DE 6 GEHEIMEN VAN FINANCIEEL SUCCES

Zoals steeds voor Cathy, Loïc, Brieuc en Elouan.

DE 6 GEHEIMEN VAN FINANCIEEL SUCCES
Ontsluierd in 50 praktische tips

Thierry Debels

ROULARTA BOOKS

COLOFON-pagina

“De mensen zijn gelukkig; ze krijgen wat ze begeren, en ze begeren nooit wat ze niet kunnen krijgen.”
Aldous Huxley

INHOUD
Inleiding Hoofdstuk I Financieel succesvolle mensen gaan hun eigen weg Tip 1: Leef beneden uw middelen Tip 2: Laat u vergoeden voor wat u doet Tip 3: Trap niet in de val van het consumerism Tip 4: Laat u geen praatjes verkopen Tip 5: Onderhandel over alles Tip 6: Maak een initiële levenskeuze en ga ervoor Tip 7: Laat u niet misleiden door de media Tip 8: Heb geen schuldgevoel over uw succes Tip 9: Los uw zelfcontroleprobleem creatief op 9

11 12 14 16 18 21 23 26 29 33

Hoofdstuk II Financieel succesvolle mensen kennen de economische principes en passen ze effectief toe 37 Tip 10: Hoed u voor het peter principle Tip 11: Pas de 80/20-regel toe Tip 12: Trap niet in de sunk cost val Tip 13: Laat het multiplier-effect spelen Tip 14: Respecteer de fungibiliteit van geld Tip 15: Doe niet mee aan kansspelen Tip 16: Hoed u voor hyperbolisch disconteren Tip 17: Wees u bewust van de status-quo fout Tip 18: Hanteer de theorie van de reële opties Tip 19: Pas op voor de vloek van de winnaar Tip 20: Houd rekening met de opportuniteitskosten 38 40 42 45 46 49 52 55 57 60 61

Hoofdstuk III Financieel succesvolle mensen zetten realistische doelstellingen voorop 63 Tip 21: Weet dat het geluk niet op het werk ligt 63 Tip 22: Houd u niet bezig met huishoudboekjes 65 Tip 23: Houd bij beslissingen een slag om de arm 67 Tip 24: Gebruik schulden op een constructieve manier 69 Tip 25: Geloof niet in sprookjes 71 Tip 26: Weet dat u fouten maakt, en leer ervan 73

Hoofdstuk IV Financieel succesvolle mensen gebruiken de wijze raad van anderen 75 Tip 27: Weet wanneer u niet weet Tip 28: Laat u Þscaal bijstaan Tip 29: Laat u bijstaan door een echte vastgoedspecialist Tip 30: Laat u adviseren door een goede coach Tip 31: Laat u begeleiden door een kunstkenner Tip 32: Laat u leiden door een echte beleggingsadviseur Tip 33: Ken de wetgeving Tip 34: Gebruik de mensen rondom u als toetssteen Tip 35: U hoeft geen ondernemer te zijn of een vrij beroep te hebben Tip 36: Laat u niet oplichten Hoofdstuk V Financieel succesvolle mensen zijn pro-actief en gefocust Tip 37: Zorg zelf voor uw pensioen Tip 38: Regel uw erfenis op een slimme manier Tip 39: Zorg dat de overdracht van uw bedrijf vlekkeloos verloopt Tip 40: Koop aandelen van uw bedrijf Tip 41: Beheer uw eigen carrière Tip 42: Durf berekende risico’s nemen Tip 43: Leer uw kinderen hoe ze met geld moeten omgaan Tip 44: Houd op cruciale momenten uw emoties onder controle 75 78 80 84 86 88 90 91 92 95

97 97 101 103 105 106 108 109 111

Hoofdstuk VI Financieel succesvolle mensen hebben verschillende ijzers in het vuur 115 Tip 45: DiversiÞeer ook buiten uw beleggingen 115 Tip 46: Kijk te allen tijde naar kansen en opportuniteiten 117 Tip 47: Geef niet te vlug op 120 Tip 48: Ken de kracht van serendipiteit 121 Tip 49: Doe dingen die niemand vraagt 123 Tip 50: Onderhoud uw netwerk nieuwe stijl 124 Besluit BibliograÞe 126 127

INLEIDING
Professor Steven Reiss stelt dat er niets verkeerd is met workaholics, met kinderen die niet nieuwsgierig zijn of met verlegen mensen – terwijl de samenleving net denkt dat deze mensen problemen hebben die opgelost moeten worden. Het onderzoek van Reiss, professor psychologie aan de Ohio State University, suggereert integendeel dat dergelijke mensen gelukkig zijn zoals ze zijn. Al hebben ze natuurlijk wel een persoonlijkheid die niet past in de huidige samenleving. Reiss schreef er een boek over: ‘Who am I?’. Bij de meer dan 6000 mensen die hij onderzocht, vond hij 16 basisverlangens die elk zinvol gedrag kunnen aansturen. Bij die verlangens staan onder meer status, macht, onafhankelijkheid. “Deze verlangens zorgen ervoor dat we elke dag doen wat we doen.” De combinatie van deze verlangens maakt ons uniek. Essentieel in de benadering van Reiss is dat hij het onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie verwerpt. Dit onderscheid gaat terug op Herzberg, die stelt dat werknemers het best gemotiveerd worden door intrinsieke factoren: ze doen iets omdat ze dat zelf willen doen. Extrinsieke factoren zoals geld zijn volgens Herzberg niet goed. Reiss vindt dat onderscheid kunstmatig en zelfs verkeerd. “Herzberg onderscheidt diverse menselijke motivaties en verdeelt ze in twee categorieën. En dan zegt hij dat de ene klasse beter is dan de andere. Er is zelfs geen enkele aanwijzing dat intrinsieke motivatie ook maar bestaat.” Reiss gebruikt nog nét niet het woord ‘nonsens’… Het argument dat mensen iets moeten doen omdat ze het leuk vinden, en dat geldelijke beloningen alles kapot maken, is dus niet aan Reiss besteed. “Er is geen enkele reden om aan te nemen dat geld geen goede motivator kan zijn, of dat het behalen van een grote onderscheiding geen goede stimulans kan zijn aan de universiteit. Alles hangt af van het individu: verschillende mensen worden gemotiveerd door verschillende dingen.” Ook de stelling dat welvaart en materialisme leiden tot een inferieure beleving van geluk, vindt geen genade in de ogen van Reiss. “Individuen verschillen enorm in wat hen gelukkig maakt. Voor de een ligt het grootste geluk in competitie, winnen en welvaart; een ander geeft daar helemaal niets om, en voor nog een derde persoon is het grootste geluk zich competent voelen en onder de mensen zijn. Het punt is: je kan niet stellen dat bepaalde motivatoren, zoals bijvoorbeeld geld, inferieur zouden zijn.”

9

Reiss maakt een vergelijking met kinderen. “Sommige kinderen die erg competitiegericht zijn, vinden hoge punten erg belangrijk. Dat gaat in tegen wat bepaalde psychologen stellen, namelijk dat competitie slecht is en dat een non-competitieve houding goed is. Diezelfde psychologen beweren dat nieuwsgierigheid en de zin tot leren intrinsieke waarden zijn die iedereen zou moeten delen. Op die manier leggen ze echter alleen maar hun waardepatroon op aan anderen.” En daar houdt Reiss niet van.

10

Hoofdstuk I

FINANCIEEL SUCCESVOLLE MENSEN GAAN HUN EIGEN WEG
“Het enige wat geld en succes doen, is je persoonlijkheid uitvergroten. Ben je een klootzak en verdien je veel geld, dan word je een nog grotere klootzak omdat geld je de vrijheid biedt om nog meer de mens te zijn die je al bent. Als je echter een warm en genereus persoon bent, word je een nog aangenamer mens.” Will Smith

In een interview met De Tijd beweert Riccardo Petrella dat we onze kinderen de verkeerde lessen meegeven. “Overleven kun je door rijk en machtig te zijn. Macht, verovering, overheersing en onderwerping: dat is wat we onze kinderen meegeven. Dat de poolkappen smelten, dat het ozongat groter wordt, dat elders mensen creperen van de honger, trek je dat vooral niet te veel aan. Ga door volgens de uitgestippelde weg: inkomen vergaren, rijk en bijgevolg machtig worden. Dat is de westerse notie van de ultieme vrijheid in het leven.” Petrella heeft het verkeerd voor. Een tegenvoorbeeld: Bill Gates. De rijkste man ter wereld doet meer tegen de armoede dan tientallen westerse landen samen. Bovendien is de uitspraak van Petrella fout. Het gaat meer bepaald om een drogredenering. Het feit dat u en ik hier ‘inkomen vergaren, rijk en machtig worden’ heeft geen enkel verband met wat in de derde wereld gebeurt. De beschikbare hoeveelheid geld is niet statisch, waarbij er een soort natuurwet zou bestaan die stelt dat het geld automatisch van arm naar rijk loopt. De redenering van Petrella past typisch in een dualistisch patroon waarbij arm goed is en rijk slecht. De erfgenamen van Sam Walton zijn ontzettend rijk, maar ze besteden eveneens erg veel geld aan goede doelen. Anders gesteld: wat als ik de ‘uitgestippelde weg’ niet zou volgen? Zijn de wereldproblemen dan opgelost? Kortom, de redenering van Petrella is niet correct; jammer genoeg duikt ze heel vaak op in allerlei vormen.

11

TIP 1: LEEF BENEDEN UW MIDDELEN. In 1994 bracht ik in het kader van de universitaire stage bij ING België enkele dagen door met een vermogensbeheerder. Op een bepaald moment hadden we een afspraak met een cliënt die minstens anderhalf miljoen euro woog. Ik verwachtte iemand in een perfect gesneden pak, met glimmende brogues en een gouden horloge. In plaats daarvan kwam er een man binnen met beduimelde kleren; hij rook zelfs een beetje naar zweet. Kortom, hij beantwoordde in niets aan mijn beeld van iemand die voor anderhalf miljoen euro in zijn effectenportefeuille had zitten. De auto van de man heb ik niet gezien; als hij er al een had, was het wellicht geen glimmende Porsche of blitse Ferrari. Het beeld dat ik me toen gevormd had, is typisch. Vraag aan de mensen welk beeld ze hebben van Þnancieel succesvolle personen, en je krijgt gegarandeerd antwoorden over dure kleren, snelle auto’s en lange verre reizen. Stel dat de vermogensbeheerder en de Þnancieel succesvolle man van hierboven samen op straat lopen en je vraagt aan een toevallige voorbijganger wie van beiden de rijkste is, dan ben ik er zeker van dat iedereen de vermogensbeheerder zal kiezen. Hij beantwoordt nog het meest aan dat klassieke beeld. Zijn pak was weliswaar niet van Armani, maar het zag er in ieder geval verzorgd uit. Toch is het perfect mogelijk dat de vermogensbeheerder Þnancieel onsuccesvol was. Misschien had hij alleen maar schulden. Een feit is dat hij naar zijn mening te weinig verdiende. Hij vertelde mij overigens in vertrouwen dat hij van werkgever wilde veranderen. Jaren later las ik het boek ‘The millionaire next door’ van Thomas Stanley en William Danko. De auteurs beschrijven wat het werkelijke proÞel is van een Þnancieel succesvol persoon; hiervoor deden ze onderzoek naar 733 dollarmiljonairs. Het belangrijkste besluit is dat Þnancieel succesvolle mensen beneden hun middelen leven. In Texas bestaat een gezegde dat dit treffend illustreert: “No big hat, but a lot of cattle.” Anders gezegd: ze besteden geen geld aan dure statussymbolen. Laten we even een sprong maken naar Michael Jackson. Denkt u dat hij een Þnancieel succesvol persoon is? Wellicht overloopt u nu een aantal elementen die u kunnen helpen bij deze beoordeling. Hij heeft massa’s platen verkocht: de inkomstenkant zit (of beter: zat) dus wel snor. De uitgavenkant is iets moeilijker in te schatten. Leeft hij niet op dat immense domein? En heeft hij niet een leger personeel? Toch zult u vermoedelijk antwoorden dat Jackson Þnancieel succesvol is. Welnu, hij is het niet. Tijdens het beruchte proces van 2005 werd duidelijk dat hij boven zijn stand leeft: hij zit met een schuldenberg van 200 miljoen

12

euro en geeft jaarlijks 25 miljoen euro meer uit dan hij verdient. Vooral dit laatste is een frappant teken van Þnancieel wanbeheer. Bij heel wat mensen ontstaat het misverstand ook door het feit dat ze niet het onderscheid maken tussen inkomen en vermogen. We leven immers in een maatschappij die vooral focust op inkomen. In kranten lees je nagenoeg exclusief over onderwerpen die hiermee te maken hebben: topmanagers die te veel verdienen, werknemers die zich Þnancieel kunnen verbeteren door van werkgever te veranderen, huismoeders die thuisblijven en een eigen inkomen zouden moeten krijgen. In de economie wordt het onderscheid gemaakt tussen een stock en een ßow variabele. Een eerstejaarsstudent aan de universiteit die het verschil tussen beide niet kent, zal niet aan het tweede jaar moeten beginnen. Toch maken journalisten voortdurend deze fout. Een andere reden waarom het onderscheid zelden gemaakt wordt, is dat inkomen tastbaarder en iets transparanter is dan vermogen. Geld is nog altijd taboe, maar mensen zullen eerder vertellen wat hun inkomen is dan hoeveel hun vermogen bedraagt. Laten we een eenvoudig voorbeeld geven. Jan verdient 2000 euro per maand en zet daarvan 500 euro opzij; Piet verdient 4000 euro en geeft alles uit. Na een jaar heeft Jan 6000 euro opzijgezet. Na 30 jaar – en we maken abstractie van het feit dat Jan die 500 euro telkens weer kan beleggen – heeft Jan een Þnanciële reserve van 180.000 euro. Als Jan samenleeft met een vrouw die eveneens elke maand 500 euro spaart, hebben ze samen 360.000 euro. De druk om boven je stand te leven is in onze maatschappij bijzonder groot. Laten we twee gerelateerde voorbeelden geven. Mijn eigen kinderen gaan regelmatig naar verjaardagsfeestjes. Onderzoek wees uit dat een derde van de ouders bang is om niet te voldoen aan de verwachtingen van het jarige kind en van de invités (of hun ouders). Het gevolg is dat er erg veel geld wordt uitgegeven aan dergelijke feestjes. Ook aan trouwpartijen wordt steeds meer geld uitgegeven. Als we bedenken dat één op de twee huwelijken vrij snel op de klippen loopt, kunnen we ons afvragen of dat wel een goede investering is. Een bijkomende druk wordt veroorzaakt door het feit dat in onze maatschappij de wet van Say tot in het extreme wordt toegepast. Eenvoudig uitgedrukt, stelt deze wet dat elk aanbod zijn eigen vraag creëert. Een Amerikaanse onderneming beslist bijvoorbeeld 250.000 kleurenlaserprinters te laten fabriceren en probeert die te verkopen. De printer wordt niet gemaakt omdat de klant dat vraagt. Absoluut niet, want de printer zal koste wat het kost door het distributiekanaal geduwd wor-

13

den. Desnoods wordt de printer gratis weggegeven, want het is door de verkoop van de cartridges dat er geld zal worden verdiend. Al bij al blijft het een merkwaardige vaststelling: de meeste mensen denken dat Þnancieel succesvolle personen het geld zorgeloos en onbeperkt laten rollen. Neem nu Warren Buffett, de op één na rijkste man ter wereld (na Bill Gates). Van Buffett is bekend dat hij erg zuinig leeft: hij woont nog altijd in een bescheiden huis dat hij jaren geleden kocht, drinkt het liefst cola en rijdt in een gewone auto die al een paar jaar oud is. Uiteraard is dit verhaal iets minder smeuïg dan dat van een nitwit die met geld smijt.

TIP 2: LAAT U VERGOEDEN VOOR WAT U DOET. In 2004 leerde ik een van de bezielers kennen van de uitstekende muziekwebsite Goddeau. Ik suggereerde hem contact op te nemen met uitgevers als De Persgroep (Joepie). Dat wilde hij niet: blijkbaar vond hij het oneerbaar om op welke manier dan ook geld te slaan uit zijn project. Deze houding is niet uitzonderlijk. Isabelle is een dertiger uit Brussel en een hevige fan van U2. Dagelijks spendeert ze 3 tot 4 uur aan de website U2achtung.com, vrijwillig uiteraard. Ze schrijft teksten en infobulletins, vertaalt artikels, animeert forums en doet mee aan de chats. Erg leuk allemaal, maar Isabelle wordt daar niet voor vergoed. Zodra ergens een artistiek geurtje aan hangt, is het blijkbaar taboe om de verbinding met geld te maken. Stephan Moens, medewerker klassieke muziek van De Morgen, haalt in een column ongemeen hard uit naar Igor Stravinsky. “Omdat het Russische copyright niet overal erkend werd, produceerde hij nieuwe versies van zijn vroege balletten waarop hij dan een Amerikaans auteursrecht inde. Je kunt je afvragen waarom hij dan niet eenvoudigweg nieuwe werken componeerde, zoals elke componist, romantisch gezegd ‘uit innerlijke aandrang’, zou doen.” Het antwoord is dat Stravinsky Þnancieel succesvol was. Twijfelen aan de artistieke integriteit van een van de grootste componisten van de twintigste eeuw is bovendien totaal ongepast. Gustav Mahler heeft de reputatie een dromerige, wereldvreemde idealist te zijn. Dat beeld wordt gecorrigeerd in de biograÞe van Jens Malte Fischer: volgens deze auteur kon Mahler “meedogenloos zijn in zijn loopbaan, en hij kon bovendien erg scherp onderhandelen over zijn salaris.”

14

Als 17-jarige tekende Nicola Benedetti in 2005 een contract met Deutsche Grammophon, voor een waarde van anderhalf miljoen euro – de grootste deal ooit in de klassieke muziek. De eveneens zeer getalenteerde Belgische violist Yossif Ivanov haalde in een interview keihard uit naar zijn collega: hij vond haar toch niet zo goed en meende dat ze zeker niet dat enorme bedrag waard was. Toch is zij Þnancieel succesvol en hij (voorlopig) niet. Om een verklaring voor dit fenomeen te vinden moeten we een heel eind terug in de tijd. Socrates stond boven alles en iedereen verheven omdat hij nooit geld wilde aannemen. Hij dacht ‘omwille van het denken’. In zijn boek ‘De grote Þlosofen en hun problemen’ suggereert Konrad Liessman de tweestrijd tussen Socrates en de soÞsten. Deze laatsten hadden van het denken hun beroep gemaakt: men kon bij hen immers terecht voor wat we vandaag ongetwijfeld ‘superieure marketingstrategieën’ zouden noemen. Hiervoor werden de soÞsten uiteraard vergoed. Toch gaat de sympathie – nog steeds overigens – uit naar Socrates, omdat hij nooit geld aannam. Blijkbaar zit die houding erg diep. Zouden acteurs ook een afkeer hebben van geld? Volgens Peter Van Asbroeck is dit een mythe. In een interview met Dag Allemaal geeft hij eerlijk toe ‘materialistisch’ te zijn. “Acteurs zijn geen alternatievelingen die geld verafschuwen. In tegenstelling tot wat velen beweren, zijn theatermensen erg met geld bezig. Waarschijnlijk veroorzaakt het gemis aan Þnanciën een soort obsessie met centen,” aldus Van Asbroeck. Financieel succesvolle mensen streven niet naar geld op zich. Zij beschouwen geld als de waardering voor de prestatie die ze verrichten. Vergelijk het met de Mona Lisa. Als je rechtstreeks naar het schilderij kijkt, is er niks merkbaar van de mysterieuze glimlach. Pas wanneer je zijdelings naar het doek kijkt, komt de raadselachtige glimlach tot leven. Met geld is het net hetzelfde. Als je rechtstreeks voor het geld gaat, is er niets te zien. Maar zijdelings, dit wil zeggen door het aanbieden van toegevoegde waarde, is er altijd een glimlach aanwezig. De waardering voor de prestatie is overigens een belangrijke test. In de column ‘Geld moet rollen’ van Anone in De Groene Amsterdammer las ik een interessante gedachtegang. Stel dat je erg rijk bent en je hebt zin om een boek te schrijven: dan is het geen enkel probleem om dat in eigen beheer uit te geven. Toch is het volgens de columnist beter “een boek te schrijven waarvoor een uitgever graag een risico neemt.” Je werk bestaat namelijk pas als een ander er de verantwoordelijkheid voor neemt.

15

Het verwachten van een Þnanciële prestatie in ruil voor geleverde diensten heeft bovendien alles te maken met het bereiken van een zekere Þnanciële zelfkennis. Volgens de psychologe Kathleen Gurney kunnen we die zelfkennis slechts bereiken als we het belang van geld niet overdrijven, maar evenmin ontkennen.

TIP 3: TRAP NIET IN DE VAL VAN HET CONSUMERISM. In een boek dat in 1932 geschreven werd, lezen we de volgende passage. “De industriële samenleving is alleen mogelijk als er geen zelfverloochening bestaat: toegeven aan de eigen begeerten tot aan de grenzen die door hygiëne en economie worden gesteld. Anders zouden de wielen ophouden met draaien.” Het boek is ‘Heerlijke nieuwe wereld’ van Aldous Huxley. De samenleving die de schrijver voorspelde, is vandaag werkelijkheid geworden. Ondernemingen doen er alles aan om consumenten te laten ’toegeven aan de eigen begeerten’. Niet voor niets hebben Þnancieel succesvolle mensen de zelfdiscipline om te weigeren hieraan mee te doen en de bevrediging van hun verlangens uit te stellen. Niet dat het hun gemakkelijk wordt gemaakt. De Amerikanen spreken van consumerism, en eigenlijk is dat de vlag die nog het best de lading dekt. Je kan het omschrijven als het streven naar geluk door de aankoop en consumptie van goederen of diensten. Uiteraard is dat een illusie. Niet alleen blijkt uit een studie dat mensen beslissingen inzake consumptie als de nummer één citeren wanneer het gaat over dagdagelijkse stress; bovendien – zo merkt de Scandinavische onderzoeker Lars Svendsen terecht op – koop je eigenlijk symbolische waarden, en dergelijke waarden verslijten steeds sneller. Natuurlijk is dat een proces dat door de ondernemingen bevorderd en versterkt wordt. Op die manier wordt er immers meer verkocht. Ook op medisch gebied kunnen we een vorm van consumerism vaststellen. “Psychisch lijden is kassa,” zo kopte De Morgen in 2005. In het artikel ging het over de gigantische lobbymachine van de farmaceutische industrie, die de consumenten doet denken dat neuroses en psychoses met geneesmiddelen opgelost kunnen worden. Een klassieke methode is dat voor de lancering van een nieuwe molecule een reeks artikelen wordt gepubliceerd om het probleem – bijvoorbeeld depressie – vast te stellen. Een volgende reeks publicaties wijst dan op de biologische oorzaak en de mogelijke ‘genezing’ door die nieuwe molecule.

16

Hettie Green leefde in de negentiende en een stuk van de twintigste eeuw. Toen ze in 1916 stierf, was ze anderhalf miljard hedendaagse dollars waard. Daarmee had ze zeker een stek in de toenmalige toptien van de rijkste mensen. Green had een hekel aan dokters. Volgens haar vinden die ziektes uit om geld uit onze zakken te halen. Een extreem standpunt, natuurlijk – maar het kan geen kwaad dit even in gedachten te houden, als tegengewicht voor de medische overconsumptie. Is ‘consuminderen’ dan een oplossing? Niet volgens de Þlosoof Pascal Bruckner. In Amerika bloeit een nieuwe ethiek van soberheid, die het gedoe met kredietkaarten en de obsessie met erfenissen verwerpt en kiest voor het beheersen van de behoeften. Volgens Bruckner gaat het hier om een mediahype, een tijdelijk ‘berouw’ aan de vooravond van nieuwe, nog grotere koop- en consumptieorgieën. Toch is het volgens Bruckner symptomatisch dat in het hart van de Þnanciële wereld twijfels rijzen over de rechtmatigheid van het systeem, en dat er een pleidooi wordt gehouden voor een aangenamer bestaan dat niet volledig wordt beheerst door de logica van het bezit en de kunstmatige begeerte. De economist Robert Frank raadt mensen aan hun aandacht te richten op inconspicuous goods, onopvallende goederen. Uiteraard verwijst hij hierbij naar Veblen, die beweert dat mensen door de aankoop van opzichtige zaken hun rijkdom willen etaleren. Frank pleit ervoor om meer vrije tijd te nemen, vaker het gezelschap op te zoeken van vrienden of familieleden en regelmatiger te sporten. Frank is geen halfgare malloot, maar een gerespecteerd hoogleraar en auteur van enkele handboeken over micro-economie. En eigenlijk sluit de raad van de professor mooi aan bij de werkelijke leefwijze van Þnancieel succesvolle mensen. Die houden zelfs helemaal niet van consumeren, volgens het onderzoek van Stanley en Danko. Bovenaan hun lijstje met favoriete vrijetijdsbezigheden staan bijvoorbeeld familiale onderonsjes en bijeenkomsten met vrienden. Laten we even terugkeren naar de toekomstvisioenen die Aldous Huxley in 1932 beschreef. Een van de personen uit het boek beweert dat het nooit goed is kleren te verstellen. “Als er gaten in komen, gooi ze dan weg en koop nieuwe. Hoe meer we repareren, hoe minder we produceren. Verstellen is antisociaal.” Dat moet producenten vandaag nog steeds als muziek in de oren klinken. Financieel succesvolle mensen verstellen echter wél kleren en schoeisel. Ze kopen dure en degelijke voorwerpen en laten die ver- of herstellen. Dat is trouwens niets nieuws. Al in de achttiende eeuw voerde de rijke adel het principe van raccommodage hoog in het vaandel. Volgens

17

Koen De Vlieger-De Wilde is raccommodage een verzamelnaam voor onderhoud en herstellingen. Hij onderzocht de dagboeken van de rijke gravin Livinia de Beer en stelde vast dat zij, ondanks haar rijkdom, beslist geen geld over de balk gooide. In een aßevering van de tv-serie ‘Inspector Morse’ draait het verhaal rond een master aan een college in Oxford. Morse toont de vrouw van de professor een paraplu en vraagt of die van haar man is, waarop zij met grote stelligheid negatief antwoordt: de paraplu die hij gebruikt, heeft zij immers jaren geleden versteld. “Dit is een gewoonte die uit de mode is geraakt,” zo merkt ze schamper op; “mensen hebben die kunst verleerd.” Overigens verdient een professor in Oxford erg goed zijn brood. Een andere reden waarom het erg moeilijk is om tegen de stroom van het consumerism op te roeien, is dat mensen hun zelfbeeld meer en meer laten afhangen van de dingen die ze kopen en bezitten. Uit een onderzoek blijkt dat consumenten slechts een beperkt aantal voorwerpen echt op prijs stellen. De dingen waar ze van houden, blijken een sterke invloed te hebben op de manier waarop ze naar zichzelf kijken. Volgens het onderzoek is het in de wereld van vandaag gewoon onmogelijk om geen invloed te ondervinden van voorwerpen. Een ander onderzoek wijst erop dat ook kinderen en adolescenten zich associëren met een beperkt aantal merken.

TIP 4: LAAT U GEEN PRAATJES VERKOPEN. In 2005 verscheen het World Wealth Report van Merrill Lynch en Cap Gemini, waarin te lezen stond hoeveel miljonairs de wereld telt en waar ze zich bevinden. In de berichtgeving over dit rapport merk je steevast een vreemd verschijnsel op: heel wat journalisten maken de verbinding met onderwerpen die an sich niets te maken hebben met wat in het rapport staat. In Nederland vergeleek de redacteur van het Financieele Dagblad het vermogen van alle miljonairs (30.800 miljard dollar) met de schulden van zuidelijk Afrika (420 miljard dollar), en het vermogen van de Nederlandse miljonairs (310 miljard dollar) met het jaarlijks budget van de Wereldbank (20 miljard dollar). Dit is echt appels met peren vergelijken. Misschien zouden we dit fenomeen nog enigszins kunnen begrijpen als het artikel in De Volkskrant was verschenen. Daar bestaat immers een (niet eens verborgen) agenda om alles wat met rijkdom te maken heeft in een slecht daglicht te plaatsen.

18

Het sterkste tegenargument is dat de rijkste man ter wereld wellicht meer doet voor de armen dan heel wat westerse landen. Misschien geloven sommige mensen nog altijd dat er een soort mechanisme bestaat waarbij het geld van arm naar rijk stroomt – een soort zero sum game, waarbij de winst van de ene het verlies van de andere betekent. Nonsens, uiteraard: de verdeling van welvaart lijkt veeleer op een ‘zero plus spel’ waarbij de winst van die ene (bijvoorbeeld Bill Gates) best kan leiden tot winst voor de andere. Nog meer onzin hoor je van hooggeplaatste functionarissen van de Europese Centrale Bank en de Oeso. In 2002 riep Wim Duisenberg de consumenten op om meer geld uit te geven. Dat is volgens hem noodzakelijk “om de economie een duwtje in de rug te geven.” Kortom, als u volgens Duisenberg van plan bent een auto te kopen, dan moet u dat doen “als u er het geld voor hebt.” In 2004 deed zijn opvolger Trichet een oproep “om meer te consumeren.” Een jaar later herhaalde hij die boodschap en stelde letterlijk dat men de ECB kan vertrouwen. “Als je de bedoeling hebt om te consumeren en je twijfelt wegens een gebrek aan vertrouwen, doe het dan toch maar – wellicht is de tijd aangebroken om te consumeren.” Een gelijkaardige stelling vinden we in die periode bij de Oeso; deze organisatie vindt dat de Europeanen ronduit te weinig consumeren. Het probleem is dat bij dergelijke oproepen geen onderscheid wordt gemaakt tussen micro-economie en macro-economie. Micro-economie gaat over de individuele beslissingen van mensen zoals u en ik; macroeconomie aggregeert al deze beslissingen op een hoger niveau. De aanmaningen van Duisenberg en Trichet gaan over het macro-economisch niveau. Zij zien een cijfer dat de consumptie van alle burgers weergeeft, en misschien hebben ze wel gelijk vanuit macro-economisch standpunt. De mensen redeneren echter vanuit hun eigen situatie: micro-economie. Aansporingen om meer te consumeren zijn dan ook totaal misplaatst. Mensen die niet van plan waren een auto te kopen, zullen zich niet door Trichet of Duisenberg laten verleiden om hun oude auto in te ruilen. En voor consumenten met een gat in hun hand klinkt de boodschap dan weer als een vrijgeleide om nog meer uit te geven. Een andere boodschap in heel wat verhalen is dat geld niet gelukkig zou maken. Kijk maar naar de Afrikanen, zo wordt dan gezegd: die hebben niets en lopen toch altijd met een glimlach op hun gezicht? Ruut Veenhoven houdt al jarenlang een gegevensbestand bij over het geluk in de wereld. Helemaal onderaan in de lijst staan Oeganda, Mali, Tanzania en Zimbabwe.

19

Hilde Vansteevoort zeilde met haar gezin de wereld rond. Toen ze in Afrika aanmeerde, trok ze haar ogen wijd open. “Geld is hier in Afrika heel belangrijk en de mensen zouden bijna alles doen om geld te verdienen,” zo schrijft ze in Het Laatste Nieuws. Dat mogen we letterlijk nemen, want haar zoontje werd op een bepaald moment gewoon opgelicht door een paar jonge Afrikanen. Ook Danny Kahneman, Nobelprijswinnaar economie, kan zich behoorlijk opwinden als hij weer eens leest of hoort dat arme mensen gelukkiger zouden zijn dan rijke. “Mensen zijn meer tevreden met hun leven naarmate hun inkomen hoger is,” verklaart hij aan Time. “Ze beschouwen zichzelf als meer succesvol, meer zaken zijn gegaan zoals ze wilden.” Gedurende een decennium onderzocht Andrew Oswald 9000 gezinnen in Groot-Brittannië. Het viel hem op dat mensen veel gelukkiger worden wanneer ze onverwacht geld binnenkrijgen. “Zelfs een beperkt bedrag brengt dit geluksgevoel teweeg. En hoe meer geld men binnenkrijgt, hoe beter men zich voelt.” De Nederlandse onderzoekster Peggy Schyns stelde vast dat werknemers die een loonsverhoging kregen, zich beter voelden tot twee jaar na die loonsverhoging. En een studie van het Duits onderzoeksbureau DIW toont aan dat Duitsers met een relatief hoog inkomen gelukkiger zijn dan landgenoten met een lager inkomen. Bovendien zijn de grootverdieners gezonder. Over gezondheid gesproken: uit een andere studie blijkt dat mensen die over een stevige Þnanciële buffer beschikken, zich minder slecht voelen als ze getroffen worden door een ernstig gezondheidsprobleem dan mensen die niet over zo’n buffer beschikken. De ‘rijken’ vertonen een hoger welzijn, minder droefheid en minder eenzaamheid. Pamela York-Klainer, die al twintig jaar werkt met succesvolle mensen, stelt dat geld en geluk heel sterk met elkaar verbonden zijn. Zij beweert dat geld letterlijk ‘ademruimte’ koopt: opties die je niet hebt als je elk moment van de dag moet ploeteren om rond te komen. Bovendien – en dat is nog essentiëler – koop je met geld zogenaamde ‘containers’. Een dergelijke container kan alles zijn wat voor geld te koop is: een huis, een sabbatjaar, een betere gezondheid,...

20

TIP 5: ONDERHANDEL OVER ALLES. Een ander wijdverbreid misverstand over Þnancieel succesvolle mensen is dat zij het geld gul rondstrooien. Niets is minder waar. Eigenlijk is dat niet eens zo moeilijk te begrijpen: als ze zo kwistig met geld gooiden, zouden ze nooit geraakt zijn waar ze nu staan. In de luxebijlage ‘How to spend it’ van The Financial Times vertelt Jonathan Margolis dat zijn ouders hem leerden hoe je in een restaurant een Þnancieel succesvol persoon kan herkennen: die zal de rekening zorgvuldig overlopen en controleren of hij niet te veel betaalt. Iemand die daarentegen niet eens de moeite neemt om zijn rekening te bekijken en bovendien een zeer royale fooi geeft, is volgens de ouders van Margolis maar een aspirant. Een recente studie kwam tot de vaststelling dat rijke mensen nauwelijks fooien geven. En eigenlijk hebben ze gelijk, want uit diezelfde studie blijkt eveneens dat er geen enkel verband bestaat tussen de fooi en de kwaliteit van de bediening. Is het toeval dat Þnancieel succesvolle mensen relatief gezien minder geld geven aan goede doelen? Cijfers uit Groot-Brittannië tonen aan dat de rijken nauwelijks één procent van hun inkomen besteden aan liefdadigheid, terwijl de armste tien procent van de bevolking maar liefst drie procent weggeeft aan goede doelen. Financieel succesvolle mensen zullen bovendien altijd onderhandelen als dat mogelijk is. Ook hierover bestaat een mythe, namelijk dat dergelijke mensen niet hoeven te onderhandelen en dat ze ook de moeite niet doen om zich daarmee bezig te houden. Opnieuw een misverstand. De rijkste Europeaan, Ingvar Kamprad van Ikea, staat erom bekend dat hij altijd en overal op de prijs wil afdingen. Marktkramers krijgen van hem steevast te horen dat “de tomaten er al overrijp uitzien.” Net als Warren Buffett rijdt hij rond in een aftandse auto; naar verluidt, bestelt hij zijn vliegtuigtickets altijd via het internet omdat hij dan de beste prijs kan krijgen. Ook kortingbonnen worden veelvuldig gebruikt door Þnancieel succesvolle mensen. Hoe is het mogelijk, hoor ik u denken: laten ze zich tot zoiets laags verleiden? Uit de eerder vermelde studie van Stanley en Danko blijkt dat miljonairs – of hun vrouwen – zich helemaal niet te goed voelen om kortingbonnen uit te knippen. Op één voorwaarde: het moet wel gaan om een product dat ze in ieder geval gingen kopen. Die kortingbonnen hebben natuurlijk als enig doel de consumptie aan te wakkeren, en Þnancieel succesvolle mensen zijn wel zo slim dat ze dit doorzien. Ze kopen geen producten die ze anders ook niet zouden

21

kopen, en bovendien proÞteren ze van de passiviteit en domheid van de anderen. Doordat deze laatsten zich niet bezighouden met die ‘onzin’, leveren de kortingen meer op. Dat is een simpel economisch gegeven. Jean-Pierre Roelandts van Colruyt verwoordt het als volgt: “Doordat zij (de mensen die geen bonnen uitknippen) de volle pot betalen, kunnen de andere klanten een grotere korting genieten.” Financieel succesvolle personen durven ook met dergelijke kortingbonnen aan de kassa verschijnen. Wellicht zijn er heel wat armere mensen die zich hiervoor schamen: misschien denken ze dat dit hen zou ‘verraden’. Uiteraard vergissen ze zich. In België alleen al verdienen Þnancieel succesvolle personen op die manier 65 miljoen euro per jaar! Toen ik de laatste keer voor het onderhoud van mijn auto in de garage was, stond er een man voor me die een rekening van 18,40 euro moest betalen. Hij gaf een briefje van twintig en stelde zelf voor het wisselgeld te laten vallen. Volgens de theorie van pa en ma Margolis: een typisch voorbeeld van een Þnancieel niet-succesvol persoon… Laatst moest ik een bestelling plaatsen van 2000 liter stookolie. De ofÞciële prijs bedroeg op dat moment 42,55 eurocent per liter voor bestellingen van minstens 2000 liter. De leverancier bood mij een prijs van 41,36 eurocent. Mijn onmiddellijke reactie was de vraag om dit bedrag af te ronden naar 41 eurocent, en de leverancier ging akkoord. Het lijkt misschien niet veel, maar die reßex heeft mij wel 7,20 euro opgeleverd – louter en alleen door een extra korting te vragen. Iets later kwam ik per toeval terecht op de webstek van de stookolieleverancier, waar bleek dat ik via het internet een nog grotere korting had kunnen krijgen. Voortaan gebeurt de bestelling dan ook via het net. Zou u eraan denken om te onderhandelen over de prijs van een hotelkamer? Waarschijnlijk niet – en toch is niets zo variabel als deze tarieven. Bij de receptie hangen de maximale kamerprijzen, de zogeheten rack rates. De meeste mensen betalen ook effectief deze prijs. Sommigen zijn slimmer en onderhandelen tot ze een korting krijgen die kan oplopen tot 50 procent. Opgelet, niet alle hotels doen mee aan dit gepingel. Het Hilton bijvoorbeeld heeft een naam hoog te houden: daar hoef je het dus niet eens te proberen. De Belgische cineast Jan Bucquoy zouden we misschien niet onmiddellijk associeren met Þnancieel succes. Toen ik echter ergens las dat hij steevast onderhandelt over de prijs van een hotelkamer in Brussel, was ik onmiddellijk bereid mijn mening te herzien. In een interview vertelt Bucquoy dat hij in functie van de bezettingsgraad discussieert over de prijs. Goed bekeken, Jan!

