn, waarvan hij deel is.
Het is dus zeer beperkt, wanneer ik vanuit mijn eigen wereld die krachten ga beheersen. Ik
heb zelfs geen voldoende overzicht over de consequenties. Ik zal dit dus alleen doen, wanneer
het voor mij noodzakelijk is om een bepaalde werking te verkrijgen: dat is meestal een
negatieve.

56
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

Ik kan natuurlijk vernietigende krachten oproepen en die van buitenaf op laten treden. Maar
dan vernietigen datgene, wat het meest aangetrokken is door de vernietiging zelf. Dus
gelijksoortige krachten. Het zou wel eens kunnen, dat je met b.v. het vredelievende wilt
vernietigen, i.p.v. het oorlogszuchtige. Dat is demonisch, dat is duister. Maar in dat geval dus
werk je alleen in dergelijke gevallen met de krachten, die dienend zijn zonder meer. In alle
andere gevallen roep je krachten aan tot bijstand en neem aan, dat zij dus de gunstige
condities voor het erkennen van je totale persoonlijkheid scheppen. Daar hebt U een ontleding
van deze bezweringen. Wij hebben U verteld over deze gebieden, met zoals hun kleuren erbij,
die U zich voor kunt stellen onder de Meesters van Wijsheid enz. van Leven. Deze dingen zijn
bruikbaar in concentratie. Daarmee kun je bepaalde krachten in jezelf versterken.
Wat is dus logisch? Wanneer ik ga beginnen met een magische bezwering, zal ik mij niet alleen
reinigen, maar ik zal bovendien trachten om datgene reeds te verkrijgen - door meditatie - wat
nodig is en mijn magische bezwering meer werkzaam te maken. Wat is daarvan het gevolg?
Dat ik b.v. voor iets waar het om het leven gaat, mij op de Heren van Kracht of van Leven ga
concentreren. Het gaat om bewustzijnswaarden op de Heren van Wijsheid. Ik heb dan een
instelling, die het mij makkelijker zal maken in mijn bezweringsformule zo dadelijk het juiste
te beseffen en buiten mijn verstandelijke middelen om het juiste te doen en te bereiken met
mijn gehele persoonlijkheid. Elke Godsnaam - dat moet U even onthouden - heeft een
beduiding. Om een Godsnaam te kunnen gebruiken, moet U ook weten. wat zij betekent.
Wanneer U die namen niet volledig kent in hun betekenis - Emanuël, Hij, Die gaat komen,
Jehova, Hij, Die beschermt en regeert: Adonai, Hij, Die lief heeft en vrede geeft - dan doe je
verstandig om de Godssymbolen te nemen, die je zelf kent.
Wij kunnen dus vooral in het begin, de grootkosmische kracht de beschermer en de wijsheid
aan te spraken met "Vader". De openbaring en de werking op de wereld als de "Zoon", of als
Jezus Christus. De vlucht van het bewustzijn als "Heilige Geest". Wij hebben die grote
sortering niet direct nodig, maar hoe verder wij komen met ons vermogen om de
eigenschappen van het kosmische te onderscheiden, hoe makkelijker wij zullen werken.
De realiteit, waarin U denkt te leven bestaat eigenlijk niet. D.w.z. dat het irreële, het z.g.
niet-werkelijke in feite vaak werkelijker is, dan wat U "werkelijk" noemt. Onze vriend Henri zou
er misschien jaloers op zijn maar het is waar.
Op het ogenblik dat wij - vanuit ons standpunt dus - gaan spreken dan over werkelijk
ongeveer van het geheel. 10% ten hoogste 90% blijft ons onbekend en wordt door ons als
gelijkwaardig met de 10% berekend. Wij vergeten daarbij, dat ons eigen wezen selectief is:
dat het dus geen doorsnee monster is van onze werkelijkheid, doch een geselecteerd monster,
zodat het niet met het totaal volledig overeen kan stemmen. Daardoor ontstaat onze waan. De
mens heeft op 1001 manieren getracht aan die waan te ontkomen Juist degenen, die dit
terrein van het magisch werken zochten, hebben hun best gedaan daar een concretere
achtergrond aan te geven, door te erkennen, wat zij niet wisten. Zij hebben het onbekende
een reeks van namen gegeven en een reeks van aanduidingen. Zo is men gekomen tot
reeksen van cijfers, die elk hun eigen betekenis hebben. Zo kan het getal 666 een functie zijn
van Mercurius, maar ook van Saturnus. Maar het is gelijktijdig het anti-Goddelijke. D.w.z. Het
principe, dat het volledig materialisme vertegenwoordigt 999 precies hetzelfde. Het getal van
hen, die hogepriesterlijk is, die n.l. niet alleen 3 x 9 is, naar ook 27 en dus wederom 9. Dus 9
doorgevoerd in het symbool. Deze is niet alleen, zoals men zegt: Jezus Christus, of de
Verlosser, of de Openbaring, of de wijsheid, maar het is de uitdrukking voor de mens van het
contact met God, dat hij niet nader kan omschrijven.
Vreemd genoeg vinden wij dat ook terug in Mercurius, daarnaast in Venus, maar ook in de
zon. Wij vinden b.v. getallen als 111, maar ook 47, die elk weer een verhouding aangeven tot
God. 111 is 3, is de Schepping. Maar de volledige uiting van krachten, waarbinnen wij bestaan.
47 is een aanduiding van het getal 2, ook van 11, 1 + 1 Het geeft als zodanig weer: God
werkend in de men, maar ook: de openbaring in tegendelen.
Het totaal der elkaar aanvullende tegenstellingen, zo het evenwicht in het getal aangeduid,
met daarnaast: God in de bewuste mens, of hogepriesterlijke mens, zo de vervulling van
bewustwording. Men heeft geprobeerd in deze getallenreeksen dus een basis te vinden, zoals
57
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

b.v. Einstein op een gegeven ogenblik een formule stelt voor hetgeen niet redelijk
waarneembaar is, of aantoonbaar. Deze oude vorm van werken is voor de magiër van erg veel
belang. Van zoveel belang, dat wij het zonder dit het niet kunnen stellen. Wij hebben een
kennis nodig van wiskunde, die misschien niet alomvattend is, maar die ons toch de
mogelijkheid geeft om toch verhoudingen te zien, zelfs al is dit alleen maar in een
tweedimensionaal vlak. U moet iets weten van formulerekenen, omdat wij begrijpen, hoe je
door bepaalde waarden op een zekere wijze t.o.v. elkaar te stellen, de waarde van de uitkomst
wijzigt.
Ik zeg: a / b = c. Dan kan ik ook zeggen: b x c = a, enz. Dan hoef ik niet te weten, wat die
waarden zijn, dat is toch altijd juist. Wanneer ik dus verschijnselen ontdek, waarvan ik de
achtergrond niet precies ken, maar waar ik wel een zekere kracht in herkennen wil dan kan ik
die een naam geven. Wanneer ik meer gelijk voorkomende verschijnselen ken, kan ik die ook
een naam geven. Wanneer ik weet, hoe die krachten t.o.v. elkaar zijn in uiting, kan ik
berekeningen maken, waardoor ik de werking van die krachten in alle verschillende
verhoudingen en verschillende wijze van samentreffen op deze wereld berekenen kan.
Daarnaast krijgen wij ook de kwestie van intonatie en klank. Nu is een klank in feite ook niets
anders dan een trilling, een getal. Maar 't is bovendien een getal, dat gevormd is. Dus ik heb
een toon áááá', zoveel trillingen. Maar ik ga nu op deze toon áááá een woord vormen. Ik ga de
trilling zelf moduleren. Wat krijg ik? Twee waarden, die t.o.v. elkaar variëren, die een hecht
geheel vormen, maar een tweeledige, n.l., een hoge frequent en een lage frequent de
beïnvloeding van de omgeving betekent. Maar nu kán ik ook die toon gaan variëren: á áá á áá.
Wat krijg ik dan? Dan krijg ik nog een derde ritme erbij. Dat schep ik ook weer met ritmische
klank en formules. Het is dan ook zo, al zou menig musicus mij dat willen bestrijden, dat
muziek uitdrukbaar is in mathematische formules: dat je aan de hand van wiskundige
vergelijking een heel aardig muziekstuk op kunt bouwen.
U zult vragen: waar blijft de ziel, het gevoel, want het is structuur. Dat is de intentie, waarmee
wij het gebruiken, de bedoeling, de wil, die er achter zit. Wanneer wij ook de klankvorming
kunnen beheersen, kunnen wij ook invloeden scheppen. Nu heeft U misschien wel eens
gehoord, dat wanneer 2 op zichzelf lage trillingen samentreffen, vaak door een onderling
verschil, boventonen bestaan, die veel hogere en veel lagere frequenties beroeren.
Wanneer ik een bezwering uitspreek en ik gebruik daarbij de juiste ritmiek en klankvorming,
wat doe ik dan? Dan schep ik 3 ritmen. In de eerste plaats de toonhoogte met zijn variaties. In
de tweede plaats mijn klankvorming met zijn variaties, en in de derde plaats - dat is nu het
leuke - het samenvallen van die klankvorming en de toonvorming in wederom een bepaalde
frequentie. Ik straal dus door dit samenspelen van 3 aparte trillingswaarden, een betrekkelijke
grote reeks van hogere en lagere klankwaarden uit. Waarden, die veel verder gaan, niet alleen
dan het hoorbare gebied, maar die ook onmiddellijk een boventoon hebben, andere dan
stoffelijke gebieden. Het is dus logisch te stellen, dat de schijnbaar onzinnige aanroeping die ik
gebruik, toch geestelijke consequenties en werkingen kan hebben. Dan volgt hieruit, dat de
aanroeping voor mijzelf een zekere zin behoort te hebben, maar dat deze zin een zeer
persoonlijke kan zijn. In de tweede plaatst dat de werking van mijn aanroeping zich onttrekt
aan alle beredeneringen en logica, zij het dan aan de berekening van frequenties met een
volledige kennis van de mogelijke boventonen boven en onderfrequenties, die kunnen ontstaan
als gevolg daarvan. Ten derde: dat pas een oordeel over een incantatie en bezwering kan
worden gesproken op het ogenblik dat wij in staat zijn niet alleen onze eigen wereld, maar ook
de neven gelegen werelden, de andere werkelijkheid te kennen, eerst dan weten wat zij
inhouden. Is hier iemand, die hieraan een conclusie kan verbinden? Neen, Ik wil U een heel
simpele geven.
Het is onder omstandigheden noodzakelijk om luid op te bidden, waar de werking van dit
gebed een geheel andere is, dan van hetzelfde, dat stilzwijgend, zelfs met de grootste
intensiteit, wordt uitgesproken. Omdat hetgeen de gedachten bereikt, iets anders is dan
hetgeen door het uitspreken bereikt wordt. Door het uitspreken van het gebed heb ik dus een
tweede wereld a.h.w. mee betrokken erin en heb ik de werkzaamheidsmogelijkheid van het
gebed aanmerkelijk vergroot.

58
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

Mary Eddy Baker wenst juist, dat wij in stilte bidden.
Het ligt eraan, welke wereld je wilt bereiken. Wij gaan hier uit van 't magisch principe. De kern
van deze leergang is gebaseerd op de magie. Is het dus ook niet logisch dat wij moeten leren
hoe wij onze stem moeten gebruiken. Is er iemand, die hiervan een voorbeeld kan geven?
Men kan door de intonatie nadruk geven aan het gesprokene en zo zijn publiek meekrijgen.
Ik breng dit ook bij mij patiënten in praktijk.
Volkomen juist.
Op een congres sprak ik over "Broederschap der Mensen". Ik riep - symbolisch - de
Russische leiders toe, dat er een God is en eindigde, dat zo zij wilden bidden, wij met hen
zouden bidden. Ik besloot dit met een driemalig "Amen", gesproken met resonerende n.
Het voorbeeld is niet helemaal duidelijk, omdat U het hier werpt op een enkel woord, maar dat
is niet juist. De sfeer was natuurlijk al opgebouwd. Zodat het voorbeeld niet juist gekozen is,
waar het hier om ging om een gebruikmaken van het reeds aanwezige.
Inderdaad, ik probeerde in Zeist hetzelfde, maar daar word het niets.
Hieruit blijkt dus wel, dat U in staat moet zijn, de sfeer van Uw omgeving wel degelijk te
beheersen. Dit is nogal moeilijk. Maar onze eisen gaan nog verder. Voorbeeld: Wij zitten hier
heel gewoon te praten: een zekere sfeer is er natuurlijk door Uw geboeidheid. Dat kan ik niet
voorkomen. Ik kan niet beginnen met een platte grap te tappen, zodat U geërgerd zult zijn.
Dat gaat een beetje te ver. Toch is het nu moeilijk om in een kort ogenblik iets speciaals op te
bouwen. Dat doen wij dan b.v. zo: Wat is de eerste behoefte? Rust. Wij moeten beginnen met
rust, met gedragenheid te suggereren. In deze suggestie moet onze wil doordringen in de
mens opdat hij gevat en geketend in de ban van de woorden, een ogenblik zijn eigen wezen
vergeet en samensmelt.
Ik weet niet, of U het merkt. Wat heb ik gedaan? Ik heb mijn betoog vervolgd, maar U heeft
de woorden niet meer zo gevolgd. U heeft wel een zekere invloed ondergaan. Dus dit is nu een
zuiver woordgebruik, wat je t.o. een menigte gebruiken kunt. Wij kunnen het ook anders doen.
Het kan mij n.l. wel eens gaan om het doorklinken van mijn woorden, niet naar de mensen,
maar naar andere werelden. Daar moet ik ook weer mijn woorden aan gaan aanpassen. Ik
moet ook hier weer iets opbouwen. Dat is heel wat anders dan een overweldigen door mijn
woorden. Dan moet ik gaan spreken in de cadans, die het mij mogelijk maakt en door te
dringen tot in verdere sferen en om mij te verheffen boven het menselijke, opdat ik
doordringend in de andere wereld, daaruit de krachten mag verwerven, die mij in staat stellen
de sfeer en de vrede te handhaven, die noodzakelijk is, of de verklaring van begrip te brengen,
die U wanneer U een ogenblik voelt en opmerkt het als een lichte koelte zult aanmerken: een
contact met een andere wereld dat ik heb verkregen en verwerkt, alleen door het gebruik van
de steil en het juiste ritme en in de juiste klankvorming.
Misschien heeft U ongeveer op kniehoogte wel enige koelte gevoeld. Dat is n.l. iets, wat je
hiermee krijgt. Ik ga niet te ver ermee door. Het heeft geen zin om andere werelden té ver te
wekken. Maar datgene, wat ik hier doe, is nu alleen het gebruiken van de klank, maar ook nog
veel meer. Stel nu eens, dat ik een van de genoemde groepen, b.v. licht wijsheid, leven op wil
roepen...
Wijsheid
Nu wil ik dus contact maken tot de Heren der Wijsheid: dat contact kan ik natuurlijk meditatief
gaan maken. Maar ik kan het ook gaan doen door een reeks van namen. U moet mij één ding
beloven: gaat U nu niet proberen die methode van die namen te volgen. Er zit nog wat meer
dan alleen maar een paar namen. Dat kan ik U verzekeren. Later leert U langzaam maar zeker
ook dit gebruiken. Voorlopig moet U eerst weten, wat er gaande is en wat er mogelijk is.
Wij gaan de Heren van Wijsheid zoeken. Dat hebben wij daarvoor nodig, in de eerste plaats
eigen instelling. In de tweede plaats: kennis van datgene, wat met de wijsheid in verband
staat. In de derde plaats: de mogelijkheid om je zo uit te drukken, dat ik a.h.w. naast de
instelling op een andere wereld, die zo makkelijk is, de kosmos zelf benader.

59
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

Dan krijg ik weer een heel andere sfeer en een heel andere stemming. Ik zet het vuur niet
helemaal door. Ik zeg het U er uitdrukkelijk bij dat het hier ons niet alleen om het experiment
gaat. Maar om de lering, die er voornamelijk uit te trekken is.
In de macht van het blauwe licht, erken ik U, o, waker Zachiël. En uit Uw licht put ik, op dat
mijn ziel zich moge verheffen. Ik zeg U, omhul mij met Uw mantel, o, Azraël. Draag mij
opwaarts, O, gij boodschapper. Gabriël. Hoed mij ten zeerste, Samaël. Breng mij over de
grenzen van tijd en leven. Wonder licht van kracht, Archilumen, Otayan, Archisbona,
Anasbona. Verhef mij tot Uw weten. Laat het blauwe licht der wijsheid heersen, de kracht der
waarheid zich openbaren, de sluier vallen en het weten één worden met de kracht.
Daarbij laten wij het vandaag. Misschien, dat wij later gezamenlijk die oefeningen eens
helemaal doorvoeren. Maar voor het ogenblik is het voldoende, dat U evt. weet, wat er
gebeuren kan. Misschien heeft U ook wel opgemerkt, dat dit anders is, misschien voelt U van
binnen.
Dit was een klein voorbeeld, wat nodig is, te vocaliseren, te spreken en de verschillende
manieren waarop je spreekt, die maken eigenlijk precies uit, wat je bereiken kunt. Er is een
zekere kennis voor nodig. Door op deze manier dus te leren spreken, kunnen wij al die
gebieden van de groot kosmische krachten bereiken. Wij kunnen contacten maken. Of wij die
contacten nu maken om iemand te genezen, of te helpen of wij contacten maken op de oude,
of op de nieuwe manier maakt heel weinig uit. Er bestaan heel oude incantaties van zuiver
religieuze geaardheid, die even werkzaam zijn als degenen, die ik hier gebruik. Per slot van
rekening, het is makkelijk genoeg, vrienden. Het is eenvoudig genoeg, wanneer je eerst maar
went aan het idee, dat je juist door dit, misschien op zichzelf schijnbaar onzinnige, toch wat
anders kunt krijgen, toch wat anders kunt beroeren. Om dat te kunnen bereiken, moet je iets
doen. Je moet de rede opzij zetten. Nu kan ik dus hier met een zekere suggestieve kracht,
omdat U hier bent, misschien wat verder meekrijgen dan een ander. Maar dan krijgen, wij nog
de nuchtere, die haast automatisch deze dingen van zich afschuift, die dat eigenlijk niet wil
ondergraan - onderbewust heel vaak een zekere angst ervoor - en wij hebben degenen, die
zich eraan over geeft en zich erin verdiept ineens. Als je deze dingen gaat beginnen, kun je dat
niet doen met een innerlijke afweer. Je moet het met overgave doen, anders heeft het geen
zin.
Dan staan dus al die gebieden van kracht, al deze Heren, deze gebieden, waarin ook
kosmische entiteiten tot uiting komen, staan voor ons open. Daaruit kunnen wij putten, zoveel
als wij willen. Voor allerhande doeleinden. Allen zullen wij die doeleinden steeds onzelfzuchtig
moeten nemen. Verder zullen wij er rekening mee mogen houden, omdat het vaak
verstandiger is, om een beetje algemener te werken, dan speciaal in één richting. Het is b.v.
beter om te vragen: "Geef mij kracht om alle lijden der mensheid te helpen dragen" dat
betekent dat in elk speciaal geval je die kracht ook wordt gegeven, dan te vragen: "Help deze
of gene".
Dat gaat wel in meditatie met gedachtekracht, maar dan is het wat anders, dan ga je aan de
persoonlijkheid denken. Maar in de magie ga je andere krachten helemaal dat werk laten
doen. Hoe nauwer je het omschrijft, hoe meer je kans hebt, dat er storing komt, of een
obstakel: dat je onverwachte gevolgen krijgt: omdat je de zaak niet juist inziet, of niet goed
genoeg overziet. Hoe vager het blijft, hoe beter het resultaat is.
Hetzelfde als U precies adverteert wat U aanbiedt, dan zult U over het algemeen in een
betrekkelijk kleine kring resultaat hebben. Vandaar, dat iemand U een advertentie toont,
waarin staat: "Ons nieuwste T.V.-apparaat, voorzien van zoveel buizen, met zoveel functies,
waarin zoveel schakelingen vernieuwd werden en zoveel oude schakelingen werden
gehandhaafd". Dat staat er niet.
Er staat: "Onze T.V. is supervisie". Of :"Met ons goudfilter en de gouden cascadeschakeling..."
Vaag. Waarom? Het wekt veel meer reactie.
Net zomin als de slager U precies vertelt: Morgen heb ik een reclameaanbieding, want ik heb
een oude koe gekocht! Hij zegt: Nergens in de stad vindt U zulke goedkope aanbieding van
deze kwaliteit. Hij laat het aan Uzelf over, ermee te werken. Het is voor hem het beste.
60
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

Wanneer een reclamemens op de aarde dat nu ontdekt, dat alleen de nauw omschreven
offerte zin heeft, wanneer wij staan tegenover een zeer nauw omschreven geval. D.w.z., dat
wij beter wat vager kunnen blijven wanneer wij de belangstelling ermee prikkelen, wanneer wij
maar contact krijgen.
Dat is met ons ook zo. Wanneer wij naar die geest toegaan en wij gaan precies vertellen, wat
wij willen, dan zijn er een hele hoop, die zeggen: "Neen, dat hebben wij niet". Wanneer U zegt,
dat U T.V. wilt hebben, dan kunt U overal kiezen. Maar wanneer U gaat precisieren, wat U
allemaal in dat apparaat hebben wilt, dan komt U tot de conclusie, dat er geen fabriek is, die
dat maakt.
Het is de vraag, wat U eigenlijk wilt hebben. Een bepaalde structuur, of wilt U een zo goed
mogelijke T.V.-ontvanger hebben. Dit nu als voorbeeld. Wilt U een zo goed mogelijke T.V.-
ontvanger hebben, stelt U dan Uw eisen wat vager. U krijgt dan makkelijker reactie, er zijn
meer mogelijkheden om te kiezen en dus ook meer krachten, die U helpen. Door Uw vage
vraag, krijgt U een zo goed mogelijke vervulling, van zo groot mogelijke krachten. Door een
zeer nauwe omschrijving krijgen wij magisch te maken met een betrekkelijk kleine kracht, met
een kleine entiteit - vaak zijn er ook weer persoonlijkheden aan zo'n kracht gebonden - die
dan ook precies, maar dan ook zeer precies, aan onze definitie beantwoorden, maar die
nevenwerkingen heeft, waar wij misschien niets van afweten. Wij staan misschien voor hele
rare resultaten.
In de tijd van de radio was er iemand, die een toestel wilde hebben, waarmee je ook China
mee kon horen. Toen hij het eindelijk kreeg, apart voor hem gebouwd en ontworpen, bleek dat
hij zoveel koppelingsknoppen moest bedienen, om een juiste instelling te krijgen, dat hij er
zelfs geen Hilversum uit kreeg. Dat zou U dus kunnen overkomen, wanneer U geestelijk te
preciesjes bent, te veel wilt vragen.
Daarom is dus het principe van deze magie, wanneer U deze bezweringen wilt gebruiken:
neem het wat vrijer, neem het wat algemener. Laat liever de goede en wetende krachten aan
de andere kant, waarmee U contact zoekt, werken en onderwerp Uw beperkt oordeel aan het
betere weten van deze kracht. Maar vraag ze altijd in de naam van God, het Hoogste het
Beste, wat je je voor kunt stellen. Laat je bij die keuze, wanneer je voelt, dat je zelf niet
voldoende capaciteiten hebt, helpen door een beeld, wat je projecteert als - aanvulling van je
wezen. Of je dat nu je geleider noemt, of je Scheinistalt, desnoods je schutspatroon, je
engelbewaarder, 't geeft niet.
Aanvaard elke aanvulling van datgene, wat volgens U goed en zuiver is, om tot een zo juist
mogelijk procédé te komen. Beschouw de rede in de magie als een basis, van waar je uit gaat,
omdat je je doelstellingen redelijk moet stellen. Maar vandaar uit: laat de rede achter. Begeef
je in het rijk van de geest.
Dat is dan voor vandaag eigenlijk de hoofdzaak.
Dan mag ik misschien, als er van Uw kant geen vragen zijn, ook iets vragen? Is er iemand, die
bij die aanloopjes van bezweringen, die ik gebruikt heb iets bijzonders aangevoeld? Heeft U
verschillen gemerkt en waar lagen die verschillen in? Zoudt U zich dat kunnen realiseren?
De temperatuur'?
Ja, onder meer. De temperatuur is iets, waar je je heel erg in vergist. Spanning.
Het ene is vlak en het andere........
Dat is heel begrijpelijk. De modulatie, die ik gebruik kan betrekkelijk klein zijn. Hoe kleiner de
modulatie is, hoe groter het aantal varianten, dat ik ga krijgen. Omdat ik een zekere harmonie
behoud en uit deze harmonie dus in een hoger gebied kom. Naarmate ik verder uitgrijp, wordt
mijn bezwering meer monotoon. Naarmate het mij er meer om gaat om U in een ban te
krijgen, ga ik meer met nadruk en meer verschillen spreken. Per slot van rekening, om een
vioolsnaar te doen trillen, moet je een betrekkelijk hoge trilling hebben. Maar om een pauk een
stevig geluid te ontlokken, moet je hem een flinke opduvel geven. Bij de mens heb je in de
eerste plaats altijd te maken met een lichamelijke reactie, waarachter dan de emotionele en
misschien ook de verstandelijke mee gepakt kan worden.

61
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

Maar die redelijke reactie is al betrekkelijk moeilijk. Daarom gaat het daar enigszins. Van dik
hout zaagt men planken. Doen de volksmenners ook. Zo dadelijk hoop ik van U een eigen
onderwerpje te horen. Mijn collega zal het behandelen, maar ik ben er wel bij aanwezig. Dan
zullen wij daarnaast ook de gelegenheid open stellen om meer persoonlijke problemen naar
voren te brengen, dus ook dat kunt U doen. Overweegt U dat in de pauze.
Dan hoop ik, dat U de voorgaande les nu beter aangevuld ziet, meer tot iets redelijks ziet
gemaakt, waar enkelen van U erbij herlezing, voor sommigen, "wel aardig, maar niets voor mij
vonden". Ik hoop, dat wij daar in ieder geval hebben aangetoond, dat het niet iets is voor
kinderen, of voor bijgelovigen, maar dat het een redelijke basis heeft.
U moet het niet teveel in de praktijk gaan brengen, maar dat u eerst eens probeert om dat
beeld helemaal te krijgen. Hoe meer U dat beeld heeft, hoe juister U zo dadelijk kunt gaan
gebruiken, wat U op de duur toch moet gaan leren nu.
De laatste 3 á 4 maanden zullen wij toch wel nodig hebben om juist op dit terrein weer eens
wat te leren. Verdere aanwijzingen krijgt U niet, maar aan het einde van de eerste les van de
vorige keer vindt u een reeks van kleine tips en kleine voorschriften. Neemt U die nog een keer
door, want die zijn werkelijk belangrijk.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
In deze tweede helft kunt U Uw meer persoonlijke problemen naar voren brengen en daarna
nog een kort eigen onderwerp stellen
Ik heb gevraagd het verschil van spanning, waardoor het ene monotoon gezegd wordt en
het andere veel gemoduleerder. Ik vond het gemoduleerde meer spanning wekkend.
U moet dit anders bezien. Wanneer wij voor mensen invloeden willen scheppen, dan is het
nodig om betrekkelijk scherpe tegenstellingen te veroorzaken. Het menselijk organisme is nu
eenmaal wat grover besnaard, dan vele geestelijke krachten. Waar het ons dus gaat om het
beïnvloeden van de mens zult U ontdekken, dat van scherpe toonverschillen en ook de
verschillen in sterkte in klank moeten worden gebruikt. Daarmee kan men dan de mens a.h.w.
lichamelijk beïnvloeden en daarnaast hem ook geestelijk boeien. Maar eerst gaat het om
lichamelijke eenheid. Wend men zich tot een bezwering van stoffelijke geaardheid waarbij b.v.
de astrale gebieden mee tot uiting komen, dan zult U ontdekken, dat de klankverschillen niet
zo groot zijn, maar dat wij daarentegen te maken hebben, wat men wel noemt, een staccato
ritme, dat echter in zijn frequentie zeer sterk verschilt. Hier is het de ritmiek, die verandert.
Niet zozeer als de toon. Gaan wij ons nu wenden tot kosmische gebieden, dan is het niet
noodzakelijk, dat wij een zo grote verschil van kracht, of van toon gaan vormen: er is wel een
variatie van toon, maar die valt niet meer op, omdat zij geleidelijk en vloeiend is. Zij versmelt
met het woord. In het eerste geval overweldigt de toon en vooral de geluidssterkte in zijn
betekenis.
In het tweede geval worden de tempi dus ook gebruikt om verschillen aan te duiden, waardoor
de betekenis van het woord ook nog wat meer wegvalt.
In het derde geval is het een gedachtetrilling, die wordt uitgesproken, waarbij de vloeiende
toon, die wij uitspreken, zeer hoge trillingen kan veroorzaken, maar daarentegen veel lage
neventrillingen heeft.
U zult dus altijd moeten constateren, dat de op de stof gerichte trilling, spanningen
veroorzaakt die betrekkelijk sterk zijn, vooral lichamelijk. In het tweede geval zult U
ontdekken, dat een dergelijke bezwering, zij het ook niet volkomen rustgevend, een zekere
boeiing van aandacht inhoudt: daarbij soms enkele lichamelijke fenomenen, maar die zijn niet
zo erg groot.
In het derde geval krijgt U een ritme, waarop U bijna slaapt, waar op U een beetje wegdeint.
In dit wegdeinen bereikt U onwillekeurig een zekere openheid van wezen. U gaat andere
dingen aanvoelen en begrijpen. U drijft weg. In het eerste geval staat U aan een drilboor. In
62
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

het tweede geval zit U in een auto op een hobbelende weg. In het derde geval zit U in een
vliegtuig, dat na de start, heel geleidelijk verder gaat.
In de vorige lessen is behandeld de inwerking op de chakrums. Nu is bij mij opgevallen, dat
op het voorhoofd een zekere spanning ontstaat, wanneer ik mij inderdaad concentreer op
bepaalde onderwerpen.Wat is dit?
Wanneer die spanning daar ontstaat op het voorhoofd-chakrum bij sommige punten en wij
weten, dat hier sprake is van een chakrum en niet inspanning van de hoofdhuid, door een te
sterke en te intense hersenarbeid, dan namen wij aan, dat deze spanning aangeeft een
mogelijkheid tot ontvangst, van wat U noemt, intuïtieve waarde, waarbij de intuïtie dus
grotendeels de taak van de benadering over kan nemen. Er is dan een veel helderder doorzicht
in mogelijkheden, maar ook in waarschijnlijkheden. Zou het hiervan een aanduiding zijn, dan
zou het aanbeveling verdienen, wanneer U een dergelijke spanning gevoelt, een ogenblik Uw
redelijk denken te onderbreken en te wachten, tot U niet een flits plotseling in gedachte krijgt
over het probleem. Wacht niet te lang. Wanneer die spanning bestaat, zou het beeld, na het
uitschakelen van het redelijk denkproces binnen ongeveer 40 á 50 seconden reeds kunnen
komen, maar zal zeker niet langer dan 80 seconden wegblijven. Het is dus een zeer korte
onderbreking. Vaak heeft U dan een uitkomst, die U dan later gemakkelijker kunt
beredeneren.
Nu weet ik, wat het is.
Al deze dingen zijn zeer eenvoudig. Alleen de mens weet ze niet en daarom schijnen ze
geheimzinnig. Het is het onbekende, niet het onmogelijke.
Als ik mij instel en mediteer, voel ik een spanning op het hoofd, bij de kruin.
Top-chakrum.
Kan ik mij op dat chakrum instellen? Kan ik daarop vertrouwen?
Waar het U gaat om begrip, zal het U niet mogelijk zijn het kruin-chakrum reeds nu te
gebruiken. Waar het gaat om het ontvangen van krachten, het ontvangen van intuïtieve
werkingen, kunt U ook hier reeds van gebruik maken, maar het chakrum is nog niet geheel
open. Voor U is volledig opengebloeid het borst-chakrum en voor sommige verstandelijke pro-
blemen is het ook reeds behoorlijk opengeplooide voorhoofds-chakrum bruikbaar.
Het top-chakrum zou ik, als ik U was, hoofdzakelijk daar gebruiken, waar U kracht, intensiteit
van vermogen nodig hoeft. Daarvoor is het het best geschikt.
Het vorig jaar had ik nog wel eens het gevoel, dat ik een band om mijn hoofd had. Dat is
helemaal verdwenen. Alleen is nu wel op het voorhoofd een zekere druk.
Is een zekere druk niet onjuist uitgedrukt? Een strakheid? Gespannenheid is het. Waar ligt
deze? Tussen de ogen? Ja? Dat betekent ook voor U dus een zekere ontplooiingsmogelijkheid.
Wanneer U daar dus last van hebt, schakelt U dan even voor 40 á 50 seconden, het denken
uit. U zult zien, dat het dan niet terugkeert. Wanneer het terugkeert op beheerste wijze, zult U
ook leren het te gebruiken.
Ik heb ook zo iets. Het is net, alsof ik op het voorhoofd jeuk heb. Ik heb de neiging om er
telkens over te strijken. Ik heb het idee dat wij veel meer moeten luisteren naar de
innerlijke stem.
De ogenblikken, dat iets dergelijks optreedt, betekent een dergelijke spanning, aangenomen,
dat wij niet overspannen zijn. Het kan n.l. ook voort komen door een te langdurige
concentratie. Aangenomen, dat dit niet het geval is, dan zullen wij ontdekken dat wij dus de
intuïtieve waarde in het openplooien van de lotus krijgen en dan kunt U het als volgt wel
misschien uit elkaar houden. Wanneer U een werkelijke pijnlijke druk hebt ter grootte van
maximaal een rijksdaalder, boven Uw neuswortel, dan is dit een chakrum dat werkzaam gaat
worden. Het is nog niet open, maar het gaat proberen open te gaan. Het is spanning, als de
knop van een bloem, die zich langzaam wil openen. Wanneer daar jeuk komt. is hetzelfde als
de knop, die de bloem omvat en die zich langzaam opent, zodat het eerste bloemblad zich kan
tonen.
Daarna krijgt U het idee van spanning, zelfs van een scheuren. De dekking, de bemanteling
valt weg. De bloesem zelf is nog niet ontwikkeld. Daarna, krijgt U het gevoel van een
63
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

prikkeling, van elektriciteit. Zoals de haren overeind staan bij onweer. Maar wederom op een
plek iets groter, die meestal de neuswortel bedekt en vandaar uit iets naar boven trekt tot
opzij boven de oogkas. Wanneer dat het geval is, is er sprake van een zich openplooien van de
eerste capaciteiten. Daarna verdwijnen deze meer fysieke gevoelens. Maar krijgen wij soms te
maken met een soort lichtheid, dit ogenblik van zweven is niet te verwarren met duizeling. U
kent de wereld, U kent alle evenwichten van de wereld, maar U staat eventjes plotseling een
paar meter hoger. U kijkt neer, alle anderen zijn klein. Dit in korte ogenblikken geeft aan de
functie van kracht van ontplooid chakrum. De rest moet U zelf ondergaan. Dan is er een
wisselwerking tussen denken, tussen ontvangen en ook weer uitzenden. Dat zijn 3 dingen die
dan tegelijk gaan gebeuren. Het is een eigenaardig gevoel, maar het is niet gemakkelijk te
omschrijven. Maar hieraan heeft U dus het idee van openbloeien van chakrum.
Wanneer U te maken heeft met lager gelegen chakrums, dan zult u ontdekken dat de plek,
waarop zich die gevoelens openbaren, iets groter is. Bij de zonnevlecht kan de spanning zelfs
ternauwernood door een normale hand bedekt worden. Het borst-chakrum is al iets kleiner. Bij
het borst-chakrum bestaat soms de moeilijkheid, wanneer U niet volledig bent aangepast, dat
het borst-chakrum zich openbaart als een pijn, die schijnt te zitten in het borstbeen. Soms lijkt
het of U de pijn in het hart voelt, maar feitelijk ligt zij in het borstbeen, ja. Precies daar tussen
de mamalen. Is dat het geval, dan begint het chakrum te ontwaken. In een dergelijk geval
moet U wel oppassen, wanneer het wat pijnlijk wordt, dat u niet onrustig bent: dat U innerlijke
gejaagdheid en innerlijke onrust probeert te vermijden, daarvoor in de plaats a.h.w. de kracht
van buiten op U toe laat stromen. Daarbij krijgt U dan vanzelf een makkelijk openplooien.
Bij de zonnevlecht kan over het algemeen door even afnemen en diep ademhalen ook elk
onaangenaam gevoel worden voorkomen. Hier vraagt het rust. Hier vraagt het eventjes
spreken, ook al praat U over niets bijzonders. Het voorhoofds-chakrum, zoals te voren
omschreven, wanneer dat ontspannen moet worden, schakel even de rede uit en laat de
intuïtie door klinken.
Het kruin-chakrum: wanneer U daar werkelijk last heeft, stelt U zich in op het ontvangen van
kracht. Doe dit een korte periode, desnoods één á twee minuten: de spanning zal verdwijnen
en U zult geen last hebben.
Later: intuïtieve ontwikkelingen daarvan gaan vanzelf door. Dus daarover behoeft U zich geen
zorgen te maken.
Op het ogenblik heb ik dat gevoel tussen mijn ogen. Is dit inderdaad de invloed, waar U
het zo-even over had?
U bent op het ogenblik erg vatbaar voor de sfeer, die opgeroepen werd. Dit was weer het
gevolg van een poging om intens te denken. Dit betekent weer dat spanningen sterker
optreden. Dit zal in betrekkelijk korte tijd verdwijnen. Waarschijnlijk zult U een iets diepere
nachtrust dan normaal erdoor krijgen.
Is het geen bewijs van het openstaan van het chakrum?
Van een krachtuitwisseling door chakrum. Openstelling is daarvoor nog veel gezegd.
Heeft U nog een onderwerp?

DE GEBAREN VAN DE MOEDRA'S
Dit vraagt enige illustratie. U moet goed opletten en zal ik proberen het uit te leggen.
Daarvoor nemen wij eerst de gezeten houding. De moedra, die ontspanning brengt, is de
eenvoudige zittende houding. Wanneer hij wordt aangenomen als symbool, betekent zij veelal
dood. Dus het ongevoelig zijn voor de wereld.
Kruisen wij de benen, dan is de betekenis een andere geworden. Dan zijn wij niet meer een
rechtstreekse lijn tussen hemel en aarde maar in deze houding zijn wij de kruising van
invloeden.
Nu kan ik mijn handen zó laten liggen. Dan ben ik verzonken in mijzelf. Ik kan ook de armen
kruisen, dan geef ik aan vervlochten te zijn met andere waarden.

64
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

Ik kan mijn handen openleggen. Dan geef ik aan afwachting. Een afwachten van krachten. Ik
kan achter ook mijn handen b.v. met elkaar verbinden. Dan is in deze houding sprake van een
erkennen van het hogere. De vingers rusten dan tegen de neuswortel, de duim. Terwijl het
voorhoofds-chakrum gedekt wordt door de toppen der vingers. Dit kan ook gebruikt worden
als eerbetuiging, of groet.
Deze grondhoudingen zijn - dat moet U zich voorstellen - een verbinding tussen hemel en
aarde. Deze verbinding kan in zeer veel verschillende vormen voorkomen. Denk niet alleen
hier aan de verfijnde taal van het handgebaar b.v. dat zich een openplooien in bewustzijn met
de hand aan kan geven. Dat een beslotenheid en daardoor wijsheid aan kan duiden, maar ook
een verwerping in opgaan en een dreiging. Deze gebaren zijn a.h.w. woorden, die met de hand
worden uitgesproken. De kern van het gebaar en de gebarentaal is eigenlijk een symboliek,
die overeenkomt met die van de levensboom. Let U op.
Ik sta. Ik ga mijn houding aannemen. Ik wortel in de aarde. Ik grijp naar de kracht. Hogere
krachten zijn in mij. Mijn hoofd geeft aan op welke wijze ik verander. Ik richt mijn kracht
anders. Ik ga met mijn gebaar dreiging maken.
Ik kan natuurlijk op alle wijzen dit doen. Ik kan mijzelf voorstellen, als zijnde verbinding
tussen hemel en aarde. Ik neem mijn handen en houd ze boven mij. Wanneer de wereld mij
beroert, dan grijp ik nog hoger uit en blijf in contact. Maar nu, zoals de boom de kruin
openplooit, geeft het mogelijkheden in de aarde. U ziet de aanduiding levenskracht door mijn
uitwisseling, kosmos. Natuurlijk kan ik ook mijn gebaar terug brengen tot handgebaar. Ik kan
b.v. de strijd aanduiden. Een strijd in de houding van de voet, in de houding en het gebaar van
het lichaam. Dit lichaam is niet geschoold, niet soepel.
Ik kan dus steeds mijn taal spreken. Een spreken van deze taal symboliseer ik als achtergrond
steeds verhouding mens, demon, kosmos. Deze moedra kan natuurlijk worden overgezet in
handgebaren. Maar zij is op zich niet voldoende. Het gebaar symboliseert tevens een hele
zinsnede.
Wij nemen weer de bekende wijsheidsmoedra. In mijn hand rust de kosmos. De kosmos is
begrip. Kosmos is eenheid. Ik draag ze. Maar draai ik ze om. Wat dan? Ik verhef mij boven de
wereld. Mijn wijsheid en begrip is dwaasheid geworden. Ik draag mijn hand zo. Nu begint het
spel van de vinger.
Openplooit zich de lotus. Openplooit zich de mens voor begrip. Ik gebruik een ogenblik het
gebaar, waarmee ik een vlucht aanduid. B.v. weg vlucht het hert voor de jager. De vluchtende
mens voor de demon. In mijzelf besloten, aanvaard ik het eeuwig Niet. Dat is een spreuk en
een gebaar, die gebaar, die samen één zijn.
Het is niet altijd mogelijk om een taal te spreken met lichaam en met waarden die voor
iedereen begrijpelijk is. De ouden hebben dit heel goed geweten. Zo besloten zij in hun
symboolspelen, naast de inhoud van het algemeen verhaal, een reeks van esoterische
wijsheden te leggen. Daarvoor was een dubbele taal nodig.
In de eerste plaats een taal, waarbij het woord, dat een menigte niet zo makkelijk bereikt, wat
hinderen kan bij het persoonlijk leven, word omgezet in gebaar of lichaamshouding.
In de tweede plaats was het nodig, dat men de kosmische krachten in zich door bracht en
maakte tot een weten in zichzelf.
Zo kwam dan de tweeledigheid b.v. van het dansgebaar en het daar mede gepaard gaande
esoterische gebaar. Ik demonstreer, zover als het lichaam het toelaat. De demon dreigt het
kwade noemt uit de wereld, ontvangt uit de kosmos en geeft. Kwaad en goed tezamen zijn des
Scheppers wil. Ander voorbeeld: De held bevrijdt en overwint. Waar ook, wanneer ik door mijn
richting van denken en moed enerzijds mijn hand volgt waarmee ik het wapen hanteer, dan
moet ik anderzijds veel achter mij laten. Er is en evenredigheid tussen bereiken en verlies.
Soms wordt een aanroeping gedaan: Ik kan hier niet knielen en al wat er bij hoort. Stel: ik
kniel. Dan krijg ik b.v. dit gebaar. Ik raak met het voorhoofd de aarde. Ik draai de handen om
en breng ze zo weer terug. Wat heb ik aangegeven? In een dansgebaar, dat een begroeting,
schijnt te zijn, heb ik aangetoond dat beide werelden, wereld van licht en van duisternis
65
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

meestal getoond door lichten, die ik soms in de handen draag geheel zijn, geheel ontsproten,
maar door de snelheid van mijn eigen bewustzijn onttrek ik mij aan de gebondenheid, die in
de gewrongenheid zou bestaan. Ik kan een cirkel volbrengen door het bewustzijn mij gegeven.
U zult begrijpen, dat deze oosterse uitdrukkingswijze voor U vaak wat ver gaat. Om haar te
kunnen, moet U dan leren om het gebaar en zicht te begrijpen. Elke vingerhouding, elk
verschil van hoofdhouding geeft aan de totale figuur een andere betekenis. Zij geeft niet alleen
aan: karakter, geestelijke inwerking, begripsinvloeden, openbaring, waar daarnaast in de
persoon uitgedrukte verhouding: materie, kosmische vrijheid. Zo zult U ook zien, dat b.v. in
het westen bepaalde gebaren gebruikelijk zijn, die een zeer intense betekenis hebben. Ik weet
niet of U het oude gebruik kent van het zich kruisigen met de duim. Mijn denken behoort aan
Jezus Christus. Zijn spreken behoort aan de Vader, mijn hart is de openbaring van de Geest.
Dit kunt U op 1.000 manieren tot uitdrukking brengen. Waarom denkt U, zal een spreker, die
veel applaus heeft, de afweer tonen? Dat is geen vijandschap. Dan wordt het zo
teruggebracht. Onsteltenis en vijandschap kan tot aanval overgaan. Ook kan zij tot een verwijt
overgaan. Het is het begin van een zegening, maar gelijktijdig een afweer. Uit de handpalmen
straalt het licht. Uit het ik wordt de kracht geopenbaard. Zo geef ik mijn welwillende kracht,
niet zegeningen, maar U zeggende: weest stil, tot bedaren komen.
Moedra's gebruikt haast iedereen. Waarom ontbloot U het hoofd wanneer U een dame
tegenkomt? Ik onderwerp mij aan Uw schoonheid. Zo heeft elk gebaar zijn betekenis. Achter
elk gebaar ligt de bij passende spreuk. U zult zelf ontdekken, dat wanneer U een spreuk
ernstig zegt : U onwillekeurig het juiste gebaar maakt. Wanneer U zegt, dat de vrede met ons
zij, wordt het haast een gebaar van bidden: wenden tot God. Is dit gebaar los, dan is dit
kosmische verheffen boven mijzelf: aandacht op het Goddelijke vanuit mijzelf zo, weer een
eenheid met God in mijzelve.
De mens van het westen kent natuurlijk vele spreuken. Enkele daarvan zijn, volgens mij
buitengewoon belangrijk. U zult mij wel toestaan, aan het einde van mijn betoog er enkele op
te sommen: Een van de schoonste spreuken van oost en west luidt:
"In mij is de vrede van de kosmos. En onberoerd ben ik".
Dit betekent: In mij is een eenheid met het Goddelijke, de scheppende kracht zelve. Niets kan
mij beroeren, wanneer ik in eenheid met die kracht basta.
Een tweede is:
"Vrede zij, vrede is, vrede breng ik, opdat er vrede zij."
De wens, volkomen eerlijk, doet de vrede ontstaan in U. Wanneer er vrede heerst in U, zult U
ze ook brengen aan anderen. Nog een:
"Ik wil goed zijn, ik zal goed zijn, ik ben goed, en het licht is met mij".
Of, wanneer U een andere versie prefereert: ".... en God is met mij."
Men stelt eerst begrip, dan streven, voltooiing, dan openbaring en eenheid. In al deze dingen
vindt U steeds weer terug, wat belangrijk is. U kunt deze spreuken wel eens gebruiken als een
meditatietekst. U zult ontdekken, dat wanneer U dit overdenkt en het Uzelf realiseert, zo goed
U kunt, hieruit een zelfopenbaring wordt geboren. Een dragen van het wezen tot hoger begrip,
het ontstaan van hogere wijsheid en inzicht. Uiteindelijk: eenheid en het ontvangen van
goddelijke kracht.
Zo. Dan hoop ik, dat deze niet zeer volledige en helaas niet bijzonder vloeiende verhandeling
voor U tenminste een kleine bevrediging is geweest t.o.v. het gestelde onderwerp. Het woord
is nu aan de laatste spreker, die de avond voor U zal beëindigen. Goedenavond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden. Het laatste onderwerp is een meditatie te houden over een door U te
stellen begrip.
Bezwering.

66
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 4 - Tweeledige werkelijkheid – 9 december 1958

Bezwering? Leidt mij niet in verzoeking, anders zou ik beginnen over een zweer, maar goed.

BEZWERING
Rond mij zijn krachten. De krachten, die rond mij zijn, regeren mij ten dele, maar ook ik
regeer deze krachten ten dele. In God bestaat een algemene eenheid. Ik behoef mij geheel
niet te onttrekken aan deze eenheid. Want ik behoor bij de schepping. Maar ik moet mij
bewust zijn hiervan. Indien ik mij bewust ben, zal ik ook begrijpen, wat op dit ogenblijk voor
mij noodzakelijk is. Om deze noodzaak voor mij zelve tot een werking te maken grijp ik dan
naar krachten, die buiten mij liggen. Ik probeer hetgeen buiten mij tot een perfecte harmonie
met mijn ik te brengen. Soms betekent dit, dat het buiten mij liggende mij moet dienen, dan
weer, dat het mij moet leiden. Om dit te bereiken bezweer ik, geef ik kracht uit mijzelf aan de
krachten die buiten mij liggen. Op deze wijze dwing ik hen tot een eenheid, die het mij
mogelijk maakt, het door mij gestelde doel te bereiken. Wanneer ik bezweer, in de
scheppende kracht in de Naam van Hem, Die het Al geschapen heeft dan breng ik daarmede
tevens mijn overtuiging van een intense eenheid met die God tot uiting. Ik kan niet anders
zijn, dan een met die God, wanneer ik streven wil naar de waarheid.
Zo is het de kracht van die God in mij, die het mij mogelijk maakt, al het andere in de
schepping, of ik het nu ken in de wereld of niet, te mengen tot een eenheid met mijn wereld
en met mijn bestaan. Uit de bezwering groeit dan de beheersing van hetgeen thans voor mij
nog niet goed of duister is. Uit de bezwering bloeit de eenheid op tussen al wat licht is en
mijzelf, bevredigend mijn verlangen naar licht. In de bezwering bevestig ik een eenheid,
waarin ik geloof. Wanneer ik die eenheid niet slechts zoek met mijzelf als brandpunt, maar
haar zoek als deel van een kosmische harmonie - die ik zo tracht te scheppen volgens mijn
beste weten en bewustzijn - dan is dit de beste geloofsdaad die ik scheppen kan. Dan is dit het
grootst magische werken, dat kan bestaan binnen de wetten der witte magie. Want wie de
eenheid met de Schepper zoekt en bevordert, wie voor zichzelf de werkelijke waarheid van
God openbaart in alle leven en streven, in elke wereld die hij maar beseffen of bereiken kan,
vormt daar mede zichzelf tot een deel Gods, werkende de wil Gods op de plaats, waar God
begeert, dat dit zal zijn.
Zo is de bezwering niet het machtsmiddel van het ik, dat zich verheft boven geest of mens,
maar de schakel, waarmede de mens de eenheid bevestigt, die de Schepper heeft gelegd en
bewust ondergaan en bewust ervaren. En bewust aangepast aan al datgene, wat rond hem ligt
in de wereld, rond hem ligt in de sferen.....
Ik ben misschien geen groot magiër, dat zal ik misschien ook nooit worden, maar ik zou dan
misschien aan het einde van deze avond ook een bezwering moge spreken, eenvoudig als zij
is, die ons denken - naar ik hoop - en ons streven, omschrijft en gelijktijdig uitdrukt.
Hoort mij, al gij geesten en schepselen. Hoort gij, die regeert duister en licht. Gij, die zijt
tekenen aan de hemel en gij, die verborgen zijt in het kleine en gehoorzaamt de wil van Hem,
Die ons geschapen heeft. Weest met mij in mijn werken en streven. Dien mij daar waar ik des
Scheppers wil vervul opdat er eenheid zij. In de naam van de Vader, in de naam van de
openbaring van de Vader op aarde, in de naam van datgene, dat de Vader als bewustzijn heeft
uitgeademd in al Zijn Schepping: opdat onze eenheid in de Schepper bevestigd zij in het leven
te allen tijde, dat elke wijze, die voor ons aanvaardbaar is als wil des vaders. Amens.
Daarmede. Vrienden, gaan wij een einde aan de avond maken. Ik geloof, dat U voldoende stof
tot overpeinzing heeft gekregen en dat U ook enige kracht heeft kunnen putten uit hetgeen
gebracht is. Ik wens U ook namens de andere medewerkers - toe een maand van innig
geestelijk beleven, van bewuster stoffelijk streven en van een slagen, stoffelijk, geestelijk en
magisch op alle vlakken.
Goeden avond.

67
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

LES V

Goeden avond, vrienden,
Ik neem aan, dat U de les van de vorige maal nog eens goed door genomen heeft en ook de
laatste artikeltjes van de les van de daarvoorgaande maand met die bepaalde wenken. Ik
geloof niet, dat deze tweeledige werkelijkheid voor U veel betekenis heeft. U kunt dit
waarschijnlijk wel verwerken. Toch wil ik niet verder gaan, voordat ik U eerst de gelegenheid
geef om even te vertellen, of U misschien moeilijkheden erbij ontmoet hebt.
Bij het denken aan de Heren van Wijsheid sprak U in de kleur blauw. In les nummer twee
moesten wij ons op groen instellen.
Houdt U zich aan groen vast, tenzij het om speciale gevallen gaat waarbij blauw dus - als
verwant met groen - in kan treden. Elk van deze krachten heeft in feite een eigen
kleurengamma. Zoals je op één hoofdkleur een zeer grote reeks teinten der menging naar
voren kunt schuiven, zodat wij b.v. spreken van blauwgroen enz. zo kan elk van deze groepen
dus ook worden gezien als bestaande uit een veel groter zelfs dan voorstelbaar, aantal
trillingen, die elk weer als een kleuromschreven kunnen worden maar de hoofdtoon is groen en
niet blauw. U zult begrijpen, dat wij met deze dubbele realiteit, eigenlijk nog niet helemaal
klaar zijn. Wanneer wij ons bezig houden met de magie, dan werken wij inderdaad met twee
afzonderlijke werkelijkheden, n.l. een persoonlijke en een objectieve. Maar naast zowel
persoonlijke als objectieve wereld bestaat bovendien nog weer het onderscheid van
tegendelen. Dit onderscheid van tegendelen is ook verdubbeld.
De magische wet berust hier ten dele op en wij kunnen daaraan niet zonder meer voorbij
gaan. In de eerste plaats moet U zich goed realiseren, dat een bepaald iets goed en kwaad kan
zijn. Neem b.v. arsenicum. Als geneesmiddel kan het zeer goed zijn, als gif kan het gelijk zeer
kwaad zijn. Dat houdt in, dat daar, waar het kwaad is, het niet zijn van het arsenicum goed is.
Maar daar, waar het goed is, zal het ontbreken van het arsenicum zeer kwaad zijn.
Dat wil dus zeggen, dat er twee afzonderlijke schalen van waardering bestaan, daarbij bestaat
nog een eigenaardige verhouding. In het ene geval is het aanwezig zijn van arsenicum goed en
in het andere geval kwaad. Dat krijgen wij 2 maal in twee verschillende scala's. Wij kunnen
ons dus een vierkant denken, waarbij de begrippen goed en kwaad diagonaalsgewijze t.o.
elkaar liggen. Zodra als wij in een diagonaal gaan werken en wij werken met goed, dan
kunnen wij op onverschillig welke lijn van oorzaak een gevolg, een toestand interpoleren,
waarbij het door ons gewenste altijd goed is. Stelt U zich een meetkundige structuur voor. Een
vierkant, waarin twee diagonalen getrokken. Nu is dit de diagonaal “kwaad” en dit is de
diagonaal “goed”.
Nu betekent echter dat goed, dat hier - ik had het voorbeeld genomen met arsenicum - het
bestaan van het arsenicum goed en daar het bestaan van het arsenicum kwaad is. Hier gaat
het om het wel-zijn en daar gaat het om het niet-zijn. Wat ik wil bereiken is altijd goed, dat
noem ik tenminste aan. Nu behoef ik mij helemaal niet te gaan baseren op het uitroeien van
alle arsenicum, dat kan ik niet. Maar ik kan mij wel een toestand indenken, waarbij ik de
werking van arsenicum, die kwaad zou zijnd tot goed maak. Dan moet ik dus a.h.w. een reeks
van oorzaken en gevolgen van de lijn arsenicum is kwaad, arsenicum is niet goed,
transponeren naar een verhouding, waarin arsenicum is goed en arsenicum is niet niet goed
zou zijn. Nu kan ik dat natuurlijk niet zonder meer doen. Maar wat kan ik wel bereiken?
Er bestaat een bepaalde relatie, waarbij goed en kwaad buiten beschouwing blijven. Dat is
mijn diagonaal, die van goed tot goed loopt. Deze lijn kan worden uitgedrukt in een reeks van
handelswijzen. Zij behoort tot de tweede, de innerlijke werkelijkheid. In deze lijn kan ik vanuit
een willekeurig punt ingrijpen in de werkelijkheid, die in mijn dubbele waarde wordt
weergegeven. Dan laat ik dus vanuit een bepaald punt van mijn diagonale lijn mijn actie neer

68
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

als een loodlijn op de werkelijkheid. Dit is in de magie daarom zo belangrijk, omdat wij te
maken hebben met, wat ik zou willen noemen, een gelijke reeks van verhoudingen, dus van
deze vier punten, in elke voorstelbare wereld. Maar vreemd genoeg, zijn in die voorstelbare
werelden en beleefde werelden steeds twee van de punten identiek met die van een andere
wereld. Nu stelt U zich dus een ladder voor, die samengesteld is uit de vierkanten diagonalen.
De basislijn van het ene vierkant is gelijk aan de topzijde van het andere vierkant, enz.
Dan blijkt, dat, wat in de ene wereld goed is, in de andere wereld kwaad is. Hieruit valt de
conclusie te trekken, dat een schijnbare omkering van waarden tussen werelden van geen
enkel belang behoeft te zijn. Datgene wat wij kunnen doen in een bepaalde - meestal
persoonlijke - wereld, dat kunnen wij transponeren in elke objectieve wereld. Wij kunnen in
elke wereld steeds een standpunt vinden, dat aan het door ons ingenome standpunt direct
verbonden is, harmonisch is daarmee, mits wij ons houden aan de verhouding goed-goed, of
aan de verhouding kwaad-kwaad, maar nooit de verhouding goed-kwaad, of kwaad-goed
nemen.
Nu betekent dit feit dat in alle werelden een gelijke waardering toepasselijk is, zodra wij
afstand doen van het oordeel. En dat in elk geval een afleiding ván, of projectie óp het in die
wereld bestaande grondoordeel mogelijk is voor ons: dat wij, vanuit één voorstellingswereld,
in alle voorstellingswerelden kunnen handelen, uitgaande van een steeds gelijkblijvend
standpunt. Wij hebben u al iets verteld over de magie van geluid. Wij hebben U wat laten
horen van de kracht van een incantatie en wij hebben geprobeerd er een paar proeven mee te
nemen. U zult begrijpen dat wat woorden zijn hier, onbelangrijk is in een geestelijke wereld.
Evengoed kunt U met licht, met gebaar, een zekere magie vlechten.
Dat is voor Uw wereld belangrijk, maar voor een andere wereld onbelangrijk. Ik heb hierin niet
meer de bedoeling om voor één wereld een uiting te scheppen, maar ik bepaal in mijn eigen
wereld alleen het punt van uitgang, het punt op de diagonaal a.h.w., van waar ik mij
projecteren zal in elke willekeurige wereld. De diagonaal, die ik getrokken heb in mijn eerste
vlak, wordt in elk ander vlak precies zo herhaald. Overal, ongeacht de omkering van waarden,
blijven de diagonalen aanwezig. Wanneer ik het middelpunt neem van de diagonaal, dan heb
ik een punt, dat voor alle werelden gelijk is en van daaruit gaande, kan ik dus in elke wereld
een volkomen redelijke handeling bewerkstelligen. Een indeling volledig aangepast aan mijn
doel. Dit is een inleiding voor vandaag. Heeft U al conclusies eruit kunnen trekken.?
Ik heb zo het idee, dat verschillende werelden het evenbeeld van elkaar zijn.
Zeer juist opgemerkt. Verder?
U kunt ze omklappen. Wanneer het meetkundig neerslaat langs hun as, dan komen zij
precies op elkaar te liggen, zodat de diagonalen elkaar op hetzelfde punt kruisen. De
loodlijn, uit het kruispunt der diagonalen getrokken, is dus voor alle werelden één lijn?
Inderdaad. U bent al heel dicht tot het belangrijkste in dit beeld genaderd.
Ik heb dit aangevoeld als een begrip van eeuwigheid.
Niet dwaas. Daar had ik zelf nog niet eens aan gedacht. Maar ook dit is zelfs waar.
De kruising van de diagonalen is een meetkundige bepaling.
Ook dit is altijd waar. Maar een meetkundige plaatsbepaling in een these heeft alleen maar
waarde, wanneer er een praktische conclusie uit valt te trekken.
Eén conclusie wil ik U alvast geven. Er zijn er n.l. meer mogelijk. Wat U nog aan verdere
conclusie hieruit kunt trekken zou ik aan het begin van de volgende bijeenkomst gaarne van U
horen. Geloof mij, dit is niet alleen een zeer belangrijk, maar ook een zeer interessant punt.
De beste opmerking die hier werd gemaakt is deze: Wanneer wij de vlakken omklappen terwijl
de diagonaal goed is getrokken, ontstaat er een vlak, waarin twee vlakken van goed elkaar
kruisen, terwijl een punt van goed door beide werelden geheel wordt gedeeld en in beide
werelden geheel gelijk is. Onverschillig hoeveel werelden wij op deze wijze te samen zullen
klappen, er is altijd één punt, dat in al die werelden geheel gelijk is. Een loodlijn, vanuit dit
punt neergelaten op de basislijn betekent dan ook in alle werelden een gelijke uitdrukking van
daad, waarbij alle beschouwingen van goed en kwaad buiten beschouwing blijven en een
directe invloed, die in alle werelden als gelijkwaardig kan worden beschouwd, wordt
69
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

bewerkstelligd. Hieruit volgt dat, mits eigen geestelijk standpunt goed wordt bepaald, een
eigen handelwijze niet meer zal worden gericht op goed of kwaad, maar op een resultaat of
een gebeuren. Want gebeuren is de basislijn, waarin kenbaar overal de scala van goed en
kwaad tot uiting komt. Zo zal, uitgaande van een juist geestelijk instelling het gebeuren ten
allen tijde een volledig goede invloed hebben op het totaal van alle werelden, in alle werelden
gelijkelijk tot uitdrukking kunnen komen en uit alle werelden gelijktijdig in andere werelden
kunnen worden geprojecteerd.
Dat was dan onze conclusie nr.1. Nu nog het punt, waar ik in dit verband zelf niet aan had
gedacht: eeuwigheid.
Dit is juist. Want wat is eeuwigheid? Het kan evengoed een punt zijn als een oneindige ruimte,
want beiden zijn even eeuwig en even onbegrensd in feite. De punt immers is een hypothese,
evenals de oneindige ruimte. Wij werken, of dit nu geschiedt in een al dan een niet reëel besef,
hier met het totaal van alle voorstelbare werelden. Dit is zeer zeker ons eeuwigheidsbegrip.
Maar hierin gebruiken wij een punt, dat in alle werelden gelijkelijk voorkomt. Dit impliceert,
dat ook in mogelijke verdere werelden een gelijk punt aanwezig zal zijn. Elke kracht, die in de
bekende werelden wordt gewekt, zal dus inde eeuwigheid weerklinken. Wij hebben echter niet
alleen te maken met de ruimte, maar ook met de tijd. Nu blijkt ons dat de gangbare scala van
goed en kwaad zeer grote veranderingen ondergaat in overeenstemming met het tijdsverloop
en dus ook de daarin vaststelbare ontwikkelingen van gebruiken en bewustwording.
D.w.z. dat ook alle tijden dus mede bevat kunnen zijn in dit zelfde schema. Een handeling,
gesteld vanuit dit middelpunt van de lijn goed - een schijnbaar neutraal punt waarin goed en
kwaad elkaar, ontmoeten - ten allen tijde goed kan zijn in alle tijdswaarden, alleen bepaald
door eigen instelling, de afstelling van het eigen wezen. Op grond hiervan kan dus de mens -
en zeker de magiër - op bepaalde ogenblikken een totale harmonie bereiken met alle gekende
en niet gekende werelden door alle tijden. Hij kan dan putten uit de krachten van deze
werelden. Door het stellen van een misschien symbolische daad in eigen wereld kan hij dan
ook in het totaal der werelden een daadstelling tot stand brengen. Ik zou het zeer op prijs
stellen, wanneer U ook dit nader zoudt willen bestuderen. Met deze kleine inleiding heb ik
overigens getracht, U duidelijk te maken, waarom in de magie schijnbaar onbelangrijke, soms
zelfs onzinnig lijkende dingen een zeer grote werking kunnen hebben. Ik zal U nu allereerst
een paar voorbeelden geven, om U duidelijk te maken, wat er gebeuren kan.
Ik schenk een glas water in. Dit heeft zonder meer slechts weinig betekenis in mijn eigen
wereld en kan dus geacht worden zeer onbelangrijk te zijn. Nu echter concentreer ik mij op het
schenken. Niet van water, maar het schenken van iets. Het dragen van deze waarden als in
een vat, waardoor het mij mogelijk word, deze over anderen uit te storten.
Dan heb ik door mijn voorstelling de totale scala van goed die ligt buiten de directe
voorstellingen van mijn eigen leven aanvaard en daarvan een middelpunt genomen. Want door
mijn willen druk ik tevens de behoefte uit universeel te werken. Ik wil immers het goede
universeel aan allen schenken? Nu moet ik echter ook een daad stellen. Ik schenk daarom
water of wijn, of iets anders in een beker. Dit paar ik eventueel aan een spreken van woorden,
waarin nogmaals een akte van geven, schenken wordt uitgedrukt. Het gevolg van deze wijze
van doen is, dat ik feitelijk in alle werelden de gelijke handeling pleeg. Toch blijft die handeling
mijn persoonlijke uiting, mijn persoonlijk eigendom, ook al leef ik in werkelijkheid in alle
werelden als deel van de godheid. Deze daad heeft nu een impuls geschapen, die in alle
werelden gelijkelijk wordt verwerkelijkt als een volkomen realiteit.
Stel nu, dat er een geest is die dorst naar licht. En dat ik dit ritueel volbreng: dan schenk ik
water voor de dorstige uit mijn wereld, maar ook licht voor de naar lichtdorstende geesten in
het duister. Ver boven mij misschien is een wereld, waarin alle licht de vreugde van eenheid
met God datgene is, waar men naar dorst. Dan zal ik ook dáár, al ben ik zelfs niet in staat dit
te bereiken, deze gedachte: ze sterk projecteren en daadwerkelijk tot uiting brengen, dat zij
daar een realiteit kan worden voor invloeden, krachten en entiteiten, die daar bestaan.
Wanneer U dit voorbeeld ontleedt, dan zult U tot de conclusie komen, dat elke onbelangrijke
daad een zeer belangrijke en inhoudsvolle kan worden op het ogenblik, dat wij, door de juiste

70
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

instelling, deze maken tot iets wat harmonisch is met de kosmos. Het ritueel van de magie is
daarop volledig gebaseerd.
Wat wij U verteld hebben over klankvorming, over cadans is daarop ook geheel gebaseerd.
Want wij willen niet altijd precies hetzelfde bereiken. Het ene ogenblik wil je genezen, het
volgende ogenblik wil je leed wegnemen, een ogenblik daarop misschien voedsel scheppen.
Het is niet voldoende, dat al deze dingen niet onmogelijk zijn, maar je moet ze maken tot een
kosmisch gebeuren, waardoor in alle werelden ditzelfde plaats vindt. Want slechts zó kun je
beschikken over de kracht, die in alle werelden leeft. Nu bestaat er één grote moeilijkheid om
het juiste standpunt in te nemen, wij kunnen dit standpunt niet vinden in een objectieve
wereld, of werkelijkheid. In een objectieve wereld onderga je teveel om voor jezelf te komen
tot een punt van absolute evenwichtigheid, waarbij goed en kwaad zijn geworden tot
tegendelen van goed, de diagonaal.
De conclusie is, dat je dit in je eigen, innerlijke wereld moet doen. Maar in die innerlijke wereld
kun je dat alleen, wanneer je voldoende zelfvertrouwen hebt, wanneer je evenwichtig bent,
wanneer er niet de twijfel, het scepticisme misschien bestaan, die je op de duur doen afwijken
van het juiste punt. Nu wordt U misschien duidelijk, waarom van de magiër wordt gezegd dat
slechts de magiër die zeker is van zichzelf, verzekerd kan zijn van de krachten, die zijn werken
volvoeren. De kleinste twijfel, de kleinste afhankelijkheid t.o.v. anderen, zelfs wanneer die
anderen leidende geesten, of wat anders zijn, kan U uit dit middelpunt brengen, kan U
verplaatsen in een relatie, waarin het niet meer mogelijk is goed en goed te zien, i.p.v. goed
en kwaad. Op het ogenblik dat U op een basislijn zit tussen goed en kwaad, dan komt U bij het
omslaan van de werelden te zitten tegen een precies tegengerichte stroming en andere
werelden, de naast ons liggende werelden kennen niet de verhouding goed en kwaad, maar
kwaad en goed. Elke werking, die ik vanuit kwaad ten goede stel, wordt kwaad in de andere
werelden en zal als zodanig in een streven ten goede daar teniet worden gedaan in zijn
invloed.
Ik mag als magiër dus niet trachten om vanuit de praktijk en de praktische waarden te
redeneren. Op het ogenblik dat ik dát doe, zelfs in mijn persoonlijke wereld, ben ik verloren,
omdat elke andere wereld die daar aan grenst, elke daarmede verwante wereld of
bewustzijnstoestand, niet in staat is mij te steunen, integendeel mij zal tegenwerken door een
verschil in bestaande waardering. Wanneer U zoiets zoudt ontmoeten, dan noemen wij dat
demonen en duivels, dan zien wij dit als het grote kwaad, dat over de wereld komt. Indien wij
daaraan geloven, dan onderwerpen wij ons daaraan en zijn wij niet in staat het standpunt in te
nemen, waarin geen duivels en geen demonen zijn, waarin ons geen gevaar en geen
mislukking bedreigt, maar alleen een punt is, waarin beide mogelijkheden goed zijn - de
diagonaal - en waarin dus te allen tijde met zekerheid het goede bereikt wordt. Dit goede
bereiken wij dan inderdaad, doordat wij niet genoopt zijn, of gedwongen zijn, alleen datgene
na te streven, wat volgens onze eigen wereld goed is. Maar in ons streven ten goede, het
kosmisch goede, kan worden nagestreefd: datgene wat goed is in elke wereld gelijk.
Wij gaan nu maar een klein beetje magie doen. De laatste 3, 4 maanden zullen wij wel,
daarvoor nodig hebben. Wij willen nu alvast een klein begin gaan maken. Ik wijs U er wel op,
dat dit niet bestemd is voor proefnemingen. Dit is leerstof. Voor je een roman kan lezen, of dit
nu "For ever Amber is, of "Mozes, de wording van een Volk", "De Ziel van een Volk" van
Fielding misschien, altijd weer zul je moeten leren lezen, voordat je een voldoende begrip en
beleving kunt vinden in een roman.
Wat de magie betreft zijn wij op het ogenblik in het - om het toepasselijk te zeggen - Ot en
Sien-stadium. Wij moeten eerst leren om de ideeën aan elkaar te rijen, eer wij tot een
zelfstandig beleven kunnen komen. Ja, dat boek van de krachten der schepping..... Dan gaan
wij allereerst beginnen met enkele magische procedures te beschrijven en het waarom
daarvan. Een magiër, onverschillig of de wereld dat vreemd vindt of niet, zal, wanneer hij z.g.
grote magie bedrijft, dus groot werk, te allen tijde dit volkomen gereinigd doen. Volkomen
gereinigd wil niet alleen zeggen, dat men schone handen heeft, maar dat men het hele lichaam
volledig reinigt. Die reiniging houdt ook in een reiniging van maag en darminhoud en wel
voornamelijk van alle dierlijke vetten. Het is daarbij bovendien dienstig om de aanwezige

71
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

aminozuren tot zo gering mogelijk percentage terug te brengen. Wij doen dit door onthouding
en vasten. Nu kan zo'n vasten makkelijk gebroken worden, zonder dat ook de reinheid
benadeeld wordt. Maar daartoe staan ons maar enkele dingen ten dienste. Dat zijn vruchten,
die gerijpt zijn. Ik bedoel hiermee boomrijp. Een vrucht, die volledig rijp is, wordt als deel van
de aarde vreugdig afgestaan, het is haar doel om te vallen, om gegeten te worden, om het
zaad te verspreiden enz. Voor drank kunnen wij water gebruiken en ook uitgeperste
vruchtensappen, mits - wederom - van rijpe vruchten afkomstig en mits niet met suikers
vermengd. Dus niet extra zoeten. Om een lichaam te reinigen is een zekere periode nodig, dat
is technisch wel ongeveer bekend. In de praktijk komt het erop neer, dat je voor grote
magische procedures vaak overgaat tot een dieet, dat 3 tot 7 dagen duurt, bestaande uit
vruchten en vruchtensappen. Dan zijn er verder verontreinigende stoffen, die wij ook niet
kunnen hebben. Daarbij zijn bepaalde dampen, o.a. van alcohol, benzine, petroleum, rook van
tabak: Wij kunnen ook geen gebruik maken van dergelijke dingen.
Alcohol, zij het natuurlijke gistingsalcohol, is uit de boze. Hebben wij deze reiniging
doorgemaakt en hebben wij ons lichamelijk volledig gereinigd - de magiër reinigt daarbij alle
lichaamsopeningen zo goed als dit maar mogelijk is - dan kan hij zich kleden. Dat gebeurt niet
overal, in sommige gevallen is het soms raadzaam voor de magiër om zonder kleding zijn
procedure te beginnen en te volbrengen. Dat is n.l. dáár, waar elke stoffelijke eigenlijk al te
veel is. Deze procedure zullen wij U niet beschrijven, daar moeten wij eerst langzaam naar toe
groeien en kunt U dit dus voor kennisgeving aannemen. Wat bij U wel zal voorkomen is, dat U
zich kleedt. Dan moet U zich kleden in iets, wat rein en zuiver is.
Heel vaak neemt men hiervoor b.v. een soort albe, of nachthemd, of dergelijke kleding,
vervaardigd uit fabrieksnieuwe katoen en daarna gewassen en gespoeld in zuiver en stromend
water. Zo'n ding wordt natuurlijk niet in één keer vuil, maar of het vuil wordt of niet, het moét
na afloop gereinigd worden en wederom tenminste gespoeld in stromend water, gedroogd in
wind of zon, of beiden, niet kunstmatig bij kachelwarmte, niet door uitspreiding op de bodem,
maar altijd door 't zo vrij mogelijk te hangen. Daarna wordt het ingeslagen in papier en
daarvoor neemt men wederom nieuw papier, dat geen zon doorlaat. het geheel wordt dan
geborgen in een kist en daarvoor kunnen wij dan b.v. een kamferkist gebruiken. Ofschoon
men ook graag gebruikt maakt van een ebbenhouten kist hiervoor.
U zult vragen, waarvoor dit nodig is. Reinheid is een principe, dat onwillekeurig vanuit het
lichaam op de psyche overgaat. U heeft soms helemaal geen vuile handen, maar U heeft soms
iets gedaan, wat zó onaangenaam was, dat U zegt: "Ik voel mij griezelig, ik ga mijn handen
wassen" en dan pas heeft U het gevoel, dat U iets van U heeft afgeschoven. Deze betrekkelijk
ingewikkelde reinigingsprocedure, het gebruiken van dit speciale gewaad, is gebaseerd op een
bewust zijn van zuiverheid: Ik ben rein. Daardoor valt het oordeel, dat in Uzelf schuilt. Dit is
kwaad en dat is kwaad, vanzelf reeds weg. U staat dus meer vrij in Uw eigen geestelijke
instelling. Het feit, dat deze procedure omslachtig is, valt niet te ontkennen. Maar de genomen
moeite wordt ruimschoots beloond, doordat praktisch alleen op deze wijze de doorsnee-magiër
van lagere klasse in staat is een voldoende begrip van reinheid en voldoende oordeelsvrijheid
ook te verkrijgen. Dan vinden wij verder dat de magiër, ook wanneer het eigenlijk niet nodig
is, meestal een magische ring trekt. Deze magische ring wordt door hen, die over een zeer
groot zelfvertrouwen en geloof beschikken, vaak gewoon symbolisch getrokken. D.w.z. zij
denken zich een grens rond zich en nemen dan ook aan, dat die er is.
De magiër, die wat minder vertrouwt op zichzelf, zal heel vaak dit aanduiden met een
handbeweging. Degenen, die tot de beginnelingen behoren, tekenen deze magische ring. Er
bestaan heel veel van die systemen: je hebt systemen van 3 cirkels, van één cirkel, een
systeem van in elkaar gelegen cirkels en van elkaar snijdende cirkels. Dat zijn allemaal rituele
kwesties, afhankelijk dus van het ritueel, wat je gebruikt. Maar wanneer je die cirkel tekent,
dan moet er een grens zijn, een wapen tegen elke kwade magie. Ofwel: je bezweert de demon
in de ring, wanneer het over het bezweren van demonen gaat, dan wel: je beschermt jezelf
tegen evt. opgeroepen krachten door de ring, waarin je a.h.w. door Goddelijke macht
beschermde al hetgeen zich aan demonie buiten je eigen kring openbaart, dus kunt zien,
spreken, handelen en werken, zonder dat er direct gevaar voor jezelf bestaat.

