You are on page 1of 9

© Orde der Verdraagzamen Zondagochtendkring

Groep II,
13 april 1958.
Goeden morgen, vrienden.
Ik zou gaarne op deze zondagmorgen met U nog een ogenblik

WAARHEDEN BESCHOUWEN, DIE NIET OPGETEKEND STAAN IN DE EVANGELIËN

maar die toch door Jezus gedoceerd zijn aan zijn leerlingen. Het is begrijpelijk, dat ik niet het
geheel in dialoog kan gaan geven. Dat vergt te veel tijd en vraagt te veel verklaringen. Het
onderwerp, dat wij op deze wijze zullen trachten te belichten, is wel speciaal de wijze van
leven.
Jezus leven zelve is voor ons wel een bewijs, dat hij een speciale weg had gevonden. Ofschoon
hij evenals anderen vermoeid kan zijn, ofschoon hij in zijn voeding ongetwijfeld zeer matig is,
weten wij toch, dat hij aan de andere kant zich volledig aan zijn eigen milieu aanpast. Voor
degenen, die op de hoogte zijn van hetgeen zijn genezend werk, zijn inspiratief werken e.d.
meebrengt, komt dan ook al snel de vraag; Hoe heeft hij dit bij zijn vasthoudendheid aan de
gebruiken van, zijn land kunnen doen? En nu is het misschien heel eenvoudig om te zeggen;
"Ja, maar Jezus was een gezondene, een "buitengewoon gróte geestelijke kracht." Ik wil er
dan op wijzen, dat hij ook zijn apostelen het genezen, het prediken en profeteren a.h.w.
geleerd heeft. Ook zij hebben die gaven ontvangen en - dit kunt U wel in de Evangeliën vinden
- hij heeft hen meermalen uitgezonden en zij hebben voor en na zijn, dood wonderen kunnen
verrichten.
U zult begrijpen, dat Jezus juist voordat hij hen uitzond getracht heeft hun duidelijk te maken,
waar het eigenlijk om ging. En nu waren het zeker niet de domme volkse mensen, die de
legenden van de apostelen hebben gemaakt; maar toch waren ze zeker niet zo ver ingewijd
(op een enkeling na), dat wij van hen kunnen verwachten, dat zij uit zichzelven begrijpen,
welke noodzaken er bestaan. De twaalven zijn dan ook bij elkaar, wanneer Jezus hen
toespreekt en wijst op de noodzaak om een bepaalde leefwijze te aanvaarden. Hij zegt dan en
ik citeer zo woordelijk mogelijk in vertaling:
De Vader geeft ons alle kracht. Zijn gave moet echter aanvaard worden, voordat wij ons
bewust kunnen zijn van al, wat de Vader in ons werkt. Nu heeft de Vader ons de wereld
gegeven. Op deze wereld zijn duistere krachten evenzeer als de krachten des lichts. Zo denk
niet, dat gij uitgaat een met het licht en zonder tegenstand Uw wegen zult kunnen volbrengen.
Doch ik zeg U: Indien men U voedsel biedt, aanvaard het in de naam des Heren. Indien men U
vreugde biedt, zo aanvaard haar in de naam des Keren. Indien men U onderdak biedt,
aanvaard het en zoek niet verder. Want wat aanvaard wordt in de naam van de Vader kan het
kwaad niet bergen. Dat wat aanvaard wordt in de overtuiging van hogere krachten is goed en
schenkt U de kracht om verder te gaan. Het is een bevestiging van de kracht Gods, zoals ge
die rond U kent.
Nu weten we allemaal, dat het joodse volk bepaalde spijzen niet mag gebruiken. Dat het
joodse volk zich ook van andere dingen moet onthouden, b.v. van het wandelen op Sabbath
enz., tenminste indien dat een zekere afstand te boven gaat. Het is dan ook begrijpelijk, dat
enkelen onder hen onmiddellijk protesteren; "Ja, maar Heer, indien men ons dan geeft, wat de
Wet niet toelaat?" Dan zegt Jezus: "Wat is belangrijker, de Wet of de mens? Ik zeg U, beter
duizendmaal zondigen tegen de Wet, maar een ziel redden, een mens vreugde, licht en
genezing brengen, dan houdend U aan de Wet deze laten ondergaan en zelve voortgaan in een
waan van gerechtigheid."
Dat is voor sommigen nogal een harde noot. Het is moeilijk te verwerken. En zo protesteert
Petrus op zijn manier. Hij zegt; "Ja, maar Heer, wanneer wij ons niet houden aan de Wet, wat
is dan de wet, waaraan wij ons houden moeten? Indien dit Verbond - hij bedoelt daarmee het

ZII 580413 – NIET OPGETEKENDE WAARHEDEN UIT DE EVANGELIËN 1
Orde der Verdraagzamen

