You are on page 1of 9

ir.H.

Hagenzieker
ing.N.Kaptijn
Rijkswaterstaat, directie Bruggen
1
Oude IJsselbrug; al vele jaren oorzaak van
verkeersopstoppingen
2
Situatie; variant 1 is de gekozen locatie voor
de nieuwe brug
Cement XXXV (1983) nr. 8
Tweede stadsbrug over de
IJssel bij Kampen
Inleiding
De eerste en tot nu toe enige oeververbinding over de IJssel in de stad Kampen dateert al van
1448. Sindsdien is de brug door allerlei oorzaken waarvan veroudering en oorlogsschade de
belangrijkste zijn, een aantal malen vervangen of gerestaureerd. De enige capaciteitsverbe-
tering heeft ooit bestaan uit een verbreding van de rijbaan van 4,60 m tot 5,30 m (foto 1).
In de jaren na de tweede wereldoorlog veranderde de functie van de brug van een locale
verbinding tussen Kampen en IJsselmuiden in een schakel in de verbindingen naarFriesland
(via de Noord-oostpolder) en naar het westen van het land (via Zuidelijk Flevoland). De
veranderde functie en de na-oorlogse explosieve groei van het wegverkeer brachten in
toenemende mate capaciteitsproblemen met zich mee.
In het begin van de jaren vijftig verscheen op het rijkswegenplan de doortrekking van
rijksweg 50 van Hattemerbroek, zuidelijk langs Kampen, richting Emmeloord. Deze weg zou
nabij het Ketelmeer de IJssel kruisen. De gemeente Kampen koesterde intussen allang de
wens, door de bouw van een tweede stadsbrug, aan de benarde verkeerssituatie op de
bestaande brug een eind te maken. In 1952 heeft de toenmalige minister van Verkeer en
Waterstaat hiervoor financiêle en technische bijstand toegezegd.
Omdat de doortrekking van rijksweg 50 een steeds lagere prioriteit kreeg, lag het voor de
hand de kruising van deze weg met de IJssel te combineren met een tweede stadsbrug. Over
deze combinatie werd overeenstemming bereikt tussen het Rijk, de provincie Overijssel en
de gemeente Kampen en IJsselmuiden, die onderscheidenlijk 75%,16%,7% en 2% in de
kosten bijdragen. Na bestudering van drie mogelijke tracé's werd snel duidelijk dat de brug
ten zuiden van de stad Kampen moest komen te liggen (fig. 2). De overige twee tracé's zijn om
financiêle en stedebouwkundige redenen onaantrekkelijk gebleken.
Vanaf Hattemerbroek wordt rijksweg 50 enkelbaans uitgevoerd en via de tweede stadsbrug
aangesloten aan de oude rijksweg 338, van Zwolle via Kampen en IJsselmuiden richting
IJsselmeer polders.
491
Randvoorwaarden voor het ontwerp
Aan het ontwerp van de brug zijn de vo·lgende randvoorwaarden gesteld:
- de pijlers moeten zodanig worden geplaatst dat de scheepvaart binnen de normaallijnen
geen obstakels ontmoet. Hieruit volgt een dagwijdte tussen de pijlers van ten minste 165 m;
- de doorvaarthoogte onder de hoogste overspanning op 10 m rivierwaarts van de normaallij-
nen bedraagt 9,10 m boven een maatgevende waterstand van 2,70 m +NAP, dus 11,80 m
+NAP;
- 'de belangen van natuur en landschap dienen zoveel mogelijk te worden ontzien; een
bewuste integratie in het aantrekkelijke landschap moet worden nagestreefd, een verfijnde
vormgeving van brugconstructie en weglichamen is noodzaak'.
Met inachtneming van deze randvoorwaarden zijn twee brugtypen met elkaar vergeleken:
a. een brug met een hooggelegen rijvloer, waarvoor een betonnen uitbouwbrug met een
kokervormige doorsnede of een daarmede overeenkomstige stalen brug in aanmerking
komen;
b. een brug met een laaggelegen rijvloer, waarvoor eenboogbrug of een tuibrug in aanmerking
komen.
Om louter financiële redenen vielen de stalen brug (type a) en de boogbrug (type b) bij een
eerste verkenning al af. Nader bestudeerd zijn vervolgens ontwerpen van:
- een betonnen uitbouwbrug met aanSluitende zij-overspanningen in beton;
een stalen tuibrug met aansluitende zij-overspanningen in beton of in staal met een mede-
werkend betondek;
- een betonnen tuibrug met aansluitende zij-overspanningen in beton.
Gebleken is dat de kosten van deze drie brugvarianten, vermeerderd met de kosten van de
bijbehorende grondwerken voor de toeritten, elkaar nauwelijks ontlopen. Op grond van met
name de derde randvoorwaarde is gekozen voor de stalen tuibrug, met aansluitende zij-
overspanningen in staal met een medewerkend dek van gewapend beton.
I'I'P.NÇ
l50255.1. 90795 I 193500 .l 90795 J. 5"OS 15JÖoo .I. "000 L50150
l 628600
moten in mmo
3