72
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

Deze ring is in feite 9/10 fictief. Toch is zij noodzakelijk. Het tekenen van die ring geeft heus
niet een krans, waar geen enkele demon overheen kan komen. Maar met die cirkel hebben wij
voor onszelf iéts tot stand gebracht. Wij hebben de vrees gebannen en daarvoor een
zelfverzekerdheid in de plaats gesteld. Wij krijgen zo een onaantastbaarheid voor het kwaad.
Want werkende, vanuit het kruispunt der diagonalen ontmoeten wij op onze magische weg
goed, zowel als kwaad. Door deze angstvrijheid in onszelf tot stand te brengen en voor onszelf
de grote zekerheid te scheppen, dat wij meester zijn, dat wij absoluut veilig zijn, beletten wij
het demonische in ons werk in te treden en maken wij contact met het demonische, dan zijn
wij in staat dit te dirigeren, niet volgens de wet van het kwaad, maar volgens de wetten van
het goed, die op dit punt volkomen gelijkelijk gelden, voor demonen de mensen, voor engelen,
kortom, voor al, wat er bestaat.
Dan krijgen wij de kwestie van incantatie. Enigszins hebben wij daar al over gesproken en U
duidelijk gemaakt, dat men die aanroepingen kan doen met zeer veel namen en ook zonder
namen. Het belangrijke hierbij is vooral het opwekken van samenklank, eenheid tussen ons en
de macht, die wij aanroepen.
Die macht, die wij aanroepen moet - let wel moét - vanuit ons standpunt het goede kunnen
volbrengen - zij behoeft niet goed te zijn............ Wij kunnen soms als magiër krachten
oproepen van ons bewustzijn, dat zij demonen heten, maar wij kunnen ook hen dwingen om
goed te doen. Vanuit ons standpunt, in onze harmonie met alle werelden, zúllen ook de
demonen hetzelfde resultaat tot stand moeten brengen, wat de engelen tot stand kunnen
brengen, indien zij zich op onze weg wagen.
In die incantatie hebben wij gebruik gemaakt - wij hebben daarvan al vele voorbeelden van
gegeven -, naar ik meen van suggestieve trillingen. Nu is suggestie op de menigte erg
aangenaam. Het stelt je in staat je eigen gedachten aan anderen sterk op te leggen. Maar wij
hebben de hypnotisch werking lang niet alleen nodig voor de mogelijke metgezellen bij het
magisch gebeuren. Wij hebben ze nodig voor onszelf. Misschien heeft U wel eens een gedicht
gezegd, zó goed, dat U zelf volkomen opgenomen waart in de inhoud daarvan, dat U dit
beleefde en aanvoelde. Op dezelfde wijze gebruiken wij onze incantatie. Wij moet ons zelf
verenigen met de werelden en de krachten, die wij oproepen, niet die werelden en krachten
alleen tot ons dwingen, maar voornamelijk ons bewustzijn en wezen opheffende tot die
krachten. Elke cadans, die wij geven, is bestemd om speciaal het menselijk wezen te
beïnvloeden. Dat daarnaast tevens invloeden naar andere werelden uitgaan, is begrijpelijk,
omdat ons wezen zich immers heeft ingesteld op een punt, dat met alle werelden
harmonieerde. Vanuit het standpunt van de bewuste magiër echter is dit verschijnsel
secundair. Primair is onze eigen harmonische afstelling. De beïnvloeding van andere krachten
is nuttig, aangenaam, maar eigenlijk enigszins toeval.
Dan krijgen wij het rituele gebaar. Het ritueel is ook een taal op zichzelf, uitgedrukt in
beweging. Het maken van deze gebaren lijkt de mens soms wat onzinnig. Waarom zou je zó
gaan staan, zeggen ze. Waarom zou ik mijn handhoudingen op een bepaalde wijze gaan
veranderen? Waarom zou ik aan een incantatie een gebaar, ja, zelfs een lichaamshouding
geven? Omdat U daardoor Uzelf een lichamelijk ritme op gaat leggen. Bij de primitieve magiër
is dit voor U vaak een wilde, onzinnige dans, vanuit Uw standpunt. Bij sommige magiërs is het
zeggen van sura's en moedra's geworden, begeleid door het juiste gebaar.
Altijd gaat het weer om de afstelling van het ik. De magiër móét zichzelf weten aan te passen
aan alle krachten waarmee hij werkt en moet gelijktijdig in staat zijn een zeer belangrijk punt
– om daarop afgesteld zijnde, het oorspronkelijk voornemen verder te volbrengen. Daarom
zullen wij aan de incantaties, naast het ritme, de klankvibratie en de suggestieve werking
bovendien nog een soort van geestelijk kortschrift meegeven. Wij gebruiken namen, wij
gebruiken begrippen, die voor ons identiek zijn met ons doel. In deze voortdurend herhaalde
omschrijving van onze wens en wil leggen wij onszelf - en evt. de anderen, die met ons zijn -
dus ook een voortdurende realisatie op van hetgeen wij gaan volbrengen.
Dat is zeer belangrijk, want hierdoor dekken wij wederom een trilling, die vanuit ons wezen,
alle andere werelden kan beroeren. Dan vinden wij bij de magiër bepaalde impedimenten.
Daaronder behoren het geestenzwaard en de geestendolk.
73
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

Ik hoop niet, dat U er ooit toe over zult gaan een geestenzwaard te vervaardigen. Dit is,
evenals sommige soorten van toverstaven, een wapen, dat alleen bij de zwarte magie
thuishoort. Het is n.l. een aanvallend wapen. Door de wijding, die men er aan geeft, door het
ingriffen van de juiste symbolen, krijgt een dergelijk zwaard een volkomen associatie voor de
magiër met geestelijke krachten. Wanneer hij dit zwaard in een schijngevecht hanteert -
terwijl U dit niet ziet - wordt met een gelijkwaardige kracht elders de geest, die niet bewust is
zich daaraan te onttrekken, bedreigd. Dit is uit de boze.
Daar staat t.o. dat wij als magiër in de witte magie, de geestendolk wel heel vaak nodig zullen
hebben. Een geestendolk behoeft niet te bestaan uit een stalen lemmet. Zij kan evt. gesneden
worden uit goed oud eiken, zij kan gemaakt worden uit ivoor, of been - maar dan uit één stuk
-, zij kan ook gemaakt worden uit elke gewenste samenvoeging van metalen, uitgezonderd
lood en zink. Met houten, die ook weer in overeenstemming zijn met zekere krachten. Nu
kennen wij overal eigen metalen, eigen bomen van planeten. Wilt U een geestendolk maken
die overal machtig is, dan gebruikt U daarvoor dus de planten, de bomen, evt. de gesteenten,
die behoren onder de zon. De zon is voor U het begrip van alle levenskracht. Dan heeft U iets
geschapen, dat direct met die levenskracht geïdentificeerd is en dat dodelijk kan zijn.
Nu is de geestendolk een verdedigend wapen. Een ieder, die U dus aanvalt en dit wapen bij U
ontmoet, wordt bedreigd door de totale kracht van het leven, door de mens geïdentificeerd
met de levengevende zon. U hoeft voorlopig zo'n ding nog niet te vervaardigen. Misschien
nooit, dat ligt er aan welke kant U uitgaat. Ik zal U wel echter enkele gegevens verschaffen.
Een geestendolk, gemaakt uit de vooromschreven materialen, wordt voorzien van inschriften.
Wij schrijven daarop over het algemeen de geesten, die de zeven dagen van de week regeren.
Die moeten kunnen worden uitgedrukt in planetennamen, in Godennamen, of in
engelennamen. Dan krijgen wij dus: Gabriël, Samël, Azazaël, Asraël enz. Al de engelennamen.
Wij kunnen ook i.p.v. daarvan de tekens van de 7 planeten ingriffen. Niet de maan. De maan
laten wij in dit geval buiten beschouwing. Wij hebben hierdoor ons begrip van tijd daarmede
verbonden. Verder is het noodzakelijk, dat ons doel wordt weergegeven. Men doet dit het
beste door eenvoudig het latijnse woordje "Pax" te graveren op het lemmet, of in te snijden.
Waar onze hand het wapen vasthoudt, in de greep dus, moeten wij ook proberen uitdrukking
te geven aan hetgeen wij willen. Daarom graveren wij, ofwel symbolen, ofwel woorden, die
inhouden: zekerheid, leven en dood. Leven en dood zijn n.l. één voor de magiër, en zijn
beiden onder zijn beheersing. Zekerheid is de kracht, waardoor hij staat op het mes van de
Grote Waag van het Leven en bepaalt, hoe het verloop der gebeurtenissen zal zijn.
Hiermede heeft men een wapen gekregen, dat een volledige weergave is van de werking van
de magiër en door de daarmede verknoopt gaande gedachten gericht kan worden tegen elke
schadelijke kracht, maar slechts dán enige invloed hoeft, wanneer andere krachten U in Uw
werken aanvallen, terwijl U werkt vanuit het goede.
Om het geheel nog te doordrenken met gedachtekracht, doet men vervolgens een reeks van
handelingen, die zijn:
Het strooien van wierook op gloeiende houtskool, die niet door middel van petroleumhoudende
stoffen, alcoholhoudende stoffen in brand is geraakt, die ook niet in een vuur is geworpen,
waarin wij zouten hebben verbrand. Het moet een z.g. rein vuur zijn. De wierook zelf bestaat
uit een heel klein tikje amber gris, cederhout, eikenhout ongeveer in gelijke delen, vermengd
met een half deel magneetsteen. Een zeer eigenaardig recept. Maar het eigenaardige is, dat in
de eerste plaats de geur, in de tweede plaats de bestanddelen samenwerken om ons - mag ik
zeggen - onder een zeker invloed te brengen waarbij het gehele ritueel, het gebruik van deze
speciaal bereide wierook, ons kracht geeft. Kracht om dit wapen te wijden. Die wijding kunt U
doen, zoals u wilt, mits het de vorm is van een intens gebed, of een intense aanroeping van
hogere krachten waarin U intens gelooft. Het wapen wordt wederom zeer zorgvuldig
opgeborgen en bewaard, bij voorkeur in zwarte zijde, of in zwart fluweel. Wil men het weg
sluiten, dan berge men het ook weer in zilver, in ebbenhout, of in eikenhout. U zult zeggen,
dat het allemaal dwaasheid is. Neen. Door het bewaren, door het beschermen voor stof, voor
vuil, voor licht, wordt het wapen geassocieerd met de kracht, die wij door de bede a.h.w.

74
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

eraan hebben toegekend. Het maakt ons sterk en een magiër moet sterk zijn. Dan krijgen wij
de kwestie van de bezwering:
Wanneer wij geesten op willen roepen, die verschijnen moeten, dan moeten wij van
reukwerken gebruik maken in vele gevallen. En wel, omdat de etherische stoffen die daarin
aanwezig zijn, de kleine deeltjes die vaak in de ruimte gaan als een walm, aan geest en demon
de mogelijkheid geven zich daardoor een rookvoertuig te bouwen - een voertuig dus dat uit
rookbestanddelen bestaat, die verdicht worden en vastgehouden - zo zich in een kenbare vorm
te tonen, waardoor de kenbaarheid van die geesten in de wereld weer een feit wordt en hij ook
zich desnoods een lichaam kan aanschaffen. In doorsnee hebben wij dat helemaal niet nodig.
Dergelijke experimenten met materialisatie zijn misschien goed voor de zwartmagiër, of voor
de nieuwsgierige, die de mogelijkheden wil onderzoeken. Het brengt risico's met zich mee. Het
hoeft voor ons weinig zin.
Toch gebruiken wij wel vaak reukwerken. Ook wanneer onze gehele reeks van aanroepingen,
bezweringen, concentraties, of meditaties, niet is gericht op verschijningen. Juist omdat wij
geen bepaald doel nastreven is het ook niet belangrijk, wat voor wierook wij gebruiken, mits
het zuivere wierook is. Wij hebben indertijd ook wel gesproken over Adyar-wierook, die zou
voor een dergelijk doel wel te gebruiken zijn.
Ik heb U nu eigenlijk een paar wetenswaardigheden verteld, die U hopelijk inzicht geven in de
wijze, waarop de schijnbare zinloosheid, de omslachtigheid van de magie berust. Begint het U
duidelijk te worden, welke waarde deze dingen hebben? Dit houdt dus in dat U, wanneer wij
meer en meer gaan spreken over mogelijkheden van incantatie, van bezwering, natuurlijk
deze kleinigheden niet verwaarlozen, omdat het toch maar onnozel, of humbug is. Dat
betekent ook, dat wij dus geen bezweringen zullen beginnen, waar deze uitdrukkelijk als
noodzaak zijn aangegeven, tenzij wij over de mogelijkheden beschikken, plus over de gestelde
voorwerpen. Dan gaan wij nu eens kijken, wat wij doen met geestelijke krachten.
Het oproepen van geestelijke krachten is het oproepen eigenlijk van een zekere wereld, die
een eigen straling kent, een eigen frequentie, een eigen trillingsbasis, waarop alle
verschijnselen uiteindelijk zijn gebaseerd. Van hieruit gaande is het duidelijk, wat de oproeping
van een bepaalde soort entiteit tot uiting zal komen inde wijze van incantatie.
Voorbeelden van incantatie. Ik maak hier wel gebruik van ritme van begrippen, maar niet van
voleinde magische procedures. Ik ga b.v. Saturnus-geesten oproepen. Het zijn zeer strenge,
melancholiek heren, kinderen van de tuchtmeester. Wanneer ik dat doe, dan heb ik daarvoor
een zeker vibratie nodig. Het is vreemd, dat - onbewust - zo veel dominees en sommige
priesters ook deze eigenaardige, galmende vibratie aan hun eigen woorden toevoegen.
Misschien vandaar, dat in zoveel godsdiensten een zekere melancholie, een zekere
onbehagelijkheid is gelegen. Wij krijgen dan b.v. dit:
Gij, O, Meester van de Tucht, Gij, Heerser met ijzeren roede, tot U richt ik mijn woorden. Want
mijn beroepend op, U en Uwe kracht, zal ik volbrengen een werk, gewijd aan Uw
doelstellingen.
(Hierbij invoeging van enkele namen zou voldoende zijn geweest om dit toontje nog een groter
werkzaamheid te geven ook) Ik weet niet, of U hier iets heeft opgemerkt aan die toon. Wie
heeft aan dit toontje nog iets anders opgemerkt, dan dit zwevende, dit galmachtige?
Een bepaalde vibratie. Bij een bepaald woord ging U sterk omlaag.
Die vibratie is normaal, die krijgen wij overal. Maar in de eerste plaats mineurtoon, huiltoon.
Melancholie, leed. Wat voor wereld kan ik daarmee oproepen? Alleen een wereld, waarin deze
vibratie de basis van het leven vormt. Een wereld dus, die vanuit menselijk standpunt
onnoemelijk troosteloos en melancholiek moet zijn.
Verder, inderdaad ik ben niet één maal, maar drie maal met mijn stem naar beneden gegaan.
Ik ben a.h.w. met een rodelsleetje van een zekere huilende hoogte naar een afgronddiepe
afgrond afgegleden. Ik heb het duistere, het melancholieke element, wat hierin ligt, naar voren
gebracht. Maar ik kan natuurlijk ook op een andere wijze spreken.

75
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

Er zijn rondom ons werelden, van wat je zoudt kunnen noemen, zakelijke geesten. Dat zijn
geesten, die interesse hebben in stoffelijke dingen, bepaalde stoffelijke wensen hebben en die
trachten uit te voeren en niet ver van de stof af staan. Zij zijn vaak op het luchthartige af,
vrolijk. Maar de vrolijkheid is er een, die je wat gekunsteld aandoet. Die geesten zou je soms
kunnen gebruiken b.v. voor het bereiken van stoffelijke dingen. Ik hoop, dat U dat niet gaat
doen, het is uit de boze.
Gij, die leeft in de lachende werelden van de daad, tot U zicht ik mijn woorden. Hoort en
verstaat mij wel. Want het begeren, dat in U is geboren en weerkaatst is in mij, dwingt mij tot
een bereiking, waarbij gij mij kunt helpen. Daarom zeg ik U: wees bereid mij bij te staan in
alle dingen. Wijd Uw krachten aan mijn krachten, opdat wij gezamenlijk zullen bereiken, de
verzadiging zullen kennen, waarnaar onze harten streven enz.
Heeft U het gemerkt? Een heel ander ritme. Een heel andere zegging. En waar het eerste U
iets deed, is het tweede eigenlijk nu ja.. Het huppelt wel en het is wel aardig, maar wat doen
wij ermee. Dat zit erin. Nu heeft U daar natuurlijk een paar voorbeelden van een paar lagere
dingen. U zult vanzelf leren, dat een zekere vlakheid ook bij bepaalde hoger entiteiten
noodzakelijk is. Wanneer ik mij werkelijk tot hoger licht ga wenden, dan kan ik die vibratie, die
nodig is, niet meer met mijn stem volledig tot uitdrukking brengen. Ik moet ze er a.h.w.
tussendoor projecteren. Ik kan mij b.v. tot die hoge lichtende geesten wenden met een bede
om vrede, om rust, om sterkte. Maar als ik dat in een bezwerende vorm ga doen, dan klinkt
mijn bezwering in mensenoren toch weer wat vlak, zonder grote contrasten.
In de geest van het witte licht is geen contrast. Schep ik contrasten, dan verwijder ik mij
daarvan. Daarom spreek ik dan ongeveer als volgt:
Gij levende lichten, die in de lichtende wereld één zijt met het grote Licht, U bid ik en smeek ik
om bijstand mij te verlenen in al hetgeen ik tracht te volvoeren. Zoals Gij de Meester erkent
en de Scheppende Kracht, erken ik de Meester en de Scheppende kracht. Wat ik volvoer,
volvoer ik ter ere van Zijn Naam. Leen mij Uw krachten en sta mij bij, opdat ik moge (dan
voegt U er bij) genezen, slagen desnoods.
Merkt U, wat dit eigenaardige ritme doet? Het heeft iets van stilte in zich. Rust. Nu kan ik ook
vandaar uit gaan en mijn bezwering richten op krachten, die wat dichter bij de wereld staan,
maar die, b.v. horen in de wereld van kleur en klank. Hier is een zeer grote differentiatie van
trillingen in dit gebied. Hier zijn scherpe tegenstellingen en ook die moet ik tot uiting brengen,
wanneer ik tot deze krachten spreek. Ik moet mij afstemmen op hun gebied.
Dan kan ik b.v. spreken als volgt:
Hoort mij, gij, geesten van lichtende kracht. Gij, die hoort de stem van de Vader. Tot U verhef
ik mij en tot U, roep ik, opdat gij mij zult bijstaan te volbrengen al, wat ik mij heb
voorgenomen. Komt gij, geesten des lichts, schaart U rond mij en drijf de boze uit mijn wezen.
Verwijder alle kwaad, opdat de volvoering van deze taak in Goddelijke zin zal kunnen slagen.
Wat heb ik gekregen? Geen rustige stilte. Helemaal niet wat U zo-even had. Het is een andere
wereld. Het is een wereld, die door zijn veelheid van wisselingen ons soms verwart. Ga ik nu
naar de kleurwereld, waar eigenlijk geluid en daaronder vage vorm heerst, dan kom ik meer in
de richting van wat indruk maakt op U. Ik moet dan spreken op een wijze, die de klank inhoud
geeft. Ik zal dan ook in dit voorbeeld weer een paar namen, die U onder de hand wel zult
moeten kennen, een paar Godsnamen, gebruiken, ofschoon ik verder geen namen aan zal
roepen.
Ik gebruik deze namen, omdat zij nodig zijn, waar wij spreken tot een wereld, waar de
klanktrilling een grote invloed heeft, de uitroep nodig hebben, het plotseling doordringend dat
van de klank een wapen maakt.
Gij, verheerlijkten, gij, die hoort de stem Gods en de zang der engelen, tot U roep ik. Ik
bezweer U tot mij te komen en mij bij te staan, opdat niets, maar ook niets het werk zal
belemmeren. Ik bezweer U: kom tot mij en schaar U rond mij. Ik beveel U tot mij te komen in
de Heilige Namen: Asgyos, Ischiros, Emmanuël.

76
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

Hier hoort U weer wat anders. Hard. Doordringend, fel. Zij hadden allen hun bepaald doel. Ik
geef graag toe, dat op een racebaan een tractor geen indrukwekkend gezicht is. Maar op de
akker is hij veel indrukwekkender, dan een racewagen. Zo is het met de bezwering ook. U zult
in de magie moeten leren, dat elke bezwering gebruikt wordt voor een bepaald terrein. Dat wij
daar soms komen tot hetgeen, wat op de aarde belachelijk, is soms datgene waar de aarde
voor gééft, of soms tot dingen, waarvan de aarde zegt: Is dit nu alles? Het gaat er ons
helemaal niet om, wat die wereld doet. Het gaat om de krachten, waarmee wij werken.
Het is een eenvoudig stukje, die klank kunt U natuurlijk niet bewaren en die termen zijn
betrekkelijk onbelangrijk. Die formules kunt U zelf ook wel creëren, als U maar weet, tot welke
gebieden U zich moet wenden. Wat die gebieden betreft, zou ik mij voorlopig maar aan les II
houden.
Dan onthoudt U verder dit: Alle aanroepingen, die ik kan vereenzelvigen met kleuren als rood,
blauw mogen die doordringingskracht hebben van mijn laatste zegging. Dit “wat harder”.
Kom ik tot kleuren, waarin groen, goud en zilver een rol spelen, dan moet ik al,heel wat
zachter zijn. Dat moet dan gelijkmatiger zijn. Die kleuren dragen een andere tendens. Daar
moet mijn zegging a.h.w. gelijkelijk en rustig voortvloeien.
Maar spreek ik tot het witte licht, dan is bijna elke intonatie verdwenen. Dan is mijn incantatie
geworden tot een gemurmel van begrippen, dat bestemd is om mijzelf voor een paar
ogenblikken zover in te doen sluimeren, dat ik die hogere krachten kan bereiken.
Daarom zullen wij voor onszelf steeds proberen met witte krachten te werken, de krachten van
het Witte Licht, of zelfs van het verblindende licht. Wanneer wij werken met anderen in een
magische samenwerking, dan geven wij de voorkeur aan goud en zilver, evt. ook aan groen.
Werken wij voor een groot gezelschap, dan kiezen wij onze krachten steeds uit de andere
klassen: rood en blauw.
U heeft daarmee een simpele gebruiksaanwijzing gekregen, niet voor het gebruik van het
woord alleen, maar ook voor de groeperingen, waarmede U onder zekere omstandigheden
kunt werken. Ik vind het altijd prettig Uw eigen gedachten onder woorden en Uw eigen oordeel
naar voren te brengen.
Het is erg belangwekkend dat wij op deze manier eigenlijk zo onze macht ten goede
kunnen vereenvoudigen.
Vergeet U één ding niet, U zegt macht ten goede. Het is kracht.
Ik heb de indruk van rust.
Als ik U was, zou ik ook eens proberen op wit, wanneer het gaat om de kracht. Anders dan
dreigt U te eenzijdig te worden. Een magiër, die eenzijdig is, is iemand, die aan één oog blind
is. Dan is er één kant, waar het gevaar je betrekkelijk ongemerkt kan benaderen. Daarom
moet je zorgen, dat je altijd meerdere kanten uit kunt.
Ik weet niet, tot welke kant je aangetrokken voelt. Naar de kant van het geluid, het licht.
De aanroeping: richt je tot de groep, waarvan je de meeste hulp verwacht. Nu weten wij
allemaal, dat wanneer wij met stoffelijke elementen te maken hebben, dan zullen wij ons zeker
in de eerste plaats wel richten tot krachten, die op die stoffen een zeer grote invloed hebben
en er ook een grote belangstelling voor hebben. Heb ik te maken met de noodzaak tot tucht,
dus wetten, die zich uitdrukken om verschillen te egaliseren en zo, dan kies wel het laatste van
het laatste. Dan krijgen wij dat melancholieke huiltoontje van Saturnus, wat ik zo-even gezegd
heb. Is het een kwestie van zakelijke belangen, wat ik - evenals het vorige - niet direct U
aanraad, dan zult U zich toch moeten wenden tot die geesten, die ik zo heel vlug en zo vrolijk
heb aangesproken. Gaat het U echter om b.v. genezing, diagnose, wijsheid, sterking van
geheugen, dan zult U zich richten tot degenen, die ik zo hard heb aangesproken. De
groepering van geluid, waar ook nog enige vorm is. Heb ik te maken met - wat men noemt -
geestelijke kwalen, of geestesziekten, die geen aanwijsbare stoffelijke oorzaak hebben, heb ik
te maken met leed, of verdriet, of heb ik te maken met domheid, dan heb ik te maken met
krachten, die hoofdzakelijk op het geestelijke liggen, maar die toch een differentiatie vragen.
Ik richt mij dan tot klank en kleur.

77
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

Gaat het mij om een reiniging, om het bereiken van het meest juiste vanuit kosmisch
standpunt, zonder daarbij een speciale wens mijnerzijds uit te drukken, dan zal ik mij richten
tot het witte licht en zo mogelijk zelfs tot het verblindende licht, of het diamanten licht. Er zit
een zekere logische volgorde in.
Elk gebied is niet alleen maar een bepaalde scala van trillingen, met een bepaalde aanduiding
van tegendelen, dus een wereld waarin je leven kunt. Het is bovendien een wereld, die een
grondeigenschap heeft. Een grondeigenschap, die in een zekere relatie staat tot de
grondeigenschap van deze wereld. Dus ook van alles, wat er op leeft. Gezien hetgeen ik
bereiken wil, zal ik mij dus moeten baseren op de grondslag van overeenstemming met mijn
wereld. Heb ik te maken met het zuiver materiele, dán zal ik dus datgene moeten zoeken, wat
met materie, met vorm a.h.w. volledig vertrouwd is, wat ook die vormbasis heeft.
Gaat het om dit tuchtrecht (vandaar ook de tuchtmeester), dan zoeken wij iets, dat nog veel
dieper is. De wet, die in de materie gegrift ligt, en die ook geestelijk overal tot uiting komt.
Een basiswaarde, die geen eigen wil heeft, maar een vaststaande werking. Dan kom ik vanzelf
terecht in nog lager gelegen terrein. Wij zouden zelfs kunnen zeggen in de schemerwereld.
Maar moet ik mij gaan richten tot het mentale (daar bedoel ik het hele mentale gebied mee,
niet alleen het mentaal vermogen van de mens), dan komen wij vanzelf terecht op een terrein,
waar juist wat voor U mentaal is (dus het spel van gedachten, een reeks
symbooluitdrukkingen), de basis vormen van de wereld, klank en kleur, werkt.
Kom ik bij het geestelijke, dan heb ik te maken met de differentiatie van krachten in de eerste
plaats, voor het geestelijke zal ik mij dus automatisch moeten beroepen op kleur, het
gekleurde licht. Kom ik echter op kosmische concepten, of zo U wilt op zielewerkingen, dan
moet ik iets hebben, wat daarmede verwant is. Wat is meer verwant met de ziel dan mijn
wereld, die gebaseerd is op een kennen van God? Het totaal beeld. Vandaar dat ik mij dan
richt tot het witte licht. Vanuit het witte licht kan ik zeer zeker alle vlakken bereiken, maar
alleen vanuit het inzicht van goddelijke harmonieën en verder niet.
Als magiër kan ik dit dus alleen doen, wanneer het mij gaat om de kosmische eenheid, of de
harmonie uit te drukken, maar ik kan het niet doen, wanneer ik een speciale werking wil
bereiken. Richt ik mij tot het verblindende licht, dan zoek ik een directe relatie te vinden
tussen de Goddelijke persoonlijkheid, waarvan ik deel ben in mijn eigen wezen, zodat tijdelijk
dit deelgenootschap ontstaat. Want niet het kénnen Gods, maar het wézen Gods is de kern
van dit diamanten licht, van dit verblindende licht. Als zodanig een uitdrukking van het totaal
der harmonische eigenschappen dat in het Goddelijke woont. Het gaat hier ook om de idee van
de andere wereld. Het staat in verband met de tweede werkelijkheid.
De tweede werkelijkheid is voor heel veel mensen, vooral in het begin, een heel vraagwaardig
iets. Als U gaat begrijpen, hoe Uw eigen wezen op verschillende vlakken relatie bezit met
andere krachten van gelijke stemming. Dan begrijpt U ook hoe deze indeling het ons mogelijk
maakt, zij het zeer grof, onze eigen wezen af te stemmen en in contact te komen en andere
krachten in onszelf te wekken.
Ik had de indruk van zwevend.
Als je zweeft, dan heb je de kans, dat je plotseling ter aarde valt. Wat zweeft er eigenlijk
allemaal? Ja, het moet verwerkt worden. Dit zijn dingen, die niet alleen verwerkt moeten
worden, maar die ook geleerd moeten worden. Ik leg daar even de nadruk op omdat deze
schema's belangrijk zijn voor het opbouwen van een wereldbeeld. Voor het hanteren van de
vermogens, die het bezit ook. Dus niet alleen zweven over de indrukken, maar ook toch wel
even proberen om die indeling precies te krijgen. Ook wat ik over licht gezegd heb, maar ook
over die verschillende vlakken.
Ik heb dezelfde indruk t.a.v. wat studie betreft, zoals ook tegen de heer XXXXX gezegd
heeft.
Het is een kwestie van onthouden. U kunt dat misschien heel goed op prijs stellen, wanneer U
denkt aan het ritueel. U zult het onthouden noodzakelijk voor het begrijpen, en dus uiteindelijk
de mogelijkheid tot werken maken.

78
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

Wanneer wij uitgaan van die loodlijn en dus werken op de verschillende vlakken, die U
genoemd heeft, moet dat allemaal in een kosmisch belang leven, dus in een algemeen
belang, maar bij die lagere vlakken wordt het dan niet meer de plicht?
Maar dan wordt het beperkt, gezien zijn werkingen in onze eigen wereld. En wel, doordat wij
uit de vele werelden, waarmede wij dus parallel liggen in een vouwboekje, enkele tussen
uitgevouwen laten. Wij kiezen dus andere buren en daardoor uiteindelijk een ietwat een
andere basiswerking.
Dan is er in die andere vlakken een veel kleinere werking?
Inderdaad. Alleen, wanneer wij dus naar het kosmische toe gaan, dan komen wij in het witte,
of verblindende licht, diamanten licht, dan hebben wij een werking waar wij alle werelden
evenzeer beroeren, dat is eenheid met God. Het witte licht is het kennen van God en is dus
een alomvattende uitdrukking. Al het andere is inderdaad een klein deel. Een magiër kan nu
eenmaal niet in de hele kosmos werken. Een deel van zijn werken zal wel degelijk gericht zijn
op zijn eigen wereld. Wanneer ik U mag herinneren aan hetgeen hier als wens naar voren is
gebracht: betere begrijpen van de mensen, aan het begin van de cursus, het genezen van
mensen e.d. Nu komen wij dan wel op zeer beperkte en bepaalde werkingen terecht waarop U
dus Uw magie wilt gaan proberen te gebruiken. Dan kunnen wij niet alleen blijven hangen bij
het kosmische. Dan moeten wij juist naar de kleinere krachten toegaan. Overigens is U zelf
ook wel eens opgevallen in een andere verhouding als je een spijkertje in de muur moet slaan
en je gebruikt een voorhamer, dan loopt het mis.
Wannen je wilt werken tussen mensen met beperkte vermogens, met beperkte krachten, dan
moet je nooit een onbeperkte kracht erop laten. U denkt er niet aan om met een
vlammenwerper een sigaret aan te steken. Dan kunt U er ook niet aan denken om met een
grootkosmische kracht genezing van de mensen te helpen bewerkstelligen. Daarvoor moet je
de juiste verhouding kiezen. In de magie is deze kwestie van verhoudingen wel zo
buitengewoon belangrijk, dat wij alles doen - denkt U aan het begin over het ritueel - alles
doen om de juiste instelling, in feite de juiste beperking, ook te verkrijgen.
Ik heb begrepen, dat je bij het doel, dat je stelt, een harmonie moet scheppen tussen de
cadans, die je gebruikt en de wereld waarin hulp wilt vragen.
Dat is juist.
Wanneer ik mij dus voorstel op het kruispunt te staan, dan zal ik dus altijd de juiste positie
innemen, bij deze aanroepingen etc.
U zult altijd het enig juiste punt, dat voor alle wereld gelijkelijk geldt, innemen.
Het was net of mijn lichaam erop reageerde, op die incantaties.
Dat doet het ook. Geluid is een trilling, dat wordt opgenomen door uw wezen en bovendien
door Uw gedachteleven. Dan hebben wij dus gehad de incantatie en daarmede evt. gepaard
gaande bezwering. Nu zijn er nog een paar andere dingen nodig. Wanneer U zich vasthoudt
aan een touw, waar aan de andere kant mensen trekken, U laat het ineens los, wat gebeurt er
dan? Dan vallen die anderen. Want dan wordt de kracht te plotseling verbroken. De magiër
weet dit heel goed. Vandaar, dat hij voor al zijn experimenten tijd uittrekt, wanneer een
bezwering in feite 10 minuten zou duren, dan rekent hij minstens met een uur.
In de eerste plaats is het goed langzaamaan door meditatie en contemplatie de juiste
gezindheid, op te bouwen, alle maatregelen te nemen, die nodig zijn om die stemming te
versterken, tot zelfs ritueel toe, terwijl hij ook de tijd moet hebben ons de zaak langzaam te
laten afflauwen. Als je als magiër werkt, dan heb je over het algemeen niet alleen te maken
met een contact met een geestelijke wereld, maar ook met je eigen wereld. Die wereld wil je
helpen. Daardoor wek je ontspanning tussen delen van die wereld en jezelf, terwijl je op jouw
beurt weer in relatie staat tot Goddelijke krachten. Je kunt niet zeggen op een gegeven
ogenblik: “En nu vat ik U allen samen in deze Goddelijke macht. Ik verbind U met deze
krachten. Afgelopen.” ’t Breekt, het kan niet. Wanneer ik dat afgelopen er achteraan zeg, dan
heb ik mijn hele kleine opbouw verbroken. Dan is het al mogelijk, dat U daarvan een hele
kleine schok al ondervindt.

79
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

Maar wanneer U bezig bent geweest met een werkelijke bezwering, wanneer U geestelijk
datgene doet, wat ik nu alleen met een paar geluidsgolven heb gedaan, dan is die schok veel
groter. Dan is het daardoor mogelijk, dat U schade aanricht op Uw eigen wereld. Dat U
hetgeen wat U zo-even bereikt hebt, daardoor weer ten dele vernietigt.
Dan is er nog één ander ding. Wanneer ik in relatie sta met een andere wereld, dan zijn er
toch entiteiten en krachten die mij vandaar uit helpen. Moet ik tegen die ook maar zeggen:
afgelopen? Wanneer iemand vrijwillig komt en die helpt U iets heel moeilijks te doen. U bent
klaar, zegt. U dan, Dank je wel. Tabé? Of zegt U: Vriend, ik ben erg blij, dat U mij geholpen
heeft. Ik ben er erg dankbaar voor. Het heeft veel voor mij betekend. Op deze manier gaan wij
dit ook doen. De magiër noemt waardig afscheid van de krachten die hem geholpen hebben.
Gelijktijdig betekent dit een verflauwing van de band. De spanning in de eigen wereld neemt
af, waardoor de andere partij, die helemaal niet bewust iets naar zich toe wil halen, evenwicht
herwint. Dan heb ik die andere gedag gezegd. Dan zou ik kunnen zeggen afgelopen, ik ga aan
alle dag beginnen.... Dan moet ik voor mijzelf dit afflauwen nog meer continueren. Doe dit b.v.
door een kort gebed. Je kunt het ook doen door een stukje te lezen in de bijbel, een psalm,
een gedicht desnoods. Even iets, wat past. Daarna bent U nog niet klaar. Daarna gaat U evt.
de rituele zaken opbergen, als U die heeft gebruikt, dan gaat U de handen wassen. U reinigt
het hoofd. Pas daarna zegt U: Afgelopen.
Het einde van een ritueel mag nooit abrupt zijn. In de magie is elk abrupt optreden, dat
gelijktijdig een beëindiging van invloed betekent, schadelijk: zowel voor U, voor de krachten,
waarmee U werkt, als voor degene ten gunste van wie U werkt. Ook goed onthouden.
Het volgend stukje is ook voor nader bestudering bestemd. Het feit dat alle werelden in feite
elkaar doorkruisen, kan het makkelijkst worden voorgesteld als een voortdurend parallel
liggende. Denkt U aan een reeks van sigarettenpapiertje: Elk zo'n wereld is dan in zo'n pakje
verborgen. Zo'n pakje genaamd de Schepping. Dan is het mogelijk om met een betrekkelijk
geringe kracht verschillende werelden gelijktijdig aan te boren en aan te slaan. Verder is het
mogelijk om met betrekkelijk geringe moeite meerdere van die werelden tijdelijk, of voorgoed,
te verenigen. Je bent zelf voortdurend de verbinding tussen alle werelden die je beroeren. Het
verschil tussen die werelden en jezelf is zo klein, dat je elk gewenst contact kunt opnemen. Er
bestaat een zekere sequentie, een zekere volgorde die inhoudt, dat de magiër niet onmiddellijk
kan beginnen met zich in een hogere wereld vrijelijk te bewegen, maar dat hij moet beginnen
met die werelden, die hem onmiddellijk omgeven. Vandaar, dat wij spreken van de z.g.
wachter op de drempel aangezien de astrale wereld gevuld is met schrikbeelden.
Daarnaast kennen wij de wereld van het mentale terrein waarin de gedachtewereld, maar
eerst veel verder kunnen wij het werkelijk licht in volkomen vrijheid vinden. Het is niet ons
doel om deze werelden zonder meer op zich, zonder meer te betreden. Ons doel is deze wereld
zo bewust te betreden, dat wij de krachten ervan kunnen gebruiken en elke van die werelden
volledig kunnen verdragen, beheersen en bezien. Wij moeten leren deze werelden deel te
maken van ons eigen bestaan. Want degene die een astrale wereld beheerst, kan verder gaan
tot de mentale wereld.
Dit begrijpende, zult U bij huis beginnen. U zult Uw streven naar het kennen van verschillende
werelden en sferen, niet onmiddellijk projecteren op het onbereikbare. U zult beginnen bij de
eigen wereld, met de astrale wereld, van die astrale wereld zult U overgaan tot de
schaduwsferen, waarin reeds verschijningen mogelijk zijn van mensen, die daar ronddolen,
waar geen contact mogelijk is met entiteiten, vandaar naar Zomerland en zo verder. Eerst zó
kunt U door de verschillende fasen van bewustzijn, elk een eigen wereld vormend, één voor
één toe te voegen aan Uw weten, komen tot een werkelijk kennen. Maar zoudt U proberen om
een wereld, ver van de Uwe verwijderd in begripsvermogen en werking, onmiddellijk te
beheersen, dan bestaat de kans 99 ten 100, dat U daardoor ófwel een deel van Uw eigen
wereld verliest, óf nooit die andere wereld geheel zult kunnen kennen en daardoor de
tussenliggende werelden met die hogere wereld verwart.
Verwardheid van geest omtrent de voorstelling van wereld en sfeer omtrent het kennen van
verschijnselen, is absoluut waanzinnig. Dit brengt de absolute verschuiving van werkelijkheid
teweeg, zó groot, dat U niet meer zegenrijk kunt werken voor Uw eigen wereld, dat U zelfs
80
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

daarin geen werkelijk kwaad meer kunt stichten, maar dat U alleen nog maar in staat bent
elke werking, tot Uzelf te dirigeren en die zelf te ondergang wetend of niet.
Daarom moet worden gesteld, dat bij het zoeken naar parallelle werelden, het begrip van deze
werelden, die wij hanteren, niet alleen het innemen van het juiste standpunt noodzakelijk is,
maar ook het ons beperken tot de nabij gelegen werelden. Vanuit deze beperking kunnen wij
komen tot een kennen daarvan. De krachten die in onszelf liggen, kunnen wij tot elke wereld
richten. Dat is a.h.w. de naald, die een ogenblik een groot aantal blaadjes doorboort en met
elkaar verbindt. Maar als het gaat om werkingen, die wij kunnen begrijpen, die van ons
uitgaan en volkomen reëel en redelijk moeten zijn, volgens stoffelijke normen, dan kunnen wij
dit alleen doen door het kennen van de naastgelegen wereld, de astrale wereld, met al zijn
gevaren, met al zijn mogelijkheden. Een goed magiër zal daarom bij voorkeur geen gebruik
maken van directe wereldvoorstellingen, wanneer hij zijn magisch werken begint.
Het innemen van het juiste standpunt in het enigszins mathematisch symbool, aan het begin
van deze les gegeven, duidt U aan hoe het juist standpunt te vinden, waarin geen enkele
wereld eigenlijk belangrijk is, waar het gaat om de schijnbare abstracties van goed en kwaad,
toegepast op het totaal van het gekende in een wereld op een zodanige wijze, dat het
gelijkelijk geldt in alle andere werelden en dus ook het niet gekende daarmede betrokken
wordt in dit ene verkende, in dit ene voordeel. Dit betekent: erken geen kwaad, erken slechts
goed, maar erken dat er tussen goed en goed en zeer goed verschil kan zijn van het
aanvaardbare en het niet aanvaardbare. Het totaal aanvaardbare kan echter niet het hoogste
goed zijn voor het werken met alle werelden. Het totaal onaanvaardbare, zo goed als het
moge zijn in zichzelf, is voor ons ook niet bruikbaar. Wij moeten altijd het middelpunt vinden
tussen deze dingen, waarin een balans van schijnbaar goed en van schijnbaar kwaad voor ons
brengt de realiteit van iets, wat kosmisch is, wat in elk gebied en elke voorstellingswereld nog
juist aanvaardbaar is, nog juist passend is. Is dit voor ons in onze eigen wereld na rijp
geestelijk beraad gevonden, die zich uit kan uitbreiden tot alle andere werelden, zonder aan
begripsvermogen, of waarnemingsvermogen, nog verdere eisen te stellen.
U kunt dit makkelijk leren. Het is niet ingewikkeld. Het was vlug, maar wij moeten rekening
houden met de tijd en de eisen, die wij vandaag willen stellen.
Dan gaan wij nu pauzeren. Wanneer U het wenselijk acht, kunt U ook op meer persoonlijke
punten terecht komen.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
De tijd is tamelijk kort. Nee, vragen?
Het puntvormig denken in de magie?
Een punt is een deel van een lijn. Het drukt in zichzelf geen beweging uit, maar is deel van
iets, wat een beweging uitdrukt, daardoor opgenomen in het geheel. Wanneer je in de magie
puntvormig denkt, maak je jezelf tot deel van een bepaalde actie, functie, of toestand die niet
in je zelf als zodanig bestaat, maar waarvan je zo volledig deel uitmaakt, dat je invloed op het
verloop van het totaal kan uitoefenen en zelfs het geheel zoudt kunnen onderbreken. Nemen
wij in de lijn nog zo'n klein punt weg, de lijn is in feite onderbroken. Verplaats die punt
enigszins en de lijn is niet meer volledig recht. Op deze wijze zijn bepaald wijzigingen aan te
brengen en vooral bij een actie, dus bij een handeling, is het mogelijk, door een verplaatsen
van het ik, dat in feite geen deel heeft aan de beweging, of werking, op een zekere wijze een
afbuiging om de werking te bereiken.
Stel, dat U een stel knikkers achtereen heeft liggen, dat de rij wordt gebouwd knikker na
knikker. Op het ogenblik, dat één knikker iets scheef terzijde ligt, is er een afwijking van de
rechte lijn. De totale lijn zal nooit meer op hetzelfde doel uitkomen, waar zij zonder deze
afbuiging terecht kwam. Die afbuiging zal door een denkende knikker dus zodanig kunnen
worden veroorzaakt, dat aangenomen, dat recht op de voorganger wordt aangesloten, altijd
elke afbuiging van elke actie te bereiken is binnen een radius van 180 graden. Dat wil zeggen
81
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

dat wij oorzaak en gevolg de wijziging betrekkelijk groot kunnen maken, maar nooit het gevolg
geheel teniet kunnen doen. Wij kunnen het in zijn werking zozeer veranderen, dat het
daardoor ons beoogd doelmerk dient als deel van de magie. Daarvoor moeten wij echter zelf
geen bewust deel zijn van het geheel, maar wij moeten ons wel bewust zijn van onze functie in
het geheel. Wij hebben dus niet de taak de functie van het geheel in ons te kennen en te
vervullen, maar deel zijnde van de functie die buiten ons staat, kunnen wij voor ons eigen
denken wijzigingen aanbrengen, waardoor het totaal van het verder gebeuren een ander
verloop heeft. Zouden wij, gaande van dit persoonlijk bewustzijn, deze persoonlijk wensen, de
oorzaak kennen, waaruit de reeks van gevolgen voortvloeit, dan is het mogelijk om de verdere
gevolgen te wijzigen naar eigen inzichten, als deel van de magie.
Dat is dus persoonlijk bewustzijn en objectie bewustzijn? Zouden wij daaraan dezelfde
namen kunnen geven als innerlijk en uiterlijk?
Nee, dit is niet juist, omdat het uiterlijk bewustzijn van de mens toch altijd weer gebonden is
aan zijn innerlijke ervaring. Dan zou je dus de illusie krijgen dat hetgeen je buiten ziet, de
uiterlijke werkelijkheid, identiek is aan de objectieve werkelijkheid. Objectieve werkelijkheid is
ontdaan van alle meningen, bedoelingen, die wij lezen in de werkelijkheid, die wij beschouwen.
Daarom is de uitdrukking van eerste en tweede werkelijkheid objectief, of evt. innerlijke, of
tweede werke1ijkheid m.i. beter.
Wat bedoelt U met grootmagisch werk?
Grootmagisch werk is de tegenstelling van kleinmagisch werken. Een groot magisch werk
beïnvloedt een groter deel van de Schepping, een groter aantal personen, of een langere
tijdsduur. Het kleinmagisch werken beperkt zich tot enkele minuten, of een zeer geringe
verandering.
Voorbeeld: klein magische werkingen zijn het wegnemen van hoofdpijn, maar het wegnemen
van kanker betekent alweer een groot magisch werk. Het beïnvloeden van enkele personen
betekent kleinmagisch werk, het beïnvloeden van een menigte waardoor haar handelingen
anders worden, haar reacties anders worden, is grootmagisch werk. Het stellen van een lering,
die eenvoudig op de dagelijkse dingen betrekking heeft en het daardoor bewerkstelligen van
een zekere reactie bij anderen, is kleinmagisch: het stellen van grootmagisch, of
grootesoterische krachten en bewustwording daarvan betekent een zodanige verandering in
het werk van anderen, dat over grootmagisch werken kan worden gesproken.
In feite kan worden gesteld, dat alle grootmagisch werk in de tijd en in de kosmos kenbaar
merkbaar is, terwijl alle kleinmagisch werk slechts in een klein deel van de tijd en in de
kosmos praktisch niet merkbaar zal zijn.
De spreker had het over het langzaam opbouwen van de mentale wereld steeds naar een
hogere wereld.
Het is niet opbouwen, maar is zich identificeren met, of leren kennen van.... Het is heel
begrijpelijk. Uw wereld zoals die hier is, is onmiddellijk omgeven door de astrale wereld. Het
astrale verschijnsel dringt voortdurend in Uw eigen wereld door en Uw eigen gedachtestromen
liggen praktisch op een vlak dat aan het astrale gelijk is. Toch realiseert U zich die wereld niet.
Wilt U verder komen en de betekenis kunnen begrijpen van de werelden, die daar achter
liggen, zult U dus eerst deze wereld,die onmiddellijk met U verwant is U eigen moeten maken,
leren kennen en leren beheersen, voordat U verder kunt gaan met een redelijke mogelijkheid
tot slagen.
Hoe doen wij dat?
Over het algemeen wordt de astrale wereld het best benaderd door het geven van enige
nadruk aan en aandacht ook aan alle invloeden, die ons als z.g. intuïties, of plotselinge
onredelijke ervaringen bereiken. Op dezelfde wijze is het belangrijk aandacht te besteden aan
gedachten, die zonder vragen opkomen. Wij krijgen daardoor een beeld van invloeden, die in
ons werken een rond ons werken en zullen door de aandacht daaraan gewijd, langzaam maar
zeker ook bepaalde vormen gaan zien, of bepaalde krachten aan het werk zien. Wanneer wij
weten hoe die krachten werken, hebben wij al een beeld gevormd en het wordt dan
betrekkelijk eenvoudig dit om te zetten in een z.g. zien. Dit behoeft niet visueel te zijn, maar
het betekent wel, dat wij het onzienlijke aan het werk kunnen ontdekken en daardoor zien wat
82
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

die werkzaamheid betekent. Zien is in feite een bepaalde vorm van begrijpen. Een begrip, dat
verkregen is voor de werken van deze wereld, maakt het ons weer mogelijk om a.h.w. door
interpolatie te besluiten, wat andere krachten evt. zullen doen rond ons. Op de duur zullen wij
leren met bepaalde, zeer klein kentekenen, een gehele reeks van handelingen, acties, en
aanwezigheden voor te stellen in deze astrale wereld. Het is voor de doorsneemens
gebruikelijk, dat hij deze impulsen gaat omzetten in visuele beelden, in droombeelden e.d..
Dezen zijn niet identiek aan de waarheid, maar zijn een uitdrukking van zijn eigen persoonlijke
beleving. Juist daardoor komen er inde astrale wereld voor de mens zulke monsters voor.
Het is dus telkens weer jezelf bezig houden met je eigen persoonlijkheid en die interpoleren
in een andere werkelijkheid?
Met de onverklaarbare verschijnselen, die in en rond je eigen persoonlijkheid. Ik herinner mij
plotseling iets, waarvan ik niets wist. Ik ontdek plotseling, dat ik ergens naar toe moet,
ofschoon ik niet weet waarom. Ik ga erheen en ontdek, dat het een doel had. Ik ontdek
plotseling, dat ik gedachten met anderen gemeen heb. Ik ontdek plotseling, dat onverwachte
situaties zonder enige kennelijke reden ten voordele, of nadele, voor mij veranderd zijn. Ik
kom in een vertrek en voel dat er een zekere sfeer, of spanning, hangt. Ik kom een huis
binnen en besluit allen uit het binnentreden, dat hier b.v. de dood regeert, onaangename
stemming, of dat hier lijden zal zijn, of dat vreugde heerst. Al deze impulsen tezamen
genomen, zijn deze feitelijke ervaringen. Uit deze feitelijke ervaringen, die niet alleen in het ik
berusten, maar wel degelijk ook bevestigd kunnen worden door de stoffelijke werkelijkheid,
kunnen wij een beeld krijgen van de astrale werkelijkheid, zoals zij rond ons ligt.
Wat is een denkvraag?
Ik vind dat U Uw gedachten beter uit kunt drukken.
Dat is moeilijk.
Daarom is het juist zo nuttig.
Kan het met herinnering in verband staan, alles wat wij zo horen over de magie?
Het staat niet met herinnering in verband, maar althans voor sommigen Uwer, kan het wel
met vroegere levens in verband staan. Het geheel wat wij gebruiken is een reeks van
magische werkingen die op deze avonden steeds op U worden aangewend en dezen zijn
gebaseerd op bepaalde grondeigenschappen van het menselijk ras en verder aangepast aan
het gemiddelde besef, het gemiddelde bevattingsvermogen en de gemiddelde instelling van de
aanwezigen. Daardoor wordt dus op zekere oerinstincten gespeculeerd door ons. Dat is waar.
Maar wij moeten dit wel doen om zo snel mogelijk reactie te krijgen, want de stof, die deze
avond alleen behandeld is b.v. zou bij een meer normale studie een jaar vergen. Ze zal dan
misschien beter gekend worden, maar U zoudt dan niet in een korte tijd voor Uzelf de
mogelijkheid krijgen tot een steeds intenser gebruik van magische krachten. Wij laten het
experimenteren aan Uzelf over, omdat wij daar (geestelijk alleen) invloed op uit kunnen
uitoefenen, maar stoffelijk kunnen wij daar niet lang genoeg bij zijn om U volledige lijnen te
geven. Vandaar deze wijze van werking.
Nog een kort onderwerpje. Hoe gebruik je innerlijke krachten in je omgeving? Onbewust.
Een innerlijke kracht in je omgeving veronderstelt in de eerste plaats, dat het ik zich van de
innerlijke krachten bewust is, in de tweede plaats, dat het daarvan gebruik wil maken. Eerst zo
kan op beheerste wijze de innerlijke kracht worden uitgedrukt.
Het is dan over het algemeen een soort fluïde, een soort uitstraling, die van het ik uitgaat en
de omgeving a.h.w. beroert. Het is in vergelijk een aanstoten van bepaalde waarden, die in
anderen door slingeren ontstaat. Als je een klok hebt, die op een slinger loopt, dan is een klein
tikje vaak voldoende om haar weer dagenlang te laten lopen op eigen krachten. Op dezelfde
wijze moet de mens werken met de krachten in hem. Hij straalt deze kracht uit aan anderen,
hetzij dit vertrouwen is, hetzij rust, vrede, of dat het een daadkracht is, of een begrip van
noodzakelijkheden. Dit kleine tikje zal, mits beantwoordend aan persoonlijkheden in de
omgeving of de krachten in de omgeving, daarin een zelfstandige werking veroorzaken, die
betrekkelijk lang duurt. Op deze wijze kun je door steeds op het juiste ogenblik een tikje te
geven, met je innerlijke krachten een betrekkelijk groot deel van de wereld helpen
beïnvloeden.
83
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

De meest juiste beïnvloeding is natuurlijk altijd een mens vrede geven en gelijktijdig leren
zoeken naar een doel, dat waard is om naar te streven. Wanneer een mens het doel heeft
gevonden, dat waard is om naar te streven, dan zullen de innerlijke krachten van die mens
juist door dit streven naar een doel, waarin hij gelooft, van zelf tot openbaring komen. Het
gebruik maken van gedachtekracht, die uiteindelijk toch ook wel een deel is van de innerlijke
kracht, berust op het uitstralen van gedachten. Het uitstralen van gedachten kun je alleen
krijgen door intens denken. Daarvoor is het niet voldoende, dat je alleen een vormgedachte,
hebt, of een woordgedachte: je moet in jezelf een sterraming wekken, die met een gedachte
wordt weergegeven, door de volledige harmonie van je wezen, geest en stof gelijktijdig, in de
gedachte uitgedrukt, wordt een trilling over betrekkelijk grote afstand met betrekkelijk grote
intensiteit vaak, uitgegeven, terwijl zij gelijktijdig versterkt door de alle harmonische,
invloeden van b.v. de geest en ook van de stof, die aanwezig zijn. Op deze wijze kan door
middel van de gedachtekracht niet alleen in mensenleven, maar zelfs in dode stoffen een
zekere reactie worden gewekt, die langere tijd aanhoudt.
Deze uitstraling is dan meestal voldoende om in sensitieve typen, ook wanneer U zelf niet
meer aanwezig bent, of de gedachte bij U al voorbij is, toch deze gedachte te doen herleven.
Het gebruik van eigen geestelijke krachten ter genezing betekent in feite een instelling op de
geestelijke krachten, waaruit U dus hoopt bepaalde vermogens versterkt te ontvangen, in feite
het zoeken van een harmonie als voorgenoemd.
In de tweede plaats het zoeken van harmonie met de patiënt, omdat in deze harmonie een
volledige werking bereikt kan worden, ook het verwerven van vertrouwen van de patiënt,
daarnaast begint men dan eigen kracht door de wil uit te drukken op anderen, waardoor een
zekere fluïde vloed wordt gegeven, of een uitstorting van Odd, die in de ander berust en deze
meer één maakt met Uw persoonlijkheid en vooral wel met Uw geestelijke uitstraling.
Daardoor is de verbinding, die U zelf geestelijk heeft gevonden, in de ander uitgedrukt en kan
soms betrekkelijk snel een genezing ontstaan, mits deze niet op zuiver fysieke defecten
berust: maar praktisch elk fysiek effect gaat gepaard met een bepaald psychische effecten.
Het wegnemen van de psychische effecten kan vaak een fysieke verbetering betekenen.
Dit is het korte onderwerpje. Maar aangezien de meditatie niet in hetzelfde tempo kan
geschieden, als waarin ik mijn lezing houd, hoop ik dat U voor vandaag genoegen neemt
hiermede.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Wij zullen deze bijeenkomst gaan beëindigen met een meditatie, waarvan U zelf de titel zult
mogen opgeven.

VLAM
Wat is eigenlijk een vlam? Zij geeft licht, zij geeft warmte. Wat is zij? Stoffen uit de vaste
materie onttrokken. Gemengd met de zuurstof, die in de atmosfeer er om heen ligt, uit een
lichter gehalte van stof a.h.w. vormt een verschijnsel, dat trillingen brengt, niet alleen
infrarood, maar zelfs de veel hogere trillingen, die ons als lichtstralen treffen.
Hier is wel een voorbeeld van het menselijk leven en het menselijk bestaan: Want trekt niet
het stoffelijk wezen uit zichzelf de krachten, die samengebracht met geestelijk bewustzijn, de
hoogbewuste daad warmte geven en ook gelijktijdig het esoterisch inzicht, dat gelijk staat aan
de straal van licht, die in de duisternis van eigen wezen en wereld onthult voor iedereen,
datgene, wat de werkelijkheid is van het bestaan en van het leven.
De vlam is het symbool - zo zegt menigeen - van een zichzelf verteren. Maar wij weten, dat
niets teniet kan gaan. Lang nadat de vlam is gedoofd, gaat de trilling van het licht door de
ruimte, wordt meegedeeld aan ander: delen, omgezet en blijft leven. En de warmte, die wordt
uitgestraald? Zij is tot daadkracht geworden aan anderen, de temperatuur, die misschien wel
wordt afgegeven, verandering van moleculaire beweging.

84
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 5 – 13 januari 1960

Wij weten, dat dit niet teloor gaat. Het is omgezet tot iets, wat in de kosmos werkt, wat in
feite de grote werking van de kosmos helpt bevorderen. Wanneer de mens als een vlam is,
verterende a.h,w. het onreine, door de vereniging van stof en geest, dan wordt daaruit een
eeuwigheidswaarde geboren, die misschien niet meer zo onmiddellijk kenbaar is, dat zij als
afzonderlijk bestaan in het Al.
Maar een werking, die eeuwig blijft voortbestaan. Omdat zij één is geworden van de kosmische
wetten, omdat zij vrij geworden energie, van menselijk wezen, dat zich in de kosmos
ontplooide, nu onmiddellijk uitdrukking geeft aan alle wetten, die de Schepper neergelegd
heeft in het wezen van Zijn Schepping.
De vlam is het Goddelijk licht in de mens. De vlam is het verterende vuur, dat al datgene
wegneemt wat ongoddelijk is, wat niet harmonisch is. Denk niet dat de vlam die in de mens
ontstaat, ooit de materie kan verteren. Dat is geen verslindend vuur, maar zij veredelt. Zij
geeft nieuwe inhoud.
En eerst wanneer wij in onszelf de zuivere vlam der bewustwording hebben branden, kunnen
wij in deze vlam het metaal van weten smeden tot een wijsheid, die uitdrukking van het
Goddelijk scheppingsplan, een ornament wordt die droomt van de Schepper.
Zo is de vlam het symbool van het werk, dat wij kunnen doen. Een werk, dat niet alleen ons
deel maakt van het groot geheel, maar dat ook voltooid door de gegeven gedachten en
krachten, datgene wat de Schepper voor Zich bouwt, datgene wat de Schepper voor Zichzelf
creëert.
Vergeet niet dat wijsheid en weten, gelouterd door het vuur, een plaats zullen vinden overal
het ornament van de wereldse wijsheid op de juist toegepaste wetenschap in het hof der
ongelovigen, in voorhof en op de offerplaats zelf staan de grote offerbekkens en de wijvaten,
waarin wederom het ornament van wijsheid, geloof en wetenschap is samengesmolten tot een
intenser begrip van Gods wil en een juister volbrengen van al hetgeen Hij als wet heeft
neergelegd.
Dan gaan wij binnen in het heilig en wij vinden wederom het ornament. Het ornament van de
wijsheid, voortgekomen uit het erkennen van de innerlijke waarden en het esoterisch begrip.
Maar gepaard gaande met al hetgeen, wat persoonlijk beleven betekent. Dan vinden wij daar
de tafel met de broden. Wij vinden de kandelaar. Wij vinden er alle waarden, die Gods wezen
uitdrukken, Gods wezen voor de ingewijden kenbaar, Gods wezen in de ingewijden uitgedrukt.
Daar ligt de magische beheersing van de kracht, die hemel en aarde verbindt. Nog is aan de
wijsheid niet voldaan. Nog is behoefte aan de vlam des levens, die voortjaagt, stof en geest
gelijkelijk verterend tot een nieuwe en hogere kracht.
Dan schrijden wij in het allerheiligste. Daar is de eenvoud van het laatste ornament. Daar
vinden wij tussen de vleugelen van de serafim de wolk van lichtende kracht, die is de
uitdrukking van de Schepper. Want de laatste wijsheid maakt het mogelijk het weten en het
kennen van de Schepper te bevatten en uit te drukken in een wijze, die de wil Gods op
volmaakte wijze werkt in al, wat Hij geschapen heeft, gelijktijdig behelzend en ervarend Zijn
Licht. Wanneer ook dat volbracht is, dan zal de vlam voor U branden in de Schepping, vereend
met het grote vuur dat is: Goddelijke liefde, Goddelijk weten en Goddelijke wijsheid,
volmaaktheid, waarin werelden worden geboren, waarin mensen bewustwording vinden.
In ons groeit een vonk van innerlijk weten en begrijpen en innerlijke stuwkracht, die verder
gaat, steeds verder. Laat ons deze kleine glimmende vonk aanwakkeren tot een reine vlam,
die verenigen in haar streven, veredeld stof en geest, omdat geschapen worde de eenheid met
het licht aller tijden aller werelden Dat is God, onze Heer en Schepper, adem van het al,
eeuwigheid, uitgedrukt in één Wezen.
Daarmede beëindigen wij dan deze korte overweging. Wij wensen U allen toe een recht
genoeglijke en nuttige tijd, waarin U veel licht moge vinden en steeds U meer bewust moge
worden van de taak, die voor U allen is weggelegd.
Goeden avond.

85
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

LES VI

Goeden avond, vrienden,
De vorige maal hebben wij verschillende puntjes doorgenomen. Ik was de mening, dat U
voldoende stof ter overweging had. Zijn er punten, die onduidelijk zijn?
Ik hoop het gesprokene nog eens een keer in schets te zien.
Wij zijn nog niet met een soort Rijkstekenkamer uitgerust. Wat die schetsen betreft, is dat
vaak heel erg moeilijk.
Als die vlakken van goed en kwaad elkaar overbruggen en je werkt vanuit het middelpunt,
vanuit God, komt dan die kracht, die je uitzendt, weer bij jezelf terug?
Dat gebeurt altijd. Wij rekenen dus zo - even magisch gesteld -: Normalerwijze is alles wat ons
gebeurt, een echo van hetgeen wij uitzenden. Nu kan die echo terugkeren op twee manieren
direct, of indirect. Is dit direct, dan wil dat zeggen, dat de door ons uitgezonden kracht
nergens een harmonische factor heeft gevonden op onze eigen wereld, waardoor zij
geabsorbeerd kon worden. Gebeurt het indirect, dan wordt die kracht geabsorbeerd door een
ander wezen, een figuur een voorwerp, maar daardoor ontstaat in deze een actie - reactie -,
welks gevolgen uiteindelijk ook tot ons terugkeren. Het punt neutraliteit, dat wij hebben
aangesneden, is in feite - als wij het heel duidelijk moeten stellen - een punt, waarbij twee
lijnen elkaar kruisen en niet snijden. Wij hebben dus de lijn intentie-kwaad en de lijn intentie-
goed. Nu kunnen wij en in intentie-goed en in intentie-kwaad voor ons zelf werken. Wij
moeten echter een punt hebben, waarbij de lijnen elkaar passeren. Dan is de witte en de
zwarte magie qua vermogen en qua werkwijze volkomen gelijk. Het is alleen dan onze intentie
die uitmaakt, wat voor ons regeert. De werelden goed en kwaad als zodanig hebben voor ons
geen belang. Het is ons streven, wat onze harmonie met de punten in onze eigen wereld, die
wij kennen, plus de wereld, waarin wij geestelijk leven, evt. bepalen zal en daaruit de
gevolgen verder bepaalt, die tot ons weer terugkaatsen. Zo is de verhouding eigenlijk.
De magiër maakt een cirkel om zich te beschermen tegen kwade invloeden. Ik zag een
afbeelding van een magische cirkel. Er wordt een kind dat ziek is, in die cirkel gezet. De
magiër zit erbuiten. Is dit een heel ander soort van magie, of heeft het een ander doel. Het
kind is lijdende aan vreselijke hoofdpijnen.
Dit hoort thuis onder de z.g. sympathische magie waarmee al die magiërs werken. U moet niet
vergeten dat dit de tovenarij is van de primitievere volkeren. Hierbij wordt de cirkel niet
getrokken om het kind te beschermen, maar om de gemeenschap te beschermen tegen de
vrijgekomen demonen. Daar gaat men n.l. uit van het standpunt, dat wij ook elders we ook
elders vinden, denkt U maar eens aan de verklaringen van de heer Oborn hier te lande dat
elke ziel wordt veroorzaakt door een demon. Er is een demon van koorts, van hoofdpijn,
kanker enz. Nu wordt die demon door de magiër uitgedreven. Tussen die patiënt, waarin de
demon zich op dat ogenblijk bevindt en de rest van de omgeving - het dorp - ligt de magische
cirkel als een begrenzing. Wanneer die demon word uitgedreven, dan wordt hij weggejaagd,
maar hij kan nergens naar toe vluchten. Hij zal dus naar zijn eigen duivels rijk terug moeten
keren, vóór hij dan weer van daaruit weer naar de mensen kan komen. Men neemt aan, dat hij
dan niet meer naar de zelfde omgeving weer terugkeert.
Wat is Uw mening daaromtrent?
Ik vind dit grotendeels suggestie en meen dat hier maar heel weinig van zuiver magisch en
geestelijke werking sprake is. Ik kan mij voorstellen dat u vraagt of het niet mogelijk is dat
demonen ziekten veroorzaken. Ongetwijfeld. Maar wij weten, dat het merendeel der ziekten
niet voort komt uit een onvolmaaktheid van de mens als zodanig - lichamelijk -, maar uit een
psychische, in hem rustende onevenwichtigheid. Dat die krachten betrokken kunnen zijn is
waar. Maar kunnen wij een psychisch evenwicht herstellen, dan zullen de meeste kwalen
verdwijnen, tenzij aan het lichaam zoveel schade is toegevoegd dat het niet meer herstelbaar
86
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

is. Dan blijven wij daar dus met onze magie haken op het punt, dat uitdrijven van de demonen
heeft geen zin, alleen wanneer wij de gesteldheid van de patiënt door suggestieve
beïnvloeding, telepathische werking, hypnose evt., kunnen veranderen. Dat is wat de
primitieve medicijnman wel in de eerste plaats doet. Als hij een klein beetje modern is ziet hij
er helemaal niet tegenop om aan zijn duivels medicijn een behoorlijke dosis penicilline toe te
voegen, om zo de lichamelijk kwaal snel te genezen.
De magiër werkt het ene ogenblik aan genezing, het volgende aan leed wegnemen, volgens
U, later misschien aan voedsel scheppen. Dat laatste heeft mij tot nadenken gebracht,
Voedsel scheppen is toch ook genezen? Je geeft het lichaam toch een gunstig voedsel om
te genezen?
Je kunt natuurlijk bij een normale geneeswijze d.m.v.de voeding veel bereiken. Normalerwijze
creëert men zo kracht.
Ik bedoel de gedachte de juiste voeding om te genezen. De genezende cellen van het
lichaam worden krachtiger.
Het lichaam krijgt niet meer voeding, maar wij zetten het voedsel meer zuiverder om en
hebben een grotere kracht om voedsel te verwerken en tot zich te nemen. Dat is nu hetzelfde,
als u naar de bakker gaat en u vindt, wanneer hij brood bakt, dit hetzelfde is, als wanneer hij
taartjes bakt. Als je naar de banketbakker gaat, zal hij u vertellen, dat er een heel groot
verschil bestaat tussen brood en banketbakker. Dat is nu juist het verschil dat hierin ligt,
voedsel scheppen betekent hetzij de illusie van voedsel scheppen, met daarbij het volledig
krachtvermogen, dat dit voedsel kan vervangen in het lichaam, dan wel het direct creëren van
voedende stoffen, b.v. door aanpassing van bestaande planten, middelen enz.. Dus omzetting
van materie. Denkt U aan de bekoring van Jezus in de woestijn. Als Gij zegt dat deze stenen
brood zijn, dan zijn zij brood...... Dat is een mogelijkheid, die de magiër inderdaad bezit.
Overigens neem ik niet aan, dat U dit zult doen, want dan komt U met de warenwet en
keuringscommissie in strijd. Alleen om even te illustreren.
Ik heb geprobeerd die verschillende vlakken te memoreren. Er viel mij op, dat U op een
geven ogenblik het heeft over klanken en kleuren bij geestelijke kwalen en leed, of
domheid: dat er zeer grote differentiatie tussen die krachten is. Daaronder valt ook het
mentale gebied. Later heeft U het over het gekleurde licht, ook een differentiatie van
krachten, ook voor het geestelijke.
Speciaal voor het geestelijke. Waarbij dus evt. het mentaal voertuig niet te verwarren met het
mentaal gebied van de mens, betrokken kan zijn. Dat is nu precies hetzelfde of U zegt, dat
voor bepaalde kwalen infrarode stralen goed zijn en voor andere kwalen toch liever
ultraviolette, of zelfs x-stralen gebruikt. Men geeft hier de verschillende gebieden aan waarin
de hoofdwaarden identiek is aan de kracht, die men nodig heeft
Onder welke gebieden vallen de Heren van Kennis, Wijsheid en van Leven?
Zij vallen niet onder één van deze gebieden in feite. Maar zij uiten zich wel in bijzondere
gebieden. Zo nemen wij b.v. aan dat de Heren van Leven zich vooral in het witte licht uiten.
Dat is n.l. directe kracht. De Heren van Wijsheid zullen zich meestal wel in gekleurd licht uiten.
Dat is altijd meestal. Dat houdt dus niet in dat andere gebieden door deze krachten niet
beïnvloed, of beheerst kunnen worden. Maar wel, dat hun eigen wezen het meest met deze
gebieden overeenstemt.
Ik dacht, dat ik de vorige keer het gesprokene over die vierkantjes begrepen had, maar bij
het lezen is de boel ondersteboven gegooid.Daarom ben ik aan het schetsen gegaan. Ik
heb een vierkant getekend, aan de linkerbovenkant het woord goed, de rechterbovenhoek
niet goed en daaronder niet-niet goed en de linkeronderhoek kwaad…
U heeft een fout gemaakt.
In welk opzicht?
Als U goed heeft nagelezen, dan heeft U ook gemerkt, dat er gezegd is, dat het hier gaat om
een omkering van waarden in verschillende werelden. Dat houdt dus in, dat wanneer U goed in
de linkerbovenhoek zet, dat het ook in de rechterbenedenhoek komt te staan. Dus
linkerbovenhoek is goed, rechteronderhoek is ook goed. U heeft steeds 2 elkaar t.o. gelegen
punten met dezelfde betekenis. Wanneer U dus een lijn trekt diagonalen van de hele ladder
87
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

van alle sferen van goed naar goed, zal dit een zig-zaglijn zijn, waarvan elk deel gelijk valt in
de diagonaal, of het ruitje, dat de sfeer voorstelt. Dat houdt dus ook in, dat elk leven ligt
tussen 2 waarden en waarderingen, n.l. de lagere wereld, waarin men zich uitdrukt en de
hogere wereld, waarin men zich bewust is. Dan moet U ook nog opletten, dat ik zeg "waarin"
en niet "waarvan”, want dat is een verschil.
Ik heb hier nog even een ladder getekend, waarbij dus een horizontale lijn stel. Links goed,
rechts niet goed en de evenwijdige lijn daarboven links kwaad, en rechts goed en
daaronder krijg ik links kwaad en rechts goed, waarbij ik dus het omklap om de as
goed-kwaad en ik dus een snijlijn krijg van de 2 lijnen goed en dientengevolge ook van de
lijnen kwaad.
Dat wil dus zeggen, dat de 2 lijnen goed elkaar snijden, maar dat de lijnen goed en kwaad in
elk afzonderlijk vlak tussen 2 werelden elkaar voortdurend zullen kruisen en wel precies op het
middelpunt, zodat vanuit dit punt, als een willekeurig punt genomen overigens, aan de hand
van eigen wereldbeschouwing een loodlijn kan worden gelaten op eigen werelduiting. De
laagste wereld is de wereld van de beleving, de hoogste is die altijd van de geestelijke impuls.
Bij het bezien hiervan kunnen wij dus ook een aantal werelden in de vorm van een kubus
samenschakelen en kunnen vanuit alle snijpunten van diagonalen weer rechthoeken
maken, waarbij uiteindelijk één punt overblijvend gemeen in de totale kubus.
Dat is eigenlijk niet heel juist, maar dan krijgt U van elk mogelijk levensvlak in de kubus
vereend, vanuit het middelpunt een loodlijn gelaten naar het centrale punt, dus de kern
beleven als het Goddelijke. Dan zult U vinden, dat die loodlijnen samentreffen in het
Goddelijke, oftewel het middelpunt van Uw kubus. Dan zal U tevens opvallen, dat dit steeds de
kortste weg is a.h.w, vanuit menselijk standpunt, omdat wij van geen der lijnen, dus geen der
ribben der kubus, een zo eenvoudige peiling kunnen krijgen, een eenvoudige puntvaststelling
dus en ten tweede, dat wij slechts van de raakpunten, waar de verschillende punten elkaar
raken dus, een soort gelijke lijn krijgen met een zo groot aantal werelden te rekenen hebben,
dat het voor ons praktisch onmogelijk is deze gelijktijdig vanuit één punt te beheersen.
Ik hoop, dat de anderen het ook begrepen hebben. Anders maakt U een kubus van ijzerdraad.
Dan gaat U, maar eens loodlijnen laten, dan kijkt U, hoe dat precies gaat. U kunt het met
zijden draadjes spannen. Dan bent U ongeveer in dezelfde richting gegaan als sommige
leringen van Pythagoras, die n.l. dergelijke voorbeelden ook gebruikte. Dan komt U ook de
richting uit van de moderne wetenschap, waarin men n.l. dimensionale oppervlaktespanningen
probeert vast te stellen en wel de meest gunstige lijnverhoudingen, verbindingsverhouding,
tussen 2 punten. Dat doet men ook door dergelijke draadfiguren in een speciale glycerine-
zeeoplossing te dompelen, waardoor het zeepvlak dan steeds de korte lijn aangeeft, de kortste
weg. Dat is een techniek, die heel oud is en die op het ogenblik bij berekening van ruimtelijke
verhoudingen weer naar voren komt.
Zoudt U magische procedures willen proberen en uit te voeren, of houdt U het liever bij
theorie? Ik hoor het al, dat er een zekere voorkeur voor een experiment is. Dan zal ik nu
proberen U een paar simpele onderrichtingen te geven aan de hand waarvan bepaalde
experimenten kunnen worden gedaan.
In de eerste plaats zullen wij die experimenten zo simpel en zo eenvoudig mogelijk stellen. Wij
zullen ze voorlopig houden in het kader van de gekende ethiek en moraal. Wij gaan niet de
magische verschuiving van het vlak goed-kwaad bezien verder. Wij houden ons aan de
eenvoudige dingen. Dan wil ik U allereerst iets leren omtrent aanroeping. Wij hebben daar al
meerdere malen over gesproken. Ik zou dan ook graag van U straks zo'n aanroeping horen.
Dan moet ik daar misschien wel iets aan verbeteren.

Simpele, algemene aanroeping
Bij deze aanroeping zullen wij opzettelijk vermijden gebruik te maken van voor U onbekende
namen. Geeft U eens een doel voor die aanroeping.
Dat het plan van liefde, licht en macht zich op aarde moge herstellen.
Dat is een tamelijk ingewikkeld geval. En U daar?