22

“Een nee heb je, een ja kan je krijgen.” Dit gezegde is zo’n beetje het motto van gehaaide onderhandelaars, en ook Þnancieel succesvolle mensen kennen het goed. Onthoud dat je niets te verliezen hebt als je niet onmiddellijk akkoord gaat met de voorgestelde prijs. Een goede truc is altijd te stellen dat iets te duur is, zelfs al is dit niet zo. Als de ander op de hoogte is van onderhandelingstechnieken, moet hij automatisch repliceren met het standaardantwoord: “In vergelijking waarmee?” Doet hij dat niet, dan zit u alvast in een stevige uitgangspositie om iets van de prijs af te knabbelen. Op die mooie kast bij de antiekhandelaar bijvoorbeeld zit een zeer hoge marge. De kast die de handelaar voor 410 euro verkoopt, heeft hij wellicht aangekocht voor 150 euro. Of minder, als hij zelf een goede onderhandelaar is. Of meer, als hij dit spel niet zo goed beheerst. Enige kennis over de marges in een bepaalde bedrijfssector is in ieder geval de basis om goed te kunnen onderhandelen. Sommige bedrijfstakken werken met ßinterdunne marges; daar kan je uiteraard weinig uit de brand slepen. Interessanter zijn de sectoren met hoge marges, zoals de verkoop van modieuze kleding. Neem nu de aankoop van een nieuwe wagen. Er zijn nog altijd mensen die een auto kopen zonder te onderhandelen over de prijs, terwijl het toch standaard is om te starten met een minimale korting van 5 of 6 procent. Afhankelijk van het merk en de periode van het jaar, kan deze korting gemakkelijk oplopen tot een getal met twee cijfers. Tot slot nog dit. Als u aan de Britse koningin denkt, ziet u wellicht beelden van pracht en praal. Welnu, dat valt lelijk tegen. In 2003 wist een journalist in Buckingham Palace binnen te dringen, vermomd als butler. Nadien kon de hele wereld gniffelend vernemen dat Elizabeth zeer zuinig is – en dat is dan nog een understatement. Zo komen de ontbijtgranen bijvoorbeeld op tafel in een Tupperware-doos…

TIP 6: MAAK EEN INITIËLE LEVENSKEUZE EN GA ERVOOR. In een interview vertelt de Þlosoof Tzvetan Todorov dat de periode waarin de mens volwassen wordt, eindigt met de keuze voor een bepaalde identiteit. “Die keuze is niet in één keer deÞnitief. Ze zal nog een paar keer bijgesteld moeten worden, maar men neemt een besluit welke richting men zal ingaan.” Verder zegt hij nog dat een keuze altijd voorlopig is. “Misschien laten we die identiteit aan het eind van de rit weer los – omdat we te moe worden, of omdat we liever het gazon gaan maaien...”

23

Die gedachtegang vinden we ook terug bij life coach Stephen Pollan. In ‘Fire your boss’ stelt hij dat werknemers gewoon de bestbetaalde job moeten aannemen. Ze mogen zich vooral niet laten verleiden door allerlei inspanningen van ondernemingen om het werk prettiger te maken, want die creëren een vals beeld van de reden waarom we zouden werken. Werknemers worden gehersenspoeld om de bedrijfscultuur en een ondersteunende omgeving meer te waarderen dan de Þnanciële vergoeding voor hun werk. Lulkoek, vindt Pollan. Sommige werknemers menen dat een werkplaats aantrekkelijk moet zijn. Onterecht. Volgens Pollan moet je focussen op een job om je inkomen te verstevigen. Niet-Þnanciële voordelen en elementen die inspelen op je ego zijn waardeloos. De job van je dromen is gewoon de job die het best betaalt. “Indien op een bepaald moment in je leven de behoefte aan inkomen is verminderd, dan kan je concessies doen om een ‘evenwichtige’ job te zoeken. Tot dan moet je de ongezonde notie van ‘emotionele bevrediging op het werk’ achterwege laten en kiezen voor de bestbetaalde job.” Ook succesauteur Jef Geeraerts heeft deze boodschap over de initiële levenskeuze begrepen. In een interview met het maandblad Uw Vermogen stelt hij dat je op jonge leeftijd een lucide inzicht moet verwerven in je eigen situatie. “Nooit uit het oog verliezen dat je maar één keer leeft en dat je vanaf een bepaald moment, op een tweesprong, één lijn in je leven moet volgen.” Zo kom je, volgens de auteur van ‘Geld’, tot inzicht in je wensen en ontwikkel je praktisch verstand. “Geen vage oosterse wijsheden, alleen praktisch overleg en toepassing van informatie die voor jou relevant is. Al het oninteressante en overbodige laten wegvloeien als onzuiver water, en de heldere stroom van je leven blijven volgen. Het resultaat is gemoedsrust, dankzij dat prachtige hulpmiddel: geld!” Bij die initiële levenskeuze hoort ook het concept dat Þnancieel succesvolle mensen hun eigen richting uitgaan en zich niet laten aßeiden door anderen. Modeontwerpster Diane von Fürstenberg verwoordt dit concept treffend: “Ik doe wat ik wil. Altijd.” Volgens Phil Kleingeld, de auteur van ‘Geheimen van succes’, zijn Þnancieel succesvolle personen vaak ‘regelbrekers’: ze zijn ongehoorzaam, omdat ze hun eigen weg gaan. Misschien denkt u nu dat men met die eigenschap niet ver komt in het bedrijfsleven? Niets is minder waar. Volgens een onderzoek van het Britse YSC, een vereniging van bedrijfspsychologen, vertonen topmanagers net die eigenschap. Daarenboven beschikken ze over ‘ongebruikelijke karakters’ en hebben ze geen behoefte om ergens ‘in te passen’.

24

Ze beschikken over voldoende zelfvertrouwen om gewoon zichzelf te zijn. Een ander kenmerk van Þnancieel succesvolle personen is dat ze zich niet voortdurend vergelijken met anderen. In het beursblad Budget Week verscheen een artikel met de titel ‘Wilt u weten hoe rijk u bent?’ Volgens de redacteur is het goed om daar even bij stil te staan: hij geeft de raad om te surfen naar globalrichlist.com, die dan uitrekent hoeveel mensen rijker en armer zijn dan u. Nonsens, natuurlijk. Waarom zou dat ‘goed’ zijn? Als het hoofd van een onderneming een bedrag op zak steekt dat het salaris van zijn werknemers tientallen malen overtreft, dan pronkt hij volgens de Þlosoof Pascal Bruckner niet met zijn deskundigheid en verdiensten, maar met een pure zucht naar macht die in zijn ‘vergoeding’ weerspiegeld wordt. Hij geniet ervan als hij iets voor de neus van de anderen wegkaapt en zijn gelijken kan overbluffen. Helaas, volgens de Franse Þlosoof is er in dergelijke steekspelletjes altijd nog een ‘baas boven baas’: er is altijd wel een magnaat die hem in de schaduw stelt. Naarmate zijn banksaldo groeit, neemt ook zijn frustratie toe en verheugt hij zich minder om zijn eigen gewin dan om de nog grotere verdiensten van de anderen. Er bestaat immers een groot verschil tussen de rijken, de superrijken en de ultrarijken; volgens Bruckner vallen die dan ook onder totaal verschillende categorieën. Kortom, ook daar is vergelijken uit den boze. Financieel succesvolle mensen voelen niet eens de noodzaak om zich te vergelijken met anderen. Ze doen gewoon hun ding en daarmee basta. Uit onderzoek blijkt trouwens dat mannen hier beter in zijn dan vrouwen. De Amerikaanse professor Melvin Prince stelt dat de houding van mensen tegenover geld een weerspiegeling is van hun persoonlijkheid. Prince onderscheidt vier money styles (‘geldstijlen’ of attitudes tegenover geld): risicobereidheid, geld als statussymbool, geldhonger en geld als een zaak die je moet beheren. Volgens Prince scoren mannen hoog op risicobereidheid en het beheren van geld, en vrouwen op de andere twee ‘geldstijlen’. In een column naar aanleiding van deze onderzoeksresultaten beweert Henriëtte Prast dat “mannen geld associëren met hun eigen macht en kracht, in die zin dat ze graag de handen uit de mouwen steken om geld voor hen te laten werken.” Dat is volgens haar “een bevestiging van het beeld van de man als individualistische en prestatiegerichte initiatiefnemer.” Voor vrouwen echter is geld “vooral geassocieerd met anderen.” Ze zijn vaker dan mannen jaloers op wie rijker is, en gefrustreerd omdat ze niet genoeg geld hebben. “Dat klopt met het beeld van de passie-

25

ve vrouw, voor wie geld iets is wat haar overkomt of niet,” aldus nog Prast. Het onderzoek van Prince sluit mooi aan bij dat van Kathleen Gurney. Uit haar onderzoek blijkt dat mannen en vrouwen verschillend tegen geld aankijken. Meer vrouwen dan mannen verbinden geld met negatieve emoties zoals angst, paniek, wrok en woede. Mannen echter verbinden geld met liefde en geluk. Voor mannen vertegenwoordigt geld identiteit en macht; voor vrouwen betekent geld veiligheid en autonomie. Mannen beschouwen hun vrouw vaak als spilziek, terwijl de vrouw haar echtgenoot omschrijft als gierig. Een vergelijking kan – zoals hierboven – horizontaal zijn: men vergelijkt zich met leeftijdgenoten die het niettegenstaande eenzelfde opleiding toch verder hebben geschopt. Een vergelijking kan ook verticaal zijn; dan vergelijkt men generaties. Het is voor jongeren blijkbaar bon ton om af te geven op de babyboomers die de beste plaatsen hebben in het bedrijfsleven, in mooie huizen wonen en kunnen genieten van een royaal pensioen – maar daarmee verspillen ze alleen maar energie. “Elke generatie voelt zich tekortgedaan,” schrijft De Volkskrant terecht. Ideaal zou natuurlijk zijn als elke generatie uiteindelijk evenveel bijdraagt als ze ontvangt – maar dat is een illusie.

TIP 7: LAAT U NIET MISLEIDEN DOOR DE MEDIA. Leg de volgende tijdschriften eens naast elkaar: Miljonair, Quote, How to spend it (de maandelijkse luxebijlage van The Financial Times) en BesteDingen (de bijlage van De Tijd). Er is één opvallende gelijkenis: de talrijke advertenties voor luxeproducten. Eigenlijk is dat best ironisch, want uit het onderzoek van Stanley en Danko blijkt onder meer dat miljonairs maar een zeer beperkt bedrag willen uitgeven aan gebruiksvoorwerpen. Aan een horloge bijvoorbeeld spenderen ze hooguit 500 dollar. De advertenties in de bovenstaande bladen prijzen uurwerken aan die minstens het tienvoudige kosten: Breitling, Piaget, Christiaan van der Klaauw, IWC. Wellicht gaat het hier om een staaltje van lifestyle marketing. In de jaren zeventig was de Stanford University de eerste om mensen in te delen in functie van hun verlangens of aspiraties, en niet op basis van wat ze werkelijk zijn met parameters zoals geslacht of leeftijd. Het gevolg is uiteraard een hele revolutie in de marketingbenadering van dergelijke mensen.

26

Bladen zoals Miljonair worden dan ook gekocht door mensen die zelf geen miljonair zijn, maar wel opkijken naar deze groep. De jaarlijkse editie van Forbes Billionaires – met de rangschikking van de rijkste mensen ter wereld – is telkens een enorme bestseller. Dezelfde redenering kan je trouwens doortrekken naar bijeenkomsten zoals de Miljonair Fair in Amsterdam waar onder meer exclusieve auto’s, jachten en zelfs vliegtuigen te koop worden aangeboden. Ondanks de vrij hoge toegangsprijs komen daar elk jaar tienduizenden bezoekers (nieuwsgierigen, kijklustigen,…) op af, waarvan de overgrote meerderheid ongetwijfeld zelf geen euromiljonair is – maar er wel van droomt het ooit te worden. Een mooi staaltje van lifestyle marketing dus. De echte euromiljonairs zullen zich waarschijnlijk niet eens vertonen op dergelijke patserige beurzen, en daar zijn verschillende redenen voor. Indien ze al een peperdure auto of een jacht zouden willen kopen, hebben ze daar die Miljonair Fair echt niet voor nodig. Bovendien hebben ze er alle belang bij om een low proÞle aan te nemen: in deze gevaarlijke wereld kan je maar beter niet uitbazuinen dat je een ßink vermogen op de bank hebt staan. Heel wat mensen begrijpen ook niet dat dergelijke (en de meeste andere) tijdschriften niet echt leven van de verkoop van hun oplage; de echte inkomsten komen van de advertenties. En dat brengt ons bij een heikel punt: lezersonderzoek. Volgens Maxwell McCombs doen kranten en tijdschriften regelmatig onderzoek naar hun lezers om meer te weten te komen over hun professionele bezigheden en vooral hun bestedingsniveau. “Zelfs bij kranten die heel veel met lezersonderzoek bezig zijn, komen de resultaten nooit terecht bij de nieuwsredacteurs. Die zouden er, eigenwijs als ze zijn, toch geen rekening mee houden,” zo vertelt McCombs aan De Tijd. McCombs is trouwens de vader van de agenda setting theorie. Die stelt dat de media niet alleen bepalen welke onderwerpen gebracht worden, maar ook hoe erover gedacht moet worden en welke de mogelijke oplossingen zijn. Iemand die wellicht instemmend knikt als hij dit leest, is de socioloog Mark Elchardus. Hij beweert immers dat mensen niet echt vrij zijn, omdat ze gestuurd en gemanipuleerd worden door de media. Als freelance journalist voor diverse bladen kan ik deze stelling alleen maar bevestigen. Regelmatig stel ik onderwerpen voor om er een artikel over te schrijven, maar sommige daarvan worden steevast geweigerd. Zo schreef ik ooit een artikel over een beleggingsfonds van een grote bank. Ik vond dat de fondsbeheerder enkele blunders had gemaakt die de beleggers erg veel geld hadden gekost. Geen enkel tijdschrift wilde zich hieraan verbranden. Als we weten dat diezelfde bank advertenties

27

plaatst in de tijdschriften waarin het bewuste artikel had kunnen verschijnen, valt het niet moeilijk te achterhalen waarom dit onderwerp niet aangesneden kon worden. Bovendien verschijnt in kranten en tijdschriften heel wat rommel. Lezers hebben een te romantisch beeld van de media: ze denken bijvoorbeeld dat de gedrukte informatie overeenstemt met de werkelijkheid. In een Belgisch maandblad verscheen onder de titel ‘Zo word je rijk’ een artikel met ‘tien verhelderende voorbeelden’. Een van die voorbeelden luidde dat je erop los mag consumeren. Volgens de redacteur “blijft rijkdom rijmen met consumptie.” Dat is prietpraat, zoals we reeds hebben aangetoond. Een onderwerp dat in de media bijvoorbeeld zelden of nooit wordt aangesneden, is het verband tussen de explosie van rijkdom en de toenemende Þnanciële problemen van middenklassegezinnen. Volgens Robert Frank levert dit probleem geen aantrekkelijk verhaal voor journalisten. “Als het niet nu al een immens belangrijk thema is, zal het dat snel worden,” zo noteert de hoogleraar in een artikel. Verhalen over mensen die met geld smijten zijn natuurlijk een stuk interessanter voor de media dan het hierboven genoemde probleem of de vaststelling dat Warren Buffett in een bescheiden huis woont en met een oude wagen rijdt. Toen Michael Jackson (die 200 miljoen euro schulden heeft) een feest gaf naar aanleiding van zijn vrijspraak, kreeg dat uiteraard een volle pagina in de meeste kranten. De media blijken ook te lijden aan een onbeheersbare drang om alles (te) eenvoudig te willen maken. De sublieme raad van Einstein om “alles zo eenvoudig mogelijk te maken, maar dit proces vooral niet te ver door te drijven” wordt meestal niet opgevolgd door kranten en tijdschriften die over het onderwerp geld schrijven. Financieel succesvolle mensen weten bijvoorbeeld dat je de beurs niet echt kan doorgronden. Toch pakt De Tijd uit met de veelbelovende titel ‘De mechanismen van de beurs uitgelegd in 10 praktische lessen’. Zo leren we bijvoorbeeld dat de beurs daalt als de olieprijs stijgt – maar midden 2005 steeg de olieprijs én steeg ook de beurs. Verder wordt beweerd dat de beurs stijgt als de rente daalt – maar in de periode 2000 tot 2003 daalde de rente én daalde ook de beurs. De werkelijkheid – zeker op de beursvloer – is complex en laat zich niet vatten in 10 praktische lessen. Mensen vergeten soms dat kranten en tijdschriften verkocht moeten worden. En een artikel waarin staat dat je iets helemaal kan beheersen in tien lessen – praktische lessen boven-

28

dien, want het mag vooral niet te theoretisch worden – is uiteraard het summum van hedendaagse journalistiek. Ten slotte is er ook het ultrakorte geheugen van de gemiddelde lezer. Neil Postman beweert dat televisiemakers uitzendingen maken – ook nieuwsbulletins – waarin elk item afzonderlijk staat: er mag vooral niet verwezen worden naar vorige onderwerpen, zelfs als die nauwelijks drie minuten eerder aan bod kwamen. Datzelfde fenomeen bestaat eveneens in de geschreven pers. Bij het schrijven van een artikel heb ik nogal eens de neiging om te verwijzen naar teksten die ik eerder schreef. Hiervoor word ik telkens berispt door de hoofdredactie: je moet er immers van uitgaan dat de lezer van vandaag je vorige artikels niet heeft gelezen. Dat uitgangspunt maakt het soms verdraaid moeilijk om een correcte invalshoek te vinden voor sommige stukken. Academisch onderzoek komt bijvoorbeeld telkens opnieuw tot de vaststelling dat goedkope indexfondsen op lange termijn beter zijn voor beleggers dan dure actief beheerde beleggingsfondsen. Geregeld moet ik een artikel schrijven over een nieuw actief beheerd beleggingsfonds. Eigenlijk is een dergelijk ‘artikel’ bijzonder snel geschreven: “Bank X heeft zonet fonds Y uitgebracht. Als belegger kan u beter indexfonds Z kopen, dat u op lange termijn meer zal opbrengen.” Aangezien dit uiteraard gevoelig ligt, geef ik ook de pluspunten van het actieve fonds. Vaak is dat even zoeken. Beleggers die het eindresultaat lezen, kunnen deze ‘pluspunten’ uiteraard aangrijpen om fonds Y te kopen. En ook de Þnanciële instelling X is tevreden: tijdens verkooppraatjes kan ze uitpakken met het artikel dat in een gereputeerd maandblad verscheen en waarin de redacteur het fonds aanprijst. Caveat emptor (de koper weze op zijn hoede) – ook de koper van tijdschriften.

TIP 8: HEB GEEN SCHULDGEVOEL OVER UW SUCCES. Patrick De Maeseneire is topman van Barry-Callebaut. In een interview met Het Laatste Nieuws laat hij zich ontvallen: “Als manager verdien ik veel – te veel, vind ik persoonlijk, want ik ben dat niet waard.” Strikt genomen heeft de man misschien gelijk. De Nederlandse economist Jan Tinbergen beweerde ooit dat de toegevoegde waarde van topmanagers nihil is. Maar wellicht bedoelde De Maeseneire toch iets anders. Zijn schuldgevoel wordt veroorzaakt door zijn rooms-katholieke achtergrond.

29

Rik Poot werkte in 2005 aan een beeld van Sint-Franciscus. De kunstenaar beschouwt zichzelf niet als godsdienstig, maar de Þguur van Sint-Franciscus kan hem wel boeien. “Materiële rijkdom was voor hem verkeerd,” zo verklaart Poot in een gesprek. Ook Þlosoof Peter Sloterdijk biedt een mogelijke verklaring voor dit – vaak impliciet aanwezige – schuldgevoel bij Þnancieel succesvolle mensen. Te lang heeft de mensheid immers geleefd onder het dictaat van de schaarste, om nu volkomen onbekommerd en vrij van schuldbesef de luxe te kunnen omarmen. Uit een onderzoek van Luigi Zingales bleek dat bepaalde godsdiensten positiever tegenover rijkdom staan dan andere. Zingales onderzocht het katholicisme, het protestantisme, het judaïsme, de islam, het hindoeïsme en het boeddhisme (al is dit laatste niet echt een godsdienst). De islam staat ronduit negatief tegenover rijkdom. Bovendien zijn katholieken, moslims en joden voor gelijkheid van de inkomens. De andere godsdiensten laten grote verschillen tussen de mensen toe en zijn voor stimulansen die deze verschillen nog groter kunnen maken. De interessantste bevinding is dat alle godsdiensten, behalve het boeddhisme, de stelling onderschrijven dat de armen lui zijn en een gebrek aan wilskracht hebben. Kortom, het boeddhisme neemt volgens Zingales de meest tolerante houding aan tegenover de vrijemarkteconomie in het algemeen en rijkdom in het bijzonder. Die positieve houding van het boeddhisme blijkt ook uit de ideeën van Frans Goetghebeur, nationaal voorzitter van de Boeddhistische Unie van België. In een interview met het blad Uw Vermogen stelt hij: “Ik begrijp niet goed waarom men argwaan koestert ten opzichte van rijke mensen. Rijkdom hoeft niet verdacht, niet gevaarlijk te zijn. Wel integendeel: hoe groter je mogelijkheden zijn, hoe meer zinvolle handelingen je kan stellen.” Ook het protestantisme staat positief tegenover inkomensverschillen, zoals bijvoorbeeld mag blijken uit een ‘bestseller’ van dominee Thomas Hunt uit 1836: ‘The book of wealth: in which it is proved from the bible that it is the duty of every man to become rich’. Alain de Botton citeert uit dit boek om aan te geven dat tal van christelijke denkers in de loop van de negentiende eeuw hun mening over geld herzagen. Volgens protestantse groeperingen in de Verenigde Staten verlangde God dat zijn volgelingen een geslaagd geestelijk én wereldlijk leven zouden leiden. Rijkdom in deze wereld was het bewijs dat ze een goede plaats verdiend hadden in de volgende wereld.

30

Het is wel vreemd dat de joden – althans volgens het onderzoek van Zingales – minder positief staan tegenover geld. In de kabbala staan immers heel wat passages die het tegendeel aantonen. De kabbala (althans een verwaterde vorm ervan) is trouwens erg in, en verschillende sterren hebben zich openlijk bekeerd tot deze joodse stroming. Zo gaat Madonna in de leer bij Philip Berg. Wijzelf gingen te rade bij rabbi Nilton Bonder, die voor ondernemingen zoals IBM workshops leidt over spiritualiteit en verschillende boeken schreef over dit thema. Een eerste vraag is of geld slecht is. Om het antwoord te suggereren voert Bonder de Spaanse rabbi Ibn Zabara op, die stelde: “Wat is de oorzaak van de dood? Het leven zelf.” Op dezelfde manier kunnen we onze vraag formuleren: “Wat is de oorzaak van geld?” Het antwoord luidt dat geld niet is ontstaan als middel tot onderdrukking of als instrument van hebzucht. Verrassend genoeg komt geld volgens Bonder voort uit het verlangen van de mensen naar rechtvaardigheid en uit de hoop op een betere wereld. In de loop der tijden echter heeft geld de fundamentele trekken van de menselijke aard aangenomen; trekken die we kunnen begrijpen als we acht slaan op de waarden die we aan geld verbinden en op de symboliek die we eraan toekennen. Dat armoede alleenzaligmakend zou zijn, zoals Sint-Franciscus stelt, is volgens Bonder een illusie. Een Jiddische zegswijze luidt immers: “Ik ben arm geweest en ik ben rijk geweest. Je kunt me geloven, rijk zijn is beter.” Armoede wordt door de rabbijnen beschouwd als een tragedie zonder weerga. In de midrasj staat namelijk: “Niets in het heelal is erger dan armoede; het is het ergste van alle leed. Iemand die onderdrukt is door armoede is gelijk iemand die het gewicht van alle leed in de wereld op zijn schouders torst.” Kortom, niet dat het hebben van geld zo goed is; het niet hebben, dat is zo slecht. En dat is weer een Jiddisch gezegde. De vraag is natuurlijk of rijk worden alles is. Het is een stereotype dat joden altijd in verband gebracht worden met de zucht naar geld. Dat beeld is volgens Bonder al te eenzijdig. In de kabbala (in tegenstelling tot onze traditie) wordt de mier voorgesteld als een symbool voor nutteloos werk. “Om hun hele leven lang te overleven hebben ze maar twee graankorrels nodig, en toch werken ze zonder ophouden om een fortuin te vergaren.” Voor een groot deel is ons vergaren van rijkdom een gevolg van het feit dat we weinig of niets beters om handen hebben. Op de vraag wat we dan moeten doen met onze tijd, heeft de joodse traditie een standaardantwoord: studeren. Is rijk zijn makkelijk? De talmoed zegt: “Wie is waarlijk rijk?” Rabbi Meir antwoordde altijd: “Iemand die innerlijke vrede ontleent aan zijn fortuin.” Dit betekent: de hoogste levensstandaard verwerven zonder

31

een schaarste te veroorzaken voor zichzelf of voor anderen. Dit laatste doet trouwens sterk denken aan het Pareto-principe in de economie. Dit principe houdt in dat we een verandering zo kunnen doorvoeren dat minstens een individu erbij wint zonder dat iemand anders erbij verliest. Ook moet men zijn verantwoordelijkheid opnemen, ‘tijdverspilling’ (zoals hierboven gedeÞnieerd) vermijden en niet meer levensonderhoud van de natuur vragen dan men werkelijk nodig heeft. Samengevat: werkelijk rijk zijn is niet gemakkelijk. Bonder verwijst naar een man die niet werkelijk rijk is, zoals beschreven door Bahya ibn Pakoeda. “Hij meent dat zijn gepeins over Þnanciële zaken zijn hoogste gedachtegoed is. Hij bestudeert de situatie van de markt, hij tobt over het stijgen of dalen van de prijzen van goederen, hij noteert hoe de prijzen veranderen in de verschillende delen van de wereld.” Verrassend actueel, deze beschrijving – vooral als we weten dat ze dateert uit de elfde eeuw... Interessant is uiteraard ook de vraag of je geld mag verdienen met geld: een probleem waarmee veel katholieken en socialisten vandaag de dag nog steeds worstelen. In onze christelijke beschaving is het nog altijd een beetje onkies om geld te verdienen met geld. Nog niet zo heel lang geleden was het enkel toegelaten geld te verdienen met land, bomen of vee. Geld zelf mocht geen welvaart creëren. Die houding is bij sommigen vandaag nog altijd terug te vinden. Zo zijn er mensen die het onverantwoord vinden om geld te verdienen op de beurs door een aandeel te kopen en met winst te verkopen. Hun betoog is dat je dit geld onterecht verdiend hebt. De kabbala heeft het hiermee een stuk minder moeilijk. Bonder stelt duidelijk dat het joodse geloof geen problemen heeft om met geld meer geld te verdienen. Voor de rabbijnen is geld een deel van het wonder van de markt en kan het als zodanig welvaart voortbrengen, zolang het maar gaat om oprechte welvaart. Geld mag het tempo van de welvaartsstijging niet dicteren. Die stijging hoort enkel de groei van de markt te volgen. Een joods aforisme zegt dat de mens zijn karakter toont op drie verschillende manieren: door zijn beker (eetlust), zijn zak (zijn verhouding tot geld) en zijn temperament. Volgens de kabbalistische traditie laten we door geld dagelijks situaties ontstaan waarin we onze onverdraagzaamheid en onze illusies laten zien. Kortom, we geven onszelf bloot zoals anders alleen waargenomen kan worden door grote oefening en langdurige ervaring. Als dat geen voordeel is… Ook de Franse Þlosoof Pascal Bruckner heeft een (voor een Þlosoof dan toch) interessante visie op geld. Zo stelt hij de vraag of geld verwerpelijk

32

is. Neen, is zijn duidelijk antwoord. Niets is volgens Bruckner immers walgelijker dan de manier waarop sommige christelijke dogmatici de armoede prijzen, alsof dat op zichzelf een hogere deugd zou zijn. Geld is volgens Bruckner een ‘noodzakelijke immoraliteit’ in de samenleving, zolang de macht ervan maar wordt ingedamd en gecontroleerd. Geld doorbreekt immers alle hiërarchieën die samenhangen met afkomst en maatschappelijk succes. We moeten in de eerste plaats iedereen wantrouwen die zijn minachting voor geld rondbazuint: wees er maar zeker van dat hij het diep in zijn hart koestert en er alleen maar van droomt het anderen afhandig te maken. Geld heeft volgens Bruckner het grote voordeel dat het een middel is om onze individuele vrijheid te beschermen, de maatschappelijke verhoudingen te zuiveren van allerlei affectieve banden en een zekere autonomie te bereiken. Schuldgevoel bij Þnancieel succes is volgens de Franse Þlosoof dan ook nergens voor nodig.

TIP 9: LOS UW ZELFCONTROLEPROBLEEM CREATIEF OP. In een interview met Playboy vertelt de populaire Nederlandse schrijver Ronald Giphart dat hij een van de mooiste momenten uit zijn leven kende toen hij de royalty’s kreeg voor zijn boek ‘Feest der liefde’. Het ging om een bedrag van 50.000 gulden. “Mijn vrouw Mascha en ik hebben toen samen in korte tijd ontzettend veel geld uitgegeven. Met een taxi de stad in, uit eten, meubels, kleren,… Toen kwamen de belastingen, en ik had nog 5000 gulden over.” Het probleem – al ziet Giphart het wellicht niet op die manier – is er een van zelfcontrole. Ook succesvolle sporters en lottowinnaars hebben ermee te maken. Je krijgt een enorm bedrag binnen en je staat voor een dilemma: je wil wel sparen en een groot deel van dat geld achter de hand houden, maar je kan die discipline niet opbrengen. De economie en de psychologie stellen de mens voor als een eenheid. Eigenlijk is dat niet correct. Beter is het een persoon voor te stellen als een verzameling van verschillende ‘wezens’, waarbij er altijd een conßict is tussen de ‘planner’ en een reeks ‘doeners’. De planner wil een verantwoord gedrag (bijvoorbeeld sparen), terwijl de doeners in elke periode wel iets onverantwoords willen doen (het geld uitgeven). Zoals bij Giphart, en bij veel lottomiljonairs, winnen telkens weer de doeners die op korte termijn denken. Om dit probleem van zelfcontrole op te lossen, gebruiken veel mensen technieken zoals een automatische maandelijkse storting in een beleg-

33

gingsfonds. In Amerika bestonden destijds de zogenaamde ‘rekeningen voor Kerstmis’: mensen konden er het hele jaar door geld op storten, met de bedoeling voldoende geld opzij te leggen om tegen Kerstmis geschenken te kunnen kopen. Het grote nadeel was dat dergelijke rekeningen geen enkele vorm van intrest boden. Kortom, het was een dure en onpraktische manier om het zelfcontroleprobleem op te lossen. Volgens Nobelprijswinnaar economie Paul Samuelson argumenteren sommige mensen dat goed slapen omwille van irrationele redenen even goed is als goed slapen omwille van rationele redenen. Hij had het over het concept dollar cost averaging (bij ons euro cost averaging). Mensen slapen goed omwille van de irrationele reden dat ze menen met euro cost averaging een goede beleggingsstrategie te volgen. Samuelson denkt dat vele beleggers deze techniek gebruiken omwille van het comfort ervan. Toch is de techniek niet optimaal, zoals bijvoorbeeld blijkt uit onderzoek van Charles Schwab. Waarom gebruiken dan zoveel beleggers deze techniek? De verklaring ligt bij het gebrek aan zelfcontrole. Mensen hebben een techniek nodig die hen als het ware dwingt om een vooraf uitgekiende strategie te volgen. Financiële instellingen spelen hier handig op in met de mogelijkheid om via een doorlopende opdracht maandelijks een bepaald bedrag te storten in een beleggingsfonds. Met het Þnancieel product ING Life Cycle biedt deze bank beleggers de mogelijkheid om te werken met een doorlopende opdracht van 50 euro per maand. Beleggers gebruiken de bank in feite als dwingende hand om hen te verplichten tot sparen. De economist Meir Statman onderzocht waarom deze techniek van dollar of euro cost averaging zo populair is bij particuliere beleggers. Zijn redenering is als volgt. Stel dat een belegger 2000 $ verdeelt in twee bedragen van elk 1000 $, en deze telkens belegt in periode 1 en 2. De prijs per aandeel bedraagt 50 $ in periode 1, maar nog slechts 12.50 $ in periode 2. Deze gegevens worden weergegeven in volgende tabel.

34

Tabel 1. Dollar cost averaging Periode 1 2 Geïnvesteerd 1000 $ 1000 $ 2000 $ Aandelenprijs Aantal aandelen gekocht 50 $ 20 12.50 $ 80 100

De gemiddelde prijs per aandeel bedraagt 2000/100 = 20 $. De gemiddelde koers van het aandeel over de twee periodes is (50 + 12.50)/2 = 31.25 $. Bron: Meir Statman Volgens de moderne Þnanciële theorie is de belegger begonnen met 2000 $ en bezit hij nu 100 aandelen die 12.50 $ per stuk waard zijn. Hij heeft dus een duidelijk verlies geleden, namelijk 2000 - 1250 = 750 $. Volgens de techniek van de dollar cost averaging heeft de belegger echter duidelijk gewonnen. Hij heeft de aandelen gekocht tegen een gemiddelde koers van 20 $, terwijl de gemiddelde koers van het aandeel over de twee periodes 31.25 $ bedraagt. Statman besluit: “Voorgesteld op die manier wint de belegger in alle beursomstandigheden, behalve als de koers van het aandeel stabiel blijft. Het is absoluut juist dat die voorstelling misleidend is. Het is evenzeer juist dat deze manier van voorstellen nog steeds vaak wordt gebruikt.” Dat Statman gelijk heeft, blijkt bijvoorbeeld uit een recente advertentie van Berger Funds in het beleggingstijdschrift Bloomberg Personal Finance. Daar lezen we: “Dollar cost averaging is een slimme en gedisciplineerde benadering van het langetermijnbeleggen. Deze vorm van beleggen kan leiden tot het aankopen van aandelen tegen een lagere gemiddelde koers.” Het gaat hier om een advertentie – maar ook adviseurs en journalisten raden deze techniek aan. Zo lezen we in Les Echos Week-end dat euro cost averaging de beste beleggingsmethode is: “De koersen stijgen? Zoveel te beter, de waarde van de beleggingsportefeuille stijgt. De koersen dalen? Om het even, voor hetzelfde bedrag krijg je meer aandelen.” Dit is niet de manier waarop Þnancieel succesvolle mensen hun probleem van zelfcontrole oplossen.

35

Hoofdstuk II

FINANCIEEL SUCCESVOLLE MENSEN KENNEN DE ECONOMISCHE PRINCIPES EN PASSEN ZE EFFECTIEF TOE
“Geld is groot! Geld is goed! Geld is geld. Ik ben ik. Ik = geld.” Tom Lanoye

In zijn boek ‘Beyond economic man’ betoogt Harvey Leibenstein dat er een heleboel inert areas bestaan: zones waarin de mensen te weinig prikkels ontvangen om een optimale beslissing te nemen. Deze inert areas lijken een beetje op de satisÞcing het beste alternatief kiezen, maar het eerste dat hun voldoening schenkt. Vandaar de term satisÞcing; en bij sommige mensen ligt de lat nu eenmaal een stuk lager dan bij anderen. Kortom, er is bij mensen heel wat natuurlijke weerstand om uit deze inert areas te treden en toch op zoek te gaan naar een beter alternatief. Een basisvereiste is uiteraard dat je op de hoogte bent van een aantal belangrijke economische principes. Is het toeval dat economiestudenten vooral geïnteresseerd zijn in het verwerven van macht, invloed en geld? Zo blijkt althans uit een studie van Sonia Roccas en Neil Gandal: “Economiestudenten zijn minder bezorgd over het welzijn van mensen met wie ze geen frequent contact onderhouden.” Ze beseffen als geen ander dat je nu eenmaal niet àlles kan hebben. Het concept trade-off of afruil kennen ze namelijk als de beste: het vormt immers de basis van de economie.