4000
f1lJ'
3300
l
3300
"r
AanzÎCht
4
!
Dwarsdoorsnede over het brugdek

I
.I I.
19400
Globale beschrijving
De oeververbinding bestaat uit een tuibrug met aan de westzijde één en aan de oostzijde vier
zij-overspanningen (fig. 3). Het dwarsprofiel op de brug bestaat uit twee rijstroken voor
gewoon verkeer en een strook voor langzaam verkeer (fig. 4). Indien nodig kan de weginde-
ling worden gewijzigd in twee maal twee rijstroken voor gewoon verkeer onder opoffering
van de strook voor langzaam verkeer. Bovendien kan later zonodig de brug met twee
rijwielpaden worden verbreed.
De tuibrug
De tuibrug heeft een totale lengte van 375,10 m en bestaat uit een hoofdoverspanning van
193,50 m en twee zij-overspanningen van 90,80 m. De hoofdligger van de tuibrug is opge-
bouwd uit 31 secties. De doorsnede wordt gevormd door twee kokervormige liggers, waar-
tussen dwarsliggers en een orthotrope rijvloer. In figuur 5 is een doorsnede weergegeven. De
kokers zijn samengesteld uit een bovenplaat, die onderdeel is van de rijvloer, twee lijfplaten,
voorzien van horizontale verstijvingen en een bodemplaat. De kokers zijn vormvast door
verticale schotten. De dwarsdragers zijn gelaste I-profielen. De vloer is aan de onderzijde
verstijfd door trapeziumvormige profielen, welke aan de dwarsdragers zijn verbonden door
middel van platen.
In de hoofdliggers zijn verankeringen aanwezig voor de bevestiging van de tuien. Deze tuien
zijn uitgevoerd als parallel kabels, systeem BBRV. De langste tuien bestaan uit 149 draden 0
7 mrn, terwijl de overige tuien uit 130 draden 0 7 mm bestaan. Deze draden zijn in de
kabelkoppen verankerd, terwijl om de draadbundel een kunststof buisis aangebracht. Nadat
de slijtlaag is aangebracht, worden de tuien geïnjecteerd met een cementmortel.
Cement XXXV (1983) nr. 8 492
5
Dwarsdoorsnede ter plaatse van een pyloon
DOORSNEDE Z'JOVERSPANNING.
6
Dwarsdoorsnede over de aanbruggen
7
Bouw van de aanbruggen
Cement XXXV (1983) nr. 8
- ~ - ~ -
.-- - - ~
~ f- -
~
'----- f-
I
14.177'
~ -
'1
3
t - : ~
ti
~ . ~
2.360II---
1(1
11.125
l
f-- ~
/ ~ L \
~ 9 l r 18.000
f----- -
Y
.I f-- f-----
f----- c- f-- f-----
-
p f-f----
1.700'
I
~
...., "-='
~
De zij-overspanningen
De westelijke en oostelijke zij-overspanningen zijn zgn. staalbetonbruggen, lang 50,50 m en
met een constructiehoogte van 2,25 m inclusief betondek (fig. 6-7). Deze zij-overspanningen
zijn opgebouwd uit zeven evenwijdig geplaatste liggers, hart op hart 3,12 m.
De liggers zijn samengesteld uit drie delen, onderling verbonden door stuikplaten en ther-
misch verzinkte voorspanbouten. De contactvlakken zijn gemetalliseerd met aluminium om
de maximale wrijvingsweerstand te verkrijgen. De uiteinden van de liggers zijn verbonden
door dwarsdragers. Op de liggers en dwarsdragers is een betondek aangebracht dat schuif-
vast is verbonden met de staalconstructie. Daartoe werden op de bovenflenzen van de liggers
en dwarsdragers stiftdeuvels gelast. In het dek zijn ankers ingestort voor de bevestiging van
de geleiderailstijlen en de kantstrip met leuning. Ter plaatse van de pijlers worden water-
dichtekunsthars voegovergangen aangebracht.
Het ontwerp van de pylonen
De pylonen zijn gefundeerd op voorgespannen betonpalen. De palen werden met een oplan-
ger op de vereiste diepte geheid. Na het heien van de damwandkuip en het verwijderen van de
grond werd een 1,50 m dikke laag onderwaterbetongestort. Daarop is een fundatiesloof
gemaakt, bestaande uit een plaat van 11,40 x 11 ,40 x 2,00 m met de aanzet voor de stijlen in de
vorm van een afgeknottepyramide. De sloven zijn onderling gekoppeld meteen voorgespan-
nen betonbalk.
In figuur 8 is een aanzicht en doorsnede over de pylonen gegeven. Tot aan de onderkant van
het brugdek is de pyloon zevenhoekig, Het gedeelte tot de onderkant van de console ten
behoeve van de opleggingen is in één keer gestort (hoogte 7,70 m). In de hoge dunne wanden
was niet goed te controleren of de betonspecie goed in alle hoeken en gaten vloeide.
Bovendien is in de pyloonvoet veel wapening aanwezig. Om onder deze omstandigheden
toch verzekerd te zijn van een goed dicht beton, is gebruik gemaakt van een superplastifi-
ceerder. Bijeen dosering van 2% ontstaat een goed vloeibaar mengsel (zetmaat 20) waarmee
de kwaliteit B37,5 haalbaar is.
493
"
ID'
Statische berekening
Bij de berekening van de pylonen is rekening gehouden met mogelijke afwijkingen van de
verticale stand (fig. 12). Deze kunnen veroorzaakt worden door:
Boven de console is de doorsnede vijfhoekig. Vanaf dezehoogte werden de pylonen in moten
van 2,87 m hoogte opgetrokken met behulp van een klimkist (fig. 9). Oe buitenwapening werd
ter plaatse gevlochten, de binnenwapening geprefabriceerd. Als 'binnenkist' is gebruik
gemaakt van tempexblokken, die naverharding van de betonspecie niet werden verwijderd.
De betonkwaliteit is B37,5; dit is gerealiseerd zonder gebruik van hulpstoffen. De cyclusduur
bedroeg 5-3 dagen.
Op ± 42,50 m boven het maaiveld zijn de stijlen van de pyloon aan elkaar verbonden door een
voorgespannen balk. Deze balk is ter plaatse gestort. Hiertoe werd op uit de stijlen stekende
HE-profielen een platform gelegd bestaande uit 8 vakwerkliggers voorzien vaneen vloer,
waarop de bekisting kan worden gesteld. Na voltooiing van het betonwerk zijn de
len voor de tuien aan de pylonen bevestigd.
57.150+
'QrE>
D D IT rr IT D D D U D IT TI UDrr IT rr n U
Stijfheid van de fundering
Oorspronkelijk was gepland de pylonen te funderen op 'grote diameter'-boorpalen, 5 x 0
1,80 m, met paalpuntdiepte 30 m. De aannemer kwam echter met een goedkoper alternatief.
Dit behelsde een fundering op 6 x 7 voorgespannen prefab-betonpalen, 0 0,45 m met
paalpuntdiepte 28 m respectievelijk 20m (fig. 10). Deze wijziging hield wel in dat de stijfheid
van de fundering met ± 30% zou toenemen. Dit heeft tot gevolg dat (fig. 11):
- het moment aan de voet van de pyloon (Md) met ± 10% toeneemt;
- het moment ter hoogte van het brugdek (Me) met ± 13% toeneemt;
- het moment ter hoogte van de tuibevestigingen (Ma, Mb) 5% of minder afneemt;
- het moment in het brugdek (Me, MI) nauwelijks verandert (-2% à + 1%),
- de tuikracht (S) nauwelijks verandert (-1 %);
- de zakking midden boven de rivier (y) nauwelijks verandert (-1 %).
Het blijkt dus dat alleen in het onderste gedeelte van de pyloon veranderingen van belang
optreden. In verband hiermee werd de eis gesteld dat het betonwerk zou worden uitgevoerd
in betonkwaliteit B37,5 in plaats van B30. Het effect van de stijvere fundering kon nog in
rekening gebracht worden, zonder dat wezenlijke veranderingen in de dimensionering van
de stijlen nodig waren.
9a d
Horizontale en verticale doorsneden over de
klimbekisting
8a-b
Aanzicht en doorsneden over de pyloon
Cement XXXV (1983) nr.8 494
10
Oorspronkelijk en alternatief ontwerp van de
fundering
,r---- /+050
r"----- --'-,
,
1•••rfîl-350
nNfJFRWATFR
BETON
1 11 40
n+;;-
0000000'
o .00 0 [] 0 0 j
1°00000°1-"1
1.0 0 0 Cl 0 Cl 0 ,

i

I
-
_ L __ ,_
+1.50

-.8.lXL
InNnFRWATER
BEIDN

I 1010
-20.00
-28.00
11
Invloed van de stijfheid van de fundering op
de momenten in de pyloon
\
...J
«
i':!
0
}
l-
j
42
65
65
61
54
66
67
55
11 9
33
,0
M:l
MNm


2
9
34
ID'
E
E
0
0
I Z
0
:J
0

0
z
l<l g
«
0
42ó::
>
(J)
l2
I-' <::>
l.I.1
co
...J
(J) Z
Z -,
LL
:f
2
l.I.1
l.I.1 ::E (J)
I 0 l.I.1 l.I.1
Ü Cl:: <::> z
(J)
§
l.I.1
l.I.1 l.I.1
<::>
...J ...J N Z
l.I.1
l.I.1
Z
l.I.1 l.I.1
l.I.1
:;::
F l.I.1
0 0;:5
091.1
m

,.t,
-
I"
'v
'-----'
il,Ó

11,'" -....
xEI
U.5 1 1;3 )J
M
MN
-la
-9
-8
-7
9b
Pyloonstijl met 'halve' klimbekisting, na
verwijdering van de vlakke zijde; vanaf deze
hoogte moet nog een tapse stijfbeëindiging
worden gemaakt
12 (figuur rechts)
In rekening gebrachte afwijkingen van de
verticale stand
Cement XXXV (1983) nr. 8 495
Met betrekking tot de grenstoestand bezwijken is uitgegaan van:
Mu 1,7 (Mrust + Mtui + Mmob) + 0,6 Mtemp
Bij de bepaling van de 2e-orde effecten is het moeilijk voorstelbaar dat de belasting met een
factor 1,4 (= )'1) kan worden vergroot. De verticale belasting, die dit 2e-orde effect veroor-
zaakt, bestaat voornamelijk uit rustende belasting (± 90% halverwege de hoogte van de
pyloon). Voor deze combinatie wordt dan ook de stijfheid van de ongescheurde doorsnede
aangehouden.
De normaalkracht ten gevolge van de rustende belasting zal over het algemeen een gunstige
invloed hebben op het maximaal opneembare moment. Daarom wordt de pyloon ook door"
gerekend overeenkomstig:
Mu 1,34 (Mrust + Mtui) + 1,6 Mmob + 0,6 Mtemp
De hier in rekening gebrachte veiligheidsfactoren zijn wel voorstelbaar. Hierbij dient dan ook
wèl rekening gehouden te worden met de verminderde stijfheid ten gevolge van gescheurde
doorsneden bij de berekening van 1e- en 2e-orde momenten.
De momenten in langs- en dwarsrichting zijn afzonderlijk berekend met een vlakke-
staafwerkenprogramma. De eindresultaten moeten worden samengevoegd. Beide momen-
ten met de erbij behorende effectenpp de gescheurde doorsneden mogen echterniet zonder
meer worden gesuperponeerd. Werkt bijvoorbeeld op een doorsnede al een langsmoment
van 72 205 kNm dan zal de doorsnede 'slapper' reageren op het dwarsmoment van 14359
kNm dan wanneer dat langsmomentniet aanwezig was (fig. 14). De doorsnede is ten gevolge
van het langsmoment al gescheurd, terwijl een aantal wapeningsstaven vloeit. Het toevoegen
van het dwarsmoment heeft dan ook tot gevolg dat de stijfheid, ten opzichte van het
langsmoment afneemt; in het onderhavige geval ± 10%. Het 2e-orde moment löopt hierdoör
op met 5% (omdat de stijfheid niet over de volle hoogte met ± 10% terugloopt).
Bij de berekening van de maximale momenten (1e- en 2e-orde) kwamen de resultaten voor
ongescheurde doorsneden respectievelijk gescheurde doorsneden tamelijk dicht bij elkaar.
De afname van de groei van het 2e-orde moment bij elke volgende iteratie is weergegeven in
figuur 15. De grootheid n, gedefinieerd als n = Ö1/ (Ö2 - (1) voldoet ruimschoots aan de
richtgetallen die in de literatuur voorkomen (n > 3),
, .
)(xl