Oude Verbond - ten einde is in Uw wezen, wat kan het Nieuwe Verbond?" Ja, Petrus was altijd
een opgewonden standje. En Jezus zet hem dan ook eventjes fijntjes op zijn plaats.
"Toen ik U zeide, Simon, volg mij, zijt ge mij gevolgd, Gij hebt mij vertrouwd op al Uw wegen.
Zoudt gij mij niet vertrouwen, waar ik U zeg, dat ik de Wet, de Weg en de Waarheid ben? De
wet ben ik U en ik stel U ene wet; Heb de wereld en de mensen lief en dien hen ommentwille
van de Schepper, Die hen heeft voortgebracht. Ik geef U ene weg: Vertrouwen op de Vader,
zoeken naar de waarheid en schenken alle licht, dat gij bezit. En ik geef U ene waarheid: De
Vader leeft in U en leeft in alle dingen. Zo, vind de Vader in hen en gij zult vervullen al, wat
van U geëist kan worden. Gij zult U bewust worden van het Koninkrijk Gods, dat leeft in alle
dingen."
Met andere woorden wordt er gezegd; Waarde Simon Petrus, maak je niet zo druk. Je hebt je
mond vol van alles wat wet heet. Je voelt je gerechtvaardigd om tegen anderen een beetje
hoogmoedig op te treden, want je vindt, dat jij dan toch wel zo’n reuze kerel bent. Er is geen
verschil tussen jou en die wereld. Wanneer je je beroepen wilt op die wet, onthoud dan één
ding: zodra een wet, die heet van God te komen, een vernedering, een beschaming of een
schade betekent voor medemensen, is zij uit den boze. Begrijp goed, dat wanneer je een weg
zoekt, er maar een werkelijke weg kan bestaan: de weg, die God voortdurend en in alle dingen
erkent en die zich niet vastklampt aan tijdelijke voorschriften, door het wanbegrip van mensen
geïnterpreteerd. En er is maar een waarheid; wie God zoekt, kan Hem vinden in alle dingen.
Jezus geeft juist hier de vaak meest luidruchtige van zijn leerlingen eventjes te verstaan, dat
hij vooral niet moet denken, dat zijn manier van doen en leven de goede is, maar dat elke
manier goed is, zodra zij zich onmiddellijk betrekt op God en een onmiddellijk zoeken naar
waarheid betekent.
Na deze kleine schermutselingen o.a. over voeding komt ook de Sabbatreis ter sprake. En het
is in dit geval Andreas, die samen met Bartholomeus de opmerking maakt: "En, Heer, waar
zullen wij rusten op de zevende dag?" Jezus antwoordt; "Rusten zult gij daar, waar vrede is.
Doch zo gij geen vrede vindt op de plaats, waar gij gaat en gij kunt vrede brengen, hoe zoudt
gij rusten? Want ziet, de Vader had Zijn werk voltooid; daarom rustte Hij. Zodra Uw taak
voltooid is op deze wereld, zult gij rusten in de Vader." Met andere woorden maak nu maar
geen opmerkingen over de Sabbatrust e.d., vervul je taak liever tegenover je medemensen.
Dat is het enige, dat belangrijk is.
En dan komt Johannes en deze meent, dat hij zijn Meester eventjes erop moet wijzen, dat het
hier toch niet alleen gaat om rituele voorschriften e.d. maar om het feit, dat zij uitgezonden
zullen worden om te genezen. Zo spreekt hij: "Meester, indien wij dit alles doen, hoe zullen wij
de duivelen uitdrijven, hoe zullen wij de zieken genezen?" Dan antwoordt Jezus: "De duivelen
zult gij uitdrijven door Uw geloof in de Vader. Sprekende Zijn woord, sprekende in Zijnen
naam en mijnen naam, zullen zij U niet weerstaan. Want waar het geloof is in de mens, is de
kracht Gods in de mens. En deze kracht kan door geen duisternis worden weerstaan. En indien
de zieken tot U komen en zij vragen U genezing, zeg hun te geloven in de Vader, zeg hun te
geloven in licht en reinheid. Indien zij hun zonden erkennen (of hun fouten erkennen, twee
vertalingen mogelijk) en geloven in Hem, zo zult niet gij hen genezen, maar zullen zij door hun
bewustzijn gereinigd worden."
Deze punten acht ik wel zeer interessant en ook belangrijk voor U allen. Hier is dus geen
sprake van een genezen maar van een reinigen. En het is typisch, dat later Johannes - over
wie we tussen de apostelen weinig meer horen - eigenlijk in enkele geschriften juist over dit
genezen, dit reinigen, een verdere uitleg geeft. Ik ben zo vrij wederom te vertalen en zo
woordelijk mogelijk te citeren:
De weg des Meesters toonde ons de lichtende kracht van de Vader. De Vader is een liefde, die
ons omgeeft, zo wij de Vader Zelf niet verwerpen. In Zijn liefde kan geen lijden, geen leed
bestaan. Slechts daar, waar Zijn wezen niet wordt aanvaard, kan ziekte, ja, kan dood
tevoorschijn komen. Zo is het niet onze taak de mens te genezen naar het lichaam, maar te
genezen naar de geest. Want indien de geest de Vader aanvaardt, dan is Zijn kracht in de
mens. En waar het Koninkrijk Gods heerst, is de volmaaktheid. Daar zal de ziekte verdreven
worden, daar zal de duivel terugkeren tot zijn verworpenheid, daar zal alle licht, leven en een
nieuwe weg gevonden worden.