37

TIP 10: HOED U VOOR HET PETER PRINCIPLE. Dr. Lawrence J. Peter werd onsterfelijk met het naar hem genoemde peter principle. Dit stelt dat elke werknemer in een hiërarchie gewoonlijk zal promoveren tot zijn niveau van incompetentie bereikt is. De geniale strip Dilbert van Scott Adams is trouwens indirect gebaseerd op dit principe. Interessant is dat Peter in talrijke boeken erop wijst dat dit principe ook in andere domeinen aanwezig is. Over het huwelijk bijvoorbeeld formuleert Peter het principe als volgt: “De echtgenoten zullen hun eigen hiërarchie scheppen en ten slotte hun sociale en seksuele verwachtingen opschroeven tot een niveau dat boven hun competentie ligt.” Eigenlijk lijkt Peter met die raad nog het meest op praktisch Þlosoof Marinoff, die aanraadt de verwachtingen in alle domeinen gewoon terug te schroeven. Nog relevanter is de raad van Peter inzake huizen. In Groot-Brittannië (waar de registratierechten een stuk lager liggen dan bij ons) is het een nationale sport geworden om de ‘huizenladder’ te beklimmen: een jong koppel start met een bescheiden woning en probeert zich geleidelijk te verbeteren. Dit concept is perfect vergelijkbaar met de carrièreladder in ondernemingen. Als we de gedachtegang van Peter mogen toepassen op het vlak van de huisvesting, zullen mensen op een bepaald moment in een huis wonen dat hun competentie te boven gaat. In een van zijn boeken beschrijft Peter deze situatie. “De heer en mevrouw Unker hadden tien jaar eenvoudig maar prettig in een oud huis gewoond. Toen erfde mevrouw Unker een aantal waardevolle schilderijen van een tante in Frankrijk. Ze besloot haar buren te imponeren door alle schilderijen in haar huis op te hangen, maar kwam algauw tot de conclusie dat ze uit de toon vielen tussen haar oude spullen. Ze kocht een oosters tapijt om het interieur wat chiquer te maken, maar dat bleek toch niet voldoende. De buren, met wie ze vroeger op goede voet leefde, gingen zich minder op hun gemak voelen in dat elegante huis. Uiteindelijk wist ze haar man te overtuigen dat de buurt niet goed genoeg was, en ze kochten een dure ßat. Meneer Unker had extra werk moeten aannemen om de ßat te kunnen betalen. Omdat hij daardoor vaak moe en kribbig thuiskwam, begon zijn vrouw hem te zien als een onbeschaafd heerschap. Zij scheidde van hem.” Het verhaal over de Unkers lijkt een beetje op een parodie. Ik leerde echter zelf een gezin kennen dat zich ook wilde verbeteren en de huizenladder wou beklimmen. Ze verkochten hun gezellige woning en begonnen aan de bouw van een nieuw en groot huis. Alleen hadden ze

38

het kostenplaatje enigszins onderschat. Uiteindelijk zijn ze dan maar in het nieuwe huis gaan wonen zodra de ‘chape’ gegoten was, want geld voor vloerbekleding was er niet meer. De kern van het peter principle op en buiten het werk is escalatie. Volgens Lawrence Peter vond men escalatie zeer nuttig vóór de ontdekking van het peter principle. Het verkrijgen van meer geld, meer macht, meer maatschappelijk aanzien werd beschouwd als een deugd. Escalatie is op zich niet slecht, vindt Peter — als zij maar het overleven en de veiligheid dient of bijdraagt tot een esthetisch of humanitair doel. Een escalatie die leidt tot hoge bloeddruk en maagzweren, doen wat de buren doen, kopen wat niet gebruikt wordt, milieuverslechtering en buitensporige macht, vernietigt volgens Peter het leven. In een van zijn boeken vertelt de auteur over een competente chef-kok met een verÞjnde smaak. Hij opende een klein restaurant in een oud pand. De zaak werd een succes en de kok was een tevreden man. “Hij vond het heerlijk. ‘s Morgens maakte hij als eerste de deur open en ‘s avonds sloot hij af als laatste. Vis en kreeft kocht hij persoonlijk bij een leverancier die zijn volle vertrouwen had.” Op aanraden van een klant opende hij een tweede restaurant, al snel gevolgd door een derde. Ten slotte had de chef-kok een hele keten van middelmatige restaurants, waar hij zelf nog nauwelijks een voet in de keuken zette. Peter beweert niet dat uitbreiden per deÞnitie slecht is. Het gaat alleen om een trade-off, een afruil. In zijn eerste eigen restaurant had de kok alles onder controle; hij was er de baas. Op het eind was hij enkel nog een ‘organisatieman’. De vraag is natuurlijk of hij zodoende zijn competentieniveau als kok niet zwaar had overstegen. Een andere illustratie van dit principe vinden we bij Jef Rademakers, de bedenker van talrijke tv-programma’s. In een interview vertelt hij hoe het succes ertoe leidde dat hij op een bepaald moment tien mensen in dienst had. Van creatief brein was hij verworden tot een manager, en hij voelde zich daar niet goed bij. Ook Jan Verheyen maakte kennis met dit fenomeen. Op vragen naar het waarom van zijn vertrek bij VTM antwoordde hij altijd dat “de dagelijkse managementtaken steeds zwaarder wogen op de eigenlijke creatieve invulling van de programma’s.” Er is slechts één probleem met het peter principle: je beseft pas dat je het niveau van incompetentie bereikt hebt als het te laat is. Het is zoals met emoties. Volgens Jon Elster van de Columbia University is het pro-

39

bleem met sommige emoties (zoals woede) dat er een point of no return bestaat. Eenmaal voorbij dat punt is zelfcontrole niet meer mogelijk, en bovendien duurt het dan soms langer vooraleer de emotie wordt onderkend. Je kan dus niet meer terug, ook al zou je dat willen. Hetzelfde geldt voor het peter principle.

TIP 11: PAS DE 80/20-REGEL TOE. Richard Koch is de grote bezieler van het 80/20-principe. Dit houdt in dat 80 % van de output (bijvoorbeeld winst of omzet) gegenereerd wordt door 20 % van de input (tijd, ruimte, energie, grondstoffen, geld). Het gevolg is uiteraard dat de overige 80 % van de input slechts 20 % van de output genereert. Dit 80/20-principe druist letterlijk in tegen het gezond verstand: we leren immers dat elke toename van de input een evenredige toename van de output veroorzaakt. Hierbij laten we het concept van schaalvoordelen even buiten beschouwing. Het is verleidelijk om het 80/20-principe af te doen als nonsens. Een belangrijke reden om dit te doen is dat Koch het principe haalde bij de Italiaanse econoom Vilfredo Pareto. Deze ontdekte dat een kleine bovenlaag van de mensen (20 %) het grootste deel van het inkomen (80 %) op zak steekt. De vraag is natuurlijk of we een dergelijk empirisch vastgesteld fenomeen op macro-niveau mogen doortrekken naar individuele ondernemingen of personen (het micro-niveau). In dit geval mag dat. Een bijkomend argument is dat Þnancieel succesvolle mensen blijkbaar goed op de hoogte zijn van dit 80/20-principe en het ook effectief toepassen. Wie denkt dat miljonairs om 5 uur 's morgens opstaan en aan één stuk door werken tot 11 uur ’s avonds, zit er immers goed naast. Volgens het onderzoek van Stanley en Danko werken miljonairs eigenlijk niet veel meer dan u en ik (gemiddeld tussen 45 en 55 uur per week), maar ze verspillen geen nutteloze energie. Ze zijn met andere woorden zeer gefocust op wat ze doen, want ze vinden vrije tijd zeer belangrijk. Het probleem van veel werknemers is dat de weg naar tijdverspilling (de 80 % input die slechts 20 % output genereert) in de meeste ondernemingen altijd wijd open ligt. Volgens een onderzoek van Microsoft verspillen werknemers gemiddeld twee dagen per week op het werk. Eigenlijk is dat nog niet eens zo’n slecht resultaat, want onderzoeker Paul de Beer gaat nog een stap verder. In zijn doctoraatsthesis beweert

40

hij dat werknemers kunnen volstaan met 8 uur werken per week; al de rest is ballast. Dat komt aardig in de buurt van het 80/20-principe: 8 uur is immers precies 20 % van een 40-urenweek. Misschien heeft dit wel iets te maken met de tijd/inspanning-wet van Edwards, die stelt dat inspanning vermenigvuldigd met tijd constant is. Het gevolg van deze ‘wet’ is dat, als er veel tijd is om iets te doen, de inspanning in het begin gering zal zijn; als de tijd het nulpunt nadert, neigt de inspanning naar het oneindige. Een oplossing voor het probleem van tijdverspilling zou dus kunnen zijn de tijdsduur van projecten systematisch te verkorten. Er is een bijkomende reden om goed te luisteren naar Richard Koch. De meeste managementgoeroes zijn nogal drammerig en hun ideeën zijn theoretisch vaak zwak onderbouwd. Dat geldt niet voor Koch. In zijn boek ‘Het 80/20-individu’ staat (in de appendix weliswaar) een schitterend stuk over de aandeelhouderstheorie. “Sommige 80/20-mensen, zoals Bill Gates, beginnen een bedrijf. Ze willen zo rijk mogelijk worden. Ze zijn goed in wat ze doen, haken aan bij krachtige zakengenen, creëren hun eigen varianten op goede ideeën, geven blijk van een voortdurend vermogen om de tweede, de derde en volgende fasen van groei te bereiken door weer nieuwe varianten op het succes te produceren en aldus enorme rijkdom te creëren.” Volgens Koch komt het grootste deel van het vermogen om rijkdom te creëren van de topmensen van het bedrijf. Ze vragen een beursnotering aan omdat dit de beste manier is om maximale rijkdom te realiseren, en niet — zoals de Þnanciële theorie voorschrijft — om kapitaal op te halen. Koch vraagt zich af waarom we een aandelenmarkt hebben, als die geen ander economisch resultaat dient dan 80/20-mensen rijk te maken. Volgens hem kan dit systeem trouwens niet blijven duren, “omdat een aantal 80/20-mensen een groter aandeel in de inkomsten van bedrijven zal opeisen.” Andere 80/20-mensen zullen gewoon vertrekken om hun eigen ondernemingen op te zetten. Een belangrijke vraag is nog niet beantwoord: wie zijn die 80/20-mensen eigenlijk? Volgens Koch komen ze “in alle categorieën” voor. Belangrijk is dat ze creëren. Ze zijn belangrijk, niet omwille van hun functie of formele rol, maar om wat ze doen, omdat ze individuen zijn en geen onderdeel van een grote machine. Lang voor Richard Florida het idee lanceerde van the creative class, schreef Koch reeds dat veel mensen buiten het bedrijfsleven het 80/20principe omarmd hebben: kunstenaars, wetenschappers, schrijvers, te-

41

levisiemakers, sporthelden, Þlmsterren, bezielers van allerlei populaire bewegingen. Volgens Koch kunnen we deze mensen zien als “intellectuele ondernemers, sociale ondernemers, vermaakondernemers en sportondernemers.” Kijk maar naar Tom Lannoye: een beter voorbeeld van een intellectuele ondernemer in Vlaanderen bestaat wellicht niet. Het belangrijkste gevolg van het 80/20-principe is dat het plafond zelden wordt bereikt. Veel mensen leggen zichzelf onnodig regels op die weinig zinvol zijn en vaak geen enkele fundering hebben. Zelf schrijf ik ook boeken. Ik had voor mezelf uitgemaakt dat ik het streefdoel van één boek per jaar zou proberen te halen. In 2005 zat ik met een dubbel probleem: enerzijds had ik een manuscript liggen (een paar jaar eerder geschreven) dat niet echt paste in het fonds van mijn toenmalige uitgever; anderzijds kwam er maar geen reactie op het werk dat ik in dat jaar wilde publiceren. Toen ben ik tot het dubbele besluit gekomen dat het onzinnig was vast te houden aan het principe van één boek per jaar, en dat ik ook niet getrouwd was met de uitgever die eerder drie van mijn boeken op de markt had gebracht. Elk boek wordt immers afzonderlijk op zijn merites beoordeeld en je krijgt een contract voor een boek, niet voor een bepaalde periode. Ik besloot dan ook het meest recente werk aan te bieden bij een concurrerende uitgeverij, en het oudere werk bij een gespecialiseerd wetenschappelijk uitgever. Van de eerste kreeg ik na enkele dagen groen licht, van de tweede een week later. Het gevolg was dat er kort na elkaar twee boeken van mij verschenen, bij twee voor mij nieuwe uitgeverijen.

TIP 12: TRAP NIET IN DE SUNK COST VAL. Als mensen ziek zijn, gaan ze naar de dokter. Maar als mensen foute beslissingen nemen, worden ze niet ‘behandeld’. Eigenlijk zouden ze naar een ‘consumentendokter’ moeten gaan, die hun kan vertellen wat ze verkeerd deden en vooral hoe ze in de toekomst betere beslissingen kunnen nemen. De economist Dick Thaler kunnen we beschouwen als een dergelijke ‘consumentendokter’. In een van zijn boeken heeft hij het over wat hij het ‘quasi-rationele’ gedrag van mensen noemt, en vertelt hij de volgende anekdote. De toegangsprijs voor het jaarlijkse schoolfeest bedroeg 10 dollar. Het feest zelf stelde niet veel voor, behalve dan dat de drank gratis was. Een van de feestgangers ontmoette in de toiletten een medestudent, in niet meer zeer frisse toestand, die vertelde dat

42

de gemiddelde prijs van zijn consumpties tot dusver een halve dollar bedroeg. Bovendien zou hij die prijs waarschijnlijk nog wel met 10 dollarcent kunnen laten dalen. Zo bekeken, aldus diezelfde student, was het feestje nog niet zo slecht. Het sunk cost effect is waarschijnlijk de meest onderzochte menselijke fout. Ook gereputeerde topmanagers maken deze fout als ze uit twee projecten datgene kiezen waarin ze in het verleden het meest geïnvesteerd hebben, in plaats van uitsluitend de toekomstige opbrengst van beide projecten te vergelijken. Een illustratie van deze fout vind je geregeld in het dagelijks leven, bijvoorbeeld wanneer in de supermarkt een extra kassa geopend wordt. Klanten die al een tijd staan aan te schuiven bij de kassa’s daarnaast hebben meestal weinig zin om van kassa te veranderen, zelfs als ze hiermee een forse tijdwinst zouden kunnen boeken. Ze hebben immers tijd geïnvesteerd (sunk cost) en houden (onterecht) rekening met deze investering bij het nemen van de beslissing of ze al dan niet veranderen van rij. Wetenschappers hebben trouwens vastgesteld dat dieren deze fout niet maken. Het is met andere woorden de prijs die we moeten betalen voor ons menszijn. In de biologie heeft de sunk cost fout een andere naam: de Concorde-fout, genoemd naar het vliegtuig waarvan de Þnanciering doorging zelfs nadat tijdens het project duidelijk werd dat de Concorde nooit rendabel zou worden en maar beter nooit werd afgewerkt. Misschien herken je deze ervaring. Je hebt een uitnodiging ontvangen voor een ‘fabrieksverkoop’ van merkkledij. De plaats van het gebeuren ligt wel op 20 km van huis. Eenmaal aangekomen is er eigenlijk niets dat je bevalt. Je besluit toch een aantal stukken te kopen omdat het anders zonde is van de verplaatsing en de verspilde tijd. Het symptoom van de sunk cost fout is dat we bij een beslissing onterecht rekening houden met de investeringen of uitgaven die we in het verleden reeds hebben gedaan. De fout kan makkelijk vermeden worden door bij een beslissing enkel rekening te houden met de potentiële opbrengst van de investering. Dat is niet altijd eenvoudig. Neem bijvoorbeeld de volgende situatie. Als freelance journalist ben je al een tijdje bezig met een opdracht, en je hebt nog een paar dagen voor de deadline. Plots krijg je telefoon van de hoofdredacteur van een ander tijdschrift waarvoor je eveneens schrijft. Deze vraagt je een stuk te schrijven waaraan een veel hogere vergoeding vast hangt dan aan de eerste opdracht — maar het stuk moet wel klaar zijn binnen een paar dagen. Je weet ook dat je alle tijd en energie

43

erin zal moeten stoppen, zodat er geen tijd meer overblijft om de eerste opdracht voor de deadline af te leveren. De meeste mensen zullen geneigd zijn om te zeggen dat je dan maar voort moet werken aan die eerste opdracht; je hebt er immers al heel wat tijd en energie in gestoken. Het argument dat je voor het tweede stuk een hogere vergoeding kan krijgen, speelt volgens hen niet mee. Toch is deze beslissing verkeerd: het is een typisch voorbeeld van de sunk cost val. Dit probleem heeft ook veel te maken met de vaststelling dat mensen moeilijk kunnen leven met ‘tijdelijke oplossingen’. In een bespreking van de Þlosoof Kant poneert René Gude: “De ongeneeslijke misère (volgens Kant) is dat de mens zich er niet bij kan neerleggen dat de rede slechts tijdelijke besluiten oplevert.” De reden is uiteraard dat de behoefte aan deÞnitieve antwoorden in de menselijke aard zit ingebakken. Een andere illustratie hiervan is het beruchte ‘driedeuren-dilemma’, ook wel de paradox van Monti Hall genoemd. Je hebt gewonnen in een quiz en je krijgt drie deuren te zien; achter één daarvan zit een mooie prijs. Nadat je een deur hebt aangewezen (bijvoorbeeld A), vertelt de quizmaster dat de prijs niet achter deur B zit en opent deze om zijn stelling te bewijzen. Bovendien geeft hij je nog de mogelijkheid om van deur te veranderen, van A naar C dus. De meeste mensen zijn niet geneigd om dit te doen. Volgens hen zou dit trouwens niets wijzigen aan de situatie: door nu toch deur C te kiezen, zal de prijs niet van plaats veranderen. En bovendien, stel dat de prijs toch achter deur A zit?... Toch is het vanuit wiskundig oogpunt wel zinvol om van deur te veranderen. Na je eerste keuze moet de quizmaster immers een deur openen die jij niet hebt gekozen, en waarachter de prijs bovendien niet zit. Stel dat je oorspronkelijk niet de goede deur had gekozen — die kans is 2 op 3. In dat geval heeft de quizmaster geen keuze: hij moet de enige overblijvende deur openen waarachter de prijs niet zit. Door nu te veranderen, heb je zeker prijs. Als je wel de goede deur had gekozen, doe je uiteraard een slechte zaak door van deur te veranderen — maar die kans is slechts 1 op 3. De anti-intuïtieve conclusie is dus dat veranderen wel degelijk zinvol is.

44

TIP 13: LAAT HET MULTIPLIER-EFFECT SPELEN. De term ‘multiplier’ komt uit de macro-economie. Het betekent dat een initiële stimulering van de economie door een extra investering van de overheid uiteindelijk een veel groter effect teweegbrengt op het nationale inkomen dan de oorspronkelijke uitgave. Een investering van 25 miljoen euro heeft bijvoorbeeld een uiteindelijk positief effect van 75 miljoen euro. De multiplier is in dit geval gelijk aan 3. Ik leen deze term omdat hij erg goed uitdrukt wat Þnancieel succesvolle mensen — vaak onbewust — weten: namelijk dat een initiële investering in een bepaald project uiteindelijk een veel grotere opbrengst kan teweegbrengen door spillover-effecten. Neem bijvoorbeeld iemand die geregeld voordrachten geeft. Door een boek te schrijven zal hij nieuwe belangstelling wekken voor zijn onderwerp, zodat hij meer gevraagd wordt om te spreken en op die manier zijn investering dubbel en dik terug kan winnen. Zo kan ook een freelance journalist door boeken te schrijven zijn ‘gewicht’ vergroten en bijgevolg een hogere vergoeding vragen voor zijn artikels. Vergelijk je in dit laatste voorbeeld de investering uitsluitend met de opbrengst van het boek zelf, dan is de balans duidelijk negatief. Als je evenwel rekening houdt met de spillover-effecten naar de hogere vergoeding voor artikels, de bijkomende expertise over het onderwerp en de inspiratie voor volgende artikels, zal de balans ongetwijfeld positief zijn. Bovendien speelt hier een fenomeen mee dat belicht wordt door Pamela York-Klainer. In ‘How much is enough?’ pleit ze ervoor om dingen te doen die nadien onbeperkt gereproduceerd kunnen worden of waarmee je in één keer een groot publiek bereikt. Als U2 een nieuwe cd opneemt, is dat een eenmalige inspanning — maar het resultaat kan onbeperkt vermenigvuldigd worden. Het gevolg is een inkomstenstroom die de initiële inspanning ver overstijgt. En als de jongens van U2 in het Koning Boudewijnstadion optreden voor 60.000 toeschouwers, bereiken ze uiteraard een enorm publiek in één keer. Brian Arthur wijst ook op het fenomeen van positieve feedback. Het gaat om het verschijnsel dat iemand die een kleine voorsprong heeft op de concurrentie, deze voorsprong makkelijk kan vergroten. “Indien een persoon — een van de velen in de markt — een lichte voorsprong behaalt op de anderen door toeval of een slimme strategie, dan zal het fenomeen van positieve feedback ervoor zorgen dat hij zijn voorsprong kan bevestigen en verstevigen,” aldus Arthur in een interview.

45

Het Nederlandse bureau Speakers Academy heeft in Nederland en België een dominante positie op de voordrachtenmarkt: jaarlijks levert het zowat duizend sprekers aan diverse organisaties. Opvallend is dat bepaalde sprekers erg vaak gevraagd worden en anderen vrij zelden. Zij die een lichte voorsprong hebben, kunnen deze voorsprong makkelijk vergroten dankzij de positieve feedback. Het is een zelfversterkend effect: iemand die ergens een spreker aanhoorde en goed vond, wil deze wellicht eveneens boeken voor een ander evenement.

TIP 14: RESPECTEER DE FUNGIBILITEIT VAN GELD. Een van de belangrijkste principes — zo niet het belangrijkste — van de moderne portefeuilletheorie is dat een beleggingsportefeuille in zijn geheel bekeken moet worden. In alle boeken volgt dan een voorbeeld waaruit blijkt dat het toevoegen van een willekeurig aandeel het globale risico van de portefeuille meestal doet afnemen. De meeste beleggers bekijken de beleggingsportefeuille niet in zijn geheel. Net zoals een onderneming een rekeningenstelsel heeft om de boekhouding te voeren, heeft elke belegger zijn ‘mentale’ rekeningen om zijn persoonlijke boekhouding te voeren. Dit rekeningenstelsel verschilt van belegger tot belegger. Toch komt een aantal elementen vaak terug. Zo vonden Shefrin en Statman dat veel beleggers hun portefeuille beschouwen als een piramide met minstens twee lagen. De onderste laag bevat veilige Þnanciële producten zoals obligaties, kasbons en spaarrekeningen. De bovenste laag is bedoeld om rijk te worden; daarin zitten bijvoorbeeld aandelen en opties. Belangrijk is dat beleggers de twee (of drie) lagen zien als gescheiden compartimenten. Sommigen beweren zelfs dat beleggers elk Þnancieel product van hun portefeuille (bijvoorbeeld de aandelen in de bovenste laag van de piramide) beschouwen als een afzonderlijke mentale rekening. Een illustratie hiervan vinden we bij de dramatische evolutie van het aandeel Baan. Volgens De Volkskrant kocht een belegger 800 Baanaandelen tegen de gemiddelde prijs van 73,80 gulden. Toen de koers tot 60 gulden afgleed, kreeg de belegger van zijn adviseur bij de bank te horen dat hij niet mocht verkopen. Kort daarna stuurde Baan een winstwaarschuwing de wereld in en gingen de aandelen nog verder zakken. In paniek verkocht de belegger uiteindelijk zijn aandelen tegen 24,90 gulden. Omdat een vriend hem vertelde dat de aandelen zo laag stonden dat ze alleen nog maar konden stijgen, kocht de belegger 1800 stukken met de bedoeling zijn verlies een beetje goed te maken.

46

Tot overmaat van ramp daalden de aandelen verder, zodat hij opnieuw moest verkopen met een belangrijk verlies. Opvallend bij deze belegger is dat hij zijn mentale rekening ‘Baan-aandeel’ niet had afgesloten na de eerste verkoop. Via een tweede aankoop probeerde hij het verlies op deze rekening een beetje goed te maken, met alle nare gevolgen van dien. Dick Thaler stelt dat mensen opportunistisch gedrag vertonen indien ze op hetzelfde moment geconfronteerd worden met verliezen en winsten. Dit is de theorie van hedonic framing. Aangezien een portefeuille typisch bestaat uit Þnanciële producten waarvan sommige winst maken en andere verlies, kan de stelling van Thaler perfect toegepast worden op de portefeuilletheorie. Indien een portefeuille bestaat uit twee verschillende aandelen waarvan het ene een beperkte winst vertoont (bijvoorbeeld 7 % sinds de aankoop een jaar geleden) en het andere een enorme winst (pakweg 150 % sinds de aankoop een jaar geleden), zal de belegger de resultaten van deze aandelen afzonderlijk voorstellen. Het achterliggende principe hier is dat ‘cadeautjes afzonderlijk worden ingepakt’ om het plezier te vergroten. Dat de oorsprong van geld geen rol mag spelen bij de bestemming ervan, heeft niks te maken met de ‘kleur’ van het geld (wit, zwart of grijs) maar wel met de manier waarop een bepaald bedrag werd verkregen. In feite gaat het om een speciale toepassing van het principe van de mentale rekeningen. De regel moet zijn dat we naar de best mogelijke bestemming zoeken voor elk bedrag. Of dat geld in je bezit komt door arbeid dan wel via een loterij of een erfenis, mag eigenlijk geen rol spelen. Het is ook de bedoeling dat alle inkomsten op één rekening terechtkomen. Dit principe wordt door economisten ook de fungibiliteit van geld genoemd. De meeste economisten gaan nog een stap verder: zij beschouwen ook toekomstig inkomen (bijvoorbeeld een pensioen) of het kapitaal dat een huis vertegenwoordigt als gelijkwaardig aan cashgeld. De meeste mensen zijn echter helemaal niet geneigd om hierin mee te gaan. We weten dus dat mensen hun beleggings- en consumptiegedrag aanpassen in functie van de oorsprong van het ontvangen geld. Een loon wordt anders bekeken dan een windfall proÞt, een onverwachte meevaller. Ook beleggingsadviseurs trappen in deze val. Zo schrijft de zondagskrant Sunday Times bijvoorbeeld, naar aanleiding van een onverwachte meevaller voor enkele verzekeringsnemers: “Voor de meeste mensen komt dit geld totaal onverwacht, dus zijn ze misschien bereid om een grotere beleggingsgok te wagen.”

47

Ook empirisch onderzoek bevestigt de stelling dat mensen Þnanciële meevallers sneller uitgeven. In 2001 genoten Amerikaanse belastingbetalers een aardig voordeel: twee derde van de Amerikaanse gezinnen kreeg een belastingvermindering tussen 300 en 600 dollar. Onderzoekers stelden vast dat deze meevaller onmiddellijk geconsumeerd werd en zo de Amerikaanse economie uit het slop hielp. Om deze problematiek verder uit te diepen, werkten de psycholoog Hersh Shefrin en de economist Richard Thaler samen. Aan een aantal proefpersonen legden ze de volgende drie vragen voor. 1. Je krijgt op het werk een speciale bonus. Die wordt maandelijks netto uitbetaald en verhoogt je loon met 200 $ gedurende 12 maanden. Met hoeveel denk je je consumptie te verhogen gedurende dat jaar? 2. Je krijgt op het werk een eenmalige speciale bonus van 2400 $ netto bij het begin van deze maand. Met hoeveel denk je je consumptie te verhogen gedurende de rest van dit jaar? 3. Je ontvangt een erfenis van 2400 $. Je kunt evenwel niet aan dat geld gedurende vijf jaar: het staat geblokkeerd op een spaarrekening. Na vijf jaar krijg je het bedrag plus de intrest. Met hoeveel denk je je consumptie dit jaar te verhogen? De gemiddelde antwoorden waren respectievelijk 1200 $, 875 $ en 0 $. De wijze waarop een identiek geldbedrag wordt voorgesteld heeft dus een belangrijke invloed op de manier waarop we met dat geld omgaan. De onderzoekers stellen dat mensen drie mentale rekeningen gebruiken: een lopende rekening, een kapitaalrekening en een rekening voor toekomstig inkomen. De drie vragen zijn een toepassing van deze drie rekeningen. Geld dat ‘mentaal’ in de lopende rekening past, wordt sneller uitgegeven (1200 $) dan geld dat in de kapitaalrekening of in de rekening voor toekomstig inkomen wordt ondergebracht (respectievelijk 875 $ en 0 $). Met andere woorden: afhankelijk van hoe de bonus wordt voorgesteld (bijvoorbeeld in 12 maandelijkse schijven versus een eenmalig bedrag) zal dit het spaar- en consumptiegedrag veranderen. Een bonus die in kleine delen uitbetaald wordt, lijkt op arbeidsinkomen en zal sneller uitgegeven worden dan een grote bonus die in één keer uitbetaald wordt. Een toepassing hiervan vinden we in de vuistregel “Don’t dip into capital.” Beleggers mogen (van zichzelf) de dividenden of de intrest opsouperen, zolang ze maar niet aan het kapitaal komen. Zo’n gedrag is na-

48

tuurlijk nonsens in een theoretische economische wereld waar mensen niet werken met mentale rekeningen. In de echte wereld voelen echte beleggers zich goed bij deze regel. Het impliceert wel dat we sommige statistieken moeten relativeren. Zo wordt de opbrengst van aandelen berekend, rekening houdend met de herbelegging van dividenden. In de echte wereld zal deze return een grove overschatting te zien geven. Een ander voorbeeld van het niet-optimaal gebruik van mentale rekeningen vinden we bij sommige mensen die er diverse rekeningen op na houden. Zo hebben ze bijvoorbeeld voor elk kind een spaarrekening, en tegelijk een dure autoÞnanciering of een debetsaldo op hun eigen zichtrekening. Ze beschouwen die verschillende rekeningen als totaal gescheiden, en ze vinden het niet erg om enerzijds slechts een paar procenten intrest te krijgen op het spaarbedrag maar anderzijds tot 13 % intrest te betalen op het debetsaldo van de zichtrekening. Een belangrijke les van Þnancieel succesvolle personen is dan ook dat ze zich niet laten beïnvloeden door de oorsprong van het ontvangen geld. In de kabbala vinden we een antwoord op de vraag welke houding je moet aannemen tegenover geld dat je onverwacht in de schoot wordt geworpen. Het antwoord luidt: gereserveerd. Af en toe gebeuren er dingen waardoor het ‘levensonderhoud’ gemakkelijker wordt: mensen winnen met de lotto of krijgen een onverwachte erfenis. Zulke zaken maken volgens Nilton Bonder uiteraard deel uit van de voortdurende aanpassing van de markt. Dergelijke voorvallen moeten we met terughoudendheid aanvaarden — niet omdat ze onvermijdelijk zouden wijzen op een hoogtepunt en dus ook op het begin van de val, want ‘levensonderhoud’ is niet iets mechanisch waar verlies automatisch volgt op winst. Evenmin is een gereserveerde houding nodig omdat het geld niet echt zou zijn. De ware reden voor die terughoudendheid is dat het geld niet voldoende is belast met verantwoordelijkheid; het gevaar ligt in de manier waarop we over een dergelijke winst denken. Ook mensen die meedoen aan kansspelen, in de hoop op snelle winst, krijgen van Bonder een waarschuwing: “Het magische hopen op een wonder en op een gemakkelijk levensonderhoud is weggelegd voor de ongelukkige zielen die niet kunnen meedelen in het grootste van alle wonderen: het dagelijkse leven.”

TIP 15: DOE NIET MEE AAN KANSSPELEN. Rabbi Nilton Bonder had het hierboven al even over kansspelen. Eigenlijk is het zeer eenvoudig: Þnancieel succesvolle mensen doen helemaal niet mee aan dergelijke geldverslindende spelen. Niet omdat ze er prin-

49

cipieel tegen zouden zijn, maar omdat ze beseffen dat het economisch niet zinvol is. Elke ingezette euro levert immers, afhankelijk van het soort kansspel, slechts 50 tot 60 eurocent op. Mijn grootmoeder is een verstandige vrouw. Ze vertelde ons altijd dat ze gewonnen had met de lotto, elke week, en nu zou dat zelfs tweemaal per week zijn. Hoe kon dat? Welnu, ze speelde nooit mee. Het geld dat ze op deze manier bespaarde, had ze ‘gewonnen’. Heel wat mensen zullen deze redenering niet bijtreden, maar toch bevat de uitleg van oma een kern van waarheid: ze heeft het immers impliciet over de opportuniteitskosten (de gemiste opbrengst van het uitgesloten alternatief). Helemaal gelijk heeft ze natuurlijk ook niet, want door niet mee te spelen maakt ze ook geen kans om te winnen — en dat is toch de reden waarom mensen gokken. In ieder geval is ze een stuk verstandiger dan SP.A-politicus Pascal Smet, die zich in De Standaard Magazine afvraagt of hij “ooit de lotto zal winnen.” Volgens het onderzoek van Stanley en Danko heeft de onderzochte groep miljonairs alvast begrepen dat het niet interessant is geld te investeren in gokspelen. Ze stelden immers vast dat miljonairs minder geneigd zijn tot gokken naarmate hun vermogen groter is. De rijken beseffen maar al te goed dat elke geïnvesteerde dollar in een gokspel hooguit 60 dollarcent oplevert; de rest gaat naar werkingskosten, goede doelen en winst voor de organisator. In België wordt jaarlijks een miljard euro vergokt aan kansspelen: gemiddeld 100 euro per inwoner. Dat geeft echter een vertekend beeld, omdat ook kinderen meegerekend worden en mensen die nooit gokken; het bedrag per speler ligt dus een stuk hoger. Aan de lotto wordt het meest uitgegeven. Vreemd is dat niet, want in de Verenigde Staten werden loterijen erg populair zodra in New Jersey een variant geïntroduceerd werd waarbij de spelers zelf hun getallen konden kiezen. De organisator van de loterij speelde hiermee slim in op wat psychologen de illusie van controle noemen. Zelfs in zuivere geluksspelen zoals de lotto hebben de meeste gokkers een voorkeur om hun eigen getallen te kiezen. Op die manier menen ze enige controle te hebben over de uitkomst van het spel. In experimenten werd bijvoorbeeld vastgesteld dat mensen die hun eigen getallen kozen, bij het doorverkopen van het deelnamebiljet een hogere prijs vroegen dan anderen die de getallen ontvangen hadden en dus niet zelf konden kiezen. Mensen hebben bovendien de neiging om zeer kleine kansen te overschatten. De wiskundige Paulos spreekt in dat verband wel eens schertsend over de ‘ongecijferdheid’ van de meeste mensen. De kans op winst in rang 1 (alle zes getallen goed) in de lotto is minuscuul: iets minder

50

dan één op vijf miljoen. Toch hebben deelnemers de neiging om deze kans op winst hoger in te schatten. Ze worden als het ware verblind door de zeer grote hoofdprijs, zoals een uitgebreid psychologisch onderzoek heeft aangetoond. Bij loterijen is het uiteraard de mogelijkheid om de hoofdprijs te winnen die aanzet tot spelen. De algemeen directeur van de Nederlandse Loterij, Wim van den Assem, geeft dit ook toe: “Mensen kicken op de grote prijzen.” Toch is de echte waarde van de hoofdprijs zeer beperkt: de minuscule winstkans (1 op 5 miljoen) vermenigvuldigd met de winst in rang 1. Dat geeft als uitkomst nauwelijks een paar tientallen eurocenten. Vooraleer mee te doen, zouden veel mensen beter eerst eens nadenken over de eventuele gevolgen van een grote geldprijs. De eerste winnaar van de toenmalige Koloniale Loterij in 1934 werd er in ieder geval niet gelukkiger van. Volgens de neef van winnaar Kamiel Vanden Berghe veranderde het geld zijn oom in een piekeraar: hij was bang dat hij het geld verkeerd zou beleggen. “Iedereen wilde bovendien een kruimeltje van de winst,” zo vertelt de man aan Het Laatste Nieuws. “Al snel stonden er paters aan de deur om hem erop te wijzen dat hij goede werken moest doen.” En na zijn dood begonnen de kinderen ruzie te maken om het geld. Andere winnaars trappen dan weer in de consumptieval. Twee voorbeelden uit Groot-Brittannië. Vuilnisman Michael Carroll won 13 miljoen euro en verbraste dat geld bijna helemaal op anderhalf jaar tijd. Zo spendeerde hij anderhalf miljoen aan geschenken voor de moeder (!) van zijn ex-(!)vriendin en kocht drie luxewagens voor zichzelf. Sarah Cockings won 4,4 miljoen euro en Þnancierde onmiddellijk een borstvergroting voor haar twee zussen. In Vlaanderen is Rudi Wtterwulghe berucht. De man zag 53 miljoen frank in rook opgaan, hoofdzakelijk door verkeerde beleggingen op de beurs. Dan is de Nederlander Arno Woesthoff wel een stuk verstandiger. Hij won in 2001 tien miljoen gulden met de Postcodeloterij, en verzocht zijn vrienden “hem te waarschuwen als hij vreemd gedrag ging vertonen.” Organisatoren van loterijen hebben er trouwens alle belang bij dat mensen in het algemeen en gokkers in het bijzonder zo vaak mogelijk in aanraking komen met vroegere winnaars. Daarom hangt in elke dagbladwinkel wel een certiÞcaat waarop te lezen staat dat “hier een biljet gevalideerd werd met een winst van zo en zo veel euro.” De bedoeling hiervan is dat gokkers de ‘beschikbaarheidsfout’ zullen maken: doordat ze in contact komen met winnaars schatten ze de kans op winst

51

hoger in dan ze in werkelijkheid is. Bovendien hebben we de neiging om winnaars makkelijker te onthouden dan verliezers. Dat helpt in dit geval ook, althans vanuit het standpunt van de organisator van de loterij. Niemand spreekt immers over de verliezers, die nochtans veel talrijker zijn. Het zou daarom niet slecht zijn om, telkens als je wil spelen, te bedenken dat er doodgewoon geen plaats genoeg zou zijn om al de affiches op te hangen met de verliezers van de kansspelen. Interessant is dat grote criminelen verstandig omgaan met hun geld. Tot die bevinding kwam de Nederlandse politiedienst Nationale Recherche Informatie na het bestuderen van de rekeningen van zware jongens. Ze verkwisten hun fortuin niet aan dure auto’s of luxueuze vakanties: slechts 8,5 % van de getraceerde 100 miljoen euro ging op aan dergelijke luxe. Belangrijk is ook dat ze niet gokken — al vermeldt het rapport niet of ze zelf gokspelen organiseren. Vast staat wel dat ze over het algemeen hun Þnanciële belangen netjes verdelen over onroerend goed, aandelen en obligaties. Echte professionals, die zware jongens — ook op het Þnanciële vlak. In overeenstemming met het onderzoek van Oswald zijn de meeste mensen uiteraard wel gelukkig met onverwacht ontvangen centen. Ze moeten echter wel rekening houden met een soort automatisch ‘reguleringsmechanisme’ bij de mens: het geluksgevoel ebt immers geleidelijk weg. Volgens Daniel Gilbert is dat te verklaren doordat de mens een euforisch gevoel niet lang weet vast te houden: na een tijd keert hij terug naar zijn gewone gemoedstoestand.

TIP 16: HOED U VOOR HYPERBOLISCH DISCONTEREN. De meeste economische beslissingen hebben gevolgen over diverse periodes; het zijn met andere woorden ‘intertemporele’ keuzes. De diepvriezer die we nu kopen, zal (hopelijk) nog jarenlang elektriciteit verbruiken. Hetzelfde geldt voor alle andere elektrische toestellen en verlichting. Toch hechten mensen te veel belang aan de onmiddellijke uitgave en te weinig aan het toekomstige verbruik van het toestel. Het verschil in verbruik tussen energiezuinige en energieverspillende toestellen is immers enorm, en uiteraard zijn de goedkopere toestellen de grote energieverslinders. Een studie wees uit dat een goedkope koelkast tijdens zijn volledige levensduur uiteindelijk driemaal zoveel kost (aanschafprijs en verbruik samen) als een duurder en energiezuiniger type. Een ander onderzoek toonde aan dat consumenten bij de keuze tussen twee airconditioningtoestellen een voorkeur hadden voor het goedkopere type, terwijl ze de

52

meerprijs van het duurdere toestel al na een jaar terugverdiend zouden hebben. Het symptoom van deze ‘ziekte’ is dat we te veel belang hechten aan de onmiddellijke uitgave en te weinig aan toekomstige uitgaven. Producenten spelen hier graag en vaak op in. Bij de aankoop van een inkjetprinter gaat het om een relatief klein bedrag; de echte kosten zitten uiteraard in het toekomstige verbruik. Is het vreemd dat de goedkoopste modellen tegelijk het duurst zijn qua inktverbruik? Gezien het concept van hyperbolisch disconteren zeker niet. De toekomstige meerkosten zijn immers groter dan het prijsvoordeel bij de aankoop van de printer. De remedie voor deze ‘ziekte’ is eenvoudig: bij de aankoop van een toestel is het verstandig de aankoopprijs én de kostprijs van het toekomstige verbruik samen te tellen. Ook op de Þnanciële markt vertonen beleggers de neiging om de toekomst hyperbolisch te verdisconteren. Ze hebben een voorkeur voor onmiddellijke genoegdoening; daarom wordt een kleine winst op aandelen vaak te snel veilig gesteld. Onderzoek heeft uitgewezen dat mensen te snel aandelen verkopen waarop ze een beperkte koerswinst kunnen boeken. De mogelijk grotere winst in de toekomst wordt te zwaar verdisconteerd en weegt dus niet voldoende mee in de beslissing. De nieuwe tak van de neuro-economie biedt een mogelijke verklaring voor dit fenomeen. Stel dat je de mogelijkheid krijgt om te kiezen uit twee opties: een waardebon van 16,31 euro vandaag of een waardebon voor datzelfde bedrag over een maand. Weinig mensen zullen er lang over nadenken: de waardebon nu is de beste keuze. Stel echter dat er gekozen moet worden tussen een waardebon van 16,31 euro vandaag en een van 24,43 euro over zes weken. Dat vereist al een beetje rekenwerk, en de antwoorden zijn dan ook verdeeld. Interessant is dat onderzoekers in de neuro-economie de hersenen van de proefpersonen bestuderen via fMRI (functional magnetic resonance imaging). Bij het tweede vraagstuk blijken dan twee onderdelen van de hersenen op te lichten: enerzijds de rationele prefrontale cortex die verantwoordelijk is voor de koele berekening, anderzijds het meer primitieve limbisch systeem dat verantwoordelijk is voor emoties en snelle reacties. Volgens neuro-economen zijn mensen niet irrationeel, maar ‘geconßicteerd’. De rationele cortex geeft wellicht het signaal om de bon van 24,43 euro te kiezen, terwijl het emotionele limbisch systeem waarschijnlijk opteert voor onmiddellijk gewin met de bon van 16,31 euro.