88
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

Genezing.
In beide gevallen zal mijn eerste doel niet zijn om mijn doel zelf te verwerkelijken, want
daartoe moet ik zelf werken en streven, maar ik zal allereerst proberen om alle krachten die
strijdig met mijn doel zijn, terzijde te schuiven. Het eerste deel van de aanroeping kan dus
voor beiden gelijk zijn. In een vorige les heb ik U reeds gezegd, dat het niet noodzakelijk is,
dat U precies de formule gebruikt, die ik gebruik. Wel moet U proberen dezelfde gevoelens
daarbij te kennen. Dit eerste deel van de aanroeping (bezwering) zal ik hier volledig
uitspreken, zoals het behoort:
Gij, Engelen, Krachten des Lichts, Gij, Strijders van Michaël’s Heerscharen. Komt en snelt mij
te hulp. Openbaart Uw kracht en verdrijft het kwaad. Dit smeek ik U in de Naam van Hem, Die
op aarde Uwe Meester is geweest: Jezus Christus. Dit beveel ik U in de Naam van Hem, Die Gij
Kent Elohim, de Eeuwige, Hij, Die is. In Zijn Naam zeg ik U: komt en snelt tot mij, opdat de
krachten des kwaads verwijderd worden en de taak, die ik ter ere Gods op mij neem, volbracht
worde, opdat ik U dank moge heten en de Schepper moge loven.
Dit is dus een normale aanroeping met als vervolg een kleine bezwering erbij. Daarnaast
hebben wij ook krachten nodig, die ons helpen ons doel te vervullen. Nu begint U met het werk
licht, liefde enz. op aarde. U stelt: genezing. Het is duidelijk, dat wij deze dingen niet gelijk
kunnen invlechten in ons werk. Ik kan dan na deze eerste formulering wederom als volgt
spreken:
Almachtige Schepper, Heer van Hemel en Aarde. In Uwe hoede begeef ik mij, onder Uw stel ik
mij. Ik zal de taak volvoeren, die ik meen, dat Gij mij hebt opgelegd. Geef mij de kracht om
Uw Kracht en Uw Licht te openbaren op deze wereld, Uw wezen en kracht te doen doordringen
in anderen opdat er licht zij en Uw wezen en wil verwerkelijkt zij, Uw Koninkrijk geopenbaard
worde op deze wereld.
Men moet natuurlijk gewend aan deze manier van…….
U merkt het wel: ik zet er een speciaal, ietwat doordringend toontje in.
Toch zit er een zekere cadans in.
Toch is dat ritme niet zo belangrijk.
Zegt men het luidop?
Ja. Men hoeft niet zo luid te praten, als ik dit doe. Men kan het voor zichzelf zelfs heel zachtjes
zeggen. Ik wil U daar ook een voorbeeld van geven. Dan moet U even heel goed luisteren.
Voor Genezing, Grote Schepper, geef dat de Krachten van Uw volmaaktheid zich openbaren in
mijn wezen en door mijn wezen, opdat Uwe volmaaktheid geopenbaard zij in deze wereld en ik
genezen moge deze, op wie ik in Uw Naam en volgens Uw wil zal trachten mijn kracht te
leggen. Heer, geef mij de kracht om Uw wezen te openbaren en doe mij een zijn met U in dit
werk, dat ik volbreng in Uwe Naam.
Dit kunt U nog veel zachter zeggen. Belangrijk is dus wel hierbij: het moet gevocaliseerd
worden. Dat is zeer belangrijk. Mag ik nu misschien eens vragen dit ook eens te doen? Als U
boos bent op iemand, kunt U wel woorden vinden. Het is misschien even moeilijk woorden te
vinden. Op diezelfde manier probeert U nu eens te zeggen, datgene, wat U wilt doen. Probeert
U nu eens te zeggen: Hulp voor genezing: Gaat Uw gang.
Scheppende Kracht, zend mij Uw licht, opdat ik genezing op de aarde. Scheppende Kracht,
zond mij Uw groot genezend licht, opdat de genezing zich kunnen openbaren..... Het is niet
zo makkelijk.
Als ik nu Uw eigen woorden ga gebruiken, dan valt mij op, dat U de intonatie de eerste keer
wel aardig te pakken had, maar dat U het te gek vond al die woorden aan elkaar te zetten. Het
was niet, dat U de woorden niet kon vinden, maar alleen, omdat U bang was, om het onjuist te
doen. Juist U heb ik genomen, omdat ik weet, dat U graag declameert. U weet toch wel iets
van toon en toonvorming af. Waarom nu niet heel eenvoudig gezegd dit:
Gij, Goddelijk Licht, laat Uw krachten werken in mij, opdat ik als Uw werktuig genezing moge
brengen op deze wereld en Uw Goddelijk Licht moge openbaren.

89
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

Dat is toch niet moeilijk? Toch klinkt het door. Nu heb ik het U nog niet moeilijk gemaakt door
te vragen dat U dat speciale toontje er onmiddellijk bij produceert. Maar goed hoor, terwijl U
nadenkt, zullen wij proberen iemand, anders te vinden. U daar. Ja? Welk doel wilt U nemen?
Vrede en rust in de mensen te brengen.
Probeert U dit eens te formuleren. Laat U het eerste nog maar even buiten beschouwing.
Probeert U alleen eens die korte gebedsformule te formuleren.
Gij, Goddelijk Licht, geef mij Uw kracht, opdat ik hierdoor, als dienaar van U, rust en vrede
moge brengen in de mensheid en zo Uw wezen openbaren.
Ja, dat is heel mooi. Het wordt heel zachtjes half gefluisterd, half gedacht. Heel keurig. Maar U
begrijpt wel, dat wij er in de magie niets aan hebben, wanneer wij dat op zo'n toon zeggen. U
heeft het wel enigszins in Uw gedachten. Probeert U nu eens een keertje alleen dus om even
de gedragenheid uit te doen gaan van Uw verlangen, opdat de taak worde volbracht. Probeert
U het nog eens.
Gij, Lichtende Kracht....
U mag corrigeren. Per slot van rekening hebben wij hier te maken met de grootste kracht en
het grootste licht, dat er voor ons bestaat. Dus gaan wij dan: Gij, Lichtende kracht? Neen. Dan
gaan wij proberen onze ziel in te leggen. U hoeft het niet hard te zeggen. Is niet nodig. Wij
gaan proberen ons wezen omhoog te stuwen, die Lichtende Kracht moet werkelijkheid zijn. Wij
moeten er intens in geloven, anders heeft het geen inhoud.
Ik zal het net zo hard doen als U, opdat U niet zegt, dat ik het doe met het geweld van mijn
stem: G-i-j-, L-i-c-h-t-e-n-d-e K-r-a-c-h-t-... gaat Uw gang.
Gij, Lichtende Kracht, geef mij Uw Licht, opdat ik vrede moge brengen in de mensen en zo
Uw wezen openbaren....
Hier hebben wij al iets meer van die toon erin gekregen. Ik heb expres hier 2 mensen
genomen, anderen brengen er misschien helemaal niets van terecht. Denkt U hier beiden
vooral niet, dat U hier de minsten zijt. Wat is bij ons experiment belangrijk? In de eerste
plaats: wij moeten reinigen. Dat is een aanroeping, daarin moeten wij de afschuw, die wij
hebben voor kwaad, voor duister, datgene, wat demonisch is, wat slechte bedoelingen heeft,
moeten wij daarin tot uiting kunnen brengen. Wij zeggen niet tegen een engel, of tegen een
hooggeestelijke kracht: Verdrijf alsjeblieft even alle kwaad uit de omgeving.... dat gaat niet.
Dat kwaad moet U goed begrijpen. Die kwade krachten in de omgeving, dat is iets, wat je
dreigt te wurgen, dreigt te verstikken, juist wanneer je dat werk wil doen. Daarom dus: Uw
afschuw tot het kwaad tot uitdrukking brengen. Dan stelt U zich een taak. Zeg tot U zelf: Ik wil
vrede brengen en rust. Probeer die vrede en rust in jezelf te voelen:
Als ik het nu in mijn eigen woorden ga doen, dan herhaal ik daar nog een keer de kleine
bezwering vooraf. U moet eens opletten: dat cadansen, die ik zou kunnen gebruiken, nog
enigszins wegvallen, maar dat ik daarvoor in de plaats iets anders ga gebruiken, wat U ook
kunt hebben, zonder verdere scholing. Ik overdenk, wat ik zeg en ik probeer te zeggen met
het hele wezen, waarover ik beschik:
Gij, Michaël, Vorst der Heerscharen, kom mij ter hulpe. Zend mij Uw lichtende legioenen,
opdat het kwaad, dat ons beëngt, dat dit werk zou kunnen vernietigen, verdreven worde. Ik
zeg U dit in de Naam van Hem, Die gij kent als Elohim, God, Heer der Heerscharen.
Dat is Gód, dat is iets Groots, dat is een machtwoord. U behoeft niet zo te mompelen van
m.m.m.m. Dat moet eventjes gevoeld worden. Je kunt het desnoods fluisteren, maar fluister
het met een gevoel van eerbied, met respect voor de macht, die erin zit.
Het gevoel er dieper inleggen?
Juist: Dan zegt U rust en vrede. Die rust en vrede kan ik alleen van God verlangen voor de
wereld, wanneer ik in mijzelf er naar streef. Dat is U in de loop van al onze lessen wel duidelijk
geworden. Er moet een zekere harmonie tussen ons bestaan. Dan vraag ik dus aan God op
mijn manier, zoals U het op de Uwe doet. Dan hoef ik dat zelfs helemaal niet met buitenissige
woorden te doen: God help mij die rust en vrede geven. Dan zeg ik alleen:

90
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

Almachtige God, Wie ik vertrouw. In Uw wil en wezen geef ik mijzelf over. Indien het Uw wil is,
God, geef mij de kracht, opdat er rust en vrede zij en zo Uw werk geopenbaard zij in deze
wereld.
Merkt U, wat ik bedoel? Wat doe ik nu op het ogenblik?
De rust, die in U is, brengt U over.
Ik probeer dus in mijn bede - heel juist opgemerkt - a.h.w. reeds een kern te maken van die
rust, die ik door de rest verder ga uitstralen. Dat betekent dan, dat ik hier dus een kern heb,
waarmee ik kan ga werken. Nu kan ik U natuurlijk wel de hele avond blijven coachen, maar ik
ben bang, dat dat niet al te veel nut heeft. U moet eerst voor Uzelf gaan oefenen. Ik hoop, dat
de slachtoffers, die ik hier genomen heb, het niet erg vinden, dat de anderen niet aan de beurt
komen...
Ik geloof, dat je eerst een beetje thuis komen moet in de formulering. Die formulering kan
zo eenvoudig mogelijk zijn. Zo gauw je het hardop gaat zeggen, ga je zoeken naar
woorden en in gedachten gaat het vlot.
Juist. Wat moet je dus leren?
Je gedachten uit te spreken.
Je hoeft niet te leren spreken, maar je gedachten om te zetten in klanken. Dat kunt U beter
een paar keer voor Uzelf proberen. Wat is hieruit duidelijk geworden?
Dat de wijze, waarop uitgedrukt wordt, een bepaalde waarde heeft?
Neen, dat de verklanking van eigen innerlijkheid. Gelijktijdig daar door het innerlijk aanwezige,
de innerlijke waarde, als een kracht in de buitenwereld stelt, ongeacht het feit dat de klank op
zichzelf schijnbaar geen kracht of vermogen is. Nu het experiment, wat U daarmee kunt doen.
U zult misschien eens behoefte hebben aan een bepaalde sfeer, een bepaalde rust b.v., een
zekere hoogvolheid, vitaliteit enz. Het zijn dingen voor Uzelf. Als U het maar niet zelfzuchtig
doet. Geen bezwering van: Heer, laat mij alsjeblieft weten, wat voor nummer ik moet kopen in
de volgende loterij om de 100.000 te winnen. Dat is onzin. Maar allicht is er eens een ogenblik,
dat U denkt: Ja, wanneer ik hier eens tot bezinning kan komen, of wanneer ik mensen tot
bezinning kan brengen, dan zou dat veel beter zijn. Probeer dan die sfeer voor Uzelf eens op te
roepen. Maak daarbij gebruik van dit - niet luidkeels - gevocaliseerde uitgesproken, systeem
van bezwering, plus bede gebruik te maken. Probeer U dan ook bewust te zijn van de
verschillen, die ontstaan. Het gaat allemaal zo geleidelijk. Wilt U hier nog een voorbeeld van
hebben, of gelooft U het wel? Ja? Goed. Wij zullen dit doen in de zin van een bepaalde sfeer.
Nu ga ik deze keer - een beetje onsportief misschien - wel weer gebruik maken van de
mogelijkheden, die U nog moet verwerven. Welk punt zullen wij hiervoor nemen?...
Harmonie.
Wij beginnen weer gewoon met onze aanroep.. Ik blijf nu bij Michaël, ofschoon wij ook
anderen aan kunnen roepen. Arcan b.v. kunnen wij ook nemen.
Ik ga mij instellen: harmonie.
Ik roep tot U, O Michaël. Gij, aanvoerder van de lichtende Heerscharen. Hoor mij wel. Laat de
krachten der tweedracht onder strijd vernietigd worden en teruggedreven worden. Wijd mij Uw
krachten, opdat het duister verdreven zij, opdat het licht zich openbare en de harmonie van
het Goddelijke mogelijk worde voor mij en anderen. Kom en haast U tot mij. Gij, lichtende
Helden Gods: Dit beveel ik U in de machtige Naam Tetragammaton, Eli, Elohim, Agyos.
Almachtige God, Gij, Die zijt één en één met alle dingen, laat Uwe kracht in ons bewust
worden tot steeds sterker eenheid. Ik smeek U, O, Heer, laat de eenheid der dingen
doorklinken in deze dagen. Laat de beperking, die bestaat tussen mens en mens verdwijnen.
Laat de band tussen mens en geest zo bevestigd worden, opdat in het samengaan Uw kracht
en eenheid geopenbaard wordt. Ik smeek U, mijn God, laat Uw wezen spreken in allen, opdat
Uw eenheid en Uw liefdeskracht werkelijkheid zij voor allen. Amen.
Dan hebben wij daar een zeker begin van een sfeer. Die sfeer moeten wij uitbreiden. Wij
moeten de gedachten van eenheid veel sterker weten uit te drukken met woord, maar ook met

91
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

gedachten, met gebaar, met alle dingen, want de band, die bestaat tussen ons en anderen,
deze Goddelijke band vanuit ons wezen steeds sterker bevestigd wordt.
Wij kunnen dit alleen doen op de wijze, die ons gegeven is, als een erkend bevestigen van
Gods wil in deze wereld. Maar zo wij het doen zullen wij die harmonie als een volledige kracht,
als een rust en een zekerheid kunnen aanvaarden.
Hier heeft U dus de drie fasen. Oproep en bezwering: punt één. Bede, punt twee. Bevestiging
van de bede vanuit eigen standpunt, punt drie.
U kunt het voor anderen gebruiken, maar U moet eerst leren het voor Uzelf te gebruiken. Leer
die sfeer zo in U zelf a.h.w. opzamelen en probeer eens voor Uzelf te registreren, welke
veranderingen daardoor voor U zelf en anderen in de omgeving ontstaan. Doe dit niet steeds,
want dan krijgt U geen voldoende inzicht. Doe dit één, ten hoogste 2 maal…..
Per week, per maand?
..... totdat ik U het vertel. Laat daartussen enige tijd, zodat U de verschillen dus kunt
opmerken. Heeft U dat op één onderwerp gedaan en wilt U toch verder gaan niet Uw
experimenten, neemt U dan iets anders. Dus wanneer U het eerst op harmonie heeft gedaan,
dan neemt U het de volgende keer eens op genezing, of op licht, innerlijke blijheid b.v. Maar
doe het niet op precies dezelfde dingen, of met precies dezelfde strekking bij voortdurende
herhaling. Later kunt U dat wel doen. U moet eerst voor Uzelf leren, of dit betekenis heeft en
zo ja, welke betekenis. Zolang U dit houdt op het peil van kosmische waarden en Goddelijke
kracht kan het geen kwaad. Dan is er een tweede experiment, dat voorlopig alleen te maken
heeft met dit spreken. Wanneer U nu toch dit spreken gaat oefenen, probeert U dan eens of U
toch kunt komen tot een zekere stembeheersing. Of U kunt leren iets uit te drukken met de
stem in magisch op zicht. Geeft U maar weer een onderwerp.
Rust.
Wanneer ik rust nu uit moet drukken (langzaam gesproken), spreekt mijn wezen langzaam
voort en voelt de rust als stil akkoord van eeuwige verre waarde.
Je voelt de rust er al in.
Dit is dus een poging om in de stemwerping, de werping van het geluid, de intonatie, de rust
te leggen. Maar daartegenover kan ik op een gegeven ogenblik behoefte hebben aan
daadkracht. Wanneer ik daadkracht nodig heb (kort en afgebeten gezegd), dan moet dit in de
stem getoond worden met een voortdurend feller vuur, dat als een zweep de mensen jaagt om
voort te gaan en voort te streven.
Ja, het ligt er ook in.
Eenheid.
Eenheid, alles samengaand vereend tot ene kracht, met Goddelijk wezen. Eenheid, zonder
vrezen, al nu in het licht tesaam gebracht en wetend om het ene zijn.
Ik wist niet, hoe het ene in het andere zou overgaan.
Eenheid is actief, rust is passief. Maar de activiteit van eenheid is harmonischer, die van
daadkracht daarentegen is in feite het wekken van een tegenstelling in de strijd.
U brengt er een evenwicht in. Met het opgaan van de stem en het weer terugkomen.
Inderdaad. Als U goed heeft opgelet, dan heeft U dus het volgende kunnen bemerken. Ik heb
hier mijn ritme aangepast - aan - rust. Of ik heb het doen - klinken - in - de - ban - der -
eenheid. Of /ik/heb/het/ doen/spre/ken/in/de fel/heid/van/de/no/di/ge/daad.
Nu heb ik geaccentueerd.
Net als het slaan op het aanbeeld.
Wat hebben wij nu eigenlijk gedaan? Wij hebben datgene gedaan, wat ook een goede
voordrachtkunstenaar moet weten. Alleen met dit verschil dat een ander ook dingen kan
verklanken, waarin hij niet gelooft. Maar dat bij ons de verklanking voort moet komen, en de
variant in het ritme, uit ons innerlijk aanvoelen.
Dit is nu het tweede experiment, wat ik U wel eens aan wil bevelen. Dat is dit: Neem een
willekeurig stukje uit een willekeurig geschrift en probeer het eens zo te lezen, dus ook weer
92
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

voor Uzelf heen, maar toch met enige klank dat dit stukje rust geeft, dat de inhoud van het
stukje verloren gaat, dat het de inhoud wel weer weergeeft, wat U leest, maar toch rust laat
en dan dat er conflict uit voortkomt. Het geeft niet wat U neemt. De woorden zelf doen er
weinig aan áf, of toe. Het gaat hierom het experiment. Deze twee experimenten zijn meteen
natuurlijk een scholing. Met het tweede experiment U geen enkel buitengewoon resultaat.
Buiten een vergroting van beheersing en een grote begrip voor Uzelf van uitdrukking: dat zult
U in het eerste experiment, dat wel werking te voorschijn roept, kunnen gebruiken.
Derde experiment. Wij blijven nog in de sfeer van het minder gevaarlijke. In de eerste plaats
probeert U deze houding eens. De enkels (kruisen) tegen elkaar aan. De knieën wijken uiteen,
de handen rusten op de knie, met de vingers in de richting van het been. Dan zit U iets naar
voren gebogen en U kijkt dus even naar beneden. Probeer nu de volgende ademhaling ten
hoogste drie keer. Stel U de top van de ademhaling voor, dat U op dit ogenblik licht absorbeert
en niet slechts lucht. Dit drie maal herhalen. Daarna zet U de benen naast elkaar - de kruising
wordt dus opgeheven. Zoals U wilt laat U de voorarm, of de elleboog, op de knie steunen.
Breng beide handen ongeveer 10 cm. van elkaar. Concentreer U nu op het doorstromen van
krachten en wel allereerst van rechts naar links. U zult dan een verschil voelen in de wijze,
waarop de handpalm reageert. U voelt dit in dit deel, dus niet in de vingerspitsen, zoals bij een
magnetiseur, hier dit deel van de hand speciaal. De muis is daarbij iets minder gevoelig dan de
rest van de palm. U reverseert dit: dan moet het gevoel, dat eerst in de rechterhand optrad,
nu in de linkerhand komen, constateer nu bij welk gericht zijn U het sterkst gevoel in de
uitstralende hand voelt. Voelt U niets dan brengt U de handen dichter bijeen, zonder dat zij
raken, totdat U een spanning gevoelt tussen die handen.
Wanneer U dit gevoel heeft, dan neemt U een bloem, desnoods een plant, die er wat minder
goed voor staat. Dan legt U de handen er zo omheen en wederom bij voorkeur: gezeten, weer
met dit contact knie-elleboog. Concentreer op levende kracht als een werveling. Probeer maar
een soort wervelstorm tussen die handen te veroorzaken. Ga erbij steeds uit als eerste,
gevende hand, voor de kracht van de hand, waarin U de sterkste prikkeling heeft gehad.
Gebruik de tweede hand slechts om die kracht evt. aan te vullen, maar absorbeer daar niet
mee. Probeer niet kracht op te nemen met die hand door te stromen. Deze hand brengt kracht
in werveling, deze hand beperkt het veld, waarin de kracht wervel.
Wanneer U die plant, of bloem, heeft behandelt op deze manier, dan zet U die bloem - of plant
- weg. U moet daarvoor geen uitgebloeide snijbloem nemen natuurlijk. Neem een bloem, die
net even uit de knop is, neem een plant, die in ieder geval nog leeft, dus die niet alle
levenstekenen al verloren heeft, anders heeft het weinig zin. Doe dit drie dagen achtereen en
probeer bij één vergelijken van een soortgelijke plant, of bloem - die niet behandeld is, te
constateren, hoeveel langer deze bloem, of plant houdbaar blijft. Hoe veel groter de vitaliteit is
geworden.
Heeft U dit systeem gebruikt, dan kunnen wij zeggen, dat dit op zichzelf een experiment is,
maar dan hebben wij ook iets daar bij geleerd. Wat wij geleerd hebben is nu, om vanuit één
hand, onze sterkste hand, een zo groot mogelijke stroming te doen ontstaan. De eerst
volgende maal dat wij eens iemand ontmoeten, die hoofdpijn heeft, of die erg ellendig is en
waarvan wij menen, dat wij hem kunnen helpen en willen helpen, dan gaan wij niet gewoon
hierbij passes maken, maar dan doen wij eventjes, desnoods onopvallend, dit. Die handen
mogen rustig gesloten zijn. Nu nemen wij de hand, die het sterkst is, wat wij dus
proefondervindelijk met een paar experimenten hebben vastgesteld. Wij nemen die hand en
richten die willekeurig op die persoon. Dat doe ik nu demonstratief, maar U kunt het desnoods
onder bemanteling doen van een blijven zitten. Stel U voor, dat die werveling daarvan uitgaat.
Laat de werveling die ander in Uw gedachten omvatten. Probeer zover te komen, dat U door
kunt praten en toch die concentratie vast houden: Handhaaf dit van één tot maximaal vier
minuten. Constateer dan - dan kunt U dat constateren -, dat die patiënt een hoop beter is, ook
veerkrachtiger... Kom daardoor tot de overtuiging, dat U daardoor dus met uitstraling vanuit
een door U van te voren bepaald lichaamsdeel, ook onopvallend en over grotere afstand,
ingrijpen kunt in de toestand van anderen. Ik geloof, dat dat voor de meesten Uwer wel een
experiment is, wat wij eens kunnen proberen. Deze dingen zijn geen voorschrift. U móét het

93
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

niet doen. U kunt het doen. Maar als U het doet, is het goed voor U en ongetwijfeld een begin
van beheersing.
Het laatste experiment voor vandaag. Dit is van een ietwat andere geaardheid. Kijk een
ogenblik eens strak voor U uit. Dek een ogenblik de handen over de ogen heen. Laat de ogen
even onder de druk - niet te sterk - van de vingertoppen rusten, zodat U het gevoel krijgt, dat
het ooglid eventjes ontlast is, zoals U dat krijgt bij het uitvegen van de ogen, dus zo:
Kijk niet naar het licht, dus kijk naar een egaal vlak, waarin geen felle lichtpunten zijn, of
reflexen - met gesloten ogen natuurlijk -, of kijk in een schemerig vertrek, maar dan niet naar
een lamp. Probeer U voor te stellen op dit ogenblik, alleen maar voor te stellen, b.v. mij, of
één van onze groep. Stel U dit zo goed mogelijk voor. Probeer U te realiseren, dat het met die
gesloten ogen is, of dat je ziet, maar dat het beeld net wat hoger schijnt te liggen dan de
ogen. Wanneer U dit doet, zult U ontdekken, dat het net is, of dat boven Uw oogkassen a.h.w.
een beeld zich vormt en niet in de ogen. Herhaal dit een keer of vijf, zes desnoods, maar dan
altijd met tussenpozen van een 2 uur, desnoods van een paar dagen. Probeer daarna niet
meer een bepaalde figuur te zien, maar alleen te zien. Over het algemeen zult U de eerste
maal, dat U dit doet, zonder zelf een voorstelling te maken iets zien, dat het meest lijkt op een
tintelend duister. Het doet aan als ruwe maquette. Daarin zult U toch een reeks van lijnen
soms menen te bespeuren. Probeer er niet iets van te maken, maar wacht rustig af.
Herhaal ook deze proef vijf, tot zes maal. U zult dan ontdekken, dat U, ondanks het feit, dat U
hier nog steeds die eigenaardige lichtduistere prikkelingwerveling ziet, U daarboven een beeld
krijgt.
Dat kunnen heel vreemde beelden zijn. B.v. een danseur, of een vreemd gezicht, een masker,
dat U alleen maar een bloem ziet, of een tak van een boom, of alleen maar een stukje grond
met een paar stuk getreden bladeren. Die voorstellingen kunnen zeer divers zijn. Het hindert
niet. Maar wanneer U zo'n voorstelling hebt gevondene maakt U dan eens een enkele
aantekening ervan. Op deze manier kunt U contact krijgen met die omliggende wereld en komt
U tot de ontwikkeling van de helderziendheid, die gelegen is in het lichaam, het z.g. derde oog.
Alleen is dat niet de methode van Lama Yongden.
Wanneer U deze experimenten heeft volbracht, dan zijn wij dus, wanneer het maar even
slaagt, een heel eind op weg gekomen. Met behulp van deze experimenten kunt U dan
binnenkort beginnen met het trekken van een kleine magische cirkel. Ik zal U dan leren, hoe
dat gaat. En daarna ook met het maken van z.g. sferenspiegels. Maar daar heeft U
waarschijnlijk nog nooit van gehoord. Het is eigenaardig, dat men in de magie weinig over
deze dingen spreekt.
U zult er zich van bewust zijn, dat de sferen, die rond U staan, invloed hebben op Uw leven.
Nu is het mogelijk om vanuit die andere sferen b.v. Uw eigen leven te zien. Men spreekt b.v.
wel in de indische magie over "looking in the ink all" Men kijkt dan in een watervlak, waarin
enkele druppels inkt zijn. Anderen doen het met kristalkijken en sommigen doen het nog veel
eenvoudiger, zij doen het gewoon met een vlakje tekenpapier, waarop volgens een bepaald
patroon wat punten zijn aangebracht.
Het vreemde is dat, wanneer je dit "zien" ontwikkeld hebt, je de afweer voor jezelf hebt leren
verworven, het scheppen van een sfeer dus, zoals ik U dat geleerd heb. Dan kun je in deze
spiegel, zoals wij dat noemen, meestal als in het begin als kleurvariaties, maar later heel wat
definitiever, verschillende contacten zien. Het is net, alsof U door een prisma het licht ziet
breken. U ziet verschillende kleureffecten, later zelfs desnoods verschillende krachten naast
elkaar.
Men noemt dit sferenspiegel, omdat dit de verhouding is, waarin Uw eigen wereld en toestand
op dit ogenblik staat, t.o.v. alle andere sferen, waarin U deel hebt. Dat betekent ook weer, dat
ondermeer bij meer rituele magie aan de hand hiervan bepaald kan worden, welke rituelen
men zal kunnen volgen. Wil men het heel netjes berekenen, welke bijmeningen en speciale
reukwerken hierbij gebruikt moet worden, welke formulieren men moet gebruiken, hetzij
Christelijke, hetzij joodse, occulte, indische, of andere. Dat gaat veel verder, dan wat ik U hier
ga leren.
94
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

Ik kan niet genoeg hameren op een punt, wanneer men met die dingen begint, zult U zo nu en
dan werkelijk het idee hebben, dat u een beetje voor gek staat. U zult Uzelf een grote idioot
vinden, omdat U zich daarmee bezig houdt. Dat is nu eenmaal zo. Omdat U eerst in moet
groeien in deze andere wereld en tot iets natuurlijks moet maken, voordat het kan gaan
werken. Maar vergeet één ding niet, toen de juffrouw op school begon, dat A een aapje was,
dan heeft U ook gezegd, dat dat mens gek was, want het leek er helemaal niet op.
M.a.w. U treedt met de magie in een wereld van een andere logica, ja, in feite een andere
werkelijkheid binnen. Realiseer U dit en laat U niet afschrikken door het idee. Als ze mij nu
eens zagen, dan zouden zij zeggen: "Die vent is getikt, of hij is helemaal." Laat U daar niet
door beïnvloeden. Wanneer U bang bent, dat anderen commentaar hebben, doet U de eerste
proeven afgezonderd. Doet U ze wanneer U een uurtje alleen zit.
Je moet het toch altijd afgezonderd doen?
Op de duur niet. In die afzondering b.v. zoudt U dat genezingsaspect niet makkelijk tot uiting
kunnen brengen. Al die voorbereidingen om te komen tot dat werk, dit aanvoelen en aftasten,
dit proberen om de feeling te krijgen langzaam te verwerven, doe dat maar afgezonderd.
Vertel er geen mens wat van. Het is niet nodig, dat een ander dit weet.
Dan bellen ze direct dinges op. Neen, dat doe ik niet.
Ja, dat is natuurlijk voor Uw rekening. Ik geloof niet, dat dit veel dwazer is dan b.v. de
uitspraken van de heren Oud en Burger in de laatste tijd. Zij hebben n.l. beiden gezegd, dat
Nederland op het ogenblik niet te regeren is. Toch zijn zij gelijktijdig bezig om een groter deel
van die regering voor zich en hun partij te verwerven. Als dat niet voor een gekkenhuis rijp is,
weet ik het niet. Het ligt er maar aan, hoe je het bekijkt. Per slot van rekening: als U iemand
ziet zitten met een loep over een postzegel, dan zoudt U ook kunnen zeggen, dat dat gek is.
Toch zijn er mensen, die dat zelfs niet alleen een aangename bezigheid hebben gevonden,
maar ook een heel kapitaal hebben verdiend. Doe die proeven nu eens rustig en vraag je dan
af, wanneer je ze gedaan hebt, niet één keer, maar over een verloop van enkele maanden een
keer of tien: kan ik hier iets mee doen: Pas dan. Wen er aan. De eerste keer moet U niet
rekenen op resultaten. Dan vindt U zichzelf zó gek, dat U zichzelf voortdurend afleidt. Pas
wanneer je met ware overgave en een volledig vanuit je zelf uitgaan in elke gedachte kunt
werken, dan heb je het magisch resultaat.
Hoelang moet je zo handelen?
Ongeveer 2 tot 3 minuten. Wanneer je dat een paar keer hebt gedaan en je wilt eens iets
bijzonders proberen, dan kunt U, wanneer U dat eens een paar keer gedaan heeft, eens een
keer een bloem nemen, neem dan een tulp of een roos, om deze bloem te mummificeren. Dat
kunt U ook op deze manier. Het neemt dan wel iets van haar kleur, maar zij verwelkt, of
verlept, niet.
Gaat dat dan met langere tijd gepaard?
Dan heb je ofwel 3 of vier kort opeenvolgende behandelingen nodig, of wel één keer een
periode van 10 - 15 minuten.
Moet de instelling dan niet anders zijn?
Dat is in dit geval niet nodig, omdat het conserverende werking, levenskracht conserveren is.
Vandaar de werveling, die wij hebben. Het is een besloten maken van de levenskracht, maar
dat betekent gelijktijdig bij een bloem, die tot sterven gedoemd, een stopzetten van elk
levensproces, een vermindering van levenskracht zou betekenen. Wanneer wij daar sterk
genoeg mee doorgaan, zetten wij elk levensproces stil. Daarmee krijgen wij een toestand van
mummificering, omdat het vocht door verdamping eraan onttrokken wordt en verder in de
cellen zich geen omzettingsproces af kan spelen.
Nu gaan wij nog een beetje theorie doen. Dan wil ik hier allereerst wijzen op wervelende
krachten. In de tweede plaats wil ik de samenhang uitdrukken van de wervelende kracht tot
het z.g. neutrale punt wat wij hebben gevonden in ons voorbeeld met die ruiten de vorige
keer. Er bestaan tweeërlei wervelingen in het Al: de links- en de rechts- gerichte. Het is
duidelijk, dat levenskracht een eigen werveling, maar ook en eigen wervelingsrichting zal
bezitten. De magiër zal zich altijd trachten te realiseren, welke die wervelingsrichting is,

95
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

wanneer het leven, waarin hij werkt, of waarmee hij werkt, tenminste gelijk krachtig is aan
zijn eigen persoonlijkheid. Hebben wij te maken met zwakke levende wezens, dan kunnen wij
daar in die werveling zelfs omzetten. Het proces doet dan denken, aan hypnose, die
gecontinueerd wordt, zodat een band zou kunnen blijven bestaan tussen b.v. genezer,
hypnotiseur, en zijn sujet. De magiër maakt zelfs van de mogelijkheid tot omkering van
werveling, aangepast aan zijn eigen denkwijze, gebruik om bepaalde voorwerpen te sacreren,
te consacreren zelfs en zo volledig te verbinden aan zijn eigen wezen en zijn eigen
werkzaamheden. Bij de wervelingen rekent de magiër over het algemeen, dat de links
draaiende werveling een werveling is van lager gehalte, een lager soort: de van links komende
daarentegen een van hoger soort en hoger gehalte.
Wij weten b.v. dat de wervelingen, die in materie vaak negatief aandoen, in feite vaak de
wervelingen zijn, die in hogere sferen - en dit betekent de drie onmiddellijk boven de
stoffelijke wereld gelagen sferen - krachtig zijn en daar behoren tot bepaalde levensvatbare
vormen. Als zodanig kunnen wij door een van links komende werveling te gebruiken, de band
met geestelijke effecten aanmerkelijk versterken. Nu zal elke werveling, die wij veroorzaken,
echter niet alleen zijn onze kracht, maar tevens de trilling, die wij uitstralen. Ook de
gedachtebeelden, die wij bezitten op dat ogenblik, hebben een invloed op dit geheel. Hieruit
vloeit voort, dat bij het werken met wervelingen, onverschillig of deze op ruimte worden
uitgestuurd, vanuit de gedachten worden uitgestraald via een der chakrums, danwel
onmiddellijk voorden opgewekt, in de eigen omgeving door handgebaren, of hulpmiddelen, te
allen tijde zullen moeten worden gesteund door de juiste gedachten en in de tweede plaats
door een zo juist mogelijke en een zo harmonisch mogelijke afstelling van eigen wezen op
datgene, wat men tracht te bereiken. Wanneer men hierbij uitgaat van het standpunt goed en
kwaad, is het onmogelijk om te komen tot een volledig juiste instelling, die in alle sferen
gelijkelijk aanvaardbaar is. Vooral wanneer wij werken met de van links komende werveling,
waarbij de hoge geestelijke krachten mee ingeschakeld zijn, zullen wij ons moeten stellen op
een punt, waar wij geen erkennen van goed en kwaad meer zien, maar slechts het goede in
alle dingen trachten te erkennen en te bevorderen van dit door alle sferen heen, vanuit ons
eígen wezen tot stand te brengen. De magiër, die zich bewust is van deze wervelende
krachten, ontdekt verder, dat hij zelf ook deel is van andere wervelingen.
Wij zien b.v. de gedachtewerveling van de omgeving, vooral wanneer er sprake is van
massasuggestie, van een gelijktijdig denken in dezelfde richting van grotere massa's, betekent
dat het eigen wezen meegebogen wordt in de richting van die grote massa's, tenzij hij voor
zichzelf de eigen werveling a.h.w. rond zichzelf groepeert.
Het beeld, dat de magiër in dergelijke toestand geeft voor een helderziende, is die van
iemand, die niet het rustende aura heeft, waaruit een enkele vlam schiet, maar eerder die van
een soort draaiende tol van allerhande vuur. Men brengt de eigen aura in beweging en doet
deze rond het eigen wezen wervelen. In deze werveling bevindt men zich in een volledig
rustige status, toestand. De eigen wil echter, die de lagere voertuigen tot deze werveling
beweegt en vooral de kracht, die daarin de beweging doet versnellen, houdt een absolute
isolatie van de omgeving in. Hierdoor wordt een volledig juist en objectieve waarneming
volgens de mogelijkheden van onze eigen wereld en voertuigen mogelijk en kunnen die
temidden van de grootste massasuggestie, temidden van krachten zelfs van hoge geestelijke
geaardheid, die inwerken op de stof, ons eigen oordeel volledig behouden. En mits wij niet
uitgaan van goed of kwaad, maar alleen van het goede in alle dingen, plus ons eigen
bewustzijn omtrent het voor ons nodige goed, de juiste instelling vinden.
Degene, die dan op deze wijze werkt, zal daarmede zelfs een wijziging in het hen omringende
veld tot stand brengen. Het gevolg zal zijn, dat niemand die zich magiër wil gaan noemen, in
staat zal zijn te werken, zonder een werveling van voldoende kracht, wanneer hij met geesten
- vooral geesten, welker geaardheid hij niet voldoende kent - in contact zal moeten komen.
Daarom maakt hij gebruik van de z.g. magische afscherming, de magische cirkel.
Een magische cirkel is in de eerste plaats een symbolische begrenzing. Zij wordt over het
algemeen getrokken met krijt, ofwel gestrooid met zand. Natuurlijk zijn er ook andere
mogelijkheden aanwezig. U kunt b.v. een stuk papier op de grond leggen, en daarop Uw cirkel

96
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

tekenen. Ook dat heeft geen enkel bezwaar, mits de lijn ongebroken is. De ongebrokenheid
van de lijn is van zo groot belang, omdat wanneer er een gaping in bestaat en onze aandacht
hierop zou vallen, voor ons het totale effect van de begrenzing weg is. Wij zien dan een grens
met een gaping. Daardoor reageren wij niet juist meer en zal onze kracht niet meer juist
wervelen met of rond deze cirkel, die wij creëren. Onze eigen levenskracht is n.l. direct
gebonden met de magische cirkel, die wij op de juiste wijze trekken.
Het trekken van deze cirkel gaat als volgt:
Men wijde zichzelf, zodat men de eigen overgave aan God uitspreekt en verder maakt men
gebruik van symbolische reinigingen, zoals in vorige lessen beschreven. Daarna wordt de
eerste lijn, de z.g. binnen lijn, getekend.
Deze binnenlijn is cirkelvormig, of zo cirkelvormig mogelijk. Het binnenvlak zal altijd zo groot
zijn, dat wij daarbinnen zelf plaats kunnen nemen. Daarna brengen wij de buitenlijn aan en
tussen beide lijnen zullen wij machtwoorden schrijven, waarin wij groot vertrouwen hebben. In
de Christelijke maatschappij zal dat meestal Jezus Christus, of Messiah zijn. Daarnaast zal men
ongetwijfeld verschillende Godsnamen gebruiken. Hier komen zeer veel voor: tetragammaton.
Daarnaast vindt men ook Oscha, of Osiris. Men vindt ook natuurlijk de Griekse naam Osgyos,
of Asgyos. Kortome de Godsnamen kunt U zelf kiezen. Desnoods neemt U alleen attributen van
God en schrijft u daarin: de Alwetende, de Almachtige, De Alomvattende. De woorden worden
steeds gescheiden door een kruisje. Dit kruisje mag nooit beide randen beroeren. Maar moet
daar dus tussen staan.
Wil men bijzonder krachtig werken en is men b.v. van een katholiek geloof, dan zal men heel
vaak het begin de eerste regels van een duivelbanningsformule, zoals die in de kerk magisch
wordt gebruikt, hier inschrijven. Daarvoor gebruikt men dan ook het Latijn. Over het algemeen
is het goed bij het trekken van een dergelijke cirkel de inschriften gestandaardiseerd te
gebruiken, dus steeds voor dezelfde inhoud te geven aan hetgeen men opschrijft.
Varianten zijn mogelijk, wanneer men bepaalde werkingen wil bereiken, b.v. het oproepen van
geesten, iets, wat ik met U werkelijk voorlopig nog niet hoop te behandelen. Daarna wordt dus
over deze cirkel een soort gebed uitgesproken. Dit gebed houdt in, wat men wil doen en de
gegeven voorbeelden van oproepen en aanroepen en het verdrijven van het kwaad zijn
hiervoor zeer goed bruikbaar. Daarbij gaat men tegen de zon in, driemaal onder het
voortdurend uitspreken van een dergelijke aanroeping, rond de cirkel. Eerst daarna kan men
zich van de cirkel verwijderen. Dit geheel moet in één aansluitende beweging gebeuren. Men
mag niet aarzelen en men moet onmiddellijk na het ophouden van het schrijven beginnen met
deze weg af te leggen.
Voor degenen, die geloven aan het gebruik van wijwater, is kerkelijk wijwater bruikbaar,
anders zou ik raden om water te mengen met wat as of zout. Bij het gebruik van as, vooral
van palmboomhout, buxus of evt. ook eikenhout en dit water wederom dus door gebeden
heiligen, evt. ook even bewieroken. Wanneer U ze krijgen kunt is hiervoor de z.g.
bloemenwierook van Tibet zeer geschikt. Daarnaast kunt U gebruik maken van de
adyarwierook, maar in geen geval van de zwaar geparfumeerde wierook van Syrië en
omgeving, India. Het gewijde water wordt gestrooid in de cirkel en wel in het binnenste vlak
en daarna ook in het buitenste vlak. Wordt deze cirkel getrokken om alleen maar een
krachtwerveling mogelijk te maken van buitengewoon belang, zal men over het algemeen een
kruis tekenen in het binnenvlak, na dat dit alles voltooid is en ook de bang voltooid is. Dit kruis
reikt dan niet tot de randen. Meestal laat men ongeveer één centimeter open, of bij een kleine
cirkel minder, schrijf dan boven de lijn van het kruis, dus de dwarsbalk van het kruis a.h.w.,
de woorden Alpha en een daaronder komt Omega. Hiermede is aangegeven de kosmische
eenheid, door het kruis wederom verwerkelijkt, als staande binnen de cirkel, zo uitdrukkende
de totaliteit van alle rijken in de eenheid Gods.
In deze uitdrukking heeft men bovendien voor zichzelf nog grotere krachten aangeboord. Door
sterke concentratie kan dan van hieruit een zeer grote kracht uitgaan. Deze kracht moet door
de gedachte worden gericht, waar zij anders alleen plaatselijk werkzaam is.

97
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

Experimenten hiermee zou ik U voorlopig nog niet aanraden. Ik zou U willen verzoeken er
eerst aan de hand van de opgegeven experimenten vast te stellen, hoe Uw eigen
bekwaamheid is en U te gewennen aan het uitspreken van bezweringsformules, kortom, de
vreemdheid t.o.v. een magische procedure ietwat te verliezen. Deze experimenten zijn geen
lessen. Dat hoeft U alleen maar te doen, als U er eens tijd voor hebt en je wilt het eens doen.
De vorige les is door de meesten zo onvolledig bestudeerd,dat men daar heus nog wel enige
tijd aan kan wijden. Ik hoop alleen, dat U één ding begrijpt. U heeft onnoemelijk veel tijd
gebruikt, de meesten Uwer althans om hier te komen in dit denksysteem, om U te gewennen
aan magische procedures, om inzicht te krijgen in wat er al aan verhoudingen in de wereld kan
bestaan.
Wij, van onze kant hebben dat ook niet voor niets gedaan. Wij hopen, dat wij het met de
magie zover krijgen, dat U inderdaad voor U zelf zo'n cirkel van kracht wordt. Een cirkel van
kracht: kracht, die ons sympathiek is, die zich richt op het Goddelijke, op het Lichtende en zo
de daadwerkelijke bewustwording op aarde metterdaad, maar ook met uitstraling van
geestelijke stromingen, kan helpen bevorderen. Het heeft weinig zin voor U verder te gaan,
wanneer U tenminste niet besloten bent om die experimenten ook goed te doen. Neem er Uw
tijd voor, maar doe ze. Probeer U steeds meer aan te wennen, dat wat de wereld ervan zegt,
van heel geen belang is, maar dat, wanneer wij deze doen, wij daarmee voor onszelf
buitengewone krachten kunnen ontketenen. Merkt U, dat het absoluut niet gaat, ach, dan zou
ik zeggen, dat ik in Uw plaats niet meer zou deelnemen aan deze kring. Indien het werkelijk
absoluut niet gaat. Indien wij werkelijk hier aan de magie beginnen (dat hebben wij op het
ogenblik gedaan met deze experimenten), en U de eerste mogelijkheid gegeven om zelf tot
het magisch experiment te komen, met al wat er mee gepaard gaat zonder ons ingrijpen, of
onze hulp, zult U ook moeten begrijpen, dat Uw eigen verantwoordelijkheid daarmee wat
groter wordt. Wij hopen, dat U die ook zult beseffen, door niet zo maar eens een experimentje
uit te halen als een grap. In het begin is het leren en voor leren zijn alle dingen goed. Maar op
de duur zul je moeten leren dit te reserveren voor datgene, waarvoor het nodig is.
Wanneer wij verder gaan, dan zult U van ons heel wat meer voorschriften krijgen.
Voorschriften, die U dus weer leiden in de richting van bepaalde experimenten. Maar U zult Uw
eigen weg ook steeds zelf moeten zoeken. De meesten Uwer hebben op het ogenblik een
voldoende achtergrond - geestelijk gezien - om die magie ook werkelijk in de praktijk te
brengen. Het lijkt mij, dat U aan de hand van onze inlichtingen en daarnaast ons commentaar
op Uw problemen U in Uw eigen richting en volgens Uw eigen aanleg U magisch verder zult
moeten ontwikkelen. Deze beginoefeningen en de eerste volgende paar oefeningen, die wij
daarna nog eens kunnen doen, liggen voor allen gelijk. Daarna moet ieder zijn eigen weg
gaan. Het is een weg, waar wij geen raad kunnen geven van: ze moet je gaan doen....maar
dat moet U zelf aanvoelen en zelf weten. Wanneer U in moeilijkheden komt, dan willen wij U
vertellen, hoe het moet en wij zullen U trachten te behoeden voor kwade gevolgen, zolang U
zelf niet in staat bent die zelf op te heffen.
Wij zijn nu werkelijk op het punt gekomen, dat het ernst wordt. Wij hebben het een paar keer
geprobeerd. Elke keer zijn wij weer vastgelopen, nu op dit en dan op dat. Het is ons liever, dat
uit deze kring twee magiërs voorkomen, dan dat wij het volgend jaar hier met een school van
40 man zitten, waar wij uiteindelijk niets meer mee kunnen doen dan ze alleen opkweken tot
een vlugger en wat redelijker denken. Denken en volgen heeft U nu wel geleerd. De reactie op
het snel uitgesproken betoog van zo-even was goed. Dat wil zeggen, dat Uw eigen
reactievermogen en begripsvermogen betrekkelijk scherper is geworden dan in het begin, toen
U voor het eerst in deze kring kwam.
Trek Uw eigen conclusies eruit. U heeft in deze kring veel gekregen. Meent U, dat U deze weg
niet verder wilt gaan, goed dan scheidt U er uit. Wij zullen het niet meer zeggen. Dat moet U
dan zelf moeten. Vanaf dit ogenblik zullen wij U met raad en daad terzijde staan, maar niet
meer leiding geven. Wij laten U Uw eigen weg zoeken.
In de Broederschapsfederatie komt een 25e groep om de Christenen in oecumenische
gemeenschap....Zij zijn zo stoer en zo strak in hun eigen geloof.....

98
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

Ik geloof niet dat wij die term hier mogen gebruiken. Dat kunt u in Uw eigen kring rustig doen.
Er bestaan geen mensen, die stoer, of star, of stram verknocht zijn. Er zijn mensen die wat
meer gebonden zijn, of wat minder gebonden zijn. Maar dat is een kwestie van innerlijke
afstemming van geestelijke harmonie, van opvoeding en van denken. U kunt zeggen: wij gaan
die mensen los maken, en dat is heel mooi. Maar onthoudt U dit: In de magie telt geen
godsdienst. Daar telt niets volgens de normale waarde. Daar spreken wij niet van de
godsdienstige opvattingen, zoals men die kent, wij spreken niet van de zeden, zoals men die
kent, van de moraal, of van de ethiek, zelfs niet van de esoterie, zoals men die kent. Wij
spreken in de magie van een persoonlijke wereld. Daarbij is het niet belangrijk, wat U nu
toevallig gaat doen, dat gaat ons helemaal niet aan. Belangrijk is, welke kracht in U zelf vindt.
Om U te helpen die kracht te vinden, daarom zijn wij op het ogenblik met die scholing bezig. U
sterker te maken daarin, bewuster.
Op een bijeenkomst waren de mensen nogal star, toen vonden wij de harmonie, waarover
U sprak, zoals.....
U gaf mij op uitdrukking te geven aan de gedachte eenheid, en harmonie. Dat heb ik gedaan.
Onze gedachte is nu toevallig ook eenheid, of harmonie, maar gezien het woordgebruik en de
les van deze dag kwam het er eigenlijk niet op aan. Harmonie is een heel moeilijke zaak,
innerlijke zaak. Het gaat van binnen uit. Ik vind het erg prettig, dat U hier a.h.w. even wilt
getuigen - daar komt het eigenlijk op neer, maar het is niet nodig. Het enige dat nodig is, is
dat U voor Uzelf de zekerheid hebt, dat wanneer U intens de dingen voelt, dat U ze vanuit
Uzelf als een kracht werkzaam kunt maken. Wanneer U verder begrijpt, wat U zelf met het
gesproken woord doet, mits het gevoel sterk genoeg is en wij met enkele kleine regeltjes
rekening houden, dus dat wij altijd eerst de lagere krachten vragen en uiteindelijk God erbij
halen en niet omgekeerd. Dus niet God en dan naar de onderverdeling. Dat kunnen wij niet
doen. U gaat ook niet een bureau binnen bij de grote baas, die stuurt U dan naar de eerste
secretaris, die stuurt U naar de tweede secretaris, die stuurt U naar de rekenkamer, van de
rekenkamer stuurt naar de boodschappenjongen om te vragen.
Wanneer wij bepaalde dingen verlangen in de kosmos, dan spreken wij eerst tot de krachten
die die taken kunnen volvoeren en daarna spreken wij in onze innige overtuiging en gevoel van
eenheid met God uit het Goddelijk gezag tot die krachten, waarnaar wij, die taak eenmaal
begonnen zijnde, ons zelf wenden, tot God in volledige onderworpenheid. Dat is de normale
procedure. Indien U dit onthoudt, dan geloof ik, dat het verder magisch wel mogelijkheden in
zich bergt.
Het laatste, wat ik daarnet gezegd heb geef ik U wel ernstig in overweging.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Misschien kunnen wij nog kort - in verband met de tijd – een klein onderwerpje behandelen.

DOEL DER MAGIE
Het doel der magie is door alle natuurlijke en bovennatuurlijke middelen, vanuit menselijk
standpunt bezien dan te komen tot het bereiken van eigen doeleinden in een zodanige
volkomenheid, dat het eigen ik daardoor verheven wordt boven de natuurlijke omstandigheden
Dit geldt voor witte magie: dat het dóel der witte magie is door een juist begrip van de
verschillende werelden en de samenwerking ertussen bestaande, een zodanige eenheid tussen
deze werelden en eigen wereld te bewerkstelligen, dat men - als middelaar optredende -
tussen de andere werelden en eigen werelbestaande totale eenheid kan uitdrukken in zijn
eigen wereld en als zodanig de kosmische eenheid kan versterken.
Behoort hypnose eigenlijk ook onder de magie?
Dat kan er onder vallen. Hypnose is in feite een natuurlijk vermoeiingsverschijnsel, dat
ontstaat door een overprikkeling van de optische zenuwen. Daarnaast bestaan ook natuurlijk
andere soorten van hypnose, waarbij ongeveer een gelijksoortige trance wordt bereikt. Zolang

99
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

deze trance alleen bereikt wordt om via deze trancetoestand bepaalde suggesties te geven en
geen verder en hoger wordt nagestreefd, rekenen wij in de moderne tijd over het algemeen
dat niet meer tot de magie. In de oudheid word het wel onder de magie gerekend. Wij gaan
van het standpunt uit, dat datgene, wat wetenschappelijk bereikbaar is geworden, niet meer
behoor, onder het magische, omdat het magische zich uiteindelijk speciaal bezig houdt met al
hetgeen, wat ligt buiten de normale kennis en het normale weten van de mensen.
Kunt U een ander woord geven van magie?
Inderdaad. Meersferische werking op één punt. Ik zal het even verklaren. Magie werkt nooit
met de gekende en zichtbare waarde van de eigen wereld. Zij betrekt er altijd in werkingen
van andere rijken, of werelden, of sferen en voegt dezen samen tot één geheel, die bepaalde
en kenbare effecten tot stand brengen. Als zodanig kunnen wij zeggen, dat het altijd een meer
sferische actie is, omdat meerdere werelden gelijktijdig in hun krachten en werkingen worden
gericht op één bepaald punt, waarin het effect dus voor de eigen wereld kenbaar wordt. Dan
zou ik magie ook nog willen vertalen als kosmische techniek, n.l. het erkennen van kosmische
wetten en kosmische mogelijkheden, in tegenstelling tot wereldse techniek, die alleen berust
op het erkennen van wereldse mogelijkheden en ook wereldse materialen.
Wij hebben in de Schepping diverse uitingsvormen, gesplitst in 't kader van de drie-eenheid
als vormdragend en niet vormdragend en het vormkennende en de gedachte. Hoe ligt de
bewustzijnsverhouding tussen diverse entiteiten in de Goddelijke Schepping, zoals mensen,
planten en dieren enz.?
Vanuit God gezien: parallel. Je kunt het je zo voorstellen: De scheppingsdaad als zodanig is de
wil. De Goddelijke wil werkt als een prisma t.o.v. het totaal van de Goddelijke kracht,
waardoor deze ontleed wordt in een reeks van afzonderlijke banden, die elke een schijnbaar
afzonderlijke waarde hebben. Denkt U aan de verschillende kleurwaarden, die wij door een
prisma plotseling waarnemen, geboren uit wit licht, waarbij elk van die kleuren tijdelijk een
eigen leven en eigen kwaliteiten en eigen eigenschappen vertonen, maar in feite toch niets
anders is, of kan worden, dan een deel van het geheel, waaruit het is voortgekomen. Op deze
manier valt uit het Goddelijke, als de oergedachte, door de wil plotseling te kennen het
scheppende, zijnde wederom de gedachte, maar nu de oergedachte van deze Schepping, het
vormgevende en vormkennende, dus de werking in de materie en het niet vormkennende: de
werking in ziel en geest. Dezen vallen ook weer uiteen, want dan zien wij b.v. dat het vorm
kennende uiteen valt in verschillende rijken. Die rijken zijn b.v. dan voor Uw eigen wereld op
het ogenblik eerste elementair, dus heel simpel gezegd: lucht, water, vuur en aarde.
Daarnaast mineraal, dus omvattende alle grondmaterie en alle daarin voorkomende
mengingen, zodat men elke moleculaire structuur door aparte geesten gekend of bewoond zal
worden en onder een aparte groepering staat: daarna kennen wij het rijk van de
plantaardigen, weer te splitsen in verschillende, als onder de kleine en spoordragenden, de
wortelbouwenden, de vezelbouwenden en de houtbouwenden, dus hardvezelbouwenden.
Vandaar gaan wij dan weer over naar het dierlijke, dat wij dan weer kunnen verdelen in het
rijk van de eencelligen, een aparte bewustzijnsklasse dus. Dat zijn de microscopische diertjes
die in het water zitten: daarnaast kennen wij dan de meercelligen, ook water- en
landlevenden, daarnaast kennen wij dan weer natuurlijk de vissen, wij kennen de
koudbloedigen en de warmbloedigen en landdieren, waar de mens dan ook bij staat, maar hij
hoort op dat terrein wel thuis.
En de bewustzijnsvormen zijn dan in hem bekroond. Niet genoemd, heb ik hierbij het rijk der
insecten en het rijk van de micro-organismen die beiden vallen onder het eencellige, maar
daar een zeer aparte toestand hebben, doordat zij gelieerd zijn met bepaalde elementale
krachten.
Op deze manier valt dus het geheel uiteen en wordt ontleedbaar. In deze ontleedbaarheid zal
duidelijk zijn, dat waar voor elke groepering een aparte leiding gevend bewustzijnsdragende
kracht is, in feite elke kleur, die door ons prisma is gevallen, nog weer door de wil van zo'n
bepaalde en beperkte scheppende kracht, verder ontleed wordt en zo langzaan maar zeker een
spreiding wordt bereikt, waarin 't maximum van verschijnselen voort kan komen uit de ene
kracht, van het Goddelijke.

100
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

Dan zullen wij nu over gaan tot het Schone Woord en ik dank U nog voor het aandachtig
gehoor mij gegeven. Ik hoop, dat ik niet al te vlug heb gepraat. Ik heb dat de vorige maal ook
moeten doen, maar dat komt, omdat U zo weinig tijd over heeft voor andere dingen dan de
eigenlijke stof op het ogenblik.
Goeden avond allemaal.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Er werd zo-even het onderwerp "Eenheid" genoemd. Nu zou ik in verband met hetgeen wij
deze avond ook weer geleerd hebben, echter in de eerste plaats onze meditatie willen baseren
op de gedachte van:

KOSMISCHE WERKING
Ik meen, dat de Eenheid daarmede begrepen kan worden.
Wanneer wij, mens of geest, een ogenblikje ons eenzaam gevoelen of geen raad meer weten,
dan zenden wij een automatische noodroep uit. Dan klinkt vanuit ons de kreet: "God, God,
God", tot een steeds sterker wordende climax. Dan roepen wij als verloren zijnde om het
enige, waarin wij, half gelovend misschien, toch nog durven vertrouwen.
En ja, heb je een geloof en een kracht, die werkelijk en wezenlijk je hele wezen verbinden met
die God, met de kosmos, waarin je bestaat. Er is werkelijk geen ogenblik, dat deze banden
volledig verbroken zijn. Maar veelal zijn wij ons daarvan onbewust. Staande voor het grootse
meesterwerk der Schepping zijn wij niet in staat het geheel te zien. Wij grijpen naar de details
en klampen ons daarin vast. Wij zoeken naar hetgeen voor ons daarin toevallig aanvaardbaar,
of gebruikelijk is. Wij zoeken naar onze onbelangrijke mening omtrent punten, die nog niet
eens zijn een speldenknop, vergeleken bij een oneindigheid.
Wij, die zoeken naar kosmische kracht, wij, die hongeren naar kosmisch weten, wij lopen
verloren in de kleinzielige verdeeldheid van het onbelangrijke motief, het kleine element, dat
in feite niets uitmaakt. Opgaande in de magie zoekende naar de kosmische eenheid uitgedrukt
in het totaal van het Goddelijk Scheppingsplan, maar ook in ons wezen vastgelegd en
gestempeld zijnde, zullen wij afstand moeten doen van deze kleinzieligheid en deze
kleingeestigheid.
Wij zullen niet meer moeten zeggen: "Dit is onmogelijk", of: "Dit is niet in overeenstemming
met onze stellingen". Wij zullen niet mogen aantasten de grote harmonie en eenheid, die rond
ons bestaat en die in ons een voortdurende groeiende kracht is. Onze kreet om hulp mag niet
meer zijn die wanhoopskreet:"God", het moet worden de juichtoon, de zekerheid van een
verbondenheid zonder einde.
Het moet zijn "God, Krácht en Schepping in mij levend. In U is de waarheid. In mij is de
onwetendheid. Laat Uw waarheid in mijn wezen dringen en Uw waarheid spreken door mij".
Het moet niet meer zijn "God, ik zal handelen". Het moet zijn: "God, handel dóór mij en laat
mij bewust zijn van Uw kracht, zoals in mijn wezen leeft en bestaat in alle tijd". Ons streven
mag niet meer zijn het verdelen van goed en kwaad het onderverdelen van heel de wereld in
onbetekenende hokjes van kennis, van oordeel en van mening.
Ons is het Universum gegeven. Ons is het totaal van de kosmische Schepping gegeven. Wij
hebben het recht niet deze te oordelen, te verkleinen, of te verbrokkelen in ons zoeken naar
wat zelfrechtvaardiging en wat zelfverheffing. Wij moeten leren de kosmische kracht te
aanvaarden. Dié kracht is aanwezig. In ons zelf als een laaiend, brandend vuur, dat steeds
weer elke kilte van onbegrip en onvermogen verdrijft.
In ons is God Zelve en in Hem hebben wij slechts te zoeken het antwoord op onze vraag: "Is
dit voor ons zo, God, Uw wil?" Als het antwoord in ons "ja" zegt, laat het ons dan goed zijn.
Laat ons niet vragen: "Heer, wat is Uw wil in deze anderen? Want wij kunnen niet verstaan of

101
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 6 – 10 februari 1960

begrijpen". Laat ons niet vragen: "God, wat is de werkelijkheid elders?" Laat ons vragen:
"God, wat is Uw werkelijkheid voor mij? Nu, op dit ogenblik?"
Laat ons de volheid van ons wezen en ons vertrouwen uiten in die ene jubelroep: "God,
kosmos, Kracht in ons, te allen tijde". Laat onze bede niet meer zijn: "Heer, schenk mij....".
Maar laat ons zeggen tot God: "Heer, zoveel hebt Gij mij geschonken. Doe mijn ogen open
gaan, opdat ik waardig Uw geschenk aanvaarden moge".
Wie zo kan bidden, kent geen grens meer tussen werelden, kent geen verschil meer
tussensferen. Hij kent alleen de kosmische harmonie, die te allen tijde oneindig Gods wezen
openbaart in elk van Zijn schepselen. Dit voor jezelf te realiseren, dit uit te dragen met woord
en daad, dit werkelijk te maken, misschien door het schijnbaar paranormale binnen je eigen
wereld, is het wezen van de Witte Magie.
Eenheid der Schepping. Opbouw van de kosmische harmonie door eigen streven, zoeken en
werken vanuit eigen wereld, dat is het doel. Zo God er niet zou zijn met Zijn kracht, met Zijn
voortdurende liefdevolle zorg, Zijn wetend met ons gaan, zou magie geen zin hebben, zou ons
streven nutteloos zijn.
Maar voor wie zoekt, bevestigt de eeuwigheid door vele, ja, ongetelde lichtende krachten,
duizend malen weer, elke dag.
Er is een God, er is een kosmische eenheid, er is een harmonie, die ons verheffen kan boven
het kleingeestige van wereld en zoeken en kan maken tot doel van de oneindigheid, waarin wij
voertuigen zijn voor Gods wil, en daad, Zijn rijk in hemel en in aarde gelijktijdig uitgedrukt,
gerealiseerd, tot de tijd stilstaat, want het blijft de waarheid van Zijn wezen als enige en
eeuwigdurende openbaring.
Met deze korte meditatie zullen wij de bijeenkomst besluiten, vrienden. Ook namens de andere
sprekers wens ik U toe: een goede avond en veel succes bij Uw streven.
Goeden avond.
o-o-o-o-o

102
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

LES VII

Goeden avond, vrienden,
Wij hebben vorige maal besloten een deel van de avond met zekere experimenten te werken.
De reacties die daarop ontstonden waren zeer verschillend. Het heeft natuurlijk niet veel nut
om met die experimenten door te gaan, tenzij zij ernstig worden gevolgd. Allereerst wil ik
proberen U duidelijk te maken - nogmaals - wat die experimenten betekenen, vooral dus de
incantaties waar wij mee zijn bezig geweest, daarnaast ook hoe deze dingen werken.
Ik geloof, dat U allemaal wel voldoende afweet van de structuur, de kosmos en de geestelijke
werelden, om te begrijpen, dat de wetten, die op een geestelijke wereld invloed hebben en
regeren, anderen zijn, dan de wetten en mogelijkheden, die U in de stof toepast. Wij kunnen
dat zelfs nog verder doorzetten. De wereld van de geest is in vele gevallen onlogisch, gezien
vanuit een stoffelijk standpunt. Dat voor ons de stoffelijke wereld ook niet direct logisch is, zult
U wel vanzelf aan willen nemen. Wanneer wij trachten te werken met bepaalde experimenten,
dan is dat een poging om sensitiviteit te ontwikkelen. Het is een poging om langzaam maar
zeker contacten met zekere krachten mogelijk te maken. Nu kan ik mij voorstellen, dat men
zich ook gaat afvragen: “Maar wanneer wij die incantaties doen, wat gaat er dan gebeuren?"
In negen van de tien gevallen niets. Dat moet U goed begrijpen. Want U begint pas.
In het ene geval, dat er wel resultaten zijn, is Uw eigen instelling, Uw eigen denken en Uw
eigen begeren aansprakelijk voor datgene, wat als resultaat naar voren komt. Uw gedachte
alleen bestemt niet Uw wezen. Het is de totale instelling van dit wezen, inclusief het
onderbewustzijn, drang etc., die dus mede afstemmen op een bepaald geestelijk terrein.
Kwaad, werkelijk kwaad dus, demonische krachten of zo, kunt U niet bezweren. Wij hebben U
daartoe op het ogenblik nog niet de middelen in handen gegeven, ofschoon wij een enkel
voorbeeld hebben gegeven van een incantatie, die daarvoor bruikbaar zou kunnen zijn in de
handen van deskundigen.
Gevaar voor U bestaat dus niet. Dat wil ik eventjes nog met nadruk vastleggen. Een vorige
maal heb ik er al op gewezen, dat U zich waarschijnlijk wat belachelijk gevoelt. U moet
wennen aan dit irreële, dit merkwaardige komedieachtige wat U nodig heeft om vanuit de stof
invloed uit te oefenen op de geest. Wij werken hier met magie. Magie is vanuit het huidig
wetenschappelijk standpunt, volkomen kolder en irreëel. Maar vergeet niet dat 't diezelfde
magie is, waarop o.m. het Christelijk geloof is gebaseerd. Het wondergeloof van de kerken. De
gebeurtenissen, eigenaardig in grote bijeenkomsten, geestelijke genezingen e.d.. Alleen de
doorsneemens gebruikt die magie onbewust. Wij zijn nu zover gekomen, dat het voor U een
kwestie wordt om magie te gaan gebruiken of u terug te trekken. Wanneer wij op deze wijze
enkele maanden hebben geëxperimenteerd, dan is het drie tegen vier dat U succes heeft, dat
U bepaalde krachten leert gebruiken en verkrijgen, dat U leert Uw eigen persoonlijkheid af te
stommen. Wanneer wij dan zover zijn, dan krijgt U van ons de laatste sleutel. Dan kunt U in
dat opzicht Uw eigen weg verder gaan. Wij hebben de vorige maal ook nog wat les bij
gegeven. Ik wil voordat wij nu verder gaan, allereerst graag even weten, of er vragen gerezen
zijn over de vorige keer.
U heeft gezegd bij het experiment het vormen van een werveling tussen 2 handen, dat de
muis gevoelloos zou zijn, dat de tinteling in de vingers niet aanwezig mocht zijn. Bij mij
was de muis niet helemaal gevoelloos is, maar ik heb ook tinteling in de vingertoppen.
Dat is begrijpelijk. Het voorbeeld door mij gegeven, gaat uit van een directe beheersing op een
totaal van de stroom. Normalerwijze bent U gewend om Uw vingers - haast onbewust - te zien
als hét apparaat, waarmee men alles doet. Zo ontstaat ook - bewust of onbewust - een
stuwing naar de vingertoppen. Kijkt U naar een genezer of een magnetiseur. In 9 van de tien
gevallen ziet U het gebaar, waarbij met de vingertop wordt gewerkt. Het is niet nodig.
Wanneer wij een werveling willen veroorzaken, dan hebben wij niets aan die reeds gesplitste
103
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

uitstraling, in die toppen. Het is wel een veld, maar wat je automatisch in vijven verdeeld hebt.
Wat wij nodig hebben is juist het veld, wat zich vormt - hier dus - (spreker geeft aanwijzing) in
deze holte, hiertussen. Wanneer U teveel last krijgt van die prikkeling en U kunt daarmee niets
gedaan krijgen, dan kunt U het misschien eens zo proberen dus de vingertoppen terugbuigen
en de handpalmen toch iets dichter bij elkaar brengen. Ik denk, dat U daarmee dan wel goede
resultaten zult kunnen maken. Het feit, dat Uw uitstraling links sterker is dan rechtse is een
bewijs, dat U normalerwijze Uw krachten links afgeeft. De geestelijke activiteit is dan op zijn
hoogst b.v. in de rechterhersenhelft. Dat is onbelangrijk omdat wij, wanneer wij die
krachtvaststelling kunnen leren, ze om moeten keren en wel door ons eenvoudig te
concentreren op het feit: Nu moet die kracht uit de rechterhand uittreden. Dan gaan wij niet
voelen, of het zo is. Wij concentreren ons er eerst een tijdje op, dan gaan wij nog eens voelen.
Meestal blijkt dan, dat de prikkeling inderdaad in de andere hand sterker is geworden, in de
rechterhand.
Is het ook juist, dat deze uitstraling uit deze linkerhand warmte af geeft?
Een warm gevoel, ja. Dat is meestal het geval, maar dat is ook, wanneer U ze rechts doet
uittreden. Bij een verdere beheersing kunt U het gevoel warm of koud maken naar eigen
believen. Over het algemeen zeggen wij, dat een uitstraling, die warm is, kracht geeft en een
uitstraling, die koud wordt aangevoeld, neemt. Bij het afnemen van een magnetiseur, die pijn
wegneemt, zou U in feite een gevoel van koelte moeten hebben. Bij de instraling een gevoel
van warmte: wat volkomen juist is.
Bij het derde experiment van zien, heb ik kunnen constateren, heb ik malle figuren gezien,
die ik feitelijk niet onder woorden kan brengen. Het was een warreling, maar rood
gekleurd.
Die kleur rood komt waarschijnlijk nog van de invloed van het bloed. U heeft het in het donker
gedaan?
Ja.
Bij fel licht zou U misschien een feloranje achtergrond hebben gehad, of zelfs geel. Dat is van
minder belang. Let U op één ding wel, wanneer U dergelijke beelden ontvangt, die geen
heldere kleur hebben, een vuil rood b.v., onderbreekt U dan het experiment. Niet, dat het
gevaarlijk is, maar de resultaten ervan zijn minder aangenaam en niet noodzakelijk.
Hoe is het weg te krijgen, dat er een warreling ontstaat? Er is geen rust in.
Het ligt voor een deel aan Uw eigen instelling. Dat is in de eerste plaats psychisch. De status
van het fysiek heeft daar dan ook wel zijn invloed op.
Je bent feitelijk nog onvoldoende beheerst?
Ja, maar het is een begin. Wanneer U een volgende keer weer die warreling ziet, probeert U
zich niets van die warreling aan te trekken. Probeer ook niet te beschrijven, wat je ziet, of te
constateren, tot dat er zich vanzelf een zuiver gevormd beeld aan je toont. Hoe scherper je
zult concentreren op die beweging en warreling, hoe waarschijnlijk het is, dat deze toeneemt
i.p.v. afneemt.
Hoe houdt U Uw vingers?
Ja. Deze hand is niet volkomen regeerbaar, dus de afwijking daaraan gelieve U over het hoofd
te zien. Maar het is dus de vingers zoveel mogelijk tegen elkaar. Normalerwijze beginnen wij
met het veld op te wekken met een houding, waarbij zij recht t.o. elkaar zijn. Zij lopen precies
parallel. Ga ik de werveling maken, dan krijg ik een buiging in de hand. Maar kan ik nu niet
een voldoende reversibiliteit krijgen, zodat ik beide handen willekeurig voor straling kan
gebruiken, dus dat ik nu van links en dan naar links werk, dan kunt U het dus ook eens zo
proberen, maar dan komt het krachtveld als een soort boog boven de handen te staan. Van
een zuivere werveling is dan geen sprake, hoogstens van een globe.
U krijgt een halfbolvormig veld, waarbij de werking toch wel aan het draaien komt, maar wat
betrekkelijk gelijkmatig is. Houd de handen zó, dan is die bolvorming veel minder en dan
hapert het krachtveld naar de pols toe. Waarbij de intensiteit, die hier het grootst is van het
veld, met de spreiding boven het eerste vingerlid meestal. Dan hebben wij een trechter,
waarin wij de werveling makkelijker krijgen dan in een rechte cilinder, of in een bol.

104
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

U zei ergens: de krachten van tweedracht en strijd moeten vernietigd en teruggedreven
worden. Is dat vernietigen wel op zijn plaats in het geheel?
Ik zou niet weten, waarom. Tweedracht is, in tegenstelling tot kwaad, wat uit ons persoonlijk
standpunt en oordeel voorkomt, de grens, die bestaat tussen ons en het Goddelijke. Bij een
poging om tot harmonie te komen, moeten wij deze begrenzing vernietigen bij ons en bij
anderen. Wij vernietigen in werkelijkheid niets dan een scheiding, die ontstaat uit
denkbeelden. Er is geen sprake van een vernietiging van persoonlijkheden. Het kwaad, wat wij
in bezweringen trachten te verdrijven, moet worden gezien als een reeks van entiteiten. Dat
zijn entiteiten b.v., die stofgebonden zijn. Chaos-toestrevende geesten, die wij vaak demonen
noemen. De verdrijving daarvan is noodzakelijk. Wanneer wij werken op harmonie, dan is dat
kosmisch. Dat betekent, dat het kwaad, alleen door de instelling zelf, zo volledig wordt
afgeschrikt, dat er geen verdere bescherming nodig is. Wat wel nodig is, is extra kracht om de
grens, die tussen ik en het Goddelijk Ego bestaat, tijdelijk neer te halen.
U heeft gezegd: de ikvorm mag je niet gebruiken....maar verder zegt U: Ik beveel...
Dat is juist. De ikvorm gebruiken wij in de bezwering niet, omdat de wens die wij uitdrukken,
nooit een zuiver persoonlijke mag zijn. Op het ogenblik, dat “ik beveel", doe ik dat niet uit
mijzelf. U zult achter die formule van "Ik beveel" horen, "In de naam van". M.a.w. ik stel
mijzelf zo harmonisch mogelijk met bepaalde geestelijke krachten des lichts. Deze kracht geeft
mij het recht de lagere krachten te bevelen. Hier is het ik dus een formule, waardoor mijn
eigen gesteldheid wordt weergegeven. Het is een soort van per procuratie tekenen van een
bevel der hogere krachten. Daar heeft iedereen permissie voor, omdat alle zielen volkomen
gelijkwaardig zijn in het oog Gods. Allen, die streven naar de eenheid Gods, de
gelijkwaardigheid van alle zielen naast hen, zullen moeten erkennen. Hoe hoger en lichter de
geest, hoe nederiger zij zal zijn in vergelijk tot de mens. Denk maar eens aan Jezus, Die de
Dienaar der mensen was en niet de Heerser. De term "Broeder" is een gebruik geworden,
maar er moet meer zijn dan broeders, er moet eenheid zijn. Broeders zijn mensen, die
bepaalde rechten t.o.v. elkaar menen te kunnen doen gelden, bepaalde verplichtingen t.o.v.
anderen erkennen, maar veder geschillen in overvloed kunnen hebben. Broeders zijn mensen,
die elkaar rustig bestrijden, maar zodra een derde zich in het gevecht mengt, eerst
gezamenlijk die derde het hoekje omhelpen. Daarom moeten wij zelfs verder dan de gedachte
"broeders" zijn. Wij moeten komen tot een gedachte van absolute eenheid.
Bij het bezweren kreeg ik drukke spanning in het voorhoofd, die bij meerdere toepassing
langzamerhand verdween en steeds minder werd.
Als U een tijd niet gelopen heeft, moet U maar eens proberen dan te lopen. Dan heeft U aan
alle kanten spiertrekkingen en aan alle kanten last. Wanneer U dus geestelijk werkt, (U werkt
met die bezwering) dan komt U in contact met een geestelijk veel groter potentiaal, dan U
gewend bent. Het gevolg is dus dat U dit in het begin als een spanning, als die bekende band
om het voorhoofd, voelt. Naarmate U meer ingesteld raakt op de geestelijke krachten, zult U
er ook minder van merken. Voorbeeld: U heeft pas leren chaufferen, u rijdt voor het eerst
alleen in het verkeer. Hoeveel moeite kost het u niet. Als U 6 maanden gereden heeft, houdt U
rustig een gesprek, daartussen kunt U toch wel door dat verkeer heenkomen. U heeft zich
aangepast. Dat is een van de dingen, die noodzakelijk zijn. Vandaar ook onze raad - overigens
door enkelen niet opgevolgd - om dus deze bezweringen voor zichzelf te herhalen en trachten
erin te komen.
Je moet eerst gewend zijn, je moet aangepast zijn aan de krachten waarmee U werkt, voordat
de mogelijkheid ontstaat, dat U ze hanteren kunt.
Met die druk op de ogen, met dat zien, zag ik een groen veld met wat gelige strepen en er
over heen een soort bol, die aan het draaien was. Het groene veld werd steeds lichter, de
bol bleef gelijk. De kleur van de bol was zwartgrijs met een groene ondergrond, zeer vaag.
Dat betekent dan ook dat u iets begint te zien. Weest U vooral voorzichtig met die bollen
wanneer U die ziet. Wanneer die een troebele kleur hebben, (diepzwart kan U niet schaden,
nachtblauw ook niet, maar een troebele kleur, of een vlamming van meerdere kleuren, die ook
troebel zijn) moet voor U een aanleiding zijn om het experiment onmiddellijk af te breken.

