You are on page 1of 8

Kennisbegrip

De lectoren geven aan dat er weliswaar een objectieve werkelijkheid buiten ons
kan bestaan maar dat we die onmogelijk kunnen kennen. De context bepaald
voor een belangrijk deel de functionaliteit van onze kennis.

Geldt dat ook voor mij? Bepaald de context voor een belangrijk deel de
functionaliteit van onze kennis? Wat is mijn context?

Mijn context
Mijn (professionele) context ziet er als volgt uit: Ik ben werkzaam op een
lerarenopleiding basisonderwijs. Daar werk ik bij het Centrum voor ICT-educatie.
Vanuit die context geef ik, samen met mijn collega’s, studenten les in het gebruik
van ICT in het onderwijs. Binnen ons Centrum voor ICT-educatie hebben we een
gezamenlijke visie op wat we belangrijk vinden dat studenten leren over ICT in
het onderwijs. Die visie komt in het kort neer op het volgende: ICT is een middel
dat je inzet om het leren van kinderen te ondersteunen, te verrijken en uit te
breiden.

Gevolgen context
Vanuit die visie kijk ik naar wat er gebeurt in de wereld. Mijn ogen zijn gericht op
ontwikkelingen zoals die plaatsvinden in de (digitale) maatschappij. Ik koppel die
ontwikkelingen aan mijn visie op ICT in het onderwijs: zijn dit ontwikkelingen die
toepasbaar of belangrijk zijn in en voor het onderwijs? Op welke manier zullen
deze ontwikkelingen het leren van kinderen ondersteunen, verrijken of
uitbreiden?

Waardevol of niet?
Ik plaats de kennis daarmee in een context. Ik ben daarbij niet zo zeer
geïnteresseerd in de kennis zelf maar hoe die kennis mijn context beïnvloedt.
Mijn visie op onderwijs blijft (voorlopig) nog hetzelfde maar wordt verder
ingekleurd door kennis die ik van buiten opdoe. Welke kennis ik hierbij waardevol
vindt wordt daarbij dus bepaald door mijn context.

Kennis creëren
De lectoren onderscheiden drie manieren van kennis creëren: modus 1 onderzoek
(wetenschappelijk), modus 2 (kennis creëren om eigen context te veranderen) en
modus 3 (kennis creëren om zin te geven aan eigen ervaringen). De lectoren
geven hierbij aan dat kennis creëren altijd een combinatie is van de drie
modussen.

Mijn kenniscreatieproces
Hoe verloopt kennis creëren voor mijzelf? Op welke gebieden ben ik bezig met
kennis creëren? Voor mij de meest expliciete manier van kennis creëren vindt
plaats op het moment dat ik een stuk schrijf voor mijn eigen weblog. Bij het
schrijven van deze stukken (inclusief dit stuk) denk ik na over de onderwerpen
die ik belangrijk vindt of mij interesseren.
Modus 3
Ben ik hierbij bezig met een bepaalde modus? Ik denk hierbij in eerste instantie
aan modus 3. Het zin geven aan eigen ervaringen vertaal ik voor mezelf in het
reflecteren op waar ik allemaal mee bezig ben. Een weblog zou waarschijnlijk ook
geschikt zijn om binnen modus 2 en 1 onderzoek te gebruiken maar dat doe ik
niet.

Modus 2
Met modus 2 onderzoek ben ik bezig binnen de activiteiten van de kenniskring en
ontwikkelingen van Hogeschool Domstad. Zo ga ik samen met mijn collega
Sylvia van Os een onderzoek opzetten over het onderwerp feedback. Hierbij
doorlopen we de onderzoekcyclus zoals die door het lectoraat wordt gebruikt. De
kennis die we hierbij opdoen is Hogeschool Domstad-breed bruikbaar.

Modus 1
Aan modus 1 onderzoek doe ik momenteel niets. Als ik zou beginnen aan een
promotieonderzoek dan zou dit wel aan bod komen. De lectoren zelf zijn wel
bezig met modus 1 onderzoek en vragen ons om hieraan een bijdrage te leveren.
Het is de bedoeling dat er vragenlijsten en interviews worden afgenomen.

Sociale context
Bij dit punt gaat het ook over de sociale context waar we deel van uitmaken. Als
het gaat over kennis creëren dan maak ik deel uit van verschillende sociale
contexten. De eerste context is die van mijn collega’s op de Hogeschool
Domstad. We vormen op Hogeschool Domstad verschillende collectieven.
Eén collectief is het Centrum voor ICT-educatie. Maar ik maak ook deel uit van de
volgende collectieven: het SLB-team van de tweede fase, de kenniskring
Kantelende kennis, de projectgroep Sirius en de groep SchoolContactpersonen. In
deze contexten denken we na over verschillende onderwerpen en creëren we
kennis met elkaar. Lang niet altijd volgens de onderzoekscyclus.