53

Beleggers zijn bovendien gevoeliger voor verliezen dan voor winsten. Concreet betekent dit dat een verlies van 100 euro op een aandeel dubbel zo hard aankomt als het plezier om een winst van 100 euro. Dit fenomeen wordt ook verliesaversie genoemd. Een ander kenmerk van beleggers is dat ze hun portefeuille regelmatig evalueren. Net zoals ondernemingen een boekhouding voeren met een rekeningenstelsel, hanteren beleggers een mentale boekhouding waarbij ze eigen evaluatiemethodes gebruiken. Zo kunnen ze bijvoorbeeld elk aandeel beschouwen als een aparte rekening, die boven of onder nul staat naargelang van het feit of het aandeel hoger dan wel lager genoteerd staat in vergelijking met de aankoopkoers. De beide fenomenen, verliesaversie en mentale boekhouding, werden door onderzoekers samengebracht in het begrip myopic loss aversion (MLA). Dit betekent dat beleggers hun portefeuille eigenlijk te vaak evalueren. Doordat ze gevoeliger zijn voor verliezen, zullen ze minder risico aandurven dan wanneer ze de resultaten minder vaak zouden evalueren. Een illustratie van MLA vinden we in de evolutie van de S&P 500. Over de periode 1974-1975 tekende de S&P 500 een bescheiden return op van 0,84 %. Bij het vergelijken van de prestatie van deze index over de twee jaren verandert dit beeld volkomen: in 1974 verloor de index maar liefst 26,5 %, om in 1975 dan weer 37,2 % te winnen. Potentiële beleggers die de returns jaarlijks bekijken, zullen zich wellicht verre houden van aandelen: het risico is hun te groot. Bij een tweejaarlijkse voorstelling liggen de kaarten totaal anders. Al is de return niet spectaculair, hij is wel positief. Bovendien is de grote schommeling (volatiliteit) van de returns niet meer aanwezig. Tabel 2. Vergelijking van de jaarlijkse tegenover de tweejaarlijkse returngegevens van de S&P 500. S&P 500 jaarlijkse return 1974: – 26,5 % 1975: + 37,2 % Bron: eigen berekening S&P tweejaarlijkse return 1974-1975: + 0,84 %

54

Onderzoekers beseffen het praktische belang van het fenomeen MLA maar al te goed. Zo geven ze promotoren de concrete raad om de evaluatieperiode van prospectieve cliënten “te manipuleren” (ik citeer letterlijk). In de praktijk betekent dit dat ze beleggers minder feedback geven over het koersverloop van een risicovol fonds, zodat dit fonds aantrekkelijker wordt in de ogen van de beleggers. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door de inventariswaarde slechts tweemaal per maand te publiceren in plaats van dagelijks. Tegelijk raden ze beleggers aan hun resultaten minder vaak en op een geaggregeerde manier te bekijken. Van dit laatste hebben we een voorbeeld gegeven met de tweejaarlijkse evaluatie van de S&P 500. Het fenomeen MLA kan ten slotte ook een verklaring bieden voor het feit dat relatief weinig mensen aandelen bezitten: in België bijvoorbeeld slechts 5 % van de inwoners.

TIP 17: WEES U BEWUST VAN DE STATUS-QUO FOUT. Samuel Johnson stelde dat niets doen in ieders vermogen ligt. Mensen hebben nu eenmaal een sterke neiging om bij de bestaande situatie of status-quo te willen blijven. In de uitstekende rubriek ‘Vrouwen over geld’ in De Morgen lezen we dat de 28-jarige docente Bie Sysmans niet streeft naar een hoger salaris. “Maar ik zou ook niets willen inleveren,” vertelt zij aan de krant. Wellicht zou de vrouw hetzelfde antwoord gegeven hebben indien ze 500 euro meer verdiende. De huidige situatie of status-quo is altijd een belangrijk referentiepunt. De nadelen van een verandering wegen bovendien, subjectief aangevoeld, zwaarder dan de eventuele voordelen. Stel dat je een portefeuille aandelen hebt geërfd. Ondanks het feit dat je een aantal van die aandelen waarschijnlijk nooit zelf gekocht zou hebben (omdat je ze bijvoorbeeld te risicovol vindt), is de neiging groot om de samenstelling van de portefeuille toch niet te wijzigen. In dit verband kunnen we Sartre citeren: “Niet kiezen is evenwel ook kiezen.” Ook verkopers maken handig gebruik van deze neiging. Ze bieden je namelijk de garantie dat je het product gedurende een bepaalde periode mag terugbrengen en dat je dan het volledige aankoopbedrag terugkrijgt. Dick Thaler beweert dat de consument na de aankoop het zoekproces naar een alternatief zal stopzetten en zich tegelijkertijd zal

55

hechten aan het product. Vandaar dat er zo weinig gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om iets terug naar de winkel te brengen. Vooral wanneer het gaat om producten met een nieuwe technologie, is deze strategie zeer verleidelijk voor producenten. Zo bood Canon in de zomer van 2005 de mogelijkheid om een Selphy Compact Photo Printer te kopen en gedurende drie weken ‘zonder risico’ thuis te proberen. Niet tevreden? Geld terug! Ook wetenschappers hebben last van de status-quo bias: ze vertonen een subjectieve voorkeur voor de huidige stand van kennis, en ze misprijzen alle controversiële stellingen die daartegenin gaan. Het symptoom van de status-quo fout is dat we de bestaande situatie beschouwen als beter dan een alternatief, uit angst dat we een fout zullen maken bij de beslissing om de situatie te wijzigen. Het genezingsproces bestaat erin alle alternatieven objectief te bestuderen zonder enige voorkeur voor de bestaande situatie. Het zogeheten ‘taxichauffeursyndroom’ is eveneens een uitvloeisel van de status-quo fout. Colin Camerer stelde vast dat taxichauffeurs in de stad New York een streefdoel in gedachten hebben; ze willen per dag een bepaald bedrag verdienen. Nu zijn echter niet alle dagen even gunstig voor het taxibedrijf: op een zonnige dag nemen relatief weinig mensen de taxi. Het gevolg hiervan is dat de chauffeurs op dergelijke dagen extra uren kloppen om toch het vooropgestelde bedrag te halen. Op gunstige dagen (met minder goed weer dus) bereiken ze vrij snel hun streefdoel — maar dan stoppen ze met werken. Volgens Camerer zouden de chauffeurs beter net het omgekeerde doen: op ‘slechte’ dagen minder werken en van het mooie weer proÞteren, en op ‘goede’ dagen gewoon doorwerken. Het gevolg hiervan is dat hun inkomsten zullen stijgen bij een gelijkblijvend aantal werkuren. Organisatoren van goede doelen maken op een handige manier gebruik van de status-quo fout (voor het goede doel, uiteraard): ze proberen mensen een permanente opdracht te laten openen ten gunste van hun organisatie. Eenmaal de bestendige opdracht (bijvoorbeeld een schenking van 50 euro per jaar) een feit is, zal de weldoener deze jaarlijkse schenking beschouwen als de status-quo. Daarom wordt de vrijwilligers van dergelijke organisaties ingeprent dat het interessanter is een permanente opdracht binnen te rijven dan een gewone gift, zelfs indien het bedrag van die opdracht lager is dan wat de weldoener eenmalig zou willen geven.

56

TIP 18: HANTEER DE THEORIE VAN DE REËLE OPTIES. Een van de interessante nieuwe ideeën in de Þnanciële economie is ongetwijfeld de reële optie theorie. Eigenlijk passen we deze theorie al onbewust toe. Als we bijvoorbeeld geïnteresseerd zijn om een huis te kopen, kunnen we gedurende een korte periode een optie op dat huis nemen. Meestal is deze optie gratis, maar eigenlijk is een dergelijk voorrecht geld waard. De reële optie theorie is interessant, omdat ze een gangbaar concept bij het beoordelen van een investering doorbreekt. De professoren Dixit en Pindyck stellen dat het principe van de netto huidige waarde (NHW) om investeringsbeslissingen te nemen zelfs meestal verkeerd is. Volgens hen is het berekenen van de netto huidige waarde gestoeld op foute assumpties. Het model veronderstelt ofwel dat de investering omkeerbaar (reversibel) is, wat betekent dat het geïnvesteerde kapitaal volledig gerecupereerd kan worden, ofwel dat de investering onomkeerbaar (irreversibel) is en dat het dus gaat om een ‘nu of nooit’ beslissing. Dit laatste betekent dat de opportuniteit voorgoed verloren is indien de onderneming de investering nu niet uitvoert. Dixit en Pindyck komen dan ook tot het besluit dat de meeste investeringen niet voldoen aan deze assumpties, en dat bijgevolg het principe van de netto huidige waarde bijgesteld moet worden. Het bijstellen van het principe van de netto huidige waarde kan volgens de auteurs op de volgende manier gebeuren: waarde van een project = NHW + optiewaarde Hoe groter het aantal verschillende opties en de waarde van deze individuele opties, hoe groter de optiewaarde en de waarde van het project. De professoren Brealey en Myers geven een bijkomend argument waarom het model van de netto huidige waarde niet geschikt zou zijn om investeringen te evalueren. Zij stellen dat deze methode ontwikkeld werd om aandelen en obligaties te waarderen. Investeerders in deze Þnanciële activa blijven meestal passief: zij kunnen vrijwel niets doen om de intrestvoet op de coupon van de obligatie of het dividend op het aandeel te verhogen. Volgens Brealey en Myers staat deze passiviteit van beleggers in schril contrast met de vele mogelijkheden die managers hebben bij investeringsbeslissingen. Een Þnanciële optie is het recht om een Þnanciële waarde (bijvoorbeeld een aandeel) te kopen (call) of te verkopen (put) tegen een vastgestelde prijs. Indien de aan- of verkoop enkel kan plaatsvinden op een bepaal-

57

de datum (de uitoefendatum) spreken we van een Europese optie. Indien de optie gedurende de volledige looptijd uitgeoefend kan worden, spreken we van een Amerikaanse optie. Voorstanders van reële opties argumenteren dat de achterliggende ÞlosoÞe van Þnanciële opties doorgetrokken kan worden naar investeringsbeslissingen. Bij een reële optie krijgt de onderneming immers het recht op toekomstige kasstromen door een bepaald bedrag te investeren. De prijs van een Þnanciële optie wordt bepaald door zes factoren: de prijs van het onderliggende actief (bijvoorbeeld het aandeel, in het geval van een optie op een aandeel), de uitoefenprijs, de onzekerheid over het koersverloop van het onderliggende actief, de risicovrije rentevoet, de looptijd tot vervaldag van de optie en de dividenden van het betrokken aandeel. Een toename in de prijs van het onderliggende actief vergroot de waarde van de optie indien het een call betreft, en verkleint de waarde van een put-optie. Een toename van de uitoefenprijs verkleint de waarde van een call en vergroot de waarde van een put. Een toename van de onzekerheid vergroot de waarde van de optie, net zoals het verlengen van de looptijd tot vervaldag. Ook een stijging van de risicovrije rentevoet vergroot de waarde van de optie. En ten slotte is een toename van de dividenden negatief voor de waarde van de optie. De waarde van een reële optie wordt eveneens beïnvloed door zes factoren: de netto huidige waarde van de toekomstige kasstromen, de netto huidige waarde van de investeringen, de onzekerheid van de toekomstige kasstromen, de looptijd tot vervaldag, de risicovrije rentevoet en de waarde die verloren wordt tijdens de looptijd van de optie. Ter vergelijking: het model van de netto huidige waarde houdt enkel rekening met de eerste twee factoren van de reële optie. De invloed van deze twee factoren op de waarde van de optie is duidelijk: een toename van de toekomstige kasstromen vergroot de waarde van de optie, een toename van de investeringen verkleint de waarde. Essentieel om de ÞlosoÞe van reële opties goed te begrijpen is dat ook een toename van de onzekerheid over de toekomstige kasstromen een positief effect heeft op de waarde van de optie. Dit kenmerk is anti-intuïtief, omdat mensen onzekerheid meestal beschouwen als negatief. Bij een optie is het verlies evenwel beperkt, maar de winst potentieel oneindig. Het gaat met andere woorden om een asymmetrisch instrument. Identiek als bij Þnanciële opties is dat de waarde van een reële optie stijgt naarmate de looptijd tot vervaldag langer wordt, en dat ook een stijging van de risicovrije rentevoet de waarde van een reële optie doet

58

toenemen. Ten slotte heeft de waarde die verloren wordt tijdens de looptijd van de optie een negatieve impact op de optiewaarde. Belangrijk is nu te weten welke hefbomen bespeeld kunnen worden om de waarde van de reële optie te vergroten. De consultants Leslie en Michaels van McKinsey onderzochten de impact op de optiewaarde van een wijziging van 10 % in elk van de bovenstaande zes factoren. Zij stelden vast dat een verandering in de toekomstige kasstromen een impact heeft van 26 %. Op de tweede plaats komen de investeringen, met een impact van 16 % op de waarde van de optie. Interessant is op te merken dat de twee factoren die gebruikt worden bij de netto huidige waarde toch de belangrijkste impact hebben op de optiewaarde. Een wijziging van 10 % in de onzekerheid over de toekomstige kasstromen heeft nog altijd een impact van 11 % op de waarde van de optie. Daarna komen de duurtijd met 6 %, de verloren waarde met 4 % en de risicovrije rentevoet eveneens met 4 %. Leslie en Michaels besluiten uit hun studie dat mensen er alle belang bij hebben zich vooral te concentreren op het opdrijven van de verwachte inkomsten, en minder op het verlagen van de (investerings)kosten. Dit noemen zij een van de belangrijkste inzichten van het optiemanagement. De ÞlosoÞe van de reële opties lijkt erg theoretisch, maar toch kunnen de ideeën moeiteloos toegepast worden in het dagelijks leven. Ten bewijze hiervan de uitspraak van Troy Tyler, oprichter van SmartRay Network: “Een van de belangrijkste opties die iedereen heeft, is iets te verlaten.” Ook op het vlak van de studiekeuze kan deze theorie toegepast worden. Een goede raad is immers zo breed mogelijk te gaan en alle opties open te houden. Door een speciÞeke en gespecialiseerde richting te kiezen, worden immers alle andere opties gesloten — en daar hangt een (impliciet) prijskaartje aan. Een studie van Matthew Clayton van de Stern Business School wijst erop dat reële opties eveneens een belangrijk gegeven zijn bij de analyse van contracten voor professionele basketbalspelers in Amerika. Indien het contract tussen de speler en de club mogelijkheden of opties bevat waardoor de club zich in de toekomst gemakkelijk van de speler kan ontdoen, zal deze laatste meer verdienen dan indien dit niet geval is. Omgekeerd verdient een speler dan weer minder als het contract met de club een clausule bevat waardoor hij zelf kan beslissen om al dan niet te vertrekken. Eenvoudig uitgedrukt, kost deze optie hem het bedrag dat hij meer zou verdienen als deze mogelijkheid niet voorzien

59

was. Nog eens een bewijs dat je niks voor niks krijgt, ook niet in de sportwereld.

TIP 19: PAS OP VOOR DE VLOEK VAN DE WINNAAR. De vloek van de winnaar betekent dat de hoogste bieder bij een veiling, waar mensen tegen elkaar opbieden, ‘vervloekt’ is omdat hij waarschijnlijk een te hoge prijs heeft betaald voor het huis of het kunstvoorwerp waarop hij heeft geboden. Deze ‘vloek’ is trouwens een van de redenen waarom het resultaat op een kunstveiling geregeld de schatting van het veilinghuis zwaar overtreft. In juni 2005 bijvoorbeeld werd het werk Lamproom van Luc Tuymans verkocht voor 232.000 pond. De geschatte richtprijs bedroeg 120.000 tot 180.000 pond. Dit fenomeen werd oorspronkelijk ontdekt door drie ingenieurs in 1971. Stel dat er een veiling is met als inzet de concessie om naar olie te boren op een stuk land. Na de nodige berekeningen dienen de geïnteresseerde oliemaatschappijen hun bod in, en uiteraard gaat de concessie naar de hoogste bieder. De kans is groot dat dit bod de echte waarde van het stuk land schromelijk overschat — wat dan weer betekent dat de maatschappij een slechte investering heeft gedaan. Of hoe de winnaar van de veiling tegelijk ook de verliezer is. Ook bij het uitgeven van boeken speelt de vloek van de winnaar een rol. Professor Dessauer stelt vast dat uitgeverijen die tegen elkaar opbieden om een boek te mogen uitgeven en dus op voorhand een hoop geld betalen aan de auteur omdat hij een bekend politicus of managementgoeroe is, meestal niet eens het zout op hun aardappelen verdienen. Dessauer besluit: “Dergelijke boeken worden meestal een ßop en een Þnanciële strop; hun waarde is meer gepercipieerd dan reëel.” De vloek van de winnaar wordt trouwens handig gebruikt door oplichters. Stel dat zo iemand een auto wil verkopen. Als hij het een beetje handig speelt, zorgt de oplichter er wel voor dat een paar van zijn vrienden komen meebieden wanneer de potentiële koper langskomt: op die manier kan de verkoopprijs ßink opgedreven worden. Ook in de Britse tv-reeks ‘Manchild’ wordt dit principe toegepast: bij de verkoop van een schilderij laat kunsthandelaar Patrick zijn vriend in de zaal meebieden tot een bepaald bedrag, zodat hij een erg mooie prijs krijgt voor het kunstwerk.

60

Dit verschijnsel biedt ook de mogelijkheid om op een snelle en leuke manier iets bij te verdienen. Vul een glazen bokaal met muntstukken, waarvan je de totale waarde vooraf hebt berekend. Laat dan iedereen (op het werk, in het café,…) raden hoeveel geld er in de bokaal zit, en het geschatte bedrag op een papiertje schrijven. Wie het hoogste ‘bod’ heeft gedaan, krijgt de inhoud van de bokaal na betaling van wat hij geboden heeft. Onderzoek hieromtrent heeft twee dingen aangetoond: het gemiddelde bod zal een stuk lager liggen dan de werkelijke inhoud van de bokaal, maar het hoogste en dus winnende bod zal vrijwel zeker altijd hoger liggen dan de totale waarde van de muntstukken. Bij een proef met een bokaal waarin voor 8 $ aan muntstukken zat, bedroeg het gemiddelde bod 5.13 $ en het winnende bod 10.01 $. Het symptoom van de vloek van de winnaar is dat je door een te optimistische inschatting van de situatie te veel betaalt voor het aangebodene (huis, kunstvoorwerp,…). Hoe kan je ervan genezen? Door minder te bieden of je te houden aan een vooraf bepaalde maximumprijs, met uiteraard het berekende risico dat je naast het aangebodene zult grijpen.

TIP 20: HOUD REKENING MET DE OPPORTUNITEITSKOSTEN. Laten we nog even terugkeren naar de studie van Stanley en Danko. Als Þnancieel succesvolle personen één belangrijk economisch concept onder de knie hebben, is het wel het principe van de opportuniteitskosten. Aangezien deze mensen gemakkelijk 300 euro per uur verdienen, is de kostprijs voor het in elkaar timmeren van een kastje niet zozeer de prijs van het materiaal, maar wel het bedrag dat ze niet verdiend hebben terwijl ze met dat kastje bezig waren. Vandaar dat ze allerlei klusjes liever overlaten aan vakmensen die weliswaar ook vrij duur zijn, maar niet zo duur als zijzelf. Het concept van de opportuniteitskosten is niet zo moeilijk te begrijpen, maar het is wel een beetje anti-intuïtief. Uitgaven die met harde euro’s betaald worden, beschouwen de meeste mensen wel als kosten — maar velen zien opportuniteitskosten niet als echte kosten. Misschien komt dit door de verwarrende benaming: opportuniteitskosten zijn eigenlijk de niet-gerealiseerde opbrengsten van het alternatief. Beleggers die in fondsen met een kapitaalgarantie stappen, beseffen niet goed dat de echte kosten eigenlijk opportuniteitskosten zijn. Op het eind van de rit krijgen ze zeker hun kapitaal terug, maar eigenlijk hebben ze op die manier geld verloren. Je moet deze kapitaalgarantie

61

namelijk vergelijken met de risicovrije intrest op een kasbon over dezelfde periode. Een jaartje langer studeren: wat zou daarvan de kostprijs zijn? Het inschrijvingsgeld en de huur van een kot, om maar twee uitgavenposten te noemen? Vergeet het maar. De echte kostprijs van een jaar langer studeren is het laatste jaar van je carrière dat je hierdoor mist. Onnodig te vertellen dat het hier gaat om een ßink bedrag. Nog een illustratie van de opportuniteitskosten. Sommige beginnende zelfstandige ondernemers hebben het psychologisch moeilijk om zichzelf een correcte vergoeding toe te kennen. Zo was Stephen Culp, de oprichter van Smart Furniture, gedurende drie jaar de slechtst betaalde werknemer van zijn eigen bedrijf. Om een correct loon voor zichzelf te berekenen, moet een zelfstandige ondernemer nagaan hoeveel hij zou verdienen als werknemer in een gelijkaardige functie bij een ander bedrijf. Dat zijn de opportuniteitskosten. Ook eigenaars van huizen moeten rekening houden met dit economisch concept. Nadat de hypothecaire lening afbetaald is, denken ze dat ze gratis wonen in hun eigen huis. Niets is minder waar: eigenlijk betalen ze huurgeld aan zichzelf. De opportuniteitskosten zijn hier immers de huuropbrengsten die ze zouden ontvangen indien ze hun woning aan derden verhuurden. Het concept van de opportuniteitskosten kan ook gedeeltelijk verklaren waarom zoveel beleggers afkerig zijn om hun aandelenportefeuille te beschermen met put-opties. De aankoop van een dergelijk afgeleid Þnancieel product vergt immers een uitgave in cash. Het alternatief is niets doen. Dat de waarde van de portefeuille sterk achteruitgaat, wordt door de belegger vergoelijkt met de bewering dat er geen echt verlies is gemaakt zolang de aandelen niet verkocht zijn: het verlies bestaat immers enkel op papier. Nonsens, uiteraard. Het symptoom is hier dat we de opportuniteitskosten behandelen alsof het geen echte kosten zijn; in ieder geval wegen ze minder zwaar door dan effectieve uitgaven in harde euro’s. Hoe kunnen we genezen? Door de opportuniteitskosten voor het volle pond te laten meetellen in onze beslissingen.

62

Hoofdstuk III

FINANCIEEL SUCCESVOLLE MENSEN ZETTEN REALISTISCHE DOELSTELLINGEN VOOROP
“Affluence creates poverty.” Marshall McLuhan

Urbanus is een Þnancieel succesvol persoon. Dat mag je erg letterlijk nemen: zijn vermogen wordt voorzichtig geschat op 2,5 miljoen euro. Bij deze duizendpoot valt vooral op dat zijn doelstellingen erg realistisch zijn. In een interview stelt een journalist dat de meningen over de serie ‘Urbain’ nogal verdeeld waren; Urbanus antwoordt terecht dat niet iedereen een fan kan zijn van ‘Urbain’. “De slager om de hoek zal er ook niet wakker van liggen dat iemand aan de andere kant van het land zijn worsten niet lust, zolang hij maar genoeg verkoopt in de buurt. Hetzelfde geldt voor mij. Ik ben als artiest tevreden met de aanhang die ik heb: ik kan er immers van leven en mijn gezin onderhouden. Ik koester allang niet meer de ambitie om de hele wereld aan mijn voeten te krijgen.”

TIP 21: WEET DAT HET GELUK NIET OP HET WERK LIGT. De ideeën van life coach Stephen Pollan over carrière en werk zijn op zijn zachtst gezegd ietwat onconventioneel. Toch beweert de man dat hij in zijn 20-jarige praktijk al heel wat werknemers echt heeft geholpen. Een van de centrale punten van zijn betoog is dat werknemers moeten ophouden het geluk te zoeken op het werk. Voor de meeste werknemers in het verleden was een job enkel iets om brood op de plank te brengen. Die mensen dachten niet eens aan de nu zo modieuze ‘emotionele bevrediging’ op het werk. Emotionele en spirituele voldoening kwam van familie, kerk, gemeenschap en hobby’s.

63

Pas in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw kwamen de babyboomers hiertegen in opstand: zij zagen de scheiding tussen Þnanciële en emotionele motivatie als onmenselijk, ze vonden dat hun vaders op het werk een ‘leeg’ leven leidden en betekenisloze arbeid verrichtten. De zoektocht naar werk dat zowel emotionele als Þnanciële voldoening schenkt, heeft volgens Pollan niets opgeleverd. Werknemers kloppen vandaag meer uren dan ooit tevoren; intussen worden familie, gemeenschap en vrije tijd verwaarloosd. Erger nog: ze zijn helemaal niet zeker van hun inkomen — in tegenstelling tot hun vaders, die misschien betekenisloos werk deden maar wel zeker waren van hun job. De meeste werknemers denken bovendien dat er zoiets bestaat als rechtvaardigheid op het werk. We hebben immers geleerd dat mensen die stipt op het werk verschijnen en hun job goed doen, veilig zijn — zolang de onderneming zich kan veroorloven hen in dienst te houden, natuurlijk. We hebben ook geleerd dat wie vroeg op het werk komt en lang nablijft en bovendien zijn job uitstekend doet, beloond zal worden met loonsverhoging en/of promotie. Algemeen wordt ook aangenomen dat iedereen die de belangen van de onderneming in het hart draagt en bijgevolg een open debat wil voeren over de manier waarop de dingen best georganiseerd kunnen worden, positief bekeken wordt. Jammer genoeg is daar allemaal niks van waar, beweert Pollan. De regels volgen is geen garantie voor werkzekerheid. Teamspelers worden net zo vaak aan de deur gezet als individualisten. Uitblinken is geen zekere weg naar promotie; veel bazen zullen juist dergelijke uitblinkers saboteren. Managers en collega’s handelen uit eigenbelang. Vandaar dat discussies met je baas over het belang van de onderneming tot problemen leiden. De meeste werknemers — ook managers — willen nu eenmaal de hoogste vergoeding voor de minste inspanning. Jezelf voor 110 procent inspannen en hard werken voor de onderneming helpen je geen moer verder. De laatste jaren lijken ondernemingen zich zorgen te maken over de levenskwaliteit van hun werknemers: ze bieden bijvoorbeeld eigen Þtnesscentra en zorgen ervoor dat de kleren van hun werknemers netjes gewassen en gestreken worden. Werkgevers doen dit uiteraard niet belangeloos: als ze het wat aangenamer maken voor hun werknemers, zullen deze laatsten bereid zijn om meer tijd door te brengen op het werk. Op die manier is er een stuk minder weerstand om vijftig uur per week te kloppen. Al deze inspanningen van de ondernemingen creëren een vals beeld van de reden waarom we zouden werken. Werknemers worden gehersenspoeld om te geloven dat de bedrijfscultuur en een ondersteu-

64

nende omgeving meer gewaardeerd moeten worden dan het Þnanciële plaatje. Sommige werknemers vinden dat een werkplaats aantrekkelijk moet zijn. Lulkoek, aldus Pollan: het hoofddoel van je werk is doodgewoon je inkomen verstevigen en vergroten. Elementen die inspelen op je ego en op niet-Þnanciële vergoedingen zijn waardeloos. De job van je dromen is gewoon de job die het best betaalt. Iemand die dat goed begrepen heeft, is de auteur Jos Pierreux. Het valt op dat schrijvers (vooral van Þctieverhalen) over het algemeen bijzonder eerlijk zijn en geen blad voor de mond nemen — alsof ze een compensatie zoeken voor de imaginaire wereld die ze zelf hebben geschapen. Pierreux vertelt dat hij 51 van de 52 weken werkt, zes dagen op zeven. Waarom? “Ik doe dat voor het geld,” zo vertelt hij aan De Morgen. De ideeën van Pollan sluiten trouwens erg goed aan bij die van JeanPierre Durand. Volgens deze hoogleraar gebruikt het kapitalisme onzichtbare ketens. Het mechanisme is eenvoudig: een voortdurende beweging houdt iedereen aan de slag. Bij projectwerk is er bijvoorbeeld groepscontrole: iedereen houdt iedereen in de gaten. Vroeger zorgden de ploegbazen ervoor dat niemand luierde; een modern bedrijf draait op ‘zelf-engagement’. Durand meent bovendien dat er niet echt meer ruimte is voor creativiteit of strategisch meedenken, ondanks het feit dat van iedereen meer gevraagd wordt en de competenties onvermijdelijk een stuk hoger liggen dan vroeger. Kortom, volgens Durand zijn de huidige werknemers gewoon de nieuwe slaven. Ook Madeleine Bunting gebruikt die sterke term. In haar boek ‘Willing slaves’ stelt ze dat alle collegiale betrokkenheid en loyaliteit voor het bedrijf in het teken staan van een doel: zoveel mogelijk winst maken. Volgens haar wordt het leven van werknemers vooral bezwaard door de combinatie van prestatiedrang en persoonlijke betrokkenheid. “Zoek het geluk dan ook overal: in het gezin, de vrije tijd, het verenigingsleven,… — maar vooral niet op het werk,” zegt Stephen Pollan zeer duidelijk. Dilbert, de antiheld in de vermakelijke cartoons van Scott Adams, zal hem zeker niet tegenspreken.

TIP 22: HOUD U NIET BEZIG MET HUISHOUDBOEKJES. In Amerika is de naam van Þnancieel planner Ric Edelman een begrip. Zijn regelmatige optredens in de tv-shows van Oprah Winfrey zijn daar uiteraard niet vreemd aan en vormen er tegelijk een mooie illustratie van. Heeft de man eigenlijk wel iets te vertellen? Een zitje bij die succesvolle zwarte dame is natuurlijk geen garantie dat je ook een

65

zinvolle boodschap verkondigt. Wees gerust: Edelman heeft wel degelijk een aantal interessante inzichten te bieden. Meer zelfs, ook wij hier in België kunnen zijn raad goed gebruiken. Net als Stanley en Danko ging Edelman op zoek naar de geheimen van Þnancieel succesvolle mensen. Zo vond hij bijvoorbeeld dat — in tegenstelling tot wat velen denken — dergelijke mensen heel weinig tijd steken in hun persoonlijke Þnanciën. Edelman kwam uit op een gemiddelde van nauwelijks drie uur. Per maand, welteverstaan! Inbegrepen in die drie uur is dan ook nog de nodige rompslomp voor het betalen van facturen en rekeningen. Edelman geeft bijgevolg de raad om niet meer tijd te besteden aan je persoonlijke Þnanciën dan strikt nodig is. Hij stelde ook vast dat Þnancieel succesvolle mensen zich al helemaal niet bezighouden met budgetten, huishoudboekjes of persoonlijke Þnanciële planning. En dat concept druist toch wel in tegen de gangbare opinie. Je kan immers geen Þnancieel tijdschrift openslaan of een beurskrant consulteren, of er is wel iemand die aanraadt om het vermogen van ‘NV Ons Gezin’ te berekenen of ‘een beetje slim te plannen’. In dat laatste zit wel een ßink stuk ironie. In het magazine van het Algemeen Dagblad konden we immers lezen: “Een eenvoudig Þnancieel plan kost zo’n 1500 euro. Dat lijkt een heel bedrag, maar het is een schijntje als je bekijkt wat je ermee wint aan rust en zekerheid.” Een echt goede tip is echter die 1500 euro gewoon te beleggen. Een tijd geleden waren de zogeheten ‘krenteniers’ in opmars: mensen die zo zuinig (lees: gierig) mogelijk proberen te leven. Een theebuiltje gebruiken ze minstens twee keer en ook de koffieÞlter kan volgens hen best opnieuw gebruikt worden. Ze geven de raad om een nieuwe portie koffie — slechts de helft van wat je de eerste keer gebruikte — in de oude Þlter te gooien. Lekker… Een principe dat die krenteniers hoog in het vaandel voeren, is het netjes bijhouden van alle inkomsten en uitgaven. Daarvan maken ze dan tabellen in een rekenblad, om te zien hoeveel ze elke maand (niet) uitgegeven hebben. De vraag is natuurlijk welk nut een dergelijke oefening eigenlijk heeft. Wat kan zo iemand uit zijn tabellen aßeiden? Is hij gelukkig als hij maand na maand telkens weer minder uitgeeft? De levenswijze van krenteniers strekt zeker niet tot navolging, omdat ze erg veel tijd steken in nutteloze zaken. Als je weet dat ze bijvoorbeeld het afwaswater gebruiken om het toilet door te spoelen, dan is het meteen duidelijk dat aan dergelijke mensen wellicht een steekje los zit.

66

Ook in ‘ernstige’ artikels wordt aangeraden om een huishoudboekje bij te houden. Net zoals de krentenier noteer je alle inkomsten en uitgaven, opgesplitst per categorie. Een dergelijk huishoudboekje kan volgens een redacteur van De Tijd ‘wonderen verrichten’. Want “wie een duidelijk overzicht krijgt van al zijn uitgaven, gaat automatisch ook minder uitgeven.” Is dat wel zo? Misschien ontstaat die verwarring wel omdat ondernemingen zich onledig houden met budgetteren. Michael Jensen vindt dat zelfs in bedrijven het budget afgeschaft zou moeten worden. In zijn paper ‘Paying people to lie: the truth about the budgeting process’ stelt de eminente hoogleraar dat budgetteren alleen maar contraproductieve effecten teweegbrengt. Mensen bedotten het systeem immers op twee manieren: managers en werknemers liegen bij het formuleren van de budgetten en ze liegen nog eens bij de realisatie ervan. Op deze manier vernietigen ze volgens Jensen waarde voor de onderneming. “Eigenlijk zou iedereen een budgetplan moeten maken,” zo lezen we in de Financiële Telegraaf. “Het geeft een verhelderend inzicht in uw uitgaven.” En dan? Schieten we daar wat mee op?

TIP 23: HOUD BIJ BESLISSINGEN EEN SLAG OM DE ARM. In 1987 bracht het Britse Hoare Govett een nieuw fonds uit. Onderzoek had immers uitgewezen dat aandelen van kleine ondernemingen een hogere return opleverden dan die van grote ondernemingen. Meer bepaald hadden de kleine ondernemingen in de periode 1955-1987 de All Share jaarlijks met 6 procentpunten geklopt. Het nieuwe fonds zou de HGSC-index (Hoare Govett Smaller Companies) volgen. Deze index bevat de aandelen van de 10 % kleinste beursgenoteerde ondernemingen op de London Stock Exchange. In de periode 1989-1997 presteerden de kleine aandelen evenwel jaarlijks 6 procentpunten minder goed dan de All Share, en voor de allerkleinste aandelen bedroeg het verschil zelfs 8 procentpunten. Elroy Dimson en Paul Marsh van de London Business School vonden dit een treffend voorbeeld van de wet van Murphy. Deze wet stelt dat indien er iets fout kan gaan, het ook effectief fout zal gaan. De perversiteit ervan komt pas goed tot uiting in de Þnanciële markten. Uit het voorbeeld van Hoare Govett zou je misschien kunnen aßeiden dat je net het tegenovergestelde moet doen van de gevonden resultaten. Maar zo werkt het jammer genoeg ook niet. Een gevonden ‘wetmatigheid’ in de Þnanciële markten kan nog jarenlang doorgaan, of juist niet.