105
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

Ik probeer meerdere bezweringen naast elkaar te gebruiken om te zien voor welk doel zij
gebruikt kunnen worden. Nu heb ik nergens een volledige formule aangetroffen dan alleen
in de opsomming, niet in de bezwering zelf. Ik heb er een genomen die U de vorige keer
gegeven heeft op harmonie en die geprobeerd te completeren in deze zin, dat wij de
volledige bezwering hebben, maar ook alles wat daar verder bijhoort. Eerst heb ik de
aanroeping gehad met Michaël. Dan is daarbij de aan God de vraag gekomen om dit werk
te willen steunen. Daarna krijgen wij de opbouw van de sfeer. Als dit uitgewerkt is, ,krijg je
daarna weer een danken aan God en aan de krachten, die je geholpen hebben.
Dat is inderdaad de volgorden. Het danken is een kwestie van beleefdheid ook. Ik wil U een
volledige bezweringsformule voorleggen, zo dadelijk zullen wij dat doen.
U heeft er toch bijgezegd dat het drie verschillende punten zijn?
Wij hebben het wel uiteengezet, maar wat we toen hier nog niet hebben gedaan, waar we
eigenlijk ook nog niet aan toe zijn, dat is het feitelijk gebruik van een gehele formule. Wij
moeten eerst leren die dingen een klein beetje te beheersen. Als een kind dat net lopen kan, in
het water gooit en zegt dat het nu maar moet leren zwemmen, is het risico groot. Het moet
eerst heel voorzichtig aan het water wennen, dan aan de lijn, dan achter de hengel aan. Als wij
U zover hebben gekregen dat U achter de hengel aan kunt zwemmen, zijn wij al een eind.
Bij de genezing hebben wij te maken met degenen, die lijdende zijn. Is het bezwaarlijk, dat
het woord “lijden”meerdere malen gebruikt wordt?
Bezwaar ertegen bestaat niet. Het is én voor ons én voor de werking die wij tot stand brengen,
beter wanneer een nauwkeurige omschrijving van het doel wordt gegeven.
Wanneer wij een bepaalde sfeer oproepen, of aanduiden, dan kunnen de invloeden daarvan
…..
Ik wil U in dit geval verwijzen naar de bijeenkomst van de genezingsgroep, waarin U het
opbouwen van de sferen voor de feitelijke incantatie krijgt. De incantatieformule die daarvoor
gebruikt wordt, varieert, omdat zij gebaseerd is op persoonlijke waarden plus het
ogenblikkelijke gemiddelde van de kring. Ook daarin zult U dezelfde elementen die we U
geleerd hebben hierin aantreffen. Daarnaast vindt U ook het manuaal, het gebaar wat erbij
wordt toegevoegd, maar daar zijn we voorlopig niet aan toe. Ik zal erg blij zijn wanneer ik U
zover kan krijgen, dat u zonder aarzeling zo’n formule durft uit te spreken, zonder verder er
iets bij. Wanneer U dan zover komt, dat U de intonatie weet te treffen, die noodzakelijke is,
om door de vibratie de werkzaamheid voor Uzelf en de omgeving te vergroten. Dan zijn wij al
een heel eind gevorderd.
Het lijkt mij gemakkelijke een bepaalde houding daarbij aan te nemen. Staande lijkt het
mij makkelijker.
U moet niet vergeten, wanneer wij een Steravond hebben, dan krijgen we daar een bepaald
ritueel bij. Dan krijgen we daar zekere gebaren bij. Dit alles is bestemd om de menigte te
beïnvloeden. Een goed magiër moet ten allen tijde een goed suggestor zijn. Tenminste
wanneer hij met een grote kring wil werken. Omdat het noodzakelijk is het totale denken zó te
bezien, dat de eigen gedachtegang tijdelijk is uitgeschakeld. Op zo’n ogenblik kun je dan een
geestelijk stempel zetten. Stel nu dat ik U het manuaal erbij leer, gaat U dan in Uw eentje die
gebaren erbij staan maken? Neen. En gaat U dan die gebaren staan maken, terwijl U die
woorden werkelijk probeert uit te spreken met de juiste intonantie? Zelfs bij de laatste
oefeningen ontbreekt het hier en daar wel eens. Men wil die formule nog wel eens denken,
maar die formule hardop uit te spreken, is wel gênant.
We kunnen er ook wel gebaren bij maken?
Zeker, maar dan kunt U dit voorlopig doen met een eenvoudig gebaar, met wat U zelf wilt.
B.v. het gebedsgebaar. Het is wat anders als U het in een kring wilt gaan gebruiken. Vandaag
zal ik trachten U nog een paar punten te leren. Ik heb nog een rondvraag. Dan willen wij niet
spreken over degenen die gespijbeld hebben, ik zou toch graag eens willen weten: heeft U nu
een idee, hoe zo’n bezweringsformule zou moeten zijn?
Ik kan het wel enigszins in woorden leggen. Ik merk dat het nog wat aan de uitspraak
hapert. Dat oefen ik dan met de band, dan kom ik tot een verbetering.
Heeft U het geprobeerd, wat is dan het resultaat?
106
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

Ik kan het wel onder woorden brengen?
Dan wil ik van U eens horen, hoe U het zoudt proberen te zeggen, wanneer het om vrede of
om eendracht gaat.
Gij allen, die mij helpen kunt, wil mij bijstaan. Schepper geef mij de kracht om Uw glorie te
verspreiden, zodat er eendracht moge zijn onder de mensen. Dit vraag ik uit de naam van
hen, die wij allen vereren.
Dat jan wel, Heeft U ook een idee van het ritme, wat U daarbij moet gebruiken?
Ja, meer smekend.
Smeken is natuurlijk wel goed. Dat is wat in het gevoel uitgaat. Wij bouwen met deze formule
niet slechts een gebed, wij willen een werking hebben. Wij krijgen dan dit:
Schepper, U die wij eren. Ik smeek U in de naam van allen, die de vrede behoeven en de
vrede niet kennen: geef Uw kracht, geef Uw vrede.
U merkt misschien ook wel, het werkt, dat dringt door. Dat hoeft U niet zo hard te doen, als ik
dit hier doe. U moet het toch wel proberen te vinden; de smeking maar ook de vrede.
Dat kun je beter alleen doen, dan in gezelschap.
Dat begrijp ik heel goed. U zult ook wel merken, dat wij U niet teveel ermee hebben geplaagd.
De vorige keer heb ik 2 slachtoffers genomen, nu bent U toevallig eens aan de beurt. Dat is,
omdat U op dit terrein een vordering maakt. Heeft U nu al een beter idee gekregen?
Ja, maar ik geloof niet, dat ik voldoende heb gestudeerd op de verschillende bezweringen.
U moet leren dus de gedachte meteen om te zetten in woorden. Ik hoop, dat U het mij niet
euvel duidt het zou toch de moeite waard om dat een keer extra te proberen. Probeer het
fluisterend, zoals U dat wel meer doet: zo voor je heen mompelend. Dat brengt de zaak
zuiverder en helderder voor de geest.
Het gaat makkelijker om het voor jezelf, dan hard te doen.
Neen, dat is niet voldoende. Het gaat hier om magie. Dan kunnen wij in onszelf, alleen door de
gedachte ook ontzettend veel doen, maar dan beïnvloeden wij alleen onszelf. Bij de magie
komt het heel vaak voor, dat je niet alleen met jezelf te maken hebt. Neem b.v. dit vertrek. Er
zijn minstens 35 persoonlijkheden meer aanwezig, dan U wel ziet. Die moeten wij toch ook in
hetzelfde kader brengen, die moeten wij in diezelfde gedachtesfeer brengen, of verdrijven.
Vandaar dat vocaliseren, dat wekken van trillingen, die zelfs een tafel, een stoel, een schilderij,
een lamp mee bedwingen. U heeft misschien wel eens gehoord, dat bij bepaalde
zwartmagische bezweringen het kaarslicht langzaam slinkt en verdwijnt. Dat leest U in elk
spookverhaal. Dat bestaat werkelijk. Niet alleen maar een aardigheidje. Het is ons n.l. mogelijk
om een zodanige vibratie te doen ontstaan, dat oxidatie praktisch onmogelijk wordt. Je zou het
zelfs verder door kunnen zetten, ofschoon het enorm veel kracht zou vragen. Het is niet
doelmatig. Maar om b.v. roest te verwijderen. U zoudt elke oxidatie van metaal kunnen doen
verdwijnen, het beste antiroestmiddel, dat bestaat. Dat doe je met trillingen, die ten dele op
een astraal terrein liggen. Dat kunnen wij als mens niet bewust controleren, wat je astraal
uitbrengt. Maar wij kunnen wel het harmonische van het astraal gebied
in/klank/uit/gaan/drukken en dan hebben wij die beïnvloeding. Daarom is dat vocaliseren in de
magie ook belangrijk.
Ik heb elke avond met mijn meditatie voor de zieken geprobeerd een goede inleiding te
vinden voor de aanroeping. Ik geloof, dat ik een eindje op weg ben, maar mijn declamatie
is abonimabel.
Moet langzaam groeien. U hoeft geen welsprekendheid nodig, maar U moet langzaamaan een
beheersing krijgen van de stem.
Ik heb ook deze oefeningen gedaan, maar mijnerzijds is het wel moeilijk gevallen om het
onder woorden te brengen. Ik zal voortgaan hiermee.
Het is inderdaad het A B C van de magie. Het eerste is ook: meer oefening om zo dadelijk iets
te kunnen bereiken. Als U goed naleest, zult U het wel vinden.

107
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

Ik heb geprobeerd het op te schrijven, maar de volgende avond was het niet naar mijn zin,
het was zelfs niet meer bruikbaar. De ene avond ben je anders ingesteld....
Juist. Dat zal ik straks nog iets over vertellen.
Is het zich in concentratie of gebed tot deze krachten houden niet even krachtig als
vocaliseren?
Neen, tenzij U in het gebed een absolute eenwording met hogere krachten bereikt.
Als je in het denken voelt, dat je eenheid hebt met die krachten?
Voor Uzelf is dat wel van belang, maar niet voor Uw omgeving. Ik kan begrijpen, dat U er
weerzin tegen heeft omdat nu zó te gaan doen, dat men zich afvraagt, of er geen eenvoudiger
weg is. Als U zó sterk bent in Uw geloof en eenheid, dat U kunt handelen met de magische
zekerheid, dan heeft U deze hulpmiddelen niet nodig. Over het algemeen bent U niet in staat
Uw eigen uitstraling zo sterk te veranderen, dat zij de plaats inneemt van trillingen, die wij nu
vocaliserend met alle boventonen en harmonisch, plus gedachtestraling gelijktijdig,
verwekken. Een volleerd wonderdoener kan inderdaad met de gedachte volstaan. Maar iemand
die begint, moet eerst deze harmonie leren scheppen, deze invloed leren brengen. Daarvoor is
het dus wel belangrijk, dat U toch ook vocaliseren leert. Misschien dat U het later terzijde stelt,
zoals eens U de tafels van vermenigvuldiging op hebt gedreund tot verveling toe, maar nu toch
automatisch de uitkomst weet. Zo gaat het met sommigen, die verder komen, ook. Maar denk
niet dat U het zonder dat kunt doen. Vooral in het begin heeft U deze dingen wel degelijk
nodig.
Voor mij is, evenals voor dhr. XXXXX, het geheel moeilijk onder woorden te brengen. Toch
hebben wij met die proeven en wervelingen aardig succes behaald.
Dat komt door Uw magnetische begaafdheid.
Binnen een kwartier al.
Dat kan steeds sneller. Alleen is dat een kwestie van oefening. Toch zou ik voorlopig proberen
om te formuleren, niet alleen in gedachten, je gedachten uit te spreken en niet je afvragen of
het zin heeft, of dat nu wel mooi is. Deze dingen zijn noodzakelijk.
Ik ben er nog niet toe gekomen.
Wij moeten de idee van heersen iets terzijde stellen. De gedachte van onheil eens vergeten en
in een eerlijke poging toch proberen, wat voor U mogelijk is. U heeft vele mogelijkheden. Als U
ze niet gebruikt, dan komt U steeds weer voor die kleine frustraties te staan, die U ook in het
dagelijks leven zo nu en dan tegen komt.
Het verwerven, en een beheersing door een vertrouwen op deze krachten en gebruik van
deze, krachten, lijkt mij voor U toch ook wel doelmatig. Het onder woorden brengen gaat
steeds makkelijker en nu vind ik het ook helemaal niet gek meer.
Wat voor gevoel heet U, wanneer U zo'n bezwering uitspreekt?
Ik vind het prettig, en vooral daarna heb je een zeker gevoel van luiheid in je. Als het over
vrede onrust gaat, dan houd je dit gevoel zeer lang bij je. Een haast onverwoestbare
vrede.
Dat is zeker een feit. Sterker dan op andere methoden, omdat hier onbewust Uw eigen lichaam
mede beïnvloedt.
Ook heb ik het met harmonie geprobeerd, dat heb ik daarna proberen uit te dragen bij drie
mensen. Nrs 1 en 2 - nr. 2 ben ik zeker van, niet van nr. 1, want dat was een hele
vreemde – en de derde, die ik eigenlijk tot een milder oordeel wilde brengen, daar raakte
ik op de duur zelf in de knoei.
Voor een begin zijn de resultaten niet erg dwaas. Integendeel. Het lijkt mij zover wel
bevredigend.
Ik heb het een keer geprobeerd op genezing. Ik merkte al heel gauw, dat het vinden van
de juiste voorden en het dromen van de juiste zinnen, heel wat moeilijkheden met zich
meebrengt. Het einde van dit spreken is een uitstromen van krachten.
Dus toch ook weer een resultaat. Wat is nu Uw moeilijkheid van het vinden van die woorden?

108
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

Eigenlijk ongeoefendheid. Op het ogenblik zat ik even in de knoop met de juiste
formulering van deze bezweringen.
Ik moet zeggen dat ik niet ontevreden ben. Gezien de hiaten in tijd en andere mogelijkheden,
gedachten zo hier en daar, vind ik het gemiddelde een aardig begin. Nu gaat het erom, dat wij
het uitspreken van bezweringen, zoals wij dat voorlopig zullen gaan doen, toch nog eens een
keer doornemen. Dan wil ik U in de eerste plaats een voorbeeld geven van een incantatie,
maar ik zal deze incantatie nu volledig maken. Ik zal om een van onze vrienden hier tegemoet
te komen, daarbij ook een klein gebaar inlassen. Ik hoop, dat U deze formulering niet als de
noodzakelijk enig goede wilt zien. Op het ogenblik, dat wij uit ons hart spreken, dus van
binnen uit, dan komen de woorden er vaak minder op aan, dan de bedoeling, die in die
woorden is gelegen. Nu is het voor mij erg makkelijk om mooie en vloeiende zinnen te maken.
Bij U stokt dat misschien, maar dat geeft niets. Alleen blijf niet stilstaan om na te denken, welk
woord er nu komen moet. Spreek. Kunt U dat volgen?
Voorbeeld van een bezwering, als U eigenlijk niet uit Uw woorden kunt komen, dus hoe het
ook al kan. Op de duur zal het natuurlijk beter moeten gaan. Maar op deze manier kunt U
reeds een werkzame bezwering uitspreken. Dan moeten wij in het begin de punten
aanhouden. 1: aanroep. 2: oproep. 3. bezwering. Dat moet U van buiten kennen. Aanroepen
is. "Hallo, ik heb contact met je". Dan weet je niet precies, wat je zeggen moet, maar je wilt
graag genezen. Alle geesten des goeds, alle geesten en krachten, die genezing willen helpen
brengen, komen helpen.
Genezing: Almachtige God, in Uw Naam en door Uw kracht zou ik willen de genezing brengen
van allen en iedereen, die ik helpen kan, opdat het lijden in deze wereld minder worde, God.
God, geef mij die kracht.
Dan zult U vragen, wat je aan dat gehakkel en gestotter hebt, maar met dat gehakkel en
gestotter heb ik mijn idee uitgedrukt. Het is misschien niet zo indrukwekkend voor anderen,
omdat zij steeds gestoord worden door verkeerd ritme, wat in je geluid komt. Maar wanneer U
dat 20 keer hebt gedaan, dn vindt U de 21ste keer nog makkelijker. Dat wordt een gewoonte.
Dan kunt U op die manier dus verder gaan.
Nu weer een klein voorbeeld van een complete bezwering. Ik wil U hierbij dan niet onthouden
ook het uitzenden dus van de kracht. Dat is iets, wat U zelf voorlopig nog niet zo gemakkelijk
zult doen.
Eenvoudigheidshalve zal ik hierbij dus weer het gebruik van bijzondere namen, aparte
krachten en entiteiten vermijden. Niet alleen omdat U ze nog niet kent, maar ook omdat U van
die krachten nog niet precies weet, wat zij zijn. U zoudt misschien denken: Ja, maar wat is het
nu eigenlijk, wat ik daar aanroep? Dat ik God aanroep in verschillende functies en vormen,
daar kan toch niemand bezwaar tegen hebben? Dat kun je toch nooit zien als iets duisters?
Onzekerheid is er dus niet bij...
Dan, zoals U zegt: staande gaat het makkelijker. Vooral wanneer ik gebaren ga maken. Kan ik
dat niet, dan kan ik dit desnoods liggende doen. Maar wil ik er dus een gebaar bij maken, ga ik
staan. Wanneer ik nu sta, is het helemaal niet gewichtig, dat ik in de houding ga staan. Ik
moet rustig staan. Dan is het eerste, wat je doet in zo’n geval: ontspan het lichaam. Als je aan
houdingen gaat denken, dan gaat het al verkeerd.
Genezing
Almachtige God. In Uwe Naam en in de naam van Uw liefde begin ik dit werk, waaruit gij,
krachten des lichts, gij, die genezing kunt brengen, hoort mijne stem en geef antwoord op
mijn smeken. Komt naderbij en helpt mij te volbrengen. Verdrijft de krachten des kwaads, des
duisters en der ziekten. Komt tot mij, gedragen op de vleugelen des lichts.
Almachtige God, In Uwe Heilige Naam smeek ik U om kracht. Laat Uw kracht en Wezen zich
uitdrukken hier, opdat door mij, of zoals Uwe Wil dit beveelt, genezing in werkelijkheid
gegeven moge worden aan hen, die lijden door disharmonie.
Almachtige God. In Uwe Naam roep ik alle geesten op en alle krachten. In Uw Naam beveel ik
hen: Geef Uw kracht en vermogen. Geef Uw wezen en wil, opdat dit werk volbracht zij.
109
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

Ik beveel U in de Naam van de Almachtige, de Allerhoogste, Hij, Die heeft geschapen hemel en
aarde. Gij allen, geesten van licht, komt tot mij en laat de kracht der genezing, die ik neem uit
het Goddelijke worden uitgeworpen op de wereld.....
Tweede fase:
In de Naam van de Schepper zend ik deze kracht uit tot U, die lijdt. Ik leg U in de geest mijne
hand op, opdat de genezende kracht des Scheppers in U kan werken. Ik geef U deze kracht en
bescherming van de geest des lichts, opdat gij zult genezen en in Uzelf kennen de lichte
kracht, die voor U is, genezing, heelmiddel en bewustwording. Dit werk zij volbracht in de
Naam van Hem, Die alle dingen heeft geschapen.
Derde fase:
Ik dank U, mijn God, voor de krachten, mij gegeven. Ik dank U voor al, wat Gij hebt gegeven
en hebt gedaan. Neem mijn wezen als eerbetoon, zoals mijn leven en daden U zullen dienen
voor dit, wat Gij door mij hebt volbracht.
Vierde fase:
Gij, geesten des lichts, U, die ik geroepen heb in de Naam van de Allerhoogste, U dank ik voor
wat gij hebt volbracht, te samen met mij werkende Zijn wil, Zijn volmaaktheid. In Zijn Naam
zeg ik U: gaat heen in vrede, gaat heen in licht en weet, dat ik U eer en dank voor dit, wat gij
mij in Gods Naam hebt helpen volbrengen. Amen.
Kun je dit hardop doen bij een persoon?
Sommige patiënten zouden er vatbaar voor kunnen zijn. Ik denk dat er heel wat patiënten
zullen zijn, die onmiddellijk een dokter zouden laten komen, met een paar broeders voor U.
Vergeet niet, dat de magie door een heleboel mensen niet wordt begrepen, of aanvaard. Dat
verder de omgeving van een patiënt niet altijd geschikt is voor een dergelijke bezwering.
Om even op het lesje terug te komen: Wij hebben dus vier fasen gehad. De eerste fase
bestaat uit drie afzonderlijke delen, nogmaals te noemen dus: aanroep, oproep en bezwering.
Daarna hebben wij gekregen de bepaling van de kracht. Nu heb ik dit zeer algemeen gedaan.
Bovendien voor sommigen prettig, die hier toch al zijn en een moeilijke patiënt in de buurt
hebben, zij hebben er misschien nog wat van mee gekregen.
Wij hebben die kracht dus bestemd.
De daaropvolgende fase is logischerwijze dank aan God. God is het, die de kracht geeft. God
danken wij. God kunnen wij later ook met een bepaalde naam noemen: Emanuël, Yahwe, of
Adonai, Asgyos, Tetragammaton. Dan zullen wij in de dankbetuiging ook diezelfde naam weer
gebruiken. Dan hebben wij ons tot een bepaald aspect van het Goddelijke gericht en in dit
aspect danken wij ook weer.
Daarna geven wij dus de geesten a.h.w. hun congé, maar dankbaar: zij hebben ons geholpen.
Wij zijn dank aan hen verschuldigd, en wij eren hen, want zij hebben werk des lichts gedaan.
Roep ik geesten op in naamtermen, zoals je b.v. op zou kunnen roepen Karmax en Ismodai.
Niet Asmodai, dat is een hele verkeerde. Ismodai is zijn spiegelbeeld, het tegendeel - dan zal
ik dus ook weer in mijn dankbede diezelfde namen gebruiken. Gebruik ik een naam van een
engel, b.v. Gabriël, Michaël e.d. die ik gevraagd heb deze geesten tot mij te sturen, (wanneer
ik dus de verhouding ken), dan dank ik hem, omdat hij door bemiddeling van - dus in dit geval
Karmax en Ismodai - heeft geholpen en daarmede het werk des Heren heb volbracht, zodat ik
hem eer en hem, die zijn werk mede door mij hebben kunnen volbrengen enz. enz. Dat is een
kwestie van formuleren.
Dat is precies hetzelfde als de directeur U op een gegeven ogenblik twee typistes, of twee
loopjongens, ten dienste stelt, dan dankt U de directeur, dat hij ze U ter beschikking heeft
gesteld, dan dankt U de typisten of loopjongens, voor het werk, wat zij hebben gedaan. Dat is
zuiver volgens de normale burgerlijke beleefdheid. U heeft misschien gemerkt, dat wij hier ook
een andere sfeer hadden. Nu is het vreemde, dat je die sfeer kunt wijzigen, naarmate je dus je
doel stelt en je intonatie gebruikt.

110
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

Denkt U nu eens goed na, wat ik de vorige maal over ritme heb verteld en probeert U eens
voor Uzelf aan te voelen, wat voor een ritme erbij hoort. Onze vriend, de machinist dáár, zegt:
Maar wat ik vandaag heb gezegd, is morgen niet goed meer. Logisch. In zo'n bezwering
gebruiken wij een vast staketsel, om daarbinnen het gebouw van ons ogenblikkelijk voelen en
denken te maken tot een magisch wapen en een magische klacht. De formulering zal dus van
dag tot dag verschillen. Tot op het ogenblik, dat wij komen tot de zuiver rituele magie, zullen
wij deze kunnen variëren naar eigen inzicht, mits wij zorgen, dat er vooral het gevoel in blijft.
Dat gevoel moet in je zijn, een begeerte haast, een hartstocht. Als je wilt genezen, moet dat
niet alleen zo maar zijn: "Ik vind het wel leuk om te genezen, dat moet van binnen uit komen,
het moet je overrompelen.
Dan ga je vanzelf dit gevoel in woorden omzetten, zoals een redenaar dat ook in het vuur van
zijn betoog, onwillekeurig doet, misschien vaak zelfs ietwat theatraal. Dan leert U ook,
wanneer U een doel heeft, wat dringend is, wat een zekere strijd inhoudt, dat je automatische
dat strijdvaardige erin gaat leggen. Dan gooi je die lettergrepen eruit. Aan de andere kant,
wanneer ik rust nodig heb, of harmonie, dan is het logisch, dat het mij haast moeite kost om
de woorden uit te spreken. Want dan willen wij de harmonie opbouwen. Dan doe je iets, wat
een dominee onbewust doet, een pastoor, of een redenaar, maar je doet het van uit jezelf,
vanuit je gevoel. Wanneer je nu weet, wat die werking is, dan kun je dat nog veel beter. Maar
je mag nooit zo'n effect alleen maar gebruiken, zoals ik dit nu doe op het ogenblik. Onthoudt
dat goed. Ik geef hier les, dus ik geef voorbeelden. Ofschoon ik ongetwijfeld al die goede
dingen wens voor U allen, is voor mij op het ogenblik de eerste behoefte, bij U een begrip
wekken van hetgeen ik doe, U duidelijk te maken, hoe het gedaan kan worden
Dus niet de woordkeuze of het ritme op zichzelf. Ik simuleer dus hier wat U werkelijk kunt
doen. Daardoor zal U emotionele waarden het voor U veel makkelijker maken om een juist
ritme te vinden dan voor mij. Ik weet het, ik heb dat geleerd. U niet, maar U heeft de drijfveer
van binnen uit, de aanpassing, aan milieu, aan sfeer, aan omgeving haast automatisch doet
plaats vinden. Wat de andere proefnemingen betreft, gezien de resultaten, kunt U die
voortzetten, zoals de vorige keer omschreven. Dan wordt het nu tijd, dat, wij iets meer gaan
leren over die wereld, waar nu al mee gaan werken. Nu gaan wij even de tijd, die wij besteed
hebben, inhalen.

DE WERELDEN VAN TRILLINGEN EN HARMONIE
Alle werelden hebben een eigen hoofdtrilling. Deze hoofdtrilling kan worden gezegd te zijn een
gezamenlijk denken, dat dus een bepaalde sfeer of wereld dus in zijn gemiddelde bepaalt. Alle
daarin aanwezige entiteiten zijn varianten op deze hoofdtoon, maar zij zullen er nooit absoluut
van verschillen. Wanneer de hoofdtoon wordt aangeslagen, klinkt deze toon dus mee in allen.
Dit onthoudende kunnen wij door een toon te vinden, die afgestemd is op een bepaald gebied,
altijd in dit gebied een reactie verwekken, bij allen. Naarmate wij verder specialiseren tussen;
bepaalde manipulaties uitvoeren met die trilling in een zeker richting met een bepaald doel,
zullen wij een bepaald deel van de wereld, die wij bezweren, nog in het bijzonder sterk
beïnvloeden en daardoor bij dezen een gedachte doen rijzen, een bewustzijn doen ontstaan,
dat geneigd is ons eigen doel te vervullen.
Vanuit deze simpele waarheid kunnen wij dan een reeks van leringen en conclusies trekken:
Alle werelden die bestaan zijn werelden, die in hoofdzaak in gedachten bestaan. Alle realiteit is
onderdanig aan de gedachte, waar de gedachte het bewustzijn bepaalt, dat omtrent die wereld
bestaat en dus elke werking, die in het bewustzijn en het denken in die wereld kan plaats
vinden.
Ons afstemmende op de gedachte kunnen wij dus elke z.g. realiteit verloochenen, of tijdelijk
verwerpen, daarvoor in de plaats stellen wij de volledige gedachtewereld en via deze
gedachten alleen, benaderen wij.
Elke handeling, die wij aan onze eigen stoffelijke, of geestelijke wereld stellen, moet slechts
zijn een weergave van deze subjectieve ervaring van de wereld, plus ons eigen doel. Het
uitsluiten van de objectiviteit hierbij brengt met zich mee, dat een volledige uiting van onze

111
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

persoonlijkheid t.o.v. de wereld mogelijk is geworden. Hoe sterker deze uiting plaats vindt,
hoe groter de invloed over anderen. Wij moeten wel altijd één ding hierbij opmerken: Zoals
elke toon, die aangeslagen wordt, zowel in de hogere octaven als in de lagere octaven een
neventoon kan wekken, een sympathiserende toon a.h.w. zal elke gedachtegang, die wij
uitspreken op deze subjectieve wijze, in hogere en lagere werelden meeklinken.
Door het doel te bepalen op een zodanige wijze dat het vooral voor de hogere wereld,
aantrekkelijk is, strijdt tegen ons streven in de lagere wereld en tracht binnen deze lagere
wereld een werking tegen ons streven als geheel tot stand te brengen. Dit kunnen wij altijd
uitsluiten door ons te beroepen op het licht. Het licht is een reeks van samengestelde
trillingen, die tot een absolute harmonische eenheid zijn verbonden. Ik wil hierbij herinneren
aan het feit, dat een lichtstraal, die door een prisma valt, uiteen valt in vele kleuren. Elke kleur
is een wereld, elke tussenkleur is een wereld. Elke gedachtesfeer kan worden bepaald. Al deze
gedachtesferen tezamen echter liggen in het Goddelijke, waar het Goddelijke licht optreedt. Bij
de invloed van het Goddelijk licht altijd het duistere onderdrukt, de duistere tonen vallen
eerder weg wanneer het licht opkomt, dan de lichtere. De lichtere worden zuiver wit i.p.v.
gedeeltelijk getint. Zodat de Goddelijke kracht als betrokken in ons denken, als enige
objectieve werkelijkheid buiten onze subjectieve beleving vastgesteld, voor ons betekent een
voortdurend sterk ingrijpen van de Goddelijke krachten en onderdrukking van elke duistere
harmonie, die wij evt. gewekt zouden hebben. De werelden, zoals U bekend, aan elkaar
liggende, parallel, aan elkaar verwant zijnde, kennen elk hun eigen wetten. Deze wetten zijn
bepaald door de grootharmonische gedachte, die bestaat in elke wereld afzonderlijk. Er is een
gemeenschappelijk doel en een gemeenschappelijk streven. In Uw eigen wereld b.v. is dat
zelfbehoud. In andere werelden daarentegen is het beleving, oftewel opgaan in het hogere
etc.. Deze grote gedachte, die voortdurend de kern is, kan vaak met elkaar vereend worden.
Het is mogelijk, wanneer wij één gedachte nemen, die twee of drie factoren in zich draagt,
hierdoor die of vier, soms een oneindig aantal werelden, gelijktijdig te bereiken. De combinatie
van deze factoren maakt het n.l. mogelijk, dat de enkele trillingen, die wij vereenden in onze
gedachten, alle werelden beroeren, doordat zij een groter gebied als een soort akkoord gelijk
tijdig aanslaan.
Voorbeeld: Wanneer U één toon aanslaat, dan zal in het klavier misschien een achttal tonen
kunnen meetrillen, wanneer U een akkoord aanslaat, trilt de hele piano mee, dus elke snaar.
Zij allen zijn zich dus van het akkoord bewust. Op deze manier bouwen wij onze gedachten in
het magisch streven over het algemeen op, bij het stellen van een bezwering niet uit een
enkelzijdige gedachte, maar uit een veelzijdige gedachte. Wij trachten b.v. - wanneer het gaat
om genezing - niet alleen erbij te brengen de genezing van een enkel geval, maar bovendien
het lijden van de wereld als zodanig. Daarbij nemen wij bovendien het geestelijk lijden, de
onvrede, die in de mens bestaat, de behoefte aan harmonie en vrede voor anderen.
Wij namen er zelfs bij de behoefte naar rust, die voor velen bestaat. Door deze veelheid van
gedachten, die alleen gegroepeerd worden om dezelfde hoofdgedachte "genezing", zijn wij in
staat een zeer groot aantal verschillende werelden te bewegen hun krachten aan ons te lenen,
en bewust door ons denken geworden van het probleem, zoals dat in onze wereld bestaat,
zullen zij zover mogelijk, hun eigen krachten en gedachten te doen werken op onze wereld.
Nu komt er een stukje, waar U wel over zult moeten studeren, maar dat is niet erg: Elke
realiteit kan uiteen vallen in zeven waarden. De waarde van de realiteit is allereerst:
1. Persoonlijk concept:
2. Persoonlijke beleving, verschillend van het concept:
3. Omgevingsconcept: d.w.z. het beeld, dat de omgeving aan ons opdringt:
4. Het totaal gedachteconcept:
5. Het totale geestelijk concept is uitgedrukt in die wereld:
6. Het totaal Goddelijk concept als zijnde deel van een grote harmonie:

112
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

7. Het eenheidsconcept, of kosmisch concept, dat staande boven het Goddelijk concept,
de enige band van eenheid van die werkelijkheid, of wereld, bepaalt met alle
omliggende werelden.
Wij kunnen geen rekening houden met deze verschillende werkelijkheden. Wij kunnen in onze
gedachten nooit meerdere werkelijkheden volledig beleven. In elke magische werking, in elke
magische bezwering, ja, zelfs in elk gebed, in elke gedachte, die verder gaat dan het eigen ik,
is het noodzakelijk, dat althans één van deze concepten volledig tot uiting komt, wanneer dier
concepten geheel wordt uitgedrukt, zullen alle andere concepten mede beroerd zijn en zich
aanpassen aan het eerste concept.
U heeft een persoonlijke gedachte. Daarbij stelt U zich een wereld voor, waarbij negers blank
zijn. Een heel dwaas ding. Wanneer U echter de intensiteit van het geloof hebt, dan wordt voor
Uw ogen de neger blank. Maar, sterk genoeg werkende, zult U op de duur ook Uw gedachten
en Uw zien maken tot blank, de neger blijft ook daar blank. De daardoor ontstane werking
spreidt zich uit over de omgeving, die de neger niet meer als zwart, (niet als blank, maar als
niet meer zwart), ziet. Daardoor valt een scheiding weg en het komt het concept "mens" in die
neger sterker naar voren, waardoor de eenheidsgedachte weer sterker wordt en opgewekt en
als zodanig de verhouding tot het Goddelijke in volkomen gelijkheid makkelijker aanvaardbaar
wordt. Daaruit volgt dus een gezamenlijke erkennen van één God en één Godsbeeld, het
verschil van de blanke God en de zwarte. God valt weg. Denkt U aan de Jezusvoorstelling,
zoals een neger die maakt en zoals een blanke die maakt b.v.. Dan houden wij alleen over het
eenheids- of kosmisch concept, dat vanuit ons zeer subjectief persoonlijk standpunt beroerd
wordt en voor ons een automatische correctie betekent van datgene, wat in ons subjectief
beeld strijdt met het kosmische. Ik heb U in feite gezegd, dat een leugen, die ver genoeg
wordt doorgevoerd, doordat zij zich op de duur volledig als waarheid gevoelt, in contact komt
met de waarheid en door de waarheid zozeer wordt gecorrigeerd, dat zij geen leugen meer is,
maar slechts een bepaald aspect van de waarheid.
Dan gaan wij nog even verder met die harmonie- en trillingsleer. Voor elk uur van de dag
bestaat een aparte trilling. Deze trillingen zijn over het algemeen zeven in getal. Wij spreken
dan ook over de 12 hoofdtrillingen, die in het jaar optreden. Daarnaast kennen wij natuurlijk
de dagen, maar dit zijn secundaire trillingen.
De trilling van het uur is zeer belangrijk. U zult ontdekken dat wanneer U een incantatie
uitspreekt, niet op elk de incantatie gelijk kán worden uitgesproken. U zult Uw onvermogen
ontdekken tot het vormen van bepaalde tonen. U zult zelfs ontdekken, dat bepaalde
gedachtebeelden niet volkomen gelijk kunnen worden uitgedrukt: dat zij een andere
omschrijving vergen.
Dit is in een zoeken naar harmonie dus met de omgeving zeer duidelijk de beïnvloeding van
het uur, de Meester van het Uur. Wat die Meesters van het Uur zijn? Stelt U ze mijnentwege
voor als engelen, of als maar kosmische of magnetische factoren, dat blijft mij volkomen
gelijk.
Een z.g. Heerser van de Dag is een astrologische invloed en valt ongeveer gelijk met een
planeet. Als zodanig is de Heerser van de Dag in feite niets anders dan een zoeken van een
echo op een zeer bepaalde wand in de verte. Wij wekken door ons daarbij aan te passen, dus
het element van strijdlust, of aanvaarding enz. enz. zoals behouden in de planeten en
bovendien nog in onze incantatie.
Zullen wij echter een incantatie moeten richten, die buiten deze wereld ligt - ook in haar doel,
b.v. voor de innerlijke vrede van de mens, de aanvaarding van de mens, die in deze
buitenstoffelijke wereld liggen -, dan zullen wij nooit gebruik kunnen maken van dit secundaire
aspect van de Heerser van de Dag.
De heerser van het jaar, de Heerser van de Eeuw, vallen geheel buiten ons vermogen tot
beroering, of vaststelling. Zij zijn in ons vertegenwoordigd en zij komen in onze trilling mede
tot uiting.

113
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

Alle trillingen, die bestaan, hebben een eigen werking en eigen wezen. Zij zijn echter makkelijk
variabel. Een trilling kan door een kleine afremming zijn, eigen frequentie veranderen, zijn
eigen werking en zijn eigen inhoud. Wanneer rond ons zeer vele gedachten zijn van andere
mensen, van andere geesten, en wij kunnen dezen enigszins in harmonie brengen met ons
eigen streven, dan hebben wij hierdoor een kracht verkregen, die veel groter is dan datgene,
wat wij zelf ooit tot stand konden brengen. Wanneer wij spreken over trilling, dan zijn er twee
dingen om die trilling tot stand te brengen. In de eerste plaats: een medium, waarin de trilling
plaats kan vinden: in de tweede plaats een kracht, waardoor de trilling tot stand kan worden
gebracht. Het medium, waarin de trilling plaats vindt, zal voor ons altijd moeten zijn het
geestelijk terrein, het stoffelijk terrein evt. zelfs, waar binnen onze werking, onze magische
werking zich moet afspelen. Deze middenstof moet beïnvloed worden, opdat zij zoveel
mogelijk harmonisch is met ons eigen streven en dus ook dus zo gevoelig mogelijk voor elke
trilling, die wij daarin willen opwekken.
De kracht zelf echter kunnen wij niet verkrijgen van geesten of stoffelijke waarden, van
planeetgeesten, of Heersers van de Dag, of van het Uur. Wij kunnen ze alleen verkrijgen uit
het Groot-Goddelijke. In dit Groot-Goddelijke ligt het dan als volgt:
God in Zichzelf is in alle dingen aanwezig. God is dus een Kern temidden van alle trilling. Hij is
voor ons meestal een potentie, die door Zichzelf geactiveerd wordt. Deze Goddelijke potentie
kan geactiveerd worden, wanneer wij in een volledig geloven en aanvaarden van dit
Goddelijke, ons zelf vereenzelvigen met dit Goddelijke. In de verschillende
bezweringsvoorbeelden, die gegeven zijn, zult U steeds weer ontdekken, dat er een ogenblik
komt, dat de persoon zelf in de plaats van, of sprekende namens God, of een zeer hoge
kracht, zijn bevelen uitdeelt aan anderen.
Hierbij is een vereenzelvigingsproces het belangrijke punt. Door zich één te gevoelen met
Yahwe, Jehovah, met God, met de Allerhoogste, al is het maar voor één kort ogenblik, wordt
onmiddellijk alle Goddelijke kracht in de omgeving beroerd en zal deze kracht zich omzetten in
beweging. Hierdoor ontstaat een macht. Wanneer deze macht misbruikt wordt is het een
perversie van het Goddelijke, waardoor de trilling zelf zeer snel uitsterft en bovendien wij zelf
de gevolgen van deze afremming zeer sterk zullen ondergaan.
Daar wij echter geen zwarte magie nastreven, maar witte magie, zullen wij kunnen onthouden,
dat elke trilling, die in overeenstemming is met het Goddelijke, door ons uit het Goddelijk
wordt georigineerd, een macht is, die slechts mag en kan worden geregeerd door de volledige
wil van het Goddelijke, waar wij onszelf volledig aan onderwerpen. In deze onderwerping aan
het Goddelijke zou de kracht, die wij uitsturen, praktisch oneindig kunnen zijn.
Zo, dat is genoeg. Ja. U moet toch ook wat te doen hebben, anders laat U de zaak liggen, als
wij het ál te duidelijk doen. Dan heb ik nog een klein stukje over ritueel voor U. Wij moeten
één ding onthouden. Wat de wetten van zwaartekracht zijn enz. hier op aarde, zijn de wetten
van gewoonte voor de meeste geesten. U kunt dit nagaan, wanneer U een ogenblik in de
psychologie duikt en ontdekt, hoe gewoonten op de duur het gehele wezen gaan beheersen en
een automatische reactie veroorzaken, dus voor het lichaam een wetmatigheid worden. Hoe
deze onderbreking van de gewoonten door het lichaam met een enorm verzet wordt begroot
en in sommige gevallen alleen het wegvallen van een gewoontegang aansprakelijk kan zijn
voor het wegvallen van vitaliteit en al wat erbij hoort. De dokter kan U er meer over vertellen
dan ik, zeker de psychiater.
Wij weten dit. In de gedachte is de gewoonte, de denkgewoonte, het meest belangrijke. Wij
weten ook, dat elke individu een aanpassing zoekt bij een omgeving, men kan niet alleen zijn.
Men zal zich nooit tegen een omgeving verzetten, maar trachten een deel ervan te assimileren
en zo, door aanvaarding, langzaam maar zeker die omgeving te beheersen. Dat is ook
psychologie. Dit bestaat voor alle krachten, die mens gelijk zijn geweest, of zijn, in sterke
mate. Datgene, wat U het meest omringt, het dichtst bij U staat in de geest, is het astraal
gebied, waarop de menselijke gedachte een zeer grote invloed hooft, en dus ook de
gewoonten bepalen voor vele vormen, bij vele handelwijzen en impulsen.

114
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

Daarnaast heeft U te maken met verschillende trappen van Zomerland en de daar vlak boven
gelegen sferen, die wederom - zij het vereenvoudigd - toch nog vasthouden aan gewoonten
van vorm, van denken, van beleven, van uitwisseling van gedachten en begrenzing van het ik.
Het zal U dus duidelijk zijn, dat de gewoonte voor een groot gedeelte van de geestelijke
entiteiten gelijk komt aan een wet. Door ons te beroepen op die gewoonten, op die wet,
kunnen wij dus dit milieu ons doen aanvaarden als gelijkwaardig. Men heeft indertijd gezegd:
"Als je in Rome bent, doe dan als de Romeinen". Ik zou het anders willen zeggen: Wanneer je
van een bepaalde geestelijke kracht iets verlangt, handel dan in overeenstemming met de
gewoonten en gebruiken, de z.g. werkelijkheid van die geesten. Anders krijg je geen gehoor.
Alle ritueel van de magie is, naast zijn suggestieve werkingen op de mens, afgesteld op een
aanpassing van de gewoonten van die geesten, of bepaalde sferen. Op zichzelf is het plaatsen
van enkele voorwerpen in een cirkel natuurlijk onbelangrijk. Maar wanneer de juiste plaatsing
daarvan b.v. een mathematisch figuur doet zien, een vierhoek, een zeshoek, een vijf- of
zespuntige ster, dan zal de wijze, waarop die voorwerpen aanwezig zijn, een structuur
betekenen, die ook in de gedachtewereld van de geest belang heeft. In vele gevallen voor haar
een soort rooster van werkzaamheden en mogelijkheden. Wat hier alleen een symbool is, is
voor de geest een tastbare werkelijkheid geworden.
Het geestenzwaard, of de geestendolk, die U hanteert, geeft U de vorm van een zwaard of een
dolk terwille van de suggestieve waarde het idee, dat U een wapen heeft. Elke willekeurige
stok, elk willekeurig voorwerp zou blijken even goed te zijn, mits - dit is belangrijk - voorzien
van de krachten, de symbolen en gedachteassociaties, die voor de geestenwereld weer een
wapen, althans voor hen een negatieve, of gevaarlijke kracht kan betekenen. Op deze manier
wordt het schijnbaar kolderachtige van de magie langzaam maar zeker een vreemde taal, die
je misschien niet begrijpt. De taal der bezweringen, waar wij nu mee bezig zijn, is een soort
van Esperanto in de geestenwereld, of andere wereldtaal, of mijnentwege zelfs Engels, wat ook
een wereldtaal is. Deze taal maakt het dus mogelijk om vele individuen in vele sferen te
bereiken. Zij maakt het ons niet mogelijk om alle individuen in alle sferen volledig te winnen
voor ons streven, althans ons doel volledig duidelijk te maken. Zolang wij tot de menigte
spreken, dus in het algemeen werken, kunnen wij ons bepalen tot de eenvoudige oproep, met
aanroep en bezwering evt.. Wenden wij ons tot de gehele kosmos zonder meer en zonder
daarbij gedefinieerd deel in een bepaalde wereld, dan kunnen wij volstaan met het gebed.
Maar willen wij spreken tot een bepaalde sfeer, dan zullen wij a.h.w. die taal van die sfeer
moeten beheersen.
Dat houdt in, dat de ritmen, maar ook de woorden, die wij gebruiken, de naamsaanduidingen,
die wij gebruiken, de voorwerpen, die wij gebruiken, op die sfeer afgesteld moeten zijn. Gaat
het echter om een enkel individu, dan draait het hier in de kern van de naam. Het kennen van
die naam is gelijk aan een persoonsomschrijving. Het vormt in ons een associatie met de
persoonlijkheid, die door de ander - onverschillig zijn wereld of sfeer - kenbaar is geworden.
Hij ziet ons a.h.w. zichzelf tegenover staan en wordt door dit beeld mee gezogen als door een
stormwind tot in onze wereld. Wij moeten ook onszelf kunnen beveiligen door magische
cirkels. Elke grens, die wij ons denken, is voldoende. Wanneer wij denken, dat wij door God
beschermd worden tegen alle kwaad, kan niets ons iets doen, tenzij wij zelf kwaad doen. Wij
zijn alleen aantastbaar door hetgeen wij zelf doen. Wanneer wij echter werken met een
bepaalde wereld, of een bepaalde sfeer, dan is het vaak heel goed symbolen te gebruiken, die
voor dezen gevaarlijk zijn. In het magisch ritueel zullen wij daarom wierook gebruiken, of
geurstof, om aan te trekken, maar ook om te bedwingen. Wij zullen bepaalde plantaardige
reeks stoffen gebruiken, die elk ook hun eigen betekenis hebben.
Om een paar te noemen, die U waarschijnlijk niet vermoed had bij de magie, de oliën uit de
schil van een citrusvrucht, van een sinasappel, een mandarijn, een grapefruit, een citroen uit
de schil. Verder weegbree, maar dan verbrijzeld. Het melksap van de paardebloem, maar dan
ná de bloeiperiode: dus in de periode, dat je die ballonnetjes krijgt. Zo zijn er duizend andere
eenvoudige plantensappen, die elk een bepaald aroma, of een bepaalde geur hebben, die
gebruikt kunnen worden (hier in Nederland gewoon dus), om daarmee in contact te komen
met bepaalde werelden. De kennis hiervan vraagt een langdurige studie. Wij zullen het U ook
niet onderwijzen, maar U moet begrijpen, dat die dingen bestaan. Nu kan het wel eens

115
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

voorkomen, dat wij iemand die aangetast is door werkingen van een sfeer en daardoor
abnormaal is geworden, iemand, wiens ziekte ten dele met werkingen uit andere sferen
tezamen hangt, de opdracht geven om b.v. het voorhoofd, of de handen, of het achterhoofd
eens in te wrijven met......... dan komt er zo'n eenvoudig plantaardig middeltje. Dan denkt een
mens op aarde. Je bent gek.... Neen, dat is helemaal niet zo dwaas. Want met diezelfde
stoffen kunnen wij ook magische ringen en grenzen maken, die die geesten absoluut
verdrijven. In het volksgeloof zijn er nog wel een paar dingen van blijven hangen. Denkt U b.v.
maar aan de knoflook tegen de weerwolven. Nu is de knoflookgeur zelfs in staat een mens af
te schrikken, dus is daar waarschijnlijk wel een zekere associatie mee aanwezig. Maar
bepaalde plantaardige stoffen, die schijnbaar geen enkele werking hebben - schijnbaar, zoals
ik zeg - kunnen toch geestelijk bepaalde reacties tot stand brengen. Soms gaat het hierbij om
de geurstoffen, soms zelfs om die eigenaardige zouten, die zich in een bepaalde samenstelling
in een plantaardig weefsel bevinden: ofschoon zij schijnbaar geen enkele werking hebben dus,
hebben zij toch ook hun belang.
Zo is er ook een groot verschil tussen stromend en stilstaand water. U zult dat denken, dat het
ligt in de beweging van het water. Dat is niet waar. Water, wat gebruikt wordt voor een
bezwering, moet zuurstofhoudend zijn. Wanneer u dus niet beschikt over snelstromend beek
water, of zoiets, is het voldoende, dat U dat stevig laat bruisen. Schijnbaar onzin, nietwaar?
Wat zou dit nu voor verschil maken? Het maakt verschil, omdat de eigen uitstraling van dat
water enigszins varieert. Die uitstraling, plus evt. verdampingsproducten daaruit vrijkomende,
zijn dan belangrijk.
Hoe meer men de magie in een zuiver ritueel keurslijf tracht te dwingen, hoe minder kans er
is, dat men met die magie makkelijk en zuiver werkt. Wanneer wij een ritueel aanhouden, wat
vast en onveranderlijk is, dan moet ook de magie aan een vaste en onveranderlijke norm
beantwoorden. In feite is het echter bij de rituele magie nodig, dat het wezen van de magiër
voortdurend zijn uitrusting, zijn rituele mogelijkheden dus, compenseert, maar omgekeerd de
fouten, of gebreken van de magiër gecompenseerd worden door de extra gebruikte lampen,
plantsappen, metalen en andere voorwerpen. Misschien is dit alles voor U nog duidelijker,
wanneer ik U vertel, dat alles, wat op aarde bestaat, een uitstraling heeft. Er is niets, geen
hout, geen ijzer, geen koper, geen brons, geen talk, geen wierook, geen goud, dat niet een
eigen uitstraling heeft. Die uitstraling, die voor U praktisch onzichtbaar is, zal voor sommige
sferen, zeer kenbaar zijn en soms zelfs pijnlijk, zoals voor U een te scherpe infraroodstraling
erg onaangenaam is. Zo kan de uitstraling van bepaalde metalen voor bepaalde geestelijke
gebieden - eigenaardig genoeg voor sommige bepaalde astrale gebieden - gelijk komen aan
een verterend vuur, een vlam, en wordt dus gemeden. Als u dit realiseert, dan zult U
misschien die magie niet meer zo bekijken met een wantrouwend oog, zoiets van: Nu ja, is al
die komedie wel nodig? Wij willen U niet tot een totaal kennen van de rituele magie opleiden,
dat is helemaal niet nodig, maar U moet begrip voor deze dingen hebben, U moet zich een
beeld kunnen vormen met die verhoudingen, wilt U in staat zijn datgene, wat wij U trachten te
leren en wat direct bruikbaar is, ook inderdaad te ontwikkelen, totdat het voor U niet alleen
bruikbaar, maar ook nuttig en vruchtbaar is. Hierbij zullen wij het dan laten.
Het bruisen van dat stilstaande water, is dat door het flink op te koken?
Het gaat hier om de zuurstof. Denkt U niet, dat U in magische procedures stromend water kunt
vervangen door mineraalwater, omdat dat ook bruist. Dat heeft vaak een heel andere werking,
een heel andere radiatie ook, het luistert allemaal tamelijk precies. Voor magnetiseren
onthoudt U dus maar: zo mogelijk fris water, zo weinig mogelijk van chloor e.d. voorzien.
Zoveel mogelijk zuurstof behoudt een groot gedeelte van geestelijke krachten, het is in staat
om vele onaangename geestelijke uitstralingen af te voeren. Ook wanneer U zelf last heeft van
contacten van het aura, geestelijke contacten e.d., zal vaak het eenvoudig met zeker niet
warm - bij voorkeur zelfs koud, maar stromend en zuurstofrijk water Uzelf dus afspoelen
voldoende zijn.
Wij kunnen zelf met bepaalde stromingen enz. het best in harmonie komen. Er is een
persoonlijke stroming, waar wij beter mee kunnen werken.
Dat is logisch.

116
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

Alleen is het moeilijk om te weten welke stroming het is, deze persoonlijke stroming.
Het is beter, dat U dat niet weet, want als u werkelijk in de magie behoorlijk wilt werken, dan
moogt U zeker niet eenzijdig worden, dan zou U op een enkel gebied werken. Zouden wij U nu
vertellen, wat voor U het makkelijkst terrein, dan gaat dat zo goed, dat u de rest wel gelooft.
Dat moet U ons niet kwalijk nemen. De cursussen allemaal bij elkaar, die vullen soms heel
aardig en omdat U hier hoort. Het omgekeerde is niet het geval. Daarom is dit ook - laten wij
zeggen - onze topklasse. Ik wil niet zeggen onze hoogste klasse. Wel de topklasse op het
ogenblik op deze wereld en in Nederland.
Vrienden, dan wens ik U nu een aangename pauze toe. Tot een volgende keer.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
U kunt voor het tweede gedeelte van deze avond zelf een onderwerpje stellen.
Congruentie tussen het menselijk en het Goddelijk patroon.
Concurrentie tussen..
Congruentie.
O juist. Nu begin ik te begrijpen. Eerst verstond ik conferentie. Dat doet mij zo denken aan
staatslieden: dan deugt het meestal niet. Een concurrentie tussen het menselijk en Goddelijk
patroon kan ik mij ook wel voorstellen, omdat menig mens probeert een God te zijn en als
zodanig van menselijke zijde van concurrentie sprake is. Maar een congruentie wordt een
andere kwestie.

CONGRUENTIE TUSSEN HET MENSELIJK ELN GODDELIJK PATROON
Wanneer zij zeggen: menselijk patroon, dan zullen wij dat in eerste plaats maar eventjes
moeten definiëren, dat is erg makkelijk. Onder menselijk patroon zullen wij verstaan: het
zichzelf kennen en beschouwen in de wereld, het bezitten van een bewustzijn en het streven
naar bewustwording - bewust of onbewust -. Voor het Goddelijk patroon zullen wij dan zeggen,
het totaal geschapene, zoals in de eerste gedachte ontstaan. Dan is de zaak verder heel
eenvoudig en lang niet zo lang, als U misschien zoudt denken. Op het ogenblik, dat God
schept, is er een Goddelijk beeld, een Goddelijke gedachte. Maar God is Zelf de kracht, waaruit
geschapen wordt. Als zodanig is die gedachte in elk deel van de Schepping volledig ingelegd.
Het patroon van al het geschapene, niet alleen van de mens, is in feite congruent met een deel
van de Goddelijke, scheppende gedachte. Gelijktijdig is in elk wezen, in elk punt, de
mogelijkheid om een totale congruentie met het geheel van de Goddelijke scheppingsgedachte
te bereiken. Dit zal niet in uiting, maar wel in bewustzijn, of in besef bereikt kunnen worden.
Dan volgt hieruit, dat de mens, strevende naar bewustzijn, in zoverre congruent kan zijn met
het Goddelijk patroon, als zijn eigen innerlijk weten, plus zijn aanvaarden, het hem mogelijk
maken de totale eenheid van de kosmos en zijn gehele bestel innerlijk te aanvaarden. Dan
hebben wij daarin de hele congruentie gedefinieerd. Wanneer je God ontmoet in de kosmos, er
een zekere congruentie. Wie zich bewust wordt van God in de kosmos, ontmoet zichzelf. Hij
leert in zichzelf God kennen. Maar dit volgt ook volledig uit hetgeen ik hier gezegd heb.
U moet één ding goed begrijpen. De voorstelling, die wij omtrent onszelf en van onszelf
hebben, het beeld wat wij van onszelf in ons dragen, is niet de werkelijkheid. De werkelijkheid
van ons beeld noemen wij God, namelijk het totaal van de gunstige waarden van ons
bewustzijn in volledige harmonie samengesteld. Elke mens projecteert dus vanuit zichzelf een
God, die in overeenstemming zou kunnen zijn met zijn wezen, wanneer hij volledig elke fase
van bewustzijn in de daad om zou kunnen zetten. Maar hij doet dat niet. Hij gaat steeds
verder met zijn bewustwording en is over het algemeen qua bewustzijn drie á vier trappen
voorbij zijn uiting. Het resultaat is, dat hij daardoor steeds zichzelf, zijn hoogste bewustzijn,
projecteert als God en steeds zichzelf tegenover die God als onvolmaakt en onvolledig zal
bevinden.

117
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

Toch komt er een ogenblik, dat zijn bewustzijn niet verder meer kan. Het totaal van het
kosmisch bestaan is in die mens ontwaakt. Dit is een kwestie van een Goddelijk weten. Het
kan dus niet alleen uit een stoffelijke studie origineren en moet verkregen worden, doordat
men steeds meer de eenheid met God in zichzelf gevoelt en daardoor het Goddelijk weten
omtrent die eenheid als een stimulans, als een basis vindt, voor zijn eigen uitgedrukte
bewustwording, dus zijn weten en zijn leren. Heb je het hoogste punt bereikt, dan kun je niet
meer verder.
Dan zal dus elk verder streven de mens steeds dichter brengen bij de werkelijkheid. De
werkelijkheid van zijn eigen persoonlijkheid, maar ook van God, zover als die van de
openbaring voor hem vatbaar en begrijpbaar is. Daarbij laat hij zo langzamerhand alle dingen
achter zich. Want wat hij in zich draagt, is het meest belangrijke. Wat buiten hem bestaat,
verliest aan belang, omdat U slechts een reactie betekent op hetgeen in hem bestaat, en de
relatie tussen het buiten het ik erkende en het in het ik bestaande nu onverweigerlijk
vaststaat.
Dan weten wij zeker in die fase, dat al hetgeen wij buiten ons kunnen zien en erkennen slechts
datgene is, wat in ons bestaat. Dat elke handeling, die nu door ons verwacht werd, elke
gebeurtenis, die buiten ons ligt en niet verwacht werd, in feite alleen maar wijst op een
onvoldoende combineren van de waarden die in ons bestaan. De consequentie hiervan is, dat
op het ogenblik, dat ons streven verder gaat, maar het bewustzijn geen verdere uitbreiding
meer ondergaan kan, wij in eenzaamheid komen te staan t.o. God. Maar wanneer wij die God
beschouwen, dan zal Hij volledig beantwoorden aan elke bewustzijnswaarde, die in ons leeft,
als zodanig voor ons idee volledig identiek zijn met ons. Dit is dus een absolute congruentie,
vanuit ons standpunt. Vanuit God behoeft die niet aanwezig te zijn. Op het ogenblik, dat wij
deze absolute congruentie ervaren, blijft ons slechts nog over om de eenheid te beseffen, die
er bestaat tussen God en onszelf en in God op te gaan. Wij zijn dan het organisch deel van
God geworden en kennen geen beschouwing meer buiten onszelf, maar wel een volledig
beleven van al hetgeen kenbaar is voor ons binnen het Goddelijke.
Indien niemand meer iets te vragen heeft, is nu de laatste spreker aan het woord om voor U
met het Schone Woord te sluiten op zijn manier.
Goeden avond.
o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Wij zouden dan deze avond met een kleine meditatie willen besluiten.
Wanneer wij denken aan de magie, wanneer wij ons bezig houden met problemen als de
congruentie tussen een Goddelijk en een menselijk patroon, dan ontgaat ons heel vaak de
werkelijk bindende factor, datgene, wat voor ons de band is tussen alle dingen.
In de magie kan de mens alleen wat bereiken, wanneer hij, ofwel haat, ofwel lief heeft.
Wanneer een mens tot eenheid met God wil komen, dan kan hij dat alleen door steeds meer
zich bewust te zijn van de eenheid, die in hem bestaat met alle dingen. De kern van de zaak is
liefde. Niet hartstocht en ook helemaal niet een liefde tussen personen, maar een
levensaanvaarding, die de liefde gelijk komt.
Wanneer je alle dingen even vreugdig kunt begroeten als een geliefde, wanneer je alles kunt
dragen en ondergaan, voor de wereld, zoals je soms voor een enkeling, die je liefhebt, kunt
doen, dan heb je de essence van het menselijke kunnen, van het menselijk leven en werken,
maar ook van de Goddelijke kracht bereikt. De magie, waarover U zoveel leert, is gebaseerd
op de eenheid, die bestaat tussen alle dingen, het antwoord, wat de Goddelijke kracht kan
geven uit alle dingen, omdat alle dingen leven in God.
Er bestaat geen groter Godsvreugd, geen ideëler naastenliefde dan die van de mens die zijn
hele wezen en werken beschouwen wil als een dienst aan het Grote, aan de Kosmos, aan de
Werkelijkheid.

118
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 7 – 10 maart 1960

Dan komt er soms een ogenblik, dat je jezelf af gaat vragen: "Hoe moet ik nu doen? Wat is de
goede weg?" Er zijn ook ogenblikken, dat je zegt: "Ik zou toch zo graag, zo heel graag, ietsje
willen beleven van die grote werkelijkheid". Dan kun je dat het beste doen door te spreken tot
de God, Die in je woont. Het is een soort bidden. Ik zou haast zeggen als ex-vakman, mag ik U
dan misschien een kleine versie van de wijze, waarop wij, die toch ook vaak werken op een
manier, die U magisch zoudt noemen? Hoe wij dat innerlijk uitdrukken?
Wij gebruiken daar geen grote woorden bij. God staat vlak bij je, dat alleen al het woordje
"Vader" eigenlijk teveel lijkt. Als je dan zo'n gedachte in woorden uit moet drukken, is het heel
moeilijk soms.
Als wij dat moeten omschrijven, is dat ongeveer zo: Gij, kracht, die de kracht van mijn leven
zijt, gij, kracht, die voor mij de vreugde van het leven zijt, leer mij meelren meer alleen te
handelen volgens Uw wil. Laat in mij toch die wijsheid ontstaan, waardoor ik mij niet tegen
raadsbesluiten verzet, mij niet probeer te onttrekken aan de werking van Uw wetten.
Leer mij om Uw kracht volgens Uw wet te zijn. Want, God, wij gebruiken soms wel de
geheimzinnige kracht in de kern van ons wezen, maar wij gebruiken haar als een werktuig
volgens onze eigen doeleinden. Leer ons dat af.
Laat ons iets beseffen van de grote en eeuwige harmonie, die tussen U en mij bestaat. Leer
mij berusten ook in mijn onbegrip, wanneer een openbaring voor mij nog niet mogelijk is.
Op die manier spreek je met je God. Dat doe je niet om op die manier nu iets te krijgen, maar
alleen om iets te begrijpen. Geloof mij: de meesten onder ons, zo niet allen, wij hebben de
kosmos wel lief, maar wij hebben nog zo'n voorkeur voor onze wereld, of voor onze parochie,
of voor onze gemeenschap, voor onze speciale patiënten en onze eigen vrienden.
Zo mooi dat menselijk misschien ook is, zullen wij dat toch moeten leren vergeten. Alleen dán
vinden wij de waarheid, omdat alle dingen één zijn. Dat is het moeilijkste deel van de hele
bewustwording. Maar het is ook het mooiste deel.
Zo goed als U op dit ogenblik misschien denkt: "Wat zijn wij onvolmaakt, laat ons daar eens
proberen heen te streven", zo gaat het ons. Het is ons vaak moeilijk om een broederschap in
volmaaktheid te erkennen. Laat ons die dan tenminste in de onvolmaaktheid erkennen. Laten
wij de fouten van ons eigen wezen nooit aan een ander wijten, maar trachten ze steeds te
verbeteren voor anderen als voor onszelf, steeds iets meer van die kracht, die in ons bestaat,
te uiten op de wijze waarop de kosmos zelf dit voorschrijft: rechtvaardig, oprecht,
mededogend, maar ook vol van een onmetelijke liefde.
Dat is de weg, die Jezus Christus is gegaan. Dat is de weg, die wij allen zullen moeten gaan.
Langs welke omwegen wij ook soms zullen moeten zwerven om te komen tot die voleinding,
waarnaar wij verlangen. Al Uw magie is alleen maar een uitdrukking van een nog onbegrepen
deel van die eenheid. Al Uw streven is alleen maar een onbewust verlangen naar die eenheid.
Daarom vrienden, nu ik weer eens een keer spreken mag, zou ik U in deze kring een motto
willen geven:
Ik tracht alle dingen te doen, zo goed als ik kan, maar ik beloof alle gevolgen daarvan te
aanvaarden, zo goed als ik kan, opdat ik de waarheid moge beseffen volgens het bewustzijn,
dat God mij toelaat.
Dan zal ik jullie nu naar weer verlaten. Meer heb ik eigenlijk niet te vertellen. Alleen misschien
nog dit:
Wij falen allemaal, steeds weer. Maar in ons falen ligt onze grootheid, omdat wij ondanks falen
verder durven streven. Daarom misschien staan wij vaak zo dichter bij God dan wezens, die
veel volmaakter zijn, maar die nooit gefaald hebben.
Vrienden, pax vobiscum, vrede zij met U, God zij met U. Gods zeggen op Uw wegen en op Uw
nachtrust.
Goeden avond.

119
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

LES VIII

Goeden avond, vrienden,
Wij hebben natuurlijk weer een paar stukjes les voor U, maar ik wil toch graag even kijken, of
er moeilijke punten voor U waren in de vorige les.
In de vorige les stond bij de bezweringsaanroep, oproep, bezwering. De les daarvoor:
oproepsbezwering, bede.
Dat is inderdaad een verschuiving. Dat ligt er aan met welke machten wij werken. U moet
rekening houden met het volgende: Zodra wij ons wenden tot z.g. Goddelijke krachten, ook
wanneer het deelkrachten zijn, is het een bede. Dan is de bezwering dus gericht tot de
dienende geesten. Dan krijgen wij dus i.p.v. de aanroep de oproep van de lagere geesten. Wij
binden ze in onze taak en vervolgens de bede aan de hogere krachten om dit geheel te
bevestigen. U moet daar rekening mee houden: de indelingen zijn gegeven voor simpele
bezweringen en wel speciaal de bezweringen, die U ook met eigen woorden kunt stellen.
Daarnaast hebben, wij de vorige les gebruikt om U een totale uitwerking te geven. Die was
compleet van A tot Z, vanaf het ogenblik dat wij beginnen, de voorbereiding met oproep enz.
enz., tot het laatste het dankwoord en het afscheid, het teruggeven. Dat kan mogelijkerwijze
verwarrend gewerkt hebben. Maar als U zich houdt aan de stelling van het geheel, dan zult U
tot de conclusie moeten komen, dat dezen volkomen gelijkluidend zijn in feite: ook wanneer de
aanpassing van het formulier elke keer opnieuw dient te geschieden natuurlijk. Nu hebben wij
met die aanroepen een hele hoop mogelijkheden voor U geschapen.
Vandaag wil ik in de allereerste plaats vertellen over de wijze, waarop wij met sommige
gebieden werken en de wijze ook, waarop dit dient te geschieden. In het algemeen hebben wij
U de z.g. Heersers gegeven. De Heren van Licht, Wijsheid enz. enz.. Daarnaast zijn er
natuurlijk een aantal andere factoren, die magisch ook belangrijk zijn.
Hierbij hoort allereerst de z.g. naamroep. Een naam is geen toevalsproduct. Dat kan elke
magiër en elke kabbalist U onmiddellijk bevestigen. Bij de magie en de naamroep hebben wij
te maken met een persoonsuitdrukking in klanken. Wanneer U dus een naam heeft en deze
naam Uw persoon tekent, de voorstelling is van Uw persoon op dit ogenblik en in deze
werkelijkheid, dan verkrijgen wij daarmee ook een directe beïnvloeding van U door het gebruik
van die naam. Nu hebben wij niet alleen te maken met de namen van mensen, maar wij
hebben ook te maken met de namen van overgeganen en verder ook met de namen van
verschillende geesten en entiteiten. Een geest - of entiteit - zal zelden of nooit U zijn naam ter
beschikking stellen, tenminste zijn werkelijke naam niet. Haast iedereen, ook van de lichtere
geesten gebruikt een deknaam, tot zelfs de z.g. Boeddha's, de verlichte Priesters van de
wereld, gebruiken deknamen. Wanneer U hoort spreken over de Heer Matroya, dan is dat niet
zijn naam, maar het is een functiebepaling, die als naam wordt gebruikt.
Zelfs Jezus is niet de werkelijke naam geweest van Jezus. Die naam luidde enigszins anders,
had dus een andere klankbetekenis. Dat gebeurt om te voorkomen, dat men een magisch
dwingende oproep uit kan spreken, die op zijn minst genomen veel strijd veroorzaakt, als je in
het licht staat, of als je behoort tot de lagere, of duistere gebieden, je dwingt om te
verschijnen. Nu hebben wij natuurlijk een hele hoop entiteiten, die praktisch gelijk zijn. Wij
hebben te maken in de magie met wezens, die twee zijden hebben.
Nu wil ik U bij wijze van vergelijking wijzen op het verhaal waarin het volk - Israël - vooraf
wordt gegaan door zijn God in de vorm van een zuil en wel een zuil, die op een gegeven
ogenblik naar de vijand toe een zuil van rook en duisternis is, naar het volk zelf toegewend
een zuil van vuur. Dit is magisch volkomen redelijk. Alle aspecten, die wij kennen van een
bepaalde entiteit zullen door hun tegendelen worden gedekt. Dat moet U goed onthouden. Ook
wanneer U bidt tot God, kunt U de demon oproepen. Want het tegendeel van God voor ons is

120
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

de duivel. Het totaal van de vernietigende krachten: de chaos. Ik wil niet zeggen, dat onze
God nu de enig ware God is, of, dat ons beeld van God juist is. Het beeld van de chaos is
evenmin juist. Maar wij zien een bepaald aspect als het Goddelijke en wij richten ons daarop.
Maar richten wij ons op die andere kant, dan wordt ook deze andere kant voor ons werkelijk
en verwerkelijkt. Vandaar dat in de magie, naast de oproep en de bezwering, ook de
vervloeking aan het woord komt.
Dan mag ik deze natuurlijk niet voluit behandelen, maar ik wil U toch een klein voorbeeld
geven.
"Gij, die handelt tegen het recht, gij, die in leugens Uw macht vergroot, op U leg ik de vloek
door zeven geslachten, zodat gij niet zult kennen rust en niet zult kennen vreugde, dat gij zult
kennen pijn en leed, verteerd door innerlijke onrust, door geestelijke kwelling en stoffelijke
kwaal, tot het ogenblik, dat gij Uw leugen hebt verzaakt, de waarheid hebt gesproken en Uw
macht hebt afgegeven aan hen, die ze rechtens behoort.”
Er behoort nog meer bij.
Deze vervloekingsformulieren komen wij in de magie vaak tegen. Als zo'n vervloeking nu is
uitgesproken, of een verwensing, dan kan het wel voorkomen, dat zoiets vastgehaakt is in de
persoon. Alleen al psychologisch gezien kan dit een zeer sterke invloed hebben en wij kennen
dan ook de praktijken van het doodbidden, het zenden van doodgeesten e.d., zwarte magie.
Wanneer wij in de witte magie willen werken, moeten wij verweer daartegen hebben en het
verweer is dan als volgt: Ik neem dan weer het rechtsformulier, dat zo-even gebruikt werd,
Dan stel ik daar het volgende tegenover:
"In de naam van de Almachtige, Hij, Die is de Rechtvaardige en de ene Alwetende, zeg ik U,
krachten des kwaads, tot U richt ik het schild van het Lichte, tot U wend ik mij met het
verblindend Licht der Waarheid. Ik zeg U: keer terug tot hem, die U gezonden heeft en voltrek
Uwe taak aan hem, opdat de waarheid vervuld zij in Uw wezen en de Goddelijke
Rechtvaardigheid zegeviere dat God rechte tussen deze beiden, dat mijn kracht het voertuig zij
van de Goddelijke kracht, opdat volbracht worde, wat in Gods wil noodzakelijk is".
Een klein formulier. U merkt, dat het zelfs nog te variëren is. Maar nu is er wel één ding bij: Ik
heb beide formulieren onvolledig gemaakt. Op een gegeven ogenblik kunnen wij met een
naam te maken krijgen. Die naam kan ook alweer de naam van een mens zijn, of van een
geest. Om een paar te noemen: Ik kan mij richten tot Ismodaï - Goed, of Asmodaï - Kwaad. Ik
kan mij daarbij dus verweren tegen invloeden b.v., van Asmodaï. Dan zet ik daar tegenover
het tegendeel. Zo mij die naam bekend is, zal ik die ook uitspreken, dus dan krijg ik dit:
"En U Asmodaï, zeg ik, voltrekt Uw werk niet in de naam van Ismodaïs afspiegeling van de
lichtende Kracht in de Naam van Agyos, de God, die is de Rechtvaardigheid, het Licht en de
Wijsheid, zeg ik U: keer terug en volbreng Uwe taak aan hem, die U gezonden heeft".
Daar krijg ik dus naamformulieren bij.
Wanneer U ooit zelf aan magie doet en wij hopen, dat U dat althans met algemene
bezweringsformuliuren t.z.t. toch zult leren, dan is het noodzakelijk, dat U ook die afweer kent.
Iets anders is het, wanneer wij komen te staan t.o. iemand, die ons speciaal persoonlijk
aanvalt. Wanneer wij persoonlijk worden aangevallen, onverschillig hoe, door vervloeking,
bezwering, door een magie van verschillende soorten, dan doen wij dan heel anders. Wij
gebruiken daarvoor niet het afweerformulier, maar de persoonlijke instelling. Die persoonlijke
instelling moet U voor U persoonlijk formuleren, dat kan ik niet voor U doen. Daarvoor bestaat
geen vast schema, zoals dat voor vervloekingen nu eenmaal wel bestaat, zoals dat ook voor af
weer van vervloeking bij anderen bestaat. Dat schema voor onszelf is nu eenmaal opgebouwd
uit onze persoonlijke eigenschappen, maar de kern wordt toch dit:
"Ik vertrouw in het licht, ik erken het licht, ik volbreng het werk van het licht. Zo ik straf
verdien, dat het licht mij straffe. Doch zo ik geen straf verdien, dat het licht mij bescherme en
mijn schild zij".

121
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

Het is geen formulier, het is alleen maar een weergave, wat je innerlijk moet proberen te
voelen. Daarmee hebben wij dan eigenlijk het gebied van de bezweringen zo'n klein beetje
afgewerkt.
Ik heb opgemerkt, dat U bij het ene formulier een heel andere toonzetting had dan bij het
andere. Bij de laatste bezwering was het een eentonig ritme. Is dat ook iets, wat hierbij
van invloed is?
Dat is de toon, of muziek, of de ritmisch-melodische structuur, die weer uitdrukbaar is in
bepaalde mathematische verhoudingen, als wij het precies willen zeggen. Dat zou ons op het
ogenblik te ver voeren.
Ik zou U willen vragen over de Meesters van het Uur en de Dag. Voor iedere dag is toch
waarschijnlijk een bepaald formulier?
Ja en nee. Dat ligt er weer aan, aan wat voor soort magie U wilt bedrijven. Gaan wij b.v. af op
het werken met talismans, dan kunnen wij o.m. werken met astrologische waarden. Werken
wij met astrologische waarden, dan krijgen wij dus naamzettingen en aanroepingen, die
gebaseerd zijn op de planeten, die z.g. een dag regeren. Dit is natuurlijk niet volkomen
astrologisch zuiver, maar elke weekdag heeft zijn eigen bestemming. Van die weekdagen, die
er dan zijn in een jaar, moet je dan de gunstigste kiezen - astrologisch - wanneer de planeet
het sterkst regeert - dan mag hij niet retrograde zijn, dat is dus verboden, moet altijd
progressief zijn - en op die dag wordt dan gewerkt en dan hoort bij die dag die planeet een
vast formulier, dat niet meer berust op de Heren van het Uur. De Heren van het Uur roept men
weer van tevoren aan en die veranderen weer elke dag door verspringing.
Het zijn eigenlijk zeven aartsengelen, die geacht worden op volgens een periode van 60
minuten, gemeten volgens de betekenis aan de evenaar, waarbij dag en nacht worden
gerekend volgens de vaste tijdstippen aan de evenaar, op de breedtegraad 0 en de
lengtegraad van Uw eigen woonplaats dus - dat moet U goed onthouden -, waarbij dan het
eerste uur b.v. op zondag aan Michaël behoort.
Dat gaat dus door. Dat zijn zeven uren, die steeds rouleren. Je krijgt een reeks van twaalf
uren. Dat gaat vanaf zes uur in de morgen, de dag. Het begint altijd om zes uur 's morgens.
Dan loopt die zaak dus tot 6 uur namiddag, wanneer wij aannemen, dat de duisternis valt. In
deze periode liggen 12 uren. D.w.z., dat de nacht - het eerste uur van de nacht - begint met
de zesde engel van de reeks. Nu zou mij alleen resten om U die engelen te geven, dat is niet
zo belangrijk. U kunt ze in elk geschrift overigens vinden.
Is het met een bepaalde rede, dat ook Michaël werd genoemd bij bepaalde oproepen?
Ja, dat heeft wel bepaalde bedoelingen, maar die waren niet alleen op de Heren van het Uur
gericht. Die zijn eerder op de figuur Michaël gericht en daarbij is Michaël een van de
strijdbaren, zo goed als Gabriël b.v. de bode is, Asraël, de Verzachter. Het is niet alleen de
dood, maar ook de verzachter. Zo hoeft dus elk van hen een eigen bepaalde functie.
Nu zullen wij even op die toonzetting terugkomen: Ik kan U wel vertellen, dat er regels
bestaan, die zeer ingewikkeld zijn, omdat zij berusten op een berekening, die weer gebaseerd
is op twaalfvlakken, twaalfhoeken. Uit het 12-hoekig vlak wordt n.l. de hoeksberekening
getrokken van het ritme. Elk gebied, wat wij magisch trachten te beïnvloeden, bestrijkt een
bepaald deel van de 12 vlakken, die het leven beheersen. Die 12 vlakken vindt U astrologisch
weer weerspiegelt in de Dierenriem. Zeg nu b.v., dat ik drie vlakken heb, dan heb ik een
3-ritme. Dus dan wordt mijn ritme: te,te - táaá. Maar het kan ook zijn, dat ik die hele wereld
samenvat, dan mag ik geen nadruk leggen, dan krijg ik een monotonie: tá, tá, tá, tá, tá, tá,
tá, tá.
Het kan ook zijn, dat ik 2 tegenliggende gebieden wil beïnvloeden, dan krijg ik een
op-en-neer-ritme:ta-tá, ta-tá, ta-tá, waarbij de tegenligging wordt uitgedrukt in een
toonverschil, wat meestal in de incantatie genomen wordt als een terts. Dus op deze manier
kom je tot een technische berekening ervan. Maar die dingen zijn nu niet zo belangrijk, dat het
de moeite waard is U al deze dingen precies te leren. Het valt de meesten Uwer al heel
moeilijk zo'n formulier uit te spreken. Voordat U zover bent, dat U het a.h.w. durft te zingen,
dat duurt nog wel even.