lfl
M
3 2
_Mx
___Mms
initiële scheefstand (1 : 2000);
initiële kromming (R = 200H);
eenzijdige zonbestraling T= 2,6°c/m);
-ongelijke zakking van beide pyloonstijlen (10 mm).
Volgens de VB '74 is f
b
= 0,75 f
bk
als N
d
> 0,1 Ab f
bk
(buiging met grote normaalkracht). Voor
I de pyloon geldt N
d
= ± 0,2 Ab f
bk
. De factor 0,75 is samengesteld uit een factor 0,9, die de
I invloed van de langdurige belasting op de druksterkte in rekening brengt, en een factor 0,85,
I waarmee onvolkomenheden in hetbeton en in de maatvoering in rekening worden gebracht.
VO\gens VB aftA-ZI)l,.5.lb Deze laatste factor is in dit geval niet in rekening gebracht omdat:
I
I - de hoeveelheden te storten beton gering zijn (± 12 m
3
per moot), zodat hier relatief veel zorg
I aan kan worden besteed;
I - met maatafwijkingen rekening is gehouden.
"'---:+-.,,-----+----'------ De factor van 0,9 varieert in werkelijkheid van 0,9 voorB22,5 tot 0,8 voor B60. Uitgaande van
2,5 3,5 E%0 B37,5 wordt de rekenwaarde voor de druksterkte: f
b
= 0,85 f
bk
= 0,85 x 30'= 25,5 N/mm
2
.
Als de berekening voor de nieHineaire elasticiteitstheorie geschiedt, mag het werkelijke
a-e-diagram worden gebruikt. Het verschil tussen het gebruikte a-e-diagram en dat volgens
art. A-204.5.1.b en art. A-204.5.4.b, is duidelijk te zien in figuur 13.
25,5
22,5

9
8
7
7
6 "-
"-
"-
5
14
Vergelijking stijfheid bij één- en twee-assige
momentbelasting
13
Het a-E-diagram volgens art. A-2D4.5. 1ben
dat waarmee is gerekend

0::
l='
u
Lt.
Vl
<:>

" w
c >
E E E E
z z z Z
.Y .Y .Y .Y
<D <D
'"