2 ZII 580413 – NIET OPGETEKENDE WAARHEDEN UIT DE EVANGELIËN
© Orde der Verdraagzamen Zondagochtendkring

Het is opmerkelijk, dat Johannes eigenlijk de minste volgelingen heeft in het Christendom. De
navolging, die men de anderen geeft, de verering, die men aan Johannes van Patmos geeft, is
veel groter dan de aandacht, die wordt besteed aan deze lievelingsleerling van Jezus. Toch was
het juist deze Johannes, die meer dan de andere leerlingen aan Jezus’ verzoek a.h.w. gehoor
gaf, Jezus’ wet volbracht voor zichzelve. Onder het kruis werd hij aangewezen om te zorgen
voor Maria en dus ook eventueel voor allen, die verder behoorden tot Jezus’ familie. Hij heeft
dit getrouwelijk gedaan en is daarna weggetrokken in oostelijke richting. Hij was het, die veel
van de wonderleer, die wij verspreid vinden door het gehele oosten, heeft verbreid. Hij was
het, die leerde te genezen door de krachten van de geest, zodat de oude magie, die in
vergetelheid was geraakt, kon opleven rond Euphraat en Tigris; ja, dat zelfs aan de Ganges
een nieuwe klank werd gehoord. Jezus’ levensleer, Jezus’ leer omtrent voeding en wat dies
meer zij is dan ook juist door Johannes het beste bewaard. En ik geloof dan ook, dat ik mijn
onderwerp het beste behandel door enkele uittreksels - dus geen woordelijke vertalingen meer
- van zijn geschriften en leringen hier te laten volgen.
"Alle wereld is door de Vader geschapen om te dienen. Zoals wij Zijn krachten, Zijn engelen
dienen, zo is het lagere geschapen om ons te dienen. Het is ons recht om te heersen in de
wereld, want zij is ons erfdeel door de Vader ons gegeven. Doch het is onze taak om goed te
heersen. En een goed heerser leeft niet uit het lijden van zijn onderdanen." En daaraan knoopt
hij dan een hele beschouwing over de ethiek van een bepaalde voeding vast, die hierop
neerkomt;
Niemand zal U zeggen; Gij zult dit niet tot U nemen. Maar gij zult uit Uzelve beseffen, dat
datgene, wat rein is en uit de natuur (het koren, dat groeit uit de aarde, de vruchten, die de
aarde voortbrengt) zuiverder en beter voor U is dan datgene, wat beweegt en leeft. In de oude
wet is U gezegd: Onthoud U van de vis, die geen schubben heeft. Onthoud U van het zwijn, en
onthoud U van vele dingen. Ik zeg U: Nergens zult gij U onthouden door dwang. Doch wie zich
beheerst en de genegenheid, die hij kent voor de Vader, weet te uiten tegenover al wat leeft in
de wereld, ook wanneer het klein en onbelangrijk leven is, die zal worden geopenbaard de
harmonie, die bestaat daar, waar de mens geen strijd veroorzaakt.
Dit is een zeer opvallende fraseologie. In de eerste plaats: een vrede, die heerst, waar de
mens geen strijd veroorzaakt. Toch weten wij, dat in de natuur strijd noodzakelijk is, omdat de
prooidieren azen op andere. Klaarblijkelijk is dit dus in het oog van Johannes geen strijd. Ik
vermoed dan ook, dat strijd - ofschoon het woord uitdrukkelijk zo word geschreven - eerder
moet worden geïnterpreteerd als haat. Johannes is en blijft de apostel van de liefde en de haat
schijnt wel datgene te zijn, wat hij het meest verafschuwt. Waar zonder haat van dier tegen
mens of mens tegen dier men tezamen kan gaan, daar voltrekt zich de wet der natuur, en is er
geen reden om tot verzet te komen. De voeding moet aangepast zijn daaraan. Er mag niet
gejaagd worden, tenzij a.h.w. in een eerlijke strijd. Geen hetzijnde jacht, geen onrecht, dat
het dier wordt aangedaan door de sterkere of slimmere mens. Toch mag de mens het dier wel
als voeding gebruiken. De voorkeur wordt echter gegeven aan plantaardige voeding, omdat
klaarblijkelijk het bewustzijn van de planten een ander is dan dat van het dier en minder een
zelfbehoud nastreeft, doch slechts een ervaren kent. Een opvallend punt.
Dan is er nog een aardig ding: Er is een lezing geweest voor een aantal monniken, die men
tegenwoordig waarschijnlijk yogi’s zou noemen. Helaas is ze voor zover ik weet nergens
vastgelegd behalve in een kleine omschrijving van Atana Susandra, een monnik, die alleen
overleveringen heeft moeten neerschrijven, waar hij zelf leefde in ongeveer 150 van de
christelijke jaartelling. Voor zover wij echter deze redevoering kunnen nagaan, vertelt
Johannes hier over Jezus het volgende:
"Onze Meester is de kracht, die met allen wil gaan. Zo wie met hem wil gaan, zal eenheid met
hem vinden." Een vaststelling, waarbij hij duidelijk wil maken, dat niet alleen het Niet, dat in
de filosofie van die dagen een grote rol speelde, bestaat, maar dat er ook nog een Jezus is. En
dat Jezus in de plaats kan treden van het Niet. Dus i.p.v. de onpersoonlijkheid van een ledige
wereld de persoonlijkheid van Jezus als band met nog weer hoger bewustzijn.
"Indien gij U beheerst en nadenkt in Uw stilte om te bereiken en te genezen, zo zeg ik U: Wie
gelooft in Jezus en door hem gelooft in God, geneest ook zonder het vele, dat gij daarvoor
geeft. Wie ziet naar de hemel, ziet een betere tempel dan gij kunt bouwen. Wie leest in de
bloemen en de bomen, leest grotere wijsheid dan er schuilt in Uw boeken. Want ik zeg U, de

ZII 580413 – NIET OPGETEKENDE WAARHEDEN UIT DE EVANGELIËN 3
Orde der Verdraagzamen