122
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

Verder wil ik U nog op het volgende wijzen: Zoveel bij de hebreeuwse eredienst, als bij de
Islam, bij bepaalde delen van de Hindoe-dienst, vinden wij de letternadruk. D.w.z., dat elke
letter ook zijn eigen toonhoogte heeft. Dat is een oude wijsheid, die nu weer gebaseerd is op
ditzelfde 12-vlak, waarbij elke lettergreep behoort tot een apart gebied. Het is dus eigenlijk zo,
dat elk dierenriemteken een eigen reeks van trillingen heeft. De eigen reeks van trillingen is
harmonisch met bepaalde klanken op aarde. Wanneer ik dus een zekere verhouding weer wil
geven in kosmisch opzicht, dan zal ik de klank de trillingsinhoud moeten geven op aarde, die
tenminste past en harmonieert met de kósmische gebieden, waaronder die klank resulteert.
Dan zullen wij nu nog even de kwestie van ritme aanhalen. Wij krijgen natuurlijk ook weer de
verschillende onderwerpen. Nu wil ik U voorstellen een drietal onderwerpen te noemen, die
verschillend zijn, dan wil ik U laten zien, hoe men hier de ritmen a.h.w. zo moeten variëren
t.a.v. elkaar.
Bezinning, vreugde en geestkracht.
U zult begrijpen, dat bezinning in feite een kosmische waarde is. Als zodanig is de enige
ritmevariatie, die erin voor komt, de aanpassing van de persoonlijkheid, of zoals hier met een
groep, van het gemiddelde van de groep, zoals dat aangevoeld wordt. Nu ga ik expres geen
volledig bezweringsformulier gebruiken. Ik wil U laten zien, dat dit met gewone woorden ook
te bereiken is.
"De bezinning is een noodzaak, waarin wij leven. Want eerst door de bezinning wordt de
werkelijkheid gevonden, waarin ons leven door klinkt en zij ware zin en inhoud krijgt”.
De vreugde is zeer eenzijdig, maar zij trekt praktisch tegenliggende huizen tot elkaar. Als U
het in een horoscoopvlak naziet, dan zult U b.v. zien, dat vreugde betrokken moet worden bij
het huis van huis, plaats, huisvesting, moet betrokken worden bij het z.g. huis der vrienden,
maar ook bij het huis van gezondheid, het huis van samenwerking, het huis van geboorte. Hier
heb ik dus een aantal waarden, die ik samenvatten op een of andere manier zó, dat ik een
kosmische harmonie krijg.
"Dan kan ik gaan spreken over de vreugde, die leeft in het leven en leeft in het host, die zwelt
als de berstende knoppen der lente".
Heeft U het in de gaten?
Het is kort uitgesproken.
Kort en er is een veel grotere toonvariatie en minder gedragenheid dan in het eerste geval. Ik
kan het ook anders zeggen, ik kan er ook een bede om vreugde van maken: Dan krijg ik toch
ditzelfde karakter, dit springen, omdat ik tegenstellingen met elkaar moet verenigen.
"Heer, ik bid U, geef ons vreugde, gaaf ons licht. Geef ons de krachten om te leven. Heer, geef
ons de lust tot leven. Heer, last in ons doorklinken de werkelijkheid van Uw wezen en de
schoonheid van Uw openbaring:
Nu hebben wij het onderwerp geestkracht gekregen, dat betrekkelijk eenzijdig is. Het wil
zeggen, dat het een zekere monotonie heeft. Aan de andere kant echter wordt het ritme
geestkracht voor de mens gevarieerd, omdat geestkracht slechts tot uiting kan komen in
samenwerking met wilskracht en als zodanig in levensuitdrukking, dus zuiver stoffelijk terrein.
Ik krijg drie gebieden, die mijn ritme gaan beïnvloeden.
"Want dan spreek ik over de geestkracht, die leeft in het leven. Is ons een kracht, die ons
drijft en voortjaagt, Gods wezen in ons herboren als noodzaak en als leven, ons jagend tot in
de oneindigheid".
Het is net een horensignaal. Te, te, tá, tá. Dat is iets, wat U leren moet, dat kunnen wij U niet
bijbrengen. Nu krijgen wij de kwestie van toon. Wanneer je een groot musicus hebt en hij ziet
een reeks woorden, dan kan hij dat op muziek zetten. Die muziek geeft zijn innerlijk weer. Nu
kan het echter ook zover komen, dat bepaalde emoties allemaal genormaliseerd zijn, dus in
toon vast zijn gelegd. Dan wordt hier automatisch een aaneenschakeling gevonden van een
bepaalde kosmische werking, plus een ervaring.

123
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

Om U dit te leren is heel erg moeilijk, want wanneer U alleen wilt lezen in de Torah op de
juiste manier b.v., dan kunt U daar enkele jaren aan spenderen, voordat U dit volledig
beheerst. Hetzelfde geldt voor de Heilige Boeken van de Islam, de Koran, zelfs zeker voor alle
spreuken, die wij kennen hij de Hindoes en zelfs bij de Boeddhisten.
In de Torah staat aangegeven, hoe je het moet zeggen.
Inderdaad, maar zelfs dan is het niet zo makkelijk.
Als je de tekens kent.....
Kun je het misschien proberen. Maar ik geloof, dat je heel wat jaartjes in de sjaal moet hebben
gezeten, voordat je een begrip krijgt van het juiste. Nu geef ik graag toen, dat het een deel is
van het rituele onderwijs is. Nu kunnen wij proberen om dat te normaliseren, maar dan krijgen
wij met systemen te maken. Want niet elk systeem is precies gelijk en er is geen vaste
klankverhouding te geven, omdat dat volgens onze eigen instelling afhangt. Wanneer wij nu in
toon moeten gaan spreken - dat kan soms bij een bezwering voorkomen -, dan moeten wij
leren om die zaak te laten zingen a.h.w., zoals wij denken, zoals wij voelen.
Dan is het logisch, dat een treurig iets, een langzaam en g-e-d-r-a-g-e-n s-p-r-e-k-e-n
w-o-r-d-t.
Iets vreugdigs heeft een ander ritme, want ik moet spreken in de werkelijkheid, die leeft in het
hart en die spreekt tot de ziel. Krijgt U in de gaten, wat ik bedoel? Ik ga mijn ritme nu
versterken met mijn toon. Om dat precies te leren, is heel moeilijk. Er zijn bepaalde
uitdrukkingen, die een hele passage soms op één klank betekenen.
Dan krijg je b.v.. het woord "vreugde". Dat kan op 4 tot 5 manieren gemoduleerd worden.
Wanneer "vreugde" nu een bede is, dan krijgen wij te maken met een klimmende reeks, die
eindigt met een korte daling der vreugde, dus ongeveer zo: v-r-e-u-g-d-e, dat wordt haast
opera. En dan moet je nog een verkoudheidsinstrument erbij hebben, dan kun je het niet
uitzetten.
Ik verwacht niet van U, dat U dergelijke zangoefeningen zult houden. Het is alleen om het U
duidelijk te maken en om de zaak te belichten. Nu kan het ook zijn, dat die vreugde een
vaststelling is. Ik kén die vreugde. Dan heb ik geen klimmende reeks nodig. Integendeel. Dan
krijg ik een modurende reeks, die eindigt met een opgaande noot. Dan doet het een heel klein
beetje denken aan het gregoriaanse kantus, maar meer nog aan de daarvoor liggende
eenstemmige kantus, die wij b.v. ook nog van de Grieken kennen. Daar zit ook die ritmiek in
en die werd o.m. gebruikt bij bepaalde mysteriën. Dan krijg ik :
v-r-eu-eu-ou-eu-eu-eu-eu-g-d-e-. Dit vibreert en leeft in mij bevestigend. Dat is weer een heel
andere kwestie. Nu is het m.i. althans voor 90% voor degenen, die hier aanwezig zijn,
praktisch onmogelijk die dingen in de praktijk te brengen. Misschien, dat U in Uw bad eens een
aria zingt of wanneer het scheermes goed glijdt. Maar eer U zover komt, dat U werkelijk de
moed hebt - alleen maar de moed - om die incantatie te zingen en niet alleen uit te spreken
zoals dat hoort, dan bent U al heel wat jaren ouder en heel wat wijzer. Laten wij dus voor onze
groep op het ogenblik even dit vasthouden: Wij gebruiken het ritme dat wij aanvoelen. Wij
gaan op ons eigen sentiment af, op onze eigen instelling. Om dat goed te vinden, moeten wij
eerst even na gaan denken.
Wij hebben een onderwerp
Vrede.
Wij moeten ons dat proberen voor te stellen: vrede, rust. Een landschap met een enkel
drijvend wolkje. Bomen, die haast roerloos in de wind staan. Een vogel, die een paar tonen
zingt. De zonnewarmte, schaduw, een enkel ritselen van een blad, een wereld, waarin God zich
openbaart. Een wereld, waarin je voor een ogenblik niets te wensen hebt. Een wereld van
vreugde, waarin geen strijd meer is, waarin de mensen niet meer tegen elkaar in het geweer
komen, want er is een harmonie, die ons allemaal omringt, die deel uitmaakt van ons allen.
Dan gaan wij ons voorstellen, zo goed als wij kunnen, een wereld, waarin geen enkele mens
meer bitter, of wreed is. Een wereld, waarin iedereen a.h.w. dit rustig aanvaarden, dit weten
omtrent God hoeft, waardoor alles zo vreugdig is op een zonnige lentedag, waar alles zo fris
en groen is als de,eerste ontluikende knoppen. Als je dat nu goed voorstelt, je wilt dan iets
124
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

zeggen over vrede, b.v. een bede om vrede, dan vind je het ritme vanzelf. Als ik op dit
ogenblik U iets zou moeten zeggen over vrede, vijf woorden desnoods, wat zoudt U dan
zeggen? Mij niet gezien? Als ik geen vrijwilligers krijg dan zou ik toch graag iemand hebben,
die dat even wil proberen: v-r-e-d-e-, r-u-s-t-. Helemaal geen storing, niets beroert.
Heerlijk zo vrij te leven in de vrije natuur.
Maar heeft U opgelet, wat U heeft gedaan? U heeft, onbewust het ritme erin gelegd. Misschien
bewust. Hoe heerlijk is het te leven in de vrije natuur. Als je dat nu met strijd krijgt…
dan doe je hetzelfde in een andere vorm.
Dáár gaat het nu juist om. Dit ritme, wat U gebruikt, wanneer U zoiets zegt, dat moet U van
binnenuit aanvoelen. U kunt natuurlijk zeggen,dat ik de woorden ervoor heb. Natuurlijk, maar
U hoeft ze ook. Zet je gevoel om in woorden en richt dat. Stel je voor, dat God vlak naast je
staat. Dan moet je zeggen God, vrede. God, wat is het heerlijk te leven in die vrije natuur.
God, wat is het wonderlijk om Uw schepping te zien en het leven te zien. God, geef ons dan
die vrede, maak ons niet langer blind voor al deze dingen en al deze vreugde. God, geef ons
Uw vrede....
Daar heeft U die vrede. Dan hebt U ze. Het is toch een kleine moeite. Wij hebben niet te
maken met dingen, die ver van ons afstaan. Dat komt in de magie veel sterker tot uiting, dan
in enig ander werk, dan in enig ander spreken. De krachten, tot wie wij roepen, zijn dicht bij
ons, zodra het hoge krachten zijn. Heb ik te maken met de kleine krachten, ja, die moet ik van
ver weg halen.
"U, Carmax, Pofram, ik roep U". Die zit ver weg, die moet ik dichtbij halen. Maar wanneer ik te
maken heb b.v. met Arcan:
Agyos van de Zon - Heerser van de Maan - staat toch veel dichter bij me. Dan zeg je niet: "Ik
roep U", dat is niet nodig. Dan zeg ik:
"Arcan, gij, dienaar van het eerste licht des hemels, hoor mij". Hij moet alleen maar luisteren.
Maar nu ga ik tot God spreken. God is er altijd, rond mij, in mij. Moet ik daar gaan zeggen:
"God, luister eens...". Neen. Dan begin ik gewoon te praten, of dat Hij er is.
"Gij, Kracht des Lichts, Gij, machtige Tetragammaton, Die in uw wezen de volheid openbaart,
U vraag ik heden: Sta mij bij om mijn taak te volvoeren, opdat zij zegen brenge voor
iedereen".
Helemaal geen plechtige woorden. Ik kan het plechtig maken:
“Om zegen te brengen door mijn werk en allen, die in de wereld begeren hebben tot wijsheid
te komen en door wijsheid Uw leven te leren erkennen.”
Dat klinkt veel mooier, maar dat kan niet iedereen zo. Je zegt eigenlijk hetzelfde. Het gaat er
niet om, dat die woorden zo mooi en fraai klinken. Onwillekeurig doen wij dit, wij hebben een
voldoende beheersing van het woord. Maar het gaat daar niet om het gaat om dat, wat van
binnenuit komt, om dat op de juiste manier te richten. Hebt U nu een beetje inzicht gekregen
in ritme, bezweringen, van toonvorming en zo, ook wanneer U het niet gebruikt? Ja. Wij
moeten ook nog verder.
Het verder gaan in de magie betekent, dat wij inzicht moeten krijgen in verschillende werelden
en krachten. Nu onthouden wij altijd dit: In de eerste plaats: ons eigen wezen is voortdurend
afgestemd op alle krachten, die in overeenstemming zijn met ons eigen streven. Het is geen
kwestie van "wij moeten ons richten tot die krachten" zij zijn er.
Normalerwijze wordt een mens - voor een groot gedeelte althans - beheerst door stoffelijke
krachten en invloeden. Met die stoffelijke krachten en invloeden zijn gebonden de drie
aardgebonden sferen, n.l.: duisterland, nevelland en schemerland. Drie fasen van het astraal
gebied in hoofdzaak, die langzaam boven het astrale uit kunnen komen, zowel beneden als
boven en dat, dus kunnen gaan verlaten voor een nog fijnere vorm, maar die toch krachtens
hun denken en bewustzijn ermee in verband staan.

125
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

De magiër weet, dat hij voortdurend af is gestemd op alle invloeden van het astrale gebied.
Wil hij deze afstemming verbreken, dan zal hij dit moeten doen, door zichzelf zodanig te
richten, dat deze afstemming wordt verbroken voor een enkelvoudige gerichtheid op een
bepaalde wereld, of sfeer, waarmee hij contact zoekt. Algemeen gesteld dus. Dat wil zeggen:
door op de juiste wijze te werken, te hanteren, met je zelf, kun je een absolute bevrediging
krijgen van het stoffelijke. Die bevrediging is niet een verzadiging. Verwar die beiden niet
Een methode, die b.v. wordt gevolgd door sommige magiërs, is deze: men eet geen spijs en
drinkt geen drank gedurende 24 - 36 uren. Voordat zij nu aan hun bezwering beginnen,
voldoen zij aan die ogenblikkelijke lichamelijke drang door een enkele saprijke vrucht te eten.
Die vrucht is rein van aarde. Zij wassen zichzelf. Zij zorgen, dat zij schone kleding aanhebben.
Zij hebben zich ook geestelijk gereinigd a.h.w. door na te denken over edele en schone
dingen. Nu hebben zij een vrucht, het zuiverste, wat de aarde geeft. Het is voor een plant, een
boom, een rijpe vrucht te laten een vreugde. Die vreugde zit in de vrucht, want zij moet rijp
zijn. Nu wordt deze omgezet in lichamelijke sensatie. Er ontstaat een soort vreugdige
bevrediging, waarbij het verlangen naar meer gemakkelijk bedwongen wordt door de
geestelijke instelling. Dit is a.h.w. de voorfase van 't ritueel.
Dan richt ik mij op zomerland, dat betrekkelijk dicht bij de wereld nog ligt. Nu ga ik denken
aan steden van licht, aan valleien van een buitengewone schoonheid, aan bloemen, aan
vlinders, aan vogels en al wat er bij hoort. Ik zie een wereld van schoonheid, waarin elk wezen
een gevoel heeft van licht: van harmonie, die het licht kent. Ik zie lichtende krachten van
bovenuit neerdalen. Ik mediteer.
En nu maak ik mijzelf een ogenblik vrij van deze dingen. Ik neem een meditatiehouding aan.
Een meditatiehouding is natuurlijk heel verschillend. Voor een gewone meditatie gebruiken wij
ontspannenheid. U heeft misschien gezien, dat ik een bepaalde houding heb aangenomen. N.l.
de enkels tegen elkaar, de handen lichtelijk steunend op de knie zodat ik een bepaald ritme
van levenstromen in mijzelf ook nog besloten heb. Deze houding bewaar ik tot het ogenblik,
dat ik krachten uitzend. Ik denk aan Zomerland, ik heb mij er een beeld van gemaakt. Nu ga
ik dus mijn bezwering uitspreken. Ik roep de geesten van Zomerland op. Dan gaat het in deze
vorm b.v.:
“Al gij, die op aarde hebt geleefd, gij, die thans de vreugde en de schoonheid kent van een
land, waarin Gods licht altijd schijnt, tot U roep ik".
Ik heb nog geen haast. Ik ben aan het roepen.
"Tot U zeg ik", dat begint een beetje anders te worden, met nadruk. "Tot U zeg ik in de naam
van het licht, dat de vreugde is van Uw wereld, kom tot mij". Ik heb deze gesloten stroom n.l.
te weten vanuit het hart, dus zo en weer naar het hart toe, dus gebroken. Ik zend uit.
"Kom tot mij. Volbreng met mij de taak, die ik mij voorneem te volbrengen". Een formulering,
die willekeurig is. Nu wordt mijn stroom een andere. Ik heb die stroom met meer nodig door
het lichaam. Nu mediteer ik over het onderwerp, waarover ik het heb. Ik laat de duimen
ongeveer rusten bij de aanzet van de oogkas, het neusbeen. Nu krijg ik dit. Dit is een
overdenkingshouding, en in deze houding richt ik mij wederom tot dit gebied. Nu ga ik
definitief mijn werk beginnen, b.v.: "Dat Uw licht en Uw vreugde door moge dringen op deze
wereld en gij met mij zult verwerkelijken de vrede van eeuwen".
Nu komt de hand wederom gevouwen. Nu leent deze stoel zich er niet toe, maar het lichaam
wordt zo recht mogelijk gemaakt en desnoods mag de zitting iets lager zijn. Hiermede heb ik
een volkomen instelling gekregen, op deze ene wereld. Maar nu ga ik hetzelfde doen op een
andere wereld. Ik heb b.v. de wereld van klank en kleur nodig. Dan ga je op de zelfde wijze te
werk verder. De houding blijft hetzelfde. Alleen: ik stel mij voor, hoe Gods melodie uit de
oneindigheid doordringt. Ik ga mijzelf in stemming brengen. Mijn vorm betekent niets meer.
Alles is trilling, maar in elke trilling spreekt God. Het is Gods ster, die in alle kleuren en
klanken op ons toestormt. Nu ga ik weer spreken en dan krijg ik natuurlijk ook daarbij de
bezwerende gebaren enz.. Het is niet nodig, dat U al deze gebaren kent. Het is zelfs zó, dat
wanneer U met zo'n gebied werkt, U dat helemaal niet opvallend behoeft te doen.

126
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

Bij elke zending van krachten, die gericht is naar duistere wereld, hetzij om iets te voorkomen,
om invloeden te verdrijven, dan blijft ons wezen steeds besloten en wel zo, dat tenminste de
ellebogen voortdurend het contact blijven houden, zodat onze eigen hartstroom niet
onderbroken wordt. De hartstroom: de levensstroom heeft een betaalde werveling en die loopt
enigszins - niet helemaal - gelijk met de bloedbanen. Door nu op een bepaalde manier dit
lichaam te plaatsen en te sluiten, kan ik mij dus op een zekere wijze afzonderen.
Het hoeft niet opvallend te gaan. Dat kun je doen tijdens een gesprek. Je zit gewoon te
praten: op een gegeven ogenblik vind je het nodig die kracht uit te zenden. Je voelt iets
demonisch. Dan ga je helemaal geen opvallende geboren maken. Je sluit alleen dit af. Zo kun
je altijd wel gaan zitten. Als dat zelfs té opvallend is, kun je ook nog even de benen zo leggen.
Wanneer je maar zorgt, dat de knieën niet precies raken. Dan kun je de handen er even zo op
leggen. B.v. op de dij, of iets hoger, maar op het been ergens. Maar daarmee heb je die banen
gesloten, die nodig zijn. Nu ga je van daaruit voor je zelf in dit geslotene de Goddelijke kracht
oproepen en je zendt die kracht uit. Voor kwade krachten, die wij willen verdrijven, stellen wij
ons steeds voor dat de kracht als een soort mijnwerkerslamp, op het voorhoofd een
lichtbundel doet uit treden. Die lichtbundel is vernietigend voor het demonische. Het is geen
fantasie. Door deze wijze van denken en voorstellen hebben wij het vermogen gekregen iets
kwaads te verwijderen.
Maar heb ik te maken met een andere sfeer, een betere sfeer b.v., dan moet ik kracht hebben,
dan moet ik openstaan voor kracht. Het ene geval moet ik gesloten zijn, zodat zij mij niet aan
kunnen tasten, een verdedigingsstelling a.h.w.. In het tweede geval echter heb ik juist die hulp
nodig. Nu is het al heel gemakkelijk om je handen zo te leggen. Je kunt rustig een keertje zo
zitten, dan kun je rustig doorpraten. Maar denk even aan de lichtende krachten. Vraag, of zij
komen en je helpen, terwijl je schijnbaar naar een ander zit te luisteren. Dan zeg je maar een
keertje "ja" en dan nog eens "ja".
In negen van de tien gevallen zul je merken, dat je handpalmen iets gaan prikkelen. Het is net
alsof zij koud, of warm worden. Dan weet je dat de kracht er is. Dan stoot je met de gedachte,
zó sterk als je kunt, dus even geconcentreerd in vijf woorden a.h.w., wat je bereiken wilt, uit
dat er hier vrede heersen. Dat denk je alleen maar. Je richt even zo speels de vingertoppen
van de gescheiden handen, zij mogen niet samenzijn, op de persoon, of op het doel van de
omgeving, waar je die kracht direct wil laten werken. Zo kun je dat onopvallend doen.
Ik heb b.v. met een patiënt te doen. Ik wil een zieke genezen. Ik heb kracht nodig. Dan sta ik
zo'n beestje te praten, houd de handen voor een ogenblikje zo. Je praat rustig verder. Zorg,
dat de palmen boven blijven. Het gaat, hoe langer hoe beter. Het komt best in orde.
Ondertussen heb je die kracht gedacht. Je steekt je handpalm op: "Maak je nu maar niet
bezorgd,heus, het komt alles in orde". Wat heb ik gedaan? Ik heb zonder dat het opvalt, mijn
krachten eenvoudig uitgestraald. Het is helemaal niet nodig, dat ik dat zo ingewikkeld doe. Ik
kom ergens, waar ik merk, dat zij ruzie hebben gehad. Dan praat je een beetje gewoon. Dan
zeg je: "Ik vind, dat het vandaag wel mooi weer is geweest. Gaan jullie mee wandelen
vandaag? (Het gefluisterde is niet te verstaan). "Ik had net de gedachte: zij zullen wel niet
thuis zijn, want die gaan vast op stap!”
Ik vertel U dit maar, omdat U misschien denkt, dat het noodzakelijk is, om al die dingen zo
voortdurend punktueel te doen, het is beter. Doen wij het ritueel, dan overtuigen wij onszelf
sterker. Willen wij het zo onopvallend doen, dan moeten wij een zeer sterke overtuiging
hebben.
Voorbeeld: Patiënt. "Hoe gaat het met je? Ik ben blij, dat ik je weer eens zie. Ik had toch niet
gedacht, dat je zolang in de lappenmand zou zijn. Je ziet er toch al een beetje beter uit".
Ondertussen, van binnen, je moet leren om dit te scheiden van elkaar. Waar is de ziekte?
Waar voel ik dat? Nu, ik voel ineens verschillende dingen. Dat probeer je te analyseren. "Nu
zeg, toch leuk, dat het je beter gaat". Ik weet meteen, wat die patiënt mankeert. Op die
manier gaat het ook. Het is helemaal niet moeilijk, het is alleen een kwestie van de zaak in
jezelf naar boven laten wellen.

127
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

Op gevaar, dat U zegt, dat ik afwijk. Wij hebben toen indertijd gezegd, dat wij genezing
genomen als een van de hoofdpunten van de cursus, daarnaast goede beïnvloeding van de
mensheid, zou ik dit op willen merken: Onderbewust kan Uw lichaam precies analyseren, wat
het zelf mankeert. Dat is U toch duidelijk? Dat was bij de oude tempelslaap van zieken, die
daarop gebaseerd was. De zieke zou in zijn slaap zijn eigen diagnose stellen. Dan doet hij over
het algemeen wel niet technisch netjes, maar hij doet het meestal juist. Wanneer U zo die
hand vasthoudt, dan neemt U a.h.w. die levensstroom van die ander over, U voelt
verschillende dingen aan. U moet zich niet erop concentreren, wat Uw patiënt mankeert, dat
gaat niet. Je laat het naar boven komen en je zegt dan, dat je dit, of dat voelt. Je krijgt
verschillende beelden voor je. Dan stel je een diagnose, wat je je zelf aan moet kweken, want
't is niet altijd mogelijk om dat medisch zuiver te doen. In 9 van de 10 gevallen zul je de
symptomen juist hebben en in ongeveer 6 van de 10 gevallen is ook de oorzaak duidelijk
omschreven. Het is dus geen onfeilbare methode. Maar in ieder geval helpt het je een heel
eind op streek. Je moet zo'n diagnose nog even vergelijken met aanwezige gegevens en zo
mogelijk met de diagnose van de arts. Dat hoort er nu eenmaal bij. Kan dat niet, dan krijgen
wij iets anders, want dan moeten wij de patiënt gaan helpen. "Ik weet helemaal niet, wat de
patiënt mankeert. Ik geef mijn kracht en dat is voldoende", zeggen velen.
Wacht even! Wij zijn magiër? Wij willen toch aan de magie doen? Dan bekijken wij het zo: Wij
hebben dus een diagnose gemaakt. Nu maak ik van de gelegenheid gebruik om die patiënt
licht te beroeren. Kan dat gaan in de vorm van een instraling, des te beter. Kan dat niet, dan
kan ik allicht met een onwillekeurig gebaar in de buurt komen. Nu zal ik overal, waar ik pijn
heb gevoeld, dus waar ik voor mij zelf de kwaal aanvoel, mijn kracht bewust heen dirigeren.
Want wanneer die pijn daar is en die pijn wordt opgeheven, terwijl er overvloedige kracht
aanwezig is, zal ook de oorzak van de pijn gevonden worden. In dat geval zal ik na de
behandeling nog eens een keer even mijn patiënt aan de pols voelen. Je geeft hun een hand:
"Prettig je gezien te hebben". Gek, nu zit die pijn meer naar boven toe, dus in die richting
moet het orgaan liggen, waaruit die ziekte voorkomt. Het is gewoon een kwestie van
vergelijken.
Nu gaan wij verder met de les:
Wanneer wij ons richten tot de geest voor zuiver stoffelijke zaken, dan houden wij rekening
met de invloeden, die in de naastbij gelegen gebieden, zijn. D.w.z. wij richten ons niet alleen
tot de hooggeestelijke krachten, maar houden rekening met alle astrale vormen, alle astrale
invloeden, die onmiddellijk op de levenskracht van de mens in kunnen werken en als zodanig
een directe invloed hebben. Dit geldt voor alle beïnvloeding van de persoonlijkheid, zover
stofgebonden: zowel t.o.v. ziekte, onvrede, verbittering, als ook de noodzaak om te komen tot
nieuwe ideeën en andere zienswijzen te krijgen. Het gaat hier niet om zuiver geestelijke
impulsen.
Bij geestelijke impulsen kunnen wij ons alleen richten tot de gebieden, die voor de geest
onmiddellijk toegankelijk zijn en die zo weinig mogelijk stof gebonden zijn. Dat betekent, dat
voor de doorsnee-persoon, die wij willen beïnvloeden langs magische weg - hetzij op afstand,
of direct - daar ons zullen richten op Zomerland, of de twee sferen erboven: klank en kleur.
Wij zullen nooit gaan tot de wereld van het witte licht, tenzij de bezwering volledig vanuit ons
wordt volbracht en wij een algemene werking en geen nauw omschreven werking willen
veroorzaken. Wij houden er verder rekening mee, dat gedurende deze werkzaamheid, wij zelf
in contact staan met die sferen en ons eigen wezen dus volledig rein en zuiver moet zijn van
elke bijbedoeling. Komen de bijbedoelingen op de voorgrond, dan zullen wij daardoor de
werkingen van die sferen veranderen en een blijvende beïnvloeding kunnen scheppen, die na
een behandeling van ongeveer tien minuten, tot ongeveer 144 uur lang kan blijven
voortduren. Wij willen deze werking zo veel mogelijk voorkomen en leren dus zo eenzijdig
mogelijk te denken op het ogenblik van de magische bezwering, of behandeling, op de
vooromschreven methode.
Dan houden wij verder rekening met het feit dat het noodzakelijk wordt om in sommige
gevallen, o.m. door het aanbrengen van amuletten, tekens e.d., (sympathische magie dus),
een invloed op de patiënt uit te oefenen. Nu bestaat sympathische magie in de eerste plaats

128
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

uit zg. afbeeldingsmagie, waarbij wij een figuur of een popje maken, waarin wij iets van het
persoonlijk bezit, of zelfs haar, of nagelknipsel van een persoon verwerken. Gebruiken wij dit
in de kwade zin, dan kunnen wij hierdoor veel schade veroorzaken. Maar wij kunnen er ook
iets goeds mee doen. Op het ogenblik b.v., dat zo'n persoon licht en lucht nodig heeft, kunnen
wij een dergelijk popje op een beschutte plek zetten, waar het voldoende vrij licht ontvangt en
voldoende frisse lucht: dan kunnen wij daarmee zelfs voor iemand, die in een kerker gevangen
zit, de beïnvloeding door zonlicht en lucht enigszins merkbaar maken.
Dit is een sympathische wijze van overdracht, waarbij onze binding van de voorstelling
persoon en beeldje aansprakelijk is voor het vormen van een geestelijke verbinding tussen die
persoon en het beeldje en als zodanig al hetgeen, wat in het beeldje ontstaat, wordt
overgebracht op de persoon, in meerdere of mindere mate: dat ligt aan de sterkte van ons
eigenvoorstellingsvermogen. Wij zullen verder gebruik maken bij sympathische magie van z.g.
symboolbeelden. Voorbeeld: wij willen iemand gaarne enige rijkdom toewensen. Om dit tot
stand te brengen, verbinden wij aan een geldstuk - een geldstuk, dat niet zo snel kan worden
uitgegeven, b.v. een geldstuk van een andere staat, dat niet zo gemakkelijk gewisseld wordt -
een reeks van gedachten. Wij stralen dit in. Wij kunnen die instraling doen plaats vinden door
dus de handpalmen te plaatsen en sterk te mediteren met aanroep, waarbij de handen
gesloten blijven en gedurende het ogenblik van de aanroep wel de benen gesloten mogen zijn,
maar nooit de armen daarop mogen rusten en directe stroom van het bovenlichaam niet door
de armen gaan.
Dan denken wij dit één keer, twee keer, drie keer. Daartussen kunnen wij onderbreken en het
geldstuk terzijde leggen. Het geldstuk wordt - zover als wij kunnen - bewaard in zijdepapier, in
ieder geval zo mogelijk afgesloten van licht, stof e.d.. Op het ogenblik dat wij menen, dat de
persoon hierdoor geholpen kan worden, dan geven wij dit muntje, schertsenderwijze b.v., aan
deze mens. De invloed, die wij hierdoor hebben gelegd, werkt door zolang als die persoon die
munt bij zich draagt. Op dezelfde wijze kunnen wij handelen met een stukje papier. Wij
kunnen tekens aanbrengen op papier, eenvoudige tekeningen schrijven. Het gaat hier niet in
de eerste plaats om de symboliek, maar wij kunnen van elke spreuk, die enigszins toepasselijk
is op onze problemen, plus de zuivere instraling van onze gedachten, een soort talisman,
amulet, maken. Iets, wat op de drager invloed heeft, zolang als wij op die drager ingesteld
blijven. Dit laatste is bepalend.
Daarnaast bestaat de kunst om directe bindingen te maken b.v. tussen astrale en zelfs hogere
krachten van een bepaalde persoon. Om dit tot stand te brengen zullen wij gebruik maken van
in de eerste plaats bewieroking, in de tweede plaats van het z.g. doen verdwijnen, of
verbranden. Wij kunnen hierbij o.m. een symbool zetten van een sterrenconstellatie, als wij
astrologie beheersen, n.l. die constellatie die wij als lotswerking toewensen aan een persoon.
Dat briefje wordt verbrand, gemengd met wat reukwerk, waarvoor wij bij voorkeur gedroogde
bloemen nemen. Gedroogde viooltjes, of gedroogde seringen. Zij zijn daar heel gunstig voor,
zolang dit gaat om financiën, verbetering van geheugen, verbetering van zakelijk inzicht.
Dat zijn de drie punten, daar kunt U bloemetjes voor nemen. Wij leggen beiden in een sachet,
maar wij geven dat als een potte bonhour. Evt. kun je zoiets ook vermommen. Op de een of
andere wijze in de voering van de portefeuille verborgen. Het neemt niet veel plaats in, het
kan eenvoudig in een stukje papier worden gewikkeld en ergens weggefrommeld. Het heeft
wederom zijn invloed. Maar nu is zijn invloed een andere geworden. Want door onze
concentratie hebben wij met het verbranden a.h.w. een geestenboodschap weggestuurd. Dat
is natuurlijk bijgeloof en dwaasheid. Door deze handeling hebben wij te kennen gegeven, dat
vanaf dit ogenblik al, wat op die boodschap staat, voor ons in de geest is vastgelegd. Wanneer
wij daar intens in geloven, dan leggen wij een binding, die bestaan blijft tussen het
overblijfsel, de as, en door het geven van dit overblijfsel aan en bepaald persoon,
verwerkelijken wij deze verbinding. Dit geldt niet voor krachten hoger dan zomerland. Goed
onthouden.
Dan bestaan er verder zeer vele talismans én die zijn allen gebaseerd op sterrenproblemen.
Voor elke planeet bestaan er zo'n serie van geheimtekens en met deze geheimtekens kunnen
wij een bepaalde reeks van invloeden beschrijven, die wij dan weer vastleggen in een cirkel en

129
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

omschrijven met Heersers- en Godsnamen, Dan komen wij al meer terecht in de meer
magische vormen. Ook deze heeft kracht en gelding. Maar hier is het ritueel belangrijker
geworden en ik wil U daarover verder geen inlichting geven. Deze talismanmagie is mogelijk.
Omgekeerd: wanneer wij een voorwerp in handen hebben van een bepaald persoon, ook al
zijn wij geen psychometristen, zoals wij dat noemen, dan hebben wij daarbij iets van de
persoonlijkheidsuitstraling van die persoonlijkheid. Door het voorwerp vast te houden en ons
te concentreren op de persoon aan wie het behoort, ook al weten wij niet wie het is, stellen wij
onszelf af op die persoonlijkheid. Onze gedachtekracht heeft nu een buitengewoon sterke
werking, omdat wij met die persoon zo volkomen in harmonie zijn, vanuit ons standpunt, dat
elke gedachteflits, die wij uitzenden, door de ander - meestal onbewust en dus als eigen
gedachte zal worden opgevangen - en elke reflex en elke redactie, die door ons wordt bepaald,
mode ingrijpt in het leven van anderen.
Wij moeten erg voorzichtig zijn met deze wijze van magie, dus uitzenden van krachten, waar
dit alleen mag worden gebruikt om b.v. een tijdelijke wijziging van stemming, of gezichtspunt,
tot stand te brengen, zoals een meester b.v. die hypnose soms gebruikt in een therapie om
tijdelijk bepaalde begrippen, of angsten uit te schakelen, tot het ogenblik, dat door gewoonte
en over heeft plaatsgevonden, waarna het normale toch weer terug mag komen. Men legt
geen hypnotisch gebod, dat eeuwig geldend zou moeten blijven. Men blijft het niet
voortdurend hernieuwen.
Dan hebben wij verder te maken met de beïnvloeding van menigten. Wanneer wij te maken
hebben met een menigte, dan kunnen wij ons nooit afstellen op een enkel individu. Wij kunnen
ons ook niet op het totaal van deze individuen, of zelfs hun gemiddelde, afstemmen. Elk eigen
individu heeft een eigen binding met bepaalde krachten in bepaalde werelden, die ontstaan
door eigen leefwijze, door eigen vorige vorm van deze incarnatie, plus de binding, die men
heeft met nabestaanden, een band van liefde of haat, uit vorige of deze incarnatie, waardoor
bepaald wordt op welke wijze men t.o.v. het geestelijk gebied gebonden is. Wanneer wij de
massa willen beïnvloeden, dan zullen wij trachten ons in te stellen, niet op die menigte zelf,
maar op de geestelijke associatie en de geestelijke verbindingen, die aanwezig zijn. Hierop
richten wij onze geestelijke kracht. Nooit op de persoonlijkheden, stuk voor stuk, noch op het
gemiddelde, b.v. een mentaal vermogen van de massa. De magiër, die met deze krachten
verstandig werkt, zal te allen tijde proberen om die krachten verder voor zichzelf te
concentreren op een bepaald punt vast te leggen op een bepaald punt ook. Men kan dit o.m.
doen door een stukje geslepen glas te gebruiken, waarin men de gedachten, die men hebben
wil, legt en die men daar voortdurend mee associeert. Het leggen van zo'n voorwerp op een
lessenaar, als je spreken moet, kan U helpen om door de reflex U herinneren aan het
denkbeeld, zodat U bij het uitspreken van een vooropgestelde lezing toch telkenmale weer die
gedachten zeer sterk uitzendt, deze klinken achter de woorden mee, er wordt een soort
geestelijk veld geschapen, waardoor de totale beïnvloeding van de menigte veel groter is dan
met woorden alleen bereikt kon worden:
Dan hebben wij verder te maken in de magie met z.m heilige namen en heilige tekens. Daarbij
moet het volgende onthouden worden. Een heilige naam of heilig teken is datgene, dat voor
Uzelf heilig is en door een ander als gelijkelijk heilig wordt beschouwd. Wanneer U tegen een
niet-Christen b.v. Jezus gebruikt als het heilig punt, dan zal over het algemeen door het
verschil in waardering, geen werkelijke werking optreden. Neemt U God, dan heeft U voor
allen praktisch een voorstelling, die gelijkelijk gedeeld wordt. Een concentratie op God als
zijnde het beste medium tussen U en anderen, die U wilt beïnvloeden ten goede, is dus de
aangebrachte weg, de meest juiste weg. Door ons te richten op kleine, voor ons gedeelde
belangstelling, kunnen wij ook contacten bereiken, vooral wanneer het gaat om meer
specifieke beïnvloedingen en specifieke werkingen.
Wanneer wij te maken met iemand, die in de rouw is en deze persoon gelooft b.v. aan een
voortbestaan, zoals de Chinees, de oude Chinezen, in een soort familiehiërarchie, een door de
keizer geregeerde hemel, dan kan ik mij nooit gaan richten op onze God, want dat ligt er te
ver van af. Ik kan mij ook niet gaan richten op ons idee van een voortbestaan, want dat staat
er ook weer te ver van af. Maar ik kan mij wel richten op de gedachte, dat er een

130
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

voortdurende relatie zal bestaan tussen het geslacht, dat is overgegaan en het geslacht in het
heden. Wanneer ik zelf geloof in deze geestelijke werking en ik noem dit als gemiddelde, dan
zal ik daardoor niet alleen een band voor die Chinees met zijn voorvader tot stand kunnen
brengen, maar hij kan bovendien komen - ook zeer belangrijk - tot een directe beïnvloeding
vanuit mijn begrip van het hiernamaals, via zijn begrip van het hiernamaals en het leggen van
een geestelijke band tussen de voor hem belangrijke geestelijke krachten en zijn
persoonlijkheid, plus een impuls vanuit mijn wezen, die die geestelijke krachten richt bij hun
werking.
Ik wil nog even spreken over afweermiddelen. U heef bij ons in de orde geleerd, dat de
vijfpuntige ster het symbool is van de naar bewustzijn strevende mens betekent. Gelijktijdig
staat deze vijfpuntige star ook voor 'n afweer tegen alle lage geestelijke invloeden. Zij kan
echter nooit tegen sterkere invloeden worden gebruikt. Als zodanig wordt die ster alleen
gebruikt, wanneer wij een veiligheid willen scheppen voor onmiddellijke nadelige beïnvloeding
door overgeganen. Hebben wij te maken met andere invloeden, dan zullen wij over het
algemeen gebruik maken van twee elkaar snijdende driehoeken, wij krijgen de z.g. zespuntige,
of Davidsster. Wanneer wij deze op de juiste wijze gebruiken, en wij ons de moeite willen
geven om deze dus volledig uit te beelden, dan zullen wij de bovenste driehoek tekenen in een
lichtere en de onderste driehoek in een donkerder toon. Wanneer U b.v. gebruik maakt van
rood en zwart, dan is het bovenste rood en het onderste zwart. Maakt U gebruik van de juiste
kleuren, dan zult U de bovenste driehoek tekenen in goud, de onderste in azuur. In het
centrum daarvan zet U de voor U moest betekenende Gods naam in Uw eigen schrift.
U kunt natuurlijk ook eerst zoeken naar de joodse Godsnaam en deze in joodse letters
neerschrijven, dan krijgen wij een zegel, een tetragram eigenlijk, waarmee wij dus wat meer
indruk kunnen maken, maar voor ons is dat niet noodzakelijk, wanner het er maar in staat,
wanneer het begrip er maar mee geassocieerd is. Wij onthouden, dat alle wapens, die wij aan
willen wenden tegen de geest, door ons gesymboliseerd moeten worden. Men vindt het
misschien dwaas wanneer in een voltekend tetragram een sabel en een dolk zijn weergegeven.
Toch zijn dezen noodzakelijk. Wij wenden bepaalde wapens aan om slechte geesten te
verdrijven, wij hebben een middel nodig om ze te beheersen. Daarvoor is het redelijk om de
volgende symbolen aan te brengen.
Het symbool vuur, dat bij een op de grond uitgelegd geheel kan worden gesymboliseerd door
een potje met gloeiende kolen.Verder gebruiken wij daarvoor over het algemeen ook water,
aangegeven door een paar lijntjes, zoals voor de Waterman wordt gedaan, wij kunnen het ook
doen door een bakje met vloeistof. Gebruiken wij dat in een bezwering, die wij uitzetten op de
grond, dan leggen wij er heel vaak een naald in, die gemagnetiseerd is. Deze naald wordt dan
b.v. op een stukje papier gevleid, zodat zij vrijelijk het noorden aan kan geven.
Dat heeft verder geen bijzondere betekenis. Die naald brengt men er alleen in om de afstelling
op het veld van de aarde aan te duiden. Wij rekenen dus naast dit water, dat gesteld wordt
voor het uitblussen van elke vurige kracht, bovendien nog de symbolen van wapenen. Bij
wapenen houden wij rekening met het feit, dat voor ons het beste is, wanneer wij ze reëel
gebruiken wapens van brons en van staal, niet van zilver. Wanneer van staal een wapen wordt
gebruikt, moet het zo liggen, dat het geen enkele lijn beroert, of snijdt. Het heeft allemaal zijn
symbolische inhoud. Dan hebben wij verder daarbij rekening te houden met het feit, dat elke
keer, wanneer wij zo'n figuur maken, (hetzij dat wij ze tekenen, dus willen gebruiken alleen als
een machtszegel, ofwel als een heel diagram uittekenen b.v. op de vloer), om tijdens een
bezwering, of incantatie, daar bijzondere kracht mee te krijgen, dat zij steeds moet zijn
omsloten door 2 banden, die volledig parallel lopen en als een cirkel geheel omsluiten:
In die cirkel kunnen wij alles zetten, wat wij willen. Hebben wij geen bepaald doel: dan zullen
wij over het algemeen Godsnamen nemen, of wel b,v. Meesternamen: Osiris, Jezus, Isis e.d..
Onder Godsnamen kunnen wij verstaan. God, Heilige Geest, ook wel Messias, als een uiting
van een Godsvorm. Daarnaast: Tetragrammaton. Zetten wij er een spreuk omheen, dan moet
die spreuk steeds genomen worden uit een boek, dat voor ons zeer belangrijk, of heilig is. Het
moet niet zo maar een citaat zijn. Het beste is voor de meeste mensen een spreuk, die men
uit psalmen haalt, of bijbelboeken. Daarin vinden wij veel dingen, die wij respecteren om hun
131
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

grote waarde, die bovendien door menig Christen als Goddelijk worden gezien. Door dezen te
schrijven, krijgen wij dan dus inhoud. Dan zullen wij over het algemeen beginnen met het
eerste woord boven de top van ons diagram, bij de gele punt, die naar boven steekt, die
a.h.w. onderstreept wordt door de basis van de blauwe driehoek. Daarbij brengen wij een
scheiding aan. Maken wij gebruik van namen, dan zullen wij de naam er boven schrijven en
dan een eenvoudig kruisje, een rechtstaand kruisje, er kan ook een Andreaskruis voor gebruikt
worden - en dan zetten wij er de andere namen verder bij.
Spreuken: Bij die punt brengen wij de scheiding aan en die bestaat meestal uit drie stippen. 2
x 3 stippen aangevende het Goddelijke in zijn openbaring in het einde en in het begin.
Hebben wij gebruik gemaakt van z.g. magische kernspreuken, spreuken, die b.v. uit de
Hindoeboeken komen, dan brengen wij drie rijen aan, aangevende het 3 x 3 = 9, maar ook is
de derde macht van 3, zoals 27, dat ook weer negen is. Het is getallensymboliek, die er bij
komt. Daarna wordt de spreuk zo uitgeschreven, dat zij zoveel mogelijk de rand vult, de rest
wordt met een golvende lijn aangevuld. Deze diagrammen kunnen dus worden gebruikt in de
eerste plaats als machtswapen tegenover geesten. Indien U last hebt van geestelijke storingen
- niet in de mens, maar het optreden van voortdurende schrikbeelden, die U meent te moeten
toeschrijven aan spoken e.d. -, dan kan het aanbrengen van dergelijke zegels bij deuren en
vensters soms een buitengewoon goede invloed hebben. Zij kunnen verborgen worden. Hun
uitstraling is niet van de zichtbaarheid, alleen van de aanwezigheid afhankelijk.
Wanneer wij te maken met oproepen, bezweringen, dan hebben wij altijd maar één zo'n zegel
en dat wordt, indien klein getekend, gehanteerd als een wapen en wel vanuit de rechterhand.
Het wordt tijdens de incantatie getoond. Wanneer ik het gebruik in zijn grote vorm, dan zal ik
door brandende wierook te plaatsen in de kern, in het middelpunt onder de Godsnaam, en evt.
op de vier hoeken overeenkomstig met de windrichtingen, aanduiden, dat dit symbool het
machtsteken is van God enz. Dat is een gegeven over de magie, dat U moet weten, waarvan ik
niet aanneem, dat U het verder zult gebruiken. Voor Uzelf is het echter voortdurend voldoende
voor afscherming, om zelfs denkbeeldig, rond Uzelf twee cirkels te trekken en daartussen een
aantal heilige, of Godsnamen, te plaatsen.
Zolang U zich temidden van deze cirkel bevindt, bent U veilig. Wanneer U de cirkel
overschrijdt, is de veiligheid verbroken. Een denkbeeldige cirkel echter, zolang U ze in
gedachten houdt, beweegt zich met U mee en zal dus een voortdurende bescherming voor U
vormen, zo lang als Uw aandacht erop gericht blijft. Door een scherpe concentratie kan zelfs
tijdens de slaap vanuit het onderbewustzijn een dergelijke afscherming in stand worden
gehouden. Verder heb ik nog de kwestie van de oefeningen en dan gaan wij het eerste
gedeelte besluiten.
Ik wil U de volgende oefening aanbevelen: Probeer U te concentreren op willekeurige
voorwerpen door Uzelf leeg te maken van gedachten, terwijl U ze hanteert. Probeer de invloed
van een voorwerp af te lezen, een poging tot psychometrie in feite. Probeer uit aanvoelen ook
ten opzichte van mensen en wel door mensen waar te nemen, die U b.v. niet kent en te
trachten daaromtrent een idee te krijgen. Verder: t.o.v. geestelijke proeven: probeer, vóór U
in slaap gaat, Uzelf op te leggen, dat U de droombeelden, die evt. zullen ontstaan, vast zult
houden en probeer U dan te concentreren op een bepaalde wereld, of op een bepaalde
persoonlijkheid. Daar kunt U ook ons voor nemen. Wanneer U in deze ervaring en op zou
doen, dan kunt U ervan overtuigd zijn, dat deze dus een basis van werkelijkheid hebben.
Probeer zoveel mogelijk U bewust te worden van de krachten, die rond U zijn. Probeer aan te
voelen, wanneer Uw geleiders, Uw meesters. Uw helpers in de buurt zijn. Voer Uw sensitiviteit
t.o.v. Uw omgeving voortdurend op door te trachten a.h.w. ideeën en gedachten te begrijpen,
ook wanneer ze niet uitgesproken zijn. Probeer anderen steeds een slag voor te zijn. Neem
daarvoor ongeveer 2 uur in de week, waarop U zich dus speciaal daarop concentreert.
Doe dit een 1/2 uur temidden van Uw beroep, of in de omgeving, waar U gebonden bent aan
wetten, doe het een uur in Uw eigen omgeving, waar U het hele milieu en alles, wat er is,
kent, doe het daarnaast 2 x uur buiten. Doe de proeven van gevoeligheid en sensitiviteit t.o.v.
van vreemden en dan nog bij voorkeur dáár, waar U mogelijkerwijze toch nog enige gegevens
te weten komt.
132
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

B.v. Als U ambtenaar aan een loket zou zijn en U ziet iemand aankomen en U denkt, dat hij bij
Uw buurman komt, probeer enige problemen van die persoon en ook enige gedachten op te
vangen. Die kunt U later misschien nog even controleren. Verder: voer, als U kunt de proeven:
die ik U gezegd heb met de ogen verder door, maar nu met de volgende varianten:
Maak U eerst een denkbeeld, een uitgebreid denkbeeld dus van een persoonlijkheid, van een
wezen, of een sfeer, waarmee U contact zoekt. Laat vervolgens op dezelfde wijze na deze druk
dus, aan dit wegvegen naar de slaap toe, de beelden die voor de ogen kunnen rijzen, de
invloeden en kleuren, die dan komen als een associatie met het beeld in U rijzen en tracht
deze beiden in overeenstemming te brengen. Het is niet alleen een oefening van Uw fantasie,
zoals U misschien zoudt denken, maar het is een oefening in het erkennen van associaties.
Door deze associaties sterk te erkennen zult U associaties later beter kunnen ontleden en hun
oorzaak beter kunnen begrijpen. Iets, wat voor de magiër zeer belangrijk is, omdat hij
uiteindelijk juist beïnvloedingen, die een normaal mens ontgaan, voor zichzelf leren kennen en
leren beheersen.
Nu zullen wij de zitting maar onderbreken voor de pauze en kunt U even ademhalen. In het
tweede deel kunt U nog evt. vragen stellen, of U kunt een onderwerpje opgeven, of een
behandeling van een bepaald punt.
De zaak is gesloten, vrienden, ik wens U verder een zegenrijke avond toe.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Het tweede gedeelte zal wel kort worden en is bestemd voor evt. vragen, of een klein
onderwerp.
Er is genoemd Zomerland, klank en kleur, geluid. Moeten wij dan de kracht uit het
Goddelijke nemen en die later dus verdelen door deze krachten uit deze gebieden?
Dat is niet noodzakelijk. Wanneer je je richt tot iemand, dan neem je aan, dat hij zelf voor de
rest zorgt. Als je je tot God richt, dan heb je de grote onderneming, die is zo iets als van Gend
en Loos. Maar dan kun je elke bededienst aanspreken. Op deze manier is het zo ook als je je
richt tot Zomerland, richt je je tot die groep en wat die kan door met zijn eigen werkingen,
inzichten omtrent de Goddelijke kracht. Daar hoef je dus zelf geen verdere Goddelijke kracht
bij te halen. Het is een kwestie van opdracht geven. Als iemand tegen U zegt, dat je naar
Haarlem moet gaan om dokter Jansen op te zoeken, wat doet U dan? Zegt U dan, dat Uw
directeur eerst komen moet om U dat te zeggen? Waarom zou een geest dat anders doen? Het
is allen een kwestie van veel te ver doorvoeren. Neem de dingen, zoals zij gezegd zijn. U zult
zien, dat zij zin en rede hebben.
Nu gaan wij over tot het onderwerpje.

INTUÏTIE
Wij kunnen zeggen, dat intuïtie een niet gerealiseerd weten is, aangevuld met een kennen van
komende omstandigheden, of niet kenbare omstandigheden, op een zodanige wijze binnen het
ik uitgedrukt,dat het niet als een duidelijk kenbaar beeld, maar eerder als een aanvoelen
merkbaar wordt.
Hieruit volgt, dat elke intuïtie, elke intuïtieve drang, elke intuïtieve vaststelling, voorkomt uit:
a. het onderbewustzijn,
b. het niet gerealiseerd kennen, of waarnemen,
c. uit de contacten, die het ik al of niet bewust heeft met andere krachten.
Als zodanig is de intuïtie voor de magiër zeer bruikbaar en kan tot deel van de magie worden
gemaakt, ofschoon zij dit niet voor zich is. Dan zeggen wij dus in de eerste plaats, dat de
magiër de intuïtie zal bezien niet als een op zichzelf magisch wapen, maar als een instrument,
waardoor de magische beheersing van de niet algemeen erkende wetten makkelijker mogelijk
wordt. Hij zal zijn gevoeligheid - of intuïtie - dus aanmerkelijk trachten te ontwikkelen, totdat

133
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

hij op de duur alle, ook niet onmiddellijk gerealiseerde waarnemingen mede in elke gedachte,
in elke realisatie verwerkelijkt. Verder zal hij trachten in zijn intuïtie het totaal van zijn eigen
onderbewustzijn mede tot uiting te brengen. Hij zal dus een voortdurend sterker beroep doen
op elk weten en ervaring, ervaren, wat in hem stoffelijk is vastgelegd. Heeft hij ook dit
gedaan, dan zal hij daarnaast, door zijn bewuste concentratie, zijn regelmaat van de
meditatie, in staat zijn bepaalde geestelijke krachten voortdurend bij zijn eigen wezen en
werken te trekken. Hij begrijpt, dat het niet altijd mogelijk is, direct en onmiddellijk op te
vangen, wat zij hem zouden willen zeggen. Maar zij worden wel door hem aangevoeld. En als
zodanig wordt middellijk, via de intuïtie dus, toch ook een uitdrukking aan hun weten en aan
hun kennen gegeven. In intuïtie echter zal nooit sprake zijn van een directe en geheel
volledige weergave van zuiver geestelijke waarde. Altijd zullen waarnemingswaarden, die niet
gerealiseerd werden, plus waarden van het onderbewustzijn, mede een rol spelen. Als zodanig
weet de magiër, dat elke intuïtieve reactie een reactie is van zijn eigen persoonlijkheid, evt.
gestimuleerd tot stand gebracht, aangemoedigd, of afgeremd, door invloeden uit bepaalde
geestelijke sferen.
Dan stellen wij voor intuïtie de volgende regeltjes:
Ik stel deze regels direct uit het standpunt van iemand, die magisch tracht te streven en te
werken. Om te komen tot een zuiver verwerken van mijn intuïtieve impulsen zal de magiër
steeds trachten zich te realiseren, waarom hij handelt. Hij zal dus trachten de onbewuste
elementen, althans in hun uiting, te erkennen. De magiër zal trachten steeds meer op deze
intuïtie te bouwen, dus in feite de onderbewuste factoren een voorrang te verlenen boven
bewuste redenering. Hij wordt hierdoor in staat gesteld sneller en juister te reageren met het
totaal van zijn kennis, want elk nadenken betekent een vertraging van actie, betekent een
beperking van reactiemogelijkheid en verder vaak een misleiding door verstandelijke
voorstelling, die niet met de werkelijkheid gelijk komen.
Naarmate de intuïtie zich ontwikkelt, zal ook de gevoeligheid zich verder ontwikkelen. Dit
houdt in, dat iemand, die een scherp intuïtie heeft, op de duur in staat zal zijn door diezelfde
gevoeligheid gericht te gebruiken de bron, waaruit de intuïtie geestelijk voortspruit,
onmiddellijk te herkennen en aan te voelen. Er komt dan een persoonlijkheidskennis bij van
degene, die inspireert. Voor wij het weten is de intuïtie in een bewust ontvangen inspiratie
veranderd. Hierbij is het dan mogelijk geworden eigen onderbewuste elementen sterk uit te
schakelen en zo op de duur zelfs eigen waarneming sterk kunnen worden achtergesteld bij de
geestelijke indrukken, die wij opdoen.
Het aanvoelen van omstandigheden, van sfeer e.d., is zeer belangrijk. De magiër werkt
immers, tenzij hij zich strikt houdt aan de oude formulieren, altijd enigszins op wat wij intuïtie
kunnen noemen. Hij zal zich voortdurend kunnen baseren op hetgeen hij aanvoelt als juist.
Dit aanvoelen van juist betekent zijn eigen wezen, maar daarnaast een - even belangrijk
misschien - ook het aanvoelen van andere wezens die meewerken, of hem beïnvloeden. Hij zal
er rekening mee houden, dat deze intuïtieve werkingen alleen zuiver en juist kunnen zijn,
wanneer zijn eigen instelling voldoende is. Op het ogenblik, dat de mens teveel is ingesteld op
het zuiver stoffelijke, zal hij invloeden krijgen, die niet onstoffelijke, of geestelijk zuivere
impulsen kunnen afsturen. Het gevolg is, dat de intuïtie dan vertroebeld en langzaam maar
zeker wordt tot een zelfmisleiding, waaruit slechts duistere geesten enig nut trekken, terwijl
voor de persoon zelf daar te veel teleurstellingen aan verbonden zijn.
Het is dus noodzakelijk intuïtie alleen dan te aanvaarden, wanneer: geen verstandelijke actie,
of afmeting onmiddellijk mogelijk is en een onmiddellijk handelen noodzakelijk, dan wel:
wanneer door eigen instelling en concentratie men overtuigd is, dat eigen wezen op zo hoog
mogelijk geestelijk niveau afgestemd zijn, zo dat aangenomen kan worden dat de intuïtieve en
inspiratieve waarden, die ons bereiken, inderdaad stammen uit de lichte gebieden.
Men houde daarbij verder voor ogen, dat het handelen op intuïtie altijd een verscherpt
geestelijk reageren van het ik teweeg brengt. In het onderbewustzijn zitten n.l. de eigen
geestelijke factoren scherp en duidelijk uitgedrukt, met het gevolg, dat eigen geest meer

134
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

zeggingsschap krijgt, naarmate wij meer van onze intuïtieve ervaringen, gedachten en
gevoelens gebruik maken.
Was het in zijn kortheid omvattend genoeg?
Hoe durf je op je intuïtie af te gaan?
Dat durf je meestal niet, omdat je meent, dat je verstandig bent, maar laten wij wel
onthouden, dat degene die meent, dat hij verstandig is, teveel vertrouwt op zijn verstand om
met deze verstandelijke waar inderdaad verstandige handelingen te kunnen plegen. M.a.w. de
mens, die zich voortdurend op het verstand beroept en daarbij de gevoelens, de intuïtie e.d.
terzijde stelt, handelt misschien vanuit stoffelijk standpunt correct, maar zal altijd iets anders
bereiken dan hetgeen hij nastreeft.
Wilt U nog een definitie hebben?
Ja, van politiek.
Politiek is zelfmisleiding van de leiders der massa overgedragen op de massa, waardoor de
totale misleiding op een mislukking der politiek uitloopt. Politiek is een reeks van irreële
handelingen, gebaseerd op juiste voorstellingen, waarbij de eenzijdigheid van het standpunt
een verwerkelijking van het gestelde onmogelijk maakt, waardoor in feite een windhandel in
ideeën ontstaat, die iedereen windeieren legt, behalve degenen, die hun bestaan ontlenen aan
het leggen van dergelijke windeieren.
Anders gezegd: de enige, die beter wordt van de politiek, is meestal de politicus.
Ik zelf zal er nog eentje bij geven. Het is n.l. dit:
Magisch streven. Magisch streven is het erkennen van een werkelijkheid, die boven de
verstandelijke werkelijkheid gelegen, ons in staat stelt de wetten van de verstandelijke
werkelijkheid buiten werking te stellen en daarvoor Goddelijke wetten in de plaats te stellen,
die zich in ons eigen en in het leven van anderen onder de beperking van de Goddelijke wet
kenbaar maken.
Nu weet U meteen, waarom je bij de magie op een gegeven ogenblik je verstand toch een
klein beetje moet laten rusten. Want: wie zijn verstand teveel gebruikt, gebruikt de
beperkingen van het verstand sterker dan de mogelijkheden. Alle verstand is n.l. beperkt door
opvoeding en milieu, plus de geldende opvattingen en gewoonten van zijn maatschappij,
waardoor hij een oordeel heeft, althans verstandelijk, over vele waarden, die niet te
beoordelen zijn vanuit dit standpunt, omdat zij eeuwig zijn en niet onderworpen aan de zeer
beperkte wetten, maatregelen en mogelijkheden van een bepaalde maatschappij, of een
bepaalde persoonlijkheid, of een bepaalde opvoeding.
Dit is voor vandaag voldoende, vrienden. Kort en krachtig komt 't laatste woord aan de beurt.
Het was mij een genoegen, tot een volgende keer.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Kort gaan wij nu, vrienden, met het Schone Woord besluiten aan de hand van een door U te
stellen onderwerp.
Sleutel.
SLEUTEL
Een sleutel heeft geen zin, tenzij er een slot bestaat, dat daardoor kan worden geopend.
M.a.w. er zullen vele sleutels zijn in het bestaan, die allen passen op een bepaald deel van het
leven.
Het is onmogelijk met één sleutel het werkelijke raadsel van het bestaan volledig te onthullen.
Eerder wordt fase na fase der Schepping voor ons open geworpen, naarmate wij meerdere
sleutels leren begrijpen en ons eigen wezen zo juister weten aan te passen aan de
mogelijkheden, die de Schepper ons gegeven heeft.

135
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 8 – 14 april 1960

Fase na fase groeit de mensheid, fase na, fase groeien ook wij.
Te allen tijde zijn voor ons de sleutels beschikbaar, nodig voor een volgende fase van
bewustwording. Ook wanneer alle sleutels, die gezamenlijk voor ons het kosmisch raadsel
onthullen, voor ons klaarliggen, kunnen wij ze als zodanig niet beseffen, noch begrijpen. Wij
kunnen slechts die sleutels begrijpen, aanvaarden en hanteren, die volgens ons eigen
bewustzijn een zekere reactie kunnen wekken in ons.
Het slot, waarop de sleutel past, is ons bewustzijn. En ons bewustzijn zelf is het wat staat
tussen ons verlangen naar volmaaktheid en onze erkenning daarvan.
Zo is bewustwording noodzakelijk. Wanneer de bewustwording als proces langzaam maar
zeker toeneemt, langzaam naar zeker zich uitbreidt, dan zullen steeds weer nieuwe gebieden
voor ons kenbaar worden en ook nieuwe mogelijkheden.
Bij elk nieuw deel van de Goddelijke waarheid, dat zich aan ons openbaart, vallen echter ook
vele beperkingen weg. Degene die in het doolhof zit, meent zich omsloten door enkele
vijanden. Degene, die uit ziet over de doolhof, kent de weg in en uit, begrijpt de werkelijke
samenhang der dingen en ziet, wat voor anderen een bittere ernst misschien is, als een spel.
Zo gaat het met ons. Veel van de grenzen, die in de doolhof van het leven bestaan, vallen
weg. Daarvoor erkennen wij echter andere noodzaken en verplichtingen.
Naarmate onze wereld zich uitbreidt, zien wij steeds nieuwe mogelijkheden, nieuwe krachten
en nieuwe wegen. Maar elke weg brengt met zich verplichtingen, grenzen en wetten, hoewel
gelijktijdig de wetten, die voordien bestonden, vervallen zijn.
Het is onze taak om het Goddelijk wezen in onszelf zo goed en zo sterk mogelijk in ons te
realiseren, gebruik te raken van elke sleutel, die ons gegeven wordt ter verdere
bewustwording, tor verdere ontplooiing van ons wezen.
Het is zeker onze plicht tegenover God en tegenover onszelf om steeds weer te zoeken naar
die nieuwere, die grotere schonere wereld, waarin ons wezen zich verheft boven de kleine
dingen en de grote samenhang kan beseffen.
Laat ons daarom nooit de Schepper vragen ons boven anderen te verheffen. Laten wij ons
wezen tot Hem richten in een dank, waar Hij ons steeds weer de sleutel geeft, die de volgende
fase om zijn voor ons doet ontsluiten in ons mogelijk maakt om steeds iets verder door te
dringen in Zijn wereld en steeds intenser geluk en een steeds verwonderder, ook verheugder
erkennen van de grootsheid in Zijn Schepping aanwezig.
Wij wensen U allen een goede avond, tot een volgende maal, hopende, dat U in die tussentijd
veel kracht en zegen op Uw weg zult vinden en onzerzijds U verzekere, waar wij U bij kunnen
staan ter volbrenging van 't goede werk, wij niet van Uw zijde zullen wijken.
Gezegende avond.
o-o-o-o-o

136
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

LES IX

Goeden avond, vrienden,
Is er nog iets op te merken over de vorige lezingen?
Graag zou ik nog iets willen weten over de houdingen van de handen en de voeten. Er is
zoveel materiaal doorgekomen.
Bij de houdingen is het eenvoudigste, indien U dit onthoudt: Op het ogenblik, dat wij in onszelf
besloten zijn, wordt een houding aangenomen, waarbij alle zenuw en lichaamstromen zoveel
mogelijk ook gesloten zijn, zodat wij tegen de buitenwereld afgeschermd zijn.
Op het ogenblik, dat wij met de wereld werken, onverschillig welke wereld, dan zullen wij
daarentegen ons zo stellen: Ik zit anders zó, maar dat mag ik dan eigenlijk niet doen. Als het
juist is, zou ik mij dan zó moeten zetten met de benen en armen. Dan kan ik stralen, dan kan
ik werken, dan kan ik ook mijn moedra's gebruiken. De details kunt U verder zelf opzoeken.
Dat is het fundamentele.
Daar berust alles op. Er is nog één ding bij: op het ogenblik dat je werkt met de geest en je
hebt dus contact, wordt het wel eens beter om te sluiten. Dan gaan de enkels over elkaar. Als
je dat niet kunt, doe je de benen over elkaar, is het ook in orde. Het schermt ook weer
enigszins af en geeft daardoor een grotere handelingsvrijheid en een grotere denkvrijheid.
Ik ken een genezer en hij deed zijn benen ver van elkaar. Ik heb altijd geleerd dat je de
benen tegen elkaar moet zetten, opdat je de invloeden van de patiënt kunt opnemen.
Dat is een kwestie van hoe werk je? Ben je in staat de invloeden van de patiënt te overwinnen
en af te weren, dan geeft het helemaal niet, hoe je werkt.
Die man ligt nu in diggelen: ik heb hem gezegd, dat hij in de toekomst de benen bij elkaar
moet doen. Misschien dat het daardoor komt, maar dat weet ik niet.
Het ligt er aan: wat voor werk is het? Wat voor patiënt heb je voor je. Je kunt het niet over
één kam scheren. Het is niet zo, dat wij voor alle genezingen een standaardwerkje hebben:
houding B is voor patiënt A. Het is zo: er komt een mens. Die mens heeft een bepaalde
afstemming, waarmee jij moet werken. Dus je moet jezelf daarop instellen. Die instelling op
zichzelf is ook nog niet voldoende. Je moet bovendien in staat zijn kracht aan te trekken van
buiten en die kracht weer te projecteren op je patiënt. Wij hebben daarvoor wel veel methoden
geleerd, maar één ding is zeker. Indien ik een patiënt heb waar ik moeilijk contact mee heb,
kan ik niet beginnen met een dergelijke houding, dan kan ik mijzelf niet gedeeltelijk afsluiten.
Dan raak ik mijn contact kwijt. Heb ik te maken met iemand, die volkomen gelijk is afgestemd,
dan geeft het helemaal niet zelfs al zou ik in de perfecte afschermingshouding gaan zitten, dan
maakt dat nog niets uit. Dan is dit contact er en dan heb ik helemaal geen kracht van mijzelf
nodig. Dan is die gelijkheid van afstemming voldoende om de kracht in te doen treden.
Ik had graag willen weten, wat voor invloeden ik op mijn werk heb?
Daar ga ik op het ogenblik beter niet op in.
Als er verder geen vragen meer zijn, ga ik verder met een paar punten over de magie. Dan wil
ik dat even van een andere kant bezien. Voortdurend hebben wij het tot nu toe gehad over de
incantatie, de wijze, waarop wij werken. Laten wij het nu eens even anders bezien. Dan wil ik
degenen, die er bij zijn geweest, even verwijzen naar hetgeen in onze cursus twee jaar
geleden is gezegd.
U weet allemaal wel wat een dimensionaal systeem is en wat een vierde dimensie is. Wanneer
wij werken met de magie, dan kunnen wij op een gegeven ogenblik contacten opnemen met
werelden, die niet de onze zijn. De hele magie is werken met wetten van andere werelden in
onze eigen wereld. De wereld ligt in andere verhoudingen qua dimensie. Zij ligt niet in andere
verhoudingen qua wet. Juist daardoor zijn wij in staat te werken en invloed uit te oefenen.

137
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

Als wij het heel simpel moeten zeggen, dan kunt U het als volgt formuleren:
Op het ogenblik, dat ik mijzelf in een bewustzijnstoestand kan brengen, die mij in staat stelt
een uitgebreidere wereld te concipiëren dan mijn eigen, zal ik in contact komen met een
wereld van andere dimensionale verhoudingen, waarin ik in kan grijpen volgens de wetten en
handelingen van mijn eigen wereld. Elk ingrijpen in die andere wereld door mij, zal echter
onmiddellijk repercussies hebben voor mijn eigen wereld.
Een volgend punt: een kwestie van kracht. Kracht krijgen is natuurlijk betrekkelijk eenvoudig,
wanneer je weet hoe. Het is een kwestie van persoonlijke instelling en van persoonlijke
afstemming. Zodra je maar zorgt, dat je in contact bent met wat voor jou hoog en rein en
goed is voor jou persoonlijk, het hoeft helemaal niet volgens iedereen zo te zijn, dan kom je
daardoor vanzelf in een toestand, waarbij je krachten uit hogere sferen verkrijgt.
U moet echter goed onthouden - en dat is voor de magie wel zeer belangrijk. Maatstaven, die
op aarde gelden, ongeacht of deze sociale, zedelijk, of andere normen zijn, gelden niet zó in
andere werelden. Wij kunnen dus niet volgens ons eigen oordeel daar oordelen. Wij kunnen
ook de gevolgen van een magische werk niet zien volgens de norm van het menselijk denken.
Daarvoor in de plaats kunnen wij echter wel dit verkrijgen. Op het ogenblik, dat wij een
bepaald aantal punten als goed hebben erkend en een bepaald aantal punten daarentegen als
kwaad zien, dan zullen wij door het goed te handhaven, onverschillig in welke wereld wij
komen en het kwaad te ontkennen, onverschillig in welke wereld wij komen, bereiken, dat elke
Kracht en elke wereld, waarop wij in contact komen, voor ons goed is. Nu heeft ieder zijn
eigen symbolen, zijn eigen gedachten en zijn eigen geloof de kwestie van afscherming die
zoals U weet, in de magie nogal eens noodzakelijk is, is er een van begrippen.
Op aarde maak je gebruik van een aantal namen, die daarvoor geschikt zijn en die wij al
meerdere malen, herhaald hebben, Tetragrammaton, Messiah, enz. enz..
Al die namen zijn symbolen van krachten. Wij kunnen voor elke naam evengoed een andere
naam zetten, wanneer deze voor ons belangrijk is en goed. Dan zullen wij desnoods in die
kring ook kunnen schrijven: Jan, Piet en Klaas. Elke naamgeving is een symbool. Wanneer het
gesproken woord, het geschreven woord, plus het begrip elkaar volkomen dekken, dan is het
niet noodzakelijk ons verder te houden aan bepaalde standaardnamen. Wanneer wij dat toch
doen, dan doen wij dit hoofdzakelijk, omdat wij niet zeker weten, of de naam, die voor ons
waarde heeft, ook voor anderen waarde heeft. Een afscherming voor onszelf kunnen wij dus te
allen tijde leggen volgens ons eigen begrip van goed.
Wat wij echter niet kunnen, is die afscherming even krachtig en even gewelddadig en machtig
maken voor een ander. Wij kunnen dit alleen, indien die anderen gelijk denken, of een gelijk
geloof hebben met ons. Het is dus redelijk, wanneer wij werken met een afscherming die voor
een ander bedoeld is, te trachten eerst diens denken en geloven te doorgronden en aan de
hand van dit geloof en de geloofssymbolen, die deze mens kent en in zich draagt, de
afscherming te benoemen. Maar wij kunnen nooit tot een dergelijke benoeming overgaan,
wanneer wij zelf niet een gelijksoortige waarde hechten aan het symbool, aan het woord, aan
de naam.
Nu zijn wij een klein beetje aan de opruiming bezig, vandaar dat het vandaag zo'n beetje
uitverkoop is. Wij komen een hele hoop verschillende punten tegen. Wij hebben ook nog de
kwestie – magisch - van het jezelf projecteren in anderen, ofwel in jezelf een projectie van een
ander opbouwen. De magiër noemt dit het uitdrukken van sympathische werkingen
Die sympathie bestaat uit een eenheid van denken en geloof. Op het ogenblik, dat wij die
eenheid werkelijk bereikt hebben, is er voor een kort ogenblik een volkomen identiciteit tussen
ons eigen wezen, qua ervaren en gevoelen, en dat van degene, met wie wij ons bezig houden.
Om hier de beste resultaten te krijgen, b.v. voor het stellen van een diagnose bij een ziekte,
het aanvoelen van geestelijke problemen, het helpen oplossen van bepaalde dingen, of een
perfecte samenwerking daar, waar deze noodzakelijk is, zullen wij altijd hierbij het volgende
moeten opmerken: Elk beeld, dat wij van een ander ontwerpen in onszelf, krachtens rede en
kritiek, is een beeld van ons eigen wezen. Het kan nooit een volledige weergave van een ander
zijn. Het is noodzakelijk de ander zonder vraag te accepteren voor dat, wat hij/zij is en dit
138
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

beeld in ons te doen werken. Van daaruit kan de sympathische werking beginnen en kunnen
wij komen tot vaststellingen, die voorons noodzakelijk zijn. Nog een punt, dat ik voor
hedenavond voor mijzelf nog naar voren wil brengen, is dit:
Verschillende malen hebben wij gesproken over de fantasie. Wij hebben gesproken over de
"Scheingestalt". Deze dingen zijn niet reëel. Zij zijn voor een leek zeer moeilijk te hanteren.
Wanneer je begint met een fantasie voor werkelijke daad te nemen zonder meer, dan kom je
in het gevaar, dat je de realiteit achterlaat. Wanneer je een "Scheingestalt" opbouwt en je
vergeet, dat het een bouwsel van je eigen wezen is, dan zal die "Scheingestalt" voor jou wel
werkzaam zijn, maar men zal nooit tot een volledige zelfstandigheid kunnen komen. Elke
fantasie is aanvaardbaar, elke fantasie bestaat binnen het Goddelijke. Elke fantasie is alleen
aanvaardbaar en verwerkelijkbaar in onze wereld, wanneer zij tevens is aangepast aan de
redelijke kritiek, die wij uit kunnen oefenen, op de fantasie. Wij zullen de fantasie moeten
beperken volgens de rede, die in onze wereld geldt om haar in onze wereld volledig te
realiseren. Wanneer wij tot andere werkingen komen, onverschillig hoe of wat, dan geldt
wederom hetzelfde. Ook de "Scheingestalt" kan worden opgebouwd tot een volkomen
almachtig wezen. Zij kan worden gemaakt tot een pseudo-God, maar zij moet steeds daarbij
ook beantwoorden aan de rede van onze eigen wereld, willen de werkingen van deze
"Scheingestalt" niet tot noodlottige gevolgen kunnen leiden door misverstand. Het is
noodzakelijk, dat U in de magie alles baseert op Uw eigen wereld, onthoudt dit goed. Dat U in
deze eigen wereld een ander denken hebt en een andere waardering dan een normaal mens, is
volledig redelijk, want als je tot de magie overgaat, kom je zelf tot een hoger leven en hoger
denken.
Zelfs wanneer je in de zwarte magie gaat, richt je bewustzijn ver boven dat van de
doorsneemens. Je wereld, zoals je die kent is uitgebreider en zij omvat meer sferen. Maar Uw
eigen wereld. is de wereld, waarin het resultaat wordt verlangd. Uw eigen wereld is het, waarin
U met de magie werkt. Dan zal elke magische waarde moeten beantwoorden aan de redelijke
normen van Uw eigen wereld, zij het dan, dat deze niet de z.g. filosofische, of
wetenschappelijke rede van de doorsneemens is.
Wetenschappelijke rede laat n.l. veel onbekende factoren buiten beschouwing. Filosofische
rede speculeert, maar is over het algemeen veel te eenzijdig daarbij. Noch eenzijdigheid, noch
beperking kunnen wij daarbij gebruiken. Wij moeten weten, dat elk resultaat, dat wij willen
bereiken tastbaar moet zijn. Het moet in onze eigen wereld thuishoren en wij moeten
desnoods een wetenschappelijk denken gebruiken, of zonodig de resultaten van ons werken in
de stof voor onszelf zozeer kenbaar maken, dat wij daaruit voor onze eigen stoffelijke wereld,
wanneer wij in de stof leven, de nodige gevolgtrekkingen kunnen maken.
Er zijn ongetwijfeld in het verleden punten behandeld, waarop U nog een nadere toelichting
wenst.
Om een ander te leren kennen en wat er in hem leeft, moet ik proberen een zo goed
mogelijk concept van deze persoon in te leven? Dit berust toch op een persoonlijk concept?
Neen, het is juist zo, dat, wanneer wij er over na gaan denken dan maken wij al een
persoonlijk concept. Maar een zuiver persoonlijk concept in het project van onze eigen
innerlijke bewustzijnsvorm, en kan dus nooit de waarheid omtrent de ander bevatten. De
persoon zelf wordt door ons gekend, zij het in een bepaald deel van zijn wezen. Door die
persoon op te nemen, het beeld te absorberen en ons niet af te vragen: Hoe denkt die
persoon? Hoe is die persoon? Wat is die persoon? Je moet die persoon a.h.w. in je zelf
opbouwen, tot hij er is, dan te kijken, hoe je handelt, i.p.v. hoe je handelen moet, krijgen wij
de impulsen vanuit die persoon en kunnen wij voor een diagnose dus precies voelen, waar hij
pijn heeft, kunnen wij voor een geestelijk probleem plotseling zien, hoe die mens bestaat t.o.
het probleem i.p.v. hoe wij er tegenover staan. Op deze wijze komen wij tot een betere
werkzaamheid. Er is een verschil tussen de term "persoonlijk concept" en het in jezelf laten
doordringen van "het wezen van die ander".
U heeft dan nog gesproken over de wetten in die andere wereld en de wetten in onze
wereld. Zij verschillen. Je moet toch altijd in die andere wereld een contactpunt hebben,

139
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

waar de wetten verschillen, zoals in de wereld van klank en kleur zal de klank een van de
media zijn om in deze wereld te kunnen werken.
Het contactpunt, dat U heeft, is Uw begeren om die wereld te bereiken, plus Uw erkennen van
de waarden, die in die wereld liggen. U moet er dus iets van weten. Wij hebben U hiermee niet
te rijkelijk bedeeld. Wij hebben U een inzicht gegeven in het geheel en wij hebben U de sleutel
gegeven om voor elke wereld apart nog eens uit te vinden, hoe U er eigenlijk moet komen,
maar wij hebben het U niet met ronde woorden verteld. Op het ogenblik, dat ik weet, hoe ik in
die andere wereld moet komen, zal ik in die wereld mij bewust kunnen zijn. Dit bewustzijn
betekent, dat ik mijn eigen redelijkheid tijdelijk achter moet laten, want de wetten zijn anders.
Voorbeeld: de wet van verkeer, links of rechts houden, is gebaseerd op de veiligheid van de
weg. De veiligheid van de weg is dus de hoofdregel. Maar kom je in Engeland, daar rijden zij
aan de linkerkant. De regel kan dus volkomen omkeerbaar zijn zelfs in zijn uitwerking, maar
het principe is hetzelfde. Het principe van bepaalde dingen blijven gelijk. Zo is b.v. de wet van
harmonie en de wet van evenwicht in alle werelden precies gelijk, maar harmonie kan hier b.v.
zijn juist een beetje afstand van elkaar nemen en elders een toenadering, of omgekeerd. Dat
ligt dan weer aan de wijze, waarop in die wereld een contact gewaardeerd wordt, beleefd
wordt, hoe dit op het ik inwerkt, gezien de status, waarin men daar verkeert.
U zult dus ook begrijpen, dat wij die wetten daar eerst moeten beleven. Dat is voor de magiër
altijd erg belangrijk. Wanneer je voor het eerst met een nieuw gebied in aanraking komt, dan
moet je nooit van jezelf uit onmiddellijk allerhande acties beginnen. Wacht eerst even af, kijk
a.h.w. hoe het daar gaat, hoe het daar werkt.
Aanpassen.
Ja. Met die aanpassing zit het zo: wij kunnen ons niet aanpassen. Op het ogenblik, dat wij ons
aan een andere wereld aanpassen, verliezen wij onze eigen wereld. Als magiër hebben wij juist
onze eigen wereld nodig, want dat is het punt, waarop onze werkingen kenbaar moeten
worden. Wij kunnen ons niet aanpassen in die andere wereld, maar wij kunnen zien hoe daar
de werkingen zijn. U zult b.v. wel eens merken, dat bij bepaalde soorten magie reukwerk
wordt gebruikt, dat eigenlijk eerder "stinkwerk" zou moeten heten. Waarom worden de
onaangenaam ruikende soorten wierook gebruikt en parfums? Dat heeft zijn reden. Voor een
andere wereld is dat het juiste, het goede. Op het ogenblik dat U hier gebruik maakt van
zwartmagische symbolen - laten wij zeggen, dat U het symbool van de bok van Mendes tekent
- dan is dat hier voor deze wereld iets afzichtelijks. Voor de wereld, waarin het hoort, is het
een Godssymbool. De waardering is verschillend: Ik hoop voor U, dat U nooit met die wereld in
aanraking zal komen, het is geen prettige wereld als U met die demonenwereld in aanraking
komt en U beroept U op God, dan gebeurt er niets. Als U zich beroept op de Bok van Mendes,
gebeurt er wel wat. Zo is dat in andere werelden ook. Het Godsconcept kan van wereld tot
wereld verschillen. Maar één ding is gelijk, altijd: God is in alle lichte sferen een symbool van
liefde. God is in alle duistere sferen het symbool van haat. Dat moet U onthouden. U kunt zich
daarbij niet aanpassen. God is voor U, zoals U God denkt te zien en te kennen en niet anders.
Maar op het ogenblik, dat je merkt, dat een ander dat niet ver staat, dan kun je je aanpassen
volgens de norm van je eigen bewustzijn: In die zin, dat je t..o.v. een ander stimulansen
schept in zijn wereld, volgens zijn bewustzijn, die bruikbaar zijn voor de resultaten in jouw
wereld:
U heeft de vorige keer genoemd de bekende zuil, die aan de ene zijde een vlammend vuur
was en de andere zijde duisternis. Die dus in een licht en duister is: Hier krijgen wij dus de
werking, die wij willen beogen. Wij hebben twee verschillende werelden. Nu wil ik dus een
werking beogen, die aannemelijk is in de wereld van de ander. Ik zal dit vanuit mijn eigen
gedachten moeten doen, met mijn eigen axioma's. Zodat wij tegelijkertijd een aannemelijk
beeld krijgen voor de ander en een werking tot stand kunnen brengen. Waar dan mijn
axioma door de ander niet erkend wordt, integendeel als negatief wordt beschouwd, hoe
kan ik dan toch een positieve werking in de wereld van de ander tot stand brengen.
Er bestaat een wereld van licht, waarin U leeft en een wereld van duister. D.w.z. zolang U licht
schijnt, is het voor de ander donker. Hij kan niet zien. Wanneer U die ander de gelegenheid wil
geven tot handelen, dan zult U Uw licht moeten doven.