67

Ze kan aanwezig zijn in een bepaald land, en in een ander land weer niet. Kortom, Murphy is een echte spelbreker voor de statistici onder ons die denken dat ze de aandelenmarkt eindelijk door hebben. De perversiteit wordt trouwens goed weergegeven door de paradox van Silverman: “Als de wet van Murphy verkeerd kan gaan, dan zal ze ook verkeerd gaan.” Financieel succesvolle mensen zijn zich erg goed bewust van de wet van Murphy en houden daarom bij (Þnanciële) beslissingen een stevige slag om de arm. In een interview vertelt Mieke Vogels dat ze met haar man goede afspraken heeft gemaakt toen ze in de politiek ging. “We kwamen overeen dat we desnoods met één wedde voort konden. We hebben onze hand nooit overspeeld.” De hypothecaire leningen vormen een domein waarin het erg verleidelijk is om tot het uiterste te gaan en helemaal geen slag om de arm te houden. Volgens De Morgen waren in 2004 “woonkredieten met vaste rente helemaal out.” Begin 2000 vertegenwoordigden de hypothecaire kredieten met vaste rente 70 % van de markt; in 2004 was dit nog nauwelijks 25 %. De overgrote meerderheid van de hypothecaire kredieten had dus een variabele rentevoet. Dergelijke kredieten waren in die periode iets interessanter. Het nadeel is uiteraard de mogelijkheid dat de kredietnemer een ßink stuk meer moet betalen bij een herziening in het eerste, derde of vijfde jaar. Simulaties wijzen uit dat de aßossing kan stijgen van 550 naar 690 euro bij een lening van 100.000 euro. Voor mensen die geen slag om de arm hebben gehouden, kan deze stijging ßink pijn doen. De zogeheten scenarioanalyse is een techniek die in het bedrijfsleven gebruikt wordt en die, in tegenstelling tot budgetteren, wel zinvol is voor particulieren. Bij een dergelijke analyse wordt een aantal scenario’s (meestal drie of vier) uitgewerkt, en men onderzoekt de invloed van deze scenario’s op de Þnanciële situatie. In het geval van een hypothecaire lening kan men een realistisch scenario (bijvoorbeeld de relevante rente stijgt met 1 procentpunt), een positief scenario (de rente daalt met 1 procentpunt) en een negatief scenario (de rente stijgt met 3 procentpunten) naast elkaar leggen en uitrekenen welke de gevolgen zijn voor de Þnanciële toestand. Bij een dergelijke scenarioanalyse kan je ook rekening houden met een eventuele herÞnanciering van het hypothecair krediet. Deze mogelijkheid doet zich voor wanneer de rente zeer sterk stijgt. Over de herÞnanciering van hypothecaire kredieten bestaan nogal wat mythes; het is dan ook belangrijk het onderscheid te maken tussen retoriek en realiteit. Het is immers een zwaarwichtige beslissing een bestaande

68

hypothecaire lening vervroegd af te lossen en te vervangen door een nieuwe. Sommigen denken bijvoorbeeld dat een herÞnanciering altijd interessant is vanaf een renteverschil van 1 %. Een dergelijke vuistregel is natuurlijk veel te beperkt. Voor iemand die vrij recent een lening heeft afgesloten met een lange looptijd (bijvoorbeeld 25 jaar) en een vaste rentevoet, kan een renteverschil van nauwelijks 50 basispunten (0,5 %) potentieel interessant zijn. Omgekeerd is het ook mogelijk dat een renteverschil van 2 % nog altijd niet interessant is voor een ontlener die nog slechts enkele jaren moet aßossen of die met een variabele rentevoet zit. Kortom, alleen rekening houden met het renteverschil is een veel te beperkte basis voor deze beslissing. Om de knoop door te hakken vergelijken sommigen de ‘wederbeleggingsvergoeding’ die ze moeten betalen met de winst die ze elke maand behalen via een lagere rentevoet. De wederbeleggingsvergoeding is vaak de grootste kostenpost, maar zeker niet de enige. De bank waar de oude hypotheek zit, moet immers overgaan tot opheffing van de hypotheek (handlichtingskosten) en je betaalt ook nog eens notariskosten bij de inschrijving van de nieuwe hypotheek. Waarschijnlijk zijn er eveneens opnieuw dossierkosten te betalen. Volgens de gegevens van de Nationale Bank van België betrof 1 op 5 kredietaanvragen in 2005 een herÞnanciering. Het is maar zeer de vraag of al deze beslissingen doordacht werden genomen en of er per saldo wel degelijk een voordeel was. Een bijkomende reden om bij het aangaan van een hypothecaire lening een ßinke slag om de arm is houden, vinden we in een studie van de Britse Orde van Geneesheren. In het rapport lezen we dat mensen die een zware hypotheekschuld torsen en moeite hebben om die af te lossen, onder zware stress leven. Ze eten en drinken te veel, hebben meer relatieproblemen, veroorzaken meer verkeersongevallen en hebben een verzwakt immuunsysteem. Ook hier geldt: less is more.

TIP 24: GEBRUIK SCHULDEN OP EEN CONSTRUCTIEVE MANIER. Betekent dit nu dat schulden per deÞnitie slecht zijn? Integendeel zelfs. Een verstandig gekozen en evenwichtige hypothecaire lening is zelfs een ideale hefboom om een klein vermogen in vastgoed op te bouwen.

69

Sommigen hebben het dan ook helemaal verkeerd voor. In de VS is Laura Rowley een beroemdheid; ze schrijft voor het magazine Self en heeft het boek ‘Money & Happiness’ op haar naam staan. In dat boek raadt ze haar lezers aan om alle schulden — ook hypothecaire leningen — ronduit te bannen. Deze raad van Rowley is ongetwijfeld welbesteed aan Herman Van Molle. In een interview vertelt hij dat hem geleerd werd nooit geld te lenen: zijn ouders, die middenstanders waren, hebben hem deze les als het ware ‘ingeramd’. Herman heeft dan ook geen eigen huis. Ook bij oudere katholieken merk je die aversie tegenover schulden. Zo vertelt Theo Leussink in de NRC dat hij uit een katholiek burgergezin komt waar elk dubbeltje werd omgedraaid. “Schulden maken was een zonde,” zo vertelt hij aan de krant. De joden hebben in eeuwen van armoede en vervolging een sterke bondgenoot gevonden om te overleven: hun systeem van leningen. Schulden zijn dus niet per deÞnitie slecht. Rabbi Bonder vertelt het verhaal van een man die bij de rabbi van Porissov klaagde dat hij bijna verdronk in de schulden. De rabbijn gaf hem het volgende advies: “Zet van elke winst die u maakt een deel opzij voor de afbetaling van uw schulden. Als de hemel eenmaal doorheeft dat u werkelijk uw schulden wilt afbetalen, zult u hulp krijgen om het te doen.” Op deze bijna listige manier toont de rabbi van Porissov aan dat onze schulden, vooral wanneer we er bijna in verdrinken, vaak een dieper gelegen verlangen verraden om ze eigenlijk niet terug te betalen. Als we onze inspanningen om schulden af te betalen tot een gewoonte weten te maken, ontdekken we ook een manier om het te doen. Een gelijkaardig principe geldt trouwens voor mensen die geld uitlenen aan anderen die met dit probleem worstelen. In onze wereld, waar alles met alles verbonden is, zou men volgens Bonder dergelijke schuldenaars beter helpen door ze geen geld te lenen. Een interessante situatie doet zich voor als je de mogelijkheid hebt om een hypothecaire lening vervroegd terug te betalen. Ric Edelman raadt aan de hypotheek op je woning te houden, ook al kan je de lening vervroegd afbetalen. Volgens hem kan je dat geld beter voor jou laten werken. Elke euro die je de bank vervroegd terugbetaalt, is er een minder die je had kunnen beleggen. Bovendien verlies je het Þscale voordeel van de lening en betaal je ook nog een ‘boete’ aan de bank onder de vorm van de wederbeleggingsvergoeding.

70

TIP 25: GELOOF NIET IN SPROOKJES. William J. Bernstein schreef een paar zeer interessante boeken over beleggen: ‘The intelligent asset allocator’ en ‘The four pillars of investing’. In dit laatste vertelt hij dat beleggers vaak nog geloven in sprookjes en elfen. De mythes die de beleggers het meeste geld kosten, zijn die van de ‘return-elf’ en het ‘market timing sprookje’. De return-elf staat voor de overtuiging van veel beleggers dat beheerders van actieve beleggingsfondsen de markt systematisch zouden kunnen verslaan. Het market timing sprookje gaat over beleggers die menen te weten wanneer je in en uit de markt moet stappen. Het grote verschil met klassieke sprookjes is dat het geloof in deze sprookjes de belegger geld kost. Onderzoek heeft uitgewezen dat particuliere beleggers op het verkeerde moment in en uit de markt stappen. Wie durfde bijvoorbeeld in aandelen beleggen in maart 2003, toen de beurs op een dieptepunt stond? De essentiële vraag is dan ook hoe schadelijk populaire beleggingstips zijn voor de gezondheid van uw portefeuille. Er zijn meer dan genoeg tips in omloop om te beleggen in aandelen — maar zijn ze ook zinvol? En vooral, zijn ze goed voor de gezondheid van uw portefeuille? “Een rendement van 8 procent per jaar… Wie droomt daar niet van bij de huidige lage rentevoeten? En die droom is niet eens moeilijk te realiseren. U hoeft enkel uw spaarcenten in aandelen te beleggen.” “In het verleden behaalde rendementen bieden geen garantie voor de toekomst.” Deze bewoordingen moeten (Nederlandse) promotoren verplicht vermelden in hun reclame voor beleggingsfondsen. En terecht: een in het verleden behaald rendement is inderdaad geen garantie voor de toekomst. Het belangrijkste probleem met zo’n cijfer is trouwens dat het over een gemiddelde gaat. Aandelenreturns hebben uiteraard een ander patroon. De S&P 500 verloor 26,5 % in 1974; het jaar daarop won hij 37,2 %. Deze cijfers impliceren dat een belegger die begin ’74 had belegd in de S&P 500, op het einde van 1975 nauwelijks iets had verdiend. Tweemaal dezelfde informatie, maar uiteraard niet voor de particuliere belegger: hij houdt immers niet van extreme schommelingen. “Wat de belegging van dat échte spaargeld betreft, wordt in de Verenigde Staten vaak de volgende eenvoudige vuistregel toegepast: neem het getal 100 en trek daar uw leeftijd af. De uitkomst geeft aan hoeveel procent van uw kapitaal u mag beleggen in aandelen.”

71

De meeste beleggers en beleggingsadviseurs gebruiken eenvoudige regeltjes om een complexe problematiek te benaderen. De vuistregel die hierboven aangeprezen wordt, is in ieder geval fout. Belangrijker dan de leeftijd is het risicoproÞel van de belegger: er zijn beleggers die veel risico willen nemen en beleggers die het risico juist willen mijden. Dit heeft niets te maken met de leeftijd. Zo kan het perfect aanvaardbaar zijn dat een twintiger alleen maar obligaties in zijn portefeuille heeft, en een zeventiger uitsluitend aandelen. De jonge persoon houdt niet van risico, de oudere juist wel. En dat kan. “Houdt u de risicopremie in het oog, dan heeft u er steeds een idee van hoe duur de beurs is en kan u tijdig uitstappen.” De risicopremie is het verschil in vergoeding tussen aandelen en obligaties. Indien dit verschil voldoende hoog is, zo luidt de redenering, mogen de beleggers in aandelen blijven. Is de risicopremie te laag, dan moeten de aandelen onherroepelijk verkocht worden. Een belegger die deze parameter gebruikte in de tweede helft van de jaren negentig, heeft toen de enorme bull run gemist. In die periode was de risicopremie gezakt tot een absoluut minimum; aandelen waren duur en werden alleen maar duurder. Desondanks bleven de beurskoersen stijgen. Ook op dit moment is de beurs duur, gemeten volgens deze parameter. Moet je dan uit de beurs stappen? “Verkoop bij elke verdubbeling van de koers de helft van de aandelen, en ga voort met uw oorspronkelijke belegging. Zo stelt u de winst veilig, en proÞteert u ook nog van de verdere koersstijgingen.” Beleggers hebben behoefte aan regeltjes die het hun mogelijk maken ‘s nachts goed te kunnen slapen. Dit is er één van. Indien iemand een aandeel in portefeuille heeft dat het goed gedaan heeft, is hij bang dat de winst weer verloren zal gaan. Terecht. Toch kan hij beter gewoon alle aandelen in portefeuille houden. Indien hij immers de helft van zijn aandelen verkoopt na een koersverdubbeling, heeft hij helemaal geen ‘winst veilig gesteld’: hij heeft alleen zijn oorspronkelijke inzet terug. Stel dat de koersen nadien verder blijven stijgen. Waarschijnlijk zal de belegger zich dan voor het hoofd slaan dat hij een deel van zijn aandelen reeds verkocht heeft. Vandaar dat buy-and-hold de beste oplossing blijft. Interessant, om te besluiten, is in dit verband opnieuw de studie van Stanley en Danko. Zij vonden dat de door hen onderzochte miljonairs hun gekochte aandelen gewoon voor de lange termijn bijhouden. Ongeveer 20 % van het beschikbare inkomen wordt belegd in aandelen. Miljonairs verkopen dus zelden of nooit hun aandelen. Ze bouwen gewoon een portefeuille aandelen op. Bovendien nemen ze alle aankoopbeslissingen helemaal zelf.

72

TIP 26: WEET DAT U FOUTEN MAAKT, EN LEER ERVAN. Een Jiddische zegswijze stelt dat op de deur naar het succes zowel ‘ingang’ als ‘uitgang’ staat. De wereld van het levensonderhoud, net zoals het leven zelf, wordt voortdurend heen en weer getrokken tussen twee tegengestelde krachten. Rijkdom is niet het resultaat van voortdurende groei, maar van weloverwogen afzien van winsten die minder waard zijn dan het geheel dat te winnen valt. Op lange termijn gezien, maken onze mislukkingen deel uit van het succes. Wie geleerd heeft deze cycli te herkennen, kan beter omgaan met de ergernis en de depressies die samengaan met de val. Bovendien is niemand onaantastbaar voor die val; hoe hoger we geklommen zijn, hoe meer we dan ook moeten sparen voor de tijden van neergang. Deze wijze woorden komen weer van rabbi Bonder in ‘De kabbala van geld’. Zijn benadering doet mij denken aan een anekdote die ik ooit las over een joodse familie. Wanneer het goed ging, deden ze alsof het slecht ging. Op die manier waren de mensen niet jaloers. En op momenten dat het hun niet voor de wind ging, deden ze net het omgekeerde. Mensen die op dat moment afgunstig waren, zaten ernaast. En zo had de joodse familie toch nog plezier, zelfs in barre tijden. De raad van Bonder sluit overigens goed aan bij wat Richard Wiseman vond. Hij stelde vast dat gelukkige mensen erin slaagden hun pech om te zetten in een opportuniteit. In zijn boek ‘The luck factor’ verwijst hij naar de Japanse Daruma-pop, genoemd naar een boeddhistische monnik die zo lang mediteerde dat hij zijn armen en benen kwijtraakte. De Daruma-pop is eivormig, met een verzwaarde basis, zodat ze na een duw nooit omvalt en altijd in verticale positie terugkeert. Wiseman vergelijkt gelukkige mensen met dergelijke poppen: “Het is niet zo dat ze geen tegenslagen ontmoeten — maar als ze ermee geconfronteerd worden, zullen ze toch snel weer overeind krabbelen.” Wellicht heeft deze vaststelling ook te maken met het verschil tussen ‘internalisten’ en ‘externalisten’. Volgens de psycholoog Steve Nowicki zoekt de eerste groep mensen de verklaring voor succes én mislukking bij zichzelf; de tweede groep wijt zijn mislukkingen vooral aan externe factoren. “Internalisten analyseren, handelen en leren van de uitkomst — wat die ook mag zijn. Ze geloven dat er een verband is tussen henzelf en wat hun overkomt. Externalisten zijn passief: ze geloven dat ze geen enkele controle hebben over hun lot en laten het leven over zich heen walsen,” zo verklaart Nowicki in The Sunday Times. Wiseman vond ook dat gelukkige mensen typisch ‘contra-factueel’ denken. Indien ze bijvoorbeeld betrokken raken bij een ongeluk, benadrukken ze het feit dat het erger had kunnen zijn. Wiseman vraagt

73

zich dan ook af of deze manier van denken misschien een buffer vormt voor de tegenslagen die gelukkige mensen eveneens meemaken in hun leven. Een ander kenmerk van gelukkige mensen is volgens Wiseman dat ze niet gaan zitten klagen bij tegenslag: ze incasseren de klap en proberen net als de Daruma-pop zo snel mogelijk weer overeind te komen. Een illustratie van het tegenovergestelde vinden we ook op de beurs. Toen de aandelenmarkten vanaf maart 2000 sterk achteruitgingen, waren heel wat beleggers verstijfd van angst. In plaats van hun aandelen zo snel mogelijk te verkopen, deden ze helemaal niets — behalve dan klagen over het feit dat de koersen maar bleven dalen. Tot slot stipt Wiseman aan dat gelukkige mensen constructieve en preventieve stappen doen om nog meer onheil in de toekomst te vermijden. Ook hier valt een parallel te trekken naar de Þnanciële markten: sommige beleggers die de koers van hun aandelen hebben zien dalen, zullen er in de toekomst misschien aan denken hun portefeuille te beschermen met afgeleide producten zoals opties. Ook succesvolle ondernemers zien in dat ze van hun fouten moeten leren. Tommy HilÞger ging op jonge leeftijd eerst failliet vooraleer hij zijn eigen succesvol modebedrijf oprichtte. Horeca-ondernemer Vinko Pepa bezit acht zaken in en rond Antwerpen. In een interview met De Morgen verklaart hij: “Een beginneling gaat meestal een paar keer op zijn bek vooraleer hij weet hoe de vork aan de steel zit. De eerste bar die ik opende, was slecht gelegen en erbarmelijk ingericht.” Ook de jonge ondernemers van FunnyCups gingen eerst ‘op hun bek’. Waardevol is dat ze die valse start gebruikten als springplank voor een nieuw begin. Een van de twee ondernemers van FunnyCups, Matthieu France, zag in 1999 een plastieken beker met de naam van een brouwerij. De bedoeling van FunnyCups was advertentieruimte te verkopen op drinkbekers die gebruikt worden in koffieautomaten op universiteiten. Na zes maanden had France er bijna 33.000 euro doorgejaagd en besliste wijselijk geen kosten meer te maken. Daarmee bewees hij in ieder geval vertrouwd te zijn met de sunk cost val. In april 2001 nam het bedrijf een volledig nieuwe start. Het concept werd bijgeschaafd en bestaat er nu in bekers met reclame te plaatsen in nachtwinkels; de klanten kunnen die gratis meenemen. Dat de ondernemers een betere weg gekozen hebben, bewijst alvast het feit dat Unilever met Lipton Ice Tea Green het peterschap van FunnyCups op zich nam. Ook Van Melle hapte toe met Mentos.

74

Hoofdstuk IV

FINANCIEEL SUCCESVOLLE MENSEN GEBRUIKEN DE WIJZE RAAD VAN ANDEREN
“Ik ben, en dat zal je niet weinig verbazen, gaan speculeren in Engelse aandelen. Op die manier heb ik meer dan 400 pond verdiend, en ik ga weer opnieuw beginnen. Het is een soort activiteit die maar weinig van je tijd vraagt, en het is de moeite waard enig risico te nemen om de vijand te bevrijden van zijn geld.” Karl Marx

Wat wetenschapsjournalist Mark Traa nog het meest verbaast als mensen een huis kopen, is dat ze zich zo sterk laten leiden door hun emoties. “Vreemd genoeg gebeurt de grootste en duurste aankoop in een mensenleven vaak op het gevoel,” vertelt Traa aan De Standaard Magazine. “En de vrouw is de baas. De man meent wel dat hij het huis koopt, omdat hij denkt verstand te hebben van prijzen en technische kwaliteiten. Maar als de vrouw zegt: ‘Hier hangt een vreemd sfeertje’, gaat de koop niet door.” Het is daarom nog niet zo gek een vastgoedexpert te betrekken bij de aankoop. Goede raad is natuurlijk niet goedkoop: mensen denken op korte termijn en zien de uitgave voor die specialist. Ze vergeten evenwel dat het advies van een dergelijk persoon hen kan behoeden voor een blunder, die uiteraard heel zware Þnanciële gevolgen kan hebben.

TIP 27: WEET WANNEER U NIET WEET. Stel je voor dat Thomas Edison economie had gestudeerd: dan zouden we nu allemaal nog lezen bij kaarslicht — maar de kaarsen zouden wel groter zijn. Mark McCormack, die tientallen sportlui begeleidde op zakelijk vlak, was niet tegen de universiteit; hij had trouwens zelf een indrukwekkend diploma van de Yale Law School. Hij stelde alleen dat

75

men een voorsprong kan nemen door middel van inzicht in een aantal principes die niet onderwezen worden aan universiteiten. Het is verwonderlijk hoeveel mensen volgens McCormack bang zijn om toe te geven dat ze iets niet weten. Ze denken waarschijnlijk dat dit zou gelden als een bewijs van onkunde. Toch kan het geen kwaad iemand de volgende twee dingen te garanderen. Ik vertel het je als ik iets niet weet. Als ik het niet weet, zorg ik ervoor dat ik iemand vind die het wel weet. Volgens succesauteur Jim Collins van ‘Good to great’ en ‘Built to last’ beginnen grootse beslissingen trouwens met die simpele verklaring: ‘Ik weet het niet’. Onderzoek van Collins wees bovendien uit dat excellente leiders zich erg comfortabel voelen bij die uitspraak. Natuurlijk willen ze uiteindelijk ‘wel weten’. In een interview met Fortune vertelt Collins dat dergelijke uitzonderlijke mensen gewoon eerlijk zijn. “Wat is trouwens het beste? Liegen, ervan uitgaan dat je het wel weet, en dus liegen tegenover jezelf? Of de waarheid spreken? En dat is zeggen: ‘Ik weet het nog niet, maar ik weet dat we het wel juist zullen moeten hebben’.” De eerste stap — namelijk beseffen dat je iets niet weet — is ook volgens Henriëtte Prast een eerste voorwaarde om beter te leren omgaan met geld. Ze is ervan overtuigd dat veel beleggers lijden aan ‘Þnancieel analfabetisme’, en er bovendien niets aan willen doen. Iemand die eind 2000 zeker aan Þnancieel analfabetisme leed, was Guy. Ik leerde hem kennen in 2005. Toen hij hoorde dat ik artikels schreef over Þnanciële onderwerpen, nam hij mij in vertrouwen en vertelde dat hij in 2000 een contract voor aandelenlease had getekend. Na een cold call kreeg hij een adviseur van Spaar Select over de vloer, die hem een contract ‘AEX Plus Effect’ van Bank Labouchère (nu Dexia) aansmeerde. Guy stak iets meer dan 25.000 euro in het product. Althans, dat dacht hij. Toen hij mij het contract toonde, vertelde ik hem dat hij gedurende de looptijd nog eens een kleine 40.000 euro rente zou moeten betalen. De man trok uiteraard wit weg. Hij stamelde dat de verkoper van Spaar Select hem dat niet had verteld, en dat geloof ik best. Boudewijn Haslinghuis leidde van mei 2000 tot mei 2001 het call center van Spaar Select, waar twintig mensen werkten. Vier jaar later vertelt hij in Het Financieele Dagblad dat hij wroeging heeft. “Tussenpersoon Spaar Select hanteerde een methodiek en techniek die misleiding veel sneller in de hand werkte dan de door sommigen gewraakte advertenties van bijvoorbeeld Aegon. Als iemand aarzelde, was de standaard-

76

reactie het creëren van vertrouwen in het luchtkasteel. Nergens kwam een negatief aspect van aandelenlease aan bod.” Diezelfde boodschap horen we ook van Sander Mevis, voormalig ‘adviseur’ van Spaar Select, in Telefacts: “We legden de nadruk op de winsten. De risico’s werden niet verzwegen, maar toch sterk gerelativeerd.” Het merkwaardige is dat beleggers altijd eerst met hun hoofd ergens tegenaan moeten stoten, vooraleer ze beseffen dat ze eigenlijk niets weten. Je kan dit beschouwen als ‘leergeld’, maar die prijs kan — zoals in het geval van Guy — wel erg hoog liggen. Neem nu Kristien Hemmerechts. Aan De Morgen vertelt ze in september 2002 dat ze “heel wat geld verloren heeft op de beurs.” Ze had via haar bank een ßink deel van haar geld geïnvesteerd in een gemengd beleggingsfonds. “De bankadviseurs verzekerden mij dat er weinig risico’s aan verbonden waren.” Uiteindelijk verkocht ze het fonds met verlies en zette het resterende geld op een beleggingsrekening. Hemmerechts geeft wel eerlijk toe dat ze de Þnanciële pagina’s van de krant nooit leest: “Dat interesseert me ook niet echt.” Het liefst van al zou ze zich — zoals zovelen — helemaal niets aantrekken van alle Þnanciële beslommeringen. Interessant is ook wat Kathleen Gurney te vertellen heeft over Þnancieel risico. Want wat is beleggen eigenlijk? Volgens haar is het niets anders dan het inruilen van zekerheid voor onzekerheid. Iemand die aandelen koopt, ruilt zijn zekere 100 euro voor een onzekere 120 euro in de toekomst. Volgens Gurney is het risiconiveau waarbij mensen zich comfortabel voelen, een stuk lager dan ze zelf denken. Mijn vriend Guy en ook Kristien Hemmerechts moesten deze harde les eerst aan den lijve ondervinden. Het probleem is dus dat de meeste beleggers zich eerst ernstig moeten verbranden (denk aan Lernout & Hauspie) vooraleer ze hun werkelijke risicotolerantie ontdekken. De reden hiervoor is dat volgens Gurney de ondernemer als ‘geldproÞel’ nog altijd model staat, ook bij Þnanciële beslissingen. Het proÞel van de entrepreneur wordt volgens Gurney gedomineerd door mannen. Ze worden gedreven door een passie voor uitmuntendheid en commitment (toewijding). Deze eigenschappen helpen hen om hun doelstellingen te verwezenlijken. Zij vormen ook de categorie die het meeste geld verdient. Toch worden ze niet alleen gedreven door geld: dat is slechts een ‘scorekaart’ om hun prestaties bij te houden. Vaak zijn het workaholics. Ze houden van de macht en het prestige die geld voortbrengt. Ze zijn best trots en gunnen zichzelf de beste auto, de

77

beste wijn, het mooiste huis. Beleggen in aandelen op de beurs is hun favoriete strategie. Mensen worden dus eigenlijk van alle kanten aangemoedigd om Þnanciële risico’s te nemen, terwijl ze dat eigenlijk helemaal niet willen. Tot slot merkt Gurney ook op — en terecht — dat mensen die risicovolle sporten beoefenen, zoals bergbeklimmen of base jumping, niet noodzakelijk ook veel Þnancieel risico willen lopen; misschien voelen ze zich zelfs alleen maar goed met een superveilige spaarrekening.

TIP 28: LAAT U FISCAAL BIJSTAAN. Jenny Thunnissen staat aan het hoofd van de Nederlandse belastingdienst. In een interview met De Standaard zegt ze ronduit: “Fraude is een besluit. Als iemand zijn inkomsten wil verzwijgen, doet hij dat.” Hiermee antwoordt ze op de vraag van de redacteur of een complexe wetgeving zoals de Belgische meer aanleiding geeft tot fraude. “Ook al heb je de meest simpele heffing die er bestaat. Zelfs als iedereen maar 10 euro belasting moet betalen, zullen er zijn die dat niet willen doen.” De ervaring met de Vlaamse Zorgkas, waarvoor heel wat mensen de premie inderdaad niet willen betalen, lijkt Thunnissen gelijk te geven. Als Þscale fraude een besluit is, moet je onvermijdelijk de vraag stellen welke parameters meespelen in dat besluit. Economisten zijn geneigd daarvan een kosten-batenanalyse te maken. Aan de batenzijde heb je de uitgespaarde belastingen. De kostenzijde is iets complexer: het gaat om de pakkans, vermenigvuldigd met de boete. Zo bekeken, kan men zich afvragen waarom niet meer mensen frauderen. Aangezien er volgens een Þscalist in België nauwelijks gecontroleerd wordt, is het bedrag aan de kostenzijde wellicht stelselmatig lager dan aan de batenzijde. De Þscalist — die om begrijpelijke redenen anoniem wenst te getuigen — zegt in Humo dat “de controleurs nauwelijks de middelen hebben: ze moeten het met een zakmes opnemen tegen accountants met kalasjnikovs.” Bovendien heeft de man zelf meegemaakt “dat een belastingkantoor zelfs geen papier en balpennen meer had voor de dagelijkse werking. En dan heb je nog de interne oorlogjes.” Toch is een kosten-batenanalyse te beperkt. Aan de kostenzijde komt ongetwijfeld een psychologische factor meespelen: de stress veroorzaakt door de fraude. Deze factor weerhoudt heel wat mensen ervan om een aantal bedragen te ‘vergeten’ in de aangifte. Aan de batenzijde

78

speelt dan weer een ander psychologisch aspect mee: het plezier als de fraude effectief gelukt is. Op de dienst Analyse & Research van de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst in het Nederlandse Haarlem werken vijf psychologen. Ze geven toe dat, als mensen rationeel zouden beslissen, belastingplichtigen meer zouden sjoemelen dan nu het geval is. Merkwaardig genoeg vonden ze ook dat een grotere pakkans juist zou betekenen dat mensen meer zouden frauderen, omdat “Þnanciële dreigingen mensen doen denken in economische, calculerende termen.” Daarom is het volgens de psychologen zinvol om te benadrukken dat de meeste burgers braaf zijn; daardoor worden ze nog braver. Bij de concrete beslissing om inkomen of successie al dan niet (integraal) aan de Þscus te melden, doen mensen uiteraard een beroep op derde partijen. Het vertrouwen in die ‘specialisten’ is vaak onterecht. Dirk Van Praag (van de huishoudtoestellen) belandde in de cel nadat hij bij de verkoop van zijn winkelketen de hulp inriep van ‘overnamespecialist’ Jan Goesaert en bedrijfsrevisor Boudewijn Van Ussel. Een cliënte van het Gemeentekrediet (nu Dexia) startte een burgerlijke procedure voor de rechtbank van koophandel in Gent om van Dexia de terugbetaling te vorderen van de door haar betaalde boetes en verwijlintresten op ontdoken erfenisrechten. Uiteindelijk moest de dame aan de Þscus meer terugbetalen dan ze had geërfd. Volgens haar advocaat had de bank tot tweemaal toe een fout advies gegeven. “Bij het openvallen van de nalatenschap kreeg ze te horen dat ze de erfenis niet hoefde aan te geven, omdat de bank beschikte over een systeem om de rekeningen van de erßater retroactief af te sluiten. Daarmee werd door de bank een vermoeden van pseudo-legaliteit gecreëerd,” zo vertelt de raadsman aan De Morgen. Nu zijn bankiers een stuk voorzichtiger geworden. Volgens hoogleraar Frans Vanistendael is de houding van de Þnanciële instellingen zelfs fundamenteel veranderd. “Tot amper tien jaar geleden was het nog mogelijk om in geval van overlijden een kantoordirecteur zover te krijgen dat de inhoud van de kluis wat lichter werd gemaakt vooraleer de ontvanger van de successierechten een kijkje kwam nemen,” aldus de professor in De Tijd. “Diezelfde banken vergemakkelijkten ook oogluikend het couponnetjesknippen in Luxemburg of andere landen.” De Þscale tijden zijn evenwel echt veranderd, besluit Vanistendael. Dit laatste wordt zeker bevestigd door Rohitha Perera van PwC Consulting (nu IBM). In zijn rapport ‘European Private Banking’ stelt hij dat de sector voor een grote uitdaging staat als gevolg van een generatiewissel. “Jonge mensen die erven, zien steeds minder het nut in van

79

offshore bankieren en betalen liever iets meer belastingen voor wat meer transparantie bij hun lokale vermogensbeheerder. Diezelfde houding merk je trouwens ook bij de nieuwe rijken,” vertelt Perera aan Trends. Deze bewering wordt volkomen onderschreven door Jacques Delen, directievoorzitter van Bank Delen. Hij stelt dat het concept ‘bruikbaar vermogen’ terrein wint voor de volgende generatie. “Geld dat in het buitenland verstopt zit, blijft buiten de officiële erfenis. Hierdoor is het minder bruikbaar voor de erfgenamen. Door het geld in ons land te behouden, relatief beperkte successierechten te betalen en het officieel aan de volgende generatie door te geven kunnen de erfgenamen er volop van genieten,” verklaart Delen aan De Tijd. Men kan de vraag stellen waarom mensen in het verleden bewust wit geld ‘grijs’ wilden maken door naar Luxemburg te trekken en deze roerende inkomsten niet aan te geven. België is op dat vlak toch niet zo slecht? Er bestaat bijvoorbeeld (nog) geen vermogensbelasting, meerwaarden op aandelen worden — binnen een ruim kader — onbelast gelaten en zelfs de roerende voorheffing op vastrentend papier is niet eens overdreven. Als je ook nog eens de Þscaalvriendelijke behandeling van Tak-21 en Tak23 producten in beschouwing neemt, is het toch wel vreemd dat zoveel beleggers in het verleden de couponnetjestrein namen.

TIP 29: LAAT U BIJSTAAN DOOR EEN ECHTE VASTGOEDSPECIALIST. De hypotheekmarkt groeit nog steeds als kool. Volgens de Beroepsvereniging van het Krediet (BVK) verstrekten de kredietinstellingen in de eerste drie maanden van 2004 voor 2,7 miljard euro woonkredieten. Dat is maar liefst 12 % meer dan in dezelfde periode van het jaar daarvoor. Op deze markt zijn diverse spelers actief. Je hebt uiteraard de Þnanciële instellingen zoals Fortis en KBC, die via de kantoren zelf hypothecaire kredieten verlenen. Een nieuw fenomeen zijn de zogeheten onafhankelijke hypotheekadviseurs, zoals De Immotheker. Volgens deze laatste kan je daar ‘gratis advies’ krijgen over hypothecaire kredieten en er tegelijk de ‘voordeligste’ lening afsluiten. Maar is dat wel zo? Is gratis hypotheekadvies echt gratis? In Nederland ontstond begin juni 2004 hevige beroering, toen de resultaten van een uitgebreide studie over de interne werking van dergelijke onafhankelijke hypotheekadviseurs bekend werden. Op vraag van Gerrit Zalm, minister van Financiën, werd het gereputeerde studiebureau Ecorys ingeschakeld. Drie onderzoekers gingen haarÞjn na hoe dergelijke hypotheekadviseurs nu eigenlijk te werk gaan. En de

80

conclusies liegen er niet om. Ik citeer uit het vuistdikke rapport: “Bovenstaande resultaten laten zien dat het hypotheekadvies van tussenpersonen weinig waarde heeft. De aanwezige beloningsstructuur herbergt perverse prikkels om consumenten niet altijd de meest geschikte hypotheekvorm en de beste hypotheekaanbieder te adviseren.” En verder: “De non-transparantie van en de onduidelijkheid over het aanbod van tussenpersonen versterken de mogelijkheden om adviezen meer af te stemmen op de Þnanciële voordelen van tussenpersonen dan op de situatie en de wensen van de consument.” Volgens de studie ontstaan de problemen door de interne werking van een onafhankelijk hypotheekadviseur. Het advies is gratis. Althans, de potentiële kredietnemer ziet niets van de vergoeding. De tussenpersoon moet natuurlijk wel iets verdienen. Hoe gebeurt dat dan in de praktijk? Alleen als de klant effectief een lening afsluit bij de tussenpersoon, krijgt deze laatste een commissie. Hoe deze vergoeding precies bepaald wordt, is afhankelijk van de Þnanciële instelling en de tussenpersoon. Het is in ieder geval een feit dat de belangentegenstelling hier ontstaat. De onafhankelijke tussenpersoon is misschien niet zo onafhankelijk als hij op het eerste gezicht wel lijkt. Stel dat hij 1 % commissie krijgt van bank A op een verstrekte lening van 100.000 euro, en 2 % van bank B op een gelijkaardige lening. Dan is de keuze uiteraard snel gemaakt; althans voor de adviseur. De vraag is natuurlijk of de lening van bank B wel de beste oplossing is voor de klant. De onderzoekers stelden een belangrijk probleem vast bij de hypotheekadviseurs, namelijk dat van de aanbiederbias. Dit moeilijke woord betekent dat de ‘onafhankelijke’ adviseur een klant naar een bepaalde bank zal loodsen, zelfs indien het voorstel van deze bank niet het interessantste aanbod op de markt zou zijn. Om deze aanbiederbias te illustreren, heeft Ecorys onderzocht hoe de adviseurs vergoed worden door de Þnanciële instelling. De volgende tabel toont een voorbeeld van een dergelijke vergoedings- of incentive-structuur van de aanbieder. Voor een goed begrip: dit is de vergoedingsstructuur die door de bank wordt aangeboden aan de hypotheekadviseur. Tabel 3. Voorbeeld incentive-structuur aanbieder.
Hypotheekproductie Hypotheekprovisie hypotheeklening Bonusprovisie 0 – 2,5 miljoen euro 0,75 % 2,5 – 5 miljoen euro 5 – 10 miljoen euro 0,75 % 0,25 %

0,75 % 0,20 %

Bron: ‘Marktwerking op de markt voor hypothecaire kredietverlening’, Ecorys, p.8.

81

Uit de vergoedingsstructuur blijkt onmiddellijk de zwakke plek van de adviseur. In eerste instantie zal hij geneigd zijn precies die hypotheken aan te bieden waarop hij het meeste verdient. Evengoed kan hij echter een lening aanbevelen waardoor hij net in een hogere bonusprovisie valt. Zo kan hij de hypotheeklening van bank C aanraden, indien hij daarmee een ‘productie’ haalt van meer dan 5 miljoen euro. De ‘teller’ van het aantal verkochte leningen bij bank C stond op dat moment misschien op 4,9 miljoen euro; een nieuwe lening van pakweg 125.000 euro brengt de adviseur mooi in een hogere bonusprovisie. De essentie van het onderzoek wordt in feite gevormd door de eenvoudige en tegelijk belangrijke vraag of consumenten nu eigenlijk beter af zijn bij onafhankelijke hypotheekadviseurs — een argument waarmee dergelijke tussenpersonen toch telkens weer uitpakken. Het antwoord is ontstellend: indien de consumenten hun hypotheek rechtstreeks hadden afgesloten bij een Þnanciële instelling, hadden ze een lening kunnen krijgen met een rentevoet die maar liefst een half procentpunt lager zou liggen dan via de adviseur. Deze uitkomst staat volgens de onderzoekers dan ook “haaks op de verwachting dat een tussenpersoon een positieve bijdrage levert aan het keuzeproces van de consument.” Op basis van deze verwachting zou je juist veronderstellen dat het tussenpersoon-kanaal beter scoort dan het direct writing kanaal (lees: de banken). Wat dus in de praktijk niet het geval is. Een andere belangrijke vraag is uiteraard of de resultaten van de studie eveneens gelden voor de situatie in België. De mensen van het studiebureau zien geen enkele reden waarom dit niet zo zou zijn — te meer omdat een gelijkaardig onderzoek in Groot-Brittannië dezelfde pijnpunten vond. Ook een woordvoerder van Test-Aankoop die we in dit verband ondervroegen, gaat ervan uit dat de resultaten wel voor 99 % zullen gelden voor België. Belangrijker is evenwel de vraag wat er nu eigenlijk moet gebeuren. Gerrit Zalm, de Nederlandse minister van Financiën die de studie bestelde, was in ieder geval erg duidelijk: hij is van plan een ‘verplichte transparantie’ in te voeren over de hoogte van de provisie. Ook denkt hij aan een best advice verplichting. Dit wil zeggen dat de tussenpersoon het product moet adviseren dat het beste is voor de klant, en dat hij daarvoor ook aansprakelijk is. Tot slot wil Zalm het etiket ‘onafhankelijk’ uitsluitend reserveren voor adviseurs die niet op provisiebasis werken. Genoeg stof tot nadenken voor onze minister van consumentenzaken… Eigenlijk is alles — zoals vaak in de Þnanciële wereld — terug te voeren tot gezond boerenverstand. De studie bevat een graÞek waarin de rente van de hypothecaire kredieten met vijfjaarlijkse rentevoet uitgezet staat tegenover de staatsleningen op vijf jaar. Beide graÞeken volgen elkaar, de ene als een schaduw van de andere. Interessant om weten is

82

dat tussen beide rentetarieven een ‘spread’ zit van een kleine 2 %. Concreet: indien een vijfjaarlijkse obligatierente op 4 % staat, bedraagt de hypothecaire rente ongeveer 6 %. Dit verschil steken de banken op zak als vergoeding voor het krediet. De reden hiervoor is dat de banken, die net een krediet met een variabele rentevoet op vijf jaar hebben afgesloten, zich indekken op de markt via dezelfde looptijd. Met die marge tussen beide elementen kan je dus als klant onderhandelen. Vergelijk het met een taart die verdeeld moet worden: als de hypotheekadviseur ook nog eens aanschuift voor een stuk van die taart, wordt het stuk dat overblijft voor de consument automatisch kleiner. Logisch. We hebben de rol van de ‘onafhankelijke’ hypotheekadviseur uitvoerig belicht, omdat de tegenstelling tussen retoriek en realiteit daar het grootst is. Maar ook bij vastgoedmakelaars zijn objectiviteit en fair play soms erg ver te zoeken. Uit een studie van Steven Levitt en Chad Syverson bleek dat huizen die de makelaars zelf bezitten, zowat tien dagen langer te koop worden aangeboden en dat de verkoopprijs gemiddeld 3,7 % hoger ligt dan bij gelijkaardige huizen die niet in het bezit zijn van de makelaars. Het verschil lijkt niet enorm, maar 3,7 % van bijvoorbeeld 300.000 euro is wel 11.100 euro. De auteurs besluiten dan ook dat de makelaars het ‘informatievoordeel’ gebruiken ten nadele van hun cliënten. Er zou immers helemaal geen verschil mogen zijn tussen beide soorten huizen. In Bizz magazine verscheen in 2003 een getuigenis van een vastgoedmakelaar. Hij vertelde dat hij bij een gratis schatting “gewoon de prijs noemt die de klant wil horen.” Sommige makelaars vermelden in de verkoopopdracht altijd dat de klant heeft getekend op hun kantoor, ook al gebeurde dat bij hem thuis. Op deze manier speelt de verplichte bedenktijd van zeven dagen niet. Sommige makelaars gaan nog een stapje verder. Indien de verkoper een voorschot ontvangt, moet de makelaar dit op een zogeheten ‘derde rekening’ plaatsen. Hij mag van dat bedrag alleen bewezen kosten afhouden, zoals uitgaven voor reclame of dossierkosten. Sommige makelaars vragen om met dat voorschot reeds hun ereloon te betalen. Dat kan, indien ze verklaren dat de verkoper dat bedrag ontvangen heeft. Ook Test-Aankoop legde in 2004 een aantal wanpraktijken bloot bij vastgoedmakelaars. De kwaliteit van de contracten is laag en de commissielonen zijn hoog (3 tot 5 %); in een aantal gevallen worden dossierkosten aangerekend die niet vermeld staan in het contract. Bovendien staan er vaak onrechtmatige clausules in de contracten: bij een Luikse makelaar vond de consumentenorganisatie acht dergelijke niet-wettelijke clausules.

