Individualpsychologie

Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934 OCR-scan en omzetting oude spelling: AvdH INHOUD Hoofdstuk Inleiding I. Samenvattend overzicht van de Individualpsychologie II. Causaliteit en finaliteit in de psychologie III. Het psychische als beweging IV. De betekenis van orgaan, orgaanfunctie en orgaanminderwaardigheid voor het zielenleven V. Ik-gevoel en gemeenschapsgevoel VI. Levensplan en persoonlijkheidsideaal VII. Jeugdherinnering, droom, fantasie VIII. Gevoelens, emoties, orgaandialect IX. De vormgevende krachten van het zielenleven X. Seksualiteit, homoseksualiteit en instincten XI. Over het stotteren XII. Over de invloed van de jeugdomstandigheden op de vorming van het karakter XIII. Iets over de genezing door psychische behandeling XIV. Besluit Literatuuroverzicht Register

1
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

INLEIDING HET leven is voor het tegenwoordige geslacht waarschijnlijk in menig opzicht moeilijker dan voor vroegere generaties. (Of men dit een voordan wel een nadeel moet noemen kan hierbij in het midden worden gelaten). Door de snelle wisseling en de toenemende samengesteldheid van de maatschappelijke verhoudingen ziet de mens zich telkens voor nieuwe omstandigheden geplaatst, waarvoor zijn op traditie gegrondveste intuïtieve handelwijze te kort schiet. Hij wordt daardoor, meer dan vroeger het geval was, ertoe gedwongen zich telkens opnieuw te bezinnen en door “proberen” of verstandelijk overleg zich te oriënteren en aan te passen. Omdat zijn oude gedragsregelen hun geldigheid verloren hebben, moet hij dus zijn “karakter” onofoudelijk veranderen en zo heeft hij een belangrijk deel van zijn gevoel van zekerheid en veiligheid verloren. Daar de oude levensgewoonten niet meer passen bij de nieuwe situatie, komen ook de elkaar opvolgende generaties (ouders en kinderen) in zekere zin verder van elkaar af te staan en kunnen de opvoeders er minder dan ooit mee volstaan hun van ouds beproefde tradities onveranderd aan de jongeren door te geven. Enerzijds omdat zij zich zelf daartoe te onzeker voelen, anderzijds omdat zij op verzet stoten bij de jeugd, die, bevangen door de onzekerheid om zich heen, geen vaste regels meer vertrouwt. Deze moeilijkheden gelden niet alleen voor de “hogere” standen, maar evengoed voor de handwerksman en de geschoolde arbeider, want ook voor hen is het voortzetten van een enigszins stabiele traditie een onmogelijkheid geworden. Kunstvaardigheid moet meer en meer plaats maken òf voor een sterk gespecialiseerde en monotone manuele vaardigheid òf voor kennis en inzicht in gecompliceerde methoden en machinerieën. Bovendien is, ook voor de arbeidersstand, het vertrouwen in bepaalde politieke en economische richtingen en leuzen sterk aan het wankelen geraakt. Bij dit alles komt nog een andere factor. Door de beroepsarbeid van de vrouw en haar, ook op andere gebieden te bespeuren grotere gelijkstelling met de man, heeft de jonge moeder zich, althans gedurende een aantal van haar jonge jaren, van het specifiek vrouwelijke gebied afzijdig gehouden en is daardoor innerlijk voor haar natuurlijke taak van moeder wellicht in menig opzicht minder goed voorbereid dan de moeders van vorige geslachten. Sommige jonge vrouwen voelen dan ook bij de gedachte aan een aanstaand moederschap zo’n onzekerheid, dat zij voor de aanvaarding van deze taak zelfs een grote angst of afkeer kunnen hebben.
2
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Door dit alles voelt de volwassene, zowel tegenover de eigen situatie als tegenover zijn taak het kind de weg te bereiden, een toenemende onzekerheid en waar traditie en intuïtie te kort schieten, krijgt de vakman een taak toebedeeld. Een taak, die hierin bestaat, dat hij orde schept in de chaos; dat hij doel en middelen weet aan te wijzen, welke de onkundige en onzekere in staat stellen om de weg te vinden. En evengoed als op de vakman de plicht heeft gerust om de auto zo te vereenvoudigen, dat tenslotte iedereen er mee rijden kan, evengoed is het de taak van de praktische ziel- en opvoedkunde om die inzichten en regels te vinden, welke ook de onervarene in staat stellen zo veel mogelijk fouten te vermijden. Indien het bovendien mogelijk zou zijn om deze regels en inzichten zo’n vorm te geven, dat ze een voldoende mate van algemene geldigheid bezitten, dan zouden ze over de enkeling heen op de massa kunnen worden overgedragen en tot een nieuw bestanddeel van de volkscultuur kunnen worden. Men hoeft daarbij niet al te zeer bevreesd te zijn, dat daarvan weer een nieuwe mechanisering en vervlakking van het gemeenschapsleven het gevolg zal zijn, want ook de nieuwe inzichten over voeding en hygiëne, welke door de medische wetenschap gewonnen werden, zijn zonder nadeel een algemeen bezit van het volk geworden en hebben niet tot een verarming, maar tot een verrijking van de cultuur bijgedragen. Intussen is de bewering, welke men wel eens hoort verkondigen, als zou de tegenwoordige “mode” voor psychologie de oorzaak zijn van veel onzekerheid, wel als onjuist te beschouwen en kan deze mode eerder als het gevolg van een werkelijk bestaande nood worden aangezien. Indien in de voorafgaande beschouwingswijze een kern van waarheid mocht schuilen, dan spreekt het vanzelf, dat de psychologie zich slechts allengs aan de haar hier gestelde eisen zal kunnen aanpassen en aanvankelijk nog ver van een volkomen geschiktheid voor deze taak verwijderd zal zijn. Ook zal het duidelijk zijn, dat deze nieuwe richting in de psychologie zich niet geheel uit zichzelf, in studeerkamer of laboratorium, zal kunnen ontwikkelen, maar dat zij voor haar groei een tijdperk van wisselwerking met het maatschappelijke leven zal moeten doormaken. Pas door het contact met een zo groot mogelijk publiek zal zij zich in en door de praktijk kunnen ontplooien. De hier bedoelde psychologie zal een toegepaste, technische wetenschap moeten zijn, die bij haar beoefening dus niet alleen wetenschappelijke kennis, maar ook kunstvaardigheid vereist. Het verwondert ons niet, dat ze van de geneeskunst afkomstig is, want de taak van de geneeskunst heeft al in de vorige eeuw een uitbreiding gekregen toen zij het, gebied van de lichamelijke hygiëne betrad en zodoende tot een sociale geneeskunde uitgroeide. De nieuwe vergroting
3
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

van haar arbeidsveld, nu zij ook het gebied van de geestelijke hygiëne gaat omvatten, ligt dus in de lijn van de historie. Bij dit alles moet men bedenken, dat de brede massa, meer dan zij zich bewust is, in levensgewoonten en wereldbeschouwing zich door de wetenschap (ook al is dit dan de wetenschap van 10 of 25 jaar geleden) laat leiden. Wat de lichamelijke hygiëne betreft (men denke slechts aan de omwenteling, die zich in de tradities van de zuigelingverzorging voltrokken heeft) treedt dit heel duidelijk aan de dag en de artsen hebben deze uitkomsten in de loop van de jaren door hun raadgevingen en lessen allengs weten te bewerkstelligen. Op dezelfde manier zal ook de nieuwere psychologie, mits zij daartoe haar geschiktheid in de praktijk zal kunnen bewijzen, door de artsen en hun helpers op een gehele bevolking kunnen worden overgedragen. Zoals reeds betoogd werd, zal de medische psychologie daarbij niet alleen de gevende, maar ook de ontvangende zijn, want door het contact met haar publiek zal zij zich telkens voor nieuwe problemen gesteld zien, zichzelf voortdurend moeten corrigeren en zo tot verdere ontwikkeling geprikkeld worden. De arts heeft zich nog niet zo lang voor de taak waartoe hij hier geroepen wordt kunnen voorbereiden. Daartoe is hij eigenlijk pas sinds het einde van de vorige eeuw in staat gesteld en wel dank zij de ontwikkeling van de natuurwetenschappen en hun toepassing ook op de medische wetenschap. Voltaire kon nog zeggen, dat de artsen geneesmiddelen waarvan zij niets wisten, in lichamen brachten, waarvan zij nog minder op de hoogte waren, want 100 jaar geleden stond de geneeskunde nog ongeveer in het teken van middeleeuwse mystiek en dogmatiek. Pas de 19e eeuw heeft onze kennis over de bouw en de functie van het organisme, vooral ook van het zenuwstelsel, en de oorzaken en het wezen van de ziekte zodanig verdiept, dat er, eerst schuchter, later moediger, een schifting tussen lichamelijke en psychische factoren van de ziekte en ook tussen lichamelijke en geestelijke afwijkingen kon worden beproefd. Het aetiologische, d.w.z. het oorzakelijke denken in de geneeskunde en het invoeren van de op deze basis berustende behandelingsmethoden is in hoofdzaak een vrucht van de vorige eeuw en aan beroemde namen als die van Virchow, Pasteur, Kochea, verbonden. En daarom is het tenslotte aan de materialistische richting in de wetenschap te danken, zijn wij het aan mannen als Virchow, die eens decreteerde, dat wij niet meer van ziekten van het organisme, maar alleen van ziekten van de organen of van cellen mochten spreken, verplicht, dat wij tegenwoordig weer, en nu met meer vrucht, juist onze aandacht aan de ziekten en afwijkingen van het geheel, van het organisme èn de psyche kunnen wijden.
4
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Wanneer wij enkele voorlopers buiten beschouwing laten, mogen wij als eerste poging om een, van een aetiologisch standpunt uitgaande, geneeskundige psychologie te grondvesten, de Freudse psychoanalyse beschouwen. Vóór hem droegen zowel psychologie als psychiatrie nog uitsluitend een beschrijvend en classificerend karakter en hadden zij dus geen elementen in zich, welke aan een behandeling dienstbaar gemaakt konden worden. Pas door de psychische verschijnselen in een genetisch verband te beschouwen was het mogelijk om naar een oorzakelijke samenhang te speuren en het is de onvergankelijke verdienste van Freud, dat hij de eerste stappen in deze richting gedaan heeft. Door toevallige omstandigheden, misschien ook tengevolge van zijn persoonlijke eigenschappen, kwam hij bij het onderzoek van zijn eerste gevallen tot de conclusie, dat de oorzaak van de psychische storingen in het gebied van de seksualiteit zou te vinden zijn en naar veler opinie te overhaast of te kortzichtig, nam hij deze conclusie als een algemeen geldend axioma aan, maakte hij ze tot het fundament van zijn wetenschappelijk stelsel. De psychoanalyse is zodoende volgens de mening van velen op de starheid van haar vooropstellingen vastgelopen, ook al trachtte haar schepper de telkens opduikende nieuwe en weerstrevende feiten met behulp van telkens nieuwe hulfypothesen en “Gedankenoperationen” (Krausz) in zijn systeem te voegen. Wel werd daardoor de schijn gered, maar het gehele gebouw van de psychoanalyse werd er hoe langer hoe gecompliceerder, gekunstelder en verwarder door. Veel van wat in de psychoanalytische theorie bruikbaar is en vooral tal van door de psychoanalyse aan het licht gebrachte feiten, zijn tegenwoordig gemeengoed zowel van de wetenschap als van een brede kring van leken geworden, maar de volle erkenning heeft zij, door haar tegen het gezond verstand strijdende uitgangspunten, alleen in een kleinere kring van adepten gevonden. Want, zoals v.d.Hoop het uitdrukt: “Een zielkunde, die zuinigheid betitelt als anaal-erotiek en maatschappelijke gevoelens als gesublimeerde homoseksualiteit, kan een gewoon mens onmogelijk bekoren.” Het starre formalisme van de engere Freudse school wordt dan ook door tal van artsen, waar onder vele die zich niettemin psychoanalytici noemen, niet gehuldigd. Integendeel ziet men allerwege een breder standpunt zich baanbreken en in de praktijk blijkt, naar het mij en anderen voorkomt, dit te betekenen, dat meer en meer het standpunt van de Individualpsychologie genaderd wordt. De Individualpsychologie vindt het onnodig om zich bij het denken, ook wanneer het begrippen van veel algemener strekking betreft, uitsluitend van seksuele symbolen te bedienen en past zich daarom bij de keuze van haar uitdrukkingsmiddelen meer bij het algemene spraakgebruik
5
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

aan. Het is mogelijk dat haar uitkomsten daardoor op het eerste gezicht minder sensationeel lijken dan die van de psychoanalyse en dat zij daardoor iets aan suggestieve kracht heeft ingeboet, maar de praktijk leert ons, dat ook een in eenvoudige taal gekleed nieuw inzicht bevrijdend en corrigerend werken kan. Bovendien spreekt het vanzelf, dat deze eenvoud aan de verbreiding en toepassing van deze inzichten in menig opzicht ten goede moet komen, terwijl bovendien hun wetenschappelijk waarheidsgehalte er groter en directer door is geworden. Deze eenvoud en dit groter waarheidsgehalte dankt de Individualpsychologie ten dele wel daaraan, dat haar schepper Alfred Adler uit de fouten van Freud heeft kunnen leren. Ondanks een tijdelijke, vrij nauwe samenwerking met Freud heeft hij steeds een geheel onafhankelijk en kritisch standpunt tegenover de psychoanalyse ingenomen, als een aandachtig opmerker, die zich door niets gebonden voelde. Daarom is de veel gebruikte kwalificatie, waarbij hij een leerling van Freud genoemd wordt, ook niet geheel als juist te beschouwen. Adler hield zich, al voor hij van Freud gehoord had, met een theorie van de hysterie bezig. Toen deze laatste nu omstreeks 1897 een voordracht voor een aantal Weense artsen hield en door de vergadering zo slecht bejegend werd, dat hij midden in de discussie boos wegliep, heeft Adler het voor hem in een refererend tijdschriftartikel opgenomen. Freud deed naar aanleiding van dit artikel een vergeefse poging om met de schrijver in contact te komen. Later is dit contact toch tot stand gekomen, toen Adler een meisje met hysterische toevallen naar zijn collega verwezen had. Pas in 1902 trad Adler als deelnemer toe bij door Freud geleide discussieavonden over problemen van de neurose. In deze discussies vormde hij steeds een soort tegenpool tegenover Freud, trad remmend op wanneer deze al te speculatief dreigde te worden en verwierf dusdoende de bijval van een groep deelnemers, die ongeveer gelijkgezind waren. Toen echter in 1912 overwogen werd om tot oprichting van een internationale vereniging te komen, die de theorieën van Freud als grondslag zou hebben, meende Adler dat hij deze theorieën niet voldoende als juist erkennen kon en ze evenmin als voldoende vruchtbare uitgangspunten beschouwde. Freud toonde zich daarover zeer teleurgesteld en probeerde, door Adler het voorzitterschap van de Weense groep aan te bieden, hem nog over te halen. Het antwoord van Adler, dat hij dit aanbod weinig verlokkend vond, omdat het hem geen voordeel toescheen om in de schaduw van de ander te staan, is door Freud wel eens zo uitgelegd alsof het geen principieel meningsverschil, maar alleen zijn “geldingsstreven” was, waardoor Adler zich afzijdig hield.
6
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Ten overvloede blijkt ook uit zijn publicatie in 1907 over orgaanminderwaardigheid, waarin wel terloops de theorie van Freud wordt aangehaald, maar overigens een geheel eigen gedachtegang wordt gevolgd, dat Adler nooit tot de “volgelingen” van Freud in engere zin behoord heeft, en dat hij dus evenmin met de naam van “afvallige” kan worden betiteld. Tot de kenmerken van de Adler’s psychologie behoort, dat daarin het “subject”, het “Ik” als uitgangspunt wordt genomen. Als dynamisch element treffen wij er het streven in aan, om dit subject-zijn te handhaven, een streven dus naar zekerheid, naar macht over de omstandigheden, naar een overwinning van de weerstanden en moeilijkheden welke dit streven in de buitenwereld ontmoet. In laatste instantie betekent dit een streven naar aanpassing, naar harmonie of gemeenschap in betrekking tot het milieu. Om dit streven te verwerkelijken beschikt het individu over de hem in zijn “aanleg” gegeven middelen, welke echter pas door hun gebruik, door de “training” tot volle ontplooiing kunnen komen. De keuze, welke van zijn middelen hij tot ontwikkeling zal brengen en in welke richting hij ze gebruiken zal, doet het idividu in antwoord op zijn “jeugdsituatie”. Daarbij kan hij uit een zwakke aanleg door grotere training een meer dan volwaardig resultaat scheppen. Voor de Individualpsychologie zijn “aanleg” en “milieu” geen onveranderlijke, starre factoren, maar als bewegelijke elementen van de jeugdsituatie te beschouwen. Want niet alleen zijn aanleg en milieu beide door de activiteit van het individu te beïnvloeden, maar ook aan het milieu, voorzover het uit hun verantwoording beseffende personen bestaat, moet de mogelijkheid van een dergelijke activiteit worden toegeschreven. Daar Adler aan het Ik aan het scheppend vermogen van het individu, een grote vrijheid laat, komt zijn psychologie in botsing met de meeste oudere theorieën, waarin hetzij aanleg, instinct of aandrift als aangeboren starre gedragsregels fungeeren, welke het karakter van het individu van meet af aan bepalen (“Verbrechen als Schicksal”), hetzij deze zelfde starheid aan het milieu wordt toegeschreven en geheel over het hoofd wordt gezien, dat ook de regels van de opvoeding en van de maatschappelijke verhoudingen zich belangrijk kunnen laten wijzigen, wanneer eenmaal de er aan klevende fouten gevonden en algemeen erkend zijn. In het bijzonder komen de opvattingen van Adler in strijd met de uitkomsten van de erfelijkheidsleer, voorzover men deze ook op de geestelijke eigenschappen van de mens heeft toegepast. Daarbij gaan dus de genetici van een zuiver dualistisch standpunt uit, waarbij naast het bestaan van een lichamelijke ook het bestaan van een aparte
7
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

geestelijke aanleg, die dan aan speciale “genen” gebonden zou zijn, moet worden aangenomen. In de gedachtengang van de Individualpsychologie is de veronderstelling van zo’n aparte geestelijke aanleg daarentegen overbodig. Tegen deze nieuwe denkmogelijkheid verzetten zich een eeuwenoude traditie, en schijnbaar ook de uitkomsten van het statistisch onderzoek. Wat dit laatste betreft, dient men echter in het oog te houden, dat in de Individualpsychologie niet alleen van een andere denkwijze wordt gebruik gemaakt, maar ook met geheel andere begrippen gewerkt wordt, dat dus de definities van de genetici en die van de Individualpsychologen elkaar niet dekken en dus de verschillende redeneringen niet zonder meer onderling te vergelijken zijn. Als hulpmiddel bij de behandeling en de opvoeding is de Individualpsychologie in de eerste plaats vruchtbaar, omdat zij het begrip van de verantwoordelijkheid kent en zich in haar bemoeiingen dus niet richt tot een aanleg, een instinct of een drift, welke onderdrukt of gewijzigd zou dienen te worden, maar tot het subject zelf, dat als vrij en dus verantwoordelijk wordt erkend. In de tweede plaats, omdat in haar systeem een bepaalde “norm” als onafscheidelijk element begrepen is. Dank zij deze, als “gemeenschapsgevoel” gedefinieerde ideale norm, meent zij de weg waarlangs en het doel waarheen de opvoeding of de genezing moet geleid worden, in algemene trekken te kunnen aangeven. Natuurlijk moet de lezer van dit boek, evenals iedere aanhanger van een bepaald wetenschappelijk stelsel, steeds indachtig zijn, dat alle theorieën en vooropstellingen ons uitsluitend als werkhypothesen moeten dienen, dat zij dus voor wijziging vatbaar zijn en niet bij iedere schrijver dezelfde vorm behoeven te hebben. Hij bedenke dus, dat wat in dit boek geboden wordt, er geen aanspraak op maakt de Individualpsychologie te zijn, want er zijn binnen zekere grenzen, zowel in het opstellen van de definities en de uitwerking van de grondbeginselen als in het oordeel over de toepassingsmogelijkheden, allerlei verschillen van opvatting mogelijk.

8
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK I SAMENVATTEND OVERZICHT VAN DE INDIVIDUALPSYCHOLOGIE In de jaren na 1900 heeft zich in de geneeskunde een nieuwe wetenschappelijke richting ontwikkeld, welke zich als psychotherapeutische wetenschap aankondigt. Zij heeft haar bestaansrecht, vooral op het engere gebied van de leer en de behandeling van de neurosen, waar zij zich naast de z.g. “klinische” richting in de psychiatrie stelt, meer en meer bewezen. Zij plaatst zich voor haar beschouwingen op een ander vlak van waarneming dan deze laatste en de oudere richtingen in de psychologie, doordat zij met een tot nog toe verwaarloosde factor, de factor tijd, rekening houdt. Dit is een verschijnsel, dat men allerwege in de wetenschap van dit tijdperk waarneemt en dat men ook zou kunnen aanduiden als de overgang van het “statische” naar het “dynamische” denken. Einstein in de natuurkunde, Von Monakow en Mourgue in de neurologie, Pavlow in de fysiologie, Von Monakow, Winkler e.a.in de anatomie zijn daar voorbeelden van. Zo meent dan ook Winkler [C. Winkler. Handboek van de Neurologie III], in aansluiting aan anderen, dat niet de aanleg over de bouwwijze van het zenuwstelsel beslist, maar dat de aan de buitenwereld ontleende prikkels het zenuwstelsel vormen en vervormen. Ook voor hem is het de functie, die de vorm bepaalt en wijzigt. Volgens de tot dusverre gevolgde methodes in de geneeskunde trachtte men, ook bij zielsziekten, de verschillende ziektetoestanden als afzonderlijke ziektebeelden, als eenheden, tegen elkaar af te grenzen, in symptomen te ontleden, in rubrieken in te delen, daarna met een naam te bestempelen en het vermoedelijk verdere verloop langs statistische weg met meer of minder waarschijnlijkheid te voorspellen. Deze klinische richting in de psychiatrie heeft dus vooral een beschrijvend karakter en de geneeswijze, welke zij toepast berust vooral op het aan de lijder verschaffen van voor hem gunstige, alle geestelijke spanning ontberende situaties. Tot haar geneeskrachtig arsenaal behoorden daarom krachtige voeding, versterkede en kalmeerende medicamenten, electrische of andere baden, rust, verblijf in sanatoria en dergelijke. De moderne richting echter gaat, behalve van de beschrijvende en classificerende beschouwingswijze, die ook voor haar van waarde blijft, bovendien van een ander gezichtspunt uit en zij gebruikt een ander middel om orde in de chaos van de verschijnselen te brengen. Zij laat ons daarbij niet een toestand, maar een geschiedenis, een werking zien, welke een verleden, een heden en een toekomst heeft. De actuele toestand vormt daarbij slechts een schakel in een keten die door oorzaken met het verleden samenhangt en op een eindpunt in de
9
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

toekomst gericht is. Het symptoom, het ziekteverschijnsel, krijgt daardoor een geheel andere betekenis in de geneeskunde in het algemeen, maar vooral in de psychiatrie en de psychologie. De studie van de “persoonlijkheid”, van de “constitutie”, komt daardoor in alle delen van de geneeskunde meer op de voorgrond. Want, achtte men vroeger het ziekteverschijnsel door de aard van de lichamelijke afwijking volkomen bepaald, van het nieuwere standpunt uit ziet men het verschijnsel meer als een persoonlijke reactie van het individu op dit letsel. Grünbaum [Grünbaum, Zeitschrift f.d.ges. Neur. u. Psych. 1929] drukt dit aldus uit, dat in het Symptoom tot uiting komt hoe de patiënt met zijn laesie “fertig wird”, terwijl Alfred Adler [Alfred Adler, Praxis und Theorie van de Individualpsychologie] zegt: “Zo hebben verschillende psychiaters op de samenhang van individualiteit en psychose gewezen en kan men in de ontwikkeling van de psychiatrie een toenemende vervaging van de grenzen van de ziektebeelden constateren. Ideale typen verdwijnen uit de literatuur evengoed als uit de praktijk.” Aldus schuift zich in de geneeskundige beschouwing tussen de simpele samenhang van oorzaak (bijv, een bepaald letsel van de hersenen) en gevolg (het verschijnsel) een gecompliceerde, maar toch weer “einheitliche” grootheid, de persoonlijkheid, die a.h.w. haar stempel op de afloop van de storing drukt, men kan ook zeggen: deze bestuurt of beheerst. Voortgaande komen wij in de psychiatrie en in het bijzonder in de neurosenleer (waar wij met eigenlijke “letsels” niet te maken hebben) tot deze nog krassere formuleering, dat niet iemands aangeboren eigenschappen zijn ziek- of gezond-zijn, zijn geluk of ongeluk bepalen, maar dat het van veel groter belang is wat hij met deze eigenschappen doet, waartoe hij ze gebruikt. Dan blijkt echter tevens, dat dit laatste niet afhankelijk van een onnaspeurlijk toeval of van een voor altijd gegeven aanleg is, maar dat het invloeden van buiten zijn, die reeds in de jeugd de levensrichting van het individu hebben bepaald.
Hoe belangrijk deze invloeden ook in de filosofie worden gerekend blijkt bijv. uit hetgeen Prof. L. Polak in zijn inaugurale rede zegt: “Stellen wij ons een denkbeeldig proefpersoon voor, een zonder waarnemingsvermogen, zonder zintuigen geboren mensenkind. De werkelijkheid zal zich nooit als natuur, zelfs niet als zijn eigen lichaam aan hem kunnen openbaren. Van zijn sluimerende zedelijke aanleg zal niets kunnen ontwaken en volgens Kant zal zijn bewustzijn zelfs geheel leeg blijven.

De neurose, de “zenuwziekte”, ziet men in deze gedachtengang als een reactie van het individu op schadelijke invloeden van buiten, welke reactie ten doel heeft de persoonlijkheid tegen deze invloeden te beschermen en het persoonlijkheidsgevoel of bewustzijn op een dragelijk niveau te handhaven.
Pavlow [Pavlow. Conditioned reflexes], over wiens werk in een later hoofdstuk nog sprake zal zijn, geeft blijk van een zelfde gedachtengang als hij schrijft: “Noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van een

10
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

diersoort en van een van deze is, dat al zijn reacties gekeerd zijn in één bepaalde richting, n.I., die van het levensbehoud. Dit is een wet, waaraan alle activiteit van het dier moet gehoorzamen. Een dergelijke wet geldt ook voor de levenloze stof. Elk systeem kan slechts zo lang als eenheid in stand blijven, als zijn inwendige krachten in evenwicht met de van buiten er op inwerkende krachten zijn.”

Met behulp van de hierboven genoemde vooropstellingen komt de psychologie en ook de psychiatrie nu tot nieuwe onderzoekingsmethodes en dank zij de uitkomsten van deze methodes komt de geneesheer met meer begrip tegenover zijn patiënten te staan; maar ook met meer verantwoordelijkheidsgevoel en een groter optimisme. Want terwijl men vroeger de neurose als een onafwendbaar gevolg van een aangeboren, erfelijken aanleg beschouwde, blijkt zij nu door invloeden van buiten te zijn voorbereid en ontstaan, en wordt de waarschijnlijkheid groter, dat zij ook door invloeden van buiten moet zijn te genezen. Deze invloed uit te oefenen is de taak van de psychotherapeut, ook van de opvoeder. Hun behandeling betekent een nieuwe kracht, die van buiten inwerkt op het “systeem”, dat de patiënt als afzonderlijke eenheid vormt, een kracht, welke het oude evenwicht moet verbreken, zodat er een nieuw voor in de plaats moet treden. De beschouwingen, in het voorafgaande gegeven, hebben vooral betrekking op twee psychotherapeutische stelsels, de psychoanalyse van Freud, waarover in dit boek slechts hier en daar iets gezegd zal worden, en de Individualpsychologie van Alfred Adler. Hoewel Adler steeds een eigen weg is gegaan, heeft hij zich aanvankelijk aan Freud verwant gevoeld en zich bij hem aangesloten. Maar beider wegen gingen toch ten slotte te ver uiteen en dit noopte Adler om in 1912 met de psychoanalyse te breken en een nieuwe school, die van de Individualpsychologie te stichten. De Individualpsychologie wijst Freud’s Trieblehre en het daarin gehuldigde pansexualisme scherp af, maar behoudt hetzelfde uitgangspunt, namelijk de leer van de logische samenhang van de psychische verschijnselen. Ook Adler veronderstelt dus, zoals dit het eerst door Freud gedaan is, dat alle, zelfs de schijnbaar ongemotiveerde uitingen van de persoonlijkheid, gedetermineerd zijn door vroegere geestelijke processen. Met andere woorden: ook de school van Adler neemt aan, dat het psychische gebeuren wetmatig is en daarom verklaarbaar moet zijn. Terwijl echter de psychoanalyse voor de verklaring van de verschijnselen vooral naar oorzaken of naar de oorzaak zoekt, zoekt de Individualpsychologie vooral naar het doel, de zin (zo men wil het gevolg of het resultaat). Adler meent, dat wanneer wij het doel van een handeling kennen, wij die handeling begrijpen en dat, wanneer wij het
11
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

doel van de gezamenlijke uitingen van een individu hebben gevonden, wij zijn persoonlijkheid als geheel begrijpen. Deze wijze van “begrijpen” of “verklaren” is een geheel andere dan de gewoonlijk in de wetenschap gebruikelijke. Zij staat als de “finale” tegenover de “causale” verklaringswijze. Deze laatste wordt bijvoorbeeld ook door Pavlow in hoofdzaak gebezigd. De reacties, die zijn proefdieren vertonen, laat hij ons als volkomen causaal, door de aangewende prikkel gedetermineerd, zien. Een sterke electrische prikkel van de huid geeft een reflectorische, d.i. automatische, door de prikkel streng bepaalde reactie. Wij “begrijpen” echter deze reactie pas zodra wij het doel, een afweer, eraan herkennen. Adler ziet alle handelingen, ook de nerveuse verschijnselen, in laatste instantie in dienst gesteld van het doel van de persoonlijkheid als geheel. In die zin zijn dus alle uitingen van de persoonlijkheid, ook de nerveuse verschijnselen, als doelmatig te beschouwen. Het psychologisch begrijpen wordt aldus in de Individualpsychologie in teleologische zin beperkt. De Individualpsychologie begint in ons land pas sinds korte tijd een meer algemene bekendheid te verkrijgen. Haar verbreiding is waarschijnlijk daardoor tegengehouden, dat zij, die zich voor psychotherapeutische problemen interesseerden, al eerder hun hart aan de psychoanalyse verpand hadden en omdat het steeds weer onmogelijk blijkt om de inzichten van de Individualpsychologie met die van de psychoanalyse tot een organisch geheel te verenigen. Elders, vooral in Oostenrijk, Duitsland, Engeland en Amerika heeft de leer van Adler echter al een grote verbreiding, ook onder artsen gevonden, terwijl haar invloed op het gebied van opvoeding, rechtspleging en literatuur steeds groeiende is. (bijv. bij Emil Ludwig: “Wilhelm van de Zweite”; Duhamel: “La pierre d’ Horeb”). - Zoals reeds gezegd werd, gaat Adler uit van de grootse vooropstelling van Freud, dat alle activiteit en alle geestelijke processen bij de mens door bepaalde motieven gedetermineerd worden, ook wanneer deze motieven de persoon zelf niet bewust zijn. Dromen, vergissingen, eigenaardige gewoonten zijn dan ook geen psychologisch zinloze gevolgen van het toeval, maar zijn bepaald door geestelijke tendensen. Zij hebben wel degelijk een zin, evengoed, dikwijls nog meer dan de bewuste gedachten en handelingen. Want deze laatsten zijn niet zelden slechts het uitvloeisel van een lege conventie. Men kan zelfs zeggen, dat in droom, vergissing en in het nerveuse verschijnsel, klaar en onverbloemd tot uiting komt, wat in het bewustzijn slechts in verwrongen of vervalste vorm voor de dag treedt. De schijnbaar ongemotiveerde handelingen, die niet passen in het raam van de bewuste
12
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

persoonlijkheid, zijn het product van tendensen, die wij ons zelf liever niet bekennen.
“Wij kunnen het neurotisch handelen zo beschouwen, alsof het evenals het bewuste handelen aan een doel gehoorzaamde en voorlopig kunnen wij veronderstellen: de onbewustheid Van een fiktie, van een moraliseerende ondervinding of van een herinnering, komt door een kunstgreep van de psyche tot stand, wanneer het persoonlijkheidsgevoel en de eenheid van de persoonlijkheid door het bewustworden in gevaar zouden komen.” (Adler: Zur Rolle des Unbewuszten in der Neurose.)

Om ons duidelijk te maken, wat hiermede bedoeld is, stellen wij ons als voorbeeld een kellner voor, die bij het afrekenen steeds naar zich toerekent. Toch hoeft hij zich daarbij van oneerlijkheid niet bewust te zijn, mits hij het bedrog tot een vergissing weet te maken. Hij slaagt er dan in om zijn zelfzuchtige drijfveren te volgen zonder zijn goede geweten prijs te geven. Hij wordt tot deze kunstgreep gedwongen, omdat hij anders in strijd zou komen met algemeen erkende wetten van de gemeenschap en hij zich ondanks zijn zelfzucht toch met deze gemeenschap verbonden wil voelen. In de zin van de Individualpsychologie begrijpen wij nu deze kellner, omdat wij zijn doel begrijpen. Bij de kellner uit ons voorbeeld, en bij ieder van ons, vinden wij voor het handelen twee soorten motieven, die tot op zekere hoogte met elkaar in strijd zijn. In de eerste plaats de naar het Ik gerichte tendensen, uitvloeisels van het Ik-gevoel, ten tweede de naar buiten contact zoekende tendensen, uitvloeisel van het gemeenschapsgevoel. Het Ikgevoel, zowel als het gemeenschapsgevoel, zijn te beschouwen als de psychische representanten van door de natuur de mens als noodzakelijk meegegeven reactiemogelijkheden. Het ik-gevoel vertegenwoordigt het primitieve instinct tot zelfbehoud, dat tot afweer drijft van een schadelijke werkelijkheid. Het gemeenschapsgevoel vloeit voort uit het biologische feit, dat de mens door zijn ingewikkelde bestaansvoorwaarden een nauw contact met de gehele, hem omringende werkelijkheid nodig heeft en hij zich alleen door in gezelschap van anderen te leven tegen de natuurkrachten staande kan houden. Beschouwen wij nu eerst het Ik-gevoel, dan zien wij dit bij het jonge kind eerst langzamerhand ontstaan en wel naarmate het tussen zich zelf en de buitenwereld gaat onderscheiden. Wat het dan als Ik-gevoel leert kennen is gedurende zijn lange ontwikkelingsperiode vooral een besef van hulpbehoevendheid en zwakte. En dit gevoel van insufficiëntie duurt nog voort als het intellect al hoog ontwikkeld is. Daardoor beleeft het kind, wellicht in tegenstelling met het jonge dier, zijn hulpeloosheid en dit beleven betitelt Adler met de naam van minderwaardigheidsgevoel. Wel is het kind te weinig introspectief om dit gevoel zo duidelijk en zo bewust waar te nemen, dat het ons iets ervan kan vertellen, maar dat het
13
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

minderwaardigheidsgevoel inderdaad bij hem bestaat, en dat het zelfs de drijvende factor is voor zijn handelingen en uitingen, ervaren wij door zijn doelstelling. Het gehele streven van het kind is naar boven, naar macht en zelfstandigheid gericht. Uit het feit, dat het naar boven wil, besluiten wij, dat het zich onder voelt. Dit naar-boven-willen, dit streven naar compensatie van het minderwaardigheidsgevoel, noemt Adler het geldingsstreven. Wij herkennen dus, en niet alleen bij het kind, het minderwaardigheidsgevoel aan het geldingsstreven. Dit geldingsstreven komt nu op de juiste wijze tot zijn recht langs de weg van oefening en training, door gezonde fantasie en spel. Door middel van de fantasie stelt zich het kind het ideaal van het groter-zijn en streeft nu uit alle macht om, door middel van op dit doel gerichte handelingen, dit ideaal te bereiken.
De combinatie van minderwaardigheidsgevoel en geldingsstreven drijft dus het individu naar de gemeenschap met de werkelijkheid. Het minderwaardigheidsgevoel dwingt tot compensatie, tot vooruitgang. Goldstein zegt: zonder Ik geen gemeenschap.

Maar het kind kan ook de moed missen om zich deze heldhaftige rol toe te vertrouwen. Het verwacht dan niet, dat het door eigen prestaties in de toekomst zijn minderwaardigheid zal weten te overwinnen, maar het gaat zijn minderwaardigheid als een voor goed gegeven, onveranderlijk feit beschouwen. Het minderwaardigheidsgevoel wordt daardoor tot een onverdragelijke kwelling, zodat het kind nu gedwongen wordt om, als het ware langs de weg van de kortsluiting, een onmiddellijke en gemakkelijk bereikbare verhoging van zijn persoonlijkheidsgevoel te zoeken. Dit geschiedt door het kiezen van de schijn voor het wezen. Eén van de middelen daartoe bezit het in de fantasie, welke het kan benutten om in dag- en nachtdromen de realiteit te ontvluchten. De gebrekkige kleine Eyolf van Ibsen stelt zich in zijn dagdromen voor een generaal te zijn en heeft zijn moeder een militaire uniform afgebedeld. Zulke dromen zijn van alle tijden en vinden hun neerslag in het sprookje. Het verachte, lelijke eendje zal later blijken een statige zwaan te zijn en Assepoester wordt door allerlei wonderen, dus zonder eigen toedoen (en zonder risico) tot de uitverkoren prinses verheven.
Maar de zich achtergesteld voelende Assepoes verdroomt aldus haar tijd en het haar opgedragen gehate werk blijft ongedaan. Zij maakt daardoor haar stiefmoeder tot de boze stiefmoeder, die zij nu voor al haar verdere mislukkingen en teleurstellingen verantwoordelijk kan stellen.

Het is duidelijk, dat in dergelijke dromen en sprookjes de fantasie niet het doel heeft om aan de activiteit de juiste richting te wijzen, maar dat zij dienst doet als een verdovingsmiddel, een poging om een niet aanvaardbare werkelijkheid buiten te sluiten. Menig neuroselijder prijst deze vorm van fantasie als zijn hoogste goed, als de enige mogelijkheid
14
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

om zich aan de voortdurende kwelling van het minderwaardigheidsgevoel te onttrekken. En zo komt hij ook tot de arts of gaat naar de somnambule [medium dat tijdens de slaap helderziend is. AvdH] of de magnetiseur, in de vage hoop de tovenaar te vinden, die hem door medicament, electrisch bad, door hoogtezon of hypnose, maar steeds als door een wonder, uit zijn moeilijkheden bevrijden zal (beter worden zonder zich te verbeteren). Maar het ontmoedigde kind kan ook, ter verkrijging van een schijn van macht, zijn hulpeloosheid te baat nemen en zodoende zijn minderwaardigheid zelf als middel voor zijn geldingsstreven benutten. Het dwingt dan bijv. door overdrijving van zijn onbeholpenheid of door voortgezette onzindelijkheid zijn omgeving tot dienstbaarheid; of ook het tracht door weerspannigheid of consequente domheid over haar te zegevieren. Zoals vanzelf spreekt staan het kind bij dit alles uitsluitend reeds van te voren bestaande mechanismen ten dienste en het is te begrijpen, dat aangeboren of verkregen orgaangebreken hem voor zijn doel gelegen komen. Steeds gebruikt het echter intuïtief die middelen, waaraan een bij zijn doelstelling passend resultaat verbonden is. Maar welke techniek het ontmoedigde kind ook gebruikt, het bereikt nooit anders dan een schijnsucces, dat onbevredigd laat, omdat de werkelijke compensatie erdoor wordt tegengegaan.
Een gehuwde vrouw van 31 jaar lijdt sinds haar achtste jaar aan astma. Van jongs af was zij jaloers op de oudere zuster, die door hulp in huishouding en winkel bij de moeder de voorrang wist te verkrijgen. Na een langdurige bronchitis kreeg zij astma-aanvallen (die zij van haar twee jaar oudere lievelingsbroer kan hebben afgekeken). Deze aanvallen worden regelmatig geprovoceerd door iedere gelegenheid, waarbij de oudere zuster op de voorgrond treedt en patiënte zich voelt achtergesteld, maar tevens door opgejaagd kamerstof of kachelas. Welke voordelen geniet nu patiënte? 1e. elk opkomend minderwaardigheidsgevoel ten opzichte van de zuster wordt verdrongen door, vindt zijn compensatie in, het astma-affect; 2e. zij triomfeert toch over de zuster, want de belangstelling van de moeder wordt van de verdienstelijke oudere zuster naar de zieke jongere gewend; 3e. de overgevoeligheid voor stof ontslaat onze patiënte van elke plicht tot gevaarvolle concurrentie met haar zuster op het eigenlijke wedstrijdterrein: het huishouden.

Nemen wij als ander voorbeeld het angstige kind. De verklaring, dat het kind door de angst gedwongen wordt om altijd iemand bij zich te willen hebben, heeft wel in beschrijvenden zin betekenis, maar brengt ons voor het begrijpen van de angst geen stap verder. Bezien wij echter deze angst van de teleologische kant, dan zeggen wij, dat het kind ermee tot doel heeft altijd iemand bij zich te houden en dus steeds te heersen. Nu is de angst begrijpelijk. Het kind gebruikt, zoals Adler het uitdrukt, door “Umfinalisierung”, een hem door de natuur gegeven mechanisme voor zijn privédoelstelling.
Adler: “Dem individual-psychologisch nicht geschulten Untersucher ist beispielsweise Angst gleich Angst. Es ist aber für die Mensenkenntnis viel bedeutsamer, ob einer Angst hat, um davon zu laufen oder um einen zweiten als Hilfskraft in seinen Dienst zu stellen.“

15
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Uit onze definities is gebleken, dat het geldingsstreven van het kind een gevolg is van zijn minderwaardigheidsgevoel. Alle factoren, die het minderwaardigheidsgevoel vergroten, zullen dus in gelijke mate het geldingsstreven versterken. Voor het kind hangt er dan verder alles van af, of dit versterkte geldingsstreven hem zal aanvuren tot verhoogde prestaties, of dat hij, ontmoedigd, met de schijn genoegen zal nemen. Want eenmaal gekomen op de verkeerde weg van de schijncompensatie wordt het kind daarop, door de schijnlogiek van de feiten, onverbiddelijk voortgedreven. Het zo-even besproken angstige kind zal in het steeds gereder op te roepen mechanisme van de angst, de objectivering van zijn oorspronkelijk zuiver subjectief gevoelde minderwaardigheid vinden. Iedere doorgestane angst maakt zijn minderwaardigheidsgevoel intenser en noodzaakt hem tot een wederom verhoogd geldingsstreven. In deze gedachtengang zien wij de neuroselijder zich uit het ontmoedigde kind als voor onze ogen ontwikkelen, want eenmaal in deze duivelskring gevangen, is de bevrijding zonder hulp van buiten onmogelijk geworden. Er zijn nu allerlei factoren, die een versterkende invloed op het kinderlijke minderwaardigheidsgevoel uitoefenen. Zij kunnen gelegen zijn in aangeboren lichamelijke eigenschappen of orgaanminderwaardigheden en in uiterlijke omstandigheden. Wat nu de eerste betreft, nemen wij bij vele van ons patiënten het tot in de vroegste jeugd teruggaande pijnlijke besef van lichamelijke minderwaardigheid waar. Dikwijls worden daaraan sterke functionele klachten verbonden of wordt een geringe insufficiëntie van een bepaald orgaan, op dezelfde wijze als bij de angst beschreven, vergroot of aangewakkerd. Telkens wordt dit mechanisme in gang gezet, wanneer de zo kwetsbare persoonlijkheid zich in haar minderwaardigheidsgevoel bedreigd voelt. In plaats, dus ter compensatie, van het besef van de vermeende, gevreesde of werkelijk geleden nederlaag, waarvoor men zich als het ware persoonlijk aansprakelijk voelt, komt nu een lichamelijk lijdensgevoel, waarvan het boze noodlot de schuld draagt. Zo worden hartbezwaren, astma-aanvallen, hoofdpijn en storingen van het maagdarmkanaal, ook epileptische toevallen in dienst en ter bescherming van het lk-gevoel gesteld, maar tevens als geschikte voorwendsels gebruikt om voor het streven van het gemeenschapsgevoel te wijken, of om door list een, op andere wijze onbereikbaar schijnend doel te naderen. Als een in het bijzonder op de voorgrond komende lichamelijke factor voor het ontstaan van een vergroot minderwaardigheidsgevoel, is het geslachtsverschil te beschouwen. Onze beschaving wordt nog steeds beheerst door een hogere waardering van het mannelijke geslacht en vroeger of later komt daardoor het meisje tot het besef, dat het als een
16
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

klasse minder beschouwd wordt. Daardoor verkrijgen de specifiek vrouwelijke organen en orgaanfuncties het subjectieve karakter van lichamelijke minderwaardigheden en bestaat er grote kans, dat het minderwaardigheidsgevoel aan deze organen en orgaanfuncties gehecht wordt en deze laatsten als compenserende ontladingsmechanismen benut worden. Want ieder minderwaardigheidsgevoel dwingt tot compensatie door het optreden van een ondragelijke spanning, die, als de werkelijke compensatie onmogelijk is, tot een ontlading door kortsluiting dwingt, waarbij het begeleidend affect het eigenlijke conflict verdringt naar het onbewuste. Door deze verkeerde waardering krijgt tevens het vrouwelijk geldingsstreven, dikwijls tot lang na de kinderjaren of voor het gehele leven, de richting van het streven naar manlijkheid en een afwijzen van de vrouwenrol. Het gedrag schijnt dan in vele opzichten te zeggen: Ik ben geen vrouw, ik protesteer, ik ben een man. Adler gaf daarom aan dit complex van verschijnselen de naam van mannelijk protest, Dit mannelijk protest wordt bij iedere neuroseleider in een of anderen vorm aangetroffen, want ook bij de man speelt deze verkeerde waardering van de geslachten een belangrijke rol en kan zelfs tot een alles beheersende levensfactor worden. Reeds de knaap wordt het begrip “manlijk” als het ideaal van volmaking voorgehouden (“Jongens huilen nooit” ; “een man is niet bang voor pijn”; “een man een man, een woord een woord”), terwijl het begrip “vrouwelijk” ongeveer het tegendeel voor hem gaat betekenen (“meisjeskuren”, “zo ijdel als een meisje” enz.). En zo versmelten ook voor hem al vroeg de begrippen “sterk” en “boven” met “manlijk” en de begrippen “zwak” en “onder” met “vrouwelijk” , met dit gevolg, dat hij in zijn bewuste of half- bewuste leven aan vele van zijn subjectieve tekortkomingen een vrouwelijk karakter zal toekennen en voor hem het gevoel van minderwaardigheid in droom en fantasie de vorm van gecastreerd zijn of de angst daarvoor kan aannemen. Het geslachtsverschil wordt zo tot een symbool, dat gebezigd wordt om het minderwaardigheidsgevoel of het geldingsstreven als door een gelijkenis tot uiting te brengen. En terwijl, mede om deze geslachtelijke symboliek, de seksualiteit door Freud tot kernprobleem wordt verheven, is het voor Adler “kein Wunder, dasz man in der psychologische Analyse immer auf sexuelle Relationen stöszt. Sie sind alle als jargon und bildliche Ausdrucksweise zu verstehen.” En zo kan ook bij de man het verhoogde geldingsstreven dezelfde richting volgen als bij de vrouw en evenals bij haar in de vorm van het manlijk protest tot uiting komen. Manlijkheid en seksuele potentie worden dan het hoogste ideaal en de betrekking tot het andere geslacht de proefsteen ter bepaling van de eigen waarde.
17
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Deze proef wordt nu des te heviger verlangd en tegelijk des te hardnekkiger ontweken, naarmate meer aan de uitslag getwijfeld wordt. En daardoor wordt het seksuele probleem niet alleen tot een obsessie, maar wordt de oplossing van dit probleem tevens voor altijd onmogelijk gemaakt. Want tot dit doel roept de patiënt de verschillende nerveuse seksuele storingen te hulp en moeten zowel de psychische impotentie als allerlei perversiteiten de gelegenheid scheppen om voor de geslachtelijke vuurproef uit de weg te gaan. Zo bezien komt ook het “Oedipus-complex” in een geheel ander licht, want de binding aan de moeder herkennen wij nu als een middel om de mannelijke vuurproef te kunnen afwijzen, zonder aan het minderwaardigheidsgevoel een bewuste concessie te doen. Maar nu verliest ook, en dit is praktisch van groot belang, het probleem van de homoseksualiteit zijn onaantastbaarheid en wordt het in principe oplosbaar. Een andere groep van omstandigheden, die het kinderlijk minderwaardigheidsgevoel versterken, is te vinden in het sociale milieu. De mens denkt nu eenmaal in tegenstellingen en voor het kind, dat door zijn armoede zich allerlei ontzegd ziet, zal daarom het geldingsstreven gemakkelijk de vorm van een lusthonger aannemen. Lekker eten, mooie kleren en zich-te-buiten-gaan worden tot een levensdoel en doordat deze kinderen door hun milieu in de regel vreemd tegenover de heersende zedelijke normen staan, is voor hen de verleiding groot om te trachten langs de kortste weg, door misdaad of prostitutie, dit doel te bereiken, terwijl de kans gering is, dat zij door verhoogde inspanning hun ongunstige jeugdomstandigheden zullen compenseren. Dat niettemin deze compensatie mogelijk is, leert ons de levensgeschiedenis van menig groot zakenman of miljonair. Deze hebben zelfs een overcompensatie van hun minderwaardigheid bereikt en leveren daardoor een voorbeeld van een proces, waarvan de betekenis door Adler sterk naar voren is gebracht. Hij ziet stotteraars zich tot redenaars ontwikkelen en bijzienden de schildersloopbaan kiezen, en zo bestaat dus de mogelijkheid, dat iemand een goede wiskunstenaar wordt, omdat hij een slechte aanleg voor wiskunde heeft medegekregen. Ten slotte is een belangrijke groep van omstandigheden samen te vatten onder de naam familieconstellatie. Het enige kind, het jongste, het kind, dat zonder vader of zonder ouders opgroeit, het enige meisje onder meer broers, zij allen doen subjectief zeer verschillende ervaringen op en krijgen daardoor een eigenaardige stempel op hun karakter.
Havelock-Ellis (geciteerd naar H. Postm a, Proefschr., Groningen, 1929) onderzocht de gezinsconstellatie van 1030 beroemde personen. Onder hen overwegen de eerst- en de laatstgeborenen. “In the small and mediumsized families it is the eldest, who most frequently achieves fame; in the large families it is the youngest.”

18
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Bezien wij bijvoorbeeld het jongste kind. Het is omringd door reuzen, die hem door hun grotere kracht en ervaring zijn minderwaardigheid telkens weer doen voelen, die hem uitlachen, plagen of vertroetelen en hem nooit voor geheel vol aanzien. Zij blijven steeds een voorsprong behouden, ook al tracht de kleine hen, geprikkeld door een opgezweepte eerzucht, uit alle macht voorbij te streven. Dank zij deze omstandigheid kentekent de jongste zich dikwijls door een vechtlustige, zelfs revolutionnaire houding of verkrijgt hij, door zijn voortdurende oplettendheid en naijver een bijzondere intelligentie (Klein Duimpje). Maar of deze eerzucht tot werkelijke prestaties zal leiden of dat het kind, vroeg ontmoedigd, de proeven van werkelijke bekwaamheid uit de weg zal gaan, hangt verder van bijkomstige factoren af. Daarbij speelt het ingrijpen van de opvoeders een grote rol, of zij het kind begrijpen en het daardoor in de goede banen weten te leiden, of dat zij het uiterst prikkelbaar geworden kind steeds verder zullen drukken en ontmoedigen. De Individualpsychologie leert ons de kinderlijke reacties te verklaren en stelt ons daardoor niet alleen in staat om de ontmoediging reeds in de aanvang vast te stellen, maar ook om deze te corrigeren. Dat heeft zij in de praktijk bewezen, doordat zij in staat bleek een belangrijke rol bij de opvoeding, vooral van het “moeilijke kind”, te vervullen. Als één van haar grondregels bij de opvoeding geldt, dat iedere autoriteitsopvoeding, welke vooropstelt, dat het kind vóór alles moet gehoorzamen, uit de boze is. Het kind, van wie de wil gebroken wordt, valt in een ellendig minderwaardigheidsgevoel en reageert òf met een versterkt geldingsstreven in de zin van een revolutionnaire of achterbakse opstandigheid, òf, als men het er werkelijk onder krijgt, verliest het ieder initiatief, wordt hopeloos laf en onzelfstandig. Het verbergt zijn geldingsstreven angstvallig en tracht zich door vleierij en onderworpenheid te handhaven. Men krijgt dus als product òf het kind met mateloze eerzucht, dat door iedere nederlaag of tegenstand ontmoedigd wordt òf het modelkind, dat later teleurstelt door gebrek aan zelfstandigheid. Beiden zullen zij, omdat zij de moed tot werkelijke prestatie missen, stelselmatig elke proef ontwijken en om dit, vooral voor zich zelf te verbloemen, arrangeren zij dan, wanneer de nood dringt, de neurose. Zij lijden dan schijnbaar aan de neurose, in werkelijkheid aan de gevolgen van een in de jeugd verkregen verkeerde levenshouding. Wel zijn de hier gegeven voorbeelden uitersten, maar ook wanneer andere factoren in de ontwikkelingsgang de vroegere autoriteitsopvoeding corrigeren, blijven de gevolgen toch nooit geheel achterwege, maar komen tot uiting bijv. door een te grote gevoeligheid of door een onzekerheid in beslissende levensomstandigheden.
19
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

In het voorafgaande is getracht, door enkele voorbeelden deze invloed van de jeugdomstandigheid op de doelstelling aan te duiden. Deze invloeden werken via het minderwaardigheidsgevoel en het geldingsstreven op de oorspronkelijk gegeven individuele eigenschappen. Het product van deze factoren noemen wij het karakter, dat zich in zijn doelstelling als een eenheid aan ons openbaart.
Hier wordt een kernpunt van de Individualpsychologie, een punt, waarin Adler wel het meest wordt misverstaan, geraakt. Ook Adler neemt een nerveuse dispositie aan, maar deze is volgens hem niet gelegen in een primaire geestelijke abnormaliteit, maar berust enerzijds op een objectieve grondslag (aangeboren orgaanminderwaardigheid), anderzijds op subjectieve basis (ongunstige milieuomstandigheden). Deze factoren hebben als gevolg een bemoeilijkte aanpassing en maken zo een versterkte compensatie noodzakelijk, waarvan de “psychische Überbau” één van de uitingen is. “Die Krankheit ist eine Resultierende aus Organminderwertigkeit und aüszeren Angriffen”. „Der organisch erschwerten Einfügung in das Leben entsprechen seelische Schwierigkeiten. Im Kampfe mit diesen entstehen seelische Haltungen. An diesem Punkte ist van de Übergang von körperlichen zu seelischen Erscheinungen zu erfassen. Een gelijksoortigen gedachtengang vindt men ook bij Fr. Paulsen [Einleitung in die Filosofie, 9e Aufl., 1903] “Gegeben sind psycho-fysische Systeme; der Wille-zum-Leben und seine Betätigung (mg. en gs., met als gevolg streven tot aanpassing), die psychische Seite; die leibliche Organisation und ihre Betätigung (orgaanminderwaardigheid en de compensatie daarvan), die psysische Seite“. “Oder: Was von innen gesehen, im Bewusztsein des Wesens selbst, als Trieb und Streben sich darstellt, das stellt sich der Beobachtung des Biologen dar als ein fysisches System mit der allgemeinen Tendens auf Reize mit Betätigungen zu reagiren, die im Sinne der Erhaltung des Systems wirken.“ Zo ziet Adler dan ook objectief de neuroselijder als een product van aanleg en milieu en besluit hij een “Gutachten” met de volgende woorden: “Wir sind uns bewuszt, dasz auf dem Patienten der Eindruck seiner körperlichen und seelischen Minderwertigkeit seit der frühesten Kindheit lastet, so sehr lastet, dasz er ihm die normalen Entwicklungsmöglichkeiten abgeschnitten hat. Heeft de Individualpsychologie de patiënt echter tot het inzicht gebracht. dat hij in de hem gegeven omstandigheden ook anders had kunnen reageren dan hij gedaan heeft, dan wordt hij voor zich zelf verantwoordelijk en vervalt dus voor hem het excuus van zijn aangeboren aanleg. De Individualpsychologie vergelijkt niet verschillende individuen om uit hun verschillend gedrag tot een verschil in aanleg te kunnen besluiten, maar zij gaat bij haar methodes van het individu als gegeven uit en tracht dan zijn gedrag uit de omstandigheden, die op hem inwerken, te verklaren. Daardoor vervalt de aangeboren aanleg uit de individualpsychologische beschouwingswijze. Een belangrijk resultaat van Adler’s methode van onderzoek is een betere kennis en een juistere waardering van de jeugdomstandigheden wat betreft hun invloed op de vorming van het karakter. Dank zij deze kennis kwam de Individualpsychologie tot een belangrijke, algemeen geldige conclusie: dat voor de praktijk van de mensenkennis de jeugdomstandigheden van veel grotere, de aangeboren aanleg van veel geringere betekenis is dan tot dusverre werd aangenomen. Dat de ziekelijke storingen in het karakter niet de concrete uitdrukking zijn van een verkeerde aanleg, maar als een onlogische reactie van het relatief minderwaardige individu op hem overmachtig toeschijnende omstandigheden zijn op te vatten.

Ook het neurotische verschijnsel staat in dienst van die doelstelling en is daarom te beschouwen als een bestanddeel van het karakter en niet als iets vreemdsoortigs, dat er plotseling bij het uitbreken van de ziekte aan toegevoegd is. Het heeft tot taak om langs sluippaden het anders onbereikbaar schijnende levensdoel te naderen of, met behoud van het persoonlijkheidsgevoel, de terugtocht uit een niet aangedurfde situatie te dekken.
20
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

De verschijnselen, die wij neurotisch noemen, wanneer zij ontstaan onder omstandigheden, waarin hun doel ons op het eerste gezicht onbegrijpelijk of bij nader toezien oneerlijk voorkomt, aanvaarden wij in andere omstandigheden. De depressie na het verlies van een nabestaande, de angst en verwarring bij plotselinge gevaren, de troostende visioenen bij verdwaalde woestijn- of poolreizigers zijn evenzovele natuurlijke middelen om het opkomende gevoel van minderwaardigheid tegenover de overmachtige, vijandige werkelijkheid terug te dringen en te vervangen door een compenserend affectief Ik-gevoel.

Zoals Freud al aantoonde, zijn de dichters de psychologen soms ver vooruit geweest (Psychopathologie des Alltagslebens) en zo vertonen bijv. de persoonsanalysen van Ibsen dikwijls zeer duidelijk AdIers techniek. In hetzelfde toneelstuk, waaruit ik zo-even aanhaalde, vinden wij daar een voorbeeld van.
Allmers, de vader van kleinen Eyoll, is dank zij het fortuin van zijn vrouw, in staat zich geheel aan zijn levenswerk, een boek over de menselijke verantwoordelijkheid, te wijden, Door de studie overspannen heeft hij vacantie in de bergen genomen en komt als een herboren mens terug. Hij heeft het eigen ideaal opgeofferd terwille van zijn kind. Door zich aan de zoon te wijden zal hij deze in staat stellen om meer te bereiken dan hem zelf ooit vergund zou zijn. Zijn vrouw spreekt, evenals onze patiënten dikwijls doen, alsof zij de boeken van Adler gelezen heeft: “Je hebt eigenlijk nooit echt van Egolf gehouden. Eerst ging je zo helemaal op in dat boek. En dat heb je nu niet uit liefde tot hem opgeofferd, maar omdat je verteerd werd door gebrek aan zelfvertrouwen, omdat je begon te twijfelen of je wel tot een grote levenstaak geroepen was. Dáárom wil je een wonderkind maken van kleinen Eyolf”.

Volgens Adler moet men dus bij iedere lijder aan neurose door analyse het levensplan uitvorsen. De nerveuse verschijnselen zullen dan in dienst van dit levensplan blijken te staan en daarmee is de zin, het doel van de neurose gevonden. De vorm van de neurose verliest dan zijn betekenis, want het is dan nog slechts van ondergeschikt belang of de patiënt door dwangvoorstellingen dan wel door slapeloosheid of angst zijn plicht tot activiteit in de zin van het gemeenschapsgevoel tracht uit de weg te gaan. Dat deze zin van de verschijnselen de patiënt onbekend, althans onbewust blijft, is onontbeerlijk, want alleen zolang hij zich voor deze verschijnselen onverantwoordelijk voelt, hebben zij reden van bestaan. Heeft men hem hun bedoeling getoond, heeft men hem de neurose als arrangement laten zien, dan heeft zij haar bestaansrecht verloren en de verschijnselen moeten verdwijnen of vergroven tot simulatie. In beide gevallen is echter de neurose genezen, want de neuroselijder is toch in wezen geheel anders dan de simulant. De eerste neemt in ruil voor schijnbare voordelen een vaak zeer bitter lijden op zich, de simulant lijdt niet onder zijn verschijnselen, want hij is een acteur, die zijn aandacht uitsluitend gericht houdt op het effect, dat zijn optreden naar buiten maakt. De macht, die de neuroselijder tot zijn arrangementen dwingt, is zijn gemeenschapsgevoel. Dit gemeenschapsgevoel is een noodzakelijk uitvloeisel van het biologische feit, dat de geïsoleerde mens een fictie is,
21
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

welke strijdt met zijn gehele lichamelijke en geestelijke organisatie, dat hij dus alleen in gemeenschap met anderen kan leven en zich in stand houden. Deze biologisch noodzakelijke drang naar gemeenschap manifesteert zich psychologisch als het gemeenschapsgevoel, dat zo de rol vervult van een biologisch geweten. Dit geweten drijft ook de neuroselijder en doet hem hunkeren naar die gemeenschap, waarvoor zijn overmatig en ontmoedigd Ik-gevoel hem tegelijkertijd een veilige afstand wil doen bewaren. Zijn versterkt minderwaardigheidsgevoel doet hem ieder contact met de werkelijkheid als een doodsgevaar vrezen, want het gemeenschapsgevoel stelt de eis van een versmelting, een opgaan in het andere en dus een prijsgeven van het Ik. Door de concentratie naar buiten, door de verwisseling van het ik-gevoel voor het gemeenschapsgevoel vindt de gezonde de bevrijding; het vastkleven aan het Ik-gevoel betekent voor de neuroselijder een altijd durende gebondenheid, des te knellender, omdat daar naast blijft bestaan de wetenschap van en de hunkering naar het verloren gewaande paradijs. Bezien wij nu het gemeenschapsgevoel nader, dan komt dit tot uiting in drie groepen van plichten, die onafwijsbaar door ieder mens gevoeld worden. 1e. De zakelijke prestatie tot organisatie van het levensonderhoud. Dus in wijde zin het contact, de gemeenschap met de materiële en ideële werkelijkheid.
Als voorbeeld nemen wij een jongen, bezig met een bouwdoos. Hij is zó in zijn werk verdiept, dat in zijn bewustzijn elke scheiding tussen zijn “ik” en het speelgoed ontbreekt. Er is gemeenschap en het kind heeft het gemeenschapsgevoel. Veronderstellen wij nu, dat een volwassene, die de jongen zo in zijn spel verdiept ziet, tot hem zegt: “Wat ben je een flinke jongen, dat je zo’n mooie toren kunt bouwen.” Nu kan een verstoring (door invloeden van buiten) van het gemeenschapsgevoel het gevolg zijn, want in het bezig-zijn met de blokkendoos ligt nu een gevaar voor de jongen. Valt de toren om dan is het met zijn flinkheid gedaan.