140
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

Nu is het wel zo, dat wij allemaal tot een wereld behoren, die naar het licht streeft. Vandaar,
dat wij het recht niet hebben ons licht onder een korenmaat te zetten. Dat hebben wij alleen,
wanneer wij te maken krijgen met een andere wereld, waarin ons licht onverdragelijk is.
Dat is de logische actie. Stel U voor, dat U vegetariër bent. U krijgt een patiënt, die door een
te sterk vegetarisch dieet geelzucht heeft gekregen, gal evt. niet in orde: dan moet U daar iets
voor gaan schrijven. Dan kunt U zeggen, dat U het vegetarisch doet, maar U kunt ook zeggen,
dat U die mens eerst een paar biefstukjes te eten geeft. Dat is juist hetgeen, waardoor hij
weer op kan knappen. Dan gaat U tegen Uw eigen principe in, maar voor de ander is het goed.
Dan hebben wij hier weer het probleem van licht en duister, wat voor U licht is, is niet altijd
voor een ander licht.
Ik moet dus iets tot stand brengen, wat door de ander geaccepteerd kan worden.
Dat kunt U dus alleen doen door de ander te erkennen voor wat hij is en niet alleen als zijn
eigen beeld. Vandaar, dat wij dus hier even gesproken hebben over het absorberen van de
persoonlijkheid. Wanneer U een persoon beschouwt en U gaat vanuit die persoon denken, dan
valt U op, dat daar bepaalde dingen niet kloppen. Wat er niet klopt, is misschien heel juist in
Uw eigen leven. Maar U voelt het in die persoon, want het is harmonisch. Dan moet U dat in
die persoon tot een harmonie maken, ook al zou dat in Uw wezen een disharmonisch
verschijnsel zijn.
Dat zijn natuurlijk dingen, die je niet altijd even cru kunt zeggen. Wij weten het allemaal wel,
dat het wel eens voorkomt, dat je zegt: Die man/vrouw zou eigenlijk eens lekker met een
ander een paar dagen op stap moeten gaan. Maar wij kunnen het niet zeggen, want volgens
de normen van onze wereld zegt men zoiets nu eenmaal niet. Maar als het voor die mens de
enige weg is om zijn verstand te behouden en redelijk te blijven, de enige weg om van zijn
ziekteverschijnsel af te komen, dan hebben wij het recht niet om het hem te verbieden.
Wanneer wij dus handelen volgens het principe van de Goddelijke liefde en rechtvaardigheid,
dan zouden wij die mens toch proberen die gelegenheid te geven en die weg te tonen, ook al
kunnen wij dat in onze wereld niet zo openlijk en oprecht doen, als dat gebruikelijk is. Dat wil
dus zeggen, dat wit en zwart, zoals wij dat zien in onze wereld, in feite niet bestaan. Het zijn
allemaal tonen van grijs. Men zegt nu wel, dat dit goed en dat niet. Dat is niet waar. Dat is
juist hetgeen, waar je als magiër het moest mee te maken krijgt. De verkeerde waardering der
dingen. Nu stel ik even het witmagisch principe: het helpen van de mensheid. Dan is 3/4 van
ons ingrijpen niets anders dan het proberen de fouten, die de mensen zelf maken, ongedaan te
maken. Daarvoor kunnen wij geestelijke krachten inschakelen. Wij kunnen een beroep doen op
hogere sferen. Wij kunnen een beroep doen op bepaalde werelden van dienende geesten. Hoe
wij het ook doen, doen wij het. Wij zullen altijd alleen maar kunnen helpen om de fout op te
lossen in die ander. Verder kunnen wij niets doen. Men denkt vaak, dat de magiër een
schepper is, maar dat is hij niet. Men kan een magiër het best als een transformator
beschouwen.
Hij kan de hoogspanning niet verdragen en dan willen wij hem in een andere hem meer
comfortabele spanning brengen?
Neen, zo moet U het eigenlijk zien. De magiër brengt de Goddelijke norm wederom tot gelding
binnen personen, waarin een afwijking van de norm is ontstaan. Transformator is eigenlijk ten
dele juist. Je zou hen ook normalisator, egalisator kunnen noemen. Een aanpassing aan het
altijd geldend Goddelijk principe. Dat is de taak van de witmagiër. U heeft Jan, Piet en Klaas
genoemd. De namen, waaraan wij bepaalde namen toekennen. Die kunnen voor ieder ander
persoon verschillend zijn. Elke naam heeft een bepaalde waarde in de kosmos, een bepaalde
trilling. Wanneer wij dus een andere naam gaan opschrijven, zal hij dus een andere trilling
krijgen. Toch kunt U daarmee heel eigenaardige werkingen krijgen. Dadelijk zal ik het
demonstreren.
Geldt dit ook voor de kosmos?
Dit geldt ook voor de kosmos in die zin, dat door de naam een persoonlijkheid beïnvloeding
wordt verkregen, terwijl door de deknaam alleen een sfeerbeïnvloeding wordt verkregen. Zal ik
eens een bezwerinkje uitspreken met huis-, tuin- en keukennamen? De andere heeft U al zo
vaak gehoord.

141
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

Zullen wij het op wereldvrede doen? Ik ga niet spreken in de verheven taal. Ik ga termen
gebruiken, die U in een eigenlijke bezwering zelden of nooit zult gebruiken, omdat zij buiten
hun tonaliteit en ritme, wat ik dus wel aan kan passen, eigenlijk haast belachelijk worden. Het
gaat hier niet om het belachelijke, maar om aan te tonen, dat je er een sfeer mee kunt
wekken.
"Gij, Werklieden van de Kosmos, gij, die de taken volbrengt van Johannes, Petrus en Hilario.
Gij, die de geheimen dient van Jan, Piet, van Klaas: U vraag ik: kom tot mij en sta mij bij.
Want in de Naam van Hem, Die is de Meester, Johannes, Hilario, zeg ik U: Er zij vrede en er zij
kracht. Ik beveel U, gij Werkers, breng vrede in de namen van hen, die ik noem: Jan, Piet,
Klaas".
Hier heeft U al een heel aardig voorbeeld. Nu luistert U naar de namen, daardoor wordt U niet
zo gepakt door de sfeer, als wanneer die namen U onbekend zullen zijn. Maar toch als U even
voelt, dan merkt U, dat er een andere spanning staat in de kamer. Voor mij komt er nog een
moeilijkheid bij. Ik moet in de gauwigheid van de bezwering de namen, die ik gebruik, even
aanpassen aan bepaalde begrippen voor mijzelf. Stel nu eens voor, dat Jan, Piet en Klaas voor
mij Godsnamen zijn. Wat blijft er dan nog over? Dan is de zaak toch in orde? Er is toch een
persoonlijke waardebepaling? Inderdaad. Ik heb juist dit proefje dan gedaan om U duidelijk te
maken, dat men met een persoonlijke waardebepaling hetzelfde bereiken kunt als met de
formulemagie. De formule is algemener, omdat men leert aan bepaalde namen en termen
bepaalde begrippen te verbinden, ofwel werkt met bepaalde woorden, waarvan wij geen
betekenis kennen én waarvan alleen het ritme en de klank belangrijk zijn.
Op deze manier krijg je dus een standaardnorm. Een algemene norm, die in de magie overal
bruikbaar is. Het persoonlijke is evengoed te gebruiken. U kunt een bezwering uitspreken voor
een boeddhist, dan moet U niet over Jezus gaan spreken, want Die zegt hem niets. U moet
ook niet spreken over Messias, of over Tetragrammaton. U. probeert dat aan te passen: De
Almachtige (Brahman). De Schepper, Die de Schepping liefheeft (Brahma).
Dat zijn begrippen, die in het boeddhisme ook doorklinken. Dan wie is de leider, de helper, de
kracht? Siddharta. Sakyamoeni. Dus formuleer ik dan met mijn begrippen in de zin van:
In de erkenning van Brahman, de levende Kracht en Brahma, Hij, Die Schepper is, vraag ik U,
Siddharta, gij Sakyamoeni, Licht en Kleinood: sta mij bij en help mij in het vervullen van deze
taak.
Dan heb ik het dus gezegd, zoals hij het kan verstaan, volgens begrippen, die voor mij nog
aanvaardbaar zijn. U kunt zeggen, dat het niet Christelijk is, maar voor mij is het volledig
Christelijk, omdat de gedachte van de helper, de leraar, dus de lagere kracht a.h.w. de
deelfunctie van de liefdemacht, die zich ons openbaart genoemd wordt als uitvoerder en
gelijktijdig de erkenning is van het scheppend vermogen en de scheppend liefdevolle kracht,
die vorm geeft aan al het Zijnde. Nu heb ik dus een formulering gebruikt, die wat plechtiger is,
dat over het algemeen gangbaar. Of ik nu Jan, Piet, of Klaas zeg, of Jezus, Sakyarmoeni, dat
blijft gelijk. Er zit absoluut geen verschil tussen, wanneer mijn innerlijke wereld dit erkent en
de ander, voor wie ik werk - het ging hier om de bezwering en de afscherming voor al - dit
begrip aanvaardt.
Ik zeg Jan, Piet en Klaas en de ander denkt daarbij aan Tantje Dootje met haar hele familie
dan is het onzin, dan kan ik daar nooit wat mee bereiken. Als de ander gelooft in Jezus
Christus, dan moet ik het dan in de Naam van Jezus Christus. Wanneer hij gelooft in
Mohammed en Allah, dan moet ik het doen in de naam van Allah, zijn engelen, Mohammed
enz. Ik moet kiezen, zoals de ander het verwerken kan op een zodanige wijze, dat voor mij
belangrijke symbolen en magische wetten in de begrippen voortdurend uitgedrukt blijven.
Hoe is het ik-bewustzijn in de magie?
Het ik-bewustzijn in de magie is zeer sterk ontwikkeld, indien wij ego beschouwen als het
centrum van waaruit alle krachten gaan en waardoor alle krachten treden. Het ik is voor de
magiër het knooppunt van alle ontvangen krachten en uitgaande werkingen. Wanneer echter
het ik-begrip moet worden gestipuleerd op een nauwkeurige persoonsomschrijving, dan valt
dit in de magie meestal weg. De magiër is zich wel degelijk van zichzelf bewust, van zijn taak
142
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

en van zijn werken. Maar hij zal nooit dit ik in het magisch werken verder gebruiken. Want als
hij met de magie bezig is, dan vertegenwoordigt hij, als witmagiër, een eeuwige waarde. Zijn
werken is niet alleen maar een werken van iemand, die op aarde toevallig een kunstje geleerd
heeft. Zijn werken is dat van een ziel, die een Goddelijke wil en wet erkent voor zichzelf en
daaraan, ook met bovennatuurlijke middelen volgens de norm van zijn wereld, uitdrukking
geven, zodat het ik het directe contact is van de urgentie van heden met het Goddelijke. Het
Goddelijke wordt door het ik gericht op die urgentie en krachtens de bezwering, formules e.d.
als kracht vanuit het ik gestuwd, opdat die urgentie wordt opgeheven
Wanneer ons licht niet verdraagbaar is, dan moeten wij het doven. U sprak daar over een
andere wereld. Er zijn hele zware orthodoxen, die het geluid van de O.D.V. niet kunnen
verdragen.
Wanneer deze orthodoxie eigenzinnigheid en stompzinnigheid is, dus alleen het gelijk willen
hebben ten koste van alles, wat heel vaak de basis is van de orthodoxie, dan behoeven wij ons
daaraan niet te storen. Aan de andere kan het zijn, dat iemand zijn geloof en innerlijk weten
heeft opgebouwd op een bepaalde, volgens U, orthodoxe levensbeschouwing. Dan moeten wij
niet gaan spreken in termen die voor zo iemand niet aanvaardbaar zijn.
Als je dan spreekt over "de stem van de geest", dan moet je niet zeggen: dat er overal
geesten zijn. Dan zeg je: "Zoals eens God sprak door de profeten, zo heeft Hij ook thans Zijn
wegen om Zijn wil en weten kenbaar te maken: Je formuleert het zo, dat het voor die ander
acceptabel is. Als je zegt, dat er een band tussen de overgeganen is, dan klinkt dat een beetje
gek voor zo iemand. Dan zeg je:"Gods liefde staat toe, dat degenen, die in Zijn rijk vertoeven
ons helpen, die op aarde zijn,….
(Hier ging de band niet verder wegens elektrische storing.)
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Heeft iemand een onderwerp?
Wij hebben de vorige maal gesproken over de lichaamsstromen, waarvan wij gebruik
kunnen voor afscherming. Het lijkt mij, dat op deze lichaamsstromen ook invloeden van
buitenaf werkzaam zijn. Kunt U hier iets meer over zeggen en hoe wij er gebruik van
kunnen maken? Hoe wij afweer kunnen maken tegen minder goede invloeden?
LICHAAMSSTROMEN
Wij hebben twee soorten van zenuwwerking, die elk voor zich een aparte reactie veroorzaken.
Het sympathische, of onbeheerst zenuwstelsel en dat deel, dat wel door ons denken beheerst
wordt, wanneer wij in de stof zijn. Het eigenaardig is, dat juist in die delen van het
zenuwstelsel, waar wij geen directe invloed als mens uitoefenen in de stof, de stromingen het
meest permanent zijn en het meest krachtig.
Waar ons denken mee ingeschakeld is kunnen wij natuurlijk het hele zenuwstelsel
harmoniseren. Dat is vaak nogal moeilijk. Wanneer wij willen weten, hoe de zaak werkt, kun je
het als volgt voorstellen, voor de niet beheerste, of automatische lichaamswerking wordt een
voortdurende reeks van zenuwimpulsen geschapen, waardoor een voortdurende zenuwstroom
ontstaat. Deze stroom bestaat niet alleen uit een impuls, die de hersens evt. bereikt en daar
een reactie veroorzaakt, daar daarnaast uit een permanente stroming. Het is niet zo, dat als er
geen zenuwimpuls, dat er helemaal niets is. Er is een voortdurende uitwisseling van kracht
tussen de zenuwcellen en deze permanente uitwisseling, die in niveau ongeveer ligt op 3 tot
5/100ste van de impulsstroom en daar kunnen wij ons op baseren. Een soort draaggolf. Nu
zijn deze draaggolven schijnbaar onbelangrijk, maar zij zijn in zoverre belangrijk dat, wanneer
zij op de juiste wijze gesloten zijn, dus evt. spanningen, ontstaan aan zenuweinden, afgevoerd
kunnen worden naar andere zenuwstrengen, wij een verminderde gevoeligheid krijgen voor
impulsen en reacties. Wanneer dus de draaggolf een gesloten circuit vormt, dan zullen
invloeden van buitenaf minder invloed uitoefenen. Daarnaast kunnen wij natuurlijk rekenen
riet ons eigen denken en met dat eigen denken een aantal functies vastleggen. Het is niets
voor niets, dat enige yogi en fakir probeert om zijn hele zenuwstroming te beheersen en

143
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

daarnaast zijn lichaam. Hij stelt zijn spieren in een vaste houding en is in staat om die houding
dagenlang vast te houden. Denk b.v. maar eens aan de zitkist van vele Indische en Tibetaanse
heremieten. Zij hebben een vaste zithouding, waardoor uit lichaam in een permanent gelijk
evenwicht blijft. Ze forceren deze houding zolang, ofschoon het een bewuste actie is, dat zij op
de duur automatisch wordt en daar bij de egalisering van de totale stroming ook in het
bewustere deel van het zenuwstel optreedt. Wanneer wij die stroming op de juiste wijze
sluiten, dan zorgen wij daarmee tevens, dat er zekere delen van ons wezen uitgesloten zijn
van elke storing. Wanneer wij dus een houding aannemen, zoals je die bij een boeddha ziet,
een lotushouding, dan zijn de zenuwstromingen in de extremiteiten, de handen en de voeten
volledig afgeleid. Er blijft nergens een los draadje hangen, alles loopt in een kringloop.
Die kringloop maakt praktisch onaantastbaar. Wanneer van buitenaf tot die kringloop
doordringt dan vindt zij nergens een open punt waarop die eerste beïnvloeding: die eerste
modulatie, plaats kan vinden. Nu zijn er natuurlijk toch punten, waar die aanhechting mogelijk
blijft. Dat is n.l. dat deel, wat wij normalerwijze niet kunnen kort sluiten. Dat is het hoofd.
Maar wij kunnen dat hoofd in een bepaalde functie dwingen. U heeft misschien gedacht, dat de
boeddha's en al hun navolgers, hun navel zaten te bewonderen, omdat het nu zo'n mooi ding
is om over te mediteren. Niets is minder waar dan dat. Daardoor dwingt de mens zich in een
zodanige houding, dat de uitstralingen van het hoofd uit in de aura zelf overvloeien.
Wij hebben dus dan nog meer een grotere beslotenheid bereikt, waarbinnen de mens met zijn
eigen denken en zijn geestelijke waarnemen volledig onafhankelijk is van elke stoffelijke
invloed en storingen. De kwestie van beïnvloeding van buitenaf hierbij, hebben wij te maken
met potentiële veranderingen in onze omgeving. Wanneer de potentie van statische
elektriciteit te hoog wordt door de nabijheid van een onweer, dan wordt U prikkelbaar. Dan
heeft U een te grote lading, waardoor Uw zenuwstelsel te snel reageert. Het resultaat is
onrust, over het algemeen een verscherping onregelmatig van hartfunctie en daarnaast het
optreden van lusteloosheid. Als ik iemand stel in een veld met een vaste trilling, b.v. tussen
twee platen van een condensator, waarop een wisselende stroom is aangebracht, dan kan ik
op deze wijze normaal op die mens een zekere spanning afdrukken en wel in een ritme, dat
een invloed heeft, welke die mens niét meer beheersen kan.
Die soort elektriciteit is niet de enige soort elektriciteit, die door het zenuwstelsel verwerkt
wordt. Het is n.l. zo, dat elke magnetisch veld - dat gebruik ik in de zin van een natuurlijk
magnetisch veld van magnetisme in de zin van steen, naald, magneet e.d.- dat zich snel
beweegt rond deze zenuwstrengen, daarin een aantal emoties doet ontstaan, of een aantal
prikkels. Het is misschien aardig om erbij te vertellen, dat bepaalde radio en t.v.-uitzendingen,
die op de korte golf plaats vinden, hun invloed uitoefenen, mensen die zich in een veld
bevinden van een zekere veldsterkte tenminste. Dat wordt die invloed op Uw zenuwstelsel. Nu
zou die invloed over het algemeen niet zo erg storend zijn, maar wanneer nu die invloed
ongemerkt kan worden opgevoerd, dan kunt U door die hoge frequenties worden opgejaagd en
zelfs gedwongen worden tot bepaalde acties en reacties. U heeft misschien nog nooit
opgemerkt dat U, wanneer U onder spanning wordt gezet doordat anderen een kwade bui
hebben, ook een uitstraling, die Uw eigen zenuwstolsel beroert, gaat zitten draaien. U kunt
niet stilzitten. U gaat heen en weer lopen. Ik zou zeggen: dat het een poging is om iets af te
reageren. Een dergelijke spanning ontstaat niet, tenzij er impulsen zijn, die deze poging als
een mogelijkheid tot reactie en afreageren doen blijken aan het lichaam. Het is ook mogelijk
door beïnvloeding van het zenuwstelsel en wel van buitenaf een aantal bewegingen te doen
ontstaan, een aantal reacties. Een zekere heer Volta experimenteerde o.a. met een kikkerpoot,
die, wanneer er stroom werd gebracht op de zenuweinden, begon te trekken en te spartelen,
alsof de kikker er nog aan zat. Hij kwam daardoor tot de conclusie, dat bepaalde handelingen
automatisch kunnen worden uitgevoerd, mits er voldoende impulsen op het zenuwstelsel zijn.
Ik heb ook verteld dat wanneer die velden en stromingen niet besloten zijn, op een gegeven
ogenblik de mens het slachtoffer kan worden van beïnvloedingen van buitenaf. Dat is logisch.
Wanneer ik weet, waar die spanning door mij tot stand moet worden gebracht, dan kan ik als
gevolg daarvan niet alleen een floers van welbehagen en onbehagen wekken, maar ik kan nog
veel meer doen ontstaan. Ik kan bepaalde lichaamsreacties en handelingen afdwingen. U zult
begrijpen, dat een geest dat ook kan doen. Ofschoon het soms wel uit goede bedoeling zal
144
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

gebeuren, is voor een mens het niet erg prettig zijn stuur kwijt te raken en niet meer baas
over zichzelf te zijn. Om te ontsnappen op de juiste wijze aan deze gevaren, zullen wij steeds
de wijze waarop wij de lichaamsstromen bij elkaar voegende wijze waarop wij die doen
verlopen door het lichaam, moeten afstellen op de handeling, die wij tot stand brengen. Het is
zo, dat ik alleen door mijn wil bepaalde stromen kan doen uittreden. Dat weet U, U heeft
geleerd, dat ik op deze wijze tussen mijn vinger een scherp veld kan doen ontstaan, waarbij de
uittredende stroom zo snel gaat, dat ik prikkelingen doe ontstaan, die kenbaar zijn aan het
tintelen van de vingertoppen. Ik kan ook wat anders doen. Nu heb ik zo gewoon gezeten. Maar
ik kan ook dit doen: ik leg mijn handen tegen het hoofd. Wat gebeurt er nu? Nu wordt de
stroming die normalerwijze door mijn benen gaat, kortgesloten. Mijn enkels zijn gekruist. Hij
gaat verder rustig naar boven toe, komt terecht in de handen en gaat via het hoofd.
Op deze manier krijg ik een methode, waardoor ik energie kan verzamelen, wanneer ik
denkmoe ben. Ik kan hierdoor dus de activiteit van mijn hersenen tijdelijk vergróten. U doet
dat veelal onbewust, want wanneer U ernstig na moet denken: wat doet U? U steunt met Uw
hoofd op Uw handen en legt onwillekeurig de handpalmen in de buurt van de slaap. Daar, waar
U inderdaad het meest gunstige resultaat krijgt voor concentratie en voor verscherping van
denkvermogen. Wanneer ik te maken heb met geestelijke invloeden, dan is dat niet zo
makkelijk. Als ik zo zit, dan blijft dit over, de elleboog, die een knik is. Dat wil zeggen dat het
veld onregelmatig is: hier is sterkere puntvorming dan elders. Nu kan iemand die wil, daar een
storing doen optreden. Wil dus toch nog mijzelf bevrijden van een dergelijke impuls, dan
plaats ik de beide ellebogen op de knieën. Daarbij heb ik dus twee punten, waar normalerwijze
een kleine verdichting, een werveling in dat veldje, wat ik uitstraal, veroorzaakt werd, heb ik
kort gesloten. Hier wordt ook de stroom afgevoerd. En nu heb ik hier een perfecte
denkhouding gevonden, die vrij is van alle beïnvloeding.
Aan de andere kant kan ik soms voor mijzelf de behoefte krijgen om kracht te doen uittreden.
Je kunt dit op een zekere manier versterken, als je weet, hoe je de houding met nemen. In de
eerste plaats b.v.: nu wil ik kracht uitstralen. Ik zet de voeten naast elkaar, zodat de knieën
tegen elkaar gesloten zijn. Voor de heren is dat moeilijker dan voor de dames. Dan ga ik
verder mijn handen op de knieën leggen. Ik sta open voor invloeden van buitenaf. Ik heb
gelijktijdig, alles, wat in mijn bovenlichaam werkt, beheerst, rechte lijnen en sluiting. Mijn
enige ontvangstpunt ligt op het ogenblik op het punt, waar normalerwijze je eksterogen zitten.
Op het ogenblik, dat ik die aura overlaadt, daarin een grote dosis kracht uitstraal, dan heb ik
gelijktijdig een soort pantser geschapen waar die gerichte krachten niet doorheen kunnen. Zij
worden a.h.w. door een geleidende sfeer verdeeld over het geheel en kunnen geen plaatselijke
invloed op een deel van het zenuwstelsel uitoefenen. Het resultaat is, dat mijn denken
onaangetast blijft. Bij mij bestaat niet meer de mogelijkheid om bepaalde stemmingen en
gevoelens te wekken, of bepaalde handelingen te veroorzaken. Hoe krijg je dat nu voor
elkaar? Zo'n afscherming is betrekkelíjk eenvoudig te maken en zij is bovendien eenvoudig in
stand te houden. Het is eigenlijk geen wetenschap, maar meer een weet.
Een van onze sprekers heeft eens een keer gesproken over ademhalingen. Hij noemde
bepaalde soorten van ademhaling om kracht op te nemen. Je begint dan bij voorkeur - als je
de tijd hebt - even met de reinigende ademheling. Net een stoommachine. Heb je die longen
leeggeperst, dan krijg je dat even. U begint met het onderste deel van de long, dan vul je het
middendeel, dan de top volledig. Nu heb je dus een hoeveelheid kracht in je die energie
pulseert. Nu zeg je tegen jezelf: "Ik zou onaantastbaar zijn. Ik zou en aantastbaar zijn. Ik wil,
dat die kracht uit mij uittreedt". Dan kan dat soms zo erg worden, dat je de zweetdruppels
uitbreken. Je voelt dit soms als een warmte, die naar buiten toe gaat. Maar dat hindert niet,
want daardoor heb ik die lading dus overgebracht in mijn aura.
Ik kan dat natuurlijk niet zo één, twee: drie doen. Wil ik mij werkelijk goed afschermen, neem
ik daarvoor een minuut 5 of 10 en dan herhaal ik dit proces ongeveer 5 á 10 keren. Steeds
met tussenpozen, waardoor ik even op adem kan komen. Anders ben je helemaal afgeschermd
en hijg je als een karrepaard, dat gaat niet. Nu moet ik dat in stand houden. Dat is heel
simpel, wanneer je dit onthoudt: alle kracht, die in je is, kan worden afgeleid op de aura.
Kosmische kracht kan niet door de aura worden tegengehouden. Denk zo nu en dan eens
eventjes: "Richtende krachten, wees met mij'". In dit ene denken heb je voor jezelf kracht
145
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

ontvangen, maar gezien je instelling vloeit dit voor een deel af in je aura, van buitenaf wordt
de pantsering versterkt en is praktisch niet meer te doorbreken door lagere geesten en
sommige demonen zouden er nog moeite mee hebben. Zeker kan een normaal magiër zonder
zeer veel ceremoniën en werking, daar niet doorheen komen. Het resultaat is, dat je met deze
afscherming bereikt een praktische onaantastbaarheid op elk stoffelijk terrein, plus het astrale
terrein. Voor de boven gelegen lichtende terreinen hoef je jezelf niet af te schermen. Wat daar
beneden ligt, kan doordat het een kracht des lichts is, niet hier aankomen, zonder daar een
zodanige kwelling van te ervaren, dat men niet meer komt tot een volledige volvoering van
eigen voornemens.
Hoe is dan de lichaamshouding, als je de aura probeert te beschermen?
Wanneer je er een houding bijneemt, neem dan een dubbel gesloten houding aan en wel door
de benen iets op te trekken. Je gaat een beetje kleermakerachtig zitten, zorg dat je een
steuntje in je lenden hebt en laat de handen zo: ga op je gemak zitten: de benen iets hoger,
dan kun je die ademhaling rustig doen, en je bent toch afgesloten. Als je niet kunt, doe je het
heel gewoon, dan doe je het desnoods zo, gewoon los en open. Eén ding moet je wel
onthouden, dat wanneer je die afgesloten houding krijgt, de kracht begint uit te treden. Ik
concentreer mij nu een ogenblik en voel aan, want dat kan ik hierdoor opnemen, waar
eigenlijk de frequentie ligt, waar ik op af moet stellen. Ik krijg een zeker aanvoelen, dat ik
omzet in wilsdaad.
Nu ga ik uitstralen. Wat doe ik? Ik verbreek onmiddellijk deze verbinding. Mijn handen gaan
omhoog. Ik wil ook verdere mededelingen voorkomen en sluit de zaak kort door mijn enkels te
kruisen en ik straal uit. Als ik dat zo doe, en U bent gevoelig, dan denk ik, dat U dat zelfs over
die afstand van hier reeds zoudt kunnen voelen. Nu doe ik dit op het ogenblik met mijn twee
handen. Ik kan het natuurlijk ook met één hand doen. Doe, ik het echter met één hand, dan,
kan die ander er niet doelloos bijhangen. Dat is lekstroom, lekkage. Dat moet ik niet hebben.
Dan deponeer ik deze hand normaal weer op de knie en laat door bij de elleboog zoveel
mogelijk ongebogen, of tegen het lichaam gebogen rusten.
Nu kan ik met die ene hand een scherpe gerichte, maar in die scherpe richting een ietwat
sterke stroom uitstralen. Nu kan ik mij dan even daarop concentreren en nu voel ik op een
gegeven ogenblik aan....... ja....... Laten wij zeggen, dat er 2 of 3 personen zijn, met
capaciteit tekort aan kracht, of rusteloosheid, ik hier beroeren kan. Dan hoef ik niets anders te
doen, dan na dit aftasten mijn benen te sluiten. Nu kan ik wel eenvoudig de zaak uitstralen.
Doe ik dat erg kort, dan wil dat zeggen, dat je maar een heel klein vleugje meekrijgt. Wanneer
ik dit nu scherp richt, krijg ik een zeer scherp uittredende kracht. Dan kan ik deze kracht op
bepaalde personen richten. Deze kracht beroert dáár het zenuwstelsel en zal, gezien het feit,
dat het circuit verder gesloten is, elke impuls, die in mij op dit ogenblik bestaat en die ik uit wil
zenden, enten op dat zenuwstelsel, zover de personen zich niet door hun eigen houding
hebben afgesloten voor dit contact.
U zult begrijpen, dat iemand, die daarvan op de hoogte is, kan gaan zitten, zoals ik op het
ogenblik zit, dus schijnbaar in ruste, maar tevens volledig gesloten, hij kan dat met een enkel
gebaar doen. Hij kan, als hij magiër is, beïnvloeden. Hij zegt b.v. dat hij een impuls uitzendt.
Praat een beetje met U, maakt een gebaartje, want ook dat is wel belangrijk. Nu heb ik in een
schijngebaartje weer een richting aangegeven. En het uittreden van die kracht in die richting
gestuwd. Wanneer een ander dat kan doen, zonder dat het U opvalt, is het ook duidelijk, dat U
tegen dergelijke beïnvloedingen van magiërs op Uw hoede moet zijn. Daar moeten wij dan die
afscherming tegen gebruiken, die U in Uw vraag stelde. Kunnen wij ons voortdurend in zo'n
houding zetten? Ga nu maar eens even een kopje thee drinken met je handen op je knieën en
je voeten gekruist. Je kunt het natuurlijk wel doen, maar dan wordt het toch soppen.
Het resultaat is dus, dat ik mij op een heel andere manier ga beveiligen. Dat doe ik zo: mijn
gedachte is bepalend voor een deel van mijn zenuwstelsel, en als het juist dat doel van mijn
zenuwstelsel dat samen reageert, dan het sympatisch of vegetatief zenuwstelsel. Het resultaat
is, dat een scherp gerichte gedachte een directe beïnvloeding betekent van mijn eigen aura,
van mijn eigen uitstraling. Dan vanuit de hersens en wel vanuit het voorhoofd-chakrum en
top-chakrum, met daarnaast een lekstroom, die komt van achter bij de aanzet van de schedel.

146
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

Je zult je realiseren, dit die afscherming betrekkelijk eenvoudig is, en onder alle
omstandigheden kan worden toegepast en onder 99 ten 100 van de omstandigheden volledig
werkzaam zal zijn. Merk je, dat het toch niet helemaal helpt, dan moet je onder druk staan,
onder een aanval zijn. Dan bestaat er nog een andere methode, die wel zeer werkzaam is,
maar je moet ze niet te veel gebruiken, omdat zij een uitputting betekent van krachten, die je
in jezelf draagt. Je gaat te veel odd naar buiten brengen dan.
Alles, wat aan spanning in de long aanwezig is, wordt zo naar buiten gebracht en versterkt dus
de invloed, die er is. Doe dit een keer of 10, 12 desnoods: Doe maar net of je de geeuwkramp
hebt en blijf zo maar zitten. Ik houd dit dus met mijn hand in mijn eigen omgeving, waardoor
die sterk geladen lucht - op adem zit lading - zich ontladen kan in mijn aura. Je hebt dan een
tijdelijke, maar zeer krachtige versterking. Er zit één bezwaar aan. Als wij onder aanval zijn,
kunnen die krachten weer teloor gaan. Dat zijn krachten, die langzaam vervloeien en
vervallen. Als het heel ernstig is, kan het wel zo zijn dat wij om het kwartier eens een paar
keer stevig moeten geeuwen om het bij te houden. Het is niet heel erg beleefd in gezelschap,
maar het is in ieder geval safe. Zodra je merkt dat het helpt, zorg dan dat je uit de buurt van
die bedreiging komt, of ergens waar je in je eentje in volledig besloten houding met kruising,
de handen kruisen en gekruisd op de knieën leggen, kunt gaan zitten en buig je hoofd naar
voren, zodat je één ogenblik háást embryonaal besloten bent in één vaste, volkomen ovale en
sterk geconcentreerde aura. Houd dat even vol, dan heb je een zodanige afweer geschapen,
dat praktisch elke kracht, die je gedurende deze periode krijgt, terugketst. Dan scheiden zij
vanzelf wel uit.
Ik heb onlangs een geval meegemaakt, waarbij een acute beïnvloeding plaatsvond, waarbij
het bewustzijn verloren werd.
Als je nu die eerste prikkels aan voelt komen, gebruik dan eventjes die stootsgewijze geeuw.
Dan heb je daarmede een ontlading bereikt waardoor je niet direct aantastbaar bent. Leg je
telefoon zo gauw neer, als je het met fatsoen kunt doen en scherm je even verder af, dan heb
je nergens last van.
Dit kun je niet voor een ander doen die dit ondergaat?
Neen. Is een ander bekend met dit werk, dan kun je wel iets voor zo doen. Wanneer dit
optreedt, kun je door aanblazing tijdelijk de eigen afscherming, veranderen en met iets
verbeteren. Dat is dan meestal genoeg om zo enkele vliedende impulsen te weren. Dan zul je
zelf de persoon magnetisch met passes helemaal af moeten schermen, als het een blijvende
beïnvloeding is. Als je die magnetische beïnvloeding sterk legt, dan moet je ze eens per 72,
liever eens per 36 uur, verwijderen en na enkele uren eerst weer leggen. Je voorkomt
daarmee toch een soort uitademing. Je haalt niet alleen buiten, wat buiten is, maar ook
binnen, wat binnen zit. Je moet daar wel even voorzichtig mee zijn, dat je niet zegt: "Ik ga je
even met alle kracht afschermen" en laat zo dan maar lopen. Dan gaat het een paar dagen
goed en dan worden ze veel beroerder dan zij ooit geweest zijn door het eenvoudig niet meer
kunnen spuien van bepaalde energieën, bepaalde stoffen en werkingen, die in hen zelf leven.
Dan krijgen wij daar een sterke overprikkeling van het zenuwstelsel en op de duur daardoor
een uitputting. Daarbij komt bovendien, dat een werkelijk volmaakt gelegde afscherming een
volledige afsluiting betekent van de normaal uit de omgeving betrokken levensstroom. Dus ook
de potentie, die men van buitenaf absorbeert, wordt afgesloten: Dus dat moet je nooit doen,
tenzij het hoogst noodzakelijk is. Denk je dat het gevaar geweken is, maak dan met een
enkele passe de zaak los.
Kan men zich ook afschermen door je gedachte zodanig te richten, dat cirkels om je heen
trekt?
Dat is ook mogelijk, maar het betekent dat dit dus in de gedachte een volledig rituele
handeling is. De gedachte moet scherp geconcentreerd zijn. Je trekt rond jezelf een dubbele
cirkel en tussen deze dubbele cirkel schrijf je een paar heilige namen. Dan kom je op de magie
terecht. Dit is iets, wat een zeker training vraagt. Ik kan U wel een trucje leren om het in het
begin makkelijker te doen. Als je doet in gedachten, trek dan de cirkels die je rond je
projecteert gelijktijdig eens met de punt van je tong op je verhemelte. Het klinkt als een gekke
raad, maar daardoor realiseer je je beter, dat je de cirkel trekt. Die cirkel moet niet alleen

147
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

gedacht worden, maar zij moet voor jou een werkelijkheid zijn, anders kan zij geen
afscherming vormen.
Ik heb het wel eens geprobeerd om een huis.
Om een huis?
Kan dat niet?
Natuurlijk niet.
Waarom niet?
Omdat het huis complex is. Men gaat toch in en uit. Alleen zolang dat huis afgesloten blijft,
kan dat werken. Een afscherming, die ik rond mijzelf trek, gaat met mij mee. Ik laat dan ook
niets tot mij toe. Op het ogenblik, dat ik een huis heb en er gaan personen in en uit. Het
gevolg is, dat die persoon buitenkomt, geladen wordt met energie en naar binnen gaat. Die
wordt daardoor niet tegengehouden, zolang als hij ín die persoon is. Die persoon kan dat op
een ogenblik een beetje raar vinden, voelt zich even huiverig, daar loopt door. Het gevolg is,
dat elke invloed naar binnen en naar buiten getransporteerd kan worden door iedereen. Zo
goed als je gewond bent, wanneer er gevaar bestaat, dat er iets in je ogen komt, zo kun je
jezelf ook trainen, dat je automatisch een cirkel trekt rond jezelf op het ogenblik, dat je
geestelijke bedreiging voelt. Een soort ingebouwde B.B. Je moet er aan wennen en leren.
Oefening, oefening, oefening Het is niet zo: "Hier heeft U een recept van Dr. Oetker uit de
geest. Men hutselt deze bestanddelen samen met een beetje melk en een beetje goede wil
door elkaar en huplakee, daar is de afscherming". Zó is het niet. Op het ogenblik dat je
spanning te groot wordt, ben je geneigd die afscherming te ver van je af te projecteren, maakt
daardoor te zwak en wordt weer kwetsbaar.
Ik dacht, dat je niet te gespannen moet zijn om die afscherming te maken. Hoe weet je
dat?
Op het ogenblik, dat je met alle haast die afscherming optrekt, is het fout. Op het ogenblik,
dat je je realiseert, dat je dit kunt afschermen, is er geen gevaar. Je bouwt je afscherming op,
dan is de zaak in orde en heb je de goede instelling. Zodra het bouwen van een afscherming
een paniekverschijnsel wordt, is het fout: dan werkt het niet. Dan is het een vliedende ring,
die je naar buiten gooit. Je moet hem rond je laten liggen. Hoe rustiger je die dingen doet, hoe
minder je het gevoel hebt van: "Als ik dat niet onmiddellijk doe, dan ga ik er aan, hoe beter
het is. Dat geldt voor alles in de geest en in de magie. Zodra je bang bent, ben je kwetsbaar.
Zodra als je met emoties gaat stomen, die je niet meester bent, dan explodeert de zaak. Als je
beheerst en rustig de maatregelen noemt, die je voelt, dat zij goed en noodzakelijk zijn, dan
gebeurt er niets.
Je moet te alle tijde beheersen?
Juist. Driekwart van de magie is zozeer meester zijn over jezelf, dat anderen geen
meesterschap over jou kunnen verwerven.
Met het vooropgezette idee, dat je slaagt?
Natuurlijk. Als je dat goed doet, dan slaag je. Nu moet je niet denken, dat het net is als met
een auto: je stapt erin en dat ding rijdt. Er is een zeker training. Hetzelfde met polsspringen,
of hoogspringen. Je moet laag beginnen. Je moet met de zekerheid beginnen, dat je meer kunt
doen dan normaal. Dan sta je heel vaak versteld over je eisen prestaties, voor je het weet, ga
je over de 3-meter lat.
Ik heb een boek gelezen, dat gaat over een bepaalde waarneming van entiteiten, dieren en
mensen. De uitstraling, die daarvan uitgezonden wordt: Door middel van een detector
probeert men de straling hiervan op te zoeken en harmonisch te maken door bepaalde
gedachten afstelling. Daarbij spreekt men over fundamentele stralen. Men is daardoor in
staat bepaalde ziekteprocessen te constateren en te fotograferen.
Eigenlijk is het iets anders, het is zo, dat een normale mens in mijn uitstraling bepaalde
defecten vertoont. Zodra de scala normaal is, is zij niet te constateren. Het constateert elke
plotselinge, of scherpe afwijking van de normen. Vandaar, dat die theorie ook toepassing vindt
in Duitsland, waar men apparaten heeft vervaardigd, die gebruikt worden om b.v. een
medicament te testen bij de patiënt: Dat doet men zo: men stelt een stralingsafwijking vast

148
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

met het apparaat. Men stelt de fout in, en dan is er dus een afwijking van de nulwijzer. Er is
een negatieve uitslag meestal wel: Nu neemt men het medicament: het is gewoon een dode
stof, een soort zout in een flesje en dat geef je hem in zijn hand. Op het ogenblik, dat de
uitstraling van dit bepaalde middel compenseert, valt de wijzer op 0 terug. Dan weet je, dat
dat medicament bruikbaar is voor die kwaal. Dat kun je alleen gebruiken voor natuurlijke
medicaties. Je kunt het niet gebruiken voor kunstmatige producten. Het wordt dan ook
hoofdzakelijk gebruikt in de homeopatie.
Het passeerde dus ook heermee door een bepaalde uïtzending een bepaalde golflengte, de
afwijkingen van de patiënt te compenseren en zo niet weg te nemen.
Compenseren is mogelijk, maar niet erg waarschijnlijk. Het is n.l. zo, dat elke compensatie, die
wij geven een compensatie van het kenbare tekort is. Maar geen gelijktijdige compensatie
voor de oorzaak, waaruit het tekort ontstaat. Bij de medicatie is het niet zo erg, want daar
gaat het eerst om het verschijnsel te genezen en dan gaan wij de patiënt opkweken. Als wij
alleen door die straling het verschijnsel weghalen, voor een tijdje, dan komt daar veel sneller
een kracht tekort, dán wanneer ik werk, die in het lichaam zijn en die ik regelmatig toe kan
dienen. Het verschijnsel zelf keert terug: van genezen is zelden sprake, of het moet een
imaginaire ziekte zijn natuurlijk. Wij kunnen niet de oorzaak zelf aantasten. Maar als een
lichaam gezond is en je zou dat voortdurend kunnen bestralen. Er bestaat een zekere
bijenwasmenging - bruin - en als je dat zeer sterk in de stralen van het apparaat zou leggen,
dan kan hij daarmede worden opgeladen. Dan zou je de patiënt elke dag een nieuwe schijf
moeten geven, die opgeladen is en bij zich moet dragen. Het klinkt als kolder, maar die
langzame ontlading is dan een compensatie en daardoor kan een genezing, langs de
natuurlijke weg van het lichaam zelf aanmerkelijk worden bespoedigd.
o-o-o-o-o
Een paar definities? KABINETSCRISIS men heeft de fout gemaakt voor de bouw van een
kabinet een praatvaar i.p.v. een meubelmaker te engageren. Het gevolg is een oud kabinet op
wankele poten voortdurend dreigt ineen te storten door gebrek aan leden. Als je een oud
meubel probeert te moderniseren, vallen er brokken. Soms vallen er soms Vermeers....Je
hoeft er niet zo erg om te (D)rees-en. Als je het kalm aandoet, gaat het ook wel.
ER IS VEEL ROMMEL: Och, wat zal ik zeggen? Het al dat gerommel is de zaak toch de Quaaiste
niet.
GENEVE: Geneve is de plaats, waar veel staatslieden vakantie vieren onder het mom van een
topconferentie.
TOPCONFERENTIE: Een topconferentie is een bijeenkomst van grote en hoge staatslieden, die
onderling zeggen datgene te zullen bepraten, wat hun ondergeschikten hebben vastgesteld en
in feite praten over heel andere dingen, maar die durven zij niet te publiceren.
NOZEM: Een nozem is een jongeman, die alles geloofd heeft, wat de ouderen heren verteld
hebben en daarom met de hele wereld in conflict komt.
Wat is Uw mening over die topconferentie?
Het gevaar van elke conferentie is, dat zij praten over problemen. Hoe meer je over een
probleem praat i.p.v. over de oplossing, hoe groter het probleem wordt. M.a.w. zolang zij over
de problemen praten, komen zij niet tot een oplossing. Gaan zij over een oplossing praten, dan
heeft ieder zijn eigen mening en wil geen andere aanvaarden. Ik meen dus, dat er heel
hoopvolle communiqués komen en dat voor de rest de zaak wel ongeveer hetzelfde blijft. Ik
zie hier geen feitelijke toenadering tussen oost en west. Ik zie ook, ondanks de chicanes
beiderzijds - en niet eenzijdig, zoals wel eens wordt gezegd - nog niet een algeheel direct
conflict.
Laten wij één ding onthouden. Er is een tijd geweest, dat dergelijke conferenties erg in de
mode waren en dat er - zij het misschien niet zo internationaal - ontzettend veel werd
geconfereerd over problemen. Dat was de tijd van 1932 - 1933. Na die tijd zijn er van die
heen en voor vliegende heren geweest, met en zonder paraplu, die zeiden, dat alles in orde

149
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

was. Hoe harder zij riepen, dat het in orde was, hoe harder het donderen was. Denk daar nog
eens aan in de komende dagen.
Nu heeft de laatste spreker het woord voor de meditatie. Ik hoop, dat ik U niet alleen verveeld
heb met flauwiteiten, maar ook iets geleerd heb.
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Onze vriend Henri heeft zo-even zijn laatste spitsvondigheden op U losgelaten: Nu wil ik toch
wel even naar een ernstiger sfeer overstappen, voordat wij deze bijeenkomst beëindigen. Wij
zijn langzaam maar zeker aan het afhandelen. Het is een soort van geestelijke
boedelbereddering, wat deze klas betreft. Dan lijkt het heel vaak, dat er iets verloren zal gaan.
Soms lijkt het je, alsof je niet genoeg krijgt, of dat je eigenlijk niet meer verder kunt nu. Dan
zou ik alleen deze opmerking willen maken:
Wij hebben rijpelijk overwogen wat noodzakelijk en wat mogelijk was. U weet, dat wij U niet in
de steek laten. Wanneer U geestelijk verder wilt gaan, dan heeft U op het ogenblik zo enorm
veel studiemateriaal, dat het U zeer moeilijk, zal zijn om b.v. de les van de vorige maal in één
maand geheel te verwerken. Als U die volledig wilt uitwerken, of b.v. de les daarvoor, dan
heeft U daarvoor veel tijd nodig. Probeert U dat zelf te doen, dan zult U ontdekken, dat U de
hulp, de steun en de inzichten krijgt, die U nodig heeft. Zou het noodzakelijk zijn om U dan
nog terzijde te staan, omdat er bepaalde problemen onoplosbaar zijn, dan zullen wij dat in de
eerste plaats vanuit de geest doen. Maar in de tweede plaats staat altijd de mogelijkheid open
om op een daarvoor nog nader te bestemmen avond als een soort bijstand dus, persoonlijk
ook, even Uw problemen daarover te bespreken.
Nu zou ik graag een onderwerp willen hebben, waar wij dan deze avond mee kunnen
besluiten.

BEZINNING en MOED
Wanneer wij over bezinning moeten gaan spreken, dan is de moed daarbij bijna onontbeerlijk
vandaar, dat ik het onderwerp er zo graag bij heb.
Bezinning betekent niet alleen maar beschouwen, of nadenken. Het betekent vooral eerlijk
zijn. Om de zaken eerlijk te zien, zoals zij werkelijk zijn, dat vergt vaak onnoemelijk veel
moed. Wanneer wij willen nadenken over de grote geheimen van het leven en over de grote
raadselen van het leven, wanneer wij door willen dringen in een magische structuur van de
kosmische wet, dan zullen wij ons onwillekeurig ons bezinnen op ons eigen leven en streven.
Wij zullen trachten ons doel duidelijker te omschrijven.
Heel vaak zullen wij ook proberen om ons eigen denken en ons eigen woord een klein beetje te
veranderen, zodat het wat beter klinkt. En wij onze motieven vervangen door andere, die wat
edeler zijn. Zolang als wij de moed niet hebben eerlijk uit te komen voor ons werkelijk doel en
onze werkelijke beweegredenen, zal ons ons bezinnen niet helpen. Als wij eerlijk zijn, wanneer
wij de moed hebben om alle consequenties van ons zoeken, en denken te aanvaarden, de
moed ook hebben onszelf in de ware verhouding te zien, dan vrienden, ontplooit zich voor ons
een wijds panorama. Waar wij ook beginnen, er is altijd één eindpunt van elke bezinning:
Goddelijke wet, Goddelijke kracht, Goddelijke liefde: God Zelf. In ons zoeken naar deze kracht,
beseffen:wij langzaam maar steeds sterker, welke banden ons verbinden met die onbegrepen
wereld, die onbegrepen kosmos.
Wij voelen onze eenheid aan. Het wordt ons haast vanzelfsprekend om in te grijpen in de
wereld, te werken in de wereld, want is daar niet de Goddelijke kracht, waarvan wij iets
erkennen van wil? Is daar niet ons beeld van goed, ons ideaal van het edele, van het zuivere?
Zo bouwen wij mee aan een wereld, die steeds volmaakter wordt, niet op aarde, maar
kosmisch. Wij brengen steeds dichter de gehele Schepping bij een punt van voltooiing, de
bewuste en erkennende aanvaarding van de Schepper Zelf. Je zou soms je bezinning willen

150
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 9 – 12 mei 1960

uitspreken, maar je bemerkt dat zij geen gedachte meer is, geen filosofie, maar eigenlijk een
gebed. Dat het een innerlijk weten is, dat plotseling spreken moet tot God, dat het de enige
wijze is om voor jezelf te realiseren, wat je innerlijk belooft.
Dan zou zo'n gebed misschien zo kunnen klinken: Ja, je bestaat nu op deze wereld en je wilt
het goede. Wat bereik je eigenlijk? Ben je eigenlijk niet veel te overdreven in vele dingen?
Zoek ik eigenlijk niet de dingen veel te ver? Eigenlijk grijp ik toch wel heel erg hoog. Zou ik het
wel kunnen? Toch is er iets in mij, dat mij dwingt, iets in mij, dat als een verlangen mij steeds
sterker doet opgaan in zijn werk, in zijn zoeken. Ergens is een kracht, die mij dwingt en
geleidt. Ik kan geen andere kracht aanvaarden, die mij beheersen kan en geleiden kan naar
God.
Almachtige God, wat heb je dan voor een doel met mij? Wat wil je van mij? God, maak het mij
duidelijk, dan zal ik het doen. Maar je blijft zo ver weg, het is zoeken te moeilijk te begrijpen,
wat nu Uw wil is en wat alleen maar mijn denken is. Toch moet er ergens zin zijn in het
bestaan. Zin in dat alles, wat ik in mijzelf voel als een noodzaak. Er moet een zin liggen, die
ver uitgaat boven alles, wat ik ken, o God. Ach, ik begrijp het wel: ik ben niet ver genoeg
gekomen. Ik sta pas aan het begin. God, neem het mij niet kwalijk, als ik soms iets Uw wil
noem en het is alleen dan mijn wil. Neem het mij niet kwalijk, als ik niet begrijp, wat U met
mij wilt, wat U van mij verlangt.
Aanvaard, mij, God, in een liefdevol geleiden: Ik zal proberen zonder te vragen en zonder te
redeneren datgene te vervullen, waarvan ik meen, dat het Uw wil is. Ik zal streven naar mijn
beste weten, God: maar leidt Gij mij ten goede, Gij hebt dit alles, alles, wat er is, ook datgene,
wat ik ledig vind, of duister, of kwaad, datgene wat ik niet begrijp, geschapen.
Gij zijt het Die leeft in alle dingen, God. Laat mij dan mijn leven leiden volgens Uw wil. Laat
mij aanvaarding van Uw wezen de uiteindelijke vervulling zijn van Uw doel, de beaming van
Uw wet, de uiting van Uw kracht, dat ik krijg de bezinning, de openbaring, moge ontvangen,
waarin ik U erken en weet, datgene, waar ik thans maar naar raden moet.
Zo'n gebed, dat uit de bezinning voortkomt, is meestal niet een jubelend, of een heersend, of
een vragend gebed. Het is een vaststellen van een werkelijkheid. Je weet vaak niet eens, wat
nu van God komt, wat van de geest komt, wat van jezelf komt. Maar je voelt, dat het goed is
en noodzakelijk. Aanvaard dan die wil. Probeer God te dienen, zolang als je denkt, dat het Zijn
wil is. Probeer datgene te vervullen, waarvan je meent, dat Hij kracht geeft. Hij zal wel zorgen,
dat het in orde komt. Wij moeten proberen. Wij moeten steeds weer zoeken om te doen en de
gevolgen, als wij het maar zo goed doen, als wij kunnen laat dan God het verder doen. Dan
hebben wij niets over te zeggen. Eigenlijk niet veel bezinning. Het is eerder een poging om
mijzelf en ook U een klein beetje te ontleden en te erkennen voor dat, wat wij werkelijk zijn.
Dan kan ik alleen maar dit zeggen: Ik weet niet, wat ik ben. Soms denk ik dat ik enorm veel
weet. Soms meen ik, dat het alleen maar waan is. Maar achter al deze dingen erken ik één
ding vast en zeker: een kracht, die mij geleidt, een kracht die ik voel als een liefdevolle kracht.
Een kracht die mij de zekerheid geeft, dat wat ik doe goed is. Niet om de gevolgen, maar
omdat het een noodzaak is, uit God geboren.
Dit is het doel van mijn leven. Ook U kunt daarin Uw levensdoel in vinden. Niet een doel, dat U
verandert, of verheft boven anderen. Maar een doel, dat U de vrede met dat, wat U bent en
wat U doet. Iets, wat U in staat stelt Uw resultaten, zowel als Uw mislukkingen te verwerken
en het begrip. Anders kan het niet, want ik doe Gods wil en God doet de rest.
Daarmede wil ik dan de bijeenkomst besluiten, vrienden. Ik dank U zeer voor Uw aandacht.
Wij wensen U allemaal natuurlijk weer een zeer vruchtbare tijd van werken. Prettige nachtrust.
Voor een volgende keer krijgt U weer eens een reeks van artikelen te horen, waarvan wij
hopen, dat zij U in staat zullen stellen Gods Wil beter te erkennen en die wil beter te
volbrengen op aarde of in de sferen, zoals het U gegeven wordt te doen.
Goeden avond.
o-o-o-o-o

151
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

LES X

Goeden avond, vrienden,
U heeft misschien bezien, dat de vorige les ten dele een samenvatting en een herhaling is, met
enkele nieuwe gegevens erbij. Ik wil nu de nadruk eens gaan leggen op bepaalde magische
concepten. In de tweede plaats zou ik nog graag terug willen komen op de praktische
mogelijkheden.
Wanneer wij uitgaan van het standpunt, dat de magie in feite een wetenschap is, die zich
baseert op wetten, die hier op aarde niet, of zich niet zo kenbaar maken.
Dan moeten wij dus ook uitgaan van het standpunt, dat alle magie in directe relatie staat met
andere gebieden en nimmer kan beantwoorden aan de normale redelijkheid, die op aarde
wordt gehanteerd.
Het tweede punt, dat wij onmiddellijk zien, is dat deze magie, ofschoon zij gehoorzaamt aan
haar eigen wetten, klaarblijkelijk in de eerste plaats gehoorzaamt aan bepaalde psychische
wetten en niet aan fysieke wetten. Ook het fysiek verschijnsel in de magie wordt altijd via een
psychische tussenweg geproduceerd. Het resultaat is, dat wij het redelijkheidsconcept van de
magie kunnen vergelijken met een redelijkheidsconcept, dat ook leeft in de menselijke psyche.
Dit is zeer klaarblijkelijk - dat kunt U zien aan iedereen rond U en ook aan Uzelf - geen
concept, dat volledig beantwoordt aan de voorstelling van redelijkheid. Conclusie: degene, die
met magie werkt, moet ten dele de redelijkheid opzij zetten.
Een derde punt: wanneer wij in de magie komen tot een onderscheid van de verschillende
handelingswijzen en methoden, dan valt ons op dat naast een zeer nauw omschreven, z.g.
rituele magie, een vrijere soort magie bestaat, die hetzelfde kan bereiken.
Vreemd genoeg doet de rituele magie ons vaak denken aan een kerkelijke plechtigheid,
waarbij alle daar voorkomende effecten ook voor zichzelf worden gebruikt, zoals daar zijn:
bepaalde incantaties en liederen, reukwerken, belichting, gebed en ook daarbij, onthouding
van bepaalde warden, reiniging, tot zelfs een soort doopplechtigheid toe. Transmutatie, zoals
in de katholieke kerk voorstelt tijdens de consecratie van de hostie, vinden wij in de magie in
vele gevallen terug door het geven van z.g. sympathische waarde aan voorwerpen.
In de vrije magie valt dit kerkelijk karakter een beetje weg en komt daarvoor in de plaats het
gevoelselement. Het typische van deze laatste vorm is, dat deze alleen mogelijkheid tot slagen
biedt, wanneer men zichzelf volledig kan overtuigen en volledig kan opgaan in de werking. Bij
een officiële incantatie maakt men gebruik van reeksen namen en begrippen, die elk voor zich
weer ontleend zijn aan een bepaalde voorstelling van de kosmos. Het kennen van deze
begrippen, plus de incantatie, vormen tezamen een van buiten dwingend geheel, dat de eigen
psyche en instelling zodanig beïnvloedt, dat wij daardoor tot eenheid met de sfeer, waarmee
wij werken, worden getrokken. Bij de z.g. vrije magie is het precies omgekeerd. Daar zullen
wij in onszelf de spanning moeten wekken die noodzakelijk is voor de bereiking en deze, door
middel van de incantatie b.v., mededelen aan hetgeen ons omringt. Wij moeten tussen deze
beide vormen van magie een zeer scherpe scheiding maken. Hetgeen wij U in de afgelopen tijd
getracht hebben te leren ligt op het terrein der vrije magie en dan nog wel gedefinieerd: de
vrije witte magie.
Het verschil tussen wit en zwart is, zoals men zegt, een verschil in intentie. Maar het is ook
een verschil in beheersen. Hoe vreemd het U ook moge klinken: in de vrije magie is voor 't
bereiken van een zwartmagisch resultaat een grotere beheersing nodig, dan voor een
witmagisch resultaat. Het witmagische is n.l. afgesteld op hetgeen, waarnaar de mens hunkert
en grijpt: gebieden van vreugde, vrede, van zelfverhoging en zelfuiting. Het zwartmagische
werk daarentegen is altijd beperkend en egoïstisch. In dit egoïsme echter betekent het ook

152
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

een beperking van eigen mogelijkheden en vermogens. Het is daarom, dat voor
zwartmagische bereikingen altijd praktisch rituele magie wordt gebruik, terwijl voor de witte
magie van vrij magische handelingen met zeer goed resultaat gebruik gemaakt kan worden.
Dit is even een korte herhaling dus van de grondprincipes, die U al verschillende keren hebt
gehoord. Dan gaan wij nu even de verschillende mogelijkheden van de vrije magie na.
In de eerste plaats: wij kunnen werken door eigen instelling. Bij eigen instelling kunnen wij
aan het eigen persoonlijkheidspatroon een bepaalde tendens opleggen dat zo sterk kan worden
geuit, dat ons leven wordt beïnvloed en wij kunnen daardoor in onze omgeving bepaalde
effecten bereiken. Wanneer wij verder dan de onmiddellijke omgeving willen werken, of willen
werken met een intensiteit, die groter is dan ons eigen vermogen, zullen wij echter te allen
tijde gebruik moeten maken van krachten, die buiten ons staan. Het gevolg is dat in een
dergelijk geval de incantatie noodzakelijk is en deze ook inderdaad en luid gesproken moet
worden. Daarnaast kunnen wij gebruik maken van reukwerken, die in de eerste plaats wel de
taak hebben, onszelf voor te bereiden op een zekere plechtigheid, een zeker gebeuren.
Daarnaast kunnen in reukwerken bepaalde stoffen verwerkt zijn, die a.h.w. harmoniëren met
andere gebieden van trilling, andere sferen, andere fasen van bewustzijn. Wij kunnen dus het
reukwerk een dubbele waarde toekennen: een beïnvloeding van ons eigen wezen - en de
anderen, die evt. bij de handeling aanwezig zijn. In de tweede plaats de beïnvloeding van
wezens in andere sferen, die wij dus op deze wijze benaderen.
Verder wil ik nog iets zeggen over dat persoonlijkheidspatroon. Technisch gezien: in het
lichaam wordt een hoeveelheid elektriciteit geproduceerd: die wordt niet regelmatig
geproduceerd en zij functioneert dus zeer scherp in haar intensiteit en uiting. Daar komt bij,
dat door overdracht in de zenuwkanalen, van neuron tot neuron gaat. Een neuron is een cel,
die uitgestulpt is aan beide kanten a.h.w. een soort haakjes heeft. De reactie die ontstaat is
niet alleen een elektrische, maar daarnaast ook een chemische. D.w.z. dat er onderling
chemische beïnvloeding van de zenuwcellen t.o.v. elkaar optreedt. Deze gaat gepaard met een
prikkelimpuls van bio-elektrische geaardheid. Dit zijn gegevens, die U overigens na kunt gaan,
of zij volgens Uw eigen wetenschap, juist zijn.
Nu kan het dus gebeuren, dat ons eigen wezen door zijn instelling sommige stoffen meer dan
normaal produceert. Het eigenaardige is, dat een cel van deze stoffen in de weefsels wordt
geabsorbeerd en ook in de zenuwcellen terecht kan komen. Deze instelling duurt betrekkelijk
lang. Wanneer in ons de emotie b.v. een afscheiding veroorzaakt, dan kan het zelfs van 10 -
20 minuten duren, voordat die invloed zich volkomen kenbaar maakt in ons eigen
zenuwstelsel. Voor die tijd hebben wij al iets anders gedaan. Wij hebben n.l. ook stoffen, die
gezien de emotie, uit het lichaam worden uitgebracht. De uitwaseming van de mens verandert
enigszins. Ofschoon een groot deel van de omgeving dit niet bewust kan waarnemen, betekent
toch ook dit een verandering. Denkt U eens na over de aantasting van metalen door de
uitwaseming van het menselijk lichaam. Een mens draagt een zilveren ring, die zwart wordt
enz. enz. Er is dus sprake van een chemische werking, die selectief is, die niet alle gebieden
gelijkelijk aantast. Dit betekent een verschuiving van waarden in de omgeving. Daarnaast
krijgen wij deze elektrische impuls, die buiten zich dus a.h.w. een gebied induceert, waarin
dezelfde fluctuaties optreden, die in het zenuwstelsel zelf optreden. De kern, van waaruit wij
werken, is natuurlijk - en blijft altijd - het hoofd, de hersenen. In de magie werk je vanuit de
hersenen, omdat daar de eerste impulsen ontstaan en omdat daar alleen de directe van
impulsen verder redelijk mogelijk is. Nu gaat dit deel van de grote hersenen uit, maar wij
krijgen een reflexwerking aan de kleine hersenen, dus een ultamatisme. De varianten die
ontstaan, kunnen invloed uitoefenen op buiten ons liggende personen. Wij spreken nu over
een persoonlijkheidspatroon, wanneer de normale uitwaseming, plus een normale
geïnduceerde straling, - de reactie buiten de aura, dus niet in de aura zelf, gewekt -
beantwoordt aan bepaalde trillingseisen. Dat is dat niet meer dan zoveel pieken boven het
gemiddelde voorkomen per minuut: in de tweede plaats, dat niet meer dan zoveel
dieptepunten voorkomen per minuut. D.w.z. onder het gemiddelde. Daar nemen wij dan voor
een piek en een verlaging bij een grafiek ongeveer 10%. Dus wat er boven en er onder komt,
betekent een uitschieter.

153
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

Wanneer wij dat gaan zien, blijkt, dat bij elke mens deze dingen een bepaalde impuls geven,
die grafisch is vast te leggen, maar een vast, zich herhalend verschijnsel. Een stemming, of
gemoedstoestand, kan dit inderdaad veranderen. Zolang dit niet het geval is, hebben wij een
eigen persoonlijkheidspatroon. Al, wat daarop wordt geënt, door emotie, prikkel en ervaring,
betekent niet een wijziging van het grondpatroon, maar een versterking van bepaalde factoren
daarin. Je zou dus kunnen zeggen, dat het persoonlijkheidspatroon altijd blijft bestaan, maar
dat daarop bepaalde emotionele spanningen geënt kunnen worden. Dan kunnen wij van hieruit
verder gaan en zeggen: het persoonlijkheidspatroon is datgene, waarmee je normalerwijze de
omgeving a.h.w. benadert en beroert. Het is de invloed, die U op Uw omgeving hebt. Hieruit
volgt dat die omgeving normalerwijze een eigen veld hebben, een vaste impuls zal hebben als
gevolg, dus ook een vaste reactie op Uw wezen. Wanneer n.l. twee persoonlijkheidspatronen
volledig gelijk zijn, versterken zij elkaar: hoogte en dieptepunten, die dus als van buiten
komende beïnvloeding door beiden worden ervaren zijn dubbel zo groot. Wij hebben de
mogelijkheid tot groter samenwerking, maar ook tot groter stelling.
Heffen zij elkaar volledig op, dan is de reactie zozeer apatisch, dat wij ons weg gezogen
gevoelen. Het is alsof iemand ons eenvoudig aftapt. Naast deze verschijnselen, die je bij een
gewone mens merkt, is het duidelijk, is het duidelijk, dat juist deze impulsen van fijnere
geaardheid, ook zullen kunnen werken in een astraal gebied en ook daarboven gelegen
gebieden, en ook de daaronder gelegen gebieden. Op het ogenblik, dat wij een gelijkheid
bereiken met een bepaalde sfeer, zal een versterking van onze eigen impulsen vanuit die sfeer
plaatsvinden. Een verveelvoudiging van onze vermogens kan dus bereikt worden, door
instelling op die sfeer, waarbij het grondpatroon van de eigen persoonlijkheid steeds gebruikt
moet worden om de keuze van sfeer te rechtvaardigen. Nu zullen wij in de magie altijd
ontdekken, dat de magiër en ook de psychometrist, het medium, de magnetiseur enz. altijd,
wanneer hij ernstig werkt, om dit patroon van zijn medemensen a.h.w. over te nemen.
Hieruit volgt, dat het eigen patroon aan bepaalde varianten onderhevig is en dat deze
varianten kunnen worden beheerst. Wij kunnen nooit een absolute tegenstelling tot gelijkheid
met ons eigen wezen brengen. Maar wij kunnen wel ons eigen wezen tijdelijk zozeer
vertragen, of verscherpen, - versnellen dus - dat de reactie van de ander, op ons minder
invloed heeft. Wij gebruiken deze patronen voor ons dus hoofdzakelijk - er zijn uitzonderingen
- om in de eerste plaats onze speciale relatie met speciale sferen vast te stellen en in de
tweede plaats onze bepaalde verhouding t.o.v. mensen te wijzigen en b.v. sympathieën en
antipathieën, vreugde, of vrees bij anderen te doen ontstaan, zonder daarbij het doel uit het
oog te verliezen.
Gezien vanuit geestelijk standpunt werkt de trilling die de mens op deze wijze uitzendt,
eigenlijk als een supersonische trilling. Zij ligt onder het directe gehoor, onder de directe
waarneming, maar wekt in die sfeer bepaalde emoties. Wij kunnen nu door een betrekkelijk
onder Uw gehoor liggende trilling te laten horen, b.v. tot angst bewegen. Wij kunnen U zelfs 't
gevoel geven, dat Uw benen loodzwaar worden, dat U niet verder kunt, dus dat een soort
verlamming wordt veroorzaakt. Op deze wijze reageert U nu in die hogere sferen: Het gevolg
is, dat die sfeer zich moet realiseren, wat er gaande is. Zij kan dit alleen door zichzelf ook
wederom af te stemmen, tot waarneembaarheid van dit voor hen supersonische optreedt.
Entiteiten die dit doen, zullen zich daardoor kunnen realiseren, wat behoefte, oorzaak en wat
noodzaak is. Is deze hinderpaal niet in strijd met hetgeen de sfeer zelf als goed erkent, dan
treedt een vergroting van stimulans op, daardoor wordt in sommige gevallen de magiër
verheven boven het gewone peil, dus direct contact kan krijgen: in andere gevallen echter
zoveel kracht wordt gegeven, dat aan de eis, die de trilling veroorzaakte, werd voldaan.
Uitwisseling van krachten tussen de sferen is op deze wijze eenvoudig te bereiken en de
aanpassing van het persoonlijkheidspatroon is daarvoor zeer belangrijk.
In de magische praktijk zal ons verder blijken, dat zolang wij ons met de vrije magie bezig
houden, instelling, maar ook gedachte, een zeer grote rol spelen. Men zou het volgens aardse
wetenschap, ook zo uit kunnen drukken: Zeer veel van de magie is niet anders dan een
suggestie, die zó sterk wordt uitgedrukt, dat niet slechts levende, maar ook dode voorwerpen
in de omgeving en zelfs op verre afstand aan deze zelfde suggestie toegeven en daardoor een

154
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

schijnbare realiteit tot stand brengen. Elke handeling die langs magische weg bestaat, is
schijnbaar. Wij kunnen niet reëel iets veranderen, maar wij kunnen iets schijnbaar veranderen
door de reactie, psychisch, van anderen dit tot een realiteit maakt. Het is misschien goed, dat
wij hierop nog even de nadruk leggen. Onze magie bestaat niet in de eerste plaats uit het
herscheppen, of omscheppen, van bestaande waarden maar uit het scheppen van condities,
waardoor in de omgeving de behoefte tot concretisering met het door ons geschapene
ontstaat. In de oude tijd werd dit heel vaak bereikt via de onbewuste verlangens en begeerten
der massa. de z.g. suggestiewonderen van de priesters in Egypte b.v., de slangen, lichtende
kransen enz. enz., die zij toonden, waren niets anders dan een sublimatie van bepaalde
symbolen, die in het volk leefden. Hier was dus een betrekkelijk kleine impuls noodzakelijk.
Andere wonderen echter, zoals b.v. de opwekkingen door Appolonius, Apostratus, en tal van
plotselinge genezingen van zware zieken enz., zijn weer gebaseerd dus op het overdonderen
van één persoon en heel vaak het overdonderen van die persoon tegen eigen begeren in. Wij
moeten dus bij de toepassing van de magie ons niet alleen op de afstemming verlaten, maar
ook wel gelijk rekening houden met de persoonlijke instelling van degene die wij willen
bereiken. Hoe groter de suggestibiliteit van deze persoon, hoe makkelijker ook effecten
resulteren, hoe makkelijker ook onze eigen inwerking teniet wordt gedaan. Hoe moeilijker wij
dus een persoon kunnen overtuigen, hoe moeilijker het zal zijn om een kenbaar resultaat tot
stand te brengen. Is dit echter tot stand gebracht, dan is het over het algemeen van blijvend
resultaat. Voor degene, die zelf gebruik willen maken van de magie, geldt verder nog het
volgende:
Wetend, dat U werkt met psychische krachten, zult U ongetwijfeld voortdurend Uzelf oefenen
in het beheersen van die delen in Uw psyche, die voor Uzelf beheersbaar zijn. U zult voor die
beheersing alle methoden en middelen gebruiken, die U ten dienste staan en die U in de door
U begeerde toestand kunnen brengen. Dit houdt in dat de magiër, juist gezien de behoefte, die
zijn werking met zich brengt, in vele gevallen enigszins staat buiten, of boven de normale
regels en wetten, die gelden voor de normale burger. Hij zal echter steeds zijn leven zó in
moeten kleden, dat hij niet in oppositie komt t.o.v. de maatschappij. Doet hij dit n.l. dan staat
alleen voor hem de weg der zwarte magie open, waar hij niet in staat is sympathische
werkingen en krachten op te wekken, sterk genoeg om zijn magische resultaten van blijvende
waarde te verlenen. De praktijk wij hebben in de praktijk al meerdere malen gesproken over
incantaties, afschermingen, over de Scheingestalt, de projecties en gebruiken ter vervulling
a.h.w. in ons bestaande behoeften, die wij in onszelf menen te moeten kunnen vervullen.
Ook hierbij gelden enige praktische regelen: de middelen, die wij gebruiken om onszelf in een
toestand van overgevoeligheid, helderziendheid e.d. te brengen, zullen steeds zó moeten
worden gekozen, dat wijzelf erover meester blijven. Er bestaan verschillende giften, die door
hun werking vaak versnellend werken, wat de psyche betreft, en gelijktijdig vertragend, wat
de fysieke mogelijkheid betreft, wat ons in staat stelt andere sferen te benaderen en daar
bepaalde dingen waar te nemen en onze gedachtebeelden daarin te uiten. Het is jammer, dat
een deel van deze giften verslavend werken, ofwel direct schadelijk zijn voor ons fysiek,
wanneer wij in de stof zijn, in de geest hebben wij zulke dingen niet nodig.
Hieruit volgt dus, dat wij zoveel mogelijk afstand moeten doen van de hulpmiddelen, die vooral
de rituele magiër zo graag gebruikt. Er zijn bepaalde verdovingsmiddelen, reukstoffen,
roesveroorzakende kruiden e.d.. Daarvoor in de plaats moeten wij stellen onze eigen fantasie,
ons voorstellingsvermogen. In dit voorstellingsvermogen moeten wij trachten elke toestand,
die voor ons begeerlijk is, te realiseren. Tijdens deze realisatie - mits intens genoeg - zullen
wij n.l. in onszelf de reacties opwekken, die ons persoonlijkheidspatroon aanpast aan de
gewenste sfeer en toestand. Het gaat niet erom, dat wij in onszelf dromen, maar het gaat
erom, dat wij door middel van die droom door middel van die gedachtegang, door middel van
dat schijnbeeld, dat wij ons opbouwen, in contact komen met sferen en werelden, waar een
realisatie mogelijk zou zijn. Het houdt echter ook in, dat indien wij gebruik maken van het
fantastisch beeld tijdens een concentratie, dit fantastisch beeld naast de voor ons belangrijke
en emotie wekkende elementen, ook tevens het element van ons magisch werken moet
bevatten.