83

Volgens Test-Aankoop kan het helemaal niet door de beugel dat de makelaar aan de eigenaar van de woning een verbod oplegt om zijn eigen woning zelf te verkopen. “Dat makelaars niet willen dat een andere makelaar de woning verkoopt, is nog te begrijpen. Maar in vier van de vijf gevallen wordt het de eigenaar zelf verboden om de woning aan de man te brengen,” zo vertelt jurist Geert Coene van Test-Aankoop aan De Morgen.

TIP 30: LAAT U ADVISEREN DOOR EEN GOEDE COACH. Volgens een studie van het Nederlands onderzoeksbureau NCD heeft maar liefst 20 procent van de Nederlandse directeurs een mental coach. De voorzitter van die vereniging toont zich in De Tijd verbaasd: “Ofwel is het werk dermate complex dat de behoefte aan assistentie groeit, ofwel hebben we hier te maken met een stelletje slapjanussen die hulp zoeken.” Hij vermoedt wel dat de eerste reden geldt, want “de verantwoordelijkheden en de druk van de aandeelhouders worden steeds groter.” Sabine Overtoom is een dergelijke mentale coach; haar cliënten hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat ze een topfunctie bekleden. “Ze zijn allemaal druk, workaholic, ijdel en ongeduldig,” vertelt ze aan Het Financieele Dagblad. “Misschien zijn dat wel precies de eigenschappen waardoor ze naar dat niveau zijn opgeklommen. Mannetjesputters zijn het, ook al zien ze er niet altijd zo uit. Van stress hebben ze geen last, zeggen ze, want ontkennen is hun tweede natuur. Integendeel, beweren ze: de stress houdt hen scherp en op de been.” Een studie van Joseph Grzywacz wijst uit dat laaggeschoolden minder stress rapporteren dan werknemers met meer opleiding. Dit gaat lijnrecht in tegen het wijdverbreide idee dat topmanagers helemaal geen last hebben van stress. Mensen met een lagere opleiding dan middelbaar onderwijs rapporteerden stress op 30 % van de dagen, werknemers met een diploma middelbaar op 38 % van de dagen en mensen met een universiteitsdiploma op 44 % van de dagen. De vraag is natuurlijk wat zo’n persoonlijke of mentale coach voor je kan doen. Volgens antropoloog Rik Pinxten is de mens het enige wezen op aarde dat kan fantaseren. “We kunnen ons een totaal Þctieve wereld inbeelden en dan leven volgens de zelfverzonnen regels van die wereld,” zo vertelt hij in De Standaard. Een goede coach kan zijn cliënt wijzen op die zelfverzonnen regels, en hem vertellen waarom die regels niet ideaal zijn. Neem nu iemand als Noël Slangen. Hij liet zijn concurrenten nep-offertes indienen, zodat

84

hij telkens als beste uit de aanbesteding kwam. Volgens advocaat-generaal Bob Ruys voelde Slangen zich erg op zijn gemak in het politieke wereldje; vandaar “zijn zelfontworpen moraliteit waarbij hij zich onkwetsbaar voelde.” In een interview met Vacature vertelt Bie Buelens, topvrouw van Euro Shoe Belux, dan weer: “Alleen wat ik geloof, is correct” en “Winnen is niet alles, maar het is wel het enige.” Dit zegt ze overigens zonder een zweem van ironie. Slangen en Buelens kunnen wellicht een mentale coach gebruiken die hun een spiegel voorhoudt. Jerko Bozikovic ziet het als volgt: “Wat een mental coach doet, is reßecteren. Terugspiegelen waar mensen mee bezig zijn, waar ze mee zitten. De mental coach heeft een neutrale positie, overziet als buitenstaander het geheel en gebruikt een aantal technieken om iemands situatie te analyseren,” zo lezen we in Het Laatste Nieuws. Een belangrijke opdracht van een goede mentale coach is volgens Fons Driessen het terugdringen van het aantal gewerkte uren. “Echte leiders werken helemaal niet zo hard,” verklaart de coach aan het magazine Persoonlijk. “Ik reorganiseer de agenda. We kijken naar de balans tussen werk en gezin, naar de tijd die je aan je vrienden besteedt en niet te vergeten aan jezelf.” Toen ik zelf begon te werken als consultant, kreeg ik van de manager van het bedrijf het verhaal te horen dat er drie grote pijlers zijn in het leven van de mens: werk, vrije tijd en gezin. Ideaal is zorg te dragen voor de drie. Op twee pijlers gaat het ook nog. Maar werknemers die zich totaal focussen op die ene pijler, het werk, gaan er volgens hem onvermijdelijk onderdoor. De beste mentale coach is ongetwijfeld Pamela York-Klainer. Voor het maandblad Bizz had ik het genoegen deze dame via e-mail te interviewen; haar intelligentie, toegankelijkheid en charme waren zeer aanstekelijk. Ik las haar boek ‘How much is enough?’ en was onmiddellijk begeesterd door haar ideeën. In onze cultuur van succes is geld volgens York-Klainer de belangrijkste manier om het scorebord bij te houden van wie we zijn en waar we staan. Zij stelt vast dat de meeste gesprekken over geld meestal niet verder gaan dan de gebruikelijke oppervlakkigheden. En dat vindt ze jammer, omdat heel wat problemen uiteindelijk wel degelijk over geld gaan.

85

Zo geeft ze het voorbeeld van de volgens haar nogal overroepen balans tussen werk en leven. “Er is weinig evenwicht in een werkdag met 12 of 14 werkuren,” schrijft ze. “Hooguit zullen we de resterende tijd besteden aan onze onmiddellijke familieleden, een beetje sport doen en zorgen dat we bijblijven met de laatste technologieën. Het gevolg hiervan is dat sociale gebruiken zoals het bezoeken van verre familieleden, het actief lid zijn van service- of politieke organisaties en het bijwonen van kerkdiensten in belang afnemen. Daardoor is dan weer het belang van werk en geld enorm toegenomen.” Toch bestaat er nog heel wat weerstand tegenover mentale coaches. In de sportwereld is het gebruikelijk dat het toptalent een beroep doet op een dergelijke coach. Nick Bollettierri had Justine Henin, Maria Sharapova en Anna Kournikova onder zijn hoede. Zelfs tennissers die al succes hadden, zoals Boris Becker, vroegen de man om raad. Volgens mental coach Luc Limère zoeken mensen de oorzaken van hun problemen vaak buiten zichzelf — “maar je moet de durf hebben om naar binnen te kijken.” Met deze uitspraak pikt Limère aan bij het eerder belichte onderscheid tussen ‘internalisten’ en ‘externalisten’.

TIP 31: LAAT U BEGELEIDEN DOOR EEN KUNSTKENNER. Is investeren in kunst eigenlijk wel verstandig? In een studie van het Amerikaans onderzoeksbureau NBER werd nagegaan of beleggen in kunst zinvol is. De onderzoekers Orley Ahenfelter en Kathryn Graddy kwamen uit op een jaarlijks nettorendement tussen 1 en 4,9 % — verrassend laag, zeker in vergelijking met de historische aandelenrendementen. Een andere opmerkelijke vaststelling: schilderijen met een speciaal formaat (bijvoorbeeld zeer hoog of breed) halen in de regel minder goede prijzen. En ten slotte: de duurste hedendaagse kunstwerken halen een jaarlijks rendement dat 5 % lager ligt dan dat van de subtop. Richter is dus beter dan Picasso, als belegging dan toch. Volgens sommigen liggen de kunst en de Þnanciële markten mijlenver van elkaar. De reden hiervoor is dat een kunstwerk in principe uniek is. Een obligatie, aandeel of kasbon is dat niet. Het aandeel van KBC dat u kocht, is perfect inwisselbaar met dat van een andere belegger. Toch hebben de twee misschien meer met elkaar te maken dan op het eerste gezicht lijkt. Kunnen aandelenbeleggers misschien iets leren van kunstliefhebbers? De basisregel bij kunst is toch nog altijd dat je een kunstwerk koopt omdat je het mooi vindt; de meeste kunst wordt dan ook niet gekocht om speculatieve redenen. Hieruit kunnen aandelenbeleggers de les

86

trekken dat ze beter ondernemingen kopen die hun werkelijk aanstaan. Een onderneming met producten of diensten die deze belegger bevallen, zal wellicht ook andere kopers kunnen bekoren. Deze regel is trouwens een van de basisstellingen van de voormalige beursgoeroe Peter Lynch. Een goede regel bij kunst is niet op korte termijn te speculeren. Kapitaalkrachtige Japanners die op het eind van de jaren 1980 exorbitante bedragen neertelden voor Van Goghs en Renoirs, zullen dit nu tot hun scha en schande moeten erkennen. Ook bij aandelen is een langetermijnvisie de beste; dat weten we reeds uit de resultaten van de studie van Stanley en Danko. Kunst is modegevoelig. Zo waarschuwen kunstkenners voor de zeer hoge bedragen die voor sommige foto’s neergeteld worden, want blijkbaar zijn foto’s erg in de mode. Kunstkenner Fabien Bouglé waarschuwt eveneens voor andere modieuze kunstuitingen zoals video’s, installaties en ‘chique porno’. Op dezelfde manier kunnen ook aandelenbeleggers maar beter aandelen vermijden die in de mode zijn: wellicht zijn deze aandelen te duur ten opzichte van de intrinsieke kwaliteiten van het bedrijf. We hoeven maar te verwijzen naar de TMT-zeepbel van enkele jaren geleden. Vooraleer een kunstwerk te kopen is het belangrijk een goed inzicht te hebben in de kunstmarkt, of toch in ieder geval in de deelmarkt waarvoor men interesse heeft. Wil je bijvoorbeeld oude foto’s kopen, zorg er dan voor dat je voldoende bagage hebt over dat onderwerp. Een andere mogelijkheid is dat je iemand kent die je perfect kan voorlichten. Bij beleggen zou het net zo moeten gaan. Toch is het verrassend vast te stellen dat sommige beleggers de basisprincipes niet kennen of gewoon aan hun laars lappen, en dat ze al evenmin terechtkunnen bij een deskundig persoon. Eind 2002 (kort voor het beurs-dieptepunt van maart 2003) werden op de televisie heel wat beleggers opgevoerd die hun hele vermogen hadden verloren in een paar jaar tijd. Wellicht hadden ze veel leed kunnen voorkomen door zich vakkundig te (laten) informeren. Welke kunstenaars doen het goed? Niet de grote namen zoals Renoir of Picasso; deze laatste kende een stijging van slechts 20 % sinds 1993. Wel de veeleer onbekende hedendaagse kunstenaar Gerhard Richter; de waarde van zijn kunstwerken steeg sinds 1993 met maar liefst 500 %. Bij aandelen is het net hetzelfde. De beste prestatie over de laatste jaren werd niet opgetekend door grote namen als Delhaize, Fortis of UCB, maar door relatief ‘onbekende’ bedrijven.

87

Volgens sommige ‘oude meesters’ zoals Roger Raveel wordt op dit moment een heleboel minderwaardige kunst geproduceerd — en wellicht is het woord ‘kunst’ nog een eufemisme in een aantal gevallen. Wat bijvoorbeeld een Jeff Koons maakt, noemt kunstkenner Bouglé niet bepaald een toonbeeld van kwaliteit. Hij voorspelt dan ook een forse krach voor dergelijke werken. Ook op de Þnanciële markten worden soms aandelen verkocht van bedrijven die eigenlijk weinig of niets voorstellen. We weten allemaal dat bepaalde analisten aandelen durven aanraden die ze zelf omschrijven als ‘pos’ (piece of shit). Koop daarom alleen aandelen van een onderneming waarvan de kwaliteit als een paal boven water staat. De interessantste paden zijn deze die nog niet platgetreden werden. Dit principe geldt eveneens in de kunst. Zo heeft Bouglé een voorkeur voor de veeleer onbekende Bretonse school, met kunstenaars zoals Maurice Denis en Gustave Loiseau. Ook aandelenbeleggers kunnen zich misschien verdiepen in een bepaalde niche op een beurs. Zo heeft de Nasdaq een aantal boeiende biotech-bedrijven. Sommige kunstliefhebbers hebben echt een neus om talent in een pril stadium te detecteren. Ze kopen de kunstwerken dan voor een appel en een ei, en later blijken ze een gouden zaak te hebben gedaan. Ook op de Þnanciële markten zou een goede ‘neus’ bijdragen tot goede beleggingsresultaten. Met name Warren Buffett zou over een dergelijk orgaan beschikken. Spijtig genoeg voor mijzelf en de meeste andere beleggers, kunnen we weinig of niets doen om dit talent aan te scherpen. Zij die wel over dit talent beschikken, hebben wellicht ook geen behoefte aan deze tips. In zijn boek ‘L’art et la gestion du patrimoine’ stelt Fabien Bouglé dat een kunstwerk slechts een goede belegging kan zijn wanneer de koper werken uitkiest tegen de heersende (kunst)stromingen in. Deze vaststelling geldt uiteraard ook voor de aandelenbelegger.

TIP 32: LAAT U LEIDEN DOOR EEN ECHTE BELEGGINGSADVISEUR. In de strip ‘Non Sequitur’ ontdekt Ed het verschil tussen gezond verstand en de menselijke natuur. Bij Ed kunnen beleggers terecht voor ‘gezonde Þnanciële toekomstplanning’. Hij heeft geen klanten. Naast Ed vind je Henk. Zijn slogan is ‘Meteen geld’ en de mensen verdringen elkaar om binnen te raken in zijn ‘Casino voor effectenmakelaars.’

88

Een van de belangrijkste lessen die beleggers kunnen leren, is dat beleggingsadviseurs in onze contreien eigenlijk verkopers zijn. Kijk eens naar het ideale proÞel van een ‘beleggingsadviseur’ bij SG Bank De Maertelaere. Hij moet in de eerste plaats commercieel talent hebben. Moet hij beschikken over kennis van de Þnanciële markten? Die kennis moet volgens de bank “groot genoeg zijn om met individuele aandelen te kunnen werken.” Over dat laatste doen ze niet echt moeilijk; commercieel talent daarentegen is essentieel. ‘Beleggingsadviseurs’ moeten immers een courtage halen van 250.000 euro per jaar. Een dergelijk bedrag kan je niet bereiken door aan de beleggers te zeggen dat hun portefeuille er goed uitziet en dat ze eigenlijk niets hoeven te doen. Nee, de ‘adviseur’ zal aanraden bepaalde aandelen of fondsen te verkopen en er nieuwe voor in de plaats te nemen. Dat heet churning. Op die manier haalt hij zijn doelstelling van 250.000 euro per jaar. Deze werkwijze van de ‘beleggingsadviseur’ gaat ook in tegen de raad van Ric Edelman: blijf bij uw oorspronkelijke beleggingen; koop kwaliteitsaandelen en blijf erbij voor de lange termijn (minstens 5 jaar). Dit advies staat natuurlijk lijnrecht tegenover de adviezen van banken en makelaars, die beleggers aanraden regelmatig hun portefeuille te veranderen. Onthoud dat deze Þnanciële instellingen er alle belang bij hebben om ‘volume te draaien’; als belegger of spaarder heeft u daar over het algemeen geen enkele baat bij. Bovendien geeft Edelman de raad geen acht te slaan op wat de media vertellen. Magazines die over geldzaken gaan, moeten verkocht worden. Het gevolg is dat ze het geweer voortdurend van schouder moeten veranderen: nu eens raden ze dit aan, dan weer iets anders. Onthoud dat de media er geen belang bij hebben je altijd hetzelfde (correcte) advies te geven. Bovendien focussen de media op het hier en nu. Als belegger moet je bezig zijn met je doelstelling op de lange termijn. Tot slot moet je het succes van je beleggingen niet afmeten aan de Dow, de S&P 500 of de Bel 20. Volgens Edelman zijn deze indices volkomen waardeloos; de enige zinvolle boodschap is je eigen Þnanciële doelstellingen te volgen. Heb je bijvoorbeeld beslist dat je kapitaal elk jaar 5 % moet groeien? Dan is dat perfect, zelfs indien de Bel 20 dat jaar met 30 % gestegen is. Financieel succesvolle mensen kopen dus kwaliteitsaandelen en houden die gewoon bij. Een mogelijk alternatief is een indexfonds zoals dat van Vanguard. Wetenschappelijk onderzoek leidt telkens opnieuw tot de vaststelling dat dergelijke fondsen op de lange termijn superieur zijn tegenover actief beheerde fondsen. Vergeet niet dat Þnanciële

89

instellingen er alle belang bij hebben de actieve fondsen zwaar te promoten, aangezien ze op dergelijke Þnanciële producten erg veel geld verdienen.

TIP 33: KEN DE WETGEVING. Toen ik Toegepaste Economische Wetenschappen studeerde aan de Ufsia in Antwerpen, was ik goed bevriend met Lien. Ze was mooi en slim, en blijkbaar waren haar ouders niet onbemiddeld. Haar vader was een succesvolle tandarts in het Gentse. Terwijl de meeste studenten op ‘kot’ zaten, verbleef Lien in een luxueus appartement. Er was maar één ding dat ik niet kon plaatsen in het hele verhaal, namelijk dat Lien een studiebeurs kreeg. Nu pas heb ik door wat een mogelijke verklaring zou kunnen zijn. Wellicht was de tandartspraktijk van haar vader gestructureerd als een BVBA, die slechts een beperkt loon uitkeerde aan de zelfstandige zaakvoerder. Op die manier kon de vader van Lien blijkbaar met goed gevolg een studiebeurs aanvragen voor zijn dochter. Dit verhaal wijst op een belangrijke paradox in onze samenleving: het Mattheüs-effect. Financieel succesvolle mensen kennen de wetgeving behoorlijk goed en slagen erin op een volstrekt legale manier subsidies en toelagen los te peuteren die eigenlijk niet voor hen bestemd zijn. Het Mattheüs-effect stelt dat zij die al veel hebben, nog meer zullen krijgen. Ook Albert Frère heeft zijn imperium kunnen uitbouwen door middel van subsidies. Een implicatie van het Mattheüs-effect is dan ook dat zwakkere leden van de samenleving juist geen beroep zullen doen op subsidies of toelagen waarop ze recht hebben, en die precies voor deze doelgroep gecreëerd zijn. Zo leerde ik in 2005 een gezin kennen dat een nieuw huis wilde bouwen. Ze hadden hun vorige woning verkocht, en met de opbrengst daarvan wilden ze het nieuwe huis betalen. Voor de bouwgrond gingen ze een hypothecaire lening aan. Toen echter bleek dat de opbrengst van het oude huis niet zou volstaan om het nieuwe te bekostigen, waren ze in dubio. Ze wilden geen extra lening aangaan omdat de man niet zeker was van zijn job. Ik repliceerde met de vraag wie vandaag de dag wél honderd procent werkzekerheid heeft, en gaf hun de raad eens te checken wat de exacte voorwaarden waren van de gratis verzekering tegen inkomensverlies van de Vlaamse regering. Daar hadden ze nog niet van gehoord.

90

Laten we even terugkeren naar de mogelijkheid om een studiebeurs aan te vragen. De cijfers wijzen uit dat deze tegemoetkoming niet wordt aangevraagd door heel wat mensen die er wel recht op hebben. Is het onwetendheid? Of een zekere gêne om te moeten toegeven dat het hun Þnancieel niet voor de wind gaat? In Groot-Brittannië kunnen tieners de zogeheten Education Maintenance Allowance (EMA) krijgen. Het gaat om een niet te versmaden bedrag van 30 pond (ruim 40 euro) per week. In totaal komen 350.000 scholieren in aanmerking voor deze vergoeding, op voorwaarde dat ze regelmatig de lessen bijwonen. Welnu, meer dan 100.000 van hen vragen de EMA niet eens aan — terwijl ze er toch recht op hebben.

TIP 34: GEBRUIK DE MENSEN RONDOM U ALS TOETSSTEEN. In onze contreien is het nog altijd ongebruikelijk, en zelfs ongepast, om geld te verbinden met geluk. Wie op zoek is naar het ultieme geluk, mag dat doen via zenboeddhisme of bergbeklimmen — maar een zoektocht naar geestelijke rijkdom via inzicht in de eigen geldzaken is nog altijd taboe. Toch beweert Kathleen Gurney dat je geestelijke rijkdom kan bereiken als je het belang van geld niet ontkent maar ook niet overdrijft, als je leert inzien hoe je door geld wordt beïnvloed en andersom, als je geld niet beschouwt als een doel op zich maar als een beloning voor geleverde prestaties, als je het geld onder controle hebt in plaats van andersom. Kortom, als geld tevredenheid, plezier en zekerheid verschaft. Dat klinkt toch helemaal niet slecht. Er wordt wel eens gesteld dat verschillende karakters elkaar aantrekken en aanvullen. Gurney bestempelt dit als nonsens: bij koppels is het juist goed dat de ‘geldpersoonlijkheden’ bij elkaar passen. Indien de vrouw een ‘jager’ is en de man een perfectionist, levert dit gegarandeerd problemen op. Jagers nemen immers beslissingen — ook Þnanciële — met hun hart. Perfectionisten echter bekijken elke kant van de zaak, rationeel, koel en nuchter. Volgens Gurney draaien veel problemen tussen partners uiteindelijk over geld. Niet zozeer omdat er te weinig van is, maar vooral omdat ze er een te verschillende kijk op hebben. “Koppels bespreken nagenoeg elk onderwerp vooraleer ze gaan samenwonen of trouwen. Tot de eerste grote beslissing over ‘ons geld’ zijn ze er zich niet eens van bewust hoe sterk hun visie op geld uiteenloopt,” aldus Gurney. In een studie van de universiteit van Wageningen op vraag van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) wordt nagegaan hoe verschillend partners met geld omgaan. Mannen blijken zeer kapi-

91

talistisch ingesteld te zijn: 22 % gelooft dat geld alle problemen kan oplossen. Bij vrouwen is dat een stuk minder. Anderzijds blijken vrouwen dan weer meer over geld te fantaseren dan mannen. Deze resultaten lopen parallel met het eerder vermelde onderzoek van Prince. Naast het feit dat Þnancieel succesvolle personen dus blijkbaar een partner hebben die qua ‘geldpersoonlijkheid’ bij hen past, gebruiken ze die persoon ook als toetssteen voor ideeën en concepten. Neem nu wijlen Dick Bruna, de tekenaar van Nijntje, die volgens Quote minstens 36 miljoen euro waard was. Hij liet zijn vrouw altijd beslissen of een door hem verzonnen verhaal goed genoeg was. Aan Het Laatste Nieuws verklaarde hij: “Dan ging ik koffie zetten, en ik liet haar lezen.” Ook was hij dan behoorlijk zenuwachtig, “zoals bij een examen.” Bovendien helpen slimme en ambitieuze vrouwen hun man vooruit. Malcolm Brynin stelde vast dat mannen 12 % meer verdienen als ze getrouwd zijn met een vrouw die een universitair diploma heeft en een eigen succesvolle carrière. Volgens Brynin kan zij haar man helpen door het geven van advies bij carrièreplanning of -verandering. Deze redenering geldt trouwens ook andersom: uit het boek ‘Millionnaire women next door’ van Thomas Stanley blijkt dat ‘een geschikte partner’ onontbeerlijk is voor Þnancieel succesvolle vrouwen. Geldproblemen, en vooral het feit dat geen rekening wordt gehouden met het advies van de partner, kunnen een relatie in ieder geval stevig onder druk zetten. Vraag dat maar aan Goedele Liekens. Haar man, Chris Cockmartin, ging in zee met een zakenpartner — maar Goedele had er een slecht gevoel bij. “Zeer tegen mijn zin had hij een bedrijf opgestart met iemand die ik niet vertrouwde,” vertelde ze in augustus 2004 aan De Telegraaf. Cockmartin ging failliet. “Dat faillissement kostte bijna ons huwelijk, te meer omdat ik hem van bij het begin duidelijk had gemaakt dat ik dat bedrijf niet wilde. Maar ik verloor wel al mijn spaarcenten: ik stond weer op nul.” Liekens zegt dat ze woedend was op haar man. “Hij had mij beroofd van mijn veiligheid. Het woord ‘scheiding’ is toen thuis wel een paar keer gevallen.”

TIP 35: U HOEFT GEEN ONDERNEMER TE ZIJN OF EEN VRIJ BEROEP TE HEBBEN. Het is een groot misverstand dat Þnancieel succesvolle mensen per deÞnitie ondernemer zijn of een vrij beroep hebben. Uit de studie van Stanley en Danko blijkt dat twee derde van de onderzochte miljonairs eigenaar zijn van hun eigen zaak. Een op drie is dus werknemer, en dat is blijkbaar geen belemmering om Þnancieel succesvol te zijn.

92

De twee onderzoekers voeren Charles Bobbins en zijn vrouw ten tonele. Bobbins is een brandweerman van 41 jaar, zijn echtgenote is secretaresse. Samen verdienen ze 55.000 dollar per jaar. Volgens de berekeningen van Stanley en Danko zouden de twee goed moeten zijn voor 225.000 dollar, maar ze zitten daar ßink boven. “Meneer en mevrouw Bobbins zijn erin geslaagd een vermogen te accumuleren dat boven het gemiddelde ligt van hun leeftijds-inkomenscategorie,” stellen de auteurs. Ook over het soort ondernemingen van Þnancieel succesvolle mensen doen heel wat fabeltjes de ronde. Stel je daar geen ßitsende dotcomtoestanden bij voor: het gaat meestal om heel gewone bezigheden zoals het verdelgen van ongedierte of het installeren van airconditioning. In 2004 kopte De Morgen: “Vrije beroepen maken niet altijd rijk.” Dat klopt. Zo blijkt uit een studie van de Federatie voor Vrije en Intellectuele Beroepen (FVIB) dat 6 op 10 van de 11.260 Belgische architecten niet rendabel zijn. Natuurlijk is rendabiliteit een rekbaar begrip. De FVIB gaat ervan uit dat de grens op 19.000 euro ligt; daarvan moeten dan nog belastingen en sociale bijdragen afgetrokken worden. Volgens de federatie zit maar liefst 17 % van de architecten in de risicogroep met een (officieel) inkomen van minder dan 6456 euro per jaar. Ook bij paramedici en dierenartsen is er een relatief grote groep die minder dan 6456 euro verdient (respectievelijk 15 en 16 %). Het onderzoek wijst eveneens uit dat beoefenaars van vrije beroepen gemiddeld 56 uren per week werken, voor een gemiddeld inkomen van slechts 19.028 euro per jaar. Als je dit omrekent naar uurloon, kom je voor een jaar van 50 werkweken uit op een schamele 6,80 euro per uur… Christina Thyssen werkt 13 uren per dag in het eethuis dat ze in Antwerpen al zeven jaar uitbaat. Na al die jaren verdient ze naar eigen zeggen nog steeds niet meer dan 620 euro per maand. Om goed te kunnen rondkomen, zou ze wekelijks 120 tot 130 klanten over de vloer moeten krijgen — in werkelijkheid zijn het er 80 tot 90. “En in de ‘stille’ maanden is het nog slechter,” vertelt ze aan Het Nieuwsblad. “Dit wil zeggen dat ik met verlies werk als ik alle kosten in rekening breng,” aldus nog Thyssen. “Het zorgt voor een voortdurende stress om te overleven.” Er zijn trouwens steeds meer restaurants in België. In 1995 waren er 19.560, in 2002 al 22.377. In de horeca komen bovendien dubbel zoveel faillissementen voor als elders. Volgens een analyse van het Federaal Planbureau worden vooral jonge horecabedrijven getroffen door een faillissement.

93

Een Kempense zaakvoerder die in juli 2004 het faillissement aanvroeg voor een van zijn drie bedrijven, zweert dat hij nooit meer met bedienden zal werken. “Waaraan mijn bedrijf failliet is gegaan? Ik had vijf mensen in dienst; dan weet u het wel zeker?” zo vertelt hij aan Het Laatste Nieuws. “Daarom heb ik beslist om vanaf nu enkel nog met zelfstandige vennoten te werken, nooit meer met bedienden.” Politici klagen nogal eens over het feit dat in België te weinig mensen voor zichzelf beginnen. David Blanchßower, research associate van NBER, neemt deze stelling op de korrel: mensen kunnen best voor zichzelf uitmaken welk statuut, zelfstandige of werknemer, voor hen het interessantste is. Precies daarom blijven de meesten liever gewoon in dienst van een werkgever. Ze dromen wel eens over het idee om ooit voor zichzelf te beginnen — maar de hoge werkdruk, de stress, de slapeloze nachten en de beperkte vrije tijd doen hen besluiten liever nog een tijdje ‘loonslaaf’ te blijven. Toch blijken zelfstandigen best wel gelukkig te zijn. In een Brits overzicht met de ‘gelukkigste’ beroepen staan bovenaan respectievelijk kapper, geestelijke, chef-kok, schoonheidsspecialist en loodgieter. De beroerdste beroepen in die lijst zijn sociaal werker, architect, ambtenaar, makelaar en secretaris. Neem nu Jonnie Boer, topkok van restaurant De Librije in Zwolle. “Ik ben gelukkig met mijn beroep,” vertelt hij aan de NRC. “Ik kan doen en laten wat ik wil. Die vrijheid geeft innerlijke rust.” Een feit is wel dat heel wat werknemers uitstekend geschikt zouden zijn om hun eigen onderneming te leiden. Christine Castelein is managing director van MCI Belux. In een interview met Vacature vertelt ze dat ze “misschien met een eigen zaak zou zijn begonnen.” Het is het enige waarvan ze spijt heeft. “Nu is het te laat,” zegt ze — maar is dat wel zo? Iemand die de stap wel gezet heeft, is Edgar Wortman. Hij werkte als organisatieadviseur, maar vond dat hij te weinig met de inhoud van zijn werk bezig was en zijn tijd verdeed met urenlang schrijven. Tegelijk groeide het besef dat hij in de sector waar hij werkte degene was die iets kon. “De achterliggende organisatie bood nauwelijks toegevoegde waarde,” vertelt Wortman aan de NRC. Een typisch voorbeeld van een 80/20-individu dus. Wortman begon voor zichzelf en lanceerde Cyber Company Elannet, een netwerkorganisatie van zelfstandige organisatieadviseurs en bedrijven.

94

TIP 36: LAAT U NIET OPLICHTEN. Als je in de krant kijkt onder de rubriek ‘Bijverdiensten’, krijg je de indruk dat het toch niet zo moeilijk kan zijn om Þnancieel succes te bereiken. 4nikki.com biedt mensen de mogelijkheid om door thuiswerk een extra inkomen te verdienen. Thuiswerk.be zoekt drie leidinggevende personen, en via een 0903-lijn kom je tegen betaling te weten hoe je met licht administratief thuiswerk een extra inkomen kan verwerven. Opnieuw stuiten we op een paradox: mensen die echt geld nodig hebben, zullen zich aangesproken voelen door dergelijke zoekertjes — en er achteraf meestal een kater aan overhouden. Financieel succesvolle personen zijn uiteraard zo verstandig om zich verre te houden van dergelijke multilevel marketing (MLM). Multilevel marketing (ook wel netwerk- of matrixmarketing genoemd) is een manier om goederen of diensten te verkopen via distributeurs. Het lijkt dus nogal sterk op een strafbaar piramidesysteem, maar toch is het op zich niet onwettelijk. Een aantal bedrijven is zelfs groot geworden op die manier; denk maar aan Tupperware of Avon. De scheidingslijn tussen MLM en piramidesystemen is wel erg dun. Het criterium om uit te maken of een multilevel-marketingplan al dan niet een piramidesysteem is, bestaat uit de vraag of de vergoeding vooral bepaald wordt door het aanbrengen van zoveel mogelijk distributeurs dan wel door het verkopen van zoveel mogelijk goederen. In het eerste geval gaat het om een piramidesysteem, in het tweede geval om een legaal multilevel-marketingplan. Het probleem is nog maar eens gesitueerd in de grijze zone. Is een bedrijf dat een commissie uitbetaalt in functie van het aantal aangebrachte distributeurs én het aantal verkochte goederen en diensten een piramide? Ook hier is de vraag welk van beide primeert. De meeste multilevel-marketingpiramides bevinden zich in de cosmeticasector. Eind 2004 had de consumentenorganisatie Test-Aankoop de Þrma Herbalife in het vizier. Dit bedrijf verkoopt vermageringsproducten, vitaminepreparaten en cosmetica via particulieren. Essentieel is hier dat de verkopers een bonus krijgen als ze andere verkopers weten te lokken. “Uiteindelijk zal elke verkoper meer verdienen door het aantrekken van andere verkopers dan door de verkoop van de producten zelf,” zo stelde Test-Aankoop. De consumentenorganisatie sleepte Herbalife dan ook voor de rechtbank van koophandel — in dit geval volkomen terecht. Het mooiste voorbeeld van een multilevel-marketingpiramide is Forever Living Products (FLP). De oprichter (ik schreef bijna ‘oplichter’,

95

en dat zou niet eens gelogen zijn) is Rex Maughan, de eigenaar van de ‘geldfabriek’ Aloë Vera of America in Dallas. Hij staat aan het hoofd van de verkooporganisatie FLP, met vestigingen in meer dan honderd landen. Een van de beuzelarijen die verteld worden in de piramideverkoop van cosmetica (zoals bij FLP), is dat het bedrijf grote kortingen en commissies kan geven aan distributeurs omdat er geen tussenhandel is. De waarheid is dat de winstmarges op dergelijke producten bijzonder hoog liggen: onderzoek wees uit dat marges van meer dan 70 % geen uitzondering zijn. Dan kan je best wel kortingen geven van tientallen procenten. Bij Forever Living Products ligt de nadruk op het werven van nieuwe distributeurs. Een piramide dus. Potentiële slachtoffers worden gelokt met reclamespotjes en affiches. “Wilt u veel geld verdienen? Parttime naast baan of bedrijf? Wij zoeken leiderschap. Serieus geïnteresseerd? Bel 0645-868890.” Wie dat nummer belt, krijgt een antwoordapparaat te horen. Als je je naam en telefoonnummer achterlaat, word je teruggebeld en uitgenodigd om deel te nemen aan een maandelijkse sessie van FLP. Daarvoor betaal je 12,50 euro. Je moet ook een starterpakket afnemen. Kostprijs: 375 euro. Op dat moment ben je al ‘assistent supervisor’. Nu is het aan jou om de producten te verkopen (dat mag), maar vooral om nieuwe distributeurs te ronselen. Een redacteur van het Algemeen Dagblad berekende dat het nogal tegenvalt met dat ‘veel geld verdienen’. Volgens FLP levert twee tot vijf uur per week werken 9000 euro per jaar op, en tien tot twintig uur zelfs 21.000 euro. Fulltime werken, dit wil zeggen dertig uur per week, zou goed zijn voor maar liefst 36.000 euro per jaar. Er is een Car Plan (een mooie auto op kosten van FLP) en ook een royaal pensioenplan. De journalist leerde dat FLP in de jaren 2001 en 2002 telkens vijf miljoen euro aan commissies uitdeelde in de Benelux, waar zowat 6000 distributeurs werkzaam zijn. Welnu, een jaarlijkse commissie van gemiddeld 833 euro per distributeur is toch niet iets om over naar huis te schrijven. Behalve als je het ziet als een piramide, waarbij de mensen op de hoogste niveaus veel geld verdienen terwijl de grote massa onderaan er geld aan verliest. Dat maakt de slogan al wat waarachtiger; maar dan zou er wel moeten staan: “Wilt u veel geld verdienen… ten nadele van anderen?” Tot slot nog twee details. Welgeteld één persoon genoot van het pensioenplan: de verantwoordelijke voor de hele Benelux. En dertig mensen hadden recht op het Car Plan: de top van de piramide.