2e. Het in betrekking treden tot andere mensen in algemene zin. Als uiting van de behoefte tot dit gemeenschapsgevoel kunnen wij de kwelling beschouwen, die de neuroselijder ondergaat, doordat hij zich ook in gezelschap van anderen toch altijd alleen blijft voelen. Hij waagt het niet om samen, in gemeenschap met anderen, naar één doel te streven, zijn “Ik” te verliezen. 3e . De geslachtsbetrekkingen in ruimen zin. Seksuele en ouderliefde. Ook hier faalt de neuroselijder het doel, een werkelijke versmelting, na te streven en ook op dit gebied neemt hij de schijn voor het wezen. Zijn doel wordt de eigen lust, zijn wanhoop, dat hij die lust, die in volkomen vorm alleen de overgave begeleidt, niet kan deelachtig worden.
22
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Zo geldt voor ieder van deze drie plichten een zelfde wet: dat zij slechts door volkomen concentratie, door een laten vallen van het ik-gevoel en door een volkomen gevoel van gemeenschap vervuld kunnen worden. Wie aan zich zelf gelooft, neemt deze plichten tot een vanzelfsprekend levensdoel. De ontmoedigde echter twijfelt of hij tegen deze taak is opgewassen. Hij vreest zozeer de nederlaag, dat hij de strijd liever ontwijkt. Hij handelt dusdoende in strijd met zijn biologisch geweten en om zich aan de verantwoordelijkheid daarvoor te onttrekken, arrangeert hij de neurose. De Individualpsychologie ziet dus in het gemeenschapsgevoel een biologische noodzakelijkheid en bij de neurose een storing van dit gemeenschapsgevoel. Wanneer zij deze storing tracht op te heffen is haar therapie dus aetiologisch. Zij spoort daartoe de bron van deze storing op en vindt die in het, ten gevolge van jeugdomstandigheden (al of niet in verband tredend met orgaanminderwaardigheden), verhoogde kinderlijke minderwaardigheidsgevoel. Maar nu rijst de vraag of, als dit zo is, er voor de neuroselijder geen sprake is van een onveranderlijk noodlot en dus iedere therapie van te voren als onmachtig moet worden beschouwd. Aan die ongelukkige jeugdconstellatie is immers nu niets meer te veranderen en voor iedere lijder zou daarom de ontwikkeling van zijn neurose het uitvloeisel van een natuurwet zijn. Deze zienswijze zou alleen dan gelden, wanneer de objectieve feiten zelf voor de reactie van het kind het drijvende agens waren. In werkelijkheid zijn zij dat niet, maar is het zijn subjectieve waardering van de feiten. Niet de feiten zelf, maar de wijze, waarop hij ze waarneemt en verwerkt, zijn voor hun effect op zijn psyche van belang. En daarom ontbreekt de neuroselijder het klaagrecht, want geen macht ter wereld heeft hem kunnen dwingen om zijn ervaringen juist zó en niet anders tot ondervindingen te verwerken. Aan hem, aan zijn eigen vrije persoonlijkheid, blijft dus de innerlijke verantwoordelijkheid voor zijn verkeerde levenshouding. Het herstelde besef van deze verantwoordelijkheid brengt nu voor de patiënt de verplichting mee om zijn onjuiste waardering van de jeugdomstandigheden te corrigeren, de op deze waardering gebouwde conclusies als ongeldig te erkennen en de eruit voortvloeiende onjuiste doelstelling te verlaten. Maar dan verliezen tevens, door dit inzicht, de neurotische verschijnselen hun dwangmatig karakter, want, in plaats van te gehoorzamen aan een wetmatige causaliteit, blijken zij nu van die onjuiste doelstelling afhankelijk te zijn. En voor deze laatste draagt de patiënt, omdat hij haar ieder ogenblik kan verlaten, de volle verantwoordelijkheid.
23
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Zoals men bemerkt worden wij hier voor het probleem van “de vrije wil” geplaatst. De oplossing van dit probleem stuit in laatste instantie op een onoverkomelijke tegenstrijdigheid, welke ik meen te kunnen toelichten aan het volgende voorbeeld: n.l. een zwaluw, die op een bepaalde tijd van het jaar zijn nest gaat bouwen. Als buitenstaanders zien wij duidelijk in, dat het vogeltje daartoe gedwongen wordt door een, in zijn organisme vastgelegde, biologische wetmatigheid, Denken wij ons zelf echter in de plaats van het diertje, dan kunnen wij zeer wel aannemen, dat het, subjectief, deze moeitevolle arbeid als een plicht beschouwt, welke het uit vrije wil aanvaardt en voor de volbrenging waarvan het zich verantwoordelijk weet. Het feit, dat het zuiver natuurwetenschappelijk denken ons tot de beschouwing van het levende organisme als een reflex-mechanisme, dus zonder vrije wil en zonder verantwoordelijkheid voert, staat in onoverbrugbare tegenspraak met het even onomstotelijke feit, dat wij subjectief onze verantwoordelijkheid voelen.

De Individualpsychologie meent niet een alles-verklarende geesteswetenschap te zijn. Adler zegt zelf:” Wir bringen keine absolute Wahrheit, aber wir tun alles, was menslicher Geist tun kann: Wir führen von gröszeren Irrtümern au[ kleinere zurück.” Ook is de Individualspsychologie er zich van bewust, dat zij zich voor haar onderzoek van een zeer bepaalde beschouwingswijze, berustend op een bepaalde doelstelling, bedient. Daarbij is zij in haar recht. Ongelijk zou zij slechts hebben, wanneer zij wilde loochenen, dat dezelfde feiten ook van andere gezichtspunten uit te beschouwen zouden zijn, dat zij dus het bestaansrecht van andere methodes van onderzoek zou willen ontkennen, of wanneer haar eigen redeneringen en conclusies logisch onhoudbaar zouden blijken. Dat dit laatste niet het geval is, daarvoor pleit, dat Adler’s zienswijze zich aansluit bij de mening van menig nuchter denkende leek, van wie men soms een onverwacht juist oordeel over onze patiënten vernemen kan; bij de “Witz”, volgens welke de vrouw in zwijm valt om haar wil bij de heer en meester door te drijven en bij de algemeen geldende opvatting van de renteneurose, waar het doel van de verschijnselen al zeer duidelijk aan de dag komt. Het is dan ook begrijpelijk, dat menig patiënt na een geslaagde behandeling (niet alle behandelingen slagen) de verzuchting slaakt: “Hoe is het mogelijk geweest, dat ik zelf dat alles niet van den beginne af geweten heb. Nu komt het mij voor, of mij dit alles ook vroeger reeds vaag bewust is geweest.” Maar ook voor hem heeft gegolden, dat hij wel de splinter in het oog van de ander, maar niet de balk in het eigen oog kon zien. Pas als een ander hem de spiegel voorhoudt, moet hij wel zien. Adler houdt hem die spiegel voor en het is dus ook een beeld van de waarheid en niet de waarheid zelf, die hij hem toont. De waarheid is volgens Van de Bergh van Eysinga niet gelijk een pakje, dat wij in de hand kunnen houden en door kunnen geven, maar een levend steeds veranderend beginsel. Het streven naar waarheid is de waarheid zelf.
24
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Geen dode letter houdt Adler zijn patiënten voor, maar hij helpt hen om naar de levende, altijd wisselende waarheid te streven. Hij leert hun waar te zijn, dat is: te leven in gemeenschap met de werkelijkheid.

25
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK II CAUSALITEIT EN FINALITEIT IN DE PSYCHOLOGIE Wanneer men een glas water in de hand heeft en dit glas omkeert, dan valt het water eruit, en dit gebeurt telkens, hoe dikwijls men deze proef ook herhaalt. Hieruit put men de verwachting, ik mag wel zeggen de zekerheid, dat ditzelfde ook in de toekomst gebeuren zal. In de natuurwetenschap acht men nu een verschijnsel “verklaard”, wanneer men het als het wetmatig gevolg van een ander verschijnsel heeft leren kennen. En men gaat van de vooropstelling uit, dat alle verschijnselen zonder uitzondering op deze wijze verklaarbaar moeten zijn. Elk verschijnsel in de natuur is dus een gevolg van een, het verschijnsel volkomen bepalende, oorzaak, d.w.z. dat alle veranderingen in de natuur aan de wet van oorzaak en gevolg, aan de wet van de causaliteit gehoorzamen. Het is duidelijk van hoeveel belang het is, dat deze wet onder alle omstandigheden geldt; want wij vinden in haar het enige houvast, dat wij voor ons doen en laten in het dagelijks leven bezitten. Zonder deze wet zouden wij in een voortdurende onzekerheid leven. ‘Wij zouden geen enkel plan kunnen maken, geen berekening zou mogelijk zijn; kortom ons gehele bestaan zou op losse schroeven komen te staan.
Een illustratie van de moeilijkheid waarin wij zouden geraken geeft de volgende anekdote. Op de Olympus zijn twee Goden in een ledig ogenblik aan het kaartspelen. God A schijnt een pracht van een kaart getrokken te hebben, want hij waagt een bijzonder hoge inzet. Maar tot zijn verwondering laat God B zich niet overbluffen en biedt telkens hoger tegen hem op. De pot wordt reusachtig en eindelijk, als er besloten wordt om het spel te eindigen, keert A zijn kaarten en wil, omdat hij vier azen heeft, zich de pot reeds toeëigenen. Maar nu keert ook God B zijn kaarten en hij blijkt … vijf azen te bezitten. Nu wordt echter A woedend en verklaart het spel voor ongeldig, terwijl hij de ander het verwijt toeslingert: “Wij hadden immers afgesproken, onder elkaar geen wonderen te doen.”

Inderdaad zou ieder wonder inbreuk maken op elke regel, op elke orde en wij moeten daarom dankbaar zijn, dat in de natuur, in ons leven-vanalle-dag geen wonderen gebeuren, maar dat alles gebonden is aan een vaste spelregel, de wet van oorzaak en gevolg. De zekerheid en het zelfvertrouwen, die deze spelregel ons verschaft is nog niet zo’n oud of algemeen bezit van de mensheid. Want ook voor de Westerse beschaving liggen de tijden van tovenarij en hekserij nog niet in een zo ver verleden en voor de primitieven mens bestaat het begrip van een strenge causaliteit eigenlijk nog in ‘t geheel niet. Hij is voor al zijn doen en laten afhankelijk van de goede luim van tal van geesten en goden, die daarom bij alles wat hij ondernemen wil eerst gunstig gestemd moeten worden. Hij ziet zich daardoor tot het verrichten van allerlei tijdrovende ceremonieën en het brengen van offers genoodzaakt.
26
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Maar ook in ons, “beschaafde” mensen, heerst nog in het diepst van ons ziel een rest van deze primitieve wijze van denken. Tegen beter weten in trachten ook wij nog dikwijls de onverbiddelijke logica door trucjes om de tuin te leiden. Wij ontmoeten het in allerlei klein ceremonieel, bijv. ‘t afkloppen, in het meevoeren van mascottes, in het geloof aan allerlei occulte krachten. Intussen zijn de natuuronderzoekers er meer en meer in geslaagd, om zich van deze primitieve denkwijze te bevrijden en dank zij hun vaste vertrouwen in het bestaan van een logische samenhang van de feiten is het hun gelukt om, zij het dan ook langs een weg van vallen en opstaan, steeds verder in de geheimen van de natuur door te dringen. Bij haar onderzoek volgt de natuurwetenschap de weg van de analyse. Ieder verschijnsel wordt in zijn oorzakelijke factoren uiteengelegd en daarna worden deze factoren op hun beurt weer van andere verschijnselen afhankelijk bevonden. Natuurlijk bleek al spoedig, dat deze weg van onderzoek een oneindige was en dat dáárachter dan toch nog een groot vraagteken zou blijven staan, een met het causaliteitsprincipe spottend raadsel. - De eerste oorzaak van de dingen, het ontstaan van het iets uit het niets, bleef voor het logische denken een onoplosbaar vraagstuk. Maar met deze moeilijkheid hoefde de natuurwetenschap zich het hoofd niet te breken, daarvoor lag deze in een te ver verschiet. Voorlopig had (en heeft) men genoeg te doen en wat meer telde, men had succes bij het werk. Stuk voor stuk ontworstelde men aan de natuur haar geheimen en slaagde men er in haar krachten te leiden en aan de mens dienstbaar te maken. In de aanvang hield echter het ontledend, analytisch natuuronderzoek een eerbiedig halt voor de verschijnselen van het levende organisme. Daarin werd een wereld apart gezien, principieel verschillend van de levenloze stof. Hier was een geheimzinnige levenskracht aan het werk, niet onderworpen aan de wetten, die voor de levenloze stof van kracht waren. Daardoor onttrok zich het levende organisme in zijn functies aan het strenge natuurwetenschappelijke onderzoek. Men maakte bijvoorbeeld een scherp onderscheid tussen de zogenaamde organische, door en in het levende organisme gevormde stoffen en de in de levenloze natuur voorkomende substanties. Alleen de laatsten konden, naar men meende, door het experimenteren met en het laten werken van natuurlijke krachten kunstmatig bereid worden. Behield men dus aanvankelijk op het gebied van de levende stof de oude hulpeloosheid en onzekerheid van het primitieve denken, op het gebied van de psychische verschijnselen was dit in nog sterkere mate het geval. Streng gold hier de scheiding van lichaam en ziel, en er werd aan elk van deze beide begrippen een vrijwel van elkaar onafhankelijk
27
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

leven toegedacht. Het was of de ziel zich zelfstandig vormde, zich vervormde en groeide, onafhankelijk van de materie, en ziekten van de geest werden dan ook niet aan ziekten van het lichaam of aan schadelijke uitwendige omstandigheden toegeschreven, maar aan duivels of boze geesten, die in de mens gevaren waren. En nog heden ten dage heeft in de wetenschap een rest van deze vroegere geheimzinnigheid een laatste bolwerk in het mystiek beginsel van de “aangeboren geestelijke aanleg” behouden. Want nog heerst bij vele psychologen de mening, dat iedere poging tot verklaring of begrijpen van het zielenleven voor deze aangeboren aanleg moet halt houden, omdat men die voor elk individu als voor eens en voor altijd gegeven moet aanvaarden. Wat de organische, materiele levende wereld betreft, kwam er in de loop van de 19e eeuw in dit gevoel van onzekerheid een grote verandering. Lavoisier (1777) toonde aan, dat de lichaamswarmte door verbranding ontstond en Wöhler bracht in 1828 de kunstmatige bereiding van het ureum (een in de urine uitgescheiden stikstofhoudende stof) tot stand. Sinds die werden met groot succes ook de verrichtingen en verschijnselen van de levende organismen in het natuurwetenschappelijk onderzoek betrokken en leerde men ook deze verschijnselen in steeds dieper liggende oorzakelijke factoren te ontleden. En zo bleken ook de verschijnselen in het levende organisme aan de wet van de strenge causaliteit onderworpen te zijn. In de plaats van het wonder, kwam voor allerlei levensuitingen een natuurlijke oorzaak (Jordan). Zodoende kwam er een geheel nieuwe geest in de biologie en in de medische wetenschap. Verschillende takken kregen een geheel zelfstandige ontwikkeling; de embryologie, de fysiologie, de pathologie, de afstammingsleer ontwikkelden zich met een ongekende voorspoed. En steeds verder ging en gaat de analyse. Chemisch ontleedde men alle bouwstoffen van het lichaam in hun componenten en anatomisch kwam men tot de conclusie, dat het dierlijke lichaam een samenstel is van microscopisch kleine levende elementen, de weefselcellen. En zo leerde men het levende organisme kennen als een samenstel van organen, die op hun beurt weer uit cellen waren opgebouwd, en trachtte men het individu als een som, een resultante van de functies van al deze elementen te verklaren en te begrijpen. Aangemoedigd door deze successen begon ook de psychologie haar bespiegelende, filosofische standpunt prijs te geven en begon zij een poging, om de in de biologie doeltreffend bevonden natuurwetenschappelijke analytische methode voor de psychologie pasklaar te maken. Zo ontstonden de verschillende experimentele psychologieën. De associatie-psychologie trachtte het psychische gebeuren te verklaren
28
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

door het te beschouwen als een opeenvolgende, causaal bepaalde rij van voorstellingen, waarvan elke nieuwe voorstelling een oorzaak in de voorafgaande had. De pogingen echter om in deze opeenvolgingen bepaalde wetmatigheden te ontdekken, brachten wel allerlei belangwekkende feiten aan het licht, maar tot een praktisch bruikbaar resultaat hebben deze studies niet geleid. De eigenlijke experimentele psychologie trachtte het psychisch gebeuren te herleiden tot voor natuurwetenschappelijke behandeling geschikte waarden. D.w.z. zij trachtte de psychische reacties in maat, getal en tijd uit te drukken en hield zich dus bezig met het meten van krachten, van reactie-tijden, het tellen van fouten en dergelijke, alles na het toebrengen van zeer bepaalde, eenvoudige prikkels. Als ideaal had zij zich gesteld, om door deze methodes tot een natuurwetenschappelijk-exacte, enigszins mathematische beschrijving en verklaring van de psychische persoonlijkheid te geraken en men stelde zich voor daarmee tevens een praktisch bruikbare maatstaf voor het bepalen van de waarde van de persoonlijkheid en van haar mogelijkheden voor de praktijk van het leven te zullen vinden. Een geheel nieuw veld van onderzoek was aldus bloot gelegd en met volle kracht begon men dit maagdelijke terrein te exploreren. Massa’s feiten werden aldus verzameld door een enthousiaste schaar van werkers. Maar allengs is dit enthousiasme sterk bekoeld; want toen men er toe kwam een overzicht te maken van het overweldigende nieuwe feitenmateriaal, bleken de gestelde problemen langs deze weg niet tot een bevredigende oplossing te brengen. „In pädagogischen Kreisen”, zegt bijv. Messer, “hatte man dem Studiurn van de naturwissenschaftlichen experimentellen Psychologie mit gläubiger Hingabe und rührendem Eifer sich gewidmet. Er bleek een brede kloof met de volle, echte zielkunde te blijven bestaan. Zoals zo dikwijls, ontdekte men ook tegenwoordig weer, dat de werkelijkheid bij nader onderzoek veel gecompliceerder was, dan men tot dusver had aangenomen. Tot een begrijpen van zichzelf, tot de kennis van datgene, wat zij als hun “Ik”, als het centrum van hun persoonlijkheid voelden en wisten, bracht dat alles hen geen stap nader. Want de natuurwetenschap had juist de “objectiviteit” tot het alleen-zaligmakende beginsel verklaard en kon dus voor het zich niet als object, maar als onafhankelijk subject gedragende “Ik” geen plaats inruimen. En om dit “Ik” ging het de moderne mens juist. Misschien wel omdat hij zich in dat “Ik” zo aan alle kanten bedreigd voelde, omdat door de mechanisering en de nivellering van deze tijd, door de eenheidsprijzen en -maten, de eenheidsschool en het dooddrukkende partij- en sekteverband, het “Ik” steeds meer gecollectiveerd en “en-masse” behandeld wordt. Omdat het individu meer en meer van zijn vrijheid en
29
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

zelfbeschikkingsrecht beroofd en tot een “object” verlaagd dreigt te worden. In deze nood, waarin de officiële wetenschap faalde een uitweg te vinden, bracht Freud redding. Hij probeerde niet om het geestelijke, dat niets ruimtelijks of meetbaars heeft, tot ruimtelijke of mathematische grootheden te herleiden, maar hij trachtte aanvankelijk om, met behoud van het causaliteitsprincipe, de subjectieve psychische verschijnselen tot subjectieve psychische oorzaken terug te brengen. Met Freud begint dan ook een geheel nieuw tijdperk voor de verklarende psychologie. Na meer dan dertig jaar heeft deze psychologie nog steeds de stempel van het milieu waarin zij ontstond behouden, want door artsen opgebouwd, vindt zij haar uitgangspunt, haar wetenschappelijke basis, in de ziektekunde en haar doel in het genezen en opvoeden, d.w.z. het herstellen en veranderen. Maar bovendien heeft zij een sterk biologische achtergrond mee gekregen, omdat wij artsen ons toch ook biologen voelen. Zij is zowel wat haar verdere ontwikkeling als wat haar toepassing betreft, vooral in handen van de artsen gebleven. Artsen, die, evenals de voormannen Freud en Adler, van het standpunt van de academische psychologie gezien, slechts dilettanten zijn. (Messer.) Freud deed dus de grote stap om bij het causale onderzoek van het zielenleven het individu als totaliteit, in zijn subjectieve belevingen, m.a.w., in zijn kernpunt, zijn “Ik” tot uitgangspunt te nemen. En dit “Ik” is nu eenmaal een levend, zich steeds veranderend, actief iets, dat in zijn wezen dus dynamisch is en zich dan ook niet voor de statische methode van de schoolpsychologie kan lenen. In de nieuwere, medische psychologie, treedt dus sterk op de voorgrond het onderzoek naar de wording van het “Ik”, naar de geschiedenis van de persoonlijkheid in zijn subjectieve ondervindingen. Freud slaagde er werkelijk in om aan te tonen, dat, evengoed als in de materiele werkelijkheid, ook in het psychische gebeuren een causale samenhang van de verschijnselen bestaat. Ook de psychische verschijnselen bleken dus “verklaarbaar” te zijn. Tot deze zienswijze kon hij alleen komen door, wellicht zijn belangrijkste, meest geniale greep, het bewuste zielenleven een hypothetische uitbreiding te geven, door er een verondersteld onbewust, of onderbewust zielenleven aan toe te voegen. Dit onderbewuste had men wel reeds vroeger leren kennen, door de experimentele hypnose (Liébault, Bernheim) en bij de hysterie (Charcot), maar men had het tot dusverre meer als een alleen onder bepaalde abnormale voorwaarden optredend ziekelijk verschijnsel beschouwd, terwijl Freud wist aan te tonen, dat wij wel genoodzaakt zijn om het als
30
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

een belangrijke, misschien zelfs de belangrijkste factor van elk zielenIeven te beschouwen. Een experimenteel bewijs voor het bestaan van een onbewust voelen en willen wordt door het verschijnsel van de post-hypnotische suggestie geleverd. Wanneer men aan een daarvoor geschikte proefpersoon tijdens de hypnose een bepaalde opdracht geeft, bijv. om, wanneer hij uit de hypnose ontwaakt is, in de kamer waar de behandeling plaats greep, zijn paraplu op te steken, en men hem bij het geven van die opdracht tevens het “vergeten” van die opdracht gesuggereerd heeft, dan zal deze proefpersoon na het ontwaken werkelijk die opdracht uitvoeren. Vraagt men hem dan, waarom hij deze tamelijk zinloos schijnende handeling verricht, dan zal zijn antwoord, wellicht na een zekere aarzeling, bijv. luiden: “Ik wilde nazien of er ook een scheur in de stof zat,” of iets dergelijks. Hieruit kunnen wij leren, dat de motieven, die wij voor onze handelingen menen te hebben, niet altijd de werkelijke behoeven te zijn. Frederik de Groote moet eens gezegd hebben, nadat hij weer een of andere landstreek had ingepalmd: “Man macht’s und läszt es von einem fleissigen Pedanten begründen.” Omdat wij echter over het algemeen niet, zoals Frederik de Groote, iemand daarvoor kunnen aanstellen, zijn wij wel genoodzaakt om zelf achteraf de motieven voor ons handelen te zoeken en natuurlijk hebben wij daarbij slechts al te veel de neiging om uitsluitend nobele beweegredenen aan te wijzen. Daarom is er bijna geen slechte daad, die wij met wat goede wil niet zouden kunnen goed praten, en geen mislukking, waarvan wij niet iemand anders de schuld zouden kunnen geven. In zijn “Psychopathologie des Alltagslebens” heeft Freud ons over de rol, die het onderbewuste in het dagelijkse leven speelt, tal van bijzonderheden geleerd. De psychoanalyse heeft, naast een schaar van enthousiaste volgelingen, ook felle bestrijders gevonden, maar zij is deze bestrijding in de hoofdpunten glorieus te boven gekomen. Zó, dat zelfs deze tegenstanders niet aan haar invloed ontkomen zijn. Freud’s theorie van het onderbewuste is een integrerend bestanddeel van de huidige cultuur geworden en aan de benepen schaamte over onze seksuele gevoelens heeft hij gedeeltelijk een einde gemaakt. Ofschoon het dus de psychoanalyse aan belangstelling allerminst ontbroken heeft, heeft zij toch niet gebracht, wat zij in de aanvang scheen te beloven. In haar uiterste consequenties voert zij tot een pessimisme, dat in strijd is met het wezen van de gezonde, natuurlijke mens. Alle psychische verschijnselen brengt zij terug tot oorzakelijke psychische factoren. Wel gaat zij uit van de totaliteit, van het “Ik”, maar dit “Ik” wordt door haar tot in het oneindige en onwezenlijke ontleed en
31
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

uiteengerafeld en de in allerlei delen “gespleten” persoonlijkheid blijkt dan te bestaan uit een “samenraapsel” , een som van “aandriften”, die alle ten slotte weer tot één “Trieb”, de geslachtsdrift zijn terug te brengen. En daarnaast veroordeelt het lot ons om in grote verbanden te leven, waar de een de ander en de staat of de moraal ons allen belet om aan deze aandrift gevolg te geven. Daaraan is geen ontkomen mogelijk, het lijden is de normale, enig mogelijke toestand van de mens. Wel kan dit lijden enigszins verlicht worden door de “sublimering”, dat is het afleiden van de energie, die eigenlijk aan de “Trieb” gewijd moest zijn, op andere gebieden, beroep, sport, mensenliefde of een postzegelverzameling, maar deze sublimering is dan toch niet veel meer dan een fopspeen, die ons als troost wordt voorgehouden, bijna zouden wij zeggen een perversiteit. Dit alles vindt m.i. zijn verklaring in het feit, dat Freud en zijn school nog gevangen waren in de, aan de eigenlijke natuurwetenschappen ontleende, zuiver causale verklaringswijze. Zodoende hebben zij ons wel de wetenschappelijke analyse, maar niet hetgeen de arts en de gehele mensheid eigenlijk nodig heeft, in aansluiting aan deze analyse de synthese kunnen brengen. En daarbij bleef zij achter bij een nieuwe stroming in de wetenschap, die vooral in de biologie is doorgedrongen, maar die in de filosofie eigenlijk al veel eerder, bijv. bij Kant, viel aan te wijzen. Een opvatting die tot het voor de in de causaliteitsleer opgegroeide onderzoeker verrassende betoog gekomen was, dat de analyse, het in causaal verband ontleden van de verschijnselen voor een zinvol begrijpen van de levende natuur en dus ook van de psychische verschijnselen ontoereikend was. Dat door het vinden van de oorzaken alleen niets verklaard kon worden. Prof. Jordan (Handboek v.h. Moderne Denken) geeft daar een duidelijke uiteenzetting van. Hij gebruikt o.a. ter illustratie het volgende voorbeeld: Stellen wij ons een appelboom voor waaronder een muis loopt. Een appel valt door een windvlaag van de boom, de muis wordt er door getroffen en gedood. Hier heerst het toeval en verklaren de oorzaken alles, het geheel verloopt volgens de wetten van de causaliteit zonder meer. Nu echter een ander geval. Stellen wij ons voor drie stokjes op een bepaalde manier in de grond gestoken, aan één van die stokjes een stukje spek en boven op de stokjes een baksteen. Een muis wordt aangetrokken door de reuk van het spek, zij eet ervan, het stokje wijkt, de steen valt en ook deze muis wordt gedood. Aanstonds treft ons het verschil in beide gebeurtenissen. In het laatste geval is er geen sprake meer van toeval. De oorzaken, de factoren, die aanleiding tot het optreden van het verschijnsel waren, staan niet, als in het eerste geval, los van elkaar; maar de muis, het spek, de stokjes en de steen zijn
32
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

onderling verbonden tot een systeem waaraan een bepaald plan ten grondslag ligt. Een verder gaand voorbeeld is de machine, een stelsel waarvan alle factoren amboceptorachtig op elkaar zijn afgestemd. Het is absoluut ondenkbaar, dat alleen door causaal werkende factoren een machine zou kunnen ontstaan. Zelfs wanneer wij veronderstellen, dat bijv. een auto in factoren, in onderdelen in de natuur aanwezig zou zijn, dan nog zou nooit uit een willekeurig aantal van al deze onderling passende onderdelen, door “natuurlijke” oorzaken een auto kunnen ontstaan, laat staan in beweging kunnen gebracht en bestuurd worden. Dit is slechts denkbaar door het aannemen van een regelend principe, dat de oorzaken verbindt en ze allen richt op hetzelfde doel, dat in het resultaat, het zinvol werkende systeem, belichaamd is. En zo is de mogelijkheid ook ondenkbaar, dat uit de chaos van de materiele werkelijkheid, dat uit de dode materie, door natuurlijke oorzaken alléén, zelfs maar een eiwitmolecuul zou ontstaan, nog minder, dat daaruit een levend wezen, ook al ware het slechts een protoplasmaklompje met een kern, d.w.z. een systeem, dat de besturende kracht, het richtende principe in zijn eigen wezen herbergt, zou kunnen voortkomen. Willen wij ons dus aan een poging tot verklaring en begrijpen van de natuur wagen, dan worden wij wel genoodzaakt om naast de hypothese van het bestaan van een strenge causaliteit een andere hypothese, die van het bestaan van een verbindend, richtend principe, men kan ook zeggen van een finaliteitsbeginsel in te voeren. Dit finaliteitsprincipe voert weliswaar, evenals het causaliteitsprincipe, weer tot een onoplosbaar raadsel, de zin van het oneindige, van de toekomst, maar daaraan kunnen wij op geen enkele wijze, als wij logisch, d.w.z. rationeel blijven denken, ontkomen. Genoeg zij het te constateren, dat evenmin als het de wetenschap behoefde te deren, dat zij door de methode van de analyse het begin van het zijnde niet verklaren kon, het de bioloog behoeft te hinderen, dat ook de moderne toevoeging aan het natuurwetenschappelijk denken weer op een groot vraagteken, nu in de toekomst gelegen, moet wijzen. Voorlopig kunnen wij dankbaar zijn, dat door het weer invoeren van een gewijzigd begrip van de oude teleologie, waardoor dit nu niet meer tegenover, maar naast het causale denken komt te staan, ons inzicht in de natuur verhelderd is en vooral, dat wij daardoor van banden bevrijd zijn, die ons tot dusverre hebben belet om in de psychische verschijnselen op bevredigende wijze door te dringen. Want juist in de psychologie blijken de teleologische, doelgerichte wetmatigheden, wanneer de tekenen niet bedriegen, een zeer belangrijke plaats te zullen gaan innemen.
33
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Nooit zullen wij, alleen door haar in factoren te ontleden, de realiteit leren begrijpen. In de psychologie is het juist de band, die deze factoren bindt, het “Ik” dat deze delen bestuurt en beheerst, dat wij zoeken en zouden willen leren kennen en begrijpen. Nooit zal uit de samenvoeging van alle lichaamsdelen een mens ontstaan en nooit zal men uit de blote optelling van de karaktereigenschappen de ziel leren begrijpen. Want het typerende is gelegen in het geheel en niet in de delen. Het aangrijpende van een oude kathedraal is niet te doorgronden door haar af te breken, haar in haar factoren, de afzonderlijke stenen, te ontleden. Evenmin kan een melodie door de noten verklaard worden of een gedicht door de letters die het samenstellen. Steeds gaat het er om de geest, die de stenen schikte, die de noten hun plaats en de woorden hun volgorde gaf , d.i. de scheppende idee te beleven. In alles wat wij willen weten is het ten slotte vooral de synthese, waar het ons om te doen is. Het is bijna niemand gegeven meer dan één nieuw gezichtspunt voor het menselijk denken te openen en zo valt het op zich zelf niet te verwonderen, dat Freud en zijn leerlingen niet boven de analyse zijn uit gekomen. Daaraan is het echter te wijten, dat bij hen, door een steeds verder gaande analyse, a h w. door een stelselmatige afbraak van de persoonlijkheid, de totaliteit, het leven de, strevende “Ik” hoe langer hoe verder weg is komen te staan, hoe langer hoe onduidelijker en vager is geworden. Lezen of horen wij de klassieke analyse van een ziektegeval, dan is het steeds dezelfde vraag, die ons aan het einde op de lippen zweeft. Het is alsof wij wilden zeggen: wat nu, ga door! Met welk doel voelde, zag en handelde dat “Ik”? Waartoe liet uw patient op die oorzaken die gevolgen volgen? Welk idee, welk doel koos en schikte aldus de oorzaken, dat juist die gevolgen volgden? Hier is het Adler die ons het antwoord gegeven heeft. “Alle Teilbewegungen stimmen mit dem Ziel überein. Unbekümmert um Anlage, Milieu und Erlebnisse stehen alle psychischen Kräfe im Banne einer richtenden Idee.“ Hij deed een stap, die van even beslissende betekenis is als die, welke Freud gedaan heeft. Een stap die het werk van Freud niet te niet doet, maar het afrondt en voltooit. Op de analyse doet Adler de synthese volgen. Tegenover de veelheid van de oorzaken stelt hij de éénheid van het doel. En daardoor komt het “Ik”, dat van de omstandigheden in overeenstemming met zijn doelstelling gebruik maakt, weer op de centrale plaats, die het ook in het eigen bewustzijn inneemt en welke het dus in een subjectieve psychologie ook van rechtswege toekomt. Tegenover de onveranderlijkheid van het verleden, van de oorzaken en van het gewordene, stelt hij het veranderbare van het wordende, dus van de
34
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

toekomst. Tegenover het noodlot dat ons in bepaalde omstandigheden plaatste, herstelt Adler de vrije wil, die van deze omstandigheden naar eigen goedvinden, volgens eigen doelstelling kan gebruik maken, ze kan schikken en samenvoegen tot een idee, tot een nieuwe en andere werkelijkheid. Ieder, die indertijd met de psychoanalyse kennis maakte, kreeg plotseling een geheel nieuw inzicht in zichzelf en in anderen. De “Triebpsychologie” van Freud vond in het toenmaals nog overheersende monocausale denken, en ook bij de zuiver materialistisch geörienteerde artsen, een goed voorbereide voedingsbodem, ook al riep zijn seksuele verklaring van alle verschijnselen tal van weerstanden in het leven. Freud toch vond artsen, die nog juichten over de wonderen, die het natuurwetenschappelijk denken in de geneeskunde had gewrocht en wie, wat de associatie-psychologie en de experimentele psychologie betreft, de schellen nog niet van de ogen waren gevallen. Het teleologische principe, dat Adler weer wilde invoeren, voelde men als de terugkeer naar een nog nauwelijks overwonnen dilettantisme. Hij werd veel moeilijker begrepen, viel a.h.w. uit de toon, scheen een spelbreker te zijn. Hij vertegenwoordigt alweer een nieuwere tijd, die staat in het teken van de “Ganzheitsbetrachtung”, van de synthese. Zoals Jordan het uitdrukt: Het causale of lineaire denken bepaalt zich tot de beschouwing van de werking van oorzaken en verwaarloost de activiteit van het stelsel, waarop de oorzaken werken. Het steunt op het experiment en dit moet zó zijn ingericht, dat slechts één factor, de oorzaak werkt, terwijl de rest stop staat. In de werkelijkheid zijn echter alle factoren actief en staan in veelvoudige, door het plan van het systeem gerichte, wisselwerking. En zo wordt de tijd meer en meer rijp voor een gecompliceerder, meer omvattenden denkvorm, zoals die welke, door Adler al in het begin van deze eeuw in de psychologie werd ingevoerd. Zoals Pavlow de fysiologische reacties, zijn “voorwaardelijke reflexen”, als het resultaat van de equilibrerende wisseIwerking tussen het dier en zijn milieu opvat, zo ziet Adler alle psychische bewegingen als evenwichtsreacties. Zij dienen om het evenwicht tussen binnen- en buitenwereld in stand te houden, men kan ook zeggen, het persoonlijkheidsgevoel op een bepaald niveau te handhaven, psychische spanningen te vereffenen. De vorm van dit evenwicht als resultaat van de wisselwerking tussen het individu en zijn omgeving wordt grotendeels in de eerste levensjaren bepaald en vindt zijn verstarring in het karakter. Dit karakter heeft niets aangeborens, is in het jonge individu niet kant-en-klaar voorhanden. Het kind neemt eenvoudig die levensvorm aan, waarin het zich het beste kan handhaven. (Künkel) Zo komt het karakter, het levensplan, het
35
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

persoonlijkheidsideaal tot stand. En dit vormt nu verder een soort spelregel, een regulerend principe, waarop alle reacties en zelfs de keuze van de oorzaken zijn afgestemd. “ Wir sind nicht in der Lage zu denken, zu fühlen, zu wollen, zu handeln, ohne dasz uns ein Ziel vorschwebte. Denn alle Kausalitäten genügen dem lebenden Organismus nicht, das Chaos des Zukünftigen zu bewältigen. Nur Lebloses gehorcht einer erkennbaren Kausalität.” (Adler.)

36
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK III HET PSYCHISCHE ALS BEWEGING Psychologie is de leer van het geestelijk leven. Wanneer wij dit zeggen, begrijpt iedereen het - of meent het te begrijpen. Maar, zoals dat op ieder ander gebied evengoed het geval is, duiken er terstond moeilijkheden op, zodra wij trachten te definiëren wat wij precies met onze woorden bedoelen; in ons geval dus, indien wij nauwkeurig zouden trachten te omschrijven wat het “geestelijke” eigenlijk is. Wat wij onder het geestelijke moesten verstaan hing tot dusverre ten nauwste samen met wat wij onder “ziel” verstonden. Wat nu dit laatste begrip betreft, is men tot de erkenning gekomen, dat het begrip “ziel” geen betrekking heeft op een wetenschappelijk aantoonbare realiteit, maar slechts op een abstractie, op iets, dat wij achter de verschijnselen zoeken en ons als drager van deze verschijnselen denken kunnen. Het is dus een schepping van ons denken, een “hulpbegrip”, dat slechts dient om ons denken en spreken over de psychische verschijnselen te vergemakkelijken, en alle uitspraken, die men over het wezen van de ziel zou kunnen te berde brengen zijn dan ook niet meer dan bespiegelingen. Omdat dus het begrip “ziel” of “psyche” een schepping van onze fantasie is, kunnen wij ons, wat de inhoud van dit begrip betreft, een grote willekeur veroorloven. De meest gangbare voorstelling, die wij van de ziel hebben is wel deze, dat ze zo iets als een vorm zou hebben en een soort onzichtbaar duplicaat van het lichaam zou zijn. In de voorstelling, die wij van geesten en spoken hebben en in de astrale lichamen van de spiritisten komt dat bijv. tot uiting. Sinds men echter in de zielkunde aansluiting gezocht heeft bij andere wetenschappen, deed men afstand van allerlei metafysische vooropstellingen en ging men zich tot de waarneming van de feitelijke gegevens beperken. De psychologie werd toen aanvankelijk tot een leer van het “bewustzijn”. Men noteerde zo nauwgezet mogelijk alles wat in het eigen bewustzijn plaats greep en trachtte de resultaten op allerlei wijze, bijv. als gewaarwordingen, gevoelens en gedachten te beschrijven en te rubriceeren. Aldus werd een voorstelling omtrent de bouw van de psyche tot stand gebracht. Daarnaast is een andere stroming ontstaan, welke het “bewustzijn” geheel uitschakelde en uitsluitend de “activiteit” als voorwerp van studie heeft gekozen. Tot deze richting behoort bijv. de experimentele psychologie, welke het gedrag onder kunstmatig vereenvoudigde omstandigheden beziet, en het “behaviorisme”, dat hetzelfde onder meer natuurlijke omstandigheden doet. Een begrip “ziel” of “psyche” was voor deze richting een geheel overbodige luxe. Daardoor geraakte echter vooral de experimentele psychologie aanvankelijk op een zijweg, omdat
37
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

zij bij haar methode de levende eenheid van de persoonlijkheid te veel uit het oog verloor. Omdat zij bepaalde gedragingen uit het verband van de persoonlijkheid lichtte, kwam zij tot een onvoldoend begrip van hun werkelijke betekenis. Als een reactie op deze richtingen in de psychologie ontstond toen een andere, nieuwe richting (en daartoe behoort ook de Individualpsychologie), die, evenals de bewustzijnspsychologie, van de persoonlijkheid als eenheid uitgaat, en in de waarneming van het psychische, d.w.z. ook van het bewustzijn haar oorsprong neemt, maar tegelijkertijd aan het “psychische” een grote uitbreiding geeft door naast het “bewuste” een “onbewust” geestelijk leven te veronderstellen. Ook deze meest moderne richting in de psychologie heeft de veronderstelling van een “ziel”, als iets dat tegenover het lichamelijke gesteld en er onafhankelijk van gedacht kan worden, geheel verlaten en zij bedoelt, wanneer zij het woord “psychisch” gebruikt, daarmee niet iets dat een vorm of een eigen bestaan zou hebben, maar slechts een werking of een functie van het levende organisme. En deze werking gaat dan niet uit van een bepaald orgaan of van een bepaald deel van het organisme, maar van dit organisme als geheel. Bovendien kan men er nog van zeggen, dat het, terwijl het van de totaliteit uitgaat, tevens alle delen van het organisme tot een eenheid verbindt, dus de totaliteit ook bewerkstelligt en in stand houdt. In deze beschouwingswijze is elk vormbegrip voor onze voorstelling van het psychische, het “zielige”, overbodig en zelfs hinderlijk geworden en laten de psychische verschijnselen zich veel beter als een “beweging” verstaan, terwijl wij aan deze beweging dan oorzaak, richting en doel kunnen onderscheiden. Door deze “dynamische” opvatting wijkt deze richting sterk af van de z.g. “academische” psychologie, die de psychische verschijnselen van het levende organisme meer als constante eigenschappen ziet, zoals bijvoorbeeld aan een voorwerp vorm, kleur en consistentie te onderkennen zijn. Natuurlijk hebben beide beschouwingswijzen hun recht van bestaan en zullen elkaar in de praktijk moeten aanvullen. Welke methode men voor een gegeven onderzoek zal verkiezen, hangt geheel van het doel af waarvoor men de uitkomsten zal willen gebruiken. De schoolpsychologie heeft vooral een beschrijvend en classificeerend doel voor ogen en legt daartoe de psychische beweging als op een moment-foto vast. Zij is daardoor in staat haar aandacht rustig aan allerlei detailpunten te wijden, omdat zij ze één voor één uit het geheel lichten en beschouwen kan. Het onderlinge verband van de elkaar opvolgende bewegingen zal haar daarbij echter moeten ontgaan en over de oorzaak welke de beweging in het leven riep en het doel welke deze beweging heeft zal zij geen uitsluitsel kunnen geven.
38
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Terwijl de statische psychologie antwoord tracht te geven op de vraag hoe een mens is, welke houding hij vertoont, is het de dynamische psychologie er vooral om te doen om te onderzoeken waardoor en waartoe een mens onder bepaalde omstandigheden zich juist zó gedraagt, men kan ook zeggen vanwaar hij komt en waarheen hij gaat. Zij staat tegenover het probleem van de persoonlijkheid als voor een film, waarop alles in beweging is, in een bepaalde richting verloopt en zodoende op een vooraf bepaalde ontknoping aanstuurt. Das Seelenleben des Mensen richtet sich, wie eine, von einem guten dramatischen Dichter geschaffene Person, nach ihrem V Aktt (Adler). Dat dit “gericht-zijn-op-een-doel” van het psychische leven nog zo weinig in de psychologie was erkend, is niet daaraan te wijten, dat men het niet gekend zou hebben. William James (1842-1910) leerde bijvoorbeeld al, dat alle gewaarwordingen er zijn om ons af te stoten of aan te trekken, onze herinneringen om ons te waarschuwen of aan te moedigen, onze gevoelens om ons tot handelen aan te sporen. De psychologie stond echter onder de ban van de natuurwetenschappen en deze hadden aan een onderzoek naar de zin van de verschijnselen geen behoefte, want zij verafschuwden de finale beschouwingswijze als een ketterij, die weer naar de middeleeuwse heerschappij van het dogma zou kunnen terugvoeren. Het is de grote verdienste van Adler geweest, dat hij in zijn psychologie het organisme niet als een samenstel van organen beschouwde, welke, in de hun meegegeven wijze van functioneeren, de oorzaken waren dat het organisme zó was en zó reageerde als nu eenmaal het geval bleek te zijn, maar dat hij er een systeem in zag, waarvan alle delen, alle organen en alle weefselcellen zich schikken volgens een idee en tot middelen worden om een bepaald plan tot verwerkelijking te brengen. En steeds is het einddoel van dit plan de bereiking en de handhaving van een door het Ik gekozen ideale norm, het persoonlijkheidsideaal. Deze ideale norm kan wel op ieder ogenblik als fixe worden gedacht, maar is in werkelijkheid aan voortdurende veranderingen onderhevig. En juist door dit veranderende, dit vloeiende, waarbij telkens de oorzaken op een onberekenbare wijze tot andere, nieuwe systemen geschikt worden, te negeeren, schiet de causale denkwijze, die een onveranderlijk door de oorzaken bepaald geheel veronderstelt, voor de verklaring van het psychische en van de functie van het levende organisme in het algemeen te kort. Dit vloeiende, deze onofoudelijke hergroepering van de factoren is trouwens een absolute noodzakelijkheid voor de instandhouding van het individu als zodanig. Want niet alleen veranderen de omstandigheden, waartegenover het zich geplaatst ziet, voortdurend, maar tegelijkertijd wijzigen zich onofoudelijk de samenstellende factoren en dus de
39
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

middelen waarover het te beschikken heeft. Wat de omstandigheden betreft waartegenover het Ik zich geplaatst ziet, kan men als voorbeeld nemen de wisseling van de temperatuur en weersomstandigheden, waaraan het organisme zich moet aanpassen, en wat het tweede punt betreft, behoeven wij slechts aan de veranderingen te denken, die met de leeftijd, de groei en het verval van het organisme samenhangen, ook echter aan ziekten en allerlei ritmische veranderingen welke in het organisme plaatsgrijpen. Om deze redenen is dus voor het levende organisme een voortdurend streven naar een steeds veranderenden vorm van aanpassing noodzakelijk en deze aanpassing kan alleen dan slagen, wanneer alle delen als één geheel in dienst van hetzelfde doel samenwerken. Onze voorstelling van de psyche als het orgaan voor de totaliteitswerking kan dus een noodzakelijke aanvulling niet ontberen, omdat deze psyche niet louter is een samenvatting van de delen tot een totaliteit, maar tevens de verbindingsschakel vormt tussen het individu en de hem omringende werkelijkheid. Door deze verbinding, welke wij ook aanpassing kunnen noemen, ontstaat dus, met het behoud van de eenheid van het individu, tevens een hogere eenheid welke individu èn milieu omvat. Dat er, voorzover het het materiele, zuiver biologische bestaan van het individu betreft, zo’n finaliteitsprincipe in de psychische functies werkzaam moet zijn, zal na de voorafgaande uiteenzettingen waarschijnlijk wel duidelijk zijn. Aangetoond dient nu echter nog, dat deze finale werking tevens bij een meer persoonlijke doelstelling, wat de biologische functies betreft, aan de dag moet treden.
Stellen wij ons daartoe slechts voor, dat iemand de persoonlijke doelstelling heeft om een wereldrecord in het wielrennen te verbeteren. Hij zal dan beginnen met zich te trainen. De oppervlakkige waarnemer zal dan alleen bemerken, dat hij zijn benen steeds vlugger laat op en neer bewegen. Bij nadere beschouwing blijkt echter, dat er tegelijkertijd in het gehele organisme van de renner oneindig veel veranderingen plaats grijpen, die allen samenwerken om de verhoogde arbeidsprestatie mogelijk te maken. Alle lichaamsspieren zijn in actie, want ook het evenwicht moet bewaard en de meest voordelige houding ingenomen worden. Hart en ademhaling moeten intensiever werken en de bloedsverdeling door het gehele lichaam zich naar de behoefte van de organen wijzigen. Bovendien moeten zowel de klieren met inwendige afscheiding als de chemische reacties van bloed en weefselvocht, moet ook het vegetatieve zenuwstelsel zich op een anderen evenwichtstoestand instellen. Kortom, er is geen vezel of lichaamscel in het gehele organisme, die niet tot het te bereiken resultaat mee dient te werken.

Duidelijk zien wij aan dit voorbeeld, dat ook de uitvoering van een bewuste, persoonlijke doelstelling ondenkbaar zou zijn, indien ons niet een onbewust regulerend principe ten dienste stond, en dat het moeilijk valt om een dergelijke fijne regulatie, die ook onder van te voren nooit voorziene omstandigheden en doelstellingen toch steeds de eenheid van
40
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

alle functies tot stand brengt, uitsluitend aan starre causale wetten toe te moeten schrijven. Tegenwoordig zover gevorderd zijnde, dat wij tot een finale beschouwingswijze van de biologische functies gekomen zijn, blijft ons nog over om de volgende stap te doen, door met de causale verklaring ook op het gebied van het psychische in engere zin te breken. Hier vooral heeft Adler zijn baanbrekend werk gedaan. Om zijn verdiensten goed te beseffen moeten wij ons even verplaatsen op het standpunt, dat de psychiatrie vóór hem innam. De pathologische anatomie, die sinds Virchow de ziekteleer beheerste, beheerste ook de psychiatrie en zoals de interne geneeskunde tot een ziekteleer van de organen geworden was, zo meende de psychiatrie de zenuwziekten als ziekten van het zenuwstelsel te moeten opvatten en zocht zij, ten dele met succes, naar anatomische en histologische veranderingen van het zenuwweefsel. Daarbij ging zij van de veronderstelling uit, dat er een eenvoudig oorzakelijk verband tussen de ziekelijke psychische verschijnselen en bepaalde veranderingen in de bouw van het zenuwstelsel mocht worden aangenomen. In tegenstelling daarmee kwam Adler echter in 1907, door zijn studie over de betekenis, die orgaanminderwaardigheden voor de functie van het organisme hebben, tot de overtuiging, dat er zo’n eenvoudige relatie tussen ziekteverschijnsel en ziek orgaan niet bestond. Volgens hem werd het ziekteverschijnsel niet door de ziekte van een bepaald orgaan onmiddellijk veroorzaakt en moest het dus niet als een “storing”, maar als een compensatiepoging van het organisme worden opgevat. Hij steunde bij deze zienswijze op het feit, dat eenzelfde orgaanminderwaardigheid bij verschillende individuen geheel verschillende gevolgen kon hebben, zodat in gunstige gevallen het oorspronkelijke minderwaardige orgaan door een versterkte mate van training tenslotte zelfs meerwaardig kon worden en in andere gevallen de gebrekkige functie van een bepaald orgaan door die van andere organen kon worden aangevuld of vervangen. Toen hij nu eenmaal, van de ziekteleer uitgaande, dit beginsel van de psychische compensatie van orgaangebreken had ontdekt, kon hij, een stap verder gaande, de veronderstelling wagen, dat de psyche als het orgaan voor de compensatie van de oorspronkelijk gegeven lichamelijke minderwaardigheid van de mens zou zijn te beschouwen. Aldus was hij er toe gekomen om een causaal-finaal verband tussen alle psychische verschijnselen en ook alle karaktereigenschappen te veronderstellen. Daardoor was de finale methode van onderzoek en van probleemstelling ook op het gebied van de algemene psychologie toepasselijk geworden en bij elke poging tot verklaring van een geestelijk verschijnsel diende dus niet alleen de vraag waardoor, maar tevens de vraag waartoe te
41
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

worden beantwoord. Zoals reeds gezegd is, vindt men wel al sporen van dit “finalisme” in verschillende vroegere theorieën en beschouwingswijzen, maar nergens is het zo tot een fundament van het psychologisch verklaren gemaakt of vond het zo’n uitgebreide en scherpzinnige toepassing als in de leer van de Individualpsychologie. Evenals nu echter Freud tot de conclusie was gekomen, dat veel van wat als oorzaak op ons ingewerkt heeft door ons noch gekend noch begrepen wordt, kwam Adler tot het inzicht, dat ditzelfde ook voor onze doelstelling en voor ons levensplan geldt. Dat wij dus evenmin als de oorzaken, welke ons doen handelen, het doel waarnaar wij streven behoeven te kennen. In zeer vele gevallen menen wij bijvoorbeeld in het geheel geen doel te hebben, doch alleen door oorzaken te worden gedreven. De een meent, dat de omstandigheden hem zo gemaakt hebben, de ander dat zijn karakter of zijn aanleg de oorzaak van alles is.
Iemand vertelde bijv. eens dat, terwijl zij in haar stadstuintje aan het tuinieren was, in de aangrenzende tuin haar buurvrouw met een dochtertje bezig waren. De moeder liet het kindje dansen en zong: “Josientje die is jarig” etc. blijkbaar opdat de buurdame, die anders graag een praatje maakte, zich met het geval bemoeien en aan de feestvreugde deelnemen zou. Een onbegrijpelijke “schuwheid” hield haar echter tegen en daarom deed zij alsof zij niets hoorde. Dat de moeder haar dit zwijgen kwalijk genomen had kon zij later goed bemerken. Hier scheen de oorzaak dus in de schuwheid gelegen te zijn, maar welk doel bezielde deze jonge vrouw, die zich achteraf zelf over haar onvriendelijkheid ergerde. Een droom, die tijdens hetzelfde gesprek verteld werd, gaf hier de richting van de oplossing aan. Zij droomde, dat zij in een tekening, die een vriendin voor haar gemaakt had, met potlood allerlei strepen kraste, ofschoon het haar, terwijl zij droomde, duidelijk was, dat zij die vriendin daarmee zou krenken. Combineren wij beide gegevens, dan rijst bij ons het vermoeden, dat het tot de levensstijl van de betrokken persoon zou kunnen behoren om bij anderen “roet in het eten te werpen”. Het is te begrijpen, dat deze jonge vrouw, die zich slechts van vriendelijke gevoelens tegenover haar medemensen meende bewust te zijn, zich eerst met deze verklaring weinig ingenomen betoonde. In de verdere loop van het gesprek kwamen er echter meerdere voorvallen ter sprake, welke ons vermoeden bevestigden. Tenslotte moest zij dan ook niet alleen toegeven, dat er bijna geen andere verklaring mogelijk scheen, maar bovendien kwam zij tot het inzicht, dat de gevoelens die bij haar handelwijze pasten, ook werkelijk, hoewel door haar vroeger niet herkend, daarbij aanwezig geweest waren. Wat zij voor “schuwheid” had gehouden, was in werkelijkheid slechts een middel geweest om het pleizier van moeder en kind te bederven door niet met hen mee te doen.

Dergelijke voorbeelden leren ons, dat men om een handeling te beoordelen beter doet niet naar de begeleidende bewuste motieven te zoeken, maar eenvoudig naar het resultaat van de handeling te zien, want in het algemeen mag men wel aannemen, dat iedereen het resultaat van zijn handelingen wel zó voorziet, dat het werkelijke effect in de meeste gevallen ook het beoogde zal zijn. (Kort gezegd: Om te weten wat je werkelijk wilt,
moet je kijken wat je doet. AvdH)

Dat wij dit laatste mogen veronderstellen wordt door een ander soort waarnemingen bevestigd. Wij zien namelijk regelmatig, dat in die gevallen, waar het effect van een psychische reactie bij een herhaling zich wijzigt, deze reactie zelf ook plotseling kan veranderen. Dit was
42
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

bijvoorbeeld het geval bij een kind, dat een tijdlang angst had wanneer het ‘s avonds alleen in zijn bedje lag en daarom telkens de moeder riep. Toen de moeder echter enige dagen afwezig was, ging het zonder meer rustig slapen. De duisternis en de eenzaamheid waren hier wel oorzaken, maar het kind liet alleen de angst daarop volgen, als deze angst het effect had de moeder in haar dienst te stellen.
Een aardig voorbeeld, dat geheel als een experiment verliep, is ook het volgende. Een moeder kwam zich eens beklagen, dat haar zoontje van 8 jaar geplaagd werd door een hevige angst voor vuur. Zij kon daarom in zijn tegenwoordigheld geen lucifer opsteken, het gaskomfoor mocht niet branden en zelfs mocht zij de kachel niet oppoken. Toen ik daarop in tegenwoordigheid van de jongen een lucifer aanstak, vertoonde hij werkelijk alle kentekenen van een hevige angst en kroop vol schrik in een hoek van de kamer. Ik heb hem toen zeer geprezen en mijn voldoening te kennen gegeven over de fraaie manier waarop hij mij zijn angst had getoond. Ik vroeg hem deze angst nog eens te herhalen en streek toen weer een lucifer aan. De jongen verroerde geen lid en toen hem nog eens gevraagd werd om het verschijnsel te vertonen, antwoordde hij: “Dat doe ik niet.” Hier had de angst, welke eerst tot gevolg had, dat de jongen een machtspositie in huis verkreeg, plotseling het geheel andere gevolg, dat hij zich er door in dienst van de arts gesteld zag. Dus verdween de angst, omdat nu het effect met de bedoeling niet overeenstemde.

Al dergelijke waarnemingen bevestigen ons in onze overtuiging, dat wij de menselijke reacties, ook de subjectieve, in zijn bewustzijn voorkomende, gewaarwordingen en gevoelens, alleen dan juist kunnen beoordelen, wanneer wij behalve van de oorzakelijke factoren, ook van het effect van deze reacties kennis nemen. Wij zullen er ons trouwens niet mee vergenoegen om, zoals bij de zoeven genoemde voorbeelden, alleen het doel van op zichzelf staande handelingen te beschouwen, maar wij zullen elke handeling en elk doel trachten te zien in het verband van de gezamenlijke handelingen van de gehele persoonlijkheid, Wanneer men deze laatste stelling zo boud hoort verkondigen kan echter de vraag rijzen: “Hoe staat het dan met de driften.” Men heeft er toch immers zo dikwijls van gehoord en er ook tal van voorbeelden van gezien, dat mensen het slachtoffer werden van hun “lusten”, hun hartstochten: van hun drankzucht, hun zinnelijkheid of van hun criminele aanleg. Bovendien heeft de statistiek uitgemaakt, dat deze “driften” dikwijls erfelijk zijn en op dit gebied moeten dus wel dwingende causale wetmatigheden als geldig worden erkend. Ook hier echter komen wij, zodra wij deze gevallen met behulp van de causaal-finale methode onderzoeken, tot geheel andere uitkomsten dan de vroegere psychologie en psychiatrie. Bij de toepassing van deze methode veronderstellen wij, dat ieder wezen door de strijd om het bestaan ertoe gedreven wordt om al zijn middelen, al zijn zinnen, te gebruiken in dienst van zijn doel. En dit doel is zijn persoonlijkheid, zoals hij zich deze als een toekomstbeeld voor ogen stelt, tot ontplooiing te
43
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

brengen en het einddoel, dat hem een veilig en zeker bezit van dit persoonlijkhéidsdoel voorspiegelt, te bereiken. De redenering dat onze zinnen ons wel als middelen gegeven zijn, maar aanvankelijk zonder absolute verplichting om ze voor een bepaald doel te gebruiken, blijkt bij enig nadenken vrij eenvoudig en zeer plausibel te zijn. Want wij doen zo met alles wat wij in ons bezit krijgen, onverschillig of het geld of goed, dan wel kennis of wetenschap betreft. Alles willen wij ergens toe aanwenden en ook met de beruchte “Triebe” en “instincten” blijkt het niet anders te zijn gesteld. Ook met hen is het juist zo als in het bekende kinderversje, waarin de kinderen een bezem vinden en zich nu afvragen: “De bezem, de bezem, wat doe je ermee”. En het antwoord is dan niet alleen: “Je veegt er mee de vloer”, maar ook: “Je slaat ermee de jongens”, “Je slaat ermee de meisjes.” En in dit primitieve kinderrijmpje komt dus reeds tot uiting, dat alles waar wij de beschikking over verkrijgen zich op verschillende manieren laat gebruiken. Wij vinden iets dergelijks heel vanzelfsprekend in betrekking tot onze zintuigelijke organen. Zeker, er is een drift om de ogen te gebruiken, dus om te zien. Doch het is ons daarbij niet om het blote “zien” te doen, maar om dit “zien” als een middel te gebruiken om ons in de buitenwereld beter te oriënteren en te handhaven. Zo is het in wezen ook met onze seksuele middelen. In haar hoogste uiting is de seksualiteit het middel om in een ander wezen een resonantie te wekken, waardoor de een zich met de ander verbonden voelt. Maar in de praktijk van het dagelijks leven ziet men steeds, dat de seksualiteit daarenboven in dienst van de privé-doelstelling wordt gesteld. In overeenstemming daarmee blijkt dan ook, dat de seksuele drift niet in zijn kracht en karakter geheel van de volwaardigheid of minderwaardigheid van de seksuele organen afhankelijk is, maar in de eerste plaats van de plaats en de rang welke zij in het levensplan inneemt.
Wij kunnen ons een jonge vrouw voorstellen, die met een oudere en vermogende man, zeer tegen de zin van zijn familie, getrouwd is. Zij heeft volgens het gewone spraakgebruik een buitengewoon sterke seksuele aanleg en stelt daardoor aan haar man in seksueel opzicht zulke hoge eisen, dat hij daaraan tenslotte niet altijd wil of kan voldoen. Daardoor geraakt zij dan echter meteen in een hevige woede en beschuldigt hem op de meest onredelijke wijze van ontrouw en van heulen met zijn familieleden Hier schijnt dus de “drift” haar blinde spel te spelen. Maar men kan dit geval ook anders zien, en de psychotherapeut vindt een dergelijke zienswijze telkens weer bevestigd. Hij ziet in dergelijke gevallen, dat het een moedeloze vrouw betreft, die door allerlei jeugdervaringen ertoe geleid is om de waarde van de vrouwelijke persoonlijkheid gering te schatten en er daardoor toe gekomen is om in de strijdom-de-macht tussen de twee geslachten en ook in de strijd om de goede economische positie, als enig wapen en als enige troef, de seksuele aantrekkingskracht van de vrouw voor de man te beschouwen. De seksualiteit is voor haar het enige waarmee zij de man zijn overwicht kan ontnemen en aan zich onderwerpen en binden. En in het geheim vindt zij deze zwakheid van de man een grote lafheid en daardoor kan zij hem tevens verachten en ook geestelijk zich hoger wanen. Is het, uitgaande van deze gedachte, te verwonderen, dat haar gehele wereld -ineen schijnt te storten, wanneer haar dit enige wapen plotseling in de steek laat? Zou het ons niet evenzo vergaan, wanneer ons geweer in het gezicht van de leeuw plotseling de dienst weigerde?

44
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

De “Trieb” is slechts zolang in hoge eer, als zij als middel deugdelijk schijnt te zijn en zo laten zich de gedragingen, welke aan de functie van een bepaald orgaan gebonden zijn, tenslotte niet voldoende verklaren door een behoefte van dit orgaan om te functionneeren, maar vooral door het doel waartoe deze functie wordt aangewend, het resultaat dat deze aanwending voor de positie van het individu in de werkelijkheid heeft. De Individualpsychologie noemt zich dan ook wel eens: geen “bezits”-, maar een “gebruiks”-psychologie.
Hoezeer onze inzichten daardoor verrijkt worden blijkt, behalve uit het voorafgaande, ook uit het nu volgende uit de literatuur overgenomen geval; waarin nu, omdat het deze man in zijn kraam paste, van de uitoefening van de “Trieb” geheel werd afstand gedaan. Een jonge man is het in zo hoge mate om een gevoel van superioriteit te doen, dat hij het nauwere contact met anderen, vooral met de vrouw, angstvallig uit de weg moet gaan. Daarom doet hij afstand van alle seksuele gevoelens, want deze zouden hem afhankelijk van het andere geslacht kunnen maken. Dit echter niet genoeg zijnde, weet hij uit deze zwakheid bovendien nog een kracht te maken op de manier zoals een droom dit ons duidelijk maakt. In deze droom dingen tal van meisjes naar zijn gunst, maar omdat hij onbewogen blijft, weerstaat hij ze allen, is sterker zelfs dan Odysseus en blijft de “kuise Jozef”.