155
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

Eerst dan is het mogelijk, waar door de droom een eliminatie van begeerte-elementen
ontstaan, zover dit door ons vervuld kan worden. Het enige, wat niet reëel verwerkelijkbaar is
en toch gebonden is aan buiten ons staande waarden, tot centraal punt van elke kracht te
maken van de gehele sfeer. Wij zullen over het algemeen heel weinig kunnen bereiken,
wanneer wij niet geleerd hebben om uiting te geven aan bepaalde dingen die in ons leven. In
het begin is dat heel erg moeilijk voor een mens, maar wij moeten toch leren op enigerlei wijze
die dingen naar voren of naar buiten te brengen. Wanneer wij dat doen, dan zijn wij daardoor
n.l. in staat een hele scala van gevoelens over te brengen op anderen en dus ook op onze
omgeving. Een incantatie berust hoofdzakelijk op het vermogen bepaalde trillingen, die emotie
verwekkend zijn, aan anderen te geven. Wij kunnen die emotie niet alleen mechanisch
wekken. Het is dus niet mogelijk te zeggen: "Nu gaan wij eens even vaststellen, toon a is
geschikt voor emotie a, dus met die toon bereik ik dat."
Wanneer wij daar niet een zekere gevoelswaarde inleggen, dus een element, dat ook weer het
persoonlijkheidspatroon naar buiten toe brengt, dat een zekere psychische en telepathische
invloed tevens betekent - mogelijkerwijze zelfs via het onderbewustzijn - dan zullen wij daar
niet ver mee komen. Wij hebben allemaal een reeks in ons van vaste waarden en zullen leren
bepaalde voorstellingen te verknopen met bepaalde door ons gewenste werkingen. Wij kunnen
dus op een heel simpele wijze leren om elke incantatie juist te spreken, n.l. wanneer wij in
onszelf de toestand weten te wekken voor het werkzaam doen worden van die incantatie.
Voor het geval U het misschien nog niet weet: elke incantatie, die algemeen hulp inroept,
moet zijn geboren in een gevoel van hulpeloosheid. Men moet zich dus bewust van de
onvolkomenheid van eigen vermogens, waar dit niet aanwezig is, de steun van anderen en
zeker niet vanuit een andere sfeer, makkelijker bereikt zal worden. Wanneer men zich op een
bepaald deel richt en daarbij hulp nodig heeft, zal men zich van zijn onvolkomenheden op dat
terrein zeer scherp bewust moeten zijn. Wanneer de gedachte er een is van vrede, dan zal die
moeten gebaseerd zijn op het kennen van onvrede, een realisatie van wat vrede kan zijn, een
voorstelling daarvan, waardoor het ik enigszins de vrede ondergaat. Gaat het om liefde, dan
moeten vrij altijd erg voorzichtig zijn. Elke liefde, die gebonden gaat met hartstocht, is een
direct beroep op bepaalde fysieke factoren. Het resultaat is, dat een dergelijk beroep op het
fysiek geestelijke werkingen uitsluit, of slechts lagere werkingen toelaat. Hartstocht kan alleen
gebruikt worden als middel van persoonlijke bewustwording, maar kan in de magie niet
gebruikt worden om bepaalde werkingen te bereiken. Wat wel kan, is, dat wij onze
genegenheid, waaraan voor ons niet een directe hartstochtbinding aan vast zit, zó sterk
voorstellen: B.v. een vriendschap, of dezelfde geborgenheid van een familiekring, dat wij
hierdoor komen tot die uitdrukking van genegenheid, die wij in de wereld kunnen uit zenden
en die b.v. gebruikt kan worden om bedroefden te troosten, maar ook om alle werkingen, die
uit innerlijke disharmonie ontstaan zijn, op een eenvoudige wijze uit de weg te ruimen.
Hoevelen zijn er onder U, die menen, dat zij inderdaad zo'n incantatie kunnen gebruiken? Die
het althans proberen: Zullen wij zeggen: 2,5? Dat is ongeveer juist.
Wanneer U die dingen nu niet gebruiken wilt, dat U zichzelf er dwaas bij voelt, of om welke
reden ook, dan is het verstandiger om al die dingen te vergeten. Wanneer U er half van afweet
en niet tot de daad kunt komen, dan zult u onbewust op een gegeven ogenblik die werkingen
wel gebruiken krachtens Uw kennis - maar dan op een ogenblik, dat U zelf Uw emoties niet
beheerst en dus ook de resultaten niet kunt beheersen. Of wij doen het helemaal niet, of wij
proberen het helemaal goed te doen.
De kwestie van afscherming en magisch schild. In de rituele magie wordt door afscherming en
magisch schild meestel bereikt door bepaalde symbolen. De symbolen, die als schild gebruikt
worden (machtssymbolen) waarin de Goddelijke wet, de Goddelijke werking, de weerspiegeling
macrokosmos - microkosmos en de Goddelijke naam worden uitgebeeld, of aangeduid. Wat de
directe afweer betreft, daarbij wordt over het algemeen gebruik gemaakt van het wapen: de
dolk, of ook wel het zwaard. Dezen bevatten dan de metalen, of ook wel de edelstenen,
behorende aan de planeten van het zonnestelsel en wel gelimiteerd tot zeven planeten, dus
het oude systeem.

156
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

Daarnaast zullen wij over het algemeen op een dergelijke dolk, of zwaard, lezen de magische
namen, die normalerwijze in de astrologie door sterrenbeelden worden aangeduid. Wij zullen
lezen de namen van de vorsten en de eerste genii van de 7 planeten, aangevuld met dat van
de drie of vier heersers. In de meest perfecte vorm van magie, zoals die een tijdlang gebruikt
werd in het zuiden van Spanje, vinden wij zelfs vijf namen, waardoor dus het 12-tal der
planeten - het Goddelijk getal der planeten volledig werd afgerond en alle krachten daarmee in
directe werking betrokken zijn. Een dergelijke werking is alleen te bereiken, wanneer wij
volledig een afweerritueel kennen.
Het bezit van een amulet, of talisman, kan onder sommige omstandigheden zeer gunstig zijn.
In de eerste plaats is zij vervaardigd onder een hevige spanning, zodat zij - evenals op een
steravond - een bepaalde uitstraling heeft. Deze uitstraling geeft ons b.v. zelfverzekerdheid.
Daarnaast bevat zij symbolen, waaraan wij, op het ogenblik dat deze werking ontstaat,
onwillekeurig denken. Wij hebben dan een magisch schild als resultaat daarvan door een
gedachtebeeld, dat door een stoffelijke afbinding wordt versterkt.
Dat is ook voor de vrije magie niet noodzakelijk, en buiten het dragen van een enkele talisman
misschien, - dan denk ik hier b.v. aan de bekende tetragrammen - over het algemeen af te
raden. Wanneer wij ons bezig houden met magie, dan zijn wij geneigd om tot bijgeloof over te
gaan en zou U dus komen tot een toekennen van te grote waarde aan dergelijke voorwerpen,
schrifturen e.d..
De vrijmagiër echter moet dit schild ook kunnen handhaven. Hij kan dit in de eerste plaats
doen via een weg van zelfsuggestie. Dit betekent dat men een grens rond zichzelf trekt, een
symbolische of denkbeeldige grens, die zo scherp mogelijk wordt aangeduid. Die grens bestaat
dan meestal uit de rituele magie geleende dubbele cirkel, waartussen evt. de verschillende
heilige namen, of Godsnamen, ondergebracht zijn. Heel vaak vinden wij ook daar de
functionele namen, meestal aan de top: Tetragrammaton, Messiah, Ischias en heel vaak ook
nog vaak als balansnaam Ishtar, een oude Godsnaam van een semi-demonisch begrip, een
liefdesbegrip.
Met deze namen bereiken wij dus een afscherming. Wij kunnen het nog veel eenvoudiger
doen, indien wij ons realiseren, dat op elk ogenblik, dat wij onszelf zijn, zo sterk als wij onszelf
maar kunnen zijn, wij automatisch elke zwakkere impuls weerkaatsen, terwijl wij bovendien
het aanbrengen van een variant in onze eigen persoonlijkheid, zeer moeilijk maken. Elk
magisch ingrijpen - denkt U aan hetgeen wij in het begin al hebben gezegd -, berust op een
ingrijpen via de psychische weg en kan niet onmiddellijk fysiek gebeuren. Welk middellijk, dus
door ingrijpen van anderen. Tegen de stoffelijke resultaten kunnen wij ons over het algemeen
beschermen door stoffelijke middelen. Tegen geestelijke middelen kunnen wij ons echter
beschermen door onze eigen persoonlijkheid zo zeer zichzelf te doen zijn, met een zo grote
zelfverzekerdheid, dat daar door een niet aantastbaar zijn ontstaat.
De energie, die noodzakelijk zou zijn om onze persoonlijkheid voldoende te wijzigen voor een
in resultaat overgaand ingrijpen, betekent dan voor de zwartmagiër een zelfvernietiging. Is het
een witmagiër, dan wordt zij automatisch getransponeerd in krachten, die voor ons beiden
kenbaar zijn en die wij naar believen kunnen nemen, of verwerpen. Hoe meer wij van onszelf
verzekerd zijn, hoe minder wij angst kennen, hoe minder wij een schuldgevoelen in ons
hebben, hoe sterker wij zullen staan togen elke paranormale beïnvloeding via de psychische
weg. T.a.v. schuldgevoelens en onzekerheid het volgende: onzekerheid kan voor ons slechts
dan ontstaan, wanneer wij twijfelen aan ons eigen vermogen tot volbrenging. Laat ons
voortdurend dus voor ogen stellen wat wij kunnen, daarnaast wat wij hopen te bereiken. Laat
ons nooit iets trachten te bereiken, dat veel verder gaat dan ons reeds erkend kunnen.
Wanneer wij te ver grijpen buiten het voor ons aanvaardbare, begrijpelijke en normale, zullen
wij onszelf te onzeker gevoelen en daarbij te kwetsbaar zijn.
Wanneer wij ons bezig moeten houden met het verleden, dan kunnen wij daaraan natuurlijk
weinig doen. Zodra wij in onszelf een schuldgevoel voelen opkomen, is er slechts één weg.
Laat ons trachten dit in het heden zo snel mogelijk te compenseren, opdat wij ons niet
minderwaardig, of ook wel zondig gevoelen. Dit gevoelen betekent een innerlijke strijdigheid,
die op de duur tot een vergroting van kwetsbaarheid kan voeren, waar er ergens in onze
157
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

verdediging een bres is. Laat ons verder onthouden, dat elke zorg, die wij voor de toekomst
hebben, schadelijk kan zijn. Het is niet redelijk te veel zorgen te maken voor de toekomst,
behalve op de ogenblikken, die speciaal aan de beschouwing aan de toekomst gewijd zijn. Wij
hebben met het heden te maken en in het heden kunnen wij over het algemeen ons mannetje
best staan. Wij kunnen het heden wel aan. Het gebeurt maar heel zelden, dat wij voor een
toestand komen te staan, waar wij helemaal niet tegen op kunnen. Het gevolg is, dat zolang
als wij ons tot het heden bepalen, wij met een redelijke, innerlijke zekerheid staan t.o.v. elk
geestelijk en paranormale inwerking. Dat wil zelfs zeggen, dat wij direct uit de geest komende
inwerkingen zelf kunnen selecteren en dat zij onderworpen aan ons in het heden staand ik, dat
redelijk reageert, alleen een directe hulp kunnen zijn voor onze bereikingen, een correctie
misschien van onze meningen, maar nooit een dwingende beïnvloeding van ons wezen.
Bij de piek naar boven en naar onder en de beïnvloeding, die dus vanuit een andere wereld
of veld hierop kan plaats vinden. Om het patroon van een ander vast te stellen moeten
daar punten van overeenkomst zijn om een contact te verkrijgen.
Een overeenkomst verkrijgen wij dus in dit patroon alleen door ofwel zelf volkomen neutraal te
zijn, dus volkomen onberoerd te zijn, ofwel met de ander een gelijke belangstelling en gelijke
interesse te hebben een gelijke emotie zelfs. Dat zijn de wegen, die daartoe bestaan. Ik heb
mij zeker niet juist uitgedrukt zo-even, omdat U spreekt over pieken onder en boven. Dat is
niet juist: Het is n.l. zo, dat op een horizontale lijn dus een verticale grafiek beweegt, die zich
toont in een zig-zaglijn, die een onder en boven de middellijn een gelijke uitslag geeft. Maar
die op een gegeven ogenblik een uitslag kan hebben van 5 centimeter aan elke kant en dan
plotseling overgaat tot een uitslag van één centimeter, aan dezelfde kant. De gemiddelde
uitslag zal misschijn 3 centimeter zijn. Dus 5 cm is een hoge piek en 1 cm een lage piek.
U had het over het gevoel, alsof je leeggezogen bent. Is het dan iemand, die volkomen aan
je tegengesteld is?
Dan is het iemand wiens eigen uitstraling dus volledig elke uitstraling van Uw eigen wezen
kent. Op het ogenblik, dat U een positieve piek heeft, is die ander net een negatieve piek. U
komt b.v. binnen met een redelijk hoge stimulans, dus Uw persoonlijkheidspatroon heeft een
activiteit, die boven normaal ligt. U komt bij een persoon, die even onder normaal ligt. Wat is
het gevolg? Dat U weer terugkeert naar normaal, maar nu niet begrijpend, waarom dit
terugloopt, waarschijnlijk zelf ook onder normaal zult afzakken. Dan krijgt U dus een zekere
apatio.
Kun je je afschermen daartegen?
Ja. Het is ook tegen te gaan door te erkennen, wat er gaande is, want dan kunnen wij
proberen uit fase te komen met die andere persoon. Dat betekent, dat wij ons volledig vrij
moeten maken van elke beïnvloeding, die hij op het ogenblik op ons heeft en dat wij zelf een
volledig nieuwe stimulans moeten schoppen. Voorbeeld: wanneer je bemerkt, dat zoiets het
geval is. Het is je gastvrouw, die het doet. Laat dan maar eens een kopje kapot vallen. Maar
dan heeft U daarmee een schok geschapen, die U het mogelijk maakt over te schakelen op een
andere impuls. Dan zal dat gevoel van "leeg-gezogen-worden" heel vaak dus afzakken.
Heeft U het een tijdje ondergaan en weet U niet, hoe U zich daarvan af moet maken, dan moet
U niet zeggen, dat U zo moe bent, dan moet U proberen een stimulans te vinden, dus: een
handeling, een gebeuren, misschien gaat U een potje bier pakken, of U gaat een partijtje
kegelen, desnoods gaat U een keertje op Uw handen lopen. Maar U gaat iets doen, wat buiten
de regels is, buiten het normale. U schept daardoor een stimulans en U ziet, dat daardoor die
vermoeidheid gauw verdwijnt. het is een psychische kwestie. Je kunt het door je eigen patroon
weer op te voeren a.h.w. wegdrukken.
U had het in het begin over beheersing. Wilt u daarover een paar voorbeelden geven?
Beheersing wil zeggen dat wanneer U dorst heeft heel rustig, omdat het nu op dit ogenblik niet
past om te drinken, een glas water met koel water b.v. voor U kunt laten staan. Dat, terwijl U
eigenlijk haast heeft, U zichzelf rustig bedwingen kunt en een kalm tempo aannemen, zonder
dat U daardoor innerlijk zenuwachtiger wordt. Het gaat niet alleen om het uiterlijke maar ook
om het innerlijke. De magiër werkt nu eenmaal met emoties. Nu kan het b.v. nodig zijn, dat
wij ons zelf opzwepen tot een zeer grote woede. Dat kan eens een keer nodig zijn. Maar als wij

158
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

die woede niet af kunnen draaien als een kraan, die dicht gaat, wat krijgen wij dan? Dan gaan
wij niet alleen ons magische drijven daarmee beïnvloeden, maar onze hele omgeving. Wij
krijgen die impuls zelf terug en worden nu a.h.w. ondergedompeld in deze door ons zelf
geschapen emotie. Het maakt het ook ons onmogelijk om verder iets te doen. Toch moeten wij
wanneer het nodig is, in een kort ogenblik zo kwaad worden, dat wij in staat zouden zijn de
hele wereld uitroeien, maar met zoveel verstand, dat wij meteen al kunnen zeggen: Nu is het
genoeg....
Het is moeilijker, dan U denkt. Als je eenmaal kent, is het buitengewoon praktisch. Weet U,
wie dat heel vaak goed kunnen? Moeders, die vijf, of zes kleine kinderen hebben. Die leren die
kunstmatige woede en droefheid over het algemeen zó overtuigend te brengen, dat zij er zelf
in geloven. Dat is ook een soort magisch principe. Het kind dus in een zekere sfeer brengen,
waardoor het reageert. Dat kun je soms doen, zonder dat je daarvoor enige uiterlijke middelen
bij gebruikt. Met een blik van de ogen kunnen zij de kinderen regeren. Waarom? Omdat de
uitstraling zo intens is, dat het kind, gevoeliger dan een normaal mens daarvoor, alleen daarop
al reageert en zich vaak laat commanderen. Het is voor U nodig op een gegeven ogenblik
bepaalde aspecten van Uw leven uit te schakelen. U wilt rust, vrede en stilte hebben. Daar
staat een jongen met een bromfiets te spelen, daar knalt de radio keihard en staat de t.v.-
commentator te vertellen, wat iedereen kan zien. Dan moet U in staat zijn U te beheersen en
niet zeggen: Juist, nu ik wil mediteren, doen zij zus en zo....
Die dingen passen er eigenlijk ook wel in. Ik laat die tot een soort dreun samenvloeien, die
mijn vrede tot een afscherming van de buitenwereld maken en zo versterken. Dat is dan
beheersen. Weet U, wat het moeilijke is? Er aan te denken, dat je het zo moet opvatten,
voordat je je zo geërgerd hebt, dat je er niet meer toe komt om erover te denken.
Het betekent dus, dat je bij elk beginfase je moet realiseren: Nu ga ik dat zo doen.... Dat je in
staat moet zijn daarmee door te gaan, zelfs wanneer de eerste prikkel van geërgerdheid, of
van gejaagdheid op zouden komen. "Dit is niet nodig, jezelf te overtuigen, dat dit je niets kan
doen", dan gaat het verder vanzelf. Eigenlijk is beheersen voor een groot gedeelte nadenken
en weten, wat je wilt.
Met het gevolg dat er geen spanningen ontstaan.
Er ontstaan natuurlijk spanningen, maar er ontstaan alleen die spanningen, waarvan wij
wensen, dat zij ontstaan. Wij transformeren dus een mogelijke hoogspanning in een lagere
spanning met een grotere capaciteit b.v. Wij zijn dus in staat om zelf a.h.w. onze out-put te
regelen. Wij zijn in staat zelf te regelen, wat wij aan levenskracht verbruiken op een bepaald
ogenblik, maar ook in welke grootorde wij deze kracht in de wereld sturen. Misschien is het
wel goed, als je je steeds de volgende dingen steeds voor ogen stelt: er bestaat niets wat ík
alleen kan doen. Ik ben dus voor de wereld niet noodzakelijk. In de tweede plaats: alles, wat
ik kan doen, kan ik alleen doen, wanneer ik het goed doe volgens mijn eigen weten en denken.
Anders zal het altijd fout lopen. In de derde plaats: ik heb altijd tijd genoeg en ik kom nooit
tijd tekort. Want indien ik wil, kan ik zoveel onbelangrijks opzij zetten, dat ik drie keer de tijd,
die ik nu wil gebruiken, kan reserveren.
Dat is ook feitelijk maar, wanneer je je maar realiseert, hoeveel tijd je eigenlijk aan
onbenulligheden besteedt. Het is verstandiger om een taak met 10 anderen te delen, dan een
te zware taak zelf te dragen. Het vraagt ook beheersing, omdat je zelf iets wilt doen, maar het
is verstandiger om daar assistentie bij te halen zo nu en dan. Je moet a.h.w. leren, ook wat
het geestelijke betreft, wat verantwoording betreft, tot zelfs in je gezinsleven, op een zeker
ogenblik iets te delegeren. Dat is dus de vrouw, die op een gegeven ogenblik de
verantwoording voor de zindelijkheid van de huiskamer delegeert aan haar echtgenoot, die as
zit te knoeien, waardoor zij hem niet ergert door met stoffer en blik te lopen en een volgend
ogenblik is dat van de heer des huizes, die zijn gezagspositie aan zijn echtgenote delegeert op
een ogenblik, dat zij toch opgewonden is, denkende: ach, ga je gang maar even, ik weet, waar
het naar toe moet en zolang het die richting u maar uit gaat, dan ben ik alleen tevreden.....
Dat zijn misschien een paar onbenullige voorbeelden, die erg belangrijk zijn. Alleen op die
manier kom je aan een maximum van beheersing. Vergeet één ding niet, dat moet een magiër
nog beter weten dan een ander: het doel in het leven is niet alleen zoveel mogelijk, zoveel
159
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

goed mogelijk te doen, maar om zoveel mogelijk zo goed mogelijk met zo weinig mogelijk
inspanning te doen. Anders put je jezelf nodeloos uit. Deze nodeloze uitputting zul je op een
gegeven ogenblik bezuren door een verlies van je capaciteit als magiër. De zwakte als mens,
het onvermogen om juist te reageren, dus iets, wat zowel psychisch als fysiek terugslaat. De
alles zo simpel en zo eenvoudig mogelijk. Denk liever 10 minuten na over de eenvoudigste
weg, dan een ingewikkelde weg te gaan, die 3 x zo lang duurt als de oorspronkelijke weg,
inclusief het denken.
Maak je nooit kwaad. Kwaad mogen wij ons maken in algemene zin, wanneer voor ons
magisch dit noodzakelijk is. Wanneer wij kwaad zijn, dan moeten wij die woede af reageren.
Desnoods: neem een mattenklopper en ga kleedjes kloppen, of neem eens alle oude borden,
die toch in de asbak moeten en ga ze stuk voor stuk kapot slaan. Reageer het af, geef het een
uitweg. Ga desnoods in een geluiddichte kamer zitten en scheld, totdat je er hees en schor van
bent, maar reageer je woede af, wanneer je ze niet bedwingen kunt. Maar probeer steeds te
voorkomen, dat je tot woede, tot opwinding wordt geprikkeld. Wanneer een ander dom is,
hoeft U zich daar niet boos over te maken, daar wordt U niets wijzer mee. U moet eerder
zorgen, dat U voorkomt, dat een dergelijke dwaasheid nog een keer voorkomt. Wanneer een
ander onrechtvaardig is, dan kunt U dat niet herstellen door boos te worden, hoogstens door
redelijk te zijn en na te denken, hoe je dit kunt compenseren.
En zo moet U verder gaan. Ook dit is een noodzakelijk deel van de beheersing. Op het
ogenblik dat je kwaad wordt, of je je zenuwachtig laat maken, ben je a.h.w. verloren. Maar
zolang als jij in zekere zin beschouwend t.o. de dingen staat, sta je er ook iets boven. Dan
houd je overzicht. Dan kun je invloed uitoefenen, zo je wilt. Dan gebruik je een beheerste
emotie vaak om berekend het juiste effect te veroorzaken. Op die manier heb je ook in het
dagelijkse leven al een voordeel, dat grote voordeel, dat je altijd die innerlijke rust hebt, dat
vaste patroon, waarop je willekeurig datgene, wat noodzakelijk is om in contact te komen,
aanvoelt, met de sfeer, van waaruit je op aarde werkt.
Die emoties en zo.
Dat is eigenlijk niet zo moeilijk, maar het stelt je wel voor een keuze. Of je bent een redelijk
wezen, of een emotioneel wezen, maar je kunt het nooit beiden tegelijk zijn. Rede en emotie
zijn elkaars vijanden. Wanneer je emotioneel alle dingen wilt doormaken, wilt beleven, dan zul
je afstand moeten doen van de rede. Maar daarmee doe je ook afstand van bewust magisch
ingrijpen. Maar op het ogenblik, dat je de rede dus stelt, het begrip, het aanvoelen, niet de
bekrompen rede: "Zo staat het in het boekje en anders kan het niet", maar met het redelijke
beschouwen, nadenken aan de hand van je ervaringen, nadenken aan de hand, van wat je
geleerd hebt, wat je vermoedt en dan kun je elke emotie de baas. Het betekent niet tegen
jezelf: “Kom jongen, kop op, hoor. Je hebt geen reden om zo bedroefd, zo zenuwachtig, of zo
uitbundig te zijn". Daar komen wij niet verder mee. Realiseer je: "Maar hoe komt het, dat ik
nu zo ben?" Vraag het niet aan een ander, vraag het aan jezelf. "Waarschijnlijk, omdat het niet
naar mijn zin gaat. Als het niet naar mijn zin gaat, wat kan ik er zelf aan doen: Ik kan er niet
veel aan doen, maar ik zal er tenminste mee daaraan kunnen beginnen". Begin er mee, dan
gaat je neerslachtigheid vanzelf weg. Als je voelt, dat je te uitbundig, te uitgelaten bent, dat je
het niet helemaal thuis kunt brengen, dan is het omgekeerd: Maar ik verwacht eigenlijk te
veel. Wat kan ik doen om die verwachting althans een beetje te realiseren?" Uitbundigheid
wordt omgezet in arbeidskracht, zowel verstandelijk als lichamelijk en leidt tot een beter
bereiken.
Nog iets nu. Misschien wel het meest schokkende: U kunt nooit aan een beheersing komen, als
U te veel verwacht van anderen, onverschillig, of die uit Uw eigen wereld komen, of uit een
andere wereld. Wanneer U veel van anderen verwacht, zult U zelf minder doen. Naarmate U
zelf minder doet, zult U minder bereiken, want de anderen schieten dan altijd bij Uw
verwachtingen tekort, of zij uit de geest komen, of ergens anders vandaan, omdat Uw
verwachting gebaseerd is op het overnemen van Uw eigen taak, of U zich dat realiseert of niet.
Probeer zelf te doen, wat je doen kunt en verwacht alleen dat, wat noodzakelijk is, inderdaad
gegeven wordt.

160
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

U neemt nog wel even de tijd voor de vragen, voor de volgende keer dus, maar dan is het ook
afgelopen. Maak van de gelegenheid gebruik, zodat verschillende dingen duidelijk zijn.
Nu kunt U pauzeren. Vrienden, goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Het tweede gedeelte zullen wij bestemmen voor de noodzakelijke vragen. Misschien nog een
onderwerpje daarna.
Er werd gezegd: iedereen kan zich op zijn wijze een voorstelling maken van het begrip
God, zowel in negatieve als in positieve zin, want God is positief en negatief. Hoe is het
voorstellingsvermogen van het begrip God? Hoe stellen wij ons dat voor? Hoe stellen wij
ons God in het negatieve voor? Ik stel mij God voor als een positief iets. Ik kan mij niet
voorstellen, dat God negatief is.
Er zijn genoeg negatieve Godsvoorstellingen op te noemen. Noem b.v. Kali Durga. De
vernietigende doodsgodin. Denk eens aan Loki. Al die Goden zijn dus negatief. Maar er zijn
nog andere negatieve Goden. Mijn God is een toornige en wraakzuchtige God..... Negatief.
Positief: Mijn God is een God van liefde. Op die manier heeft ieder zijn eigen idee van God.
Onverschillig, wat je je er uit haalt, of dat nu vernietiging inhoudt, kinderoffers en bloedoffers,
of dat het wordt een verering van een bijna kosmische Godheid, het blijft altijd een verering
van een aspect, dat in God bestaat. Het resultaat is dus alleen, dat wij moeten uitmaken, wat
wij voor onszelf van God erkennen kunnen. Het vreemde is dit op het ogenblik, dat een mens
een negatieve Godheid kiest, wordt zijn handeling negatief en als zodanig is zijn
bewustwording vertraagd, wordt in sommige gevallen haast retrograde. Kiest hij echter een
positieve Godheid, dan zit er vooruitgang in. Dat ligt niet aan het aspect van God, dat hij
vereert, maar dat ligt aan zijn eigen instelling t.a.v. de kosmos.
De mens is nu eenmaal - je zou het niet altijd zeggen - geschapen als een positief wezen. De
geest, die die bewustwordingsgang doormaakt, waarin ook de mens als een trap voorkomt,
heeft ook die positieve gang. Een positieve God betekent een erkennen van de kosmos, dat
een bevordering van eigen streven inhoudt. Het erkennen van een negatieve Godheid betekent
een teruggang. Maar als er een andere entiteit bestaat, die de tegenovergestelde weg heeft,
dan zeg je: Ja, maar een God van liefde is voor mij negatief.
Er zijn mensen, die maken beeldjes van klei met lelijke dikke buiken, zeggende: "Dat is God".
En andere houden meer van een soort Santa Klaus - ik wil niet zeggen Sinterklaas, want de
mijter is er niet bij, maar de baard en de bolle wangen wel - dan zijn er ook weer mensen, die
God liever zien als iets abstracts, als een God van licht: dat moet ieder voor zich weten. De
vraag is alleen maar: welke associaties heb ik, wanneer ik dat beeld beschouw? Dan kan
degene, die in dat kleine dikke, lelijke beeldje een God ziet, die liefdevol is en beschermend is,
er beter aan toe zijn, dan degene, die de man met de baard en de bolle wangen ziet als de
strenge rechter, die iedereen zal veroordelen.
Het beste is dus je maar een beeld te vormen en dat na te streven.
Ja. Je kent die bekende woordspeling wel: de mens schiep God naar zijn beeld en gelijkenis,
omdat hij aanneemt, dat God hem naar zijn beeld en gelijkenis geschapen heeft m.a.w. de
mens projecteert zichzelf, maar dan aangevuld met alle eigenschappen, die hij graag zou
hebben en niet heeft. En nu deze projectie God. Maar zolang de eigenschappen van deze
projectie positief zijn, bevorderlijk voor de uitbreiding van bewustzijn en waarneming, in de
kosmos, dan is het goed.
Wij hebben onlangs gehoord, dat het bereiken van het kleine steentje in het grote mozaïek,
dus het bewustworden van de plaats in de totale tijd, dat wij daar dus kunnen werken in
het grote kosmische Goddelijke plan. Komt hier ook niet de kwestie van aanvaarding bij?
Misschien wel. Die aanvaarding berust dan altijd toch op een erkennen van een noodzaak.
Wanneer een noodzaak erkend is, is de aanvaarding meestal vanzelfsprekend, mits de drang
tot aanvaarding groot genoeg is. Wanneer wij nu eenmaal weten, dat wij op elke andere
plaats, op elke andere manier van leven, in strijd komen met God, en het een pijnlijke kwestie

161
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

wordt met de Goddelijke wetten. Wanneer wij dat beseffen, dan is dat op die plaats werken in
een volledige overeenstemming met de Goddelijke wil, door een mechanisch deel van de
Godheid eigenlijk, is voor ons de enige normale oplossing. Een aanvaarding zit er eigenlijk niet
zozeer bij. Een andere kwestie is dit: als je met het woord aanvaarding aan komt draven, dan
zou je dat zo moeten zeggen: zolang als het bewustzijn van het noodzakelijke binnen het
Goddelijke en het wetmatige binnen het Goddelijke onvolledig is, zullen wij al datgene moeten
aanvaarden, waaraan wij persoonlijk menen niets te kunnen veranderen.
Het is heel simpel te zeggen dat alles wat God je gegeven heeft, je dat moet aanvaarden. Dan
kun je hier wel midden op de Laan van Meerdervoort gaan zitten, midden op de straat en
zeggen: Nu ja, als een auto mij aanrijdt is het Gods wil. Ik zal het wel aanvaarden…. M.a.w.:
het begrip aanvaarding tot het absurde doorvoeren, betekent een fatalisme bij elke stap, die je
uitvoert in feite zonder eigen verantwoording gaan. Waarbij alles wat komt, Gods wil is. Maar
dat is niet waar. Daarom mogen wij alleen datgene aanvaarden, waaraan wij na rijp beraad
menen zelf niets te kunnen veranderen. Dat menen is hier wel zeer noodzakelijk, want als het
bewustzijn groter is, kunnen wij het misschien wel. Maar het bewustzijn is niet groter, dus
totdat wij bewust zijn geworden van de mogelijkheid om hier iets te veranderen, accepteren
wij de zaak.
Ja, dan zou je het woord aanvaarden ook uitgelegd kunnen worden: het kan niet anders,
dus moet het maar.
Dat is toch eigenlijk aanvaarden?
Ik zou het willen zien als: met volle wil accepteren.
Weet je, hoe zij zo'n stelling nu noemen? Een chimare. Als je n.l aanneemt, dat je iets met je
volle wil kunt aanvaarden, wat onvermijdbaar is, dan ben je net als de minister. Wanneer hij
"ja" zegt, wanneer de staatssecretaris zegt: "Dit wetsvoorstel moet erdoor". Dan denk je zelf
niet meer. De kwestie is, je moet erkennen, dat het niet anders kan. Die aanvaarding houdt
helemaal niet in, dat je dat met je volle wil aanvaardt. Zo is het, zeg je dan, ik ga kijken, wat
ik verder doen kan. Dát is aanvaarden. Dat je er niet over blijft zeuren. Je loopt op straat, je
krijgt een blauw oog. Je zult wel laat thuiskomen. Zeg niet tegen jezelf: "O, wat een ellende.
Wat zal mijn vrouw ervan zeggen?" Dan zeg je: "Ja, weet je, wat ik moet doen? Degene, die
mij dat blauwe oog bezorgd heeft en gezien heeft hoe dat gebeurd is, zal ik even op laten
bellen, dat ik 5 minuten later kom, want dat er een ongelukje is geweest.” Dan heb ik
tenminste de gevolgen beperkt. Dát is aanvaarden. Zelfbescherming is een deel van de juiste
wijze van aanvaarding. Wist je dat? De juiste aanvaarding is de erkenning van het
onvermijdelijke. Wij kunnen dat in verband gaan brengen met de kosmos. Datgene, wat niet
te vermijden is, dat staat i.v.m. wetten en krachten, die buiten onze beheersing staan.
Wetten en krachten, die buiten onze beheersing staan, staan in de beheersing van het
Goddelijke. Als zodanig is elk erkennen van het onvermijdelijk zijn van iets een erkennen, dat
hier een wet, of een kracht functioneert, die sterker is dan wij. Waar wij elke kracht
terugbrengen tot de allerhoogste kracht, erkennen wij God daarin. Door het onvermijdelijke te
accepteren, doen wij in feite niets anders dan God met Zijn wil en Zijn wet te accepteren. God
is er altijd. Maar omdat wij dat erkennen en niet als kinderen blijven zeuren, zijn wij in staat
de kracht, die God ons geeft, te gebruiken. Op die manier zou je kunnen spreken van
vergroting van harmonie. Wat kan een mens in zijn gedachten corrigeren? De toekomst. Het
heden niet meer. Dat erkent hij als zodanig. Ook het verleden niet meer: Elk spreken over het
verleden in een andere vorm dan de werkelijkheid, is dus in feite een poging om ook het heden
te veranderen. Dat kan niet.
Zo begin je dus in de voet van oorzaak en gevolg een valse oorzakelijkheid in te schakelen,
n.l.: het had ik maar, of als zij het nu eens hadden.... “Had ik nu maar de 100.000 gehad", of
"Had ik nu maar geweten, dat dat contract los kon komen" Het is erg mooi, maar het is niet
zo. Houd je je bezig met dat "had ik maar....", dan ga je overleggen:"want dan had ik...." Dus
je gaat het heden corrigeren.
Het gevolg is i.p.v. je krachten aan het heden te wijden, het verleden verwijten maakt. Je gaat
je dus verzetten tegen de feitelijke toestand, maar je kunt ze niet meer corrigeren, omdat die
correctie afhankelijk is van een gebeurtenis, die reeds onmogelijk geworden is. Dientengevolge
162
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

verdraai je niet alleen de werkelijkheid, maar zul je door onvolledig te reageren in het heden
ook de toekomst verknoeien. Het is net hetzelfde als met die automobilist. Hij wou remmen,
hij drukte op het gaspedaal en zei: "Als ik maar had geweten, dat de rem ergens anders zat".
Toen was de botsing al gebeurd, hij had meteen op de rem moeten drukken.
Ik ben net als de kleine kinderen. Dat "Uw wil geschiede" is hieraan toch ook verbonden?
Natuurlijk. Je moet me goed begrijpen. Als je zegt, zoals de kinderen, dan ga ik op die
kinderen door. "Jantje, je mag niet uitgaan"."Neen, ma” en hij schiet de tuin in en denkt: "ik
ga het achterhekje uit”."Jantje, wat heb ik je gezegd?" "Ja, ma" Jantje is op zijn kamertje. "Nu
ga ik de voordeur proberen: "Jantje, als je het nu nog eens doet....Blijf op je kamer zitten".
Kijk, dan is "Uw wil geschiede" op zijn plaats. Dan ben je zo vaak betrapt, dan heb je toch
geen kans meer. "Uw wil geschiede" zien wij ook veel eens op een verkeerde manier. Het is
n.l. dit: Er was een boer, die zat daar onder Naarden. Hij was zeer kerks. Hij versleet meer
klompen met het trappen op het harmonium, dan met 't lopen op het land. Elke keer, wanneer
zijn oogst verregende, doordat hij te vroom was en te lang op zijn bed bleef liggen, zei hij:
"Heer, Uw wil geschiede" Hij zei: "Uw wil geschiede", omdat hij dacht, "nu ja, anders had je
het wel even opgehouden, want je moet maar op mij wachten", maar het leven wacht niet op
jou. "Uw wil geschiede" is daar op zijn plaats, waar wij het onvermijdelijke, het noodzakelijke,
erkennen.
Voorbeeld: op een gegeven ogenblik merk je, dat je zo dik bent, dat je met verhoogde
bloeddruk, hartkloppingen en vervettingen rondloopt. Nu zou je natuurlijk toch nog graag elke
dag beginnen met je eitjes en spek, 's middags je grote bord met aardappelen, je grote stuk
vet vlees enz. enz. en al de gebakjes tussendoor. Je zou het graag doen. Maar je weet: de
consequentie daarvan is, dat voortijdig mijn erfgenamen kosten krijgen, doordat zij een
overlijdensadvertentie moeten zetten. Daar heb je geen zin in. Dan kun je ook zeggen: "Uw wil
geschiede", want: ik heb de consequenties erkend. Het is klaarblijkelijk noodzakelijk voor het
evenwicht, dus een wet, dat ik minder ga eten. Dan kan ik zeggen "Uw wil geschiede", maar ik
hoef het niet te zeggen. Het is alleen dit: ik wijt Gods wil dus, dat het evenwicht wordt
hersteld, hetzij door mijn overlijden, hetzij door mijn matigheid. Ik voel voor geen van tweeën
veel, dus ik kies toch maar de matigheid. Dat is eigenlijk de kwestie, die er met het
aanvaarden aan vast zit.
Het is geen kwestie van niet zelf uitschakelen van de eigen persoonlijkheid en dus elke
werkzaamheid achterwege laten, dus proberen het zelf zo goed mogelijk te trachten.....
Laten wij het even omzetten in de oude volkswijsheid: doe je best, laat God de rest. Waar wij
altijd al over vallen, is dit: dat de doorsneemens het begrip aanvaarding verkeerd ziet. Omdat
hij meent, dat hij ook niet noodzakelijke ellende behoeft te aanvaarden. Dat is juist de
domheid. Dat is niet Gods wil, maar je eigen wil. Door je verkeerde begrip van de
werkelijkheid. Aanvaarding is het erkennen van het onvermijdelijke.
Kunt U nog iets vertellen over de magie?
Op welk terrein?
Er is een punt, dat mij helemaal ontgaan is, maar wat mij niet duidelijk is.
Er zijn een paar dingen, waar iedereen altijd mee vastloopt. Magie is een wetenschap, die zich
bezighoudt met niet erkende wetten. Wetten, waarmee men normaal geen rekening houdt en
die men rangschikt onder toevalligheden, of verkeerdelijk ziet als bijkomstige resultaten van
andere wetmatigheden. Als je van dat standpunt uitgaat, dan zul je dus moeten zien, dat om
magisch te kunnen werken en te hanteren, je over moet gaan tot een begrip, dat wijdser is,
dus meer omvattend is, dan van de gewone redelijke mens die je dus onmiddellijk vertelt, dat
je niet meer redelijk bent, dat je geschift bent. Dan vraag je je af, wat je met de magie
allemaal kunt doen? Met de magie kun je alles doen, wat in overeenstemming is met de grote
natuurwetten en de grote kosmische wetten. Eigenlijk zou je kunnen zeggen, dat magie niets
anders dan van een kennen van de omstandigheden, gebruik maken van oorzaak en gevolg,
waar dan op een zodanige manier, dat niet slechts je eigen wereld, maar ook de ongeziene
invloeden van die wereld in die werking worden ingeschakeld.
Daar hoort natuurlijk o.m. bij, de reeks van eigenschappen, die je zelf bezit. De eerste spreker
heeft dat als het persoonlijk patroon uitgelegd. Deze eigenschappen zijn ten dele lichamelijk,
163
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

ten dele geestelijk. Hoe je het ook beziet, je bent in ieder geval een zeer bepaalde
persoonlijkheid. En dat wil dus ook zeggen, dat je met die persoonlijkheid niet alle dingen
volledig kunt ervaren of zien. Je bent dus in zekere mate eenzijdig. Maar als magiër - dus
werkende met de magie -, ga je je juist baseren op de gunstige punten die je bezit. Daarmede
ga je werken. De rest verwaarloos je. De magiër zal dus alleen werken met de waarden,
waarmede hij persoonlijk in harmonie kan zijn.
Verder nog dit: De methode, waarmee je in doorsnee werkt in de magie is in feite niet veel
anders dan een deel van hetgeen men ook wel suggestie noemt. Nu is suggestie heel iets
anders dan het opleggen van een dwangbeeld zonder meer. Suggestie is in vele gevallen het
scheppen van een niet onmiddellijk kenbare stimulans tot een mogelijke verwerkelijking.
Wanneer U weet, hoe mensen vaak door suggestie genezen kunnen worden, dan zult U
moeten erkennen, dat ik hierin gelijk heb. Toch is er een verschil tussen dit en de ware magie.
De magiër beperkt n.l. deze "suggestie" niet alleen tot de mensen of bepaalde gevallen, doch
strekt zo steeds weer uit tot alle stoffelijke waarden. Nu is het voor een mens wel heel erg
moeilijk, om van een steen een broodje te maken. Daarvoor moet hij óf erg ver gevorderd,
dan wel gehéél alleen zijn. Maar wanneer hij, hoe dan ook, aan de overtuiging toekomt, dat de
keisteen een vers en knappend broodje is, dan is dat voor hem zo. Wanneer dit nu moet
geschieden in de nabijheid van b.v. 100 mensen, dan zal men zich niet in de eerste plaats tot
de steen behoeven te wenden. Men wendt zich suggestief tot de mensen. Want wanneer zij dit
geloven, is het voor hen immers de werkelijkheid en zullen zij op dit beeld geheel natuurlijk
reageren. Je zou dus kunnen zeggen, dat de magie, niet in de eerste plaats de werkelijkheid
verandert, maar vooral de illusies, die men omtrent die werkelijkheid heeft.
De mens heeft b.v. de illusie, dat hij zwaarder is dan lucht. Maar dit is een illusie, die berust op
een erkennen der zwaartekracht. Op het ogenblik, dat de mens zich echter niet meer
beschouwt als qua gewicht enz, afhankelijk van de aarde, dan heeft zijn lichaam een eigen
massa en werking van zwaartekracht. Deze eigenschap der massa kan dan bewust t.o.v. de
aarde afstotend of aantrekkend gebruikt worden. Dat klinkt voor U misschien vreemd. Maar
iedereen zou dus in feite kunnen zweven. Nu is het maar goed, dat niet alle mensen dit weten
en dus kunnen. Stel je de wanorde voor in Den Haag, wanneer alle mensen hier opeens
zouden kunnen zweven Halfgeschoren heren zouden in hun haast om naar kantoor te komen
misschien tegen een tramdraad aanzweven en de hele lucht zou vol zijn van mensen, die te
veel aan zich en te weinig aan anderen zouden denken met alle botsingen enz., die daaruit
voort kunnen spruiten. Wanneer je bij zo een botsing ook maar even zoudt denken: Ik val",
dan val je ook, en niet zo zacht. Het gaat eigenlijk allemaal alleen hierom: Er is een
werkelijkheid. Maar de werkelijkheid zien wij niet. Onverschillig, of wij nu mens of geest zijn,
de werkelijkheid overzien wij niet. Wij zien alleen onze eigen reacties op de werkelijkheid.
Gezien het in een bepaalde wereld of sfeer wel ongeveer gelijke peil van bewustzijn, hebben
wij omtrent die werkelijkheid dan vele illusies, die wij met anderen kunnen delen.
Wanneer wij die illusie wijzigen, blijft de werkelijkheid onveranderd bestaan. Maar in onze
wereld verandert er iets. Dit is nu in feite hetgeen waar het om gaat bij alle magie. Het is niets
anders dan het veranderen van een concept. Verandert dat concept, dan verandert voor ons
ook onze wereld. In de wereld gebeuren deze dingen echter vele malen geleidelijk, waardoor
de verandering ons niet opvalt als iets bijzonders. Noem nu b.v. het vrouwenkiesrecht.
Dit was een langzaam proces. Toch heeft dit op de maatschappij een ontstellende invloed
gehad. De verhoudingen van 1950 - 60 zijn geheel andere dan die van 1900 - 1910. In deze
50 jaren ontstond een geheel ander wereldbeeld. Wanneer nu echter alle mensen gelijktijdig
de gelijkberechtiging van de vrouwen zouden hebben erkend, zou deze gehele verandering
slechts 3 á 4 maanden hebben gekost. Niet dat alles dan precies zo zou zijn geworden als nu,
maar het totale aspect voor de maatschappij wel. Dat zou dan een wonder zijn geweest. Wat
de magiër nu feitelijk doet, is niets anders dan verschillende tussenliggende processen
uitschakelen.
Een steen kan en zal vaak brood worden. Maar dan wordt zij eerst in haar bestanddelen
ontleed, door de planten als voedsel gebruikt, die dan op hun beurt weer worden onderworpen
aan het normale proces. In de steen echter vinden wij reeds de stoffen die, mits op de juiste
164
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

wijze omgezet, het brood maken. Schakel dus alle tussenliggende fasen uit door de processen
samen te voegen tot een ogenblikkelijk gebeuren, en je maakt van de steen ook brood. Zijn er
echter anderen, die zeggen:"steen blijft steen", dan ga je er aan twijfelen, of dat nu wel
werkelijk brood is. Daarmede zijn dan de nodige processen onderbroken. De natuurlijke gang
der tijd herkrijgt haar rechten. Magie is in feite de kunst menselijke behoefte en voorstelling
aan te passen aan het ogenblik, zonder hiermede te zondigen tegen de grondwaarden van de
goddelijke wet. Aangezien wij die grondwaarden echter meestal zelf niet kennen, zullen wij ons
in de magie moeten houden aan de regels, die wij als deel van de werkelijkheid wel kunnen
erkennen. Dezen zullen wij dan meestal de kosmische wetten noemen. Houden wij hiermede
voortdurend rekening, dan kunnen wij magisch praktisch alles tot stand brengen, wat wij naar
willen. Er is maar een enkele voorwaarde: het moet stroken met die wetten.
Nog een paar definities?
Zwijgen: illusie van wijsheid, maar al te vaak geboren uit onvermogen tot spreken.
Goddelijke veelzijdigheid: De uitdrukking van ons eigen standpunt te midden van het
Goddelijke, waardoor wij de totale eigenschap van het Goddelijke in elke richting weer anders
beschouwen. Zodat God ons veelzijdig lijkt, ofschoon Hij in feite Eén is.
Werkelijkheid: datgene wat te allen tijd onveranderlijk zichzelve gelijk blijft, wanneer wij alle
illusies, gedachten en oordelen wegnemen.
Magische bezwering: Een instellen van eigen persoonlijkheid en mogelijk ook van de
omgeving, door gebruik van trillingen van de juiste geaardheid, - hetzij door het ik
geproduceerd, hetzij op een andere meer kunstmatige wijze opgewekt - waardoor de conditie
in de omgeving zozeer harmonisch wordt met ons wezen en wensen dat de verwerkelijking der
wensen waarschijnlijk wordt.
Dood: Een toestand waardoor in je eigen wereld je eigen bestaan niet meer als dat van een
persoonlijkheid geconstateerd kan worden in een voor die wereld herkenbare vorm. Dit is m.i.
de enig juiste definitie, omdat dood n.l. ook geestelijk voor kan komen. Zij bestaat dan echter
niet meer uit het achterlaten van een lichaam, maar uit een omvormen van de persoonlijkheid.
Het is dus een verdwijnen, met of zonder een achterlaten van restanten.
Krachtstroom: Een verschil van potentie tussen twee punten, waardoor energie zich van het
ene punt naar het andere zal bewegen op een kenbare wijze, waarbij tevens een verandering
wordt veroorzaakt in het punt van bestemming, zowel als dat van origine.
Illusie: een voorstelling, gegrepen uit de werkelijkheid, die je voor jezelf niet geheel met de
werkelijkheid kunt associëren, zodat je door je onvermogen het geheel als volkomen reëel te
beschouwen, eenmaal uit de voostelling tot een andere werkelijkheid zult ontwaken.
Hoop: De stille verwachting waarvan je vreest dat zij beschaamd zal wonen.
Harmonie met God: een zover vergeten van je eigen persoonlijkheid, dat je daardoor in staat
bent, je werkelijke persoonlijkheid met zijn deelgenootschap in de schepping geheel te
ervaren.
De Conferentie van Geneve: Veel heen en weer gepraat, waarbij men over en weer tot de
conclusie komt, dat men met het heen en weer praten niet verder komt, zodat men heen en
weer blijft praten om een verder heen en weer praten mogelijk te maken met de mogelijkheid,
dat men dan wel redelijk zal praten.
Komt men daar voor uit? Och, men zal er niet voor uitkomen, dat men niet vooruitkomt, zodat
men, waar er iets moet gebeuren, U wel zal zeggen, dat men vooruit komt, zelfs wanneer men
achteruit gaat. Ik zou echter zeggen: Maak U niet te druk over een conferentie in Geneve, die
uiteindelijk maar een doekje voor het bloeden is. Zo richt men de belangstelling van de grote
massa naar de ene zijde, terwijl aan de andere zijde de beslissingen vallen. Vergeet niet, dat
politiek eigenlijk niets anders is aan het goochelen met de idealen van de massa. Dat betekent
dat je ze af moet leiden met de linkerhand, wanneer je met de rechter iets wilt doen. U ziet
naar Geneve, terwijl, het werkelijk belangrijke wordt besproken in Londen en in Moskou.

165
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

Topconferentie: Een conferentie van kopstukken, warbij harde koppen steeds stukken en
brokken veroorzaken, terwijl de massa dwazelijk hoopt, dat het resultaat een wereld zal zijn,
waarin er geen toppen en kopstukken meer zijn, maar allen aan elkaar gelijk kunnen zijn.
Groot Geestelijke Scholing: Reeks van leringen en lezingen, waarmede wordt getracht de mens
een inzicht te geven in het niet stoffelijke, echter met de erkenning van het feit, dat hij door
zijn stoffelijke bestaan hierin zeer beperkt is. Zo wordt dan ook niet getracht de gehele
geestelijke werkelijkheid te doen kennen, maar slechts iets van het groot geestelijke ideaal
door te laten dringen tot de mens, zodat hij althans beperkt leert gebruik te maken van de
capaciteiten die hij als mens en geest bezit.
Meditatie: Een overpeinzing, waarbij je, indien je jezelve een ogenblik vergeet, een zuiverder
inzicht kunt krijgen in een feitelijke toestand door het overwegen daarvan, dit zelfs aan de
hand van imaginaire waarden.
Incantatie: Reeks van woorden en klanken, op een zodanige wijze uitgesproken, dat niet de
woordbetekenis, doch de klankwerking het voornaamste is. Hierdoor worden werkingen
veroorzaakt in omgeving en eigen wezen waardoor een gewenst doel bereikt wordt, danwel
ten minste ten dele verwezenlijkt.
Afscherming: Een zodanig bewust zijn van jezelve, dat je je niet meer bedreigd gevoelt door
gevaren, die in feite niet, of niet zo bestaan als je meent te gevoelen, dat zij bestaan.
Contact met anderen: Het erkennen van de overeenkomsten tussen jou en anderen, zodat je
de anderen ten minste enigszins begrijpt. Ten minste.... wanneer je in staat bent jezelve te
begrijpen. De definitie is niet geheel volledig.
Inzicht in anderen: Je zelf spiegelen in anderen en je eigen ervaren en wijsheid in het leven
van anderen projecteren met een erkennen van het feit, dat zij een ander bewustzijn hebben
en in een andere situatie verkeren van jezelf.
Psychotherapie: Een methode van genezing, waarbij men uitgaat van het standpunt dat je het
lichaam nooit definitief kunt herstellen voor je erkend hebt, waar de fout in de geest ligt.
Daar kunnen wij dan bij voegen:
Psychotherapie: is een van de therapieën, waar de meeste mensen bezwaar zullen hebben. Dit
op het idee gebaseerd, dat je recht hebt op je eigen gedachten, terwijl men niet beseft, dat je
eigen gedachten vaak aansprakelijk zijn voor je ziekte en het gebeuren in de wereld.
Adamski: De eerste mens volgens Russische opvatting.
Je zoudt het ook anders kunnen zeggen: Adamski is een ruimtevaarder, die je de ruimte moet
geven, omdat hij de ruimte niet heeft betreden, maar zoveel in de ruimte zwamt, dat velen
hem toch geloven.
De man is nu toch weg, ik kan het nu wel zeggen. Wij weten allemaal zo langzamerhand wel,
dat wat hij vertelde over die andere kant van de maan, maar een illusie was.
Zullen wij dan maar met Adamski afscheid nemen?
Goeden avond.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Wij zullen dan met een korte meditatie besluiten en wel aan de hand van een door U te stellen
onderwerp.

VERBROEDERING
Zoals broeders geboren zijn uit één moeder, zo zijn alle mensen geboren uit God. Er is één
bron van bestaan, één kracht van leven. Alle verschillen zijn dus in feite imaginair, een deel
van de waan, die het deelgenootschap in het totaal van de Schepping verwerpt.

166
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 10 – 9 juni 1960

Wanneer wij verbroedering willen zien, of zelf ons meer willen voelen als nastaande tot de
mensheid, dan moeten wij, evenals broeders, de gemeenschappelijke stam in het oog
behouden en de verschillen vergeten. Het is een feit, dat broeders onder elkaar kunnen
strijden, maar boven die strijd uit dient er toch een soort genegenheid te bestaan, die hen
uiteindelijk tegenover de rest van de wereld tot één geheel maakt. Mensen kennen grote
verschillen: in rang, in stand, in huidskleur, in taal. Op het ogenblik, dat de mens deze
verschillen niet meer als primair beschouwt, maar in de plaats daarvoor het menszijn ziet, als
de belangrijkste en meest waardevolle factor, ontstaat, wat wij verbroedering kunnen noemen.
Dan zullen wij, juist in het erkennen van eenheid, trachten de kleineren, de zwakkeren, te
beschermen. Niet, omdat wij nu misschien meer van die kleineren en zwakkeren houden, maar
omdat zij bij ons horen, en dus voor ons een plicht is geworden. Wij zullen niet meer aarzelen
een beroep te doen op de sterkeren. Ook zij behoren bij ons. Het is ons recht op hen een
beroep te doen: Het erkennen van éénheid is belangrijker dan al het andere. Wanneer wij
echter het woord verbroedering gebruiken t.o.v. de wereld en de maatschappij, waarin U leeft,
moogt U één ding niet vergeten: In de wereld is verbroedering niet mogelijk in het simpele
beeld van het familieleven, tenzij wij allereerst een einde maken aan alle sexuele concepten,
aan alle belangen, die tegenover elkaar staan. Dat kunnen wij heel moeilijk doen. Daarop is
een maatschappij gebaseerd. Wij kunnen de strijd niet bannen uit het menszijn zonder het
menszijn van zijn zin te beroven. Het uitvagen van de tegenstellingen zou betekenen, dat wij
Gods bedoeling zouden willen corrigeren. Iets, wat onmogelijk is. Daarom moeten wij de idee
van verbroedering anders beschouwen. Wij erkennen de tegenstelling en de noodzaak ervan.
Wij erkennen ook de strijden de noodzaak daarvan. Maar bovenal erkennen wij het recht van
elke mens om op ons als mens een beroep te doen. Daarom behouden wij ons het recht voor
een beroep te doen op elke mens. De wereld is een wereld van tegenstellingen. Er bestaat
geen sfeer, waarin elke tegenstelling geheel is uitgeblust, buiten de Allerhoogste. Wanneer wij
ons echter bewust worden van God, worden wij ons tevens bewust van het wegvallen van alle
grenzen. Ook de grenzen, die tussen ons en anderen nog bestonden. Laat ons dan het begrip
verbroedering in kosmische zin zien, als kosmische eenwording door een in vrijheid van
denken en werken gezamenlijk streven, elke op eigen wijze, elkaar ondersteunend en
helpende, tot vrij gezamenlijk kiezen tot dezelfde uiteindelijke bewustwording, Gods totale
waarheid, Gods werkelijk beeld en werkelijk leven, waarvan wij deel zijn.
Ik meen, dat ik hiermede de "Verbroedering" duidelijk genoeg belicht heb. U houdt het mij ten
goede, dat ik hier ook, een korte epiloog aan vastknoop.
Er is eenheid in het heelal, die door mens noch geest verbroken kan worden. Er is een band,
die bestaat tussen alle werelden, die bestaan, tussen alle krachten, die zijn. Niet bewust
erkend soms, maar onverbrekelijk en eeuwig. Er zijn banden, die alle werelden tezamen
voegen tot één hecht geheel. Wij zijn allen deel daarvan. Wij leven op onze wijze en wij
denken op onze wijze. Wij zoeken naar onze God en naar onze waarheid, maar wij kunnen
nooit geheel zelfstandig, of onafhankelijk zijn, omdat die banden bestaan en blijven bestaan.
Eerst, wanneer wij beseffen, dat wij gezamenlijk, door samen werken en leven, lachen en
spelen, kunnen koeien tot een realisatie van wat in ons gemeenschappelijk leeft, van wat in
ons werkelijk is, zullen wij ook Gods banden erkennen, zoals zij liggen in ons, zoals zij een net
van eenheid hebben gevlochten tussen ons en de anderen. Deze eenheid, die niets uitzondert,
zal het ons mogelijk maken om te leven, te denken en te handelen, niet slechts in onszelf,
maar in al het zijnde. Wanneer men spreekt van de volmaaktheid, moet men zich deze zó
voorstellen: het kennen van de band, die bestaat tussen al het geschapene, alle vormen en
alle gedachten en het vormogen om in elk van die gedachten, elk van die vormen, elk van die
ogenblikken van de eeuwige, zo onmetelijke tijd te ervaren en te erkennen, dat, wat reeds
eens in ons leefde en waarvan wij ons niet bewust waren. Het is daarom, dat wij streven en
werken, naar steeds groter onderling begrip zoeken, steeds grotere eenheid. Het is daarom,
dat wij zullen trachten om de disharmonie, het innerlijk onbegrip, de vlucht voor het ik en de
wereld uit te bannen, zodat mens, zowel als elk ander wezen, uiteindelijk het erfdeel van
eenheid kan aanvaarden, dat o.i. is de wil van de Schepper en het doel van de Schepping.
Wij wensen U tot de volgende maal toe: veel geestelijk licht, kracht, inzicht, ook verder een
genoeglijke avond en een gezegende nachtrust. Goeden avond.

167
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

LES XI

Goeden avond, vrienden,
Vandaag zijn wij werkelijk ineen opruimingssfeer. Wij moeten proberen alle restanten af te
wikkelen. Zijn er nog vragen over het vorige onderwerp? Neen? Zijn er nog bepaalde punten,
die U nader belicht wilt hebben?
Kunt U nog iets zeggen van de Heersers van Uren en weken?
Heersers van weken bestaan niet. Het systeem is opgebouwd op een volgorde van 7 engelen,
waarbij dus die 7 engelen elk een achtereen volgend uur hebben te beginnen met de zondag
en wel te 12 uur dus middags. De laatste is dus zaterdag, maar die zaterdag loopt dus ook
weer 12 uren. Wat ik hier zeg, is niet juist. Het is een 12-uurs-indeling: en het eerste uur in
Uw tijd omgerekend valt rondzonsopgang aan de evenaar, rond de zes uur. Het kan enkele
minuten schelen, maar niet veel. De namen van deze heersers kunt U in elk boekje erover
vinden: ik ga ze niet apart opsommen. Dan verder de heersers van de dagen zijn de planeten.
Bij planeten wordt er dus rekening mee gehouden, dat de zon heerser is, wanneer de eerste
dag begint. Er bestaat een interrelatie tussen de zon en de haar volgende planeten, zodat wij
altijd daar weer te maken krijgen met een dubbel aspect, het zonneaspect in de planeet, vaak
genoemd de intelligentie van de planeet en de planeet zelf, vaak genoemd de geest van de
planeet, die gezamenlijk dan de heerser vormen. De heerser wordt gewoon met de
planeetnaam aangeduid. Elke heerser heeft onder zich een zekere hoeveelheid entiteiten - dat
scheelt aanmerkelijk bij de ene planeet, of de andere, wat weer uitgedrukt wordt in magische
vierkanten - en van die entiteiten zijn er dus weer, die eigen namen hebben.
U kunt zich misschien nog wel herinneren, dat ik U verteld heb over Arcan, die de eerste
genius is van de zon en gelijktijdig heerser van de maan. Hier komt de relatie tot uitdrukking,
maar ook het feit, dat op maandag - de dag aan de maan gewijd- dus Arcan wel een zeer
belangrijke rol speelt. Dan hebben wij niet meer te maken met het zonneaspect zelf, maar met
het dienend aspect, dat in de zon gelegen is en wat door de maan weer wordt weerkaatst. De
zon zelf is scheppend. De genius van het scheppende is dienend, het dienende beheerst de
maan, de maandag is een dienend principe. En zo kun je verder gaan.
De zaterdag wordt beheerst door Saturnus. Over het algemeen zijn wij in de magie bij het
gebruik van talismans e,d. heel erg voorzichtig met Saturnus.
Wat de Mercurius invloeden betreft, daarmee zijn wij ook nogal voorzichtig, omdat deze nogal
eens heten te slaan op stoffelijke aspecten en dus ook een betrekkelijke grote reeks metalen
e.d. in verband worden gezien met deze heerser, met deze planeet.
Het hele systeem is opgebouwd op de oude begrippen der astrologie, dus met 7 planeten en
wordt dan verder uitgewerkt in het religieus systeem, dat eigenlijk zo oud is, dat wij het al
terug kunnen vinden 2300 jaar v. Chr. In de tijd dat de Joden uit Egypte wegtrekken. Het is in
Europa hoofdzakelijk weer verbreid door het werk van Paracelsus en Albertus Magnus. Dit kunt
U ook altijd in de betreffende boekwerken vinden. De boeken kunt U aantreffen in openbare
leeszalen: De Koninklijke Bibliotheek e.d., waaruit U die materie kunt putten.
Een vraag, die niet begrepen werd.
Hierin is het woord "voorstellen" weggevallen. Wanneer U uitgaat van het standpunt, dat U
iets, wat Uzelf normaal kunt bereiken met moeite, op een eenvoudiger wijze kunt bereiken
door een andere sfeer in te schakelen, bent U fout. Dat is het enige, wat daarmee wordt uitge-
drukt. Wanneer wij ons hulpeloos voelen, dan betekent dit, dat wij na al ons pogen, een
zekere onmacht hebben vastgesteld. Die onmacht kan in onszelf liggen, kan in de condities
van de wereld liggen: maar die machteloosheid is vastgesteld metterdaad. Daardoor die
hulpeloosheid. Het resultaat is, dat wij dan om toch invloed uit te kunnen oefenen, ons wel
moeten wenden tot gebieden met andere werkingssfeer en met andere werkingskracht. Dan

168
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

krijgen wij dus de incantatie. Anders zou het heel makkelijk zijn. Dan zouden wij net als de
Christenen, die alleen maar bidden, niets anders doen dan incantaties. Mijn auto wil niet
starten. Wacht even: een incantatie... Dáár kunnen wij niet mee werken. Dan wordt dat onzin.
Dan kan het geen werkingskracht hebben. Denkt U maar eens over de"Scheingestalt" en wat
ik U daarover geleerd heb. Daarin vindt U precies hetzelfde aspect in terug.
Dan wordt dus deze hulpeloosheid volgens wetmatigheid aangevuld tot totaliteit.
Kan worden aangevuld. Maar dat is afhankelijk van de aanvaarding.
De wet van origine zegt dus, dat wij altijd moeten terugkeren tot de oorsprong tot God. Of
tot de oorsprong van eigen persoonlijkheid?
Dat is eigenlijk zo alomvattend, dat je het in beide zinnen kunt duiden zonder dat je daarmee
een vergissing maakt. De wet van oorsprong bepaalt de plaats die men heeft in het scheppend
gebeuren. In de kerk hoort gij: aarde zijt gij, tot aarde zult gij wederkeren. Of: gij zijt stof en
tot stof zult gij wederkeren. Dat is eigenlijk een uitdrukking hiervan. Wij zijn geboren uit
Goddelijk licht, wij keren tot het Goddelijk licht weer. Maar bepaalde delen van ons wezen
behoren tot iets anders. B.v. de origine van ons lichaam, de verschillende stoffen in de juiste
verhouding samen gebracht, valt uiteen en wordt weer tot de stof waaruit het is opgebouwd.
Maar die stoffen zullen ook vergaan. Zij gaan langzaam maar zeker weer terug tot de origine
van die materie, die uiteindelijk energie is in verschillende veldverhoudingen. Die energie keert
weer terug tot het gelijkblijvende veld, waar zij is uit voortgekomen. Dat gelijkblijvende veld is
dan tevens weer het veld, waaruit wij qua licht zijn voortgekomen. Dus alles komt weer bij
elkaar. Hoe je het ook bekijkt: je komt altijd tot je oorsprong terug. Het ik is altijd uit geboren
en keert dus altijd tot God terug. Het geldt voor alles, iedereen en elke vorm, voor elke
gedachte, alles komt tot zijn oorsprong terug.
Dan kwam bij mij een overweging, dat het dus eigenlijk zeer zeker noodzakelijk is om je
eigen wezen te leren kennen, om al deze franje, die tot de oorsprong, terugkeert er veel
ballast is.
Zoudt U er veel voor voelen om in Uw hemd door de Spuistraat te lopen? Of zonder dat? Dat is
franje! Maar franje zonder dat U zich niet kunt bewegen op het ogenblik. Zo is het ook met het
leven. Wij kunnen onszelf wel leren kennen, maar wij zullen een zekere franje altijd moeten
behouden. Het is voor ons noodzakelijk om te leven. Zonder dat kunnen wij niet leven, of
bestaan. Dat geldt niet alleen voor U, maar ook voor de sferen. Wij hebben een zeker ik-
concept en dit concept is ¾ franje. Wanneer wij die franje opzij gooien, weten wij niet meer
wat wij moeten en kunnen doen. Dus zullen wij ons steeds bewuster moeten worden van de
werkelijkheid, waardoor wij al deze remmingen terzijde kunnen stellen en op de duur de
werkelijkheid van ons eigen wezen kunnen accepteren. Als je het goed bekijkt, is het een heel
eenvoudig procédé. Je begint in onwetendheid. De wilde is ook eens begonnen zonder kleding.
Maar door verschillende omstandigheden en condities kwam hij tot het vergaren van kleding.
Eerst misschien voor de kou en dan tot sieraad, op de duur voor iets schaamtegevoel. Uit
schaamtegevoel komt de overdracht van wat eens lichaamsier en sierlijkheid was op de
kleding. Op de duur krijgen wij zelfs een beschouwing t.o.v. de kleding, waarbij deze eigenlijk
een soort symbool en talisman wordt voor het ik tot de wereld, omdat alle tendensen daaraan
vastliggen. Op een gegeven ogenblik kan het ook weer zó worden in de wereld, dat die kleding
niet meer belangrijk is. Dat de mens tot de natuurstaat terug kan keren. Daar bedoel ik de
nudistenkampen niet mee, ofschoon die mensen over het algemeen niet veel kwaad doen. Zij
overdrijven het ook wel weer een keer door zich te ver van hun milieu te verwijderen. Dan
krijg je dus een ogenblik, dat je tot de natuurlijke vorm terugkeert, maar dat moet aan de
hand van allerhande gebeurtenissen. Het is werkelijk zo. Voordat je de goegemeente ertoe
krijgt om de franje, die rond het lichaam hangt, de mode van haargroei e.d., eenvoudig opzij
te zetten, omdat de wereld gauw vergaat. Zo moet onze wereld geestelijk eigenlijk half
vergaan, juist doordat wij ermee werken, ermee spelen, wij zijn zelf mee oorzakelijk voor de
rampen, die wij doen ontstaan eigenlijk en op die manier raken wij de zaak weer kwijt.
Dit drong tot mij door als ergens een zekere eenvoudigheid, dat het dus nog meer
noodzakelijk is om inderdaad jezelf te leren kennen
Ik zou het zó uit willen drukken: de doorsneemens verwerpt de eenvoud, omdat hij slechts in
het meer ingewikkelde, zichzelf weet te handhaven, zijn eigen grootheid erkent. De waarde
169
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

van eenvoud wordt niet gezien. Zoals dit gaat met b.v. lezingen. Je hebt het geval gehoord
van die student. Hij hield een lezing voor een faculteit: over politieke dingen en zo. Alle Heren
Professoren zaten ijverig "ja" te knikken, omdat zij dachten, dat het een beroemde collega
was. Zij snapten er niets van. Maar zij voelden zich verplicht om het ingewikkelde mooi te
vinden. Zo gaat het bij sommige mensen ook. Zij zouden eigenlijk het liefst willen slapen bij
alle concertmuziek. Die de Bohéme licht snurkend doorbrengen en alleen wakker schrikken bij
Wagner. Dát zijn juist degenen die het meest spreken over de hoog ethische waarde van de
klassieke muziek. Waarom? Omdat het ingewikkeld is. Omdat het een schande zou zijn toe te
geven, dat zij veel meer houden van "Zeg, Marie, heb jij nog peultjes?", of "Rats, kuch en
bonen" e.d. Dat willen zij eenvoudig niet toegeven. Je moet voor jezelf toegeven, dat je alles
eerst eenvoudig en met de grondwaarde moet bezien. Precies hetzelfde is het eigenlijk met de
magie. Wij hebben nu een hele hoop over de magie geleerd. Wij hebben daarbij zeer bewust
gespeculeerd op eigenschappen, die U heeft. Wij hebben U geprobeerd een weg te tonen. Ik
weet niet, of wij daarin geslaagd zijn.
Wanneer U de eenvoudige lering kunt aanvaarden, wanneer U de rede precies zo ver kunt
gebruiken, als hij werkelijk hanteerbaar is en daarnaast de zaak aannemen, alsof het in Uw
avondblad stond, o.m het proefondervindelijke onderzoeken en aan de hand van Uw
ervaringen Uw besluiten te nemen, dan kunt U met de gegevens, die U op het ogenblik
verstrekt zijn, meester worden in de magie, maar nooit in de rituele magie. De rituele magie is
wel heel mooi en heel goed, maar zij gaat ook weer uit van een zodanig overvloedig gebruik
van symbolen, dat hierdoor vaak de eenvoud vaak vergeten wordt. De eenvoudige werking
wordt bemanteld. In het begin doet men dit om de goegemeente erbuiten te houden. Op de
duur echter wordt het een noodzaak. Het wordt allemaal steeds ingewikkelder en
ingewikkelder. En met al die ingewikkelde dingen vergeet men de zaak waar het om gaat. Men
meent op de duur, dat het in een snuifje wereld zit, en niet in de reactie b.v.
Dat dergelijke dingen voorkomen, is natuurlijk heel jammer. Zo gaat het met onze leringen
ook. Zij zijn in feite eenvoudig. Maar zij zijn zo gesteld. U kunt ze zelfs zo ingewikkeld maken,
als U wilt. De steen der wijzen kun je nooit cadeau krijgen, die moet je zoeken. Wij hebben U
heel veel van die steen der wijzen U gegeven als je op de juiste manier weet te zoeken. Dat
zoeken - dat hebben wij al meer gezegd, en ik wil het nog een keer zeggen - moet geleid
worden door de eenvoud. Zij is in contact tussen de mens en het Goddelijke: alle
tussenliggende waarden inbegrepen, is rechtlijnigheid van denken noodzakelijk. Wij moeten
geen kronkelpaadjes gaan en wij moeten niet proberen de zaak te verdraaien. Dan lopen wij
vast.
Ik zou nog iets willen vragen over het persoonlijkheidspatroon. Is het mogelijk van
verschillende type mens de patronen aan te duiden?
Een persoonlijkheidspatroon is maatwerk: geen confectie. Het is wel heel erg moeilijk. Een
persoonlijkheidspatroon is opgebouwd uit de stoffelijk erfelijke waarde, de verworven
milieuwaarde, de aanwezige geestelijke waarde, plus de bewustzijnswaarde, die verworven
werd. Het zijn dus vier verschillende factoren. Zij kunnen op de meest onbegrijpelijke manier
door elkaar lopen, zodat je op een gegeven ogenblik niet in staat bent precies na te gaan, wat
nu geestelijk is ingelegd en wat stoffelijk is ingelegd. Voor de eenvoudigheid stellen wij dus,
dat het persoonlijkheidspatroon grotendeels voor de mens wordt bepaald door de stof. D.w.z.,
dat U voor een algemene waardering de indeling in typen kunt aanhouden. Wij moeten er
verder rekening mee houden, dat de typen weer bepaald worden door hun afscheidingen
hoofdzakelijk. Die afscheidingen kunnen gewijzigd worden aan de hand van het geestesleven,
dus gedachteleven. Zodat bij een grondtype dat stoffelijk aanwezig is, de mentale
werkzaamheid bepalend is voor de wijze, waarop dit karaktertype, wat dus ontstaan is aan de
hand van de erfelijke eigenschappen, zich t.o.v. de wereld zal gedragen. Die grondwaarde
blijft. De mentale waarde heeft ook een gemiddelde. Ook dat gemiddelde blijft. De
bovenstaande ervaringswaarde, die grotendeels onderbewust is en ook deze blijft over het
algemeen redelijk gelijk. Wij kunnen daardoor het gemiddelde uittrekken: Als wij die
gemiddelden nu tezamen vatten, dan zeggen wij: Hier hebben wij voor een mens een redelijk
persoonlijkheidspatroon. Dan kunnen wij aan de hand daarvan definiëren, wat zo iemand is,
hoe hij reageert en wat hij doet.