werkelijke kracht is de levende adem; de levende adem, die ons allen beroert en die in Jezus
zijn uiting heeft gevonden. Zoals onze Meester was de uiting van de levende adem, zo is al
rond ons het leven zelve, de adem des levens. En hierin ons dompelende zijn wij een met alle
kracht, die bestaat en volbrengen uit die kracht al, wat volgens die kracht is toegelaten."
Het betoog gaat nog een heel eind verder en komt dan ten slotte hierop neer, dat Johannes
deze Boeddhisten iets aanraadt. Niet om Christen te worden, hij is te veel Christen om een
ander daartoe op te wekken. Hij is net als Jezus van de overtuiging, dat ze zelf moeten komen,
maar dat men ze niet mag roepen, niet mag dwingen. Men mag hen slechts dwingen - en dat
is dan ook meteen een zin, waar hier op aarde ook nog wel eventjes een misinterpretatie van
bestaat - om in te gaan. Dat wil zeggen, men mag de omstandigheden rond de mens zo
scheppen, dat hij één wordt met het Scheppend Vermogen. Dit berust echter niet op stellingen
of leer.
Hij vertelt hun dan heel rustig, hoe alles rond hen kracht is en gebruikt daarbij ten dele hun
eigen termen. Daarna vraagt hij hun wat ze geloven en maakt de ietwat scherper klinkende
opmerking - zeker in de mond van de zachte Johannes -: "Indien gij gelooft in het Niets, wat
streeft gij? Want het Niets zal U te allen tijde geworden. Doch zo gij gelooft, dat hetgeen gij
Niets noemt, een kracht is, die gij niet kent, dan raad ik U: Aanvaard de kracht en tracht niet
haar omschrijving voor Uzelf terug te brengen tot Niets. Want het leven is vol van krachten; is
vol van mogelijkheden, waarin de Schepper Zich aan U openbaart. Verwerp dan niet de
Schepper, omdat gij Hem niet begrijpt, maar aanvaard de uitingen van Zijn wezen te allen
tijde. Hierin zult gij vinden wat gij zoekt."
Ik leg de nadruk op die laatste zinsnede. Zoals ge weet, zoeken deze monniken en deze yogi’s
heel vaak door meditatie en andere oefeningen te komen tot een eenheid met het heelal. Zij
zoeken te komen tot een beheersing van de krachten van het Al. Johannes wijst hen erop, dat
men langs de zeer eenvoudige weg, die Jezus heeft getoond, ditzelfde bereiken kan. En dat
men dan helemaal niet voor de vraag staat: "Ik heb voor mijzelf nu de wereld ledig gemaakt,
zo zal ik haar nu vullen met mijn schepping," maar dat men het zijnde zonder meer
aanvaarden kan. En in deze aanvaarding kan men de volledige bewustwording ondergaan.
Ik heb dit alles naar voren gebracht om ook voor U een paar punten duidelijk te maken. U
weet allemaal, dat het erg moeilijk is te leven, zoals andere Christenen verwachten dat je
leeft. Maar het is misschien minder moeilijk om te leven volgens je beste weten. Indien je
erkent waar je fouten maakt, dan zul je door het voortdurend erkennen van die fouten op de
duur jezelf kunnen corrigeren. Wanneer je voortdurend tracht de gunstigst mogelijke condities
te vinden voor jezelf en dus ook voor al, wat je in de wereld betekenen kunt, dan zul je met
een houding, die aangepast is aan jouw wezen, met een wijze van denken en leven, die
aangepast is aan jouw wezen, toch Jezus weg kunnen volgen. Dan zul je tot bewustzijn
kunnen komen.
Wat Jezus de wereld heeft gegeven en wat ook Johannes in het oosten heel sterk heeft
verkondigd, is niet - is uitdrukkelijk niet, vrienden - een leer van strijd en somberheid alleen.
Het is een vreugdige leer, die ons telkenmale weer toont, hoeveel er van ons zelf kan
afhangen. Ons worden a.h.w. alle middelen gegeven. We hebben alles wat nodig is om te
komen tot een innerlijke vrede, tot een eenheid met de Vader, tot het Koninkrijk Gods. Het
enige bezwaar, dat we hier geopperd vinden, is dit: Wie de menselijke wetten en begrippen,
de menselijke gedachten, de religieuze dogmata stelt voor de werkelijke beleving van het
Christendom in zich, zal nooit het einddoel bereiken. Voor die blijft de strijd. Wie echter kan
komen tot een zien van God in al en het vinden van Jezus’ liefde ook, die toch juist uitgaande
naar al het geschapene daardoor één was met de Vader, die kan Jezus’ kracht verwerven. En
Jezus kracht was: de wereld te reinigen, dus het kwade a.h.w. te absorberen en om te zetten
in goed; het demonische af te stoten, indien het hem niet aanvaarden kon en zo genezing te
brengen aan de wereld, zo een nieuw bewustzijn te scheppen voor stof en voor geest.
Jezus leer zelve impliceert, dat wij precies hetzelfde kunnen volbrengen. Er is geen enkele
reden om aan te nemen, dat dit voor enkelingen is weggelegd. Elke mens, elke geest zal ten
enenmale dit kunnen bereiken, ook wanneer de tijd, waarop dit bereikt is, afhankelijk zal zijn
van eigen bewustzijn, eigen wijze van wereldbeleving. Indien U dit beseft, dan zal veel in Uw
leven misschien nog prettiger en nog gemakkelijker gaan. Indien U zich dit realiseert - dat God
in alle dingen is en dat het je aanpassen aan wat je voelt als Gods wet het belangrijkste is in
een bestaan - dan zul je daardoor ongetwijfeld ook de vreugdige bewustwording kunnen
4 ZII 580413 – NIET OPGETEKENDE WAARHEDEN UIT DE EVANGELIËN
© Orde der Verdraagzamen Zondagochtendkring