De psychoanalyse stelt zich er deels mee tevreden de ziekteverschijnselen in dergelijke gevallen als een gevolg van het onderdrukken van de seksuele functies te verklaren. Ook hier schijnt bij oppervlakkige beschouwing deze verklaring met de feiten in overeenstemming te zijn, want de vrouw werd door de omstandigheden in haar seksuele leven belemmerd en de jonge man onderdrukte zelf zijn seksuele functies. Zodra wij echter de feiten niet meer op zichzelf, maar in verband met de gehele persoonlijkheid beschouwen, zodra wij ons behalve de vraag: waardoor, ook de vraag waartoe stellen, dan wordt ons een geheel andere en een veel bredere samenhang duidelijk. Biedt dus de consequente toepassing van de causaal-finale methode in menig opzicht voordelen boven de zoveel naievere causale, er is ook een bezwaar aan deze methode verbonden en wel, dat zij velen mensen en vooral de wetenschappelijke onderzoeker niet “ligt” en dat zij dus geleerd moet worden. Zij vereist een raden en vermoeden (dat steeds door verder onderzoek geverifieerd en gecorrigeerd moet worden), dat aan de onderzoeker andere eisen stelt dan voor het vaststellen van starre en feitelijk onbegrepen causale betrekkingen gevraagd worden. Want zij leert samenhangen kennen, die voor ieder individueel geval van geheel individuele aard zijn. Vroeger geheel onbekend moesten zij ook voor de methode van de strenge psychoanalyse verborgen blijven. Uit alles wat hier over het psychische, het “zielige” gezegd is, blijkt wel, dat het zich niet eenvoudig als het gevolg van de lotgevallen van de driften laat verklaren, maar dat veel eerder deze lotgevallen vanuit de door de psyche gevormde doelstellingen verklaard moeten worden.
45
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Deze doelstelling schijnt dan in laatste instantie niet anders te zijn, dan een verbinding te vormen tussen de mens als subject en de buitenwereld als object en daarom kan het zielenleven onmogelijk los van deze buitenwereld verklaard of zelfs gedacht worden. Het is geen product van de driften, maar het regulerend systeem voor de manier waarop de persoonlijkheid, het organisme, zich van zijn organen bedient om zich met de omringende werkelijkheid tot een harmonisch geheel te verenigen en tegelijk zich toch tegenover deze werkelijkheid als een aparte eenheid te handhaven. Zomin de factoren in het idividu als die in het milieu kunnen dus op zichzelf beschouwd worden, maar individu en milieu moeten steeds als een eenheid van hogere orde gedacht worden. Overdenken wij, na al deze theoretische beschouwingen, nog eens de uitkomsten van onze overleggingen, dan beseffen wij gemakkelijk hoe belangrijk het heersen van een finale wetmatigheid in ons zielenleven moet zijn. Zonder doelstelling zou al ons doen een rondtasten in de blinde zijn en zonder een centrale doelstelling zou er van economie van ons zielenleven geen sprake kunnen zijn. De dan heersende toestand zou die van radeloosheid zijn en dit is dan ook het woord waarmee wij de geestestoestand aanduiden van iemand, die met de hem gegeven situatie niets weet aan te vangen. Deze radeloosheid zien wij optreden bij grote catastrofen, aardbevingen en dergelijke, waarbij zelfs het vluchten onmogelijk is, omdat men niet zou weten waarheen en waarbij dus het stellen van een doel onmogelijk is, Zonder centrale doelstelling is dus geen menselijk leven denkbaar en deze doelstelling is alleen bij benadering als vast en onveranderlijk te denken. Zo men wil kan men aan deze doelstelling snelle, van ogenblik tot ogenblik wisselende veranderingen onderscheiden, veranderingen door stemmingen, door tijdelijke successen of nederlagen, door invloeden van personen of van bepaalde omstandigheden. Men zal ook een verandering van deze doelstelling door het gehele leven kunnen vervolgen, welke een uitvloeisel is van de toenemende innerlijke rijping en van lichamelijke veranderingen, leeftijdsverschillen of ziekten. Gelukkig is hij, die in zo’n nauw contact met de werkelijkheid leeft, dat hij steeds tot de passende verandering van zijn doelstelling in staat is en dus steeds bezig blijft om naar een harmonisch evenwicht tussen de wereld in en om hem te streven. Dit streven begint bij de geboorte. De pas geboren zuigeling moet zich echter zijn individuele betrekking tot het milieu nog eerst verwerven en komt bij de daartoe ingestelde pogingen tot een opeenvolging van voorlopige doelstellingen, welke allen na verloop van tijd onder de heerschappij van het zich langzaam vormende fictieve einddoel zullen geraken.
46
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Hoezeer ons psychologisch begrip door de finale beschouwingswijze bevorderd wordt, blijkt ook wanneer wij haar uitkomsten vergelijken met de uitkomsten van die methoden, welke de verschijnselen uit de samenhang, die de geschiedenis van de persoonlijkheid ons te zien geeft, lichten, om dan deze verschijnselen als op zichzelf staande gegevens te bekijken, zoals de experimentele psychologie oorspronkelijk deed. Wanneer wij ons, om een eenvoudig geval te nemen, iemand voorstellen, die zich over een “slecht geheugen” beklaagt, dan zouden wij na een daarop gericht onderzoek tot de conclusie kunnen komen, dat deze persoon lijdt aan een aangeboren of door ziekte verkregen gebrek aan “inprentingsvermogen”. De Individualpsychologie zou zich echter in een dergelijk geval tevens de vraag stellen; waartoe dient deze persoon dit slechte geheugen, hoe past het in zijn gehele persoonlijkheid en als antwoord op deze vraag zou zij bijvoorbeeld kunnen vinden, dat het hem er om de een of andere reden om te doen is van een bepaalde taak, of van het nemen van een beslissing (beroepskeuze, studie, huwelijk) verschoond te blijven en dat deze werkelijke motieven, die hem onbewust kunnen zijn, nu juist door een “slecht geheugen” bijzonder geschikt kunnen vervangen worden. George Duhamel beschrijft in “la pierre d’Horeb” een student, die met behulp van een vriend een vergeefse poging doet om de beginselen van de anatomie te leren. Il paraissait m’écouter, et, soudain, haussait les épaules. – “Inutile, ça n’entre pas”. Dezelfde student maakte echter een geheel andere indruk wanneer hij kaart speelde. Hij kende altijd precies het aantal en de kleur van de gevallen kaarten. “Bourgelet”, lui disais je, “si tu donnais à tes études Ie dixième de la sagacité que tu montres dans ces babioles, tu ferais une belle carrière”. Een van de vele verwijten, die men wel tegen de Individualpsychologie te berde brengt is, dat zij te eenvoudig, te simpel zou zijn en ons daarom ook weinig nieuws zou kunnen leren. Wat nu deze eenvoud betreft, deze zou men niet als een verwijt, maar veeleer als een loftuiting kunnen opvatten, indien althans deze critici er niet tevens blijk van gaven de Individualpsychologie slechts zeer onvolkomen of in ‘t geheel niet begrepen te hebben. En dit laatste doet ons weer aan deze simpelheid twijfelen. Waarschijnlijk hangt de moeilijkheid welke voor velen het juiste begrip van de Individualpsychologie in de weg staat, daarmee samen, dat de menselijke geest al te veel de gewoonte heeft om al het vloeiende in een vorm te brengen, om niet de beweging, maar de gestolde beweging te beschouwen. De Individualpsychologie echter tracht dit stollingsproces weer ongedaan te maken door alles, wat wij als vorm waarnemen, weer in beweging om te zetten. (Adler).
47
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK IV DE BETEKENIS VAN ORGAAN, ORGAANFUNCTIE EN ORGAANMINDERWAARDIGHEID VOOR HET ZIELENLEVEN In zijn: Studie über die Minderwertigkeit von Organen ( 1907) stelde Adler een onderzoek in naar het verband tussen lichamelijke en constitutionele ziekten en functionele afwijkingen. Daarbij kwam hij tot geheel andere dan de tot nu toe gebruikelijke conclusie. Terwijl zijn voorgangers op dit gebied het in aansluiting aan lichamelijke minderwaardigheid veelal te constateren ziekelijke gedrag steeds als een niet nader verklaarbaar gevolg van de lichamelijke afwijking hadden beschouwd, zich dus feitelijk over de aard van het verband tussen beide reeksen van verschijnselen verder geen zorgen hadden gemaakt, was bij Adler tijdens zijn onderzoek de gedachte gerijpt, dat dit afwijkende gedrag als een poging van het organisme kon worden opgevat om, ondanks de veranderde of beperkte functiemogelijkheden van het minderwaardige orgaan, op een of andere manier te komen tot een aanpassing aan de eisen die de omstandigheden aan het individu stelden. Dat deze, op evenwichtsherstel gerichte aanpassing, een aan het levende organisme oereigen tendens is, wordt algemeen als een noodzakelijke voorwaarde voor zijn bestaan erkend. Men ziet er ook, vooral bij ziekten van het centrale zenuwstelsel, allerlei voorbeelden van. Er kunnen betrekkelijk grote delen van de hersenen door ziekten te gronde gaan, terwijl toch na kortere of langere tijd niets meer van storingen in het gedrag van de lijder te bespeuren valt. Is zo’n herstel van het oude evenwicht, door het te gronde gaan van te veel weefsel, niet in volle omvang meer mogelijk, dan zal toch in vele gevallen een evenwicht, zij het dan van ander maaksel, het eindresultaat zijn. Dan heeft het individu met zijn door ziekte gewijzigde middelen tot een andere dan de gebruikelijke aanpassende reactie zijn toevlucht moeten nemen. Zoals prof. Winkler het uitdrukt: “Door een haard, verwonding of vergiftiging kan de symfonie kinétique verwoest worden. Maar bij herstel keert een nieuwe symfonie uit intacte brokstukken terug. Door het vastberaden volhouden van deze gedachtegang vond Adler een geheel nieuwe schakel tussen lichaam en ziel, tussen lichaamsbouw en karakter, waardoor de kloof, welke deze beide gebieden tot nog toe gescheiden hield, ten dele overbrugd werd. Terwijl vóór hem het gelijktijdig voorkomen van lichamelijke en geestelijke afwijkingen bij hetzelfde individu aan een in wezen duistere oorzakelijke relatie werd toegeschreven, kwam men nu tot de slotsom, dat er een causaal - finaal verband diende te worden aangenomen.
48
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Dit maakt voor onze opvattingen een enorm verschil, want terwijl bij een zuiver oorzakelijke samenhang dezelfde oorzaak (bijv. een bepaald lichamelijk letsel) ook steeds hetzelfde gevolg moet hebben, is een compenserende reactie op verschillende manieren denkbaar, omdat er steeds verschillende compensatiemogelijkheden overblijven.
Wij zouden dit aan een (grof) voorbeeld kunnen verduidelijken: Zolang wij tussen het feit, dat iemand een verminderd inkomen heeft en het andere feit, dat hij steeds sjofeler gekleed gaat, een zuiver oorzakelijk verband aannemen, schijnt dit laatste verschijnsel een noodzakelijk gevolg van het eerste te zijn. Zodra wij het echter als een poging van de betrokken persoon opvatten om zijn uitgaven met zijn inkomsten in overeenstemming te brengen, vallen ons bij enig nadenken nog andere compensatiemogelijkheden in. Hij zou ook op andere wijze kunnen bezuinigen, zelfs zou hij, om althans de schijn te redden, nu juist nog zorgvuldiger dan anders gekleed kunnen gaan en tenslotte zou hij zich door verhoogde inspanning nieuwe bronnen van inkomsten kunnen verschaffen. Wij zien dus, dat er bij de finale verklaringswijze plotseling tal van mogelijkheden opduiken en de verstarring voor leven plaats maakt.

Wat nu voor het zieke en het minderwaardige organisme geldt, is in versterkte mate voor de zoveel grotere herstel- en compensatiemogelijkheden van het normale organisme van kracht daar waar het met een natuurlijk tekort ten opzichte van de uitwendige omstandigheden te kampen heeft. Lichamelijk is de mens, vergeleken met de meeste dieren, heel slecht voor de strijd om het bestaan toegerust. Bij geen enkele diersoort vindt men een anatomischen bouw, die zulke primitieve eigenschappen, zo weinig differentiatie en specialisatie vertoont (Boeke). Bij de mens vindt men geen bovenmatige ontwikkeling van bepaalde spiergroepen, geen gebit of darmkanaal, dat voor een bepaalde levenswijze een speciale geschiktheid heeft. In overeenstemming daarmee kan de mens niet zo hard lopen of zo ver springen als de meeste dieren van zijn grootte, terwijl hij het zwemmen eerst nog leren moet. Zijn ledematen en gebit zijn als aanvalswapens weinig bruikbaar en hij is uiterst kwetsbaar voor verwondingen en atmosferische invloeden. Maar juist aan deze primitieve eigenschappen van zijn lichaamsbouw, aan het ontbreken van een gespecialiseerde lichamelijke aanleg, is waarschijnlijk, naast de noodzakelijkheid tot een versterkte compensatie, tevens de mogelijkheid tot een veel groter variatiebreedte van de aanpassingsreacties te danken. Alleen krachtens deze grote mate van plasticiteit heeft de mens zich kunnen handhaven en heeft hij aan steeds moeilijker en gecompliceerder omstandigheden het hoofd kunnen bieden. Wij kunnen het “leven”, het psychische als die functie van het organisme beschouwen, welke naar een steeds hechter bestaanszekerheid, naar een zo stabiel mogelijk evenwicht streeft. Dit betekent echter niet, dat dit evenwicht ooit bereikt wordt, want behalve in de uitwendige
49
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

omstandigheden, treden ook in het organisme zelf (o.a. door de stofwisseling) onophoudelijk veranderingen in, die het evenwicht telkens weer verstoren. Het streven naar herstel is dus een oneindige taak en met de uitvoering daarvan gaan een oneindig aantal fijne veranderingen in bouw en functie van de organen gepaard. In de totaliteitsgedachte wordt de regulering van al deze reacties aan een centrum van de persoonlijkheid, aan de “entelechie”, de “horme” of het “Ik” toevertrouwd, die de verschillende perifere organen door middel van het nerveuze apparaat bestuurt. Behalve met de wijzigingen van het inwendige, moet deze regulatie ook rekening houden met de wijzigingen van de uitwendige omstandigheden. Het is bijvoorbeeld bekend, hoe in het hooggebergte, waar de lucht ijler is en minder zuurstof bevat, het organisme compenserend reageert door een vermeerderde vorming van rode bloedlichaampjes. De ervaring leert ons. dat bij al dergelijke compenserende reacties van het organisme doorgaans het doel wordt voorbijgeschoten, waardoor zogenaamde overcompensaties ontstaan, die het in de aanvang bestaande tekort méér dan goed maken. Ook dat, hoe meer en hoe vaker deze compenserende reacties te hulp worden geroepen en dus ook het regulerende apparaat in actie moet treden, dit apparaat des te fijner zal gaan functionneeren en des te beter en vlugger in staat zal zijn om in te grijpen. Zo kan men bijvoorbeeld dikwijls waarnemen, dat allerlei invloeden, welke eerst tot ziekelijke storingen aanleiding gaven, op de duur steeds beter door het organisme verdragen worden. Wij behoeven daarbij slechts aan morfine- en alkoholgebruik te denken en aan de onvatbaarheid, die na toediening van bacterie-vaccins voor bepaalde infectieziekten kan worden verkregen, terwijl ook de geleidelijke aanpassing aan veranderingen in klimaat, levenswijze, lichamelijke inspanning en dergelijke als het resultaat van compenserende en overcompenserende reacties zijn op te vatten. Wanneer wij deze gedachtengang verder vervolgen, komen wij tot het besef, dat hand aan hand met een toename in moeilijkheid en complicatie van de bestaansvoorwaarden van het individu, zoals bijv. bij een steeds dichter wordende bevolking het geval kan zijn, zijn regulerend apparaat zich hoger zal gaan ontwikkelen, zijn over het organische gestelde “psychische bovenbouw” ingewikkelder en volmaakter vormen zal gaan aannemen. Maar ook zullen wij begrijpen, dat iets dergelijks het gevolg zal zijn van een door een minderwaardige lichamelijke aanleg veroorzaakte versterkte bedreiging van de bestaansmogelijkheid. Met dit vermoeden zou bijv. overeen komen, dat wij ons een diplomaat of een denker als een tenger, lichamelijk zwak persoon plegen voor te stellen, terwijl wij
50
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

anderzijds gewoon zijn om bij een athleet geen al te grote verstandelijke ontwikkeling te veronderstellen. Zo voortgaande, komen wij tot de conclusie, dat alle lichamelijke eigenaardigheden hun eigen gevolg voor de gedragswijze van het individu moeten hebben en zich dus op de een of andere manier in zijn karakter zullen weerspiegelen. Deze gevolgen zullen des te ingrijpender zijn, des te meer deze lichamelijke eigenschappen zijn bestaanszekerheid in zijn toevallig milieu zullen bedreigen of bevorderen. Op deze wijze kan men zich de totstandkoming van de afhankelijkheid, de “correlatie”, tussen lichaamsbouw en karakter voorstellen. Dit verband zou dan echter niet van den beginne af in de “natuur” gegeven zijn, maar als het resultaat van de eigen activiteit van het individu moeten beschouwd worden. Behalve dit streven van het organisme om de gevolgen van bepaalde orgaangebreken (voor zijn evenwicht naar buiten) te compenseren, moet er in het organisme ook de neiging aanwezig zijn om naar een harmonie tussen de lichaamsdelen onderling te streven, d.w.z. de eenheid van het organisme tot stand te brengen. Daarom spreekt het vanzelf, dat tijdens de ontwikkeling van een organisme uit de eicel alle zich ontwikkelende organen op de tijd, dat dit voor de groei van de andere nodig is, voldoende gerijpt moeten zijn om hun taak ten behoeve van het geheel behoorlijk te kunnen vervullen. Wij kunnen ons dit zo voorstellen, alsof de organen in hun groei een soort wedstrijd houden. Elk orgaan, dat in ontwikkeling bij de andere organen mocht zijn achtergebleven, wordt daardoor met een betrekkelijk te zware functie belast, maar tevens door deze overbelasting tot sneller groei en hoger training aangezet. Zo streeft het op zijn beurt de anderen voorbij, waarna deze laatsten op dezelfde wijze weer tot spoed worden aangemaand.
Daarbij bestaat echter tevens de mogelijkheid, dat voor een bepaald orgaan, dat door een ál te zwakke aanleg, bij deze wedstrijd tenslotte toch mocht achter blijven, een ander orgaan aanvullend inspringt. Winkler (Handboek van de Neurologie III 95) stelt bijv. de vraag of een zelfde uiting, wanneer zij door twee verschillende personen wordt verricht, wel ooit verkregen wordt door de opeenstapeling van dezelfde, bij beide gelijke, reflexen-combinaties. In het ene geval kan een grote A met een kleine b tot A b verenigd zijn, in het andere een kleine a met een grote B tot a B en het schijnbaar gelijke resultaat zal dan door een summatie van ongelijk grote factoren verkregen zijn.

Zo groeit in het algemeen, ook en vooral in het tijdperk van de ontwikkeling, elk vermogen van een orgaan aan zijn taak. Het vindt die taak verzwaard, wanneer een ander orgaan te kort mocht schieten en reageert daarop met een sneller en fijner ontwikkeling, zodat ten slotte zijn vermogen groter wordt en het individu door de oorspronkelijke orgaanminderwaardigheid niet geschaad, maar gebaat kan zijn.
51
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Ook in deze regulatie van het onderlinge verband en de onderlinge wisselwerking van de lichamelijke factoren moet de werking van de totaliteit, de functie van de “psyche” zijn terug te vinden, want tegelijk met dit streven naar een harmonie van de delen moet het organisme zich ook als eenheid tegenover de buitenwereld ordenen om zich te kunnen handhaven. De inwendige harmonie heeft slechts zin wanneer zij betrekking heeft op een harmonie naar buiten. Het is duidelijk, dat de eisen, die de omstandigheden aan het compenserend vermogen van het menselijk organisme stellen, individueel zeer verschillend zijn. Naarmate die omstandigheden moeilijker uitvallen, zal de psychische bovenbouw zich beter en fijner moeten ontwikkelen. Daarbij bestaan echter grenzen, want zijn de moeilijkheden ál te groot of zijn de middelen, welke aan het individu ten dienste staan ál te gering, dan zal òf het organisme te gronde gaan òf in zijn ontwikkeling op primitieve trap blijven staan. In warme, tropische landen, waar de natuur overvloed biedt, heeft zich het klare, zakelijke denken, hebben zich techniek en wetenschap minder goed ontwikkeld, dan in het ruwere klimaat van noordelijker landen. In het hoge Noorden echter, waar de omstandigheden al te ongunstig zijn, was alleen een primitieve levensvorm bestaanbaar. Wat voor de volkeren gelden kan (rasverschillen en vele andere factoren worden buiten beschouwing gelaten), is ook op het individu van toepassing. De ervaring leert, dat kinderen, die het al te gemakkelijk hadden, de verwende kinderen, evengoed schade in hun karakter lijden als de verwaarloosde, die het te hard hebben gehad. Steeds dienen wij bij dit alles echter in het oog te: houden, dat hier niet eenzijdige voorwaarden uit het milieu tot uiting komen, maar dat het steeds om de betrekking gaat, welke tussen milieu en individu is tot stand gekomen. Want alle invloeden uit de buitenwereld hebben voor verschillende individuen een verschillende betekenis.
Het zo veel fijner gebouwde raspaard zal voor regen, koude en allerlei andere indrukken veel gevoeliger zijn dan het Brabantsche werkpaard en zo zal ook het tengere, prikkelbare en zwakkere kind onder overigens gelijke omstandigheden een geheel ander psychisch orgaan tot ontwikkeling moeten brengen dan het robuste, zwaar gebouwde kind. De vergelijkende Individualpsychologie beoogt als zuivere wetenschap de systematische beschrijving van de mens volgens deze individuele wetmatigheid. (Deutsch).

De lichamelijke verschillen hebben echter alleen daardoor invloed op de psychische structuur, omdat zij op het contact van het individu met de werkelijkheid hun stempel drukken. Maar de aard van dit contact wordt door de toevallige aard van het milieu mee bepaald en waar het tenslotte op aankomt is niet de graad of de aard van de orgaanminderwaardigheid, maar de tegenstand of de tegemoetkoming
52
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

welke deze in het milieu ondervindt. Indien een moeder telkens verwijtend tot een kind zegt: “Verschrikkelijk zoals jij op je vader lijkt”, dan schept zij bij het kind een relatieve orgaanminderwaardigheid, evengoed als de opvoeder, die aan het intellect van een kind steeds eisen stelt, die voor het kind op dat ogenblik onbereikbaar zijn. En zo komt er, dank zij de psyche, een door onderlinge wisselwerking verkregen samenhang tussen lichaamsbouw en milieu tot stand, omdat het individu de discongruentie tussen zijn wezensvorm en de hem geboden bestaansvoorwaarden tot een congruentie moet omscheppen. Daar de aard van deze discongruentie op oneindige wijze verschillend is, geeft zij ook tot gevoelens van minderwaardigheid aanleiding, die op oneindig verschillende wijzen de kern worden van de karaktervorming.
Hoe veel groter weerstand moet niet de licht vermoeibare, die zich voortdurend om zijn zwakke gezondheid in acht moet nemen, overwinnen, dan de robuste persoonlijkheid. Is het wonder, dat de zwakkere zich weemoedig met de sterkere vergelijkt en, door zijn versterkt minderwaardigheidsgevoel kwetsbaarder en gevoeliger geworden, zich tevens gedwongen ziet om zich geestelijk hoger te differentiëren? Doordat hij zich tot andere waarden bekeert, zich aan wetenschap, kunst of sociale arbeid gaat wijden, kan hij dan echter tenslotte de ander in waarde voor de gemeenschap voorbijstreven, ook door zijn hogere intellectuele ontwikkeling een hechter bestaanszekerheid bereiken dan zijn in de aanvang meer bevoorrechte mededinger. Maar zal ook de mogelijkheid niet open staan, dat deze, door het lot zich verongelijkt voelende mens, zich tot een veeleisend doch weinig gevend egoïst en mensenhater ontwikkelt?

Echter, al moge dan ook een kind met een krachtige biotonus subjectief in een geheel andere wereld geboren worden, dan zijn in dit opzicht minder bedeeld medeschepsel, toch zal men uit de biologische, constitutionele factoren alleen, de bouw van het individuele karakter nooit kunnen verklaren, want het is tenslotte de aard van de botsing van deze constitutie met de toevallige uitwendige omstandigheden, welke de aard van het daaruit resulteerende minderwaardigheidsgevoel bepaalt. In zijn milieu treft het kind trouwens niet alleen weerstanden aan, maar het vindt er ook voorbeelden, welke hem de weg wijzen om deze weerstanden te overwinnen. Zijn de weerstanden groot en de voorbeelden goed, dan zal dit een hoge prestatie bevorderen. Ontbreken de voorbeelden, dan zal de kans op mislukking toenemen. Het resultaat zal echter nooit van te voren geheel berekenbaar zijn, want in laatste instantie moet de scheppende fantasie van het kind het door de botsing ontstane conflict tot een oplossing brengen. Na deze, meer theoretische, inleiding willen wij nu iets van de praktische zijde van ons vraagstuk belichten. Bijzonder duidelijk spelen allerlei ziekten, waaraan het jonge kind lijdt, een rol. Zo bijvoorbeeld bij een kind, dat gedurende zijn 18 eerste levensmaanden aan een sterk jeukende en zeer uitgebreide huiduitslag heeft geleden. Hoe geheel anders zal aan dit kind, prikkelbaar en ongelukkig als het zich moet voelen, de wereld toeschijnen dan aan zijn broertjes of zusjes, ook al is
53
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

hij in een schijnbaar ongeveer gelijk milieu geboren. Maar behalve dat éénzelfde milieu dus voor verschillende individuen geheel erschillende betekenis heeft, oefent ook ieder individu een eigen invloed op zijn milieu uit en verandert dit dus op zijn eigen wijze.
Stellen wij ons voor, dat het kind waar van hier sprake is een moeder treft, die tegen zijn ziekte niet is opgewassen, die overspannen en prikkelbaar wordt door de voortdurende zorg welke het kind van haar eist en die de elkaar snel opvolgende teleurstellingen, wanneer allerlei behandelingen van achtereenvolgens geraadpleegde artsen telkens weer falen, niet kan verdragen. Voegen wij daarbij nog de krenking van de moedertrots, een trots die afstraalt van het gelaat van iedere moeder, die haar gezonde zuigeling aan anderen kan tonen, en ook het onsmakelijke voorkomen van zo’n eczeemkind, dan kunnen wij begrijpen, dat zo’n kind aan tederheid en geduld tekort kan komen en dat de juiste verstandhouding tussen moeder en kind niet tot stand komt. Zulk een kind leert van jongs af, dat het alleen door lastig te zijn de moeder kan binden en de moeder zal door deze “lastigheid”, welke voor haar een persoonlijke nederlaag en krenking betekent, weer des te meer neiging hebben om zich van het kind af te wenden. Het onderlinge vertrouwen blijft zodoende ontbreken, omdat de door de omstandigheden veroorzaakte houdingen van moeder en kind elkaar voortdurend versterke. Het kind zal door zijn “lastigheid” de prikkelbaarheid van de moeder en deze door haar “prikkelbaarheid” het wantrouwen van het kind steeds weer vergroten. Indien zo’n kind dan later tot een “psychopaat” blijkt op te groeien, meent de Individualpsychologie daarvoor geen aangeboren “psychopathische aanleg” verantwoordelijk behoeven te stellen. Een ander voorbeeld kunnen wij aan de verschillen in ontwikkeling van been- en spierstelsel ontlenen. Een kind dat gemakkelijk leert lopen, zal daarin een reden voor een optimistische en moedige levensopvatting vinden, terwijl een ander kind dat pas veel later en na eindeloze moeite en tegenslagen deze kunst machtig wordt, daardoor het leven reeds anders zal gaan waarderen. De triomf die het eerste kind geniet, moet die van een Blériot, toen hij als eerste over het Engels Kanaal vloog, evenaren, terwijl het andere aan het lopen de herinnering aan een reeks van nederlagen zal verbinden. Hoe sterk en op welke wijze het kind bij zijn loopoefeningen deze triomf of nederlaag zal beleven hangt echter weer ten nauwste samen met de houding, die zijn opvoeders tegenover het geval aannemen. Wanneer een achterblijven van het kind ook voor hen een nederlaag betekent kan hun eerzucht of hun zucht tot opvoeden hen er toe brengen om te trachten het kind tot lopen te dwingen, nog vóór de goede lichamelijke en geestelijke gesteldheid daartoe aanwezig zijn. Het kind wordt dan voor een taak gesteld, welke het (nog) niet vervullen kan en de voortdurende nederlagen waaraan het door deze taktiek wordt blootgesteld scheppen de kans, dat de opvoeder er niet alleen in slaagt om het kind voor elke opdracht van zijnzijds voorgoed schichtig te maken, maar dat het kind er bovendien toe komt om elke mislukking welke het tot stand brengt als een overwinning op de opdrachtgever te ondervinden.

De reactie van het kind op zijn lichamelijke tekorten en eigenaardigheden wordt dus door de reactie van het milieu mee bepaald en daardoor brengt de opvoeding van lichamelijk minderwaardige kinderen grote moeilijkheden mee en vereist nog meer inzicht en toewijding, dan die van het lichamelijk volwaardige kind. Ligt deze lichamelijke minderwaardigheid in een onvolkomenheid van het nerveuze apparaat, dus in de hersenen of een ander onderdeel van het zenuwstelsel, dan worden deze moeilijkheden nog zeer vergroot, omdat de normale compensatiemogelijkheden, welke immers door middel van het nerveuze apparaat tot stand moeten worden gebracht, een beperking hebben ondergaan. Dit is bijv. het geval bij kinderen, die tijdens de geboorte een hersenletsel kregen of in hun eerste levensjaren aan een
54
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

hersenziekte geleden hebben. Over het algemeen zal een volledige compensatie van de aldus ontstane orgaanminderwaardigheid alleen ten koste van een veel hogere arbeidsprestatie van het individu mogelijk zijn. En deze verhoogde inspanning zal het zich alleen dan getroosten, wanneer het over een voldoende dosis moed beschikken kan. Daardoor spreekt het vanzelf, dat voor zo’n kind de verleiding groot is om tot “negatieve” middelen zijn toevlucht te nemen en de compensatie langs de weg van de minste weerstand te kiezen. Zodoende zullen verschijnselen als psychopathie en criminaliteit het gevolg kunnen zijn. Zijn in zulke gevallen van hersenletsel de beschadigingen al tè groot, dan zal ook onder de meest gunstige condities een als volwaardig te waarderen aanpassing niet bereikbaar zijn en kunnen verschillende vormen van zwakzinnigheid het eindresultaat zijn. Dan zal van een poging tot volledige aanpassing van het opgroeiende individu aan zijn toevallig milieu moeten worden afgezien en zal men moeten trachten om het kind een passend milieu te verschaffen. Adler wees er in zijn reeds eerder vermelde “Studie über die Minderwertigkeit von Organen” op, dat een minderwaardigheid van de hersenen dikwijls aan de schedel- en gelaatsvorm te constateren valt. De oude leer van Lombroso, volgens welke er een causaal verband tussen criminele aanleg en degeneratieve kenmerken van schedel en gelaat zou bestaan, zou dus een kern van waarheid bevatten. Alleen zou hierbij niet een duistere, streng causale wetmatigheid, maar een psychologisch begrijpelijke en variabele causaal-finale samenhang bestaan. Al zal de verleiding om tot negatieve middelen zijn toevlucht te nemen voor de bezitter van een minderwaardig zenuwstelsel groter dan voor anderen zijn, daartegenover staat dat hij onder voor het eindresultaat gunstige omstandigheden, door een versterkte compensatie tot een toestand van meerwaardigheid kan geraken. Bovendien moet ook voor het relatief minderwaardig blijvende individu niet uitsluitend een asociale, maar toch altijd ook een sociale aanpassingsvorm bereikbaar worden geacht. Volgens Fr. Grewel (Psych. en Neur. Bladen 1933) is “trouwens onder het grote aantal onsociabelen en criminele het aantal van de degeneratieve persoonlijkheden slechts gering.”
Adler (Studie über Minderwertigkeit von Organen). Asymetrien van de Schädelbasis, Augenanomalien, Degenerationszeichen am Kopfe weisen uns immer wieder auf die Minderwertigkeit des Gehirnes hin und sind als perifere Aeuszerungen dieser Minderwertigkeit aufzufassen. Moralische Verschlechterung, Verbrechertum, Trunksucht können dieser Gehirnminderwertigkeiten entstammen. Hervorragende Geistesveranlagung, Genialität, die Lombroso in de Vordergrund gerückt hat, sind als Ueberkompensation in einem minderwertigen Gehim anzusehen. E. Kretschmer (Medizinische Psychologie. 1930). Genie entsteht gern an dem Punkte, wo hochbegabte Famillen zu entarten beginnen. Van de Prozentsatz von Nervösen, Psychopathen und Geisteskranken ist unter de Genies wesentlich gröszer als unter de Durchschnittsmensen.

55
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Om enigszins te beseffen welk een ommekeer Adler’s zienswijze op dit gebied heeft gebracht, moeten wij ons een ogenblik het standpunt, dat de wetenschap tot dusverre had ingenomen, voor de geest brengen. Zij had op dit gebied twee theorieën tot haar beschikking, welke zij afwisselend en naar behoefte kon toepassen. De ene theorie ging van een materialistisch (dus monistisch) standpunt uit; volgens deze hypothese zouden de geestelijke eigenschappen van de mens een geen nadere verklaring vragend gevolg zijn van zijn lichamelijke eigenschappen. Deze materialistische hypothese gaat tevens samen met de veronderstelling van een aangeboren “psychofysisch parallellisme.” Naast deze monistische theorie beschikte men echter nog over een andere, waarbij zij het bestaan van een afzonderlijke, van de lichamelijke aanleg onafhankelijke, geestelijke aanleg aannam en zich dus op een dualistisch standpunt stelde. Herhaaldelijk kon men ook deze beide standpunten, welke in werkelijkheid van geheel verschillende vooropstellingen uitgaan en daarom streng van elkaar gescheiden dienen te worden, met elkaar vermengd zien aanwenden. Gemakkelijk was deze theorie zeker. Wanneer er tussen lichamelijke en geestelijke habitus volgens het oordeel van de wetenschap overeenstemming bestond, zoals bijv. bij het manlijk en het vrouwelijk geslacht in de regel wordt aangetroffen, deed de monistische theorie opgeld, terwijl, wanneer deze overeenstemming ontbrak, zoals men voor het verschijnsel van de homoseksualiteit wel aannam, nog altijd van de dualistische theorie kon gebruik worden gemaakt. Het zou verkeerd zijn om over deze dubbelhartigheid te spoedig in afkeurende zin te oordelen, want het is nu eenmaal een onaangename noodzakelijkheid voor de wetenschap, dat zij zich soms wel bij een innerlijke tegenstrijdigheid in haar opvattingen moet neerleggen, in afwachting van het ogenblik waarop een vruchtbare synthese mogelijk zal zijn geworden. De zienswijze van Adler doet een grote stap in de richting van deze synthese. Zij brengt een nieuw psychofysisch parallellisme, dat van geheel andere aard dan het oude, statische, is. Volgens dit laatste begeleiden de fysische verschijnselen wel de fysischchemische lichamelijke processen, maar zijn voor het resultaat eigenlijk onverschillig. De psychische reacties moesten dus van dit standpunt uit eigenlijk als een overbodige luxe beschouwd worden. Dit laatste is echter in de neovitalïstische theorie geenszins het geval, want volgens deze theorie en ook volgens Adler behoort het juist tot de taak van de psyche, de horme of de entelechie om dit parallellisme, deze harmonie tussen vorm en functie van het organisme te bewerkstelligen. Deze
56
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

harmonie is dan aanwezig, wanneer er een logisch verband tussen de functie van het organisme en die van zijn milieu tot stand is gebracht. Door zijn goed gekozen vooropstellingen, geholpen door een fijn begrip van het zielenleven, vooral ook van het kind, is Adler er in geslaagd om de tot nu toe in haar wezen duistere correlatie tussen lichamelijke en geestelijke verschijnselen op een, teleologisch begrijpelijke, aanpassende reactie van de psyche op lichamelijke eigenschappen (deze laatste in de ruimsten zin genomen) terug te voeren. Dank zij deze moderne opvattingen wordt het ons mogelijk gemaakt om veel, wat tot dusverre duister scheen, en daarom aan een afzonderlijke psychische aanleg werd toegeschreven, in onze systematische kennis in te voegen.
Bijvoorbeeld kunnen tal van feiten, welke de erfelijkheidsonderzoekers ons voorleggen, nu in een begrijpelijk verband worden gezien, terwijl oudere opvattingen tot allerlei tegenstrijdigheden aanleiding gaven of problemen onopgelost moesten laten. Waardenburg vermeldt bijvoorbeeld het feit, dat kinderen van onderwijzers meer aan bijziendheid blijken te lijden dan kinderen van scheepskapiteins, Hier zou volgens de oudere opvattingen een in wezen duistere correlatie moeten bestaan tussen kortzichtigheid en een bepaalde geestelijke aanleg. Volgens de Individualpsychologie echter heeft een erfelijke lichamelijke eigenschap, een orgaanminderwaardigheid dus, die ook bij de ouders van deze kinderen aanwezig moet zijn, bijzienden er toe genoopt een bijzondere psychische compensatiemodus te kiezen, terwijl de vèrzienden, die dus de wijdere horizon hebben, het voor hen beter passend beroep van zeeman gekozen hebben. Erfelijk is dan alleen de oogafwijking, terwijl de beroepskeuze geheel in verband gedacht kan worden te staan met het streven naar psychische compensatie van de hier in aanmerking komende orgaanminderwaardigheid.

De kortzichtigen leven visueel in een geheel ander milieu dan de normalen en zijn dus wel gedwongen, worden er althans toe verlokt, om een andere vorm van aanpassing te zoeken dan de vèrzienden. Hun aandacht zal vooral door alles wat zich in hun nabijheid bevindt of daarin kan gebracht worden, worden geboeid en daarom zullen zij, wanneer de omstandigheden dat ook overigens in de hand werken, eerder dan andere kinderen tot lezen en studeren, ook tot nadenken over abstracte dingen, geneigd zijn. George Duhamel laat een van zijn heldinnen zeggen: “Je suis comme tous les myopes. fle vois peut-étre mieux que vous et que la plupart des autres hommes, parce que je suis obligée de regarder plus attentivement”. In deze ene volzin toont deze schrijver ons hoe het bezit van een minderwaardig orgaan het individu er toe brengen kan om een verdubbelde aandacht aan de functie van dit orgaan te wijden en deze functie door een speciale training te verfijnen en te differentiëren. Daarom zal het ons niet verwonderen, dat onder schilders zo’n groot aantal oogafwijkingen worden gevonden of dat op gymnasia, waar over ‘t algemeen hogere eisen aan studiezin en abstracte kennis wordt gesteld, meer myopie voorkomt dan op de hogere burgerscholen, waar de directe praktijk van het leven meer de boventoon voert.
57
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

De Individualpsychologie erkent dus graag de grote betekenis van de erflijkheid voor de psychische habitus van de mens en aanvaardt gretig de door het erfelijkheidsonderzoek opgespoorde statistische gegevens en feiten. Volgens haar is echter deze psychische habitus zelf niet erfelijk, maar specialiseert zich de psyche van de mens in zo’n richting, als voor de aanpassing van de lichaamsbouw aan het toevallige milieu vereist wordt. Wanneer deze richting van de ontwikkeling al bij de geboorte was vastgelegd, zou er van een aanpassing van de mens aan de, door de eeuwen heen en met de verschillen in plaats, sterk wisselende omstandigheden, zomin als aan door ziekte teweeggebrachte veranderingen in de lichaamsbouw, geen sprake kunnen zijn en zou de soort “mens” zich dus onmogelijk in de levensvorm, zoals wij deze waarnemen, hebben kunnen handhaven. De Individualpsychologie, die oorspronkelijk uitging van die psychische overcompensaties van orgaanminderwaardigheden, welke in de neurose, bij de zenuwzieke mens, waren aan te tonen, is allengs geworden tot een leer, tot een psychologie, waarin de psyche beschouwd wordt als een soort bemiddelend orgaan tussen de mens in zijn lichamelijke aanleg en in zijn toevallig milieu gegeven middelen. Deze psyche vormt aldus de ordenende, kiezende, adapteerende en compenserende schakel niet alleen tussen de organen onderling, maar tevens tussen het organisme en de werkelijkheid. Door de psychische activiteit wordt zowel de lichaamsbouw aangepast aan de eisen die de werkelijkheid stelt, als de werkelijkheid zo gekozen, zo veranderd en zo benut als met de behoeften van het individu overeenkomt.
Dat het milieu voor een groot deel de schepping van de mens-zelf is, daarvoor hoeven wij geen voorbeelden aan te halen. Wij hoeven slechts om ons heen te zien. Hoe groot echter ook de invloed van de psyche op het organisme is, staat ons niet steeds duidelijk genoeg voor ogen. Hier wil ik slechts terloops als voorbeeld het verdwijnen van wratten door suggestie noemen.

De betekenis van de aanleg blijft van kracht, maar verliest haar starre wetmatigheid, want volgens Adler wordt wel aan het kind bij zijn geboorte een bepaalde aanleg meegegeven, maar is het gebruik dat het individu van dit geschenk maken zal niet van te voren bepaald, maar te beschouwen als een product van zijn scheppend vermogen. Door een gestadige training kan een oorspronkelijk minderwaardig orgaan in een meerwaardig veranderd worden, of kan door het te hulp roepen van andere organen en door de vorming van geraffineerde, zuiver psychische compensaties op andere wijze in het tekort worden voorzien. En zo lijkt ons de stoute veronderstelling van Adler, dat (behalve bij door bepaalde ziekten gehavende individuen) praktisch gesproken, ieder relatief tekort in de individuele aanleg ten slotte door een of andere compenserende reactie goed of meer dan goed kan worden gemaakt,
58
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

misschien nu minder gewaagd, dan ons op het eerste gezicht is voorgekomen.
Blinden ontwikkelen een fijner gehoor (ook grote muzikaliteit) en tastgevoel en kenmerkend mag het genoemd worden, dat de volksverbeelding zich de “ziener” als een blinde voorstelt. (bijv. Homerus, Ossian). Want ieder mensenkind moet trachten om uit zijn zwakheid een kracht te maken. “Wie niet sterk is moet slim zijn.” Van dit “slim-zijn” geeft Jan Lichthart in zijn “Jeugdherinneringen” een aardige en juiste beschrijving. Hij heeft met enkele kameraadjes kattekwaad in een winkel bedreven. Als de winkelier toesnelt, vluchten de anderen naar alle kanten. Jan kan niet, want er staat hem op straat een hond in de weg en hij is doodsbang voor honden. Hij gaat nu, alsof hij van de prins geen kwaad weet, quasiaandachtig voor het etalagevenster staan kijken en verklaart dit gedrag als volgt: “Wie niet sterk is moet slim zijn. Wie niet sterk is, is slim. Dat is het instinct tot zelfbehoud. Ik was niet beredeneerd slim, ik had dit redmiddeltje niet uitgedacht, maar ik deed zoals een drenkeling, die de armen uitslaat. De slimheid was er ineens en onbedacht. Ze was mijzelf een verrassing, een noodproduct zoals zekere vieze lucht bij een bunzing.”

Zo denkt de psyche, voor ons bewustzijn verborgen, onze gedragingen, onze trucs en maskers uit. Zo vormt zij “karakters”, als aan de omstandigheden zich aanpassende reactieschema’s en daardoor kunnen mensen met lichamelijke minderwaardigheden, “degeneratieve kenmerken”, uitgroeien zowel tot dwingende neurastenici als tot fijn besnaarde wezens. Men kan daarom met Adler de stelling verdedigen, dat er binnen wijde grenzen eigenlijk geen aanleg denkbaar is, welke niet dank zij het compensatievermogen van de psyche en de enorme plasticiteit van het organisme (vooral van het zenuwstelsel), een volwaardig, voor zijn taak in de samenleving voldoende geschikt individu als resultaat zou kunnen geven. En in die zin mag men dan ook van een gelijke “start” van allen spreken, omdat juist datgene wat eerst een nadeel scheen, door het individu tenslotte in een voordeel kan worden omgezet. De aldus op de orgaanminderwaardigheid, men kan ook zeggen op de “constitutie, gebaseerde karakterologie staat nog in de kinderschoenen. Adler heeft in zijn “Studie über Minderwertigkeit von Organen” (1907) een eerste stoot daaraan gegeven en Kretschmer (Körperbau und Charakter) heeft een andere schrede op deze weg gezet.
Ook in de psychoanalyse is er iets van deze soort karakterologie te vinden en wel in het “anale” karakter. Wanneer immers het darmkanaal van het jonge kind niet goed functionneert of deze functie in de aanvang moeilijk regelbaar is, zal de aandacht, waarschijnlijk eerst van de moeder en door haar van het kind, meer dan gewoonlijk door de functie van dit orgaan getrokken worden. Zulk een kind zal eerder dan andere kinderen de verrichtingen van zijn spijsverteringsorgaan als een soort machtsmiddel tegenover zijn omgeving leren aanwenden en trainen, want door af te geven of te behouden kan hij zijn moeder belonen of straffen Freud houdt zich echter met dit karakterbeeld hoofdzakelijk als beschrijver bezig. Voor hem ontstaat het als een gevolg van een blijvend overwegen van de “anaalerotiek”. Hoe daaruit de door hem beschreven karaktertrekken ontstaan wordt door hem verder niet duidelijk gemaakt, want de Adlerse conceptie van de rol van de orgaanminderwaardigheid wordt door hem aanvaard noch begrepen. “Das einzige Organ, das wirklich als minderwertig betrachtet wird, ist der verkümmerte Penis, die Klitoris des Mädchens” (Freud. Neue Folge van de Vorlesungen.)

59
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Op het gebied, dat door Adler in zijn “Studie über Minderwertigkeit von Organen” betreden werd, valt nog veel te onderzoeken en te schiften. Verschillende richtingen van de biologische wetenschap zullen daartoe kunnen bijdragen en wel des te gereder naarmate ook in deze richtingen de causaal-finale probleemstelling gebruikelijk zal worden. Reeds tegenwoordig ontmoeten wij hier en daar voorbeelden, waarin dergelijke bijdragen worden geleverd. Een van de oudste voorbeelden in de moderne wetenschap treffen wij in het “emmetropisatie-beginsel” van professor Straub aan (Ned. tijdschr. van Geneesk. 1909). Hij meent, dat de statistische gegevens betreffende de brekingsafwijkingen van het oog de slotsom wettigen, dat er bij de ontwikkeling van het oog een regulerend beginsel werkzaam moet zijn, dat er naar streeft om uit de erfelijk gegeven aanlegfactoren (lengte van de oogas, brekingskracht van het weefsel van hoornvlies, lens, glasvocht etc.) ten slotte de juiste brekingstoestand te doen ontstaan. Hij roept hier dus een soort “entelechie” te hulp, welke uit een reeks erfelijke gegevens door compenserende groeireacties tot het voor het individu meest gunstige resultaat tracht te komen. Uit dergelijke voorbeelden (het boek van von Monakow en Mourque: Introduction biologique á l‘étude de la Neurologie et de la Psychopathologie, is er een ander van) kunnen wij zien, dat de Individualpsychologie in haar opvattingen niet alleen staat, maar een gedachtegang volgt, die ook op andere gebieden van wetenschap al ingang heeft gevonden.

60
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK V IK-GEVOEL EN GEMEENSCHAPSGEVOEL Het “Ik-gevoel” en het “gemeenschapsgevoel” zijn als bepaalde kwaliteiten te beschouwen, die aan alle psychische processen eigen zijn. Wij kunnen veronderstellen, dat zij als tegenstellingen ontstaan op het moment, dat het pasgeboren kind tot de ervaring komt, ten eerste, dat het in de wereld op schadelijke inwerkingen en op tegenstand stuit, vervolgens, dat het deze op de een of andere manier kan overwinnen. Wij achten dan in de aanleg van meet af gegeven, dat het kind op voor zijn welzijn schadelijke prikkels met een, door onlust in het leven geroepen, afweer reageert; doch omstandigheden, die zijn welzijn bevorderen met een lustvolle toewending beantwoordt. Later zal het beeld dan veel gecompliceerder worden, want met behulp van de ervaringen welke het allengs opdoet, zal het een soort krijgsplan samenstellen om zich zoveel mogelijk lustgevoelens te verschaffen en zich tegen onlustgevoelens zo goed mogelijk te beschermen. Elke gebeurtenis, welke niet in dit plan van actie past, zal dan even instinctmatig met een afweer en iedere gebeurtenis, die er wel mee strookt, even onmiddellijk met een toewending beantwoord worden, als de zuiver biologische schadelijke of gunstige prikkels welke het pasgeboren kind deden reageren.
Wij kunnen daarom wel een “biologische” van een “persoonlijke” doelmatigheid van de menselijke reacties trachten te onderscheiden. Beide doorkruisen elkaar en grijpen meestal door en over elkaar heen. Het biologische principe kan daarbij geheel op de achtergrond worden gedrongen, zoals door talrijke gevallen van hongerstaking, zelfverwonding en zelfmoord wordt aangetoond.

Alles wat met de persoonlijke doelstelling strijdig schijnt, zal aanvankelijk met een op-zichzelf-bedacht-zijn, met een Ik-gevoel worden beantwoord, terwijl op de met het doel overeenstemmende prikkels een gevoel van gemeenschap zal volgen. Des te beter passend dus het levensplan van het individu voor de hem geboden omstandigheden is, des te meer zal het gemeenschapsgevoel de boventoon bij hem voeren. Ik-gevoel en gemeenschapsgevoel zijn dus gevoelskwaliteiten, welke de mate van afwending of toewending van het Ik tot de realiteit aanduiden. Beide zijn in ieder gevoel aanwezig, want de persoonlijkheid kan zich nooit geheel van de werkelijkheid losmaken, noch er zich geheel mee verenigen. Ook in de sterkste afwending zal de mens toch tevens een middel zoeken om actief op de werkelijkheid in te werken en evengoed zal hij ook tijdens de sterkste toewending een kleine reserve overhouden. Men kan zich nooit geheel door iets laten medesleepen, noch door zijn gevoelens, noch door zijn verstand.
61
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Wanneer een kind zich mokkend van zijn speelgenooten terugtrekt, zal het hen tegelijkertijd daardoor hopen te beïnvloeden. Misschien meent het, door een spelbreker te zijn, hun pleizier te bederven of is het zijn bedoeling om een gevoel van spijt, dat zij hem zo slecht behandeld hebben, bij hen wakker te roepen. Anderzijds zal dikwijls in het gemeenschapsgevoel een aandeel van zelfverheffing te vinden zijn. Personen, die een sterke toewending tot eenigerlei vorm van kunst bezitten, kunnen zich bijv. van hun kunstzin bedienen om op anderen neer te zien, zich dus van die anderen af te wenden.

Ook hier weer brengen wij door onze begripsvorming een kunstmatige scheiding aan, want in werkelijkheid zijn beide gevoelens tesamen als een eenheid voorhanden. Nooit kan het Ik alleen zichzelf, noch, terwijl het zichzelf geheel verliest, uitsluitend de buitenwereld tot object kiezen. Ook in de sterkste zelfbeschouwing zal dit Ik niet los van, maar in zijn betrekking tot de buitenwereld bekritiseerd en gewogen worden en in iedere beschouwing van de buitenwereld zal ook haar waarde voor het Ik een rol vervullen. Het verlangen van Nietzsche: „Und das heisze mir aller Dinge unbefleckte Erkenntnis, dasz ich von de Dingen nichts will, ausser, dasz ich vor ihnen daliegen darf, wie ein Spiegel mit hundert Augen,“ brengt dan ook slechts een “vrome” wens tot uiting. Men kan ook zeggen, dat, wanneer in het besef van onze betrekking tot de buitenwereld het sterkste accent op het Ik valt, het Ik als doel en het object als middel beschouwd wordt, terwijl in die gevallen waarin het accent vooral op het object valt, het Ik zichzelf meer als middel en het andere als doel waardeert. In het eerste geval kunnen wij ook van subject, in het laatste van object, gevoel spreken (J. Neumann). Bij het Ik-gevoel kunnen wij nog het minder- en het meerwaardigheidsgevoel onderscheiden. Het eerste is verreweg het meest voorkomende, omdat het laatste door de natuurlijke kwetsbaarheid van de mens slechts in schijn gehandhaafd of als een fictief ideaal gedroomd kan worden.
De term “minderwaardigheidsgevoel” wordt nog wel eens verkeerd be- grepen, omdat in ons gewone taalgebruik aan uitdrukkingen als “minderwaardig schepsel” en “minderwaardige handelingen” een zedelijke veroordeling verbonden is. Daarom hebben sommigen enigszins bezwaar tegen deze term en zouden hem bijvoorbeeld door “inferioriteitsgevoel” willen vervangen. Het woord heeft echter in de psychologie nu eenmaal burgerrecht gekregen en bovendien is voor de arme bezitter van een bepaald minderwaardigheidsgevoel de eigenschap of het tekort waarop het berust doorgaans het meest verachtelijke, dat voor hem denkbaar is en de bron van al zijn lijden. Voor hem schijnt het woord dus nog zo slecht niet gekozen.

Volgens de Individualpsychologie is het minderwaardigheidsgevoel de nuttige en noodzakeliike beleving van de spanning tussen de eisen, die een schadelijke werkelijkheid aan de mens stelt en het ontoereikende van de middelen die hij daar tegenover meent te kunnen stellen. Alleen dank zij zijn aanleg tot het ontwikkelen van allerlei geestelijke en lichamelijke compensaties is hij in staat zich, ondanks de voortdurende bedreiging van zijn bestaan, in deze wereld te handhaven. De richting, welke de compenserende reacties zullen inslaan, wordt daarom bepaald
62
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

door de aard van het insufficientiegevoel. Uit het besef van zijn hulpeloosheid zal bij het kind (bewust of onbewust) de voorstelling van de tegensituatie opduiken. “Ik ben de zwakkere, daarom wil ik de sterkere zijn.” Uit wat het kind als zijn zwakheid leert kennen, zal het de vorm scheppen waarin het zijn sterk-zijn zou willen beleven. Elke vergroting van de lichamelijke minderwaardigheid zal daarbij het kind een versterkt gevoel van zwakheid geven en naarmate deze hulpeloosheid groter is, zal het zich des te vaster aan de volwassenen moeten vastklampen, zal het des te meer de neiging hebben zijn invloed op hen te versterke en des te minder om door een vlijtige training tot positieve prestaties te komen. De lichamelijke insufficientie is dus de ene factor waardoor het kinderlijk minderwaardigheidsgevoel bepaald wordt. De mate van betrouwbaarheid van de opvoeders zou men als een andere factor kunnen beschouwen. Künkel geeft daar een aardig beeld van. Zolang wij onbeperkt over lucht voor onze ademhaling beschikken, kunnen wij ons geheel aan andere dingen wijden, wordt de luchttoevoer echter bedreigd, dan zullen wij ons geheel op deze bedreiging moeten concentreeren. Iedere twijfel aan de liefde en trouw van de ouders, welke in het kind gewekt wordt (de uitkomsten van het psychotherapeutisch onderzoek bewijzen dit telkens) geeft hem een sterk gevoel van onzekerheid, doet hem soms zijn houvast voor het gehele leven verliezen. Dat vooral de moeder hierbij een voorname rol speelt heeft bijv. ook Rainer Maria Rilke begrepen: “Wenn die Mutter nicht de Weg in die Welt gezeigt hat, der sucht und kann keine Türe finden. Het ontwakende persoonlijkheidsgevoel van het kind, zijn zelfwaardering, zal vooral in de eerste tijd, wanneer het in zichzelf slechts onwaard vindt, sterk afhankelijk zijn van de waarde die het heeft voor de anderen, voor zijn ouders. Vandaar wellicht zijn behoefte aan tederheid, en daarom moet men wel aannemen, dat het kind niet geheel zelfstandig tot het besef en de waardering van zijn situatie in de wereld komt, maar door de weerkaatsing, die zijn verschijning bij zijn ouders teweegbrengt. Wij kunnen hier aan die kinderen denken, die door de ouders niet gewenst waren en die een grotere rubriek vormen, dan men wel zou vermoeden. Soms wordt door de geboorte van een kind het plan tot of het fantaseren over een echtscheiding onmogelijk gemaakt en wordt dit hem nog jarenlang als een misdaad aangerekend. In andere gevallen betekenen kinderen voor de ouders het afstand doen van gemak en persoonlijke genoegens. Zelfs de voornaam van een kind kan invloed op de houding van de volwassenen hebben. Hoe slechter het kind, tengevolge van zijn constitutionele aanleg, is toegerust en hoe groter de weerstanden zijn, die hij in zijn milieu
63
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

aantreft, des te meer zal hij door een gevoel van onzekerheid gekweld worden, des te groter veiligheid zal hij opeisen en des te sterker zal dus ook zijn begeerte naar macht zijn. Deze macht is steeds op twee manieren te bereiken - òf door zich met de anderen te verbinden, òf door zich tot de tanden te wapenen. (In werkelijkheid moet men zich in een gegeven geval natuurlijk niet het een of het ander, maar een verschil in mate voorstellen).
Sommige ouders zijn werkelijk voortdurend bezig hun kinderen allen moed te ontnemen. Daartoe behoort de knorrige, ontevreden moeder, die steeds met een aanklacht op de lippen en in haar gelaatsuitdrukking rondloopt en het kind daardoor voortdurend van zijn onwaardigheid en slechtheid overtuigt. Voor zo’n kind schijnt, wanneer het genoeg activiteit overhoudt, opstandigheid, criminaliteit en vagabondage de beste uitweg, want men heeft hem alle geloof ontnomen dat hij zelf iets goeds tot stand zou kunnen brengen. Wanneer aan het kind de mogelijkheid tot tegenstand niet geheel is afgesneden, zal het resultaat iets minder funest kunnen zijn. Bijvoorbeeld een meisje, dat door de zeer godsdienstige moeder telkens met alle straffen van de hemel bedreigd word, maar dat het blaadje wist om te keren door nu ook zelf de godsdienst als machtsmiddel aan te wenden. Beurtelings was zij gelovig of ongelovig, al naar zij haar moeder belonen of straffen wilde en van de twijfel bediende zij zich om de bekeringsijver van haar moeder aan te wakkeren. Het resultaat van deze opvoeding was, dat de dochter later aan een dwangneurose ging lijden. Zeer versterkt wordt ook het gevoel van onzekerheid bij kinderen van wie de ouders in onmin leven en dit gevoel stijgt ten top, wanneer een van de partijen er een gewoonte van maakt om telkens na een “scène” het huis, kwasi voorgoed, te verlaten. De angst kan zo’n kind er toe brengen om de vader op zijn nachtelijke zwerftocht door de straten te volgen. Ook voor zo’n kind is de onzekerheid van het menselijk bestaan zo groot, dat een altijddurende levensangst er het gevolg van kan zijn. Omdat bij vele kinderen de gedachte leeft: hoe zou het zijn wanneer vader en moeder niet voor mij zorgden, spelen verlaten, verstoten en verweesde kinderen waarschijnlijk in vele sprookjes een rol. Want in de gebeurtenissen, die zich in het sprookje afspelen, vindt het kind de weergave van zijn eigen angsten en bovendien dikwijls ook de troost van een gelukkige oplossing van de moeilijkheden (Klein Duimpje).

Ook bij Freud komt een “minderwaardigheidsgevoel” ter sprake. Het hoofdaandeel daarvan stamt bij hem uit de betrekking tussen het “Ich” en het “Ueberich” en brengt het verschil tot uitdrukking, dat tussen deze beiden bestaat. Een andere wortel heeft het in het gevoel van het kind wanneer het meent niet geliefd te worden. “Das Minderwertigkeitskomplex auf die Selbstwahrnehmung etwaïger Organverkümmerungen zurückzuführen, wie die Schule van de sogenannten Individualpsychologie zu tun beliebt, erscheïnt uns ein kurzsichtiger Irrtum. Das einzige Organ, dasz wirklich als minderwertig betrachtet wird, ist van de verkümmerte Penis, die Klitoris des Mädchens.” Zoals zoveel in de psychoanalyse heeft ook Freud’s opvatting over het minderwaardigheidsgevoel veel meer een beschrijvend karakter. Hij begint deze beschrijving daar, waar het volgens Adler al een bepaalde vorm heeft aangenomen, terwijl het zijn oorsprong in het beleven van de spanning, welke tussen de lichamelijke onmacht en de vijandige buitenwereld bestaat, heeft genomen. In zijn nood wendt het kind zich tot zijn moeder en elke liefdesonttrekking stoot
64
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

het terug in de onzekerheid, terwijl ook elke achterstand bij anderen, tussen wie het zich zal moeten handhaven, het een verhoogd gevoel van zwakheid zal geven. Als zo’n achterstand kan ook het vrouw-zijn, omdat dit dikwijls door de omgeving identiek met zwakheid gesteld wordt, beschouwd worden. Het komt inderdaad voor, dat de man, bijv. in de droom, een nederlaag als een “ontmanning”, een castratie, voorstelt. Dit soort symboliek wordt ook in de taal wel gebruikt, zoals door het hier volgende journalistieke stijlbloempje wordt aangetoond. “Als men op de weg van dit verbod doorgaat, krijgen wij een ontmand bioscoopbedrijf, waaraan elke pit ontnomen is.” Hieruit volgt echter niet, dat elk kind, dat meent door zijn moeder niet geliefd te worden, zich daardoor van zijn manlijkheid in de letterlijke zin beroofd behoeft te gevoelen en evenmin, dat de meeste meisjes de kleine jongen nu juist om zijn mannelijk geslachtsdeel benijden. Het is de positie van de man die benijd en de positie van de vrouw die veracht wordt. Bij Freud moet echter ook het minderwaardigheidsgevoel wel een erotise wortel hebben en in de directe verhouding van mens tot mens zijn grond vinden. Deze verhouding wordt door hem in een, aan het seksuele leven ontleende, beeldspraak beschreven. Freud “vertaalt” dus elke psychisch gebeuren in seksuele symbolen - en ziet daarna symbool voor werkelijkheid aan, alsof de fysiologie van het geslachtsapparaat allesbeheersend zou zijn - terwijl Adler, wanneer iemand zich, al of niet spontaan, van een dergelijke beeldspraak bedient, dit “jargon” terugvertaalt en zo de eigenlijke bedoeling tracht te herstellen. Is men eenmaal enigszins met de beeldspraak van de psychoanalyse vertrouwd, dan kan men elke in het Freud’s jargon geschreven ziektegeschiedenis vrij gemakkelijk in de gangbare taal .terugvertalen-, waardoor veel wat eerst huiveringwekkend leek van alle geheimzinnigheid ontbloot wordt. Wat er dan overblijft, komt de individualpsychologisch geschoolde onderzoeker meestal voor uitbreiding en verdieping vatbaar voor. In het voorafgaande hebben wij aangenomen, dat de sterkte van het minderwaardigheidsgevoel bepaald wordt door de maat van de werkelijk bestaande of vermeende zwakte en hulpeloosheid van het kind tegenover de situatie waarin het geplaatst is. Daarbij behoeft hem de aard van deze zwakheid niet in bijzonderheden bewust te zijn, het is meer een vaag besef van het geheel van de situatie, dat hem bezielt en de drijfveer van zijn handelen is. Omdat wij onder de onvolkomenheid en onzekerheid van de bestaande toestand lijden, stellen wij ons een andere toestand voor, waarin wij menen ons veilig te zullen voelen en van dat ogenblik af zijn het niet meer de oorzaken die ons voortstuwen, maar is het ons doel dat ons aantrekt. Door ons gevoel van
65
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

hulpeloosheid zijn wij bang om alleen gelaten te worden en daaruit volgt de noodzakelijkheid om ons met de anderen te verbinden. Daarin slagen wij het best, wanneer het ons gelukt om door onze bijdragen waarde voor de anderen te verkrijgen. Komt ons dit echter onmogelijk voor, dan zullen wij ook medetellen, wanneer wij een bedreiging voor hen vormen, of wanneer wij zo hulpeloos zijn, dat de anderen ons wel moeten helpen. Voor deze algemene drang om uit een onzekere in zekerder positie te geraken heeft Adler de naam geldingsstreven gekozen. Wanneer dit streven uitsluitend tot uiting kwam door “bij te dragen”, zou deze naam ons wellicht niet geheel goed gekozen toeschijnen. Men kan hem toch accepteren, wanneer men er bij denkt, dat het dan de juiste manier aanduidt om te gelden. Tot op zekere hoogte zou volgens deze redenering in laatste instantie steeds het eigenbelang of de eerzucht (men kan echter ook zeggen het gezond verstand) de drijfveer, ook van onze “altruïstische” handelingen zijn. Dit wordt inderdaad in de psychotherapie als een regel zonder uitzonderingen bevestigd gevonden en treedt ook in vele autobiografieën aan de dag. Jakob Wassermann vertelde in een voordracht, dat hij als jonge man naar München ging met het vaste voornemen om beroemd te worden en de bekende professor Messer meent in zijn levensbeschrijving, dat de eerzucht zijn motor is geweest. Zo voelt de mens zich steeds door zijn geldingsstreven gedwongen handelingen te verrichten en werken tot stand te brengen, die zijn gevoel van minderwaardigheid en onzekerheid verminderen, die tegelijk met het evenwicht in zijn betrekking tot de buitenwereld ook het innerlijk evenwicht moeten bevorderen. Zonder deze “ijdelheid” zou hij geen reden hebben om iets te verrichten, dat boven de zorg voor een minimum van materieel bestaan zou uitgaan. Wat hierbij de zieke van de gezonde onderscheidt is alleen de te grote vrees voor een nederlaag, die hem van een werkelijk streven naar de overwinning doet afzien en in de schijn zijn toevlucht doet nemen. Hij doet dit laatste eensdeels omdat zijn moed te gering is, anderzijds omdat zijn doel zo hoog ligt. Wanneer het vertrouwen in de toekomst ontbreekt, moet de bevrediging ogenblikkelijk gezocht worden.
Een jonge vrouw, die als kind door de moeder stelselmatig onderdrukt was, had toen reeds tot een overdrijving van haar onhandigheid, tot de passieve weerstand haar toevlucht genomen. Later gehuwd met een veeleisende man, trachtte zij zich eerst naast hem te handhaven, maar toen het haar niet spoedig lukte om zijn niveau van importantie in het ge-zin te bereiken, ging zij haar gevoel van eigen nietigheid zo overdrijven, dat zij slaafs (maar verkeerd) alle aanwijzingen van haar man opvolgde en voor iedere kleine beslissing zijn raad moest inroepen. Zo slaagde zij er in, door voor haar man de toestand ondragelijk te maken, toch de belangrijkste plaats in huis in te nemen. Elke psychische beweging zullen wij steeds het best begrijpen, wanneer wij er de richting naar boven, naar vermeerdering van waarde, gelding of macht in trachten terug te vinden. “Ob einer ein Künstler, der erste in seinem Fach oder ein Haustyrann sein will, ob er Zwiegespräche mit seinem Gotte hält

66
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

oder die anderen herabsetzt, ob er sein Leid als das Gröszte ansieht, ob er nach unerreichbaren Ideale jagt oder alte Götter, alte Grenzen und Normen zerbricht - auf jeden Teil seines Weges leitet und führt ihn seine Sehnsucht nach Ueberlegenheit”. (Adler). Het Sowjet-paleis zal met 415 M. hoogte het grootste ter wereld worden. De grote zaal krijgt een hoogte van 100 M. en zal 20.000 mensen kunnen bevatten. (Courantenbericht).