Brede sociale context
Maar mijn sociale context is breder dan Hogeschool Domstad zelf als het gaat
over kennis creëren. Via online activiteiten ben ik ook bezig met het creëren van
kennis en maak daarbij deel uit van een sociale context. Met mijn weblog maak
ik deel uit van de zogenaamde blogosfeer. Specifieker: van de educatieve
blogosfeer. Daarbij kun je denken aan het volgen van andere weblogs en het
commentaar geven en krijgen van andere bloggers. Andere online activiteiten die
ik beschouw als sociale context waarbinnen ik kennis creëer zijn de mailinglist
waar ik lid van ben en de wiki-omgevingen waar ik in werk.

Sociale context en kennis creëren: weblogs
De vraag is dan hoe ik in die sociale contexten kennis creëer. Ik denk dat in de
meeste gevallen je het over modus-3 onderzoek hebt. Je zou je kunnen afvragen
of het mogelijk zou zijn om in de blogosfeer te komen tot modus-2 onderzoek. In
de woorden van het lectoraat zou je hiervoor een gezamenlijke ambitie moeten
formuleren. Dit is lastig denk ik. Bloggers schrijven toch vooral over de
onderwerpen die hen individueel interesseren. Zelfs op een groepsblog is het
mogelijk om volledig langs elkaar heen te werken.

Toch doe ik veel kennis op tijdens het lezen van blogs van anderen. Ik heb daarbij
blogs geselecteerd die ik interessant vind. Het idee daarbij is echter niet in de
eerste plaats om gezamenlijk tot kennis creëren te komen over een gezamenlijke
ambitie. Tenzij je de gezamenlijke ambitie zou formuleren in de trant van iets heel
algemeens zoals: het verbeteren van het onderwijs door middel van ICT.
Ik denk dat de sociale context van de bestaande blogosfeer te los is om ooit te
kunnen spreken van modus-2 onderzoek.

Sociale context en kennis creëren: wiki’s
In een wiki omgeving zou ik me dit wel voor kunnen stellen. In een wiki staat
samenwerken voorop. Het doel van de wiki is daarbij de gezamenlijke ambitie. De
sociale context is daarbij alle personen die bijdragen.
Het doel van een wiki kan natuurlijk wel heel breed zijn en er daarmee voor
zorgen dat iedereen zijn eigen motieven heeft bij het meewerken eraan. WikiKids
heeft net als Wikipedia het doel om te komen tot een encyclopedie bijvoorbeeld.
Dit doel is behoorlijk breed. Het wordt door veel mensen op een eigen manier
ingevuld.

Collectieve processen
Uit dit onderdeel haal ik het stukje “verschillende perspectieven verbinden tot
een gemeenschappelijk perspectief.” Wat kan ik hier mee? Bevind ik me in
situaties dat verschillende perspectieven verbonden moeten worden tot een
gemeenschappelijk perspectief? Ik denk in eerste instantie aan mijn
werkzaamheden voor WikiKids (de internet-encyclopedie voor en door kinderen;
www.wikikids.nl). De projectgroep van WikiKids bijvoorbeeld bestaat uit allemaal
mensen uit het onderwijsveld. Maar iedereen heeft toch zijn eigen invalshoek.
Zelf geef ik les op de pabo en zie ik mezelf als een educatief ontwerper. In de
projectgroep zitten ook mensen die direct met leerlingen samenwerken of meer
op de technische kant zitten. Allemaal hebben we daardoor een eigen
perspectief. Gezamenlijk bedenken we op welke manier we WikiKids vorm geven.
Dit natuurlijk samen met de moderatoren.