ervaren, die voor óns betekent de opgang in lichte sferen, voor U de innerlijke vrede en de
zekerheid van een hiernamaals in licht, in vreugde.
En hiermede, vrienden, wil ik voor vandaag eindigen, ofschoon ik een volgende maal eigenlijk
gaarne nog eens op enkele van deze punten zou terugkomen. Ik wens U verder allen een
aangename zondag.
o-o-o-o-o
Goeden morgen, vrienden,
Het is altijd weer op zondag een zekere moeilijkheid om uit te vinden, wat je precies zou
kunnen zeggen en hoe je het precies moet zeggen. En eigenaardig genoeg schijnt men juist
ons, die met die woorden wel eens een beetje last hebben, juist altijd op de tweede plaats te
zetten. Nu kan ik me ongetwijfeld niet beklagen over de rangvolgorde. Ik beklaag me alleen
over het feit, dat het mij zo moeilijk valt om zonder illustrerend materiaal uit te drukken wat ik
bedoel. En daarom zal ik dan toch maar trachten om de illustratie te gebruiken. Misschien dat
U dan uit het verhaal duidelijk wordt, wat ik eigenlijk te zeggen heb.
Er was een dwerg. Een dwerg, die zo klein was, dat hij als general Tom Thumb (de generaal
Klein Duimpje) wereldfaam verwierf. Ongetwijfeld meer dank zij het reclametalent van de Heer
Barnum dan door eigen verdienste. Nu was deze kleine Tom op een gegeven ogenblik al dat
showwerk moe. Hij had er genoeg van om als curiositeit te dienen voor de mensen. Hij opende
een bar. En hij stond zelf achter de tapkast. Om nu toch in staat te zijn die tapkast te
bedienen, had hij een hele stellage laten bouwen. Dus wanneer je hem eerst beneden had zien
lopen, zag je hem plotseling schijnbaar groeien, totdat hij daar met zijn kleine hoofd en
handen op bijna dezelfde hoogte stond als een normaal mens. Dit is eigenlijk allemaal
inleiding. Maar het verhaaltje, dat ik U vertellen wil, hangt wel daarmee samen.
Deze Klein Duimpje - zoals we hem kunnen noemen - was eens een keer in zijn lokaal zelf aan
het wandelen, zodat er niemand achter de tapkast was, toen er een reus van een kerel
binnenstapte. En deze reus van een kerel - ziende wat voor een kastelein hij daar voor zich
had - begon wat te lachten, tapte zichzelf een groot glas bier en begon te drinken. Toen hij
echter de gelegenheid wilde verlaten zonder te betalen, rende Tom Thumb, naar boven toe op
zijn stellage en begon met zijn ijle kinderstemmetje te schreeuwen: "He, meester, je moet nog
betalen." De grote kerel draaide zich om en zei: “Wat wil je eigenlijk?" En wilde waardig de
deur uitgaan, toen hij net een fles tegen zijn achterhoofd kreeg, die het pleit besliste. Toen hij
bijkwam, had Klein Duimpje uit zijn zak al wat hem toekwam verwijderd en had zelfs de
schade van de kapot gegooide fles betaald. Dus hij kwam niets meer tekort. Die grote man
was wel wat verbaasd. Maar ja, die Tom Thumb was een beetje een attractie, hij had een hele
hoop vrienden, die daarbij zaten, en dus werd de man naar buiten geleid. Maar ze vroegen
zich allemaal af, hoe die kleine dat toch had klaargespeeld om die hele grote vent zo maar
even bewusteloos te gooien. En hoe hij dan nog de moed had gehad om diens beurs te nemen
en daaruit het hem toekomende te halen. Tom Thumb gaf het volgende antwoord:
"Ik weet, dat ik klein ben. En per slot van rekening kan ik tegen een groot mens zelf niets
doen. Maar ik heb ontdekt, dat wanneer ik iets naar een groot mens toegooi, hij daar evenveel
last van heeft als wanneer ik een grote vent geweest zou zijn. Dus heb ik mij geoefend om
datgene, wat ik nog hanteren kan, zo te werpen, dat zelfs de grootsten er niet van af komen.
En daaraan dank ik een deel van mijn succes als waard."
Nu begint het misschien heel erg somber voor mij te worden, want ik heb zo’n idee, dat U nog
niet begrijpt waar ik naartoe wil. Toch is het eigenlijk heel logisch. Per slot van rekening wat
zijn wij eigenlijk?
Zijn wij niet in geestelijk opzicht ook een soort Klein Duimpjes? We beginnen pas. We zijn nu
wel mens of geest, maar we moeten voor onszelf toch ook ergens een punt vinden, waar wij
het kunnen opnemen tegen de grote wereld, tegen de grote krachten van kwaad. En desnoods
ook tegen de grote krachten van goed, dat we daar contact mee kunnen krijgen. Nu zijn de
meesten van ons zo, die willen zich uitrekken. Die willen maar groeien, groeien, groeien, en
hoger worden en die stellen zich voor: Wanneer ik precies zo groot ben als een ander, dan zal
ik eens even.... Maar ze vergeten één ding. De geestelijke kleinheid mag haar nadeel hebben,
ze heeft soms ook haar voordeel.

ZII 580413 – NIET OPGETEKENDE WAARHEDEN UIT DE EVANGELIËN 5
Orde der Verdraagzamen