96

Hoofdstuk V

FINANCIEEL SUCCESVOLLE MENSEN ZIJN PRO-ACTIEF EN GEFOCUST
“Onvrede is onlosmakelijk verbonden met de menselijke aard.” Theodore Dalrymple

In mijn ietwat verouderde ‘Dikke van Dale’ is het woord pro-actief niet te vinden. Ik zocht de exacte betekenis via de on line versie van het woordenboek. Pro-actief betekent: niet reagerend maar anticiperend. Pro-actief doet me denken aan Prometheus, hij die vooruitdenkt. In tegenstelling tot zijn broer Epimetheus, die achteraf denkt. Marc Buelens (hoogleraar en columnist bij het weekblad Trends) heeft overschot van gelijk als hij het woord pro-actief opneemt in een lijst van woorden die ‘verboden’ zijn (zoals ook implementeren, terugkoppelen en kortsluiten) — tenzij ze correct gebruikt worden. Je kan immers geen managementboek openslaan of ‘pro-actief zijn’ staat geboekstaafd als een van de belangrijkste eigenschappen van een groot leider. Natuurlijk is het evenzeer onzinnig te beweren dat je niet pro-actief moet zijn. Uiteindelijk sluit ‘pro-actief zijn’ nog het best aan bij wat Georges Bernanos zegde: “On ne subit pas l’avenir, on le fait.”

TIP 37: ZORG ZELF VOOR UW PENSIOEN. Volgens Koen De Leus, hoofdanalist van De Tijd, “leidt de vergrijzing tot een ineenstorting van de aandelenmarkten.” Niet alleen zullen werknemers die over 20 tot 30 jaar met pensioen gaan, veel minder pensioen ontvangen dan nu gebruikelijk is; bovendien zullen de aandelen en obligaties waarin ze nu (via een pensioenfonds) beleggen, tegen die tijd veel minder waard zijn. John Kay van The Financial Times vindt die redenering nonsens. “Visioenen over de Apocalyps bevredigen een menselijke behoefte. De

97

intellectuele geschiedenis van de laatste drie eeuwen staat bol van dergelijke niet uitgekomen voorspellingen.” De overtuiging dat de vergrijzing ertoe zal leiden dat de wettelijke pensioenen drastisch beknot moeten worden, begint te lijken op wat Galbraith een conventional wisdom noemt: een aanvaard principe dat niemand meer in vraag durft stellen. In een studie onderzocht professor Werner De Bondt de voorspellingskracht van gereputeerde economen. Het resultaat is ontluisterend: economisten kunnen helemaal niets voorspellen — niet op een termijn van een jaar, en al zeker niet op 20 tot 30 jaar. De reden hiervoor is evident: de toekomst moet nog gemaakt worden en is geen afspiegeling van het verleden. Neem nu het pensioendebat. Door hierover op een bepaalde manier te berichten, verander je het gedrag van de mensen. Hierdoor wordt de voorspelling bevestigd (selffulÞlling prophecy) of integendeel vernietigd (self-destroying prophecy). In elk geval is een voorspelling op een termijn van 20 tot 30 jaar doodgewoon onzinnig: daarbij kan je immers geen rekening houden met onvoorziene externe schokken zoals bijvoorbeeld oorlogen of natuurrampen. De fout is hier dat men weer niet het onderscheid maakt tussen microeconomie en macro-economie. Sparen voor een pensioen is zinvol, op voorwaarde dat niet iedereen dat doet — want als iedereen aan het sparen slaat, stokt de economie. Een andere fout is dat jongeren aangespoord worden om aan pensioensparen te doen. Stap als twintigjarige eens een bankkantoor binnen met de vraag of pensioensparen voor jou interessant kan zijn. Geen enkele bankbediende zal je een negatief antwoord geven. Integendeel: men vindt dit een uitstekend idee en — wonder boven wonder — de Þnanciële instelling heeft precies het product dat jij nodig hebt. Is dat wel terecht? Vanaf welke leeftijd moet je eigenlijk beginnen met pensioensparen? En moet je er überhaupt wel aan beginnen? Theo Hoogwout is directeur van het Instituut voor Financiële Planning aan de Erasmus Universiteit (Nederland). Hij is niet erg opgetogen met het advies dat sommige twintigers en dertigers krijgen van hun bankiers. Een strakke planning voor de zeer lange termijn (30 jaar of meer) is niet erg zinvol. “Een Þnancieel plan is een momentopname. Als je op je 32ste gaat denken over je pensioen, wordt dat nattevingerwerk; in de tussentijd kan er immers veel veranderen.” Beter is te werken met een plan voor tien jaar, en daarna maak je gewoon een nieuw plan. Op tien jaar tijd kan er immers heel veel veranderen.

98

In België is het moeilijk om echt onafhankelijk advies te krijgen inzake pensioensparen. Als je de banken mag geloven, kan je er niet vroeg genoeg aan beginnen Zo beweert ING België: “De toekomst is aan de vroege opstaanders.” Dat geldt eveneens voor (pensioen)sparen: hoe vroeger u ermee begint, hoe meer “de toekomst u zal toelachen.” Ook Fortis stelt ronduit dat het “goed is vroeg te beginnen.” Wat de banken er natuurlijk niet bij vertellen, is dat ze een aardige stuiver verdienen aan de producten die ze hun klanten aanbieden in het kader van het pensioensparen. Medewerkers van een bankkantoor krijgen verkoopobjectieven opgelegd per product, dus ook voor pensioensparen. De argeloze jonge klant die ‘advies’ komt vragen is natuurlijk het perfecte middel om een dergelijk objectief te halen. Uit een recente bevraging van Dow Jones Newswires bij Europese 25- tot 45-jarigen blijkt dan ook dat slechts 10 % bij de bank gaat aankloppen voor advies inzake Þnanciële planning. Beleggingsadviseurs werken bovendien graag met gemiddelde returns. Bij simulaties om vast te stellen hoeveel iemand moet sparen om een bepaald extralegaal pensioen samen te stellen dat nadien ‘ontspaard’ kan worden, maakt men gebruik van het gemiddelde historische rendement op aandelen. Volgens een Amerikaans adviesbureau wordt op die manier wel een vals gevoel van veiligheid gecreëerd. Om deze stelling aan te tonen wordt het volgende voorbeeld gegeven. In de periode 1968 tot 1998 bedroeg de return van de S&P 500 gemiddeld 11,7 %. Dit zou betekenen dat iemand die over deze periode een bedrag van 250.000 $ belegde, het eerste jaar (in 1968) 8,5 % van dat kapitaal mocht opnemen. De volgende jaren zou deze belegger dat bedrag zelfs telkens met 3 % mogen verhogen om het uit te zingen tot in 1998 (zie Þguur 1). In werkelijkheid was het kapitaal reeds in 1981

Figuur 1. Het gevaar van werken met een gemiddelde return.

Bron: Thierry Debels, Emotionele intelligentie op de beurs, p. 22.

99

opgesoupeerd! De aandelenbeurs presteerde immers vrij zwak in de beginperiode. Kortom, werken met gemiddelde returns is verleidelijk maar gevaarlijk. Op het.beleggers.net is wel zinvolle informatie te vinden over pensioensparen. Inzake het startmoment bij pensioensparen lezen we daar: “Hoe ouder je bent, hoe interessanter het is door het systeem zelf.” Je mag deze redenering natuurlijk niet te ver doordrijven, want als je een jaar vóór je pensioen begint te sparen zal het resultaat niet spectaculair zijn. Economisten spreken dan ook van een ‘optimaal punt’, dat volgens studies rond 35 jaar zou liggen. Een belangrijke hypothese bij deze studies is dat de pensioengerechtigde leeftijd niet verandert. Indien we er echter van uitgaan dat we met zijn allen over twee tot drie decennia minstens vijf jaar langer zullen moeten werken, kan die optimale leeftijd best opgetrokken worden naar 40 jaar. En eigenlijk komt dat goed uit, want twintigers en dertigers hebben meestal weinig geld om te sparen voor later. In die leeftijdsklassen wordt zelfs vaak ‘ontspaard’, dit wil zeggen dat men (hypothecaire en andere) leningen aangaat. Er komt pas wat Þnanciële ademruimte vanaf een jaar of 40: net de optimale leeftijd om met pensioensparen te beginnen. Een bijkomend argument om vooral niet te vroeg te beginnen met pensioensparen is de Þscaliteit. Voor het aanslagjaar 2004 bijvoorbeeld mocht elke belastingplichtige 600 euro inbrengen, waarop hij 30 tot 40 % Þscaal voordeel genoot. Dit wordt vooral interessant naarmate men de pensioengerechtigde leeftijd nadert. Dat is eenvoudig te verklaren doordat het Þscaal voordeel zwaarder doorweegt in het rendement als het contract nog slechts enkele jaren loopt. Een vijftiger heeft er dus — zuiver Þscaal bekeken — meer aan dan een dertiger. Van jongeren wordt gezegd dat ze onderhevig zijn aan het ‘James Dean effect’. Dit betekent dat ze een interessant leven nu veel hoger waarderen dan een comfortabel leven in de verre toekomst. Een tijd geleden vroeg een jonge dertiger mij om raad. Hij was getrouwd en had twee kinderen. Hij en zijn vrouw werkten allebei, maar toch hadden ze het moeilijk om elke maand rond te komen. Bleek dat ze elk 500 euro per maand opzijzetten voor hun pensioen. Onzinnig, natuurlijk. De beste raad die ik kon geven, was dit bedrag af te bouwen tot het maximum dat Þscaal aftrekbaar is. Het heeft immers geen zin jezelf nu in de Þnanciële problemen te werken om op je zeventigste te kunnen genieten van een mooi pensioen — als je er dan nog bent, natuurlijk: denk aan James Dean. Bovendien huurde het koppel een huis. Misschien hebben ze bij de SP.A wel gelijk als ze stellen dat een eigen huis de beste vorm van pensioensparen is die men zich kan voorstellen.

100

Over sparen in het algemeen en pensioensparen in het bijzonder doet bovendien het misverstand de ronde dat je telkens ‘grote’ bedragen moet inleggen. Niets is minder waar. Zo stelde Ric Edelman vast dat rijke mensen regelmatig kleine bedragen beleggen, meestal minder dan 1000 dollar. De nadruk ligt hier natuurlijk op ‘regelmatig’. Mensen die een wettelijk pensioen ontvangen, zijn minder ontevreden over het meestal te lage bedrag van de uitkering dan wel over het feit dat ze afhankelijk zijn van de staat voor hun levensonderhoud. In een artikel in The Wall Street Journal Europe belicht Ellen Graham dit probleem. Stanley en Danko suggereren een oplossing: het zogeheten ’go to hell fund’. De onderzoekers stelden vast dat Þnancieel succesvolle mensen hun Þnanciële onafhankelijkheid beschouwen als het hoogste goed. Daarom hebben de meesten van hen een klein vermogen bijeengespaard om op elk moment “go to hell” te kunnen zeggen en het minstens tien jaar uit te zingen zonder hulp van buitenaf. Ik besef dat dit voor vele mensen een illusie zal blijven. In België kan je de Þnanciële slagkracht van de bevolking vergelijken met een wat misvormde piramide. De onderste laag bestaat uit mensen die maandelijks niet eens rondkomen; over sparen moet je bij hen niet beginnen. Een vrij brede laag van de bevolking komt elke maand netjes rond. Indien deze mensen de raad opvolgden om iets minder te consumeren, zou hier zeker wel potentieel zitten om te sparen — maar ze zijn al blij dat ze elke maand de eindjes aan elkaar kunnen knopen. Tot slot is er een kleine toplaag die inderdaad elke maand geld opzij kan zetten. Jo Viaene van Optima Financial Planners pleit in De Tijd voor een stelsel waarbij “een gemiddeld gezin 7500 tot 10.000 euro per jaar kan spenderen aan pensioenvoorzieningen.” Welnu, een ‘gemiddeld gezin’ is al blij als het elke maand kan rondkomen. Een spaarinspanning van die orde is enkel weggelegd voor de top van de piramide, en dat is uiteraard de doelgroep van Optima Financial Planners.

TIP 38: REGEL UW ERFENIS OP EEN SLIMME MANIER. John Schott wordt ook wel eens ‘the money doctor’ genoemd. Hij verpersoonlijkt dan ook de unieke combinatie van psychiater en beleggingsadviseur. Jarenlang gaf hij een veelgelezen maandelijkse nieuwsbrief uit over de Þnanciële markten. Enkele jaren geleden bracht Schott al zijn tips samen in het uitstekende boek ‘Mind over money’ (in het Nederlands vertaald als ‘Persoonlijk beleggen’). De essentie van zijn boodschap is dat emoties geen bijver-

101

schijnsel zijn van beleggen. Het is geen kwestie van ‘even het hoofd koel houden’ als de koersen de hemel bestormen of plotseling kelderen. Emoties zijn een fundamentele factor; ze geven de doorslag. En als we geld willen verdienen op de beurs, zullen we volgens Schott de spelregels moeten kennen en in acht nemen. Een van de proÞelen die Schott regelmatig tegenkomt, is de erfgenaam. Een van zijn cliënten, een academicus, erfde een fortuin van zijn grootvader. De man wilde onder geen beding aan het geld komen. “Ik ben veel te bang om het ‘nestei’ te breken,” zei hij steevast als Schott hem beleggingsmogelijkheden aan de hand wilde doen. Toch had hij geen enkele moeite met het beleggen van zijn eigen geld. De kleinzoon had zich sterk geïntimideerd gevoeld door zijn dominante grootvader, en de erfgenaam bleef daaronder lijden. Volgens Schott moeten we in deze context de volgende vragen eens beantwoorden: Hebt u het gevoel dat u geen recht hebt op het geld van de erfenis? Vindt u het pijnlijk of zelfs beschamend iemand te zeggen dat u hebt geërfd? Hoopt u diep in uw hart dat iemand u de zorg voor het geld uit handen zal nemen? Hebt u het idee dat de erßater u op de vingers kijkt? Verzet u zich tegen het idee dat u moet leren uw portefeuille te beheren? Als u geld erft, blijft de relatie die u met de erßater had feitelijk bestaan. Als die relatie problematisch was, wordt het conßict gekoppeld aan het geld. De fundamentele emotie achter al deze reacties bestaat vaak uit schuldgevoelens waarvan u zich niet bewust bent. Het gevolg is dat de erfgenaam niets wil veranderen aan de portefeuille; een situatie die erg lijkt op de eerder besproken status-quo fout. De onderliggende emotionele boodschap luidt: “Alles moet blijven zoals het is.” De reden hiervoor is dat de erfgenaam elke verandering aan de portefeuille beschouwt als een gebrek aan loyaliteit ten opzichte van de overledene. De oplossing is: inzien dat je eerste verantwoordelijkheid erin bestaat het kapitaal op zijn minst in stand te houden. Als je jezelf ziet als een rentmeester, zullen je schuldgevoelens verminderen omdat je op die manier niet alleen je eigenbelang dient. En om de waarde van de portefeuille in stand te houden, zijn wellicht aanpassingen nodig. De problematiek die John Schott behandelt, is natuurlijk maar één aspect van de erfenis. Volgens Alain Verbeke moet je er als vermogens-

102

planner voor zorgen “dat de klant zo weinig mogelijk bezit op het moment dat hij sterft.” Veel moeite zal hij niet hebben om zijn klanten te overtuigen: een studie van het onderzoeksbureau NXT wees immers uit dat de Belgische babyboomers hun kroost niets willen nalaten. Het blijkt inderdaad dat de oudste babyboomers (geboren vanaf 1945) hun geld besteden aan reizen en dat ze bij het bereiken van hun pensioen opnieuw naar de steden trekken, “waar ze het geld spenderen aan vluchtig plezier,” aldus De Morgen. Deze ÞlosoÞe sluit nauw aan bij de Life Cycle theorie van Franco Modigliani. In deze benadering is geen plaats voor erfenissen. In overeenstemming met de uitspraak van Verbeke moet al het geld verteerd zijn op het moment dat je het tijdelijke met het eeuwige verwisselt. Deze theorie is echter wat te kortzichtig: soms willen mensen echt wel een deel van hun vermogen nalaten aan kinderen of kleinkinderen. De homo economicus schiet in dit geval tekort. De vraag is natuurlijk op welke manier de overdracht het best gebeurt: “Après nous les mouches” zoals een vriend het ooit uitdrukte, of pro-actief via een schenking met een aanslagvoet van 3 of 7 procent? Pro-activiteit betekent hier ook dat je op zoek gaat naar een oplossing die voor alle partijen goed is. Zo stelt Artsen Zonder Grenzen het duolegaat voor. Door middel van deze techniek kan je een deel van je vermogen aan deze organisatie nalaten en tegelijk de eigen erfgenamen bevoordelen. Via een testament kan men immers bepalen dat persoon X een legaat ontvangt dat vrij is van successierechten, op voorwaarde dat persoon of organisatie Y de betaling van de successierechten overneemt. Het voordeel van het duo-legaat ligt overduidelijk in het verschil van de successierechten: bij privé-personen kunnen die oplopen tot 65 %, maar Artsen Zonder Grenzen betaalt slechts 8,8 %. Hoe hoog de successierechten zijn, is afhankelijk van de omvang van de erfenis en de graad van verwantschap. In elk geval is het duo-legaat een techniek waarbij zowel de erfgenamen als Artsen Zonder Grenzen winnen, ten nadele van de Belgische staat.

TIP 39: ZORG DAT DE OVERDRACHT VAN UW BEDRIJF VLEKKELOOS VERLOOPT. Over de generatiewissel in ondernemingen doen heel wat gestolde ideeën de ronde. In de roman ‘Vlucht’ van Chang-Rae Lee neemt een zoon de onderneming van zijn vader over en richt ze in recordtempo te gronde door slechte uitbreidingsinvesteringen. In een interview met

103

De Morgen zegt de auteur hierover: “De eerste generatie bouwt een zaak op, de tweede breidt ze uit en de derde verbrast het geld.” Bij ons is het veeleer gebruikelijk te stellen dat het verbrassen reeds door de tweede generatie gebeurt. Dit wordt geïllustreerd door het gezegde “Vader ondernemer, zoon playboy, kleinzoon bedelaar.” Een feit is dat de overdracht van een onderneming binnen de familie niet evident is. Onderzoek van professor Johan Lambrecht wijst uit dat minder dan 30 % van de familiebedrijven de tweede generatie haalt en nauwelijks 10 % de derde generatie. Van overdracht is in de meerderheid van de gevallen zelfs geen sprake. Waar zich die mogelijkheid wél aandient, blijkt de aanpak niet altijd optimaal te zijn — en dat is dan nog een eufemisme. Volgens Lambrecht rust nog altijd een taboe op het onderwerp. “Ruim twee derde van de kinderen wordt niet of nauwelijks betrokken bij overleg over het familiekapitaal,” vertelt hij aan De Telegraaf. “Bovendien tast meer dan de helft van de zonen en dochters in het duister over hoe het ooit zal worden overgedragen.” Veel jonge erfgenamen lijden volgens hem dan ook aan affluenza, een ‘aandoening’ die veroorzaakt wordt door affluence (overvloed). Hun toekomstige rijkdom bezorgt de kinderen negatieve gevoelens zoals een lage eigendunk, doelloosheid, tekort aan motivatie, gebrek aan zelfdiscipline en schuldcomplexen. Volgens Lambrecht kan de familie deze kinderen helpen door gezonde en haalbare verwachtingen in hen te stellen, zo lezen we in De Tijd. De Vlaamse ondernemer André Leysen deed het wel op een goede en pro-actieve manier. In de jaren ’90 droeg hij het familievermogen over aan zijn kinderen op een gestructureerde en Þscaal voordelige wijze. Er was veel ophef in de pers, maar deze overdracht is een schoolvoorbeeld van hoe het moet. Volgens professor Lambrecht en zijn collega Liesbet Baum is een minutieus stappenplan om de overdracht in goede Þscale en juridische banen te leiden een nodige maar geen voldoende voorwaarde. In hun boek ‘Naar een familiedynastie’ tonen ze immers aan dat de overdracht niet beschouwd mag worden als een eenmalige gebeurtenis, maar dat het gaat om een langdurig en bijna levenslang proces. Er moet natuurlijk wel een overdracht zijn. Veel kinderen van ondernemende ouders willen helemaal niet in de voetsporen van vader en/of moeder treden, of ze verlaten de onderneming om emotionele redenen. Hank Greenberg, voormalig topman van AIG, had twee zonen in zijn

104

bedrijf. Een van beiden moest hem opvolgen, maar met elk van de twee had hij een zwaar conßict. Allebei verlieten ze woedend het bedrijf en zochten hun heil elders, met succes overigens.

TIP 40: KOOP AANDELEN VAN UW BEDRIJF. Natuurlijk heeft niet iedereen de mogelijkheid om het bedrijf van zijn ouders over te nemen. Werknemers krijgen evenwel geregeld de kans om aandeelhouder te worden van het bedrijf waar ze werken. In 1994 werd ik samen met 19 collega’s in dienst genomen bij BBL (nu ING België). Datzelfde jaar al kregen we de kans om BBL-aandelen te kopen tegen zeer gunstige voorwaarden. Niet alleen lag de uitgifteprijs van de aandelen een ßink stuk onder de beurskoers, maar ook speelde het Þscale voordeel. De aankoop van personeelsaandelen is immers onder bepaalde voorwaarden Þscaal aftrekbaar. Interessant om te zien was dat ongeveer de helft van de adviseurs geen aandelen wilde kopen. Thomas vond de aandelen van BBL op dat moment te duur. De koers was ongeveer 4000 BEF, maar twee jaar later stond het BBL-aandeel op 10.000 BEF… Een andere adviseur wilde zijn geld liever aan iets anders spenderen. Bovendien vond hij het niet leuk dat het geld voor vijf jaar geblokkeerd was, want dit was een van de voorwaarden. Om een lang verhaal kort te maken: de adviseurs die aandelen kochten, hebben een uitstekende zaak gedaan. Zelf behaalde ik een return die ik nadien nooit meer heb kunnen evenaren. In 2002 konden de werknemers van Fortis inschrijven op aandelen van hun werkgever. Slechts een op vijf deed dat, terwijl toch een korting van 20 % op de toen geldende beurskoers werd toegestaan. “Fortis had er meer van verwacht,” vertelde woordvoerder Wilfried Remans aan De Tijd. In 2004 konden de werknemers van Belgacom aandelen van hun bedrijf kopen met een korting van 16,66 % op de publieke intekenprijs van 24,50 euro. Een op drie personeelsleden tekende in. Een jaar later was de koers al gestegen tot boven de 30 euro; de werknemers die meededen, hadden dus een goede zaak gedaan. De raad van Ric Edelman is dan ook overduidelijk: biedt je werkgever de mogelijkheid om met een korting in te schrijven op aandelen, neem die kans dan gretig aan.

105

De meeste werknemers zijn evenwel afkerig van risico’s en vrezen voor kapitaalverlies. Sommige werkgevers hebben dat goed begrepen; daarom bieden ze een structuur aan waarbinnen werknemers geen kapitaalverlies kunnen lijden. Zo sloot Dexia een contract af met een zakenbank, waardoor men het personeel aandelen kon aanbieden met de garantie dat de werknemer geen kapitaalverlies zou lijden. Is er dan nog een goede reden om niet mee te doen?

TIP 41: BEHEER UW EIGEN CARRIÈRE. Volgens Pamela York-Klainer is het moeilijke evenwicht tussen werk en privé-leven eveneens terug te brengen tot geld. Niet zozeer omdat we het geld echt nodig hebben, maar omdat het symbolisch gebruikt wordt om elkaar af te rekenen. Als voorbeeld vertelt ze het verhaal van een dertiger die niet genoeg tijd kon uittrekken voor haar kinderen. Nochtans was dit materieel perfect mogelijk: ze had immers een mooie erfenis gekregen en was goed voor een paar miljoen dollar, zodat ze gemakkelijk wat minder kon werken. Dat wilde ze echter niet doen, omdat het een regel was die ze zichzelf had opgelegd. De Amerikaanse socioloog Richard Sennett doceert aan de prestigieuze London School of Economics. In ‘De ßexibele mens’ betoogt hij dat de toenemende ßexibiliteit die van de werknemers gevraagd wordt, een ronduit pervers karakter heeft. Waarom zouden werknemers dan niet hun eigen carrière mogen beheren? Volgens Sennett moet elke werknemer zich tegenwoordig gedragen als een manager; het nemen van risico’s wordt verheerlijkt. Voor sommige mensen is dit geen probleem, maar anderen hebben het er moeilijk mee. Zonder die dwang tot het nemen van risico’s hebben ze al geen greep op hun leven; de onzekerheid die er aldus op het werk bijkomt, is er voor hen gewoon te veel aan. Van ßexibele werknemers wordt verwacht dat ze vaak van project of baan wisselen. Uit onderzoek van Sennett blijkt dat twee derde van de werknemers die van onderneming veranderen erop vooruitgaan, terwijl een derde er eigenlijk op achteruitgaat. Dat komt doordat deze laatsten zich geen goed beeld kunnen vormen van de toekomst. Dit vergt namelijk strategisch denken — iets wat veel werknemers niet kunnen, met het gevolg dat ze het gevoel krijgen op drift te zijn. Sennett vindt dat de moderne werknemer niet meer gewaardeerd wordt. Hij begint te werken voor een bepaalde chef, maar die wordt na een paar maanden op een ander project gezet. De werknemer krijgt

106

dus een nieuwe chef, die uiteraard andere verwachtingen heeft. Onzekerheid troef, met andere woorden. Ook organisaties in het algemeen zijn permanent aan het herstructureren. Op die manier kan je geen verbondenheid ontwikkelen met andere werknemers. Het gevolg is dat de omgang tussen werknemers noodgedwongen een stuk oppervlakkiger wordt. Volgens Richard Sennett kiezen werknemers helemaal niet voor een ßexibele arbeidsmarkt. Flexibiliteit wordt van hogerhand opgelegd. De computerrevolutie zou werknemers meer autonoom maken: zelf beslissen waar en wanneer je werkt. Het echte resultaat is dat ze permanent onder druk staan, ook thuis. Bovendien zijn projecten gefragmenteerd; werknemers verliezen de visie op het geheel. Dat komt doordat de top geen macht heeft afgestaan. Organisaties zijn weliswaar een stuk ‘platter’ geworden, maar de echte beslissingen worden nog altijd genomen door de top. Je mag ook niet meer tevreden zijn met wat je doet, aldus Sennett: je moet vooruit, kansen zien en vooral benutten. Op die manier ontstaat een nieuwe existentiële onzekerheid. Als mensen telkens weer iets anders doen en voortdurend in beweging zijn, wordt het moeilijk om de vraag te beantwoorden wie ze werkelijk zijn. De media hangen een beeld op van mensen die van hun job houden, maar dat is totaal verkeerd. De meeste werknemers houden immers niet van de job, maar van de wedstrijd, van het testen van de eigen capaciteiten. Is het loon minder dan bij de concurrent, dan zijn ze weg. Ontstaan er moeilijkheden op het werk, dan zullen dergelijke werknemers de problemen liever ontlopen. Sommige werknemers doen niets anders dan naar mensen luisteren, netwerken, informatie verzamelen. Dergelijke werknemers zijn alleen maar proces, geen inhoud. Volgens Sennett is het moeilijk daaraan enige Þerheid te ontlenen. Iemand die de ideeën van Sennett wel zal onderschrijven, is hoogleraar economie Lei Delsen. Hij meent dat er een verborgen prijskaartje hangt aan het steeds ßexibeler maken van arbeid. In een studie berekende hij dat de productiekosten van een ‘ßexibele’ organisatie op de lange termijn hoger zijn dan die van een ‘starre’ organisatie. Bij deze laatste bestaat wel een duurzame relatie tussen werkgever en werknemer. De uiteindelijke meerkosten bij de ßexibele organisatie worden veroorzaakt door toegenomen aanstellingskosten, administratiekosten en onderhandelingskosten. Tot slot wijst Delsen op het feit dat werknemers in een ßexibele organisatie slechts ‘voorbijgangers’ zijn, waardoor de betrokkenheid gering is en de motivatie afbrokkelt. Ook dat staat op het prijskaartje van de ßexibilisering van de arbeid.

107

TIP 42: DURF BEREKENDE RISICO’S NEMEN. Een antwoord op de toenemende ßexibiliteit die gevraagd wordt, is het heft in eigen hand nemen. Toen Nico Goethals en Jan Holvoet op het eind van de jaren ’90 hun werkgever KBC Asset Management vaarwel zegden, werden ze door sommigen gek verklaard. De twee wilden een eigen beleggingsfonds oprichten. Anderhalf jaar zijn ze bezig geweest met technische en juridische voorbereidingen, maar nu is de bevek Aphilion Q² een begrip in de Þnanciële wereld. Jan Van Esbroeck en Jan Vereecke waren studenten TEW in Antwerpen. Toen Van Esbroeck in de eerste licentie zat, was hij voorzitter van de overkoepelende studentenvereniging Unifac. Hij wilde voor zijn medestudenten iets doen met klassieke muziek, maar het project ging het budget van Unifac ver te boven. Van Esbroeck en Vereecke hadden twee mogelijkheden: het project laten vallen of het op eigen risico organiseren. Ze kozen voor het laatste, en zo werd de Night of the Proms geboren. Volgens de verzekeraar AIG bestaat het grootste risico erin geen risico te nemen. Dit principe komt het best tot uiting bij een management buyout. Bij een dergelijke operatie nemen voormalige werknemers van het bedrijf de beslissing om zelf eigenaar te worden van (een deel van) de onderneming. Toen LCI Technology Group in 2002 over de kop ging, bleven 14 Belgische kaderleden van dochterbedrijf Soft Cell niet bij de pakken zitten en namen ‘hun’ onderneming over. In datzelfde jaar werd ook het bedrijf Connections door de directie gekocht van de Ierse eigenaar USIT. En in Nederland werd onze landgenoot Peter Samyn drie jaar later grootaandeelhouder van Union Edel Chocolade. Samyn kocht 80 % van de aandelen van het bedrijf Neuhaus, dat de activiteiten in Haarlem wilde afstoten. Omdat Samyn rotsvast geloofde in het product en in de medewerkers, besliste hij de onderneming te kopen. “Bovendien wilde ik niet dat mijn jarenlange inspanningen en de perspectieven op werkgelegenheid voor mijn mensen verloren zouden gaan. Dat was bij alternatieve denkpistes niet uitgesloten.” De meeste mensen zijn evenwel niet bereid om een berekend risico te nemen. De theorie van Martin Seligman biedt hiervoor een verklaring. Hij stelt dat mensen leren hulpeloos te zijn, de zogeheten learned helplessness theorie. Dergelijke mensen gaan er onterecht van uit dat alles wat ze doen toch tevergeefs is. Vaak ondernemen ze niet eens een poging, zelfs wanneer er een realistische kans op slagen is. Het motto ‘negatief denken, positief handelen’ kan in dergelijke gevallen een oplossing bieden.

108

Het heft in eigen handen nemen moet niet noodzakelijk een management buy-out inhouden, zo wordt bewezen door ‘mediamadam’ Deborah Ostrega. Toen haar Þlmcarrière in het slop zat, was ze niet te beroerd om in een broodjeswinkel te gaan werken. “Liever zo dan dat ik me laat onderhouden door een rijke ouwe vent. Ik ben niet te koop,” vertelt ze aan Het Laatste Nieuws.

TIP 43: LEER UW KINDEREN HOE ZE MET GELD MOETEN OMGAAN. Net als Pamela York-Klainer is ook Kathleen Gurney ervan overtuigd dat onze manier om met geld om te gaan in hoge mate bepaald wordt door de ervaringen uit onze jeugd: de houding van onze ouders tegenover geld bepaalt grotendeels de manier waarop we zelf tegen geld aankijken. Volgens Gurney wordt een ongezonde of overdreven houding tegenover geld nagenoeg automatisch overgenomen door kinderen. Daarom raadt ze aan de volgende vragen te stellen. Had je het idee dat je ouders arm, rijk of modaal waren? Kreeg je voldoende zakgeld, of moest je altijd om geld zeuren? Probeerde een van je ouders je te domineren via geld? Ging een van je ouders op een vreemde manier met geld om? Wat riep dit bij je op? Wellicht is Gurney iets te sterk beïnvloed door Freud, die stelt dat je alle gedrag kan verklaren door ervaringen uit de kindertijd. Toch is het goed die vragen te stellen. Ouders die hun kinderen bijvoorbeeld vertellen dat je alle problemen kan oplossen door meer schulden aan te gaan, maken van hun kroost alleen maar toekomstige patiënten van Gurney. Ook volgens Ric Edelman kan je kinderen niet snel genoeg betrekken bij alles wat met geld te maken heeft. Bij heel wat mensen rust een taboe op geld, en dat is verkeerd. Er bestaat veel onduidelijkheid over de manier waarop je kinderen moet leren omgaan met geld. Zo lees ik ergens dat je ze in geen geval mag betalen voor het opknappen van karweitjes. In een ander boek staat dan weer dat dit wel een goede strategie kan zijn. Er wordt dan ook heel wat onzin verkocht over dit onderwerp; sommigen beweren zelfs dat je in het bijzijn van kinderen beter helemaal zwijgt over geldzaken. Geef kinderen snel de mogelijkheid en de vrijheid om met geld om te gaan — en laat ze fouten maken. Het is immers beter kleine fouten te maken (en ervan te leren) als ze jong zijn, dan later grote fouten te maken met zware consequenties.

109

Het gevolg van deze tip is dat je als ouder de neiging zult hebben om tussenbeide te komen als een beslissing van je kind niet verstandig is of verkeerd uitdraait. Niet doen. Als ze advies vragen in verband met een belangrijke aankoop, geef ze dan de criteria die een rol spelen. Blijf geduldig en neem de beslissing niet in hun plaats. Eigenlijk is het onzinnig een kind dat hogere studies doet, te laten werken tijdens het academiejaar om zijn studies te bekostigen. Studeren is een voltijdse job. Betaal alles wat direct of indirect met de studies te maken heeft. Onderzoek wijst immers uit dat studenten die ook werken tijdens het academiejaar, minder goede resultaten halen dan zij die zich volledig op hun studies kunnen concentreren. Sommige ouders hanteren de stelregel dat ze zelf hebben moeten ploeteren om er te komen; ze willen bijgevolg niet dat hun kinderen dit ook nog eens moeten doormaken. Dat is begrijpelijk, maar het is geen goede strategie. Er is altijd een middenweg. Zorg er bijvoorbeeld voor dat ze kunnen sparen voor dingen die ze graag willen. Ook in geldzaken bij kinderen gaat het vaak gewoon om gezond verstand. Opvoeden in het algemeen komt neer op het geven van veel aanmoediging en zo weinig mogelijk kritiek. In Þnanciële aangelegenheden geldt deze regel misschien nog meer. Selfmade zakenlui hebben de neiging om ook thuis snel en hard te oordelen, wat kinderen niet echt waarderen. Geef positieve feedback, vraag hoe je kan helpen en feliciteer ze met de bereikte prestaties. Als je aan een zesjarige vertelt dat zijn spaarcentjes op een bankrekening staan, kan het kind zich daar niet veel bij voorstellen. Neem het eens mee naar de bank — of verwijs naar Goudgrijp, de bank in de wereld van Harry Potter. Wees bovendien niet bang om te bekennen dat je zelf ook wel eens dingen wil hebben die je je niet kunt veroorloven. Deze op het eerste gezicht paradoxale raad is bedoeld om kinderen te laten beseffen dat hun ouders ook niet alles kunnen (of willen) kopen wat ze verlangen. Het is dan ook geen goede strategie om kinderen alleen maar gemakkelijk haalbare doelen voor te schotelen. Als oudere kinderen geld komen vragen, is het beter een bedrag te geven. Vertel ze echter niet dat je het geld geeft omdat ze het nodig hebben; dit bevat de verborgen boodschap dat de ouders verantwoordelijk zijn en dat het kind gefaald heeft. Zoon of dochter kon het immers niet aan zonder de hulp van papa of mama.

110

Sommige ouders wensen eigenlijk helemaal niet dat hun kroost Þnancieel onafhankelijk wordt: ze willen hun kinderen bij tijd en wijle de klassieke ‘wortel’ kunnen voorhouden. Het geeft natuurlijk een goed gevoel als iemand je nodig heeft — onafhankelijk van de Þnanciële omstandigheden. Toch is het beter je kinderen op te voeden tot Þnancieel zelfstandige personen.

TIP 44: HOUD OP CRUCIALE MOMENTEN UW EMOTIES ONDER CONTROLE. In de psychologie staan twee scholen lijnrecht tegenover elkaar. De ene beweert dat het goed is alle emoties te uiten; de andere stelt dat het beter is de (negatieve) emoties niet uit te drukken, want zo zou je ze alleen maar versterken. Recente studies geven de tweede school meer krediet. Na een empirisch onderzoek bij 10.000 proefpersonen kwam hoogleraar Brad Bushman tot een verbazingwekkende conclusie. Tot nu toe leerden we dat het goed is ‘stoom af te blazen’ en uiting te geven aan gevoelens van boosheid. Dit is de zogeheten catharsistheorie, die stelt dat woede gereduceerd wordt door je te laten gaan. Bushman stelde echter proefondervindelijk vast dat het beter is geen uiting te geven aan de woede, diep adem te halen, tot tien te tellen en te ontspannen. De psycholoog Daniel Goleman noemt emotionele zelfcontrole de master skill. Hij verwijst hiervoor naar de beroemde ‘marshmallow-studie’, die haar oorsprong vond in de jaren 1960. Aan vierjarigen wordt een marshmallow beloofd. Als ze kunnen wachten tot de leider van het experiment terug is, meestal na 15 tot 20 minuten, krijgen ze er echter twee. Een derde van de kleuters neemt de marshmallow zodra de volwassene de kamer uit is. Goleman beschrijft dat deze kinderen het later nog altijd moeilijk hebben om een beloning uit te stellen. Bovendien blijken ze koppig te zijn en niet besluitvaardig, en ze hebben weinig zelfvertrouwen. De meerderheid van de kleuters slaagt er wel in — desnoods met hulpmiddelen — om te wachten. Eigenlijk is dit experiment ook een illustratie van hyperbolisch disconteren. De groep kleuters die de beloning kan uitstellen, zal dat later ook doen. Bovendien zijn ze positiever, ze zetten door bij moeilijkheden en kunnen zichzelf motiveren. Goleman neemt ook aan dat kinderen kunnen leren hun impulsen te beheersen en beloningen uit te stellen. Volgens hem wint nurture het

111

dus van nature. Dankzij dit leerproces vergroten kinderen de kans op succes in hun latere leven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat zelfbeheersing in het boeddhisme een belangrijke voorwaarde is, naast zelfacceptatie en zelfreßectie. Nergens komt emotionele zelfcontrole zo goed van pas als op de beurs. Beleggers laten zich immers keer op keer vangen door hun emoties. Ook in het ‘ultimatumspel’ blijkt dat sommige mensen zich verre van rationeel gedragen en zich eigenlijk ronduit laten leiden door hun emoties. Het concept is eenvoudig. Twee mensen die elkaar niet kennen, zitten aan een tafel. Een van beiden krijgt van de proeßeider een bepaald bedrag toegewezen dat hij naar eigen goeddunken mag verdelen. Krijgt hij bijvoorbeeld 100 euro, dan kan hij 50 euro voor zichzelf houden en 50 euro aan zijn tegenspeler geven. Deze laatste mag dit aanbod aanvaarden of verwerpen. Aanvaardt hij het, dan steken ze allebei het overeengekomen bedrag op zak en gaan uit elkaar. Verwerpt hij het aanbod echter, dan gaat het hele bedrag terug naar de proefleider en geen van beiden krijgt iets. Volgens de economische theorie moet een deelnemer aan dit spel ieder positief bod aanvaarden. Zelfs indien het bod slechts één eurocent zou bedragen — wat dus concreet betekent dat de tegenpartij in dit voorbeeld 99,99 euro voor zichzelf houdt — is het rationeel dit bod te aanvaarden. De reden is eenvoudig: één eurocent is beter dan helemaal niets. Zo zitten mensen echter niet in elkaar. Uit onderzoek van onder meer Werner Güth blijkt immers dat zodra het bod te laag wordt (in de praktijk minder dan 20 % van het te verdelen bedrag), de tegenspeler het bod verwerpt en zijn ultimatum stelt. Vandaar ook de naam ‘ultimatumspel’. Men krijgt dus liever zelf helemaal niets dan dat de tegenpartij het grootste deel van de buit op zak steekt. Waarschijnlijk heeft dit ‘rechtvaardigheidsgevoel’ te maken met het evolutieproces dat ons tot mensen heeft gemaakt. Een bijkomend argument hiervoor is dat de meeste aanbieders hun bod heel redelijk houden: twee derde van de proefpersonen bieden tussen 40 en 50 % van het te verdelen bedrag aan. Dit hoeft niet en eigenlijk is het ook niet rationeel, althans niet vanuit de economische theorie. De rationele aanpak is immers een bod te doen dat de tegenpartij nog net zal aanvaarden, ergens tussen 20 en 40 %. Het gaat namelijk om een eenmalige beslissing, want na het experiment zullen de proefpersonen elkaar waarschijnlijk nooit meer ontmoeten. Recentelijk raakte bekend dat ook kapucijnapen een dergelijk rechtvaardigheidsgevoel hebben. De proefdieren kregen steentjes die ze (zichtbaar voor elkaar) konden ruilen voor een stukje komkommer.