170
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

Indertijd is er een van onze andere sprekers eigenlijk op aangevallen, dat hij een groepering
a.h.w. wilde geven, een betrekkelijk grote indeling dus, waar de reacties makkelijk af te lezen
zouden zijn, men heeft hem dat eigenlijk zo'n beetje verboden. U begrijpt wel, dat ik mij daar
niet aan ga wagen. Wat onze Broeder Abraham niet mag, mag ik dan zeker ook niet.
Op elke plaats van ons mentaal lichaam enz. enz. wij dus contacten hebben met de
verschillende sferen, waarin deze lichamen een bereikmogelijkheid hebben. Hier ligt ook de
figuur van de "Scheingestalt" erin m.i.
Dat is niet helemaal juist: Dat is geen borduren, maar festoneren, wat U doet. De zaak ligt
eigenlijk zo: elk vlak, waarop je leeft, reageert op zijn eigen prikkels. Hoe meer voertuigen wij
dus bezitten op hoe meer verschillende vlakken die prikkels tot ons kunnen komen. Maar
omgekeerd, waar een prikkel ontstaat, is ook een reactie mogelijk. M.a.w. op het gelijke vlak
zal gereageerd worden aan de hand van de prikkel. De mens bestaat uit een betrekkelijk grote
reeks van voertuigen, die als een reeks van een soort Chinese kistjes in elkaar sluiten. Elk is
wat grover en schijnbaar groter. D.w.z. het totaal der energie die erin is, is in vele gevallen
bijna het dubbele van de energie die noodzakelijk is om het daarin liggende hogere voertuig in
stand te houden.... Op het ogenblik, dat op een van die voertuigen beroering plaats vindt, zal
dit in het geheel merkbaar zijn. Als ik een boom heb en ik sla boven een tak af, of beneden,
dat reageert gelijk. Als je een mens laat schrikken langs een visuele impressie, of langs een
auditieve impressie, de schrikreactie beroert het hele lichaam en is in het hele lichaam
praktisch gelijk. Op deze manier is elke prikkel, die ontvangen wordt, in het geheel werkzaam.
Omgekeerd zal elke reactie als instinctief ongeveer plaatsvinden op het vlak, waardoor de
origine lag van de prikkel. Zo bestaat dus een wisselwerking tussen de mens en alle werelden,
waarin hij leeft. Maar hij is niet in elk vlak even gevoelig. Als U in de stof leeft, dan heeft U
normalerwijze Uw stoffelijke organen weer sterk ontwikkeld, daarnaast enkele astrale organen
enigszins ontwikkeld, soms nog een enkel mentaal orgaan, maar dan is het ook afgelopen. Dat
wil zeggen, dat, wat hier beneden met een speldenprik gedaan kan worden, voor een van de
hogere voertuigen al bijna een aardbeving moet zijn. Maar omgekeerd ook, dat wanneer wij
een impuls kunnen geven naar boven, dat zij grof is in verhouding tot de normale en
mededelingen in dat terrein, en dus indruk maakt. Wanneer wij dus vanuit onszelf - en dan
komen wij weer bij de magie terecht - via een bepaald voertuig een uiting geven in een sfeer,
dan behoeven wij die sfeer niet te kennen: het wordt bepaald door het voertuig, automatisme.
Die uiting daarin zal gewelddadiger zijn voor degenen, die dat daar waarnemen, naarmate het
ik dus zelf minder bewuster reageren kent op prikkels uit die sfeer.
Hier vloeit uit voort, dat ik, wil ik alleen maar een impressie maken op een andere sfeer, dat
explosief zou kunnen doen. Wanneer ik contact wil hebben met die sfeer, dan zal ik het
voertuig mede moeten ontwikkelen. Dat kan ik het makkelijker doen door steeds de hoogst
mogelijke, voor mij thans denkbare bewustzijnsfase in te schakelen. Mijn prikkels dus vanuit
deze stof te brengen tot een zo hoog mogelijk punt van geestelijke beleving. Daarmee bereik
ik een langzame ontplooiing van de meer hogere voertuigen met een orgaan en vergroot ik
dus de mededelingsmogelijkheid en de uitwisselingsmogelijkheid voor die hogere sfeer.
Is dit mogelijk door oefening?
Ja, eigenlijk door gewoontevorming. Dat geldt ook wel voor alles, wat U in deze cursus heeft
kunnen leren. Wij moeten niet denken, dat wij met één keer iets doen, het kunnen bereiken.
Wanneer U een bal 100 meter weg wilt gooien, dan zult U heel wat moeten trainen voor U in
staat bent dat goed, regelmatig en doelmatig te doen. Wanneer U een geestelijke impuls uit
wilt werpen buiten Uw eigen persoonlijkheid, geldt precies hetzelfde. Oefening en training zijn
noodzakelijk. Wanneer je nog nooit gegooid hebt met een lichte bal, moet je niet met een
zwaardere bal gaan gooien. Als je weet, dat ping-gong alleen maar bestaat uit een bal, bat en
een netje, dan moet je niet tegen een kampioen gaan spelen, want dan komt er niets van
terecht. Dan leer je niet. Je moet eerst de beginselen kennen, de hantering en dan langzaam
maar zeker iets te grijpen boven je eigen kunnen, komen tot een ontwikkeling. Op deze
manier gaat het met al deze magische krachten en impulsen precies hetzelfde, ook dus met
het bereiken van een hogere wereld. Bij de mens zit er over het algemeen nog wel één
eigenaardigheid aan. De doorsneemens realiseert zich heel zelden van welk vlak de impulsen
komen, die hem bereiken. Hij zal altijd weer proberen om deze in zijn normaal bestaan aan te

171
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

passen en komt met een rationalisatie, die een onjuiste verklaring betekent. Hij komt tot een
weten, dat hij in feite niet beziet, inspiratief b.v.. Dan gaat hij zeggen: “O, dat heb ik zeer
ergens gehoord..... Het is in zijn onderbewustzijn blijven hangen.” Hij zoekt dus liever een
omweg voor de verklaring, dan dat hij de rechtstreekse verklaring aanneemt, tenzij hem dit
bewezen wordt. Op deze manier praat de doorsneemens voor zichzelf een groot gedeelte van
zijn astrale vermogens, die praktisch iedere mens heeft, weg. Hoger liggende vermogens
worden al helemaal niet meer bezien, omdat zij te fijn zijn en dus slechts een variant
betekenen op het normale en geen bijzondere impuls. Wanneer wij dus zeggen: Kun je dat
door oefening bereiken? Dan is het antwoord: Jazeker maar niet door te oefenen iets, wat nog
boven Uw bereik ligt. Maar door datgene gewetensvol te doen, wat men zich voor kan stellen
en waarmee men enig resultaat heeft. Wanneer U de inspiratie wilt hebben en U wilt ook nog
een hoop andere dingen, ontwikkel dan eerst die inspiratie. Dat is één zintuig, dat goed
getraind is, maar dat is U een hulp tot correctie bij de ontwikkeling van een volgend zintuig. U
heeft dan al één waarnemingsmogelijkheid, en bij de ontplooiing van een tweede astraal
orgaan krijgt U dus de mogelijkheid om te zeggen: Mijn vertaling is niet juist want hier voel ik
het zó en dáár voel ik het zo. Ergens kan een fout zijn. En dat kan ik vertrouwen. Dan is mijn
reactie hier fout geweest.
Zo kun je op de duur dus alles ontplooien. Naarmate die ontplooiing plaatsvindt, krijg je ook
weer de gevoeligheid voor een hogere sfeer. Dus oefen je op datgene, wat net ligt boven het
nu normale, dan kom je vanzelf verder. Maar degene, die zegt: Ik wil beginnen met de lieve
God te spelen. Hij komt nooit ergens terecht, hoogstens in het gekkenhuis. Als U zegt: Ik wil
wonderen doen en U gaat het doen, dan komt het niet. Maar wanneer U de capaciteiten heeft
ontwikkeld van het kleine, desnoods een eenzijdige ontwikkeling hebt doorgemaakt,
onverschillig welke, dan zult U de hand daarvan kunnen komen tot een ontwikkeling op een
ander terrein. U heeft misschien wel eens gehoord dat sommige mensen beginnen met
theologie te studeren en eindigen als advocaat. Door het denksysteem, dat zij bij de ene tak
leren, kunnen zij gemakkelijker de gedachtegang in het andere volgen en dus makkelijker
leren. Zet een mens met een behoorlijke algemene ontwikkeling op een college, dan zal hij
zeker in staat zijn daarvan iets mee te nemen en iets ervan te begrijpen. Zet een kind, dat net
van de lagere school komt erop en het is latijn, het snapt er niets van.
Geldt hetzelfde bij de bezwering?
Bij de bezwering geldt dit: elke bezwering kan door ons zover worden uitgesproken, als ons
eigen geloof het mogelijk maakt deze voor onfeilbaar te houden.... Bij elke bezwering en elke
incantatie is het belangrijk, dat wij iets geloven. Als ik dat geloof niet heb, dan werkt dat ding
niet. Geloof is de benzine bij wijze van spreken van het wonder, zoals de benzine de drijfkracht
is van Uw auto. Als er geen benzine in is, loopt hij niet. Zo is het ook bij de wonderen, bij de
bezweringen: op het ogenblik, dat je gelooft, werkt het. Maar is dat geloof er niet, dan
ontbreekt er dat ene, wat je aan de buitenkant niet kunt ontdekken, maar toch in feite de
krachten niet in beweging brengt.
Is dat niet een kwestie van doorzetten?
Je moet beginnen met te oefenen zonder resultaten. Dan moet je het eens gaan proberen voor
een klein resultaat en langzaam maar zeker zul je het zelfvertrouwen zien groeien, totdat je
ook een groter resultaat aandurft.
Maar het kan bij een bezwering ook wel eens nodig zijn, dat de positieve gedachte iets
negatiefs moet brengen. Kan dat niet?
Als U positief en negatief wilt definiëren, kunnen wij erover praten.
Ik bedoel b.v. dat je angst moet overbrengen met een positieve bedoeling, dat er daardoor
iets verholpen wordt.
Dat kan inderdaad. Op dat ogenblik is die angst niet negatief, maar positief. Want het is angst,
die angst bestrijdt. Vuur met vuur bestrijden. Maar wij zullen het over het algemeen proberen
te vermijden. Omdat wij n.l. wel weten, dat wij iets met een angst kunnen verjagen, maar wij
weten niet, of het middel soms erger is dan de kwaal. Het is heel eenvoudig tegen iemand te
zeggen: Je moet minder roken anders krijg je longkanker. Dan gaan wij een heel verhaal
ophangen. Maar weten wij nu wel, dat dat verhaal werkelijk waar is? Of zal die persoon steeds

172
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

door blijven roken maar met een steeds grotere angst voor longkanker en daardoor een steeds
grotere mogelijkheid van verzwakking van weefsels dus uiteindelijk kankersmetting en
kankerwoekering. Dus daar moet je wel heel, heel erg voorzichtig mee zijn. Als je de angst te
zwaar als wapen gebruikt, dan veroorzaak je juist vaak datgene, wat je wilt vermijden. Vuur
met vuur bestrijden is altijd een kwestie van voorzichtig zijn en precies weten, wat je doet.
Anders ga je om een klein bosbrandje te bestrijden, ga je een strookje afbranden en achter je
brandt een heel oerwoud af. In theorie is het mogelijk, maar in de praktijk moeten wij toch wel
zeggen: wees er voorzichtig mee anders maak je ongelukken.
Het zusje van geloof is twijfel.
Als wij in het eenvoudige gaan trainen en ik nog geen resultaat krijg, dan wordt de twijfel aan
de mogelijkheid daarvan aangewakkerd. Dan wordt het geheel heel erg moeilijk. De contacten,
die ik wel eens kon krijgen, liggen altijd op het gebied, of liever een bewustzijnstoestand van
mijzelf, die er niet op afgestemd is. Zodra als het bewustzijn daarmee gaat beginnen wordt het
moeilijk. Nu is er indertijd gezegd: de grens tussen geest en lichaam zijn de zintuigen. Dat
vond ik een zeer mooie definitie. Maar dat sluit in zich, dat uiteindelijk de toestand van mijn
hersenschors, bepalend is om op te nemen, ja of neen. Nu wordt de moeilijkheid, dat dit gaat
liggen op een niveau van bewustheid, die zijn ook het eenlijnig denken: maar wortel a
kwadraat is nog steeds m – a. Ik krijg, die coïncedentie op paritoren naar voren toe. Nu moet
ik langs die moeilijkheid zien heen te varen. Tot heden toe is mij dat slecht gelukt. Dat is
hieraan te wijten: Men gaat zijn normale norm van leven en denken toepassen op zijn
proeven, zijn experimenten. Het resultaat daarbij is, dat wij dit aan dit experiment maatstaven
aan gaan leggen op een wijze, die voor het experiment zelf absoluut ondeugdelijk zijn. Maar is
natuurlijk een fout. Hier moet een zekere beheersing optreden. Nu kunnen wij heel makkelijk
spreken over geloof voor zich, als afzonderlijk gesteld van alle waarden. Maar wanneer dit
geloof zonder enige correctie blijft, dan is het ook weer waardeloos en gevaarlijk. Geloof moet
tot op een zekere mate een redelijke echo in ons kunnen wekken. Het moet toch weer een
deel van het normale leven kunnen wortelen. Eerst zo versterkt en veredelt het zichzelf. Ik
kan mij begrijpen, dat U de weg tot dit geloof heel erg moeilijk vindt, maar er is altijd een
twijfel. Twijfel is een menging van mistrouwen en geloof, want anders is er geen twijfel.
Wanneer wij nu weten, dat er een mistrouwen is, en wij richten dat mistrouwen tegen onszelf,
dan kunnen wij blijven geloven in de hoofdwaarden, waarmee wij moeten werken. Het is
natuurlijk in zekere zin wat onplezierig. Wij doen proeven, als het niet lukt, is het mijn schuld.
Dat doe je niet graag. Maar het is praktisch de enige weg.
Deze consequentie als het niet lukt, is het mijn schuld, hebben wij wel degelijk
voorgehouden. Maar het is vooral het moeilijke, dat als je iets wilt bereiken, dat je je
dusdanig moet projecteren in datgene, dat je een dusdanige bewustzijnsvernauwing krijgt,
dat al het andere wegvalt en dan gaat het: Dat trainen wil je ook wel eens doen in je
binnenkamer, symbolisch gesproken. Dan was het, althans voor mijn uitermate lastig.
Hoewel ik wel aanvoel dat, wil je de boel verder ontwikkelingen, dat het noodzakelijk is.
U gebruikt hier eigenlijk een heel typisch woord eigenlijk. Psychologisch volkomen juist, maar
in de magie een toch wel typisch woord. Men spreekt hier over bewustzijnsvernauwing. Ik wil
U iets in herinnering brengen uit het Dodenboek: Osiris vaart door de onderwereld. De uitgang
wordt door draken bewaakt, een vernauwing, een verenging. Maar juist door die vernauwing
wordt de vrijheid bereikt. In het Dodenboek en in de Egyptische legenden zit een heleboel
magie verborgen: er is inderdaad een zekere vernauwing van bewustzijn noodzakelijk. Het is
juist daarom, dat alle methoden van meditatie en contemplatie zo sterk ontwikkeld worden bij
groeperingen, die esoterische, of magische bereiking nastreven. Wij moeten op een gegeven
ogenblik uit onze onderwereld uit. Wanneer wij ons richten op die onderwereld, dan zien wij de
draken: het gevaar. Wie zijn de mislukking. Maar op het ogenblik, dat wij het oog houden op
de mogelijkheid alleen door een concentratie bewust trachten de stoffelijke wereld met haar
redelijke elementen in de mens uit te schakelen, maar ons richten op het punt, dat wij redelijk
hebben: dit moet nagestreefd worden. Dan kan door deze bewustzijnsvernauwing een
realisatie daarvan verkregen worden. Deze realisatie is een kennis, die gehanteerd kan
worden, omdat wij in onszelf werken en dus te allen tijde bij het prijsgeven van de verenging,
i.p.v. eerst een reis langs de hemelen te maken, zoals de volbewuste magiër misschien doet in
zijn meditatie, eenvoudig terug slippen wederom in de onderwereld, maar nu met het wapen
173
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

van het licht, de toortsen a.h.w. die de monsters doen terugdeinzen voor onze zonneboot, het
voertuig van onze reden. Deze gelijkenis brengt mij meteen op een tweede punt: Wij hebben
iets nodig om ons van het schip te dragen. Dat zijn de wateren, der onderwereld. De wateren
der onderwereld zijn de menselijke gevoelens. Wij kunnen de juiste stuwkracht bereiken en de
juiste bewustzijnsvernauwing, wanneer wij emotioneel gedragen, daarheen streven. Maar als
wij dat zonder emotie doen, hoe kouder en berekenender wij dat doen, hoe minder resultaat.
Omdat het element van het onredelijke noodzakelijk is om de redelijke belemmering der
beleving uit de weg te ruimen. U had het zo-even over de franje. De mens is ingebouwd in
allerhande vooroordelen, in franje. En daarmede is hij de slaaf geworden van zijn milieu en
omgeving: Alleen door dit prijs te geven en a.h w. tot de oerwaarde terug te koren, kan hij in
vele gevallen die belemmering overwinnen. Bij deze terugkeer tot oerwaarde is het de emotie,
die spreekt, maar niet meer de rede, en niet meer het verstand.
Wanneer wij onze emotie kunnen richten naar een redelijk doel en onszelf in die emotie
verliezen, dan is onze bereiking praktisch zeker. Zolang wij dat niet kunnen, dan wordt het
moeilijker. Toen wij het hadden over incantaties heb ik gezegd: wat je zegt, moet je voelen.
Het is makkelijk genoeg voor mij een stelling te kweken. Dan zegt U: ja, het is beheersing van
het woord. Neen. Het is een weten in mijzelf, een geloven in mijzelf en daardoor een zekere
emotionaliteit, die ik op mijn medium af kan drukken en daardoor een toestand scheppen,
waarbij U onredelijk gaat reageren op schijnbaar redelijke begrippen. In die onredelijkheid
schep ik de betovering, waardoor ik U - al zou ik het nooit zo ver doorvoeren - als slachtoffers
van een suggestieve kracht zou kunnen dwingen in een bepaalde richting te handelen. Het is
mogelijk U zo te biologeren. Maar daarmee moet het primitieve levensritme worden
aangesproken en emoties worden gevlekt.
En of wij dat nu doen op het gebied van de vrees, of op het gebied van de genegenheid en
liefde, of op het gebied van vrede, het is altijd hetzelfde. Wanneer wij iets gevoelen van deze
dingen en wij kunnen dat gevoel aan een ander overdragen, dan kunnen wij op praktisch
willekeurige wijze met onze incantatie, of met onze magie werken. Wat dat betreft: er zitten
een paar genezingsgroepleden bij. Als de anderen daar eens bij zouden willen informeren. Ik
heb n.l. juist bij de verandering, die ook daar is toegepast, iets meegemaakt van een heel
ander suggestief systeem. Wat op een heel andere basis berust, als bij normale incantaties.
Maar wat voor het gevoel van de aanwezigen - en ook in de werkelijkheid - minstens even
actief en werkzaam was. Dan kunt U zien, hoe dit verschillen kan.
Het is natuurlijk makkelijk om te zeggen, dat ik ga spreken op een bepaalde manier. Dan kan
ik U over alle dingen spreken, willekeurig, waar U wat over wilt horen. Maar als ik bewogen
word door een emotie, dan draag ik die emotie op U over, wanneer het bij mij reëel is. Hoe
sterker die emotie is, en hoe onbeperkt ik ze ook uit kan gieten, altijd zal ik daarmede de
suggestieve waarde bepalen. Alleen moet ik in mijzelf meester zijn over mijn gevoelens. Dat is
juist de grote moeilijkheid. Menigeen laat zich dan op de stroom der emotie drijven en word
dus bandeloos a..h.w.. Hij weet niet meer, waar hij naar toe gaat. Dan krijg je b.v.
redevoeringen als die b.v. van een Hitler. Als in sommige gevallen - om een tegenbeeld te
geven - , dat toch ook inderdaad een zuiver emotionaliteit was, en in sommige toespraken van
Winston Churchill. In beide gevallen was de emotie de draagkracht geworden van woorden en
werden daardoor begrippen gesteld, die voor het eigen ik niet redelijk aanvaardbaar waren. En
wel op een zodanige suggestieve wijze, dat het ik daaraan begon te geloven. Zelfsuggestie.
zelfovertuiging. Om weer eens een heel eenvoudige proef te nemen:
Wanneer ik nu denk aan U en ik doe dit overwegende, hoe U gestreefd hebt, hoe U gezocht
hebt en daarnaast ook ziende, hoe vaak U juist ook bent blijven steken op één bepaald punt,
dan voel ik mijzelf ook een klein beetje bewogen door één soort medelijden. Dat is een emotie,
die leeft in mij. Ik stel haar nu volkomen nuchter. Ik maak geen gebruik van stemfoefjes. Het
is dat, wat mij bewegen zou om U te helpen, wanneer ik kan. Alleen omdat ik het idee niet kan
verdragen, dat U gefaald heb. Dat is niet alleen Uw schuld, ook wij moeten ergens schuld
hebben, anders zou geen falen mogelijk zijn geweest.
Het is juist daardoor, dat wij dus proberen U te bereiken ondanks alles. Het is daarom, dat wij
bepaalde regelingen willen stellen, waarbij wij dus evt. U ook verder willen helpen. Ook al

174
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

bestaat deze cursus als zodanig niet meer. Het Bestuur heeft er mededeling van ontvangen.
Nu spreek ik zo met U. Weet U, wat nu het vreemde is? Ofschoon ik, zoals nogmaals gezegd,
geen enkel foefje heb gebruikt, geen enkel kunstje, wat ik makkelijk genoeg had kunnen doen.
Alleen met één bepaalde klankvorming in het begin heb ik Uw aandacht en een bepaalde gang
van Uw gedachten bereikt. Weet U waarom? Omdat dat, wat in mij leeft, weerklank vindt in U.
En verder niet. Zo gaat het nu met alle magie. Magie is in heel veel gevallen - laat ons dat niet
vergeten - een onderdeel der psychologie, die wordt doorgevoerd boven de normale gebieden,
waarmee psychologie zich bezig houdt. Magie is kennis van de fysica, maar doorgevoerd tot op
een vlak, waar de fysica ophoudt. Het is een méér. Dit meer kun je nooit bereiken vanuit een
eenvoudig standpunt: Je krijgt zo het idee van: Nu ja, zal ik een incantatie gaan zeggen? Ik
zal wel gek zijn. Dan sta ik zo voor gek. Dat kan ik voor mijzelf niet dragen:
Het is heel begrijpelijk zo'n reactie. Helemaal geen bezwaar ertegen, maar jammer. Ik zou dat
allemaal wel willen, maar ik ben steeds zo slap........ Waarom ben je dan zo slap? Mankeert er
dan iets? Dat kunnen wij met onze krachten, met ons denken, niet verhelpen. Wij kunnen U
niet veranderen, omdat wij dat niet mogen. Als die toestemming er was, dan zou ik dit wel
kunnen doen. Nu zit ik zo te praten. Ik kan U misschien toch nog wel een eenvoudige
incantatie leren. Nu niet gericht op de wereld. Zij beantwoordt dus maar zeer ten dele aan de
normaal gestelde wetten. Zij is gebaseerd op ten zekere emotie in de eerste plaats, in de
tweede plaats op een uitdrukkingsmogelijkheid, die voor die mens past.
Dan zult U ontdekken, dat wij heel sterk het woord "God" gebruiken in die incantatie. Dat doen
wij hier ook, omdat God staat in dit geval voor het onbekende gebied, dat wij gaarne willen
betreden en waarover wij nog niet voldoende beheersing hebben, dat wij nog niet hebben. De
incantatie is heel eenvoudig:
"In de Naam van de Almachtige Vader. Gij allen, die mij hoort en erkent, zeg ik U: wees rustig.
Heer, geef in mij de vrede. Geef in mij de kracht, die noodzakelijk is om te komen dat een
erkenning van mijn eigen wezen, te komen tot een aanvaarden van mijn eigen mogelijkheden
en dragen van Uw licht in mij tot een heiligdom.
In de Naam van de Allerhoogste zeg ik U, gij, die hoort: aanvaard dit als een opdracht en
breng mij tot rust. Breng mij licht! Breng mij bewustzijn. Opdat de wil van de Schepper, in mij
vervuld zij voor alle tijd".
Het is een heel eenvoudig dingetje. Het is eigenlijk een soort gebed. U kunt het voor Uzelf
gebruiken, als een soort schietgebedje, als U het intens genoeg kunt zeggen. Met dit spreken
en met dit zeggen schept U in de eerste plaats de suggestieve band tussen Uzelf en anderen.
Ook de lagere entiteiten. Ook de hogere entiteiten. Al, wat is tussen U en God, betrekt U mede
in Uw zoeken. Wanneer U dit intens uit volledig geloven en denken naar voren kunt brengen,
boekt U resultaat. Dat U voor Uzelf het geloof is en dus het contact met die geestelijke sferen
versterkt. In de tweede plaats hebt U Uw verlangen gedefinieerd in de richting van het licht en
de kracht Gods.
M.a.w. U heeft door deze zelfde suggestie U zelf gericht op de volmaaktheid. U heeft daardoor
een openbloeien mogelijk gemaakt van verschillende voertuigen in Uw wezen, die
normalerwijze niet zouden kunnen reageren op andere sferen. U intensifieert Uw contact met
het totaal van de wereld en dus Uw reactievermogen in Uw eigen bestaan, in Uw eigen wereld.
Het typische is - mijn vriend had het zo-even over bewustzijnsvernauwing -, dat hierin een
zeker soort bewustzijnsvernauwing ontstaat. Een bewustzijnsvernauwing n.l., waardoor een
eenzijdig aspect van het leven wordt waargenomen vanuit stoffelijk standpunt. Wij zien n.l.
dan de openbaring van de Goddelijke kracht voor een kort ogenblik zeer sterk uitgedrukt in
het totaal en zijn dan in veel mindere mate tastbaar voor de storende elementen, die uit onze
eigen wereld voortkomen. Vandaar, dat ik U die kleine incantatie wilde leren.
Mag je die incantatie op jezelf richten? Er is gezegd: dat je het eigenlijk altijd voor anderen
moet doen.
Ik heb dan ook uitdrukkelijk gezegd, dat dit een uitzondering is. Maar door de wijze, waarop
dit is uitgedrukt, kan dit. Het is bruikbaar. Het is een incantatie, die eigenlijk al dicht bij een
gebed komt en die door zijn bepaald wijze van fraseren, tussen alle zijn dus bruikbaar is, tenzij
175
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

men dus slechte voornemens heeft. De gedachte God brengt voor iemand, die volgens zijn
wezen, tegen God ingaat, altijd de illusie "straf", nooit kracht. Het is inderdaad een
rechthouden van je eigen relatie ook nog, wat er in zit. Maar deze formule is dus bruikbaar.
Dus als Osborn minder emotioneel gewerkt had, minder opgezweept, zijn successen groter
zouden zijn geweest? Ik ben naar de samenkomsten geweest om eigenlijk deze werking
verder te zien. Aan de andere kant zou ik het zo graag willen zien, dat je dus eigenlijk dat
geloof door rationeel denken ziet als een innerlijk weten van deze verbondenheid met God
en dat je daardoor door een innerlijk weten dingen kunt bereiken die anders alleen maar
met tam-tam te bereiken zouden zijn.
In de eerste plaats wil ik opmerken, dat het geloof aan God nooit rationeel kan zijn. Een geloof
aan God is in vele gevallen eerder tégen, dan vóór de rede. Dat is iets, wat wij in ieder geval
terzijde moeten schuiven. Het gaat hier dus over een vergelijking van een bepaalde
geneeswijze en een andere methode, die U prefereert. Op het ogenblik, dat U een persoonlijk
contact kunt hebben met Uw patiënten, dan zal Uw eigen instelling een zeer sterke
suggestieve werking hebben. Wanneer U een massa voor U heeft, dan moet U in de massa
veel meer van Uzelf kunnen geven, voordat U hetzelfde bereikt. Uw eigen sfeer moet zo
vergroot zijn, dat slechts enkelen dat bereiken. Er zijn wel mensen, die dat bereiken. Ik denk
hier b.v. aan Krishnamurti. Deze mens, die onder deze naam verborgen gaat, kan heel rustig
alleen door zijn aanwezigheid in een plaats, of gebouw, een absolute rust veroorzaken. Alleen
omdat hij het wil. Hij is in staat vanuit zijn wezen zijn gedachten te beheersen. Dan krijgen wij
de rust, die U prefereert. Maar zolang je in jezelf niet deze grote rust hebt, is er aanvaarding,
plus de sterkte van wil, van denken en concentratie. Dan moet je grijpen naar andere
middelen. Wanneer ik nu maar in de mensen die stemmingen en emoties wek, de zaak gaat.
Door een gebrek aan eigen vermogen moet ik de geringe krachten, die ik heb, versterken door
een klankboden. Ik gebruik mijn publiek als klankbodem. D.w.z., dat ik dus een zekere sfeer
schep, dat ik in deze sfeer werk met een reeks van haast niet meer geoorloofde suggestieve
middelen en zozeer mijn gehoor tracht te betoveren, dat ik juist daardoor resultaten krijg.
Het is typisch, dat van de blijvende genezingen van Osborn, de meesten gezeten waren
temidden van de menigte, dat van de genezingen van de rand er slechts enkele blijvend
waren. Het is heel duidelijk. De werking van de massa is a.h.w. een soort parabolische spiegel
geworden. Zij kaatst terug op de spreker zelf, werpt de kracht terug. Deze straalt van zich uit,
praktisch rechtlijnig.
Zo heb ik van deze reflex zelf meer kracht gekregen. Een bekend genezer was helemaal in
diggelen. De ene na de andere, week verliep en hij had geen inkomsten. Ik had al gezegd,
dat ik hem zou willen helpen. Uiteindelijk heeft hij mijn hulp ingeroepen. Maar door hem te
behandelen kreeg ik de aanraking van verschillende onderdelen van zijn lichaam en kreeg
ik de reacties, die mij dus helemaal al visueel en hoorbaar maakte, hoe hij erop reageerde.
De ene keer knorde hij als een varken, de andere keer blies hij stoom af. Dan leek het een
ketel onder hoge druk. Het was ontzettend leerzaam voor mij. Daardoor ben ik ook meer in
mijzelf gaan geloven. Ik zag het gebeuren.
Ja, ja, ja. Als ik nu Uw beelden voor mij moet gaan halen, dan is het eigenlijk voor mij een
beetje ongelofelijk. Een varken met een ingebouwde stoomketel. De persoon zelf moet, als hij
een werkelijk goed genezer is, werkelijk sensitief zijn. In zijn sensitiviteit moet hij bepaalde
vermogens hebben. Die vermogens zullen waarschijnlijk, bij een lange afwezigheid ervan, ten
dele dooreen psychische remming, niet geloven in eigen vermogen en wegblijven. De kracht
wordt psychisch geremd vastgehouden. Het proces zelf kan komen door warmte, door ziekte,
door een gebroken been zelfs. Wanneer dit wantrouwen: "Ik voel mij zwak" eenmaal werkt,
dan is dat een suggestieve kracht. Dan zal een deel van dat aanwezig vermogen normale wijze
aan het lichaam onttrokken worden. Dus wij hebben een zekere overspanning, die niet tot
uiting kan komen. Maar nu komt U. Wat doet U nu? U heeft zelf ook enig vermogen. U sluit
a.h.w. de zaak kort. Dan is het toch logisch, dat U zelf de schok meekrijgt. Dus dat U zelf komt
boven Uw normale krachtvermogen, doordat U in feite eerst kracht van de genezer absorbeert,
voordat U ze terug gaat geven. Spiegeleffect.
Ik heb nog een paar dingen, die ik U wil vertellen over de magie. Ik moet erbij voegen: het is
een afsluiten, dat ik een aantal punten aan ga stippen.
176
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

Wanneer onder U mensen zijn, die zeer nadrukkelijk van een van die punten zelf een conclusie
kunnen trekken en zeggen, dat het voor hem belangrijk is."Ik kan er iets mee doen, maar ik
weet nog niet, hoe ik resultaat, of groter resultaten kan behalen”, dan kunt U zich dus wenden
tot het bestuur. Er is helaas geen andere tussenweg mogelijk in deze groepering, dan zullen
wij U helpen. In het totaal van alle lessen tot nu toe geheven hebben wij van alle standpunten
uit de kern van het ik te benaderen, de kern van het ik erkennen is voor de doorsneemens
onmogelijk. Te trachten om de kern van het ik wel te erkennen, leidt over het algemeen tot
zelfmisleiding en is daardoor - ook magische gezien - niet aanvaardbaar. Slechts een poging
tot erkennen van werkelijke drijfveren en beweegredenen, is aanvaardbaar. Het gebruik
maken van geprojecteerde figuren, om tot een aanvulling te komen van datgene, wat men wel
wenst, maar meent niet te kunnen doen, is aanvaardbaar en bruikbaar. "Scheingestalt"
gebruiken is in vele gevallen voor de mens een noodzakelijke tussenfase, ook al kan zij
vermeden worden. Hierbij zou ik U op Het volgende willen wijzen:
Niet slechts de "Scheingestalt", die ik bouw en die in feite astraal is, maar ook andere
willekeurige voertuigen, of zelfs werktuigen, kunnen door mij astraal worden geprojecteerd.
Zolang als zij een deel zijn van mijn eigen wezen, een deel van mijn eigen
voorstellingsvermogen en voor mijzelf hanteerbaar en bruikbaar zijn, zijn zij te projecteren.
Deze projectie is betrekkelijk kort en vraagt een grote intensiteit: Zij moet dan vele malen
herhaald worden, voordat wij een bruikbaar apparaat, of dienaar, hebben. Een dergelijk
voertuig is echter, even als de Scheingestalt, een feitelijk deel van ons wezen en kan door
onze eigen wil en erkennen, door alle in de astrale sfeer zich bevindende mogelijkheden
gevoerd worden en vanuit de astrale sfeer, volgens de daarin bestaande mogelijkheden op
aarde worden geprojecteerd.
In de tweede plaats is het noodzakelijk, dat wij een zeker inzicht hebben in de wetten van de
natuur. Om werkelijk te komen tot volledige magische beheersing zal men o.a. kennis moeten
hebben van de mathematica, daarnaast van de muziekleer. Het is natuurlijk niet mogelijk om
deze kennis U hier bij te brengen en het is ook niet de bedoeling, dat U deze gaat studeren. U
moet dit onthouden: Op het ogenblik, dat ik tot een speciale instelling kom, waarbij ik mijzelf
dwing al het andere in de wereld te vergeten, kan ik komen tot een absorberen met zeer grote
snelheid van lessen, die later, wanneer zij niet geheel begrepen worden tijdens het opnemen,
ter referentie uit het ik te voorschijn worden getoverd. Wij kunnen door een eenvoudige
training, waarbij een eenzijdige beschouwing met grote concentratie noodzakelijk is, er toe
komen om als met een fotografisch geheugen, alle dingen in ons op te nemen en dezen later
te reproduceren, zelfs selectief, zodat op het juiste moment, ook inderdaad het juiste gegeven
voor ons bereikbaar is. Een begrip hebben wij wel nodig en dat is een begrip van de ruimtelijke
verhoudingen. In die ruimtelijke verhoudingen projecteren wij n.l. alles vanuit geestelijke
sferen. Wij moeten daarbij rekening houden o.a. met het feit, dat er bepaalde ruimtelijke
wetten en buigingen bestaan, die ook werkzaam zijn op het ogenblik, dat wij een geestelijke
kracht kenbaar maken. Dat betekent, dat bij een puntprojectie, dit alleen kan gaan aan de
hand van voorstellingen. Wanneer ik een mens wil bereiken, moet ik die mens kennen, althans
voldoende gegevens omtrent die mens in mijzelf dragen, anders kan ik niets met die mens
bereiken. Op een afstand genezen gaat alleen wanneer ik een zeker contact heb met de
persoon die ik genezen wil. Hoe juister de voorstelling van die persoon en zijn omgeving, hoe
groter de resultaten die ik kan bereiken. Ik kan in sommige gevallen hiervan afwijken door
gebruik te maken van de paranormale vermogens: die het mij mogelijk maken een geestelijke
direct te vinden aan de hand van hetzij handschrift, foto, of voorwerp, die de persoon zelf in
zijn bezit heeft gehad, maar een kennen is voor mij het meest belangrijke. Een magiër, die zijn
slachtoffer niet kent en geen enkel ander middel bezit om die te bereiken, zal altijd moeten
missen. Daar staat t.o. dat de magiër die de persoon te goed kent ook weer misleid wordt.
Wanneer wij werken op personen, die wij te goed en te zuiver kennen, dan zullen wij te sterk
geleid worden door onze eigen emoties en onze eigen gedachten. D.w.z., dat een zekere bias
bestaat, waardoor een afwijken van een rechtlijnige werkende geestelijke kracht voor ons
praktisch onvermijdbaar wordt. Deze, door vooroordelen ontstane afwijkingen, mijne vrienden,
brengt soms met zich mee, dat datgene, wat wij in feite op anderen dirigeren, op ons
terugslaat. Dit kan bij genezing zijn, dus dat wij in feite wel krachten naar de patiënt sturen,

177
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

maar door een onjuiste reactie een groot gedeelte kracht terugnemen. Dat kan zijn, bij een
uitzenden van gedachten, dat wij in onszelf bepaalde suggestieve ideeën wekken, naar de
persoon op wie wij ons richten, niet kunnen bereiken etc.. Het is logisch, dat wij steeds in de
magie zullen trachten om, wanneer wij werken met andere personen, op enigerlei wijze in
contact met die personen te zijn. Willen wij verder gaan met het werken van geestelijke
krachten, dan zullen wij ons moeten realiseren, dat wij niet in staat zijn om redelijk te
bepalen, wat de toestanden zijn in een andere wereld dan de onze. Zelfs wanneer wij een
gedeeltelijke ervaring hebben, voor U b.v. door uittreding, voor ons van sfeerwisseling, dan is
dit nog niet voldoende om precies te begrijpen, wat zich in een andere sfeer af speelt. Wij
kunnen nooit een definitieve opdracht zo in een sfeer projecteren, dat wij mede de wijze van
verwerkelijking bepalen. De verwerkelijking zal altijd bepaald worden door de omstandigheden
van de sfeer en de daarin werkzaam zijnde krachten en slechts de gevolgen, als eis gesteld,
kunnen door ons enigszins omschreven en bepaald worden, maar de
begeleidingsverschijnselen kunnen niet altijd worden beheerst. Op het ogenblik, dat wij in
onszelf willen komen tot een erkennen van het levensgeheim, zullen wij gaan zoeken naar de
geheimen van de materie, zowel als naar de geest. Wij komen dan terecht op het gebied van
de alchemie in zijn beste vorm en zin. Wij zoeken naar het aqua tofana, het levende water, wij
zoeken naar de steen der wijzen.
Wij proberen aldus leven en dood, plus begrip van de kosmos, in onszelf te verenigen. Wij
kunnen dit alleen doen aan de hand van bestaande kennis in onszelf plus ervaring. Wij moeten
daarbij echter - noodgedwongen - de vele conclusies van de wereld en hetgeen op de wereld
geleerd is, terzijde kunnen zetten. Eerst wanneer wij dit doen, zijn wij n.l. vrij genoeg om onze
eigen ervaringen te realiseren. Gebondenheid aan bepaalde systemen en gedachtegangen is
voor de magiër slechts zoverre aanvaardbaar, als deze systemen en gedachtegangen de
verwerkelijking van zijn doel mede tot stand helpen komen. In andere gevallen echter zal hij,
vooral wanneer hij zoekt naar de innerlijke weg en innerlijke wijsheid, afstand moeten doen
van alle beperkingen. Deze beperkingen behoeven natuurlijk uitgedrukt te worden in de stof,
tenzij dit op een gegeven ogenblik door het ik als een noodzaak wordt aangevoeld. Zelfs in dat
geval kunnen wij beter een beetje kritisch zijn. Maar ons denken moet zich vrij kunnen maken
van het z.g. gerijmde. In de ongerijmdheid wordt meer van de werkelijkheid ontdekt, dan in
het gerijmde. Denkt U erover na: de meeste uitvindingen, die door alchemisten zijn gedaan en
door anderen, berusten op gedachtegangen, die volgens de orthodoxe wetenschap en de
normaal toen bestaande logica, niet realistisch waren. Het irreële is voor de magiër en voor de
wetenschapsmens het ideale terrein.
In de alchemie echter, waarmee wij trachten te komen tot de steen der wijzen, moeten wij ons
realiseren, dat wij zoeken naar een samenvoeging van alle voertuigen in onszelf. De steen der
wijzen is de samenvoeging van alle werelden en sferen op een zodanige wijze, dat wij komen
tot een totaal omvattend begrip, waarbij niet één wereld afzonderlijk, of enkele werelden
afzonderlijk, of gezamenlijk, maar het totaal voortdurend wordt gezien. De steen der wijzen is
de erkenning van God in alle dingen. Hiermee is het totaal in eeuwig leven gevonden, plus het
albegrip.
Wanneer wij spreken over God, dan denken wij onwillekeurig aan de duivel. Een heel vreemd
verschijnsel, maar het zijn nu eenmaal de tegenstellingen in het menselijk
voorstellingsvermogen. Laat ons dit onthouden: God definiëren is onmogelijk. Een duivel
definiëren is ook onmogelijk, tenzij wij met die duivel het kwaadraat in onszelf leeft,
definiëren. Wij kunnen nooit gejaagd worden door schrikbeelden, indien wij geen angst
kennen. Wij kunnen nooit verslagen worden door vijanden, indien wij geen zwakte kennen. In
de geest, en dus ook in de magie, is de innerlijke gesteldheid albepalend voor resultaten,
ongeacht welke experiment, welke beleving, of welke werkzaamheid. Om het dodend water te
kennen, moeten wij in staat zijn te begrijpen, dat werkingen vanuit de eenvoudige natuur
kunnen worden doorgevoerd tot een vernietiging van verschijnselen in de natuur. Het is een
omzetting van de kwaliteit van uiting en vaak ook de vorm van uiting. Wij kunnen echter nooit
een uiting definitief teniet doen. Daaruit volgt, dat al hetgeen wij vernietigen of doden, altijd
weer herleven zal en wel op zodanige wijze, dat wij daarin steeds onszelf getroffen zullen
voelen.

178
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

Want al, wat wij door dergelijke krachten beroerd hebben, is met ons verbonden en zal altijd
in verband met onszelf terugkeren. Voor de magiër is het verder belangrijk te weten, dat het
zoeken naar levenskracht, altijd gebaseerd moet zijn op het juist leven en een juist verzorgen
van alle elementen van het ik. Daarbij zou ik willen verwijzen naar een lezing, die op de
vrijdag werd gehouden over ouder worden, die voor U interessant zal zijn, i.v.m. het hier
gesprokene. Evenwichtigheid is noodzaak. Met evenwichtigheid kan een magiër juist zover
komen, omdat hij evenwichtig in zichzelf, de onevenwichtigheid van de wereld kan corrigeren
door zijn geloof en zijn emoties. Bij het gebruik maken van incantaties, bezweringen en al, wat
daar bij hoort, het gebruik maken van talismans, pentagrammen, magische wapens, dolken,
zwaarden en zo zullen wij ons moeten realiseren, dat de symbolische handeling voor onszelf
belangrijk is. Dat zij nooit belangrijk kan zijn voor andere werelden. In de symboliek echter
wordt onze eigen gesteldheid sterk beïnvloed. Laten wij ons daarom, wanneer wij iets bepaalds
willen bereiken, rustig onderwerpen aan symbolen, aan werkingen, waarvan wij weten, dat zij
op zichzelf zinloos zijn. Wanneer een magiër zal komen tot een verstilling in zichzelf, een
bereiking naar buiten uit, dan zal het voor hem misschien helemaal niet kwaad zijn om naar
een kerk te gaan, mits er niet gepredikt wordt en daar de dienst bij te wonen, te luisteren naar
orgelmuziek en koorzang. In een dergelijke sfeer komt men tot een betere bereiking. Dus
zoeke men die sfeer zo mogelijk.
Duidelijk zal ook zijn, dat eigen instelling t.o.v. de wereld bepalend zal zijn voor de plaats,
waarop een sfeer zal worden gevonden en dus een begin kan worden gemaakt met een zekere
kracht in het ik te doen ontstaan. Ik zou hierbij willen wijzen op het feit, dat overal, waar de
menigte rumoerig is, een isolatie van het ik wordt bewerkstelligd. Wel kan door de suggestie
van de massa, een tijdelijk als deel van die massa worden opgenomen, maar het ik kan niet
zichzelf zijn en uiten, en blijft geïsoleerd. Dáár, waar stilte en rust is, kunnen wij echter tot een
zelf uiting en een zelfrealisatie komen. Het is dus zeer belangrijk voor elke magische werker
om de plaats te zoeken, waarin wij onszelf kunnen zijn. Dit kan zijn binnen 4 muren, het kan
ook zijn daarbuiten. Werken wij met bezwering van geestelijke vormen, die wij trachten
zichtbaar te maken op onze eigen wereld, zullen wij, mits dezen uit een hogere sfeer komen,
ook van een open plaats, of open ruimte, gebruik kunnen maken. Werken wij in een besloten
ruimte, dan zal er altijd ruimte moeten zijn, waarin lucht en licht volledig toegang hebben.
Werken wij daarentegen met krachten uit het duister, dan zullen wij altijd moeten werken in
een ruimte, die gesloten blijft, en zo veel mogelijk voor licht en lucht zijn afgesloten. Eerst op
deze wijze kan een bepaalde materie, een bepaalde spanning, waarbij de verwerkelijking van
hetgeen wij trachten te doen, noodzakelijk is, worden bewaard.
Krachten des lichts worden uit licht geboren. Zij zijn a.h.w. kenbaar door een soort ozonlucht,
die zich vaak aan ons manifesteert. Hebben wij te maken met krachten des kwaads, dan
hebben wij inderdaad te maken met minder welriekende krachten. De zwavellucht, die aan de
duivel wordt toegeschreven, komt bij sommige fenomenen inderdaad voor. Een lucht als van
rotte eieren kan aanwezig zijn en duidt de aanwezigheid van kwade entiteiten aan. Het is
daarom zéér belangrijk, dat men nooit en te nimmer in een gesloten blijvende ruimte
meerdere malen achtereen zittingen houdt, séances, dan wel magische proeven neemt,
waarbij krachten van andere sferen betrokken zijn.
Bij het uitspreken van incantaties houde men zich er aan, dat ook dit bij voorkeur geschiedt,
nadat wij zelf in de frisse lucht zijn geweest en wij diep hebben adem gehaald. Onthoudt U
verder het volgende: wanneer ik in mijzelf tot een verloochening kom van de kracht, die mij
steunt, zal ik mijn onvermogen voortdurend manifesteren op alle wijzen. Op het ogenblik, dat
ik komt tot een beperkte zelfrealisatie, zal ik uit deze zelfrealisatie mijn wereld beter kunnen
beheersen. Het kennen van symbolen en werkingen is soms zeer goed om macht te
verwerven, ofwel de macht van onze eigen gedachten en werkingen sterk te doen heersen. Op
plaatsen, waar wij zelf niet, of zelden komen gebruik maken van etherische stoffen en
reukstoffen is dan raadzaam, wanneer wij door een juiste kennis daarvan kunnen komen tot
het handhaven van een bepaalde sfeer, ook wel het ontstaan van bepaalde werkingen in de
lucht en de omgeving, die gunstig zijn voor de ons gewenste en geachte fenomenen. Op het
ogenblik, dat wij een incantatie met werkelijke vrucht willen spreken, moeten wij zorgen, dat
de lucht in trilling komt. Het is niet noodzakelijk een stemvorming daarbij te voeren. Men hoeft

179
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

het dus niet luid te doen. Maar trilling is noodzakelijk, omdat elke incantatie slechts werkzaam
wordt door een verandering in de omgeving, die wij scheppen, die ook op onszelf terugslaat.
Eerst daardoor kunnen wij komen tot een groter bereiken en een groter contact.
Als er geen wensen meer zijn, dan kan ik alleen dit mededelen: onze vriend Henri heeft ook
voor deze laatste avond het tweede gedeelte. U kunt zich evt. voorbereiden op hetgeen U hem
wilt voorleggen. Hetzij een onderwerp, of definitie.
Dan wens ik U allen, vrienden, het beste. Ik hoop, dat U de verzekering zult willen
aanvaarden, dat U, met hetgeen U hier geleerd heeft, zult trachten te werken, wij U bij zullen
staan, waar wij maar kunnen. Dat, wanneer U op een of andere manier misschien niet zult
weten, hoe te handelen, of staat voor een raadsel, of zelfs voor bepaalde dingen, die U
bijzonder graag zou leren, die in samenhang staan met hetgeen hier wordt gebracht, dan
zullen wij te allen tijde trachten de tijd te vinden, om U dit onderricht te doen geworden.
Vrienden, het was mij een waar genoegen. Ook namens de andere leraren wens ik U veel
zegen.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Zo ben ik dan op de afscheidsavond ter opluistering van de feestelijkheden aanwezig met het
bekende verzoek: geeft U mij maar een onderwerp of, als U het liever wilt, wil ik ook wel wat
verschillende ernstige onderwerpen voor U definiëren: Wat zal het zijn? Ik geef een rondje.
Definities:
Plusteken: is de aanduiding van het kruis, dat op elk graf van elke illusie zal rusten, omdat,
wanneer je de dingen optelt, je altijd weer nog tekorten krijgt.
Een verdeling in vlakken: is het scheiden van de oneindigheid door lijnen, waardoor een
fictieve begrenzing wordt verkregen, maar nooit een werkelijke begrenzing, omdat de
oneindigheid oneindig blijft, ongeacht welke verdeling je toepast.
Een scheiding van bewustzijnsvlakken: is niets anders dan het onvermogen van het ene deel
van de mens, om het andere deel te erkennen, waardoor de twee delen met elkaar in strijd
komen, terwijl zij hetzelfde beogen.
Verschillende vlakken zien als symbool in geloof zou je het beste zo kunnen stellen: elke geloof
meent voor zichzelf op het hoogste vlak te staan, terwijl alle andere vlakken lager staan. Zodat
degene, die op het hoogste vlak is zoveel lagere vlakken heeft, dat geen enkel vlak hoog
genoeg is om het hoogste vlak te bereiken.
Je kunt het ook nog anders zeggen: Elk geloof heeft de behoefte aan een hiërarchie, omdat
een gezagspositie in het leven noodzakelijk is en de mens zich steeds zal weiden tot degene,
die meer vermogend is om zo zijn minvermogend te voorkomen.
Het menselijk leven: een worsteling met onbegrippen, die beëindigd wordt door de dood en
een nieuw leven zijn eigen onvermogen realiseert en daardoor tot bewustzijn komt.
Leven in stoffelijke zin: een samenwerking van delen, die op zichzelf geen groot bewustzijn
bezitten op een zodanige wijze, dat het geheel een zeer groot bewustzijn kan dragen.
Lever (kosmisch gezien): Goddelijke kracht, geopenbaard in afzondering van andere delen van
die kracht.
Leven (rumoer): een geluid dat je niet aangenaam vindt.
Stilte: afwezigheid van gedachten, die meestal als wijsheid wordt begrepen.
Zuiverheid: het onvermengd en onvervalst zijn,, of te wel in de gedachten.
Het rechtlijnig denken in het leven: het volgen van eigen principes zonder enige afwijking toe
te staan.

180
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

Zelfkennis: de illusie, die je omtrent jezelf koestert, wanneer je afgerekend hebt met elke
illusie die je als zodanig hebt erkend.
Als je jezelf helemaal niet kent, moet je God en de Schepper kennen, om de reden dat je er
deel van bent. Maar de meeste mensen, die proberen tot zelfkennis te komen, rekenen af met
bepaalde illusies, die zij omtrent zichzelf hebben: De illusie, die overblijft is dan dat datgene,
wat zij nu erkennende volledige werkelijkheid is.
Als je als mens zelfkennis hebt, wat weet je dan nog van andere sferen af? Niets. Wat weet je
dan omtrent jezelf? Een heel klein beetje, maar, je denkt, dat je omtrent jezelf héél wat weet.
Als je nu tot een punt gekomen bent, waar je weet, dat je af hebt gerekend met je illusies
en je van de rest niets af weet, wat doe je dan?
Op het ogenblik dat je tot de realisatie komt omtrent eigen onwetendheid, ben je instaat je
zeer beperkte weten nauwkeuriger te omschrijven. Pas, wanneer je in staat bent het
onbekende te accepteren, voor wat het is, zul je in staat zijn datgene, wat bekend is
nauwkeurig te definiëren. D.w.z. dat uit een schijnbaar niet kennen, de mogelijkheid tot
vergrote kennis komt, zodat in het erkennen van het onbekende het bekende zo nauwkeurig
omschreven wordt, dat de samenhang van het bekende met het onbekende: duidelijker op de
voorgrond treden en zo het gebied van het gekende kan worden uitgebreid tot het uiteindelijk
alomvattend is.
Zelfbesef: is eigenlijk niets anders dan de gedachte aan jezelf, uitgebreid tot een
belangrijkheid. Op het ogenblik, dat je een zelfbesef hebt verminder je het wereldbesef. (is
geen definitie) Een beheersing van invloeden is over het algemeen een zodanige
zelfbeheersing, dat je in staat bent te kiezen, welke invloed je toe wilt laten, welke je niet wilt
accepteren in je zelf en eigen omgeving. Om de invloed te beheersen, moet je meester zijn
over jezelf. Hoe meer je jezelf kunt dwingen tot een regelmaat a.h.w., hoe meer je je eigen
gedachten leert beheersen, zodat je steeds aan datgene kunt denken, wat voor jou op dat
ogenblik het belangrijkste is, hoe minder je door invloeden zult worden beroerd, die je niet
wenst, hoe groter dus je beheersing van invloeden.
Waar hebben de mensen de hersens vandaan?
Het begin van de hersens is een uit zijn krachten gegroeid zenuwknooppunt geweest. Toen dat
zenuwknooppunt tot een overmatige ontwikkeling kwam, werd er meer hersensstof
gefabriceerd dan noodzakelijk was. Het gevolg is, dat aan de buitenkant oorspronkelijk een
beschermde laag grotere cellen kwamen te liggen. Zij begonnen onder de invloed van het toen
nog pulserend zenuwstelsel, met een beperkt herinneringsvermogen dus, een reeks van
impulsen vast te houden en vast te leggen. Op het ogenblik nu, dat die beschermde laag
volledig de eigen werking van de hersenen ging volgen, ontstond een patroon, waarin niet
alleen de hersenen, maar de hersenschors dus, een volledige uitdrukking zijn van het verloop
dor verschillende strengen in de hersenen. Daardoor ontstond hersenschors als een
dekmantel, waarin echter de grote, de sentiënte cellen, aanwezig waren, die oorspronkelijk
vergroeinkje van de zenuwcel, langzaam maar zeker het belangrijkste werden en nu met de in
hen aanwezige doorlaatbaarheidfactor, de werking van de eenvoudige zenuwcellen gingen
reguleren...
Dat moet zeer lange tijd.....Antropologisch is dat niet aantoonbaar. Wij kunnen eigenlijk
met het scheppingsverhaal naar voren komen.
Ik probeer, wat ik ervan weet, zo begrijpelijk mogelijk te zeggen. Dat is een hele prestatie, als
je weet, dat ik er zelf niet alles van begrijp. Bescheidenheid is een zeer onnut sieraad. Want de
mens, die bescheiden is, verbergt onder zijn bescheidenheid ofwel een begrip van overgrote
meerwaardigheid, die in feite niet waar is, dan wel anderzijds zijn bewustzijn, dat hij toch niet
anders kan, dus dat hij maar beter bescheiden doet. Wij weten, dat de hersenen allang voor
de mens bestonden. Dat een hersenschors, zij het in zeer beperkte en oermate, b.v. reeds
aanwezig is gewest bij de eerste grote zeedieren. Wij weten verder, dat praktisch alle
vleesetende sauriërs een kleine ontwikkeling van hersenschors vertonen. Zij hadden nog het
z.g. tweede hersenstelsel. De automatismen werden van binnenuit geregeld, maar het
beperkte geheugen werd al geleid door een centrum in de kop en daar vinden wij al een
primaire ontwikkeling van de hersenschors.
181
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

Het is dus logisch aan te nemen, dat dat overal plaats vindt. De generatie, spontana is het feit,
dat op een gegeven ogenblik de verbinding ontstaat tussen het zenuwstelsel en de
hersenschors. Het is niet het ontstaan van de hersenschors. Het is het contact tussen
zenuwstelsel en hersenschors op een bindende wijze. Dat kan alleen ontstaan in een periode
van optimale rust, dus dat er geen grote spanningen zijn. Terwijl dan uit deze rust een schok
ontstaat. Wij weten, dat er verschillende grote wereldrampen zijn geweest. Ik wil er geen gok
aan wagen, welke ramp het geweest zou zijn, maar ik vermoed, dat de primitieve wezens op
een gegeven ogenblik zozeer geschokt werden door een directe verandering in de natuur, dat
de poging tot zelfbehoud bij enkelen, maar lang niet bij allen, heeft geleid tot een vergroeiing
bij het nieuwe geslacht. Een sprongmutatie.
Dan krijg je dus wel een plotselinge verandering in het nageslacht, die langzaam maar zeker
toeneemt. Wij kunnen wel bewijzen, dat in het begin van de mensheid de voor-menselijke
mens a.h.w., dat wij zeer veel verschillende groepen kennen met verschillend verstandelijk
vermogen en ook verschillende schedelinhoud en schedelvorm. Wij mogen dus aannemen, dat
er in die tijd een hele hoop mutanten zijn geweest, verschillende mutaties. Dat degene, die de
beschikking kreeg over een groter geheugen en dus een groter combinatievermogen, de
sterkste werd, omdat hij, als de meest vervolgde, lichamelijk zwakkere, zich meer moest
verweren. Hij word dus door nood gedwongen zijn nieuwe capaciteiten meer in te spannen. En
dat daaruit de groei is ontstaan van de hersenschors als herinneringscentrum en
referentiecentrum voor het zenuwstelsel.
Het is een probleem, dat ook al in de aandacht staat.
Hoe is het nu mogelijk, dat zij na een onderzoek ontdekt hebben, dat b.v. de schedel leeg
is en er geen hersenen zijn, dat deze mens zich toch nog vrij normaal gedraagt en denkt?
Ik weet niet, of dat met een lege schedel mogelijk is. Het enige antwoord, dat ik daarop kan
geven: er zijn zoveel mensen, die hun hersenen nooit gebruiken, dat zij automatisch
klaarblijkelijk ook nog menselijk kunnen lijken. Er is nog nooit gehoord van een werkelijk lege
schedel. Wij kunnen spreken van onontwikkeld hersens, maar wij zullen toch met elkaar eens
zijn, dat de kleine hersenen voldoende ontwikkeld moeten zijn, anders lopen de
levensprocessen in de war. Dat de grote hersenen ten dele ontwikkeld moeten zijn, want
anders ontstaan geen redelijke reacties:
Er zijn geen hersenen gevonden.
Dat is een kwestie van verduistering geweest, maar zij moeten er geweest zijn.
Na de eerste wereldoorlog was er een heel bekend Duits hersenanatoom, prof. Elinger(?).
Hij beweerde, dat hij tientallen schedels heeft gevonden, die inderdaad wel nauwere
ontwikkeld hersenvlies was, maar waar de hersens toch noch de grauwe, noch de witte
aanwezig was. Het functioneren moet dan wel geweest zijn over de lagere centra.
Reflectorisch. Waar blijft dan het redelijke?
Om de reden, dat ik mij niet kan voorstellen, dat een normaal mens dus zonder stoffelijke
tussenweg in staat zou zijn alleen, via zijn geest, een lichaam zodanig te beheersen, dat de
geestelijke redelijke processen in de plaats kunnen treden van de stoffelijke redelijke
processen en wel vooral, omdat de geestelijk redelijke processen zodanig en de geestelijke
reacties zodanig verschillen van de stoffelijke, dat het mij heel moeilijk lijkt aan te nemen, dat
het een beheersing van buiten af is. Ik kan dat haast niet aannemen, als je weet, dat wij op
het ogenblik nog moeite hebben om met zo'n ingewikkeld klavier te werken en dat het ons
haast onmogelijk is om, wanneer de hersenen uitgeschakeld zijn, alle verdere zenuwcentra
verder intact zijn, om een lichaam te beheersen, dan zeggen wij: Ja, goed, er moet daar op
een of andere manier hier een vergissing zijn. Dan moet die hersens toch niet op de normale
wijze aanwezig zijn geweest, maar er moet ergens iets van die stof aanwezig zijn geweest.
Wanneer dat niet zo was moet dat verdwenen, of vervallen zijn, maar dan kan dat alleen zijn
bij mensen, die dood zijn gegaan en die een zeer snel verval hebben gehad, plus een afvoer.
Dat kan natuurlijk gebeurd zijn. Bij mij kwamen toen dezelfde bedenkingen, toen ik dat las.
Edinger was een zeer beroemd man. Moet ik nu aannemen, dat die man onjuistheden
debiteerde?
Misschien gedeeltelijk.

182
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

De zaak kan vervloeid zijn door die schok. Wat er wel bij gezegd werd, dat er een
doorboord hersenvlies aanwezig was.
Ik ben geen specialist op dit terrein. Wat ik hier zeg, zijn vermoedens. Om dergelijke dingen
helemaal eerlijk en oprecht met U te gaan bespreken, dan zou ik iemand op de kop moeten
tikken, die dus werkelijk hersenspecialist, geweest is, ook bovendien op dit terrein thuis is.
Is er een bedoeling in de natuur - God - om een wezen voort te brengen met hersenen, die
uiteindelijk dan zijn geestelijke capaciteiten daarna naar voren kan brengen?
Het is een Goddelijke wet. Op het ogenblik, dat een bewustzijn groter wordt, zal dat
bewustzijn zoeken naar een mogelijkheid tot zelfuiting. Laten wij vooraan stellen, dat een
zekere scheppende drang, positief of negatief, aanwezig is in alle wezens. Niet alleen als deel
van het zelfbehoud, maar als een noodzaak tot zelfopenbaring. Stel je voor, dat een geestelijk
bewustzijn zover komt, dat dit bewustzijn niet meer tevreden kan zijn met de aanwezige
mogelijkheden. Dan zal het proberen op enigerlei wijze de scheppende functies dus zó te
uiten, dat wel een uitingsmogelijkheid wordt geschapen. Als wij rekening houden met het feit,
dat het meest gevoelig voor de trillingen van de geest, juist de hersenen zijn. Hersenen, zo
wel als het zenuwstelsel. Het sympathische eigenlijk nog wat meer, omdat het makkelijker
prikkels overneemt. Dan zul je je dus voor kunnen stellen, dat degene, die zich een voertuig
zoekt, zal proberen om juist dat te stimuleren. Verder kunnen wij ons wel voorstellen, dat de
behoefte tot uiting, door degene, die met die bewustwording verwezen zijn, die bewuster
waren, zal worden gesteund. Want men weet, dat men zonder deze zelfuiting, een feitelijk
verder bewust worden, een actief leven, onmogelijk is.
Dan wordt er dus een voertuig geschapen. Maar op het ogenblik, - dat is een consequentie, die
wij even hierbij in de gaten moeten houden -, dat dus een groter deel van het bewustzijn der
mensen hoger stijgt dan thans in de mens, dan zal er een neiging zijn om door stimulansen
van velerlei aard en soort, wederom een ander soort mens voort te brengen, die door grotere
gevoeligheid en grotere capaciteiten van denken, in staat is te beantwoorden aan de nieuwe
scheppingsdrang en dus bewustwordingseis als uitgedrukt in de meer bewuste geest, die toch
nog naar de stof terug moet. Als je de wereld bekijkt naar de enorme massa en de
toenemende populatie, die eigenlijk vast moet lopen.
Heeft dit een bedoeling? Is dit een mogelijkheid, die de mensheid hoeft om een mens voort
te brengen, die een grotere bewustheid kan scheppen: die een grotere uiting naar voren
kunnen brengen.
In een grotere massa is een selectieproces eenvoudig onmogelijk. Wij kunnen een topeis hoger
stellen. Wanneer wij weten, dat wij een minimum aantal nodig hebben, wanneer wij een
grotere massa hebben. Wanneer wij nu rekenen, dat er een grote massa is, dan zullen wij
zien, dat aan de ene kant een deel van die massa terugzinkt, versuffing, verzetting. Dat zijn
allemaal verschijnselen bij de grote massa. Daardoor bepaalt zij op de duur een deel van haar
zelfvernietiging en zelfbeperking. Ondertussen was de selectie mogelijk daaruit van meer
bewusten. Die gaan andere eisen stellen aan het leven en gaan actiever leven. Zo valt de
mensheid in twee soorten uiteen a.h.w. De positieve en negatieve mens.
De positieve mens geeft dan leiding aan de negatieve mens. Dat is altijd zo geweest. Hij is
degene, die het besluit vat, hij is degene, die de beperking schept, degene, die de ander voert.
Zo krijgt hij een steeds grotere verantwoordelijkheid en zal zich ontplooien om die
verantwoording verder te kunnen dragen, of eronder bezwijken. Het selectieproces gaat voort.
Ondertussen krijgt die kring ook een uitbreiding van 3 : 2, Dat wordt dan zo ongeveer de
norm, totdat een gemeenschap van hoger bewusten en hoger ontwikkelden is ontstaan, die
dan kaste-rechten en kaste-wetten gaan stellen en dan tot een bezinning en stilstand komen.
De geesten, die belangrijker zijn, breken uit beide vormen van gemeenschap en zoeken
contact met hogere waarden, zoiets als de Witte Broederschap b.v.. Zij krijgen dan
onzichtbaar, de touwtjes in handen. De andere twee groepen houden elkaar tijdelijk in
evenwicht en versmelten op de duur weer, waarna wederom een uitbreiding ontstaat, die
wederom een verslapping, een soort vertering, weer mogelijk wordt en het proces opnieuw
kan beginnen. Zo krijg je achtereen volgende golven. Op het ogenblik is de wereld zover, dat

183
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

zij aardig aan het sorteren toe zijn. De bevolkingsaantal zal over een 150 jaar waarschijnlijk
aanmerkelijk verminderd zijn. Dat is dan weer progressief.
Waardoor?
Door de verandering van instelling. Op het ogenblik, dat een massa verstilt, begint zij meestal
met genot te zoeken. Als zij dat doet, dan wijst zij religie af, wanneer zij religie afwijst en over
het algemeen elke overmatige belasting, dan heeft zij ook geen interesse meer in kinderen.
D.w.z., dat de stimulans, zoals die op het ogenblik b.v. nog bestaat, om het gezin bijeen te
houden, veel minder wordt. Door het wildere leven wordt het aantal geaccepteerde kinderen
minder en er ontstaat ofwel kindermoord, dan veel onvruchtbaarmaking, of het gebruik van
voorbehoedmiddelen.
Dan slaan ze de kinderbijslag op, dan komen ze weer.
Dat denkt U. Maar op een gegeven ogenblik weigert men voor die lastposten te betalen. Als de
massa dat niet meer eist. Dat moet U goed zien. De eisen van de massa worden anders. Zij
zullen niet meer vragen om geld, maar om amusement. Daar zijn wij al heel dicht bij. Op het
ogenblik, dat dat gaat gebeuren, dan krijg je vanzelf een inslinken. De hogere klassen breiden
zich over het algemeen minder vlot uit, dan de lagere klasse, maar zijn daar t.o. meestal in
kindertal meer stabiel. Waar het mogelijk is, zien wij daar meestal gezinnen van 2 tot 3. 1, 2,
3. Wanneer nu het levenspeil beter wordt, zal de intelligentere heel vaak een kindje erbij
kopen. Nu kan het, nu is er een mogelijkheid, wij hebben dat kind iets te bieden. Maar de
arme zegt: Ik heb het nu zo goed, nu moet ik niet meer die lastposten hebben. Wat heb ik aan
al die ellende? Net als vroeger met de werkelozen. De steun. Toen kregen ze de kans om voor
een paar gulden meer te werken, en zeiden: Zal ik mijn schoenen gaan verslijten? Ik trek wel
steun. Dat gaat net zo lang, totdat zo'n systeem in elkaar zakt. Dat gebeurt. Op het ogenblik
rommelt het overal. Het duurt nog wel even, voordat het veranderd is, ongeveer 150 jaar. Dan
krijgen wij een stabilisatie. Die brengt over de gehele wereld een tamelijk strenge teruggang.
Wist U, dat de kinderaantallen in een van de meest bevolkte gebieden in China op het ogenblik
ontstellend aan het teruglopen zijn? Omdat men namelijk, waarop men de mensen in
commune proberen te dwingen, de gezinsband hebben verbroken en daardoor de lust ook
kinderen daarin te zetten, terwijl gelijktijdig het vooroudergeloof vroeger voor de grote
gezinnen ten dele aansprakelijk, is weggevallen, of althans wordt vernietigd. Zo gaat het volk
in feite achteruit.
Wist U, dat in Rusland met al zijn heldenmoeders 't kinderaantal, eerder afneemt, dan
toeneemt? Dat hebben zij zelf bekend. Als je daar rekening mee houdt, dan zien je, dat
belangrijke gebieden die teruggang al vertonen. Als er niets meer is, dat voor de moeite waard
is, dan kan ik er beter tussenuit trekken. Ik zal de meesten van jullie zo hier en daar nog wel
eens zien.
Het beste luitjes, tot kijk.
o-o-o-o-o
Goeden avond, vrienden,
Wij zullen dan deze avond gaan besluiten met het Schone Woord. Jarenlang hebben wij
gewerkt en gebouwd in deze kring en wij zijn nu aan een punt gekomen, waarvan wij
meenden, dat U zelf verder zou moeten gaan, zo U daartoe interesse hebt.
Toch kunnen wij dit geen afscheid noemen. Degenen, die interesse hadden, zullen deze toch
behouden. Veel van hetgeen U gehoord hebt, zal U bijblijven en zal het steeds weer in Uw
gedachten terugkomen en Uw gedachten beïnvloeden daarom lijkt mij als een zeer symbolisch
beeld voor deze avond.

DE ZAAIER
De zaaier gaat uit over het land. Hij strooit met gulle hand de kostbaarheid van zaad. Het
graan zo lang en teer behoed. Hij geeft, omdat hij weet, dat eens de oogst zal komen.
Er komt een ogenblik, dat de tijd niet meer gunstig is voor het zaaien. Dan wordt de grond
veel gedekt en dan trekt hij zich terug, omdat andere bezigheden zijn aandacht vragen.

184
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

In hem is de stille verwachting, dat de oogst op zal komen. Ook al zal hij soms teleurgesteld
zijn in bepaalde gewassen. Er zullen altijd, altijd weer gewassen zijn, die hem tot een
dankbede inspireren.
Onze groep, onze Orde, heeft getracht zo te zaaien en tracht nog steeds te zaaien. Wij hebben
veel verschillende groepen, veel verschillende cursussen en kringen. In elk daarvan proberen
wij iets te cultiveren. Wanneer wij dat doen, dan is dat niet, omdat wij een ogenblikkelijke en
rijpe oogst verwachten. Wij weten, dat er veel tijd nodig is. Wij zijn ook niet teleurgesteld,
wanneer de tijd voorbij gaat, zonder dat onmiddellijk vruchten zich openbaren. Wij weten voor
onszelf, dat het noodzakelijk is, niet voor U, maar voor ons, om altijd weer te zaaien.
U zult voor Uzelf ontdekken, dat het voor U gelijk blijft. Ook voor U is er de noodzaak om
steeds weer het leven iets te geven, iets neer te leggen, waarvan je geen vruchten
verwachten. Iets, wat misschien eerst na de slachting mee gaat tellen, maar toch iets van
jezelf, waarmee je in de Schepping hebt geholpen, een bepaald scheppingsplan te
verwezenlijken, in een mens misschien een gedachte te brengen, die eens - wij weten niet
wanneer - meer licht, of meer vreugde betekent.
De zaaier is een symbool, dat zeker voor ons bruikbaar is. In ons is de Goddelijke kracht. Uit
die Goddelijke kracht hebben wij ons rijkdommen vergaard. Die rijkdommen kunnen wij
werkelijk de onze worden, wanner wij ze de wereld schenken.
Bezit op zichzelf betekent niets, eerst het gebruiken van het bezit, of het delen van het bezit,
geeft er zijn waarde aan. Zo is het met bewustzijn en bewustwording. Zo is het met innerlijke
kracht en bewustzijn. Al, wat wij bezitten, moeten wij de wereld kunnen geven. Eerst dan
krijgt het betekenis. Eerst dan kunnen wij daaruit verder leren. Eerst dan kan onze rijkdom
werkzaam worden en ons rijker maken. Altijd, wanneer je leeft, ben je je bewust van de
Goddelijke kracht. Zul je je realiseren, dat het vrijelijk, het vreugdige geven, het werken niet,
voor een ogenblikkelijke oogst, maar voor de gedachte: Hier heb ik mijn rijkdom gegeven, kan
ik ze herkenen.
Nu, mijne vrienden, ga ik zo dadelijk heen: Dan is voor ons deze periode ten einde. Misschien,
dat er zo nu en dan nog wat gewied moet worden, wat nog een idee moet verhelderd worden.
Misschien dat nog een enkele zaailing nog verplant moet worden naar een ander bed, om juist
daar tot volle bloei te kunnen komen.
Het werk is gedaan. Zo goed als het Goddelijk is, het graan van de Schepper te zaaien, (of het
nu de ideeën zijn, die je uitstrooit, of gulden korrels graan), het was ook een Goddelijk idee
die taak beëindigd te hebben. In Gods hand te hebben gegeven het beste, wat je bezit, het
beste van je pogen en je kunnen.
Ik zou U op deze avond willen zeggen: vraag U nu niet af, wat is de vrucht? Houdt U niet bezig
met de mogelijke wens van bewustzijn van kracht, of van weten. Streef om het streven.
Schenk de wereld Uw wijsheid, Uw weten, Uw kracht, Uw geduld, Uw genegenheid, niet om er
zelf iets van te gewinnen, maar om in de Goddelijke wereld mee te mogen scheppen, verwacht
geen antwoord, want dat kan lang duren. Maar weet ook, dat zij, die gezaaid hebben, worden
geroepen om te oogsten.
Eens in de Goddelijke sfeer zal het zover zijn, dat die ideeën, tot rijpheid gekomen, de wijsheid
erin is misschien groter dan in ons, tot ons zal terugkeren. Zo zal het gaan met elke daad, met
elke gedachte, die gij stelt in de wereld.
Nu, of over 100 geslachten, gij weet het niet, keren zij tot U terug. Want: Hij, die zaait, oogst.
Laat ons dan naar ons beste vermogen, vrienden, zaaien. Zaaien het beste, dat in ons leeft.
Geven van het beste en het edelste, dat in ons bestaat. Laat ons dat niet verbinden aan een
dwang, het op deze of gene wijze te doen. De wereld is onze akker, de geest is onze
voorraadschuur.
De wereld ligt bereid. Zij wacht. De zon van het Goddelijk licht is boven ons opgestegen. Zij
laat ons zien, hoe wij moeten werken en hoe wij moeten streven, ook wanneer wij nog
aarzelen.
185
ORDE DER VERDRAAGZAMEN
1958 - 1959 – Groot geestelijke scholing
Les 11 – 14 juli 1960

Misschien wordt het soms kil in de eerste uren, dat je uit gaat om te zaaien. Op de akker ligt
de dauw nog. Dan trekt misschien de koele nevel koel en klam tussen jou en de zon.
Het feit, dat je zaaien moogt, is loon op zichzelf. De wereld ligt voor U open, zoals zij altijd
open heeft gelegen. Daarnaast voor verschillende van U een sfeer, een andere wereld, die ligt
te wachten.
Leer te geven van wat gij in Uzelf hebt vergaard. Niet alleen aan wijsheid en geleerdheid, maar
ook aan genegenheid, welwillendheid. Geef a.h.w. Uw eigen wezen aan de Schepping, opdat
gij in de Schepping het vergrote wezen het bewustzijn van God zult mogen oogsten.
Wanneer uit al, wat U geleerd hebt, dit ene voor U tot werkelijkheid is geworden. Het ene voor
U begrijpelijk is geworden, dan zijn wij reeds voortijdig beloond. Een oogst, welker rijkdom U
misschien nog niet beseft.
Het is niet alleen met weemoed, dat wij sluiten, maar het is ook met dankbaarheid. Wij
hadden gaarne verder gegaan. Wij hadden méér en beter willen maken misschien dan nu.
Maar ik geloof wel, dat wij veel hebben mogen geven, veel hebben mogen helpen. Dat is een
reden tot grote dank.
Zo goed als gij willen wij soms verder gaan, dan mogelijk is. Wij zijn U dankbaar, dankbaar
voor elke idee, die U heeft opgenomen en overdacht. Dankbaar voor elke impuls die voort
mocht komen uit ons werk.
Boven alles zijn wij wel het scheppend Licht dankbaar, dat het ons mogelijk heeft gemaakt dit
te doen en het ons misschien mogelijk zal maken opnieuw en weer opnieuw te geven, waarvan
wij menen, dat het het beste in ons is, opdat het goede onze oogst moge zijn.
Vrienden, wij zullen elkaar ontmoeten. Wij weten niet wanneer en waar. Maar in het
gezamenlijk denken en streven zijn banden ontstaan, die niet teniet kunnen worden gedaan.
Al zoudt gij het willen, gij zoudt zo niet kunnen vernietigen. In de banden zijn wij mede
begrepen, wij horen erbij.
Wij zeggen nu, wat deze groep betreft, vaarwel, maar ook tevens tot ziens, wanneer het voor
ons allen oogsttijd zal zijn.
Goeden avond.

186