Per slot van rekening we kunnen voor onszelf niet bepalen, dat we groot worden. Die generaal
Tom Thumb had ook wel een grote vent willen zijn. Daar droomde hij soms van. Maar hij was
het niet. Wij kunnen ervan dromen, dat we eens geestelijk groot en vrij en licht zijn. Maar op
het ogenblik zijn we dat niet. Dan kunnen we wel blijven dromen, maar het is misschien
verstandiger, dat we leren om voorzorgen te treffen. En voorzorgen treffen deed Tom Thumb
door te leren hoe hij met een fles moest gooien. Ik geloof, dat het voor ons betekent; leren
hoe wij de gewone geestelijke krachten, die we rond ons kennen, de eenvoudige dingen van
alle dag zoals b.v. een gebed, eventueel een zegen of een vervloeking, hoe we die kunnen
hanteren.
Het klinkt misschien gek, maar met die dingen, die zo onbetekenend alledaags en soms zo
leeg lijken, kun je misschien net zoveel bereiken als die kleine man tegen die grote man. Want
we hebben heel vaak vlak bij ons, zonder dat we het weten, het machtigste wapen, dat er
bestaat. Dat moet ik U ook weer duidelijk maken. En dat is dan een legende eigenlijk. Het
vorige was een anekdote.
Daar was eens een oude fakir, ergens in Brits-Indië (hij woonde in de buurt van Anapur), die
door een vorst werd uitgenodigd om voor hem het machtigste wapen in de wereld te zoeken.
Deze fakir nam dat aan. Het was een grote eer en hij ging dus op stap. Overal zocht hij. Hier
vond hij bijzondere zwaarden, daar dolken, ja, werktuigen. Hij hoorde zelfs van het kruit, dat
de Chinezen hadden uitgevonden. Maar overal, waar hij kwam, schudde hij "neen" en ging
weer verder. Eindelijk had hij het gevonden. Dus ging hij met veel waardigheid terug naar de
vorst, boog en zei: "Vorst, ik heb het machtigste wapen in de wereld gevonden." "Zo," zei de
vorst, "laat je bedienden het dan maar binnen brengen, dan zal ik eens tonen hoe machtig ik
wel ben." "Ja," zei de fakir, "dat is nu juist heel erg moeilijk, want ik draag het machtigste
wapen van de wereld in m’n hoofd; het is de gedachte."
De Koning werd daar heel erg boos over. Zo boos, dat hij onmiddellijk in zijn handen klapte en
een stelletje beulen liet komen. Er kwam een grote beul met een zwaard. Er kwam een ander
met een grote driepoot en een derde met een ring met allemaal stekels, waarin men je vast
kan knijpen. Gezamenlijk gingen ze aan het werk. Maar het gekke was, die fakir vertikte het
om dood te gaan. Hij ging niet dood, hij bloedde niet, hij stond er gewoon in meditatie. De
vorst werd zo woest, dat hij zei: "Sla hem zijn hoofd af." Maar het hoofd bleef staan. Het
zwaard ging er doorheen. U begrijpt wel, dat die vorst toen heel erg ongerust begon te
worden. Maar hij was een moedig vorst en zei tegen die beulen: "Weg!" Hij trok zijn eigen,
mooie zwaard en stak het door de man heen. Toen begon het te donderen en te bliksemen. Ja,
wat moest hij nu doen? Hij viel tenslotte maar op zijn knieën, want hij voelde er toch niets
voor om daar nu eventjes door de bliksem uit z’n heerlijk paleis te worden gehaald en wie
weet waar terecht te komen. Dus hij knielde en zei tegen die fakirs "Heer, ik erken dat gij de
machtigste zijt. U heeft de grootste macht. Maar zeg me nu: Wat is dan dat wapen?" Toen
begon de fakir heel zacht te lachten en zei: "Het grootste wapen, dat er bestaat, is: ken jezelf
en gebruik de krachten, die je bezit." De radja snapte er niets van. U begrijpt wel, dat die
vorst daar heel lang over heeft nagedacht. Hij durfde eigenlijk de fakir niet aan. Dat ene
onweersbuitje had hem in de war gebracht.
Toen kwam er een oorlog. De radja had die oorlog niet gemaakt. Hij ging naar de fakir toe en
zei; "Leer me dat machtige wapen gebruiken." "Dat is goed," zei de fakir. "Dat wapen ben je
zelf. Wat hebben die anderen aan legers, dat jij niet hebt?" De radja vertelde dat. Toen zei de
fakir; "Welke terreinscondities zijn er hier in jouw land, die elders niet zo bestaan?" Dat waren
er ook een paar. "Wel," zei de fakir, "dan is het heel eenvoudig. Je kent nu jezelf, gebruik nu
de krachten, die je hebt. Gebruik de wapens, die de anderen niet kennen. Gebruik de troepen,
die bij de anderen zo niet bestaan en vecht bij voorkeur op die plaatsen, waar de anderen niet
gewend zijn te vechten, omdat zij ze thuis niet kennen," Het resultaat was, dat de radja
overwon. Ofschoon hij de zwakkere was, overwon hij. Maar toen hij het land van de anderen
wilde binnenrukken, kwam de fakir en waarschuwde hem. Hij zeide: "Bedenk, Heer, thans
geeft gij de macht in handen van anderen. Want het machtigste wapen behoort aan hem, die
vecht voor zijn eigen rechten; aan hem, die vecht op zijn terrein, nooit anderen schadende,
maar zoekende naar rechtvaardiging voor zichzelf."
Ja, dat is het verhaaltje. En nu begrijpt U misschien wel, wat ik daarmee wil zeggen. Wij
hebben het machtigste wapen ook in handen. En we kunnen het leren hanteren, wanneer we
vooral maar de kunst verstaan om van ons uit met een zekere zelfkennis te werken in de