Verloop van collectieve processen
In vergaderingen bespreken we de belangrijkste punten van de afgelopen periode
en kijken we vooruit hoe we verder moeten gaan. Waar het precies naar toe moet
gaan weten we geen van allen precies. En dat voelt heel goed. Zeker als we
merken dat er nog steeds vooruitgang inzit.
Zou het helpen als de doelen nog helderder geformuleerd zouden zijn? Als we
een strak omlijnd plan zouden hebben? Als we een duidelijke leider in ons midden
zouden hebben die de touwtjes in handen had. Ik denk het niet. Het is geen
project dat binnen een bepaalde periode afgerond kan worden. Iedereen is
intrinsiek gemotiveerd om zijn steentje bij te dragen.
In een schoolse context veranderen daarmee wel een paar zaken.
Dialoog
De kern die ik uit dialoog haal is het volgende: “over hun ervaringen
conceptualiseren en met elkaar spreken”. Heb ik al eens met anderen over hun
ervaringen gesproken en dit geconceptualiseerd? Als ik het in mijn eigen woorden
zou vertalen dan zou ik zeggen: van gedachten wisselen en proberen tot komen
tot nieuwe inzichten. De vraag daarbij is dus: heb ik al wel eens met andere
mensen van gedachten gewisseld en ben ik hierdoor gekomen tot nieuwe
inzichten? Ik ontmoet en communiceer met veel verschillende mensen. Zowel
offline als online. Zowel binnen mijn werk als daarbuiten. Alhoewel die grens voor
mijzelf moeilijk te trekken is.

Dialoog of discussie
Is daarbij altijd sprake van een dialoog? Van discussie is vaak wel sprake. Ik ben
behoorlijk eigenwijs en iemand moet met behoorlijk wat argumenten komen om
me ergens van te overtuigen. Verder loop ik vaak ver vooruit op de troepen en
vind het lastig te wachten op anderen. Als anderen dan zover zijn dan ben ik
geneigd om stof over te dragen in plaats van in een dialoog gezamenlijk
ervaringen uit te wisselen.

Dialoog in projectgroep
Toch zijn er wel situaties waarin ik in dialoog met anderen probeer te komen tot
iets nieuws. Ik denk daarbij in eerste instantie aan de projectgroep waarmee we
een nieuw traject binnen onze opleiding vormgeven. Als ik kijk naar de
samenstelling van die groep dan heeft die verschillende kenmerken:
verschillende perspectieven, een gezamenlijke ambitie. Maar ook een
gelijkwaardige inbreng. Iedereen komt met een andere achtergrond maar we
kunnen elkaar vinden in het gezamenlijke doel: het opzetten van een nieuw
traject.

Dialoog in mailinglist
Online ben ik op deze manier nog niet zo actief hier mee bezig geweest. Wel zie
ik dit gebeuren. Ik ben lid van een mailinglist over Wikipedia. Hierin posten
Wikipedianen (actieve leden van Wikipedia) berichten over de ontwikkeling van
wikipedia en alle projecten die hiermee samenhangen. Gezamenlijk proberen ze
vast te stellen wat de belangrijke topics zijn en op welke manier ze hier mee om
willen gaan. Het is interessant om te zien hoe een thread (meerdere berichten
over één onderwerp) zich ontwikkeld. Een voorbeeld hiervan is het onderwerp
Usability. Dit onderwerp komt meerdere keren langs omdat het door verschillende
mensen als een probleem wordt ervaren. Gezamenlijk wordt gekeken hoe dit
probleem het beste aangepakt kan worden. Zie bijvoorbeeld deze pagina
http://lists.wikimedia.org/pipermail/foundation-l/2008-December/thread.html waar
het onderwerp Moving towards a more usable MediaWiki is terug te lezen.

Vitaliteit en basisbehoeften
De kern die ik hier uit haal is wat de lectoren omschrijven als “ontwikkeling,
groei, verandering en leren.” Voor mijzelf zou ik het als volgt verwoorden: Je blijft
je ontwikkelen. In het onderzoek komt ook het begrip “de vitale ruimte” naar
voren. In deze ruimte is het mogelijk om gezamenlijk tot kennis creëren te
komen. In deze ruimte zijn een aantal zaken belangrijk. Ten eerste is het goed om
vast te stellen dat je in de vitale ruimte rekening moet houden met het individu
(aan de ene kant) en het collectief (aan de andere kant). Verder moet je rekening
houden met de basisbehoeften van het individu en het collectief. De
basisbehoeften van het individu zijn relatie, autonomie en competentie. Voor het
collectief zijn deze basisbehoeften cohesie, coherentie en coöperatie.
Nu waren die basisbehoeften van het individu me al wel duidelijk. Waarmee ik
bedoel: bekend. Maar dat er ook basisbehoeften van een groep waren daar had ik
nog nooit over nagedacht. De termen zijn volgens mij ook veel minder
ingeburgerd. Daarom een toelichting op deze begrippen.

Cohesie
De lectoren geven hieraan de volgende woorden: We horen bij elkaar, we zijn
onderling emotioneel met elkaar verbonden. In mijn woorden: Een groep is vitaal
als ze bij elkaar betrokken zijn. Oftwel: ze willen er samen iets van maken.