Zoals de lezer duidelijk zal zijn, komt het er niet op aan om dit bewegingsmotief voorgoed te doen verdwijnen, maar om het de juiste vorm en de goede richting te doen aannemen, zodat het in daden wordt omgezet. Maar al te dikwijls is het streven van de mens op het heersen over anderen ingesteld en moet het dus wel uit angst en wantrouwen geboren zijn. Doch het onafwendbaar gevolg van elk streven naar macht is het verzet, dat openlijk of in het geheim gepleegd, de gehoopte veiligheid voor de tyran te niet doet, waardoor zijn angst herleeft en hij zijn machtspositie opnieuw moet versterken. Wat alleen bevredigen kan, zijn daden die nuttig zijn voor de anderen en voor de samenleving in haar geheel. Daarom is het noodzakelijk, dat het eigenbelang, dat oorspronkelijk de aansporing tot het handelen was, op de achtergrond treedt en plaats voor de offervaardigheid maakt. Charlotte Bühler vermeldt twee uitlatingen van Limt, welke in dit verband passen. De eerste: “Ma seule ambition de musicien est de lancer mon javelot dans les espaces indéfinis de l’avenir”. De tweede: “Als herrschender Künstler bin ich aus Berlin ausgezogen, als Diener van de Kunst kehre ich wieder zurück.” En dezelfde Messer, die zo-even werd aangehaald, komt ten slotte tot de conclusie: “Der wahre Sinn des Lebens ist, nicht mehr an de egoïstischen Erfolg zu denken, sondern in Hingabe an sachliche Aufgaben seinem Volke und van de Mensheit zu dienen.” Als regel is het minderwaardigheidsgevoel, zowel als het geldingsstreven en het persoonlijkheidsideaal, de persoon zelf geheel onbekend. Wij zijn gewoon onze gevoelens van spijt, teleurstelling, welbehagen of overwinning, van verontwaardiging, afschuw, medelijden of vreugde als vanzelfsprekend te beschouwen, ze misschien ook als uitvloeisel van onze karaktereigenschappen te verklaren en denken er niet aan om dit alles als uitvloeisels van een bepaald waardesysteem, waaraan een bepaalde bedoeling ten grondslag ligt, binnen het bereik van ons verantwoordelijkheidsbesef te brengen. Deze onwetendheid over het eigen waardesysteem is wellicht daaraan te wijten, dat dit systeem reeds in de prille jeugd wordt gevormd, nog voor het kind tot het volle zelfbewustzijn en tot het denken in begrippen en woorden is gekomen, terwijl het dan bovendien de kleine wereld, het gezin, met de grote wereld, waarin het later zijn weg zal moeten vinden, nog niet kan vergelijken.
67
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Hoe nuttig voor het zelfgevoel zo’n waardesysteem kan zijn concludeert men wel eens uit uitlatingen als: “Bah! die mensen die zoveel bier drinken, lawaai maken of zulke sportmaniakken zijn.” De persoon in kwestie heeft er dan natuurlijk slechts voor te zorgen, dat hijzelf deze dingen niet doet, om zich in de eigen superioriteit te kunnen verheugen.

Heeft het kind zich een doel gevormd, dat niet alleen voor zijn toevallig huiselijk milieu, maar ook voor de latere omstandigheden past of daarvoor passend te maken is, dan zal het zich in de grote wereld gemakkelijk thuis voelen en de moed behouden. Heeft het echter, door die jeugdomstandigheden te sterk bekneld, een geldingsstreven gekozen, dat al te veel op huiselijk gebruik is afgestemd, dan zal het in de buitenwereld, althans in eigen oog slechts nederlagen lijden, ook zelfs wanneer er objectief voor de getoonde verslagenheid geen reden schijnt te zijn.
Een jong meisje, dat uiterlijk in de meest gunstige omstandigheden verkeerde, had als kind dikwijls een “koninklijk gevoel” wanneer zij de gespannen sfeer tussen vader en moeder had kunnen verbeteren. Zij wilde het “licht van de wereld” zijn en alle mensen verbeteren en bekeren. Geen wonder dat teleurstelling en nederlaag haar deel werden. Woedend en terneergeslagen was zij, wanneer de anderen zich tegen haar ingrijpen verweerden. - Een jonge theoloog droomt, dat in een rivier een aantal kinderen in het water liggen. Hij snelt toe om ze te redden, maar ziet tot zijn verbazing en teleurstelling, dat zij zo goed zwemmen kunnen als vissen en dus zijn hulp niet behoeven.

Zo zien wij ook hier weer als resultaat een wisselwerking, want terwijl het geldingsstreven zijn oorsprong eerst aan het minderwaardigheidsgevoel dankt, is later, wanneer dit streven zich in het karakter a.h.w. heeft uitgekristalliseerd, dit geldingsstreven, omdat het tot een alles beheersenden norm is verheven, de vernieuwde oorzaak om het minderwaardigheidsgevoel te onderhouden. Zolang de aard van dit geldingsstreven onbekend of onbewust is, zullen ook de grootste teleurstellingen en tegenslagen de mens er over het algemeen niet toe brengen om een juister methode te kiezen of om zijn eerzucht voorlopig te matigen. Hij zal dan eerder de uitweg kiezen, die de natuur in haar goedertierenheid hem in geval van uitersten nood heeft opengelaten, hij zal de schijn voor het wezen nemen en zulke uitvluchten zoeken of die middelen toepassen, welke hem een gemakkelijk te bereiken surrogaat verschaffen, zodat hij de voor een werkelijke gelding noodzakelijke prestatie niet behoeft te leveren. “Ben ik dan geen engel, dan toch een gevallen engel, maar in ieder geval iets groots en buitengewoons. Het jonge kind verkeert, door zijn werkelijke hulpeloosheid, ongeveer in dezelfde toestand als de ontmoedigde mens. Ook aan het kind staan slechts die compensatiemogelijkheden ter beschikking, waaraan moeilijkheid noch risico verbonden is en daarom zal de ontmoedigde mens, wanneer hij tot schijncompensatfes zijn toevlucht gaat nemen, allereerst de ervaringen uit zijn eigen kindertijd als voorbeelden kunnen
68
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

gebruiken en zijn doel dus met kinderlijke middelen trachten te bereiken. Ook bij het kind wordt in de fantasie vervuld, wat hem door de werkelijke omstandigheden ontzegd wordt en ook het kind tracht door gevoelens te bewerken, wat eigen activiteit niet tot stand kan brengen. Freud heeft deze parallel, welke tussen het gedrag van kinderen en neurotici kan getrokken worden, met de naam van “regressie” betiteld. Deze term mag men zeker wel, althans in beschrijvenden zin, als goed gekozen beschouwen, mits wij tevens bedenken, dat de bedoeling ervan meestal niet een “terug” is, maar een toepassing van oude, kinderlijke middelen op een nieuwe situatie. Het gemeenschapsgevoel, dat als tegenpool van het ik-gevoel reeds in het eerste gedeelte van dit hoofdstuk ter sprake is gekomen en dat wij hier nog iets nauwkeuriger willen beschouwen, wordt door Adler o.a. als volgt gekenschetst: “das kosmische Urgefühl … ein Abglanz des Zusammenhanges alles-kosmischen, das in uns lebt, dessen wir uns nicht ganz entschlagen können, und das uns die Fähigkeit gibt, uns in Dinge einzufühlen, die auszerhalb unseres Körpers liegen.” Zoals het ik-gevoel de isolering, de afscheiding van de mens van de anderen en van het andere betekent, zo beduidt het gemeenschapsgevoel de vereniging met dit andere. Gaat het eerste met starheid en onveranderlijkheid gepaard (de werkelijkheid moet zich voegen naar het Ik), zo sluit het tweede de plasticiteit, de bereidheid tot veranderen in zich, echter niet als dode en inactieve massa, maar als een vrij scheppend subject. Men trekt zich terug in het ik-gevoel, zodra men vreest zich in de starre vorm, welke men voor zich zelf gekozen heeft, niet meer te kunnen handhaven en kiest het gemeenschapsgevoel wanneer men de moed tot de strijd heeft, en een onbekende toekomst tegemoet wil gaan, in het vertrouwen, dat ook de werkelijkheid niet star en onveranderlijk, maar door ons te veranderen is. Omdat men in het gemeenschapsgevoel zichzelf als een deel van het geheel beschouwt, valt het bewustzijnsaccent op de buitenwereld en “vergeet men zichzelf.” Wij kunnen ons de psyche van het jonge kind als oorspronkelijk vormloos, als een onbeschreven blad denken en het kind dus karakterloos noemen. Al voor, maar vooral na de geboorte, zal dan de psyche, als “entelechie” opgevat, in actie komen om zowel de eenheid van het individu naar binnen als naar buiten te bewaren, beter gezegd, tot stand te brengen. Zo ongeveer als in een volk, waarin zowel naar een evenwicht van de machtsverhoudingen van partijen, standen en beroepen moet gestreefd worden, als tegelijkertijd een evenwicht naar buiten moet worden gehandhaafd. Daarbij zal iedere evenwichtsverstoring naar buiten tevens een verstoring naar binnen ten gevolge hebben, want de verschillende delen van de bevolking zullen
69
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

zich tegenover de veranderde uitwendige omstandigheden Qp een andere wijze moeten groeperen, wil het volk zich als een eenheid kunnen handhaven. Dit alles betekent zowel voor een volk als voor het individu een voortdurende veranderlijkheid en beweeglijkheid, want zowel in- als uitwendige omstandigheden zijn aan voortdurende wisselingen onderhevig. Een stabiele evenwichtstoestand zou trouwens met de dood gelijk staan, want het leven is juist een beweging welke op evenwichtsherstel gericht is. Van het grootste belang daarbij is echter de vorm van evenwicht, welke het individu als ideaal voor ogen zweeft en reeds vroeger werd er op gewezen, dat deze vorm door het geldingsstreven wordt bepaald en dit laatste in de jeugd, onder invloed van de “jeugdsituatie” is ontstaan. Maar niet alleen het individu ontwikkelt een activiteit in de richting van zijn geldingsstreven, daartegenover is ook in het milieu een activiteit voorhanden, die zich tegen dit streven teweerstelt. De bereidheid nu om de, door deze dubbelzijdige activiteit steeds weer ontstaande kloof tussen het Ik en de buitenwereld, tussen het geldingsstreven en de werkelijke positie, tussen het ideaal en de toepassing, voortdurend op te heffen, betekent het aanvaarden van het Ik zowel als van de werkelijkheid. Dit aanvaarden is dan echter geen statische toestand, geen rust, Maar een moedige beweging, er ligt geen vervulling, maar een taak in opgesloten. Dan is een levensdoel op hoger plan ontstaan. Uit de ontevredenheid over de wereld in ons en om ons volgt een streven naar verandering en volmaking, naar een in- en uitwendige harmonie, waardoor het Ik een zinvol deel van het geheel wordt en het geheel een zin krijgt voor het Ik. In deze vorm is het gemeenschapsgevoel een sterk dynamisch begrip, dat elke activiteit, elke scheppende daad van de mens begeleidt. Het gaat dus gepaard aan het streven naar gemeenschap. (Allers). Zoals aan het slot van het eerste hoofdstuk reeds werd aangegeven, komen wij hier in aanraking met een probleem, dat waarschijnlijk identiek met dat van de waarheid is. Ook de absolute waarheid zweeft ons slechts als een onbereikbaar ideaal, waarnaar wij hoogstens streven kunnen, voor ogen. “Ich verstehe unter Gemeinschaft ein unerreichbares Ideal, das wir nur ahnen können, da alle mensliche Kräfte dazu nicht ausreichen.” (Adler). Kenden wij echter de absolute waarheid, de laatste zin van de dingen en van onszelf, dan zouden wij ons in gemeenschap met de werkelijkheid bevinden, want dezelfde orde zou binnen en buiten ons zijn en de volmaakte harmonie zou bereikt zijn. In het hier onmiddellijk voorafgaande was er sprake van het gemeenschapsgevoel in zijn meest algemene, religieuse betekenis. In
70
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

de praktijk van het dagelijkse leven (ook van de psychotherapie) betekent gemeenschapsgevoel vooral het gevoel van een positieve verbondenheid met de medemens, soms ook (bijv. in de “Politische Charakterkunde” van Künkel) de verbondenheid met een bepaalde groep van gelijkgezinden.
Ook in dit sociale gemeenschapsgevoel schuilt een problematiek. Romain Roland beschrijft in: “Annette et Sylvie” de verhouding tussen een vader en zijn dochter; welke ons deze problematiek doet zien. Men leest daar: “Dit volwassen kind, dat niet verdragen kon, dat bij, overal waar hij zich bevond, niet het middelpunt van alle gedachten was, vervolgde zijn dochter met geestige gezegden, met plagende opmerkingen; hij was grappig en veeleisend om de aandacht van Annette voortdurend op zijn persoon te vestigen en rustte niet voor zij geheel en al oor voor hem was. En eindelijk, opgejaagd, geprikkeld, maar tegelijkertijd gevleid omdat hij niet buiten haar kon, liet zij al het andere varen om zich slechts met hem bezig te houden. Een ander voorbeeld, nu aan een ziektegeschiedenis ontleend, is het volgende. Een man van 55 jaar heeft sinds zijn tiende jaar een dwangneurose. Hij durft niet alleen een trap af te gaan, kan door bepaalde straten niet lopen en overal door zijn vrouw geholpen worden. Daarbij moet zij allerlei zinloze doch zeer strenge voorschriften in acht nemen. Deze vrouw meent zelf natuurlijk dat zij de sterkere persoonlijkheid is, omdat zij de “helpende”rol vervult. Nadat haar in enkele gesprekken was aangetoond, dat zij in werkelijkheid de slavin van haar man was, dat zijn “dwangneurose” een dwang voor anderen, en speciaal voor haar, betekende, werd hier aan toegevoegd, dat een verandering van haar houding en een beter inzicht van haar man, tot de genezing van deze neurose zouden kunnen bijdragen. Haar, na rijp beraad gegeven antwoord was toen, dat zij al zoveel jaren met haar man had rondgetobd en nu een verandering in de onderlinge verhouding eenvoudig niet aandurfde. Zij zou de zorg voor haar man nu niet meer willen missen, want telkens wanneer zij hem weer had kunnen “helpen” voelde zij zich gelukkig.

In deze voorbeelden komt de gemeenschap tot stand, doordat het geldingsstreven van de een bij dat van de ander als een sleutel past op zijn slot. En juist omdat deze sleutel niet op ieder slot past en dit slot niet door iedere sleutel geopend kan worden, ontstaat er een zeer nauwe en hechte band tussen de partijen. Nemen wij daarnaast als ander voorbeeld een persoon, een heilige, wiens geldingsstreven heel gering is en die dus voor ieder open staat. Hijzelf heeft echter niemand nodig en indien de anderen zo waren als hij, zou ook niemand hem nodig hebben. Elke band zou dan ontbreken en van een werkelijke gemeenschap zou geen sprake zijn. De mens kan zich nu eenmaal niet los van de anderen voelen en hij streeft daarom naar het bewustzijn, dat wat hij doet een reactie of een weerklank bij de ander teweeg brengt, terwijl hij zelf tevens met de ander wil meevoelen en -denken. Zo ontstaat een wederkerige afhankelijkheid, want wij zijn in staat elkaar tot tederheid, toorn, medelijden, bewondering, spot, nijd of dankbaarheid te bewegen, elkaar tot overwinnaar of verslagene, tot heerser of tot slaaf te maken. De ontmoedigde en onzelfstandige mens durft zich met de ander echter niet als gelijkgerechtigde te verbinden. Des te onzekerder hij zich voelt, des te meer meent hij onafhankelijk van de anderen te moeten zijn, des te meer zal hij zich tegen de anderen verweren en zelf macht over hen zien te verkrijgen. Er is echter een
71
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

innerlijke tegenspraak in deze begeerte, want hoe meer wij een ander trachten te binden, des te meer zijn ook wij zelf gebonden. (Künkel geeft het beeld van de baas die zijn hond aan een ketting vasthoudt. Hijzelf is echter aan het andere eind ervan en dus evengoed in zijn vrijheid beperkt). Ook op het terrein van de sociale verbondenheid is het ik-gevoel dus de bron van het gemeenschapsgevoel en daarom moeten wij het weer in dynamische zin, als een beweging opvatten. Want ook al drijft het Ik naar de gemeenschap, het belet deze tegelijkertijd en het streven moet daarom zijn deze belemmering op te heffen. Fransche schrijvers hebben de hier geschetste moeilijkheden duidelijk begrepen, zoals uit het volgende citaat van Duhamel (Pierre d’Horeb) m.i. kan blijken. “Le plus grand don que I’on puisse faire aux hommes est celui d’une oreille ouverte. Que de fois j’ai couru dans la háte de répandre mon coeur. Que de fois j’ai du ravaler mon message, me taire, écouter. Il m’a fallu plus de vingt ans pour adopter en définitive cette alfligeante sagesse: je ne fais plus de confidences j’en reçois.” En elders heet het: “Moi qui ne souffre pas pour mon compte, moi, qui semble vide, vacant, je ne suis que plus accessible, et de toutes parts, á la souffrance des autres.” De mens heeft dus steeds met de tegenstrijdigheid te kampen, dat zowel de drang naar behoud, die door het Ik wordt uitgeoefend, als de neiging tot expansie, die van de gemeenschap uitgaat, wanneer zij elk voor zich werkzaam zijn, het isolement van de mens tengevolge hebben. Door Prinzhorn wordt dit probleem eveneens geraakt, wanneer hij zegt: “Die Versuche, das Lebensganze psychologisch einheitlich denkend zu erfassen, können auf zwei Haupstandpunkte zurückgeführt werden: entweder findet man de letzten, nicht mehr zu erklärenden oder aufzulösenden Antrieb im Umkreise van de Liebe - sei es im Sinne eines Eros oder eines Sexus - oder aber im Umkreise eines Macht- oder Herrschwillens.” De psychologie van Adler dwingt ons om de oplossing van deze tegenstrijdigheid niet te zoeken in een keuze van het een of ander, maar om de werkelijke (niet de gedroomde) gemeenschap te zien als een resultaat van de samenwerking van deze beide principes. De ware gemeenschap onder de mensen ontstaat door de erkenning en het aanvaarden van de banden, waarmee het Ik-gevoel de enkelingen verbindt. Volgens Goethe zijn het dan ook de dwalingen van de mens, die hem beminnelijk maken.

72
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK VI LEVENSPLAN EN PERSOONLIJKHEIDSIDEAAL Zoals in de voorafgaande hoofdstukken reeds ter sprake kwam, verkeert de mens en vooral het kind, meestal in een positie waarin de buitenwereld als sterker wordt gevoeld. Daar de hierdoor veroorzaakte “minderwaardigheidsgevoelens” een onaangenaam karakter hebben, is het begrijpelijk, dat er een streven ontstaat om zich boven deze gevoelens van zwakte te verheffen. Daartoe moet echter voor het abstracte doel van “sterker-zijn”, dat in zijn absolute gedaante de wens naar almacht betekent (Kloos : “Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten”), een concrete vorm worden gevonden, die wij het persoonlijkheidsideaal kunnen noemen. De een zal heel rijk, een ander sterk als een reus, een groot geleerde of een beroemd kunstenaar willen zijn. Men kan een engel in mensengedaante willen voorstellen of het ideaal koesteren om alle anderen te slim af te zijn. Voor de misdadiger kan het persoonlijkheidsideaal zijn om sterker en handiger dan justitie en politie te zijn, voor de bedelaar om door zwakheid en hulpbehoevendheid op de anderen te kunnen parasiteren. In speciale gevallen schijnt alles, wat er in de ziel omgaat, erop gericht om een bepaalde persoon te overbluffen, te vleien of te ergeren, Een voornaam bestanddeel van de wens naar compensatie van de minderwaardigheid is dan bijv. om sterker dan die andere persoon te zijn. (Beziehungsperson. Künkel)
Zo heb ik een dame gekend, die met een zuster samenwoonde en haar gehele denken en doen er op gericht had om deze zuster te verslaan, in huis machtiger en bij de familie meer geliefd te zijn, - Voor een stotterende knaap was zijn vader de grote tegenstander. “Er onder krijgen zal ik hem,” was zijn vaste voornemen, maar telkens werd hij verslagen door de handige en gewiekste vader. Het is mogelijk, dat er in het levensplan van Heinrich Heine iets dergelijks aanwezig was, waardoor bij er toe kwam om in het Buch “Le Grand” de volgende climax op te stellen: “Seltsam! die drei gröszten Widersacher des Kaisers (Napoleon) hat schon ein Schreckliches Schicksal getroffen: Londonderry hat zich die Kehle abgeschnitten, Ludwig XVIII ist auf seinem Throne verfault und Professor Saalfeld ist noch immer Professor in Göttingen.” Lijkt het niet of Heine hier een oude rekening wil vereffenen?

Vragen wij ons af hoe het kind aan een bepaalde vorm voor zijn ideaal komt, dan kunnen wij veronderstellen, dat verschillende omstandigheden hem de weg wijzen. In de eerste plaats zijn lichamelijke minderwaardigheden. Deze kunnen hem zijn eerste nederlagen bezorgen, waardoor hij zich de taak kan stellen deze te compenseren.
Een van mijn patiënten, een uitgesproken “leptosoom” type, beklaagde er zich over, dat hij in alles langzamer was dan zijn meisje. Zij deed alles handiger en vlugger en begreep een aardigheid veel eerder dan hij. Hijzelf is een grote liefhebber van lopen en fietsen over lange afstand. W. Jaensch wijst er op, dat bij de “Rohrschach-proef” (die bij het psycho-technisch onderzoek een rol speelt) een tegenstelling tussen de resultaten bij “leptosomen” en “pyknici” voor de dag komt. Bij de leptosomen of asthenici treden antwoorden, waarin bewegingsvoorstellingen een rol spelen, veel

73
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

sterker op de voorgrond. Deze beide soort waarnemingen bevestigen dus de stelling dat de langzame zich sterk voor beweging interesseert, omdat hij zijn minderwaardigheid in dit opzicht moet compenseeren. Hetgeen hij in aanvangssnelheid te kort komt, kan bij op de lange afstand weer goed maken.

Maar ook kunnen bepaalde voordelige factoren in zijn aanleg het kind al vroeg allerlei successen bezorgen en hem zodoende verlokken om zich in die richting verder te ontwikkelen. Als voorbeelden wil ik een aantrekkelijk uiterlijk en een vroegtijdige ontwikkeling van het muzikale onderscheidingsvermogen noemen. Een verdere belangrijke factor vindt het kind in de voorbeelden, die zijn naaste omgeving hem verschaft. Daarbij zal hij zich vooral naar die persoon of personen richten, die in zijn oog de meest op de voorgrond tredende of de meest eervolle positie innemen. Hier stuiten wij natuurlijk op vrij ingewikkelde en dikwijls niet gemakkelijk te ontwarren processen. Onze inzichten danken wij daarom vooral aan bijzonder sprekende gevallen, waarin de invloed van één persoonlijkheid op het kind sterk overheerst heeft. De jongen zal, zodra het geslachtsverschil hem duidelijk is geworden, doorgaans een manlijk voorbeeld, meestal de vader, kiezen. Is deze keuze eenmaal geschied, dan zal hij zijn ideaal met kritische blik volgen en elke fout of nederlaag van dit ideaal zal een bron van onzekerheid voor hemzelf zijn. Nog moeilijker wordt het voor een knaap, wanneer hij de vader als voorbeeld geheel afwijst of hem zelfs tot afschrikwekkend voorbeeld neemt. De kans bestaat dan, dat de moeder door de jongen wordt nagevolgd, met alle nadelige gevolgen aan deze onjuiste keuze verbonden. Zo bijvoorbeeld een jongen, die zelf heel tenger, een afkeer kreeg van zijn zwaargebouwde en ruwe vader. Het resultaat was, dat hij al wat “manlijk” was ging verachten en een afgodische vereering voor zijn moeder kreeg. Een ander voorbeeld vinden wij bij Stefan Zweig (Verwirrung van de Gefühle) “Gerade weil ich als Rektorssohn von Tisch und Stube her Bildung immer als Brotgeschäft betrieben sah, haszte ich alle Philologie von Kindheit an.” In deze afwijzende instelling van de knaap tegenover de vader is een van de oorzaken van de homoseksualiteit gelegen, Vindt een kind het rechte contact met zijn ouders niet, dan kan het zich tot iemand anders uit zijn omgeving wenden en zal bijv. een dienstbode of bloedverwant, wanneer deze zich meer met hem bemoeit, als voorbeeld nemen. Wanneer een kind sterk onder de indruk van de moedeloosheid van de volwassenen komt, zal hem de moed tot de vorming van een werkelijk ideaal soms geheel ontbreken en zijn gehele
74
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

levensplan zal dan op de angst en de verwachting van de nederlaag gebaseerd zijn. Dit kan bijv. bij langdurige ziekte van de beide ouders het geval zijn, vooral wanneer zij onophoudelijk klagen en wanneer gezonde voorbeelden van anderen ontbreken. Naast de ouders hebben ook de broertjes en zusjes een sterke invloed op het zich vormende karakter. De jongeren zullen zichzelf met de ouders vergelijken. Zij kunnen dan uit de zwakheid van hun oudere concurrent hun eigen kracht maken. Een gemakkelijk te begrijpen voorbeeld zien wij daarvan, wanneer een van de kinderen de aandacht van de moeder trekt door slecht te eten en zijn opvolger nu op dit gebied gemakkelijk lauweren weet te oogsten. Op zo’n wijze is het waarschijnlijk te verklaren, dat de op elkaar volgende kinderen uit grote gezinnen dikwijls in sommige opzichten alternerende karaktereigenschappen vertonen. De kinderen met oneven geboortenummer zijn dan bijv. meegaand, terwijl de anderen een opstandig karakter hebben. Zelfs kan een bepaalde functionele ziekte (astma etc.) om het andere kind voorkomen.
Welk een beslissende invloed de kinderen uit één gezin op elkaars karakter kunnen uitoefenen leert ons bijv. de geschiedenis van een stotteraar. Zijn eerste jeugdherinnering is, dat hij en zijn één jaar oudere broertje ieder op een hobbelpaard zitten en de oudere veel sneller hobbelt. - Het ideaal van deze jongen is, zonder dat hem dit klaar bewust is, om zijn broer, die, ook omdat bij een wit voetje bij de vader heeft, zijn naijver wekt, te overtroeven. Heftig is zijn ergernis, wanneer hij de ander steeds voor ziet blijven. Uit vrees voor deze, steeds dreigende nederlaag, durft hij zich niet volkomen te geven en heeft in zijn aarzelende agressiviteit zijn toevlucht tot stotteren genomen. Achter deze kwaal kan hij de twijfel aan zichzelf verbergen, omdat hij er de schuld van zijn nederlagen aan kan geven. Dat de oudere jongen op zijn beurt in zijn levensplan door het gedrag van de jongere wordt beïnvloed, ligt voor de hand. Hij heeft er behagen in leren scheppen het broertje te plagen en deze zijn inferioriteit te doen gevoelen. Door de verleiding, die de lichtgeraaktheid van de jongere en zwakkere op hem uitoefende is een neiging tot leedvermaak een van zijn karaktertrekken geworden. Een droom, die van hem (de oudere) bekend is geworden wijst ook in deze richting: Hij heeft een nest jonge katjes en vermaakt er zich mee ze tegen elkaar op te hitsen, zodat ze elkaar aanvallen.

Om de toestand van “sterker-zijn” te bereiken, moet niet alleen het einddoel, het persoonlijkheidsideaal het individu voor ogen zweven, maar moet hij ook een systeem van gedragsregels, een soort krijgsplan, uitwerken. Dit geschiedt natuurlijk slechts langzamerhand en stukje bij beetje. Door voortdurend te experimenteren beproeft het kind telkens zijn krachten, telkens wijzigt hij zijn tactiek en onderzoekt hij het weerstandsvermogen van zijn tegenstanders door hen voortdurend op de proef te stellen. Van de zijde van het kind dus een streven naar expansie, terwijl het milieu een corrigerende tegenactie voert. Daarbij gedraagt het kind zich zo, alsof het de vraag tracht op te lossen: “Hoe verander ik mijn minus- in een plus-situatie, hoe overwin ik de moeilijkheden, die men mij daarbij in de weg legt en waar is de weg van het grootste succes en de geringste weerstand? Want eenzelfde doel kan langs verschillende wegen en zelfs met tegengestelde middelen
75
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

bereikt worden. Men kan een “held” zijn door heldendaden te verrichten, maar ook door zichzelf te overwinnen. (Men heeft dan een voegzame tegenstander uitgekozen). Men kan de anderen beïnvloeden door hen te helpen of te beschermen, maar ook door hen tegen te werken.
Een jongen van 10 jaar, die op school en thuis de clown speelde en steeds slechte cijfers haalde, droomde, dat hij heel knap was en al op de “Mulo” ging. Zijn geheime doel, om door knapheid de aandacht te trekken, durfde hij niet na te streven en daarom trachtte hij op gemakkelijker manier in aanzien te komen. Wij kunnen ons tegen de anderen verzetten door actief te zijn en hen aan te vallen, maar in andere omstandigheden zullen wij hetzelfde resultaat beter door passiviteit bereiken. Van der Lubbe, de brandstichter van het Duitse Rijksdaggebouw, gaf daar waarschijnlijk een voorbeeld van. Tijdens de daad was bij buitengewoon actief, tijdens het proces zo passief, dat er niets met hem was aan te vangen. Zo is in het ene levensplan vrijpostigheid, in het andere bescheidenheid voorgeschreven. de een zal steeds plotseling, overrompelend, een ander altijd geleidelijk en voorzichtig te werk gaan. Charlotte Bühler zegt van Mary Baber-Eddy, de stichtster van de Christian Science-beweging: “Idem sie einmal ihre Schwäche, dann wieder ihre Kräfte ausnützt, bestimmt sie sich in der ersten Hälfte Ihres Lebens zur Krankheit wie später zur Gesundheit. Sieht man genauer zu, so findet man indess, dasz sie sich immer zum gleichen bestimmt, nämlich zu absoluter Vorherrschaft über andere Mensen.

Reeds in de eerste levensjaren wordt het schema gevormd, dat als grondslag voor de latere opbouw van het karakter moet dienen en deze grondslag kan nooit weer geheel worden teniet gedaan. Adler meent, dat wij het levensplan, de eenheid van de persoonlijkheid, al in het tweede levensjaar tamelijk duidelijk gevormd zien. “Auszerordentlich bedeutsam ist dabei, dasz diese einheitliche Persönlichkeit besteht, ohne dasz sie dem bewuszten Denken gegeben wäre, ohne dasz sie van de Kritik bewuszt ist.” Dat zijn levensplan, onbewust voor hemzelf, bestaat, komt de betrokkene in de beginne meestal heel vreemd voor, maar bij enig overleg blijkt dit toch heel begrijpelijk te zijn. Het heel jonge kind huilt oorspronkelijk geheel “van zelf” zodra het pijn of honger heeft. Janet: “Les premiers mouvements réflexes n’ont pas d’unité entre eux, ils n’ont pas d’autre unité que celle de l’organisme. Pas later constateert het kind, dat op zijn huilen de moeder toesnelt om in zijn behoeften te voorzien en zo wordt het huilen van een reflectorisch, automatisch optredende reactie van pijn of honger tot een actie, welke de bedoeling heeft om de moeder te roepen. Natuurlijk weet het kind zelf niet “bewust” dat het dusdoende bezig is om zijn levensplan te vormen, want het denkt nog niet “bewust” en zeker niet in woorden of begrippen, maar niettemin geeft het al spoedig blijk van een geraffineerde vindingrijkheid, die de volwassenen tot verbazing en bewondering kan brengen.
“Pinneberg keek om. Zijn zoontje stond midden op de weg met de muts over zijn gezicht, waggelde op zijn beentjes en kon ieder ogenblik vallen. Pinneberg liep op een draf terug om hem op te vangen en dacht: “Anderhalf jaar en nu heeft hij al zoiets uit zichzelf bedacht. Trekt de muts over zijn ogen, zodat ik hem moet gaan halen.” (Uit: “Kleiner Mann was nun.”)

76
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Dat later, wanneer het kind of de volwassene wèl in begrippen en woorden heeft leren denken, het levensplan evenmin door hem wordt herkend, is eveneens begrijpelijk; want daartegen bestaan verschillende beletsels. In de eerste plaats is de finale betekenis van het karakter nog weinig bekend, zodat de opvoeders de karaktereigenschappen van het kind steeds uitsluitend als oorzaken van het handelen beschouwen en daarom het opgroeiende individu ze eveneens slechts in deze samenhang leert te rangschikken. In de tweede plaats verzet zich iedereen tegen een causaal-finaal inzicht, omdat deze zelfkennis verantwoordelijkheid zou scheppen en daarom verkregen rechten om bijv. driftig, vergeetachtig, haatdragend of weldadig te zijn - zou aantasten. Eindelijk verzet zich tegen deze zelfkennis veel in de tegenwoordige opvoeding en heersende moraal, wat ons dwingt om ons beter voor te doen dan wij werkelijk zijn. Eerlijkheid zou waarschijnlijk in vele gevallen slecht worden ontvangen.
Een kleine hummel, die pas een broertje gekregen had, vroeg een paar dagen later aan de dokter: “Kom je hem weer halen?” Op de wedervraag: “Moet ik hem dan weer meenemen?” antwoordde het kind eerst, omdat men dit van hem scheen te verwachten, ontkennend, maar toen hij een ogenblik later de arts weer de deur uit zag gaan, vroeg hij vol hoopvolle verwachting: “Heb je hem?” Wanneer men een blik in de kraamkamer geworpen had, zou men levendig hebben kunnen begrijpen hoe sterk deze kleine baas zich van de troon gestoten voelde, zo concentreerde zich daar alles op de nieuwe wereldburger. Maar wij kunnen ons ook goed voorstellen, dat men hem op de een of andere manier had doen beseffen dat hij van zijn afgunst niets mocht laten blijken en integendeel alleen welwillende gevoelens moest koesteren en tonen. Het kind worden zo echter bepaalde gevoelens opgedrongen, die later waarschijnlijk beter langs natuurlijke weg zouden zijn ontstaan, terwijl andere gevoelens bij hem “verdrongen” worden, die ontspruiten uit zijn drang tot zelfbehoud. Want het kind zal in de regel de consequenties van zijn “egoïsme”, dat hem de afkeuring van de volwassenen zou bezorgen, niet aanvaarden en het zal verder voor een groot deel van de taktiek van de opvoeders afhangen, of hij het broertje werkelijk in zijn gemeenschapsgevoel zal betrekken of dat hij slechts de schijn daarvan zal aannemen. In dit laatste geval zullen zijn handelingen dikwijls in tegenspraak met zijn gevoelens komen.

Een inzicht betreffende het ontstaan van het levensplan is waarschijnlijk door alle tijden heen bij mensenkenners vaag voorhanden geweest, maar niemand voor AdIer heeft onze aandacht zo sterk op het planmatige van het karakter gevestigd.
Een goed voorbeeld van oude wijsheid is de geschiedenis van Hagar en Ismael (Genesis) . Abraham zei tot zijn vrouw Sarah: “Welnu, uw slavin (Hagar) is in uw macht, doe met haar wat U goeddunkt. Hierop kwelde Sarah Hagar en deze vluchtte van haar weg. Maar de Engel zei tot Hagar: “Keer tot uw meesteres terug en laat u door haar kwellen … uw zoon zal een mens als een woudezel zijn, zijn hand tegen allen en aller hand tegenover hem en tegenover al zijn broeders zal hij wonen.” Wij kunnen ons voorstellen, dat de door de jaloerse Sarah gekwelde Hagar op haar moeitevolle en gevaarbrengende vlucht een “ingeving” krijgt, die haar in, staat stelt om terug te keren. Haar kind, dat nog ongeboren is, zal haar wreken en omdat dat kind uit de aard van de zaak in een ongunstige positie zal opgroeien, is het vermoeden gewettigd, dat het inderdaad zijn levensplan en persoonlijkheidsideaal volgens de compenserende “ingeving” van Hagar zal vormen.

77
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Voor hen die de persoonlijkheid als een eenheid erkennen, is het bestaan van een levensplan en de planmatigheid van het karakter een vanzelfsprekende noodzakelijkheid. Juist door het levensplan krijgen de persoonlijke eigenschappen een zin en worden samen tot een eenheid, het karakter verbonden. Daar dit karakter in laatste instantie een middel is tot aanpassing van het individu aan het milieu, is het in wezen de schakel, die de persoonlijkheid met de werkelijkheid tot een eenheid verbindt. Ook de psychoanalyse is aan het probleem van de eenheid van de persoonlijkheid niet geheel voorbijgegaan. Bij Freud heeft het echter een andere structuur dan in de Individualpsychologie. De geestelijke mens is volgens hem opgebouwd uit een groot aantal “Teilstrebungen,” die ieder hun eigen doel najagen. Daar de mens echter gedwongen is om zich voor zijn instandhouding als een eenheid te gedragen, moet hij van de vervulling van zijn afzonderlijke wensen en “Trieben” afstand doen om zich voor de grote handeling geschikt te maken. (Westerman Holstijn.) Hier blijkt dus, dat de driften niet zo star en onveranderbaar zijn als de opzet van de psychoanalyse, waar ze als de enige oorzaak voor het handelen werden opgespoord, ons eerst deed geloven. Zij zijn plastisch geworden en staan zelfs als bij Adler onder de dominatie van het finale. Het spreekt vanzelf, dat door een dergelijke opvatting niet alleen een grote toenadering tot de Individualpsychologie is tot stand gekomen. Maar tevens zal, naarmate deze totaliteitsgedachte in de psychoanalyse meer op de voorgrond treedt, haar waarde als “Triebpsychologie” op de achtergrond worden gedrongen en zullen de stellingen en vooropstellingen waarvan zij is uitgegaan steeds sterker ondermijnd worden. Ondanks de door de psychoanalyse getoonde toenadering blijft er toch een verschil met de opvattingen van AdIer bestaan, want volgens hem zijn de driften, d.w.z. de orgaanfuncties, geen op zichzelf staande machten, die bedwongen of verdrongen moeten worden, maar middelen welke het individu ten dienste van zijn levensplan (dat onjuist gekozen zijn kan) ter beschikking staan. Het principiële verschil tussen beide richtingen kunnen wij ten slotte ook zó samenvatten, dat bij Freud de aangeboren “driften” al van te voren op de hoogte zijn van de wereld waarin hun drager zal geboren worden want zij hebben hun doel en hun richting, die beide op de buitenwereld betrekking hebben, met zich mee gebracht. Daar iedere drift zich echter een eigen doel heeft gesteld, zonder met de strevingen van de andere driften rekening te houden, is het resultaat aanvankelijk een volkomen wanorde, welke het individu door de “integratie” moet trachten op te heffen. Omdat de driften daarbij bedwongen en gemuilkorft moeten worden, gaat dit proces met onlust gepaard, terwijl de dressuur
78
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

bovendien niet altijd volkomen slaagt en de driften dus nog wel eens uit de band springen of voor het bewustzijn verborgen hun eigen weg gaan. Bij Adler, die niet uitgaat van de delen, maar van het geheel, is het kind daarentegen volkomen onkundig van de wereld waarin het komen zal. Het moet zich daarin eerst oriënteren en zijn organen als werktuigen leren gebruiken om er zich een plaats in te veroveren. Hij is daarbij wel aangewezen op, maar niet onderworpen aan de functie van zijn organen, welke voor hem geen oorzaken, maar middelen zijn. In aansluiting aan deze verschillen, vervult ook het “ik-ideaal” van de psychoanalyse een andere rol en vertegenwoordigt het een ander begrip, dan het “persoonlijkheidsideaal” in de Individualpsychologie. Het ik-ideaal wordt het kind door zijn ouders opgedrongen, ofschoon zijn driften een andere weg wilden gaan. Daardoor ontstaat een “splijting” van de persoonlijkheid, waar bij het driftleven gedeeltelijk wordt “verdrongen” naar het onbewuste. In Adler’s opvatting blijft echter de eenheid van de persoonlijkheid steeds bewaard, ook al wisselt onder verschillende omstandigheden de methode, welke het individu ter bereiking van zijn doel toepast. Zijn levenshouding wordt beheerst door deels bewuste, deels onbewuste doelvoorstellingen, die alle in het persoonlijkheidsideaal of in het levensdoel samenkomen. Wanneer een correct heer in een juwelierswinkel ringen uitzoekt, zonder in zijn keuze te kunnen slagen en na zijn vertrek blijkt, dat hij zich uit de voorraad het een en ander heeft toegeëigend, dan bestaat er slechts een schijnbare tegenstelling tussen de handelingen van deze persoon.
De kleine jongen, zo-even als voorbeeld aangehaald, wil het éne ogenblik dat zijn broertje weer door de dokter wordt medegenomen, terwijl hij misschien een ogenblik later bij zijn moeder blijdschap over de aanwezigheid van de pasgeborene zal tonen en ook zal voelen. Hij handelt zo, niet omdat zijn persoonlijkheid gespleten is, maar omdat hij nog niet goed weet, welke methode de beste is om zijn doel te bevorderen en hij dus in zijn keuze nog aarzelt. Zijn doel echter is in beide gevallen hetzelfde: de band met zijn moeder zo sterk mogelijk te doen blijven.

Over het algemeen zal slechts het “fatsoenlijke” deel van ons levensplan, dat is dat deel hetwelk in overeenstemming is met het gemeenschapsgevoel, ons bewust mogen zijn, willen wij althans de illusie van verbondenheid met de andere bewaren. Wordt het verdrongen gedeelte bewust, dan zal deze illusie verstoord worden en dienen wij ons levensplan te veranderen. Ontbreekt ons daartoe de moed, dan zal het individu allerlei kunstgrepen of “arrangementen” te baat nemen om zich tegen zo’n ontmaskering te beveiligen. Dat zowel persoonlijkheidsideaal als levensplan, voor zover zij in strijd met het gemeenschapsgevoel zijn, voortdurend gevaar lopen als een schone droom verstoord te worden, spreekt van zelf. De moedige mens, het geestelijk gezonde kind, zullen daar geen aanstoot aan nemen,
79
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

maar, snel getroost, ideaal en levensplan naar de omstandigheden wijzigen. De ontmoedigde zal echter zoveel mogelijk tegen zo’n verstoring waken en daarom een ontmaskering steeds trachten te voorkomen en in voortdurende angst voor die ontmaskering leven. Hij zal er daarom voor terugschrikken om zijn ideaal aan de werkelijkheid te toetsen en omdat hij van elk streven naar realisatie van het ideaal afziet zal hij het des te beter als fictie kunnen blijven handhaven.
Indien aan een kind de mening wordt bijgebracht, dat hij intellectueel buitengewoon begaafd is, zal zijn levensplan kunnen inhouden deze begaafdheid te bewijzen. Hij zal dus voor begaafd door willen gaan. Wanneer hij nu echter de moed mist om zijn begaafdheid werkelijk op de proef te stellen, omdat hij meent een nederlaag niet te kunnen verdragen, dan kan hij door lui te zijn zijn fictieve ideaal in stand houden. Hijzelf en ook de andere kunnen dan menen: Wat zou hij al niet bereiken, wanneer hij niet zo lui was.

Het ontmoedigde mensenkind trekt zich al bij de eerste nederlaag terug, inplaats van er de juiste konsekwenties uit te trekken door òf zijn krijgsplan òf zijn doel te wijzigen. Naarmate het levensplan dan meer en meer blijkt te falen, moeten de zwakke plekken versterkt en beveiligd worden. Een gecompliceerd systeem van “zekeringen” wordt dan opgebouwd - ook de “luiheid” in het zo even gegeven voorbeeld was zo’n zekering - tot tenslotte in de neurose of psychose de gehele terugtocht en de totale afwending van de realiteit een voldongen feit is geworden. Om de gewenste superioriteit te kunnen handhaven worden niet alleen de feiten tendentieus verdraaid en bepaalde gebeurtenissen nu eens door een verklein- dan door een vergrootglas bekeken, maar gedraagt men zich bovendien zó, dat men de andere er toe dwingt om de rol te vervullen, die in het levensplan past.
Zo gezien heeft Assepoester - een type dat in de psychotherapeutische behandeling geen zeldzame verschijning is - er een persoonlijk belang bij om door haar stiefmoeder slecht behandeld te worden. Zij besteedt daarom de tijd, waarin zij had moeten werken, aan dromen over prinsen en glazen muiltjes. Zodoende beleeft en versterkt zij in de fantasie haar gevoel van superioriteit over haar stiefmoeder en ergert deze tevens voldoende om haar zo boos te maken, dat zij als de “boze” stiefmoeder de schuld kan dragen van de slechte gevolgen van Assepoester’s verkeerde levensstijl.

Wij hebben grotedeels zelf in onze macht, hoe de anderen zich tegenover ons zullen gedragen. Wanneer een jonge vrouw op weg naar haar vriendin al van te voren de hatelijkheden bedenkt waarmee zij op de hatelijkheden van de gastvrouw zal antwoorden, zou het te verwonderen zijn indien dit wantrouwen en deze oorlogszuchtigheid niet het gewenste gevolg zouden hebben. Ook Freud heeft dergelijke gevolgen van de ontmoedigde levenshouding bij zijn patienten opgemerkt en beschreven. “Sie wissen sich de Eindruck van de Verschmähung wieder zu verschaffen, de Arzt zu harten Worten und kühlem Benehmen gegen sie zu nötigen.” - “Es handelt sich
80
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

natürlich um die Aktion von Trieben, die zur Befriedigung führen sollen, allein die Erfahrung, dasz sie anstatt dessen auch damals nur Unlust brachten, hat nichts gefrüchtet. Sie wird trotzdem wiederholt, ein Zwang drängt dazu. Van de Zwang, der sich dabei äuszert, ist vom Wiederholungszwang van de Neurotiker nicht verschieden. In deze herhalingsdrift ziet Freud een niet nader te verklaren drijfveer, die de uitwerking van het lustprincipe in kracht overtreft en hier treffen wij dus weer een plaats in zijn psychologisch systeem aan, waar “die Kausalverknüpfung irgendwo ein vorläufiges Ende findet.” Volgens deze redenering zou een huis door de herhalingsdrift van de metselaar en een straat door de herhalingsdrang van de bouwspeculant verklaard moeten worden. Voor de Individualpsycholoog dienen de door Freud bedoelde, schijnbaar onlustvolle, herhalingen ter bevestiging en als zekeringen van het levensplan. Zij moeten de vooruit verwachte nederlaag voorkomen of de gelegenheid scheppen om haar uit de weg te gaan. Men veronderstelle niet, dat de hier bedoelde arrangementen alleen bij de zenuwzieke zouden voorkomen. Ook bij de gezonde moeten dikwijls allerlei kunstgrepen er tegen waken, dat een of andere inbeelding van superioriteit verstoord zou kunnen worden en deze zekeringen treden steeds in actie, wanneer het persoonlijkheidsideaal bedreigd of aan een vuurproef, die te groot wordt geacht, zal onderworpen worden. Wij kennen allen wel bij ondervinding de pijnlijke situatie die kan ontstaan, wanneer in een gezelschap, door een schertsend, sarcastisch of tactloos woord, bij een van de aanwezigen zo’n zekering wordt doorbroken, en verdrongen, slechts in schijn gecompenseerde, minderwaardigheidsgevoelens worden bloot gelegd. Eigenlijk is het gehele psychische apparaat als een evenwichtsorgaan, als een systeem van beveiligingen, te beschouwen, waarmee het individu zich tegen de gevolgen van de minderwaardigheid en kwetsbaarheid van zijn organisme tracht te beschermen. Tal van fysiologische reacties zijn als zulke zekeringen te beschouwen. Het eten van een bedorven gerecht heeft braken en een tijdelijke afkeer tegen die spijs ten gevolge. Wij krijgen hoofdpijn door benauwde lucht of schadelijke dampen en hartkloppingen of vermoeidheid weerhouden ons om van ons organisme een al te grote krachtsinspanning te vergen. Wanneer wij op een bergtocht langs een afgrond gaan, zal een gevoel van angst en duizeligheid ons dwingen om een veilige afstand tot de gevaarlijke diepte te bewaren. Dat een doelmatig principe in ons organisme bij dit alles werkzaam is, dat er voor zorgt, dat een ter juister tijd optredend onlustgevoel ons de gevaarvolle situatie doet ontwijken, is duidelijk. Maar misschien is het minder in het oog vallend, dat dergelijke lichamelijke zekeringen ook in
81
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

actie kunnen treden, wanneer niet ons biologisch bestaan, doch alleen ons levensdoel of persoonlijkheidsideaal in gevaar verkeert. Een jong meisje, dat zichzelf lelijk en mager vond en daarom vreesde, dat zij het manlijke geslacht niet zou kunnen bekoren, moest altijd braken wanneer zij naar een gezellig avondje of naar een danspartij zou gaan, ofschoon zij zich van te voren veel van het feest had voorgesteld. Sommige mensen krijgen hoofdpijn zodra zij in een groot gezelschap zijn, anderen worden angstig of duizelig wanneer zij een belangrijke beslissing moeten nemen. Zo zorgt de psyche voor zekeringen en beveiligt ons voor daden, die schijnbaar door ons zelf gewild, in werkelijkheid tegen ons geheime levensplan zouden indruisen en ons levensdoel dus in gevaar zouden brengen. Een ander meisje, dat al ½ jr. geleden ondertrouwd was, had in de bruidsdagen hevige angsttoestanden en een hopeloos gevoel van insufficientie gekregen, zodat het huwelijk telkens weer moest worden uitgesteld. Zij bleek opgegroeid te zijn in een zeer ongeregeld en verwaarloosd huishouden, doordat haar moeder geestelijk abnormaal was. Zonder dat het haar bewust was, had onze patiente zich als levensdoel gesteld om een heel goede, wij kunnen wel zeggen, een volkomen huisvrouw te zijn. Daar het goede voorbeeld en de ervaring haar echter ontbroken hadden, ontbrak ook het zelfvertrouwen op dit punt. Zij vreesde daarom het huwelijk als een te gevaarlijke vuurproef en zij - of haar organisme - arrangeerde de neurose. Pas nadat men het levensplan en het persoonlijkheidsideaal, met behulp van de kennis over de oorzaken, waarop ze als reactie ontstonden, heeft uitgevorst, kan men het neurotische handelen begrijpen en dan hoeft men er zich niet over te verwonderen, dat bij een herhaling van een gelijkwaardige situatie ook weer dezelfde verweermiddelen worden ter hand genomen. Daarbij is geen sprake van de werkzaamheid van een herhalingsdrift, die een zinneloos spel speelt, maar het individu past eenvoudig die middelen toe, welke het als doeltreffend heeft leren kennen. Behalve het nerveuze verschijnsel, dat meer tegen tijdelijke gevaren moet beschermen, kunnen ook allerlei karaktertrekken, zoals langzaamheid, verlegenheid, gedruktheid, lichtgelovigheid, een slecht geheugen, luiheid of domheid als zekeringen tegen een gevreesde nederlaag dienen.
Een jongen, die geen algebra en evenmin gymnastiek kon leren, bood aan om mij dit laatste meteen te bewijzen. Hij kon zelfs geen diepe kniebuiging maken zonder om te vallen. Hij voegde de daad bij het woord, en liet de gevolgen volgen, maar toen ik hem vertelde, dat iedereen dit kunstje kon nadoen, dat het daarom alle bewijskracht miste en dat hij de proef nu eens moest herhalen zonder om te vallen, beging hij de onhandigheid om werkelijk gehurkt te blijven zitten. Hetzelfde spelletje herhaalde zich met de sommen, die bij op school fout gemaakt had. Ik legde ze hem drie maal uit, maar telkens maakte hij ze verkeerd, Toen hem echter gezegd werd: “maak ze nu eens goed,” moest hij lachen en

82
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

deed het ook. Men zou zich hier te gemakkelijk van de zaak afmaken, door eenvoudig van simulatie te spreken. Deze jongen had zijn domheid nodig om de bemoeizucht van zijn moeder te weerstaan, die zich steeds over hem ongerust had gemaakt, omdat hij een enigszins eigenaardige schedelvorm had en in de familie van zijn vader meer abnormale karakters waren voorgekomen. Daardoor was er in de psyche van de knaap ook weer zonder dat hem dit bewust was, een alles overheersende doelvoorstelling ontstaan: hij mocht zich door de autoriteit van de volwassenen niet laten overheersen. En op dit principe, dat voor hem een levensprincipe was geworden, waren al zijn reacties gebouwd.

Omdat ons de causale beschouwingswijze, a. h. w. met de paplepel is bijgebracht, worden dergelijke karaktertrekken of ziekteverschijnselen ook door de persoon zelf steeds als “oorzaken” van zijn handelingen of als gevolgen van zijn “aanleg” beschouwd. Gebruik makend van de finale zienswijze komen wij tot de conclusie, dat deze verschijnselen als kunstgrepen zijn te beschouwen en dat de geestelijke habitus van de mens in vele opzichten door zijn levensplan en niet door zijn aanleg wordt beheerst. In het hoofdstuk over orgaanminderwaardigheid zagen wij echter, dat dit levensplan mede door de aanleg werd bepaald, omdat het als een compenserende reactie op de lichamelijke minderwaardigheid was te beschouwen. Wanneer dit levensplan echter eenmaal is tot stand gekomen, dan komt de lichaamsvorm verder onder de ban van deze centrale idee te staan. Enerzijds zal dus de door de aanleg bepaalde ontwikkelingsmogelijkheid en het ontwikkelingstempo van invloed op het ontstaan - en de verdere uitwerking, ook de wijziging, van het levensplan zijn, terwijl anderzijds dit levensplan het tempo en de richting van de lichamelijke ontwikkeling zal beinvloeden. E. Weiss wijst er in de Almanach van de Psychoanalyse 1934 b.v. op, dat mooie mensen grote neiging tot narcisme hebben, maar dat anderzijds het narcisme ertoe bijdraagt om de mens mooi te maken. Het zelfgestelde ideaal om een “goede engel” te zijn, zien wij soms als een reactie op een langdurig ziekbed optreden. Alle werkelijke activiteit is het kind dan onmogelijk en daarom komt het er gemakkelijk toe om door weinig actieve eigenschappen als geduld en lieftalligheid een positieve binding met de medemens tot stand te brengen. Maar evengoed bestaat de mogelijkheid, dat een kind, dat door een sterk overheersende “engelachtige” moeder steeds naar het tweede plan gedrongen wordt, ziek verlangt te worden, nu lichamelijk gaat kwijnen, en door zich tijdens die ziekte als een “engel” te gedragen, de zo vurig begeerde bewondering van haar omgeving deelachtig hoopt te worden om zo haar moeder naar de kroon te steken. Dat door dergelijke psychische “instellingen” allerlei lichamelijke afwijkingen kunnen ontstaan en de genezing van ziekten kan worden tegengehouden, is de meesten geneesheren bekend. Paracelsus sprak het reeds uit: “Ihr sollt wissen, dasz die Wirkung des Willens ein groszer Punkt ist in der Arznei,” en de Leidsche chirurg prof. Zaayer verklaarde;
83
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

“Het maakt voor het succes van een knieoperatie een groot verschil of men met een enthousiaste tenniskampioen, dan wel met een voor zijn rente strijdende verzekeringspatient te doen heeft.” Bij J. Löbel vinden wij de uitspraak: “Wat is de geschiedenis van de bleekzucht anders, dan de geschiedenis van de positie, die het jonge meisje in de samenleving inneemt?” Een jeugdige psychopaate toonde tijdens haar behandeling de geneesheer een jarenlang bestaande grote vlezige wrat, met het verzoek deze in hypnose te willen wegsuggereren. Triomfantelijk bracht zij in de daaropvolgenden tijd telkens de arts de mislukking van zijn experiment onder het oog, tot zij enkele maanden later zich vrij plotseling geheel aan zijn zijde schaarde, haar weerstand liet vallen en zich een ander mens voelde: “En mijn wrat is ook weg” constateerde zij. Hier zijn invloeden van de geest op het lichaam werkzaam, die ons in wezen ook weer duister blijven, maar die wij, door ze aan de werkzaamheid van een finaliteitsprincipe toe te schrijven, onder één gezichtspunt samenvatten en als zinvol begrijpen kunnen. Als voorbeeld van de bipolaire samenhang tussen lichaam en geest, organisme en psyche, kunnen ook de lichamelijke en geestelijke veranderingen dienen, die tijdens de puberteit optreden. Het kan tijdens een psychische behandeling een punt van twijfel zijn, of de gunstige verandering, welke men bij een patient zowel geestelijk als lichamelijk, constateert, als een gevolg van de therapie of van de gelijktijdig te constateren lichamelijke rijping moet worden beschouwd. M.a.w. of in zo’n geval de door de psychische behandeling bevorderde geestelijke rijping nu ook voor de lichamelijke ontwikkeling de baan vrij heeft gemaakt of omgekeerd. Daarbij mag als vaststaande worden aangenomen, dat beide mogelijkheden inderdaad aanwezig zijn. Hier kan daar echter niet verder op worden ingegaan.
Dat in het algemeen het lichamelijke rijpingsproces een invloed op de Psyche heeft, wordt door de z.g. “puberteitscrises” bewezen. In die tijd komt het individu, dat tot nog toe een “kind” was, vrij plotseling in een geheel andere hoedanigheid en met geheel andere verantwoordelijkheid tegenover de werkelijkheid te staan. Omdat hij de beschikking over geheel nieuwe en over gewijzigde middelen krijgt (zijn geslachtsorganen worden immers tot de werkelijke functie gewekt en zijn lichaamsproporties wijzigen zich enorm) moet hij zijn levensplan dienovereenkooistig veranderen. Naarmate hij nu minder goed voorbereid was, zal die verandering ingrijpender, zelfs revolutionair moeten zijn en daardoor zal de puber een stadium van sterk verhoogde onzekerheid, waarin hij alle houvast verloren heeft, moeten doormaken.

Als resultaat van de onderlinge invloed van de beide factoren: de lichamelijke gesteldheid (in de meest uitgebreiden zin), welke de persoonlijkheid bepaalde mogelijkheden in uitzicht en aan het streven bepaalde grenzen stelt, en de levensstijl, die aan de lichamelijke ontwikkeling een bepaalde richting geeft en bepaalde organen tot
84
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

speciale functies traint, terwijl hij andere organen en functies laat verkommeren, komt nu een “psychofysisch parallellisme” tot stand. Dit parallellisme denken wij ons echter geheel anders dan in de klassieke zuiver natuurwetenschappelijke vorm. In die vorm was het een door de natuur kant en klaar gegeven, en dus geen verdere verklaring behoevende correlatie tussen de lichamelijke en geestelijke eigenschappen. In de nieuwere opvatting is dit parallellisme echter de mens niet van de aanvang af gegeven, maar een hoogstens te benaderen, nooit te bereiken ideale eindtoestand “Leven” zou dus streven betekenen naar dit gedroomde evenwicht, waarin middel en doel, persoonlijkheid en persoonlijkheidsideaal met elkaar in overeenstemming en in harmonie met de werkelijkheid zouden zijn gebracht. De mens heeft daarom tot taak om zijn levensplan in overeenstemming te brengen en te houden met de mogelijkheden welke milieu en lichaamsvorm hem bieden, maar tevens om dit milieu en deze wezensvorm zo te schikken, te ontwikkelen en om te scheppen als zijn levensplan beoogt. “Daarom bepaalt de gestalte de levenswijze van de dieren en de leefwijze, zij werkt op haar beurt op de gedaante.” (Goethe).

85
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK VII JEUGDHERINNERING, DROOM, FANTASIE Als een van de meest geschikte middelen om een persoonlijkheid te leren kennen, kan, naast de kennis van zijn levensgeschiedenis, de kritische beschouwing van zijn jeugdherinneringen dienen. Wij bedoelen daarmee die herinneringen, welke hem in de “therapeutische situatie” voor de geest komen, wanneer hem er naar gevraagd wordt. Het is begrijpelijk - en voor de persoon zelf doelmatig dat de herinneringen die iemand invallen, afhankelijk zijn van de situatie waarin hij verkeert. Ontmoet hij toevallig een oude sportbroeder, dan zullen hem vooral de eens gespeelde wedstrijden in de gedachten komen, terwijl hem bij het weerzien van een vroegere schoolmakker heel andere voorvallen zullen te binnen schieten. In de therapeutische situatie echter, wanneer de persoon zich rekenschap van zichzelf in betrekking tot zijn milieu tracht te geven, zullen steeds herinneringen gereproduceerd worden, die - evenals fabels of gelijkenissen - uitbeeldingen van deze betrekking zijn. Daarom zullen deze jeugdherinneringen ons over de levensstijl en wellicht ook over de actuele moeilijkheden van de persoon in kwestie kunnen inlichten. Een bijkomstig voordeel daarbij is, dat de verteller zich zelf meestal van de juiste betekenis van zijn uitlatingen geen denkbeeld vormen kan. Voor hem schijnen het geheel belangeloze voorvalletjes te zijn en hij zal er zich dikwijls over verwonderen, dat hem alleen dergelijke nietigheden als antwoord op onze vraag te binnen schieten, Waarschijnlijk staat dit laatste daarmee in verband, dat een ieder het als vanzelfsprekend beschouwt, dat zijn wereld er zó en niet anders uitziet, zonder te bedenken, dat in al onze uitingen een zeer bepaald waardesysteem tot uitdrukking komt. Merkwaardig lijkt het hoogstens, dat de anderen in een zo geheel andere gedachtenwereld leven.
Hoe de jeugdherinneringen de persoon kenmerken leren wij bijv. uit het boek “Jeugdherinneringen” van Jan Ligthart. Hij vertelt daar o.a., dat hij zich van de school slechts heel weinig kan herinneren, maar dat de drie volgende voorvallen hem nog levendig voor de geest staan. 1. Op het verjaarfeest van de bewaarschoolhoudster bemerkt hij tot zijn schrik, dat alle kinderen een cadeautje voor de juffrouw hebben medegebracht. Hij zelf echter, van wie de ouders arm waren, stond met lege handen. Vlug rent hij naar huis en bedelt van zijn moeder drie centen af, om daarvoor een vaasje, dat hij in een winkeltje had zien staan en zelf prachtig vond, te kopen. Toen hij, nog hijgend van het harde lopen, zijn geschenk overhandigde, zei de de juffrouw: “Had dat vod ook maar gehouden.” De herinnering aan een intens gevoel van schaamte is hem uit dit voorval bijgebleven. 2. Op de lagere school was een harde en meedogenloze onderwijzer. Op een keer, toen hij weer een jongen sloeg, stormde het oudere broertje van het slachtoffer in woedende drift uit zijn bank en timmerde op de meester los. Nog altijd beschouwt Jan Ligthart deze aanval als een ware heldendaad. 3. Jan moet met andere jongens schoolblijven. Zijn hart is vol verlangen naar de straat en hij peinst op middelen om te ontkomen. Hij bedenkt, dat bij door het raampje van de WC kan ontsnappen en dit denkbeeld gaat hem hoe langer hoe meer aanlokken. Op zijn verzoek om naar “achteren” te mogen, laat de onderwijzer, die blijkbaar de zaak niet geheel vertrouwt, de jongen eerst zijn pet afgeven. Jan laat zich echter door deze list niet weerhouden en neemt de vrijheid, blootshoofds.