6 ZII 580413 – NIET OPGETEKENDE WAARHEDEN UIT DE EVANGELIËN
© Orde der Verdraagzamen Zondagochtendkring

wereld. Wij hebben toch Gods kracht gekregen, we hebben de leer van Jezus, we hebben van
alles en nog wat. Maar hoe leeft dat bij ons van binnen? We hebhen er niets aan, wanneer de
dominee dat ons vertelt, nietwaar. Wat leeft er hij ons? Hoe gevoelen wij het Christendom?
Hoe ervaren wij het religieuze van binnen? Hoe is ons geloof in werkelijkheid? Waar falen wij
tegenover de buitenwereld? Waar hebben we mogelijkheden? Als we dat weten, kunnen we
zolang we blijven binnen ons eigen leven tegenover die buitenwereld alles bereiken wat
noodzakelijk is. Dan zijn we de sterkere. En de sterkere zijn betekent aan de ene kant een
grote verantwoording, maar aan de andere kant toch ook wel een grote vreugde. Want je kunt
er zoveel mee doen. Je kunt zoveel voor jezelf bereiken.
Het doet me denken aan een oude Christuslegende. U heeft ongetwijfeld allemaal wel eens
gehoord van St. Christoforus. Dit zijn de Christoforuslegenden, die in wat noordelijker gebied
en wel bij voorkeur in het noorden van Italië spelen, in sommige gevallen zelfs in het Duitse
terrein. Het zijn dus noordelijke legenden. Nu werd er verteld dat Christoforus een man was,
die eigenlijk de voorloper was van het veerpontje. En dat nog wel te voet, want hij zette de
mensen op zijn schouders en droeg hen zo over de stroom heen. Tot op een gegeven ogenblik
het kind Jezus bij hem terecht kwam. Hij was nog goed genoeg om het kind voor niets over te
zetten ook. Maar toen hij in het midden was, kreeg hij het wel erg te kwaad, want dat kind
was zo verschrikkelijk zwaar, dat hij bijna door de vloer heen zakte. Hij heeft met zuchten en
steunen dan nog net de andere kant gehaald en toen bleek, dat hij de hele wereld gedragen
had. Als hij het had geweten, was hij zeker in elkaar gezakt. Vanaf dat ogenblik noemde hij
zich de Christusdrager en probeerde hij dus de christelijke leer te verkondigen.
Toen kwam er op een gegeven ogenblik iemand bij hem, die zei: "Hoor eens, Christoforus, ik
heb geen behoefte aan jou als predikant, maar ik moet wel over de rivier heen." Toen begon
die grote Christoforus te lachen en zei: "U hebt het zelf gevraagd, heer (het was een
edelman), klim maar op m ’n schouders; En daar ging die grote vent. Hij nam z’n stok in de
hand en ging door de stroom heen. En toen hij precies in het midden was, zei hij: "Heer, nu
moet U me een antwoord geven: gelooft U in Jezus?" "Ja," zei die grote heer. Christoforus
schudde eens met zijn machtige schouders en daar lag die grote heer in het water. En
onmiddellijk zei Christoforus er achteraan: "Ik doop U in de naam van de Vader, de Zoon en de
Heilige Geest." Toen hees hij hem weer op zijn schouders.
De edelman was toch wel een beetje gechoqueerd. Toen hij nat aan de andere kant kwam
vroeg hij: "Kerel, waarom heb je dat nou gedaan?" ."Och, meester," zei Christoforus, U wilde
over de vloed gedragen worden en dat is gebeurd. Ik wilde U gaarne tot het Christendom
bekeren. Ook dat is gebeurd. Want uit angst hebt ge in de stroom gezegd, dat ge in Jezus
geloofde. Ik heb U gedoopt. Nu kunt U niet meer terug." "Een gemene streek, Christoforus,"
zei de edelman. En hij heeft een hele tijd op wraak gezonnen. Eindelijk had hij het voor elkaar.
Hij nodigde Christoforus uit om zijn gezin (dus zijn huishouding) ook te bekeren. Hij had bier
laten maken en worst; enfin, U snapt al in welk land het speelde. Hij had daar hele bergen
warme maaltijden, gebraden reeën, mede, wijnen zelfs. En hij zei tot Christoforus; "Eet nou
eerst en dan mag je Christenen maken."
U weet, grote mensen lusten nogal wat; en Christoforus had op een gegeven ogenblik bijna
net zoveel vochtigheid van binnen, als hij in jaren lang aan de buitenkant gevoeld had.
Daardoor was hij niet meer helemaal zuiver. "Ha," dacht de edelman, "nu krijg ik je." Hij zei:
"Christoforus, geloof jij eigenlijk in Jezus?" "Ja," zei Christoforus. "Als Jezus je nou zegt, dat je
hier van de toren af moet springen, doe je dat dan?" "Natuurlijk," zei Christoforus. Nu, dat was
wat voor die edelman, want hij had daar boven in een klein vertrekje een bediende staan. En
die riep heel plechtig naar beneden; "Christoforus, ik ben de Heer Jezus. Christoforus, spring
van de toren." Ja, Christoforus voelde dat niet helemaal als zuiver, maar hij kon niet bewijzen,
dat het een ander was. Hij dacht: Wat moet ik nu doen? Toen riep hij terug: "Heer, mag ik van
die toren springen, zoals ik wil?" de bediende had geen instructies, dus die dacht; Wat moet ik
doen? Hij zei "Zeker, Christoforus." Waarop Christoforus naar beneden liep tot grote verbazing
van allen van de hofhouding. En hij klom aan de buitenkant zo’n beetje omhoog (je had van
die steunijzers ingemetseld in zo’n toren) en hij zag kans. zich daaraan vast te klampen. Toen
hij nu zo’n vijf voet boven de grond was, riep hij met z’n ietwat hees geworden en ietwat
bedronken stem: "Here, daar spring ik." En hij sprong naar beneden. Toen kwam hij bij de
edelman terug, die zei: "Ja,maar man, wat doe je nou? Je zegt, dat je in Jezus gelooft en dat