Samenstelling van de groep
Hierbij is het volgens mij van belang om te kijken hoe zo’n goep samen is
gekomen. Is dit een groep die al bestond of een groep die rondom een bepaald is
samengesteld? Dit bepaalt volgens mij voor een deel de betrokkenheid. Ook denk
ik dat de fase waarin de groep zich als groep bevindt van belang is op de cohesie.
Tenslotte denk ik dat ook de achtergrond van de deelnemers bepalend is voor de
mate waarin cohesie optreed .

Remmerswaal
Remmerswaal (2003) onderscheid 6 fasen waarin een groep zich kan bevinden:
voorfase, oriëntatiefase, machtsfase, acceptatiefase, autonome fase en de
afsluitende fase. Ik denk dat de mate van cohesie verschilt per fase. Dat de
cohesie groter is in de autonome fase dan de oriëntatiefase en machtsfase. De
vraag of de cohesie in een groep groot genoeg is om te komen tot vitaliteit hangt
daarom samen met bovenstaande punten.

Coherentie
De lectoren geven hieraan de volgende woorden: Wij staan open voor elkaars
opvattingen; Wij weten waar we als groep voor staan; Wij verbinden de
opvattingen van het individu met die van de groep tot een gemeenschappelijk
referentiekader.
Als ik dit in mijn eigen woorden weer zou geven dan zou ik kiezen voor het woord
constructief. Je bent in staat om je eigen opvattingen aan te passen aan die van
de groep.

Taakrollen, procesrollen, taak/procesrollen en dysfunctionele rollen
Bij een constructieve groep denk ik aan een groep waarin mensen zitten die
vanuit verschillende rollen een bijdrage kunnen leveren. Hierbij moet ik denken
aan een tekst die ik haal uit Samen werken, samen leren, Werkboek Sociale
vaardigheden (1983). Hierin worden een aantal rollen die mensen in een groep
kunnen innemen besproken. Zij komen tot een volgende indeling: taakrollen,
procesrollen, taak/procesrollen en dysfunctionele rollen.

Bij taakrollen maken ze een verdere onderverdeling in: initiatief en activiteit,
zoeken van informatie, zoeken van meningen, geven van informatie, geven van
een mening, uitwerking, coördineren en samenvatten .

Bij de procesrollen maken ze de volgende onderverdeling: aanmoedigen,
deuropener/wegbereider zijn, formueren van regels en procedures, volgen, onder
woorden brengen van het groepsgevoel.

Bij zowel taak als procesrollen komen de volgende rollen aan bod: evalueren,
diagnostiseren, consensus uitproberen, bemiddelen en spanning verminderen.
Tenslotte de dysfunctionele rollen: agressief gedrag, blokkeren, zelfbelijdenissen,
rivaliteit, sympathie zoeken, stokpaardjes, de clown uithangen, aandacht trekken
en demonstratief terugtrekken.
Groep als complex geheel van individuen
Dit is maar een manier waarop je kunt kijken naar individuen binnen groepen. Het
gaat mij hier niet om compleet te zijn maar om aan te geven dat een groep een
complex geheel van individuen is waarbij er een goede afstemming moet zijn
tussen deze individuen. Is de afstemming goed dan kan men komen tot
constructie. In een groep waarin alleen maar initiatiefnemers zitten of alleen
maar volgers dan zal van echte constructie waarschijnlijk geen sprake kunnen
zijn. De vraag die hierbij ook naar boven komt is: welke rollen zouden minimaal in
een groep aanwezig moeten zijn om te komen tot een productieve groep (oftwel
coherentie)?

Dit maakt naar mijn idee nog een keer duidelijk dat het belangrijk is om na te
denken over de manier waarop een groep is samengesteld. Is van te voren bij de
samenstelling van de groep gekeken naar de kwaliteiten van de individuen of
niet?

Coöperatie
De lectoren geven hieraan de volgende woorden: Als groep gaan we doelmatig
met elkaar en met de omgeving om. We commiteren ons vrijwillig aan de
doelmatige samenwerking in onze groep. In mijn eigen woorden komt dit neer op:
we hebben een doel en daar werken we zo effectief mogelijk naar toe.
Je kunt je hierbij afvragen of het soort doel invloed heeft op de effectiviteit. Ook
vraag ik me af in welke mate je je vrijwillig kunt commiteren.

Tenslotte
De lectoren geven aan dat het onderscheid tussen individuele en collectieve
basisbehoeften theoretisch is. Het helpt om de onderzoeksvraag te onderzoeken.
Ik ben blij dat ze dit onderscheid maken omdat het de mogelijkheid geeft om na
te denken over hoe processen binnen een groep verlopen en wat hier allemaal
van invloed op is.