0 <iJ
'" M M r--
ra 10
<iJ
'"
tO
'"
M-lijn iteratie 1 2 3 4 6-lijn itera tie 1 2 3 4
E E E E
E E E E
0 cr)
'" "
r-- Lf) r-- cr)
M
"
" "
E E E E
z z z Z
.Y .Y .Y .Y
cr) <D
'"
cr)
<D r--
" '" 0 r-- M N
>'! %' %'
70
BB
15
Maximale momenten en verplaatsingen in de
pyloon; 1e- en 2e-orde momenten
AANDEEL ZE_ORDE MOMENT 69118 60306 x 100=127%
G9118 .
Kn 70 4,2 1,31
Kn 80 7,4 1'6
Cement XXXV (1983) nr. 8
496
BETON 837.5
STML Fe8 400 HW
DEKl<lfIG '-Orom
16
Wapening van de pyloonstij/en; doorsneden
ter hoogte van het derde stel
tuibevestigingen en aan de voet
4'
Tabel 1
Perceritages van Mmax met de erbij
behorende staal- en betonspanningen
uNI m2
20
16
12
70%= 128
8
4
'b
x
(")
d:)
1 N
2 3 4 5 6 7 8 9
17
Wöhlerdiagram voor betonkwaliteit B30,
Omin/Omax = 0
Cement XXXV (1983) nr. 8
De ongunstigste toestand met betrekking tot windbelasting is die waarin de pylonen niet
door de tuien worden 'gesteund', de bouwfase dus. Uit een windtunnelonder;zoek bij het
Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium bleek de resonantie-frequentie voor buiging
1,0 H;z te;zijn, die voor torsie 1,3 H;z. De bijbehorende kritische windsnelheid bedraagt 20-25
m/sec bij een vlaagduur van 1-60 sec. Het gedrag bijwindbelasting is derhalve bevredigend.
Het wapeningspatroon, voortkomend uit voornoemde berekeningen, is weergegeven in
figuur 16.
Verrnoeiingsbeschouwing
Een aspect, dat bij de berekening van pylonen van belang kan ;zijn, is dat van vermoeiing. Dit
bleek in een vroeg stadium van de berekeningen, toen nog werd uitgegaan van betonkwali"
teitB30.
De kracht in de verschillende tuien is;zo bepaald, dat ten gevolge van de rustende belasting
en het eigen gewicht van de brug geen buigende momenten in de pyloon optreden. De
buigende momenten ten gevolge van de overige belastingen ;zijn dus aan tekenwisseling
onderhevig. Tabel 1 geeft een indruk van de grootte van de spanningen die aan weers;zijden
van de pyloonvoet in het beton en het wapeningsstaal optreden. Orn te toetsen of bijvoor-
beeld een spanningswisseling in het beton van 12,8 N/mm
2
, ;zoals de;zeoptreedt bij 70%van
het maximale moment, aanvaardbaar is, wordt de;ze waarde in een Wöhlerdiagram uitge;zet
(fig. 17). Nu blijkt, dat de;ze spanningswisseling 1,4 x 1Q3 maal mag voorkomen. Als de
vereiste levensduur van de pyloon op 50 jaar wordt gesteld, betekent dit dat 70% van het
maximale mornent gemiddeld 0,45 maal per dag mag voorkomen. Dit lijkt weinig. Een nader
onder;zoek naar de relatie tussen de grootte van de te verwachten buigende momenten en het
aantal malen dat de;ze tijdens de levensduur van de brug voorkomen, is dus gewenst
% Mmax Ob. links °a.links Ob. rechts Oa. rechts
(N/mm
2
) (N/mm
2
) (N/mm
2
) (N/mm
2
)
0 -43 - 6,4 -43
40 0 4 - 8,6
60 0 28 -11,2 -77
70 0 50 -12,8 -88
Het maximale moment wordt veroor;zaakt door de VOSB-belasting, indit geval éénlaststelsel
en 40 kN/m mobiele belasting, gecombineerd met de temperatuurbelasting. De mobiele
belasting van 40 kN/m
2
blijkt in de praktijk aan de ruime kant Als er namelijk van wordt
uitgegaan, dat personenauto's hart-op-hart 10 m rijden en gemiddeld 1,8 ton wegen, dat
lichte vrachtauto's hart-op-hart 15 m rijden en gemiddeld 10 ton wegen en dat er twee maal
;zo veel personenauto's als vrachtauto's rijden, dan wordt de belasting 4 kN per m rijstrook.
Als met de;ze belasting en enkele ;zware vrachtauto's een paar belastingscombinaties worden
doorgerekend die in de normale 'verkeerspraktijk' kunnen voorkomen, blijkt het moment niet
meer dan 15%van het maximale moment te bedragere. Als de belasting op de rechter rijstrook
van elke rijbaan ter plaatse van dehoofdoverspanning wordt gevarieerd van 4 kN/m tot 12
kN/m en die op de overige rijstroken 2,5 kN/m bedraagt, blijkt het moment te variëren van 9
tot 33% van het maximale moment Momenten in de orde van grootte van 40% en meer van
het maximale moment ;zullen dus ;zelden voorkomen.
Behalve de grootte der mornenten, dient ook het aantal malen dat de verschillende waarden
vookomen bekend te ;zijn. De relatie ertussen kan worden uitge;zet in een ;zogenaamd belas-
tingspectrum. Als de momenten tegen de tijd worden uitge;zet, dan ontstaat een verloop ;zoals
geschetst in figuur 18. De momenten schommelen om de nullijn. De vorm van de moment-
tijdrelatie is vergelijkbaar met die van golfhoogte-tijdrelaties, ;zoals de;ze bij de berekening
van offshore-constructies worden gehanteerd.
De kans dat het moment een bepaalde waarde bereikt kan beschreven worden met de
kansdichtheidkromme van Gauss. In dit kader is het echter van belang te weten welke kans er
bestaat dat een bepaalde momentwisseling (bijvoorbeeld ter grootte van W1. ;zie figuur 18)
voorkomt. Hiervoor wordt vaak de verdeling volgens Rayleigh (fig. 19) gebruikt:
(AM)2
f (A.M) = 2 - 2A2
Spanningsmetingen, uitgevoerd aan bestaande bruggen, hebben aangetoond dat deze func"
tie redelijk overeenstemt met de werkelijkheid. Deze functie heeft één variabele, namelijk
A.M. Door nu voor een moment, ter grootte van bijvoorbeeld 30% van het maximale moment,
aan te nemen dat de kans van optreden 12,5 x 10-3 is, kan de factor A bepaald worden.
Voorts wordt aangenomen dat het totaal aantal combinaties (wisselingen) 400 per dag
bedraagt Deze keuze komt voort uitparameteronderzoek. Randvoorwaarde voor dit onder"
zoek is het gegeven, dat in de toekomst per dag 25000 auto's de brug zullen passeren. De
25 000 auto's zijn dus verdeeld over de genoemde 400 wisselingen. Het minimaal aantal
auto's nodig om een wisseling tussen 30% van het maximale en 30% van het minimale
497
fltlMI
20
10
50JAAR kansdichtheId
voorkomen
GAUSS
kansdlchthetd
wisselirgen
RAYLEIGH
10 20 30 40
A
50
18
Belastingspectrum en afgeleide
kansdichtheidfuncties
moment te veroorzaken, is 140 (fig. 20). Er van uitgaande dat het aantal benodigde auto's
recht evenredig is met de grootte van de wisseling, kan met behulp van deRayleigh-verdeling
het totaal aantal auto's bepaald worden. In dit geval komt dat op3o 000 uit.
19
Kansdichtheidfunctie volgens de formule
van Rayleigh
Voor elk percentage van het maximale moment is nu het aantal optredende wisselingen (ni)
bekend. UithetWöhlerdiagram is het aantal wisselingen (Ni) af te lezen, dat totbezwijken zou
leiden (fig. 21). Het quotiënt nj I N; geeft een indruk van de mate waarin de doorsnede aan de
pyloonvoet beschadigd is ten gevolge van het bijbehorende moment. Door nu dit quotiënt
voor elk percentage te berekenen en te sommeren, is te bepalen in welke mate de doorsnede
bezwijkt ten gevolge van alle momentwisselingen die gedurende de levensduur van de
pyloon optreden (regel van Miner, zie tabel 2). De levensduur van depyloon blijkt dan 262 jaar
te bedragen.
Het zal duidelijk zijn dat het berekenen van de levensduur van de pyloon op deze manier niet
exact kan gebeuren. Daarvoor zijn erte veel onzekere factoren:
- het aantal auto's dat de brug zal passeren;
- het aantal combinaties dat ze kunnen leveren;
20
Belasting in de rijstroken, waarmee één
tekenwisseling van het moment wordt
bereikt
111KNigf;
2,SKN/m'
30% Mm(])(
logN 9 8 7 6 5 4 3 2
L
(jN/mm2
8
, ~ , . " ' ~
6
4
2
60% 11") ~
0
<;(1°/n Q7 --............
8
40% 86
---
Q
4
~ o
Ó
~
'"
.... 00
2 x x
$2 0 0
x x X x
M 0 0 N Ol .....
co lf) ... M ~ ~
....
v
20
21
Wöhlerdiagram; relatie tussen de grootte
van de momenten (in % van het maximale
r.70ment) en de frequentie waarbij
bezwijken optreedt
Tabel 2
Bepaling van de levensduur met de regel
van Miner
% Mmax n
(dag)
n
(50 jaar)
25
30
40
50
60
70
47
25,4
16,6
0,94
0,05
0,0015
8,6· 1()5
4,6· 1()5
3,0·1()5
1,7· 1()4
9,2·1()2
27
1,7·1()B
1,9.10
7
3,2·1()B
4,2·1()5
5,0·1()4
8,3·1D3
0,005
0,025
0,096
0,043
0,018
0,003
'.f.n;INi = 0,190 levensduur: 1/0,19 x 50 = 262 jaar
Cement XXXV (1983) nr. 8 498
22
Goodman-diagram; invloed van de
spanningsrimpel op de vermoeiing van
betons,taal
- de bijbehorende momenten;
- het Wöhlerdiagram. Dit diagram heeft betrekking op wisselingen met constante amplitude,
waarbij geen trek in het beton optreedt. Variabele amplitudes en trekspanningen C.q. scheu-
ren in het beton, hebben tot gevolg dat het aantal wisselingen tot bezwijken daalt;
- de relatie tussen frequentie en grootte der momenten;
- regel van Miner. Deze regel stemt niet altijd overeen met de werkelijkheid.
AI deze factoren zijn wel beschouwd, maar worden hier niet nader beschreven. Het is dus
zaak dat de berekende levensduur zeer ruim boven de vereiste uitkomt.
De vermoeiing van het wapeningsstaal is hier veel minder van belang. Bij een wisseling van
40% van het maximaal moment treedt een spanningsrimpel op van 4 N/mm
2
tot - 59 N/mm
2
.
Uit het Goodmandiagram blijkt dat vermoeiingsschade niet te vrezen valt (fig. 22).
Naar aanleiding van het gewijzigde ontwerp voor de fundering is de betonkwaliteit gewijzigd
in B37,5 in plaats van de oorspronkelijke waarde B30. De invloed hiervan op de levensduur
van de pyloon is enorm. Deze loopt dan op tot 30 000 jaar!
Bevestiging van de tuien
Voor de bevestiging van de tuien aan de pylonen waren de volgende oplossingen mogelijk:
- de tui wordt door de pyloonstijl gevoerd en aan de buitenkant verankerd;
- de tui wordt door de pyloonwand gevoerd en in de holle ruimte van de stijl verankerd;
~ de tui wordt verankerd aan een ankerplaat die in een sparing in de pyloon met voorspansta-
ven is verankerd.
Deze methoden hebben als nadeel, dat de wand daar waar de kabels worden in- of doorge-
voerd, te veel wordt verzwakt, terwijl de hoofdwapening moet worden onderbroken.
Om deze nadelen te omzeilen is gekozen voor de oplossing van figuur 23, namelijk een
gietstalen voetplaat voorzien van een oog. De tui is hieraan bevestigd met een zogenaamde
gaffelverbinding. De voetplaat is aan de pyloon vastgespannenmet Dywidagstaven 0 36 mmo
Destaafomhullingen zijn gevuld met corrosiewerend vet omeventueel noodzakelijke vervan-
ging mogelijk te maken.
Aanvankelijk was het de bedoeling voor de staven kwaliteit FeP1230 toe te passen. Het
spannen van deze staven tot 75% van de breukkracht gaf elders moeilijkheden. Daaromwerd
onderzocht of ook kwaliteit FeP1Q30 kon worden toegepast. Bij de bepaling van het aantal
benodigde staven was er van uitgegaan, dat bij maximale tuikracht geldt:
23
Ontwerp van de kabelstoel
W= de wrijvingskracht tussen de zool van de kabelstoel en de ondersabelingsmortel. Deze
wrijvingskracht is afhankelijk van de wrijvingscoêfficiênt fe en de contactdruk C. Oorspron-
keli jk is aangehouden fe = 1.
V = de maximale verticale kracht op de kabelstoel. Deze is maximaal als de tui kracht
maximaal is. Tevens is dan de contactdruk Cminimaal.
Wanneer nu FeP1230 vervangen wordt door FeP1030 (beide spannen tot 75%), dan zal
duidelijk zijn dat fe = 1 niet meer toereikend is om aan de gestelde grenstoestand te voldoen.
Er is een hogere fe nodig.
Om deze coêfficiênt te kunnen bepalen, zijn proeven gedaan. Daartoe werden twee kabel-
stoeien tegen een betonblok gespannen met een spanning die overeen kwam met de minima-
le contactdruk C zoals die in werkelijkheid op zou kunnen treden (fig. 24). De ruimte tussen
de kabelstoelen en het betonblok kwam overeen met de voegdikte in het werk. De voegen
werden gevuld met cementgebonden, krimpvrije gietmortels van verschillende fabricaten.
Met een vijzel werd de belasting stapsgewijs opgevoerd, tot de verbinding bezweek. Bij de
drie proeven die op deze manier uitgevoerd werden, bestond het bezwijken uit het afschui-
ven van de zool op de (niet verwijderde) conservering van het gietstuk, terwijl de voegvulling
volledig in tact bleef.
De factor fe varieerde van 1,4tot 1,6. Om het effect van een wijziging van de profilering van de
zool te kunnen beoordelen, werd nog een proef gedaan waarbij de kabelstoelen in omge-
keerde richting werden belast en een proef met platen met vertanding onder 45°. Het bezwijk-
beeld werd nu anders. Eerst ontstonden schuine trekscheuren in de mortel, daarna vond
afschuiving plaats tussen de mortel en het gebouchardeerde oppervlak van het betonblok.
De gemeten waarde fe = 1,6 bleek echter niet veel af te wijken van de eerder gevonden
waarden.
De gevonden wrijvingscoêfficiênt bleek voldoende om op de verticale belasting tengevolge
van rustende belasting een factor y = 1,4 en op die tengevolge van mobiele belasting y = 1,7
te waarborgen. Dit werd voldoende geacht, zodat FePl030 kon worden gebruikt.
w= fe · C
W
1,7 V < 1
ORUKOOOS 2000 kNo nr. 2
DE. 800
RUK OS 200 kNo nr 1
24
Proefopstelling ten behoeve van bepaling
van de wrijvingscoëfficiënt onder de
kabelstoel
Betrokkenen en bouwkosten
Het vervaardigen van de onderbouw, de pylonen en het overige betonwerk is opgedragen aan
de Combinatie IJsselbrug Kampen. Deze combinatie wordt gevormd door de aannemers
Colijn, Haverkort, De Koning en Middelkoop. Het werk wordt uigevoerd door de firma's
Haverkort uitVroomshoop en Middelkoop uit Klazienaveen.
Van de bovenbouw werden de liggers en dwarsdragers van de zij-overspanningen en de
dwarsdragers met vloerpanelen van de tuibrug gemaakt door HCG te leiden, terwijl de
fabricage van dehoofdliggers, de assemblage en montage, wordt uitgevoerd door Hollandia
Kloos te Krimpen aan de Ijssel.
De totale kosten zullen f 38000000 bedragen. Met de bouw werd begonnen in november
1980. De nieuwe oeververbinding zal in oktober 1983 voor het verkeer worden opengesteld.
Cement XXXV(1983) nr. 8 499