86
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Wanneer wij nu naar de verborgen zin van deze jeugdherinneringen speuren, valt ons allereerst op, dat in deze drie voorvallen een zekere opstandigheid te bespeuren valt. Verder treft het ons, dat er een opgaande lijn in de verhaaltjes ligt. In het eerste blijft het onrecht door de volwassenen bedreven en het leed dat het kind daardoor berokkend wordt, geheel ongewroken. In het volgende treedt het broertje als wreker op en tenslotte treedt in het derde verhaaltje de verteller zelf als overwinnaar uit het strijdperk. Zien wij in deze drie herinneringen de levensstijl van de kindervriend niet duidelijk voor ons, van de latere pedagoog, die fijn proeft hoe de volwassenen in hun grofheid dikwijls tegen het kind zondigen en die zich geheel aan de zijde van de verdrukte stelt? Pleit de omstandigheid, de geringe appreciatie voor de onderwijzer, welke uit deze verhaaltjes spreekt, er ook niet voor, dat het persoonlijkheidsideaal van Jan Ligthart niet in navolging van, maar als tegenstelling tot zijn kinderlijk milieu, zoals hij het zag, is gevormd? Ten slotte rijst dan de vraag: is zo’n levensopvatting, waarin de tegenstelling het meest op de voorgrond treedt niet een droevige en zouden de buien van zwaarmoedigheid, waaraan naar iemand mij vertelde, de schrijver van deze jeugdherinneringen geleden heeft, niet met deze “tendentieuze apperceptie” van het verleden verband kunnen houden? Nu wij toch bij Jan Ligthart zijn, wil ik er op wijzen dat hij bij de laatste herinnnering aantekent zich wel de daarin vermelde gebeurtenissen helder voor de geest te kunnen stellen, maar dat hij zich van de afloop van zijn avontuur, dus hoe hij de meester weer onder de ogen is gekomen, niets meer weet te herinneren en hij er daarom toch enigszins aan twijfelt of alles zich wel werkelijk zo heeft toegedragen of dat hij zijn heldenrol slechts in de fantasie heeft gespeeld. Het is inderdaad bekend, dat dergelijke herinneringen lang niet altijd op werkelijke feiten berusten.
Adler geeft daarvan zelf een voorbeeld (IndividuaIpsychologie in der Schule). Jarenlang droeg hij de herinnering met zich, dat hij als kind op weg van huis naar school voorbij een kerkhof moest en dan steeds een gevoel van angst kreeg. Hoe hij eens, om die angst te boven te komen, heel alleen op het kerkhof ging en daar dapper een poos tussen de graven wandelde. Toen hij echter als veertiger deze zelfde weg van huis naar school nog eens ging, was er nergens een kerkhof te vinden en zelfs bleek hem bij navraag, dat er in deze buurt ook nooit een kerkhof was geweest.

Uit dit alles blijkt wel, dat de jeugdherinneringen over ‘t algemeen niet zozeer de oorzaken van de levensstijl vasthouden, ons ook niet van de”traumata”, die het kind troffen op de hoogte stellen, maar dat ze vooral, evenals fabels, moraliserende voorbeelden bevatten, dat ze als in een gelijkenis een waarschuwende raad, een aanmoediging of de uitstippeling van een te volgen gedragslijn verzinnebeelden.
87
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Zoals bekend is, ging de theorie van Freud er oorspronkelijk van uit, dat traumatisch werkende seksuele gebeurtenissen in de jeugd, de oorzaak van de latere neurose zouden zijn en het was daarom aanvankelijk een grote teleurstelling voor hem toen hij tot de ontdekking kwam, dat de verhalen over deze “traumata” herhaaldelijk op fantasie bleken te berusten. “In der Zeit, da das Hauptinteresse auf die Aufdeckung sexueller Kindheidstraumen gerichtet war, erzählten mir fast alle meine weiblichen Patienten, dasz sie vom Vater verführt worden waren. Ich muszte endlich zur Einsicht kommen. dasz diese Berichte unwahr seien, und lernte so zu verstehen, dasz die hysterischen Symptome sich von Fantasien, nicht von realen Begebenheiten ableiten.” (Neue Folge van de Vorlesungen 1933). Over hetzelfde thema laat Freud zich in zijn “Selbstdarstellung” nog eens uit. “Als ich mich gefaszt hatte, zog ich die richtigen Schlüsse, dasz die neurotischen Symptome nicht direkt an wirkliche Erlebnisse anknüpften, sondern an Wunschfantasien, und dasz für die Neurose die psychische Realität mehr bedeute als die rnaterielle.

De Individualpsychologie verklaart de hier door Freud beschreven verschijnselen op een geheel andere manier. Zij veronderstelt, dat hier in werkelijkheid sprake kan zijn van herinneringen aan een bepaalde situatie, waarin het kind òf snakte naar de liefkozingen van haar vader, òf zich door de niet-erkende autoriteit van de vader gebruuskeerd (“vergewaltigt”) voelde. Door de psychoanalytische behandeling op een bepaalde wijze beïnvloed - het “Hauptinteresse” van de onderzoeker was immers op de “Aufdeckung sexueller Kindheitserlebnisse gerichtet”, brengt de patiente dit aseksuele gevoel over in een seksueel beeld, vertelt zij het in een seksueel “jargon”. De patiente handelt zo ter versterking van het gewenste affect (verlangen, verontwaardiging of angst) en ter bevrediging van de wensen van de arts (overdracht). Elders (in: Ein Kind wird geschlagen. 1916) komt Freud tot de voor hem even pijnlijke ontdekking, dat in andere gevallen aan de in het kind zo sterk nawerkende gebeurtenissen iedere “traumatische Kraft” ontbrak. Zij waren meestal “banal” en voor andere personen niet “aufregend”. “Man konnte nicht sagen, warum sich das Sexualstreben gerade an sie fixiert hatte. Man war hierbei auf eine Schranke unseres Verständnisses gestoszen. Die Kette van de Kausalverknüpfung hatte ein vorläufiges Ende gefunden.” Freud trekt dan, nadat hij deze feiten geconstateerd heeft - uit nood - de conclusie, dat de “voreilige” en “sprungbereite Sexualkomponente de zufälligen Anlasz zur Anheftung geboten hatte” en dat de door het kind medegebrachte “constitutie” voor deze aanhechting aansprakelijk moest worden gesteld. Een andere, ook mogelijke conclusie is echter, dat de klassieke psychoanalyse, althans in deze gevallen, slechts een gedeeltelijke oplossing kan geven. Want het door haar veronderstelde trauma ontbrak in vele gevallen (het bestond immers slechts in de fantasie), terwijl in andere gevallen gebeurtenissen, welke het karakter van trauma misten, toch traumatisch schenen te werken. Freud meent nu: omdat de van buiten inwerkende (exogene) oorzaken de schuldigen niet kunnen zijn,
88
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

moeten er in de constitutie gelegen endogene oorzaken worden aangenomen. Hier is Adler de psychoanalyse ver vooruit. Voor hem begint de causale verklaring niet bij speciale gebeurtenissen, die op een aangeboren constitutie om onnaspeurlijke redenen als seksuele traumata inwerken, maar al veel eerder, bij de “jeugdsituatie”. Het gehele complex van de jeugdomstandigheden, daarbij inbegrepen de in de aanleg gegeven eigenschappen, bepaalt de geestelijke ontwikkeling, het levensplan en persoonlijkheidsideaal van het individu. Daardoor kunnen ogenschijnlijk nietige, banale gebeurtenissen, omdat zij tegen het levensplan indruisen, als pijnlijke waarschuwingen of nederlagen, d.w.z. als traumata worden ondervonden. Maar het individu kan er daardoor evengoed toe gebracht worden om in gefantaseerde voorvallen deze situatie als in gelijkenissen aanschouwelijk voor te stellen, te concretiseeren en te condenseren. Terwijl dus de onbeduidendheid of onwaarheid van de jeugdherinneringen aan de psychoanalyse, wat de psychologische verklaring betreft, een halt toeroept, ligt voor de Individualpsychologie in deze dingen niets verontrustends. De fantasie kan immers evengoed een gelijkenis, welke de levensstijl ondersteunt of in beeld brengt, scheppen, als de herinnering er een uit het beschikbare werkelijke materiaal, dat het verleden biedt, kan uitkiezen. En bovendien bestaat er geen enkele reden om aan te nemen dat alleen seksuele gebeurtenissen van invloed op de karakterontwikkeling zouden zijn, dat dus aseksuele gebeurtenissen alleen van invloed zouden kunnen zijn wanneer zij toch een seksuele werking zouden hebben krachtens een “voreilige” en “sprungbereite” (seksuele) constitutie. Freud’s verklaring lijkt ons hier zeer gewrongen. Zoals al uit het aan Jan Ligthart ontleende voorbeeld is gebleken, kan men uit de jeugdherinneringen van een mens - indien men de taal, die zij spreken, verstaat - allerlei vermoeden. Deze vermoedens aan de andere gegevens getoetst, kunnen ons dan een inzicht in het levensplan vergemakkelijken. Wij zagen al, dat de volgorde waarin de voorvallen ons geboden worden van belang is, omdat er een climax of het streven naar een bepaalde oplossing in te vinden kan zijn. In andere gevallen treffen wij er echter een dalende lijn in aan, zoals bij een 15-jarige jongen, die de volgende reeks herinneringen produceerde. 1. Bij een autoongeluk is hij door de voorruit gevlogen en heeft een diepe snee in de lip gekregen. 2. Als schooljongen liep hij bij het krijgertje spelen met het hoofd tegen een boom en kreeg een hersenschudding. 3. Als klein kind liet zijn moeder hem, terwijl zij hem aan het inzepen was, uit de handen glijden. Zij schrok geweldig en liet de dokter komen, die haar uit89
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

lachte om haar bezorgdheid. - In deze reeks is een “regressie waar te nemen, het kind wordt steeds jonger en belandt bij zijn moeder. Het betrof in dit geval een boom van een jongen, die van zich zelf steeds met verkleinwoordjes sprak en sterk op zijn ouders steunde. Hij was er bijv. rotsvast van overtuigd, dat hij, dank zij de invloed van zijn vader later toch een goed baantje zou krijgen, ook al presteerde hij weinig. Soms is er in de jeugdherinneringen een tegenstelling uitgedrukt. Het is dan bijv. of zij zeggen: Dit mag niet gebeuren! Zo moet het zijn! 1. Patient is als kind bij een tante gelogeerd en gaat met zijn oudere neefje wandelen. Deze plaagt hem onderweg en onze patient loopt naar huis en vertelt alles huilend aan zijn moeder. 2. Patient en zijn zusje wandelen met moeder op een landweg en plukken bloempjes. - De betekenis van deze herinneringen kunnen wij als volgt weergeven: Als je onder vreemden bent doen die je kwaad, als je bij moeder blijft is alles goed. De gedragingen van deze patient stemmen met deze opvatting overeen, want zijn neurose moet er voor zorgen, dat zijn vrouw hem nu evenzo beschermt als zijn moeder het vroeger deed. Wij kunnen nog andere aanduidingen omtrent het karakter in deze vertelseltjes vinden. De zo juist vermelde voorvallen spreken van een geringe activiteit, terwijl de nu volgende op een veel actiever houding wijzen. - Een meisje van 16 jaar brengt de volgende herinneringen. 1. Vader leert mij lezen. 2. Ik heb een poppenwagentje gekregen en inplaats van er de poppen in te rijden ren ik er onder veel lawaai zo hard mogelijk de gang mee op en neer. De activiteit (zij is op school zeer eerzuchtig), zowel als de verhouding tot de beide ouders, wordt door deze voorvallen duidelijk getekend. Nog steeds is de vader haar vriend en kan haar moeder, die zich nog goed herinnert hoe zij zich destijds over het verkeerde gebruik van de poppenwagen ergerde, weinig van haar dochter gedaan krijgen. Soms schijnt de jeugdherinnering een actueel conflict weer te geven. Zo vermeldde eens iemand, wiens vrouw, van wie hij nog steeds veel hield, hem onverwachts en zonder dat hij de reden begreep, verlaten had, het volgende: Als kleine jongen had hij een heel mooi kruiwagentje gekregen. Terwijl hij er mee speelde, was het plotseling verdwenen en hij begreep er niets van. Eerst later kwam uit, dat het in de sloot gevallen en onder water verdwenen was. - Hoewel dit voorval sprekend lijkt op de actuele moeilijkheid, waarin onze patient verkeert, is het toch reeds van te voren te verwachten, dat het ons tevens iets over de levensstijl zal kunnen mededelen. Inderdaad betreft het hier iemand, die niet alleen bij zichzelf geen enkele fout kan ontdekken, maar die er bovendien van overtuigd is, dat hij zich altijd voor de andere heeft opgeofferd. Het is gemakkelijk te begrijpen, dat met zo’n levensplan, waarin de veronderstelling, dat die andere hem dankbaar moeten zijn, een grote rol
90
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

speelt, onaangename verrassingen als met het kruiwagentje, in serie moeten zijn voorgekomen. Het is duidelijk, dat de geneesheer, die bij de eerste kennismaking met zijn patient, tijdens het aanhoren van diens klachten en levensgeschiedenis, plotseling een groot feitenmateriaal te verwerken krijgt, in deze jeugdherinneringen een leiddraad kan vinden om deze overvloed van gegevens te ordenen en dat zij hem kunnen helpen om de oplossing van het raadsel, dat zij hem opgeven, te vinden. Zulk een hulp zal vooral van pas komen, wanneer het gesprek niet goed vlotten wil of de hulpzoekende er niet toe kan komen om de gewone conversatievorm te laten varen. Dikwijls bespeurt men, dat naarmate men iemand beter leert kennen, bijna alles wat ons aan zijn karakter, zijn actuele moeilijkheden en levensplan interesseert, eigenlijk in een of meer jeugdherinneringen in kunstvolle vorm is uitgebeeld. Men zou deze herinneringen dan ook bijna wel als een “levenswerk” kunnen beschouwen, want ze zijn in de loop van de jaren gegroeid. Er is onophoudelijk aan gevijld, ze zijn door de fantasie bijgewerkt en allerlei trekjes zijn er aan toegevoegd, versterkt of verzwakt. Van groot belang is het om de stemming waar te nemen, die bij de verteller door de gebeurtenissen gewekt wordt. Het glundere gezicht waarmee een jonge man vertelt hoe eens een ouder broertje bij een gezamenlijke straatschenderij door een agent gepakt werd, de lichte verontwaardiging waarmee over een kleine krenking gesproken wordt, al dergelijke begeleidende affecten leggen gewicht in de schaal, want ze tonen ons de plaatsen in de ziel waar de conflicten zetelen en de “traumata” aangrijpen, vertellen ons ook van de fouten in het karakter en de storingen in het gemeenschapsgevoel. Zo kan een simpel verhaaltje ons inlichten over pessimisme of optimisme, agressiviteit of berusting, over de geslachtelijke en sociale verhoudingen en de levenstechniek. Het zou ons te ver voeren om al hetgeen hierboven gezegd werd met voorbeelden toe te lichten, het zal echter de lezer wel gebleken zijn, dat ook in hun opvattingen van de jeugdherinneringen de scholen van Freud en Adler uiteenlopen. Bij Freud zijn het gebeurtenissen (of fantasieën) geweest, die, omdat zij een bepaalde constitutie troffen, als seksueel trauma hebben gewerkt en een bepaalde reactie hebben veroorzaakt. Bij Adler zijn het eensdeels typerende samenvattingen van de in de jeugd bestaande, en sindsdien zoveel mogelijk in stand gehouden levenssituatie, anderzijds bevatten zij in gecondenseerde vorm, door middel van beelden aan het verleden ontleend, een richtlijn voor de toekomst. - Pas op! Zó behandelen de mensen je. Wees voorzichtig, want overal dreigt gevaar - Wacht je voor de man - Zo triomfeert men
91
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

over de vrouw. - Het helpt alles toch niet- ik zal het verliezen - Op de duur win ik het. Uit het voorafgaande spreekt vanzelf, dat wanneer en naarmate het levensplan van een persoon zich wijzigt, ook zijn jeugdherinneringen een andere gedaante zullen moeten aannemen. Dit past trouwens geheel met hetgeen de zelfwaarneming ons leren kan. Wanneer wij, in een droeve bui, moedeloos in de toekomst blikken, zal ook ons verleden van sombere herinneringen vervuld zijn, terwijl wij in een optimistische stemming in dit zelfde verleden hoofdzakelijk zonneschijn zullen opmerken. Verandert men dus de “toekomst” van een mens, dan zal men tevens zijn “verleden” veranderen. Veel van hetgeen wij van de jeugdherinnering gezegd hebben is ook op de droom van toepassing. De eerste is echter uit de aard van de zaak veel stabieler van vorm en heeft bovendien een meer algemene, een bredere strekking, terwijl de laatste zich meer met de actuele situatie, met de dagelijkse moeilijkheden bezig houdt, waardoor zijn inhoud en vorm meer wisselingen vertoont. Men zou kunnen zeggen, dat de jeugdherinneringen de richting van de stroom, de dromen die van de golven registreren. De droom bekleedt in de Freudse analyse een nog voornamer plaats dan in de Individualpsychologie, waarschijnlijk omdat hij eerst de enige toegangspoort tot het onbewuste scheen te zijn. Naarmate zich de techniek van het onderzoek heeft uitgebreid en onze kennis zich meer geconsolideerd heeft, hebben wij over zovele andere middelen de beschikking gekregen, dat het aanzien van de droom enigszins is verminderd. Ook de droom maakt soms gebruik van materiaal uit een min of meer ver verleden, meestal bedient hij zich echter van recente gebeurtenissen of gedachten om zijn “gelijkenissen” samen te stellen. Daarbij beschikt de dromer, omdat zijn bewustzijnstoestand zoveel minder intensief is en dus de kritiek van het logische denken in belangrijke mate is uitgeschakeld, over veel meer mogelijkheden om dit materiaal te gebruiken. Het droomdenken werkt niet met streng geformuleerde begrippen, springt zeer vrijmoedig met eenheid van tijd en plaats om en maakt veel gebruik van allerlei symbolen, waarin een deel het geheel representeert of een geheel inplaats van een deel optreedt. Het heeft daardoor in verschillende punten overeenkomst met het denken van primitieve volken. Terwijl volgens Freud de droom een middel is om een wens, al is het dan ook slechts in de fantasie, vervuld te krijgen en dus alleen (seksuele-) lust zou najagen, heeft hij voor Adler een verder strekkende, voor het gedrag van de mens veel belangrijker en dieper betekenis. “Die Mensen haben instinktmäszig erfasst, dasz nur derjenige träumt, der seiner Haltung nicht ganz sicher ist. Das besagt uns, wenn jemand
92
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

ein Problem hat, das er glaubt im Wachsein nicht lösen zu konen, so träumt er, weil er zur Bewältigung des Problems noch etwas braucht.” Voor Adler Is het dus alsof de dromer zich van de droom bedient om wegen en middelen te vinden om moeilijkheden te overwinnen of uit de weg te gaan, ook wel om een overzicht over een situatie te verkrijgen en daardoor beter een richtlijn voor de toekomst te kunnen vinden. Dat daarom, ook volgens Adler, de droom dikwijls een wensvervulling zal bevatten spreekt vanzelf, want ook de architect, die een huis wenst te bouwen, zal om zijn plannen te verwezenlijken, met zijn fantasie vooruitdenkend dit huis reeds voor zich zien en zich zijn wens dus als vervuld voorstellen. Maar evenmin als de architect is het in de regel de dromer alleen om dit schijnresultaat te doen. Behalve een dergelijke actieve functie heeft de droom ook de taak om de dromer te helpen zijn geweten te sussen of het geschokte innerlijke evenwicht tegenover bepaalde gebeurtenissen te herstellen.
Zo droomde een dame eens, nadat haar beide dienstboden om een kleine onenigheid haar de dienst hadden opgezegd, het volgende. In de droom ziet zij een straat van het dorp waar zij vroeger gewoond heeft. Midden in de weg staat een zware boom, die omgehakt wordt. Meer aan de kant staat een jong boompje dat nu ook weg zal moeten. In de droom overlegt zij, dat het wel heel jammer is, dat de grote boom moet verdwijnen, maar dat het niet anders kan omdat hij het verkeer te veel in de weg staat. Voor het kleine boompje is ‘t niet zo erg, want dit kan nog gemakkelijk verplant worden. Toen deze dame bij het ontwaken aan de dikke boom in de droom dacht, viel haar de oudste dienstbode in, die reeds lange jaren bij haar gediend had en uit haar vroegere woonplaats afkomstig was. Zoals het wel meer gaat, worden deze oude getrouwen voor het “verkeer” in huis wel eens lastig. Daarom zou haar vertrek een opluchting zijn, ofschoon de droomster zich bezorgd erover maakte, of zij wel gemakkelijk in een nieuwe betrekking zou aarden. Voor het andere meisje, dat veel jonger en soepeler was, behoefde deze vrees niet te bestaan, die kon gemakkelijk “verplant” worden. - In deze droom wordt dus tegenover een onaangenaam feit naar een verzoenend standpunt gezocht.

In het hier genoemde voorbeeld kon de droomster zichzelf gemakkelijk van de werkelijke zin van de droom overtuigen, ten eerste omdat zij enigszins bekend was met de techniek van de droomuitlegging, ten tweede omdat er slechts geringe weerstand tegen het bewustworden bestond. Deze weerstand was een licht schuldgevoel, omdat zij geen ernstige poging gedaan had om de oudste dienstbode van haar voornemen terug te brengen en de droom had er toe meegewerkt om dit schuldgevoel op te heffen. Deze gunstige omstandigheden zijn echter meestal afwezig en in die gevallen blijft de dromer de betekenis van zijn dromen onbekend, ook al is de verklaring voor de buitenstaander gemakkelijk. In vele gevallen zal de dromer dan, wanneer men hem deze betekenis van de droom meedeelt, ook meteen daarmee accoord gaan. In andere gevallen zal hij echter weigeren deze verklaring te aanvaarden. Er bestaat dan een te sterke weerstand tegen het inzicht, dat aldus zou verkregen worden en
93
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

deze weerstand moet eerst overwonnen worden voor de volle strekking van de droom bij hem kan doordringen. Over het algemeen worden tijdens de behandeling de dromen gecompliceerder, zodat de verklaring moeilijker wordt. Het is alsof de dromer zich tegen een verder schrijdend inzicht tracht te beschermen. Dat men tegenover zijn dromen niet alleen maar een passieve rol vervult blijkt o. a. daaruit, dat men zich tijdens een droom zeer goed bewust kan zijn te dromen. Ook komt het voor, dat personen die niet graag hun dromen vertellen, besluiten om niet meer te dromen en zich dan ook aan dit besluit houden. Een dame, die zo’n voornemen had aangekondigd, droomde enige tijd later toch weer. Midden in de droom bedacht zij zich echter, dat zij niet meer wilde dromen en tegelijk hield de droom op. Vrij dikwijls worden dromen uit de kindertijd het gehele leven lang onthouden. Zo vertelde een jongmens dat al als kind alle geloof in zijn vader verloren had, toen hem naar jeugdherinneringen gevraagd werd, dat hij zich herinnerde, als klein kind-gedroomd te hebben, dat “God van de wereld was gevallen” en dat hem deze catastrofale droom sinds die tijd altijd was bijgebleven. Iemand anders herinnert zich een zich telkens herhalende droom, waarin hij op school is en alleen een hemdje aan heeft. Hij is doodsbang dat de andere dit zullen merken. Deze persoon is ook, nu hij volwassen is, nog steeds bevreesd, dat de andere zijn eigenlijke gedaante, zijn “waarde” die hijzelf voor een “onwaarde” houdt, zullen ontdekken. Misschien kunnen wij de functie van sommige dromen als een soort “afreageren” beschouwen. Een door zijn geheimen hoogmoed, zeer verlegen jongmens droomt, dat prinses juliana verliefd op hem is en iemand, die door zijn chef beledigd is, dat hij deze morsdood slaat. In deze dromen, die natuurlijk ook als wensvervulling, als “daadloze” dromen, kunnen worden opgevat, worden de gevoelens en handelingen tot in het onzinnige versterkt en overdreven. Daardoor blijkt de onredelijkheid van deze tendensen, worden zij voor kritiek toegankelijker en dit helpt de dromer om tot de nuchtere werkelijkheid terug te keeren. (Chardonne, Le sentiment de I’impossible abôlit Ie désir). Bij “gevoelsmensen,” dat zijn degenen, die door het aankweken van sterke emoties hun minderwaardigheidsgevoelens plegen te compenseren, zal de droom dikwijls dienen om een stemming te wekken, waarin de troost voor een of ander leed besloten ligt. Een meisje, dat zich door het lot en de mensen van alle mogelijkheid tot geluk beroofd voelde, droomde, dat zij met haar hondje levend begraven werd en hoe een gevoel van medelijden met het diertje haar daarbij vervulde. Hoe beklagenswaardig, maar ook hoe nobel moet zij zichzelf dusdoende zijn voorgekomen.
94
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Dat de droom dikwijls het seksuele vraagstuk behandelt behoeft ons niet te verwonderen, want juist op het gebied van de seksualiteit bestaan bij tal van mensen moeilijkheden en problemen, welke zij aarzelen op te lossen.
Een jonge vrouw, die ten onrechte meende erin geslaagd te zijn om het geslachtelijke probleem geheel uit te schakelen, droomde, dat zij als een bruid jasmijnbloesem in het haar had. Vruchteloos tracht zij deze bloemen weg te kammen, het is dodelijk vermoeiend, maar het lukt haar niet. - Een andere dame, die grote angst voor een mogelijke zwangerschap heeft en deze dan ook steeds heeft weten te voorkomen, droomt dat zij, in haar auto rijdend, plotseling een diepe kuil in de weg bespeurt. Zij wil om de kuil heensturen, maar een man in een witte jas springt voor de auto, waardoor dit voornemen mislukt. De wagen verdwijnt dan geheel in de kuil en als zij nieuwsgierig naar beneden kijkt om te zien wat er van de auto geworden is, blijkt deze in een kinderwagen te zijn veranderd, waarin een snoezige baby ligt. In deze droom zien wij het doorbreken van een moediger standpunt tegenover de gevreesde bevalling, terwijl de invloed, die daarbij aan de arts wordt toegeschreven, door de man In de witte (dokters-) jas wordt weergegeven,

Dr. Lydia Sicher deelt een ervaringsfeit uit de psychotherapeutische praktijk in de volgende woorden mee: “Bemerkenswert sind die Träume von Patienten, die sich vorher einer psychoanalytischen Behandlung unterzogen haben. Sie haben sich de Traumtypus der Psychoanalyse zu eigen gemacht.” Al het lezen van de psychoanalytische geschriften kan trouwens zo’n invloed uitoefenen, en het spreekt vanzelf, dat eenzelfde opmerking ook voor volgens de AdIerse methode behandelde patienten geldt. Wij stuiten hier op een moeilijkheid, waar ook andere wetenschappen, o. a. de natuurkunde, mee te kampen hebben. Elk onderzoek van een gesloten systeem, oefent een storende invloed op dit systeem uit, omdat er door de waarneming, waartoe deze geslotenheid moet gebroken worden, iets aan het systeem veranderd wordt. Het resultaat van onze waarneming wordt daarom steeds door de gebruikte methode beïnvloed. Wij moeten wel in deze beperking berusten. Wel kunnen wij trachten om deze storenden factor zo klein mogelijk te houden en hem bij de beoordeeling van ons resultaat zo goed mogelijk in rekening te brengen. Een ding zou ons daarbij kunnen troosten en wel, indien de door ons onderzoek teweeg gebrachte verstoring van het systeem er juist zo een ware die de genezing hielp voorbereiden. De in de loop van een behandeling achtereenvolgens vertelde dromen geven dikwijls een aardige kijk op het standpunt, dat tegenover de arts of de behandeling wordt ingenomen. Zo laat een zeer belezen en algemeen ontwikkelde dame, die tot haar ergernis bemerkt heeft, dat de arts, hoewel met geringer kennis gewapend, toch op de door haar gekozen gevechtsterreinen geen kamp geeft, hem in de droom als een kleine jongen optreden die vol trots beweert: “Ik ken wel zeggen, dat ik 15 talen kan.” Aardig zijn ook de symbolen, die een student in een serie dromen voor de arts uitvond. In de eerste droom is hij een kannibalenopperhoofd die
95
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

de patient wil verslinden, in de tweede een toovenaar, die hem gevangen houdt en in de derde een koning, die hij als een soort lakei moet dienen. Dat in de droom de genezingstendens tot uitdrukking komt en soms zelfs de verschillende stadiën of trappen welke deze doorloopt uit achtereenvolgende dromen is af te lezen, kan door het volgende voorbeeld worden geïllustreerd. Een jong meisje droomde tijdens de behandeling, dat zij bij een verpleegster achter op de fiets zat en bij een breed en woest golvend water kwam, waarin tal van mensen zwommen. Zij uitte haar ongerustheid over die zwemmers, omdat zij meende, dat ze in groot gevaar verkeerde. De verpleegster (die als plaatsvervangster van de arts optreedt) meent echter, dat het de gewone overdekte badinrichting is en er dus niets bijzonders aan de hand is. Twee weken later droomde hetzelfde meisje, dat zij in een heel breed water met gevaarlijke draaikolken aan het zwemmen was. Een paar handen ziet zij naar zich uitgestoken, maar zij wijst de haar door die handen geboden hulp af en komt door eigen kracht aan de kant. Wij mogen de eerste van deze beide dromen zo interpreteren: Het dagelijkse leven, dat de arts haar als heel gewoon en gevaarloos laat zien, is voor haar nog te moeilijk. In de tweede droom is het water nog wel heel woelig, maar vat zij toch de moed voor het waagstuk. In overeenstemming daarmee was zij na deze laatste droom van haar klachten bevrijd en wees zij verdere geneeskundige hulp af door de behandeling vrij plotseling af te breken. Na de bespreking van de functie die jeugdherinnering en droom voor het menselijk handelen vervullen, willen wij tegenwoordig nog iets over de daarmee verwante werkzaamheid van de fantasie meedelen. Alleen dank zij onze verbeeldingskracht kunnen wij ons een doel voorstellen en aan de hand van ons ervaring deze doelvoorstelling voortdurend veranderen en volmaken. Geen architect zou een huis kunnen bouwen, geen boer zijn land bewerken, niemand zou een plan kunnen maken, wanneer hij niet de fantasie kon te hulp roepen en zo danken wij ook aan haar de mogelijkheid om ons een persoonlijkheidsideaal en een levensplan te scheppen. De meeste mensen zijn wel eens in gepeins verzonken. Wanneer zij dan daaruit wakker worden, herinneren zij zich soms in ‘t geheel niet, soms slechts vaag en in andere gevallen heel duidelijk, waaraan zij gedacht hebben. Wij noemen dit soort fantasieën wel “luchtkastelen” of ook wel “dagdromen.” Er zijn personen, die er zich op toeleggen om aan deze dromen een zo sterk mogelijke illusie van werkelijkheid te verlenen en de er mee gepaard gaande gevoelens zo sterk mogelijk te beleven. Iemand
96
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

meende eens: “In zo’n dagdroom ben ik werkelijk Beethoven, ben ik werkelijk Chrisnamurti, waarom zou ik mij dit genoegen ontzeggen.” Men mag wel aannemen, dat een belangrijk deel van de door de fantasie verrichte geestesarbeid geheel onbewust geschiedt. Ook de taal wijst in deze richting. Men zegt bijvoorbeeld, dat een besluit in ons gerijpt is, dat een gedachte bij ons opduikt of dat een voorstelling zich aan ons opdringt. Wij drukken ons dus daarbij zo uit, alsof ons (bewuste) “Ik” bij het vormen van deze gedachten geen rol had gespeeld. Daar de nieuwere psychologie tussen de bewuste en onbewuste psychische functies geen principieel verschil meer ziet, mogen wij aannemen, dat ook deze vruchten van de geest langs overeenkomstigen weg zijn ontstaan als de bewust tot stand gekomen resultaten van ons denken. Men kan aan de “dagdroom” twee verschillende functies toeschrijven. Bij de als voorbeeld gekozen architect dient de fantasie om de toekomst voor te bereiden, zij doet ons het werkelijke doel van de persoonlijkheid kennen. Bij de man, die zich volkomen in de gedachte verplaatste Beethoven te zijn, maar zich in werkelijkheid heel weinig met muziek bezig hield, verklapt ons de droom het schijndoel en het hoge geldingsstreven. Zijn doel is een vlucht uit de werkelijkheid en een “kosteloze” verhooging van het persoonlijkheidsgevoel. Zijn gedrag doet ons denken aan de volgende anecdote: Een stuurman tracht een matroos tot matigheid te bekeren, “Wanneer je niet altijd zo dronken was, zou je nu ook stuurman kunnen zijn.” - “Och wat, stuurman - als ik dronken ben, ben ik admiraal.” Begrijpelijk is het, dat men zich veel van deze dagdromen maar liever niet herinnert, want zij verraden soms een kant van het karakter, die met de naar buiten getoonde zijde in scherpe tegenstelling is. Door een weinig aan te dringen en de opmerkzaamheid op deze fantasieën te vestigen, komen ze echter toch herhaaldelijk in het bewustzijn en dan is de inhoud dikwijls een ware verrassing voor de betrokkene. Ze onthullen dan gevoelens en neigingen, die hij van te voren nooit bij zich zelf verondersteld had. Een scherp onderscheid tussen “daadloze” dromen en zulke, die beoogen om de werkelijkheid meester te worden, kan niet gemaakt worden, want wat oppervlakkig gezien slechts een nutteloze verhoging van het persoonlijkheidsgevoel scheen te beoogen, kan later blijken toch een werkelijke voorbereiding tot een toekomstige activiteit te zijn geweest. Bij veel personen blijven in de ziel gekoesterde tendensen lange tijd sluimeren om pas na een jaren durende periode van innerlijke voorbereiding aan de dag te treden. Voor de zelfkennis en voor de psychotherapeut is de hoofdzaak dat ook de dagdromen dikwijls een aanwijzing geven over de onjuiste aanpassingsvorm die nagestreefd wordt, over de angsten en moeilijkheden, het minderwaardigheidsgevoel.
97
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

het geldingsstreven en de schijncompensaties, die tezamen het levensplan van de persoon vormen. Een heel tengere zwaar gebochelde jongen van 18 jr., die angstvallig elke productieve werkzaamheid wist te vermijden, vervulde in zijn fantasieën de rol van zeeroverkapitein of van Jan Pietersz. Coen. - Een jonge man, die als kind sterk onder de druk van zijn moeder en zuster had gestaan, fantaseert kort voor zijn huwelijk een tafereel uit het laatste bedrijf ervan. Zij zijn beiden oud geworden en zijn vrouw beklaagt er zich over, dat hij geen woord meer tegen haar zegt. Zijn antwoord is dan vol bitterheid, dat het haar moeite genoeg gekost heeft om hem zo ver te krijgen. - Uit deze fantasie is de angst voor de vrouw af te lezen. Daarom wordt, lang voor het nodig is, een zegevierend verweer tegen haar gezocht, en het ligt voor de hand, dat, zonder een correctie van deze houding, de kans groot moet zijn, dat onze bruidegom zijn slechte verwachtingen betreffende de toekomst zal weten waar te maken. Hij zou er dan in geslaagd zijn om de omstandigheden in zijn huwelijk in overeenstemming te brengen met zijn gedurende de kindertijd verworven levensstijl. Vele sprookjes hebben een overeenkomstige strekking als de dagdromen, Adler vestigt er de aandacht op, dat in het sprookje de mooie rol dikwijls aan de jongste wordt toebedeeld - hij vindt de schat, wordt de bezitter van de wonderstaf en trouwt met de prinses - omdat het versterkte minderwaardigheidsgevoel van de nakomer de grootste compensatie verlangt. Deze sprookjes hebben allen een moraal, die zo’n compensatie verzinnebeeldt. Zij kunnen het kind bemoedigen of waarschuwen, gevoelens van zwakheid in kracht, macht en schoonheid helpen omtoveren. Het jonge kind, dat zich de verlossing uit zijn minderwaardige positie moet voorstellen in een verre toekomst, mist tegelijk de nodige ervaring om zich deze toekomst juist te denken. Hij schijnt daarom wel gedwongen om zich deze verlossing als door een wonder, zoals in het sprookje gebruikelijk is, voor te stellen. Maar zoals vanzelf spreekt, zal naarmate het kind tot volwassene groeit, de gedroomde compensatie meer en meer op de ervaring gegrond en aan de hand van deze ervaring telkens gecorrigeerd moeten worden. De idealen zullen dus plastisch moeten zijn, willen het geen illusies of hersenschimmen worden. (Westerman Holstijn). Voor de beoordeeling van het karakter is dus vooral van belang, hoe en in welke mate de fantasieën van een persoon zijn instelling tot de werkelijkheid beinvloeden. De verbeelding kan een eenmaal gevormde “leitlinie” verder uitwerken en versterken zonder met de werkelijkheid rekening te houden, zij kan ook een tastend proberen van de toekomst betekenen en dan het middel zijn om deze toekomst in een bepaalde zin,
98
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

overeenkomend met het levensplan, actief te beinvloeden. Deze laatste soort verbeelding zal steeds in innig contact met de ervaring blijven. Zoals al ter sprake werd gebracht, dienen vele dagdromen er alleen voor om het persoonlijkheidsgevoel tijdelijk te verhogen, zonder dat een werkelijke prestatie er mee beoogd wordt. Het verwondert ons dus niet, dat wij personen ontmoeten, die aan de aard, aan de nobelheid of het ethische karakter van hun illusies een reden voor een verhoogde zelfwaardering menen te mogen ontlenen. Zij zijn van trots vervuld over de schoonheid van hun gedachtenwereld, alsof zij alleen dáárdoor reeds meer of beter dan de andere zouden zijn. Zoals een kunstschilder, die in zijn fantasie zulke prachtige schilderijen maakte, dat hij er geheel van had afgezien om de kunst werkelijk te beoefenen. Alsof de artistieke prestatie niet een worsteling is om met onvolkomen middelen het ideaal te benaderen. De ware zelfkennis kan de mens echter niet door de bespiegeling, door de beschouwing van zijn innerlijk, zoals hem dat bewust is, verkrijgen, maar alleen door het resultaat van zijn handelingen waar te nemen. Samenvattend komen wij tot de slotsom, dat jeugdherinnering, droom en fantasie in tal van opzichten een overeenkomstige betekenis voor het gedrag van de mens hebben. Zij kunnen, evenals alle gaven waarover hij in zijn aanleg beschikt, in verschillende mate ontwikkeld en getraind, maar ook voor verschillende doeleinden gebruikt worden, want zij kunnen het con tact met de werkelijkheid, het gemeenschapsgevoel bevorderen, maar ook de afstand tot de werkelijkheid en daardoor ook het ik-gevoel vergroten.

99
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK VIII GEVOELENS, EMOTIES, ORGAANDIALECT Met de gevoelens en emoties bevinden wij ons op het grensgebied van fysiologie en psychologie, d.w.z. van de lichamelijke en de geestelijke functies. Want enerzijds schijnen de gevoelens op de waarneming van de er bij behorende lichamelijke veranderingen te berusten en dus direct afhankelijk van deze veranderingen te zijn, terwijl ze anderzijds juist tot de meest subjectieve verschijnselen moeten gerekend worden, zodat ze meer dan iets anders aanspraak op de naam van “gemoedsbewegingen” maken. Deze beide zijden van het gevoel als verschijnsel komen in verschillende uitspraken naar voren. C. Lange meent, dat het gevoel zonder zijn lichamelijke attributen niet kan bestaan. William James geeft als definitie: “Gevoel is niets anders dan een op een bepaald ogenblik bestaande fysiologische toestand van het lichaam.” Men weent dus niet omdat men treurig is, maar men is treurig omdat de tranen stromen. Jordan geeft in het “Handboek van het moderne denken” een functionele, meer psychologische definitie: “Gevoel is het bindend lid tussen waarneming en handeling.” Over de aard van deze verbinding geeft Joh. Neumann ons dan verder bescheid: “Das Gefühl ist die Kategorie der Wertung.” Die Funktion des Gefühls ist die spezifische Funktion des Ichs, weil es die lebensmäszige Stellungnahme des lchs ausdrückt.” Wij zien uit deze verschillende definities, dat er behalve een lichamelijk en een geestelijk ook een beschrijvend, (statisch) en een functioneel, (dynamisch) gevoelsbegrip bestaat. Het is onbekend hoeveel verschillende gevoelens, zoals vreugde, droefheid, haat, nijd, berouw, medelijden, etc. men zou kunnen onderscheiden, Het aantal is, o. a. al naar de fijnheid van de nuanceringen, voor willekeurige uitbreiding vatbaar. Het is echter hoogst onzeker of al deze gevoelens, ook al zijn ze subjectief nog zo sterk, onderling te onderscheiden zouden zijn, wanneer ze los van de situatie, waarmee ze verbonden waren, denkbaar zouden zijn. Omdat dit laatste echter onmogelijk is, is het niet uitgesloten, dat de talrijke namen voor gevoelens niet op deze gevoelens zelf, maar eigenlijk op die situaties betrekking hebben. Wanneer dat juist zou zijn, zouden de gevoelens slechts zeer tendele een fysiologische aangelegenheid zijn. Voorzover dit laatste echter wel het geval is, speelt de aangeboren constitutie voor het ontstaan van de gevoelens natuurlijk een belangrijke rol en zou men de uitspraak van Birnbaum: “Konstitution ist auch nur eine Erfahrung” in gewijzigde vorm ook op de gevoelens kunnen toepassen. De temperamentpsychologie, bijv. die van Heymans en Wiersma, gaat van deze constitutionele opvatting over het ontstaan van
100
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

de gevoelens uit en meent, dat de aard van de gevoelens grotendeels door de aanleg bepaald wordt en daardoor tevens het karakter en de lotgevallen van de mens van te voren zijn vastgelegd. Een dergelijke veronderstelling wordt vrij algemeen gedeeld, zoals bijv. ook uit een uitspraak van Graf Herman Keyserling blijkt (in “ Wiedergeburt van de Liebe”): “So ist auf dem Gebiet der Gefühle nicht Freiheit, sondern Unfreiheit Wesen, WurzeI, Sinn, Ziel und Ideal zugleich.” Zelfs stuit het velen tegen de borst om ook maar de veronderstelling te overwegen, dat zulke “elementaire” gemoedsbewegingen als liefde, schrik, bewondering, medelijden of angst, die alle in gegeven omstandigheden “spontaan” en onbedwingbaar in de mens opkomen, toch alleen in verband met een doel of bedoeling denkbaar zouden zijn. Op de Individualpsychologie, die het standpunt verdedigt, dat geen enkele psychische beweging zinloos zou zijn, rust dus de plicht om de juistheid of althans de bruikbaarheid van deze werkhypothese ook op dit gebied te onderzoeken. Sommige uitdrukkingen in de spreektaal schijnen ons daarbij aan te moedigen. Het heet immers, dat iemand gevoelens van haat, liefde of angst “koestert”. Ook, dat hij zich bezorgd, boos of angstig “maakt”, zodat het Ik niet als onvrij object, maar als vrij subject tegenover zijn gevoelens gesteld wordt. Verder moeten wij bedenken, dat de mens een “uitdrukkingswezen” is, die alles wat er in hem leeft ook naar buiten doet werken, zodat het een “indruk” op zijn medemensen maakt. Alle emoties hebben daardoor een dubbele werkzaamheid, omdat ze niet alleen het innerlijke evenwicht, maar ook het evenwicht met de buitenwereld beïnvloeden. Volgens Darwin zijn onze uitdrukkingsbewegingen dan ook te beschouwen als rudimenten van het handelen, dat in primitiever staat onmiddellijk uit de gewaarwording of prikkel voortvloeide. Een zo belangrijke en actieve rol als dus door de gevoelens en emoties vervuld wordt, zou onmogelijk buiten het planmatige van het karakter kunnen omgaan, zonder dit geheel te verstoren. Wij worden dus van verschillende zijden gedrongen om met ons onderzoek voort te gaan en kunnen dan, wanneer wij de finale functie van de gevoelens nagaan, al direct een onderscheid trachten te maken tussen het biologische en het persoonlijke doel, dat zij dienen. Wanneer wij beginnen met de eerste mogelijkheid te beschouwen, dan zien wij dat het gevoel kan dienen om ons tot handelen aan te sporen. (Medelijden dient dan om te helpen). Deze zeer actieve gevoelens behoeven slechts heel kort te duren, want ze verdwijnen tegelijk met het begin van de activiteit. Het gevoel heeft echter in andere gevallen een meer onmiddellijke, in het gevoel zelf gelegen, functie. Een sterk gevoel
101
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

leidt de aandacht van de buitenwereld af, zodat het subject voor verdere prikkels uit die buitenwereld beschermd wordt.
Een professor heeft zijn vrouw verloren en zit in zijn studeervertrek te treuren. Zijn huishoudster komt binnen en vraagt wat er die middag gegeten moet worden. Zijn antwoord: “Vraag dat maar aan mijn vrouw,” betekent, dat hij in zijn smart de oorzaak van zijn verdriet vergeten heeft Door het treuren is het verlies op de achtergrond gedrongen en het gevoel zou de mens in dergelijke gevallen dus ongevoelig maken.

Wanneer wij als voorbeeld de “schrik” iets nader beschouwen, dan zien wij dat de ermee gepaard gaande lichamelijke reactie uit een plotselinge samentrekking van alle spieren bestaat, waardoor niet alleen het lichaam zo klein mogelijk wordt, hetgeen in gevaarlijke situaties door geringere trefkans een voordeel zou kunnen zijn, maar bovendien de inwendige organen door verstijving van de borst- en buikwand beter tegen uitwendig geweld, bijvoorbeeld door een vallende steen, beschermd worden. Tevens zal de aan de schrik verbonden verstarring de zichtbaarheid voor een vijand of roofdier verminderen. Wat nu het nut van de schrikreactie voor de psychische persoonlijkheid aangaat merken wij op, dat de schrik als een zeer intensief Ik-gevoel tot gevolg (en dus tot doel) heeft de persoonlijkheid of althans het bewustzijn tegen het onbelemmerd toevloeien van pijnlijke prikkels uit de buitenwereld te bewaren. Men kan zo schrikken, dat men in ‘t geheel niet opmerkt wat er eigenlijk aan het gebeuren is en ook kan men van schrik flauw vallen. In het algemeen kan men zeggen, en ieders ervaring, bijv. met kinderen zal dit bevestigen, dat iedere sterke emotie iemand voor indrukken van buiten, vooral ook voor “rede”, onvatbaar maakt. Iemand die niet overtuigd wenst te worden, gaat dan ook met zijn gevoelens bijv. drift of verontwaardiging werken. Verder heeft de schrik, tengevolge van de indruk, die elke emotie op de omstanders maakt, nog een directe werkzaamheid op het milieu. Iemand, die hevig geschrokken is, wordt in de regel door de andere meteen in bescherming genomen. Het hoogst onaangename karakter van deze aandoening brengt tevens mee, dat men de plicht voelt om te vermijden andere te doen schrikken. Heeft iemand dit onwillens toch gedaan, dan bekruipt hem een schuldgevoel. (Volgens Coster-Wijsman beschouwen de Toradja’s het als een geestelijk acquivalent van lichamelijk letsel, wanneer iemand beschaamd wordt gemaakt. Zoiets is strafbaar en er worden flinke boeten voor opgelegd. “Handboek v. h. moderne denken.) Schrikachtig-zijn kan dus preventief werken, omdat het de andere tot omzichtigheid dwingt. Schrikken wordt dan tot een handeling, die binnen het gebied van de privé-intelligentie en van de persoonlijke finaliteit komt te liggen. Schrikachtigheid zou dan betekenen, ontzien willen worden.
102
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Ook op andere wijze kan de schrik worden uitgebuit. Wanneer een vrouw telkens schrikt wanneer haar man de kamer binnenkomt of haar aanraakt, dan is de bedoeling gemakkelijk te raden. Het schrikken is als een aanval, een krenking te beschouwen.
Een jonge vrouw kwam in behandeling omdat zij zo schrikachtig was. Wanneer er thuis maar een deur open of dicht werd gedaan, schrok zij al hevig. Daardoor hinderde haar schoonvader, die bij haar inwoonde, haar geweldig. Toen zij, dank zij de bespreking, inzag, dat haar schrikachtigheid als een methode van aanval en verweer tegen de oude man was te beschouwen, waren haar klachten spoedig verdwenen. Tevens nam zij betere middelen ter hand om de schoonvader, die zich inderdaad onjuist gedroeg, op zijn plaats te zetten.

De angst is een andere sterke emotie, waarvoor wij ons zelf meestal niet aansprakelijk voelen; zodat wij er zelfs een “prooi” van kunnen zijn. Dat de angst niettemin een functie binnen het raam van de persoonlijke doelstelling heeft, werd in een van de voorafgaande hoofdstukken reeds ter sprake gebracht. Voor de Individualpsychologie heeft iedere angst een zin, die hij gekregen heeft in verband met de vroegere lotgevallen van de persoon, die de angst heeft. Elke angst zou dus “verworven” zijn, terwijl andere veronderstellen, dat er aangeboren en overgeërfde vreesdisposities bestaan, en dus niet alle angsten voor een verklaring vatbaar zouden zijn. Het is moeilijk om over dit alles een zeker inzicht te verkrijgen, want men kan zich wel verschillende mogelijkheden denken, maar deze niet bewijzen. De ontwikkeling van de dierpsychologie gaat echter in die richting, dat aan het aangeboren-zijn van een steeds toenemend aantal reacties (instincten) steeds groter twijfel ontstaat, omdat men telkens meer feiten ontdekt, die deze reacties als het resultaat van milieu-inwerkingen doen kennen. Daarom schijnt over het algemeen de veronderstelling toelaatbaar, dat het jonge kind, om angst voor een bepaalde situatie of een bepaald verschijnsel te kunnen hebben, eerst door of in een analoog geval leed moet zijn toegebracht of dit leed door het gedrag van zijn omgeving is gaan verwachten. Wel is het aannemelijk, dat in het ene individu een grotere bereidheid voor angst in de aanleg aanwezig kan zijn dan in een ander. Zoals in het hoofdstuk over orgaanminderwaardigheid werd uiteengezet, zou volgens de Individualpsychologie zo’n aanleg zijn gebaseerd op eigenaardigheden in de wijze van reageren van het vegetative zenuwstelsel en dus op een orgaanminderwaardigheid zijn terug te brengen. Het is bekend - en de jeugdherinnering van Adler, zoals deze vermeld werd, geeft er een voorbeeld van - hoe deze erfelijke disposities door een training in tegenovergestelde richting kunnen worden gecompenseerd en overgecompenseerd. Afgezien van dergelijke theoretische overwegingen leert de praktijk, dat ook het angstgevoel afhankelijk van de doelstelling is en de
103
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

persoonlijkheid er daardoor medezeggingsschap over heeft. Wanneer een ongeoefend bergbeklimmer langs een steilte afdaalt en in de diepte ziet, kan er een gevoel van angst bij hem opkomen wanneer hij zich voorstelt te pletter te vallen. Zodra hij echter het nutteloze van deze overpeinzingen beseft en zijn aandacht weer op het klauteren vestigt, zal de angst verdwijnen. De emoties van de mens worden dus evengoed als alle andere psychische bewegingen door zijn doelstelling overheerst. Daarom kunnen dezelfde emoties ook allerlei verschillende doeleinden dienen. Denken wij bijv. aan de angst, die een jong meisje, wanneer zij tijdens een wandeling een plank over een sloot moet passeeren, zichzelf zou kunnen verschaffen door de voorstelling te vormen, dat zij in het water valt. Deze angst zal misschien alleen dan bij haar opkomen, indien er een geschikte jonge man in de nabijheid is om haar te helpen. In zo’n geval dient de angst dus om contact te maken. Hij kan echter ook het contact verbreken. - Een jonge vrouw kreeg tijdens de behandeling regelmatig angst, wanneer het gesprek haar arrangementen dreigde te onthullen. Zij verschafte zich deze angst, die elk redelijk gesprek verder onmogelijk maakte, door de geheel ongemotiveerde voorstelling bij zichzelf te verwekken, dat de arts haar naar een gesticht zou zenden. De angst kan ook een aanvalswapen zijn. Een jong meisje had tijdens haar neurose een hevige angst voor haar stiefmoeder, omdat zij meende dat deze probeerde haar te vergiftigen. Deze angst wilde blijkbaar zo iets zeggen als: “Giftige slang!” Men verneemt dikwijls van zijn patienten, wanneer men het vermoeden uit, dat hun emoties voor een “goed doel” dienen, de bedenking: “Maar ik maak dat gevoel toch niet, ik kan er niets aan doen, het overvalt mij.” Uit de gegeven voorbeelden blijkt wel, dat deze tegenkanting niet geheel juist kan zijn, want het gevoel wordt door de er bij behorende voorstelling opgewekt. Men maakt zich angstig door een angstige, droevig door een droevige voorstelling op te wekken. Wij hebben gezien, hoe ook negatieve gevoelens, die met onlust gepaard gaan, niettemin dienen kunnen om “boven” te komen. Vanzelfsprekend zijn ook positieve, lustvolle gevoelens daartoe te gebruiken. Eigenlijk ligt het voor de hand om te veronderstellen, dat iedereen zou trachten zich zoveel mogelijk lustvolle gevoelens te verschaffen en onlustvolle te vermijden. In werkelijkheid schijnt het anders te zijn. Een levensblij mens is een zeldzame verschijning, ook al zijn er toch gelukkig genoeg personen, die voldoende redenen voor een betrekkelijke tevredenheid zouden hebben. Het zou daarom kunnen zijn, dat in onze tijd van allerlei voorzorg, van steunen op elkaar en op de overheid, de negatieve gevoelens een groter “koopkracht” hebben dan de positieve. Adler vertelt ergens van een rijk en succesvol zakenman. die in zijn armoedige kinderjaren tot de ontdekking gekomen was, dat de
104
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

mensen hem des te meer gaven, hoe ongelukkiger hij zich voelde. Aan deze ontdekking ontleende hij zijn levensstijl en nog steeds trad hij als een bedelaar, en met de gevoelens van een bedelaar, op, wanneer hij met iemand zaken wilde doen of overigens in contact treden. Om te slagen moest hij, zo scheen het althans, zichzelf als armzalig en de andere als weldoeners beschouwen. Nu is het heel goed mogelijk, dat hij de andere door deze tactiek menigmaal in hun zwak had getast, zodat zij de door hem aangeboden vleiende en eervolle rol van weldoener, met de daarbij passende verheffende gevoelens, gaarne accepteerden. In zakelijk opzicht zal deze truc dus geen slechte resultaten hebben gehad, maar er was ook een schaduwzijde aan verbonden, want de rijkgeworden bedelaar mocht zich terwille van zijn levensplan over zijn succes niet verheugen, maar moest, om dit succes te bestendigen, aan zijn negatieve gevoelsstemming blijven vasthouden. Als vaste regel mogen wij aannemen, dat uit de veelsoortigheid van de gevoelens, welke een bepaalde situatie zou kunnen verwekken, iemand steeds juist dat gevoel zal kiezen, dat met zijn levensplan strookt, dat hem zijn einddoel nader schijnt te brengen. Iemand, die zich als kind tegenover sterkeren zag geplaatst en destijds zijn persoonlijkheidsgevoel langs de kortste weg, door het gevoel van verongelijkt te zijn, heeft leren te verhogen, zal ook in zijn verder leven aan een soort dwang onderworpen zijn om overal naar veronachtzaming en liefdeloosheid te speuren. Dat hij deze bejegening ook telkens zal ondervinden valt niet te verwonderen, want hij zal ze door zijn wantrouwen a.h.w. provoceren. Maar alsof hem dit niet genoeg is, zal hij bovendien nog in droom en fantasie beelden oproepen, die hem dezelfde gevoelens verschaffen. Het schijnt wel een misverstand te zijn, dat gevoelens vanzelf zouden komen. Zij worden steeds door de voorstelling gewekt en onderhouden. Aan een lang nawerkend affect ligt een voortdurende gedachtearbeid ten grondslag. Wanneer iemand met een dozijn reddingsmedailles pronkt, ligt het vermoeden voor de hand, dat voor hem het “reddergevoel” tot de meest begerenswaardige dingen behoort en dat hij dus ook alles in het werk zal stellen om zich dat gevoel te verschaffen, terwijl een ander gemakkelijk gevoelens van verontwaardiging zal kunnen oproepen, omdat hij al jong tot de ontdekking is gekomen, dat men zich op deze wijze boven zijn medemensen kan verheffen en zich tegen hen kan beschermen. Een derde zal zich op allerlei manier “nobele” gevoelens verschaffen, hetzij door nobele daden of in schijn, door zich tot nobele fantasieën te bepalen. Zelfs gevoelens van blijheid en vreugde, die onder gewone omstandigheden het gemeenschapsgevoel begeleiden en als een ons
105
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

door moeder natuur toegedachte premie kunnen beschouwd worden, kunnen in dienst van het levensplan worden omgefinaliseerd. Zo kan een moeder, omdat zij zich als ideaal gesteld heeft om een “goede” of een “volkomen” moeder te zijn, haar doel althans in schijn bereiken, door bovenmatig gelukkig en dankbaar ervoor te zijn, dat zij kinderen heeft. Deze blijheid en dankbaarheid moeten haar moederliefde bewijzen, omdat zij bang is, dat haar daden te kort zullen schieten. Er zijn mensen, die er prat op gaan steeds mooie gedachten en verheven gevoelens te koesteren. Hun persoonlijkheidsgevoel kunnen zij daardoor een onbeperkte mate van stijging doen ondergaan, mits zij ervoor zorgen, dat uitsluitend zijzelf deze gevoelens beoordelen. Zij zijn dan bij de wedstrijd mededinger en jury te gelijkertijd. “Gevoelsmensen” zijn daarom dikwijls personen, die in het hebben van sterke gevoelens de hoogste mensenwaarde menen ontdekt te hebben, omdat deze gevoelens hun al als kind voordelen, genegenheid en bewondering verschaft hebben. - Een meisje had bijv. allerlei dromen, waarin door daartoe passende voorstellingen extatische gevoelens werden gewekt. Eens droomde zij, dat zij haar binnenste aan een ander liet zien. Zelf keek zij ook toe en zag een menigte prachtige zuilen. “Dat zijn mijn gevoelens,” gaf zij de ander te verstaan. Ofschoon wij in het voorafgaande de mening van Keyserling betreffende de onvrijheid op het gebied van de gevoelens weersproken hebben, bezitten wij niet het recht om alle gevoelens, waarvoor wij de bron in het verleden en tevens de bedoeling voor de toekomst hebben opgespoord, te veroordelen. Wij zullen ook hier aan de vruchten de boom kennen. Is het resultaat van dat alles, vooral ook in het oog van de persoon zelf, bevredigend, dan kunnen wij het geheel aanvaarden. Bevredigt het resultaat echter niet, dan volgt uit onze uiteenzetting, dat de persoonlijkheid zich niet aan zijn gevoelens gebonden hoeft te denken, maar zich ook in dit opzicht kan bevrijden. Wanneer hij zijn levensplan verandert zullen zich ook zijn gevoelens wijzigen. Een “nobel” gevoel echter, dat tot nobele daden voert, zal niemand veroordelen en een licht ontvlambaar gevoel van verontwaardiging, dat tot bescherming van en strijd voor de verdrukten voert, zullen wij als juist erkennen. Wanneer iemand echter zó medelijdend van karakter is, dat hij elk leed van andere angstvallig uit de weg gaat of zó weldadig, dat hij alles weggeeft en daardoor zelf andere tot last wordt, mag men veilig aannemen, dat er aan deze gevoelens “een luchtje zit”.Het gevoel is er dan niet om de daad, maar om het gevoel zelf. Er is schijnbaar een tegenstrijdigheid in gelegen, wanneer wij veronderstellen, dat gevoelens ook onbewust kunnen voorkomen. De feiten bewijzen echter, dat een groot deel van ons gevoelens door ons zelf niet gekend wordt. W. Betz vestigt er bijv. de aandacht op, dat men
106
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

na een gewone dag zich van “gevoelens” niet veel meer herinnert, hoogstens, voegt hij er ondeugend aan toe, heeft men nog een herinnering aan het feit, dat wij liever nog wat langer in bed waren blijven liggen. Verder zijn de anderen dikwijls beter over de gevoelens van iemand onderricht, dan hijzelf. Dikwijls verraadt men zich onwetend. Wanneer andere bijvoorbeeld duidelijk opmerken, dat iemand uit nijd of afgunst handelt, of dat hij alles uit bewondering of afhankelijkheid van een bepaald persoon doet, behoeft de persoon zelf zich van de gevoelens, die hem bewegen, niet bewust te zijn. Hij kan zelfs geheel andere gevoelens menen te koesteren. Onze emoties zijn ook sterk aan mode en suggestie onderhevig. In de sentimentele tijd na 1750 hebben volwassen mannen elkaar bij iedere gelegenheid omarmd en gekust en daarbij vele tranen van ontroering vergoten. Zij hadden de mond vol van liefde en vriendschap, maar zullen elkaar waarschijnlijk even ongaarne een daalder geleend hebben als tegenwoordig. (W. Betz). Ook in het Duitsland van tegenwoordig kunnen wij een gehele omwenteling van de gevoelens, vergeleken met die welke daar kort na de oorlog heersten, waarnemen. Uit al dergelijke feiten moeten wij wel besluiten, dat er op de onbedwingbaarheid en biologische bepaaldheid van de gevoelens veel valt af te dingen. Wij merkten al eerder op, dat de mens een “uitdrukkingswezen” is en ook, dat hij zich aan de indrukken, die andere op hem maken, niet kan onttrekken. De weerkaatsing, die onze gevoelens bij onze medemensen teweegbrengen, maakt de mensheid tot een gemeenschap evenals een groep dieren door de gemeenschappelijkheid van hun emoties tot een kudde wordt. Dit alles is mogelijk, omdat ieder gevoel met voor dit gevoel kenmerkende lichamelijke veranderingen gepaard gaat. Het spraakgebruik wijst dit al aan. Iemand wordt bleek van schrik, trilt van angst, is geknakt door verdriet, loopt trots als een pauw. Zijn ogen fonkelen van toorn, of smeeken om genade. Wanneer hem een ongeluk treft wankelt hij, is hij echter vol zelfvertrouwen dan staat hij vast in zijn schoenen. Men onderscheidt zelfs in de uitdrukkingswetenschap een Goethe’se en een Schillerse houding en het zou niet goed mogelijk zijn om in de Goethe’se houding verzen van Schiller zonder een gevoel van storing voor te dragen (von Hattingberg). Niet alleen onze gelaatsuitdrukking in haar talloze schakeringen maakt onze gevoelens aan de ander kenbaar, maar het gehele lichaam is in houding en beweging als een uitdrukkingsapparaat te beschouwen. De taal die het organisme aldus spreekt is door Adler “orgaandialect” genoemd. Uit de manier waarop iemand aanbelt, de kamer binnenkomt, zijn krant openvouwt of zijn stoel verschuift, weten zijn huisgenoten reeds vrij nauwkeurig hoe hij gestemd is en dikwijls ook hoe zijn plannen zijn.
107
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Dat onze gebaren veelzeggend zijn, is zonder meer duidelijk, maar dat onze ademhaling ongemerkt onze geheimen verraadt is menigeen misschien minder bekend. Let men echter op het “stille spel” van toneelspelers, dan kan men opmerken hoe veelvuldig zij van de ademhaling als uitdrukkingsmiddel gebruik maken. Deze veranderingen in de ademhaling en tal van andere kleine bewegingsnuancen werken op de medemens zo zeker en tevens voor het bewustzijn zo verborgen (petites perceptions), dat daardoor wellicht het geloof aan een onmiddellijke gedachteoverdracht, aan een “gedachtekracht”, in de wereld is gekomen. Hoe algemeen deze mogelijkheid om zich “uit te drukken” ook is en hoe goed wij de daarbij gesproken taal ook van elkaar verstaan, toch spreekt ook uit het orgaandialect ieder mens op zijn hem geheel eigen wijze, welke verschilt van die van al zijn medemensen. Wij weten ook, dat de mens op het gebied van de motiliteit (Vermogen om spontaan te bewegen. AvdH) in zijn aanleg bepaalde, voor ieder individu andere, wijzen van reageren zijn medegegeven. Het zijn automatismen, die door bepaalde prikkels uit de buitenwereld in actie worden gebracht. Al het pasgeboren kind huilt, wanneer het door onaangename prikkels getroffen wordt, terwijl het rustig wordt zodra het in handen wordt genomen. Het trekt lelijke gezichten wanneer men het iets scherps laat ruiken, maar maakt in de beginne ook allerlei grimassen en lachende bewegingen, die geheel zonder zin schijnen. Dit bij de geboorte aan ieder individu anders gegeven uitgangsmateriaal wordt echter tijdens het leven op allerlei wijze veranderd, getraind, geremd of uitgebreid. Zelfs is de mens het hem door de natuur gegeven uitdrukkingsmateriaal niet genoeg geweest, zodat hij er andere aan heeft toegevoegd en tot steeds fijner ontwikkeling gebracht. Producten daarvan zijn de taal, het schrift, muziek, schilder- en beeldhouwkunst etc. Het is dus geen wonder, dat ook de lichamelijke functies, die eerst op een dwangmatig automatische, van het kind uit gezien doelloze manier als uitdrukkingsmiddelen dienst deden, in de loop van de individuele ontwikkeling onder de heerschappij van de persoonlijke finaliteit worden gebracht en dus worden getraind en afgericht op de privédoelstelling. Door deze “omfinalisering” worden oorspronkelijk fysiologische reacties veranderd in psychische. “Doch überall da, wo diese Physiologische Reaktionen benützt werden in der Anpassung an neue AuszenweItsituationen wogegen der Organismus als Ganzheit Stellung nimmt, da werden die Physiologische Reaktionen (wieder) psychisch.” (Westerman Holstijn.) Een goed voorbeeld hoe fysiologische functies in dienst van de privédoelstelling kunnen komen en daardoor tot psychische reacties kunnen worden, vinden wij bij de maag. Het is bekend, dat ze op de weg
108
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

naar het hart ligt. Ze kan echter tevens die weg a.h.w. versperren, want sommige personen zullen zich door iemand, die hun antipathiek is, slechts ongaarne tegoed laten doen, terwijl hun eetlust voor de goede gaven van iemand anders veel gereder is. Hoe veel kinderen door hun gebrek aan eetlust,- door hongerstaking, hun familie en vooral hun moeder kunnen terroriseren is een bijna dagelijkse ervaring. Dat de maag ook politieke doeleinden kan dienen, leren de voorbeelden Gandhi en vele dienstweigeraars. De maag kan ook een verachting uitdrukken: “Ik word al misselijk wanneer ik zijn gezicht maar zie,” is een gezegde, dat een ware grond heeft, want niet zelden wordt in de neurose de daad bij het woord gevoegd. Verwant hieraan zijn die gevallen, waar niets buitenshuis genuttigd kan worden, omdat een gevoel van walging dit belet. Het resultaat is dan natuurlijk, dat de betroffen persoon steeds onder “moeders vleugels” blijft.
Een jongeman, die in behandeling kwam wegens nerveus braken, had daar vooral last van, wanneer hij met zijn meisje samen was of een ontmoeting met haar voor de deur stond. Zijn moeder leed aan dezelfde kwaal, wanneer zij zich nerveus maakte. Uit allerlei bleek, dat onze patient door zijn “zwakke maag” thuis een bevoorrechte positie bekleedde. Hij was de lieveling; zijn moeder was vol zorg voor hem en maakte altijd allerlei extra kostjes voor hem klaar. De jongen had dus in zijn gestoorde maagfunctie een middel in de hand om zijn moeder in zijn dienst te stellen. Maar een middel, dat hemzelf in een toestand van grote afhankelijkheid bracht en dat in wezen berustte op een gebrek aan zelfvertrouwen, op een gevoel de mindere van de vrouw te zijn. Zo voelde hij zich ook ten opzichte van zijn verloofde en hij moest daarom trachten om haar door het braken in dezelfde positie als zijn moeder te brengen. Zij moest hem bedienen en zich naar hem schikken. Omdat hij zich bij haar thuis dikwijls onwel gevoelde, moest zij naar hem toekomen. Als zij naar de bioscoop wilde, wandelde hij liever en gebruikte zijn onbewuste truc om zijn zin door te drijven. Daar het meisje zich deze dwingelandij niet liet welgevallen en op dit orgaandialect antwoordde door zich gekrenkt te voelen, verdubbelde onze patient zijn pogingen, zodat hij, zeer verzwakt, in een ziekenhuis werd opgenomen. Maar inplaats van berouwvol, vertederd en geknecht aan zijn ziekbed te verschijnen, verbrak zij de verloving omdat zij een huwelijk met zo’n zwakke man niet aandurfde.

Het spreekt vanzelf, dat men zich dergelijke strijdmethoden niet als bewuste, maar als geheel onbewuste arrangementen moet voorstellen. Het is alsof dergelijke “trucs” meer ontstaan door het intellect van het organisme, dan van de bewuste persoonlijkheid. De Russische fysioloog Pavlow heeft ons het ontstaan van deze onbewuste, maar niettemin doelmatige, aanpassende reacties enigszins duidelijk gemaakt. Hij leerde ons, dat bepaalde lichamelijke reacties - hij noemt ze “reflexen” - oorspronkelijk aan bepaalde prikkels uit de buitenwereld gebonden zijn. In deze oorspronkelijke staat hebben wij dan met “aangeboren” reflexen te doen, die wij als fysiologische reacties kunnen beschouwen. Deze zelfde reacties treden nu echter later, door invloeden uit het milieu, in verbinding met prikkels uit de buitenwereld, die eerst voor het organisme indifferent waren. Dit verband komt daardoor tot
109
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

stand, dat de indifferente prikkels ongeveer gelijktijdig met de werkzame prikkels voorkomen.
Zo treedt bij de hongerige hond, die nog nooit met vlees heeft kennis gemaakt, alleen speekselvloed op, wanneer men hem een stuk vlees in de bek geeft, later echter al wanneer hem het vlees getoond wordt. Laat men gelijktijdig met of even vóór de voedering een bel klinken, dan is bij volgende proeven al het luiden van die bel voldoende om het speeksel te doen stromen. De speekselvloed op het zien van het vlees en op het klinken van de bel is nu geen aangeboren, maar een “verkregen” reflex. (Pavlow spreekt van een “voorwaardelijke” reflex). Zulk een verkregen reflex, die op zichzelf zinloos is, blijft nu alleen op de duur bestaan, wanneer bij - door een voor het van deze - nuttig resultaat gevolgd wordt. Wanneer men dus voortaan wel de bel luidt, maar de hond niet direct daarop vlees geeft, zal de speekselafscheiding snel verminderen en na enige herhalingen van de proef zal het klinken van de bel in ‘t geheel geen speeksel meer doen vloeien.

Het spreekt vanzelf, dat deze inrichting van zijn organisme nuttig voor het dier is, want daardoor zal het, wanneer het eenmaal door een steenworp pijnlijk is getroffen, bij een volgende gelegenheid al op de vlucht slaan, wanneer de jongen zich bukt om een steen op te rapen. De wet van de causaliteit, die zegt dat de opeenvolging van de verschijnselen in de natuur steeds gelijk is, is door dit mechanisme a.h.w. in het organisme vastgelegd of voorspeld. Pavlow bedoelt met “nuttig”, dat het resultaat gunstig voor het biologische bestaan van het dier moet zijn. In de psychologie treedt, wanneer wij de gedachtegang van Pavlow ook daar willen toepassen, in de plaats van deze biologische finaliteit de nuttigheid voor de persoonlijke doelstelling. Stellen wij ons nu een kind voor, dat ongaarne naar school gaat en toevallig door een maagaandoening ‘s morgens moet braken. Het zal dan, behalve een biologisch voordeel - de ontlediging van de maag tevens een persoonlijk voordeel behalen, omdat het niet naar school hoeft. Hier zien wij, dat onder invloed van bijzondere omstandigheden een aangeboren, fysiologische reflex in een persoonlijk doelverband komt te staan. Telkens wanneer het kind angst of afkeer voor de school heeft, zal de omstandigheid: schooltijd, de braakreflexen in gang zetten en dit verband zal zo lang blijven bestaan als deze verkregen reflex door het begeerde en dus van het kind uit gezien nuttige - resultaat zal gevolgd worden. Krijgt echter het kind bijv. een andere onderwijzer, voor wie het geen angst heeft, dan zal ook het braken verdwenen zijn, evengoed als bij een geheel verzadigde hond door het tonen van vlees geen speekselvloed meer veroorzaakt wordt. Wat voor de maag geldt, kunnen wij ook voor andere organen veronderstellen en zo zien wij dat, geheel onbewust, hoofdpijn, astma, darmverschijnselen, hart-, blaas- en seksuele storingen onder de heerschappij en in dienst van het levensplan treden, ja dat zelfs bronchitis, reumatische en andere pijnen, verlammingen en doofheid als vormen van orgaandialect kunnen fungeeren. Om deze storingen van de
110
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

orgaanfuncties als “dialect” te verstaan, zullen wij de omstandigheden waaronder zij optreden en het resultaat dat zij hebben in aanmerking moeten nemen.
Een jonge vrouw vertelt, dat zij iedere dag en iedere nacht omstreeks 5 uur een astma-aanval krijgt en dan een inspuiting moet hebben. Zij voegt aan haar klacht toe, dat zo’n aanval haar dubbel onaangenaam is, omdat haar man altijd boos en prikkelbaar wordt, wanneer zij het benauwd heeft en hij haar met inspuitingen etc. moet helpen. Wij vermoeden door deze laatste toevoeging, dat de astma-aanval tegen de man moet gericht zijn. Tegen 5 uur komt hij thuis en de aanval zou dus precies op tijd zijn. Bij nadere informatie blijkt nu, dat dit huwelijk onder enigszins afwijkende voorwaarden tot stand is gekomen, meer uit opstandigheid tegen de wederzijdse ouders, dan uit liefde. In hun innerlijke onrijpheid hadden zij zich een zakelijke, kameraadschappelijke en aseksuele verhouding als ideaal gesteld en beloofd elkaar altijd de oprechte waarheid te zeggen. Het huwelijk was een mislukking geworden. De vrouw ontmoedigd en tegen het huishouden niet opgewassen, de man pedant en vitterig. Wanneer hij ‘s middags thuis kwam en volgens zijn gewoonte zijn vrouw de “waarheid” over haar huishoudelijke bekwaamheid zou zeggen, werd hij ontwapend en buiten spel gezet door de astma-aanval. In plaats van zijn hart te kunnen luchten, moest hij haar helpen en zelf het huishouden beredderen. Voor de vrouw had de ziekte het voordeel, dat de man ontwapend en in haar dienst gesteld werd, terwijl haar slechte gezondheid bovendien als een verontschuldiging voor haar tekortkomingen als huismoeder kon dienen. Het astmalijden, dat oorspronkelijk als aangeboren reflex het uitdrukkingsmiddel voor een “bedrängte Lage” (Adler) betekende, was een strijdmiddel tegen de echtgenoot geworden.

Bij kinderen is de zelfkennis dikwijls veel gemakkelijker te wekken dan bij volwassenen. Een van mijn patienten, met wie terloops ook over astma was gesproken, trof eens haar kleine nicht met astma in bed aan. Het was buiten prachtig weer en alsof het iets heel gewoons was vroeg zij het kind waarom het niet buiten speelde. - “Ik heb immers astma,” was het antwoord. - “Maar waarom heb je dat,” vroeg toen de tante belangstellend. – “Omdat ik het zo prettig vind om vertroeteld te worden.” Vele geneesheren hebben al lang geweten of vermoed, dat de astmaaanval door training willekeurig verwekt kan worden. Wijlen de Utrechtsche hoogleraar Talma, had zich deze kunst door oefening eigen gemaakt, zonder zelf aan astma te lijden. In sommige gevallen leert men tijdens de behandeling vrij nauwkeurig de techniek kennen, waarmee lijders aan orgaanneurosen hun orgaandialect tot stand brengen.
Een jonge vrouw vertelde, dat zij als kind “bleek kon zien”. Wanneer zij thuis kwam en iets op haar kerfstok had, stelde zij zich heel intensief voor, dat een ijskoude watergolf haar overstroomde. Zij voelde zich dan zo koud en ellendig en zag er zo zielig uit, dat haar ouders zich bezorgd over haar maakten en er van een bestraffing geen sprake was. Het schijnt, dat in veel gevallen heftige hartkloppingen en ademnood kunnen worden opgewekt, door de voorstelling een hartkwaal te hebben en daaraan plotseling te sterven. De door deze voorstelling opgewekte doodsangst heeft dan het onbewust gewenste resultaat.

Enkele jaren geleden liet zich in ons land een jonge Duitser zien, die ten aanschouwe van het publiek allerlei wonderlijke verschijnselen vertoonde. Hij kon zweetdruppels op ieder gewenst lichaamsdeel doen verschijnen en ook kippevel willekeurig doen ontstaan. Ook kon hij een
111
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

rood kruis op zijn borst laten komen en volgens zijn bewering zelfs naar willekeur zijn huid laten bloeden. Volgens zijn verklaring volbracht hij zijn kunststukken, waarmee hij de bekende Therèse Neumann wilde imiteren, door zich òf het gewenste resultaat zeer intensief voor te stellen òf door heel sterk een voorstelling in zich vast te houden, die als natuurlijke reactie dit resultaat tot gevolg had. Zweetdruppels door de voorstelling warmte, kippevel door de voorstelling koude. Over het algemeen lenen zich die veranderingen het best voor de orgaanspraak, welke zeer intensief beleefd en dus ook duidelijk in de voorstelling opgeroepen kunnen worden. Algemeen bekend is, hoe sterk bijv. “blozen” als een lichamelijk gevoel wordt waargenomen en hoe gemakkelijk het door de vrees, d.i. de voorstelling, te zullen blozen wordt opgeroepen. De schijnbaar in de war gestuurde, maar in werkelijkheid toch doelmatige, orgaanfunctie maakt een bepaald effect naar buiten. Door braken, hoofdpijn of astma wordt de persoon in kwestie van een of andere taak ontheven of geniet een bijzondere voorrang bij zijn medeburgers. De functiestoring heeft echter ook een uitwerking naar binnen, doordat zij opkomende minderwaardigheidsgevoelens doet verkeren in lichamelijke sensaties en zo de aandacht en het bewustzijn van het eigenlijke conflict afleidt. - Een lijder aan een hartneurose, kreeg een aanval toen hij zijn meisje afhaalde en zij hem liet wachten. De onbewuste neurotische angst om in dienst van de vrouw te geraken, welke gedachte onverdragelijk zou geweest zijn, werd aldus omgezet in een aanval van hartkloppingen, in een hart-angst. De bedoeling was voor de ingewijde duidelijk: zij mocht hem nooit meer laten wachten. Het spreekt vanzelf, dat de organen door de beoefening van een dergelijk dialect een training ondergaan en tenslotte in een voortdurenden alarmtoestand kunnen geraken. Men zou daarom kunnen vermoeden, dat er hierdoor zulk een sterke gewoontevorming ontstond, dat een onverbrekelijk oorzakelijk verband tussen prikkel en verschijnsel gelegd was. De ervaring leert. dat dit niet het geval is. Ook de best getrainde hond zal op het kloksignaal geen speekselvloed vertonen wanneer hij geheel verzadigd is en evenmin wanneer hij met een andere hond aan het vechten is. En zo zal ook het orgaan, dat bij een onjuiste doelstelling ziekelijk reageerde, zodra het doel veranderd is, gezond gaan functionneren. Een dame, die in de trein altijd ziek werd en daarom altijd met de auto moest reizen, vertrok zonder aarzeling, en zonder slechte gevolgen voor haar gezondheid, plotseling per trein naar Wenen op het bericht, dat haar dochter zich daar met een onbekende had verloofd. - Dat hysterische verlammingen, die jaren lang bestaan hebben, plotseling genezen wanneer er in het huis van de lijder een flinke brand uitbreekt, is bekend. - De dame, die altijd alle stof moest
112
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

mijden, omdat zij anders een astma-aanval kreeg, haalde, nadat haar de samenhang duidelijk was geworden, zonder er bij te denken en zonder bezwaar, haar kachel uit. Vroeger zou zij dit niet gedurfd hebben. Alle functies van het organisme beogen, onafhankelijk van training of gewoonte, steeds de aanpassing van het individu aan de werkelijkheid. Wordt een nieuwe vorm van aanpassing gekozen, dan zal de orgaanfunctie zich op dit nieuwe doel richten en zich in deze nieuwe richting gaan trainen. Dit belet natuurlijk niet, dat een eenmaal verkregen gewoonte of virtuositeit op een bepaald gebied steeds een verlokking betekent om op dit gebied de van ouds gekende lauweren weer te oogsten. Gewoonte en oefening scheppen een toestand van “geringste weerstand,” die men maar al te licht geneigd is te benutten en wel des te gemakkelijker hoe meer inspanning en training voor de nieuwe doelstelling vereist worden. Het is niet altijd gemakkelijk om functiestoringen, die als een biologische compensatie van echte ziekten van de organen zijn op te vatten, te onderscheiden van die storingen, die aan een verkeerde persoonlijke doelstelling zijn toe te schrijven. Het spreekt dus vanzelf, dat er in alle gevallen van orgaanneurosen steeds een lichamelijk onderzoek dient vooraf te gaan. Wij denken aan het woord van wijlen prof. Heilbronner: “Wann denken wir an Hysterie? - Immer zuletzt.” Een groot deel van de klachten, die de geneesheer - zowel de huisarts als de orgaanspecialist - te behandelen krijgt, behoort tot de groep van de functionele storingen. dus van het orgaandialect. Hoewel het nu van de gewone geneesheer niet mag gevraagd worden, al deze klachten langs psychische weg te behandelen - de meerderheid van de patienten zou hem dan al spoedig de rug toekeeren - zo is het toch verheugend te constateren, dat de inzichten over het psychisch ontstaan en de mogelijkheid van de psychische genezing van deze klachten, dank zij de vorderingen en de toenemende verbreiding van de psychotherapeutische wetenschap, meer en meer gemeengoed van de tegenwoordige artsengeneratie begint te worden.

113
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK IX DE VORMGEVENDE KRACHTEN VAN HET ZIELELEVEN Terwijl in de voorafgaande hoofdstukken de grondbeginselen van de Individualpsychologie eerst overzichtelijk geordend en daarna achtereenvolgens afzonderlijk besproken werden, zullen wij hier een indruk proberen te geven van de ethische strekking, die deze zielkunde, in tegenstelling met de psychoanalyse, bevat. Zij heeft die strekking haar’s ondanks, als dwingend uitvloeisel van haar methode, waarin het onderzoek naar de zin van de verschijnselen een voorname plaats inneemt. De Individualpsychologie beschouwt deze zin, in tegenstelling met de godsdienst, niet als een de mens van buitenaf, door een metafysische instantie opgelegd voorschrift of bevel, maar als een logische consequentie van zijn lichamelijke en geestelijke structuur. Adler is er van overtuigd, dat evengoed als de zin van een hamer door zijn bouw, zijn vorm, bepaald wordt, ook de zin van ‘s mensen bestaan uit de bouw en de functiemogelijkheden van zijn organisme, dus uit de zin van de hem gegeven middelen, voortvloeit. Door alle eeuwen heen heeft men naar die zin gezocht en ieder mens moet deze moeizame taak weer voor zichzelf van meet af aan verrichten. Niemand kan deze arbeid, het zoeken van zijn mensenwaarde, van hem overnemen, maar wel kan hij geleid en op weg geholpen worden door het werk van zijn voorgangers. Want ook de vorige geslachten hebben zich op allerlei wijzen en langs allerlei wegen, doch vooral door middel van de verschillende godsdiensten, een voorstelling van de zin des levens trachten te vormen. Adler doet het op zijn manier, volgens de methode van de wetenschap en meent anderen een leidsman te kunnen zijn. Hij heeft zijn leven in dienst van deze taak gesteld en allen die hem kennen, weten dat geen moeite of opoffering hem daarbij te groot is. Men kan de psychotherapie een technische wetenschap noemen, die haar wetenschappelijke, theoretische grondslag aan de medische psychologie ontleent. Deze laatste heeft tot taak om de wetten te vinden, die het ziek- en gezondzijn beheersen, de psychotherapie om de resultaten van deze psychologie aan te wenden om de genezing te bevorderen. Daarbij zal de psychotherapeut, evenals elk ander wetenschappelijk onderzoeker, deze wetten en regels als mensenwerk beschouwen, als ezelsbruggetjes, die bedacht zijn om overzichtelijkheid en schijnbare orde in de chaos van de verschijnselen te brengen en ons in staat te stellen de loop van deze verschijnselen te voorspellen en te beïnvloeden. Prof. Ornstein: “Wij bouwen de beelden in onze geest juist zo, dat de voor het denken noodzakelijke gevolgen van de beelden
114
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

overeenstemmen met onze waarnemingen van de natuur”. De betrekkelijkheid van de aldus gevonden waarheden volgt direct uit de onvolkomenheid van ons waarnemings- en begripsvermogen. Met enige overdrijving zouden wij daarom kunnen zeggen, dat de wetenschap de twijfel aan de juistheid van haar eigen opvattingen tot beginsel heeft. Uit dit alles volgt, dat de arts als wetenschapsmens de plicht heeft om zonder vooroordeel tegenover eigen inzichten te staan en dat hij het recht mist om de ander zijn waardering of wetenschappelijk inzicht op te leggen. Zelf als volkomen verantwoordelijk mens handelend, moet hij ook de ander zijn vrijheid en daardoor de volle verantwoordelijkheid laten. Geen wonder, dat de hulpzoekende zich daardoor bitter teleurgesteld kan voelen, want hij kwam juist tot de arts omdat hij de eigen verantwoordelijkheid niet langer dragen kon. En nu wordt hem geen zekerheid, maar de onzekerheid van de wetenschap geboden en inplaats van steun te ontvangen, wordt hem dikwijls nog de steun ontnomen, die hij meende te hebben.
Toen iemand, die met blijkbare ingenomenheid vertelde dat hij “kleuren hoorde” of “geluiden kleurde” (het ene geluid noemt hij dan “geel” een ander bijv. “rose’), te horen kreeg, dat het waarschijnlijk binnen ieders bereik ligt om dergelijke verbindingen te vormen en aan te kweken, maar dat het een training aan de onnutte kant van het leven was, toonde hij zich diep gegriefd, want er dreigde hem een steun voor zijn gevoel van eigenwaarde ontnomen te worden. - Heel duidelijk drukte zich iemand anders uit: “Indien ik zou aanvaarden wat uw theorie leert, zou ik mij weerloos voelen.”

Indien de toepassing van de wetenschappelijk-zielkundige methode dus enig nut mocht hebben, kan haar genezende werking niet in zichzelf gelegen zijn, maar moet de ommekeer afhankelijk zijn van iets, dat in de lijder zelf werkzaam is en door de arts alleen vrij gemaakt, maar niet bestuurd of beheerst kan worden. Ook bij lichamelijke ziekten kan trouwens de geneesheer alleen belemmeringen opheffen of gunstiger voorwaarden scheppen, en moet hij in laatste instantie de genezing aan het vermogen tot synthese van het organisme zelf overlaten. Evenzo is ook de psychotherapeut aangewezen op iets, dat het leven bestuurt en een richting geeft, op een genezend, vormgevend principe, dat streeft naar een ideale eindtoestand, de geestelijke gezondheid. Al kan nu de wetenschap dit richtende beginsel niet met autoritaire zekerheid decreteren, zij kan het toch tot een voorwerp van onderzoek maken en trachten het uit te vorsen en te definiëren. De psychotherapeut heeft daartoe niet alleen de gelegenheid, maar hij voelt zich daartoe zelfs herhaaldelijk tijdens de loop van een behandeling gedwongen. Want al moge deze genezende werking zich dikwijls tijdens een behandeling geheel vanzelfsprekend en ongemerkt ontvouwen, in tal van andere gevallen komt vroeg of laat het tijdstip, waarop de vraag
115
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

naar dit richtend beginsel in het middelpunt van de belangstelling komt te staan. Dan is er tevens een toestand ingetreden, waarin de raadzoekende zich niet meer tot de arts wendt, waarin hij geen steun meer bij hem zoekt of tegen hem strijdt, maar waarin de gemeenschappelijke arbeid op het “zakelijke” gericht is.
Een dame van ongeveer vijftig jaar moet wegens haar “zwakke gezondheid” alle opwinding en vermoeienis vermijden. Alle onaangename werkjes en plichten moeten de anderen daarom opknappen en zelf moet zij steeds aan de zonkant wandelen. Door dit arrangement slaagt onze patiënte er niet alleen in, om zich tegen de heerszucht van haar zeer roerige zuster te beschermen, maar tevens om op haar beurt over die zuster te heersen. In den beginne is zij van de waarde van deze theorie helemaal niet overtuigd, want haar levensopvatting schrijft haar nu eenmaal voor om de rust en de be- schutting te zoeken, zodat zij zich een andere houding eenvoudig niet kan indenken. In de verdere loop van de gesprekken, aan de hand van haar dromen en gezegden, wordt dit levenspIan echter hoe langer hoe duidelijker zichtbaar, tot zij al haar egoïsme en waardeloosheid wel erkennen moet. Daarna voelde zij zich plotseling veel beter en bespeurde dat er iets in haar was veranderd. Omdat het haar echter een raadsel was, wat er met haar had plaatsgegrepen, kwam zij tot de conclusie, dat de arts haar ongemerkt gehypnotiseerd had. Het lukte echter om haar duidelijk te maken, dat zij zich “willoos” had gevoeld omdat zij een ogenblik alle schijn had laten varen en de waarheid in het gezicht had gezien, de waarheid omtrent zichzelf “beleefd” had.

Wij nemen hier dus aan, dat de ontmaskering van de leugen de genezende tendens heeft vrij gemaakt. Nu blijft echter nog de vraag in welke richting deze tendens heeft gewerkt. In dit verband komt de herinnering bij mij op aan een dame, die op de vraag hoe het haar ging antwoordde: “Hoe kan ik mij goed voelen als het altijd zo schreeuwt van binnen”. - Zij formuleert dit antwoord dus zó alsof zij zelf niet verantwoordelijk voor dit schreeuwen is. Wanneer wij haar echter laten zien, dat men ook een andere formulering kan gebruiken, dat in werkelijkheid niet het schreeuwt, maar dat zij het zèlf doet - wij stellen immers een kind van ½ jr. nog niet, maar een van 5 jr. wel verantwoordelijk, wanneer het schreeuwt uit opstandigheid - gaf zij toe: ja, ik ben wel verantwoordelijk. Een jong meisje, dat na enkele uiteenzettingen de juistheid van alles erkende, maar er aan toevoegde, dat uit deze erkenning voor haar geen verplichting voortvloeide om zich te veranderen en dat niemand haar daartoe kon dwingen, kon op het gezegde ”wij moeten de waarheid liefhebben” toch niet anders dan toestemmend antwoorden. M.i. zijn wij, bij deze kritieke punten tijdens een paar behandelingen (men moet zich deze fragmentjes natuurlijk in het raam van een sterk bewogen gesprek voorstellen, waarvan zij de doorleefde hoogtepunten zijn) het richtend, vormgevend beginsel nabij gekomen, waarop de psychotherapie zich moet verlaten. Ieder mens voelt er zich ten slotte verantwoordelijk voor om de waarheid te dienen, wat betekent dat hij zich gedrongen voelt om waar te zijn,dat wil zeggen juist te handelen,

116
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Dat de psychotherapie van deze eigenschap gebruik maakt, geeft haar een voorsprong op de moraliserende en sommige religieuse methoden van zielszorg. Wanneer men iemand aan het verstand heeft gebracht, dat hij “slecht” handelt, kan hij zijn schuld door “berouw” compenseren en rustig verder zoudigen. Is het hem echter duidelijk, dat hij “onjuist” heeft gehandeld of dat bij het anders moet aanleggen om een beter resultaat voor hemzelf te verkrijgen, dan valt het hem veel moeilijker om in zijn oude gedrag te volharden.

Nu wij zo ver gekomen zijn, moeten wij tegenwoordig de volgende vraag beantwoorden, wat men onder “juist handelen” heeft te verstaan. Het antwoord moet dan luiden: “juist” handelen is “zinvol” handelen. Hoe groot de drang naar het “zinvolle” is, heeft vooral ook Maria Montessori begrepen, want zij heeft deze drang als de bewegende kracht bij het onderwijs gebruikt. Reeksen cylinders van verschillende grootte moeten in de bij hen passende holten (gaten), gestoken worden, - d.w.z. dat de zin die zij hebben moet gevonden worden. Knopen moeten in knoopsgaten gewurmd worden - dat betekent, dat zinvol handelen geleerd wordt. En dit alles doen de kinderen met hartstocht en liefde, zonder beloning of aansporing, geheel uit een innerlijke behoefte. Juist handelen betekent dus volgens de zin, die ons in de dingen (en dus ook in ons zelf) gegeven is, te handelen. Daarvoor is nodig, dat wij die zin trachten te weten te komen en bovendien dat we hem aanvaarden. Uit de hier gevolgde redenering kunnen wij reeds vermoeden, dat wanneer wij de vormgevende krachten van het karakter willen opsporen, wij minstens twee principes zullen moeten vinden. De drang naar waarheid, de erkenning, het principe, waarop de “genezing” zou berusten en een ander, dat dan wellicht hiervan de tegenstelling zou blijken te zijn, dus de drang naar de onwaarheid, de ontkenning. In het volgende gedeelte van dit hoofdstuk zal uiteengezet worden, hoe men zich dit alles aan de hand van de Individualpsychologie kan voorstellen, m.a.w. hoe wij ons de karaktervorming als een resultaat van deze beide tendensen kunnen denken. Volgens de Individualpsychologie zou men het karakter de vorm van de ziel kunnen noemen, want het is de vorm waarin de psychische processen zich afspelen. Onder “karakter” verstaan wij dan het tot een eenheid versmolten samenstel van regels, ook wel “spelregels” genoemd, die het gedrag van de mens tegenover de buitenwereld beheersen. Hoe deze regels tot stand komen is een probleem, waarmee de psychologie zich voor het einde van de 19de eeuw nog niet had bezig gehouden. Men had zich vooral op het beschrijven en rubriceren van de verschijnselen toegelegd. Het dynamische, bewegelijke, element is pas door Freud in de psychologie gebracht. Hij stelde zich dit echter nog als een mechanistisch gedachte-energie voor, een voorstelling,die later door Jung nog verder werd uitgewerkt. Op deze psychische energie waren
117
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

dezelfde wetten als in de natuurkunde van toepassing en zo kwamen begrippen als behoud van arbeidsvermogen, stuwing, statische en dynamische energie in gebruik, terwijl als energiebron de driften werden aangenomen. Het gevolg van dit alles was, dat het gehele systeem van de psychoanalyse zó geconstrueerd moest worden, dat deze mechanistische beeldspraak toepasselijk bleef. Alfred Adler heeft de medische psychologie van deze, aan de natuurwetenschappen ontleende, methodiek bevrijd. Terwijl Freud van de vooropstelling uitging als zou het individu met een bepaalde, hem door de driften gewezen, bewegingsrichting geboren zijn, meent Adler, dat elke psychische beweging een doel tot uitdrukking brengt, dat op de realiteit betrekking heeft. Bij Freud is aanvankelijk het doel van de psychische beweging in de bevrediging van de driften gelegen, zoals men als het doel van een gespannen veer de ontspanning zou kunnen beschouwen. Bij Adler is het streven van de psychische beweging geheel op de aanpassing van het individu aan de buitenwereld gericht en dient dus de veer om een machine of een uurwerk in beweging te brengen, dus om een zinvol resultaat te bereiken. Zo wordt, wat bij Freud zinloze actie schijnt, bij Adler tot een zinvolle reactie, tot een logisch antwoord aan de realiteit. Men kan zich de door de Individualpsychologie hierbij als werkzaam, veronderstelde tendensen als uitgaande van twee gevoelens denken. Het eerste is het “Ik-gevoel”, dat is het besef een afzonderlijk wezen, een aparte eenheid te zijn, die zich van al het andere moet scheiden en onderscheiden, om in stand te kunnen blijven. Het tweede is het “gemeenschapsgevoel”, dat is het besef een deel te zijn van een groter of van het grote geheel, tegelijk afhankelijk van en verantwoordelijk voor dat geheel. Want het deel kan slechts bestaan dank zij dat geheel, terwijl het door zijn bestaan dit geheel verandert en omschept. De invloed, die uitgaat van het Ik is de behoudende, beperkende en scheidende, die welke uitgaat van de gemeenschap is de strevende, wijzigende en verbindende factor. Zodoende zijn twee fundamenteele gevoelens in een tegenstrevend samenspel de beweegkracht voor de psychische vormgeving, want de tegenstrijdigheid en de spanning, die tussen de beide polen bestaat is de beweegkracht van het leven. Tussen het bestaan van het organisme en de overige werkelijkheid heerst voortdurend een tegenstelling, welke het individu steeds genoodzaakt is op te heffen, op straffe van de ondergang. - Het Duitsche woord voor “ding” is dan ook “Gegenstand”, dat is letterlijk vertaald dus “tegenstand” . Deze tegenstelling vindt haar oorzaak in de lichamelijke ongeschiktheid van de mens, waardoor hij zich van meet af in een toestand van onzekerheid bevindt. Hij moet tegen dit gevoel van onzekerheid voortdurend de strijd aanbinden, daarom allerlei
118
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

ingewikkelde voorzorgen nemen en daarbij is hij op samenwerking met en op de hulp van andere aangewezen. En zo is het begrijpelijk, dat het is: „so alsob alles Emplinden der persönlichen Lage Anlasz zu einer leichteren oder schwereren Empfindung van de Unruhe und Unsicherheit wäre.” (Adler). Pascal geeft in zijn “Pensées” een dergelijke uitspraak. “Condition de I’homme: inconstance, ennui, inquiétude”- “Rien n’est si insupportable á l’homme, que d’étre dans un plein repos …Il sent alors son néant, son insuffisance, sa dépendance. Incontinent il sortira du fond de son âme l’ennui, la tristesse, Ie dépit, Ie désespoir.” Het individu is door al deze gevoelens van insufficientie wel genoodzaakt een manier te vinden om de tegenstelling, die tussen hemzelf en de realiteit bestaat, op te heffen. Hij kan daar toe twee verschillende wegen bewandelen. In de eerste plaats kan hij de tegenstelling als onoverbrugbaar beschouwen en daarom tot zijn bescherming de afstand tot de werkelijkheid groter maken. Zijn gevoel van isolement zal dan echter tegelijkertijd groter worden.
Een kind, dat met een gevoelig gehoororgaan is geboren en daardoor voor geluiden gemakkelijk zal schrikken, kan door schreeuwen en angst de volwassenen er toe bewegen om hem voor sterke geluidsprikkels te behoeden. Misschien zal hij dientengevolge schrikachtig en angstig blijven en gedurende zijn gehele leven een afstand tot geluiden in stand houden. Het heeft in zijn minderwaardigheid een machtsmiddel ontdekt. Door het gemeenschapsgevoel van zijn medemensen te misbruiken weet hij ze in zijn dienst te stellen. Zijn minderwaardigheid voor geluiden wordt door dit alles echter niet werkelijk gecompenseerd, maar wordt door de aldus beoefende training steeds groter.

Een tegenstelling, welke door het individu steeds sterk gevoeld wordt, is die met zijn medemensen. Ook zij doen zich als een “tegenstand” aan hem voor. Het begint al in de wieg, zodra het kind niet meer gevoed wordt als het hem belieft. maar wanneer het de moeder past. En later wordt het nog erger, als broertjes, zusjes of kameraadjes hem zijn speelgoed ontnemen of op andere wijze in de weg treden. Ook hier kan door vijandschap, agressiviteit en machtsbegeerte de afstand worden vergroot. Maar ook nu wordt de nood, die het Ik-gevoel geeft, niet gelenigd, maar het gevoel van isolement en onzekerheid groter. Want de mens kan het alleenzijn niet verdragen. “Das Alleinesein ist van de fürchterlichste Gedanke van de Schöpfung und eine Angst, die nie recht aus uns will”. Jean Paul. Tegenover deze angst staat nu een ander gevoel, waardoor een geheel andere richting aan de psychische beweging wordt gegeven, zodat handelingen het gevolg zijn, die de bestaande tegenstellingen overbruggen en het individu met het betreffende deel van de werkelijkheid tot een eenheid verbinden.
119
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Misschien kunnen wij ons dit niet beter voorstellen, dan door te denken aan wat er gebeurt wanneer men leert fietsen. Het schijnt eerst een absurditeit om te geloven, dat men zich op twee draaiende wielen niet alleen in evenwicht zou kunnen houden, maar zich zelfs overal heen zou kunnen gaan. Maar toch komt er tussen wielrijder en fiets tenslotte een eenheid tot stand, zo hecht, dat het middel zich niet meer als een “Gegenstand” aan de fietser voordoet, maar tot een deel van zijn Ik is geworden. Dit is natuurlijk de rechte compensatie van het oorspronkelijk minderwaardigheidsgevoel ten opzichte van het fietsen.

Wij zien dat het Ik-gevoel ontstaat, door het ondervinden van de aanraking, de botsing, tussen het Ik en de buitenwereld en dat de laatste zich daarbij over ‘t algemeen eerst als iets weerstrevends en vijandelijks voordoet. De door het Ik-gevoel ingeleide actie is eigenlijk altijd een tegenbeweging, een reactie, en de kans moet daardoor groot zijn, dat de vorm, die het karakter als resultaat van deze gedragswijze aanneemt, vooral ten doel zal hebben de eigen persoonlijkheid te beschermen, de eigen wil te doen zegevieren. Maar zodoende zal het individu zijn omgeving steeds als vijandig en zichzelf steeds in gevaar moeten blijven beschouwen en zal hij zijn gevoel van alleen-zijn niet verliezen. Dit zal hem geen rust laten, zodat hij voortdurend aangemaand wordt zich te “bekeren”.
Wij kunnen ons een kind voorstellen, dat door koppig verzet een overwinning op zijn ouders heeft bevochten. Aanvankelijk zal het dan wel een triomfgevoel genieten, maar al spoedig daarop zal het de eenzaamheid niet langer verdragen en zich eerst schuchter, dan moediger, weer tegen de moeder aanvleien. Het komt zo tot het besef, dat niet de activiteit tegen de andere, maar voor en met de andere de bevrediging en rust geeft die ons als een paradijsideaal voor ogen zweven. Pascal: Ainsi, par un étrange renversement de la nature de l’homme, il se trouve que l’ennui, qui est son mal Ie plus sensible, est en quelque sorte son plus grand bien, parce qu’il peut contribuer plus que toutes choses á lui flaire chercher sa véritable guérison. AdIer: “ Wahrscheinlich ist es die Schwäche und Minderwertigkeit des Mensen, sein wissen um de Tod und um drohende Gefahren, die als unumgängliche Ergänzung und Erlösung das Gemeinschaltsgefühl erzeugen.”

Maar dit gunstige resultaat zal in de regel niet over de gehele lijn optreden en zo behouden wij allen bepaalde kanten van ons karakter, waarmee wij in tegenstelling met de werkelijkheid blijven verkeeren, omdat de “verzoening” is uitgebleven. Met het aldus gefixeerde minderwaardigheidsgevoel gaan noodzakelijkerwijze de opstandigheid en de openlijke of verborgen agressiviteit gepaard, die bij de “normalen” nauwelijks meer in het oog vallen, maar bij de zenuwzieke mens de overhand krijgen. Welke oorzaken bepalen nu of het opgroeiende kind meer het gemeenschapsgevoel dan wel het Ik-gevoel tot ontplooiing zal brengen? Natuurlijk kan de wetenschap op deze vraag geen geheel zeker antwoord geven. Wel kunnen wij een tweetal factoren nader beschouwen, die daarbij klaarblijkelijk een grote rol spelen en voorlopig moeten wij in het midden laten, of deze factoren nu alles omvatten, of
120
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

dat er nog andere, tegenwoordig nog onbekende factoren in het spel zijn. De eerste van deze beide werkzame factoren is het milieu dat op de mens inwerkt en vooral de personen waartussen het kind opgroeit. In het zo-even genoemde voorbeeld van het koppige kind zou de moeder de “bekering” kunnen tegenhouden of weer ongedaan maken, wanneer zij, op het ogenblik dat het kind zich weer bij haar wilde voegen, een boetepredicatie ging houden, over het gebeurde bleef nazeuren of zich gekwetst bleef tonen. Het is dus van grote betekenis, of de moeder zelf de gemeenschap met haar kind als iets vanzelfsprekends beschouwt of dat zij er allerlei voorwaarden aan verbindt en beletsels er aan in de weg legt.
Het is wonderlijk hoe sommige ouders hardnekkig kunnen weigeren om aan iets goeds in hun kind te gelooven. Zij oordelen zonder enige moeite te willen doen om te begrijpen. Men zou van de moeder in de volgende anekdote niet mogen hopen, dat zij spoedig tot een beter inzicht over haar telg te bewegen zou zijn: Moeder - tot de buurvrouw over haar ondeugend zoontje: “Ik zal blij zijn als hij oud genoeg is om naar een verbeteringsgesticht gestuurd te worden.” - De psychotherapeut wordt niet zelden met geringschatting en minachting bejegend, wanneer hij dergelijke rotsvaste overtuigingen bij opvoeders aan het wankelen probeert te brengen. “Zij moet eerst op de knieën,” meende een opvoeder en een ander zei: “Haar vrijheid zal steeds geknot moeten worden.” - De pedagogiek vergeet altijd één ding, de stille kracht, de wonderbare invloed van de persoonlijkheid. Ze werkt met “maatregelen” en geeft antwoord op de vraag: “Wat moet ik doen” en ze moet antwoorden op de vraag: “Hoe moet ik zijn.” (Jan Ligthart.)

De tweede factor is gelegen in de aanleg, d.i. in het samenstel van middelen, dat het kind mee ter wereld brengt (wij kunnen hierbij ook de veranderingen in rekening brengen, die door ziekten in deze middelen teweeg zijn gebracht). Van deze middelen moet het individu gebruik maken om zijn wezen tot uitdrukking te brengen, zich te manifesteren, met de buitenwereld in gemeenschap te treden. Nemen wij weer als voorbeeld het kind, dat met een overgevoelig gehoororgaan ter wereld is gekomen. Voor hem zullen geluiden een geheel andere, een veel groter betekenis hebben dan voor andere kinderen. Het kan deze bijzondere eigenschap in verschillende richting gebruiken. Zoals al gezegd werd, kan het uit zijn zwakheid onmiddellijk een kracht maken en door zijn overgevoeligheid aan zijn omgeving de wet stellen, maar het kan ook, doordat een groter deel van zijn aandacht door geluiden in beslag wordt genomen, van deze grotere gevoeligheid een middel maken om door onbewuste training zijn gehoororgaan tot een verfijnde ontwikkeling te brengen en tot een bijzonder muzikaal mens op te groeien. Dat ter bereiking van dit resultaat, deze aanleg niet uit zichzelf, als zinloze factor, werkzaam is, maar pas door de zin, die het kind er aan geeft, werkzaam wordt, spreekt vanzelf. In werkelijkheid werken dan ook
121
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

tal van factoren uit het milieu met deze aanleg samen en reageert bovendien niet de speciale aanleg, maar het gehele kind, als totaliteit. Uit deze mogelijkheid tot verschillend gebruik van elke aanleg, uit het feit dat iedere oorspronkelijk gegeven eigenschap zich zowel voor de versterking van het lk-gevoel als van het gemeenschapsgevoel laat gebruiken, volgt, dat het voor een kind er niet in de eerste plaats op aankomt welke aanleg het mee heeft gekregen, maar veel meer wat hij met deze aanleg doet en wat hij er van maakt. Dit geldt te meer, omdat wij in het psychische orgaan, in het nerveuse apparaat, een plasticiteit aantreffen, die zonder weerga is. Wat door een training van jongs af bereikt kan worden - wij zien het dagelijks in onze omgeving - grenst aan het ongelooflijke. “Genie ist vielleicht nur Fleisz” heeft Goethe gezegd. Niet de vlijt van de brave scholier, maar de stille vlijt van de aandacht, de opmerkzaamheid, de weetgierigheid en de eerzucht. “Sich anpassen ist aufpassen.” (Krausz). In het voorafgaande hebben wij uiteengezet, hoe uit de individuele eigenschappen en de uitwendige levensomstandigheden een samenstel van factoren gevormd wordt, dat het Ik de werkelijkheid op een bepaalde wijze als tegenstand doet gevoelen en bepaalde minderwaardigheidsgevoelens bijbrengt. Het Ik is nu genoodzaakt om deze gevoelens, die telkens opnieuw worden verwekt, te compenseren en kan daartoe twee verschillende wegen kiezen. Langs de eerste weg streeft het naar een beveiliging, wat op een directe verhoging, op een streven naar macht en op een verhoogde agressie neerkomt. Deze weg voert tot een ontkenning van het andere, van de realiteit, dus tot de leugen. De tweede weg betekent het prijsgeven van het Ik door de overbrugging van de tegenstellingen, betekent aanvaarding van de werkelijkheid en gaat gepaard met het gemeenschapsgevoel. Deze weg leidt dus naar de erkenning van de realiteit, dus tot de waarheid. En het is alsof de mens zich voor deze keuze waarvoor hij telkens weer geplaatst wordt, verantwoordelijk voelt, alsof een geweten (of het gezond verstand) hem naar de ene kant zijn lafhartigheid - en gebrek aan zelfvertrouwen hem naar de andere kant trachten te drijven. Een predikant liet zich eens aldus uit: “De mens heeft daardoor een vrije wil gekregen, dat God hem behalve de macht tot het goede, ook die tot het kwade gegeven heeft”, en een jong meisje zei eens: “Wat is dat toch, dat minderwaardigheidsgevoel? Ik geloof dat het de duivel is.” Door zijn, hem van meetaf gegeven insufficientie ten opzichte van de buitenwereld en door het feit, dat het tussen onvolkomen mensen opgroeit, wordt elk kind er eerst toe gedwongen zijn Ik te beveiligen en zich dus te vereenzamen, maar tevens om vervolgens deze beveiliging, deze vorm, weer te doorbreken en het ik-gevoel te vervangen door het gemeenschapsgevoel. De resultaten van deze oneindig ingewikkelde
122
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

processen weerspiegelen zich in het karakter. Wat de negatieve zijden betreft (onmuzikaliteit, domheid, stugheid) is dit karakter ontstaan door een terugtrekkende beweging van de jonge kinderziel, gevolgd door een negatieve training; terwijl de positieve zijde (muzikaliteit, hulpvaardigheid, intelligentie) terug te voeren zijn op een toewendende beweging, gevolgd door een positieve training. Het ik-gevoel geeft aan de ziel haar grenzen, het gemeenschapsgevoel doorbreekt deze grenzen telkens. – Zo’n doorbraak is op ieder punt en op elk tijdstip mogelijk; daarom behoeft geen enkele karaktereigenschap ongewijzigd voort te bestaan en geschiedt elk beroep op jeugdomstandigheden of verzuimde gelegenheden ten onrechte. Want het is niet zozeer de vraag welke middelen men tot ontplooiing gebracht heeft, maar altijd wat men er mee doet, voor welk doel men ze aanwendt en in welke richting men ze verder ontwikkelt. Het komt er dus niet op aan welke vorm het karakter heeft, maar in welke richting men die vorm wijzigt. Bij de meeste mensen treedt met de jaren een rijping van het karakter in. Het oordeel wordt zachter en juister, de zelfverdediging en de agressiviteit treden op de achtergrond en het gemeenschapsgevoel wordt groter. Niet de “wil”, maar de “eigen wil” wordt kleiner, terwijl de productiviteit toeneemt. Men leert het nutteloze van de zelfverheffing beseffen en de plicht aanvaarden om een gemeenschappelijke zaak te dienen. Een groot gedeelte van de aldus ontstane taak is om de moeilijkheden, die de natuur en de eigen onvolkomen aard het mensdom in de weg leggen, te overwinnen, de tegenstelling tussen natuur en mens tot een synthese te brengen. Men arbeidt aan deze taak, ofschoon men weet, dat hij onafgedaan zal blijven, want de bipolariteit, die het leven in stand houdt, is door het leven niet te overwinnen. De mens moet zijn individualist en universalist tegelijkertijd, want al is het waar, dat het Ik-gevoel door een innerlijke wetmatigheid naar de gemeenschap drijft, even goed geldt het omgekeerde. Op het ogenblik, dat de volle gemeenschap bereikt dreigt te worden, zorgt de natuur weer voor de omslag in het tegendeel en wordt de gemeenschap weer door het Ik-gevoel doorbroken. Na een tijd van ingespannen arbeid, die de concentratie, de overgave, dus het gemeenschapsgevoel tot voorwaarde had, wenst men te rusten, voor zichzelf te leven, men neemt vakantie. Bij het zich verliezen in de aanschouwing van een kunstwerk of van de natuur komt de “ontroering”, het “geluksgevoel” en hergeeft ons aan onszelve. Of de angst drijft ons terug, de angst voor het absolute, voor de overschrijding van de eigen grenzen, voor de overgave, waardoor men willoos, machteloos wordt en allen steun en houvast verliest.
Bij de nerveuze mens komt deze angst dikwijls in valdromen tot uitIng, de angst om zich los te laten, terwijl de extase en de overgave in de droom door een opstijgende beweging worden weergegeven.

123
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Iets dat op deze angst gelijkt, is het ook, dat het voortschrijden van een intellectueel denkproces kan belemmeren. Dit gevoel van onzekerheid is bij personen, die zichzelf voor dom houden, gewoonlijk heel duidelijk merkbaar, wanneer men dingen met hen tracht te bespreken, die hun gewone gedachtewereld te buiten gaan. Zij worden dan onrustig, beginnen over vermoeidheid te klagen en vertonen soms duidelijke tekenen van angst. Zij kunnen dan ten slotte in ‘t geheel niet meer denken en stellen alle middelen in het werk om zich aan de kwelling te onttrekken. “Het denken” moge dan al onbegrensd zijn, “ons denken” is begrensd. George Duhamel beschrijft de labiliteit van ons gemeenschapsgevoel als volgt (La Pierre d’Horeb). Mon existence est aujourd’hui presque délivrée de soucis personnels. Je goûte un bonheur comparable au renoncement … Mais que je me trouve assaillie d’une donleur propre, méme minime, elle suffit á me distraire. Un misérable furoncle me rend á moi-méme.

Zo is elk mens aan zijn vorm, zijn grenzen gebonden. Hij zou ze willen doorbreken, maar de angst staat hem slechts toe zich voetje voor voetje los te maken. Deze onmacht en dit heimwee naar het absolute brengt Max Brod aldus onder woorden: “Wir halten es nicht aus wirklich zu lieben. Wir sind für die Liebe zu schwach.” “Trotz allem können wir nicht umhin zu wissen, dasz nur absolute Lösungen menschlich anständig sind. Resumerend kunnen wij zeggen, dat voor de Individualpsychologie de vormgevende psychische kracht als de synthese beschouwd kan worden van twee schijnbaar tegenstrijdige principes. Het eerste oefent een remmende, de ontwikkeling tegengaande en het geluk kerende invloed uit. Het andere, dat ontwikkelend werkt, voert tot een gevoel van harmonie en verbondenheid met het grote geheel. Zowel de uitsluitende heerschappij van het ene als van het andere principe is strijdig met het leven. De krankzinnige, die volkomen in zijn Ik leeft en alle gemeenschap met de werkelijkheid heeft afgesneden, leidt een bestaan, dat alleen kunstmatig, door verpleging gerekt kan worden. Het andere uiterste, de heilige, die zichzelf volkomen prijsgeeft is evenmin bestaanbaar, omdat hij de zelfverdediging niet kent en daarom door de niet-heiligen zou geplunderd en gedood worden. Ook het Ik-gevoel, het minderwaardigheidsgevoel, is dus een deel van de levenskracht en wel, zoals het in Goethe’s Faust heet, dat deel, “dasz stets das Böse will und stets das Gute schafft.
Ook aan Jezus, de volkomen mens, wordt in de Bijbel een minderwaardigheidsgevoel en eën compenserend streven naar macht toegekend. Nadat hij door Johannes gedoopt is en veertig dagen in de woestijn gevast heeft, wordt hij door de duivel (zijn Ik-gevoel) verzocht. Hij ziet dan in een oogwenk alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid en de duivel zei tot hem: “U zal ik deze gehele macht en de heerlijkheid van deze rijken geven; indien gij mij aanbidt zal dit alles het Uwe zijn.” - Alleen omdat ook voor Jezus de verleiding en daarom de keuze bestond, werd zijn lijden tot een daad en zijn dood een overwinning.

Evenmin als er een overwinning zonder strijd mogelijk is, evenmin kan er actie zonder tegenstand gedacht worden. Om het leven te doen zijn een beweging, een streven van de onvolkomen naar de volkomen vorm, moet de onvolkomenheid het begin zijn. “Der Anfang ist das
124
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Unvollendete, die Unsicherheit, die Minderwertigkeit, während das Streben nach Vollendung sich in jeder Ausdrucksform finden musz.” (Adler Internat. Zeitschrift für Ips. 1932. S 1242). De mens is daarom in zijn onvolkomenheid volkomen, want het is zijn minderwaardigheid, die zijn scheppende kracht tot ontplooiing brengt en hem drijft tot alles wat wij goed en schoon plegen te noemen. In een voordracht: “Der Sinn des Lebens” zegt Adler: “Was wir Individualpsychologen wollen, ist, auszerhalb der Moral, eine wissenschaftliche überzeugung vom Sinn des Lebens zu schaffen”. De Individualpsychologie vat het subjectieve levensprobleem van een andere zijde aan dan de Christelijke leer, maar komt tot ongeveer gelijke conclusies. Uitgaande van twee fundamenteele, biologisch noodzakelijke, schijnbaar tegenstrijdige gevoelens, die echter in werkelijkheid synthetisch samenwerken, komt zij door logische redenering, steunend op de ervaring bij zieken en gezonden, tot de slotsom, dat de zin van het leven het bindende, het religieuse, de liefde is.

125
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK X SEKSUALITEIT, HOMOSEKSUALITEIT EN INSTINCTEN In enkele, nu volgende hoofdstukken zullen enige toepassingen van de causaal-finale denkmethode op speciale gebieden worden besproken. In de eerste plaats het verschijnsel van de homoseksualiteit, dat wij hier niet zozeer, zoals de lezer verwachten zou, van de psychologische, maar van de biologische kant zullen bezien. Daarbij zal een kritiek op de instinctleer en de oudere psychiatrische opvattingen een belangrijke plaats innemen. Het schijnt namelijk wel nuttig om in dit boek, dat het goede recht van de Individualpsychologie wil aantonen, niet alle vraagstukken uitsluitend volgens de methode van deze speciale psychologie te behandelen, maar er ook eens de aandacht op te vestigen, dat in de biologische wetenschappen stromingen te vinden zijn, die parallel aan de meest moderne richting in de psychologie gaan en deze ondersteunen en bevestigen. Het verschijnsel van de homoseksualiteit is voor een dergelijke vergelijking van methoden bijzonder geschikt, omdat het, evenals de seksualiteit in het algemeen, reeds vroeger, nog vóór de psychologie, dank zij Freud en Adler de volle aandacht trok, de wetenschappelijke belangstelling op zich heeft gevestigd en dus het voorwerp van min of meer streng geformuleerde hypothesen is geworden. Deze oudere biologische hypothesen hebben in de loop van de jaren zo’n algemene verbreiding gevonden, zijn a.h.w. zo in onze geesten gehamerd, dat er eerst weer aan hun vanzelfsprekendheid twijfel moet gewekt worden. vóór de nieuwe denkbeelden naar waarde begrepen en geaccepteerd kunnen worden. In aanmerking nemend, dat geen enkel normaal gebouwd volwassen mens over zijn geslacht in twijfel kan verkeren, moet het ons eigenlijk verwonderen, dat het verschijnsel van de homoseksualiteit niettemin volgens de schatting van verschillende onderzoekers bij 2 á 5% van de West-Europeesche bevolking voorkomt. Niet alleen voor de lijder zelf, maar ook voor zijn verwanten is deze perversiteit meestal een bron van veel zorg en leed. Het leven van de homoseksueel is in vele opzichten onvruchtbaar, want, ook indien hij zich in de maatschappij weet te handhaven, is hem de normale gezinsvorming toch doorgaans onmogelijk en ontbeert hij dus de levensvervulling en het geluk die daaraan verbonden kunnen zijn, Tegenover deze nadelen staan, wat sommigen daartegen ook mogen beweren, geen werkelijke voordelen, want de homoseksuele praktijken en gevoelens zijn slechts een armzalig surrogaat, een karikatuur van het normale geslachts- en liefdeleven. Alles wijst er op, dat elk besef van
126
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

verantwoordelijkheid voor het welzijn van de partner in de abnormale bondgenootschappen ontbreekt, waardoor deze laatsten zich van de onderlinge verhouding, zoals die tussen de deelgenoten aan een werkelijke liefdesgemeenschap dient te bestaan, onderscheiden. Want wat zijn deze praktijken anders dan zinloze pogingen, die tot mislukking gedoemd zijn, niet alleen omdat zij in strijd zijn met de bouw en de functie van de geslachtsorganen, maar ook met de, uit deze bouw voortvloeiende, regels van de menselijke samenleving. De homoseksueel, die zijn goed recht verdedigt, gedraagt zich als iemand, die de juiste betrekking tussen slot en sleutel hardnekkig zou ontkennen. Toch trachten vele homoseksuele met voorbijgaan van het gezond verstand, hun afwijkende seksualiteit als een speling van de natuur, als een variante van de inwendige constitutie voor te stellen en in hun behoefte om uit een minus een plus te maken, geven zij hoog op van de schoonheid van hun liefdeleven. Oscar Wilde schrijft bijv. als volgt:
“Die Liebe, die ihren Namen in diesem Jahrhundert nicht zu nennen wagt, ist dieselbe grosze zuneigug eines ältern zu einem jüngeren Manne, die zwischen David und Jonathan bestand, die Plato zur tiefsten Grundlage seiner Philosofie gemacht hat, und die in Shakespeare’s und MicheI-Angelo’s Sonnetten wiederklingt. - eine innige geistige Zuneigung, die ebenso rein wie vollkommen ist, und die zu groszen Kunstwerken anregt, wie zu Shakespeare’s und Michel-Angelo’s Schöpfungen und zu diesen beiden Briefen von meiner Hand. (Uit Charl. Bühler. Van de menschliche Lebenslauf.)

In één opzicht hebben de verdedigers van de homoseksueel waarschijnlijk gelijk en wel daarin, dat zijn moeilijkheden tendele veroorzaakt of verergerd worden door de heersende zeden, die contraire seksuele gevoelens ten sterkste veroordeelt en de dragers van deze afwijking als melaatsen schuwt en veracht. Niet steeds en niet overal is het oordeel over de homoseksualiteit zo sterk afwijzend geweest. Bekend is, dat in het oude Griekenland de “knapenliefde” in hoge eer stond. Bij primitieve en bij Oosterse volken wordt het gelijkgeslachtelijke verkeer over het algemeen niet als een ernstige of onterende afwijking opgevat en volgens Alb. Moll (Psychopathia sexualis) zou de homoseksualiteit bij sommige volken zelfs een vast instituut of een religieuze zeden zijn. Zo zien wij dus dat ze zeer verschillend is beoordeeld. Nu eens werd ze veracht, soms geduld en in andere gevallen zelfs geëerd. Gemakkelijk is in te zien, dat naarmate de homoseksualiteit minder wordt veroordeeld, veel van haar scherpe kanten verloren gaan, want de dragers zullen dan minder gelegenheid hebben zichzelf als zieken, als martelaren of als een wrede speling van de natuur te beschouwen en daardoor zal de kans kleiner worden, dat de afwijking sterk in het karakter van het individu wordt gefixeerd.
127
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Uit al dergelijke gegevens kunnen wij het besluit trekken, dat de homoseksualiteit niet als een min of meer constante biologische variatie in een bepaalde bevolkingsgroep mag worden opgevat, zoals bijvoorbeeld met bloedgroepen, schedelindex of haarkleur het geval is, maar dat haar frequentie door uitwendige factoren sterk wordt beheerst. Bekend zijn bijvoorbeeld uit de middeleeuwen de kloosterhomoseksualiteit, die men geregeld in de boeteboeken vermeld vindt en de loopgravenhomoseksualiteit uit de wereldoorlog. Zelfs kan men zeggen, dat ook op dit gebied de mode haar invloed uitoefent, zodat contraire seksuele gevoelens na de oorlog in sommige kringen “gekleed” stonden, evengoed als het gebruik van cocaïne en morfine toen in de smaak viel. Vooral onder kunstenaars, speciaal onder toneelspelers zou de afwijking heel veel worden aangetroffen. Als maatschappelijk probleem speelt de manlijke homoseksualiteit verreweg de belangrijkste rol. Niet omdat het verschijnsel bij vrouwen zou gemist worden, maar omdat zeden en gewoonten de vrouwen veel meer tegemoet komen. De conventies laten hun een veel intiemere omgang en samenleving, een veel sterker erotisch getinte binding toe dan aan mannen. Dientengevolge geven abnormale seksuele gevoelens bij de vrouw minder aanleiding tot diepere zielsconflicten of maatschappelijke ontsporingen. Het kwaad heeft daardoor ook minder gelegenheid om diep te wortelen en daarom is de “Lesbische” vrouwover het algemeen meer “biseksueel” ingesteld dan haar manlijke lotgenoot. De geneeskundige wetenschap heeft zich nog niet zo heel lang met het verschijnsel beziggehouden. Als baanbrekende publicatie wordt die van Westfal beschouwd, die in 1870 een geval bij een jonge vrouw beschreef en daarbij tot de slotsom kwam, dat men deze afwijking als een aangeboren afwijking moest beschouwen (Moll). Sinds die is er veel over het vraagstuk geschreven, waarbij namen als Havelock-Ellis, KraftEbing, Albert Moll en Magnus Hirschfeld het meest op de voorgrond treden. Zij hebben, van ons tegenwoordig standpunt gezien, vooral verdienste door hun nauwkeurige beschrijving van een reusachtig klinisch materiaal, waardoor de symptomatologie van de anomalie goed bekend is geworden. Het wetenschappelijke heeft met het zedelijke oordeel gemeen, dat het zeer veranderlijk is geweest en steeds gewisseld heeft met de heersende algemene overtuigingen in de wetenschap. Daar is ten eerste de zuiver natuurwetenschappelijke beschouwingswijze, die ook de psychische functie streng aan morfologische kenmerken trachtte te binden. Men deed alle moeite om de seksuele inversie als een gevolg van, met het werkelijk geslacht strijdige, lichamelijke kenmerken te verklaren en hechtte daarom groot belang aan allerlei afwijkingen in
128
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

beharingstype, aan volle of magere lichaamsvormen, aan vorm en grootte van de uit- en inwendige geslachtsorganen enz. Hoe meer deze veronderstelling echter aan de ervaring werd getoetst, des te meer bleek ook de onmogelijkheid, om zo tot een aannemelijke verklaring te komen. Alle latere onderzoekers, waaronder ook Freud, leggen er dan ook de nadruk op, dat mensentypen met tal van contraire lichamelijke kenmerken geslachtelijk normaal kunnen zijn, terwijl geheel normaal gebouwde mannen en vrouwen een abnormale seksualiteit kunnen bezitten. Over het algemeen vertonen de meeste homoseksuele een normale lichamelijke habitus. (de Monchy). Toen men op deze wijze was vastgelopen ging er met de opkomst van de endocrinologie een juichkreet op. Men meende door de bestudering van de inwendige afscheiding de oplossing van het raadsel te mogen verwachten.
Men had namelijk ontdekt, dat verschillende organen, waarvan de functie voorheen nog onbekend was, stoffen naar het bloed afscheiden, welke een belangrijke invloed ook op het gedrag, dus op de psyche, van het individu uitoefenden. Het meest bekende voorbeeld hiervan is het afscheidlingsproduct van de schildklier. Het ontbreken of een tekort van dit product geeft typische psychische veranderingen. Een ander voorbeeld is de geslachtsklier. Verwijdert men bij een haan de zaadballen, dan verandert hij sterk in uiterlijk, maar ook zijn innerlijk verandert zich. Bij de mens constateerde men de invloed van de geslachtsklieren aan de verschillen, die eunuchen met normale mannen vertonen en aan de veranderingen, die (vroeger meer dan tegenwoordig) tijdens het climacterium van de vrouw optraden.

Men veronderstelde toen, omdat tijdens de embryonale ontwikkeling de differentiatie tussen manlijk en vrouwelijk individu pas allengs aan de dag treedt, dat deze differentiatie bij homoseksuelen niet in alle opzichten ver genoeg zou zijn voltrokken en dat daarbij ook, of vooral, de functie zou hebben geleden of de verkeerde kant zou zijn opgegaan. Dus ongeveer zo, dat de testikel van de man vrouwelijke producten zou afscheiden en de eierstokken van de geïnverteerde vrouw manlijke hormoonwerking zouden vertonen. Dit standpunt, dat ook door Freud wordt gedeeld, wordt door sommige experimenten, zoals van Steinach gesteund. Vooral de therapeutische resultaten, die aanvankelijk na de transplantatie bij homoseksuelen van testikels van normale afkomstig, gemeld werden, hebben aan deze opvatting een tijd lang een grote verbreiding gegeven. Later bleken de genezingen erg wisselvallig en van korte duur, terwijl bovendien de mening meer en meer veld won, dat ze op suggestie hadden berust. Ook de aan deze experimenten ten grondslag liggende theoretische vooropstellingen hebben geen stand kunnen houden. Zo werd er bijvoorbeeld van chirurgische zijde een nauwkeurig onderzoek ingesteld naar de microscopische bouw van bij homoseksuelen verwijderde testikels. Er werd geen enkel verschil met
129
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

normale organen gevonden. Verder ontdekte men, dat ook in de urine van de man z.g. vrouwelijke geslachtshormonen voorkwamen en dat deze in hoeveelheid bij homoseksuele en normale mannen niet verschillen. De zuiver morfologische en fysiologische theorieën konden daarom geen stand houden. In de eerste plaats werden ze niet door de feiten gesteund, terwijl ze bovendien in vele gevallen onmogelijk een juiste verklaring konden geven. - Freud vertelt bijvoorbeeld van een eeneiïge tweeling, waarvan de ene broer homo- en de andere heteroseksueel was. Maar toch wilde men de theorie van een uit een specifieke aanleg voortspruitenden oorsprong van de homoseksualiteit niet geheel laten varen. Men zocht een compromis, waarbij men, naast een bepaalde lichamelijke aanleg, het bestaan van een apart seksueel instinct, van een aparte “psycho-seksuele” aanleg aannam. Door deze veronderstelling werd de mogelijkheid geschapen, dat in een normaal lichaam een verkeerd instinct huisde. Daar nu, door al deze veranderingen in de theorie, de meeste onderzoekers het spoor wat bijster raakten en bovendien geen van de theorieën voor alle gevallen bleek te kunnen dienen, is er in de boeken meestal een ondoorzichtig mix van de diverse standpunten te vinden. Deze verwarde toestand werd nog gecompliceerder gemaakt, doordat er tenslotte door sommige schrijvers ook nog met milieu-omstandigheden werd gerekend. Over het algemeen wordt echter tegenwoordig nog door velen, zo niet de meesten, aan de psycho-seksuele aanleg als richtende factor voor de geslachtsfunctie de meesten invloed toegekend. Strohmayer 1927: “Die Sexualität eines Mensen ist sein Schicksal, ist einfach da, sofern es sich um ihre Triebrichtung handelt.” Bleuler 1923: “Wesentlicher Faktor der Homosexualität ist ,die angeborene Triebrichtung”. Mc. Dougall: “Er kan geen twijfel bestaan, dat het normale geslachtsinstinct zó is georganiseerd, dat het gevoelig is voor de lichamelijke kenmerken van het tegenovergestelde geslacht.” Als samenvatting van de tot nu toe meest gangbare veronderstellingen kan men zich een rij voorstellen. Aan het ene einde van die rij komt het normale instinct, dat voor een contraire beïnvloeding onvatbaar is, aan de andere kant het absoluut contraire instinct, dat niet in normale zin te beïnvloeden is. In de praktijk zou men dan steeds met tussenstadia, mengvormen te doen hebben, die al naar gelang zij dichter bij een van de polen staan, minder door milieufactoren te beïnvloeden zouden zijn. Dit komt dus ongeveer met het door Freud en Stekel verdedigde standpunt van de biseksualiteit van de menselijke geslachtsdrift overeen. Eigenlijk was men met deze redenering weer aangeland bij het in de middeleeuwen geldende dualisme van lichaam en geest. Evenals het
130
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

lichaam zijn aanleg had, welke het een bepaalde richting wees voor zijn ontwikkeling, zou ook de ziel door een aparte aanleg een bepaalde vorm moeten aannemen. Een vrouwenziel kon dus bij ongeluk haar intrek in een mannelijk omhulsel hebben genomen en omgekeerd. Recapitulerend bewegen zich dus de oudere theorieën tussen twee uitersten. òf zij beschouwden de richting van de geslachtsdrift als bloot gevolg van lichamelijke (morfologische of secretorische) eigenschappen, òf als een, evenmin verder verklaarbaar, gevolg van een psychische aanleg. Vooral deze laatste veronderstelling heeft waarschijnlijk tot nu toe een juister begrip in de weg gestaan. Ten eerste omdat ze op een “geloof” berust, dat de schijn wekt ontoegankelijk te zijn voor verder onderzoek, en dus ook voor tegenbewijs onvatbaar zou zijn, In de tweede plaats omdat dit dualisme, niettegenstaande alle materialisme, dat de wetenschap een tijdlang heeft beheerst, in ons denken en in onze taal is vastgelegd, zodat wij er, zonder dat wij het ons klaar bewust zijn, a.h.w. van doordrenkt zijn en het niet zonder innerlijke weerstand kunnen prijsgeven. Des te vaster wortelt deze gedachtengang in de psychologie, omdat zij in de biologie een ondersteuning heeft in het oude “instinct”-begrip. Dit begrip stamt nog uit een naief teleologisch, - Betz spreekt hier van theologisch -tijdperk, toen men er mee volstond de schepping om haar doelmatigheid te bewonderen en daarom als vanzelfsprekend aannam, dat allerlei gecompliceerde gedragswijzen aan kant en klaar in de aanleg gegeven mechanismen moesten worden toegeschreven. Zulk een opvatting ontbeert echter elke prikkel tot verder onderzoek en is daarom onvruchtbaar. Ook de aan deze denkwijze ontleende Instincts- en “Trieb”psychologieën hebben om deze reden iets dat onbevredigd laat en dit is voor moderne onderzoekers aanleiding geweest om deze begrippen te herzien en pogingen te doen om meer licht over deze dingen te doen schijnen. Het begrip Jnstinct” vindt men bij Alverdes (Tiersoziologie 1925) aldus gedefinieerd: “Instinct is een gebruiksaanwijzing van de organen, die met de organen gegeven is en dus niet nader kan worden verklaard.” Zo zou men er dus ter verklaring van de homoseksualiteit, van de instinctleer uitgaande, moeten aannemen, dat bijv. de homoseksueel uit de aanleg-tombola naast manlijke organen, een daarbij niet passende gebruiksaanwijzing, een verkeerd instinct zou hebben getrokken. Deze verklaring is echter geen verklaring. “De instincten moeten wij als gegeven aanvaarden. Zij vormen een raadselachtig verband tussen de innerlijke functies en de gegevens in de omgeving van het dier.” Jordan. Het helpt ons echter weinig wanneer wij iets raadselachtigs door iets anders, dat even raadselachtig is, proberen te verklaren.
131
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Maar ook dit instinctbegrip, waarbij men, door het invoeren van namen als broedinstinct, trekinstinct, leidersinstinct, van verder onderzoek vrijgesteld meende te zijn, heeft zich niet ongewijzigd kunnen staande houden. Naarmate men de verschillende voorlopig veronderstelde instincten ging beschrijven en classificeeren, kwam men weer voor allerlei moeilijkheden te staan. In de eerste plaats bleek wel, dat het aantal en de soort van de instincten waartoe de verschillende schrijvers kwamen, zeer verschillend en feitelijk geheel van de persoonlijke willekeur afhankelijk waren. Dan, dat een bepaalde gedragswijze niet noodzakelijkerwijze aan de werkzaamheid van één, maar even goed aan de gecombineerde werking van een willekeurig aantal instincten kon worden toegeschreven. Verder, dat het op een gegeven ogenblik al of niet werkzaam zijn van de instincten, en ook de sterkte van hun momentele werkzaamheid, weer een vraagstuk op zich zelf betekende, terwijl men tenslotte allerlei waarnemingen deed, die aan de starheid en het van te voren pasklaar aanwezig zijn van de op instincten teruggevoerde gedragswijzen deden twijfelen. Er kwam aan de dag, dat allerlei, wat men tot dusverre aan de werkzaamheid van een wonderbaarlijk pasklaar instinct had toegeschreven, in werkelijkheid een gevolg van opvoeding, traditie of ervaring was.
Het wild in het Yellowstone Park in Amerika, dat niet meer vervolgd, maar integendeel door de mens beschermd en verzorgd wordt, is in de loop van 50 jaar geheel tam geworden. Wanneer men echter ‘s winters aan in vrijheid levende vogels dierkadavers ter voedering geeft, maakt men deze individuen tot roofvogels (bijv. Koolmeezen). - Men kon aantonen, dat jonge vogels oorspronkelijk voor ieder zich bewegend groot lichaam bang zijn, deze angst echter gaandeweg verliezen voor die dingen, die geen gevaar brengen en waarvoor ook de oude vogels geen angst tonen. Van de veronderstelde instinctieve, dus aangeboren, vrees voor roofvogels blijkt dus niemendal. De rietzanger, oorspronkelijk een moerasvogel, zoekt in die streken waar de moerassen verdwijnen, struiken, vooral braamstruiken om te nestelen. De zo uitgebroedde jonge vogels zijn dan verder op deze braamstruiken ingesteld. Van de bewoners van een leeuwerikkennest, dat onder een spoorrail van een stationsemplacement was gemaakt, meent de beschrijver dan ook, dat het te voorzien is, dat deze jongen, wanneer ze in leven mogen blijven, in het a.s. voorjaar het voorbeeld van hun ouders zullen volgen en een zelfde nestelplaats onder de rails zullen opzoeken.” - De bever leeft tegenwoordig in Duitsland in de regel paarsgewijs, vroeger steeds in groepen. In zeer eenzame streken heeft hij echter nog aan de oude gewoonte vast gehouden. In dit laatste geval bouwt de bever burchten, wanneer hij paarsgewijs leeft vergenoegt hij zich met het aanleggen van eenvoudige onderaardse gangen. Volgens Floericke (Kosmos 1931) zijn er in de laatste 40 jaar opmerkelijke veranderingen in de vogelwereld opgetreden. Moerasvogels zijn akkerbewoners geworden, andere die oorspronkelijk alleen in het vrije veld of in het bos te vinden waren, zijn door de kolossale uitbreiding van de steden en de betere bescherming, die zij daar genieten, stadsbewoners geworden en hebben daarbij niet alleen hun voedingsgewoonten, maar ook hun manier van broeden en nestbouw veranderd. Verder zijn in bepaalde streken sommige vogelsoorten van trekvogels standvogels geworden, terwijl andere soorten de weg waarlangs zij trekken en het oord waar zij overwinteren gewijzigd hebben. Ook kunnen bij enigszins gewijzigde omstandigheden, nachtdieren tot dagdieren worden.

Vele gedragingen, die op een biologische erfelijkheid schenen te berusten, waren door milieu-invloeden ontstaan of hadden althans de richting van hun beweging daaraan te danken. De bruikbaarheid van het
132
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

oude instinctbegrip, als verklaringsgrond, kwam door dergelijke waarnemingen sterk in het gedrang en daarom beginnen zich de inzichten op dit gebied belangrijk te wijzigen. Meer en meer kwam men tot het besef, dat ook de “Instincten”, evengoed als de “Triebe”, geen realiteiten zijn, maar alleen hulpvoorstellingen, die wij gebruiken zodra onze kennis te kort schiet en die dus moeten veranderen of verdwijnen naarmate onze kennis zich vermeerdert. Daarom kunnen wij de slotsom billijken van Block (Kosmos 1932): “Niemals finden wir bei genauem Hinsehen eine angeborene, starre, automatisch wirkende, unbewuszte Zweckreaktion. Ein solcher eingeborener Mechanismus müszte ja bei de ständig wechselnden Verhältnissen des Lebens geradezu zum Untergang des Organismus führen. - Es herrscht ein einheitliches Gesetz: das Gesetz van de freien Anpassung van de Psyche an die Anforderungen des Lebens.” Dank zij de moeilijkheden, die de oude instinctleer ging opleveren, is men opnieuw gaan onderzoeken en daaruit is een richting in de dierpsychologie geboren, die de, vroeger aan gecompliceerde instincten toegeschreven, gedragswijzen verder is gaan analyseren en ze tracht terug te brengen op de samenwerking van eenvoudige, lichamelijke (morfologische en fysiologische) eigenschappen, die dikwijls door de klieren met inwendige secretie bestuurd of in werking gesteld worden, en bepaalde, in de natuur meestal voorhanden milieu-factoren. Deze lichamelijke eigenschappen zouden door prikkels uit de omgeving getroffen, hetzij reflectorisch (dus automatisch), hetzij doordat zij het dier een gevoel van lust of onlust geven, de oorzaken van de handelingen van het dier worden. Een spin valt een stemvork, die tegen het net gehouden wordt, aan, mits deze een bepaald trillingsgetal heeft. De spin reageert dus niet op een insect, dat in zijn web gevangen is, maar op dit bepaalde trillingsgetal en van het insect hoeft het niets te weten. - Het “broedinstinct” kan bij sommige vogels worden teruggebracht op een tijdens de broedperiode optredende kale plek aan de buik, welke in een soort ontstekingstoestand verkeert. Hierbij is dan “gegeven”, dat de aanraking daar ter plaatse met een glad, rond en koel voorwerp als aangenaam wordt ondervonden. Het lust-onlust principe zou dus hier de drijfveer zijn. Inderdaad is het voor het dier dan ook onverschillig of het op een hoopje stenen dan wel op eieren zit. Dat dit zitten een “broeden” wordt, ligt in ‘t geheel niet aan het instinct van het dier, maar aan een lange keten van “voorwaarden”, die mèt de bepaalde lichamelijke eigenschap van het dier in de natuur aanwezig moet zijn. Het is dus onjuist om te zeggen, dat het dier, of het instinct doelmatig handelt, maar wij komen tot de slotsom, dat dier en situatie al van te voren amboceptorachtig op elkaar
133
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

zijn afgestemd. (Jordan). Het dier volgt slechts zijn “privé-doelstelling” en dient daar ongewild een buiten hem gelegen doelmatigheid mee. Het grote belang van deze beschouwingswijze, die oorspronkelijk van Loeser stamt, blijkt wel uit zijn conclusie: “dasz ein erlebter Grund jede Handlung hervorbringt, kein dunkles unbewusztes etwas.” - Door bepaalde, uit de gesteldheid van het dier begrijpelijke, en eenvoudige reactiewijzen, wordt door daarbij passende eigenaardigheden van het milieu een resultaat bereikt, dat, van het dier uit gezien, geheel toevallig is.
Het geheel doet ons denken aan de bekende anekdote van de beide kikkers, die op een kwade dag ieder in een andere melkkan te land waren gekomen. De ene was een pessimist. Na enkele vergeefse pogingen om uit de kan te komen liet hij de moed zinken en verdronk jammerlijk. De ander trapte onvermoeid de melk en zag zijn pogingen beloond doordat de melk door zijn karnen stremde, zodat hij uit de kan kon springen.

De doelmatigheid van een aangeboren reactiewijze is dus niet in een instinct, maar op een van te voren vaststaand verband tussen ding (of situatie) en handeling gegrondvest. (Jordan). Het spreekt van zelf, dat waar wij hier nog slechts een nieuw begin in een bepaalde richting aantreffen, er nog veel te onderzoeken overblijft en wij in de praktijk nog dikwijls gemakshalve of door de nood gedwongen, van het begrip instinct zullen moeten gebruik blijven maken. Er is echter een richting voor het onderzoek geopend, die in uitzicht stelt iets verder te komen dan het oude instinctbegrip, “een gebruiksaanwijzing van de organen, die geen verdere verklaring toelaat.” Naast deze veranderde begrippen wat het instinct betreft, is voor ons onderwerp een ander gebied van onderzoek van groot belang en wel dat van de “voorwaardelijke reflexen”. De leer van Pavlow heeft ons het experimentele bewijs geleverd, dat, althans bij de hogere dieren, van een bestaan en voortbestaan van starre aangeboren gedragswijzen nooit sprake is. Integendeel, hij leert ons, dat de oorspronkelijk gegeven reacties in de aanvang geheel ongedifferentieerd en ondoelmatig zijn. Zij worden pas doelmatig door een spel van vraag en antwoord tussen dier en milieu. Hoe tijdens dit spel de doelmatigheid tot stand komt, is volgens een zuiver causale denkwijze niet te verklaren; maar alleen wanneer men, evenals Pavlow dit doet, een, in het individu wonende, finale tendens, een horme, een entelechie, een psyche of wat dan ook, veronderstelt. Deze finaliteitstendens dringt alle reacties van het dier in de richting van het levensbehoud, weg van de onlust en naar de kant van de lust.
In de psychologische denkwijze komt hier, wat de psychische reacties betreft, voor levensbehoud “levensdoel” in de plaats. Ieder die zijn levensdoel of zijn persoonlijkheidsideaal bedreigd ziet, verkeert in “levensgevaar”, ook al is zijn “biologische” bestaan nog volkomen veilig.

134
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Als voorbeeld kunnen wij het pasgeboren kuiken nemen. Dit pikt aanvankelijk niet naar voedsel, maar reflectorisch naar alles wat als een spikkel tegen de omgeving afsteekt. Pavlow heeft nu gevonden, dat van alle reacties op verschillende prikkels, alleen die in stand blijven en herhaald worden, die een aansluitende, voor het dier nuttige, lustgevende reflex ten gevolge hebben. Zo zal ons kuiken aanvankelijk ook steentjes oppikken. Dit steentje zal echter in de bek geen slikreflex verwekken, terwijl een opgepikte graankorrel, door zijn chemische samenstelling, wèl een speeksel- en aansluitende slikreflex zal veroorzaken. De pikreflex op de prikkel -“steentje” -blijft dus “onbekrachtigd” en herhaalt zich op de duur niet meer, de pikreflex op de visuele prikkel - “graankorrel” - wordt wel bekrachtigd en blijft in stand. (Psychologisch gesproken: Alleen die reacties, die handelingen en gevoelens zijn lustvol en worden herhaald, die het levensdoel bevorderen). Zo komt op allerlei manier tijdens het leven van het dier een differentiatie van de oorspronkelijk richtingloze aangeboren reflexen tot stand, waardoor een blindelings ingaan op alle prikkels allengs beperkt wordt, zodat ten slotte alleen de reacties op biologisch of psychologisch waardevolle prikkels overblijven. Dat, aan de andere kant, het dier in het begin voor biologisch waardevolle prikkels blind kan zijn, zien wij aan de jonge hond. Zolang hij uitsluitend met melk gevoed is, blijft, wanneer men hem een stuk vlees toont, de voedingsreflex achterwege. Eerst wanneer hij het vlees een keer in de bek heeft gehad, treedt bij het zien van het vlees de speekselreflex in werking. Maar ook dan treedt deze reactie niet steeds en onder alle omstandigheden op, In de eerste plaats moet het dier hongerig zijn, een voorwaarde die in de hond zelf dus aanwezig moet zijn - in de tweede plaats mogen er geen uitwendige factoren zijn, die remmend op de afloop van de reflex inwerken. Iedereen kent de mogelijkheid om een hond er aan te wennen, niets uit de linkerhand, van vreemden of van de tafel tot zich te nemen. Wij zien dus, dat de differentiatie van de primair gegeven reflexen in allerlei richting mogelijk is en dat biologisch zeer doelmatige reflexen op bepaalde prikkels, door speciale voorwaarden in het milieu soms niet tot ontwikkeling komen of later weer onderdrukt kunnen worden. Ook dan echter mogen wij niet van ondoelmatigheid spreken, omdat de aldus gewijzigde reflexen als een aanpassing aan buitengewone milieufactoren te beschouwen zijn. Zelfs kan deze wijziging van de oorspronkelijke reflexen nog veel verder gaan, zodat er van een omkeering van het natuurlijke verband kan
135
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

gesproken worden. Een voorbeeld van deze omkeering, van deze “perversiteit” is de hond, die men terwijl hij hongerig is, tegelijk een pijnlijk letsel toebrengt en voedsel reikt. Zulk een hond zal na enige herhalingen van deze gecombineerde prikkel niet meer met afweer en uitingen van pijn maar met een voedingsreflex op het toebrengen van dit letsel reageren. De pijnlijke prikkel is nu van een aangeboren prikkel voor de vluchtreflex in een “voorwaardelijke” prikkel voor de voedingsreflex veranderd. Gewapend met deze, aan de leer van de instincten en van de voorwaardelijke reflexen ontleende inzichten, kunnen wij tegenwoordig het vraagstuk van de homoseksualiteit, meer algemeen gezegd, van de geslachtelijke objectkeus, in ogenschouw nemen. Wij willen dit eerst doen aan de hand van waarnemingen bij dieren, waarover veel wat ons te pas komt in een werkje van W. Betz: Zur Psychologie der Tiere und Mensen, is te vinden. Aangenomen mag wel worden, dat geen enkel dier weet waartoe de copulatie eigenlijk dient. (Zelfs zijn er primitieve volken, die het verband tussen geslachtelijke omgang en kinderen krijgen niet kennen. Voor dit laatste hebben zij in zulke gevallen een of andere tovertheorie). Duiven bezitten geen uitwendige geslachtskenmerken, zodat ook duivenfokkers het geslacht van hun dieren niet met zekerheid op het oog kunnen herkennen. Het enige onderscheid dat men opmerkt is, dat de doffers over het algemeen actiever zijn dan de duiven. Door deze grotere activiteit van het mannetje wordt bij het liefdesspel het wijfje gewoonlijk tot de passieve rol gedwongen en pas nadat deze rolverdeling tot stand is gebracht, wordt de duif door de doffer “getreden”. Treft echter een weinig actieve doffer een actief vrouwtje, dan laat dit zich niet treden. Het liefdesspel wordt dan meestal afgebroken, en soms ontstaat zelfs de omgekeerde verhouding. Ook actieve vrouwen gedragen zich wel eens als mannen. Wanneer van een toom kippen de haan wordt weg genomen, neemt een van de kippen soms de rol van de haan over en treedt, juist zoals de haan deed, de andere kippen als ze een ei hebben gelegd.
Wij zien, dat Betz hier voor de dieren tot dezelfde conclusie komt als Freud, bijna, bij de mens. “Beim Versuch einer weiteren Zurückführung verflüchtigt sich die Männlichkeit zur Aktivität, die Weiblichkeit zur Passivität.” Freud durft (of wenst) echter de volle consequenties van deze vondst niet te aanvaarden, want hij voegt er aan toe “… und das ist zu wenig.

Eigenlijk schijnen de duiven zich weinig om het geslacht van hun partner te bekommeren, want het is volstrekt geen zeldzaamheid, dat twee doffers of twee duiven samen paren, een nest maken en ook broeden. Zij broeden ook, wanneer er, zoals bij een mannelijk paar het geval is, geen eieren zijn. Het is verder bekend, dat duiven, evenals andere
136
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

dieren, hun liefdesspel soms voor hun eigen schaduw, voor een steen waarop hun schaduw beweegt en, wanneer zij heel tam zijn, ook voor hun verzorgers uitvoeren. (Schrijver zag ook salamanders, die hun liefdeskronkelingen voor bepaalde voorwerpen in het aquarium maakten).
Wat de pinquins betreft, in het seizoen waarin de mannetjes een vrouwtje gaan zoeken, doen zij hun aanzoek door met een steen in de snavel het vrouwtje te naderen en die aan haar voeten te leggen. Als de dame de liefdesverklaring aanneemt, doet zij dit door de steen met haar snavel op te nemen en naar zich toe te brengen. Een lid van een Zuidpool-expeditie zat op een mooie Decemberdag op een rots zijn aantekeningen uit te werken, toen hij een pinquin aan zijn broekspijp voelde pikken. Hij keek op en zag dat de vogel een steen aan zijn voeten had neergelegd.

Overziet men al dergelijke feiten, dan heeft het allen schijn, dat, althans in zeer vele gevallen, de geslachtsdrift niet van de beginne af op het andere geslacht is gericht, zoals nog steeds door velen wordt aangenomen. Op het eerste gezicht schijnt dit natuurlijk heel ondoelmatig, maar wij moeten daarbij bedenken, dat, indien slechts gezorgd is, dat twee individuen van dezelfde soort tot elkaar aangetrokken worden, onder alle toevallige combinaties toch reeds 1/3 deel van alle copulaties juist uitvalt. Dit percentage wordt nu bij uiterlijk gelijke dieren, zoals bij de duiven, al daardoor verhoogd, dat de doffers in de regel actiever dan de duiven zijn. Nog groter wordt de kans op juistheid, wanneer door anatomische bijzonderheden de copulatie van dieren van hetzelfde geslacht bemoeilijkt wordt of onmogelijk is. Bij zulke dieren zal de “ervaring”, evenals bij het oorspronkelijk blindelings naar alles pikkende jonge kuiken, vanzelf voor het vervolg de goede keuze in de hand werken. Zo worden bij de meeste hogere dieren de overgrote meerderheid van de copulaties juist en daardoor zou het bestaan van een aangeboren richting van de geslachtsdrift een overbodige luxe zijn. Ook voor de mens lijkt dit onnodig en het schijnt zelfs in principe onwaarschijnlijk, dat zo’n specifiek op het andere geslacht ingestelde, drift aanwezig zou zijn. Wanneer men bedenkt, dat hem voor de goede keuze van het seksuele object een uitgebreide ervaring, door opvoeding en traditie, ten dienste staat en een dwingende moraal, plus zijn eigen gezond verstand hem bovendien nog de juiste weg wijzen, dan wekt het verbazing dat niettemin het geslachtsinstinct toch nog 5% onjuiste resultaten tengevolge heeft. “Een instinct, dat zó onzeker functionneert, is geen instinct meer.” (Betz) . In het voorafgaande betoog is een poging gedaan om de onvruchtbaarheid van de oude theorieën over homoseksualiteit, die allen van een in de somatische of psychische aanleg van meet af vastgelegde
137
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

richting van de seksualiteit uitgaan, in het licht te stellen. Daarna is, aan de hand van de nieuwere inzichten over instincten, van Pavlow’s experimenten en van waarnemingen betreffende de seksualiteit bij dieren, betoogd, dat de veronderstelling van een aangeboren richting van de geslachtsdrift voor een verklaring van de feiten onnodig, ja zelfs belemmerend is. Daarbij werd van alle kanten materiaal aangedragen en daardoor zou zich bij de niet-deskundige lezer de mening kunnen hebben gevestigd, dat het in de aanvang uiteengezette oudere standpunt reeds algemeen zou verlaten zijn. Dit is helemaal niet het geval. Prof. Jordan noemt in het “Handboek van het moderne denken” het geslachtsinstinct nog als een voorbeeld, hoe het instinct reeds van te voren afgestemd is op eenvoudige uitwendige kenmerken. (Wij menen echter dat de organen van de man in bouw en functiemogelijkheid zijn afgestemd op die van de vrouw). Ook de meeste zenuwartsen plaatsen zich nog op het klassieke dualistische of op het materialistischmonistische standpunt. De Monchy: “Ik geloof, dat de hormonen bij homoseksuelen niet normaal zijn,- en Wesselink meent, “dat er iets aan de geslachtelijke differentiëring moet haperen, hetzij aan de hormonen. hetzij aan de aanleg.” De Individualpsychologie neemt echter, gesteund door haar ervaringen in de praktijk, het standpunt in, dat de homoseksualiteit niet het gevolg is van een abnormale psychoseksuele aanleg en evenmin het gevolg van verkeerde hormonen zou zijn, maar dat in elk geval van abnormale geslachtsneiging, omstandigheden in de jeugd werkzaam waren, die het individu van het juiste gebruik van zijn seksuele gevoelens en organen hebben afgeschrikt en afkerig gemaakt. Zij kon tot dit standpunt alleen komen, dank zij het feit, dat zij zich vrij van alle vooroordelen op de basis van het causaal-finale denken heeft geplaatst en door in het gebruik geijkte, maar in de grond weinig zeggende, termen als “instinct”, “Trieb” en “aanleg”, die voor de causale denkwijze noodzakelijke attributen zijn, haar gedachtengang niet heeft laten beïnvloeden. De lezer zal het ongetwijfeld duidelijk zijn. dat deze moderne zienswijze veel bewegelijker is en voor een correctie van de seksuele dwalingen veel gunstiger uitzichten opent, dan de oude opvattingen, waarin aan een onveranderlijke aangeboren lichamelijke of geestelijke aanleg zo’n directe oorzakelijke rol werd toebedeeld. Met behulp van de nieuwere inzichten is de genezing van de seksuele perversiteiten zowel in theorie als in de praktijk, zij het dan dikwijls ten koste van veel moeite en geduld, in vele gevallen mogelijk gebleken.

138
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK XI OVER HET STOTTEREN Als volgend voorbeeld om de gedachtegang van de Individualpsychologie te demonstreren heb ik het “stotteren” gekozen. De behandeling van dit spraakgebrek kan van verschillende gezichtspunten uit geschieden. De spraakleraar ziet in dit verschijnsel hoofdzakelijk een storing van een bepaald bewegingscomplex, terwijl de psycholoog het als de uitdrukking van een karaktereigenschap beschouwt. Voor elk van deze beide zienswijzen is wellicht iets te zeggen, want ook iemand met plankenkoorts of examenvrees zal in sommige gevallen op twee manieren zijn te helpen. Men zou hem de moed kunnen verschaffen om op het juiste moment onverschrokken zijn topprestatie te geven, maar men zou hem ook, door zijn rol of de examenstof eindeloos en in alle nuancen met hem te repeteren, een groter zelfvertrouwen kunnen bijbrengen. Oorspronkelijk bracht de methode van de medische wetenschap mede om naar een lichamelijke. d.w.z. een anatomische oorzaak voor het stotteren te zoeken, zodat het vraagstuk dus van het standpunt van de hersenpathologie uit werd bekeken. Volgens de “lokalisatieleer” beschouwde men de hersenen als een mozaïek van hokjes en veldjes die ieder een bepaald deel van de totale functie van het organisme bestuurden. De optelsom van al deze deelfuncties bepaalde dat het gedrag van de mens en een storing in een van de veldjes zou een storing van de daarvan afhankelijke functie ten gevolge hebben. Voor tal van verschijnselen, bijv. bij apoplexie, is deze opvatting zeker doelmatig, maar langzamerhand is men toch tot de overtuiging gekomen, dat ze niet voor alle gevallen of op elk gebied van storingen de juiste is. Daarom is er een andere zienswijze mogelijk geworden, welke inhoudt. dat er van een autonomie, van een zelfstandigheid van de delen van het organisme geen sprake is, dat niet elk deel zijn eigen functie bepaalt, maar dat deze functie bepaald wordt door het geheel, dat zich van de delen als van middelen bedient. Dit geheel is niet te lokaliseren en daarom heeft de “lokalisatieleer”, die het centrale zenuwstelsel in hokjes verdeelde, een beperking moeten ondergaan, die aldus te formuleren zou zijn: Elk individu, elk geheel is aan de aard van zijn middelen gebonden. Hoe het deze middelen echter ontwikkelen en gebruiken zal wordt bepaald door het geheel. Passen wij deze redenering op het stotteren toe, dan kunnen wij de verandering in inzicht omtrent het wezen van deze afwijking beter begrijpen. Ten tijde van de alleenheerschappij van de pathologische anatomie moest men naar lichamelijke oorzaken van de kwaal en, indien deze niet werden gevonden, tot theoretische defecten zijn toevlucht
139
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

nemen. Ofschoon dit standpunt nu (1934 AvdH) wel grotendeels is verlaten, sleept een rest ervan zich nog in de literatuur voort en vinden wij bijv. bij Gutzmann, een van de oudere autoriteiten op dit gebied, nog de losse opmerking, dat de lokalisatie van het stotteren in een met name genoemd hersengebied gezocht moet worden. Van het psychotherapeutische standpunt uit wordt de storing gezocht in de mens die stottert en moet de behandeling zich dus niet op het stotteren, maar op een verandering van de persoonlijkheid, van het karakter, richten. Zoals steeds gaat de Individualpsychologie ook op het gebied van het stotteren van de onderstelling uit dat deze uiting een zin, een bedoeling moet hebben en dat men deze zin alleen in het raam van de gehele persoonlijkheid kan leren kennen. Aan de hand van deze vooropstelling en enigszins met de deur in huis vallend, wil ik direct een van de conclusies noemen waar toe men gekomen is en wel deze, dat het stotteren o. a. als een zekering(Sicherung), een beveiliging tegen het stotteren te beschouwen is. Om dit duidelijk te maken wil ik een omweg volgen. Men vraagt aan een kind dat volgens haar vorderingen op school de vraag moet kunnen beantwoorden: “Hoeveel is 5 + 7?” Het kind aarzelt nu geruime tijd en zegt pas na herhaalde aanmoediging: “13”. Aan het kind wordt nu gezegd, dat dit niet helemaal goed is, dat zij er wel dicht bij is. Zij wordt nu weer tot een antwoord aangemoedigd, waarbij zij in zichtbare spanning geraakt. Eindelijk luidt het antwoord, weer na lang aarzelen, “11“. Eerst nadat opnieuw wordt aangedrongen, komt het goede antwoord. Waarom heeft dit kind, voor wie het juiste antwoord blijkbaar van de beginne af voor de geest heeft gezweefd, dit toch zo angstig vermeden? Wij kunnen ons dit als volgt voorstellen. Het kind doet alsof het denkt: 5+7=12. Maar als dat nu eens verkeerd mocht blijken, dan zou ik een fout gemaakt hebben. Het goede antwoord geven betekent dus de vuurproef ondergaan, de sprong over de afgrond wagen en waarschijnlijk door vroegere slechte ervaringen ontmoedigd, wijkt het kind terzijde uit. Het verbant het gevaarlijke cijfer uit zijn bewustzijn en kiest in zijn nood de meest nabij gelegen getallen. Door deze beurtelings te beproeven stijgt tenslotte haar zekerheid over de goede uitkomst, die zij dan eindelijk durft te noemen. Er wordt dus in dit geval een fout gemaakt om een fout te voorkomen en zekerheid te winnen. Dit is een verschijnsel dat wij bij het neurotisch handelen dikwijls waarnemen en dat ook vele normale personen wel eens bij zich zelf zullen hebben opgemerkt. (Op examens komt het wel voor, dat men het goed weet, maar, als door een duivelse ingeving gedwongen, het verkeerd zegt.)
140
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Een meisje, dat ongeveer tweeeneenhalf jaar oud was, maakte een tijd door, waarin zij allerlei voor haar moeilijke woorden verkeerd uitsprak, waardoor de anderen haar soms niet begrepen. Kwam er zulk een woord, dan keek zij moeder of vader vragend aan en begrepen zij haar niet, dan werd zij boos, begon te schreien en te stampvoeten. In aansluiting aan deze moeilijkheden kreeg zij een korte periode, waarin zij de gevaarlijke woorden niet durfde te zeggen, aarzelde en stotterde. Langs de omweg van de analogieën komen wij dus tot de voorstelling, dat ook het stotteren een beveiliging is. Het is het onderbreken, het in de war sturen van een beweging, uit vrees dat het resultaat niet aan de verwachtingen zal beantwoorden en het persoonlijkheidsgevoel aldus een knauw zal krijgen. Wij denken aan een schaker, die de partij vreest te verliezen en daarom tegen het bord stoot. Het hier beschreven geval van stotteren wordt wel tot het “fysiologische stotteren” gerekend, omdat het bij vele kinderen tijdelijk voorkomt. Het verdwijnt meestal weer spoedig en vanzelf, mits het door bepaalde bijkomstige omstandigheden niet gefixeerd wordt. Deze fixatie treedt op, wanneer de aandacht van het kind, die oorspronkelijk op het niet goed kennen van de woorden gericht was, op het stotteren gevestigd wordt. Het krijgt dan allengs een “spreekangst” en daardoor treedt dan het stotteren op als zekering tegen het stotteren, terwijl anderzijds de slechte ervaringen, die het kind opdoet, zijn spreekangst vergroten. Dit is een vicieuze cirkel, die zich in het kind heeft gevormd. Waardoor deze fixatie tenslotte geschiedt, kunnen wij als het resultaat van de wisselwerking tussen twee factoren beschouwen. Als eerste factor zien wij de discongruentie tussen de wens van het kind om zich door woorden te uiten en zijn technische spraakbeheersing. Wij zouden hier van een tijdelijke minderwaardigheid van het spraakorgaan kunnen spreken. Als tweede factor men zou het de uitwendige kunnen noemen werkt de wanverhouding tussen de moed van het kind en de ontmoedigende invloeden uit zijn omgeving. Er is reden om aan te nemen, en in het vervolg zal dit nader aangetoond worden, dat het kind slechts dan tengevolge van de eerste factor de wijk in het stotteren zal nemen wanneer ontmoedigende invloeden uit zijn omgeving hem daartoe dwingen of verleiden. De in de (tijdelijke) lichamelijke minderwaardigheid gelegen moeilijkheid, die altijd een bemoeilijking in de aanpassing betekent, zal wel een ontmoediging in de hand kunnen werken, maar alleen als middel gebruikt en als zodanig gefixeerd worden, indien ze de gelegenheid biedt om de eigen positie in de buitenwereld te versterken of te beschermen. Stellen wij ons bijvoorbeeld voor, dat een kind uitgelachen wordt, wanneer het een woord verkeerd uitspreekt. Het zal dan zichzelf, sterker dan andere kinderen, de eis gaan stellen om door volmaakt te spreken
141
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

een gunstige indruk op zijn omgeving te maken. Het zal op al zijn fouten gaan letten en door toevallige fouten zal het woordgebied waarvoor het spreekangst heeft zich steeds uitbreiden. Door de hier uit voortvloeiende ontmoediging zal zowel het stotteren verergeren als het ideaal om goed te spreken, groter plaats in het denken van het kind gaan innemen. Het effect naar buiten zal echter zijn, dat de lachers zich ongerust gaan maken. Het kind wordt zodoende de gelegenheid geboden om uit zijn zwakheid een kracht te maken. Het gaat zich gewichtig voelen en leert zich allerlei voordelen toe te eigenen. Om zijn stotteren wordt hij beschermd tegen of voorgetrokken boven zijn broertjes en zusjes of, wanneer zijn ouders hem op eigen houtje “spraakles” gaan geven en hem de moeilijke woorden telkens laten over zeggen, geeft men het kind een machtsmiddel in de hand. Door te blijven stotteren kan het over de opvoeder zegevieren. De opvoeder zal dit onbewust voelen, hij zal zijn geduld verliezen, driftig of boos op de aanstichter van zijn nederlaag worden en zo de zaak nog erger maken.
Hoe in werkelijkheid een kind zulk een tactiek kan volgen, blijkt in de praktijk herhaaldelijk. Iemand, die als kind heel lastig was, had altijd een voldaan gevoel, wanneer hij zijn vader zo ver gebracht had, dat bij in een vreemde taal tegen zijn moeder ging spreken. Het kind wist dan Intuïtief, dat het de vader verslagen had. Tijdens de behandeling kan men, naar ik meen, het agressieve van het hulpzoekende type van de stotteraar dikwijls onderscheiden en wel door de verschillende indruk, die de persoonlijkheid op ons maakt en in welke momenten of wendingen van het gesprek het stotteren erger wordt.

Hiermede hebben wij dus het terrein betreden, waarop de tweeledige functie van het stotteren aan de dag treedt, namelijk als zekering èn tegen de eigen fout èn tegen het ondergaan van invloeden uit de omgeving. Een moeder, die over haar stotterende dochter kwam spreken, meende zich ook over andere karakterfouten van het kind te moeten beklagen. Als voorbeeld vertelde zij, dat zij het meisje, omdat het in de tram door haar stotteren de aandacht van de andere passagiers trok, een teken gaf om stil te zijn en hoe het kind toen bleef doorspreken en nog veel erger (wij zouden zeggen: nog veel beter) ging stotteren. Wij moeten bij dit alles steeds in het oog houden, dat de verkeerde houding van de opvoeders zich meestal niet tot het terrein van het stotteren bepaalt, maar voortspruit uit een bepaalde mentaliteit, die zich over de gehele linie doet gelden. Wel wordt de strijd dan dikwijls in hoofdzaak naar de “Nebenkriegsschauplatz,” in dit geval het stotteren, verlegd. Het spreekt vanzelf, dat tijdens een behandeling dus getracht moet worden om de aandacht van het stotteren af te leiden en op de “Hauptkriegsschauplatz” dat wil zeggen, de werkelijke moeilijkheden in de situatie van de stotteraar te vestigen.
142
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Zoals reeds eerder werd gezegd, dient het stotteren in andere gevallen meer om de persoonlijkheid te beschermen en de anderen te hulp te roepen door zich “klein” te maken. De angst om in het oog van de ander door zijn daden (of woorden) te kort te schieten, kan iemand een dergelijke houding tegenover een bewonderd of geliefd persoon doen innemen.
Een dergelijke situatie doet zich in de film “Mädchen in Uniform” voor. Een sterk vereenzaamd kostschoolmeisje is verliefd op een van de onderwijzeressen en krijgt nu juist bij haar slechte cijfers, omdat zij tegenover de geliefde persoon geen woord kan uitbrengen. Het resultaat was, dat de onderwijzeres zich dat van haar sterk aantrok. In een door mij waargenomen geval betrof het een jongen van acht jaar, die een drukke, bazige moeder had, terwijl hij zelf een schuchter en zacht karakter had. De onderwijzeres vond het meisjesachtige jongetje heel aardig en de kleine baas werd op haar verliefd, omdat hij haar veel liever dan zijn moeder vond. Moest hij echter een les voor haar opzeggen, dan stotterde hij en kreeg een kleur als vuur.

Het spreekt vanzelf, dat de scheiding in “hulpzoekende” en “aanvallende” typen van stotteraars kunstmatig is en dat het stotteren, ook een middel naar beide kanten kan zijn. Een moeder van een 20-jarige stotteraar vertelde, dat deze jongen van kind af aan altijd in het middelpunt van haar belangstelling had gestaan en dat zij nog steeds haar dagindeling naar de zijne regelde. Tegenover de vader, met wie hij niet op zulk een goede voet stond, gebruikte dezelfde jonge man echter zijn afwijking als aanvals- en verdedigingswapen. Elk onderhoud tussen deze beide draaide ongeveer op niets uit. De vader ergerde zich over het stotteren van zijn zoon. Slechts zelden komt het voor, dat kinderen van jongs af stotteren. Het vroeger besproken “fysiologische” stotteren wordt meestal gevolgd door een tijdperk waarin vlot gesproken wordt, tot op een gegeven ogenblik de kwaal zich min of meer plotseling openbaart. Soms speelt een ongeval daarbij een rol zoals bij een patiënt, die in zijn vierde levensjaar een ongeval met een stoomtram meemaakte en een ander die als kind hevig schrok toen er een ongeluk gebeurde met het rijtuig waarin hij zat. Zijn moeder werd toen vrij ernstig verwond. Herhaaldelijk gaan kinderen stotteren, wanneer zij een broertje of zusje hebben gekregen en zich daardoor van de troon gestoten voelen. Misschien kunnen wij al dergelijke gevallen onder het gezichtspunt samenvatten, dat de betreffende gebeurtenissen als een trauma gewerkt hebben en een versterkt gevoel van onzekerheid bij de getroffenen hebben achtergelaten. Tegen deze verhoogde innerlijke onzekerheid wordt dan het stotteren als beschermingsmiddel gekozen. In een van de gevallen werd het stotteren aan een “infectie” toegeschreven. De jongen zat met een stotteraar in de klas. Bij verder onderzoek bleek hij echter juist in de tijd dat het stotteren ontstond een broertje gekregen te hebben. Wij nemen dus aan, dat zijn
143
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

klaskameraadje hem hoogstens op het goede idee gebracht had, hem een middel in de hand gespeeld had, om de invloed op zijn moeder, die dreigde verloren te gaan, te herwinnen. In nog een ander geval trachtte een achtjarig meisje, dat van haar afgelegen woonplaats, waar zij huisonderwijs ontvangen had, naar een stadsschool was overgeplaatst, zich eerst door een pseudo appendicitis uit haar benarde positie te redden. Toen deze door haar vader, die geneesheer was, naar juiste waarde geschat werd, bereikte zij tenslotte door stotteren haar doel. Zij werd weer naar huis gezonden. Wanneer wij zo de verschillende oorzaken voor het stotteren afzonderlijk de revue laten passeren, betekent dit niet, dat een van zulke gebeurtenissen als de oorzaak moet worden opgevat. Gewoonlijk zal er een ingewikkelde combinatie van uitwendige factoren in het spel zijn, terwijl er dan naast de psychologische, begrijpelijke factoren nog een, in haar wezen tot nog toe onbekende, lichamelijke dispositie een meer of minder belangrijke rol zou kunnen vervullen. Deze dispositie, die dan een orgaanminderwaardigheid in de zin van Adler zou zijn, blijft echter in gevallen van stotteren meestal een hypothetische constructie. Het is ons geheel onbekend van welke aard zij zou kunnen zijn. (In dit verband zal de ‘timingstoornis’ een plaats kunnen krijgen. Adrie van der Horst) De vraag bij wie de verantwoordelijkheid voor het optreden van het stotteren te vinden is zal men natuurlijk verschillend beantwoorden, naargelang men de stotteraar zelf of zijn opvoeders voor zich heeft. De laatsten zal men wijzen op de onjuiste behandeling, die zij het kind doen ondergaan en die zich meestal niet tot hun houding tegenover het stotteren beperkt, maar hun appreciatie van het gehele kind betreft. In het algemeen gesproken, zal de onjuistheid van de behandeling daarin gelegen zijn, dat deze het kind ontmoedigt of ontmoedigd heeft. Zoals reeds uit het voorafgaande volgt, kan dit zowel door verwenning als door te grote hardheid geschied zijn. Het stotteren treft dus ontmoedigde kinderen die hun nieuwe ontdekking terstond in hun levensplan, dat aan schijnzekeringen behoefte heeft, opnemen. Zoals echter ook met andere neurotische veiligheidsmaatregelen het geval is, zal ook het stotteren zelf daarna weer een extra ontmoediging veroorzaken. Zodra wij ons onder vier ogen met de stotteraar zelf bevinden zullen wij echter, in plaats van op de onjuiste houding van de opvoeders, nu op de verkeerde reactie van de patiënt op deze houding het sterkste licht laten vallen. Want het stotteren komt nu als een arrangement aan de dag, dat diende om een gebrek aan moed te bemantelen en allerlei schijnvoordelen te bemachtigen. Het is onze plicht om de voorafgaande, min of meer theoretische, beschouwingen aan de werkelijkheid en op hun bruikbaarheid in de praktijk te toetsen. In deze praktijk blijkt nu, dat inderdaad het
144
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

spraakgebrek, wat oorzaak en oogmerk betreft, in principe niet van andere nerveuze verschijnselen verschilt, tenzij dan daarin, dat dit symptoom in het bijzonder bij het speciale karakter van de stotteraar is aangepast. Het is opvallend, dat stotteraars hun ware aard over 't algemeen zo angstvallig trachten verborgen te houden en eigenlijk in voortdurende angst leven om ontdekt te worden. Sommigen lieten liefst zo weinig mogelijk over zichzelf los en elke vraag op de man af verwekte niet alleen een stotterbui, maar soms een ware kramp van de ademhalingen halsspieren. Het resultaat was in zulke gevallen in 't geheel geen of een ontwijkend antwoord. Een van mijn patiënten had de gewoonte om op een recht op het doel afgaande vraag eerst een heel intelligente gelaatsuitdrukking te vertonen, waardoor hij de schijn wekte een aanloop tot een helder en ondubbelzinnig antwoord te nemen. Maar na enkele klanken verliep alles in het zand en na enige krampachtige, geluidloze bewegingen, kwam er ten slotte in vlotte woorden een niets zeggende gemeenplaats over zijn lippen. Een meisje van 14 jaar, bracht het op een bepaalde vraag niet verder dan een paar spiertrekkingen. De vraag werd toen zo gesteld, dat zij met ja of neen knikken kon worden beantwoord en toen ook dit mislukte, kreeg zij potlood en papier in de hand om het antwoord op te schrijven. Maar ook dit had geen beter resultaat, waardoor de waarschijnlijkheid groot werd, dat zij niet wilde antwoorden. Een andere patiënte had zelfs met haar verloofde de afspraak gemaakt, dat, indien zij een stotterbui voelde opkomen, zij reeds van alle verplichting tot antwoorden ontslagen was. Zij bespaarde zich dus zodoende zelfs de moeite van het stotteren, wanneer zij een of ander onderwerp van gesprek wilde vermijden. Ook hier was het stotteren een middel om het innerlijk wezen niet behoeven prijs te geven. Dit alles dienen wij natuurlijk met inachtneming van de veronderstelling van het onbewust zijn van deze mechanismen te beschouwen. De stotteraar zelf is het niet bekend, dat hij iets heeft te verbergen en evenmin wat hij wil verbergen. Daartoe zou hij zijn levensplan en levensstijl zelf moeten kennen. Bewust is hij er zich alleen van, dat hij zich voor zijn stotteren schaamt en het op allerlei manieren tracht te maskeren. Men stuit tijdens de behandeling dan ook telkens op protesten van de patiënt. “Hoe kon ik er bij die of die gelegenheid dan belang bij hebben om te stotteren!”, luidt dan de tegenwerping en op de therapeut rust in die gevallen de plicht om zijn theorie aannemelijk te maken.
Een jonge man, volontair op een handelskantoor, kon bijvoorbeeld op de vraag van de typiste naar het huisnummer van zijn vader, aan wie zij een brief van de directie te adresseren had, onmogelijk het goede antwoord geven. Het juiste cijfer wilde hem niet over de lippen komen en om zich uit zijn nood

145
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

te redden, moest hij een verkeerd nummer noemen. Het betrof hier een eerzuchtige jonge man, die sterk onder de twijfel aan zijn eigen waarde gebukt ging. Hij had zich zijn vader, in vele opzichten als voorbeeld gesteld, maar zag tegelijkertijd zo hoog tegen hem op, dat hij zijn oordeel, vooral omdat dit vaak spot inhield, bovenmate vreesde. De veronderstelling scheen niet al te gewaagd, dat bij de jongen de gedachte was opgekomen, dat er, in de brief mogelijk ook over hem gesproken werd en dat deze gedachte een kwelling voor hem moest betekenen. Hij zou zichzelf, door het noemen van het huisnummer, bij wijze van spreken, eigenhandig de strop omgedaan hebben en moest dus de neiging hebben om dit te vermijden. Maar vooral was het een voordeel, dat de ergernis over het stotteren de werkelijke gevoelens van pijnlijke aard naar het onbewuste verdrong.

Met de stotteraar is over het algemeen een oppervlakkig contact zeer goed mogelijk. Hij vertoont dikwijls zelfs een zekere vrijmoedigheid en losheid in de omgang. Hij kan dit doen, omdat hij de situatie vrijwel in alle gevallen volkomen beheerst. Want zodra hij zijn verschijnsel vertoont zal de toehoorder met hem mee lijden en een zelfde gevoel van beklemming ondergaan, als de stotteraar bij zich zelf teweegbrengt. Zo slaagt deze er in, om niet alleen bij zich zelf, maar ook bij anderen de aandacht van het gespreksthema af te leiden, omdat deze aandacht door lichamelijke gevoelens in beslag wordt genomen. Onwillekeurig zal de vrager er tegen op zien om het onderwerp, dat tot zulk een moeilijke situatie aanleiding gaf, weer op te vatten. Een mijner patiënten, die sterk in oppositie tot zijn vader stond, stotterde met hem het sterkst en voorkwam zo iedere gedachtewisseling. Dezelfde jonge man kwam er rond voor uit, dat hij op de H.B.S. wel eens min of meer bewust van zijn gebrek partij getrokken had, wanneer hij in werkelijkheid door onwetendheid het antwoord had moeten schuldig blijven. Een ander had zelfs de gewoonte om, wanneer hij zich onzeker voelde, dit van tevoren aan de leraar te zeggen. Hij kreeg dan geen beurt. Ook hij had van dit voorrecht wel eens bewust misbruik gemaakt. Een algemene ervaring leert, dat er tussen het bewust en onbewust in werking stellen van nerveuze verschijnselen vloeiende overgangen bestaan en het is volkomen begrijpelijk, dat een jongen zich ook geheel onwillekeurig des te meer achter het stotteren verschuilen zal, des te slechter hij zijn les kent. Over het algemeen kan men steeds in de loop van de gesprekken een duidelijk onderscheid in de intensiviteit van het stotteren opmerken, al naar gelang men het gesprek leidt op onderwerpen, waarin de patiënt van mening is een goede rol te vervullen of dat er dingen aangeraakt worden, die min of meer pijnlijk voor hem zijn. Een jongen van 16 jaar. die in zijn vrije tijd met hart en ziel in het bedrijf van zijn vader meewerkt, spreekt zonder haperen wanneer hij van de “zaak” vertelt, brengt men dan echter het gesprek op de school, waar hij slechts een zeer matig figuur slaat, dan verdwijnt met de lust tot mededeelzaamheid ook de vlotte spraak. Zo ontpopt zich het stotteren in velerlei opzicht als een doeltreffend middel om zich te verbergen of een oordeel onmogelijk te
146
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

maken en daarom is het begrijpelijk dat er een sterke twijfel aan de waarde van de eigen persoonlijkheid aan ten grondslag ligt. Zoals alle nerveuze verschijnselen, vervult ook het stotteren weer een dubbele functie, die van misleiding van de anderen en van zichzelf. Want het stotteren, de lichamelijke gevoelens die het begeleiden en de angst om te stotteren nemen zozeer de gehele persoonlijkheid van de lijder in beslag, dat de werkelijke moeilijkheden en het werkelijk te kort schieten geheel of grotendeels uit het bewustzijn verdreven worden. De stotteraar zal dan ook met een goed geweten zijn eventueel achterblijven bij anderen later aan zijn spraakgebrek kunnen toeschrijven. Een student, die een zeer hoog denkbeeld van eigen kunnen heeft, meent bijvoorbeeld, dat hij nooit voor een examen in de knel zou zitten, wanneer het niet om zijn stotteren zou zijn. Met onze veronderstellingen stemt geheel overeen, dat stotteraars in situaties waarin zij niets behoeven te verbergen, gewoonlijk heel normaal spreken. Sommigen kunnen zonder bezwaar of angst toneel spelen. Zij dragen dan toch al een vermomming. Het komt voor, dat een stotteraar op een gemaskerd bal vóór het démasqué feilloos spreekt, maar er na terstond zijn oude moeilijkheden weer ondervindt. Ook het spreken met wildvreemden, met wie geen dieper contact te duchten valt, gaat dikwijls goed. Een eigenaardig verschil treffen wij aan in de karakters van stotteraars. Sommigen berichten, dat zij des te slechter spreken naarmate zij met de persoon, met wie zij zich onderhouden beter bekend zijn. Met nieuwe kennissen gaat het goed, later met dezelfde personen steeds slechter. Anderen menen integendeel dat zij met bepaalde personen, bij wie zij zich op hun gemak voelen en die hen door en door kennen, geen last hebben, terwijl iedere nieuwe kennismaking hun een verschrikkelijke stotterbui kost. Grofweg gezegd gaat het bij de eerste categorie om stotteraars, die een zeker, oppervlakkig meerwaardigheidsgevoel hebben, maar bij nadere kennismaking vreezen deze schijn van meerwaarde niet te kunnen handhaven, terwijl in de laatste groep van gevallen het minderwaardigheidsgevoel het meest aan de oppervlakte is gelegen. Deze personen beginnen met vrees voor de ander te hebben en pas wanneer zij hebben uitgevonden dat die ander hun niet vijandig gezind is, maar bereid om hen te beschermen of te helpen, durven zij zich aan hem toe te vertrouwen. Een patiëntje sprak in het bijzijn van haar jonger zusje gewoon, declameerde zelfs voor haar. Verschillende stotterende knapen zijn onder hun kornuiten of bij het voetballen haantje de voorste en hebben dan geen hinder van hun spraakgebrek. De meeste stotteraars spreken, wanneer zij alleen zijn, heel goed, ook wanneer zij tegen hun huisdieren katten, honden of vogels het woord richten. De stotteraar spreekt dus
147
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

goed òf wanneer hij zich veilig boven waant, òf wanneer bij zich voldoende beschermd weet. *) Wij begrijpen allen, dat voor de zieke de gezondheid, voor de mismaakte de welgeschapenheid als hoogste ideaal bestaan kan en dat daarom voor de stotteraar de welsprekendheid in een of anderen vorm de wens van de droom kan zijn. In dat geval komen zij ongeveer in dezelfde positie als de violist van een orkest wij noemen hem “Jansen'' die thuis alles goed speelde, maar tijdens repetitie of uitvoering bij bepaalde gevoelvolle passages niet verder kon en, om althans de schijn te redden, zich gedwongen zag de strijkstok boven de snaren te bewegen zonder ze aan te raken. Tijdens een van onze gesprekken had hij een “Ahaerlebnis”: Nu begrijp ik het. Ik moet niet zo willen spelen alsof ik Joachim was, maar eenvoudig als mijnheer Jansen. Een veel geciteerd voorbeeld van het geldingsstreven van de stotteraar is Demosthenes, die volgens de geschiedenis aan een spraakgebrek zou geleden hebben. Ook van een van de thans levende meest bekende buitenlandse declamatoren is bekend dat hij stottert. Zo wilde een van mijn patiëntjes toneelspeelster worden en een jonge man had als ideaal Max Reinhardt, de beroemde regisseur gekozen, dus degene die het de toneelspelers voor moest doen. Vele stotteraars zijn uitermate eerzuchtig. Een student had een groot geloof in eigen buitengewone begaafdheid. Hij was een betweter en ergerde zich als iemand anders iets verstandigs te berde bracht. Omdat hij zo wilde uitblinken, kon hij in kritieke gevallen, bijvoorbeeld tijdens het responderen op college, geen woord uitbrengen. De eerste jeugdherinnering, welke hij vertelde, gaf zijn angst om “ontdekt” te worden weer. Hét is winter en hij mag volstrekt niet op het ijs van de vaart gaan. Hij overtreedt het gebod en ziet tegelijk dat zijn moeder op de brug staat en hem in het oog heeft gekregen. Een andere jonge man, van wie het verlangen naar een dominerende maatschappelijke positie uitging, herinnert zich uit zijn kindertijd een stereotiep terugkerende droom. Hij is op school, maar heeft niets anders dan een hemd aan. De anderen hebben hem nog niet opgemerkt en dus moet bij proberen om heimelijk te ontwijken. Wij zien dus een gebrek aan zelfvertrouwen naast een opgezweepte eerzucht, tengevolge waarvan de ontmaskering voortdurend gevreesd wordt. Het spraakgebrek dient om deze ontmaskering te voorkomen. Telkens wanneer een pijnlijke situatie dreigt of een onthullende vraag gesteld wordt, treedt deze beveiliging prompt in functie. Ook om het stotteren goed te laten functioneren schijnt een bepaalde techniek, zo al niet noodzakelijk, dan toch gewenst te zijn. Vele patiënten hebben bepaalde letters of woorden gekozen, waarvan zij de fictie hoog houden, ze niet te kunnen uitspreken. Er is echter geen enkele
148
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

stotteraar, die onder bepaalde, voor iedere stotteraar typische omstandigheden, niet vlot alles kan uitspreken. De gevreesde letters dienen er dan ook slechts voor om er de angstige verwachting op te kunnen vestigen. De spreker brengt zichzelf dan in de positie van iemand, die een redevoering moet uitspreken, terwijl er ieder ogenblik een muur van het lokaal dreigt in te storten en hem te bedelven. Door deze angstige verwachting dwaalt zijn aandacht dermate van zijn onderwerp af, dat hij dit ten slotte geheel uit het oog verliest en zijn rede dus onmogelijk voort kan zetten. Wat nu de gang van een behandeling aangaat, moet men het levensplan van de stotteraar en de omstandigheden die hem tot zijn arrangement deden komen, uitvorsen. Men zal hem, ook, aan de hand van hetgeen er tijdens de besprekingen voorvalt, zijn listige methodiek uiteenzetten en demonstreren. Maar bovendien zal men trachten hem te bemoedigen door hem de weg te wijzen om de tegenstelling, die er, tussen zijn ideaal en het geloof in eigen kunnen bestaat, te verkleinen, zodat hij zich moedig aan de door hem zelf gekozen levenstaak kan wijden, zonder zich door de vrees voor nederlagen te laten weerhouden.

149
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK XII OVER DE INVLOED VAN DE JEUGDOMSTANDIGHEDEN OP DE VORMING VAN HET KARAKTER Elk levend wezen, elk mens is slechts te begrijpen, wanneer men hem als een onafscheidelijk deel van een geheel, van zijn milieu, beschouwt. Dit staat ons bij de beoordeeling van onze medemens lang niet altijd duidelijk genoeg voor de geest, want wij zijn steeds te veel geneigd om de verschillen, die wij in hun karaktereigenschappen waarnemen, kortweg aan hun verschil in “aard”, in “aanleg” toe te schrijven. Het lijkt dan ook bijna vanzelfsprekend, dat het milieu, waarin wij allen leven en dat dus ook voor ons allen ongeveer gelijk is, ook op allen dezelfde invloed moet hebben uitgeoefend en dat daarom verschil in reactie op dit milieu uitsluitend aan een verschil in aanleg moet zijn te wijten. Op deze wijze wordt de rol van de aanleg echter sterk overschat, ja zelfs als een geheel op zichzelf werkende factor beschouwd, terwijl de werking van het milieu in zijn talloze schakeringen daarbij geheel of grotedeels verwaarloosd wordt. Hoe zeer het individu echter door het milieu wordt beinvloed, hoe al zijn oorspronkelijke reacties door de prikkels uit de buitenwereld worden veranderd, heeft ons o.a. Pavlow geleerd, die aan de fysiologie een richting heeft gegeven, die haar geschikt heeft gemaakt om aan de psychologie een aanknopingspunt te geven. Hij beperkt zijn onderzoek niet tot de toestand van een dier, zoals die zich op een bepaald ogenblik aan ons voordoet, maar hij onderzoekt juist hoe deze toestand zich onder de invloed van prikkels uit de buitenwereld verandert en door welke wetten deze verandering wordt beheerst. Wij vinden het pas geboren kind of hogere dier oorspronkelijk toegerust met een beperkt aantal aangeboren reactiewijzen. Dit zijn de aangeboren reflexen. Omdat het verloop van deze reflectorische, automatische bewegingen zeer eenvormig is, moet het milieu van het dier aanvankelijk aan zeer eng omschreven voorwaarden voldoen, wil het jonge individu in stand blijven. De pasgeboren zuigeling tast, wanneer hij honger heeft, met de lippen zijn omgeving af en zuigt aan alles wat hem daarbij in de weg komt. Dat het kind bij dit rondtasten een voedselbron vindt, is van zijn standpunt gezien louter toeval. Dat dit echter toch meestal geschiedt, is aan speciale omstandigheden in het milieu, d.w.z. aan de moeder te danken. Het voor het kind nuttige gevolg van het zoeken - het vinden van de voedselbron en de daarop volgende verzadiging - veroorzaakt nu echter, dat het zoeken in de blinde, dat een zuiver automatisme was, plaats maakt voor een veel gedifferentieerder en beperkter reflex. De zoekreflex wordt namelijk verder uitsluitend op de moederborst gericht, evenals bij jonge kuikens het pikken naar alle
150
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

spikkels op de grond, in een pikken naar eetbare dingen veranderd wordt. Bij een jonge hond, die tot dusverre uitsluitend met melk gevoed werd en die dus ook alleen bij het zien van melk een voedingsreflex zal vertonen, zal deze reflex, nadat hij met vlees als voedingsmiddel kennis heeft gemaakt, ook tot dit voedsel in betrekking treden. Wanneer hem in het vervolg vlees wordt getoond, zal hij speekselvloed krijgen. Bij deze hond zien wij dus, dat een bepaalde reflex, onder invloed van het milieu, op meer prikkels gaat reageren, terwijl in de voorbeelden van het kind en het kuiken het aantal van de werkzame prikkels juist kleiner, beperkter was geworden. Een voorbeeld van weer andere aard biedt ons de hond, die, doordat men hem tegelijkertijd vlees gaf en een letsel toebracht, nu op het toebrengen van dit letsel in het vervolg niet met een afweer, maar met een lustvolle voedingsreflex ging reageren (zie het hoofdstuk over seksualiteit). Hier heeft een enorme verandering in het organisme van het dier plaats gegrepen, die ons echter in de grond alleen daarom zo opvalt, omdat ze aan omstandigheden te wijten is, die gewoonlijk niet in het milieu van het dier te vinden zijn. Zonder de wetenschap van deze bijzondere omstandigheden, zouden wij het gedrag van deze hond wel als tegennatuurlijk-, als een soort “perversiteit” moeten beschouwen, die wij aan de “perverse aanleg” van het dier zouden moeten toeschrijven. Pavlow leert ons dus, hoe de oorspronkelijk gegeven automatische reactiewijzen van het organisme door allerlei “voorwaarden” in het milieu op alle mogelijke manieren worden verzwakt, beperkt, uitgebreid en gewijzigd, en hoe daardoor een steeds nauwkeuriger “aanpassing” van het dier aan zijn omgeving tot stand komt. Zijn, door het opgroeien in een bepaald milieu, de reflexen eenmaal op dit milieu afgestemd, dan is het organisme tevens in meerdere of mindere mate aan dit milieu gebonden. Een ander milieu, waar de aldus veranderde reflexen niet meer bij zouden passen, verwekt een afweer, een vluchtreflex, die naar het oude milieu terug leidt. - Dus juist wat Freud met zijn “herhalingsdrift” en Adler met de gebondenheid aan het eenmaal gevormde “levensplan” op het oog hebben. De fysiologische experimenten van Pavlow leren ons dus hetzelfde als de Individualpsychologie en de overige moderne psychopathologie, nl. dat geen enkele reactie van het individu onveranderd aan zijn aanleg te danken is, en dat de kennis van de geschiedenis van een bepaald persoon of dier voor de beoordeeling van zijn gedragswijzen, van zijn “karakter”, daarom absoluut noodzakelijk is. Van psychologische zijde wordt soms ontkend, dat de leer van de “voorwaardelijke reflexen” ook op het gebied van de psychologie
151
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

toepasselijk zou zijn. In hoeverre deze tegenkantingen terecht bestaan, zal hier in het midden worden gelaten, maar wel wil ik er op wijzen, dat er talrijke analogieën op beide terreinen te vinden zijn. Morton Prince publiceerde al in 1890 een werkje “Association Neuroses” getiteld, waarin hij de mening uitsprak, dat vele neurosen en neurotische verschijnselen het gevolg van bepaalde, in het individu verankerde, associaties waren. De mogelijkheid daarvan is gemakkelijk in te zien, wanneer wij slechts bedenken, dat iemand, die eens flink zeeziek geweest is, al op het zien van, de zee met een gevoel van onwel-zijn kan reageren. Zo vertelt Mackenzie van een lijderes aan hooikoorts, die door de aanwezigheid van rozen in de kamer steeds een hevige aanval van die ziekte vertoonde. Mackenzie verschafte zich een zeer goed nagemaakte kunstroos en hield deze plotseling aan zijn patiente voor, waarna hij bijna onmiddellijk alle verschijnselen van hooikoorts bij haar nauwkeurig waarnam. Ook volgens W. Betz zijn bij de mens de voorwaardelijke reflexen gemakkelijk op te wekken. Combineert men bijvoorbeeld herhaaldelijk een electrische prikkel, die een contractie van bepaalde spieren geeft, met een geluidssignaal, dan is na een aantal keren het geluid alleen al voldoende, om deze spiercontractie geheel onwillekeurig te doen optreden. Ook de psychotherapie leert ons tal van gevallen kennen, waarin de neurotische reacties ons een vergelijking met de voorwaardelijke reflexen opdringen. Men krijgt in die gevallen sterk de indruk alsof de patient geheel als een automaat werkt. Men doet een dubbeltje in de sleuf op de kop van de metalen kip en deze kakelt en legt haar bonbonei. Zo produceerde een astma-patiente meteen een aanval, wanneer zij meende, dat haar oudere zuster een of andere voorsprong op haar behaald had. Een andere deed hetzelfde wanneer haar man, wat vooral op Zaterdag gebeurde, lichtelijk aangeschoten thuis kwam. Ook bij psychopaten komen deze automatismen duidelijk aan de dag. Een jonge man liet herhaaldelijk alles in de steek om te gaan zwerven, zodra hij een positie in de maatschappij dreigde te krijgen en dus daarin opgenomen, verzwolgen dreigde te worden. Als kind werd hij door zijn knorrige moeder veel bestraft en vooral werden hem vrijheidsstraffen opgelegd. Hij mocht dan niet buiten spelen, maar moest meteen van school naar huis komen. Uit weerspannigheid, tot herstel van zijn persoonlijkheidsgevoel, ging hij toen dikwijls zwerven en kwam ‘s avonds pas heel laat thuis. Deze drang, die hij als een “dwang” ondervindt, doet hem nog steeds uit onbewuste motieven, telkens wanneer hij een druk zal ondergaan, - alles in de steek laten. Hij blijft dan dikwijls dagen lang afwezig.
152
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Geheel in dit kader valt ook iemand, die in een treincoupé een jonge vrouw haar kind de borst zag geven en daardoor sterk seksueel geprikkeld werd. De trein schokte en slingerde toen juist hevig. Deze patient reisde veel voor zijn beroep en nog gedurende lange tijd na dit voorval ontstonden er telkens bij hem seksuele lichamelijke verschijnselen, wanneer zijn trein een wissel passeerde en daardoor sterk ging slingeren of schokken. - Een meisje van negen jaar, dat op nogal gespannen voet met haar ouders stond, omdat zij zich als een andere Assepoes erg achteruitgezet voelde, reageerde op elk vermeend onrecht, door het in haar broekje te doen. ‘s Nachts droomde zij ook van krenkingen, die haar werden aangedaan en dan maakte zij haar bedje nat. De praktijk geeft voldoende reden om te veronderstellen, dat de urinelozing in dit geval als wraakneming een verhooging van het persoonlijkheidsgevoel moest bewerkstelligen. Herhaaldelijk berichtten moeders mij, dat kinderen bijvoorbeeld riepen: “Als je mij niet los laat, doe ik het in mijn broekje”. Zulk een reactie uit de eerste kinderjaren wordt dan tot een voorwaardelijke reflex, die echter slechts zolang in stand blijft, als hij een passende rol in het levensplan vervult. Het zou een veel te eenvoudige voorstelling van de gang van zaken zijn, wanneer wij ons in dergelijke gevallen tevreden stelden de afwijkingen in het gedrag van deze personen gemakshalve aan een aangeboren aanleg toe te schrijven. Veeleer is het onze taak om de voorwaarden waaronder zij ontstonden en de condities, die ze deden voortbestaan, op te sporen. Toch bestaat nog bijna alom de, te gemakkelijke, gewoonte om bijvoorbeeld gevallen van perversiteit of criminaliteit op een perverse of criminele aanleg terug te voeren. Men “verklaart” daarmee echter niets. Natuurlijk en vanzelfsprekend kan niemand zonder hand een vuist maken en moet dus ook voor de verklaring van iedere psychische beweging de mogelijkheid daartoe in de aanleg van het individu voorondersteld worden. In die zin is het begrip “aanleg” een denknoodzakelijkheid. (Bierens de Haan). Wat er echter uit deze aanleg zal worden is het resultaat van de wisselwerking tussen organisme en milieu. Het aantal mogelijkheden is dus oneindig groot, Als een duidelijk voorbeeld, dat bijna als een experiment beschouwd kan worden, hoe bepaalde jeugdomstandigheden het ontstaan van abnormale karaktertrekken kan veroorzaken, kan ik, dank zij de verleende toestemming van de patiente, het nu volgende fragment van een ziektegeschiedenis meedelen. Een zwaarmoedige, psychopathische jonge vrouw heeft, door bepaalde omstandigheden daartoe gedreven, van de beginne een hekel aan haar oudste dochtertje. De nabijheid van het kind hindert haar voortdurend, zij kan het gebabbel van de kleine niet verdragen en iedere aanraking met het kind doet haar onaangenaam aan. Zoekt het kind uit een innerlijke
153
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

behoefte contact met de moeder, dan wordt het afgewezen, dringt het verder aan, dan krijgt het klappen. Wat moet dit kind beginnen? Het kiest de enige, haar overgelaten weg, om zich de opmerkzaamheid van de moeder te verzekere en daardoor met haar in een - al is het dan pover soort - gemeenschap te treden. Het tracht voortaan, wanneer het niet langer eenzaam kan zijn, door ondeugd de aandacht van de mijmerende moeder te trekken. En wanneer haar dit ook op deze wijze niet gelukt, gaat zij voor haar moeder staan en zegt: “Moeder moet mij een klap geven” . Straft de moeder het kind dan echter op een andere manier, dus zonder het te slaan, dan zegt het kind “Moeder, je hebt mij nog niet geslagen” , Het kind streeft er dus naar om geslagen te worden. Zoals te begrijpen is, meende de moeder aanvankelijk, dat het kind haar eigen psychopathische aanleg had overgeërfd. Toen zij zich, nadat de behandeling haar de ogen voor de ware samenhang geopend had, voornam om het kind niet meer te slaan, versterkte dit zijn “Leitlinie” en ging, om tòch het doel te bereiken, tot sarren over en het hield niet op voor de nog steeds onevenwichtige moeder, al haar goede voornemens ten spijt, haar geduld verloor en op het kind los sloeg. Eerst als dit resultaat bereikt was, werd het kind rustig en voelde het zich voldaan. Als in een experiment van Pavlow zien wij het “psychopathische”, “massochistische” karakter als een natuurlijk en noodzakelijk gevolg van speciale “voorwaarden” in het milieu zich voor onze ogen ontwikkelen. Want dit vreemde gedrag wordt door het onjuiste gedrag van de moeder telkens weer aangemoedigd, terwijl anderzijds de “ondeugd” van het kind de afkeer van de moeder steeds weer zal aanwakkeren. Door een en ander wordt de kans steeds groter, dat ook de verhouding van het kind tot de grote gemeenschap later dezelfde vorm zal aannemen. Uit onwetendheid en tot zelfbehoud beantwoordt de maatschappij elke daad, die haar vijandig voorkomt met haat, uitsluiting of internering en zodoende zal zij, zonder dat dit beseft wordt, het werk van de moeder voortzetten. Het slachtoffer wordt daardoor echter steeds meer geisoleerd en tot steeds groter verbittering en vijandschap gedreven.
Toen ik met het 5-jarig kind kennis maakte zei zij: “Ik zal je de benen kapot schoppen” en voegde de daad bij het woord. Ook wilde zij mijn stoelen tot “mosterd” maken. Zelfs toen ik na een poos al tamelijk be- vriend met haar was, drukte zij bij het handgeven altijd haar nageltje in het vel van mijn hand om mij pijn te doen en nog een jaar na onze eerste kennismaking, toen wij toch eigenlijk heel goede vrienden waren, zegt ze nog, half uit de grap: “Ik zal je de oren, de keel afsnijden, je tanden uit je mond halen” etc.

Het meisje vertoonde nog meer “eigenaardigheden”, die ons door de nauwkeurige bekendheid met haar situatie, niet alleen begrijpelijk, maar als een noodwendig gevolg van deze situatie moeten voorkomen. Haar twee jaar jonger broertje genoot wèl de normale genegenheid van de
154
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

moeder en bij het verwisselen van de luier was deze gewend om, zoals moeders dikwijls doen, met de zuigeling van allerlei te babbelen. “Wat zou het kindje nu weer gedaan hebben?” “Bah, wat heb je je weer vies gemaakt”, etc. Het oudere kind hoorde en zag dit alles destijds telkens met veel belangstelling aan, met het gevolg, dat zij het, ofschoon het zelf reeds gedurende geruime tijd geheel zindelijk was, weer in haar bedje ging doen. Als de moeder dan ‘smorgens op de slaapkamer kwam, zei het kind haar vóór, wat zij zeggen moest: “Wat zou het kindje nu weer gedaan hebben?” Het kind geeft dus te kennen net zo als haar broertje te willen behandeld worden. Wat zal er in het kind zijn omgegaan toen het, inplaats van de verwachte lieve woordjes te krijgen, integendeel beknord en gestraft werd. Dat het dochtertje, dat ten opzichte van de moeder “masochistisch” reageerde, jegens het jongere broertje een vijandige, “sadistische” houding toonde, is eveneens begrijpelijk. Dit was zelfs zo erg, dat de moeder haar met het broertje niet alleen kon laten. Zij sloeg hem, zodra zij er kans toe zag en heeft hem eens tot bloedens toe in een vingertje gebeten. Toen het kind 5½ jaar was bestond de vijandschap tegen het broertje nog steeds. Voor haar sindsdien geboren zusje, toen ruim ½ jaar oud, was zij over het algemeen heel lief. Toch is zij ook op dit kindje wel jaloers en zegt bijvoorbeeld tot haar moeder: “Voor broer en Liesje ben je wel lief, maar voor mij ben je nooit lief”. Een keer, toen de moeder bezig was met het kleintje te spelen, zei de oudste: “Mamma, kun je mij niet in zo’n klein kindje omtoveren?” Op de vraag: “Waarom zou je dat willen?” was het antwoord: “Ik wilde graag ook zo lief behandeld worden”. Bij de beoordeling van al deze gezegden van het kind, waaruit al een toenemend vertrouwen tot de moeder spreekt, dient wel in aanmerking genomen te worden, dat tengevolge van de psychische behandeling, die de moeder heeft ondergaan, ook in de ontwikkelingslijn van het kind is ingegrepen. Dank zij die behandeling was de moeder kritisch tegenover haar gedrag ten opzichte van het kind geworden en ofschoon zij haar weerzin tegen het zeer agressieve kind nog steeds niet geheel had verloren, deed zij toch voortdurend haar best om haar onjuiste houding te verbeteren. Waarschijnlijk was het hieraan toe te schrijven, dat het kind voor het jongere zusje geen vijandschap koesterde en dat ook overigens haar ondeugd destijds al verminderd was. Hand in hand met de verdere genezing van de moeder is ook het karakter van het kind, dat ik verder nog enkele jaren heb kunnen volgen, in steeds betere banen geleid. Bij de moeder heeft zich daarentegen het psychopathische karakter destijds ongestoord kunnen ontwikkelen, omdat zij geheel onbeschermd
155
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

tegenover haar ouders heeft gestaan. Beide ouders, maar vooral haar vader, hadden een duidelijk sadistisch karakter. Hoe moeilijk zij het hun kinderen gemaakt hebben, blijkt, behalve uit de mededelingen van patiente over ondergane mishandelingen, ook daaruit, dat deze kinderen eens uit protest gezamenlijk van huis zijn weggelopen en dat één van hen, een jongen van 14 jaar, zelfmoord heeft gepleegd. Wij zien dus hier een geval van “erfelijke” psychopathie (drie geslachten), waarbij, althans bij twee voor het onderzoek toegankelijke generaties, de oorzaken op milieu-invloeden zijn terug te brengen en door een ingestelde behandeling de genezing was te verkrijgen. Dit betekent natuurlijk allerminst, dat door deze beschouwingswijze, het ontbreken van factoren in de aanleg, die het optreden van de psychopathie zouden hebben bevorderd, strikt zou bewezen zijn. In de hier nauwkeurig en langdurig waargenomen gevallen is daar echter niets van aan de dag getreden. Als in het oog vallende algemene karaktereigenschappen trof ons bij de moeder een zekere langzaamheid en remming van de lichamelijke en psychische bewegingen. Deze werd door patiente zelf verklaard als een verweer, dat zij oorspronkelijk tegen haar vader had toegepast. Wanneer hij haar aanspoorde of trachtte voort te drijven, ging zij alles langzaam doen. Toen zij later in een inrichting werkzaam was, waar het haar eerst goed beviel, was van deze langzaamheid niets te bespeuren geweest, totdat zij onaangenaamheden met haar chef kreeg. Toen kreeg zij weer die, haar zelf ook kwellende langzaamheid, zodat zij niet opschieten kon. Haar kind was echter een en al kwikzilver. Als zij bij mij was zat zij dan hier, dan daar in de kamer, overal ondeugd bedrijvend. Ook met haar gedachten en replieken reageerde zij bijzonder vlug en ad rem, sprong graag van de hak op de tak. Deze eigenschappen van het kind zijn wellicht uit haar, door de situatie veroorzaakte, agressiviteit te verklaren. Met het voortschrijden van de genezing zijn echter zoweI de langzaamheid van de moeder als de onrust van het kind in belangrijke mate verminderd, zodat tegenwoordig zowel de moeder als het dochtertje tot de bewegelijke, maar binnen normale grenzen vallende, typen zouden te rekenen zijn. Van, het in dit boek verdedigde standpunt uit, wordt de mogelijkheid aangenomen, dat een minderwaardige organisatie van het individu, verhoogde bestaansmoeilijkheden voor hem zou meebrengen en daarom een verleiding tot een psychopathische karakterontwikkeling zou betekenen. In zijn interessant werkje “Beschouwingen over de criminaliteit in Oss, vergeleken bij die in andere streken van NoordBrabant”, vermeldt Casparie, dat onder de delinquenten van een, in een ander deel dan Oss gelegen, misdadigerscentrum (‘t Heike bij Rucphen) tal van psychopathologische en ook lichamelijk gedegenereerde typen
156
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

aangetroffen worden. Lichamelijke minderwaardigheid gaat in deze bevolkingsgroep samen met slechte sociale omstandigheden en dit laatste zou met de zwervende levenswijze van de vroegere bevolking samenhangen. De criminaliteit in dit centrum is nu echter in de laatste jaren sterk afgenomen, vermoedelijk door verbetering van de sociale omstandigheden. In Oss daarentegen hebben wij te doen met een aantal erfelijk misdadige families, die geen pathologische of degeneratieve kenmerken vertonen. Casparie brengt hun misdadige traditie in verband met een in 1399 aan de Ossenaren verleend privilege, waarin bepaald was, “dat geen poirter van Oss in Oss of in de gehele Meijerij van Den Bosch voor het gerecht mocht gedaagd worden wegens doodslag of medeplichtigheid aan doodslag, tenzij ook door twee onpartijdige poirters van Oss tegen hem getuigd werd”. Daar kwam nog bij, dat indien aan deze laatste voorwaarde niet werd voldaan, de aanklager met 30 “schilden” beboet werd. Dit privilege bleef van kracht tot 1795 en het vermoeden ligt voor de hand, dat het tot de tegenwoordig nog bestaande traditie van doodslag en de gewoonte van de Ossenaren om elkaar onder geen beding te verraden, sterk heeft bijgedragen. Zowel het voorbeeld Rucphen als Oss leert ons hetzelfde als de door mij ter sprake gebrachte ziektegeschiedenis van moeder en kind, namelijk de grote rol, die de familietraditie en de uitwendige omstandigheden spelen en de nevenrol die de minderwaardige constitutie schijnt te vervullen. In Rucphen is immers, ondanks degeneratieve kenmerken bij een bevolkingsgroep, die vroeger tot de woonwagenbewoners behoorde, de misdadigheid door een verandering van de sociale omstandigheden verminderd, terwijl alle pogingen tot sanering in Oss op de kracht van de eeuwenoude traditie zijn afgestuit. Door het door ons gevoerde betoog is intussen de onmogelijkheid van het bestaan van een erfelijke, abnormale, psychische aanleg nog niet strikt bewezen. Onze uiteenzetting heeft echter dunkt mij wel aangetoond, dat deze laatste hulphypothese voor een verklaring, althans van de onderhavige gevallen, minstens overbodig is. Daar men er nu in de verklarende wetenschap juist naar streeft om het aantal van de benodigde hypothesen zo klein mogelijk te doen zijn, zijn wij verplicht om de veronderstelling van een aangeboren, specifieke richting van de psychische beweging voor de hier besproken gevallen te verwerpen. De, nu al zeer uitgebreide, psychotherapeutische ervaring geeft ons bovendien het recht om te vermoeden, dat deze uitspraak als een algemeen geldige mag worden opgevat en dat, als variant op de conclusie van A. C. Elsbach (“Handboek v.h. moderne denken”): “De leer van de aangeboren waarheden is een overbodige hypothese”, de stelling verdedigd mag worden: “De leer van de aangeboren psychische aanleg,
157
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

in de zin van een aangeboren richting van de psychische beweging, is overbodig, want er is geen enkel verschijnsel van de psyche, dat er beter door wordt verstaan”. Voor de verklarende psychopathologie zijn waarnemingen, als in de door mij meegedeelde ziektegeschiedenis vermeld, van grote betekenis. Zij leggen oorzaken bloot en leren verhoudingen kennen, die wij bij de meeste van onze patienten slechts onvolledig te weten komen, want men heeft bij de behandeling meestal met volwassenen of grotere kinderen te doen. De voor ons doel zo belangrijke situatie van de eerste levensmaanden en jaren ligt dan al in een ver verleden. Men tracht zich dan wel uit de beschikbare gegevens zo goed mogelijk een voorstelling van deze situatie te maken, maar men blijft er zich in vele gevallen toch van bewust, dat deze voorstelling min of meer vaag en onzeker is. In het hier besproken geval, waarin de omstandigheden tot in de finesses bekend waren, zag men echter voor zijn ogen zich afspelen, wat men in andere gevallen hoogstens met kleiner of groter waarschijnlijkheid vermoeden kan. Het is een van de grote verdiensten van Alfred Adler, dat hij de juiste begrippen heeft weten te scheppen, die ons in staat stellen om beter dan voorheen de werkzame factoren in de jeugdsituatie en de aard van hun werkingen te onderkennen en op het spoor te komen. Prof. Samoiloff liet zich tijdens een voordracht eens ongeveer als volgt over zijn grote leermeester Pavlow uit: “Er waren talloze “voorwaarden” toe nodig om van Pavlow de grote onderzoeker te maken, die hij inderdaad geworden is.” Door alle sinds de geboorte “gebaande” voorwaardelijke reflexen worden tendensen geschapen die zich subjectief als waarderingen, verlangens, streven en willen voordoen. En deze, dikwijls volkomen onbewuste en ongekende drijfveren, bepalen nog het handelen van de mens, al beantwoorden de oude mechanismen en het oude doel sinds lang niet meer aan de logische eisen van een geheel veranderde omgeving. En steeds tracht daarom het individu elk nieuw milieu zo om te scheppen, dat daarin de oude voorwaarden weer vervuld zijn en hij zijn oude reflexen (Künkel noemt ze “dressaten”), zijn oude levensplan kan blijven volgen.
Het meisje, waar van de geschiedenis in dit hoofdstuk verhaald werd, trof mij eens toen ik weinig tijd had en zeer gehaast was. Zij wist mij zó te tergen, dat ik haar een tik gaf. “Je hebt mij geslagen,” constateerde zij met voldoening, Mijn fout kon ik gelukkig later weer bij haar goed maken. A.S.Neill vertelt in “Probleemkinderen” van het volgende afscheids- gesprek met een meisje, dat zijn school verliet: “Wel” zei Neill vriendelijk, “ik heb je niet veel kunnen helpen, hè?”. - “Weet U waarom niet?” vroeg ze met een kort lachje. “De allereersten dag dat ik op school was, was ik bezig een kist te maken en toen zei U, dat ik te veel spijkers gebruikte. Van dat ogenblik wist ik, dat U al net was als alle andere schoolmeesters: een bemoeial. Toen kon U me onmogelijk helpen.”Je hebt gelijk” zei Neill “Adieu”.

158
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Bij dit alles blijft het hoe en het waarom voor het individu verborgen. De belangrijkste besluiten in het leven worden zonder overleg, als vanzelf, door het onbewuste genomen. Het doel dat de mens najaagt en waaraan hij de werkelijkheid dienstbaar maakt, het plan volgens wat hij dit bewerkstelligt, dit alles wordt echter, zonder dat hij het ook maar vermoedt, door zijn reactie op de jeugdomstandigheden grotendeels bepaald. Het doel van de psychotherapeutische wetenschap moet zijn om de waarde van deze jeugdomstandigheden (zowel van de “exogene” als van de “endogene”) steeds beter te leren kennen. Zij kan tevens de voorwaarden en omstandigheden opsporen, die in elk speciaal geval aan het milieu moeten toegevoegd of onttrokken worden, om de juiste betrekking tussen het individu en het milieu (alsnog) tot stand te brengen. - Dit laatste is de opvoedkundige taak van de psychotherapie. Wat de volwassene betreft, die het spoor bijster is geworden, koestert zij de verwachting, die in zeer vele gevallen bewaarheid wordt, dat de kennis omtrent de samenhang van de psychische verschijnselen en de wetenschap dat zij geheel van onze doelvoorstelling afhankelijk zijn, de lijder de moed zullen hergeven om zijn levensplan te wijzigen. Zijn reacties zullen zich dan tevens bij dit nieuwe levensplan aansluiten.

159
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

HOOFDSTUK XIII. IETS OVER DE GENEZING DOOR PSYCHISCHE BEHANDELING Men ontmoet vrij dikwijls de mening, zowel bij artsen als leken, dat ‘smensen natuur onveranderlijk en voor verbetering onvatbaar zou zijn, en dat ook een beter inzicht hem weinig zou baten. De psychotherapeut is deze mening natuurlijk niet toegedaan, in de eerste plaats omdat hij zich anders niet tot dit onderdeel van de geneeskunst zou hebben aangetrokken gevoeld, in de tweede plaats omdat de ervaring zijn optimisme in de regel bevestigt. (Evenals trouwens de pessimist, door zijn pessimisme, zijn voorspelling dikwijls bewaarheid zal zien). Dit betekent natuurlijk niet, dat men alle afwijkingen volkomen zou kunnen genezen. De geneesheer voelt ook op dit gebied de grenzen van zijn kunnen, evengoed als van de spankracht van dengene, die zijn hulp heeft ingeroepen. juist op het gebied van de psychotherapie zijn tal van nog moeilijk te definieren persoonlijke eigenschappen, zowel van geneesheer als patient, werkzaam, die wij onder het begrip “instelling” zouden kunnen samenvatten. Dit draagt er toe bij, dat het resultaat van een behandeling in elk speciaal geval moeilijk te voorspellen is. Om enigszins aan te geven wat onder “genezing” moet worden verstaan, kan het volgende gedichtje van Goethe dienen.
“Liegt dir Gestern klar und offen, Wirkst du heute frisch und frei, Kannst du auf ein Morgen hoffen Das nicht minder glücklich sei.

Inderdaad liggen in deze paar regels alle voorwaarden van de “gezondheid” wel opgesloten. Het verleden is duidelijk geworden, omdat het hoe en waarom de patient zo geworden is, hem bekend is geworden. Daardoor kan hij bevrijd aan het werk gaan, om opgewekt en vol hoop een toekomst voor te bereiden, waarin hij nieuwe ervaringen zal opdoen en allengs de oude fouten zal leren te vermijden. Zoals bekend tracht de moderne psychotherapie de storingen van het zielenleven te begrijpen, omdat een merkwaardige ervaring had aangetoond, “dat op dit gebied het begrip en de genezing bijna samenvallen, dat althans een begaanbare weg van het een naar het andere voert.” (Freud). Dat deze weg echter lang niet altijd gemakkelijk begaanbaar is, leert men meestal pas allengs voldoende beseffen. Oppervlakkig bezien lijkt het zo vanzelfsprekend, dat de ontspoorde, wanneer hem de juiste weg bekend is geworden, deze vol vreugde zal gaan om uit zijn ellende verlost te worden, Maar men bedenke, dat de verkeerde houding en het onjuiste gedrag meestal uit een jarenlange training in verkeerde richting zijn voortgekomen en dat ook de nieuwe
160
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

levenshouding geleerd moet worden. Bovendien mogen wij niet vergeten, dat ook het tijdens een goed geleide behandeling verworven inzicht toch slechts betrekkelijk juist en volkomen is en in moeilijke of moeilijk te benaderen gevallen zelfs min of meer gebrekkig en onvolledig blijft. Wat wij vinden is niet de absolute, enige waarheid, maar hoogstens een min of meer geslaagde vergelijking of “gelijkenis”. Om de moeilijkheden, die het “begrijpen” soms van het “genezen” scheiden, te begrijpen, houd men voor ogen, dat ook de verkeerde levenshouding toch als een bepaalde vorm van aanpassing te beschouwen is en de genezing het verlaten van deze oude vorm en het aannemen van een nieuwe inhoudt. Wat daartoe geschieden moet, kunnen wij wel vergelijken met de taak die een predikant zichzelf zou opleggen, wanneer hij plotseling tot de ontdekking kwam, dat hij de plicht had om chirurg te worden. Er is geen sprake van, dat met het nemen van zijn besluit tevens zijn moeilijkheden zouden zijn opgelost. Ze zouden dan eerst recht beginnen. Albert Schweizer moet eens gezegd hebben, dat het een eenvoudig inzicht was, dat hem het besluit deed nemen om arts te worden en naar Lambarene te gaan. Hoe bewondert de gehele wereld de moed waarmee hij de consequenties van zijn inzicht aanvaard heeft. En het zijn juist deze moed en dit zelfvertrouwen, die onze patienten missen. Des te meer heb ik hen daarom dikwijls bewonderd omdat zij ondanks schijnbaar onoverkomelijke moeilijkheden toch de weg naar de beterschap aanvaardden. “Ik durf niet beter te worden”, was de herhaalde klacht van iemand, die zich reeds jaren geleden, tengevolge van haar insufficientiegevoelens, in de neurose had teruggetrokken. “Als U mij dit alles vijftien jaar geleden gezegd had, zou het mij misschien geholpen hebben”. Nu waren haar naaste betrekkingen overleden of verspreid en was zij voorgoed van haar beroep vervreemd. Wat zou voor haar de beterschap anders beduiden, dan het afstand doen van het haar vervullende troostende waandenkbeeld, dat de liefdeloosheid, het onjuiste gedrag en de onrechtvaardige bejegening van de andere haar in haar ongelukkige positie gebracht hadden. In ruil voor deze troost had de gezondheid haar weinig meer te bieden en er zou een eindeloze liefde en toewijding nodig geweest zijn om haar grote en door haar voortdurende training steeds vergrote kwetsbaarheid in een vertrouwen in de medemens te veranderen. In deze zware gevallen zou men al zeer gunstige condities moeten kunnen scheppen om op een gunstig resultaat te mogen hopen. Maar ook in deze zware gevallen zullen vermeerdering van kennis en verbetering van de techniek misschien doeltreffender hulpmiddelen doen ontdekken, terwijl een vroeger ingrijpen allengs meer onheil zal kunnen voorkomen.
161
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Gelukkig zijn de omstandigheden slechts zelden zo troosteloos en zelfs bestaan er uitzonderingen, waardoor een gunstige verandering van het milieu, reeds een eerste stap in de goede richting gedaan is. Een eenvoudig voorbeeld daarvan wil ik nu vermelden. Een jongen van 18 jr., beschermeling van “Pro Juventute” , komt 2 Mei in behandeling wegens enuresis nocturna. Hij is meestal ongeveer 3 maal per week nat. Zijn vader is potator (chronische drinker AvdH) en leeft met een andere vrouw, zijn moeder leeft van ontucht en is een keer wegens abortus provocatus veroordeeld. Nadat de ouders uit de ouderlijke macht ontzet waren, is onze patiënt achtereenvolgens bij verschillende boeren geplaatst, maar het beviel hem eigenlijk nergens. Volgens de ambtelijke inlichtingen is het een gesloten, maar goedhartige jongen, die van zijn zakgeld spaart om af en toe kleine geschenken voor zijn jongere broertjes te kunnen kopen. De boer heeft een goede knecht, maar geen prettige huisgenoot aan hem. Hij schijnt zich over het gedrag van zijn ouders te schamen, want toen zijn vader hem eens dronken op de boerderij kwam bezoeken, is hij het veld ingelopen en pas uren later teruggekomen. De jongen is aanvankelijk bij onze besprekingen heel weinig toeschietelijk en zegt uit zichzelf nagenoeg geen woord. In zulke gevallen, waar de patiënt zwijgt, moet men natuurlijk zijn gedrag laten spreken. Zijn “stompzinnigheid” kon wel eens daardoor veroorzaakt zijn, dat hij zich geheel als “object” voelt en gedraagt; dat hij zichzelf als een speelbal van de andere beschouwt, omdat die andere hem in alles ver vooruit zijn en hij zich geheel in hun macht voelt. Hij zal dan de andere als onbegrepen wezens, a.h.w. door een mist, ver weg zien.
Dat in deze gevallen de conversatie bijna geheel door de therapeut moet gevoerd worden, mag geen bezwaar zijn. Uitgaande van een voorlopige onderstelling, zal hij de patiënt door zijn belangstellende vragen en zijn opmerkingen prikkels toedienen en diens reacties op die prikkels nauwkeurig observeren. Door raden en vermoeden, waarbij hij de patiënt steeds in het oog houdt en bespiedt, is de arts dan meestal in staat om dingen te zeggen, die de patiënt treffen en een of andere reactie (een oogopslag of een verandering in lichaamshouding) bij hem teweegbrengen. Aldus gissend en proberend lukt het meestal zich een globaal overzicht van de situatie te verschaffen. De uitkomsten van een dergelijk onderzoek, zijn in gevallen als het hier behandelde, aanvankelijk nog slechts vaag omlijnd, omdat de patiënt, niet gewend om in begrippen te denken, de denkbeelden die de ander hem voor houdt slechts aarzelend en enigszins verwonderd kan aanvaarden. Maar, zoals Sophie Freudenberg (Erziehungs- und heilpädagogische Beratungsstellen) zegt. “Die Individualpsychologie arbeitet, bei aller verständnisvollen Erklärung der Individualität, mit einigen so grundlegenden schlichten psychologische Erkenntnissen, dasz diese auch dem Kinde und dem ganz denkungewohnten Mensen zugänglich gemacht werden können.”

Toen onze patiënt nog bij zijn moeder woonde, was hij ‘s nachts wel eens nat, maar was toch ook wel weken achtereen droog. Na de scheiding is dit toen veel erger geworden. Hij heeft het sindsdien nergens naar zijn zin gehad, omdat hij deze uitbesteding bij andere als
162
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

een schande, een vrijheidsbeperking beschouwt. Hij meent een verschoppeling te zijn, zonder eigen wil, die allerlei mensen moet gehoorzamen, die van nature geen zeggingsrecht over hem hebben. “Wanneer ouders hun kinderen commanderen is het niet erg, maar de andere, bijv. de opvoedkundige ambtenaar, hebben eigenlijk niets over je te zeggen”. Het is dus geen wonder, dat hij zich nergens thuis voelt, een hekel aan zijn werk en de mensen heeft en met niemand omgang zoekt. Uit dit half geraden, half door patient gegeven inzicht volgt, dat hij zich in een hem onbekend en vijandig land gelooft. Door zijn gebrek aan zelfvertrouwen, voelt hij zich in deze wereld een vreemde, heeft hij angst voor de toekomst en in moeilijke ogenblikken een verlangen naar het verleden, naar de bekende, orde betekenende wanorde van het ouderlijke huis, naar zijn moeder. En het bedwateren, dat vroeger misschien diende om de aandacht van de zorgeloze moeder zo goed mogelijk te trekken, is tegenwoordig de uitdrukkingswijze van het verlangen naar het nog-een-kind zijn, tegelijk van zijn onwil tot aanpassing en coöperatie.
Wanneer men, zoals de Individualpsychologie dit doet, in het bedwateren een “orgaandialect” ziet (waaraan dikwijls een orgaanminderwaardigheid ten grondslag ligt), dan komen voor de psychologische verklaring verschillende momenten in aanmerking. 1e Maakt het bedwateren op de omgeving (de moeder) een bepaalde indruk en brengt het een bepaalde reactie teweeg (medelijden en hulpbetoon of boosheid en straf) en is dus een doelmatige uitdrukkingswijze van gevoelens van hulpbehoevendheid of verzet. (Adler, Heilen und Bilden, blz. 209: “Pavor nocturnus, weinen im Schlaf sind sichere Zeichen, wie Bettnässen auch, eines nach Verzärtelung strebenden Kindes”). 2e Wellicht mee door de triomf, welke het kind zich door dit middel verschaft, krijgt de begeleidende lichamelijke sensatie een lustvol karakter en werkt het daardoor compenserend op door de realiteit uitgeoefende onlustgevende prikkels, terwijl het tevens, zoals alle orgaangevoelens, deze schadelijke prikkels maskeert, doordat de aandacht erdoor op het “Ik” gericht wordt. Een en ander vindt men in een spontane uiting van een 8-jarig meisje dat aan enuresis diurna et nocturna leed, terug. “Gisteren werd ik op school gestraft voor iets wat ik niet gedaan had. Ik deed het toen in mijn broekje uit nijd.” Dit kind voelde zich tegenover haar oudere zusje door haar ouders sterk achteruitgezet en haar bedwateren ging meestal met dromen, waarin haar onrecht gedaan werd, gepaard (o.a. een typische Assepoesterdroom).

Het lukt om tijdens onze bespreking onze patiënt, die langzamerhand meer ontdooid en op zijn gemak geraakt is, een en ander van onze gedachtegang, voorzover deze op hem persoonlijk betrekking heeft, op zijn wijze te doen meeleven. Langzamerhand gelukt het ook, hem de moed te verschaffen, om te begrijpen, dat er ook een andere kijk op zijn situatie en een andere gedragswijze voor hem mogelijk is. Dat inplaats van een passieve weerstand door angst, er een moedige activiteit en geleidelijke aanpassing kan plaats hebben. Hij is geen verschoppeling, maar hij voelt en maakt zich zó, omdat hij zich afzondert en de andere als vijanden en verdrukkers beschouwt.
163
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Dan wordt er op gewezen, dat actieve aanpassing oplettendheid en waakzaamheid betekent, ook gedurende de slaap en wordt de mening uitgesproken, dat hij, telkens wanneer dit nodig mocht, zijn, ‘s nachts kan wakker worden en opstaan. Drie dagen later is hij één nacht nat geweest. Die nacht droomde hij, dat de koeien, die hij moest melken, aan het draven waren. Zij zijn dan moeilijker te melken, de opbrengst is minder en dan krijgt de jongen verwijten van zijn baas te horen. In deze droom zit nog een ontmoedigde tendens: Ik kan tegen de omstandigheden toch niet op, de mensen zijn tegen mij, zijn mij te machtig. Een keer is hij ‘s nachts wakker geworden en opgestaan om te urineren. Kort na dit tweede consult is patiënt s’ avonds op de fiets weggegaan en, na een paar dagen van omzwerving, bij een vroegere baas van hem in Gelderland beland, vanwaar hij weer naar Utrecht is teruggehaald. Hij krijgt dan huisarrest en verschijnt pas na 6 weken weer bij mij. Vermoedelijk heeft de behandeling, die voor hem waarschijnlijk een “begrifflich” doorleven van zijn tot nog toe slechts “unbegrifflich” en vaag gekoesterde opstandigheid ten gevolge heeft gehad, deze plotselinge oplaaiing van verzet veroorzaakt. Gedurende deze 6 weken is hij slechts twee maal nat geweest en is elke nacht geregeld een keer opgestaan om te urineren. Weer drie weken later heeft hij slechts één maal gefaald. Uit allerlei feiten blijkt bovendien, dat hij veel in zijn voordeel veranderd is. Zijn humeur is veel beter geworden en inplaats van overal vijanden te zien, is hij bereid en in staat om met de andere samen te werken. Gedurende de volgende maanden blijft deze gunstige toestand onveranderd voortbestaan, ook al zijn er nog enkele keren kortdurende inzinkingen geweest. Deze zijn meestal als gevolg van moeilijkheden met de boer of de boerin te verklaren, die niet altijd even goed van humeur en dan wel wat onrechtvaardig in hun berispingen zijn. Is er zoiets voorgevallen, dan krijgt patiënt dorst, drinkt veel water, slaapt ‘s nachts heel vast en wordt tegen zijn nieuw verworven gewoonte in, niet om ongeveer half twee ‘s nachts wakker om te urineren. Wij kunnen dit alles als een arrangement opvatten. Opstandig en ontmoedigd geworden, drinkt patiënt veel, en slaapt daarna heel vast om ongestoord in bed te kunnen wateren. Hij uit daardoor zijn opstandigheid en geniet een stille triomf evenals hij dit als kind over zijn moeder deed. Het vele drinken wordt nog begrijpelijker door de mededeling, dat zijn moeder gewend was hem dit drinken te verbieden. De behandeling heeft in ‘t geheel 7 maanden geduurd en bestond uit tien consulten. Onze patiënt heeft een grote verandering in zijn persoonlijkheid doorgemaakt. Hij maakt nu een veel prettiger en tevredener indruk, is lichamelijk veel gezonder geworden en belangrijk in
164
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

belang toegenomen. Ook zijn voogd is heel tevreden over hem, zodat zijn zakgeld verhoogd is en hij een nieuwe jas gekregen heeft. Hij is over de gehele linie flinker, manlijker geworden. ‘s Nachts wordt hij nog geregeld een keer wakker. Twee jaar na de beëindiging van de behandeling bericht zijn voogd bij navraag: “Onze pupil heeft zich tot op heden goed gedragen. Bedwateren doet hij niet meer en in zijn laatste betrekking gaf hij geen moeite”. De behandeling van de enuresis, in ‘t algemeen van de “orgaanneurosen” , blijft een van de moeilijke problemen van de psychotherapie. Als samenwerkende oorzaken vindt men aan de ene kant orgaanafwijkingen (orgaanminderwaardigheden in de zin van Adler) aan de andere kant psychische conflicten. Wat de orgaanminderwaardigheid betreft vindt men herhaaldelijk bij jonge bedwaterende kinderen resten van een, ook anamnestisch te constateren, blaas- of nierbekkenontsteking, verder ontmoet men vrij dikwijls een gebrekkig gesloten wervelkanaal, terwijl mij een paar gevallen, waarin orthostatische albuminurie bestond, zijn opgevallen. Bovendien kon ik tweemaal de resten van een oude encefalitis constateren. Wij kunnen al deze afwijkingen als aanwijzingen voor een orgaanminderwaardigheid opvatten en aan deze orgaanminderwaardigheid, die een bemoeilijking van de beheersing van de functie meebrengt, ook gedeeltelijk de soms te constateren erfelijkheid van de enuresis toeschrijven. Dat de enuresislijders soms bovendien een eigenaardigheid in hun waterstofwisseling vertonen, valt af te leiden uit het “gedunsen” uiterlijk, dat zij soms vertonen en aan de enorme hoeveelheid zeer dunne urine, die zij dikwijls, ook na een halve dag het drinken vermeden te hebben, reeds kort na het inslapen weten te produceren. Het is echter bekend, dat bij een dergelijke waterretentie en ook bij de diurese, in ‘t algemeen psychische factoren een grote rol kunnen spelen. Bij genezing van enuresis langs psychische weg, verdwijnt dit opgezette uiterlijk en verdwijnen ook deze grote hoeveelheden sterk verdunde urine. Daar een behandeling van de organische afwijkingen of disposities meestal onmogelijk is (de quasi somatische behandelingen, die wel worden aanbevolen, zijn waarschijnlijk slechts suggestief werkzaam), moet voor de behandeling de psychische factor wel als de beslissende beschouwd worden. Bovendien is in tal van gevallen een organische dispositie in het geheel niet aan te tonen. Over de psychologische factoren kunnen wij nog het volgende zeggen (veronderstellen). Ten eerste treffen wij bij bedwateraars niet zelden de “verwaarlozing” aan, d.w.z. een afwijzende gevoelsinstelling van de verzorgers tegenover het kind. Dit zal dan onbewust naar alle middelen
165
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

grijpen, die de verzorgers dwingen zich met hem bezig te houden en die het tegelijk in staat stellen hen te weerstaan. Het kind wil de “sterkere” zijn. Ook het verwende kind zal in die richting als het ware worden opgevoed. In beide soorten van gevallen betreft het dus kinderen, bij wie een versterking van het gevoel van hulpeloosheid en zwakte is te voorschijn geroepen. In situaties van neerslachtigheid en eenzaamheid kan de enuresis bovendien een soort troost, door een organisch ik-gevoel, beduiden en tevens als een teruggang, een regressie, als een vlucht naar een vroegere periode worden aangezien, toen men nog kind, afhankelijk en onverantwoordelijk was. De enuresis betekent dan (en dit wordt door de praktijk van de psychotherapie vaak bevestigd) tevens een objectivering van een eigenlijk op de gehele persoon betrekking hebbend minderwaardigheidsgevoel. Er is zodoende een middel geschapen om de ontwikkeling van de persoonlijkheid te remmen, moeilijkheden (bijv. het huwelijk) uit de weg te gaat. Men heeft een zondebok voor alles bij de hand. (De moeder van een van mijn patiënten uitte bijvoorbeeld haar bezorgdheid, dat haar zon, afgeschrikt als hij was voor de omgang met meisjes, nu tot verkeerde, homoseksuele praktijken, zijn toevlucht zou nemen). Niet vergeten mag ten slotte worden, dat, afgezien van alle motiveringen, de eenmaal beoefende verkeerde training, de “slechte gewoonte”, bij het voortbestaan van de afwijking een rol moet blijven spelen. Deze verkeerde training maakt, dat een hernieuwd falen, ook bij een aanvankelijk slagen van de therapie, gemakkelijk weer plaats kan vinden, want elke nieuwe training vereist een verhoogde aandacht en geestelijke inspanning. Een hernieuwde ontmoediging is dan het gevolg, waardoor de patiënt weer opnieuw in de verzoeking wordt gebracht om zijn beproefde middel aan te wenden, dat hem in staat stelt om voor de grotere verantwoordelijkheid, de wijdere horizont, terug te wijken. Wat in dit geval de genezing bevorderde, was rnerzijds de nog bestaande genegenheid van de jongen voor zijn broertjes en zusjes, welke uit zijn trouw en geschenken aan de dag kwam. Daaruit bleek, dat hij het vertrouwen in de mensheid nog niet geheel verloren had, zodat er nog een aanknopingspunt voor zijn gemeenschapsgevoel bestond en dit laatste door een volkomen isolement nog niet verstikt was. Verder waren daar de betrekkelijk gunstige uitwendige omstandigheden. Hij zat niet meer met de alom verachte ouders, in het hoekje waar de maatschappij haar slagen laat vallen en wat zijn toekomst betrof, had deze in armoede en verwaarlozing geboren jongen als boerenknecht een verschiet voor zich, dat hem betrekkelijk aanlokkelijk kon voorkomen, Dat de weg naar de genezing ook voor hem, eerst moeilijk was, volgt uit zijn desertie. Hij ontvluchtte de taak, die het inzicht op zijn schouders legde en probeerde
166
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

door een laten oplaaien van zijn opstandigheid de hem dreigende verantwoordelijkheid te ontlopen. Herhaaldelijk zien wij, dat in het begin van de behandeling òf de verschijnselen verergeren òf de patient de arts verwijt hem niet geholpen, maar zijn toestand nog moeilijker gemaakt te hebben. “Ik wilde, dat ik U nooit ontmoet had, want nu kan ik naar het oude niet meer terug en het nieuwe durf ik niet, kan ik ook niet.” Men zal dus in het algemeen trachten om een te sterke en te plotselinge belasting te vermijden. Men zal de patient niet trachten te dwingen of over te halen, maar hem gelijdelijk het doel, de bereidheid tot samenwerking, langs de voor hem best begaanbare weg, helpen naderen. Wanneer wij hetgeen in de aanhef van dit hoofdstuk van een patient vermeld werd, vergelijken met hetgeen uit de ziektegeschiedenis van de jongen werd meegedeeld, treedt het grote belang van een zo vroegtijdig mogelijk ingrijpen klaar aan de dag. De mogelijkheden, die de moderne psychotherapie (ik wil hier andere richtingen niet uitzonderen) tegenwoordig al, ondanks haar onvolkomenheid, biedt, wordt echter nog te weinig beseft en er wordt nog te veel tegen de psychische behandeling, als tegen een pijnlijke chirurgische ingreep, opgezien. Hoewel deze tegenstand zeer begrijpelijk is, worden daardoor toch vele goede kansen verzuimd en veel leed onnodig bestendigd. Bovendien is in de psychotherapeutische beïnvloeding van het kind en zijn opvoeders de mogelijkheid voor een doeltreffende profylaxe gegeven. Naarmate de moderne inzichten zich meer zullen hebben geconsolideerd en een grotere verbreiding zullen hebben gevonden, komt hier waarschijnlijk een nieuwe taak op de pedagoog te rusten, voorzover hij zich tot dit speciale gebied zal voelen aangetrokken en bereid is om de noodzakelijke intense scholing in theorie en techniek op zich te nemen. Want een lichtvaardig dilettantisme kan op dit gebied veel kwaad aanrichten, ook omdat een goede zaak er onnodig in discrediet door wordt gebracht. “Ich möchte hervorheben, dasz das, was ich hier schildere, die Klaviatur, das Netzwerk ist, es geniigt nicht das nur zu wissen, es musz iemand dabei sein, der darauf spielen kann, der dieses Netzwerk versteht.” (Adler). Voorzichtigheid moge hier dus geboden zijn, dit neemt niet weg, dát, wanneer men de zittingen van de kosteloze en voor iedereen toegankelijke “Erziehungsberatungen” in Wenen als toehoorder heeft bijgewoond, men de resultaten leert bewonderen, die daar door nietartsen bereikt worden. Men bespeurt dan de moeilijkheden die de leiders of leidsters hier al spelend overwinnen en krijgt respect voor hun bekwaamheid en enthousiasme. Men gaat bevroeden dat alleen het volkomen in-zich-opnemen van de theorie het inzicht en de geestdrift
167
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

kan geven, nodig om de idee, die aan deze theorie ten grondslag ligt, te kunnen verwerkelijken. “Da wäre es vor allem am Platze, die aus der Individualpsychologie flieszenden Anschauungen bekannt zu machen und in Anwendung zu bringen, damit jeder nach seinen Kräften und Möglichkeiten mithelfen könnte.” (Adler).

168
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

BESLUIT Sinds de aanvang van deze eeuw zijn er vrijwel in de gehele wetenschap nieuwe, revolutionnaire werkhypothesen in gebruik gekomen, die eerst de grondslag van de oude wetenschap schenen te zullen omverwerpen, zodat men allerwege van “crisis” sprak, maar die zich tenslotte als zelfstandige stromingen een eigen weg gebaand hebben. Adler is één van deze revolutionnairen, omdat hij de causaal-finalen denkvorm in de psychopathologie en psychologie heeft ingevoerd en voor de causale in de plaats gesteld. Volgens het oordeel van sommigen zou hij het terrein van de wetenschap in strikte zin daardoor verlaten hebben. Kiezen wij echter als definitie voor wetenschap de omschrijving, dat de beoefenaar van een wetenschap die denkvorm kiest, welke hem de samenhang in de natuur zo eenvoudig mogelijk en zonder tegenstrijdigheden als een eenheid doet bespeuren, dan voldoet de Individualpsychologie zeer zeker aan deze definitie. Door de zo-even geschetste omstandigheid en ook om andere redenen heerst er in de psychologie tegenwoordig een vrij grote verwarring en veel misverstand. Dit ontlokte aan Mc. Dougall de klacht, dat voor een juiste kennis en waardering van de tegenwoordig in de psychologie ingenomen standpunten een geheel mensenleven nauwelijks voldoende is. De moeilijkheid is wel hieraan toe te schrijven, dat elk wetenschappelijk standpunt een langzaam gerijpt resultaat van studie en wereldbeschouwing is en daarom aan de buitenstaander moeilijk, bijv. in een debat, kan worden bijgebracht, terwijl anderzijds juist zulke debatten toch tot een uiteindelijke overeenstemming het meeste zullen bijdragen. In de psychotherapie zijn het vooral de standpunten van Freud en Adler, die als uiterste polen van de verschillende meningen moeten opgevat worden. Wij willen in dit slotwoord trachten nog enkele voorname verschilpunten kort te belichten. In de psychoanalyse voert het organische uitgangsmateriaal, waarover het individu bij zijn geboorte de beschikking krijgt, enigszins een eigen leven en wordt slechts zeer geleidelijk en nooit geheel en al (door de “integratie”) in de eenheid van het individu opgenomen. Daarentegen vormt het individu bij Adler van meet af een onbreekbaar geheel, waarvan de eenheid eerst door het heersen van een biologische, later van een persoonlijke finaliteit wordt in stand gehouden. Terwijl in de psychoanalyse als dynamische principes “honger” en “liefde” dienst doen, waarvan “Ich-triebe” en “Sexual-triebe” het uitvloeisel zijn, zien wij in de Individualpsychologie het ik-gevoel en het gemeenschapsgevoel, die tot louter zelfverhoging of tot aanpassing voeren, een overeenkomstige rol vervullen, Het Ik is bij Freud de beperkende, verdringende kracht, terwijl de “Sexualstrebungen” als het
169
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

verdrongene, onderdrukte worden beschouwd, waardoor het conflict tussen beiden in de mens wordt gelocaliseerd en door de integratie tot oplossing wordt gebracht. Daarentegen voert de zelfverhoging van het Ik in de Individualpsychologie tot een conflict met de buitenwereld. In verband hiermede treedt in de psychologie van Adler het actuele conflict veel sterker op de voorgrond dan in de psychoanalyse, welke zich als taak heeft gesteld “alle neurotischen wie psychotischen Erscheinungen aus abnormen Schicksalen der Libido, also aus Ablenkungen derselben von ihrer normalen Verwendung”, te verklaren en daarom met de uitwendige omstandigheden veel minder rekening houdt. Dan is er een belangrijk verschil in de techniek. In de psychoanalyse streeft men meer naar een technische, bijna volgens een wiskunstige formule verrichte, duiding van de psychische verschijnselen en waardeert en classificeert men deze naar hun afkomst uit het driftleven, terwijl bij Adler alle uitingen in het raam van de gehele persoonlijkheid worden gevoegd en naar de betekenis, die zij voor deze persoonlijkheid hebben, worden beoordeeld. Natuurlijk is voor beide methoden het aantal aldus te verkrijgen gegevens oneindig groot. In de praktijk wordt dit aantal echter door verschillende factoren beperkt, waartoe o.a. de onmogelijkheid behoort om over een te groot feitenmateriaal een overzicht te behouden. Het psychologisch systeem van Adler wordt door een grote geslotenheid gekenmerkt, die het aan zijn meest geniale conceptie, het begrip van de “Orgaanminderwaardigheid en haar compensatie”, heeft te danken. Dit begrip is in staat om als het ware alle stoten op te vangen en allerlei problemen, omdat zij nu niet meer direct in de psychologie thuis horen, naar het organische, d.w.z. naar andere gebieden van wetenschap over te brengen. Men zal moeten toegeven, dat er op deze wijze een ideale arbeidsverdeling geschapen is, terwijl er tevens een begrijpelijk verband tussen de psychologie en andere takken van wetenschap, zoals de constitutieleer, de pathologische anatomie, de reflexologie en het erfelijkheidsonderzoek gelegd is, zodat deze nu als basis voor de psychologie kunnen dienen. Het is echter begrijpelijk, dat bij de tegenstanders, die gewend zijn van een geheel andere reeks voorstellingen en begrippen gebruik te maken, allerlei bedenkingen rijzen en zij tegen deze schijnbare vereenvoudiging van de psychologie in verzet komen. Wat nu de geslotenheid van Adler’s theorie betreft, dient er de nadruk op gelegd te worden, dat hijzelf op een minutieuse uitwerking van zijn systeem geen prijs heeft gesteld, omdat hij de gevaren te goed beseft. “Wer für eine formulierte Lehre einsteht, ist kaum wankend zu machen” meent hij te moeten waarschuwen. Men zal daarom de gehele theorie
170
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

steeds als een leiddraad moeten blijven beschouwen en voor ieder geval weer opnieuw onderzoeken in hoeverre zij van toepassing kan worden geacht. Intussen komt een duidelijke theoretische uiteenzetting en fundering aan de overzichtelijkheid van een stelsel ten goede en Adler’s leerling Wexberg heeft zich op dit terrein wel de meeste verdienste verworven, Al in onze inleiding werd er op gewezen, dat er ook in de Individualpsychologie voor verschillende nuancen en formuleringen plaats is. Men hoeft niet al te dogmatisch te zijn en hoeft in menig opzicht niet verder met de verstrekkende theorieën mee te gaan, dan de eigen ervaring toelaat. Het blijft intussen een vraag, of de menselijke ervaring wel ooit vanuit slechts één gezichtspunt te ordenen is, hoe graag wij dit ook zouden wensen. Op tal van gebieden van wetenschap is dit onmogelijk gebleken. Zo hebben, naar ik meen, twee verschillende theorieën over de voortplanting van het licht, zich steeds naast elkaar kunnen handhaven en zal de bioloog, ondanks de in hoofdstuk X aangehaalde nieuwere opvattingen, de instincttheorie voorlopig nog niet geheel willen missen. De mogelijkheid blijft dus bestaan, dat er in de psychologie zowel voor een monistische als voor een dualistische zienswijze plaats blijft. Het is er ons immers niet om te doen of onze theorieën waar, maar alleen of zij bruikbaar zijn. De Individualpsychologie heeft haar bruikbaarheid in menig opzicht voldoende bewezen en haar opvattingen worden zelfs door tegenstanders meer en meer overgenomen. Bovendien zien wij, dat de gezichtspunten van waaruit zij de mens beschouwt ook buiten de psychologie meer en meer op de voorgrond treden. Op de onderzoekingen van Caspari betreffende het misdadigheidscentrum in Oss werd in hoofdstuk Xll reeds gewezen, hier moge nog aan het werk van Dr. H. Postma, geneesheer aan de rijksopvoedingsgestichten te Zeist en te Montfoort worden herinnerd. Met behulp van statistische gegevens toonde hij aan, dat de criminaliteit van zijn verpleegden en de ernst van hun delicten in nauw verband stonden met de samenstelling van het gezin, waaruit zij afkomstig waren, en de plaats (het geboortenummer) die zij in dit gezin innamen. In zijn publicaties (Verslag van de “Ned. Ver. voor Geestelijke Volksgezondheid” 1931 en “Mens en Maatschappij” jrg. 7) komt hij tot de slotsom, “dat de studie van het gezin onontbeerlijk is voor een goed begrijpen van de oorzaken van het onmaatschappelijk gedrag van de bij zijn onderzoek betrokken kinderen.” De leer van Adler, dat wij het leven, het gedrag van een individu of zijn psyche niet als een zelfstandige grootheid, los van al het andere, maar als de uitdrukking van zijn betrekking tot het milieu moeten interpreteren, heeft ook in de biologie haar intrede gedaan. In het werk: “Arbeiten zur biologische Grundlegung van de Soziologie” verkondigt Raymund
171
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Rapaies de mening: “Zolang wij in de plant slechts het individu zien en onder leven niets anders dan fysische en chemische processen verstaan, zo lang kunnen wij de plant niet als arbeider beschouwen. Toch vormt de plant door haar arbeid de grond, die zonder haar niet zou bestaan.” En in hetzelfde boek wijst Paul Krische er op, dat de oude voorstelling van de meedogenlozen strijd van allen tegen allen in natuur en menselijke samenleving, door de nieuwere sociologische onderzoekingen meer en meer ten gunste van een beter begrip van de sterke sociale gemeenschapskrachten plaats maakt. Het is een van de verdiensten van de Individualpsychologie, dat zij de mensheid op de kracht van de gemeenschapsbanden opmerkzaam heeft gemaakt en de individuele mens er op gewezen heeft, dat al zijn karaktereigenschappen, evengoed als zijn nerveuze verschijnselen, als verbindingsschakels met de werkelijkheid zijn te beschouwen en als een activiteit, waarvoor hij de volle verantwoording draagt, zijn op te vatten. In de psychotherapie is Adler’s gedachtengang niet minder bruikbaar gebleken, ook al is zij niet als een universeel en nimmer falend geneesmiddel te beschouwen. Zij kan niet alleen tot een begrijpen en verklaren van tal van ziekteverschijnselen dienen door de oorzaken daarvan aan de dag te brengen, maar blijkt tevens een krachtig geneesmiddel te zijn door de opbouwende kern die zij bevat. Dit laatste wordt o.a. door het algemeen bekende feit bewezen, dat in sommige gevallen een behandeling onder toenemend protest van de patiënt en schijnbaar zonder resultaat wordt afgebroken en de ziekte niettemin korte tijd later geweken is. Is in zulke gevallen nu de samenhang tussen oorzaak en werking opgeheven? - Deze samenhang is een andere geworden. “ Denn es ist sicher, dasz die Kausalität eine ganz andere wird, dasz die Auswirkungen eines Erlebnisses völlig andere werden, wenn im Mensen noch eine Kraft, noch ein Motiv lebendig wird, die Selbsterkentnis, das gesteigerte Verständnis dessen, was in ihm vorgeht und van de Quellen, aus welchen es stammt. Er ist ein anderer geworden und kann sich dessen wohl niemals mehr entschlagen.”(Adler). De Individualpsychologie is ook weer niet als een aparte verschijning, maar als een noodwendig uitvloeisel van een tijdperk te beschouwen. Waarschijnlijk is zij een noodzakelijke stap op de weg van de wetenschap, die na een periode van ver doorgevoerde analyse, waardoor het overzicht dreigde verloren te gaan, nu om een synthese van het verzamelde feitenmateriaal vroeg. Deze synthese is niet als een afsluiting of als een bekroning te beschouwen, maar als een hergroepering, die een basis voor hernieuwd onderzoek en nieuwe vooruitgang kan zijn.
172
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

In hoeverre Adler’s werkhypothesen voor dit doel geschikt zullen blijken, zal de toekomst ons moeten leren.

173
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

LITERATUUROVERZICHT INDIVIDUALPSYCHOLOGIE
Alfred Adler, − Studie über Minderwertigkeit von Organen. − Uber de nervösen Charakter. − Praxis und Theorie der Individualpsychologie. − Mensenkennis. Vertaling van P. v. Schilfgaarde. − Problems of neurosis. − De Psychologie van het individuele op School en in het Gezin. Vertaling P. van Schilfgaarde. − Die Technik van de Individualpsychologie. − (met L.E. Jahn) Religion und Individualpsychologie. − Der Sinn des Lebens. Rudolf Allers, − Das Werden der sittlichen Persönlichkeit. L.Deutsch, − Individualpsychologie im Musikunterricht und in der Musikerziehung. R.Dreikurs, − Alfred Adler’s Individualpsychologie. Vert. door A. C. Pabbruwe. , A.Holub, − Die Lehre von der Organminderwertigkeit. Fr. Künkel, − Inleiding tot de karakterkunde. Vert. door A. C. Pabbruwe. Fr.Künkel en Ruth Künkel, − Opvoeding tot persoonlijkheid. J. Neumann, − Die Gefühle und das lch. E. Wexberg, − Individualpsychologie. Eine systematische Darstellung. − Handbuch van de Individualpsychologie. Herausgegeben von E. Wexberg. Internationale Zeitschrift für Individualpsychologie, 12 jahrgang. ANDERE WERKEN F. Alverdes, Tiersoziologie. W. Betz, Zur Psychologie der Tiere und Mensen. R. Block, Wie denkt men heute über de Instinktbegriff? in “Kosmos” 1932. Charlotte Bühler, Der mensliche Lebenslauf als psychologisches Problem. S. Freud, Vorlesungen zur Einführung in die Psychoanalyse. S. Freud, Neue Folge, en andere geschriften. H.Th.van Wimersma Greidanus, Instinct en karakter. J.H. v.d.Hoop, Nieuwere richtingen in de zielkunde. H.J. Jordan, Lehrbuch der vergleichenden Fysiologie. H.J. Jordan in Handboek van het moderne denken. R.v.Krafft-Ebing, Psychopathia sexualis. Alb. Moll, Handbuch van de Sexualwissenschaften. I. P. Pavlow, Conditioned reflexes. H. Prinzhorn, Um die Persönlichkeit. H. C. Rümke, Inleiding tot de Karakterkunde. Th. van Schelven, Moderne zielkunde. A.J.Westerman Holstijn, Streven en waarneming bij paranoide psychosen. A.J.Westerman Holstijn, Uber Psyche, Geist und Seele. Ztschr. f. d. ges. Neurologie und Psychiatrie. Bd 145. Hft 1 u. 2. Arbeiten zur biologische Grundlegung van de Soziologie. Herausgegeben van Richard Thurnwald.

174
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

REGISTER
Aanleg Aanpassing Adler, Alfred Adlerse psychologie, kenmerken van de Agressiviteit Angst Arrangement Autoriteit Causaal-finaal verband Causaliteit Compensatie Conflict Criminaliteit Dagdromen Dispositie, nerveuse Doel Doelstelling Dressaten Driften Dromen Duivelskring Emoties Endocrinologie Erfelijkheid Enuresis Familieconstellatie Finaliteit Freud Geldingsstreven Gemeenschapsgevoel Genezing Grote gezinnen Geslachtsdrift Geslachtsverschil Gevoelens Gevoelsmensen Homoseksualiteit Hypnose Ik Ik-gevoel Ik-ideaal Instelling Instinct Isolement jeugdherinneringen jeugdomstandigheden Karakter

175
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934

Künkel Levensdoel Levensplan Levensstijl Localisatieleer Mannelijk protest Meerwaardigheidsgevoel Milieu Minderwaardigheidsgevoel Nerveuze dispositie Neurose Oedipuscompjex Onderbewuste Ontmoediging Opstandigheid Orgaandialect Orgaanminderwaardigheid Orgaanneurose Overcompensatie Pavlow Persoonlijkheidsideaal Perversiteit Fantasie Psyche Psychoanalyse Psychologie Psychopathen Psychose Psycho-seksuele aanleg Puberteit Reacties Reflexen Schijncompensatie Seksualiteit Stotteren Stotteren, fysiologisch Totaliteit Training Trauma Verantwoordelijkheid Vicieuse cirkel Wil, vrije Zekering Ziel Ziekten Zin van het leven Zin van de verschijnselen

176
Individualpsychologie Een systematische uiteenzetting, door Dr.P.H.Ronge, arts te Utrecht Uitgave van Erven J.Bijleveld, Utrecht, 1934