ZII 580413 – NIET OPGETEKENDE WAARHEDEN UIT DE EVANGELIËN 7
Orde der Verdraagzamen

je van de toren afspringt." "Zeker," zei Christoforus, "en als hij nu had gezegd van boven af
dan had ik het misschien nog gedaan ook. Maar wanneer mij niet wordt gezegd, dat ik van
boven moet springen, dan ken ik mezelf goed genoeg om te weten, dat ik van bovenaf toch de
kans loop om mijn nek te breken, omdat ik nog niet genoeg geloof. En dan kies ik de veiligste
weg.
Kijk, dat heb ik U nu er achteraan verteld om nog het laatste puntje van mijn betoog duidelijk
te maken. Natuurlijk, we hebben allen geloof nodig. Zonder geloof speel je het niet klaar. En
we moeten dat machtigste wapen - de zelfkennis, de kennis ,over hetgeen ons ontbreekt en
hetgeen wij meer bezitten dan anderen - dat moeten we ook zelf weten te gebruiken. Maar we
weten voor onszelf wel, dat we tegenover de buitenwereld wel eens meer willen doen dan we
innerlijk in ons dragen. We weten best, dat we zo nu en dan meer willen opscheppen dan
gerechtvaardigd is. Net zoals die Christoforus. Toch kunnen we op z’n tijd het goede wel
degelijk gedaan hebben. Maar op zo’n ogenblik zijn we er niet toe in staat. En dan kunnen we
van die grote Christoforus één ding leren. Als er wordt gezegd: "Spring van de toren," dan kun
je dat op duizend manieren doen. Maar kies dan de manier, waarvan je zeker bent, dat je er
goed af komt. Stort je in avonturen, wanneer dit geestelijk noodzakelijk is. Maar - tenzij je
precies wordt gezegd hoe - kies een manier, waarin je zelf vertrouwen hebt. Want alleen de
mens, die zelf vertrouwen heeft in de wegen, die hij gaat, kan zeker zijn, dat hij het er wel
redelijk goed afbrengt. En dat had Christoforus begrepen. Nu hoop ik, dat ik met m ’n
verhaaltjes U niet heb verveeld. Ik weet, dat ze eigenlijk een beetje flauw zijn. Maar daar gaat
het niet om. Het gaat om hetgeen ze illustreren. En als U die les in Uw oren knoopt en die
aanplakt als een appendix aan hetgeen de eerste spreker heeft verteld, dan denk ik, dat U tot
een meer praktische praktijk daarvan kunt komen. En dat is wel erg belangrijk. Ik wens U
verder allemaal een prettige zondag.
o-o-o-o-o

BLOESEM
Een witte ruiker, aan de hemel nauw ontvallen, prijkt op het land en doet het wonder ons
beschouwen. De kracht, als nieuw bewustzijn in ons pas gerezen, doet ons de hemel kennen
en nieuwe dromen bouwen. Wij kennen nu plots heel het bestaan en zien de jaren langzaam
gaan zich rijend al aaneen; Een draak, die ons het Al verslindt en toch niet de kern van t
wezen vindt, waarin wij dromen en nog leven.
De tijden gaan voorbij. Wat eens ons werd gegeven als nieuw is oud geworden en heeft
zichzelf hernieuwd in ander wonderlijk bestaan. Men mag het jubileum noemen. Mij lijkt het
eerder, dat de waan van jaren langzaam slijpt en toont in ‘t "ik" een trouw beleven, dat
spiegelt reeds een eeuwigheid van zijn en streven.
Zo ligt de bloesem over ‘t land en toont ons reeds de nieuwe gaven, waarmee de zomer de
natuur zo dadelijk zal laven. Toch tekent ons de tijd het uur en is het feestelijk beleven
herinnering aan het oude bestaan, maar ook belofte weer van verder leven.
Zo laat ons dan in vreugde stil het eeuwige ondergaan; Een bloesem, op de boom ontbloeid,
met kus gevallen zacht ter aard’ uiteindelijk herrezen in de vrucht en ‘t volgend jaar herboren
in dezelfde aard. Want dit is leven,
Ongetwijfeld heb ik U teleurgesteld met mijn onvermogen om de Hollandse begrippen ook te
benaderen. Maar is het leven eigenlijk niet als de bloesem? Nu prijk je wit en wonder aan een
boom. Maar nauw heb je de zon geproefd of daar komt de wind en doet je vallen. Het is alsof
de droom van leven al voorbij is gegaan. Maar uit je leven kan de vrucht ontstaan. En komt de
winter, heeft de sneeuw de bloesem stil vervangen, zo leeft de aarde nog in vol en warm
verlangen naar lente. En ze herrijst, wanneer de zon weer stijgt ten hemel, de sneeuw
verdrijft, de koude doet gaan en de bloesem opnieuw op dezelfde tak, op dezelfde plaats doet
ontstaan. Zij toont in haar uiterlijk geen groei. En vergaat dan ook een lange tijd, de bloesem
blijft zichzelf gelijk: Herboren steeds, steeds schenkend vrucht als een symbool van
eeuwigheid.
Dit is voor mij de gedachte aan een jubileum. Voor mij ook het begrip van de betekenis van
het leven. Leven is niets anders dan bloeien, en ondergaan, vruchtdragen en bloeien... .en
ondergaan. En toch altijd leven. Wat is een jubileum anders dan de omschrijving van een tijd,
dat de bloesem op de boom heeft gestaan en een vreugde is geweest voor anderen? Ze zal

8 ZII 580413 – NIET OPGETEKENDE WAARHEDEN UIT DE EVANGELIËN
© Orde der Verdraagzamen Zondagochtendkring

vallen, maar gaat niet te gronde. Zij rijst hernieuwd, volbrengt haar taak en is een vreugde
voor het Al, zoals ze altijd was.
Met deze kleine verklaring van wat ik tracht U te zeggen, hoop ik U bewezen te hebben, dat
Jubileum en Begrip twee dingen zijn, die als woord misschien niet zo schijnen te passen, maar
die steeds weer in verband staan met hetzelfde: het leven, de krachten van het leven en de
eeuwigheid, waarin wij steeds herboren worden.
Nu wens ik U allen - met nederige excuses, wanneer ik gefaald zou hebben - een zeer
genoeglijke, een zeer hoge zondag, aangepast aan de waardige begrippen, die in Uw
persoonlijkheden leven. Dat deze dag U vreugde zij. Goeden morgen.

ZII 580413 – NIET OPGETEKENDE WAARHEDEN UIT DE EVANGELIËN 9