3). elkaar nauwelijks ontlopen. een verfijnde vormgeving van brugconstructie en weglichamen is noodzaak'. systeem BBRV.NÇ l 4 l50255. Deze tuien zijn uitgevoerd als parallel kabels. Bovendien kan later zonodig de brug met twee rijwielpaden worden verbreed.80 m +NAP. De kokers zijn samengesteld uit een bovenplaat.I. . De tuibrug De tuibrug heeft een totale lengte van 375.10 m boven een maatgevende waterstand van 2. I'I'P. . terwijl de overige tuien uit 130 draden 0 7 mm bestaan. twee lijfplaten.70 m +NAP. dus 11.50 m en twee zij-overspanningen van 90. Gebleken is dat de kosten van deze drie brugvarianten.Randvoorwaarden voor het ontwerp Aan het ontwerp van de brug zijn de vo·lgende randvoorwaarden gesteld: . ~ ~~M===wFM=="'i!lItf===-lI'=~=====-rnll'"TTI" I .de pijlers moeten zodanig worden geplaatst dat de scheepvaart binnen de normaallijnen geen obstakels ontmoet. . een brug met een hooggelegen rijvloer. Het dwarsprofiel op de brug bestaat uit twee rijstroken voor gewoon verkeer en een strook voor langzaam verkeer (fig. 4000 f1lJ' 19400 3300 l 3300 "r ~5f ~ . Cement XXXV (1983) nr. Hieruit volgt een dagwijdte tussen de pijlers van ten minste 165 m. De doorsnede wordt gevormd door twee kokervormige liggers. welke aan de dwarsdragers zijn verbonden door middel van platen.'de belangen van natuur en landschap dienen zoveel mogelijk te worden ontzien. Nader bestudeerd zijn vervolgens ontwerpen van: . ~. terwijl om de draadbundel een kunststof buisis aangebracht.een betonnen tuibrug met aansluitende zij-overspanningen in beton. een bewuste integratie in het aantrekkelijke landschap moet worden nagestreefd. Om louter financiële redenen vielen de stalen brug (type a) en de boogbrug (type b) bij een eerste verkenning al af. 90795 193500 90795 5"OS 15JÖoo "000 L50150 628600 moten in mmo 3 AanzÎCht Dwarsdoorsnede over het brugdek ! I I. De langste tuien bestaan uit 149 draden 0 7 mrn. Deze draden zijn in de kabelkoppen verankerd. voorzien van horizontale verstijvingen en een bodemplaat.de doorvaarthoogte onder de hoogste overspanning op 10 m rivierwaarts van de normaallijnen bedraagt 9. Indien nodig kan de wegindeling worden gewijzigd in twee maal twee rijstroken voor gewoon verkeer onder opoffering van de strook voor langzaam verkeer. Met inachtneming van deze randvoorwaarden zijn twee brugtypen met elkaar vergeleken: a. die onderdeel is van de rijvloer. worden de tuien geïnjecteerd met een cementmortel. De vloer is aan de onderzijde verstijfd door trapeziumvormige profielen. De hoofdligger van de tuibrug is opgebouwd uit 31 secties.een betonnen uitbouwbrug met aanSluitende zij-overspanningen in beton. In figuur 5 is een doorsnede weergegeven. b.80 m. Op grond van met name de derde randvoorwaarde is gekozen voor de stalen tuibrug. waarvoor een boogbrug of een tuibrug in aanmerking komen. 8 492 . waartussen dwarsliggers en een orthotrope rijvloer. .1. 4). De dwarsdragers zijn gelaste I-profielen.l J. vermeerderd met de kosten van de bijbehorende grondwerken voor de toeritten. ~ een stalen tuibrug met aansluitende zij-overspanningen in beton of in staal met een medewerkend betondek.10 m en bestaat uit een hoofdoverspanning van 193. In de hoofdliggers zijn verankeringen aanwezig voor de bevestiging van de tuien. De kokers zijn vormvast door verticale schotten. Nadat de slijtlaag is aangebracht. met aansluitende zijoverspanningen in staal met een medewerkend dek van gewapend beton. een brug met een laaggelegen rijvloer. waarvoor een betonnen uitbouwbrug met een kokervormige doorsnede of een daarmede overeenkomstige stalen brug in aanmerking komen.I Globale beschrijving De oeververbinding bestaat uit een tuibrug met aan de westzijde één en aan de oostzijde vier zij-overspanningen (fig.

- 1(1 / ~9l 11. Het gedeelte tot de onderkant van de console ten behoeve van de opleggingen is in één keer gestort (hoogte 7. hart op hart 3. De sloven zijn onderling gekoppeld meteen voorgespannen betonbalk. Tot aan de onderkant van het brugdek is de pyloon zevenhoekig..I f-. Om onder deze omstandigheden toch verzekerd te zijn van een goed dicht beton.. Na het heien van de damwandkuip en het verwijderen van de grond werd een 1. 8 493 . onderling verbonden door stuikplaten en thermisch verzinkte voorspanbouten.40 x 2.125 ~ L \ 18.5 Dwarsdoorsnede ter plaatse van een pyloon -~-~ - . 6-7).f - 2. Bijeen dosering van 2% ontstaat een goed vloeibaar mengsel (zetmaat 20) waarmee de kwaliteit B37.50 m en met een constructiehoogte van 2.~ - ti I-.f----- - p f .40 x 11 . De palen werden met een oplanger op de vereiste diepte geheid. Cement XXXV (1983) nr. I "-=' ~ DOORSNEDE Z'JOVERSPANNING.. De contactvlakken zijn gemetalliseerd met aluminium om de maximale wrijvingsweerstand te verkrijgen.00 m met de aanzet voor de stijlen in de vorm van een afgeknottepyramide.12 m. De zij-overspanningen De westelijke en oostelijke zij-overspanningen zijn zgn. Het ontwerp van de pylonen De pylonen zijn gefundeerd op voorgespannen betonpalen. Deze zij-overspanningen zijn opgebouwd uit zeven evenwijdig geplaatste liggers.5 haalbaar is.360 I I '1 3 t-:~ 14.50 m dikke laag onderwaterbetongestort. In het dek zijn ankers ingestort voor de bevestiging van de geleiderailstijlen en de kantstrip met leuning.000 r l . bestaande uit een plaat van 11. Daarop is een fundatiesloof gemaakt. is gebruik gemaakt van een superplastificeerder.25 m inclusief betondek (fig. 6 Dwarsdoorsnede over de aanbruggen 7 Bouw van de aanbruggen In figuur 8 is een aanzicht en doorsnede over de pylonen gegeven.700' ~ . Bovendien is in de pyloonvoet veel wapening aanwezig.~ f----. lang 50. Daartoe werden op de bovenflenzen van de liggers en dwarsdragers stiftdeuvels gelast.- Y f-. Ter plaatse van de pijlers worden waterdichtekunsthars voegovergangen aangebracht.f---- 1. De uiteinden van de liggers zijn verbonden door dwarsdragers. Op de liggers en dwarsdragers is een betondek aangebracht dat schuifvast is verbonden met de staalconstructie.c- f-..-- --~ ~ f- - ~ '----. De liggers zijn samengesteld uit drie delen.177' ~ ~.f----- f----. staalbetonbruggen. In de hoge dunne wanden was niet goed te controleren of de betonspecie goed in alle hoeken en gaten vloeide.70 m).