112

Alle apen deden dat ook. Toen sommige proefdieren echter een druif kregen (wat ze lekkerder vinden dan komkommer), gaf 15 % van de apen geen steentje meer voor een stuk komkommer en ruim 30 % weigerde de komkommer aan te nemen of op te eten. Soms gooiden ze het eten zelfs uit de kooi. Kortom, de helft van de apen werd gewoon boos toen sommige soortgenoten lekkerder voedsel kregen. Ook dit gedrag stemt niet overeen met de economische theorie; deze schrijft de apen immers voor het stukje komkommer toch maar aan te nemen en op te eten, want het is beter dan niets. Bijkomend onderzoek toont aan dat mensen zelfs nog verder willen gaan om anderen te straffen die zich tijdens een spel niet ‘correct’ gedragen. Correct gedrag betekent in dit geval (bij een variant op het ultimatumspel) dat de deelnemers het ontvangen geld ook daadwerkelijk kunnen inzetten. De inzet wordt immers verdeeld onder de deelnemers. Een proÞteur — een free-rider — kan in theorie het rijkst worden indien hij niets inzet en toch een deel van de inzet van de anderen ontvangt. In een spel met vier personen kunnen de ‘verliezers’ de proÞteur straffen via de proeßeider, die hem drie monetaire eenheden kan afnemen. Dit kost de verliezers wel ieder een monetaire eenheid. Onderzoek wees uit dat deelnemers ook effectief gebruik maakten van die mogelijkheid. Bovendien bleek de gemiddelde inzet hoger te zijn in een ronde met mogelijkheid tot bestraffing. Volgens professor Ernst Fehr van de Universiteit van Zürich zit de aandrang om een proÞteur te straffen in onze hersenen ingebakken. We lezen hierover het volgende. “Onze instincten zijn gevormd in de miljoenen jaren dat we in kleine sociale groepen in de wildernis leefden. In dergelijke omstandigheden is gedrag zoals bij het ultimatumspel veel rationeler dan in het proeßaboratorium. In die groepen kent iedereen elkaar en heeft iedereen een reputatie hoog te houden. Wie één keer genoegen neemt met een aanbod van 20 %, zal in de toekomst wellicht nooit meer een groter bod krijgen. Wie zo’n laag aanbod woedend afwijst, krijgt de reputatie dat er met hem niet te sollen valt. In het ultimatumspel ontmoeten de deelnemers elkaar slechts één keer, maar in de realiteit moesten mensen jarenlang in dezelfde stam samenleven; op die situatie zijn onze instincten afgestemd.” Dit gedrag vertoont gelijkenissen met de afgang van de TMT-aandelen in de jaren 2001 tot 2003. Beleggers voelden zich bekocht en kregen de indruk dat ze slechts een klein stukje van de te verdelen koek hadden gekregen. Velen onder hen waren, en zijn trouwens nog altijd, ronduit woedend. Ze hebben het gevoel dat een aantal free-riders met het grootste deel van de buit is gaan lopen. In dit kader moet ook het zoeken naar de ‘schuldigen’ van deze affaire gesitueerd worden. Zo werd in de Verenigde Staten een officieel onderzoek gestart naar de aanbeve-

113

lingen van analist Jack Grubman, die wellicht als zondebok geofferd zal worden. Een andere benadering van het ultimatumspel is deze van Straub en Murnighan uit 1995. Zij stellen het wounded pride/spite model voor. Deelnemers aan het ultimatumspel kunnen niet alleen een bepaald bod unfair vinden, maar ook regelrechte woede voelen. Indien dit laatste het geval is, reageren ze volgens de bedenkers van het model rancuneus: ze verwerpen een economisch aanvaardbaar voorstel omdat ze emotioneel reageren op het aanbod van de tegenpartij. De onderzoekers kwamen tot dit model doordat veel proefpersonen aangaven dat ze een laag bod niet alleen onrechtvaardig vonden, maar dat het hen ook boos maakte. Ook dit model kunnen we probleemloos doortrekken naar de wereld van emotionele beleggers. Indien iemand aandelen heeft gekocht van een onderneming zoals Lernout & Hauspie en deze aandelen ziet kelderen, is hij misschien wel van plan om ‘de kelk tot op de bodem te ledigen’. Het is immers gebleken dat heel wat particuliere beleggers uit woede hun aandelen niet hebben verkocht, maar ze tot op het laatste moment hebben bijgehouden — tot ze compleet waardeloos waren. In plaats van een economisch aanvaardbaar bod te aanvaarden (elk positief bedrag, hoe klein ook) voor hun aandelen, verkozen ze de rit helemaal tot het einde uit te zitten. Dit emotionele gedrag staat in schril contrast met de transactie van Microsoft, dat een substantieel belang had in Lernout & Hauspie. Uiteindelijk verkocht Microsoft zijn aandelen voor een paar dollarcent per stuk — een transactie die toch nog miljoenen dollars opleverde omdat de participatie zo groot was. En in ieder geval was het beter dan helemaal niets.

114

Hoofdstuk VI

FINANCIEEL SUCCESVOLLE MENSEN HEBBEN VERSCHILLENDE IJZERS IN HET VUUR
“If money go before, all ways do lie open.” Shakespeare

In hun boek ‘The Inßuentials’ tonen Ed Keller en Jon Berry aan dat een kleine groep mensen een belangrijke invloed heeft op de ideeën van anderen. Het zijn de inßuentials, de mensen met invloed. Zij hechten groot belang aan waarden zoals sterke relaties met familie en vrienden, persoonlijke integriteit (authenticiteit, eerlijkheid, waarachtigheid tegenover zichzelf) en exploratie (kennis, een open geest en creativiteit). De inßuentials houden zich niet bezig met wat anderen denken: zij beinvloeden die anderen immers. Ze voelen ook niet de behoefte om zich te vergelijken met anderen. Ze zijn zeer goed op de hoogte van het principe dat men verschillende ijzers in het vuur moet hebben — en dan nog liefst in verschillende vuren. Ze beseffen dat het gevaarlijk is alle eieren in één mandje te leggen en dat mandje dan goed in de gaten te houden. Een belangrijke manier om meer dan één ijzer in het vuur te hebben, is het onderhouden van contacten met mensen van allerlei slag. Volgens Jon Berry zijn de inßuentials vooral bezig met de vraag: van welke interessante personen kan ik iets leren?

TIP 45: DIVERSIFIEER OOK BUITEN UW BELEGGINGEN. In een interview met De Standaard zegt Jef Nys, de geestelijke vader van Jommeke: “Op stripgebied is het er allemaal al. Je kan niets nieuws meer bedenken. De mannen die nu beginnen, geef ik geen enkele kans.” Toch verklaart hij in datzelfde interview dat hij nooit strips leest. De uitspraak van Nys doet mij denken aan een hoogleraar bij wie ik wetenschappelijk medewerker was in de Money & Finance Re-

115

search Group van de Solvay Business School. Ik vertelde hem dat ik een overzichtsartikel wilde schrijven over behavioral Þnance. De hoogleraar reageerde uitermate negatief; hij vond het helemaal geen goed idee. Bovendien was dit volgens hem ongehoord: een overzichtsartikel schrijf je pas op het einde van een succesvolle academische carrière, niet bij het begin. Ik schreef het artikel toch, en het werd uiteindelijk gepubliceerd in een wetenschappelijk economisch tijdschrift. De Tijd pikte het op en nog iets later herwerkte ik het artikel tot een leesbaar geheel voor Bizz magazine. Tot op vandaag word ik in Vlaanderen beschouwd als een ‘autoriteit’ op het vlak van behavioral Þnance. Ik krijg bijvoorbeeld geregeld uitnodigingen om lezingen te geven over dat domein. De les is overduidelijk: luister niet naar mensen die zeggen dat alles al gedaan, onderzocht, geschreven of getekend is. Honderd jaar geleden werd ook al beweerd dat men op wetenschappelijk gebied alles wist, en die gedachte kwam enkele jaren geleden eveneens naar boven in sommige publicaties. Goethe stelde ooit dat alles misschien al wel gedacht is, maar dat de kunst erin bestaat het opnieuw te bedenken. Behalve het doordrijven van je eigen idee is er een ander belangrijk concept: diversiÞcatie. In de wereld van de beleggers is dit concept algemeen aanvaard. Door je portefeuille uit te breiden met een aantal bijkomende aandelen, kan je het risico van die portefeuille drastisch verlagen bij een gelijkblijvend rendement. Financieel succesvolle mensen passen dit principe eveneens toe. De rijkste familie van België, Ullens de Schooten-Wittouck, weegt 2,6 miljard euro en zit onder meer in Weight Watchers (allicht, met zo’n gewicht). Daarnaast is de familie actief in vijftig ondernemingen in uiteenlopende sectoren: software, telecommunicatie, medische apparatuur en biotechnologie. In 1996 verkocht de familie haar meerderheidsaandeel in Plant Genetic Systems aan Hoechst Schering. Het diversiÞcatieprincipe impliceert evenwel dat je niet altijd met alle projecten evenveel succes kan hebben. Dat is uiteraard niet erg: het is immers de basis van het principe. En het is nog altijd veel beter dan alle hoop op één enkel project te stellen. Mensen die in de Þnanciële problemen zitten, hebben vaak de neiging om alles op één paard te zetten. Vanuit menselijk standpunt is dat begrijpelijk, maar het is wel verkeerd. Onderzoek wees immers uit dat we in het domein van de verliezen meer risico nemen dan in het domein van de winsten. Meer risico nemen kan in dit geval betekenen dat we alles op alles zetten bij een zeer risicovol project.

116

De familie Reens had het mooi voor mekaar: een goede baan, een prachtig huis, dure hobby’s. Toen beide ouders hun job verloren, ging het Þnancieel snel bergaf. In plaats van zich aan te passen aan de (tijdelijk) veranderde omstandigheden, zetten de ouders Reens alle hoop op een ‘wonderproduct’: de Hoodia-pil. “Aangezien er maar een beperkte hoeveelheid Hoodia op de wereld is en wij een van de weinigen zijn die het in Nederland kunnen verhandelen, zijn we ervan overtuigd dat we er binnenkort weer bovenop komen,” vertelde vader Alexander Reens in maart 2005 aan De Telegraaf. Nauwelijks een maand later stond de toekomst van de Hoodia-pil in Nederland al op losse schroeven: het product mocht niet meer verkocht worden omdat er twijfels waren over de veiligheid van de pil. Uit het persbericht bleek ook dat er een tiental Nederlandse ondernemingen bij betrokken waren. De overtuiging van vader Reens dat hij “een van de weinigen in Nederland” was, bleek dus een illusie te zijn. Het diversiÞcatieprincipe kan trouwens binnen heel wat beroepen toegepast worden. Werknemers die denken een interessant idee te hebben, kunnen zelfstandige worden in bijberoep. Op die manier kunnen ze uittesten of het concept inderdaad levensvatbaar is. Boeren die klagen dat ze steeds minder verdienen, kunnen beginnen met hoevetoerisme en een hoevewinkel. Of omschakelen op biolandbouw. Bioboer Jan Haegeman is eerlijk: “Iedere boer wil zoveel mogelijk verdienen, en voor de biomelk kon ik meer geld krijgen.” Of hoe het egoïsme van een individu goed kan zijn voor de gemeenschap, zoals Adam Smith reeds lang geleden stelde. Bij het diversiÞëren is het belangrijk nuchter en rationeel te blijven bij de beoordeling van de projecten. “Er valt veel geld te rapen met Sobelair,” vertelde Aldo Vastapane begin 2002. Nauwelijks twee jaar later beet de man in het zand en moest hij zijn nederlaag toegeven. Naar eigen zeggen vond hij Sobelair “een sympathieke maatschappij” — wellicht daarom stortte hij zich in dat luchtvaartavontuur. Begin 2004 kopte Het Nieuwsblad: “Laatste folietje werd Vastapane fataal.” Het woord ‘fataal’ is hier wat overdreven, maar de boodschap mag duidelijk zijn: het is beter emoties niet te vermengen met zaken.

TIP 46: KIJK TE ALLEN TIJDE NAAR KANSEN EN OPPORTUNITEITEN. In wezen bestaan er slechts twee soorten ondernemingen: zij die luisteren naar de tips van werknemers en zij die dat niet doen. Ondernemin-

117

gen van de eerste soort zijn duidelijk in het voordeel. Bovendien is het een win-win situatie voor de onderneming én de werknemer. Men kan zich afvragen waarom niet elk bedrijf een systeem heeft waarbij werknemers ideeën kunnen aanbrengen. Neem nu Marks & Spencer. België heeft niet zo’n goede ervaring met dit bedrijf, maar in het moederland (Groot-Brittannië) wordt wel goed geluisterd naar de werknemers. Personeelslid Janette Ozkurt vroeg zich af of het niet mogelijk zou zijn staffing boards in een spreadsheet te gieten. Niet dat zij een kei was inzake informatica: alleen een tekstverwerker had voor haar geen geheimen. De voorgestelde oplossing van Ozkurt viel zodanig in de smaak van de directie dat het hele bedrijf ondertussen gebruik maakt van het door haar ontwikkelde systeem. Het leverde Ozkurt een belastingvrije premie op van 5000 pond (ruim 7000 euro). Marks & Spencer beweert jaarlijks meer dan 100.000 pond te besparen door verbetering van de efficiëntie. Volgens woordvoerder Dirk Snauwaert bespaarde Opel Belgum in 2003 meer dan 500.000 euro door tips en ideeën van werknemers in de praktijk te brengen. Het gaat meestal niet om wereldschokkende uitvindingen, maar om praktische voorstellen van mensen die dagelijks met hun job bezig zijn en in de gaten krijgen dat iets eigenlijk beter kan. Zo kreeg werknemer Hugo Hoeven in dat jaar een premie van 7000 euro omdat hij zijn bedrijf honderden liters verf laat besparen op jaarbasis. Hij dokterde immers een systeem uit waarbij de verf bij het spuiten uitsluitend op het koetswerk terechtkomt, zodat er geen verspilling meer is. Snauwaert benadrukt dat de premies netto uitgekeerd worden: Opel neemt de belastingen voor zijn rekening. Hij stipt wel aan dat de belastingen op ‘creativiteitspremies’ nergens zo hoog zijn als in België. Dat komt doordat de uitgekeerde premie normaliter bij het belastbare loon wordt geteld. Zo zit je natuurlijk snel aan een belasting van 50 %. In Groot-Brittannië zijn premies tot 5000 pond volledig belastingvrij; de bedrijven hebben hiervoor een regeling getroffen met de Þscus. Een aantal jaren geleden werkte Tamara Monosoff nog voor Bill Clinton, maar na de geboorte van haar dochter Sophia besliste ze thuis te blijven. Toen ze zich voor de zoveelste keer druk maakte op haar spruit omdat die de wc-rol volledig had afgerold, ging ze nadenken over een systeem om de rol te blokkeren. Dat werd de TP Saver. Een gat in de markt, blijkbaar, want het veerslot verkoopt als zoete broodjes. Monosoff heeft ondertussen nog andere dingen uitgevonden, zoals dierenstickers om kinderen (en sommige volwassenen?) het verschil tussen links en rechts uit te leggen. Onlangs besliste Tamara’s echtgenoot zijn job op te geven om in de onderneming van zijn vrouw te gaan werken.

118

Djibril Soumah uit Brussel staat nog niet zo ver als Tamara Monosoff. Ook bij hem is het idee voor een nieuw product ontsproten uit een lichte ergernis. De man heeft vier kinderen; de jongste gebruikt een kleinere wc-bril die op de grote wordt geplaatst. Dat ding lag altijd op de grond naast de toiletpot. Djibril (What’s in a name?) vond dit niet echt hygiënisch en besloot iets nieuws te bedenken. Het resultaat is een combinatie van een kleine en een grote wc-bril: de Family Bril. De kleine bril zit in het deksel en kan door het kind gemakkelijk neergeklapt worden. Op de laatste editie van de uitvindersbeurs ‘Brussels Eureka’ had Soumah veel bekijks met zijn uitvinding; er werden dan ook contacten gelegd voor de commercialisering van het product. Volgens Betty Chin van Right Start is de boom van uitvindingen door ouders begonnen tegen het eind van de jaren ’90. Toen bracht lerares Julie Aigner-Clark de ‘Baby Einstein’ video’s op de markt, die een mengeling bieden van klassieke muziek, kunst en poëzie. In 2004 haalde Baby Einstein, nu onderdeel van Walt Disney, een zakencijfer van 165 miljoen dollar. Dit voorbeeld stimuleerde andere moeders om zelf ook ‘opvoedkundige’ video’s te maken. Jill Avery zag haar zoontje van drie uit de badkamer komen met zijn kleren binnenstebuiten, en ze besloot video’s te gaan maken over onderwerpen zoals aankleden. De reeks ‘All by Myself’ is een enorm succes. Alleen al van de video over aankleden werden in de VS 80.000 exemplaren verkocht. Toen de rage in Amerika nog moest losbarsten, was Katia De Paepe al volop bezig met haar Noukie’s. Zij beviel in 1992 van een zoon en wilde iets anders gaan doen. In eerste instantie was het de bedoeling een groothandel in knuffeldieren op te starten, maar al snel wilde ze die beesten ook zelf maken. Het eerste exemplaar was een beer: Tonton. Later kwamen er nog Lola de Koe en Paco de Ezel bij, en het werd een enorm succes. “De baby’s zijn verzot op het zachte velours en vaak vinden de mama’s de knuffels nog mooier dan de kinderen zelf,” aldus De Paepe. Amtoys, de onderneming van Katia De Paepe en haar man, groeit als kool: een jaarlijkse omzetstijging van 30 % is geen uitzondering. Het jaar 2004 werd afgesloten met een verkoop van drie miljoen exemplaren. In China en Vietnam produceren 15 fabrieken Noukie’s aan de lopende band. En Katia zit nog vol nieuwe plannen. Enerzijds moeten er snel nieuwe winkels komen in steden zoals Antwerpen en Knokke, maar ook in het buitenland. Daarom werd eind 2004 een directeur marketing & communicatie gezocht om het oorspronkelijke team te komen versterken. Anderzijds wordt ook aan diversiÞcatie gedacht: zo is Amtoys bezig met een 3-D animatie voor tv, een beetje in de lijn van ‘Hopla’, de waanzinnig populaire animatiereeks op Ketnet.

119

Ook René Toet en Karin Löwik, allebei werknemers van Unilever, kwamen thuis op het idee voor een nieuw product. Een van hun kinderen lust geen jam, omdat er stukjes fruit in zitten. Het idee was: waarom geen speciÞeke jam voor kinderen maken? Natuurlijk is de verpakking dan cruciaal. In plaats van een pot werd het een tube, met twee Þguurtjes erop: Fred & Ed. Uiteraard bevat de jam geen brokken, en kinderen vinden het leuk hem zelf op hun boterhammen te ‘spuiten’. In een interview legt René Toet uit dat dit product van Food Sense (de onderneming van Toet, Löwik en Wouter Pol) het eerste voedingsproduct is dat speciÞek gericht is op kinderen. “Fabrikanten als Danone of Lay’s gebruiken de licentie op de verpakking alleen maar om de aandacht te trekken, niet meer dan dat. Het product zelf is niet veranderd.” Het jaar 2004 werd afgesloten met een omzet van circa 2 miljoen euro. De tubes jam met Fred & Ed zijn ook in België verkrijgbaar. Creatieve moeders en vaders in België moeten nog altijd naar de uitvindersbeurs ‘Brussels Eureka’ op de Heizel. Dat heeft zijn voor- en nadelen. Een alternatief zou kunnen zijn te gaan aankloppen bij een bedrijf dat een licentieovereenkomst kan afsluiten met een onderneming die geïnteresseerd is in het fabriceren van het product. Zoals bijvoorbeeld Parents of Invention. Ook deze ‘tussenpersoon’ werd niet toevallig opgericht door een moeder, Laine Caspi.

TIP 47: GEEF NIET TE VLUG OP. Rudolf Diesel had een Þnancieel succesvol iemand kunnen zijn. Hij geloofde rotsvast in zijn uitvinding, maar in 1913 pleegde hij zelfmoord. Het commerciële succes van de dieselmotor heeft hij bijgevolg niet kunnen meemaken. Diesel wist dat zijn motor een hoger rendement leverde dan de stoommachine. De overgang was echter niet gemakkelijk. Bovendien had Diesel niet echt een zakelijk instinct; ondanks het gebrek aan succes leefde hij op grote voet. In 1899 stond hij dan ook, volgens auteur Bert Theunissen, “aan de rand van de Þnanciële afgrond.” Paradoxaal genoeg begon net op dat moment de voorzichtige kentering. Die was evenwel niet te danken aan Diesel zelf, maar aan een aantal ingenieurs die bleven geloven in het concept. Diesel kwam de Þnanciële klap nooit meer te boven. Hij had gedacht dat het allemaal sneller en vooral gemakkelijker zou gaan. In dit boek hadden we het al over Tommy HilÞger, die ondanks een faillissement toch in zijn modebedrijf bleef geloven. Ook Jan Holvoet

120

en Nico Goethals (Aphilion Q²) hadden het de eerste 18 maanden niet onder de markt met technische en juridische perikelen, maar toch zetten ze door. Matthieu France, de jonge ondernemer van FunnyCups, had na zijn eerste poging de handdoek in de ring kunnen gooien. Dat deed hij echter niet: na een bezinningsperiode herbegon hij, met een verbeterd concept. Dit heeft niets te maken met de sunk cost fout. In het laatste geval bijvoorbeeld werd het nieuwe project op zijn eigen merites beoordeeld. Wat in het verleden gebeurd was, speelde niet mee. Blijkbaar bestaat er bij nieuwe concepten, ideeën of technologieën zoiets als een tipping point, een omslagpunt. Malcolm Gladwell schreef er al een boek over. Neem nu Tom Tom, de fabrikant van navigatiesystemen. Het bedrijf werd opgericht in 1991, en de eerste 12 jaar bleef de omzet vrij bescheiden (in 2003 nog 39 miljoen euro). Toen kwam de ‘kwantumsprong’: in 2004 ging het ineens naar 192 miljoen euro. En in 2005 zagen de oprichters hun inspanningen beloond met een succesvolle beursintroductie. De eerste boeken van auteurs zijn zelden bestsellers. Ook ‘De Da Vinci Code’ van Dan Brown kwam er pas na een aantal andere boeken, die slechts een erg bescheiden succes kenden. Brown had er toen mee kunnen kappen; gelukkig voor hem deed hij dat niet.

TIP 48: KEN DE KRACHT VAN SERENDIPITEIT. Toen onderzoekers van DuPont halfweg de jaren 1960 proeven deden om een kunststof te maken die leek op nylon maar een stuk sterker zou zijn, dachten ze vooral aan autobanden. Onderzoekster Stephanie Kwolek combineerde allerlei stoffen, verwarmde ze en liet ze opnieuw afkoelen. Op een dag ontstond zo een troebele substantie, waar zij een helder mengsel had verwacht. Zeer benieuwd vroeg ze aan een collega om van die stof draden te trekken. Zo werd Kevlar geboren: vijf keer zo sterk als staal voor eenzelfde gewicht. De eerste toepassing was het kogelvrij vest. Vandaag wordt Kevlar toegepast in meer dan 200 producten, waaronder ski’s en veiligheidshelmen. En jawel, ook in autobanden. Volgens de Nederlandse professor Pek van Andel is de unieke vondst van Kwolek een mooi voorbeeld van serendipiteit; dit is de gave om door toevalligheden en intelligentie iets te ontdekken waarnaar men niet naar op zoek was. De term komt uit het verhaal over de drie prinsen van Serendip. Dit is de oude Arabische benaming voor Sri Lanka;

121

het betekent zoveel als ‘eiland van goud’. Aan de hand van bepaalde indicaties konden de prinsen nuttige dingen vertellen over een kameel (sommige bronnen spreken van een ezel). Al bij al heeft dit weinig te maken met de hedendaagse omschrijving van serendipiteit, maar in elk geval vindt het woord daar zijn oorsprong. Serendipiteit is uniek, omdat het waarnemen van een verrassend feit gevolgd moet worden door ‘obductie’: het introduceren van een nieuw idee. Dit proces dient onderscheiden te worden van deductie (redenering van het algemene naar het bijzondere) en inductie (van het bijzondere naar het algemene). Een mooi voorbeeld van obductie vinden we bij de ontdekking van de bucky ball, een holle molecule van 60 koolstofatomen in de vorm van een voetbal. Dit was een verrassende anomalie die onbedoeld ontstond tijdens een experiment, waargenomen werd en nadien correct geduid. Sommige uitvindingen worden aangehaald als illustraties van serendipiteit, maar zijn dat eigenlijk niet. Zo is er Robert Cheseborough, die in 1859 uit New York naar Pennsylvania trok om geld te verdienen met olieboringen. Hij merkte dat de arbeiders hun wonden verzorgden met het petroleumsmeer dat zich vastzette op stangen en pompen. Na jarenlange proefnemingen ontwikkelde hij daaruit een zalfje dat hij ‘vaseline’ doopte. Ook de uitvinding van de revolver is een staaltje van logisch nadenken. Toen de jonge Samuel Colt op een schip zat, bracht het stuurrad hem op het idee een pistool te ontwerpen met een draaiende trommel. Ook de uitvinding van het veiligheidsglas en de stethoscoop moet veeleer toegewezen worden aan schranderheid dan aan serendipiteit. Een tijd geleden vroeg de BBC radio wat het meest geliefde woord was bij de luisteraars. Serendipity werd overtuigend winnaar, met 15.000 inzendingen. Een zoektocht via Google levert meer dan een miljoen hits op, en er is zelfs een Þlm met deze titel (met John Cusack en Kate Beckinsale). In de Verenigde Staten zijn er serendipity shops en de Koninklijke Nederlandse Chemische Vereniging (KNCV) heeft zelfs een serendipiteits-prijsvraag waarbij je 1000 euro kan winnen. Als voorbeeld van serendipiteit kent iedereen wel het verhaal van de post-it notes, die per toeval uitgevonden werden doordat de gebruikte lijm niet sterk genoeg was. Ook Viagra werd toevallig uitgevonden. In 1993 deed PÞzer tests met de antistollingsstof sildenaÞl bij patiënten met hart- en vaatziekten; de mannelijke proefpersonen kregen als bijverschijnsel spontane erecties. Een uitzondering op de regel dat toevallige uitvindingen vooral plaatsvinden in chemie en farmacie, is de geboorte van de microgolfoven. Magnetrons werden tijdens de Tweede Wereldoorlog door Raytheon

122

geproduceerd voor radarinstallaties. Ene Percy Le Baron Spencer merkte op dat die magnetrons warmte afgaven; hij begreep dat de microgolven de juiste golßengte hadden om watermoleculen in beweging te brengen en zo voedsel op te warmen. Na de oorlog viel de militaire productie stil, en een nieuwe toepassing van de magnetron was meer dan welkom. In 1947 kwam de eerste reusachtige microgolfoven op de markt: de Radarange. Pas 20 jaar later werd in Japan een tafelmodel ontwikkeld. Het eerste chemisch element dat ooit werd ontdekt, zou ook een geval van serendipiteit zijn. Hennig Brandt uit Hamburg, ‘de laatste der alchimisten’, zocht in urine naar een stof om zilver in goud te veranderen. In 1669 vond hij een wit goedje dat licht gaf in het donker; hij noemde het ‘fosfor’ (lichtdrager). Volgens Pek van Andel is serendipiteit “zoeken naar een naald in een hooiberg en eruit rollen met een boerenmeid.”

TIP 49: DOE DINGEN DIE NIEMAND VRAAGT. Tjitske Jansen schrijft gedichten. Ze houdt ervan dingen te doen waar niemand om heeft gevraagd. Jean-Pierre Boudier staat aan het hoofd van Troc International, de grootste warenhuisketen voor tweedehands spullen. Op 43-jarige leeftijd verloor hij zijn job, en niemand verplichtte hem toen om een eigen zaak te beginnen. “Op een dag las ik in de krant over een winkel die tweedehands artikelen verkocht,” vertelt Boudier aan Het Laatste Nieuws. “In plaats van de mensen zelf hun spullen te laten verkopen, zou ik dat voor hen doen mits een kleine commissie op de verkoopprijs.” Niemand vroeg aan de 14-jarige Nielsen Scheerlinck om zijn eerste Þlmscenario naar Hollywood te sturen. Jerry Bruckheimer was niettemin onmiddellijk verkocht en nodigde de jonge snaak uit voor een gesprek. Scheerlinck — nog altijd maar vooraan in de twintig — staat nu aan het hoofd van een succesvolle onderneming. Niemand vroeg aan de auteurs van bestsellers om die boeken te schrijven, maar toch deden ze het. Daarbij verwachtten ze niet eens dat ze succes zouden hebben; het overkwam hun zonder dat ze erop hadden gerekend. Psychiater Alex Korzec meent dat heel wat auteurs te veel rekening houden met wat anderen van hun werk vinden. “Mensen verschuilen zich achter een schild waarop staat: ‘Ik werk heel hard’. Die ijdelheid

123

dicteert het maffe geloof dat je ergens recht op hebt.” De meeste auteurs vinden een minder goede recensie dan ook beledigend. Volgens Korzec kampen veel schrijvers met het probleem dat het intrinsieke genoegen van het schrijven betrekkelijk klein is. “Schrijven kost veel meer dan het oplevert. Je genoegen moet je ontlenen aan de zin om een probleem te doorgronden, om donkere gebieden helder te krijgen. Dat is op zich een resultaat. Het is mooi meegenomen als een schrijver goed verkoopt, jammer als dat niet gebeurt. Echte kunstenaars kunnen niet anders dan doorgaan,” zo lezen we in De Groene Amsterdammer. Financieel succesvolle mensen geloven niet (meer) in een rechtvaardige wereld waar men zou krijgen wat men verdient, volgens de just world theory van psycholoog Melvin Lerner. Dan Brown weet ook wel dat er veel betere boeken bestaan dan zijn ‘Da Vinci Code’. Maar hij ligt er niet wakker van, zoals ook het gebrek aan succes van zijn vorige boeken hem niet weerhield om aan deze bestseller te beginnen.

TIP 50: ONDERHOUD UW NETWERK NIEUWE STIJL. Sam Dillemans is kunstschilder en de zoon van ererector Roger Dillemans van de KULeuven. Dillemans junior heeft een aantal kenmerken waarover we het in dit boek al hebben gehad: hij gaat zijn eigen weg, sluit geen compromissen, heeft discipline. Kortom, hij schildert voor wat hij zelf in een interview met De Morgen “een hogere macht” noemt. Wat anderen van zijn werk vinden, interesseert hem niet. Zoals veel kunstenaars is Sam Dillemans graag alleen. “Ik zou ziek worden in de drukte van recepties.” Zonder het bewust te willen, gebruikt hij echter wel het netwerk van zijn vader. Alleen al het feit dat hij een interview in De Morgen krijgt, bewijst dit. Zelf vermoedt hij dat hij sociaal is op zijn manier: “Mijn schilderijen hangen aan de muren bij de mensen thuis.” In de jaren ’80 was netwerken de gebruikelijke manier om aan een goede job te komen. Netwerken houdt in dat je mensen op een indirecte manier benadert om ze ‘advies’ en ‘raad’ te vragen. Zo kom je in contact met mensen die een interessante job kunnen bieden of misschien weet hebben van een vacature die nog niet in de krant staat. Op die manier wordt het personeelsdepartement omzeild. Deze benadering ‘via de achterdeur’ werd zelfs geïnstitutionaliseerd, maar is nu volgens life coach Stephen Pollan totaal uit de mode en

124

bovendien inefficiënt. Niemand valt nog voor dergelijke ‘informele interviews’. Kaderleden weten dat het in feite om een verkapte sollicitatie gaat, en personeelsdirecteurs zijn niet gelukkig als ze op die manier buitenspel worden gezet. Als ‘wraak’ gebruiken ze nu headhunters voor het invullen van hoge functies. Sommige kaderleden vermijden zelfs bijeenkomsten met collega’s uit de sector, omdat ze weten dat ze aangeklampt zullen worden door dergelijke kandidaten. Men kan zich dan ook terecht afvragen waarom mensen hun tijd verbeuzelen bij organisaties zoals Managers 4 Managers of BusinessNetwerkCafé. De beste benadering op de lange termijn is volgens Pollan: richt je volledig op je persoonlijk leven en zoek daar de opportuniteit. Dat is de nieuwe stijl van netwerken. Vandaag de dag wil immers niemand nog een volslagen onbekende aanwerven. Met zo weinig jobs en zoveel kandidaten, kijken mensen in eerste instantie binnen hun eigen kennissenkring als er een vacature is. Toen De Standaard een boekenrubriek wilde opstarten, werd er geen advertentie geplaatst. Mijn collega en vriend Wim De Preter van die krant vroeg me bij een kop thee of ik interesse had om dat te doen. Hij wist dat ik een boekenwurm ben. Word daarom actief in het verenigingsleven, neem oude hobby’s weer op, volg lezingen. Sla regelmatig een praatje met de buren, word lid van een zangkoor of een boekenleesclub of wat dan ook. Kortom, bouw zoveel mogelijk sociale contacten op. De kans dat je op korte termijn een concrete werkaanbieding krijgt, is wellicht relatief klein — maar op de lange termijn levert het wel een heleboel mogelijkheden op. Van Scott Adams, de geestelijke vader van Dilbert, zou je niet verwachten dat hij aan netwerken doet. Toch komen de ideeën die hij in zijn strips verwerkt, meestal van werknemers die hem mailen. Adams leunt zo sterk op dat netwerk dat hij tegen het eind van de jaren ’90 zelfs zonder inspiratie kwam te zitten. “Drie of vier jaar lang weigerden de mensen letterlijk te klagen: ze waren ervan overtuigd dat het hun eigen fout was als dingen verkeerd gingen.” Gelukkig voor Adams — én voor zijn lezers — spatte begin 2000 de dotcom-zeepbel uit elkaar en kreeg hij weer genoeg suggesties voor een aantal zeer vermakelijke cartoons.

125

BESLUIT
In 2004 voerde KBC Bank & Verzekeringen een onderzoek uit bij de Vlamingen. Initieel dacht 97 % goed verzekerd te zijn. Als de ondervraagden echter geconfronteerd werden met heel concrete situaties (een vakman veroorzaakt schade bij het uitvoeren van een herstelling, uzelf veroorzaakt schade aan een hotelkamer door onvoorzichtigheid) verandert die houding. Amper 7 % is er dan nog steeds van overtuigd te beschikken over alle nodige basisverzekeringen. Het onderzoek van KBC raakt de kern van de zaak. Mensen denken over het algemeen dat alles snor zit, tot je concrete vragen begint te stellen. Financieel succesvolle mensen zijn bereid om die vragen aan zichzelf te stellen, om een antwoord te zoeken en ten slotte ook om er iets aan te doen. Deze drie eigenschappen samen maken het verschil met niet-succesvolle mensen. Het woord ‘genoegzaamheid’ staat niet in het woordenboek van Þnancieel succesvolle mensen. Tegelijk beseffen Þnancieel succesvolle mensen dat succes erg relatief is. Volgens rabbi Bonder is succes immers het in bedwang houden van ‘niet-succes’. Hij illustreert dit met het verhaal over een man die een edelsteen wil verkopen in Londen, op een schip terecht komt, bevriend raakt met de kapitein, zijn edelsteen kwijtraakt, dit verzwijgt en uiteindelijk in het bezit komt van een enorme lading graan. Niet-succes is dus volgens Bonder een zeer tijdelijke vorm van parnassa (levensonderhoud). De grotere cyclus — die van de segoela — blijft onveranderd. Als we die cyclus de tijd geven, zal alles zich herstellen. Segoela is niet hetzelfde als geluk; het is een combinatie van wie we zijn en hoe belangrijk we zijn voor onze eigen omgeving. Een goede segoela is geen garantie voor rijkdom; daarvoor moet je nog de kunst beheersen om in de markt op treden en zo de segoela om te vormen tot rijkdom. Wijze woorden van rabbi Bonder om dit boek te besluiten.

126

BIBLIOGRAFIE
Nilton Bonder, De kabbala van geld (Elmar, Rijswijk, 1997). Pascal Bruckner, Gij zult rijk worden (Boom, Amsterdam, 2002). Thierry Debels, Emotionele intelligentie op de beurs (Roularta Books, Roeselare, 2002). Thierry Debels, Waarom beleggers de verkeerde fondsen kiezen (Roularta Books, Roeselare, 2003). Thierry Debels, Groot lexicon van de beuzelarijen op de beurs (Roularta Books, Roeselare, 2004). Richard Koch, Het 80/20-individu (Academic Service, Schoonhoven, 2002). Lou Marinoff, Levensvragen (Archipel, Amsterdam, 2003). Stephen Pollan, Fire your boss (Harper Resource, New York, 2005). Richard Wiseman, The luck factor (Arrow Books, London, 2003).

127

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful