You are on page 1of 18

Leervraag wereldoriëntatie

Verrijking met ICT

Cyclus van Kolb
Leervraag Wereldoriëntatie – gekoppeld aan ICT

Inhoudsopgave

H1 Inleiding pagina 3
1.1 Inleiding pagina 3
1.2 Leervraag pagina 3
1.3 Competenties pagina 3
1.4 Beroepsrollen pagina 4

H2 Bronnen pagina 4
2.1 Belang van kaartlezen pagina 4
2.2 Vier perspectieven pagina 4
2.3 Soorten plattegronden pagina 5
2.4 Vaardigheden kaartlezen pagina 5
2.5 Aanvankelijk kaartlezen pagina 5
2.6 De opbouw van het aanvankelijke kaartlezen pagina 6
2.7 Geografische vierslag pagina 6
2.8 Kaarten bewerken pagina 6
2.9 Google Earth pagina 7
2.10 ICT en onderwijs pagina 7

H3 Plan van aanpak pagina 8
3.1 Planning pagina 8
3.2 Plan van aanpak pagina 8
3.3 Praktijk pagina 10

H4 Meerwaarde pagina 11
4.1 Wat het mij heeft opgeleverd? pagina 11
4.2 Wat heeft het de kinderen opgeleverd? pagina 12
4.3 Wat heeft het werken aan de leervraag opgeleverd voor mijn werkconcept? pagina 12

H5 Conclusie pagina 12
5.1 Leervraag pagina 12
5.2 Antwoord op de leervraag pagina 12
5.3 Eventuele verdere verdieping in de beroepssituatie pagina 14

H6 Bronnenlijst pagina 15

H7 Bijlagen pagina 18

Feedbackformulier pagina 19

2
H1 Aanleiding
1.1 Aanleiding van mijn leervraag
Op mijn stageschool is ICT nog niet echt geïntegreerd in het onderwijs. In iedere lokaal staan
twee computers. De leerkracht bepaalt bij welke vakgebieden de computer ingezet wordt. In
mijn groep is dat altijd bij dezelfde vakken; lezen, spelling, soms bij rekenen en bij het
werkstukje voor plaatjes. ICT begint een steeds grotere rol te spelen binnen het onderwijs.
De maatschappij verandert, er wordt steeds meer met computers gewerkt. Scholen moeten
mee veranderen zodat kinderen, als ze van school afkomen, goed kunnen functioneren in de
maatschappij.

De zaakvakken worden op onze school alleen uit de methode gegeven. Er wordt geen
gebruik gemaakt van software of internet. Er wordt alleen met het boek gewerkt. Ik denk dat
aardrijkskunde veel interessanter, inspirerender en betekenisvoller kan worden dan het nu is.
Dit vind ik een goede aanleiding om ICT te koppelen aan wereldoriëntatie.

1.2 Leervraag
Leervraag:
Hoe kan ik de aardrijkskundelessen, van hoofdstuk 1 “De kaart” en hoofdstuk 2 “Wonen”
van de methode “Hier en Daar”, verrijken door middel van ICT?
Deelvragen:
- Wat voor soorten plattegronden zijn er?
- Waarom is het zo belangrijk dat je kaart kunt lezen?
- Wat komt er aan de orde in groep 5? Wat moeten de kinderen kunnen?
- Wat houdt de geografische vierslag in?
- Wat kan ik met Google Earth doen in groep 5?
- Wat zijn de mogelijkheden in de school hiervoor?

1.3 Competenties
Mijn leervraag sluit bij de volgende competentiekernen aan:
Competentie 2.1:
• Kinderen de mogelijkheid biedt zelfstandig samen te werken en te leren.
• De kinderen stimuleert om op verantwoorde wijze deel te nemen aan de
democratisch, multiculturele, multireligieuze en digitale samenleving waarin zij leven.
Competentie 3.1:
• Bij het uitvoeren van lessen/ leeractiviteiten rekening houdt met de beginsituatie van
leerlingen.
Competentie 3.2:
• Voor het bereiken van lesdoelen en het bevorderen van de betrokkenheid van
leerlingen, verschillende didactische werkvormen en middelen inzet (waaronder ICT)
die coöperatief en constructivistisch leren uitlokken.
• De leerstof betekenis geeft door aan te sluiten bij en rekening te houden met de
belevingswereld, de leefomgeving, de (sociaal-) culturele en levensbeschouwelijke
context van de leerlingen en de actualiteit.
• Betekenisvolle activiteiten ontwerpt door vanuit verschillende vakken en leergebieden
leerinhouden te kiezen en deze geïntegreerd te laten verwerken.
Competentie 3.3:
• In zijn onderwijs samenwerken en zelfstandig leren structureel mogelijk maakt
ondermeer door het inzetten van digitale mogelijkheden.
Competentie 4.1:
• Een krachtige leeromgeving inricht, middelen erken en zelfstandig leren structureel
mogelijk maakt.

3
1.4 Beroepsrollen
De kennisoverdrager:
Ik ga de kinderen mijn kennisoverdrager over het ICT-gebruik. Ik breng de kinderen ICT-
vaardigheden bij. Ook bij de wereldoriënterende vakken breng ik mijn kennis over.
De medeopvoeder:
De kinderen gaan samen- en zelfstandig werken. Dit zal niet altijd vanzelf gaan. Ik moet de
kinderen hierbij begeleiden en sturen.
De onderzoeker:
Een leerkracht moet openstaan voor wat er bij de kinderen leeft. Ik sluit me aan bij hun
betrokkenheid en probeer de kinderen te stimuleren bij de opdrachten. Ik laat de kinderen
ook lekker zelf aan de slag gaan; de kinderen gaan zelf aan de slag met Paint. Ze
onderzoeken en ontdekken ook zelf mogelijkheden in het programma.
De wereldburger:
Een leerkracht moet weten wat er speelt in de wereld. Juist bij de wereldoriënterende vakken
is dit van belang. Ik ga me verdiepen in de verschillende onderwerpen en draag dit over aan
de kinderen. Ik laat de kinderen ook filmpjes zien van andere landen. Ze leren hoe de
mensen daar leven en zien hoe het er daar uitziet.
De inspirator:
Ik zet mijn eigen kennis en levenservaring in bij deze vakken. Ik probeer hiermee een
aanvulling te geven op de geschreven informatie uit de methode. Ik probeer me aan te
sluiten bij de dingen die er leven bij de kinderen om de betrokkenheid te verhogen.

H2 Bronnen
Ik ga de volgende bronnen gebruiken:
• Gesprek met collega’s over ICT-gebruik bij wereldoriëntatie;
• Praktijkboek aardrijkskunde (Jos Blokhuis);
• De aardrijkskundemethode op school. Welke onderwerpen komen er binnenkort aan
de orde waarbij ik ICT aan kan laten sluiten?;
• Internet;
• Boeken zoeken in het Studielandschap.

2.1 Belang van kaartlezen
Volgens J. Blokhuis e.a.: Door een steeds complexere inrichting van met name stedelijke
gebieden en de toenemende mobiliteit, wordt het steeds belangrijker dat men zich ruimtelijk
kan oriënteren, zowel in de werkelijkheid (in het ‘veld’) als op de kaart. Kaartlezen als
onderdeel van ruimtelijke oriëntatie wordt steeds vaker gezien als een vorm van sociale
redzaamheid: zonder de hulp van derden zich kunnen oriënteren in een onbekende
omgeving.1

Koppeling theorie en praktijk:
De methode besteedt nu veel aandacht aan kaartlezen. In iedere les komt er een kaartje
voor waarvan ze dingen moeten aflezen. Ik probeer het kaartlezen steeds terug te koppelen
naar een bekende omgeving (een plattegrond van de stad waarin de school staat). Het
kaartlezen krijgt betekenis en wordt herkenbaar.

2.2 Vier perspectieven
Om de overgang van de driedimensionale werkelijkheid naar een tweedimensionale kaart of
plattegrond te begrijpen, moet men zich een heldere voorstelling van de volgende vier
perspectieven en hun specifieke kenmerken kunnen maken:
1. Grondperspectief: grondfoto;
Op een grondfoto kun je hoogteverschillen perfect waarnemen, maar er is absoluut geen

1
J. Blokhuis e.a. (2001), Bronnenboek p.22

4
overzicht van de totale plaats. Je ziet bijvoorbeeld alleen een koepel van een kerk boven de
bomen uitsteken.
2. Vogelvluchtperspectief: panoramafoto;
Vanuit dit perspectief is er al veel meer overzicht van bijvoorbeeld een stad. Niet alleen de
kerk met de koepel is te zien, maar ook zijstraten, huizen en andere gebouwen zijn waar te
nemen. Je kunt nog steeds hoogteverschillen tussen de verschillende panden waarnemen.
3. Loodrechtperspectief: luchtfoto of loodrecht-opname;
Vanuit dit perspectief is er een perfect overzicht van een stad. De structuur van de gehele
stad wordt duidelijk: bijvoorbeeld het stratenpatroon, ontsluitingswegen. De
hoogteverschillen zijn verdwenen. De elementen lijken allemaal even hoog.
4. Topografische kaart.
Van meerdere luchtfoto’s die van een gebied zijn gemaakt vanuit het loodrechtperspectief
worden bij de Topografische Dienst in Emmen topografische kaarten gemaakt.
Zo’n topografische kaart geeft een algemeen en meetkundig zo zuiver mogelijk overzicht van
een gebied. Op een topografische kaart worden bijvoorbeeld wegen, bodemgebruik en
bebouwing zo exact mogelijk op schaal weergegeven. De topografische kaarten zijn door de
grote hoeveelheid informatie die ze bevatten, voorzien van omvangrijke en gedetailleerde
legenda’s of verklaringen.

2.3 Soorten plattegronden
We onderscheiden twee soorten grootschalige kaarten of plattegronden:
1. Overzichtsplattegronden;
2. Thematische plattegronden.

Overzichtsplattegronden
Overzichtsplattegronden geven een zo compleet mogelijk beeld van ruimtelijke elementen
die in grootte variëren van een enkel object (kamer, klaslokaal, huis of schoolgebouw: vaak
schaal 1:50 of schaal 1:100)tot een complete woonplaats (Amsterdam: schaal 1:25 000).

Thematische plattegronden
Thematische plattegronden geven een beperkt overzicht, maar juist een goed beeld van één
of meer thema’s: van een complex gebouw worden bijvoorbeeld alleen de publieksruimtes
en de loopruimtes aangegeven; van een pretpark of een dierentuin worden alleen de
attracties en de horecagelegenheden aangegeven; van een grote stad worden alleen de
openbaar vervoerlijnen – bus, tram en/of metro – aangegeven.“ 2

2.4 Vaardigheden kaartlezen
De vaardigheden: voorbereiden, aanvankelijk en voortgezet kaartlezen zijn zeer essentieel
voor de aardrijkskundige ontwikkeling van kinderen. Uit onderzoek is gebleken dat ruimtelijke
oriëntatie en kaartlezen al voor het tiende levensjaar tot de basisvaardigheden van het kind
moeten en kunnen behoren.
In groep 1 en 2 wordt meestal veel aandacht aan de ruimtelijke oriëntatie besteed, maar in
groep 3 en 4 is daar vaak geen vervolg op. Pas in groep 5 wordt de draad weer opgepakt in
de vorm van aanvankelijk kaartlezen. 3

2.5 Aanvankelijk kaartlezen
Het aanvankelijk kaartlezen beperkt zich tot die aspecten die nodig zijn om direct
waarneembare en afleesbare informatie uit een kaart of een plattegrond te halen:
Plattegrondbesef.

2
J. Blokhuis e.a. (2001), Aardrijkskunde en didactiek/ Bronnenboek
3
A. Jansen & H. Pronk (1993), Aardrijkskunde en didactiek 1, p. 53.

5
2.6 De opbouw van het aanvankelijk kaartlezen
Ervan uitgaande dat de voorwaarde voor het aanvankelijk kaartlezen zijn gerealiseerd, kan
het aanvankelijk kaartlezen het best starten met plattegronden van voor de kinderen
zichtbare ruimtes als:
- plattengronden van een nagebouwd landschap (zandtafel, maquette of een legobouwplaat);
- de plattegrond van hun klaslokaal;
- de plattegrond van hun school, een winkel in de buurt of hun eigen huis.
- de plattegrond van de schoolomgeving.
De leerlingen kunnen al in groep 3 en 4 deze soorten plattegronden leren lezen. Telkens
worden in opklimmende moeilijkheidsgraad de abstractie-elementen van het kaartlezen
geoefend: plattegrondsbesef, kaartsymbolen, schaal, windrichtingen.

In groep 5 kunnen vervolgens dezelfde abstractie-elementen worden geoefend met:
- de plattegrond van het dorp of de stad;
- een eenvoudige overzichtskaart van de streek, bijvoorbeeld een toeristische kaart of een
fietsroutekaart;
- de kaart van Nederland in de atlas, waarbij ook de wandkaart gebruikt kan worden.
Daarna is het belangrijk dat de kinderen al gauw leren de detailkaarten te plaatsen op een
overzichtskaart. De globe, de wereldkaart, de kaart van Europa en de kaart van Nederland
moeten in de eindfase van het aanvankelijk kaartlezen dan ook worden gebruikt.

2.7 Geografische vierslag
Bij aardrijkskunde kijk je vanuit een bijzondere invalshoek naar de wereld. Je hebt oog voor
de inrichting van de ruimte, de spreiding van verschijnselen en de samenhang daartussen.
Je kunt hier onder andere grip op krijgen door het stellen van de juiste vragen. Ze hebben
betrekking op waarnemen, herkennen, verklaren en waarderen. Voorbeelden van goede
vragen zijn:
1. Waarnemen:
Wat zie ik? Waar zie ik dat? Hoe ziet het eruit?
2. Herkennen:
Heb ik dat ergens anders meer gezien? Zie ik dat wel vaker? Waar?
3. Verklaren:
Hoe komt het? Waarom daar? Waarom daar zo?
4. Waarderen:
Wat vind ik ervan? Wat vinden anderen ervan? Hoe kan het ook anders?

Kaarten en andere schematische weergaven zijn bij de beantwoording van de vragen
onmisbare hulpmiddelen.

Koppeling theorie en praktijk
In mijn lessen ga ik rekening houden met de geografische vierslag. Ik wil in mijn lessen de
juiste vragen stellen om aandacht te besteden aan waarnemen, herkennen, verklaren en
waarderen. In de methode staat ook per les aangegeven welke vragen er gesteld kunnen
worden, rekening houdend met de geografische vierslag. Bij de vragen na aanleiding van de
filmpjes houd ik ook rekening met de geografische vierslag.

2.8 Kaarten bewerken
Kaartjes van een routeplanner of gescande kaartjes van een stadsplattegrond kun je heel
goed op de computer inkleuren en bewerken met behulp van een eenvoudig
tekenprogramma. 4

4
J. Verheij e.a. (2002), Aardrijkskunde is overal, p. 123

6
Koppeling theorie en praktijk
Toen ik dit stukje theorie las kwam ik op het idee om een kaart te gaan bewerken met het
programma Paint. Ik laat de kinderen een kaart van Geldermalsen, de plaats waarin de
school zich bevindt, bewerken als verrijking van de aardrijkskundeles.

2.9 Google Earth
Wat is Google Earth?
Google Earth is één grote kaart en plattegrond. Een driedimensionale fotorealistische kaart.
GE kan goed gebruikt worden om te laten zien hoe steden zijn opgebouwd, rivieren stromen
en landschappen over het aarde zijn verspreid. Het leent zich ook goed om relaties tussen
cultuur en natuur in beeld te brengen: waarom is een stad op die plek gesticht, welke
economische activiteiten spelen zich af in dat gebied? Met behulp van de Layers (waaronder
wegen en treinen) kunnen ook allerlei structuren in beeld worden gebracht.

Vernieuwend onderwijs?
Levert GE vernieuwend onderwijs op? Vast staat dat GE genoeg mogelijkheden
biedt om vernieuwend bezig te zijn. Leerlingen kunnen hiermee zelfstandig, actief
en ontdekkend aan de slag. 5

2.10 ICT en onderwijs
Niemand twijfelt er nog aan dat informatie- en communicatietechnologie (ICT) een blijvend
fenomeen is dat bij steeds meer aspecten van het dagelijkse leven een plaats verovert.

Binnen het onderwijs is ICT een vernieuwing die van onderuit is gestart. Aanvankelijk waren
het individuele, enthousiaste leerkrachten en directeurs die ICT hebben binnengebracht in de
klas en de school. Dat leidde al van bij het begin tot grote verschillen binnen scholen en
tussen scholen onderling. Na verloop van tijd werd computergebruik steeds sterker
aangemoedigd en ondersteund door de pedagogische begeleiding, de nascholingsdiensten
van de koepels, de onderwijsinspectie, de overheid. Er werd geïnvesteerd in materiaal en
mensen. Sommige scholen zijn gestaag verder geëvolueerd, zij het in diverse richtingen. In
andere is er nog maar nauwelijks sprake van ICT-integratie in het school- en klasleven. Zo
blijkt bij de instroom in het eerste jaar van het secundair onderwijs dat sommige leerlingen al
heel vaardig zijn met computers, terwijl andere nog niet eens de echte basishandelingen
beheersen. Het onderwijs heeft als maatschappelijke opdracht het ontstaan van mogelijke
ongelijke kansen op vlak van ICT-competenties in te dijken.