Dit heeft tot gevolg dat (fig. De cyclusduur bedroeg 5-3 dagen. Het blijkt dus dat alleen in het onderste gedeelte van de pyloon veranderingen van belang optreden.5. de binnenwapening geprefabriceerd. met paalpuntdiepte 30 m. 10). 0 0.5 in plaats van B30. het moment ter hoogte van het brugdek (Me) met ± 13% toeneemt. zonder dat wezenlijke veranderingen in de dimensionering van de stijlen nodig waren. het moment ter hoogte van de tuibevestigingen (Ma.80 m. 12).8a-b Aanzicht en doorsneden over de pyloon 'QrE> 57. De aannemer kwam echter met een goedkoper alternatief. Na voltooiing van het betonwerk zijn de kabelstoe~ len voor de tuien aan de pylonen bevestigd. Hiertoe werd op uit de stijlen stekende HE-profielen een platform gelegd bestaande uit 8 vakwerkliggers voorzien vaneen vloer. Deze wijziging hield wel in dat de stijfheid van de fundering met ± 30% zou toenemen.150+ ID' " d 9a Horizontale en verticale doorsneden over de klimbekisting D D IT rr IT D 'Q26~ D D U D IT TI U D rr IT rr nU Boven de console is de doorsnede vijfhoekig. Deze kunnen veroorzaakt worden door: Cement XXXV (1983) nr. de zakking midden boven de rivier (y) nauwelijks verandert (-1 %).87 m hoogte opgetrokken met behulp van een klimkist (fig.45 m met paalpuntdiepte 28 m respectievelijk 20m (fig. 11): het moment aan de voet van de pyloon (Md) met ± 10% toeneemt. Dit behelsde een fundering op 6 x 7 voorgespannen prefab-betonpalen. dit is gerealiseerd zonder gebruik van hulpstoffen. De betonkwaliteit is B37. waarop de bekisting kan worden gesteld.50 m boven het maaiveld zijn de stijlen van de pyloon aan elkaar verbonden door een voorgespannen balk. MI) nauwelijks verandert (-2% à + 1%). Mb) 5% of minder afneemt. Vanaf deze hoogte werden de pylonen in moten van 2.8 494 . 9). 5 x 0 1. Oe buitenwapening werd ter plaatse gevlochten. de tuikracht (S) nauwelijks verandert (-1 %). Als 'binnenkist' is gebruik gemaakt van tempexblokken. Op ± 42. Deze balk is ter plaatse gestort. Het effect van de stijvere fundering kon nog in rekening gebracht worden. - Stijfheid van de fundering Oorspronkelijk was gepland de pylonen te funderen op 'grote diameter'-boorpalen. Statische berekening Bij de berekening van de pylonen is rekening gehouden met mogelijke afwijkingen van de verticale stand (fig. In verband hiermee werd de eis gesteld dat het betonwerk zou worden uitgevoerd in betonkwaliteit B37. die naverharding van de betonspecie niet werden verwijderd. het moment in het brugdek (Me.

3 34 .1 l.0 9 11 54 \ 61 65 ID' E E 0 0 0 66 67 ~ 0 I-' (J) l<l 42ó:: <::> I 0 g (J) :J Z 0 z « l..1 l.1 l.I.--'-.I.lXL InNnFRWATER ~UG_-t--L i BEIDN {t~J~ I 1010 -20......~oo Q~ 0000000' 1 11 40 - ~ +1.I.10 Oorspronkelijk en alternatief ontwerp van de fundering .00 -28.o0 n+..1 1 1.J -. (J) > 65 ::E 2 l.1 :.I. vanaf deze hoogte moet nog een tapse stijfbeëindiging worden gemaakt LL l.I.:5 l- i':! 0 } 12 (figuur rechts) In rekening gebrachte afwijkingen van de verticale stand 9 33 42 j Cement XXXV (1983) nr.J 0 0.0 .. )J U.I.1 :f 0 Cl:: ~ Z co Z l2 .. -. .1 l.I. 8 495 .r---r"----..t..'" ~b -.00 11 Invloed van de stijfheid van de fundering op de momenten in de pyloon M MN m -la ---tw~ -9 I" '-----' 'v M:l MNm .Ó ~ 11.1 z Z <::> ~ l._ o 1.1 l.I.1 .---r 30~~~n 2 xEI -8 -7 il.I.1 l..1 l...J F ~ l.50 _ L __ .8.00 0 [] 0 0 j ~! 1°00000°1-"1 nNfJFRWATFR BETON ~QQQOQ:0J ~ I 0 0 Cl 0 Cl 0 . na verwijdering van de vlakke zijde.1 ~ I Ü (J) l.I.I..1 9b Pyloonstijl met 'halve' klimbekisting. /+050 ~~ 1 ••• rfîl-350 ~2.J § Z N <::> l.I.:: ~ « 55 ..I.5 091.1 ~ .I. 4O-4--~w------::.

5. Voor 22.34 (Mrust + Mtui) + 1. A-2D4. Cement XXXV (1983) nr. De verticale belasting. De grootheid n. VO\gens VB aftA-ZI)l. Beide momenten met de erbij behorende effectenpp de gescheurde doorsneden mogen echterniet zonder meer worden gesuperponeerd. in het onderhavige geval ± 10%.en 2e-orde) kwamen de resultaten voor ongescheurde doorsneden respectievelijk gescheurde doorsneden tamelijk dicht bij elkaar.85 f bk = 0. 14).n zaakt. De factor 0.5 tot 0.de hoeveelheden te storten beton gering zijn (± 12 m3 per moot). Werkt bijvoorbeeld op een doorsnede al een langsmoment van 72 205 kNm dan zal de doorsnede 'slapper' reageren op het dwarsmoment van 14359 kNm dan wanneer dat langsmomentniet aanwezig was (fig.6 Mtemp Bij de bepaling van de 2e-orde effecten is het moeilijk voorstelbaar dat de belasting met een factor 1. De doorsnede is ten gevolge van het langsmoment al gescheurd.7 (Mrust + Mtui + Mmob) + 0. "'---:+-. 8 496 .4 1. gedefinieerd als n = Ö1/ (Ö2 .en 2e-orde momenten 70 M-lijn iteratie 1 2 3 4 6-lijn itera tie 1 E E r-M 2 3 E E cr) Lf) 4 E E cr) E E r-- 0 z . initiële kromming (R = 200H).en twee-assige momentbelasting De momenten in langs. Bij de berekening van de maximale momenten (1e..75 is samengesteld uit een factor 0. Voor deze combinatie wordt dan ook de stijfheid van de ongescheurde doorsnede 8 aangehouden.lb Deze laatste factor is in dit geval niet in rekening gebracht omdat: I I .-----+----'-----De factor van 0. I I waarmee onvolkomenheden in hetbeton en in de maatvoering in rekening worden gebracht.. mag het werkelijke 13 a-e-diagram worden gebruikt.Y z Z . A-204.6 Mtemp 5 De hier in rekening gebrachte veiligheidsfactoren zijn wel voorstelbaar.4 (= )'1) kan worden vergroot.en dwarsrichting zijn afzonderlijk berekend met een vlakkestaafwerkenprogramma. Als de berekening voor de nieHineaire elasticiteitstheorie geschiedt.9. 1e. Het a-E-diagram volgens art. is duidelijk te zien in figuur 13.75 f bk als Nd> 0.5 Volgens de VB '74 is f b= 0. Het verschil tussen het gebruikte a-e-diagram en dat volgens art.Y <D M 0 BB AANDEEL ZE_ORDE MOMENT 69118 60306 x 100=127% ra M <D <iJ 10 '" r-'" <iJ tO '" '" Kn 70 Kn 80 ~ ~! " c w > <:> l=' Lt.Y z . 15 Maximale momenten en verplaatsingen in de pyloon.Y cr) E .5.Y cr) Z E " " " '" " <D 0 r-r-- <D M >'! %' '" " '" ~ %' N cl~ u E E E E .31 1'6 G9118 . 7 De normaalkracht ten gevolge van de rustende belasting zal over het algemeen een gunstige 7 invloed hebben op het maximaal opneem bare moment.2 Ab f bk . De afname van de groei van het 2e-orde moment bij elke volgende iteratie is weergegeven in figuur 15.(1) voldoet ruimschoots aan de richtgetallen die in de literatuur voorkomen (n > 3). Uitgaande van 2.9 varieert in werkelijkheid van 0.Y z E . die dit 2e-orde effect veroor~KNr. Vl 0:: 4. I .2 7.Y z . -ongelijke zakking van beide pyloonstijlen (10 mm). Hierbij dient dan ook wèl rekening gehouden te worden met de verminderde stijfheid ten gevolge van gescheurde doorsneden bij de berekening van 1e. A-204.5. Het 2e-orde moment löopt hierdoör op met 5% (omdat de stijfheid niet over de volle hoogte met ± 10% terugloopt).6 Mmob + 0.85 x 30'= 25.5.initiële scheefstand (1 : 2000). terwijl een aantal wapeningsstaven vloeit. ten opzichte van het langsmoment afneemt.b en art. 25.6°c/m).1 Ab f bk (buiging met grote normaalkracht).85.. en een factor 0.8 voor B60. 1ben dat waarmee is gerekend Met betrekking tot de grenstoestand bezwijken is uitgegaan van: M u ~ 1. bestaat voornamelijk uit rustende belasting (± 90% halverwege de hoogte van de 9 pyloon). die de invloed van de langdurige belasting op de druksterkte in rekening brengt.5 I de pyloon geldt N d = ± 0.en 2e-orde momenten.5 wordt de rekenwaarde voor de druksterkte: f b = 0.5 3. Het toevoegen van het dwarsmoment heeft dan ook tot gevolg dat de stijfheid. Daarom wordt de pyloon ook door" "6 gerekend overeenkomstig: "-"M u ~ 1. zodat hier relatief veel zorg I aan kan worden besteed. ~ ~ lfl M )(xl ..b. ~ eenzijdige zonbestraling (~ T = 2.4.met maatafwijkingen rekening is gehouden.9 voorB22. 2 _Mx ___Mms 3 Im~ 14 Vergelijking stijfheid bij één.1. De eindresultaten moeten worden samengevoegd.Y z E .5 E %0 B37.5 N/mm2 .

. indit geval éénlaststelsel en 40 kN/m mobiele belasting.zullen dus . De 25 000 auto's zijn dus verdeeld over de genoemde 400 wisselingen.0 H. Randvoorwaarde voor dit onder" zoek is het gegeven. kan de factor A bepaald worden.zet in een . uitgevoerd aan bestaande bruggen. hebben aangetoond dat deze func" tie redelijk overeenstemt met de werkelijkheid.8. De buigende momenten ten gevolge van de overige belastingen .z. rechts (N/mm2 ) 0 40 60 70 ~6. Voorts wordt aangenomen dat het totaal aantal combinaties (wisselingen) 400 per dag bedraagt Deze keuze komt voort uitparameteronderzoek.zeoptreedt bij 70% van het maximale moment.zet.ze tijdens de levensduur van de brug voorkomen. Nu blijkt. De kans dat het moment een bepaalde waarde bereikt kan beschreven worden met de kansdichtheidkromme van Gauss. dan ontstaat een verloop .zijn. dat personenauto's hart-op-hart 10 m rijden en gemiddeld 1. Hiervoor wordt vaak de verdeling volgens Rayleigh (fig.zijn.zijn dus aan tekenwisseling onderhevig.5 x 10-3 is. Behalve de grootte der mornenten. Dit lijkt weinig.8 N/mm 2 . Omin/Omax = 0 Het maximale moment wordt veroor. is dat van vermoeiing. Een nader onder.ze bij de berekening van offshore-constructies worden gehanteerd. rechts Oa. dat ten gevolge van de rustende belasting en het eigen gewicht van de brug geen buigende momenten in de pyloon optreden.ze belasting en enkele . wordt de.M. De relatie ertussen kan worden uitge.4 (N/mm2 ) -43 4 28 50 (N/mm2 ) - (N/mm 2 ) -43 ~59 6. Deze functie heeft één variabele. Tabel 1 geeft een indruk van de grootte van de spanningen die aan weers. doorsneden ter hoogte van het derde stel tuibevestigingen en aan de voet 4' % M max Ob. Door nu voor een moment.ze spanningswisseling 1.zoals geschetst in figuur 18.zoals de. toen nog werd uitgegaan van betonkwali" teitB30. Verrnoeiingsbeschouwing Een aspect. dat de.6 -11.links Ob. dat bij de berekening van pylonen van belang kan .z te.en betonspanningen 0 0 0 .zelden voorkomen. blijkt het moment niet meer dan 15% van het maximale moment te bedragere.zie figuur 18) voorkomt.ze waarde in een Wöhlerdiagram uitge. dat lichte vrachtauto's hart-op-hart 15 m rijden en gemiddeld 10 ton wegen en dat er twee maal .8 -77 -88 uNI m2 20 16 12 70%= 128 8 4 2 'b (") x d:) 1 N 3 4 5 6 7 8 9 17 Wöhlerdiagram voor betonkwaliteit B30. In dit kader is het echter van belang te weten welke kans er bestaat dat een bepaalde momentwisseling (bijvoorbeeld ter grootte van W1.5 kN/m bedraagt. die voor torsie 1. Het minimaal aantal auto's nodig om een wisseling tussen 30% van het maximale en 30% van het minimale Cement XXXV (1983) nr.zijden van de pyloonvoet in het beton en het wapeningsstaal optreden. blijkt het moment te variëren van 9 tot 33% van het maximale moment Momenten in de orde van grootte van 40% en meer van het maximale moment . Orn te toetsen of bijvoorbeeld een spanningswisseling in het beton van 12. dient ook het aantal malen dat de verschillende waarden vookomen bekend te .8 ton wegen. de bouwfase dus. De mobiele belasting van 40 kN/m 2 blijkt in de praktijk aan de ruime kant Als er namelijk van wordt uitgegaan.zoek naar de relatie tussen de grootte van de te verwachten buigende momenten en het aantal malen dat de. is dus gewenst 16 Wapening van de pyloonstij/en.zet (fig.zware vrachtauto's een paar belastingscombinaties worden doorgerekend die in de normale 'verkeerspraktijk' kunnen voorkomen. betekent dit dat 70% van het maximale mornent gemiddeld 0. aan te nemen dat de kans van optreden 12. aanvaardbaar is.BETON 837.4 x 1Q3 maal mag voorkomen.zoek bij het Nationaal Lucht.zo veel personenauto's als vrachtauto's rijden. Als de vereiste levensduur van de pyloon op 50 jaar wordt gesteld. 19) gebruikt: (AM)2 f (A.5 STML Fe8 400 HW DEKl<lfIG '-Orom De ongunstigste toestand met betrekking tot windbelasting is die waarin de pylonen niet door de tuien worden 'gesteund'. Uit een windtunnelonder. is weergegeven in figuur 16. .en Ruimtevaartlaboratorium bleek de resonantie-frequentie voor buiging 1.zijn. De momenten schommelen om de nullijn. voortkomend uit voornoemde berekeningen. dat in de toekomst per dag 25000 auto's de brug zullen passeren.zogenaamd belastingspectrum. . gecombineerd met de temperatuurbelasting. Als met de.2 -12. links °a. De kracht in de verschillende tuien is. Als de momenten tegen de tijd worden uitge.zoals de.3 H. ter grootte van bijvoorbeeld 30% van het maximale moment. Het gedrag bijwindbelasting is derhalve bevredigend. 17). 8 497 .zo bepaald.~e - 2A2 Spanningsmetingen. namelijk A. De vorm van de momenttijdrelatie is vergelijkbaar met die van golfhoogte-tijdrelaties.M) = 2 A.zaakt door de VOSB-belasting.45 maal per dag mag voorkomen. dan wordt de belasting 4 kN per m rijstrook. Het wapeningspatroon.4 Tabel 1 Perceritages van Mmax met de erbij behorende staal. De bijbehorende kritische windsnelheid bedraagt 20-25 m/sec bij een vlaagduur van 1-60 sec. Als de belasting op de rechter rijstrook van elke rijbaan ter plaatse van dehoofdoverspanning wordt gevarieerd van 4 kN/m tot 12 kN/m en die op de overige rijstroken 2. Dit bleek in een vroeg stadium van de berekeningen.

0 7 00 Ol ~ X 0 x .9. In dit geval komt dat op3o 000 uit.... UithetWöhlerdiagram is het aantal wisselingen (Ni) af te lezen. .7· 1()4 9. relatie tussen de grootte van de momenten (in % van het maximale r. 21). Het quotiënt nj I N. kan met behulp van deRayleigh-verdeling het totaal aantal auto's bepaald worden.3·1D3 0. 19 Kansdichtheidfunctie volgens de formule van Rayleigh 20 Belasting in de rijstroken.. "'~ 60% 11") <.6· 1()5 4. 6 .~. geeft een indruk van de mate waarin de doorsnede aan de pyloonvoet beschadigd is ten gevolge van het bijbehorende moment. is te bepalen in welke mate de doorsnede bezwijkt ten gevolge van alle momentwisselingen die gedurende de levensduur van de pyloon optreden (regel van Miner.6· 1()5 3. Het zal duidelijk zijn dat het berekenen van de levensduur van de pyloon op deze manier niet exact kan gebeuren.het aantal auto's dat de brug zal passeren. De levensduur van de pyloon blijkt dan 262 jaar te bedragen. waarmee één tekenwisseling van het moment wordt bereikt 111KNigf.n.SKN/m' 30% Mm(])( 21 Wöhlerdiagram.. 4 8 9 v logN Tabel 2 Bepaling van de levensduur met de regel van Miner % Mmax n (dag) 47 25.2·1()5 5.107 3.94 0...7·1()B 25 30 40 50 60 70 1.70ment) en de frequentie waarbij bezwijken optreedt L (jN/mm2 20 8 6 4 2 0 8 Q . 2....043 0.. Er van uitgaande dat het aantal benodigde auto's recht evenredig is met de grootte van de wisseling..0015 n (50 jaar) 8..f.190 Cement XXXV (1983) nr. 8 498 . is 140 (fig. dat totbezwijken zou leiden (fig.INi = 0.003 levensduur: 1/0.025 0. Door nu dit quotiënt voor elk percentage te berekenen en te sommeren.2·1()2 27 1..6 0.(1°/n Q7 ~ --.0·1()4 8..005 0..4 16.....0·1()5 1.018 0. Daarvoor zijn erte veel onzekere factoren: ..096 0. zie tabel 2). 40% 86 --'"$2 x N M 4 ~o 2 2 3 M x Ó 0 x 5 ~ x 0 co lf) . Voor elk percentage van het maximale moment is nu het aantal optredende wisselingen (ni) bekend.fltlMI 20 10 50JAAR kansdichtheId voorkomen kansdlchthetd wisselirgen A GAUSS RAYLEIGH 10 20 30 40 50 18 Belastingspectrum en afgeleide kansdichtheidfuncties moment te veroorzaken.05 0.2·1()B 4. 20)..het aantal combinaties dat ze kunnen leveren. ~ .19 x 50 = 262 jaar '...

taal . dan zal duidelijk zijn dat fe = 1 niet meer toereikend is om aan de gestelde grenstoestand te voldoen.59 N/mm2 . V = de maximale verticale kracht op de kabelstoel. Wanneer nu FeP1230 vervangen wordt door FeP1030 (beide spannen tot 75%). zodat FePl030 kon worden gebruikt. De gemeten waarde fe = 1.of doorgevoerd. AI deze factoren zijn wel beschouwd. . Om deze nadelen te omzeilen is gekozen voor de oplossing van figuur 23. Bij een wisseling van 40% van het maximaal moment treedt een spanningsrimpel op van 4 N/mm2 tot . Om deze coêfficiênt te kunnen bepalen. daarna vond afschuiving plaats tussen de mortel en het gebouchardeerde oppervlak van het betonblok. Met een vijzel werd de belasting stapsgewijs opgevoerd. . De ruimte tussen de kabelstoelen en het betonblok kwam overeen met de voegdikte in het werk. invloed van de spanningsrimpel op de vermoeiing van betons. terwijl de hoofdwapening moet worden onderbroken. ~ de tui wordt verankerd aan een ankerplaat die in een sparing in de pyloon met voorspanstaven is verankerd. Deze wrijvingskracht is afhankelijk van de wrijvingscoêfficiênt f e en de contactdruk C. Met de bouw werd begonnen in november 1980.de relatie tussen frequentie en grootte der momenten. dat bij maximale tu ikracht geldt: 23 Ontwerp van de kabelstoel W 1. zijn proeven gedaan.4 tot 1. Variabele amplitudes en trekspanningen C. Oorspronkeli jk is aangehouden fe = 1. namelijk een gietstalen voetplaat voorzien van een oog. Tevens is dan de contactdruk Cminimaal. Naar aanleiding van het gewijzigde ontwerp voor de fundering is de betonkwaliteit gewijzigd in B37. Er is een hogere fe nodig.7 V < 1 w= fe · C RUK OS 200 kNo nr 1 ORUKOOOS 2000 kNo nr. Van de bovenbouw werden de liggers en dwarsdragers van de zij-overspanningen en de dwarsdragers met vloerpanelen van de tuibrug gemaakt door HCG te leiden. De gevonden wrijvingscoêfficiênt bleek voldoende om op de verticale belasting tengevolge van rustende belasting een factor y = 1.22 Goodman-diagram. Het is dus zaak dat de berekende levensduur zeer ruim boven de vereiste uitkomt. De factor f e varieerde van 1. Deze regel stemt niet altijd overeen met de werkelijkheid. Daartoe werden twee kabelstoeien tegen een betonblok gespannen met een spanning die overeen kwam met de minimale contactdruk C zoals die in werkelijkheid op zou kunnen treden (fig. De vermoeiing van het wapeningsstaal is hier veel minder van belang. de pylonen en het overige betonwerk is opgedragen aan de Combinatie IJsselbrug Kampen. De voetplaat is aan de pyloon vastgespannenmet Dywidagstaven 0 36 mmo Destaafomhullingen zijn gevuld met corrosiewerend vet om eventueel noodzakelijke vervanging mogelijk te maken.regel van Miner. waarbij geen trek in het beton optreedt. Daarom werd onderzocht of ook kwaliteit FeP1Q30 kon worden toegepast. terwijl de voegvulling volledig in tact bleef. scheuren in het beton. de assemblage en montage. wordt uitgevoerd door Holland ia Kloos te Krimpen aan de Ijssel. Uit het Goodmandiagram blijkt dat vermoeiingsschade niet te vrezen valt (fig. 2 DE. krimpvrije gietmortels van verschillende fabricaten.het Wöhlerdiagram. Dit werd voldoende geacht. Het bezwijkbeeld werd nu anders. Haverkort. 800 W = de wrijvingskracht tussen de zool van de kabelstoel en de ondersabelingsmortel. De tui is hieraan bevestigd met een zogenaamde gaffelverbinding. Deze methoden hebben als nadeel. Aanvankelijk was het de bedoeling voor de staven kwaliteit FeP1230 toe te passen. Deze loopt dan op tot 30 000 jaar! Bevestiging van de tuien Voor de bevestiging van de tuien aan de pylonen waren de volgende oplossingen mogelijk: . De nieuwe oeververbinding zal in oktober 1983 voor het verkeer worden opengesteld. Deze combinatie wordt gevormd door de aannemers Colijn. 24 Proefopstelling ten behoeve van bepaling van de wrijvingscoëfficiënt onder de kabelstoel Cement XXXV(1983) nr. hebben tot gevolg dat het aantal wisselingen tot bezwijken daalt. De voegen werden gevuld met cementgebonden. dat de wand daar waar de kabels worden in. terwijl de fabricage van de hoofd liggers. Dit diagram heeft betrekking op wisselingen met constante amplitude.6 bleek echter niet veel af te wijken van de eerder gevonden waarden. te veel wordt verzwakt.de tui wordt door de pyloonwand gevoerd en in de holle ruimte van de stijl verankerd. Deze is maximaal als de tui kracht maximaal is. tot de verbinding bezweek. De Koning en Middelkoop. .q. bestond het bezwijken uit het afschuiven van de zool op de (niet verwijderde) conservering van het gietstuk. werd nog een proef gedaan waarbij de kabelstoelen in omgekeerde richting werden belast en een proef met platen met vertanding onder 45°. 8 499 .de bijbehorende momenten. Het werk wordt uigevoerd door de firma's Haverkort uitVroomshoop en Middelkoop uit Klazienaveen. maar worden hier niet nader beschreven.5 in plaats van de oorspronkelijke waarde B30.6. Eerst ontstonden schuine trekscheuren in de mortel. De invloed hiervan op de levensduur van de pyloon is enorm. . Betrokkenen en bouwkosten Het vervaardigen van de onderbouw. Bij de bepaling van het aantal benodigde staven was er van uitgegaan. Bij de drie proeven die op deze manier uitgevoerd werden.7 te waarborgen. Om het effect van een wijziging van de profilering van de zool te kunnen beoordelen. 22). 24). De totale kosten zullen f 38000000 bedragen. Het spannen van deze staven tot 75% van de breukkracht gaf elders moeilijkheden.de tui wordt door de pyloonstijl gevoerd en aan de buitenkant verankerd.4 en op die tengevolge van mobiele belasting y = 1.