De samenleving vraagt om een onderwijs dat rekening houdt met de mogelijkheden van ICT
Vanuit verschillende kanalen in de samenleving wordt aan het onderwijs gevraagd om
rekening te houden met de mogelijkheden van ICT in het onderwijs. De samenleving
evolueert naar een kennissamenleving waarin het omgaan met ICT een belangrijke
basiscompetentie is geworden. Naarmate ICT meer geïntegreerd raakt in de maatschappij,
wordt het kunnen gebruiken van ICT steeds meer een voorwaarde voor zelfstandig
functioneren. Onderwijs zal dus aandacht moeten besteden aan kennis, inzichten,
vaardigheden en attitudes rond ICT.

Het onderwijs heeft immers als maatschappelijke opdracht het ontstaan van mogelijke
ongelijkheid, ook op vlak van ICT, te voorkomen of in te dijken. Dat gebeurt door ICT op te
nemen in de eindtermen van het leerplichtonderwijs.6

5
http://www.ictopschool.net/kennis/vraagstukken/0103/kennis/ICTOSFile.2006-10-26.2156
6
http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/basisonderwijs/lager/uitgangspunten/ict.htm

7
H3 Plan van aanpak
3.1 Planning
Week 39 Leervraag uitwerken in feedback formulier + opsturen
Week 40 Goedkeuring van leervraag + ideeën verzamelen voor praktijk Begin maken
met literatuurstudie.
Week 41 Gesprek met mentor en literatuurstudie
Week 42 Literatuurstudie en uitwerken
Week 43 Herfstvakantie. Lessen bedenken. Wat ga ik doen en hoe?
Week 44 Lessen doen en onderzoeken of Google Earth geïnstalleerd is op school
Week 45 Lessen doen
Week 46 Lessen uitwerken + reflecteren in het verslag
Week 47 Meerwaarde + conclusie schrijven
Week 48 Verslag doorlezen? Wat mis ik nog?
Week 49 Verslag donderdag inleveren

3.2 Plan van aanpak
• Ik ga een gesprek voeren met collega’s op stage. Wordt er gebruik gemaakt van ICT
bij wereldoriëntatie. Op wat voor manier?
• De aardrijkskundemethode bekijken. Uitzoeken welke onderwerpen er aan de orde
komen die ik kan verrijken met ICT.
• Zoeken op internet:
ICT verrijking:
Informatie zoeken over ICT in het onderwijs.
Filmpjes:
Zoeken op internet naar filmpjes die aansluiten bij de methode.
Google Earth:
Informatie over Google Earth zoeken. Wat zijn de mogelijkheden en het programma
zelf verkennen.

Ik ga de lessen aardrijkskunde verrijken met ICT. Ik laat de kinderen op de computer verder
werken met het behandelde onderwerp in de les. De opdrachten op de computer verschillen.

Google Earth
Wat is het doel?
Het programma ‘Google Earth’ maakt het kaartlezen inzichtelijker voor de kinderen. Met dit
programma is het mogelijk om van een plattegrond in te zoomen naar een gebouw. De
kinderen kunnen met dit programma zien dat een plattegrond een bovenaanzicht is en dat je
van bovenaf een overzicht hebt van (bijvoorbeeld) een stad. Door in te zoomen krijgen de
kinderen inzicht in wat een kaart precies inhoudt. Ook kunnen ze de stad Geldermalsen
plaatsen in Nederland. Waar ligt het precies? Welke steden liggen vlakbij?

Wat ga ik precies doen?
Ik ga de kinderen kennis laten maken met Google Earth. Met aardrijkskunde zijn we nu bezig
met plattegronden. Ik wil deze lessen gaan verrijken met Google Earth.

Hoe ga ik het precies doen?
Er zijn twee Smartborden op school, in de groepen 3. Als een groep naar de gym is kan ik
met mijn groep in het lokaal. Ik kan dan gebruik maken van een bord.

Ik ga de stad waarin de school zich bevindt (Geldermalsen) laten zien in het programma. Ik
ga de stad inzoomen. Ik stel vragen als:
- Welke stad is dit? Hoe zie je dat? (waarnemen)
- Welke plaatsen liggen rondom Geldermalsen? (waarnemen)

8
- Waar ligt de school ongeveer? (waarnemen)
- Waar is het centrum te zien? (waarnemen)
- Wat zie je nog meer op de kaart? Zie je dat wel vaker? (waarnemen, herkennen)
- Waarom ligt daar het centrum? (verklaren)
- Wie herkent dit? (herkennen)
- Wat vind je van deze kaart? (waarderen)

Tijdens deze les houd ik rekening met de Geografische vierslag. Met mijn vraagstelling houd
ik dit in gedachten.

Legenda maken Paint
Wat is het doel?
De kinderen zijn nogmaals bezig met plattegronden en legenda’s. De kinderen leren wat het
nut is van een legenda en hoe een legenda is opgebouwd. Ieder symbool staat aangegeven
in de legenda en het symbool op de plattegrond moet hetzelfde zijn als in de legenda.
Ook maken de kinderen kennis met het programma Paint. Ze ontdekken de mogelijkheden
van het programma en passen deze toe.

Wat ga ik precies doen?
Ik wil de kinderen een plattegrond laten bewerken in Paint. De methode besteedt veel
aandacht aan plattegronden, legenda’s en luchtfoto’s. Hoe ziet een plattegrond eruit? Wat
kun je er allemaal op zien? Waar kan je het voor gebruiken? Waar is een legenda voor?
De kinderen zijn hier al een aantal lessen mee bezig geweest. Ik wil de kinderen zelf een
legenda laten maken bij een kaart van Geldermalsen. Ze mogen hierbij mijn voorbeeld
gebruiken.

Hoe ga ik het precies doen?
Tijdens het zelfstandig werken (bijvoorbeeld tijdens lezen of werkstukje) zet ik het stoplicht
op rood. De kinderen mogen even niets aan mij vragen, maar helpen elkaar.
Ik ga met kinderen achter de computer zitten en leg de opdracht uit. Er kunnen twee
kinderen tegelijk, er zijn twee computers. Ik ga dan samen met ze een legenda maken bij de
kaart. Als de kinderen al aardig op weg zijn zet ik het stoplicht weer uit en kunnen de
kinderen al samenwerkend verder.
De meeste kinderen zullen geen ervaring hebben met “Paint”. De legenda gaan ze echter
zelfstandig maken. Ze mogen het zelf verzinnen en deze wordt bij iedereen anders. Als de
legenda klaar is, print ik hem uit. Ze mogen het mee naar huis nemen.

Lessen verrijken met filmpjes
Wat is het doel?
Met filmpjes, die aansluiten bij het onderwerp in de aardrijkskundemethode, wil ik de lessen
interessanter maken. De kinderen leren veel van beelden en ze onthouden de stof hierdoor
langer. De filmpjes verrijken de stof in de methode.

Wat ga ik precies doen?
Ik wil de aardrijkskundelessen verrijken met filmpjes. Na een les laat ik de kinderen op de
computer een filmpje bekijken dat aansluit op de les. Ze kunnen dit zelfstandig doen en
wisselen elkaar af.

Hoe ga ik het precies doen?
Ik start de computer op en zoek het filmpje vast op. Ik vertel de kinderen dat ze een filmpje
gaan bekijken op internet over de aardrijkskundeles. Ik maak vooraf een doordraaisysteem.
Dit bespreek ik met de groep (jij tikt hem aan, jij tikt hem aan etc.). Een filmpje duurt
ongeveer 2 minuten. Als ze het filmpje hebben gezien tikken ze het volgende kind aan.
Vervolgens gaat dat kind kijken. Dit kan geheel zelfstandig gebeuren tijdens de lessen.

9
Als iedereen geweest is bespreek ik het filmpje kort en koppel het aan de bijbehorende les.
Hierdoor krijgt het filmpje verdieping.

3.3 Praktijk
Filmpjes bekijken
Doordraaisysteem
Om het bekijken van de filmpjes, op de computer, soepel te laten verlopen moeten de
kinderen het zelfstandig kunnen regelen.
Ik heb een doordraaisysteem met de kinderen besproken. Iedereen heeft een vast kind om
aan te tikken. Ze doen dit dus geheel zelfstandig en ik hoef hier niets aan te regelen. Onder
rekenen, spelling en taal is de regel dat ze niet op de computer mogen. Na deze vakken gaat
het bekijken weer verder.

Week 43
Maandag ben ik begonnen met de aardrijkskundefilmpjes. Op maandag en dinsdag hebben
alle kinderen het filmpje “Amsterdam groeit” bekeken. Toen de kinderen het filmpje allemaal
bekeken hadden heb ik vragen over het filmpje gesteld (deze vragen zijn in H7 bijlage 1 te
vinden). Op deze manier kon ik controleren of de kinderen het wel goed bekeken hadden, of
ze het begrepen hadden en daarbij zorgt het voor verdieping.

Op donderdag en vrijdag heb ik de kinderen het tweede filmpje laten bekijken “Leven in de
stad”. Dit filmpje gaat over de hoofdstad van Peru. De kenmerken van een stad worden
hierin nogmaals benadrukt. Hier heb ik in de vragen ook weer aandacht aan besteed.

Week 44
Op maandag en dinsdag hebben de kinderen “Amsterdam die grote stad” bekeken. Op
donderdag en vrijdag hebben ze het volgende filmpje weer bekeken: “Eerste steden”.

Reflectie
Ik was onder de indruk tijdens de nabesprekingen van de filmpjes. De kinderen hadden erg
goed gekeken. Ze wisten op alle vragen antwoord en sommige kinderen gaven zelfs nog
andere aanvullingen. Terwijl ik vooraf twijfelde of het niet te moeilijk was.
Ik vond het een succes. Ze waren razend enthousiast en interesseerden zich. Het was echt
een verrijking van de stof.

Kaart bewerken/ legenda maken
Week 44-45
Ik heb met de kinderen een kaart bewerkt met het programma
Paint. Het was de kaart van Geldermalsen. Ik heb de
kinderen de stad zelf opnieuw “in laten richten”.
Vooraf heb ik een klassikale introductie gedaan:
- Waar is een legenda voor?
- Wat kun je daarin zien?
- Hoe ziet een legenda eruit?
- Wat wil je graag hebben in Geldermalsen?
- Wat vind je belangrijk?

Ik heb klassikaal vragen gesteld zodat ik alleen de uitleg van Paint nog individueel hoefde te
doen.

Reflectie
Het kostte wel wat tijd om het programma uit te leggen. De meeste kinderen kenden het
programma niet. Toen ze na de uitleg zelfstandig verder werkten ging het wel erg goed. Af
en toe moest ik helpen, omdat ze iets verkeerd hadden gedaan. De kinderen vonden het erg

10
leuk om te doen. Vooral als de plattegrond uitgeprint was, waren ze erg trots. Ze gingen het
meteen enthousiast aan elkaar laten zien.
De resultaten zijn erg goed. In de bijlage zijn twee exemplaren bijgevoegd.

-

Google Earth
Week 45
Vrijdag 7 november heb ik de kinderen Geldermalsen op Google Earth (GE) laten zien. Ik
heb de kinderen eerst verteld wat GE precies is en wat je ermee kunt doen. Vervolgens heb
ik de kinderen laten zien hoe het programma werkt. Ik heb eerst Geldermalsen ingevuld en
heb langzaamaan ingezoomd, zodat de kinderen het zoeken konden volgen. Ik heb de
school opgezocht en betrok de kinderen hierbij. Waar ligt de school ongeveer? Waar ligt het
vlakbij? Zien jullie dat? Hier is het zwembad, waar ligt de school dan?

Reflectie
De kinderen waren onder de indruk. Ze waren muisstil toen het programma in ging zoomen.
Vervolgens kwamen er geluiden: “Wauw, woooh, ooohh!”. Ze vonden het heel bijzonder dat
je iets van zo dichtbij kon bekijken. Ze hadden allerlei vragen: “Waar zijn de winkels? Waar is
deze straat? Wat zie ik daar? Waar is het zwembad?” Op al deze vragen ben ik in gegaan en
heb het samen met de kinderen opgezocht. Ik speelde in op de interesses en behoeften van
de kinderen.
Deze les heeft maar een half uurtje tijd gekost. Het was dus makkelijk in te passen in het
rooster en het was erg leerzaam. Ook inspireerde het de kinderen. Een kind ging thuis al
vragen of hij het programma ook mocht downloaden. Hieruit merkte ik dat ik een beroepsrol
vervuld had.

H4 Meerwaarde
4.1 Wat het mij heeft opgeleverd?
Ik heb wederom ervaren hoe leuk en leerzaam het gebruik van ICT kan zijn in het onderwijs.
De computers werden wel gebruikt in onze groep, maar veel voor dezelfde onderdelen; taal,
spelling en tafels oefenen. ICT was echter nog niet aan de orde in bij zaakvakken. Deze
vakken worden door veel kinderen als ‘saai’ bevonden. Nu heeft aardrijkskunde een nieuwe
impuls gekregen en het inzicht in het vak is door de filmpjes ook vergroot.

Ik heb ervaren dat de kinderen het ontzettend leuk vinden om op met de computer te
werken. Ze waren gemotiveerd en betrokken. De organisatie vooraf was wel belangrijk. Het
is van belang om het vooraf te overdenken, zodat je niet de hele dag “last” hebt van de
computers. Met de andere programma’s moet ik vaak in de gaten houden wie er nog op de
computer moet. Door het doordraaisysteem regelden de kinderen het geheel zelfstandig.

11
Doordat ze zo betrokken waren vergat ook niemand om het te bekijken. Ze hadden er plezier
in.

Het hoeft niet heel veel tijd te kosten om ICT te integreren in het onderwijs. Vooraf kost het
wat organisatie, maar vervolgens kunnen de kinderen veel zelfstandig. Door het vooraf goed
te organiseren en te overdenken loop het soepel en kost het weinig tijd. Wel levert het heel
veel op en leren de kinderen veel.

4.2 Wat heeft het de kinderen opgeleverd?
De kinderen hadden veel plezier bij het leren. Ze vonden het leuk om de filmpjes te bekijken
en onbewust leerden ze hier van. Ze waren enthousiast. Ze leerden met plezier en hierdoor
onthouden ze dingen ook langer. Door de filmpjes werden de verhalen visueel en kregen de
kinderen een beeld bij de stof.

De kinderen maakten er een soort wedstrijd van wie de meeste vragen goed kon
beantwoorden na een filmpje. Ze trokken elkaar hierin mee en ze gingen steeds beter
opletten en onthielden steeds meer details van de filmpjes. Hierdoor namen ze steeds meer
stof in zich op en kregen er ook steeds meer plezier in.

4.3 Wat heeft het werken aan de leervraag opgeleverd voor mijn werkconcept?
Door het werken aan deze leervaag heb ik weer ervaren hoe belangrijk de integratie van ICT
is in het onderwijs. Het is niet alleen leerzaam, maar het draagt ook bij aan de motivatie voor
leren. Ze hebben er ontzettend veel plezier in en hierdoor nemen ze de stof beter in zich op.

Ik vind het belangrijk dat een school een goede aansluiting biedt op het vervolgonderwijs.
Het is daarbij belangrijk dat de school zich blijft richten op de maatschappij (die steeds
verandert). Het onderwijs moet dus ook steeds in beweging zijn. Daarbij gaat het ook om
ICT. ICT speelt een steeds grotere rol in de maatschappij. Er gaat steeds meer via de
computer en de kinderen moeten hierop voorbereid worden. Ze moeten later zelfstandig
kunnen functioneren in de maatschappij. Het onderwijs moet zijn bijdrage hieraan leveren en
de kinderen ICT-vaardigheden bijbrengen.

H5 Conclusie
5.1 Leervraag
Leervraag:
Hoe kan ik de aardrijkskundelessen, van hoofdstuk 1 “De kaart” en hoofdstuk 2 “Wonen”
van de methode “Hier en Daar”, verrijken door middel van ICT?
Deelvragen:
- Wat voor soorten plattegronden zijn er?
- Waarom is het zo belangrijk dat je kaart kunt lezen?
- Wat komt er aan de orde in groep 5? Wat moeten de kinderen kunnen?
- Wat houdt de geografische vierslag in?
- Wat kan ik met Google Earth doen in groep 5?
- Wat zijn de mogelijkheden in de school hiervoor?

5.2 Antwoord op leervraag
Allereerst heb ik me verdiept in de theorie. Wat is er van belang bij aardrijkskunde en wat
komt er aan de orde in groep 5. Ik moest eerst te weten komen wat ik precies kan
verwachten van kinderen uit groep 5. Deze zaken heb ik onderzocht door de theorie te
raadplegen.
Ik had vanaf het begin van het jaar alle aardrijkskundelessen gegeven en had dus zicht op
de inhoud van de lessen/hoofdstukken. Ik heb alle lessen nog een keer doorgenomen uit de

12
methode en heb vervolgens leuke activiteiten bedacht die aansloten bij de stof uit de lessen.
Vervolgens heb ik deze ideeën voorbereid en uitgevoerd in de praktijk.

Door interessante stof aan te bieden motiveer je kinderen bij het leren. De kinderen vinden
het leuk om op de computer te werken.

Met de kaartjes bewerken waren ze wel even bezig, maar vonden het leuk om te doen. Ze
konden niet wachten tot ze aan de beurt waren. Ze deden hun best en werkten erg serieus.
Ook de filmpjes die ik liet zien spraken de kinderen aan. Door vragen te stellen, na het zien
van de filmpjes, kreeg het voor de kinderen verdieping en betekenis. Ze konden de beelden
koppelen aan de methodelessen. Ook ontstond er door de vragen een soort competitie. Ze
bekeken de filmpjes extra goed en wilden allemaal het goede antwoord geven. Ze gaven
vaak nog aanvullingen na de vragen. Hierdoor kon ik merken dat de kinderen echt goed
keken en de informatie opsloegen. Ze waren echt betrokken. Ook als ik weer verder ging met
een methodeles kwamen de kinderen weer vaak terug op de filmpjes. Ze koppelde het aan
elkaar en zagen verband.

Door middel van Google Earth heb ik het kaartlezen echt inzichtelijk kunnen maken. Ze
konden zien hoe een plattegrond gemaakt kan worden en wat je er precies op kunt zien. Ik
zoomde steeds een stukje meer in en de kinderen konden het volgen. Samen hebben we de
stad Geldermalsen kunnen plaatsen op de kaart van Nederland. Aardrijkskunde werd op
deze manier gekoppeld aan de belevingswereld van de kinderen en de interesses en het
kaartlezen kreeg betekenis. Dit zorgde voor hoge betrokkenheid bij de les. Doordat ik
inspeelde op de vragen en interesses tijdens de les verhoogde de betrokkenheid alleen
maar, in plaats van dat het afzwakte (zoals bij de methodelessen).

Na mijn bronnenonderzoek kon ik mijn deelvragen beantwoorden:
Wat voor soorten plattegronden zijn er?
We onderscheiden twee soorten grootschalige kaarten of plattegronden:
1. Overzichtsplattegronden;
2. Thematische plattegronden.

Waarom is het zo belangrijk dat je kaart kunt lezen?
Door een steeds complexere inrichting van met name stedelijke gebieden en de toenemende
mobiliteit, wordt het steeds belangrijker dat men zich ruimtelijk kan oriënteren, zowel in de
werkelijkheid (in het ‘veld’) als op de kaart. Kaartlezen als onderdeel van ruimtelijke oriëntatie
wordt steeds vaker gezien als een vorm van sociale redzaamheid: zonder de hulp van
derden zich kunnen oriënteren in een onbekende omgeving

Wat komt er aan de orde in groep 5?
De volgende thema’s komen er ieder jaar aan de orde:

Ieder jaar worden de thema’s weer verder uitgediept.

13
Wat houdt de geografische vierslag in?
Voorbeelden van goede vragen zijn:
5. Waarnemen:
Wat zie ik? Waar zie ik dat? Hoe ziet het eruit?
6. Herkennen:
Heb ik dat ergens anders meer gezien? Zie ik dat wel vaker? Waar?
7. Verklaren:
Hoe komt het? Waarom daar? Waarom daar zo?
8. Waarderen:
Wat vind ik ervan? Wat vinden anderen ervan? Hoe kan het ook anders?

- Wat kan ik met Google Earth doen in groep 5?
In groep 5 komt het aanvankelijk kaartlezen aan de orde. Ervan uitgaande dat de
voorwaarde voor het aanvankelijk kaartlezen zijn gerealiseerd, kan het aanvankelijk
kaartlezen het best starten met plattegronden van voor de kinderen zichtbare ruimtes als:
- plattengronden van een nagebouwd landschap (zandtafel, maquette of een
legobouwplaat);
- de plattegrond van hun klaslokaal;
- de plattegrond van hun school, een winkel in de buurt of hun eigen huis.
- de plattegrond van de schoolomgeving.

Ik heb de kinderen een bekende omgeving laten zien met GE. Het was herkenbaar en de
kinderen kregen inzicht in de plattegrond. Ze waren betrokken en sloot aan bij de
belevingswereld.

- Wat zijn de mogelijkheden in de school hiervoor?
In de bovenbouw wordt er wel eens gebruik gemaakt van Google Earth. Het programma
staat op het netwerk. Ik kon hier meteen gebruik van maken.

5.3 Eventuele verdere verdieping in deze beroepssituatie
Ik heb veel voldoening uit deze leervraag gehaald. Door het enthousiasme van de kinderen
heb ik besloten om de filmpjes voort te zetten. Ook ga ik af en toe een filmpje laten zien die
aansluit bij de geschiedenismethode. De filmpjes zorgen echt voor verdieping en verrijking
van de stof. Ik wil tot het eind van het jaar door blijven gaan met de filmpjes.

14
H6 Bronvermelding

Boeken:

J. Blokhuis, A Peters, H. Peeters (2001), Aardrijkskunde en didactiek/ Bronnenboek,
Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten

A. Jansen & H. Pronk (1993), Aardrijkskunde en didactiek 1, derde druk, Wolters-Noordhoff,
Groningen

J.Verheij e.a. (2002), Aardrijkskunde is overal, eerste druk, Uitgeverij Esstede bv, Heeswijk-
Dinther

Sites:

URL: <www.schooltv.nl>
(Accessed 21 oktober 2008)

URL: <www.werkenmetgoogleearth.nl>
(Accessed 30 oktober 2008)

URL: <http://www.ictopschool.net/kennis/vraagstukken/0103/kennis/ICTOSFile.2006-10-26.2156>
(Accessed 24 oktober 2008)

15
H7 Bijlage 1 - Vragen na aanleiding van filmpjes

Filmpjes
De filmpjes die ik de kinderen heb laten bekijken staan allemaal op schooltv. (beeldbank). Ik
heb de kinderen de volgende filmpjes aangeboden:
- Amsterdam groeit
- Leven in de stad
- Amsterdam die grote stad
- Eerste steden

Vervolgens heb ik vragen gesteld over de filmpjes om te zorgen voor verdieping. Hieronder
zijn de vragen per filmpje te lezen.

Amsterdam groeit
- Wat is de hoofdstad van Nederland?
Amsterdam.
- Is Amsterdam altijd al een stad geweest?
Nee, het is van een dorp uitgegroeid naar een stad.
- Wie is er wel eens in Amsterdam geweest?
- Wat heb je daar gezien? Waar ben je geweest?
- Wat vind je van de stad?
- Kon je vroeger zomaar huizen bouwen in Amsterdam?
Nee, het was erg drassig en het zou dan gaan verzakken.
- Hoe deden ze dat dan? Waar bouwden ze de huizen dan op?
Ze bouwden de huizen op palen.
- Wat zorgde er voor welvaart en groei van Amsterdam? Waardoor het uitgroeide tot een
stad?
De handel zorgde voor groei en welvaart. Doordat er een rivier was konden veel mensen
komen. Het werd steeds drukker.
- Waarom is precies daar Amsterdam ontstaan?
Door de rivier. Het lag centraal en er kwamen schepen (handel). Hierdoor werd het
steeds drukker.
- Waren kooplieden rijke of arme mensen?
Dat waren rijke mensen.

Leven in de stad
- Over welke stad ging het filmpje?
Lima.
- In welke land ligt deze stad?
Peru.
- Waar ligt het land?
Aan de kust in Zuid Amerika.
- Is het een drukke stad?
Ja, er wonen veel mensen en in het filmpje zie je ontzettend veel mensen en verkeer op
straat.
- Hoe heten de wijken aan de rand van de stad, waar de armen mensen huizen bouwden?
Sloppenwijk.
- Hoe komen de mensen in Lima aan water?
Er rijden vrachtwagens rond met watertanks die de watervoorraad aanvullen bij de
huizen. Dat kost veel geld.
- Heb je dat wel eens eerder gezien? Wist je dat?
- Kunnen ze daar allemaal een groot huis betalen?
Nee, sommige mensen wonen in sloppenwijken. Andere mensen wonen wel met 10
families in een groot (oud) huis.

16
- Wat vond je van de stad? Zag het er mooi uit?
- Zou je daar willen wonen? Waarom/ waarom niet?

Amsterdam die grote stad
- Wat was ook al weer de hoofdstad van Nederland?
Amsterdam.
- Is het een grote/ kleine stad? Druk of rustig?
Groot en druk.
- Is Amsterdam altijd een stad geweest?
Nee, Amsterdam is uitgegroeid van een dorp naar een stad.
- Welke rivier stroomde er 800 jaar geleden door Amsterdam heen?
De Amstel.
- Hoe heet het beroemde plein in Amsterdam?
De Dam.
- Hoe is Amsterdam aan zijn naam gekomen?
Het is genoemd naar de dam in de Amstel.
- Waarom legden de mensen dijken en een dam aan?
Omdat ze veel last hadden van overstromingen.
- Toen er een dam gebouwd in de Amstel konden de schepen niet meer verder varen. Wat
deden ze dan met alle goederen?
Ze pakten het over naar een ander schip, dat aan de andere kant van de dam lag. Dat
schip kon dan weer verder varen.
- Gebeurde dat altijd?
Nee, sommige goederen werden opgeslagen in pakhuizen in de buurt. De spullen
werden dan verkocht met winst. Dat leverde geld op. Er kwamen steeds meer mensen in
Amsterdam wonen en het groeide uit tot een stad.

Eerste steden
- Zag Nederland er in de Middeleeuwen hetzelfde uit?
Nee.
- Wat was er dan anders?
Er waren weinig steden.
- Welke steden waren er al in Nederland, in de Middeleeuwen?
Er waren maar weinig steden zoals Utrecht, Tiel, Nijmegen, Zutphen, Deventer en
Groningen.
- Hoe kwam het dat er steeds meer steden bij kwamen?
Door de handel. De kooplieden verkochten overal hun spullen op markten.
- Waarom waren het soms gevaarlijke reizen die de kooplieden maakten?
Er waren rovers die de waardevolle spullen wilden stelen.
- Wat waren veilige plaatsen om te gaan wonen voor kooplieden?
Bij een kasteel of een kerk.
- Hoe ontstonden er steden?
Vooral op plaatsen bij een rivier of op een plek met kruising van wegen. Op zulke
plaatsen werd het steeds drukker. Mensen ontmoeten elkaar om spullen te kopen en te
verkopen. Er kwamen markten. Mensen gingen er wonen en werken. Er ontstond een
dorp en dat dorp groeide vaak uit tot een stad. Zoals bijvoorbeeld Zutphen.
- Vind je dat goed?
Ja, dat is goed voor de welvaart van een land.

17
H8 Bijlage 2 - Resultaten kaart bewerken

18