Psychologie­ ­

Mei­2007

Uitgave:­ Quality Assurance Netherlands Universities (QANU) Catharijnesingel 56 Postbus 8035 3503 RA Utrecht Telefoon: Fax: E-mail: Internet: 030 30 3100 030 30 319 info@qanu.nl www.qanu.nl

© 007 QANU Tekst en cijfermateriaal uit deze uitgave mogen, na toestemming van QANU en voorzien van bronvermelding, door middel van druk, fotokopie, of op welke andere wijze dan ook, worden overgenomen. 
QANU / Psychologie

Inhoudsopgave
Voorwoord­ ­ Deel­I­ ­Algemeen­deel­ 5 7
9 11 19

1. Inleiding . Taak en samenstelling commissie 3. Algemene inhoudelijke bevindingen

Deel­II­

Opleidingsrapporten­

31
33 69 119 159 01 41 83 33 371 419 471

1. De bachelor- en masteropleiding Psychologie van de Faculteit der Sociale Wetenschappen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam . De bacheloropleiding Psychologie, de masteropleiding Psychology en de masteropleiding Psychological Research van de Faculteit Psychologie aan de Open Universiteit Nederland 3. De bachelor- en masteropleiding Psychologie van de Faculteit Sociale Wetenschappen aan de Radboud Universiteit Nijmegen 4. De bachelor- en masteropleiding Psychologie van de Faculteit der Gedrags- en Maatschappijwetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen 5. De bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychology van de Faculteit der Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Leiden 6. De bachelor- en masteropleiding Psychologie van de Faculteit der Psychologie aan de Universiteit Maastricht 7. De bachelor- en masteropleiding Psychologie van de Faculteit Gedragswetenschappen aan de Universiteit Twente 8. De bachelor- en masteropleiding Psychologie van de Faculteit Sociale Wetenschappen aan de Universiteit Utrecht 9. De bacheloropleiding Psychologie en de masteropleidingen Psychologie en Gezondheidszorg Psychologie van de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam 10. De bacheloropleiding Psychologie en de masteropleidingen Psychologie en Geestelijke Gezondheid en Sociale Psychologie van de Faculteit Sociale Wetenschappen aan de Universiteit van Tilburg 11. De bachelor- en masteropleiding Psychologie van de Faculteit der Psychologie en Pedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam

Bijlagen­
Bijlage A: Bijlage B: Bijlage C: Bijlage D:

­
Curricula vitae van de leden en secretarissen van de commissie Commissiesamenstelling per bezoek Domeinspecifiek referentiekader Psychologie Bezoekdata en standaardprogramma van de onderwijsvisitatie Psychologie

519
51 55 59 533
3

QANU / Psychologie

Bijlage E: Bijlage F:

KUO-tabellen Lijst met afkortingen

535 541

4

QANU / Psychologie

VOORWOORD
Dit rapport is onderdeel van de kwaliteitsbeoordeling van universitaire bachelor- en masteropleidingen in Nederland. Het doel van het rapport is om een betrouwbaar beeld te geven van de resultaten van de voor beoordeling voorgelegde opleidingen, alsmede een terugkoppeling te geven naar de interne kwaliteitszorg van de betrokken organisaties en als basis te dienen voor de accreditatie van de betrokken opleidingen door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO). De stichting Quality Assurance Netherlands Universities (QANU) beoogt onafhankelijke, objectieve en kritische beoordelingen te laten plaatsvinden en opbouwende kritiek te leveren, zo veel mogelijk uitgaande van een gestandaardiseerde set van kwaliteitscriteria met oog voor specifieke omstandigheden. De Visitatiecommissie Psychologie van QANU heeft haar taken met grote toewijding uitgevoerd in een periode die wordt gekenmerkt door de overgang naar de bachelor-masterstructuur. De opleidingen zijn beoordeeld op een grondige en zorgvuldige manier en binnen een duidelijk beoordelingskader. Wij verwachten dat de oordelen en de aanbevelingen in zorgvuldige overweging zullen worden genomen door de betrokken opleidingen, faculteitsbesturen en Colleges van Bestuur. Wij zeggen dank aan de voorzitter en de leden van de visitatiecommissie voor hun bereidheid deel te nemen aan deze beoordeling en voor de toewijding waarmee ze hun taak hebben uitgevoerd. Ook gaat onze dank uit naar de staf van de betrokken afdelingen aan de universiteiten voor hun inspanningen en hun medewerking aan deze beoordeling. Quality Assurance Netherlands Universities mr. C.J. Peels directeur drs. J.G.F. Veldhuis voorzitter bestuur

QANU / Psychologie

5

6

QANU / Psychologie

DEEL­I:­ALGEMEEN­DEEL

QANU / Psychologie

7

8

QANU / Psychologie

1.­

Inleiding

In dit rapport brengt de visitatiecommissie Psychologie (hierna de commissie) verslag uit van haar bevindingen. Het rapport bestaat uit twee delen: • • een algemeen deel (I). Dit deel gaat, conform de richtlijnen in het QANU-kader 003, in op de taak, samenstelling en werkwijze van de commissie. Hierin komen ook enkele algemene bevindingen van inhoudelijke aard ter sprake; een opleidingsdeel (II). Per bachelor- en daarbij horende masteropleiding(en) behandelt de commissie de 1 facetten. In dit deel spreekt zij oordelen uit op facet- en onderwerpniveau.

QANU / Psychologie

9

10

QANU / Psychologie

De commissie kreeg de taak om op basis van de door de opleidingen aan te leveren informatie en door middel van ter plaatse te voeren gesprekken een oordeel te geven over de verschillende kwaliteitsaspecten van de betrokken opleidingen.2. op basis daarvan vast te stellen of de opleidingen naar haar oordeel voldoen aan de criteria voor basiskwaliteit.­­ Betrokken­opleidingen­ De commissie bezocht de volgende opleidingen (CROHO-nummer): Erasmus Universiteit Rotterdam • Psychologie (bachelor) (56604) • Psychology (master) (66604) Open Universiteit Nederland • Psychologie (bachelor) (56604) • Psychological Research (master) (60095) • Psychology (master) (66604) Radboud Universiteit Nijmegen • Psychologie (bachelor) (56604) • Psychology (master) (66604) Rijksuniversiteit Groningen • Psychologie (bachelor) (56604) • Psychologie (master) (6060) Universiteit Leiden • Psychologie (bachelor) (56604) • Psychology (master) (66604) Universiteit Maastricht • Psychologie (bachelor) (56604) • Psychology (master) (66604) Universiteit Twente • Psychologie (bachelor) (56604) • Psychology (master) (66604) QANU / Psychologie 11 . 2. en de aspecten van de opleidingen te identificeren die naar haar oordeel voor verbetering vatbaar zijn.­ 2.2. Dit laatste is op verzoek van de instellingen weergegeven in een aparte side letter aan de betreffende instelling. zoals beschreven in het bovengenoemde protocol.­ Taak­en­samenstelling­commissie Taak­van­de­commissie De taak van de commissie was het verrichten van een visitatie conform het QANU-protocol.1.

hoogleraar Sociale psychologie.­dr.­Brysbaert. emeritus-hoogleraar Onderwijskunde.F. prof.­van­Vugt.­de­Vries BSc. ondertekend.W.­dr.3. Tot de leden van de commissie werden benoemd: •­ •­ •­ •­ •­ •­ •­ •­ •­ •­ prof.J. emeritus-hoogleraar Algemene klinische psychologie. (Nik) Heerens als secretaris opgetreden.­von­Grumbkow.­E. hoogleraar Experimentele psychologie. prof.­Wijnen. van Ophem.­W. I.H.­dr.­ J. Voor het bezoek aan de UvA is dhr. student Psychologie. prof.­ dr.­M.­Schell. hoogleraar Cognitieve psychologie. De leden van de commissie hebben niet 1 QANU / Psychologie . University of Kent at Canterbury. dr.C. Rijksuniversiteit Groningen.­Wagemans.­W. drs.­Gordijn.en organisatiepsychologie. Universiteit van Amsterdam. Universiteit Maastricht.­M.­universitair hoofddocent Sociale psychologie. prof. Rijksuniversiteit Groningen. University of London.­dr.Universiteit Utrecht • Psychologie (bachelor) (56604) • Psychology (master) (66604) Universiteit van Amsterdam • Psychologie (bachelor) (56604) • Gezondheidszorg Psychologie (master) (6016) • Psychology (master) (66604) Universiteit van Tilburg • Psychologie (bachelor) (56604) • Psychologie en Geestelijke Gezondheid (master) (60076) • Sociale Psychologie (master) (60077) Vrije Universiteit Amsterdam • Psychologie (bachelor) (56604) • Psychologie (master) (6060) 2. in het bijzonder de selectiepsychologie. (Isabella) M.­dr.­M. hoogleraar Personeelspsychologie. emeritus-hoogleraar Medische psychologie. N. werd benoemd: •­ prof.Ph.­J. tevens lid van de commissie.­Born.­E. prof.­dr. Alle leden van de commissie en de secretarissen hebben de onafhankelijkheidsverklaring.­ Samenstelling­commissie Tot voorzitter.M. Royal Holloway. Erasmus Universiteit Rotterdam. projectleider bij QANU. Als secretaris van de commissie is opgetreden: mw. E. V. Open Universiteit Nederland.­dr. Erasmus Universiteit Rotterdam. Universiteit Leiden/Universiteit van Amsterdam. die is opgenomen in het ‘QANU-kader’. studente Psychologie. prof.­Everaerd.­Klip.M. hoogleraar Arbeids. Katholieke Universiteit Leuven.

Daarnaast werd er steeds afzonderlijk QANU / Psychologie 13 . Hoewel ieder commissielid de hele zelfstudie las en beoordeelde.­ Werkwijze­commissie De commissie hield op  maart 006 haar startvergadering. opleidingsbestuur. hoogleraar Onderwijskunde van de Universiteit van Amsterdam. De voorzitter vertegenwoordigt de onderwijskundige expertise in de commissie. Het QANU-protocol is leidraad geweest voor de werkwijze van de commissie. 2. De commissieleden vormden koppels op de expertisegebieden: • • • • • Arbeids. afgestudeerden. examencommissies en studiebegeleiding. Van elk koppel heeft één van beide deelgenomen aan een visitatiebezoek. Tijdens deze vergadering werd het domeinspecifieke referentiekader van de commissie (zie bijlage C) en de taakverdeling binnen de commissie vastgesteld en namen de leden de werkwijze door. Studentleden. Sociale en persoonlijkheidspsychologie. Op grond daarvan is bepaald of de rapporten bruikbaar waren voor het visitatiebezoek. Nadat de zelfstudies in orde waren bevonden. Een overzicht van de curricula vitae van de leden van de commissie is als bijlage A opgenomen. Dat bezoekprogramma werd in samenspraak tussen de voorzitter. De commissieleden bestudeerden de zelfstudie (en bijlagen) en formuleerden vragen die werden doorgegeven aan de secretaris. opleidingscommissies. De voorzitter is om reden van onafhankelijkheid niet betrokken geweest bij de beoordeling van de opleidingen van de UM. Tijdens het visitatiebezoek is gesproken met (een representatieve) vertegenwoordiging van het faculteitsbestuur.en organisatiepsychologie. Deze compileerde alle vragen tot een document dat voorlag tijdens het visitatiebezoek.F. heeft de onderwijskundige expertise bij de beoordeling van deze opleidingen vertegenwoordigd. zijn er per onderwerp van het accreditatiekader ‘eerste en tweede verantwoordelijken’ aangewezen die in eerste instantie verantwoordelijk waren voor behandeling ervan tijdens het bezoek. Functieleer/Cognitieve psychologie/Biologische psychologie.4.M. Tijdens een voorbereidende vergadering aan het begin van het bezoek werd elke visitatie concreet voorbereid. Het­visitatiebezoek De secretaris maakte een basisbezoekprogramma voor de (dag-)indeling van het visitatiebezoek. Klinische en gezondheidspsychologie. secretaris en de contactpersoon van de betreffende faculteit/universiteit aangepast aan de specifieke situatie van de opleiding (zie bijlage D). zijn de commissieleden en secretaris zich inhoudelijk gaan voorbereiden op het bezoek. De­voorbereidingsfase Allereerst heeft de secretaris de zelfstudies gecontroleerd op kwaliteit en compleetheid van informatie. De heer Everaerd heeft als vice-voorzitter dit bezoek voorgezeten en de heer J. Een overzicht van de commissiesamenstelling per visitatiebezoek is als bijlage B opgenomen. de beoordeling en de argumentatie. van Hout.J.deelgenomen aan de bezoeken en beoordeling van opleidingen waar zij bij betrokken zijn of waren. Ook lazen de commissieleden van tevoren drie afstudeerwerken per bezoek.

en de masteropleiding(en) beschreven voor zover deze voortkomen uit dezelfde ongedeelde opleiding. Aan de deeltijdopleidingen voor zover aangeboden. op onderwerpniveau een tweepuntsschaal: voldoende of onvoldoende. De beoordeling ‘goed’ houdt in dat het niveau van het facet uitstijgt boven de basiskwaliteit. conceptrapporten opgesteld. Tijdens ieder bezoek bestudeerde de commissie het ter inzage gevraagd materiaal (zie verderop ‘Bestuderen materiaal ter plaatse’) en hield de commissie spreekuur ten behoeve van spontane aanmeldingen van studenten of docenten.en de masteropleidingen (soms van de doctoraalfase als voorloper daarvan). Deze zijn voorgelegd aan de betrokken commissieleden bij het betreffende visitatiebezoek en tijdens de slotvergadering op 10 en 11 februari 007 aan de hele commissie.en docentvertegenwoordigers van de bachelor. wordt voor het oordeel het gemiddelde genomen: voldoende. Beslisregels In het accreditatiestelsel is voor de beoordeling op facetniveau een vierpuntsschaal voorgeschreven: onvoldoende. goed en excellent. 14 QANU / Psychologie . Omdat de meeste masterprogramma’s pas recent van start zijn gegaan. Plannen kunnen niet zomaar een goed krijgen. De commissie heeft de standaard QANU-beslisregels gevolgd. op basis van de bevindingen van de commissie. De­rapportage De secretaris heeft. Wanneer de commissie een best practice in nationaal perspectief heeft uitgesproken.gesproken met student. kon de commissie niet geheel varen op ervaring met het programma of oordelen van studenten. luidt het oordeel in principe: goed. Zij koos er daarom voor in voorkomende gevallen de plannen te beoordelen. wordt alleen expliciet aandacht besteed indien er daadwerkelijk sprake is van afwijkingen van de voltijdopleidingen. De commissie gebruikte het grootste deel van de laatste middag van het bezoek voor de voorbereiding van de mondelinge rapportage en een discussie over de beoordeling van de opleidingen. waarbij de voorgeschreven checklist werd gevolgd. Daarbij ging het steeds om een aantal algemene waarnemingen en een aantal eerste indrukken per opleiding. Wanneer er binnen een facet zowel een kritische kanttekening gemaakt wordt als een best practice wordt uitgesproken. Steeds zijn in één opleidingsrapport de bachelor. Tijdens de bezoeken werden voorlopige oordelen gegeven. Deze zijn: • • • • De beoordeling ‘onvoldoende’ wijst erop dat het facet beneden de gestelde verwachting ligt en dat beleidsaandacht op dit punt nodig is. Aan het einde van het bezoek heeft de voorzitter een mondelinge terugkoppeling gegeven op grond van de eerste bevindingen van de commissie. De beoordeling ‘excellent’ houdt in dat voor het facet een niveau wordt gerealiseerd waardoor de beoordeelde opleiding zowel nationaal als internationaal als een voorbeeld van goede praktijk kan functioneren. voldoende. De beoordeling ‘voldoende’ houdt in dat het facet beantwoordt aan de basisstandaard of basisnorm.

stageverslagen. Deze zijn in overleg met de voorzitter door de secretaris verwerkt in de rapporten. studiehandleidingen. readers. tentamen. bachelor-masterovergangsregelingen. Bestuderen­materiaal­ter­plaatse De commissie heeft tijdens het bezoek systematisch materiaal ter bestudering en verificatie doorgenomen. voor gekozen om vooral de stand van zaken tijdens het visitatiebezoek weer te geven. recente verslagen opleidingscommissie. onderwijs. stagereglementen/handleidingen. Bezoekprogramma In bijlage D zijn de data en het standaardprogramma van de bezoeken opgenomen.en examenreglement. onderwijs. studiemateriaal: handboeken en syllabi. De commissie waardeert dit zeer. De commissie is gewezen op discrepantie tussen soms lovende woorden in de tekst en het daaropvolgende oordeel ‘voldoende’. Na accordering door de voorzitter zijn het algemeen deel en het betreffende concept van het opleidingsrapport aangeboden aan de opleidingen voor correctie van eventuele feitelijke onjuistheden. toetsmaterialen (enkele tentamens. Ook heeft de commissie uit de meeste reacties op de conceptrapporten begrepen dat de opleidingen bezig zijn met het treffen van verbetermaatregelen naar aanleiding van het visitatiebezoek. In maart 007 waren de feitelijke onjuistheden en commentaren van de opleidingen binnen bij de secretaris. maar heeft er vanwege het feit dat niet alle verbeterplannen in zichzelf verifieerbaar zijn en om ongelijkheid in de beoordelingsprocedure tussen opleidingen te voorkomen. voorbeelden van scripties. Zij is daarom voorzichtig omgegaan met het weergeven van genomen of te nemen maatregelen van de opleidingen die zij tijdens de procedure ‘feitelijke onjuistheden’ heeft gehoord. alumni-enquêtes. Uit de reacties van de opleidingen op de conceptrapportages heeft de commissie begrepen dat de commissie wellicht wat karig is geweest met het uitdelen van het oordeel ‘goed’.Na de slotvergadering zijn commentaren en opmerkingen van de commissieleden verwerkt in een definitieve versie van de rapporten. toetshandleiding en dergelijke). college-.en curriculumevaluaties. portfolio’s. voorlichtingsmateriaal. onderzoeksverslagen van studenten. 15 QANU / Psychologie . scriptiereglementen en richtlijnen voor het maken van scripties. examencommissie.en examenregelingen. Zij heeft het oordeel ‘goed’ toegekend wanneer een facet duidelijk uitstijgt boven deze basiskwaliteit. De opleidingen hebben het volgende materiaal ter beschikking gesteld: • • • • • • • • • • • • • alle scripties uit de zelfstudie (ook bachelorscripties) en eventueel beoordelingsformulieren als die gebruikt zijn. onderwijsjaarverslagen. De visitatiecommissie Psychologie wil in dit kader nogmaals benadrukken dat zij zich bij de beoordeling van de facetten heeft gehouden aan de beslisregels van QANU en zich heeft gericht op het beoordelen van de basiskwaliteit waaraan zij het oordeel ‘voldoende’ heeft verleent. studententevredenheidsmonitor(en) et cetera. De bezoeken hebben plaatsgevonden van mei 006 tot en met december 006. medewerkerstevredenheidsonderzoek.

De opleidingen waren in alle gevallen in staat om de gevraagde informatie te leveren. Wanneer gewenste informatie naar het oordeel van de commissie niet volledig voorhanden was heeft de commissie gevraagd die informatie te verstrekken. Deze cijfers worden ook wel de KUO-cijfers genoemd (Kengetallen Universitair Onderwijs). en de criteria waaronder studenten tot de masteropleiding worden toegelaten. is het mogelijk om de universiteiten en opleidingen onderling te vergelijken. In de KUOtabellen zijn niet de gegevens van de Open Universiteit Nederland (OUNL) opgenomen. De KUO-gegevens betreffende instroom. facultaire sociale jaarverslagen. de gegevens verschillen veelal van gegevens die door de opleidingen zelf worden gebruikt. deze zijn pas vlak voor de zomer van 006 beschikbaar gekomen. Dit wordt ook wel de inschrijving Eerstejaars-Opleiding-Instelling (EOI) genoemd. In enkele gevallen zijn ook doctoraalscripties gelezen als er nog onvoldoende masterscripties gereed waren. Studenten met meer dan één inschrijving blijven dus buiten beschouwing vanwege het feit dat ze niet goed toe te delen zijn in hoofd.en stagebegeleiders. Aangezien de cijfers op identieke wijze door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) worden bewerkt. Ter voorbereiding op de visitatie heeft ieder commissielid. Echter. drie afstudeerverslagen van de bachelor. voor het onderwijs) ad-hoc commissies. verslagen/rapporten relevante (d. De selectie geschiedde door secretaris en voorzitter.• • • • verslagen/rapporten facultaire onderwijscommissies. Kengetallen­Universitair­Onderwijs­(KUO-cijfers) QANU heeft tijdens het visitatieproces aan de commissieleden cijfermateriaal verstrekt dat afkomstig is van een database die onder auspiciën van de VSNU is ontwikkeld. Zo verschillen instellingen bijvoorbeeld van elkaar als het gaat om de knip tussen bachelor. laatste drie jaar). In bijlage E zijn enkele KUO-tabellen die afkomstig zijn van het meest recente KUO-bestand (DocOnderwijsvisitatie 005-006) opgenomen. conform het protocol 16 QANU / Psychologie . omdat de OUNL-cijfers niet in het format van de KUO-cijfers passen. jaarverslagen (onderwijs. zoals bijvoorbeeld recent alumnionderzoek of evaluaties in het afnemend veld.en masteropleidingen per bezoek beoordeeld.en masteropleiding. heeft de commissie de opleidingen gevraagd zo veel mogelijk informatie ter beschikking te stellen dat daar inzage in geeft. Ten tijde van het schrijven van de zelfstudies Psychologie waren de meest recente KUO-cijfers nog niet beschikbaar. zoals gezegd. na overleg met commissieleden. Kwaliteit­afgestudeerden Om zo goed mogelijk vast te stellen of de behaalde eindkwalificaties overeenkomen met de eisen die mogen worden gesteld aan een afgestudeerde. Het beeld is gecompleteerd door gesprekken met studie. rendementen en studieduur zijn met uitzondering van de cijfers over het aantal ingeschrevenen gebaseerd op één basisdefinitie: de student heeft niet eerder aan een bepaalde opleiding van een instelling ingeschreven gestaan. onderzoek. alumni en studenten. Alle opleidingen hebben zeer zorgvuldig openheid van zaken gegeven. KUO-tabellen doen hier geen recht aan.en nevenopleiding.i. Om die reden is de commissie met enig voorbehoud omgegaan met de interpretatie en vergelijking van de gegevens en heeft zich in eerste instantie gericht op de gegevens die de opleidingen zelf aanleverden en de toelichting daarop.

syllabi en handboeken.uit de lijst van de laatste 5 afstudeerverslagen (zowel hoge als lage waarderingen). In de meeste gevallen waren de gesprekken met de diverse geledingen die bij de opleidingen betrokken zijn. De opleidingen is gevraagd om de beoordelingsformulieren bij de betreffende scripties te voegen om inzage te krijgen in de criteria die bij de beoordeling van de eindscripties worden gehanteerd. werden zulke lacunes op verzoek van de commissie steeds snel verholpen. reglementen. zeer informatief en verliepen zij in een open atmosfeer (voorzover daarvan bij bezoeken als deze sprake kan zijn). Vrijwel zonder uitzondering leken faculteiten en opleidingen goed voorbereid op de visitatie. Wanneer cruciale gegevens ontbraken. wat een enkele keer voorkwam. het aangeleverde materiaal (scripties. 2. informatief en plezierig ervaren.­ Bevindingen­met­betrekking­tot­de­visitatie De commissie heeft de diverse bezoeken in het algemeen als uiterst nuttig. wat tot uitdrukking kwam in de voorzieningen ten behoeve van de commissieleden. De overige scripties uit de lijst van de 5 meest recente scripties lagen ter inzage. et cetera) en de ondersteuning van de kant van de faculteiten. verslagen met betrekking tot de kwaliteitszorg. QANU / Psychologie 17 . stageverslagen. opleidingsplannen.5.

18 QANU / Psychologie .

De keuzevrijheid voor studenten binnen de bachelor.en masterprogramma’s verschilt eveneens van opleiding tot opleiding. vooral ook ten aanzien van statistiek en methodologie. hierover. De indruk van de commissie is dat bij de programmering voorrang werd gegeven aan het realiseren van de doorstroming van de eigen bachelors naar de eigen masterprogramma’s. Doorstroming naar masterprogramma’s van andere opleidingen is vrij beperkt en heeft blijkbaar geen hoge prioriteit gehad. De commissie heeft vastgesteld dat in sommige gevallen de masterprogramma’s wel erg veel eisen van de studenten. In de gesprekken met de opleidingen heeft de commissie vooral een afwachtende houding ten aanzien van de eindkwalificaties van deze hbo-bachelors waargenomen. Ook op het punt van de breedte van de bachelorprogramma’s zijn er verschillen tussen de opleidingen. De variatie die wordt aangetroffen beweegt zich volgens de commissie binnen grenzen die aanvaardbaar zijn. Ook inhoudelijk zijn de beide programma’s verschillend ingevuld. Dit is niet in het belang van de studenten en de commissie acht het dan ook wenselijk dat de opleidingen hieromtrent nadere afspraken maken.1. De harde knip kan tot minder wenselijke vertragingen leiden. terwijl een meer soepele overgang tot gevolg kan hebben dat te laat door studenten aan de nodige vereisten is voldaan. In enkele gevallen gaat het ook over punten die aandacht verdienen van gremia die de afzonderlijke opleidingen te boven gaan (bijvoorbeeld de Kamer Psychologie). In dit verband is het zinvol aandacht te geven aan het vraagstuk van de QANU / Psychologie 19 . Bij een enkele universiteit zijn er doorstroomtrajecten ontwikkeld die studenten al tijdens de hbo-opleiding extra bijscholen.­ Interpretatie­bachelor-masterstelsel Het is de commissie opgevallen dat de concretisering van de bachelor-masterstructuur van opleiding tot opleiding verschilt. met als gevolg dat er veelal aanvullende toelatingseisen worden gesteld door de ontvangende masteropleiding.­ Algemene­inhoudelijke­bevindingen Aan het begin van dit verslag wil de commissie aandacht besteden aan enkele algemene punten. De door de bachelor-masterstructuur beoogde grotere mobiliteit is nog maar in beperkte mate gerealiseerd.3. terwijl in andere gevallen meer soepele overgangen mogelijk zijn gemaakt (zachte knip). In sommige gevallen moet het bachelorprogramma volledig afgerond zijn voordat aan het masterprogramma kan worden begonnen (harde knip). Het gaat hierbij om algemene bevindingen. Bij doorstroming naar universitaire masteropleidingen worden door de universitaire opleidingen schakel. Overigens is de aard van de verschillen naar het oordeel van de commissie geen reden om onderscheid te maken tussen aanvaardbare en onaanvaardbare oplossingen. Naast een voor iedereen gelijke – al dan niet brede – bacheloropleiding zijn er ook voorbeelden van programma’s waarin met een voorbereiding op de gekozen masteropleiding al binnen het bachelorprogramma kan worden begonnen. Kortweg zijn het NIP en de Kamer Psychologie van oordeel dat deze ontwikkeling van hbo-bacheloropleidingen Psychologie schadelijk is.of doorstroomprogramma’s noodzakelijk geacht vanwege deficienties op diverse gebieden. het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP). die van belang (kunnen) zijn voor het functioneren van meer dan één opleiding. De commissie heeft kennisgenomen van de recente ontwikkeling van een aantal hbo-bacheloropleidingen Psychologie en het standpunt van de beroepsorganisatie. 3. die in meer of mindere mate van toepassing zijn op de afzonderlijke opleidingen.

Over de vereiste en gerealiseerde studielast van de bachelorprogramma’s heeft de commissie de indruk gekregen dat er – in tegenstelling met de masterprogramma’s – geen sprake is van een overbelasting. Het aantal toegekende studiepunten voor deze thesis is niet in alle gevallen hetzelfde. Een voortdurende evaluatie van de gerealiseerde studielast verdient dan ook aanbeveling. De beschikbare studieduur (3+1) samen met de omvang van het vakgebied zijn hierbij de belangrijkste argumenten. In dit laatste geval is er wel aandacht voor de vraag of studenten daadwerkelijk het aandeel in de werkzaamheden nemen dat van hen mag worden verwacht. De commissie heeft geconstateerd dat er variatie is in de kwaliteit van de scripties en theses. is het oordeel van de commissie positief. maar ook binnen opleidingen. De commissie acht ook deze invulling aanvaardbaar. In een meerderheid van de gevallen wordt een ‘empirisch’ onderzoek gevraagd. vooral ook omdat een bachelorthesis een rol zou kunnen spelen als ‘visitekaartje’ voor de kwaliteit van de gevolgde opleiding en als ‘visitekaartje’ voor de kwa0 QANU / Psychologie . 3. De commissie heeft kennis kunnen nemen van bijzonder fraaie eindproducten. Naar het oordeel van de commissie is dit wel noodzakelijk. In dit verband mag overigens wel worden opgemerkt dat het normeren van elementen voor het bepalen van de gerealiseerde studielast geen eenvoudige opgave is. Het komt echter ook voor dat kleine groepen van studenten samen een opdracht voorbereiden en uitvoeren.eenjarige of tweejarige master: een vraagstuk dat overigens in een ander verband aan de orde wordt gesteld (commissie Levelt).2. Over de kwaliteit van een grote meerderheid van de scripties en theses die de commissie heeft kunnen inzien. onafhankelijke beoordelaar wordt uitgevoerd. Ook zijn er verschillen in de aard van de opdracht.­ Aard­en­omvang­van­het­bachelorprogramma Met betrekking tot de aard en omvang van het bachelorprogramma heeft de commissie enkele verschillen kunnen vaststellen. Over de voorstellen van de commissie Levelt moeten nog beslissingen worden genomen. Ook is het wenselijk dat de beoordeling van het resultaat zo veel als mogelijk wordt gestandaardiseerd (bijvoorbeeld met behulp van beoordelingsschema’s) en eveneens door een tweede. Niettemin heeft de commissie geconstateerd dat het brede programma in de praktijk wordt gerealiseerd en dat bachelors op basis van hun diploma (kunnen) toetreden tot de arbeidsmarkt. maar in enkele gevallen is het ook mogelijk de bacheloropleiding af te ronden met een literatuurstudie. Ook hier zijn echter verschillende accenten gelegd. Studenten van verschillende opleidingen geven aan dat de studielast wel iets hoger zou mogen zijn en ook de mate van activering van de studenten zou kunnen worden versterkt. Dit geldt niet alleen tussen opleidingen. Hoewel de commissie zeer goede literatuurstudies heeft gezien is er toch een zekere voorkeur voor ‘empirisch’ onderzoek. In het domeinspecifieke referentiekader voor de psychologie wordt gesteld dat het bachelorprogramma bij voorkeur niet zou moeten worden ingericht als een breed programma dat leidt tot een civiel effect. Het is wenselijk dat de aangelegde criteria zo veel als mogelijk worden geëxpliciteerd en vastgelegd. Bij alle bacheloropleidingen Psychologie is er sprake van een scriptie of thesis ter afronding van het bachelorprogramma. Onduidelijk is echter of de controle op een eigen inbreng van iedere student altijd sluitend is. Bij de meeste opleidingen wordt van de studenten gevraagd dat zij individueel een scriptie maken.

QANU / Psychologie 1 . Het doorschuiven van mastervakken naar de bacheloropleiding is een belemmering voor de uitwisseling van studenten tussen universiteiten. die leiden tot verschillende profielen. Elk van deze oplossingen is suboptimaal en maakt in internationaal opzicht geen goede indruk. Een praktijkstage van minder dan zes maanden wordt door het beroepenveld. Op te merken is nog dat in de theses niet altijd aandacht wordt besteed aan de ethische vereisten die bij de uitvoering van het onderzoek in acht genomen (moeten) zijn. Naar het oordeel van de commissie is deze oplossing niet bevredigend. Soms zijn de verantwoordelijkheden toegekend aan vakgroepen en/of leerstoelgroepen. Masterprogramma’s zijn ook verschillend omdat in sommige gevallen een specifieke voorbereiding in het bachelorprogramma wordt verondersteld. Wanneer men een praktijkstage wenselijk of noodzakelijk vindt. en (3) ‘vrijwillige’ uitloop. Een vermelding hiervan in het onderzoeksverslag is naar de mening van de commissie wenselijk. De studenten vinden een goede praktijkstage ook een van de meest formatieve onderdelen van hun opleiding en voor velen vormt het een belangrijk oriëntatiemoment voor hun verdere loopbaan. terwijl in andere gevallen binnen één en hetzelfde programma verschillende accenten kunnen worden gelegd. Beslissingen over een eenjarig dan wel tweejarig masterprogramma zijn tegen de achtergrond van het bovenstaande urgent. () kortere praktijkstages of een combinatie van stage en thesis. Er zijn opleidingen die slechts één masterprogramma hebben ingericht. een onderzoeksthesis af te ronden en een praktijkstage te lopen. Vrijwillige uitloop gaat ten koste van de studenten (die hiervoor zelf moeten betalen). kan dat worden gerealiseerd door langer dan één jaar bezig te zijn met het masterprogramma. Het is nauwelijks mogelijk om in één jaar tijd gespecialiseerde cursussen te volgen. Het bovenstaande illustreert de problematiek van de eenjarige master. terwijl dat in andere gevallen niet het geval is. Een dwingende keuze voor de ene of de andere oplossing ligt dan ook niet voor de hand. Dit wordt nog versterkt doordat het praktisch nagenoeg onmogelijk is om goede stageplaatsen te regelen binnen enkele weken (waardoor studenten in het derde bachelorjaar worden gedwongen om naar stageplaatsen uit te kijken).3. 3. Soms zijn het masterprogramma’s die onafhankelijk zijn van elkaar. Alleen studenten die het eigen bachelorprogramma gevolgd hebben kunnen zonder meer in de masteropleiding instromen. de stageplaatsen en de studenten als onvoldoende ervaren. soms wordt de verantwoordelijkheid in sterkere mate behartigd door centrale instanties van de opleiding of de faculteit. De commissie heeft geconstateerd dat in een enkel geval de studenten hun doelen alleen maar kunnen bereiken wanneer ze kiezen voor een ‘vrijwillige’ verlenging van de studieduur. terwijl andere opleidingen zes of meer masterprogramma’s realiseren. Overigens zijn voor beide opties goede argumenten aan te voeren. ook al moet worden vastgesteld dat externe eisen – van overheid en beroepsverenigingen – opleidingen en studenten nog wel eens voor moeilijke keuzen plaatsen.­ Aard­en­omvang­van­de­masterprogramma’s Ook bij de inrichting van de masterprogramma’s zijn er verschillen tussen de opleidingen. Er zijn ook verschillen in de verantwoordelijkheidsverdeling voor de masterprogramma’s. Binnen het huidige kader proberen de opleidingen hieraan op drie manieren tegemoet te komen: (1) doorschuiven van mastervakken naar het derde jaar van de bacheloropleiding. Om deze redenen worden de huidige masterprogramma’s als minder bevredigend ervaren door de commissieleden.liteiten van de student. door de opleidingen en door de studenten.

Dit is mede een gevolg van de geformuleerde eisen: individueel product of product van een groep.4. Afgaande op de scripties die de commissie heeft kunnen inzien mag worden vastgesteld dat er in een ruime meerderheid van de gevallen sprake is van aanzienlijke kwaliteit van de eindwerken van de verschillende opleidingen. beoordeling toetsvragen vooraf door collega’s. onafhankelijke beoordelaar. door de student verzameld materiaal of secundaire analyse. De commissie heeft de indruk dat het beleid met betrekking tot de kwaliteit van examens van opleiding tot opleiding verschilt (bijvoorbeeld tweede. Voorzover er hier en daar sprake is van een uitzondering op deze constatering kunnen – zoals gezegd – het expliciteren van de aan te leggen criteria en het inschakelen van een tweede. onafhankelijke beoordelaar een en ander in gunstige zin beïnvloeden. • • • •  QANU / Psychologie . die in een groot aantal andere Europese landen gebruikelijk is. Niet in alle gevallen is er een duidelijk verschil tussen niveau en kwaliteit van de bachelorthesis en niveau en kwaliteit van de masterthesis. De commissie bepleit om ook in de eerste studiejaren de studenten uit te dagen met open vragen. onafhankelijke beoordelaar. het invoeren van beoordelingsschema’s en het inzetten van een tweede. De beoordeling van theses en scripties kan in een aantal gevallen verder worden geoptimaliseerd door het expliciteren van de aan te leggen criteria. De commissie is van mening dat het zinvol is na te gaan welke begeleiding gemiddeld noodzakelijk is om tot een verantwoorde thesis te komen. Overleg om al te grote verschillen weg te werken is naar het oordeel van de commissie wenselijk. Hierdoor kan het aantal minder begrijpelijke beoordelingen van theses zoals die nu werden geconstateerd wellicht worden geminimaliseerd. De iets langere duur van een studiejaar en de aandacht voor activerende werkvormen spelen hierbij wellicht een belangrijke rol. Geconstateerd is dat de intensiteit van de begeleiding van theses tussen opleidingen nogal kan variëren: van een grote bereikbaarheid van de begeleid(st)er enerzijds tot een drietal begeleidingsmomenten anderzijds. De indrukken die de commissie heeft van het studiemateriaal en de examenopgaven ondersteunen de conclusie dat het bereikte kennisniveau en het verworven niveau van vaardigheidsbeheersing alleszins voldoet aan de eisen die in dit kader gesteld zouden moeten worden. enzovoort Hoewel alle varianten wellicht verdedigbaar zijn helpen expliciete criteria bij de gemaakte keuze. Terwijl er in vergelijking met omringende landen sprake is van een kortere programmaduur. terwijl in latere studiejaren meer nadruk wordt gelegd op open vragen. feedback naar studenten achteraf. al dan niet empirisch onderzoek. Uiteraard moet hierbij worden aangetekend dat het resultaat van een vierjarige opleiding (3+1) niet zonder meer mag worden vergeleken met het resultaat van een vijfjarige opleiding (3+).­ Goede­kwaliteit­binnen­gegeven­kaders Mede als gevolg van het feit dat de commissie internationaal was samengesteld kon worden vastgesteld dat de opleidingen Psychologie binnen de gegeven kaders een behoorlijke kwaliteit weten te bereiken. Daarbij heeft de commissie een lichte voorkeur voor ‘empirisch onderzoek’ als eindscriptie. wordt er doorgaans toch een verantwoorde kwaliteit van afgestudeerden bereikt.3. beroepsprocedures). Ondanks de goede kwaliteit van de opleiding zoals die door de commissie werd vastgesteld is een enkele kanttekening op zijn plaats: • De indruk is dat er een tendens is om bij de examinering in de eerste studiejaren te kiezen voor multiplechoicetoetsen.

QANU / Psychologie 3 . Het bestuderen van de verschillende opleidingsrapporten zal laten zien dat er binnen de geformuleerde doelstellingen op een verantwoorde manier accentverschillen kunnen worden aangebracht. Deze onderlinge afstemming betekent overigens niet dat er voor de afzonderlijke opleidingen geen mogelijkheden meer zouden zijn om eigen accenten te formuleren en na te streven. De meeste opleidingen gaan ervan uit dat een bacheloropleiding wordt gevolgd door een masteropleiding. 3. Deze doelstellingen zijn op een heldere manier gerelateerd aan de Dublin-descriptoren die op internationaal niveau worden beschouwd als richtinggevend bij het formuleren van doelstellingen. De commissie is van mening dat de doelstellingen van de opleidingen Psychologie een voorbeeld zouden kunnen zijn voor het formuleren van doelstellingen voor andere opleidingen. het academische karakter van de opleiding Psychologie en concurrerende opleidingen buiten de universiteit rechtvaardigen hier enige twijfels. dat de formulering van de domeinspecifieke eisen van de doelstellingen in vergelijking met de vorige visitatie sterk is verbeterd: ze zijn gebaseerd op overleg met vakgenoten en er is aansluiting gevonden bij internationale standaarden. De heterogeniteit van de praktijk.• Minder duidelijk is of een toetreding tot de arbeidsmarkt voor afgestudeerde bachelors in de psychologie mogelijk is. Duidelijk is dat er in de Kamer Psychologie van de VSNU en met het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) een vruchtbaar overleg heeft plaatsgevonden over de wenselijke doelstellingen.­ Doelstellingen Met veel waardering heeft de commissie kennisgenomen van het feit dat alle opleidingen Psychologie beschikken over zeer uitvoerige beschrijvingen van de doelstellingen van de verschillende programma’s. De mogelijkheid van opleidingen om binnen de algemeen aanvaarde kaders een eigen identiteit te ontwikkelen wordt door de commissie positief beoordeeld als voorbeeld van een verdere differentiatie binnen het wetenschappelijk onderwijs. De internationale verankering van de doelstellingen en een belangrijke mate van gemeenschappelijkheid die onderling overeengekomen is. Naar het oordeel van de visitatiecommissie voldoen de bestaande opleidingen Psychologie in ieder geval aan de eisen die binnen de gegeven kaders redelijkerwijze kunnen worden gesteld. Er moet nogal wat worden gepropt in het ene studiejaar dat voor de meeste masteropleidingen beschikbaar is om tot een aanvaardbaar resultaat te komen. Deze relatering aan de Dublin-descriptoren maakt ook op overtuigende wijze duidelijk dat er sprake is van doelstellingen op een niveau dat vereist is voor het wetenschappelijk onderwijs. Mede op deze grond heeft de commissie de beoordelingscategorie ‘goed’ bij dit onderwerp op ruime schaal gehanteerd. De commissie heeft dan ook vastgesteld. zorgen ervoor dat het onderwerp doelstellingen een stevige en overtuigende basis legt onder de opleidingen Psychologie binnen het wetenschappelijk onderwijs. Ook de vergelijkbaarheid met internationale oplossingen is hier in het geding. die hierover inmiddels een advies heeft uitgebracht.5. Niettemin is ook duidelijk dat de bestaande kaders in een aantal opzichten knellen om de masteropleidingen optimaal uit te voeren. Zoals elders in dit rapport is vermeld heeft de visitatiecommissie niet expliciet aandacht besteed aan de gewenste studieduur. omdat dit vraagstuk was voorgelegd aan een aparte commissie (commissie Levelt).

Minder positief vindt zij het feit dat de aandacht voor beroepsethische kwalificaties bij de meeste opleidingen nog onderbelicht is.6. De commissie heeft in een enkel geval gezien dat dit ook anders kan. Er is sprake van verschillende programmeringswijzen: van een blokkenstructuur tot semesterindelingen. Het geheel van de programma’s overziende kan worden geconcludeerd dat vergelijkbare doelstellingen op verschillende manieren en langs verschillende wegen kunnen worden bereikt. De commissie oordeelt positief over het feit dat een aantal instellingen gekozen heeft voor de mogelijkheid om het onderwijs in methodenleer en statistiek de contextualiseren. Hoewel de algemene indruk van de programma’s overwegend positief is. de kwaliteit van werkvormen en toetsvormen is voldoende overtuigend. Meer aandacht voor de beroepsethiek zou zij alle opleidingen willen aanraden. wil de commissie toch enkele kanttekeningen maken: • De commissie heeft geconstateerd. Ook met betrekking tot de instroom van studenten. Naar het oordeel van de commissie geven deze verschillen echter geen aanleiding om te concluderen dat de een of andere opleiding onaanvaardbare keuzen heeft gemaakt. De indruk is dat dit leidt tot een betere inpassing van genoemde vakken in het programma. Ook voor andere opleidingen dan de klinische richting neemt het belang van de genoemde basisaantekening toe. Een goede bewaking van de studielast wordt dan ook door de commissie aanbevolen. Er is sprake van verschillende verdelingen in verantwoordelijkheid: van een over groepen verdeelde verantwoordelijkheid tot een meer centraal gelegde verantwoordelijkheid. De commissie vindt het positief dat er bij de meeste opleidingen aandacht wordt besteed aan ontwikkeling van kwalificaties op het het gebied van onderzoeksethiek. de gerealiseerde studielast. Toch maken de verschillende programma’s in grote lijnen een overtuigende indruk: de samenhang tussen doelstellingen en inhoud is adequaat. dat de mogelijkheid om te voldoen aan de basisaantekening psychologische diagnostiek (BAPD) niet in alle programma’s aanwezig is. De commissie oordeelt positief over het initiatief van sommige opleidingen om specifieke honoursprogramma’s in te richten. Er is sprake van verschillende concepten voor het onderwijs: van traditionele programma’s tot probleemgestuurd onderwijs en activerend onderwijs.­ Programma Hoewel de doelstellingen uiteraard richtinggevend zijn voor de programmering van het onderwijs kan toch worden geconstateerd dat er in de praktijk een boeiende variatie aan programma’s is ontstaan. over de studeerbaarheid worden nauwelijks klachten gemeld. de studenten zijn over het algemeen tevreden over de aangeboden programma’s en naar het oordeel van de commissie zijn de bereikte resultaten voldoende. terwijl de studielast binnen de bachelorprogramma’s in een aantal gevallen hoger zou mogen zijn. Specifieke aandacht voor de betere studenten wordt hiermee gerechtvaardigd naast specifieke aandacht voor de minder getalenteerde studenten. Gepleit werd eveneens voor een goede balans tussen open en gesloten toetsvragen in alle fasen van de opleiding. Eerder werd gesteld dat de studielast binnen de masterprogramma’s relatief groot is. de omvang van de vereiste studielast zijn er verschillen tussen opleidingen. De commissie betreurt dit en adviseert om deze mogelijkheid alsnog te realiseren. Statistiek en methodenleer verliezen hierdoor enigszins hun traditionele karakter van ‘struikelvak’. Er is sprake van een variatie in werkvormen en toetsvormen waarin van opleiding tot opleiding andere accenten zijn aangebracht. QANU / Psychologie • • • • 4 .3.

Bij de opleidingen zijn er verschillen te constateren ten aanzien van de inzet van personeel dat in hoofdzaak tot taak heeft het onderwijs te verzorgen. ontwikkeld aan de EUR.• • • De commissie heeft vastgesteld dat er over de lengte van praktijkstages verschillende opvattingen bestaan bij de opleidingen enerzijds en de stageinstellingen anderzijds.­ Onder meer als gevolg van de invoering van de bachelor-masterstructuur heeft een aantal opleidingen besloten om de bestaande programma’s grondig te herzien.7. Het is te betreuren dat nauwkeurige vergelijkingen van de staf-studentratio nagenoeg onmogelijk zijn vanwege verschillen in definiëring. Nederland heeft in dat verband bij de psychologie enkele voortreffelijke voorbeelden. Voor een deel kan dit een gevolg zijn van een verschillende definitie van de relevante componenten. In een aantal gevallen werden opleidingen daarbij geholpen door het feit dat er tevens sprake was van een brede verjonging van het in te zetten personeel. dat in de vorm van ZAP’s (Zeer Actieve Psychologie. Dit geldt in ieder geval voor het niveau. Zo heeft de samenwerking van enkele opleidingen geleid tot studiemateriaal. Vragen zijn QANU / Psychologie 5 . wat de precieze betekenis is van een in de zelfstudie aangegeven staf-studentratio. Mede daardoor kan dan ook niet ondubbelzinnig worden vastgesteld. dat de medewerking van toponderzoekers aan de opleiding van groot belang is voor de kwaliteit van het onderwijs en vooral ook voor het aanzien van de opleiding in het buitenland. zoals afgeleid kan worden uit de visitatie van het onderzoek. andere opleidingen kiezen ervoor een aantal stafleden in hoofdzaak te belasten met onderwijstaken. voor een deel is het een uiting van een verschil in beleid binnen de instelling. Sommige opleidingen zijn van mening dat ieder staflid én onderwijstaken én onderzoekstaken moet uitvoeren. Vastgesteld is dat er variatie is in de omvang van bachelor. Opmerkelijk is dat er enkele ingrijpende herzieningen van programma’s zijn gerealiseerd. Ingrijpende veranderingen noch marginale veranderingen hebben geleid tot programma’s die niet aan de te stellen eisen zouden voldoen. De commissie is van mening dat studenten niet de dupe mogen zijn van dit verschil in inzicht. In een enkel geval werd deze verjonging beleidsmatig versterkt. De commissie is van mening dat een masterthesis aan hogere eisen dient te voldoen dan een bachelorthesis. OUNL en UT) uitstekend kan worden ingezet in de opleidingsprogramma’s. Ook hier kunnen er voor beide beleidslijnen goede argumenten worden aangevoerd. De commissie heeft op dit punt geen differentiatie tussen de universiteiten weten aan te brengen. Op te merken is verder dat er enige variatie is in de aangegeven staf-studentratio. Op een aantal punten die in dit verslag zijn vermeld zou een verdere samenwerking tussen opleidingen tot goede resultaten kunnen leiden. Vergeleken met de vorige visitatie valt op dat het aantal gepromoveerde stafleden is toegenomen. hoewel zij zich ervan bewust is dat bij een aantal universiteiten meer toponderzoekers werkzaam zijn dan bij andere universiteiten. In dit verband wil de commissie erop wijzen. Inzet­van­personeel 3. de vereiste studieinspanning en de aan te leggen kwaliteitscriteria. De commissie adviseert dan ook na te gaan of dit probleem door overleg kan worden opgelost. Hier staat tegenover dat de commissie ook voorbeelden heeft gezien van programma’s waarbij de invoering van de bachelor-masterstructuur alleen maar tot enkele marginale veranderingen heeft geleid. ontwikkeld aan de UT en EUR) en ViP’s (Vaardigheden in Psychodiagnostiek.en mastertheses in een niet altijd voor de hand liggende zin.

In sommige gevallen is geavanceerde apparatuur beschikbaar met behulp waarvan studenten activiteiten kunnen ondernemen ten behoeve van thesis en/of scriptie. De mogelijkheden op ICT-gebied zijn in belangrijke mate toegenomen. In dit verband werd enkele keren in de gesprekken opgemerkt dat er voor deze werkvormen te weinig kleine werkgroepruimten beschikbaar zijn. 3. Onderzoek in deze acht de commissie uitermate wenselijk. heeft tot doel de studieresultaten te verbeteren. het bieden van aanvullende trainingen. Het verdient aanbeveling om te onderzoeken of het ingestelde bindend studieadvies feitelijk leidt tot de resultaten die men daarvan verwacht.onder meer: welke studenten zijn meegeteld? Welke onderdelen van de docententaak zijn in de telling opgenomen? Welke datum is als teldatum genomen? Welke docenttaken zijn als onderwijstaken gedefinieerd? Met betrekking tot de staf-studentratio vraagt de commissie zich af op welke manier de relatie tussen de inmiddels ingestelde numerus fixus en een daarbij behorende staf-studentratio door de verschillende opleidingen wordt vastgesteld.8. Op te merken is dat verschillende opleidingen van het docerend personeel verwachten dat ze een basiskwalificatie onderwijs behalen. Die overtuiging kan enerzijds worden gebaseerd op de kwalificaties die docenten hebben verworven. De opleidingen besteden hieraan meer en meer aandacht. het regelmatig geven van terugkoppeling. Beperkte gegevens van eerste resultaten op dit gebied rechtvaardigen op dit moment nog geen definitieve conclusies. Onder ICT moet in dit verband ook worden verstaan de verbreding van mogelijkheden voor het raadplegen van internet. Overigens heeft de commissie ook in dit opzicht goede voorbeelden gezien van opleidingen die erin zijn geslaagd de ruimten op het didactische concept af te stemmen. Verschillende opleidingen streven naar meer activerende werkvormen in het onderwijs. In dit verband mogen de eerder genoemde ZAP’s en ViP’s nog wel eens in herinnering worden gebracht. 6 QANU / Psychologie . De commissie oordeelt positief over deze mogelijkheden tot scholing en bijscholing.­ Voorzieningen Op het punt van de voorzieningen kunnen er in vergelijking met de vorige visitatie duidelijke verbeteringen worden vastgesteld. Onder het onderwerp voorzieningen wordt ook gesproken over studiebegeleiding. De commissie is ervan overtuigd dat de kwaliteit van het ingezette personeel bij de verschillende opleidingen Psychologie voldoende is. Ook beschikken verschillende universiteiten over mogelijkheden om docenten didactische scholing aan te bieden wanneer daaraan behoefte bestaat. het meedenken met de student zijn evenzoveel mogelijkheden om vertragingen en onnodige uitval te voorkomen. Het tijdig signaleren van achterstanden. Ook het bindend studieadvies (BSA) dat door een aantal opleidingen is ingesteld. diezelfde overtuiging wordt echter ook ondersteund door het oordeel van de studenten over kwaliteiten. De commissie vindt dit een goed voorbeeld. Er is ook een aanzienlijke verbetering te constateren op het punt van de laboratoriumvoorzieningen. Het geldt ook voor de inzet van ICT door docenten bij het verzorgen van het onderwijs en het geldt ook voor een toename van de mogelijkheden om ‘getraind’ te worden in het kunnen inzetten en toepassen van ICT. Dit geldt niet alleen voor het aantal computers dat voor studenten beschikbaar is. De commissie heeft de indruk dat de opleidingen zich in toenemende mate realiseren dat een goed opgezette studiebegeleiding de resultaten van studenten binnen de opleiding in belangrijke mate kan verbeteren. bereikbaarheid en inzet van docenten. maar het bindend studieadvies is nog niet zolang geleden ingevoerd.

Voor een deel is dit een gevolg van de programmatische keuzen die door de opleidingen zijn gemaakt. Bij de meeste opleidingen is de betrokkenheid van alumni en het beroepenveld bij de kwaliteitszorg nog erg beperkt. In het algemeen kan worden gesteld dat er sprake is van een intensivering van de aandacht voor de interne kwaliteitszorg.­ Resultaten Op het punt van de bereikte resultaten verschillen de opleidingen Psychologie van elkaar. vergeleken met de visitatie van enkele jaren geleden. 3. Bij de interne kwaliteitszorg spelen ook opleidingscommissies en examencommissies een belangrijke rol.en examencommissies. Er zijn commissies die uitsluitend uitvoerende taken hebben. De indruk is dat er nog wel eens sprake is van ad-hoc oplossingen bij taken en samenstelling van opleidings. Gezien de relatief geringe omvang van een opleiding en gezien de gemakkelijke contacten tussen studenten en docenten is er in enkele gevallen geen grote behoefte aan een omvangrijke en gesystematiseerde interne kwaliteitszorg. Houdt men rekening met de hierboven genoemde verschillen tussen opleidingen dan mag de conclusie zijn. maar er zijn ook commissies die een taak hebben voor alle georganiseerde opleidingsprogramma’s. dat de opleidingen Psychologie op een toenemend intensieve.10. passend bij de mogelijkheden van de eigen opleiding. De commissie heeft veel variatie gezien in de vormgeving van deze commissies. individuele opvattingen van docenten en specialisatierichtingen spelen hierbij een rol. Korte communicatielijnen en informele contacten zijn van bijzonder belang. Procedures die nog niet in alle opzichten duidelijk zijn. maar ook commissies die verantwoordelijk zijn voor beleidsvoorbereiding en advisering aan bestuurlijke instanties. Verschillen zijn er ook in de mate waarin het beroepenveld. Ook het aantal toegekende studiepunten en de intensiteit van de begeleiding spelen hierbij een rol.De commissie heeft geconcludeerd dat – over het algemeen – de beschikbare voorzieningen bij de verschillende opleidingen aan de maat zijn. vooral van de betrokkenheid van medewerkers en studenten. In andere gevallen is er sprake van een goed doordacht systeem van interne kwaliteitszorg met uitgewerkte procedures en nauwkeurige tijdschema’s. Naar het oordeel van de QANU / Psychologie 7 .­­ Interne­kwaliteitszorg Ook op het punt van de interne kwaliteitszorg is er sprake van verschillen tussen de opleidingen. 3. de alumni. de studenten en de medewerkers worden betrokken bij de interne kwaliteitszorg.en/of examencommissie voor meerdere opleidingsprogramma’s minder wenselijk is. Op basis van de bestudeerde theses en scripties heeft de commissie vastgesteld dat er verschillen zijn in de kwaliteit van de gerealiseerde scripties. Er is sprake van afzonderlijke commissies voor de verschillende opleidingsprogramma’s. Naast de verschillen tussen opleidingen zijn er ook verschillen binnen opleidingen.9. verantwoorde manier aandacht geven aan de interne kwaliteitszorg. Ook hier is sprake van een toenemende intensivering. Ook is er sprake van een verschillend tempo waarin de gewenste verbeteringen tot stand worden gebracht. Ze kunnen de noodzaak van een gesystematiseerde interne kwaliteitszorg enigszins relativeren. De visitatiecommissie is van mening dat één opleidings. Ook komt het voor dat de aan te leggen criteria slechts in algemene termen zijn vastgelegd en dat specifieke beoordelingsschema’s ontbreken.

­ Suggesties­en­wensen Het spreekt vanzelf dat er met betrekking tot de opleidingen Psychologie suggesties ter verbetering geformuleerd kunnen worden. Het is wenselijk om de verdeling van studiepunten nader te bestuderen. Uniformering zou hierbij niet het beoogde doel moeten zijn. 3. Wanneer bepaalde vakken een struikelblok vormen bij de ene opleiding en niet bij een vergelijkbare opleiding elders kan er informatie worden uitgewisseld. Het vergelijken van rendementscijfers wordt hierdoor een moeilijk punt. al was het alleen maar om te voorkomen dat er op basis van de verstrekte cijfers verkeerde conclusies worden getrokken. Niet altijd is aangegeven op welke manier de rendementscijfers tot stand zijn gekomen. Naar het oordeel van de commissie is het wenselijk dat rendementen op een eenduidige manier worden gepresenteerd. Nader onderzoek op dit punt zou in ieder geval moeten worden overwogen. maar eenduidige conclusies op basis van goede analyses zijn niet beschikbaar.11. het bindend studieadvies. Geconstateerde verschillen zijn overigens naar het oordeel van de commissie ook hier niet van dien aard dat er ook gesproken zou moeten worden van onaanvaardbare of onvoldoende resultaten. de numerus fixus. Opmerkelijk is wel – zoals gezegd – dat een overtuigende vergelijking van resultaten moeilijk uit te voeren is. Tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat verschillen tussen opleidingen kunnen leiden tot aanzetten voor verbeteringen. die niet altijd te herleiden zijn tot de voorgeschreven studiestof. is er geen aanleiding om te stellen dat de een of andere opleiding geen verdedigbaar en aanvaardbaar resultaat behaalt. het intensiveren van de studiebegeleiding. In dit verband vindt de commissie het wenselijk dat wordt onderzocht welk effect de verschillende maatregelen hebben op de feitelijk bereikte rendementen. maar een zekere vergelijkbaarheid zou ook in het kader van studievoorlichting functioneel zijn.commissie zijn de geconstateerde verschillen over het algemeen niet van dien aard dat er sprake zou zijn van een onaanvaardbaar laag niveau. Voor een eventuele agenda voor de komende jaren wil de commissie de volgende suggesties aanreiken: Het is wenselijk om rendementen en rendementsverschillen zo nauwkeurig mogelijk te analyseren. Ook zijn er verschillen in de bereikte rendementen. . zijn voorbeelden van maatregelen die bij opleidingen Psychologie werden genomen. Hoewel het in een aantal gevallen beter zou kunnen. b. het verminderen van het aantal herkansingsmogelijkheden. Verschillen worden nu weliswaar aangetroffen en mogelijke veronderstellingen daaromtrent worden ook geformuleerd. De commissie heeft kunnen vaststellen dat de opleidingen Psychologie aandacht besteden aan het verhogen van de rendementen: de invoering van activerend onderwijs. Welke studenten zijn in de beschouwing betrokken? Zijn de studenten die na korte tijd vertrokken zijn wel of niet meegeteld? Wat is er gebeurd met de recidivisten? Hoe worden studenten die van andere opleidingen instromen meegeteld? Het is onzeker of dergelijke vragen in alle gevallen op eenzelfde manier werden beantwoord. omdat niet altijd duidelijk is of de gehanteerde grootheden op eenzelfde manier werden gedefinieerd. 8 QANU / Psychologie a. Hierbij is echter niet altijd duidelijk of de gegeven rendementscijfers onderling vergeleken mogen worden. Er zijn in dit opzicht verschillen tussen de opleidingen.

expliciete criteria. De commissie heeft kunnen vaststellen dat het beperkte aantal vormen van samenwerking dat inmiddels kon worden gerealiseerd positieve effecten heeft op de kwaliteit van de opleidingen. Het is wenselijk om een goed contact te onderhouden met het beroepenveld en de afgestudeerden van de eigen opleiding.en masteropleiding niet altijd sprake is van eenduidige. d. Overleg tussen opleidingen Psychologie is wenselijk om overgangen naar masteropleidingen van andere opleidingen Psychologie niet onnodig ingewikkeld te maken. Het is wenselijk om onder meer op het gebied van de inzet van ICT te streven naar verdere vormen van samenwerking tussen opleidingen. e. Vastgesteld kan worden dat bij het beoordelen van eindscripties van de bachelor. De commissie komt bij de beoordeling van de elf bacheloropleidingen Psychologie en de reguliere daarop aansluitende masteropleidingen Psychologie bij de zes te beoordelen onderwerpen tot de kwalificatie: voldoende. Wellicht is dit een gevolg van de expliciete nadruk op onderzoek of het gevolg van de eenjarige duur van de masteropleiding. ­ c. De commissie heeft vastgesteld dat er niet in alle gevallen sprake is van een alumnibeleid. 3. Opmerkelijk is dat er niet altijd sprake is van een (praktijk)stage. f. onafhankelijke beoordelaar zou eraan kunnen bijdragen dat beoordelingen geen onbedoelde variatie laten zien.12. Beide groepen zijn naar het oordeel van de commissie van veel belang om de opleiding bij de tijd te houden. g. Gelukkig zijn er tussen de opleidingen accentverschillen en daarbij vindt de commissie sommige oplossingen aantrekkelijker dan andere. bijvoorbeeld bij de vormgeving van studiemateriaal. Het is wenselijk dat de opleidingen aandacht besteden aan de relatie met de beroepspraktijk. Een tweede. onafhankelijke beoordelaar in te zetten. Een uitbreiding van deze samenwerking biedt goede perspectieven.Het is wenselijk om bij de beoordeling van theses en scripties in alle gevallen een tweede.­­ Tot­slot De visitatiecommissie is van mening dat alle opleidingen Psychologie in Nederland voldoen aan de basiskwaliteit zoals die door de NVAO is geformuleerd. Bij de huidige vormgeving is een streven naar mobiliteit minder goed te realiseren. QANU / Psychologie 9 . Naar het oordeel van de commissie – ondersteund door gesprekken met de studenten – is een praktijkstage een belangrijk onderdeel van de toegepaste specialisaties binnen de masteropleiding Psychologie. terwijl ook de contacten met het beroepenveld van opleiding tot opleiding verschillen.

30 QANU / Psychologie .

DEEL­II:­OPLEIDINGSRAPPORTEN QANU / Psychologie 31 .

3 QANU / Psychologie .

­ ­ ­ De­bachelor-­en­masteropleiding­Psychologie­van­de­ Faculteit­der­Sociale­Wetenschappen­aan­de­Erasmus­ Universiteit­Rotterdam Administratieve­gegevens Bacheloropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. Structuur­en­organisatie­van­de­faculteit 1. dr. Brysbaert. Het Instituut voor Psychologie heeft een dagelijks bestuur dat de opleidingsdirecteur bijstaat bij de uitvoering van het programma.1. prof. W. Everaerd. Het Instituut voor Psychologie draagt binnen de FSW zorg voor de bachelor.H. V. voorzitter. lid. W. drs. Dit is een van de zeven faculteiten van de Erasmus Universiteit Rotterdam. dr. J. dr.­Wijnen. lid. dr.F. de Vries BSc. M.0. de oriëntatie van de opleiding Studielast in ECTS Varianten (voltijd. Binnen de Faculteit der Sociale Wetenschappen (FSW) wordt onderwijs en onderzoek verricht op het gebied van de Bestuurskunde. prof.M.en masteropleiding Psychologie. dr. van Ophem. secretaris QANU. prof. lid. de oriëntatie van de opleiding Studielast in ECTS Varianten (voltijd. von Grumbkow. Het dagelijks bestuur bestaat uit de gewone hoogleraren en uniQANU / Psychologie / EUR 33 .W. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Masteropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp.J. lid. Samenstelling visitatiecommissie: • • • • • • • prof. Sociologie en Psychologie. M. van Vugt.­ De opleidingen Psychologie zijn ondergebracht binnen de Faculteit der Sociale Wetenschappen.M. De decaan van de FSW heeft de verantwoordelijkheid voor het onderwijs gemandateerd aan de opleidingsdirecteur. I. prof. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Psychology 66604 Master wo 60 Voltijd Rotterdam 31 december 007 Psychologie 56604 Bachelor wo 180 Voltijd Rotterdam 31 december 007 Het bezoek van de visitatiecommissie Psychologie vond plaats op 1 en  september 006.M. studentlid.

1.1. Dit motto is richtinggevend geweest voor de inrichting van de bachelor. de sociale psychologie. en methoden van de psychologie als geheel en haar subdisciplines: de functieleer. de persoonlijkheidspsychologie. Een derde doelstelling bij de start van de opleidingen was om meer studenten de eindstreep te laten bereiken dan elders in het hoger onderwijs gebruikelijk is. .en masteropleiding Psychologie. De verantwoordelijkheid voor het onderzoek binnen het Instituut voor Psychologie is gemandateerd aan de onderzoeksdirecteur. 1.­ Invoering­ bachelor-masterstructuur­ en­ afbouw­ ongedeelde­ opleidingen:­ stand­ van­zaken De bachelor. empirische bevindingen. het cognitief-psychologische perspectief 34 QANU / Psychologie / EUR . het ander op toepassing”. de voorzitter van de examencommissie. Hierbij geldt dat wetenschap en haar toepassing hand in hand gaan en de opleidingen in Rotterdam zich richten op belangrijke maatschappelijke problemen en hun oplossing.en masteropleiding Psychologie zijn in 001 respectievelijk 004 gestart als nieuwe opleidingen.2. heeft declaratieve kennis van de belangrijkste theorieën. Zij beogen bij studenten zowel theoretisch gemotiveerde verbeeldingskracht als ambachtelijkheid te bewerkstelligen.” Deze algemene doelstelling is nader gespecificeerd in de volgende eindkwalificaties (bron: zelfstudie). heeft declaratieve kennis van de drie verschillende perspectieven die de psychologie kenmerken: het evolutionair-genetische perspectief.­ Doelstellingen­opleiding F1:­Domeinspecifieke­eisen De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk). de biologische psychologie. dat de afgestudeerde in staat is tot het vervullen van een functie op de arbeidsmarkt op Bachelorniveau en in aanmerking komt voor een Masteropleiding.­ Het­beoordelingskader 1.versitair hoofddocenten. Bachelor In de zelfstudie is de doelstelling van de bacheloropleiding als volgt omschreven: “Met de opleiding wordt beoogd zodanige kennis. de ontwikkelingspsychologie. De afgestudeerde bachelor: 1. De Rotterdamse universiteit hanteert als motto voor het onderwijs “Denken met opgestroopte mouwen: één oog op de ontwikkeling van kennis.2. De Erasmus Universiteit Rotterdam heeft in het verleden geen ongedeelde opleiding Psychologie aangeboden. ten minste op het gebied van de psychologie. de coördinatoren van het eerste en tweede bachelorjaar en de instituutscoördinator. 1. inzichten en vaardigheden bij te brengen op het gebied van de Psychologie.

3. De opleiding is van mening dat een driejarige bacheloropleiding geen civiel effect kan hebben. 4. 5. 7. en het biologisch-psychologische perspectief. heeft enig besef van de ethische aspecten van de beroepsmatige omgang met anderen. inzichten en vaardigheden bij te brengen op het gebied van de psychologie. Klinische en Gezondheidspsychologie.3. Indien studenten als wetenschappelijk onderzoeker of als professioneel psycholoog willen werken. heeft zelfstandig wetenschappelijk onderzoek verricht en daarover gerapporteerd (zo mogelijk in de vorm van een artikel dat kan worden aangeboden aan een internationaal tijdschrift).en Ontwikkelingspsychologie. procedurele kennis omvat kennis van hoe te handelen in relevante situaties (weten hoe). dat de afgestudeerde in staat is tot een zelfstandige beroepsuitoefening en in aanmerking komt voor instroom in vervolgopleidingen en voor de beroepspraktijk en voor een vervolgopleiding tot wetenschappelijk onderzoeker. heeft declaratieve en procedurele kennis van het gekozen specialisatiedomein op een geavanceerd niveau. Master Met de masteropleiding wordt beoogd zodanige kennis. zowel cliënten als proefpersonen. . belangrijkste problemen.en Organisatiepsychologie. beheerst specialistische beroepsvaardigheden op het gebied van diagnostiek en interventie. is een masterdiploma volgens de opleiding noodzakelijk. heeft een zelfkritische houding. 8. en onderwijs en ontwikkeling. empirische bevindingen. Declaratieve kennis wordt opgevat als kennis van hoe een domein in elkaar zit: theorieën. heeft declaratieve en procedurele kennis van de toepassingen van de psychologie op het terrein van geestelijke gezondheidszorg en psychopathologie. heeft een globale kennis van de drie praktijkvelden: structuur. heeft ter voorbereiding op een mogelijk te kiezen masterprogramma verdiepende kennis en inzicht op een van de volgende vier gebieden: Arbeids. 6. activiteiten van psychologen in die velden. is in staat een wetenschappelijke vraagstelling door middel van literatuuronderzoek en eenvoudig empirisch onderzoek te beantwoorden. Deze doelstelling is gespecificeerd in de volgende eindkwalificaties (bron: zelfstudie). 11. feiten (weten dat).en masteropleiding wordt een onderscheid gemaakt tussen declaratieve en procedurele kennis. De afgestudeerde master: 1. Daarmee kan worden voldaan aan de eisen voor de Basisaantekening Psychodiagnostiek QANU / Psychologie / EUR 35 . beheerst beroepsvaardigheden op een basisniveau. heeft declaratieve en procedurele kennis van de belangrijkste onderzoeksmethoden van de psychologie. arbeid en organisatie. van de statistiek en van de testtheorie op een niveau dat het interpreteren van de meeste psychologische onderzoeksliteratuur mogelijk maakt. Daarbij wordt in het laatste deel van de bacheloropleiding reeds een start met het specialisatietraject gemaakt. 4. 10. 9. kan psychologische kennis in een historisch en filosofisch perspectief plaatsen. heeft declaratieve en procedurele kennis van onderzoeksmethoden en statistiek op een geavanceerd niveau. In de eindkwalificaties van de bachelor. Biologische en Cognitieve Psychologie. Onderwijs. De bachelor-masterstructuur wordt hier als één geheel beschouwd.

De eindkwalificaties zijn opgesteld vanuit een oriëntatie op internationale (EFPA) en nationale (domeinspecifiek referentiekader) ontwikkelingen in de wetenschapsbeoefening op het terrein van de psychologie. Om die reden begint de specialisatiefase in Rotterdam reeds in de laatste fase van de bacheloropleiding.en masteropleiding Psychologie mogen worden gesteld. als best practice voor andere opleidingen. F2:­Niveau:­Bachelor­en­Master De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene. aansluiten bij het internationaal geaccepteerde referentiemodel van het European Network of Organisational and Work Psychologists. Verder sluiten ze aan bij de eisen die door de beroepspraktijk worden gesteld voor de toekenning van de BAPD van het NIP en – indien studenten in het derde jaar van de bacheloropleiding kiezen voor de specialisatie Klinische en Gezondheidspsychologie – bij de vervolgopleiding tot gezondheidszorgpsycholoog. Deze sluiten aan bij de richtlijnen voor het niveau van een bachelor 36 QANU / Psychologie / EUR . Bachelor en Master De opleidingen betogen dat de eindkwalificaties van de bachelor. zoals die via de Kamer Psychologie bij alle psychologieopleidingen in Nederland tot stand gekomen is. Tot slot geven de opleidingen aan dat de eindkwalificaties van de studenten die de specialisatie Arbeids. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed.en organisatiepsychologie hebben gekozen. In de zelfstudie relateert de opleiding de eindkwalificaties van de bachelor.en masteropleiding vrij traditioneel voor opleidingen binnen de Psychologie.en masteropleiding aan de omschrijving van een eerste en tweede fase van psychologie-opleidingen zoals gegeven in het EFPA-rapport (zie F1). Zij sluiten daarmee aan bij de eisen die door vakgenoten worden gesteld. Voor de masteropleiding wordt in de zelfstudie beschreven dat deze eindkwalificaties ook aansluiten bij de internationale eisen zoals die gesteld zijn aan masteropleidingen Psychologie door de European Federation of Professional Psychologists Associations (EFPA). Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed.van het NIP (deze eindkwalificatie geldt niet voor de richting Biologische en Cognitieve Psychologie). De commissie vindt de doelstelling en eindkwalificaties van de bachelor. 5. Dit valt de commissie des te meer op in het licht van het feit dat de opleiding recentelijk is gestart. De commissie ziet de aansluiting van de eindkwalificaties op de eisen van vakgenoten en de beroepspraktijk in het domein van de Psychologie.en voor de masteropleiding. Oordeel De commissie heeft de doelstellingen en de eindkwalificaties van de opleidingen bestudeerd en gerelateerd aan het domeinspecifiek referentiekader voor de bachelor. internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor of een Master. terwijl bij het Europese psychologiediploma wordt uitgegaan van een tweejarige masteropleiding. heeft kennis en inzicht in de beroepsethische code van het NIP. Zij is van oordeel dat de eindkwalificaties voldoen aan de domeinspecifieke eisen die aan een bachelor. Deze is in Nederland een jaar.en de masteropleiding aansluiten bij de nationale eisen zoals deze zijn geformuleerd in het disciplineprotocol dat werd gehanteerd bij de vorige onderwijsvisitatie (000) en het huidige domeinspecifieke referentiekader dat voor deze visitatieronde is vastgesteld. Een verschil betreft de duur van de masteropleiding.

een gedifferentieerde tweede fase.en Organisatiepsychologie. Zij biedt hiertoe de richtingen Klinische en Gezondheidspsychologie. Onderwijs. 9 en 10. Specifiek voor de specialisatie Klinische en Gezondheidszorgpsychologie geldt dat studenten in aanmerking kunnen komen voor de vervolgopleiding tot gezondheidspsycholoog. . Deze fase kan ongedifferentieerd zijn: gericht op onderzoeksvaardigheden voor verder (promotie)onderzoek of een algemene psychologische beroepspraktijk. De Dublin-descriptor Leervaardigheden komt impliciet binnen alle eindkwalificaties tot uitdrukking. De Dublin-descriptor Toepassen kennis en inzicht komt vooral tot uitdrukking in de eindkwalificaties 1. De Dublin-descriptor Communicatie komt voornamelijk tot uitdrukking in de eindkwalificaties 3 en 4. Daarnaast relateert de opleiding de eindkwalificaties van de bachelor. De Dublin-descriptor Leervaardigheden komt impliciet bij alle eindkwalificaties tot uitdrukking en meer expliciet in eindkwalificatie 11. Binnen deze Europese algemene omschrijving is de eerste fase (bachelor) gericht op de basiskennis van de verschillende subdisciplines en de belangrijkste theorieën en technieken van de psychologie en legt de basis voor psychologische en onderzoeksvaardigheden.en Ontwikkelingspsychologie. Het eindniveau van de masteropleiding biedt volgens de EFPA beschrijving de basis voor zelfstandige wetenschapsbeoefening of professioneel werken in de psychologische beroepspraktijk. Arbeids. Bachelor De Dublin-descriptor Kennis en inzicht komt tot uitdrukking in de eindkwalificaties 1 tot en met 8. Deze fase leidt niet tot zelfstandig werken in een psychologische beroepspraktijk. Daarnaast wordt oordeelsvorming gestimuleerd via de methodiek van probleemgestuurd onderwijs (zie F10) en het verrichten van empirisch onderzoek (eindkwalificatie 3). De Dublin-descriptor Communicatie komt vooral tot uitdrukking in de eindkwalificaties 6. en 3. en Biologische en Cognitieve Psychologie aan. 6 en 9. Oordeel De commissie heeft de eindkwalificaties van de bachelor.en masteropleiding als volgt aan de Dublin-descriptoren. Deze impliceren dat afgestudeerden in aanmerking kunnen komen voor een promotietraject. De Dublin-descriptor Oordeelsvorming komt binnen het programma tot uitdrukking via het probleemgestuurd onderwijs en verschillende practica en het schrijven van verslagen en de bachelorscriptie.en master volgens de Europese maatstaven. 5. De Dublin-descriptor Oordeelsvorming komt vooral tot uitdrukking in de eindkwalificatie 5. Master De Dublin-descriptor Kennis en inzicht komt vooral tot uitdrukking in de eindkwalificaties 1. Zij is op basis QANU / Psychologie / EUR 37 . 3. De Rotterdamse masteropleiding Psychologie sluit aan bij deze laatste. of gedifferentieerd zijn: gericht zijn op een specifieke onderzoeks. en 4. De Dublin-descriptor Toepassen kennis en inzicht komt vooral tot uitdrukking in de eindkwalificaties 3. internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een bacheloren masteropleiding volgens de EFPA-beschrijving en de Dublin-descriptoren.en masteropleiding vergeleken met de algemene. .of beroepspraktijk in een van de specialisaties van de psychologie.

De bacheloropleiding biedt toegang tot de masteropleiding Psychologie aan de EUR of elders. De commissie 38 QANU / Psychologie / EUR .of praktijkbeoefening binnen het vakgebied van de Psychologie. Oordeel Zie ook F1 waarin de commissie beargumenteert dat de eindkwalificaties van de bacheloren masteropleiding voldoende zijn ontleend vanuit de wetenschappelijke discipline en internationale wetenschapsbeoefening. De eindkwalificaties van de bacheloropleiding geven aan dat een basis wordt gelegd om in de masteropleiding te kunnen voldoen aan de eisen voor beroepsuitoefening in een psychologische praktijk of als wetenschappelijk onderzoeker. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Het niveau dat in de eindkwalificaties tot uitdrukking wordt gebracht past naar het oordeel van de commissie adequaat bij het niveau dat van een bachelor en master verwacht moet worden. • Een WO-master heeft de kwalificaties om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten of multien interdisciplinaire vraagstukken op te lossen in een beroepspraktijk waarvoor een WO-opleiding vereist is of dienstig is. F3:­Oriëntatie­WO: De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de volgende beschrijvingen van een Bachelor en een Master in WO: • De eindkwalificaties zijn ontleend aan eisen vanuit de wetenschappelijke discipline. De commissie stelt vast dat uit de eindkwalificaties van de bacheloropleiding blijkt dat afgestudeerden de startkwalificaties bezitten voor een nadere specialisatie in een masteropleiding. Eindkwalificatie 8 laat zien dat studenten ter voorbereiding op de masteropleiding verdiepende kennis en inzicht hebben op een van de vier specialisatiegebieden.van bovenstaande uiteenzetting en de toelichting daarop in de zelfstudie van oordeel dat de eindkwalificaties van de bachelor. Voor de verbanden van de eindkwalificaties met de nationale en internationale eisen vanuit de wetenschappelijke discipline verwijst de opleiding naar de beschrijving bij F1. zoals diagnosticeren. in de eindkwalificaties van de masteropleiding zijn opgenomen. In de bacheloropleiding ligt de nadruk op basiskennis en -vaardigheden en de master beheerst op de diverse gebieden de meer gespecialiseerde kennis en vaardigheden. De opleiding beoogt vooral studenten voldoende te kwalificeren voor doorstroom naar een masteropleiding Psychologie. • Een WO-bachelor heeft de kwalificaties voor toegang tot tenminste één verdere WO-studie op masterniveau en eventueel voor het betreden van de arbeidsmarkt. Zoals eerder vermeld beschouwt de opleiding het eindniveau van de bachelor niet als een niveau dat voldoende is voor zelfstandige wetenschaps. de internationale wetenschapsbeoefening en voor daarvoor in aanmerking komende opleidingen de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld.en de masteropleiding voldoende aansluiten bij enerzijds de EFPA-beschrijving van de eerste en tweede fase van psychologie-opleidingen in Europa en anderzijds de internationaal algemeen erkende omschrijving van een bachelor. waarin studenten beroepsvaardigheden beheersen op basisniveau om vervolgens in de masteropleiding te kunnen voldoen aan de eisen voor het verkrijgen van de basisaantekening psychodiagnostiek van het NIP. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Dit blijkt bijvoorbeeld uit eindkwalificatie 6. op een geavanceerd niveau. De zelfstudie meldt dat het zelfstandig kunnen verrichten van wetenschappelijk onderzoek en specifieke beroepsgerelateerde vaardigheden.en masteropleiding volgens de Dublin-descriptoren.

Daarna kiest de student voor een van de vier specialisatierichtingen. Het eerste jaar wordt het propedeusejaar genoemd. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Dit wordt in het programma verder uitgewerkt via de methode van probleemgestuurd onderwijs. Deze praktische gerichtheid.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. Het vaardighedenonderwijs is in de blokken geïntegreerd. Het practicum Informatie.3 t/m blok . Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. 1.4 t/m 1. Dit is in lijn met het adagium van de EUR (zie F1).5 in het tweede jaar.en schrijfvaardigheden I en II zijn de enige twee nietblokgebonden onderdelen. De commissie is van mening dat de eindkwalificaties van de masteropleiding het wetenschappelijk karakter van de masteropleiding goed tot uitdrukking brengen. QANU / Psychologie / EUR 39 . Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Doelstellingen opleiding’ voor de bachelor. De eerste drie blokken van het derde bachelorjaar bestaan uit keuzeonderwijs. Hierin worden studenten ingeleid in de theorieën van de betreffende domeinen.2. binnen een sterk wetenschappelijke oriëntatie. De commissie vindt de nadruk op ‘ambachtelijkheid’ binnen de wetenschappelijke oriëntatie van de bachelor.2.oordeelt dat afgestudeerde bachelors voldoende toegang hebben tot een masteropleiding Psychologie op het gebied van hun specialisatie in de bacheloropleiding. Deze praktische gerichtheid met de nadruk op academische en beroepsvaardigheden komen bijvoorbeeld tot uitdrukking in bacheloreindkwalificaties 6 en 7 en mastereindkwalificaties 3. De commissie beoordeelt dit facet om die reden met een goed. 4 en 5.6 in het eerste jaar respectievelijk blok . De inhoud van het bachelorprogramma is hieronder opgenomen (bron: zelfstudie).­ Programma Bachelor Het programma van de bacheloropleiding bestaat per jaar uit acht blokken van vijf weken. Zo is bijvoorbeeld verwoord dat de afgestudeerde master de kwalificaties heeft om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten (eindkwalificatie 3) en specialistische beroepsvaardigheden op het gebied van diagnostiek en interventie beheerst (eindkwalificatie 4).en masteropleiding bijzonder goed. draagt er volgens de commissie aan bij dat de beoogde eindkwalificaties ook goed aansluiten bij functies waarvoor een academische opleiding op het gebied van de psychologie is vereist. Deze vinden parallel plaats aan blok 1.

3 Keuzeonderwijs Voorsorteertraject Specialisatie Klinische en Gezondheidspsychologie Practica 3. I Assessment en argumenteren 1.3 .en schrijfvaardigheid I Programma tweede bachelorjaar . K Dissociatie & persoonlijkheidsstoornissen Anamnese 3. en gezondheidspsy.4.en organisatiepsy. Ontwikkelingspsychologie II Essay schrijven Neuropsychologische diagnostiek Experimentele paradigma’s Presenteren Opzet empirisch onderzoek Gespreksvoering II Gesprekken bij loopbaanadviser. A Persoonsperceptie Psychodiagnostiek 3.en Organisatiepsychologie 3.1 Keuzeonderwijs 3. Lichaam Biologische psychologie .1 Oorsprong Evolutiepsychologie .4 Denkende mens Cognitieve psychologie I Psychologische experimenten 1.5. A Organisatiepsychologie Organisatieadvies – deel 1 3.6.5. II Niet-blokgebonden onderwijs Programma derde bachelorjaar 3.1 Mensen in groepen Sociale psychologie Practica PGO-vaardigheden Informatie leren verzamelen 1.3 Nieuwsgierige mens Statistiek/SPSS/Meth&techn I Opdrachten/Analyseren wetenschappelijke artikelen 1. A Ergonomie en veiligheid Organisatieadvies – deel  40 QANU / Psychologie / EUR .7 Zinnen Geschiedenis en wetenschapsfilosofie Verklaren en voorspellen Angst en stress Van baby tot bejaarde Cognitieve psychologie II Geschiedenis van de psychologie wetenschapsfilosofie Methoden en technieken II Klin. Training voor trainers Informatie.6 Normaal of abnormaal? Klinische psy.8 Lerende mens Onderwijspsychologie Inleiding onderwijsonderzoek Niet blokgebonden onderwijs Informatie.4.en schrijfvaardigheid II .8 Menselijk potentieel Arbeids .en organisatiepsy.5 . Verschillen tussen mensen Persoonlijkheidspsychologie Testgebruik 1.5 Veranderende mens Ontwikkelingspsychologie I Testen van kinderen 1.7 Werkende mens Arbeids.6 . Basisgespreksvaardigheden 1./Psychopath.Programma propedeuse (eerste bachelorjaar) Blok Titel Inhoud 1.6. K Depressie & psychose Psychodiagnostiek 3. sex en andere behoeften Relatietherapie en bespreken van seksualiteit Voorsorteertraject Specialisatie Arbeids. Keuzeonderwijs 3.4 . K Eten.

Zij beschouwt het als vanzelfsprekend dat het eigen onderzoek van de docenten bij de ontwikkeling en uitvoering van onderwijstaken mede als inspiratiebron fungeert en geeft hiervan enkele voorbeelden.Voorsorteertraject Specialisatie Onderwijs. en 4. Zij betoogt verder dat de aansluiting QANU / Psychologie / EUR 41 . B Psychofysiologie E-prime programmeren 3. • Bij daarvoor in aanmerking komende opleidingen heeft het programma aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen. B Hersenanatomie en psychofarmacologie Hersenanatomie Alle specialisaties 3. school en gezin 3. O Leren en instructie Psychodiagnostiek 3. De meerderheid is lid van een onderzoeksschool en publiceert regelmatig in (inter)nationale tijdschriften. practicum) 3.en Organisatiepsychologie (A&O) Programma Onderwijs. B Geheugen (incl. De opleiding zet in een bijlage de onderwijs.7 Testtheorie (Meten is weten) 3. Zo is bij de bachelorscripties aansluiting bij de onderzoeksthema’s van de wetenschappelijke staf mogelijk.4.en Ontwikkelingspsychologie 3.5.4. • Het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek. De laatste blokperioden (3 studiepunten) zijn gereserveerd voor het afstudeeronderzoek.4.en Ontwikkelingspsychologie (O&O) Programma Biologische en Cognitieve Psychologie (B&C) Vragenlijstconstructie Elk programma bestaat uit drie programmaspecifieke blokken (4. een facultatieve praktijkstage en de masterthesis..6.).8 Bachelorscriptie Master De masteropleiding kent vier specialisatieprogramma’s: • • • • Programma Klinische en Gezondheidspsychologie (K&G) Programma Arbeids. • Het programma sluit aan bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën. O Psychosociale aspecten van ontwikkeling Diagnostiek van kind. 4.en onderzoekspecialisaties van de staf uiteen. Bachelor Het programma van de bacheloropleiding wordt volgens de zelfstudie ontwikkeld en verzorgd door docenten die in grote meerderheid zijn gepromoveerd of ver gevorderd zijn in hun promotieonderzoek. F4:­Eisen­WO Het programma sluit aan bij de volgende criteria voor het programma van een WO-opleiding: • Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines. O Ontwikkelingsneuropsychologie Neuropsychologisch assessment Voorsorteertraject Specialisatie Biologische en Cognitieve psychologie 3.3) en een generiek blok op het gebied van onderzoeksmethoden (blok 4.5.1.6.

1 t/m 4. bijvoorbeeld in blok . Aan de ontwikkeling van vaardigheden voor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek wordt gedurende de gehele bacheloropleiding aandacht besteed. een practicum Correlatie geprogrammeerd. worden in blok 1. In het eerste jaar is bijvoorbeeld in blok 1. Studenten waarderen het ‘realiseren van academische attitude en vaardigheden’ in de laatste Elsevier-enquête (005) met een 7. Deze verschillen per specialisatie.9 (landelijk gemiddelde 7.3 de basisonderzoeksvaardigheden geoefend en worden studenten in het practicum van blok 1.5 waarin de methoden en technieken van data-analyse worden behandeld en geoefend.op de eigen onderzoekspraktijk van de docenten bevordert dat nieuwe en theoretische ontwikkelingen in het onderwijsprogramma worden geïncorporeerd. Het blok richt zich zowel op het opzetten van een methodologisch verantwoord onderzoek als op het bijbrengen van geavanceerde statistische technieken en resulteert in een onderzoeksopzet voor het afstudeeronderzoek. In het programma van de verschillende specialisaties zijn verder practica geprogrammeerd waarin studenten vaardigheden leren om als psycholoog in de praktijk te kunnen werken. In het tweede jaar wordt hier verder op voortgebouwd. In blok 1.7 (landelijk gemiddelde 6. Ook deze verschillen per specialisatie. De nadruk ligt op het bestuderen van onderzoeksartikelen. 4 QANU / Psychologie / EUR . In het programma komen onderzoeksvaardigheden expliciet in blok 4.7 Testtheorie en het practicum Vragenlijstconstructie verplicht en ronden studenten de bacheloropleiding af met een bachelorscriptie.9). Docenten van de programma’s K&G. Wetenschappelijke publicaties van docenten maken bijvoorbeeld regelmatig deel uit van de verplichte of aanbevolen literatuur. Verder komen in de programmaspecifieke masterblokken de benodigde onderzoeksvaardigheden aan bod. Docenten van de specialisatie A&O zijn vrijwel allemaal lid van de onderzoeksschool van het Kurt Lewin Instituut (KLI).4 vertrouwd gemaakt met verschillende experimentele designs.4 van elke specialisatie aan bod.8 voeren studenten zelfstandig een klein onderzoekje uit. colloquia en onderzoeksoverleggen gehouden waarvoor zowel studenten als staf worden uitgenodigd. In het derde jaar is voor alle studenten het blok 3. O&O en B&C zijn nagenoeg allemaal lid van de onderzoeksscholen Experimentele Psychologische Onderzoeksschool (EPOS) en/of Experimentele Psychopathologie (EPP). In diverse blokken zijn deze vaardigheden geïntegreerd. Studenten beoordelen in de laatste Elsevier-enquête de voorbereiding op de arbeidsmarkt met een 7. Naast het reguliere curriculum worden workshops. In het programma worden op diverse manieren verbanden met de beroepspraktijk gelegd: onder meer door via probleemgestuurd onderwijs problemen te presenteren met een duidelijke praktijkcomponent en het uitnodigen van gastsprekers uit de praktijk.4) veelvuldig worden geconfronteerd met wetenschappelijke literatuur. In totaal is volgens de opleiding minstens een kwart (45 studiepunten) van het bachelorprogramma gericht op het verwerven van onderzoeksvaardigheden.5). Zo volgen studenten Klinische en gezondheidspsychologie de practica Neuropsychologische diagnostiek.5 en 1. De afsluitende masterthesis bestaat uit het uitvoeren van en rapporteren over een empirisch onderzoek. bouwt voort op de onderzoekskennis en -vaardigheden van de bacheloropleiding. Ook wordt aandacht besteed aan wetenschappelijk schrijven in het niet-blokgebonden onderwijs. Dit blok. genaamd Advanced Research Methods. Master Voor de masteropleiding geldt dat vrijwel alle docenten gepromoveerd en actief als wetenschappelijk onderzoeker zijn. De opleiding geeft aan dat studenten in de eerste vier blokken van alle specialisaties (4. Studenten kunnen keuzeonderwijs vullen met een blok op het gebied van methoden en technieken.

Zij participeren in erkende onderzoeksscholen zoals EPOS.en masteropleiding voldoen aan de eisen die worden gesteld aan een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.als in het masterprogramma voldoende aan de orde. wordt in de specialisatie Arbeids. Deze worden gradueel opgebouwd in de diverse blokken van beide opleidingen en worden in de masteropleiding nader toegespitst op de betreffende discipline. O&O en A&O) voldoen aan de eisen om de basisaantekening psychodiagnostiek te verkrijgen. F5:­Relatie­tussen­doelstellingen­en­inhoud­programma Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties. qua niveau. Zij is van mening dat in het onderwijs voldoende interactie plaatsvindt met recente wetenschappelijke theorieën en kennis.en organisatiepsychologie in practica aandacht besteed aan professionele vaardigheden die toepasbaar zijn in de actuele HRM. Onderzoeksvaardigheden komen zowel in het bachelor. EPP en KLI.Gedragstherapie en Cognitieve therapie. Tot slot is het programma Biologische en Cognitieve Psychologie vooral onderzoeksgericht. De bachelor. Docenten die het onderwijs verzorgen zijn voor het grootste deel gepromoveerd en betrokken bij wetenschappelijk onderzoek. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.en de masteropleiding bestudeerd en stelt vast dat studenten kennis verwerven in interactie met relevant wetenschappelijk onderzoek. In de zelfstudie licht de opleiding toe hoe deze in het curriculum zijn doorvertaald. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Het bevorderen van theoretisch gemotiveerde verbeeldingskracht bij studenten wordt vormgegeven door de keuze voor probleemgestuurd onderwijs als methode (zie verder F10) en het gebruik van zogeheten ZAPs (Zeer Actieve Psychologie). Dit betreft een pakket van digitale psychologische experiQANU / Psychologie / EUR 43 . oriëntatie en domeinspecifieke eisen.en masterthesis integreren de wetenschappelijke kennis en de wetenschappelijke onderzoeksvaardigheden die de student gedurende de opleiding heeft opgedaan.en Ontwikkelingspsychologie vaardigheden als het afnemen van intelligentietests. De commissie concludeert dat de bachelor. De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken. De eindkwalificaties zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. worden in het programma Onderwijs. De commissie vindt het aanbod van actuele artikelen via Psyweb adequaat. In de practica worden daarom vooral onderzoeksvaardigheden geoefend. Oordeel De commissie heeft het programma van de bachelor.en organisatieadviespraktijk en worden diverse gastsprekers uitgenodigd.en masteropleiding gebruikmaken van relevante actuele wetenschappelijke theorieën. De commissie heeft via Psyweb (de elektronische leeromgeving van de Rotterdamse psychologieopleiding) kunnen vaststellen dat de bachelor. het voeren van anamnesegesprekken en het bouwen van een elektronische leeromgeving geoefend en worden eveneens gastsprekers uitgenodigd. De opleiding kent ‘drie metadoelstellingen’ die voortvloeien uit het motto van de Erasmus Universiteit Rotterdam en de wil om betere studierendementen te bewerkstelligen. Het programma van de richting K&G voldoet aan de eisen voor de instroom in de vervolgopleiding op het gebied van de gezondheidszorg (GZ-opleiding). De programma’s van de toepassingsgerichte specialisaties (K&G.

4 Cognitieve psychologie en 1.4. Persoonlijkheidspsychologie.menten en fenomenen. empirische bevindingen. Bijvoorbeeld eindkwalificatie 1 (zie F1) “heeft declaratieve kennis van de belangrijkste theorieën. De belangrijkste oefening voorafgaand aan de masterthesis vindt plaats tijdens het practicum van blok 4. Kennis van actuele wetenschappelijke discussies wordt verkregen tijdens de programmaspecifieke blokken 4. Het probleemgestuurd onderwijs is adequaat geïmplementeerd in het programma. De opleiding heeft diverse maatregelen genomen om hoge rendementen te realiseren. In de zelfstudies is voor de bachelor. In de tabel voor de bacheloropleiding is bij elke eindkwalificatie aangegeven welke blokken aandacht besteden aan het realiseren van de eindkwalificatie. De doelstelling om ambachtelijkheid te bevorderen wordt in het programma uitgewerkt door het leggen van veel nadruk op het verwerven van academische en beroepsvaardigheden binnen de opleidingen.en masteropleiding een tabel opgenomen waarin de bijdrage van de verschillende onderdelen van het onderwijsprogramma gerelateerd wordt aan de eindkwalificaties. De commissie is van oordeel dat uit de schema’s die zijn opgenomen in de zelfstudies blijkt dat de eindkwalificaties voldoende zijn doorvertaald in de programma’s. dit wordt verder bij F10 beargumenteerd. en 4. Door middel van het PGO-systeem dient de student tijdens deze activiteiten een initiërende. De commissie is eveneens positief over de wijze waarop de doelstelling op het gebied van de ‘ambachtelijkheid’ in het programma is vormgegeven. Zij vindt de vertaling hiervan in de relatief grote aandacht voor vaardigheden in het programma (zie ook F6) sterk doordacht en een pluspunt voor de opleiding in zijn geheel.1 Sociale psychologie. kleine groepen en gespreide toetsing.3 en tijdens het afstudeeronderzoek en het schrijven van de masterthesis. Op basis hiervan concludeert de commissie dat het programma van de bachelor. en methoden van de psychologie als geheel en haar subdisciplines” wordt gerealiseerd in de blokken 1. actieve rol te spelen. Dit wordt onder meer gerealiseerd via de VIP’s (Vaardigheden in Psychodiagnostiek) die het aanleren van de beroepsvaardigheden op het gebied van psychodiagnostiek digitaal ondersteunen.” Voor de bachelor.en masteropleiding geldt dat de eindkwalificaties nader zijn uitgewerkt in leerdoelen van de betreffende onderdelen van het programma. Voor het masterprogramma is per Dublin-descriptor aangegeven welke onderdelen van het curriculum gericht zijn op de realisering van de betreffende doelstelling. Van de student wordt in verregaande mate verlangd dat deze actuele internationale publicaties over relevante thema’s kan doorgronden. 4.en masteropleiding studenten voldoende de 44 QANU / Psychologie / EUR . Oordeel De commissie is van mening dat de metadoelstellingen van het programma van de bacheloren masteropleiding goed zijn geconcretiseerd in de curricula.1. Deze leerdoelen per onderwijsonderdeel (blok) zijn opgenomen in de onderwijsmaterialen (de blokboeken) voor de studenten. zoals een bindend studieadvies. waarmee studenten zelf kunnen oefenen. 1. 1. waarin de student een onderzoeksvoorstel schrijft en oefent met geavanceerde statistische analyses die relevant zijn voor het afstudeeronderzoek.5 Ontwikkelingspsychologie van het eerste bachelorjaar en het blok . Biologische psychologie van het tweede bachelorjaar. Kern van het masterprogramma is het zich verdiepen in actuele discussies die van belang zijn voor theorievorming. Alle eindkwalificaties komen in meerdere blokken aan bod en elk blok besteedt ook aan meerdere eindkwalificaties aandacht. vergelijken en bekritiseren. Bijvoorbeeld de Dublin-descriptor op het gebied van kennis en inzicht wordt volgens de tabel als volgt in het masterprogramma gerealiseerd: “Het masterprogramma is gericht op een verdieping van het bachelorniveau. Het leveren van een originele bijdrage aan onderzoek wordt vooral van de student verlangd door middel van het afstudeeronderzoek en de masterthesis.

wordt aan de verschillende eindkwalificaties in diverse blokken aandacht besteed. Bachelor Zoals bij F5 vermeld.8).1 t/m 1.4 volgt een introductie in een steunvak ‘Geschiedenis van de psychologie en wetenschapsfilosofie’ en blok .en masteropleiding de beoogde eindkwalificaties daadwerkelijk te laten verwerven. Ten aanzien van het eerste doel ‘vergroting van theoretisch gemotiveerde verbeeldingskracht’ worden in het eerste bachelorjaar eerst de basisdisciplines in de psychologie behandeld (blok 1.8 volgt een tweede voortbouwende. F6:­Samenhang­programma Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend studieprogramma. tutorinstructie. Ook in de studiegids worden van elk blok de leerdoelstellingen vermeld.7 Testtheorie is voor alle studenten verplicht en met opzet vóór de bachelorscriptie geprogrammeerd.5 Methoden en technieken bouwt vervolgens op blok 1. In het tweede jaar worden drie perspectieven die de hedendaagse psychologie kenmerken behandeld in blok . practicumhandleiding en resultaten blokevaluatie). In de zelfstudie zet de opleiding uiteen hoe de twee hoofddoelen van de bacheloropleiding. maar dat ook hier de check op deze ethische aspecten bij de start van de masterthesis volgens de commissie te weinig systematisch plaatsvindt. te weten ‘vergroting van theoretisch gemotiveerde verbeeldingskracht’ en ‘bevorderen van de ambachtelijkheid’ zorg dragen voor inhoudelijke samenhang. De commissie merkt op dat in het onderwijsprogramma van de bacheloropleiding de eindkwalificatie op het gebied van ethische aspecten (respectievelijk eindkwalificatie 10. Met deze kanttekening concludeert de commissie dat het programma voldoende doeltreffend is om studenten van de bachelor. Het derde bachelorjaar start met keuzeonderwijs. In blok . Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Blok 3.3. In de blokken . Verder wordt de samenhang bewaakt in de curriculumjaargroepen (CJG).4 t/m 3. Voor het aantonen van samenhang ten aanzien van het tweede doel ‘bevorderen van de ambachtelijkheid’ maakt de opleiding een onderscheid tussen de bevordering van onderzoeksQANU / Psychologie / EUR 45 . Op deze wijze zijn alle blokcoördinatoren van het betreffende bachelorjaar op de hoogte van de activiteiten in de andere blokken.6 t/m .mogelijkheid biedt om de eindkwalificaties te realiseren. In de bachelorscriptie kunnen studenten die kiezen voor een empirisch onderzoek deze psychometrische kennis toepassen.5) en daarna de toepassingsgerichte disciplines (blok 1. Zij waardeert het dat voor elk onderdeel concrete leerdoelen zijn gesteld die in de blokboeken ook voor studenten worden geëxpliciteerd.3. Voor de masteropleiding geldt in relatie tot eindkwalificatie 5 (zie F1) dat in blok 4. zie F1) beter in het onderwijs verweven zou kunnen worden.4 wel aandacht aan ethische aspecten wordt besteed. Deze bestaan uit de blokcoördinatoren van elk blok per bachelorjaar en bespreken enkele weken voordat een blok begint het betreffende blok. Alle leden van de CJG ontvangen hiervoor de belangrijkste materialen van het betreffende blok (blokboek. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. verdiepende kennismaking met de toepassingsdisciplines.6 verzorgen een eerste specialisatie ter voorbereiding op het daarna te kiezen masterprogramma. Herhaling en toenemende complexiteit is volgens de zelfstudie daarbij het principe dat zorg draagt voor samenhang.1 t/m .6 t/m 1. De kans op overlap wordt hierdoor volgens de opleiding voorkomen. De blokken 3. waarna de student kiest voor één van de vier ‘voorsorteertrajecten’.

en masterfase nauw betrokken bij elkaars onderwijs. Voorafgaand aan ieder blok wordt er een planningsgroep gevormd. Het vierde blok is ook specialisatiespecifiek. interpretatie en mondelinge en schriftelijke rapportage van uitkomsten van psychologische tests en de oefening van professionele gespreksvaardigheden. . Algemene academische en beroepsvaardigheden.8 Training voor trainers. In de zelfstudie zet de opleiding gedetailleerd uiteen hoe de practica samenhangen met het theoretisch onderwijs en hoe deze zodanig op elkaar aansluiten dat een steeds hoger niveau van beheersing van vaardigheden wordt bereikt. Horizontale samenhang betreft de onderlinge samenhang van vakken en studieonderdelen binnen een differentiatie van het masterprogramma en verticale samenhang betreft de samenhang tussen de master(differentiaties) en de bacheloropleiding Psychologie. professionele beroepsvaardigheden en algemene academische vaardigheden. Het bevordert samenhang en voorkomt onnodige overlap zo veel als mogelijk is. Master Voor het aantonen van samenhang in het masterprogramma maakt de zelfstudie een onderscheid tussen horizontale en verticale samenhang.1 Observatie. observeren. De eerste drie blokken van de masteropleiding worden per specialisatie ingevuld. Verder vindt de commissie dat de opleiding overtuigend heeft aangetoond dat er op verworven kennis en vaardigheden wordt voorgebouwd. Deze komen in op elkaar voortbouwende practica aan de orde in het programma van de bacheloropleiding. komen aan de orde in de practica Informatie. . Het gaat hier bijvoorbeeld om de afname. Deze horizontale samenhang wordt eveneens per specialisatie verder in de zelfstudie uitgewerkt. Een docent kan in de planningsgroep van zijn of haar collega zitting nemen. De commissie heeft expliciet nagegaan of de opdeling in blokken niet leidde tot een fragmentatie van de opleiding. Volgens de opleiding zijn de docenten uit de bachelor. De commissie oordeelt positief over de inhoudelijke samenhang die 46 QANU / Psychologie / EUR . In de masteropleiding kent elke differentiatie reguliere bijeenkomsten van de curriculumjaargroep waarin evenals in de bacheloropleiding het onderwijs onderling wordt afgestemd en getracht wordt overlap te voorkomen. De opbouw van professionele beroepsvaardigheden wordt via een combinatie van theoretisch onderwijs en vaardigheidstrainingen (practica) gerealiseerd. Studenten worden daarbij over de gehele tot dan toe geleerde stof bevraagd. die in principe bestaat uit twee docenten (waarvan er één de coördinator van het blok is) en een student-lid (dat het blok al gelopen heeft).vaardigheden. Dit bleek niet het geval te zijn. maar vormt voor alle masterstudenten de voorbereiding op de stage die daarna volgt.4 Presenteren en . scoring. Het systeem van de planningsgroepen en curriculumjaargroepen waarin regelmatig overleg plaatsvindt over de (afstemming tussen de) blokken draagt zorg voor grote betrokkenheid van docenten bij elkaars onderwijs. Oordeel De commissie is van oordeel dat de samenhang in het bachelorprogramma een sterk punt van de opleiding betreft. Zie voor de opbouw van de onderzoeksvaardigheden F4. In de zelfstudie zet de opleiding voor elke specialisatie de verticale samenhang uiteen. zoals schrijven.en schrijfvaardigheden I en II. Een andere manier om betrokken te zijn bij elkaars onderwijs is door als tutor of practicumbegeleider bij het blok te worden ingezet. presenteren en het geven van een training. De opleiding meent dat voor alle specialisaties geldt dat er sprake is van een verdieping ten opzichte van de basisstof van de bacheloropleiding en wordt voortgebouwd op de opgedane kennis en (onderzoeks)vaardigheden. onder andere door de blokoverstijgende voortgangstoetsen (zie verder F11).

7 uur) (bron: zelfstudie bacheloropleiding). Het programma van de bachelor. In de stageperiode. Het masterprogramma omvat 60 studiepunten en bestaat uit vier verplichte blokken van vijf weken (8 studiepunten). die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen. Daarnaast oordeelt zij dat voor elk van de specialisaties geldt dat de vakken op adequate wijze op elkaar voortbouwen en een deugdelijke opbouw naar de onderzoeksstage en eventueel praktijkstage tonen.1 t/m 4. Uit QANU / Psychologie / EUR 47 . Concluderend is de commissie van mening dat de bachelorstudenten een goed inhoudelijk samenhangend studieprogramma volgen.wordt geboden door de opbouw van het curriculum langs de twee hoofddoelstellingen van het onderwijsprogramma zoals hierboven is uiteengezet. zes voor PGO-onderwijsbijeenkomsten (twee bijeenkomsten van drie uur) en drie voor vaardigheidstraining. In de eerste twee jaar van de bacheloropleiding zijn gemiddeld elf contacturen per week geprogrammeerd: twee voor hoorcolleges. uur) en in het derde bachelorjaar iets hoger (3.en masteropleiding is per jaar serieel opgebouwd in acht blokken van vijf weken. De commissie heeft de samenhang van de masteropleiding op grond van de informatie uit de zelfstudie bestudeerd en is van mening dat de inhoudelijke rode draad van de specialisatie als vanzelfsprekend zorg draagt voor inhoudelijke samenhang. dat gecombineerd kan worden met een praktijkstage van 1 studiepunten. een empirisch afstudeeronderzoek van minimaal 0 en maximaal 3 studiepunten. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Omdat de commissie van mening is dat voor een master meer samenhang is vereist dan voor een bachelor en deze automatisch gegeven wordt door de specialisatie (inhoudelijke samenhang) en de relatief korte duur van de masteropleiding. Evenals in het derde jaar van de bacheloropleiding zijn er wekelijks acht contacturen geprogrammeerd. die uitmondt in de masterthesis. worden geleerde theorie en vaardigheden geïntegreerd. Uit programmaevaluaties blijkt dat studenten het programma over het geheel goed studeerbaar achten en gemiddeld rond de dertig uur per week studeren. De opleiding tracht om voor de blokken 4. F7:­Studielast Het programma is studeerbaar doordat factoren. beoordeelt de commissie de samenhang van de masteropleiding als voldoende. practica en colleges zo veel mogelijk op dezelfde vaste tijdstippen in de week te programmeren. Hierdoor kunnen studenten zich concentreren op de stof van één blok en is er geen concurrentie van andere vakinhoud. In het derde jaar betreft dit gemiddeld acht contacturen per week. Ten derde beoogt de opleiding met de voortgangstoets in het eerste en tweede bachelorjaar te bevorderen dat studenten gedurende de periode gelijkmatig studeren. Studenten die in de problemen dreigen te geraken worden driemaal per jaar hierop geattendeerd. Ook de inbedding van de practica binnen de masterblokken vertoont voldoende samenhang.4 de onderwijsgroepen. Dat houdt in dat blokken na elkaar en niet parallel zijn geprogrammeerd. Daarnaast hoopt de opleiding dat de invoering van het bindend studieadvies een positieve invloed heeft op de studeerbaarheid. dit komt doordat er één PGO-onderwijsgroepsbijeenkomst minder geprogrammeerd is. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. In het eerste bachelorjaar is dit iets lager (9. Dit heeft volgens de opleiding positieve invloed op de studeerbaarheid.

een propedeuse. De commissie heeft tijdens de gesprekken kunnen vaststellen dat de staf bewust bezig is met het aanbieden van een studeerbaar programma en zich inzet voor het zo veel als mogelijk wegnemen van eventuele struikelblokken. de studeerbaarheid van het programma enigszins bedreigt. Uit deze evaluatie blijkt verder dat studenten de studielast als hoog ervaren. De waarborgen rondom de organisatie en kwaliteit van praktijk. Ook de eindscriptie wordt door sommige studenten niet afgerond binnen de daarvoor gestelde tijd. 7% over een hbo-diploma en 3% over een overig diploma (bron: JUBS 003. Het programma kent naar het oordeel van de commissie geen factoren die de studievoortgang nodeloos belemmeren en het zet studenten aan tot regelmatig en actief studiegedrag. De instroom bij psychologie was in het studiejaar 00-003 voor 68% afkomstig van het vwo. een propedeuse. Het programma is volgens de studenten ook goed studeerbaar. In blok 4. Voor de cohort 004-005 betrof dit 7 uur (bron: zelfstudie). Concluderend vindt de commissie het programma van de bacheloropleiding goed studeerbaar.of einddiploma van een universitaire opleiding. De commissie is daarbij wel van mening dat in sommige gevallen de gewenste lengte van de praktijkstage. bijvoorbeeld die welke vereist is om te voldoen aan de ingangseisen voor de vervolgopleiding Gezondheidszorg.en onderzoeksstages vindt de commissie adequaat. of een colloquium doctum hebben toegang tot de bacheloropleiding. Zij vindt de gerealiseerde studielast door studenten hoog en aansluiten bij de geprogrammeerde studielast.of einddiploma van een erkende vierjarige hbo-opleiding (met een wiskundecertificaat op vwo-6 niveau).de programmaevaluatie blijkt dat studenten van de cohort 005-006 naast de acht contacturen ongeveer dertig uur aan zelfstudie besteden.of hbo-achtergrond met een wiskundedeficiëntie wordt een wiskundedeficiëntiecursus aangeboden. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Aan studenten met een vwo. In de Elsevier-enquête van 48 QANU / Psychologie / EUR . % beschikte over een hbo-propedeuse.4 worden studenten volgens de zelfstudie voorbereid op de overgang naar de stageperiode. F8:­Instroom Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten: WO-bachelor: VWO. Ook voor de masteropleiding geldt dat de commissie de gerealiseerde studielast goed vindt. Oordeel De commissie heeft de geprogrammeerde studielast van het bachelorprogramma bekeken en is van mening dat deze onder meer door de seriële indeling in blokken evenwichtig over de studiejaren is verdeeld. WO-master: bachelor en eventueel (inhoudelijke) selectie. HBO-propedeuse of daarmee vergelijkbare kwalificaties. blijkend uit toelatingsonderzoek. maar niet te hoog. Bachelor Studenten in het bezit van een vwo-diploma nieuwe stijl of vwo-oude stijl met wiskunde A of B. maken zij een onderzoeksopzet voor de onderzoeksstage en oefenen ze met de relevante analysetechnieken. opgenomen in de zelfstudie bachelor). Zij concludeert op basis hiervan dat de masteropleiding voldoet aan de basiskwaliteit ten aanzien van de eisen die mogen worden gesteld aan de studeerbaarheid. een buitenlands diploma vergelijkbaar met vwo-niveau. Deze komt vrijwel overeen met de geprogrammeerde studielast van veertig uur per week. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Tijdens dit blok zoeken studenten een stageplek.

De resultaten van de stuQANU / Psychologie / EUR 49 .en masteropleiding bestaat geen zogeheten ‘harde’ cesuur.als masteropleiding een realistisch beeld gegeven van de opleiding en de mogelijke arbeidsmarktperspectieven.en masteropleiding. Studenten met een bachelordiploma Psychologie van elders moeten aantonen dat ze studieonderdelen hebben gevolgd die in inhoud en gewicht overeenkomen met de programmaspecifieke onderwijsonderdelen van de Rotterdamse bacheloropleiding. het project aansluiting vwo-EUR. Tweedejaars bachelorstudenten hebben daarna nog een half jaar om de differentiatiekeuze te maken. Daarnaast is er voorlichtingsmateriaal beschikbaar via de studiegids en de website. meeloopdagen voor scholieren. In de zelfstudie geeft de opleiding aan dat doordat deze studenten geplaatst worden in een onderwijsgroep met studenten die wel ervaring hebben met probleemgestuurd onderwijs. Dit wordt door de examencommissie beoordeeld. Desondanks is de commissie op basis van het voorlichtingsmateriaal dat zij heeft ingezien. Zij waardeert het dat de faculteit een wiskundecursus aanbiedt om eventuele deficiënties weg te werken. zoals de jaarlijkse voorlichtingsbijeenkomst in de herfst en lente. De commissie is van mening dat de opleidingen studenten adequaat en voldoende voorlichting geven. Master Studenten met een bacheloropleiding Psychologie hebben toegang tot de masteropleiding Psychologie. en voorlichting op scholen door student ambassadors. Tussen de Rotterdamse bachelor. de socialisatie in het PGO-systeem vrijwel geruisloos plaatsvindt. de bachelorscriptie en minimaal 160 studiepunten succesvol hebben behaald. Zoals bij F6 uiteengezet vormt het masterprogramma volgens de zelfstudie een logische voortzetting op de bacheloropleiding. Studenten die van elders komen. De bacheloropleiding hanteert diverse voorlichtingsactiviteiten en -instrumenten om aankomende studenten een realistisch beeld te geven van de opleiding.1). Elk jaar wordt in maart specifieke voorlichting gegeven over het masterprogramma. zijn niet altijd bekend met het PGO-systeem. Oordeel De commissie stelt vast dat de opleidingen de juiste toelatingsvereisten hanteren voor toegang tot de bachelor. Het heeft de commissie wel verbaasd dat sommige studenten die zij heeft gesproken vooraf niet wisten dat de Rotterdamse psychologie-opleidingen een systeem van probleemgestuurd onderwijs hanteren. van mening dat de opleiding voldoende informatie biedt over de aard van de opleiding.oktober 005 wordt de aansluiting met het voortgezet onderwijs door studenten gewaardeerd met 7. mogen aan de masteropleiding beginnen. De bacheloropleiding is in 001-00 gestart met een instroom van 88 studenten.7 (landelijk gemiddelde: 7. De commissie is verder van mening dat het programma van de bacheloropleiding aansluit op kwalificaties van vwo-instroom. De eerste cohort van de masteropleiding (004-005) bestond uit 44 studenten en de tweede cohort (005-006) uit 144 studenten. Het grootste deel van de instroom is afkomstig vanuit de eigen bacheloropleiding. De drie ‘voorsorteerblokken’ in het derde jaar van de bacheloropleiding bereiden de student voor op het specifieke masterprogramma. het jaar daarop is dit gestegen naar 14 instromende studenten. Hierbij wordt zowel voor de bachelor. De laatste drie jaar ligt deze instroom redelijk stabiel rond de 40 instromende studenten per jaar en is er een numerus fixus van 50 plaatsen ingesteld. Derdejaars bachelorstudenten die de eerste twee jaar van de opleiding.

b.t. Zij komen tweemaal in de week bijeen om academisch of professioneel relevante problemen te analyseren.en communicatietechnologie (ICT) en vaardigheidstraining. De colleges zijn vooral in de masteropleiding vaak interactief opgezet. afhankelijk van de opleiding. de omvang van het curriculum: WO-bachelor: in de regel 180 studiepunten. Het masterprogramma omvat 60 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. 50 QANU / Psychologie / EUR . Bij de hoorcolleges (vijf per blok) staat niet overdracht van kennis centraal. ondervinden de instromende studenten naar het oordeel van de commissie geen problemen met de aansluiting. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept. Binnen het systeem van probleemgestuurd onderwijs werken studenten in kleine groepen van tien studenten. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. gebruik van informatie. Gezien het feit dat de masteropleiding adequaat aansluit op de bacheloropleiding en tot nu toe de meeste masterstudenten een bacheloropleiding in Rotterdam hebben gevolgd. integratie van probleemgestuurd onderwijs en hoorcolleges. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. F10:­Afstemming­tussen­vormgeving­en­inhoud Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen. Het bachelorprogramma omvat 180 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. Oordeel Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.dentevaluaties laten zien dat studenten over het algemeen geen problemen ondervinden met de aansluiting tussen de vooropleiding en de bacheloropleiding. maar kritische discussie van de door studenten eerder bestudeerde theorieën. en uitdieping of verbreding van de stof. Studenten moeten daarbij voor een deel zelf de leerstof zoeken. Dit is in de masteropleiding ook meer mogelijk door de kleinere studentenaantallen in de blokken dan in de bacheloropleiding. De PGO-bijeenkomsten verlopen via een vast stramien: op basis van voorkennis leidt de analyse van het probleem tot het formuleren van hypothesen over hoe de in dat probleem beschreven fenomenen verklaard kunnen worden en tot het stellen van leerdoelen die door middel van zelfstudie worden nagestreefd. In de zelfstudie werkt de opleiding deze begrippen vanuit de doelstellingen van het onderwijs nader uit. zodat er veel ruimte bestaat voor eigen inbreng van de studenten. Kernbegrippen van het didactisch concept van de Rotterdamse bachelor. F9:­Duur De opleiding voldoet aan formele eisen m. WO-master: minimaal 60 studiepunten. Om de twee hoofddoelstellingen van theoretische verbeeldingskracht en ambachtelijkheid (zie F1) te bewerkstelligen is gekozen voor blokonderwijs en de methode van probleemgestuurd onderwijs met hoorcolleges.en masteropleiding Psychologie zijn volgens de zelfstudie: blokonderwijs.

Het verwerven van professionele vaardigheden. studenten kunnen met docenten en alle andere betrokkenen bij het onderwijs communiceren en bronnen bij het onderwijs via Psyweb raadplegen. psychodiagnostische vaardigheden. Zij is dan ook QANU / Psychologie / EUR 51 . communicatieve en didactische functie. Uit evaluaties blijkt dat studenten enthousiast zijn over de elektronische leeromgeving. Volgens de zelfstudie is het specifieke van het Rotterdamse programma dat de vaardigheden worden verworven door een mix van docentextensief onderwijs waarbij gebruikgemaakt wordt van ICT. De commissie heeft Psyweb en enkele ZAPs en VIPs bekeken en is positief over de didactische inzet hiervan. Zij vindt deze goed passen bij de genoemde doelstellingen van de opleidingen. interventievaardigheden. Specifiek voor de masteropleiding is de afstudeerfase waarin studenten in ieder geval een onderzoeksstage uitvoeren en een masterthesis schrijven.en masteropleiding met een 7. Oordeel De commissie vindt dat het didactisch concept van de Rotterdamse psychologie-opleidingen goed in lijn met de doelstellingen is uitgewerkt. Om de verbeeldingskracht van studenten te stimuleren worden tijdens diverse blokken documentaires beschikbaar gesteld via Psyweb. geluidsfragmenten en teksten waarop de studenten moeten reageren en waarop ze vervolgens feedback ontvangen. Er zijn ervarings-ZAPs. Studenten in de richtingen A&O. Bij een praktijkstage worden drie intervisiebijeenkomsten geprogrammeerd om ervaringen uit te wisselen met collega-stagiaires en de intervisor. rapportagevaardigheden.6 (bron: zelfstudie). Hierbij wordt gebruikgemaakt van werkgroepen. SPSS-bijeenkomsten en hoorcolleges. ontdekkings-ZAPs en experiment-ZAPs. en docentintensief onderwijs waarbij gebruikgemaakt wordt van ‘live’ practica die begeleid worden door een trainer. Het onderwijs in methodenleer en statistiek wordt niet via het didactisch concept van probleemgestuurd onderwijs aangeboden. Drie blokperioden van de bacheloropleiding zijn volledig gewijd aan methodenleer en statistiek. De principes van probleemgestuurd onderwijs en de gerichtheid op ICT en vaardighedenonderwijs past op goede wijze bij de metadoelstellingen om theoretische verbeeldingskracht en ambachtelijkheid te bevorderen. De elektronische leeromgeving speelt hierbij een belangrijke rol. De student wordt tijdens de stage begeleid door een instituutsbegeleider en een instellingsbegeleider (wanneer het een externe stage is). In de overige blokken van de bacheloropleiding oefenen studenten vervolgens regelmatig met het uitvoeren van kleine onderzoeken waarin de theorie in praktijk gebracht moet worden. mondelinge communicatieve vaardigheden. Via een VIP kunnen studenten digitaal vakspecifieke en algemene communicatieve vaardigheden oefenen. Studenten kunnen via ZAPs digitaal en docentonafhankelijk oefenen met psychologische experimenten en fenomenen. Zij waarderen dit gemiddeld in de laatste jaar over alle blokken van de bachelor. Het bevat alle informatie over de studie. en computergerelateerde vaardigheden. Onder meer via een groot aantal videofragmenten. O&O en K&G kunnen daarnaast een praktijkstage onderdeel laten uitmaken van het afstudeertraject. Bronnen betreffen bijvoorbeeld de ZAPs (Zeer Actieve Psychologie) die in samenwerking met de UT en SURF zijn ontwikkeld. wordt via practica aangeboden. onderzoeksvaardigheden.Gebruik van ICT is een derde kenmerk van het Rotterdamse psychologieonderwijs. Het VIPs-project (vaardigheden in psychodiagnostiek) speelt hierbij een belangrijke rol. Ter bevordering van de ambachtelijkheid (zie F1) besteedt het programma aandacht aan vaardigheidstraining op het gebied van studievaardigheden. die onder meer nodig zijn voor het kunnen behalen van de basisaantekening psychodiagnostiek. Psyweb heeft volgens de zelfstudie een informatieve.

Studenten worden vooraf per blok geïnformeerd over de gehanteerde toetsvorm(en) in de studiegids. gericht op de verwezenlijking van de volgende drie doelstellingen: 1. Theoretische kennis en inzicht worden volgens de zelfstudie beoordeeld aan de hand van schriftelijke tentamens. De belangrijkste reden dat het systeem van voortgangstoetsing wordt ver5 QANU / Psychologie / EUR . de speciale inzet van hoorcolleges. De blokken kennen formatieve bloktoetsen. behoud van kennis over lange termijn. aanwezigheidsverplichting.en beoordelingsvormen ingezet: te weten de voortgangstoets. beoordeling van professioneel gedrag en de bachelorscriptie. De vaardigheidsvoortgangstoets toetst de voortgang van studenten met betrekking tot professionele gespreksvaardigheden. onderzoek en scriptie en de begeleiding daarbij gewaarborgd. de practica en de zelfstudie zijn hiermee in lijn. practicumtoetsen. Deze wordt in het eerste en tweede bachelorjaar eenmaal afgenomen als afsluitende toets voor respectievelijk Gespreksvoering 1 en Gespreksvoering . kan een hoge score op de ene categorie een lage score op andere categorieën compenseren. Dit betreffen 190 juist-onjuist vragen. de intensieve PGO-onderwijsgroepsbijeenkomsten.en masteropleiding een goed onderwijsconcept wordt gehanteerd dat op goede wijze is uitgewerkt in de onderwijsvormen. Hiervoor worden in de bacheloropleiding verschillende toets. de vaardigheidsvoortgangstoets. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Het overzicht van de werkvormen. De voortgangstoets bestaat uit items die betrekking hebben op de stof uit alle blokken van de eerste twee studiejaren. hiervoor ontvangen de studenten geen studiepunten. De voortgangstoets wordt onder meer ingezet om studenten regelmatig de stof te laten herhalen en zo kortetermijnbeheersing van kennis te ontmoedigen. In het derde jaar van de bacheloropleiding wordt iedere blokperiode afgesloten met een summatieve bloktoets. In het eerste en tweede bachelorjaar worden vier voortgangstoetsen afgenomen en in het derde bachelorjaar nog één. overeenstemming tussen kennisvorm en toetsvorm. de formatieve bloktoets. toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd. . Hiermee beoogt de opleiding volgens de zelfstudie onder meer te voorkomen dat studenten door onneembare hordes studievertraging oplopen. de summatieve bloktoets. F11:­Beoordeling­en­toetsing Door de beoordelingen.en velddisciplines. Vaardigheden worden zo veel mogelijk getoetst aan de hand van practicumtoetsen die qua vorm overeenstemmen met de aard van de geoefende vaardigheid. Bachelor Het toetssysteem in de bacheloropleiding is. De opleiding beloont breed studiegedrag.van mening dat de didactische uitgangspunten op goede wijze in het programma worden gerealiseerd. bevordering van de studievoortgang en 3. Studenten krijgen wel studiepunten voor het behalen van de voortgangstoetsen en de practica. zoals staat beschreven in de zelfstudie. De vragen zijn volgens een vaste indeling verdeeld over vijftien vak. Als de student op meerdere categorieën van de voortgangstoets vragen kan beantwoorden. Concluderend vindt de commissie dat voor de bachelor. via Psyweb en via informatie in het blokboek. De plaats en kwaliteit van de onderzoeksstage en eventuele praktijkstage in het masterprogramma worden via de handleiding Stage. met de mogelijkheid om een vraagtekenoptie in te vullen.

Aan de summatieve bloktoets worden wel studiepunten toegekend.laten is volgens de zelfstudie dat het programma van de studenten te veel gaat verschillen. Hiervoor zijn specifieke beoordelingsprotocollen ontwikkeld.en masteropleiding een variëteit aan toetsvormen hanteren. Ook de organisatie van de toetsing. heeft de student voor ieder onderdeel professioneel gedrag één herkansingsmogelijkheid per academisch jaar. De herkansingsopdracht bestaat meestal uit het maken van een opdracht over de blokken waarin het professioneel gedrag als onvoldoende is beoordeeld. masterthesis en eventueel praktijkstage) wordt apart beoordeeld. bijvoorbeeld werkstukken. Ten minste één van hen moet zijn gepromoveerd. Het cijfer voor het afstudeeronderzoek/masterthesis is het gezamenlijke oordeel van de begeleider vanuit de opleiding en een tweede beoordelaar. De commissie is onder de indruk van het gedetailleerd beoordelingsformulier voor de bachelor. Daardoor is het niet meer mogelijk een voortgangstoets te ontwikkelen die de door studenten vergaarde kennis en inzichten dekt. de feedback op de toetsingsresultaten. de toetsvormen sluiten bijvoorbeeld goed aan bij de leerdoelen. Als de student zonder goede reden niet aanwezig is geweest moet de student als vervangende opdracht een ‘concept-map’ van de te bestuderen literatuur maken. Op dit punt heeft zij desgevraagd ook geen klachten van studenten gehoord. De compensatieregeling die in de bacheloropleiding wordt gehanteerd kwam de commissie als ingewikkeld over.en de masterthesis. De toetsing en beoordeling hebben naar het oordeel van de commissie veel sterke kanten. QANU / Psychologie / EUR 53 .en een aantal open vragen. Oordeel De commissie stelt vast dat de bachelor. Het cijfer voor de praktijkstage wordt door de begeleider vanuit de opleiding vastgesteld. Verder worden studenten in alle verplichte blokken van de bacheloropleiding door de tutor beoordeeld op professioneel gedrag. Ook oordeelt de commissie positief over de regelmatige feedback aan studenten.en examenregeling (OER) zijn onder meer de rol van de examencommissie. Daarnaast kent elk blok een variatie aan andere toetsvormen. De commissie heeft het toetsbeleid dat ter inzage lag bestudeerd en beoordeelt dit positief. Master Binnen de masteropleiding wordt de summatieve bloktoets gehanteerd voor de toetsing van voornamelijk leerdoelen op het gebied van kennis en inzicht van de eerste vier blokken. Alle blokken en practica van de bacheloropleiding kennen een aanwezigheidsverplichting. de compensatie en de herkansingsmogelijkheden vastgelegd. Bachelor en master In de onderwijs. in het bijzonder bij het beoordelen van professionele vaardigheden en de continue feedback door het werken in werkgroepen met een tutor. mede op basis van het gedetailleerde oordeel van de instellingsbegeleider. maar zij heeft wel de indruk dat er goed over is nagedacht. De afgelopen jaren heeft geen enkele beroepszaak plaatsgevonden. Indien het gemiddelde onvoldoende is. Hiervoor is een gestandaardiseerd beoordelingsformulier ontwikkeld. review papers of practicumtoetsen die aansluiten bij de specifieke leerdoelen van dat blok. De afstudeerfase (onderzoekstage. Er zijn geen studiepunten aan verbonden. De commissie vindt verder de voortgangstoetsen en formatieve bloktoetsen in de bacheloropleiding goed aansluiten bij de doelen die de opleiding zichzelf heeft gesteld op het gebied van toetsing en beoordeling. De summatieve bloktoets bestaat meestal uit een aantal meerkeuze.

Deze kanttekening geldt voor de masteropleiding sterker dan voor de bacheloropleiding. vindt de commissie adequaat. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. onderscheiden naar functiecategorie.als bachelorthesis een tweede beoordelaar wordt ingezet. De examencommissie zou hier een rol in kunnen vervullen. De vele sterke punten en de enkele verbeterpunten wegende. vijf uhd’s.zoals wordt beschreven in de zelfstudie en is opgenomen in de OER.en masteropleiding voldoen aan de eisen die gelden voor dit facet. Hieruit blijkt dat op peildatum 1 december 005 vijf hoogleraren. Een minpunt vindt de commissie het feit dat er geen algemeen beleid is om verschillen in beoordeling tussen tutoren te monitoren en zo nodig bij te stellen (moderatie). vanwege de recente start. Studenten hebben voldoende mogelijkheden tot herkansing. komt de commissie tot het oordeel dat de bachelor. In de zelfstudie is een overzicht opgenomen van de menskracht in aantallen en fte’s. De zelfstudie meldt dat het programma. worden tijdig op de hoogte gesteld van de uitslagen en de gang van zaken rondom de toetsing wordt adequaat gecommuniceerd. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. De commissie betreurt het dat de tweede beoordelaar echter op basis van het al ingevulde beoordelingsformulier van de eerste beoordelaar gevraagd wordt zijn mening te geven.­ Inzet­van­personeel F12:­Eisen­WO De opleiding sluit aan bij de volgende criteria voor de inzet van personeel van een WO-opleiding: Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied. 1. 5 54 QANU / Psychologie / EUR . die bij het onderwijs in de bachelor. Vanaf 006 komt volledige onderzoeksfinanciering beschikbaar. omdat het eindwerk in de masteropleiding een grotere rol speelt dan in de bacheloropleiding. Op basis van het gesprek met de examencommissie oordeelt de commissie dat deze inhoudelijk bij het onderwijs is betrokken en volgens haar wettelijke taken functioneert.en masteropleiding zijn betrokken.en de masteropleiding dat er relatief hoog becijferd werd (zie verder F0).2. Betere afspraken of meer helderheid over de becijfering zouden volgens de commissie gewenst zijn. De commissie waardeert het positief dat er zowel bij de beoordeling van de master. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Programma’ voor de bachelor. Bij de start in 001 is afgesproken dat de beschikbare middelen voor 75% aan onderwijstaken worden besteed. Dit staat een onafhankelijk tweede oordeel in de weg. tot nu toe grotendeels is gefinancierd uit algemene investeringsmiddelen vanuit de EUR. Tot slot vond de commissie op basis van de bestudeerde eindwerken van de bachelor.3.

Zij vervullen vooral de rol van tutor en geven trainingen. Voor de masteropleiding verwacht de commissie een grotere inbreng van toponderzoekers dan nu het geval is. De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat in 006 nog twee hoogleraarsposities worden vervuld. met name de tutorrollen. Ongeveer de helft van alle colleges in het eerste jaar van de bacheloropleiding wordt door hoogleraren en uhd’s verzorgd.en masteropleiding 6. De hoogleraren en uhd’s zijn allen gepromoveerd. Dit zijn volgens de zelfstudie veelal jonge (nog) niet gepromoveerde psychologen die ook werkzaam zijn in de beroepspraktijk. Volgens de gegevens in de zelfstudie is 80% van de vaste staf lid van een KNAW-erkende onderzoeksschool. In totaal is er voor het onderwijs in de bachelor. en enkele onderzoeksprijzen ontvangen. F13:­Kwantiteit­personeel Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen. WD’s zijn wetenschappelijk docenten met uitsluitend een onderwijstaak. Door voor de uitvoerende onderwijstaken. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Voor beide opleidingen geldt dat er voldoende wetenschappelijke en professionele rolmodellen in het onderwijs worden ingezet.ud’s en achttien WD’s bij het onderwijs zijn betrokken.en onderzoeksspecialisatie de verschillende leden van de wetenschappelijke staf hebben. Het probleemgestuurd onderwijs vraagt meer docententijd.6 fte beschikbaar (peildatum 1 december 005). Deze onderzoeksprogramma’s zijn nog niet door een onderzoeksvisitatiecommissie Psychologie beoordeeld. Zij ondersteunt dan ook de uitbreiding van de hoogleraarsposities die zijn voorzien. zijn niet gepromoveerd. een voor A&O en een voor B&C. van de ud’s zijn er vier nog niet gepromoveerd. De wetenschappelijke docenten die een tijdelijk contract hebben en vooral als tutor worden ingezet. Zij krijgen een tijdelijk contract voor drie jaar. In de zelfstudie geven de opleidingen aan dat er voldoende aanvullende investeringsmiddelen door de EUR zijn gereserveerd om de uitvoering van de onderwijsprogramma’s Psychologie voor de toekomst te waarborgen. Daarnaast worden twee postdoc’s en elf aio’s bij het onderwijs ingezet. bijvoorbeeld van de NWO. QANU / Psychologie / EUR 55 . De inzet van WD’s als tutoren past naar het oordeel van de commissie adequaat bij het probleemgestuurd onderwijs in de bacheloropleiding. De opleidingen geven in een overzicht aan welke onderwijs. Verschillende stafleden hebben een onderzoeksgerelateerde subsidie. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Volgens de opleidingen is de staf-studentratio vergelijkbaar met andere opleidingen aan de EUR. Oordeel De commissie stelt vast dat van de vaste staf nagenoeg iedereen is gepromoveerd en het merendeel onderzoeker is bij een onderzoeksprogramma. De onderzoekskwalificaties van deze tijdelijke staf zijn relatief minder groot dan bij zusteropleidingen. Tijdens het visitatiebezoek was voorzien in de vervulling van de hoogleraar A&O. wordt in deze extra docententijd voorzien. De staf-studentratio bedroeg in 003 en 004 1:35 en in 005 1:30. Verwacht wordt dat zij binnenkort promoveren. wetenschappelijk docenten zonder onderzoekstaak aan te stellen.

In het portfolio zijn de gemiddelde studentenoordelen over de onderwijstaken opgenomen.1 naar 6. Van de dertien blokken.5 en 7 beoordeeld. Indien dit niet gehaald wordt. pas ingezet in het probleemgestuurd onderwijs als zij met goed gevolg de driedaagse workshop ‘Introductie in probleemgestuurd onderwijs’ hebben afgerond. De Rotterdamse staf is relatief jong. Jaarlijks worden de onderwijs. In de zelfstudie zijn de gemiddelde oordelen van studenten over de kwaliteit van de blokken. te volgen. De waardering voor bekwaamheid en inzet. Er is een budget voor onderwijskundige bijscholing. de tutoren en de colleges voor de bacheloropleiding van 001 tot en met 005 uiteengezet. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.0 en 8. onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma. vooral op het gebied van het geven van colleges. Ook de gemiddelde oordelen over de kwaliteit van blokken en tutoren in de masteropleiding zijn opgenomen. worden aangemoedigd cursussen van het OECR. De opleidingen noemen tot slot de positieve beoordeling van de kwaliteiten van de staf door studenten in de Elsevier-enquête. Bij de selectie van het wetenschappelijk personeel is volgens de opleidingen bewezen onderwijskwaliteit een belangrijk criterium geweest. uitgesplitst naar jaar en specialisatie. De kwaliteit van de hoorcolleges scoorde wat lager dan landelijk gemiddeld.1 fte in 001 tot 6. Het aantal ingeschreven studenten is sinds 001 van 88 gestegen tot 805 in 005. De staf-studentratio van 1:30 is in vergelijking tot andere opleidingen relatief gunstig. Dit past bij het didactisch concept van probleemgestuurd onderwijs dat relatief veel docententijd vraagt. F14:­Kwaliteit­personeel Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke.6 fte voor onderwijs in 005.en onderzoeksprestaties aan de hand van een portfolio van de docent-onderzoeker tijdens het functioneringsgesprek aan de orde gesteld. 56 QANU / Psychologie / EUR . De beoordelingen zijn alle ruim voldoende. De commissie vindt in dit kader de positie en inzet van tijdelijk personeel (vooral wetenschappelijk docenten) een slimme zet vanuit de opleidingen gedacht. In de periode 001-005 is het onderwijzend personeel gegroeid van 7. De oordelen over de tutoren zijn alle ruim voldoende (tussen de 7. Docenten worden. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Zij beoordeelt dit facet om die reden niet met een ‘goed’ maar met een ‘voldoende’. Drie blokken zijn tussen de 6. volgens de zelfstudie. net gepromoveerde docenten.6 fte. op een tienpuntsschaal). De opleidingen hanteren als streefcijfer dat het gemiddelde studentenoordeel minimaal ruim voldoende (een 7 op een tienpuntsschaal) moet zijn. Jonge. De commissie heeft er waardering voor dat de groei van de staf op een organische manier door de opleidingen is opgevangen.Oordeel De commissie stelt vast dat er in de afgelopen vijf jaar een enorme uitbreiding van de staf is gerealiseerd: van 7. haalden tien het streefcijfer van gemiddeld een 7. bereikbaarheid en begeleiding bij opdrachten is hoger dan het landelijk gemiddelde. zoals bijscholing of persoonlijke coaching. De commissie merkt bij genoemde staf-studentratio en de kwantiteit van het personeel op dat dit nog geen stabiele situatie weerspiegelt vanwege het feit dat de opleidingen recent gestart zijn en nog een aanloopfinanciering kennen vanuit de Erasmus Universiteit. De commissie heeft verder begrepen dat in de toekomst de staf met 30% uitgebreid zal worden. worden volgens de zelfstudie maatregelen genomen.

4. De collegezalen zijn verspreid over de campus. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Inzet van personeel’ voor de bachelor. In dit gebouw zijn ook de onderwijsgroepzalen en een pc-landschap met 10 nieuwe pc’s gehuisvest. dat de opleidingen over enthousiast. betrokken en voor studenten en collega’s toegankelijk onderwijsgevend personeel beschikken. Dit is vooral relevant voor de bacheloropleiding. De problematiek die kan samenhangen met de inzet van tijdelijk personeel wordt naar het oordeel van de commissie adequaat opgevangen. Vooral in het derde jaar van de bacheloropleiding worden daarbij ook colleges verzorgd door gastdocenten. De commissie complimenteert de staf over de bereikte onderwijskundige kwaliteiten in de afgelopen vijf jaar.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. 1. Er zijn diverse professionaliseringsactiviteiten.2. De faculteit is sinds 005-006 gehuisvest op de twaalfde en dertiende verdieping van het T-gebouw op de campus van de EUR. De commissie heeft uit de gesprekken met de delegaties begrepen dat de opleidingen er zorg voor dragen dat de specifieke didactische kwaliteiten van de docentonderzoekers zo goed mogelijk worden ingezet. Zij stelt ook vast dat het docententeam breed inzetbaar is. Dit laatste is bij de Rotterdamse masteropleiding voor verbetering vatbaar. De onderwijsruimten zijn volgens de opleidingen in ruim voldoende mate aanwezig en modern ingericht. QANU / Psychologie / EUR 57 . Voor de masteropleiding beoordeelt zij dit facet in zijn geheel als voldoende gezien de recente start en het feit dat zij in de masteropleiding meer inbreng verwacht van toppsychologen dan in de bacheloropleiding. Zo krijgen alle beginnende docenten een training in probleemgestuurd onderwijs. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed.­ Voorzieningen F15:­Materiële­voorzieningen De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren. De commissie vindt dat het onderwijs goed georganiseerd wordt: het onderwijsbureau functioneert goed. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De opleidingen geven in de zelfstudie een overzicht van de huisvesting en materiële voorzieningen waarvan gebruikgemaakt kan worden om het onderwijsprogramma te realiseren. Deze kwalificaties passen bij het probleemgestuurd onderwijs en de eindkwalificaties van de bacheloropleiding. Zij heeft het loopbaanplan ingezien en waardeert dit positief. Zij stelt vast dat de staf wordt geselecteerd op onderwijskundige kwaliteiten.Oordeel De commissie constateert op basis van de gesprekken die zij heeft gevoerd. De commissie waardeert dit facet voor de bacheloropleiding gezien de goede onderwijskundige en domeinspecifieke kwalificaties van de staf voor de bacheloropleiding als goed. De commissie heeft de specialisaties van de staf bestudeerd en oordeelt dat deze voldoende breed zijn gezien de eindkwalificaties. De commissie heeft begrepen dat op korte termijn wordt voorzien in de aanstelling van een hoogleraar Biologische en Cognitieve Psychologie.

De opleidingen noemen in de zelfstudie als doel voor de studiebegeleiding het tegengaan van voortijdige uitval en studievertraging. Er zijn. zoals laboratoria. De voorzieningen hebben een positieve indruk gemaakt op de commissie. Deze wordt nog verder uitgebreid. De commissie vindt de onderzoeksvoorzieningen zoals die nu in het onderwijs gebruikt worden adequaat. bibliotheek/studielandschap. De commissie is concluderend van oordeel dat de kwaliteit en inrichting van de onderwijsvoorzieningen goed toereikend zijn voor de uitvoering van de onderwijsprogramma’s. De commissie vindt de elektronische leeromgeving Psyweb bijzonder goed vormgegeven. Deze is geschikt gemaakt voor opzoeken en raadplegen van bronnen. computerzalen. De staf ervaart de huisvesting volgens de zelfstudie als modern en plezierig. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. wat specifiek past bij het karakter van probleemgestuurd onderwijs. Zij verwijzen bij problemen door naar de studieadviseur. De opleidingen zijn ruim gevestigd in een nieuw gebouw. Oordeel De commissie heeft een rondleiding gehad langs de onderwijsvoorzieningen. wordt ook gebruikgemaakt van het Erasmus Behavioral Lab. De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten sluiten aan bij de behoefte van studenten. gezien de recente start van collectievorming. collegezalen. De tutoren vervullen tijdens de onderwijsgroepsbijeenkomsten onder meer een signalerende en doorverwijzende functie. Bij ernstige problemen kan worden doorverwezen naar de studentendecanen en -psychologen van de EUR. vragenlijsten en achtergronddocumentatie over de materialen zijn ondergebracht.De bibliotheek is in het studielandschap gevestigd. nog een achterstand. De commissie waardeert het echter zeer positief dat de bibliotheek hierdoor een collectie kan opbouwen die goed aansluit bij recent onderzoek en het onderwijsprogramma. In 001 is gestart met de vorming van een collectie psychologische (elektronische) boeken en tijdschriften. zoals werkgroepzalen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Het begeleidingssysteem wordt gekenmerkt door korte lijnen tussen de student en de opleiding en komt tot uiting in de begeleiding door de tutoren bij de PGO-onderwijsgroepsbijeenkomsten en begeleiding door de studieadviseurs. veel eigen werkgroepruimten voor Psychologie beschikbaar die goed passen bij de gekozen werkvormen van probleemgestuurd onderwijs. Voor het onderwijs. en heeft een presentatie van Psyweb gekregen. Volgens de opleidingen is inmiddels een omvangrijke collectie aangeschaft en wordt deze nog voortdurend aangevuld. De bibliotheek heeft. waarin ruim zestig tests. die ook voor het onderwijs gebruikt worden zijn in opbouw. gezien de studentenaantallen. laboratoria. Studenten klagen soms over te weinig faciliteiten om de bronnen te kopiëren en zo ook thuis te kunnen bestuderen. 58 QANU / Psychologie / EUR . bijvoorbeeld bij het afstudeeronderzoek. Voor de verdere ontwikkeling van laboratoria zijn jaarlijkse investeringen begroot. Uit de Elsevierenquête (005) blijkt dat studenten de onderwijsvoorzieningen significant hoger dan het landelijk gemiddelde beoordelen. Dit betreft een moderne researchfaciliteit voor het doen van geavanceerd gedragswetenschappelijk onderzoek. testotheek. De onderzoeksvoorzieningen. Verder is er bij het Instituut voor Psychologie een testotheek aanwezig. F16:­Studiebegeleiding De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten zijn adequaat met het oog op studievoortgang.

maar naar het oordeel van de commissie hadden de gestelde eisen en criteria aan het bindend studieadvies vooraf beter verantwoord kunnen worden. De studieadviseurs volgen de studieprestaties in het eerste jaar en sturen elke student drie tussentijdse studieadviezen (januari. Studenten krijgen na een toets via e-mail bericht dat hun resultaten in te zien zijn via Osiris online. Het eerste jaar van de bacheloropleiding is selecterend door het bindend studieadvies. Studieresultaten worden geregistreerd in het studievoortgangsysteem Osiris. In het eerste blok van het eerste jaar worden de specialisaties onder de aandacht gebracht en in het tweede jaar wordt een voorlichtingsmiddag over het studieprogramma en beroepsmogelijkheden van de specialisaties georganiseerd.De bacheloropleiding geeft studenten na het eerste jaar een bindend studieadvies (BSA). aandacht voor de privacybewaking van de gegevens te hebben. QANU / Psychologie / EUR 59 . Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Dit systeem is online toegankelijk voor studenten. De commissie waardeert het positief dat niet alleen in het eerste jaar. anders dan voorlichting over de masteropleiding. te hebben gekregen over de mogelijkheden na de masteropleiding. dat de opleiding de studenten zeer intensief volgt en naar aanleiding van studieprestaties gerichte maatregelen treft ter bevordering van de studievoortgang. een belangrijke rol. Informatie over specialisatiemogelijkheden wordt studenten vanaf het eerste jaar gegeven. De commissie vindt het een goede zaak dat de begeleiding niet alleen bij de studieadviseur ligt.en masteropleiding goed is vormgegeven en aansluit bij de behoefte van studenten. Oordeel De commissie constateert op basis van de gesprekken met de staf en studenten en de informatie die beschikbaar is gesteld. onder meer via Psyweb. Om de studie te mogen vervolgen. vooral in hun rol als tutor. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed. De commissie wijst de opleidingen erop. maar ook in de latere jaren van de bachelor. Concluderend is de commissie van oordeel dat de studiebegeleiding en informatievoorziening met het oog op de studievoortgang voor de bachelor. De commissie heeft tijdens het bezoek gezien dat de procedure rondom het bindend studieadvies zorgvuldig wordt uitgevoerd. De opleidingen zijn volgens de commissie met recht trots op hun systeem van monitoring en studiebegeleiding. moeten studenten in het eerste jaar 40 van de 60 studiepunten behalen en na het tweede jaar het gehele eerste jaar hebben afgerond. juli) en één definitief bindend studieadvies (augustus). april. Studenten met achterstand wordt dringend aangeraden om contact op te nemen met één van de twee studieadviseurs. Ook de docenten spelen hierbij.en in de masteropleiding expliciete aandacht wordt geschonken aan de begeleiding van studenten. Uit gesprekken met bachelorstudenten blijkt dat zij geen voorlichting krijgen over mogelijkheden na de bacheloropleiding. Uit een enquête onder alumni blijkt volgens de zelfstudie dat studenten hierover graag nog meer informatie hadden verkregen. De grens voor een positief of negatief advies is helder. Masterstudenten met wie de commissie sprak geven aan voldoende informatie. gezien de uitgebreide registratie van student en studievoortgang. Daarnaast ontvangen studenten na elke behaalde onvoldoende een e-mail van de studieadviseurs waarin hun gewezen wordt op de begeleidingsmogelijkheden van de opleiding.

Streefdoel voor de blokevaluaties en de kwaliteit van de docent is een gemiddelde waardering van minimaal een 7 op een tienpuntsschaal. Door het verplichtende aspect van de evaluaties is er een hoge respons.2. Beide opleidingen evalueren.­ Interne­kwaliteitszorg F17:­Evaluatie­resultaten De opleiding wordt periodiek geëvalueerd.Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Voorzieningen’ voor de bachelor. de bijzondere aspecten. Dit wordt echter door de opleidingen op een andere manier ondervangen. Concluderend is de commissie van oordeel dat de opleidingen een adequaat evaluatiesysteem hanteren en het blokonderwijs uitvoerig en gestructureerd aan de hand van toetsbare streefdoelen monitoren. In de curriculumjaargroep. Er zijn toetsbare streefdoelen opgesteld. aanvullende informatie.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. het functioneren van de tutor en Psyweb. minder is geformaliseerd. vindt deze kwaliteitsbewaking impliciet plaats. Oordeel De commissie stelt vast dat via de schriftelijke blokevaluaties elk onderwijsonderdeel periodiek en systematisch wordt geëvalueerd. De blokcoördinator en alle betrokken tutoren ontvangen een totaaloverzicht van de evaluatieresultaten en elke tutor krijgt een overzicht over de oordelen over zijn of haar functioneren. Deze heeft gezien de recente start van de opleidingen nog niet plaatsgevonden. waarin veel gesproken wordt over evaluatie van het curriculum van een jaar als geheel. De commissie is op basis van de gesprekken en de documenten die zij heeft ingezien van oordeel dat het grotere geheel van kwaliteitszorg. ieder blok op systematische wijze. De blokevaluaties bestaan uit open vragen en gesloten vragen. Studenten registeren zich voor de bloktoets door het anoniem invullen van de evaluatie. 60 QANU / Psychologie / EUR . waarmee de opleiding kan nagaan of de beoogde prestaties worden behaald. zoals staat beschreven in de zelfstudie. Wat betreft het systeem van kwaliteitszorg in bredere zin. constateert de commissie dat de opleidingen een start hebben gemaakt met de omslag van een informeel systeem naar een meer formeel systeem. Het is universitair beleid om tussen twee externe onderwijsvisitaties een interne opleidingsevaluatie te organiseren. bijvoorbeeld uitvoering van curriculumevaluaties. Zij moedigt dit verder aan. Studenten geven hun waardering voor de algemene indruk van het blok. De blokevaluatie is gekoppeld aan de inschrijving voor de bloktoets. De evaluaties worden elektronisch via Psyweb in de laatste week van het blok afgenomen. Een nadeel van deze procedure vindt de commissie dat de toets geen onderdeel uitmaakt van de evaluaties. Deze resultaten vormen een onderdeel van het functioneringsgesprek. 1. mede aan de hand van toetsbare streefdoelen.5.

tijdens en na afloop van een blok plaatsvindt. Hiervan heeft de commissie enkele concrete voorbeelden gezien. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. F18:­Maatregelen­tot­verbetering De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan realisatie van de streefdoelen. waardoor het studentenoordeel over de kwaliteit van het blok het jaar daarop is gestegen en het streefcijfer van minimaal een 7 heeft gehaald. De commissie is van oordeel dat de opleidingen adequaat hebben gereageerd op verbetermogelijkheden die uit de evaluaties naar voren kwamen.5 en 7) concrete verbetermaatregelen getroffen. waardoor potentiële problemen volgens de opleidingen in een vroeg stadium kunnen worden aangepakt. Deze kan bijvoorbeeld colleges. zoals een minimaal aantal pagina’s literatuur dat per week bestudeerd moet worden en is naar aanleiding van de evaluatie van een experiment met een zelfinstructiepracticum toch besloten het jaar daarop ervaren trainers in te zetten.3 A&O en blok 4. De commissie concludeert dat de opleidingen voldoen aan de criteria die gelden voor dit facet. De opleidingscommissie bespreekt de resultaten van de blokevaluaties. Vooraf worden de belangrijkste materialen. in tegenstelling tot de blokcoördinator en opleidingsdirecteur. de practicumhandleiding en de resultaten van de blokevaluatie. geen toegang tot de individuele tutorbeoordelingen.Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Studenten kunnen via Psyweb informatie met de tutor en coördinator uitwisselen. In de masteropleiding zijn bijvoorbeeld bij blok 4.3 K&G op basis van lage beoordelingen (tussen de 6. In de zelfstudie beschrijven de opleidingen hoe de kwaliteitsbewaking voor. veranderen of verwijderen. De procedures hiervoor zijn helder. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Daarnaast bespreekt de curriculumjaargroep het blok een aantal weken voor het blok begint. het blok aanpast. de tutorinstructie. Vanwege de recente start van de opleidingen zijn er geen aanbevelingen van de vorige visitatiecommissie beschikbaar. Na afloop van een blok krijgen de coördinator en alle tutoren binnen twee weken de uitkomsten van de blokevaluaties toegestuurd. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. zoals het blokboek. In de bacheloropleiding zijn bijvoorbeeld naar aanleiding van studielastgegevens richtlijnen voor studiegedrag opgesteld. Deze informatie wordt ook ter beschikking gesteld aan de opleidingsdirecteur en opleidingcommissie. Oordeel De commissie stelt vast dat het evaluatiesysteem zo is opgezet dat verbetermaatregelen getroffen kunnen worden. Met deze verbetermaatregel is het practicum positiever beoordeeld. De opleidingen geven in de zelfstudie enkele concrete voorbeelden van verbetermaatregelen die naar aanleiding van de evaluaties zijn genomen. Tijdens een blok komen de tutoren met de coördinator bijeen. practica. aan de leden van de curriculumjaargroep beschikbaar gesteld. En tijdens de bijeenkomst geeft de blokcoördinator uitleg over het blok en de wijzigingen en kunnen de andere coördinatoren vragen stellen of kritiek geven. Voorafgaand wordt een planningsgroep gevormd die op basis van de evaluaties van het vorige jaar. Zo zijn de coördinatoren op de hoogte van de activiteiten in de andere blokken. De opleidingscommissie heeft. of literatuur die door studenten minder of niet gewaardeerd werden. QANU / Psychologie / EUR 61 .

Als structureel onderdeel van de kwaliteitszorg wordt in de zelfstudie vermeld dat sinds 005 feedback is gevraagd op het functioneren van de studenten in praktijkstages. de opleidingscommissie en de faculteitsraad. Dit betreft bijvoorbeeld het weer invoeren van de persoonlijke keuze voor een vroege of late onderwijsgroep in elk blok. bijvoorbeeld via verkiezingen. In de opleidingscommissie worden op basis van evaluatiegegevens alle blokken van de afgelopen periode besproken. Ook heeft de commissie gehoord dat de opleidingscommissie niet erg leeft onder de andere bachelor. Het blijkt lastig studenten voor deze taak te vinden. dat de opleidingscommissie nog geen belangrijke rol speelt bij de kwaliteitsbewaking van de opleidingen.F19:­Betrekken­van­medewerkers. Studentleden voor de opleidingscommissie worden gevraagd door het management van de opleiding. Hierin hebben evenveel studentleden als stafleden zitting. Uit de gesprekken tijdens het visitatiebezoek heeft de commissie begrepen dat de formele rol van de opleidingscommissie minder noodzakelijk is omdat de kwaliteitszorg vooral laag in de organisatie. volgens de opleiding niet mogelijk zijn. de curriculumjaargroep. Studenten zijn via het invullen van de blokevaluaties en hun lidmaatschap van de opleidingscommissie direct betrokken bij de kwaliteitszorg. Dit 6 QANU / Psychologie / EUR . De opleiding heeft onder de eerste cohort afgestudeerde masterstudenten een enquête afgenomen. door de opleidingen overgenomen. Anderzijds heeft zij ook begrepen dat bepaalde zaken waar de studentleden uit de opleidingscommissie voorstander van zijn. Oordeel De commissie stelt op basis van de gesprekken met diverse delegaties en de documentatie over de interne kwaliteitszorg vast dat medewerkers op diverse manieren zijn betrokken bij de kwaliteitszorg van het onderwijs. Daarnaast is het beroepenveld via gastcolleges betrokken bij het onderwijs in beide opleidingen. Volgens de opleiding is het om logistieke redenen niet mogelijk om studenten hierin een keuze te bieden. bijvoorbeeld in plannings. studenten. onder meer via de planningsgroep. Zij komen om de twee maanden bijeen. In de curriculumjaargroepen wordt door de blokcoördinator een toelichting gegeven op onder meer de wijzigingen die op basis van de evaluaties zijn doorgevoerd. alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken. Het betreft hier studenten die het jaar succesvol hebben afgerond. Zo zijn bijvoorbeeld alle punten die studenten ten aanzien van de veranderingen in het OER via de opleidingscommissie naar voren brachten. De opleidingen geven aan dat ten tijde van het schrijven van de zelfstudie plannen worden gemaakt om alumni te betrekken bij de bewaking van de kwaliteit van het onderwijs.en masterstudenten. Hierin hebben een studentlid en twee stafleden zitting. Studentleden van de opleidingscommissie zetten zich in om de zichtbaarheid te vergroten. Verder zijn studenten ook in alle curriculumjaargroepen vertegenwoordigd. De benoemingen van studentleden in de opleidingscommissie zou volgens de commissie beter kunnen. Studenten zijn verder vanzelfsprekend via het invullen van de blokevaluaties betrokken bij de kwaliteitszorg van de opleiding.­alumni­en­beroepenveld Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers. Daarnaast heeft de commissie vastgesteld dat er zoveel informele contacten tussen studenten en docenten zijn. Op de agenda’s van elk van deze gremia is de kwaliteit van het onderwijs onderwerp van gesprek. De commissie heeft van studenten uit de opleidingscommissie begrepen dat hun inbreng serieus wordt opgevolgd. plaatsvindt.en curriculumgroepen. studenten. De opleiding geeft aan dat bij het bewaken van de kwaliteit van het onderwijs de planningsgroepen een belangrijke rol spelen.

6. aan onderzoeksstage en masterthesis van 0 studiepunten en praktijkstage van 1 studiepunten. Deze kunnen volledig worden besteed aan een onderzoeksstage en masterthesis. Master De masteropleiding is in 004 gestart en de eerste mastertheses zijn in 005 afgerond. De afstudeerfase heeft een omvang van 3 studiepunten. De student QANU / Psychologie / EUR 63 .8 waarderen en de kwaliteit van de begeleiding gemiddeld met een 8. Zie voor de examenregeling en het toetsbeleid F11. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De beoordelingen in 004-005 zijn vergelijkbaar.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Interne kwaliteitszorg’ voor de bachelor. Uit de gesprekken met betrokkenen bij de opleiding heeft de commissie begrepen dat sinds 005-006 ook voor de bachelorscriptie standaard met een tweede beoordelaar wordt gewerkt. ten minste 0 studiepunten. Uit studentevaluaties blijkt dat studenten het onderdeel bachelorscriptie gemiddeld met het schoolcijfer 7.3 (evaluatie 003-004). De bachelorthesis heeft een omvang van 9 studiepunten en kan de vorm hebben van een literatuurstudie of een empirisch onderzoek. Het betrekken van alumni en het beroepenveld bij de kwaliteitszorg staat in de kinderschoenen. De opleiding hanteert een standaard beoordelingsformulier voor de beoordeling van de bachelorscriptie waarin de beoordelingscriteria zijn geëxpliciteerd. voorlichting aan studenten geeft en de procedures en kwaliteit rondom het afstudeertraject bewaakt.2.­ Resultaten F20:­Gerealiseerd­niveau De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau. 1. of aan een gecombineerde onderzoekstage met praktijkstage. De commissie ondersteunt de plannen van de opleidingen op dit gebied. In het laatste geval bedraagt de masterthesis. die het resultaat is van de onderzoekstage. Van de studentleden uit de opleidingscommissie heeft zij gehoord dat er adequaat op hun inbreng gereageerd wordt. Bachelor In 004 en 005 hebben de eerste twee cohorten studenten de bachelorscriptie geschreven. Voor beide vormen gelden vastgestelde richtlijnen ten aanzien van de omvang en de beoordeling. De opleiding heeft een coördinator voor het afstudeertraject aangewezen die onder meer externe contacten voor praktijk.en onderzoekstages aangaat en onderhoudt.ook om de zichtbaarheid van de opleidingscommissie te vergroten. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. oriëntatie en domeinspecifieke eisen.

55) en informatie over hoe te werk te gaan bij het vinden van een baan (M=3. moeten zij een door de instellingsbegeleider goedgekeurd stagewerkplan hebben opgesteld. De commissie concludeert op basis hiervan dat het niveau bewaakt wordt. toch een 64 QANU / Psychologie / EUR . De afgestudeerden zijn positief over de onderzoekstage als voorbereiding op wetenschappelijk onderzoek. Uit de gesprekken met alumni heeft de commissie begrepen dat zij vinden dat zij een goede concurrentiepositie hebben bij het vinden van een baan.91). De opleiding geeft in de zelfstudie een overzicht van de uitkomsten van het eerste alumnionderzoek dat onder de  afgestudeerden van de eerste mastercohort (004-005) is verricht. Zij zijn van mening dat zij qua vaardigheden goed zijn voorbereid op een toekomstig beroep. Alumni benadrukken het belang van door de opleiding aangeleerde vaardigheden bij de transitie naar een beroep. De masterthesis wordt eveneens door twee beoordelaars vanuit de opleiding beoordeeld op vastgelegde aspecten. De criteria voor de beoordeling van het stageverslag zijn geëxpliciteerd. De commissie heeft bij elk afstudeerwerk het ingevulde beoordelingsformulier van de begeleider kunnen inzien. Uit de gesprekken heeft de commissie begrepen dat in de praktijk eenderde van de bachelorstudenten in eerste instantie een onvoldoende krijgt voor de bachelorscriptie. Van de  mastertheses die ten tijde van het schrijven van de zelfstudie waren afgerond (februari 006) heeft zij negen mastertheses geselecteerd en bestudeerd. Wat betreft de bachelorscripties miste de commissie in een paar gevallen de verbanden en kritische beschouwingen in de afstudeerwerken.wordt bij een afstudeeronderzoek aan de universiteit begeleid door een staflid van de opleiding (instituutsbegeleider). maar hadden graag meer voorlichting over de mogelijkheden in het beroepenveld (M= .64) gekregen. De opleiding noemt het verheugend dat elf van de dertien studenten (85%) binnen vier maanden een positie op de arbeidsmarkt vonden.5 op een vijfpuntsschaal). Het afstudeeronderzoek kent twee beoordelingsmomenten: de beoordeling van de onderzoeksopzet en de eindbeoordeling van de masterthesis. De commissie is van mening dat de afstudeerwerken van de bachelor. De eerste wordt aan de hand van vastgestelde criteria beoordeeld door de instituutsbegeleider en een tweede beoordelaar vanuit de opleiding. De commissie stelt vast dat de cijfers van de opleiding over het algemeen hoger liggen dan de commissie aan de afstudeerwerken toekende. de praktijkstage als voorbereiding op de beroepsuitoefening en het nut van het PGO-systeem voor de beroepsuitoefening (allen > 4. Hij of zij heeft vervolgens drie weken de tijd om het werk te herzien. De beoordeling van de praktijkstage wordt door de instituutsbegeleider gegeven en gebaseerd op de beoordeling van het stageverslag. De enquête is door dertien studenten ingevuld. gemiddeld en hoog beoordeelde werken). In een aantal gevallen kon de commissie hierbij ook de toegevoegde informatie van de tweede beoordelaar zien. Beide moeten een akkoord geven. Beide selecties betreffen een random spreiding over de specialisaties en verschillende waarderingen (laag. In een enkel geval constateerde de commissie dat de docent ondanks de geleverde kritiek op het werk. Oordeel De commissie heeft uit een lijst van 5 recente bachelorscripties tien scripties geselecteerd en bestudeerd.en masteropleiding van voldoende niveau zijn. De commissie waardeert dit positief en raadt de opleiding aan dit bij alle afstudeerwerken als standaard te hanteren. Bij een extern onderzoek of praktijkstage wordt de student daarbij ook begeleid door een begeleider vanuit de instelling (instellingsbegeleider). Studenten beschouwen de opleiding als geheel als een goede voorbereiding op de arbeidsmarkt (M=3. Voordat studenten aan de stage mogen beginnen. de stagebeoordeling door de instellingsbegeleider en de aanwezigheid en actieve deelname aan de intervisiebijeenkomsten (geldt voor K&G en O&O).

De opleiding verwacht na twee jaar het streefcijfer te hebben benaderd. De commissie vindt deze kritiekpunten over het geheel genomen echter niet zorgelijk. Uit de gesprekken heeft de commissie begrepen dat voor de masteropleiding daadwerkelijk een gerealiseerd rendement van 90% verwacht wordt. behaalt vervolgens bij de Rotterdamse opleiding 9% van de eerste cohort en 44% van de tweede cohort na twee jaar het bachelordiploma. Zij noemt dit streefcijfer een voorlopig streefcijfer. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. 71% na twee jaar en 73% na drie jaar. QANU / Psychologie / EUR 65 .en masteropleiding relatief hoge rendementen worden gerealiseerd. Per 31 januari 006 bedroeg dit percentage 61%. Het lijkt de commissie zinvol indien de opleiding zou onderzoeken welke factoren daadwerkelijk hebben bijgedragen aan dit rendement. waar de commissie eerder van oordeel zou zijn dat het werk nog niet voldoende was. Oordeel De commissie stelt vast dat in de bachelor. In de zelfstudie vergelijkt zij haar bachelorrendement met de gemiddelde (post-)propedeuserendementen in de periode 1995-000. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed.respectievelijk masteropleiding worden gerealiseerd. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De opleiding heeft realistische streefcijfers opgesteld. Master De opleiding hanteert voor het onderwijsrendement van de masteropleiding een rendement van 90%. De opleiding verwacht dat 80% van de actieve studenten uit de tweede cohort het bachelordiploma zal behalen. Bachelor Het streefcijfer voor het rendement in de bacheloropleiding heeft de opleiding op 70% gesteld. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed.voldoende gaf. Van degene die de propedeuse hebben gehaald. De commissie is van mening dat de opleiding hiermee een voorbeeldfunctie voor andere opleidingen vervult. F21:­Onderwijsrendement­ Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen. Deze rendementen van het eerste jaar van de bacheloropleiding betreffen 55% na een jaar. omdat er nog geen vergelijkingsmateriaal van andere masteropleidingen voorhanden is. Van de eerste cohort heeft na drie jaar 58% de hele bacheloropleiding met goed gevolg afgerond. Systematische bewaking van het eindniveau zou naar het oordeel van de commissie verbeterd kunnen worden. Van de eerste cohort (004-005) is het rendement na een jaar 50%. zij van mening is dat de streefcijfers worden gerealiseerd. De rendementen van de bacheloropleiding liggen hoger. Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers. De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat. Het gerealiseerde onderwijsrendement lijkt deze streefcijfers te benaderen. hoewel nog geen verstrekkende conclusies betreffende het rendement kunnen worden getrokken. Over het algemeen stelt zij vast dat de eindkwalificaties van de bachelor.

Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Resultaten’ voor de bachelor. 66 QANU / Psychologie / EUR .en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende.

Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Programma Voldoende 3. Relatie doelstellingen en programma 6. Doelstellingen van de Voldoende opleiding . is de conclusie dat het totaaloordeel over de bacheloropleiding Psychologie voldoende is. Samenhang programma 7. Inzet van personeel 4. Studielast 8. Eisen wo 13. Evaluatie resultaten 18. Betrokkenheid van medewerkers. QANU / Psychologie / EUR 67 . Oriëntatie 4. Gerealiseerd niveau 1. Beoordeling en toetsing 1.Samenvatting­oordelen­Erasmus­Universiteit­Rotterdam Bacheloropleiding­Psychologie: ­ Onderwerp Oordeel 1. Materiële voorzieningen 16. Maatregelen tot verbetering 19. Kwantiteit personeel 14. Afstemming vormgeving en inhoud 11. studenten. Duur 10. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Goed Voldoende Voldoende Goed Goed Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Goed Goed Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Niveau 3. Instroom 9. Resultaten Voldoende Facet­ 1. Eisen wo 5. alumni en beroepenveld 0. Interne kwaliteitszorg Voldoende 6. Domeinspecifieke eisen . Studiebegeleiding 17. Voorzieningen Voldoende Voldoende 5. Kwaliteit personeel 15.

Materiële voorzieningen 16. alumni en beroepenveld 0. Oriëntatie 4. Niveau 3. Studielast 8. Instroom 9. Studiebegeleiding 17. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Maatregelen tot verbetering 19. Eisen wo 5. Gerealiseerd niveau 1.Masteropleiding­Psychologie: ­ Onderwerp Oordeel 1. is de conclusie dat het totaaloordeel over de masteropleiding Psychologie voldoende is. studenten. Evaluatie resultaten 18. Resultaten Voldoende Facet­ 1. Duur 10. Programma Voldoende 3. Relatie doelstellingen en programma 6. Voorzieningen 5. Eisen wo 13. Beoordeling en toetsing 1. Afstemming vormgeving en inhoud 11. Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Interne kwaliteitszorg Voldoende Voldoende Voldoende 6. Kwantiteit personeel 14. Samenhang programma 7. Inzet van personeel 4. Betrokkenheid van medewerkers. Doelstellingen van de Voldoende opleiding . Domeinspecifieke eisen . Kwaliteit personeel 15. 68 QANU / Psychologie / EUR .

Ph. M.­ ­ ­ De­bacheloropleiding­Psychologie. lid. prof. Klip. voorzitter. Gordijn. prof. dr.H.­Wijnen. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Masteropleidingen: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. E. 69 QANU / Psychologie / OUNL . deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. lid. W. Born.2. lid. dr. dr. De samenstelling van de visitatiecommissie was als volgt: • • • • • prof. dr.C. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Psychology 66604 Master wo 60 Deeltijd Open afstandsonderwijs (hoofdlocatie Heerlen) 31 december 007 Psychological Research 60095 Master wo 60 Deeltijd Open afstandsonderwijs (hoofdlocatie Heerlen) 31 december 007 Psychologie 56604 Bachelor wo 180 Deeltijd Open afstandsonderwijs (hoofdlocatie Heerlen) 31 december 007 Het bezoek van de visitatiecommissie Psychologie vond plaats op 7 en 8 september 006. M. lid.W. de oriëntatie van de opleiding Studielast in ECTS Varianten (voltijd.H. Brysbaert.­de­masteropleiding­ Psychology­ en­ de­ masteropleiding­ Psychological­ Research­ van­de­Faculteit­Psychologie­aan­de­Open­Universiteit­ Nederland Administratieve­gegevens Bacheloropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. E. prof. de oriëntatie van de opleiding Studielast in ECTS Varianten (voltijd. dr. de oriëntatie van de opleiding Studielast in ECTS Varianten (voltijd.F.

De faculteit staat onder leiding van een decaan.M. Psychology en Psychological Research. Voor studenten die overstapten zijn overgangsregelingen vastgesteld. beperkte zakelijke dienstverlening en draagt zij in samenwerking met het OTEC bij aan de ontwikkeling van ondersteunende innovatieve projecten. Tot slot kent de faculteit een examencommissie. De Faculteit Psychologie biedt een bacheloropleiding Psychologie en twee masteropleidingen. De faculteit kent een facultair managementteam. Na het visitatiebezoek heeft nog een tweede gesprek met de verantwoordelijken voor de opleiding plaatsgevonden. onderzoek.respectievelijk masteropleidingen. De faculteit kent een aantal commissies: de curriculum.M. twee hoogleraren. een toetsingscommissie als deel van de examencommissie en een opleidingscommissie. secretaris QANU. dit is tevens de einddatum van de afbouw van de ongedeelde opleiding. de innovatietaak en het beheer van de faculteit. de onderzoekscommissie houdt zich bezig met het onderzoeksbeleid van de faculteit. De gehele ongedeelde opleiding blijft tot 1 september 007 operationeel. Onderstaande rapportage betreft de uiteindelijke conclusies van de commissie. Studenten van de ongedeelde opleiding die op dat moment 180 studiepunten of meer heb70 QANU / Psychologie / OUNL . Daarnaast verzorgt zij – in lijn met de missie van de Open Universiteit Nederland – ondersteuning bij het ontsluiten van (digitale) onderwijsmiddelen voor velen. 2. De commissie heeft voor de beoordeling van de masteropleiding Psychological Research aansluitend aan het visitatiebezoek aanvullende informatie opgevraagd.­ Invoering­ bachelor-masterstructuur­ en­ afbouw­ ongedeelde­ opleidingen:­ stand­ van­zaken Per 1 september 00 kunnen studenten zich niet meer inschrijven in de ongedeelde opleiding. de controller en beide onderwijscoördinatoren. drs. studentlid.1. De masteropleiding Psychological Research betreft een selectieve eenjarige masteropleiding geheel gericht op het doen van onderzoek. de drie coördinatoren van de bachelor. waarvan de Faculteit Psychologie er één is.­ Structuur­en­organisatie­van­de­faculteit De Open Universiteit Nederland (OUNL) heeft zes faculteiten. aan. de Vries BSc.• • V. bestaande uit de decaan. de ethische commissie ziet toe op ethische aspecten van onderzoek en de stagecommissie en scriptiecommissie buigen zich over kwesties rondom de stage respectievelijk scriptie. Zittende studenten is in de loop van het studiejaar 00-003 de keuze voorgelegd om over te stappen naar de gedeelde structuur.M. maatschappelijke dienstverlening via participatie in projecten van het RdMC. I. van Ophem.J. 2. Daarnaast maken onder andere het Onderwijstechnologisch expertisecentrum (OTEC) en het Ruud de Moor Centrum (RdMC) deel uit van de OUNL.0. Vanaf die datum zijn de bacheloropleiding Psychologie en masteropleiding Psychology van start gegaan. Drie keer per jaar komen alle docenten onder leiding van de decaan bijeen in het faculteitsoverleg waarin vakoverstijgende onderwerpen worden besproken. Een dergelijke masteropleiding is de commissie elders in het land niet tegengekomen. De decaan is integraal eindverantwoordelijk voor onderwijsontwikkeling en -exploitatie.en projectencommissie houdt zich bezig met de ontwikkeling van de kwaliteit van het onderwijs.

ben behaald. De commissie stelt vast dat door de dubbele trajecten die tussen 00 en 007 naast elkaar zijn aangeboden. Deze studenten ontvangen geen bachelorgetuigschrift. De klinische kant van deze laatste richting wordt door de faculteit geleidelijk uitgebreid. verdieping van de interesse in de psychologie en de gekozen specialisatie (major) en de voorbereiding op de keuze voor de verdere studieQANU / Psychologie / OUNL 71 . Dit is overeenkomstig het standpunt van de Kamer Psychologie. een voor de interventiecompetentie en een voor de diagnostische competentie. Studenten die op 1 september 007 minder dan 180 studiepunten hebben gehaald. De commissie heeft in de zelfstudie eveneens kennisgenomen van de eindkwalificaties. van arbeids. De overstapregelingen zijn adequaat. Doelen van de bacheloropleiding zijn “academische vorming. in het bijzonder van dat van psychologisch onderzoeker (masteropleiding Psychological Research). competenties en eindkwalificaties zijn. Vanaf 1993 is hieruit de richting Gezondheidspsychologie ontwikkeld. In de eindkwalificaties wordt het niveau van beheersing van de competenties nader gespecificeerd. competenties en eindkwalificaties voor de bacheloropleiding. De opleidingen zijn voortgekomen uit een brede sociaalwetenschappelijke opleiding. De afgestudeerde moet gedrag kunnen plaatsen in een context van gedragsdeterminanten en heeft kennis en inzicht in een of meer toepassingsgebieden. De doelstellingen. kunnen instromen in de masteropleiding Psychology. 2. Aanvankelijk kende de opleiding Psychologie alleen de afstudeerrichting Arbeid en Organisatie. moeten overstappen naar de bacheloropleiding. voor de masteropleidingen deductief afgeleid van het beroep van psycholoog en vervolgens herleid tot doelstellingen. De bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychology van de Open Universiteit Nederland (OUNL) kennen twee afstudeervarianten: Arbeids. In de zelfstudie wordt aangegeven dat de studie Psychologie van de OUNL de student voorbereidt op het beroep van psycholoog. Er wordt veel aandacht besteed aan de administratieve omzetting van de opleidingen.2. of van gezondheidspsycholoog. omdat het competentieniveau na drie jaar te beperkt is voor zelfstandige beroepsbeoefening. de afbouw van de ongedeelde opleiding weinig problemen voor studenten heeft gekend. Hieronder zijn de doelstellingen en competenties voor de drie opleidingen opgenomen.­ Doelstellingen­opleiding F1:­Domeinspecifieke­eisen De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk).1. Bachelor De opleiding stelt dat een driejarige bacheloropleiding in de psychologie geen civiel effect kan hebben. Om die reden onderscheiden de opleidingen drie competentielijnen: een lijn voor de onderzoekscompetentie.­ Het­beoordelingskader 2.en Organisatiepsychologie en Gezondheidspsychologie.en organisatiepsycholoog. De eindkwalificaties zijn opgenomen in bijlage 1 bij dit rapport.2. zoals in de zelfstudie wordt aangegeven. Van de studenten heeft de commissie geen klachten over de invoering van de bachelor-masterstructuur gehoord.

kennis van en vaardigheden ontwikkeld in het samenstellen van rapportages. . competenties met betrekking tot de methoden van psychologische diagnostiek. competenties met betrekking tot interventies in arbeid en organisatie. studenten voor te bereiden op de verdere. 3. 7. onderzoek en ontwikkeling. competenties met betrekking tot sociaalwetenschappelijke. De bachelor heeft: 1. onderzoek en ontwikkeling. zoals in de zelfstudie staat vermeld. in het bijzonder voor de psychologie relevante. 3. methoden van gegevensverzameling. inzicht in en het vermogen tot kritische reflectie op theorieën en hun onderlinge samenhang in het bijzonder in de arbeids. meer gespecialiseerde bijdrage aan de wetenschappelijke kennisgroei in de toegepaste psychologie en aan de beroepsuitoefening als psycholoog op academisch niveau. Voor de bacheloropleiding zijn de volgende competenties geformuleerd (bron: zelfstudie). 5. kennis van.en organisatiepsychologie en de gezondheidspsychologie. gezondheid en ziekte. kennis van. kennis van. in het bijzonder voor de psychologie relevante. inzicht in en het vermogen tot kritische reflectie ontwikkeld op vraagstukken die zich voordoen op het gebied van de psychologie en met name de arbeids.en organisatiepsychologie en de gezondheidspsychologie. kennis van de beroepsethische regels voor psychologen. 5. Master Psychology De algemene doelstelling van de masteropleiding Psychology is. De eindkwalificaties van de bacheloropleiding zijn opgenomen in bijlage 1. gegevensverwerking en het opzetten van onderzoek. inzicht in en het vermogen tot kritische reflectie ontwikkeld op theorieën en hun onderlinge samenhang in het bijzonder in de arbeids. vaardigheden en attituden bij te brengen die nodig zijn voor instroom in een masteropleiding Psychologie. gezondheid en ziekte. met name de arbeids. 6. De afgestudeerde master heeft: 1. . competenties ontwikkeld met betrekking tot sociaalwetenschappelijke. 7 QANU / Psychologie / OUNL . inzicht. 4. Een bachelor moet ook in staat zijn tot adequate beroepsuitoefening op bachelorniveau onder leiding van een psycholoog” (bron: zelfstudie). praktijkbeoefening en/of literatuurstudie. gebaseerd op onderzoek. competenties ontwikkeld met betrekking tot de methoden van psychologische diagnostiek. kennis van. competenties ontwikkeld met betrekking tot interventies in arbeid en organisatie. Deze doelstelling is door de opleiding als volgt geconcretiseerd in competenties (bron: zelfstudie). De opleiding beoogt de bachelor kennis. inzicht in en het vermogen tot kritische reflectie op vraagstukken die zich voordoen op het gebied van de psychologie. 4.loopbaan in de psychologie zoals deze in de masteropleiding wordt aangeboden. methoden van gegevensverzameling. gegevensverwerking en het opzetten van onderzoek.en organisatiepsychologie en de gezondheidspsychologie.en organisatiepsychologie en de gezondheidspsychologie.

QANU / Psychologie / OUNL 73 . grondige kennis van en goede vaardigheden in het samenstellen van rapportages. 7. Master Psychological Research De masteropleiding Psychological Research is een selectieve eenjarige masteropleiding die studenten de mogelijkheid biedt zich te specialiseren in onderzoek. onderzoek en ontwikkeling. in het bijzonder de regels die gelden in onderzoek. kennis van. inzicht in en het vermogen tot kritische reflectie op vraagstukken die zich voordoen op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek in de psychologie en met name het onderzoek in de arbeids. 3. gegevensverwerking en het opzetten van onderzoek. 4. 1998) en de variant Gezondheidspsychologie aan eisen en criteria die afgeleid kunnen worden van Matarazzo’s (198) analyse van de gezondheidspsychologie. praktijkbeoefening en/of literatuurstudie. De afgestudeerde heeft: 1. inzicht in en het vermogen tot kritische reflectie op theorieën en hun onderlinge samenhang in het bijzonder in de arbeids. competenties en eindkwalificaties ook overeenstemmen met de eisen van Bartram en Roe (005) en beantwoorden aan de eisen van de Basisaantekening Psychodiagnostiek van het NIP.en organisatiepsychologie en de gezondheidspsychologie. competenties met betrekking tot interventies in arbeid en organisatie. Deze doelstelling is als volgt in competenties geconcretiseerd (bron: zelfstudie). kennis van de beroepsethische regels voor psychologen. Uitzondering hierop betreft de duur van het masterprogramma. gezondheid en ziekte. De opleiding geeft aan dat de doelstelling. gebaseerd op onderzoek en literatuurstudie. De eindkwalificaties van de masteropleiding Psychology zijn opgenomen in bijlage 1. terwijl de EFPA hiervoor twee jaar stelt. kennis van en vaardigheden in het samenstellen van rapportages. 7. De opleiding betoogt in de zelfstudie dat de inhoud van het programma van de variant Arbeids. met name ten behoeve van psychologisch onderzoek.en organisatiepsychologie en de gezondheidspsychologie. deze is in Nederland één jaar. De eindkwalificaties van de masteropleiding Psychological Research zijn opgenomen in bijlage 1. . met name ten behoeve van psychologisch onderzoek.en Organisatiepsychologie voldoet aan de eisen van het European Network of Organizational Psychologists (ENOP. 6.6. Deze variant sluit ook aan op de vereisten van de postinitiële opleiding tot gezondheidszorgpsycholoog. 5. Afgestudeerden moeten het niveau van een eerste aio-jaar bereikt hebben. in het bijzonder voor het psychologisch onderzoek relevante methoden van gegevensverzameling. competenties met betrekking tot de methoden van psychologische diagnostiek. de klinische psychologie en de algemene psychologie. competenties met betrekking tot sociaalwetenschappelijk. Verder wordt in de zelfstudie aangegeven dat de doelen. kennis van de beroepsethische regels voor psychologen. gebaseerd op onderzoek. kennis van. competenties en eindkwalificaties beantwoorden aan de normen zoals die in Europees verband door de European Federation of Psychological Associations (EFPA) zijn opgesteld.

De commissie ziet de aansluiting van de eindkwalificaties op de eisen van vakgenoten en de beroepspraktijk in het domein van de Psychologie. De doelstellingen van de masteropleiding Psychological Research zijn verder dan die van de masteropleiding Psychology toegespitst op kennis van.en Organisatiepsychologie ofwel Gezondheidspsychologie. De laatste hebben weliswaar andere formele kenmerken. Wel stelt de commissie vast dat de eindkwalificaties van de masteropleiding Psychologie niet geheel aansluiten bij de twee onderscheiden richtingen (Arbeidsen Organisatiepsychologie en Gezondheidszorgpsychologie). De commissie waardeert het positief dat binnen de bacheloren masteropleiding Psychologie voor twee richtingen is gekozen. Meer richtingen zouden de expertise en capaciteit van de opleidingen. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De commissie wijst er op dat de naamgeving van de masteropleiding Psychological Research aanleiding kan geven tot misverstanden bij studenten en latere werkgevers door de later in gebruik genomen naamgeving van de zogeheten researchmasters. sociale psychologie. te weten een omvang van 10 studiepunten in plaats van 60 studiepunten en de titel MPhil in plaats van MSc. De commissie is van mening dat domeinspecifieke eisen vanuit de psychologische discipline wel adequaat in deze eindkwalificaties zijn opgenomen.en masteropleiding Psychologie worden gesteld. bestudeerd en gerelateerd aan het domeinspecifiek referentiekader. De commissie vindt dit erg hoog gegrepen gezien de specialisatie in ofwel de Arbeids. Volgens eindkwalificatie 1 (zie bijlage 1) van de masteropleiding heeft de afgestudeerde grondige kennis van de biologische psychologie en functieleer (daarbij inbegrepen de neurocognitie. Dit wordt verder bij F5 – ‘relatie doelstelling. Deze vergevorderde competenties op het gebied van het doen van onderzoek. te boven kunnen gaan. De commissie vindt het ook adequaat dat de klinische accenten binnen de masteropleiding in de loop van de tijd uitgebreid zullen worden.& Organisatiepsychologie en Gezondheidspsychologie. de ontwikkelingspsychologie. De commissie acht het noodzakelijk de naamgeving van de masteropleiding Psychological Research te herzien om verwarring met tweejarige researchmasters bij andere universiteiten te voorkomen. persoonlijkheidsleer en klinische psychologie met inbegrip van psychopathologie. de fysiologie. waarbij zij meent dat optimaal gebruik wordt gemaakt van de aanwezige expertise. zoals die zijn beschreven in de zelfstudie. zoals die via de Kamer Psychologie bij alle psychologieopleidingen in Nederland tot stand gekomen is. Deze eindkwalificatie is naar het oordeel van de commissie te breed. is de commissie elders in het land niet tegengekomen bij eenjarige masteropleidingen en vallen in die zin buiten het domeinspecifiek referentiekader. 74 QANU / Psychologie / OUNL .programma’ toegelicht en bij de beoordeling van dat facet betrokken. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. maar lijken in naam op die van Psychological Research. Arbeids. Een minderheid van de commissie acht deze vergevorderde doelen niet goed haalbaar voor een masteropleiding van 60 studiepunten. mede gezien de grote studentenaantallen.Oordeel De commissie heeft de doelstelling. Zij stelt vast dat de eindkwalificaties van de bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychology voldoen aan de domeinspecifieke eisen die aan een bachelor. als best practice voor andere opleidingen. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed. De naam Psychological Research suggereert daarmee andere doelstellingen. de evolutionaire en genetische aspecten waar van belang voor gedrag en ervaring). competenties en eindkwalificaties. ervaring met en vaardigheden in het doen van wetenschappelijk onderzoek.

opgedaan tijdens de bachelorfase. Deze zijn. . te weten interventie. zoals de opleiding aangeeft in de zelfstudie. internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor of een Master. van belangrijke steunvakken en van methoden en technieken eigen aan het vakgebied van de psychologie. 8. 6 en 7 aan. Hierbij sluiten eindkwalificaties 1. 5. Eindkwalificaties 5 en 9 sluiten hierbij aan. Bachelor Kennis en inzicht De bachelor heeft kennis van en inzicht in theorieën en concepten van de basisvakken van de psychologie. opgedaan tijdens de masteropleiding. 3. De master is in staat kennis te integreren en met complexe (praktijk)problemen om te gaan. Eindkwalificaties . QANU / Psychologie / OUNL 75 . Hierbij sluiten de eindkwalificaties . 7. 5. deze (statistisch) te analyseren en te interpreteren. diagnostiek en onderzoek. 7 en 11 aan. Eindkwalificaties 1 t/m 11 sluiten hierbij aan. De drie opleidingen zijn competentiegericht vormgegeven. 10 en 11 sluiten hierbij aan. Oordeelsvorming De afgestudeerde bachelor is in staat om over reële. 4. maar overzichtelijke problemen en vraagstellingen gegevens te verzamelen. aangevuld met kennis en inzichten. Zie bijlage 1 voor de nummerverwijzing. 9. Toepassen van kennis en inzicht De master kan verworven kennis. 4. . Zij hebben vaardigheden met betrekking tot het opzetten en uitvoeren van onderzoek. individuele diagnostiek.F2:­Niveau:­Bachelor­en­Master De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene. inzichten en vaardigheden van professionele en van methodologische aard toepassen in nieuwe omstandigheden. Communicatie De afgestudeerde bachelor kan probleemanalyses. met elkaar in verband te brengen. 5. 7 en 8 sluiten hierbij aan. Hierbij sluiten de eindkwalificaties 1. 6. waarbij drie competentielijnen worden onderscheiden. Master Psychology Kennis en inzicht De afgestudeerde master moet er blijk van geven kennis en inzichten. van de toegepaste psychologie. Toepassen van kennis en inzicht Afgestudeerden hebben een professionele benadering van het beroep en kunnen argumenten opstellen voor het oplossen van problemen op het vakgebied. 10 en 11 aan. leervaardigheden op hoog niveau ontwikkeld. verweven met de Dublin-descriptoren. 6. groepen en organisaties. Leervaardigheden Studenten die de bachelorfase hebben afgerond aan de Open Universiteit Nederland hebben in de loop van het traject door het kernprincipe van zelfstudie binnen het afstandsonderwijs. 6. 8. gespreksvoering. 3. interveniëren bij individuen. 5. De opleiding beargumenteert dit in de zelfstudie als volgt. 4. Eindkwalificaties 5. 4. benaderingen van problemen en (mogelijke) oplossingen ervoor communiceren met specialisten (in casu: docenten) en niet-specialisten (medestudenten).

statistisch analyseren en interpreteren in het licht van een goed omschreven probleemstelling. de interventie of diagnose. Hierbij sluiten de eindkwalificaties 5. statistisch analyseren en interpreteren.  en 3 aan. respectievelijk empirische cyclus ondubbelzinnig en duidelijk te communiceren. Hierbij sluiten de eindkwalificaties 1. 9. Studenten die de masteropleiding in het afstandsonderwijs hebben afgerond. Hij of zij is in staat de conclusies getrokken uit onderzoeksbevindingen duidelijk en ondubbelzinnig op zowel deskundigen als de geïnteresseerde leek over te brengen. dan wel vergelijkbare opleidingen) verworven kennis en inzichten en in de onderzoeksopleiding zelf verworven inzichten met elkaar in verband te kunnen brengen. De afgestudeerde heeft daarbij een beheersingsgraad bereikt die het hem of haar mogelijk maakt aan het academisch debat deel te nemen en daarbij een eigen bijdrage te leveren. inzichten en vaardigheden van professionele en van methodologische aard verworven en kan deze toepassen in nieuw onderzoek en uiteenlopende settings. Communicatie De afgestudeerde master Psychological Research is in staat om over de verschillende fasen in de empirische cyclus ondubbelzinnig en duidelijk te communiceren. Communicatie De afgestudeerde master Psychology is in staat om over de verschillende fasen in de regulatieve. Daarnaast is hij of zij in staat om kennis te integreren en met complexe materie om te gaan. Hij of zij kan zelfstandig een probleemstelling ontwikkelen. Hierbij sluiten de eindkwalificaties 1. Oordeelsvorming De afgestudeerde is in staat zich een oordeel te vormen over de kwaliteit van elders door anderen verricht onderzoek en over de kwaliteit van het eigen onderzoek. De afgestudeerde master kan gegevens verzamelen.en organisatiepsychologie en/of gezondheidspsychologie. 8. Hij of zij is in staat afwegingen te maken en te formuleren over onderwerpen op het terrein van de arbeids. Hierbij sluiten alle eindkwalificaties (1 t/m 11) aan. 9 en 10 aan.Oordeelsvorming De afgestudeerde master is in staat zich een oordeel te vormen over de kwaliteit van elders door anderen verricht onderzoek en over de kwaliteit van het eigen onderzoek. De eindkwalificaties 1 en 5 sluiten hierbij aan. 3 en 4 sluiten hierbij aan. Leervaardigheden Afgestudeerden van de Open Universiteit Nederland hebben in de loop van hun studie geleerd hun studie te plannen en hun reeds aanwezige leervaardigheden verder te ontwikkelen. 10 en 11 aan. Toepassen van kennis en inzicht De afgestudeerde master heeft kennis. Master Psychological Research Kennis en inzicht De afgestudeerde master moet er blijk van geven elders (in master.of bacheloropleidingen. Hierbij sluiten de eindkwalificaties 5.  en 3 aan. De master is in staat kennis te integreren en met complexe onderzoeksproblemen om te gaan. 76 QANU / Psychologie / OUNL . ook over de ethische aspecten van het onderzoek. tonen daarmee aan over leervaardigheden te beschikken die hun kans op succes in een zelfgestuurde vervolgstudie met een autonoom karakter in zeer sterke mate verhogen. Eindkwalificaties 1. 7. 6. gegevens verzamelen.

Gelet op de bijzondere aard van de instroom. De commissie is positief over het niveau dat door de opleidingen wordt nagestreefd. die hierboven is opgenomen. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Oordeel De commissie heeft de eindkwalificaties van de drie opleidingen bestudeerd in het licht van de Dublin-descriptoren en kan zich vinden in de uiteenzetting van opleidingen in de zelfstudie. basiskennis en -vaardigheden in de Psychologie en is voorbereid voor meer gespecialiseerde masteropleidingen binnen de richting arbeids. F3:­Oriëntatie­WO: De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de volgende beschrijvingen van een Bachelor en een Master in WO: • De eindkwalificaties zijn ontleend aan eisen vanuit de wetenschappelijke discipline. Master Psychology De afgestudeerde master Psychology heeft een wetenschappelijke oriëntatie op het gebied van de drie competentielijnen die in het programma worden onderscheiden: interventie. De bacheloropleiding leidt op tot beroepsuitoefening op die gebieden waarvoor een academisch werk. Eindkwalificaties 1 t/m 5 sluiten hierbij aan.Leervaardigheden Studenten die de masteropleiding binnen het afstandsonderwijs hebben afgerond. is het volgens de opleiding niet mogelijk algemene uitspraken te doen over de werkkring van bachelorstudenten na de studie. • Een WO-bachelor heeft de kwalificaties voor toegang tot tenminste één verdere WO-studie op masterniveau en eventueel voor het betreden van de arbeidsmarkt. De afgestudeerde bachelorstudent beschikt over algemene academische vorming.en denkniveau op bachelorniveau wordt gevraagd. internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een bachelor of een master zoals deze zijn gegeven via de Dublin-descriptoren. op enig vlak onderdoet voor dat van andere vergelijkbare opleidingen. diagnostiek QANU / Psychologie / OUNL 77 . en het feit dat een groot deel van de studenten al een loopbaan heeft voor en tijdens de studie. De commissie concludeert op basis hiervan dat de eindkwalificaties van de bacheloropleiding Psychologie en masteropleidingen Psychology en Psychological Research aansluiten bij de algemene. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Zij heeft geen enkele indicatie dat het niveau dat de Open Universiteit Nederland nastreeft door de bijzondere positie die zij inneemt.en organisatiepsychologie of gezondheidspsychologie. Bachelor Uit de zelfstudie blijkt dat de bacheloropleiding toegang biedt tot de masteropleiding Psychologie van de OUNL en reguliere masteropleidingen Psychologie in Nederland. • Een WO-master heeft de kwalificaties om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten of multien interdisciplinaire vraagstukken op te lossen in een beroepspraktijk waarvoor een WO-opleiding vereist is of dienstig is. tonen daardoor aan over leervaardigheden te beschikken om een zelfgestuurde vervolgstudie met een autonoom karakter aan te gaan. de internationale wetenschapsbeoefening en voor daarvoor in aanmerking komende opleidingen de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld. het deeltijdkarakter van de studenten. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.

Dit sluit volgens de commissie adequaat aan bij de wetenschappelijke eisen die aan een masteropleiding worden gesteld. zelfstandig en systematisch kan interveniëren (eindkwalificatie 6) en een psychologische diagnose kan stellen (eindkwalificatie 7).en masteropleiding Psychologie expliciet aandacht wordt besteed aan de eisen van vakgenoten uit het beroepenveld.en masteropleidingen Psychologie voldoen aan de wetenschappelijke eisen. Oordeel De commissie is van oordeel dat de eindkwalificaties van de bachelor. 78 QANU / Psychologie / OUNL . Deze vergevorderde competenties op het gebied van het doen van onderzoek. is de commissie elders in het land niet tegengekomen bij eenjarige masteropleidingen. het onderwijsprogramma en de manier van werken in de opleiding. Zo heeft de afgestudeerde kennis van de domeinen waarop psychologen werken (eindkwalificatie 3) en kan deze interveniëren (eindkwalificatie 6) en individueel-psychologische diagnoses stellen (eindkwalificatie 7). De commissie stelt vast dat binnen de eindkwalificaties van de bachelor. De afgestudeerde bachelor heeft toegang tot een wetenschappelijke masteropleiding. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. die stelt dat afgestudeerden wetenschappelijk psychologisch onderzoek kunnen uitvoeren en in eindkwalificatie 11. De eindkwalificaties van de bacheloropleiding besteden relatief veel aandacht aan voorbereiding op de relevante praktijk van het toekomstig beroepenveld. De opleiding beargumenteert dit in de zelfstudie op grond van het onderwijs dat wordt gegeven. ervaring met en vaardigheden in het doen van wetenschappelijk onderzoek. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De doelstellingen van de masteropleiding Psychological Research zijn verder dan die van de masteropleiding Psychology toegespitst op kennis van. de masteropleiding Psychology en de masteropleiding Psychological Research luidt: voldoende.en onderzoek. In de eindkwalificaties van de masteropleiding Psychology komt naar het oordeel van de commissie duidelijk naar voren dat de student zelfstandig wetenschappelijk onderzoek kan uitvoeren (eindkwalificatie 5). De opleiding beargumenteert dit op grond van de strenge toegangsselectie. Het wetenschappelijk karakter van de bacheloropleiding komt bijvoorbeeld naar voren in eindkwalificatie 5. De opleiding bereidt voor op een functie als onderzoeker. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Doelstellingen opleiding’ voor de bacheloropleiding Psychologie. die stelt dat de afgestudeerde een wetenschappelijke attitude heeft verworven. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. zoals het voldoen aan de eisen voor de basisaantekening psychodiagnostiek en de toegangseisen voor de vervolgopleiding tot gezondheidszorgpsycholoog. Master Psychological Research De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat de afgestudeerde master Psychological Research bij uitstek een onderzoeksoriëntatie heeft.

Programma Bachelor Psychologie Onderdelen propedeuse Inleiding in de psychologie Sociale psychologie Klinische psychologie 1: persoonlijkheidstheorieën en psychopathologie Onderzoekspracticum kwantitatieve data-analyse Inleiding in de arbeids.2.en toetstheorie Selectie en assessment Onderzoekspracticum inleiding psychologisch experiment Leren en trainen in organisaties Major Arbeids.en organisatiepsychologie Inleiding in de gezondheidspsychologie Ontwikkelingspsychologie Intelligentie en sociale competentie Onderzoekspracticum inleiding psychologisch survey Functieleer en biologische psychologie Inleiding in de neuropsychologie en psychofarmacologie Onderzoekspracticum literatuurstudie Onderdelen postpropedeuse algemeen deel Geschiedenis van de psychologie Sociologie Gespreksvoering Onderzoekspracticum nonparametrische data-analyse Wetenschapsleer Gegevensverwerking met SPSS Interculturele psychologie Test.2.en organisatiepsychologie Arbeidspsychologie en -sociologie 1: arbeid in verandering Personeelsmanagement Inleiding in conflicthantering en mediation Interventies bij organisatieverandering Psychologie van arbeid en gezondheid Ergonomie Vrij te kiezen cursussen Major Gezondheidspsychologie Psychologie van arbeid en gezondheid Gezondheidspsychologische interventies QANU / Psychologie / OUNL Modulen  1  1 1 1 1 1 1 1 1 1 Modulen 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 Modulen 1  1 1  1 5 Modulen   79 .­ Programma Hieronder wordt een overzicht gegeven van de onderdelen van de opleidingen. 60 studiepunten omvatten veertien modulen. De cijfers achter de onderdelen betreffen het aantal modulen.2.

en organisatiepsychologie Coachen van managers Groepen in organisaties Stage wo arbeids.Inleiding in conflicthantering en mediation Ergonomie Klinische psychologie : diagnostiek en therapie Inleiding in de seksuologie Vrij te kiezen cursussen Eindopdracht Onderzoekspracticum psychologische experimenten Onderzoekspracticum psychologische surveys Programma master Psychology Algemeen verplicht deel voor beide varianten Klinische gespreksvoering Testpracticum psychodiagnostiek Variant Arbeids.en organisatiepsychologie Onderzoekspracticum scriptieplan Empirisch afstudeeronderzoek: scriptie Variant Gezondheidspsychologie Klinische psychologie 3: de ambulante praktijk Patiëntenvoorlichting en chronische ziekten Stage wo gezondheidspsychologie Onderzoekspracticum scriptieplan Empirisch afstudeeronderzoek: scriptie Programma master Psychological Research Research Proposal Psychology Pilot-study Psychology Master of Science Research Scientific and Professional Publishing Twee modulen te kiezen uit: Advanced Research 1 Advanced Research   modulen vrij te kiezen cursussen 1 1 1 1 5 Modulen   Modulen 1 1 Modulen 1 1 4  4 Modulen 1 1 4  4 Modulen   6  1 1  80 QANU / Psychologie / OUNL .

onderzoek doen. de interactie tussen onderwijs en wetenschappelijk onderzoek de afgelopen jaren aanzienlijk versterkt door studenten vanaf het begin. In de zelfstudie is hiervan een lijst opgenomen.F4:­Eisen­WO Het programma sluit aan bij de volgende criteria voor het programma van een WO-opleiding: • Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines. zoals de opleiding in de zelfstudie aangeeft. Het eerste is probleemgestuurd en casusgebaseerd. QANU / Psychologie / OUNL 81 . De bacheloropleiding omvat acht van deze onderzoekspractica. Daarbij geeft de opleiding in de zelfstudie aan dat in een groot aantal cursussen het leren van academische vaardigheden aanwezig is: zo moeten studenten opdrachten verrichten. • Bij daarvoor in aanmerking komende opleidingen heeft het programma aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen. Zo wordt de propedeuse afgesloten met het Onderzoekspracticum literatuurstudie waarin studenten. De eindopdrachten voor de bacheloropleiding bestaan uit het Onderzoekspracticum psychologische experimenten en het Onderzoekspracticum psychologische surveys. Bachelor De onderzoekscompetentie wordt in de bacheloropleiding in een reeks van contextueel opgezette practica aangeleerd. leren een probleemstelling te formuleren. De bachelor. Bij het tweede voert de student een onderzoek van beperkte omvang uit. Bij deze onderzoekspractica wordt gebruikgemaakt van recent onderzoek en wordt een verband gelegd met actuele wetenschappelijke theorieën. aan de hand van thema’s die zijn ontleend aan enkele lopende onderzoeken van de staf. Het methodenleer. • Het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek.en masteropleidingen worden afgesloten met een empirisch onderzoek. diagnoses trainen. De opleidingen besteden daarom meer aandacht aan de ontwikkeling van onderwijsmateriaal. Dit onderzoek is veelal gekoppeld aan een thema waar een (bijna) gepromoveerd docent-onderzoeker zelf actief in is. In de zelfstudie zet de opleiding gedetailleerd per practicum uiteen aan welke onderzoekscompetenties de verschillende practica aandacht besteden en op welke wijze dit plaatsvindt. vertrouwd te maken met de volledige empirische cyclus. Eveneens wordt gebruikgemaakt van gerenommeerde onderzoekers van de zusteropleidingen. De interactie tussen onderwijs en onderzoek in de bacheloropleiding is ook zichtbaar in de onderzoekspractica. interventies oefenen. regelmatig in de gangbare wetenschappelijke tijdschriften. en die (bijna) gepromoveerd zijn. Aan de hand van bestaande datasets van de begeleidende staf verwerft de student onderzoekscompetenties. een onderzoeksplan op te stellen en uit te voeren. Ook publiceren studentleden regelmatig met een staflid over hun onderzoekswerk. De zelfstudie geeft aan dat de student in alle fasen van de studie actuele onderzoeksartikelen krijgt voorgelegd. • Het programma sluit aan bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën. In de onderzoekspractica wordt gebruikgemaakt van psychologische cases en psychologische kennis. schrijven. De faculteit heeft. interpreteren en kritisch denken.en masteropleiding Psychology de empirische cyclus een aantal keer doorlopen. zoals zij aangeeft in de zelfstudie. analyse van de data en verslaglegging.en statistiekonderwijs is ingebed in de onderzoekspractica waarin onderzoekscasussen worden behandeld. In de onderzoekspractica wordt in de loop van de bachelor. Bij open afstandsonderwijs is er minder direct (face to face) contact tussen docent en studenten dan bij reguliere universiteiten. presenteren. De scriptiebegeleiders zijn gepromoveerd en publiceren. waarbij de nadruk ligt op dataverzameling. in toenemende mate. Dit materiaal wordt ontwikkeld door ontwikkelaars die zelf als onderzoeker actief zijn.

organisatieadviseur. De praktijkstage is bedoeld voor studenten die als professional in de praktijk willen werken of een combinatie van onderzoek en praktijk wensen. Docenten van de afstudeervariant Arbeids. interpreteert en rapporteert deze. In een eindgesprek met twee beoordelaars legt de student verantwoording af over het onderzoek.en organisatiepsychologie zijn veelal zelf (tijdelijk) werkzaam als bijvoorbeeld coach. De cursus Research Proposal Psychology vormt de startcursus en resulteert in een onderzoeksvoorstel 8 QANU / Psychologie / OUNL . of psycholoog. sluiten aan op de eisen van de postdoctorale opleiding tot geregistreerd GZ-psycholoog. Onderzoeksactiviteiten vormen meer dan 70% van de opleiding. Dit practicum maakt gebruik van samenwerkend leren via internet (Studienet). De inhoud van het afstudeeronderzoek sluit zo veel mogelijk aan bij het lopende onderzoek van de staf. Master Psychology Onderzoeksvaardigheden die in de masteropleiding worden aangeleerd. zoals de opleiding in de zelfstudie aangeeft.6% van de alumni vindt dat de opleiding in voldoende mate praktisch is georiënteerd.of een onderzoeksstage betreffen. uitdrukkelijk gericht op de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek. De stage en het afstudeeronderzoek (scriptie) beslaan samen iets meer dan 70% van de masteropleiding. Eén bachelordocent heeft een praktijk als adviseur op het gebied van personeelsselectie. verschillende docenten hebben ervaring met de praktijk van het personeelsmanagement en zes docenten hebben ervaring met de praktijk van de klinische psychologie. Master Psychological Research Het masterprogramma Psychological Research is. De onderzoeksstage. Uit de Studenten. De eindopdracht van de masteropleiding bestaat uit een empirisch afstudeeronderzoek. verzamelt de onderzoeksgegevens. Ook van studenten met wie de commissie sprak heeft de commissie begrepen dat niet alle studenten enthousiast zijn over samenwerkend leren. De student stelt in het onderzoekspracticum eerst een scriptieplan op dat door twee begeleiders moet worden goedgekeurd. De practica die binnen de variant Gezondheidspsychologie worden gegeven. een diagnostiek. is bedoeld voor studenten die het accent op onderzoek willen leggen. Studenten leren hierin vaardigheden die nodig zijn voor het behalen van de BAPD. Naast de stage wordt volgens de opleiding een relatie gelegd met de actuele praktijk van relevante beroepen door het aanleren van professionele vaardigheden. De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat samenwerkend leren wel eens op problemen stuit bij studenten die juist voor de Open Universiteit Nederland hebben gekozen. analyseert. bouwen voort op die van de bachelor. waarbij het hele afstudeerdeel wordt benut voor het doen van onderzoek. In de bacheloropleiding wordt alvast de basis gelegd voor de aansluiting bij de GZ-vervolgopleiding en het kunnen behalen van de BAPD. Dit gebeurt in de eerste twee vakken van het algemene deel van de masteropleiding (Klinische gespreksvoering en het Testpracticum psychodiagnostiek). De stage kan een praktijk-. Tijdens de landelijke scriptiedag presenteert de student het scriptieplan of de resultaten van de scriptie mondeling voor docenten en studenten.en alumni-enquête van 005 blijkt dat 43. Tijdens het afstudeeronderzoek zoekt of ontwikkelt de student een geschikt meetinstrument.De relatie met de relevante beroepspraktijk krijgt volgens de opleiding vorm doordat het bachelorprogramma competentiegericht van opzet is.3% van de studenten en 45. Een aantal begeleiders in de bacheloropleiding heeft een NIP-certificaat op het gebied van mediation en heeft als mediator in de praktijk gefunctioneerd. De diagnostiekstage is nodig voor de BAPD.

Tijdens de volgende cursus. Zij waardeert de inspanningen die met name voor het bachelorprogramma zijn geleverd om de competentielijn op het gebied van onderzoek uit te werken in acht onderzoekspractica waarin aansprekende onderzoekscasussen worden behandeld. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Daarbij worden actuele wetenschappelijke theorieën ingezet.en professionele vaardigheden. gecontextualiseerd aan bod. De commissie raadt de opleiding aan deze kennis meer gestructureerd en toetsbaar vorm te geven (zie ook F11). Studenten worden individueel begeleid door een staflid dat lid is van een onderzoeksschool. kan de student de opleiding vervolgen. De cursussen Advanced Research 1 en  zijn vrij in te vullen buiten de Open Universiteit Nederland. De gehele masteropleiding Psychological Research is gericht op het doen van onderzoek: het uitvoeren van een onderzoek uitmondend in een publicabel wetenschappelijk artikel vormt het grootste deel van de opleiding. Scientific and Professional Publishing. Actuele wetenschappelijke theorieën komen in het onderzoek aan bod. De commissie is concluderend van oordeel dat studenten in de bachelor. lid te worden van onderzoeksassociaties die kunnen leiden tot contact met onderzoekers en het zelf realiseren van de financiering van het eigen onderzoek. onder meer via de casussen die in alle opleidingen worden gebruikt en de stage in de masteropleiding Psychology. Voor een publicabel artikel in een peer reviewed tijdschrift moet gebruikgemaakt worden van de meest geavanceerde en actuele kennis uit het vakgebied. De inhoudelijke kennis rond een vakgebied wordt vooral verkregen in de interactie met de begeleidende docent die op dit vakgebied werkzaam is (de meester-gezelrelatie). Er wordt in de opleidingen ruim voldoende aandacht besteed aan het aanleren van onderzoeksvaardigheden. Dit onderzoek moet aansluiten bij het onderzoek van het staflid. Oordeel De commissie stelt vast dat de verwevenheid tussen onderwijs en onderzoek ten opzichte van de vorige visitatie sterk verbeterd is. Deze worden individueel vastgesteld en veelal buiten de Open Universiteit Nederland ingevuld. De ontwikkelaars van het studiemateriaal zijn voor een groot deel zelf als onderzoeker actief. De studenten doorlopen meermalen de empirische cyclus.met daarin een literatuuroverzicht waarin de praktische relevantie en het theoretisch kader zijn uitgewerkt. De student voert eerst een – bij voorkeur kwalitatief – pilotonderzoek uit in de cursus Pilotstudy Psychology. zoals hierboven uiteengezet is. QANU / Psychologie / OUNL 83 . Er zijn twee modulen waarin studenten aanvullende onderzoeksscholing kunnen volgen. en vervolgens het kwantitatieve hoofdonderzoek in de cursus Master of Science Research. Hierbij wordt het gebruik van statistisch gecompliceerde analysetechnieken verwacht. De student en het staflid bereiden gezamenlijk een wetenschappelijke publicatie voor.en masteropleidingen kennis verwerven in interactie met relevant wetenschappelijk onderzoek. Ook de studenten met wie de commissie heeft gesproken zijn enthousiast over deze nieuwe aanpak. Wanneer het onderzoeksplan is goedgekeurd. dient de student een manuscript voor een vakpublicatie en een internationaal wetenschappelijk artikel in bij een internationaal peer reviewed tijdschrift. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Het research proposal bevat een voorstel voor deze scholing. Deze scholing kan inhoudelijk en/of statistisch/ methodologisch van aard zijn. De student wordt gestimuleerd zelf congressen te bezoeken. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. In de masteropleiding Psychology wordt hierop voortgebouwd. Ook daar komen onderzoeks. De actuele praktijk van relevante beroepen komt voldoende aan de orde.

Eenvoudige interventiecompetenties worden verworven in de cursussen Sociale psychologie. Deze zijn bij F4 toegelicht. zoals in de zelfstudie staat beschreven. Diagnostische competenties verwerven studenten in de propedeusecursussen: Klinische psychologie 1. De postpropedeuse bestaat uit een algemeen deel (elf modulen).en toetstheorie. en Inleiding in de neuropsychologie en psychofarmacologie. De vakken Wetenschapsleer. Ergonomie. Gespreksvoering. Eindkwalificaties op het gebied van communicatie en leervaardigheden komen in bijna alle onderdelen aan de orde. Voor elke cursus zijn. Sociologie en Geschiedenis van de psychologie. ingedeeld volgens de Dublin-descriptoren (zie F). Interculturele psychologie. en een vrije ruimte van vijf modulen en de bacheloreindopdracht (vier modulen). Master Psychology Voor de masteropleiding Psychology geldt dat eindkwalificaties op het gebied van kennis en inzicht. Leren en trainen in organisaties. De concretisering van de eindkwalificaties op het gebied van onderzoeksvaardigheden vindt vooral plaats in de onderzoekspractica en de bacheloreindopdracht. De leerdoelen per curriculumonderdeel zijn opgenomen in het werkboek van de module voor de student en worden op de website gegeven. zelfstudie en digitale begeleiding. diagnostiek en interventie in het curriculum weer.en organisatiepsychologie. De eindkwalificaties zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. qua niveau. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. Eindkwalificaties op het gebied van het toepassen van kennis en inzicht komen in de vakken op het gebied van klinische gespreksvoering en psychodiagnostiek die voor beide varianten gelden aan bod en in de variantspecifieke vakken Coachen van managers en Patiëntenvoorlichting en chronische ziekten. zie bijlage 1). Psychologie van arbeid en gezondheid. De opleiding geeft in een bijlage bij de zelfstudie een kaart met de vervlechting van de competentielijnen onderzoek. Inleiding in de gezondheidspsychologie. In de zelfstudie heeft de opleiding een tabel opgenomen waaruit de relatie tussen de eindkwalificaties. Intelligentie en sociale competentie.F5:­Relatie­tussen­doelstellingen­en­inhoud­programma Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties. door de Curriculum. zijn een concretisering van eindkwalificatie . Inleiding in de arbeids. Selectie en assessment. een gedeelte met de majors van de beide afstudeervarianten Arbeids. Eindkwalificaties op het gebied van oordeelsvorming komen vooral in de stage en het afstudeertraject aan bod. 84 QANU / Psychologie / OUNL . en de corresponderende cursussen in de bacheloropleiding en beide masteropleidingen wordt aangegeven. Bachelor Voor de bacheloropleiding geldt bijvoorbeeld dat de propedeuse een aantal brede basisvakken en inleidingen in de afstudeervarianten kent die eindkwalificaties op het gebied van disciplinaire kennis concretiseren (eindkwalificatie 1. In het Kennismakingstraject psychologie maakt de student kennis met de wijze van studeren: afstandsonderwijs.en organisatiepsychologie en Gezondheidspsychologie (elk acht modulen). De eindkwalificaties (zie F1) dienen hierbij als richtsnoer. Hieronder een paar voorbeelden. en worden verdiept en uitgebreid in de postpropedeutische onderdelen Test. vooral in de variantspecifieke vakken van de masteropleiding worden geconcretiseerd. Inleiding in conflicthantering en mediation.en projectencommissie leerdoelen geformuleerd in het projectplan (bij de ontwikkeling van de cursus). De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken.

Echter.Master Psychological Research Voor de masteropleiding Psychological Research geldt dat. Eindkwalificaties 1 en  (zie F1) van de masteropleiding Psychological Research richten zich vooral op kennis van. de eindkwalificaties op het gebied van kennis en inzicht in de twee vrij te kiezen cursussen (Advanced Research 1 & ) en bij het schrijven van het onderzoeksvoorstel aan de orde komen. De commissie acht dit niet haalbaar gegeven het feit dat publicaties vaak langer dan een jaar op zich laten wachten. Oordeel De commissie stelt aan de hand van de overzichten in de zelfstudie en het cursusmateriaal dat zij heeft ingezien vast dat het programma van de bacheloropleiding Psychologie en masteropleiding Psychology een adequate concretisering is van de respectievelijke eindkwalificaties. de QANU / Psychologie / OUNL 85 . Eindkwalificaties op het gebied van oordeelsvorming worden in de vier op uitvoering van onderzoek gerichte onderdelen geconcretiseerd. Een realistischer doel zou naar het oordeel van de commissie zijn om studenten een paper te laten schrijven dat goed genoeg is om te kunnen worden aangeboden aan een wetenschappelijk tijdschrift. voldoende zijn geconcretiseerd in het masterprogramma Psychological Reseach.en waarom bepaalde vakken in de masteropleiding Psychology zijn opgenomen. aansluitend aan wat zij bij F1 constateert. De twee programma’s zijn naar het oordeel van de commissie dan ook doeltreffend om de beoogde eindkwalificaties te behalen. Zoals bij F4 is aangegeven wordt die inhoudelijke disciplinaire kennis vooral in interactie met de begeleidende docent en tijdens het doen van onderzoek verworven. inzicht in en kritische reflectie op wetenschappelijk onderzoek en vraagstukken en theorieën binnen de discipline psychologie. Zij heeft de indruk dat bij de overgang van de ongedeelde opleiding naar de bachelor-masterstructuur vrij willekeurig een mechanische knip is geplaatst na de eerste drie jaar van de ongedeelde opleiding. De opleiding heeft in reactie hierop laten weten dat omdat een staflid in de publicatie is betrokken. Voor de masteropleiding Psychological Research stelt de commissie vast dat de doelstellingen erg hoog gegrepen zijn om via een eenjarig masterprogramma (indien studenten voltijd zouden studeren) te bereiken. maar wel voldoende geschikt om als medeauteur te willen indienen. De commissie merkt aanvullend op dat het haar niet duidelijk is geworden waarom bepaalde vakken in de bachelor. Eindkwalificaties met betrekking tot het toepassen van kennis en inzicht en leervaardigheden komen in alle onderdelen aan de orde. De algemene doelstelling is dat afgestudeerden het niveau van een eerste aio-jaar moeten hebben bereikt. Volgens een ander deel van de commissie kan die inhoudelijke kennis ook heel wel worden verkregen in de interactie met de begeleidende docent die in dit vakgebied werkzaam is. Een deel van de commissie mist inhoudelijke psychologiecursussen in het programma. De commissie is van oordeel dat de andere eindkwalificaties (3 tot en met 7) die vooral gericht zijn op onderzoekscompetenties. Eindkwalificaties met betrekking tot communicatie worden aangeleerd in de onderdelen Research Proposal. Zij waardeert het positief dat voor alle modulen concrete leerdoelen zijn geformuleerd en dat deze in het werkboek van elke cursus vervolgens per hoofdstuk zijn uitgewerkt. De opleiding concretiseert dit met het feit dat de proeve van zelfstandige wetenschapsbeoefening een publicatie in een internationaal peer reviewed wetenschappelijk tijdschrift moet zijn. Wel merkt zij. de kwaliteit van de publicatie weliswaar nog niet peer reviewed is. Studenten kunnen via het programma waarin het zelf doen van onderzoek centraal staat de eindkwalificaties (3 t/m 7) behalen. Zij wijt dit aan de gekozen formulering van de doelstelling. Scientific and Professional Publishing en beide keuzeonderdelen. dat eindkwalificatie 1 van de masteropleiding Psychology breder is dan in het programma wordt gerealiseerd. volgens het overzicht in de zelfstudie.

Dit wordt vooral vormgegeven langs de drie competentielijnen (diagnose-. De bacheloropleiding kent een propedeusedeel en een postpropedeuse. Deze toetst plannen voor nieuwe onderdelen aan de volgende criteria: • • • • • • • • • Brengt een nieuw te ontwikkelen cursus het beoogde doel van de opleiding voor de student dichterbij? Zijn de eindkwalificaties van de cursus goed gerelateerd aan de eindkwalificaties van de opleiding? Is de cursus een stap verder in de competentielijn waar de cursus (overwegend) toe behoort? Is de onderwijsvorm geschikt voor het doel en is de onderwijsvorm op die plaats in het curriculum juist en afgestemd op ‘naburige’ cursussen? Aan welke van de academische vaardigheden en algemene kennis draagt de cursus (mede) bij? Wordt in de cursus geen kennis of vaardigheid vereist die studenten nog niet kunnen bezitten? Wordt er geen kennis of vaardigheid herhaald? Is de toetsvorm geschikt voor het vaststellen of de eindkwalificaties van de cursus zijn gehaald? Is de toetsvorm afgestemd op en in balans met de toetsvormen van ‘naburige’ cursussen? Bachelor Voor het bachelorprogramma heeft de opleiding een normtraject aangegeven. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. In deze volgorde sluiten de cursussen.commissie als geheel is er onvoldoende van overtuigd dat de studenten de eindkwalificaties op het gebied van kennis van. Binnen en tussen de cursussen als onderdelen van de opleidingen bestaat. volgens de opleiding. De propedeuse wordt gekenmerkt door een algemene inleidende aanpak. inzicht in en het vermogen tot kritische reflectie op vraagstukken en theorieën (van wetenschappelijk onderzoek) in de arbeids.en interventiecompetenties) die als een rode draad door het curriculum lopen. De opbouw van de onderzoekscompetentie is bij F4 behandeld en de opbouw van de diagnostische en interventiecompetentie is bij F5 uiteengezet. De studenten worden op de hoogte gesteld van de drie competenties (diagnose.en organisatiepsychologie en de gezondheidspsychologie (zie eindkwalificaties 1 en  bij F1) via het huidige programma kunnen opdoen.en projectencommissie. Het postpropedeutisch deel van de bacheloropleiding zorgt voor verdieping van kennis en inzicht en voor het verwerven van diagnostische. F6:­Samenhang­programma Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend studieprogramma. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Het onderwijs wordt ontwikkeld op initiatief van de Curriculum. inhoudelijk en qua niveau op elkaar aan. Dit geheel wegende oordeelt de commissie dat de masteropleiding Psychological Research onvoldoende voldoet aan de criteria die gelden voor dit facet. 86 QANU / Psychologie / OUNL . zoals de opleidingen in de zelfstudie aangeven. Dit vermeldt in welke volgorde studenten het programma het beste kunnen volgen. onderzoek en interventie) die als een rode draad door het curriculum lopen. onderzoeks. een grote samenhang. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is onvoldoende.

Dit moet worden goedgekeurd door de vaste begeleider(s) van de student. Ook de studenten en docenten met wie de commissie sprak. Master Psychological Research De samenhang binnen de masteropleiding Psychological Research wordt volgens de opleiding vormgegeven langs het doen van wetenschappelijk psychologisch onderzoek. Tot slot vindt de commissie het een pluspunt dat studenten gedurende de bacheloropleiding langzaam vertrouwd worden gemaakt met Engelstalige literatuur. het research proposal. De invulling van de keuzeonderdelen is afhankelijk van wat de student nodig heeft voor het goed afronden van de studie. Oordeel De commissie is positief over de samenhang die in de bacheloropleiding wordt gerealiseerd. interventie en onderzoek) in het afstudeerwerk realiseren. oordelen positief over de samenhang in het curriculum. De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat de verschillende eindproducten van de cursussen. Deze krijgt vooral vorm langs de drie competentielijnen en de inhoudelijke opbouw van meer algemeen inleidend naar meer specifiek gedurende de opleiding. Eveneens doen zij in dit onderdeel het voorbereidende werk voor de dataverzameling van de later uit te voeren deelstudies.en projectencommissie heeft opgesteld bijzonder adequaat. Master Psychology De opleiding stelt in de zelfstudie dat de masteropleiding Psychology een verdere verdieping en integratie van de competenties van de bacheloropleiding biedt. Het onderdeel Klinische gespreksvoering van de masteropleiding. QANU / Psychologie / OUNL 87 . Zij is van oordeel dat de verhouding tussen Nederlandse en Engelstalige literatuur goed is opgebouwd. De commissie vindt het goed dat de opleiding de samenhang expliciteert naar studenten. De opleiding gebruikt in de loop van de studie steeds meer internationaal gebruikte handboeken waarmee studenten het Engels leren gebruiken dat psychologen doorgaans hanteren. bouwt bijvoorbeeld voort op de bachelorcursus Gespreksvoering waarin de basisvaardigheden worden aangeleerd en het Testpracticum psychodiagnostiek op de competentielijn diagnostiek van de bacheloropleiding. een uitgewerkte doelstelling. de bijbehorende statistische technieken en de planning voor wat betreft de tijd. Er vindt een inhoudelijke verdieping plaats in de gekozen specialisatie (major) ter voorbereiding op de aansluitende masteropleiding. financiën en aanvullende scholing in de beide keuzeonderdelen. in sterke mate met elkaar samenhangen.en interventiecompetenties op eenvoudig niveau. Daarna zijn de belangrijkste basisvakken en toegepaste vakken geprogrammeerd en starten de onderzoekspractica. De commissie vindt de procedure die de opleiding voor de bewaking van samenhang door de Curriculum. De meeste studenten beginnen in de propedeuse met een kennismakingstraject (KMT Psychologie) waarin zij kennismaken met het vakgebied. onderzoeksvragen en aanvullende hypothesen voor de studies die de student in het vervolgtraject van de masteropleiding daadwerkelijk gaat onderzoeken. De integratie vindt vooral plaats in de stage en de afstudeerscriptie. afhankelijk van de context waarin het onderzoek plaatsvindt en van de centrale probleemstelling. Studenten vervaardigen in de eerste cursus een onderzoeksvoorstel met een uitgebreide literatuurreview. onderzoeksverslagen. een nationale vakpublicatie en een internationaal peer reviewed wetenschappelijke publicatie. Dit research proposal zorgt volgens de opleiding voor de samenhang in het programma. In de onderdelen van de twee varianten binnen de masteropleiding wordt een verdieping gegeven aan gerelateerde disciplinespecifieke vakken. De student moet dit op minstens twee van de drie competentiegebieden (diagnostiek. In de propedeuse is binnen de vaardigheidsvakken aandacht voor integratie van theorie en toepassing.onderzoeks.

de thematische samenhang op het gebied van een van de twee afstudeervarianten en de integratie van al het geleerde in de stage en de afstudeerscriptie. Om de studeerbaarheid bij het schrijven van de scriptie te bevorderen. neemt de opleiding maatregelen in de vorm van het weghalen van een hoofdstuk of het toevoegen van een aantal opdrachten. vervult het kennismakingstraject Psychologie een oriënterende en selectieve functie en is extra aandacht besteed aan traditionele struikelblokken als het statistiek.en alumni-enquête (005) blijkt dat studenten Psychologie per module gemiddeld net iets minder dan 10 uur studeren. gevarieerde samenstelling van het programma. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Hoewel studenten zelf het tempo en (voor een deel) de volgorde van de studieonderdelen kunnen bepalen. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. gestreefd naar: • • • • • • • evenwichtige spreiding van de studielast. zoals de opleidingen aangeven. te voorkomen. tentamens en opdrachten. heeft de opleiding het totale scriptietraject in twee delen gesplitst: het onderzoekspracticum scriptieplan en de uitvoering van de scriptie. 88 QANU / Psychologie / OUNL . Gemiddeld ronden studenten vijf modulen per jaar af. die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen. evenwichtige spreiding van diverse toetsvormen. is voor elke opleiding een normtraject vastgesteld. Zo krijgt de kwaliteit van het studiemateriaal veel aandacht. Indien dit meer of minder is dan de geplande studielast. F7:­Studielast Het programma is studeerbaar doordat factoren. Hierbij wordt. De opbouw en samenhang van de masteropleiding Psychological Research is gerelateerd aan het onderzoeksproces dat de student gedurende de masteropleiding uitvoert. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed. spreiding van tentamens uit een studiejaar van het normtraject. De commissie vindt deze samenhang voldoen aan de criteria die gelden voor dit facet. In de zelfstudie geeft de opleiding aan dat uit de Studenten. Dat is bij veertig weken tijdsbesteding voor de studie gemiddeld vijftien à zestien uur per week. voortbouwend op de drie competentielijnen van de bacheloropleiding. De opleiding noemt in de zelfstudie een aantal maatregelen om potentiële struikelblokken die verband houden met de variëteit in de instroom. Deze feitelijke studielast verschilt niet significant van de geprogrammeerde studielast. inhoudelijke afstemming van afzonderlijke studieonderdelen. Het cursorisch onderwijs dat hij of zij hierbij volgt (twee modulen) wordt individueel bepaald en houdt verband met het onderzoek dat wordt uitgevoerd. In deze proeftoetsing wordt gemeten hoeveel tijd de proefstudenten besteden aan een cursus. Bij de ontwikkeling van een cursus toetst de opleiding in de proeftoetsing (zie ook F17) de feitelijke studielast.en methodenonderwijs (zie F4). aansluiting van studieonderdelen bij het voorkennisniveau van studenten.De commissie is van mening dat de opbouw en samenhang van de masteropleiding Psychology adequaat is vormgegeven. weloverwogen verdeling van onderwijscontacturen.

inbedding van het onderwijs in een elektronische leeromgeving (zie F15). De beste voorspeller van studiesucces blijkt de eerste cursus. gerichte studieadvisering en voorlichting aan studenten (F16). Studenten met wie de commissie heeft gesproken noemen de studielast van de bachelor. Inleiding in de psychologie. De commissie is van mening dat er voor de drie opleidingen die zij beoordeelt geen struikelblokken zijn die de studievoortgang onnodig belemmeren. Oordeel De commissie is van oordeel dat. specifieke voorbereiding op toetsen (zie F11). maar in zijn algemeenheid overeenkomstig de geprogrammeerde studielast. HBO-propedeuse of daarmee vergelijkbare kwalificaties. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. zo veel mogelijk weg te nemen door verbetering van het programma.en masteropleidingen behoorlijk zwaar.In een algemeen onderzoek naar studie-uitval bij studenten van de Open Universiteit Nederland blijkt dat de voornaamste factoren die de studie belemmeren. Dit betreffen: • • • • • gebruik van verschillende tentamenvormen (zie F11). Studenten wordt aanbevolen om te beginnen met de cursus ‘Inleiding in de psychologie’. hoewel studenten bij de Open Universiteit Nederland zelf hun studietempo en de volgorde van de modulen kunnen bepalen. specifieke begeleiding bij het schrijven van theses en scripties (zie F16). zoals de onderwerpen statistiek en biologische aspecten van gedrag. De commissie stelt vast dat de afgelopen periode ook is geïnvesteerd om mogelijke struikelblokken. WO-master: bachelor en eventueel (inhoudelijke) selectie. Bij de ontwikkeling van de cursussen wordt gelet op aansluiting van de gerealiseerde studielast op de geplande studielast. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Iedereen van achttien jaar of ouder kan zich inschrijven. Om de studeerbaarheid te bevorderen wordt door de opleidingen verder een aantal maatregelen getroffen. die samenhangen met andere facetten. Uit een onderzoek naar studie-uitval blijkt 40% van de studenten tijdens de eerste cursus uit te vallen. maar adequaat is. te zijn. de opleidingen veel gelegen is aan een adequate studeerbaarheid en studielast van het programma. blijkend uit toelatingsonderzoek. F8:­Instroom Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten: WO-bachelor: VWO. Ongeveer 10% van de studenten is een jaar na inschrijving nog niet met de bestudering van de cursus begonnen (non-starters). het gebrek aan zelfdiscipline en de moeilijkheid om de studie te combineren met werk of sociale contacten zijn. Deze kan gevolgd worden als losse cursus of als Kennismakingstraject (KMT). QANU / Psychologie / OUNL 89 . Bacheloropleiding Psychologie Voor de Open Universiteit Nederland zijn de reguliere instroomeisen niet van toepassing. Met het normtraject wordt studenten een studeerbaar programma geboden. De commissie sluit zich hierbij aan bij de mening van de studenten dat de studielast behoorlijk zwaar. De bacheloropleiding kent een open inschrijving. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.

De belangrijkste reden om voor de OUNL te kiezen is vrijheid van plaats en van studietempo. Het opleidingsniveau van de instroom is zeer gedifferentieerd. Gemiddeld stromen er zo’n 700 opleidingstudenten per academisch jaar in en zo’n 100 tot 400 cursisten. De faculteit heeft verder het opleidingsniveau. Als de kansen op afronding positief ingeschat worden. Veel studenten gebruiken de eerste cursus om uit te proberen of zij een academische studie aankunnen. Daarna volgt een intakegesprek met twee leden van de selectiecommissie en eventueel de mogelijke begeleider van de student. Er is schriftelijk en elektronisch voorlichtingsmateriaal. Master Psychological Research De opleiding streeft niet naar grote aantallen studenten in de masteropleiding Psychological Research. die onder meer via de website beschikbaar zijn. de maatschappelijke positie en de motieven om voor de OUNL te kiezen onderzocht en in kaart gebracht.of doctoraaldiploma Psychologie of diploma van een gelijkwaardige opleiding hebben behaald bij een andere Nederlandse universiteit. De opleiding streeft naar maximaal tien studenten tegelijk in de opleiding.en beide masteropleidingen geschiedt langs een aantal wegen. leeftijdsniveau.Met het Kennismakingstraject beoogt de opleiding de aansluiting op de zeer uiteenlopende kwalificaties van de instroom zo informatief en selectief mogelijk te doen zijn. Uit het overzicht blijkt ook dat de grootste groep studenten een betaalde baan heeft en in een leeftijdsgroep van ouder dan 31 jaar zit. Feitelijk vraagt de opleiding van instromers bewezen kwaliteit op het gebied van het doen van onderzoek. In de studiecentra en op informatieavonden kunnen (aankomende) studenten 90 QANU / Psychologie / OUNL .of masterscriptie.en informatieloket of aan de balie van de studiecentra. krijgt de student toestemming om zich in te schrijven voor de opleiding. zoals de Opleidingen. Dit is vooral door financiële redenen ingegeven: de opleiding wordt niet door het College van Bestuur van de OUNL bekostigd. Inmiddels participeren negen studenten in de opleiding. Gemiddeld slaagt 30% van de ingeschrevenen voor deze cursus.en Studiegids Psychologie en het studentenmaandblad Modulair. Bachelor Psychologie en master Psychology In de zelfstudie geeft de opleiding een overzicht en analyse van de totale instroom (studenten die drie modulen per jaar afronden) en cursisten. De faculteit Psychologie beschouwt personen die de cursus Inleiding in de psychologie hebben gehaald als ‘instromers’ voor de bacheloropleiding.en masteropleidingen De voorlichting over de bachelor. Masteropleiding Psychology Om toegelaten te worden tot de masteropleiding Psychology dienen studenten te beschikken over een bachelorgetuigschrift van de Open Universiteit Nederland. aangetoond in bijvoorbeeld een doctoraal. Ook worden studenten toegelaten die een wo-bachelor. Dit laatste werd door de studenten met wie de commissie heeft gesproken bevestigd. Voor meer informatie kunnen (aankomende) studenten terecht bij het Service. de grootste groep (30%) heeft een hbo-opleiding afgerond. Bachelor. Formeel kunnen studenten instromen met een wo-bachelordiploma. Studenten kunnen zich ook online inschrijven voor cursussen. Van deze studenten is 56% afkomstig van de eigen opleiding (doctoraal Psychologie) en heeft 44% de vooropleiding elders doorlopen. De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat zij vooral ‘eigen’ studenten stimuleert in onderzoek door te gaan wanneer de kwaliteiten hoog zijn. De opleiding hanteert een intakeprocedure waarbij een selectiecommissie op basis van een ingevulde vragenlijst en de afstudeerscriptie studenten voorselecteert.

Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. voor succes in de masteropleiding Psychological Research. De daadwerkelijke vereisten voor de instroom gaan verder dan de formele instroomeis die bestaat uit een afgeronde bacheloropleiding. De commissie vindt deze discrepantie tussen de formele en feitelijke toelating niet wenselijk. Dit gegeven in acht nemend. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. niet van toepassing zijn. De commissie heeft het voorlichtingsmateriaal van de opleidingen bestudeerd en oordeelt dat dit adequaat is en een realistisch beeld geeft van de opleidingen en de perspectieven na het afstuderen. Oordeel De commissie stelt vast dat de instroomeisen die in het accreditatiekader van de NVAO zijn vastgelegd. In de Studenten. De masteropleiding Psychology sluit nauw aan bij de bacheloropleiding Psychologie. Bijna alle studenten en alumni zijn van mening dat de voorlichting en informatie over de opleiding Psychologie in Modulair redelijk tot zeer goed is. stelt de commissie vast dat de bachelor. over meer onderzoekservaring zouden moeten beschikken dan uitsluitend opgedaan in een wo-bacheloropleiding. Aan de instroom in de masteropleiding Psychological Reseach worden aanvullende eisen gesteld. ondervinden naar het oordeel van de commissie in het algemeen ook geen problemen. om een realistisch beeld te geven van de opleiding en de beroepsmogelijkheden daarna.en alumni-enquête (005) beoordelen studenten en alumni de voorlichting over afzonderlijke cursussen in de studiegids als redelijk tot zeer goed. Hoewel 73% van de studenten en 54% van de alumni geen advies heeft ingewonnen bij een studieadviseur. Met het kennismakingstraject biedt de opleiding vervolgens een realistisch beeld van de zwaarte van de opleiding enerzijds en inhoud van het vakgebied Psychologie anderzijds. blijkt uit die enquête dat studenten en alumni die dat wel hebben gedaan. De commissie concludeert dat de opleidingen voldoen aan de criteria die gelden voor dit facet. Zij is het wel met de opleiding eens dat instromende studenten. Studenten die vanuit de eigen opleiding doorstromen. Deze avonden vinden vier keer per jaar plaats. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. QANU / Psychologie / OUNL 91 . Studenten met wie de commissie sprak vinden dat in met name het Kennismakingstraject een duidelijk beeld wordt gegeven over de zwaarte van het academisch niveau en het inhoudelijke domein van de opleiding. In de bacheloropleiding kan iedereen van achttien jaar of ouder instromen en voor de masteropleidingen is een wo-bacheloropleiding Psychologie van de OUNL of vooropleiding met vergelijkbare competenties noodzakelijk. Ook uit de evaluatiegegevens blijkt dat studenten de voorlichting positief waarderen.persoonlijk advies inwinnen bij docenten. Op zorgvuldige wijze worden studenten volgens de commissie geselecteerd op hun onderzoekscompetenties. hierover tevreden zijn. waarbij ook studenten en alumni worden ingezet om een beeld van de opleiding en loopbaanmogelijkheden te geven.en masteropleidingen de juiste vereisten hanteren voor de instroom. De commissie waardeert het positief dat studenten en alumni worden ingezet bij voorlichtingsavonden. vanwege de bijzondere positie van de OUNL als onderwijsinstelling met de taak volwassenen een tweede kans te bieden in het hoger onderwijs. Uit evaluaties van de informatieavonden blijkt dat de aanwezigheid van studenten en alumni een toegevoegde waarde heeft en de informatie van de studiebegeleider met bijna een 8 als rapportcijfer gewaardeerd wordt.

Dit kan face to face zijn. Oordeel Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Gedurende de hele studie is contact met de docent mogelijk. Uit de Studenten. In de latere onderdelen van de bacheloropleiding beschikt de student over minimaal een elektronische leeromgeving en vangnetbegeleiding.t. de omvang van het curriculum: WO-bachelor: in de regel 180 studiepunten. de student gestimuleerd wordt om zelfstandig en actief te leren. Beide masterprogramma’s omvatten 60 ECTS-studiepunten en voldoen daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum.b. De opleiding wordt afgesloten met een tweeledige bachelorthesis om de finale doelstelling van de opleiding te realiseren. zoals het beantwoorden van vragen en schrijven van werkstukken. De opleiding geeft aan dat studenten daarbij veelal aangestuurd worden door middel van (digitale) werkboeken met verwerkingsopdrachten. F10:­Afstemming­tussen­vormgeving­en­inhoud Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen. In de zelfstudie wordt uiteengezet dat door de relevante instructiekenmerken en didactische functies in het materiaal op te nemen. De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept. gecombineerd met opdrachten. 9 QANU / Psychologie / OUNL . Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Volgens de didactische principes van afstandsonderwijs bieden de opleidingen studiemateriaal aan in een leeromgeving waarin studenten zelfstandig hun leertaken verkennen en beperkte begeleiding kunnen krijgen. De bacheloropleiding kent een achttal onderzoekspractica (zie F4) waarin studenten samenwerken met andere studenten om wederzijdse feedback te geven. Zelfstudie maakt ongeveer 98% van de opleiding uit. Het bachelorprogramma omvat 180 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum.F9:­Duur De opleiding voldoet aan formele eisen m. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.en alumni-enquête (005) blijkt dat alle studenten en alumni zeer positief oordelen over de didactische opzet van het materiaal. WO-master: minimaal 60 studiepunten. onderzoek en diagnostiek. elektronische leermiddelen en aanwijzingen om de leerstof studeerbaar te maken. maar ook telefonisch. In de zelfstudie is een overzicht opgenomen van de verhouding tussen zelfstudie en directe begeleiding en van de maximale en minimale begeleidingstijd per cursus. In de bachelorfase is de begeleiding in het kennismakingstraject er sterk op gericht de student ervaring te laten opdoen met de wijze van studeren aan de OUNL. Bachelor Psychologie In de bacheloropleiding ligt de nadruk op de oriëntatie op de basisvakken en op het kennismaken met en vervolgens verwerven van de opbouwende competenties op het gebied van interventies. De opleidingen geven aan dat de student daarin zelf het evenwicht zoekt. Elke leereenheid bestaat uit schriftelijke leerstof. afhankelijk van de opleiding. vormen studietaken. per e-mail of via webcams. met beperkte tussenkomst van de docent. Studieteksten.

studeeraanwijzingen. Hoewel sommigen het inspirerend vinden om met medestudenten samen te werken. Het werkstuk moet voldoen aan de criteria en normen die gelden voor een psychologische. Voor elke stagevorm gelden specifieke ingangseisen. Voor (bijna) alle modulen in de masteropleiding gelden ingangseisen. Het samenwerkend leren (bij het scriptieplan) werd niet door alle studenten evenzeer gewaardeerd. QANU / Psychologie / OUNL 93 . stage.Bachelorstudenten met wie de commissie heeft gesproken zijn over het algemeen enthousiast over de actieve inzet van de discussiegroepen bij het Kennismakingstraject. Didactische ondersteuning vindt hierbij vooral plaats via reguliere begeleidingscontacten met de vaste begeleider. diagnostiek en interventie – in de masteropleiding een verdere invulling krijgen via vaardigheidsvakken. vergelijkbaar met een meester-gezelrelatie. Studenten kunnen deze invullen met een praktijkstage. zoals gemaakte opdrachten en werk.en begeleidingsafspraken. Master Psychological Research Bij de masteropleiding Psychological Research vindt sturing voor het grootste deel plaats door middel van een individueel begeleidingstraject. Het tekstboek omvat de bronnen en het werkboek didactische middelen als formulering van leerdoelen. De commissie heeft gesproken met studenten en alumni van alle drie opleidingen. De student houdt gedurende de studie een eigen digitaal dossier bij waarin relevante documenten. wordt gebruikgemaakt van een tekstboek-werkboekmodel. De stage is verplicht. opdrachten en samenvattingen. vragen. wetenschappelijke publicatie en qua vorm beantwoorden aan de criteria vermeld in de Publication Manual of the American Psychological Association. bestaat 11 uur uit begeleidingstijd en 1568 uur uit zelfstudie. past het volgens anderen niet bij de verwachtingen om onafhankelijk de studie vorm te geven. Het product van de eerste cursus omvat het research proposal dat als blauwdruk fungeert voor het vervolg van de opleiding. Zij betreuren het dat gedurende de opleiding de deelname aan de discussiegroepen door medestudenten minder wordt. De scriptie vormt als afstudeerproject de bekroning van de masteropleiding. corresponderend met de uitkomsten van de enquête. Uit een overzicht in de zelfstudie blijkt dat er gedurende de masteropleiding ongeveer 110 contacturen zijn. een paper dat kan worden ingediend bij een vakblad en een paper dat kan worden ingediend bij een internationaal peer reviewed wetenschappelijk tijdschrift. bij elkaar geplaatst worden. Er is altijd sprake van twee begeleidende docenten. De cursussen zijn ingebed in een elektronische leeromgeving. zeer enthousiast over het studiemateriaal. Voor de eerste cursus van de opleiding. De student voert verder zo veel mogelijk zelfstandig onderzoek uit via een kwalitatieve en een kwantitatieve deelstudie en schrijft onderzoeksverslagen. waarbij studenten bijvoorbeeld met elkaar en met docenten van gedachten kunnen wisselen. een onderzoeksstage of een psychodiagnostische stage. Van de totaal 1680 studie-uren in de master. Dit laatste vormt het sluitstuk van de opleiding. Master Psychology De opleiding geeft aan dat de drie competentiegebieden – onderzoek. Voor een aantal vakken zijn er digitale werkboeken met studieopdrachten. Hierin wordt een psychologische vraagstelling beantwoord op basis van empirisch onderzoek. Research Proposal Psychology. Uit de gesprekken met studenten heeft de commissie begrepen dat het hun niet altijd duidelijk is hoeveel begeleidingstijd zij van een docent bij vooral de scriptie kunnen vragen. aldus de opleiding. het onderzoekspracticum scriptieplan en het empirisch afstudeeronderzoek. Zij waren allen. Bij elke cursus is individuele begeleiding ingebouwd.

toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd. Een student kan op verzoek binnen drie weken een SYS-tentamen doen in één van de studiecentra. De commissie geeft de opleidingen als aandachtspunt mee. Binnen twee weken volgt 94 QANU / Psychologie / OUNL . In de bacheloropleiding Psychologie worden twaalf cursussen getoetst door middel van een practicum. In de masteropleiding Psychological Research worden alle cursussen getoetst door middel van een opdracht of werkstuk. Zo wordt de opleiding afgesloten met een paper dat kan worden ingediend bij een internationaal peer reviewed tijdschrift. De masteropleiding Psychological Research heeft specifiek gekozen voor de meester-gezelrelatie als didactisch uitgangspunt. In de masteropleiding Psychology worden zes cursussen getoetst door middel van een practicum.Oordeel De commissie is erg positief over de kwaliteit van het studiemateriaal. opdracht en/of bijzondere verplichtingen. SYS-tentamens bestaan uit een random steekproef uit een pool van 400 tot 600 vragen per cursus. Zij beoordeelt dit facet voor deze twee opleidingen daarom met een goed. De commissie vindt de meester-gezelrelatie als didactisch uitgangspunt en de werkvormen die daarbij gekozen zijn. Voor het afstudeeronderzoek in de masteropleiding kan de student volgens de zelfstudie rekenen op vijftig begeleidingsuren. De commissie stelt vast dat de opleidingen uitmonden in proeven van voldoende zelfstandige beoefening van de wetenschap. Dit lijkt de commissie een duidelijk en ruim voldoende aantal. De commissie heeft de indruk dat dit in de regel goed zal verlopen. werkstuk en/of tentamen met open vragen en de overige cursussen worden getoetst met een regulier of SYS-tentamen. de supervisor (meester). maar ziet ook een risico indien de kwaliteit van de werkvormen te veel berust bij een persoon. De overige cursussen worden getoetst met een regulier of SYS-tentamen (zie hieronder). Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. dat de belangrijkste werkvorm betreft in de bacheloropleiding Psychologie en masteropleiding Psychology. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. omdat de kans bestaat dat masterstudenten zich nog niet voldoende bewust zijn van het bestaan van verschillende perspectieven. F11:­Beoordeling­en­toetsing Door de beoordelingen. Zij beoordeelt dit facet voor de masteropleiding Psychological Research concluderend met een voldoende. Voor de bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychology betreft dit een scriptie. opdracht. Het lesmateriaal is in lijn met de doelstelling en het didactisch uitgangspunt van afstandsonderwijs en biedt studenten de mogelijkheid zelfstandig het leerproces vorm te geven en de leerdoelen van het onderdeel te realiseren. De verhouding tussen zelfstudie en begeleidingsuren sluit aan bij het afstandsonderwijs. te blijven letten op de kwaliteit bij de keuze van studiemateriaal dat niet door de OUNL is ontwikkeld. te weten het uitvoeren van diverse deelonderzoeksactiviteiten. zoals handboeken op een bepaald gebied. De commissie heeft van de opleiding duidelijk begrepen dat er altijd sprake is van twee begeleidende docenten. De commissie acht meerdere begeleiders van groot belang. Wellicht kan heldere communicatie hierover studenten meer houvast bieden. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed. Na afloop hoort een student de voorlopige uitslag. voldoende passen bij de doelstellingen van de opleiding. De student leert samen al doende met een gevestigd onderzoeker rondom een concreet onderzoeksthema. In de zelfstudie geven de opleidingen per cursus aan hoe er wordt getoetst.

worden competenties getoetst. interveniëren en diagnosticeren. eindtentamens opgenomen in het cursusmateriaal. Korte essayvragen richten zich op de cognitieve aspecten van competenties en op de aanwezigheid van voldoende begrip. Verder behandelt zij fraudegevallen en keurt zij proeftentamens goed bij integrale proeftoetsing. De CvE stelt de beleidskaders vast voor de afname van de tentamens. De OUNL heeft een centrale Commissie voor de Examens (CvE) voor alle wetenschappelijke opleidingen. Er is een beroepsmogelijkheid bij het College van Beroep voor de Examens. toets. QANU / Psychologie / OUNL 95 . Binnen 48 uur na afloop van het tentamen staat het antwoordmodel op Studienet. Omdat de faculteit Psychologie een aanzienlijk aantal studenten heeft dat in het buitenland verblijft. Elke faculteit heeft een lid afgevaardigd in de CvE.de definitieve uitslag. vragen worden gesteld. Tegen betaling kunnen meer tentamenmogelijkheden aangevraagd worden. Naast de CvE heeft iedere faculteit een Facultaire toetsingscommissie (FTC) als uitvoeringsorgaan. Er is inzagerecht. Zo heeft zij proeftentamens opgenomen in het (digitale) werkboek. Per cursus mag de student driemaal per studiejaar of inschrijfperiode tentamen doen. De CvE benoemt voor iedere cursus een examinator en een plaatsvervangende examinator. De FTC behandelt namens de CvE alle vrijstellingsverzoeken van zittende en nieuwe studenten. De taken en bevoegdheden van de commissie liggen vast in de WHW. Wanneer er sprake is van een regulier tentamen worden voor het vaststellen van competenties takehome-opdrachten gegeven waarover later. Bij opdrachten of werkstukken krijgt de student binnen zes weken individuele of gestandaardiseerde feedback. Scripties en stageverslagen vormen de eindtoets of de verworven competenties voldoende in samenhang.en itemanalyse en competentietoetsing en regelingen rondom de kwaliteit van de SYS-itembanken. De opleidingen geven in de zelfstudie aan dat toetsen van de verschillende onderdelen gericht zijn op de drie hoofdcompetenties: onderzoeken. en op academisch niveau zijn verworven. De faculteit Psychologie ondersteunt studenten door diverse vormen van voorbereiding op toetsen. Scripties en stageverslagen worden door twee beoordelaars via een beoordelingsprotocol beoordeeld. adviseert over individuele afwijkingen van de onderwijsen examenregeling. gedurende het tentamen. Reguliere schriftelijke tentamens worden drie keer per jaar (per cursus) collectief afgenomen in de studiecentra op vooraf vastgestelde data. Hierbij zijn SYS-tentamens vooral gericht op het toetsen van kennis en begrip. heeft zij opdrachten. In opdrachten en bijzondere verplichtingen. In de zelfstudie wordt een aantal maatregelen genoemd die de kwaliteit van de tentaminering waarborgen. de vrijstellingen en de goedkeuring van de vrije wetenschappelijke programma’s. Dit betreft onder andere de verantwoordelijkheden van de aangewezen examinator. Reguliere tentamens zijn gericht op het toetsen van kennis en de procedurele en cognitieve aspecten van vaardigheden. alsmede de hierbij horende kwaliteitszorg. adviseert de CvE over het verlenen van getuigschriften. De opdrachten hebben volgens de opleidingen een realistisch karakter. Om consistentie in beoordeling te verkrijgen maken de opleidingen gebruik van antwoordmodellen en nakijkprotocollen. bijvoorbeeld deelname aan een practicum. Voor opdrachten zijn toetscriteria opgesteld. onderwijskundige ondersteuning bij itemconstructie. werkstukken en reguliere tentamens ontwikkeld die de practica vervangen. en behandelt verzoeken tot het inbrengen van lopend onderwijs aan andere universiteiten of hogescholen in het studieprogramma Psychologie (aanschuifonderwijs). en biedt zij specifieke begeleiding bij het schrijven van werkstukken en scripties. adviseert de CvE over verzoeken voor een vrij wetenschappelijk opleidingsprogramma met zwaartepunt Psychologie.

Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. het aantal vragen en de moeilijkheidsgraad van het tentamen worden overwegend positief beoordeeld. Ook blijkt dat ruim 68% van de studenten en 80% van de alumni de spreiding van de tentamens (driemaal per jaar) redelijk tot zeer goed vindt. Binnen de faculteit wordt veel aandacht besteed aan de consistentie en kwaliteitsbewaking van de toetsing en beoordeling. worden gehanteerd. Studenten worden naar eigen zeggen goed ondersteund bij de voorbereiding op het tentamen. bijvoorbeeld door na te denken over varianten of af te stappen van ja-nee vragen. Zij heeft gesproken met een afvaardiging van de Commissies voor de Examens en de Facultaire Toetscommissie en is van oordeel dat deze conform de wettelijke taken functioneren. De beschikbare tijd voor het afleggen van het tentamen.Uit de Studenten. Specifiek voor de masteropleiding Psychological Research merkt de commissie in aansluiting op hetgeen zij ten aanzien van het didactisch uitgangspunt heeft gemeld op. die aansluiten bij de leerdoelen en inhoud van de studieonderdelen. De commissie concludeert dat de opleidingen voldoen aan de criteria die gelden voor dit facet. De commissie vindt verder de organisatie van de toetsing. De commissie raadt de opleiding sterk aan naar oplossingen op dit gebied te zoeken. dat ook voor de toetsing en beoordeling geldt dat meer garanties kunnen worden ingebouwd om gedurende de masteropleiding te beoordelen of de student de leerdoelen behaalt. Van de studenten is 94% van oordeel dat het SYS-systeem goed tot zeer goed is. Studenten (81%) en alumni (88%) zijn tevreden over de mogelijkheid driemaal per jaar een tentamen te kunnen doen in een bepaald vak. De commissie denkt hierbij bijvoorbeeld aan heldere criteria voor tentaminering tijdens de opleiding of feedback op een aantal onafhankelijk beoordeelde werkstukken gedurende de opleiding. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. de feedback en de voorbereiding van studenten op de toetsen in orde. Zelf heeft de commissie uit gesprekken met delegaties begrepen dat tentamenvragen bij SYS-tentamens soms bekend zijn. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. 96 QANU / Psychologie / OUNL . Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Programma’ voor de bacheloropleiding Psychologie. Oordeel De commissie stelt vast dat diverse toetsvormen.en alumni-enquête (005) blijkt dat 71% van de studenten en 8% van de alumni van mening is dat er voldoende ruimte in het studieprogramma is voor schriftelijke werkstukken. de masteropleiding Psychology en de masteropleiding Psychological Research luidt: voldoende. Dit gebeurt onder meer door uitgebreide beoordelingsprotocollen en de inzet van toetsexperts bij de ontwikkeling van de toetsen. De meerderheid van de commissie beoordeelt dit facet als voldoende.

Zij zijn vooral betrokken bij de onderwijsuitvoering in de studiecentra en staan onder hiërarchische leiding van een uhd. In de masteropleiding Psychological Research is de eis dat de begeleidende docent geaffilieerd lid is van een onderzoeksschool. De verbinding met de professionele praktijk komt. Oordeel De commissie stelt vast dat het onderwijsmateriaal wordt ontwikkeld door hoogleraren.en beide masteropleidingen ingezet bij het onderwijs. dertien docenten en een studentassistent beschikbaar.2. Het College van Bestuur heeft ingestemd met een verdere uitbreiding van de leerstoelen op middellange termijn en voorziet in drie nieuwe hoogleraren. 005). De commissie stelt vast dat het onderzoek binnen het domein Psychologie binnen de OU nog niet door een onderzoeksvisitatiecommissie Psychologie is beoordeeld. subsidieaanvragen. tot stand door de aandacht voor de toegepaste psychologie (praktijkvelden) in het programma. 7 ud’s. door op termijn het aantal leerstoelen uit te breiden. de uhd’s en ud’s die nagenoeg allemaal zijn gepromoveerd en voor een deel geaffilieerd lid zijn van een erkende onderzoeksschool. De Open Universiteit Nederland heeft geen wettelijke onderzoekstaak. De faculteit investeert om het wetenschappelijk karakter van de opleiding te waarborgen in onderzoekstaken van het personeel. een van de uhd’s. en geaffilieerd lidmaatschap van onderzoeksscholen.3. De commissie stelt vast dat studenten van de bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychology in verschillende cursussen en in het scriptietraject in contact komen met QANU / Psychologie / OUNL 97 . Studenten ervaren de koppeling met de praktijk als sterk (Studentenenquête. De versterking van de top. is gezien de ambities die de opleiding heeft bijvoorbeeld in de richting van uitbreiding van het klinisch onderwijs. Daarmee wordt het onderwijs ontwikkeld en worden studenten voor een deel begeleid door wetenschappers die een actieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied. zoals blijkt uit publicaties. Ten opzichte van de vorige visitatie is op dit punt een grote inhaalslag gemaakt. Het valt de commissie op dat een relatief groot aandeel van de staf is gepromoveerd. en door lezingen van staf en van psychologen uit het veld in de studiecentra. Voor het onderwijs waren op peildatum 1 december 005. Per 1 augustus 006 is een nieuwe hoogleraar aangesteld. Van de docenten is 15% gepromoveerd. uhd’s en ud’s zijn bijna allen gepromoveerd. na een sollicitatieprocedure. Zij reserveert 0% van de beschikbare tijd voor vakinhoudelijk onderzoek. Een deel van de docenten is zelf in deeltijd actief op het vakgebied buiten de OUNL. De benoeming betrof. De hoogleraren.­ Inzet­van­personeel F12:­Eisen­WO De opleiding sluit aan bij de volgende criteria voor de inzet van personeel van een WO-opleiding: Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied. In het personeelsbeleid legt de faculteit volgens de zelfstudie de nadruk op de onderzoekinspanning die van universitaire medewerkers wordt verwacht in het onderwijs. de training in de beroepsvaardigheden. in totaal twee hoogleraren. een promovendus. naar het oordeel van de commissie een goede wens. De zelfstudie meldt dat de staf actief is in onderzoek van erkende kwaliteit.2. Zij dragen zorg voor de ontwikkeling en coördinatie van het onderwijs en worden in de bachelor. zoals staat vermeld in de zelfstudie. vijf uhd’s.

maar wel te doen is.en masteronderwijs de laatste jaren geslonken is. Aangezien de OUNL niet over een topbeoordeling op het gebied van onderzoek beschikt.1 fte (peildatum 1 december 005) voor ondersteuning. Studenten van de masteropleiding Psychological Research worden door een geaffilieerd lid van een onderzoeksschool in een meester-gezelrelatie begeleid. Om voldoende staf in te kunnen zetten. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Zij kunnen voor studenten een professioneel rolmodel vervullen. service en informatie. De faculteit beschikt over 36 fte voor de ontwikkeling van het onderwijs en begeleiding van de studenten. Ten aanzien van de masteropleiding Psychological Research is een deel van de commissie van mening dat. F13:­Kwantiteit­personeel Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. tentaminering en certificering en beheer en coördinatie van de studiecentra. zou een minderheid van de commissie dit facet als onvoldoende beoordelen. Een aantal docenten in studiecentra. Dit betreft onder meer de onderwijscoördinatoren en de audiovisuele en grafische medewerkers. Leden van de wetenschappelijke staf bevestigen dat zij bij een voltijdsaanstel98 QANU / Psychologie / OUNL . Daarbij is de commissie op basis van het bestudeerde studiemateriaal van oordeel dat in het onderwijsmateriaal voldoende wetenschappelijke en professionele rolmodellen worden gepresenteerd. Dit is exclusief de 4500 ‘losse’ cursussen. de opleiding over meerdere toponderzoekers moeten beschikken. In de zelfstudie wordt vermeld dat het budget voor het bachelor. Inclusief onderzoekstijd zou dat 1:7 zijn. betekent dit een staf-studentratio van 1:146. De faculteit beschikt zelf over 7. De masteropleiding Psychological Research wordt door de faculteit zelf betaald. Door de toevloed van scriptiestudenten die voor september 007 de ongedeelde opleiding willen voltooien is de draaglast en draagkracht volgens de opleidingen scheefgegroeid. terwijl het aantal studenten is gestegen. exclusief begeleiding van ‘losse cursus studenten’ en exclusief 0% onderzoekstijd. omdat de opleiding over voldoende geaffilieerde leden van een onderzoeksschool beschikt om de masterstudenten in de opleiding Psychological Research te begeleiden. Het normtraject gaat uit van een inspanning van zes modulen per jaar. Vanuit de OUNL wordt ondersteuning geboden bij onder meer voorlichting.deze wetenschappers met een onderzoekstaak. is een limiet gesteld aan het aantal studenten in de opleiding (maximaal tien). De commissie heeft in de gesprekken begrepen dat een voorstel voor uitbreiding van het formatieplan ten tijde van het visitatiebezoek bij het College van Bestuur ter tafel ligt. die veelal niet zijn gepromoveerd noch een onderzoekstaak hebben. Bij 586 opleidingstudenten. De ondersteuning is gedeeltelijk facultair en gedeeltelijk universitair geregeld. De meerderheid van de commissie vindt dat de opleiding wel voldoet aan de eisen die gelden voor dit facet. hebben een aanstelling in een professionele psychologische praktijk. Daarmee zou de staf-studentratio uitkomen op ongeveer 1:60. In gesprekken met delegaties kwam naar voren dat de werkdruk bij de staf zeer hoog. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. gezien de eindkwalificaties van de opleiding op het gebied van gevorderd onderzoek.

Docenten leren van elkaar doordat cursussen worden ontwikkeld in cursusteams en afstemming over competenties plaatsvindt in competentieteams. de uhd’s en de decaan hebben in 00 een training gevolgd in het voeren van functioneringsgesprekken. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Nieuwe docenten volgen een inwerkprogramma en krijgen een ervaren collega als mentor toegewezen. De faculteit heeft. Verder zijn zij getraind in het voeren van verzuimgesprekken en projectmanagement. Gestreefd wordt naar een evenredige opbouw van de staf naar leeftijd en geslacht. uit te voeren. Zij ondersteunt de wens tot uitbreiding van de omvang van de staf.ling gemiddeld een dag beschikbaar hebben voor onderzoek en de overige dagen besteden aan onderwijstaken. bijvoorbeeld op het gebied van ICT in het onderwijs en assessmenttechnieken bij tentamineren.en scholingsbeleid. Ze moeten hun tijd slim managen. Nieuwe personeelsleden worden onder andere geselecteerd op gepromoveerd zijn. De onderwijskundige en didactische kwaliteiten worden bewaakt en bevorderd door trainingen voor elk staflid. zoals zij uiteenzet in de zelfstudie.en alumni-enquête (005) noemt 9% van de studenten en alumni de staf QANU / Psychologie / OUNL 99 .en scholingsbeleid. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. F14:­Kwaliteit­personeel Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke. Deze zijn volgens de faculteit voldoende breed om het programma te realiseren. Hierin worden onder meer afspraken gemaakt over individuele ontwikkeling en wordt de onderzoekstijd verantwoord. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Jaarlijks wordt met alle medewerkers een functioneringsgesprek gehouden. onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma. Door de aard van het afstandsonderwijs waarbij de nadruk ligt op zelfstandig studeren in een eigen tempo. Voor scriptiebegeleiders is een coachings.en mediationprogramma opgezet om afstudeerstudenten beter te kunnen begeleiden en eventuele conflicten op te lossen. voor de masteropleiding Psychological Research een limiet aan het aantal studenten heeft gesteld. veranderd of toegevoegd. Hoogleraren. In de studenten. is de staf-studentratio niet goed vergelijkbaar met die van zusteropleidingen. een gericht personeels. Indien nodig worden taken ontnomen. De commissie acht deze acceptabel voor afstandsonderwijs. De commissie vindt het wijs dat de opleiding. Studiebegeleiders in de regio geven aan dat de werkdruk hoog is. inhoudelijke competenties in het vakgebied. personeels. gezien de huidige financiële situatie en werkdruk bij de staf. actief in onderzoek en competenties in het begeleiden en ontwikkelen van onderwijsmateriaal en deskundigheid op ICT-gebied. In de zelfstudie heeft de faculteit de specialisaties in het docententeam weergegeven. anders lukt het niet de onderwijstaken. In de zelfstudie geeft de faculteit een aantal uitgangspunten op het gebied van personeelsselectie. veelal in combinatie met een baan elders. Oordeel De commissie stelt vast dat de werkdruk bij het wetenschappelijk personeel en de docenten bij de studiecentra hoog is.

die betrokken is bij studiebegeleiding. Van de studenten geeft 95% een positief oordeel over de kwaliteit van de staf die betrokken is bij inhoudelijke en interpersoonlijke begeleiding in de scriptiefase (scriptie-enquête. 005). Er worden functioneringsgesprekken gehouden waarbij de didactische. De commissie concludeert dat de staf voor de bacheloropleiding en beide masteropleidingen voldoende gekwalificeerd is voor de realisatie van het programma. In Vlaanderen en Brussel bevinden zich nog zes studiecentra (gevestigd bij 100 QANU / Psychologie / OUNL .­ Voorzieningen F15:­Materiële­voorzieningen De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren. Er zijn diverse mogelijkheden voor bijscholing en hier wordt ook adequaat gebruik van gemaakt. 2. Doordat de stafleden veel verschillende taken hebben. Bij studiebegeleiders. Oordeel Het viel de commissie in de gesprekken met de delegaties op hoe gecommitteerd en enthousiast het docententeam over de opleidingen sprak. Deze studiebegeleiders hebben naast hun onderwijstaak. Zij noemen deze laagdrempelig en toegesneden op de vraag van studenten. vindt de commissie behoorlijk breed en toereikend voor de inhoudelijke uitvoering van het programma. Stafleden zijn over het algemeen generalisten. is veel enthousiasme voor onderwijs geconstateerd. Van studenten en alumni heeft de commissie in de gesprekken begrepen dat zij zeer tevreden zijn over de begeleiding van de docenten. onderwijskundige en indien van toepassing organisatorische kwaliteiten van de staf worden besproken. Daarnaast heeft de Open Universiteit Nederland twaalf studiecentra en drie provinciale steunpunten ingericht waar onderwijsfaciliteiten beschikbaar zijn. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.en scholingsbeleid is naar het oordeel van de commissie in orde. Het personeels. redelijk tot zeer goed. de masteropleiding Psychology en de masteropleiding Psychological Research luidt: voldoende. De commissie stelt vast dat de opleidingen beschikken over een jong team. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. is er naar het oordeel van de commissie ook veel betrokkenheid. veelal een link naar de praktijk van de psychologie. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Inzet van personeel’ voor de bacheloropleiding Psychologie. Er is relatief veel doorstroming onder het personeel. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Ook studenten en alumni zijn positief over de begeleiding van docenten.4.2. De lijst van deskundigheden van de staf die is opgenomen in de zelfstudie. dit zijn docenten bij de studiecentra in het land. Studenten aan de Open Universiteit Nederland studeren in principe thuis en krijgen alle daarvoor benodigde materialen thuisgestuurd.

en alumni-enquête (005) blijkt dat: • • • • bijna alle psychologiestudenten regelmatig gebruikmaken van Studienet en dit positief beoordelen. Ook scriptiepresentaties. 005) blijkt dat 89% van de studenten beschikt over een breedbandaansluiting en 3% over een inbelaansluiting. begeleidingsbijeenkomsten. Verder ontvangt elke inschrijver voor het Kennismakingstraject automatisch de cursus ‘Studeren met de muis’. voor gesprekken met studiebegeleiders en het ontmoeten van medestudenten. De opleidingen zijn eigenlijk alleen te volgen als studenten zelf beschikken over een computer en een breedbandinternetaansluiting. eindgesprekken met studenten en de uitreiking van diploma’s vinden hier plaats. ruim 80% van de studenten en alumni de inzet van computers bij de opleiding Psychologie voldoende vindt. De hoofdvestiging heeft een iets uitgebreidere bibliotheekcollectie. Via Studienet hebben studenten toegang tot de elektronische leeromgeving met het elektronisch leermateriaal en een persoonlijke ‘werkplek’. Elk studiecentrum beschikt over een kleine psychologische handbibliotheek. adviseert de faculteit Psychologie de studenten bij de Erasmus Universiteit Rotterdam een zogenaamd Erna-jaaraccount aan te maken.Vlaamse universitaire centra) die op min of meer gelijke wijze als de Nederlandse centra functioneren. Het virtuele lab maakt het mogelijk experimenteel onderzoek via een internetaansluiting te doen. Studenten kunnen ook gebruikmaken van de computers op de studiecentra. Hiervoor kunnen studenten terecht bij andere universiteitsbibliotheken. Bij de studiecentra en steunpunten kunnen studenten terecht voor het afnemen van tentamens. raadplegen van databases. Elektronische toegang tot wetenschappelijke tijdschriften via Studienet is alleen bij uitzondering mogelijk. De OUNL beschikt niet over tijdschriftabonnementen. Uit een enquête (SEIN-enquête. bijna 80% van de studenten (83% van de alumni) de bibliotheek op de studiecentra als redelijk tot zeer goed beoordeelt. een collectie cursusmaterialen. Enkele centra beschikken over grotere studieruimten en collegezalen. Om voor studenten literatuursearch mogelijk te maken. De faculteit beschikt over een onlangs ontwikkeld virtueel laboratorium voor onderzoek voor medewerkers en studenten. Voor studenten met weinig computerkennis worden in het Kennismakingstraject en op de studiecentra ICT-lessen georganiseerd. practica. In de zelfstudie meldt de faculteit dat de staf over verouderde digitale voorzieningen beschikt. Ook kunnen proefpersonen deelnemen in elk studiecentrum van de OUNL. Uit de studenten. Dit virtuele lab vervangt gangbare functies van klassieke psychologische laboratoria en is gekoppeld aan verplichte proefpersoonuren. een audiovisuele en computerruimte. ruim 90% van de studenten de computerfaciliteiten op de studiecentra redelijk tot zeer goed beoordelen. Zij kunnen zonder beperking gebruikmaken van alle Nederlandse en Vlaamse universiteitsbibliotheken voor het lenen van materiaal. Deze vallen organisatorisch niet onder de Open Universiteit Nederland. Zo heeft het netwerk bijvoorbeeld een zeer beperkte capaciteit en bezitten de pc’s geen dvdQANU / Psychologie / OUNL 101 . en een testkast psychodiagnostiek. In acht studiecentra en in de centrale vestiging in Heerlen is een Testotheek aanwezig. enzovoorts. een aantal belangrijke handboeken.

het cursusmateriaal en het positieve oordeel van de studenten. Zij geeft aan dat alle zeilen moeten worden bijgezet om te voorkomen dat studenten met kwalitatief minder goed materiaal worden geconfronteerd of dat het materiaal te laat wordt afgeleverd. Het uitgangspunt van hoger afstandsonderwijs is dat studenten zelfstandig hun studie kunnen doorlopen.en beide masteropleidingen goed zijn. die dikwijls ook de examinator van de cursus is. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Zij baseert dit oordeel vooral op de goede digitale infrastructuur. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. De commissie betreurt het dat dit nu niet het geval is. Op dit gebied is geen financiële reservering gemaakt. Uit de evaluaties en gesprekken met studenten blijkt dat studenten de materiële voorzieningen positief waarderen.speler. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed. Oordeel De commissie heeft in de hoofdvestiging een rondleiding langs de studievoorzieningen en de tentamenruimte gekregen. zoals bijvoorbeeld de Toolbox voor het leren van vaardigheden. Zij stelt vast dat de opleidingen een goede infrastructuur hebben om het afstandsonderwijs te verzorgen. Ook heeft zij een aantal voorbeelden gezien van digitaal cursusmateriaal en het virtuele lab. Ook de toegang tot (digitale) universiteitsbibliotheken en digitale artikelen via een voorziening van de Erasmus Universiteit Rotterdam vindt de commissie positief. De commissie constateert dat er een spanning bestaat tussen het centrale niveau van de OUNL en de faculteit ten aanzien van de voorzieningen. Dit draagt niet bij aan verbetering hiervan. De commissie acht het van essentieel belang dat voor een goede communicatie met studenten ook het personeel over goede voorzieningen beschikt. De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten sluiten aan bij de behoefte van studenten. De commissie is onder de indruk van de digitale leermiddelen die zij heeft gezien. voor alle inhoudelijke vragen en problemen telefonisch of per e-mail bij de cursusbegeleider terechtkan. 10 QANU / Psychologie / OUNL . De contactbijeenkomsten en practica in de studiecentra vormen daarbij een toereikende aanvulling op het cursusmateriaal. Zij is positief over de wijze waarop studenten onafhankelijk van tijd en plaats onderzoek kunnen uitvoeren via het virtuele lab en op die manier ook hun proefpersoonuren kunnen voldoen. De commissie concludeert dat de materiële voorzieningen voor de uitvoering van de onderwijsprogramma’s voor de bachelor. Standaardbegeleiding houdt in dat een student die een cursus bestudeert. Deze worden in de zelfstudie als volgt uiteengezet. Een student kan voor alle inhoudelijke vragen en problemen terecht bij een docent. Ook over de logistiek van bijvoorbeeld productie van cursusmateriaal is de faculteit ontevreden. De commissie vindt dat de opleidingen er goed in slagen ondanks de spreiding van studenten over heel het land (en buitenland) adequate voorzieningen te bieden. F16:­Studiebegeleiding De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten zijn adequaat met het oog op studievoortgang. Daarbij kunnen studenten gebruikmaken van verschillende vormen van studiebegeleiding.

Study Guidance System (waarmee automatisch docent en student berichten krijgen over studievertragingen en dergelijke). over Stumis Online (referentiegroepen. Van de studenten is 96% enigszins tot zeer tevreden over inhoudelijke begeleiding en 94% over de interpersoonlijke behandeling van de begeleiders. waar studenten just in time van informatie worden voorzien. Er bestaat voor elke cursus op Studienet een ‘FAQ’.Groepsbijeenkomsten (soms verplicht) en verplichte practica vinden plaats in de avonduren of op zaterdag in de studiecentra of regionale steunpunten. Studenten worden door middel van studietaken via het internet begeleid. Van de studenten die recent hun scriptie hebben afgerond. voldoende. Individuele begeleiding in de afstudeerfase: er is voorzien in specifieke intensieve individuele begeleiding bij het schrijven van theses. De Open Universiteit Nederland gaat over op Blackboard. Een meerderheid van de studenten en alumni is van mening dat de studiebegeleiding bij Psychologie redelijk tot zeer goed is. waar gerichte begeleiding c. Ruim 50% van de studenten en 33% van de alumni geven in de studenten en alumni-enquête (005) aan regelmatig tot altijd de studiebegeleidingsbijeenkomsten bij te wonen. bij stages en stageverslagen en scripties. Landelijke dagen: bij een aantal cursussen wordt een landelijke dag georganiseerd. SRS-web (waarmee studenten inzicht krijgen in hun studievorderingen en nog te voltooien studiepad. en dergelijke). Centrale voorzieningen: in 005 en 006 komen enkele centrale voorzieningen beschikbaar. Hieruit blijkt ook dat 37% van de studenten participeert in studiegroepen via Studienet en 60% niet. Docenten gaan onder andere beschikken over online toegang tot een Studiedossier (per student en geaggregeerd naar eigen keuze). Zo is er bijvoorbeeld een studiebegeleider. 9% zou tot vijf uren meer begeleiding gewenst hebben. de overige 18% wenste meer dan vijf uren extra begeleiding. Een aanzienlijk percentage (7% respectievelijk 39%) heeft geen gebruikgemaakt van facultatieve studiebegeleiding In de gesprekken met delegaties heeft de commissie gehoord dat het voor studenten niet altijd duidelijk is bij wie zij met welke vraag terechtkunnen.q. Hiervoor zijn al enkele componenten gereed: het studentenregistratiesysteem en een overkoepelende studieloopbaanbegeleidingsomgeving. QANU / Psychologie / OUNL 103 . Uit de scriptie-enquête (005) blijkt dat 84 tot 94% van de studenten positief oordeelt over het contact met begeleiders (telefonisch. Met OTEC wordt gewerkt aan een digitaal systeem. Studieloopbaanbegeleiding betreft op studievoortgang gerichte studieloopbaanbegeleiding (mentoraat). Afhankelijk van de cursus worden de bijeenkomsten in een of meer studiecentra georganiseerd. Digitale begeleiding: voor elke cursus is een digitale discussiegroep via Studienet beschikbaar waar studenten elkaar kunnen helpen. De faculteit vraagt zich af of Blackboard voor grootschalig afstandsonderwijs het meest geschikte platform is. face to face interactie met een docent in werkgroepen. vindt 73% het aantal uren begeleiding dat zij ontvangen hebben. Directe (face to face) begeleiding: In een aantal gevallen is er directe. via e-mail of face to face).en trendgegevens en kruisverbanden). instructie plaatsvindt. Op alle studiecentra en provinciale steunpunten is er een studiebegeleider die de rol van studieloopbaanbegeleider of coach vervult ten behoeve van psychologiestudenten die in het desbetreffende studiecentrum zijn ingeschreven.

dit systeem in een jaarlijks Facultair Kwaliteitsplan. maatregelen. Zij pleit daarom voor meer differentiatie in de vrijblijvendheid bij de studie. De hoofdstukken van het kwaliteitsplan volgen die van de zelfstudie zoals de QANU deze heeft geformuleerd. 104 QANU / Psychologie / OUNL . niet genoeg naar de voortgang van de studenten wordt gekeken. De commissie is positief over de begeleidingsrol die docenten binnen de bachelor. Zij die dat willen kunnen gebruikmaken van inhoudelijke studiebegeleiding van de docent via e-mail of telefoon. Oordeel In zijn algemeenheid is de commissie van mening dat het systeem van studiebegeleiding adequaat functioneert. Er is een studievoortgangsregistratiesysteem dat effectief studenten en docenten informeert en er zijn diverse vormen van studie(loop)baanbegeleiding waar de student afhankelijk van zijn of haar individuele behoefte gebruik van kan maken.5. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Zij heeft uit de gesprekken met delegaties begrepen dat er voor studenten niet altijd helder is wie het aanspreekpunt bij bepaalde zaken vormt.2.­ Interne­kwaliteitszorg Kwaliteitszorg wordt binnen de OUNL en binnen de Faculteit Psychologie gezien als een continue activiteit. controle op de effecten van de maatregelen en borging hiervan. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. 2. In 005-006 implementeert de OUNL-stuurgroep Kwaliteitszorg. Dit kwaliteitsplan bevat de sterke en zwakke punten. de masteropleiding Psychology en de masteropleiding Psychological Research luidt: voldoende. voorstellen dat sommige studenten graag een wat grotere stok achter de deur wensen dan nu het geval is.en masteropleidingen vervullen. Als startpunt wordt de meest recente zelfstudie gebruikt en na zes jaar dient dit plan als basis voor de nieuwe zelfstudie. De opleidingen zouden studenten bijvoorbeeld bij aanvang van de studie kunnen vragen of meer proactieve begeleiding of monitoring met het oog op verbetering van de studievoortgang. studieloopbaanbegeleiding via de studiebegeleider van het studiecentrum of individuele begeleiding in de afstudeerfase van de bacheloropleiding Psychologie en masteropleiding Psychology en gedurende de gehele masteropleiding Psychological Research. vanuit de opleiding gewenst is. gebaseerd op de Plan-Do-Check-Act-cyclus. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Voorzieningen’ voor de bacheloropleiding Psychologie. mede op basis van de gesprekken met studenten. ondanks het systeem van studievoortgangsregistratie.een studieadviseur en een onderwijscoördinator waarvan de verantwoordelijkheden voor de studenten niet altijd even helder zijn. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Voorts heeft de commissie de indruk dat er. De commissie stelt vast dat de vraag van studenten naar begeleiding zeer gedifferentieerd is. Zij kan zich. onder regie van de decaan van Psychologie.

Vanaf medio 005 is de veldtoetsing aangevuld met een systeem van permanente cursusevaluatie. Bij de ontwikkeling van een cursus wordt via een proeftoetsing onder studenten getoetst of de cursus aan de doelstelling voldoet. De commissie vindt de kwaliteitszorg in dit voortraject voortreffelijk. Gemeten wordt in hoeverre de cursus voldoet aan zijn oorspronkelijke doelstellingen. en een schema van prioriteiten in termen van de verschillende QANU-facetten. Oordeel De commissie stelt vast dat de opleidingen werken met een systeem van periodieke evaluaties van modulen. De commissie heeft enkele brede enquêtes ingezien. In het eerste jaar dat het onderwijsmateriaal op de markt is. De faculteit werkt het systeem verder uit langs twee wegen: een ‘kwaliteitsagenda’ waarin de regelmatig terugkerende activiteiten vastliggen.De faculteit Psychologie ziet deze werkwijze als een bijzonder waardevol element in de systematische en cyclische aanpak van de interne kwaliteitszorg. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. studentenenquête en scriptie-enquête. veel nadruk op de kwaliteitsbewaking bij de ontwikkeling van de cursussen. F17:­Evaluatie­resultaten De opleiding wordt periodiek geëvalueerd. Zij waardeert het positief dat de cursusonderdelen nu ook systematisch periodiek gevolgd worden. Hiervoor zijn streefdoelen in termen van studeerbaarheid geformuleerd. Docenten houden de inhoud van deze discussies in het oog en passen zo nodig de cursus of begeleiding aan. doorlopend de kwaliteit van cursussen gemeten. Per vraag wordt vooraf vastgelegd welke ondergrens minstens moet worden bereikt. en is van oordeel dat dit uitvoerige. zoals de scriptie-enquête. tevredenheid en moeilijkheid gehanteerd. elektronisch verspreide vragenlijsten en elektronisch geregistreerde antwoorden. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed. Via het instrument SEIN (signalerend evaluatie instrument) wordt met behulp van op de cursus toegesneden. zoals staat omschreven in de zelfstudie. Periodiek benadert de faculteit studenten en alumni over diverse kwaliteitsaspecten. Daarnaast is de kwaliteitszorg verankerd in de ontwikkeling van de cursus (proeftoets) en eerste jaar van aanbod van de cursus (proeftoets). Voor de veldtoets worden streefdoelen met betrekking tot de studieduur. Voor deze enquêtes hanteert de faculteit het streefdoel dat op zijn minst 75% van de studenten neutraal. vindt een veldtoetsing plaats indien de proeftoets daartoe aanleiding geeft. bijvoorbeeld in de alumni-enquête. Voor alle vragenlijsten en toetsingen geldt dat adequate streefcijfers zijn opgesteld. mede aan de hand van toetsbare streefdoelen. Zo zijn evaluaties van externe referenten en onderwijskundigen richtinggevend bij de inhoudelijke en onderwijskundige aanpassing. QANU / Psychologie / OUNL 105 . De discussiegroepen in Studienet vormen een andere bron van informatie over de onderwijsonderdelen. De faculteit Psychologie legt. zeer nauwkeurige enquêtes zijn. of zeer positief oordeelt. positief.

Zij bespreekt de resultaten van de proeftoetsingen. Op basis hiervan stelt zij vast welke verbetermaatregelen nodig zijn en wijst een uhd aan om toe te zien op uitvoering hiervan. De faculteit kent een wettelijke Facultaire opleidingscommissie (FOC) met als taak advies uit te brengen over de Onderwijs. De faculteit heeft naar aanleiding van de aanbevelingen bijvoorbeeld het gezondheidspsychologisch programma versterkt door in het programma de cursussen ‘Gezondheidspsychologische interventies’ en ‘Inleiding in de seksuologie’ te reviseren met meer aandacht voor de klinische thema’s en twee nieuwe cursussen aan te bieden: ‘Klinische psychologie 3: de ambulante praktijk’. zitting hebben.en projectencommissie de stukken digitaal voor commentaar. De vorige visitatiecommissie raadde aan meer aandacht te besteden aan het oefenen van experimenteel-psychologische vaardigheden. Evaluatie van kwaliteitsgegevens vindt op het concrete werkniveau plaats in de Curriculum. onder voorzitterschap van de decaan. Alle drie de opleidingen ressorteren onder één commissie. Deze commissie komt minimaal eenmaal per maand bijeen. In de zelfstudie noemt de opleiding een aantal voorbeelden van verbeteracties. In de zelfstudie geeft de opleiding een overzicht van de maatregelen die naar aanleiding van de vorige visitatiecommissie zijn genomen. Dit heeft de opleiding opgepakt door onder meer de ontwikkeling van het onderzoekspracticum ‘Onderzoekspracticum inleiding psychologisch experiment’. Een ander voorbeeld betreft dat naar aanleiding van de evaluatie van het Onderzoekspracticum literatuurstudie een samenvatting van de APAnormen is gemaakt en toegevoegd aan de cursus. Het afstudeeronderzoek is daarop gesplitst in twee delen: het scriptieplan en de scriptie zelf.en projectencommissie waarin hoogleraren en uhd’s. en ‘Patiëntenvoorlichting en chronische ziekten’. maar dat de verwerking van de bijdragen van de FOC voor de leden niet altijd even helder is. Cursusevaluaties worden niet besproken in de FOC. veldtoetsingen. Ook stelde de vorige visitatiecommissie voor om meer aandacht te geven aan het verwerven van een wetenschappelijke attitude. Uit de gesprekken met de delegaties heeft de commissie begrepen dat er adequaat geluisterd wordt naar de ideeën uit de FOC. het (jaarlijks) beoordelen van de uitvoering van die regeling en gevraagd of ongevraagd advies geven over het onderwijs. Wel begreep de commissie dat met de invoering van SEIN hier mogelijkerwijs verandering in wordt gebracht.en methodenonderwijs op basis van evaluatiegegevens van studenten en docenten en onderwijskundige en didactische inzichten van de staf. SEIN-evaluaties. en meer omvangrijke enquêtes.en examenregeling (OER) van de opleidingen. De FOC ontvangt een week voor de vergadering van de Curriculum. Zo bleek bijvoorbeeld uit evaluatieresultaten dat scriptiestudenten moeite hadden met het opzetten van een realistisch plan voor het afstudeeronderzoek. Oordeel De systematische evaluaties van cursussen en het cyclische systeem van kwaliteitszorg maken volgens de commissie dat uitkomsten van evaluaties daadwerkelijk leiden tot verbetervoor106 QANU / Psychologie / OUNL . Dit punt is uitgewerkt in de doelstellingen en eindkwalificaties en de realisatie hiervan in het programma (zie F1 en F5).F18:­Maatregelen­tot­verbetering De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan realisatie van de streefdoelen. Een eerder genoemd voorbeeld (zie F4) betreft de grondige verandering van het statistiek.

­alumni­en­beroepenveld Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het karakter van afstandsonderwijs. Medewerkers zijn verder enthousiast en op diverse wijzen betrokken bij de kwaliteitszorg. In de zelfstudie geeft de faculteit aan welke onderwerpen in het jaar 005 onder andere aan de orde zijn geweest. Jaarlijks bezoekt de decaan een aantal van deze studieverenigingen waarbij een lezing wordt gecombineerd met een gedachtewisseling over kwaliteit van de opleiding. de scriptie. In de praktijk blijkt het lastig om student-leden voor de FOC te vinden. De zittingstermijn van de leden is twee jaar. Het valt de commissie op dat SEIN-evaluaties en overige enquêtes niet expliciet in de FOC worden besproken. De Facultaire opleidingscommissie (FOC) bestaat reglementair uit drie studenten (thans vijf studenten om voldoende aanwezigheid te garanderen) en drie stafleden aangevuld met de onderwijscoördinator als ambtelijk secretaris. De faculteit geeft in de zelfstudie aan dat de FOC uit gemotiveerde. Het beroepenveld is. De projectencommissie speelt naar het oordeel van de visitatiecommissie de meest prominente rol bij het treffen van verbetermaatregelen. Oordeel De visitatiecommissie stelt vast dat de opleidingen over een adequaat werkende facultaire opleidingscommissie (FOC) beschikken. De studiecentra in het land kennen studieverenigingen. De commissie waardeert het positief dat alumni structureel bij QANU / Psychologie / OUNL 107 . de opleiding als geheel. de accreditatie 006. het langetermijnbeleid van de faculteit. Medewerkers zijn verder via diverse gremia betrokken bij de kwaliteitszorg. kritische en betrokken studenten bestaat. en nieuwe projecten. F19:­Betrekken­van­medewerkers. (nog) niet structureel bij de kwaliteitszorg betrokken. onder andere via de projecten. alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken.stellen. studenten. het jaarlijkse faculteitsoverleg met alle docenten. het concept OER 006-007. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Alumni kunnen lid worden van een alumnivereniging. zoals in de zelfstudie staat vermeld. De commissie waardeert het positief dat binnen de faculteit permanente maatregelen tot verbetering worden genomen. Wel worden alle stageadressen ten minste eenmaal bezocht en wordt dan de kwaliteit van de opleiding ter sprake gebracht.en curriculumcommissie. Ook is de commissie van mening dat de opleidingen adequaat hebben gereageerd op de uitkomsten van de vorige visitatiecommissie. en de relatie opleiding en beroep. De FOC komt vier keer per jaar bijeen. studenten. De taken van de facultaire opleidingscommissie vindt de commissie mager ingevuld. raadt de commissie aan om ook een rapportage hiervan in de FOC te bespreken.en stagecommissie en de facultaire toetsingscommissie. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Aangezien dit de enige commissie is waarin studenten zitting hebben. Dit betrof het concept en de evaluatie OER 005-006. Een paar aanbevelingen van destijds blijven echter ook nu nog van kracht (zie bijvoorbeeld F1). Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De commissie heeft hiervan een aantal concrete voorbeelden gezien die op basis van evaluaties tot stand zijn gekomen. Individueel of via een enquête wordt alumni gevraagd informatie te geven over zaken als de erkenning van diploma’s op de arbeidsmarkt.

Het contact met het afnemend beroepenveld vindt (nog) op informele wijze plaats. De opleiding volgt de discussiegroepen van deze onderzoekspractica. Bachelor De eindopdracht van de bacheloropleiding bestaat uit twee delen: het Onderzoekspracticum psychologische experimenten en het Onderzoekspracticum psychologische surveys.3 (N = 110) is. Deze hebben. Analyse van de reacties laat geen knelpunten zien. te actualiseren en uit te breiden.6 studiepunten) ligt de nadruk op designs. De stage heeft tot doel de student kennis. De kwaliteit van deze onderzoekspractica wordt bewaakt door de examinator van het onderdeel die de begeleiders coördineert en zorgdraagt voor onderlinge afstemming.6 studiepunten) ligt de nadruk op dataverzameling. Bij het Onderzoekspracticum psychologische experimenten (8. Elke opdracht wordt door twee beoordelaars beoordeeld.6.8 studiepunten). Dit laatste onderdeel is opgedeeld in een onderzoekspracticum scriptieplan (8. de daarbij behorende statistiek en de ethische aspecten. oriëntatie en domeinspecifieke eisen.2. Master Psychology De eindfase van de masteropleiding Psychology bestaat uit een stage (17. 2. tot doel de eerder opgedane kennis en ervaring op het gebied van methoden en technieken en statistiek te integreren. In de zelfstudie geeft de opleiding aan dat het gemiddelde cijfer in 005 voor het onderdeel Experimenten 6. de masteropleiding Psychology en de masteropleiding Psychological Research luidt: voldoende. studiepunten). 108 QANU / Psychologie / OUNL .de kwaliteitszorg worden betrokken. studiepunten) en een empirisch afstudeeronderzoek (5.6 studiepunten) en de feitelijke uitvoering van het empirisch afstudeeronderzoek (17. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.7 (N = 34) en voor Surveys 7. Bij het Onderzoekspracticum psychologische surveys (8. Er zijn richtlijnen voor de omvang en het APA-format en er wordt gebruikgemaakt van standaardbeoordelingsformulieren. zoals de opleiding aangeeft in de zelfstudie.­ Resultaten F20:­Gerealiseerd­niveau De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau. Zie voor de examenregeling en het toetsbeleid F11. onder meer via de alumni-enquête. data-analyse en verslaglegging. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Interne kwaliteitszorg’ voor de bacheloropleiding Psychologie. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.

Master Psychological Research De masteropleiding Psychological Research is in september 003 van start gegaan en de eerste student is in 004 begonnen.8). De opleiding heeft de 5 meest recente afstudeeropdrachten geanalyseerd. De opleiding geeft aan dat de stage een bijdrage moet leveren aan de integratie van theorie en praktijk. oordelen op een zespuntsschaal dat zij zichzelf bekwaam vinden in het formuleren van een probleemstelling (gemiddeld 4. in totaal zestien eindwerkstukken opgevraagd en bestudeerd. een onderzoeksstage of een praktijk(inter ventie)stage. opleiding en stageverlenende instelling wordt getekend. Ten tijde van het schrijven van de zelfstudie hebben drie studenten hun research proposal gereed en zijn bezig met de verschillende studies. Het empirisch afstudeeronderzoek is volgens de opleiding de belangrijkste test waarmee de student toont dat de gerealiseerde eindkwalificaties overeenkomen met de nagestreefde. Er is een standaard stagecontract dat door de studenten. De selectie betrof een aantal laag. en de bewaking van de kwaliteit van de websites.) niet afwijkt van het gemiddelde eindcijfer (7. Oordeel De commissie heeft uit de lijsten van 5 meest recente bacheloreindwerkstukken (eindopdrachten Psychologische experimenten en Psychologische surveys) en 5 meest recente afstudeeropdrachten van de master-/doctoraalopleiding.9). Deze punten worden in de zelfstudie punten van aandacht genoemd.ervaring en vaardigheden te laten opdoen met het werk en de taak van een psycholoog in een praktijksituatie. De stage vindt in principe plaats onder supervisie van een academisch gekwalificeerde psycholoog.en QANU / Psychologie / OUNL 109 . Over het gebruik van het elektronisch persoonlijk dossier en het samenwerken met een andere student wordt minder positief geoordeeld. De kwaliteit van de eindfase wordt bewaakt door de Scriptie. de procedure. het aanreiken van onderzoeksthema’s. aan het bijeenbrengen van de verschillende competentielijnen. De student kan kiezen voor een diagnostiekstage.6). het schrijven van een wetenschappelijk verslag (gemiddeld 4. Evenals bij de bacheloropleiding zijn er richtlijnen voor de omvang en het APA-format voor stage en scriptie en wordt gebruikgemaakt van standaard beoordelingsformulieren. de begeleiding en de aansluiting bij de voorkennis.3) en het kiezen van een juiste methode (gemiddeld 4. het cursusmateriaal. Studenten die de scriptie hebben afgerond. uit te voeren en te rapporteren (mondeling en schriftelijk). Hieruit blijkt onder meer dat het gemiddelde eindcijfer van de 5 meest recente afstudeeropdrachten (7. en aan het leren omgaan met ethische kwesties. De scriptie en stage worden door twee beoordelaars beoordeeld.en stagecommissie. het statistisch analyseren van gegevens (gemiddeld 4. Hieruit blijkt onder meer dat studenten positief oordelen over de voorlichting over het scriptieplan. aan de ontwikkeling van een professionele identiteit. de coördinatie van de bijeenkomsten waarop studenten het onderzoek presenteren. De individueel ingevulde beoordelingsprotocollen van beide onderzoekspractica van de bacheloropleiding en van de afstudeeropdracht van de master/doctoraalfase heeft de commissie hierbij ingezien.) van de 83 afstudeeropdrachten van het jaar 005. gemiddeld en hoog beoordeelde eindwerkstukken en een afspiegeling van de richtingen Gezondheidspsychologie en Arbeids. Er zijn nog geen afgestudeerden. De student dient in staat te zijn om zelfstandig een wetenschappelijk onderzoek op te zetten. In de scriptie-enquête (005) heeft de opleiding over een groot aantal aspecten van de scriptie de mening van studenten gevraagd. Deze buigt zich over de kwaliteit van de handleidingen.

verwacht zij dat het eindniveau van de masteropleiding Psychological Research eveneens voldoende zal zijn. In de vorige onderwijsvisitatie (001) werd geconstateerd dat het bepalen van het onderwijsrendement een complex probleem is voor de OUNL. De commissie is op basis van de bestudeerde afstudeerwerken van oordeel dat de opleiding de afstudeerwerken bijzonder goed becijferd heeft. Uit deze e-mailcorrespondentie blijkt. De voorzitter heeft deze mening ter kennis gebracht van de decaan. Dit zou ertoe leiden dat docenten soms zelf voor deze studenten scriptiewerkzaamheden uitvoeren. vanwege de recente start. Hieronder bevond zich ook één onvoldoende. Zoals bij F1 aangegeven. waarbij studenten in het afstudeeronderzoek betekenisvolle conclusies moeten kunnen trekken. De commissie werd er door een docent op gewezen. F21:­Onderwijsrendement­ Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.en masteropleiding Psychologie in ogenschouw nemende. Het programma van de opleiding Psychological Research en de ervaringen met de ongedeelde opleiding en de bachelor. Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers. De commissie stelt vast dat zij de beoordeling van het eindniveau van de masteropleiding Psychological Research. Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Zij is van mening dat een opleiding steeds moet streven naar haalbare onderzoeksstudies. In dat geval wordt het betreffende werkstuk overgedaan. Naar het oordeel van deze leden dient een dergelijke e-mailcorrespondentie te worden afgekeurd en behoren docenten hiertegen door de leiding te worden beschermd. De resultaten van zowel de bacheloreindwerkstukken als de afstudeerwerken van de master/het doctoraal komen naar het oordeel van de commissie adequaat overeen met de beoogde eindkwalificaties. Gezien de bijzondere instroom zijn de 110 QANU / Psychologie / OUNL . Een e-mailcorrespondentie werd als illustratie bijgevoegd. De opleiding heeft bij ieder afstudeerwerk op basis van het beoordelingsformulier de student uitgebreide en adequate feedback gegeven. dat er een probleem is met het afstuderen van zeer zwakke studenten. Alumni met wie de commissie heeft gesproken noemen de opleiding allen erg zinvol voor de functie die ze na de opleiding uitoefenen. De commissie stelt vast dat de onderzoeksopzet en -methode in een paar eindwerkstukken niet haalbaar bleek. dat de docent op een onheuse manier onder druk werd gezet door een student. De commissie heeft deze correspondentie vertrouwelijk behandeld door slechts enkele leden van de commissie bij de beoordeling te betrekken. Uit gesprekken met alumni bleek dat afgestudeerden zich goed weten te positioneren op de arbeidsmarkt.Organisatiepyschologie. Daarbij werd door de decaan gesteld dat inmiddels passende maatregelen waren genomen. De commissie is hiervan onder de indruk. streeft de opleiding het eindniveau van een eerste aio-jaar na. nog niet op concrete eindproducten kan baseren. De commissie vindt dat de opleiding er in dit kader waakzaam voor moet zijn dat hiervan geen precedentwerking uit gaat dat hiermee – onbedoeld – onbetaalde promovendi worden gefaciliteerd.

Dit onderdeel vervult. De gemiddelde studieduur bij de alumni Psychologie van de Open Universiteit Nederland was acht jaar en gemiddeld rondden studenten 5. De opleiding geeft aan dat het rendement van de cursussen (na herkansing en na het Kennismakingstraject/Inleiding in de psychologie) circa 70% is.8%. Een vergelijking met de landelijke cijfers van de vorige visitatie. Bachelor Streefcijfer voor het aantal bachelordiploma’s voor de Open Universiteit Nederland in haar geheel was voor 005 (afspraak met ministerie van Onderwijs) vijftig.. De rendementscijfers van de opleidingsstudenten (dit zijn studenten die het Kennismakingstraject/ Inleiding in de Psychologie hebben afgerond) betreffen voor het eerste jaar van de bacheloropleiding 1.7% na vier jaar en 17. Na 4. Dit is ruim boven het streefcijfer.5 jaar. een selecterende functie. Bij een streefcijfer voor de faculteit van 30% van de totale instroom zou de faculteit circa negentig diploma’s per jaar moeten opleveren. gegeven de deeltijdvariant. Bij de vorige visitatie betrof de gemiddelde studieduur 5. Volgens de opleiding is daarmee onder de studiestakers na de propedeuse potentieel nog een aantal studenten dat feitelijk zijn propedeuse heeft voltooid. zoals gezegd. betekent dat een streefcijfer van vijftien bachelordiploma’s per jaar (30% van vijftig bachelordiploma’s). Opleidingsstudenten nemen gemiddeld drie modulen per jaar af. Het grootste deel van de studenten (63%) volgt het programma zonder vrijstellingen.streefcijfers en het gerealiseerde onderwijsrendement niet vergelijkbaar met zusterinstellingen. Master Psychology Streefcijfer voor het aantal diploma’s van de doctoraal-/masteropleiding voor de Open Universiteit Nederland in haar geheel was voor 005 (afspraak met ministerie van Onderwijs) driehonderd. De opleiding merkt op dat studenten van de Open Universiteit Nederland op hun eigen verzoek een propedeusegetuigschrift ontvangen.of bachelordiploma in zicht is.4 jaar blijkt het eerstejaars bachelorrendement van deze groep 10. De Faculteit Psychologie heeft ruwweg 30% van de instroom van de Open Universiteit Nederland als geheel. Het rendement van het Kennismakingstraject is circa 30%. Veel studenten vragen dat niet aan of pas aan als een doctoraal. Het streefcijfer voor de eerste 60 studiepunten van de bacheloropleiding is een rendement van 15%. Dat betekent dat een gemiddelde opleidingsstudent de propedeuse na 4.9% na vijf jaar.6 modulen per jaar af. Uit de Studentenen alumni-enquête (005) blijkt dat de geënquêteerde studenten tot dat moment gemiddeld QANU / Psychologie / OUNL 111 . De faculteit Psychologie heeft naar aanleiding hiervan een nieuwe methode ontwikkeld om inzicht te krijgen in het onderwijsrendement en heeft deze getoetst in de propedeuse. leert dat studenten van de OUNL qua studieduur niet minder presteren dan studenten van reguliere universiteiten. De faculteit is tevreden als dat percentage in vijf jaar wordt gehaald. De resultaten hiervan zijn hieronder opgenomen.of masterdiploma. Bij een streefcijfer voor de faculteit van 30% van de totale instroom. In de analyse van de rendementsgegevens van de propedeuse maakt de opleiding een onderscheid in studenten met en zonder vrijstellingen. In 005 behaalden 96 studenten het doctoraal. Voor de vergelijkbare groep met vrijstellingen ligt het percentage op 16. In 005 behaalden 1 psychologiestudenten het bachelordiploma.7 jaar zal hebben behaald. De Open Universiteit Nederland maakt in 006 een begin met het attenderen van studenten op het materieel behaald hebben van de propedeuse/eerste bachelorjaar.

Het is de commissie. maar houdt haar oordeel.­ Master Psychological Research: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. toetsbare streefcijfers heeft voor het aantal te behalen diploma’s per jaar. Master Psychological Research De masteropleiding Psychological Research heeft ten tijde van het visitatiebezoek nog geen afgestudeerden. gezien de ervaring met de masteropleiding Psychology. De opleiding ziet dit als aanwijzing dat het studietempo van de psychologiestudenten van de Open Universiteit Nederland – het deeltijdkarakter in aanmerking genomen – mogelijk iets hoger ligt dan dat van de andere universiteiten. de masteropleiding Psychology en de masteropleiding Psychological Research luidt: voldoende. Oordeel De commissie stelt vast dat de opleidingen op basis van de afspraken van de OUNL met het ministerie van Onderwijs. Ook het verloop van de studieduur van verschillende groepen studenten kan naar het oordeel van de commissie inzichtelijker in kaart worden gebracht. de studeerbaarheid van het programma. de gemotiveerde studenten en de individuele begeleiding. nog onvoldoende helder wat de opleiding nastreeft rondom de studieduur van studenten. geen probleem vormt. bijvoorbeeld uitgesplitst naar type instroom. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. ondanks de proef met de analyse van de studierendementen van het eerste bachelorjaar. Studenten studeren gemiddeld iets sneller dan deeltijdcollega’s bij reguliere universiteiten. De bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychologie halen deze streefcijfers ook. 11 QANU / Psychologie / OUNL . Bij de masteropleiding Psychological Research zijn sinds de start van de eerste student in 004 nog geen studenten afgestudeerd. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.. De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat het studietempo vrij fors is en de studenten gemotiveerd zijn.6 modulen per jaar afrondden.3 modulen bij de Open Universiteit Nederland hebben afgerond en 4. gegeven de deeltijdvariant waarvoor studenten kiezen. In die zin oordeelt de commissie dat het onderwijsrendement voldoet aan de streefcijfers. De commissie zou dit goed kunnen noemen. De commissie heeft op basis van de analyses in de zelfstudie de indruk dat het onderwijsrendement van de masteropleiding. dat het onderwijsrendement voldoende zal zijn. De commissie verwacht. op voldoende. gezien de recente start van de opleiding en de nog weinig beschikbare gegevens. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Resultaten’ voor de bacheloropleiding Psychologie.

Domeinspecifieke eisen . Kwaliteit personeel 15. Programma Oordeel Voldoende Voldoende Facet­ 1. Betrokkenheid van medewerkers. Afstemming vormgeving en inhoud 11. Duur 10. QANU / Psychologie / OUNL 113 . alumni en beroepenveld 0. Beoordeling en toetsing 1. Eisen wo 5. Gerealiseerd niveau 1. Resultaten Voldoende Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. studenten. Instroom 9. Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit.Samenvatting­oordelen­Open­Universiteit­Nederland Bacheloropleiding­Psychologie:­ Onderwerp 1. Inzet van personeel 4. Interne kwaliteitszorg Voldoende 6. Eisen wo 13. Oriëntatie 4. Samenhang programma 7. is de conclusie dat het totaaloordeel over de bacheloropleiding Psychologie voldoende is. Niveau 3. Maatregelen tot verbetering 19. Relatie doelstellingen en programma 6. Kwantiteit personeel 14. Evaluatie resultaten 18. Voorzieningen Voldoende Voldoende 5. Studielast 8. Materiële voorzieningen 16. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende 3. Studiebegeleiding 17. Doelstellingen van de opleiding .

Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Eisen wo 5. Kwantiteit personeel 14.Masteropleiding­Psychology:­ Onderwerp Oordeel 1. Gerealiseerd niveau 1. Maatregelen tot verbetering 19. Programma Voldoende Facet­ 1. Kwaliteit personeel 15. Beoordeling en toetsing 1. Evaluatie resultaten 18. Studielast 8. Instroom 9. Betrokkenheid van medewerkers. 114 QANU / Psychologie / OUNL . Afstemming vormgeving en inhoud 11. Voorzieningen Voldoende Voldoende 5. Interne kwaliteitszorg Voldoende 6. Eisen wo 13. Duur 10. studenten. alumni en beroepenveld 0. Doelstellingen van de Voldoende opleiding . Materiële voorzieningen 16. Oriëntatie 4. Niveau 3. Onderwijsrendement Oordeel Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende 3. Inzet van personeel 4. Resultaten Voldoende Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. is de conclusie dat het totaaloordeel over de masteropleiding Psychology voldoende is. Studiebegeleiding 17. Samenhang programma 7. Relatie doelstellingen en programma 6. Domeinspecifieke eisen .

Kwaliteit personeel 15. Resultaten Voldoende Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Studielast 8. Materiële voorzieningen 16. Relatie doelstellingen en programma 6. Eisen wo 5. Kwantiteit personeel 14. Maatregelen tot verbetering 19. Duur 10. Oriëntatie 4. Inzet van personeel 4. is de conclusie dat het totaaloordeel over de masteropleiding Psychological Research voldoende is. Programma Oordeel Voldoende Voldoende Facet­ 1. Onderwijsrendement Oordeel Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Onvoldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende 3. studenten. Afstemming vormgeving en inhoud 11. Samenhang programma 7. Betrokkenheid van medewerkers.Masteropleiding­Psychological­Research:­ Onderwerp 1. Beoordeling en toetsing 1. Eisen wo 13. Domeinspecifieke eisen . Instroom 9. Niveau 3. Doelstellingen van de opleiding . Studiebegeleiding 17. alumni en beroepenveld 0. Interne kwaliteitszorg Voldoende Voldoende Voldoende 6. Evaluatie resultaten 18. QANU / Psychologie / OUNL 115 . Gerealiseerd niveau 1. Voorzieningen 5.

ontwerpen van de interventie. interculturele psychologie en sociologie. data verzamelen en statistisch analyseren. geschiedenis van de psychologie. vraagstelling en hypothesen formuleren. . persoonlijkheidsleer en klinische psychologie met inbegrip van psychopathologie). inzicht te hebben in de psychologische basisstof (biologische psychologie. 3. de evolutionaire en genetische aspecten waar van belang voor gedrag en ervaring. determinantenanalyse. een overzicht te hebben van de verschillende domeinen waar psychologen werken en waar psychologische kennis relevant is. resultaten interpreteren. vooral in het gekozen specialisatiedomein. diagnostische technieken en interventiestrategieën in de relevante toepassingsgebieden. 4. daarbij inbegrepen de neurocognitie. effectevaluatie en procesevaluatie. een wetenschappelijke attitude te hebben verworven. onder begeleiding op systematische wijze te kunnen interveniëren ten aanzien van enkele problemen op relevante gebieden volgens de interventiecyclus: probleemanalyse. 10. inzicht te hebben in de beroepsethische regels voor psychologen en daarnaar kunnen handelen in relevante (onderwijs)situaties. grondig inzicht hebben in de biologische psychologie en functieleer (daarbij inbegrepen de neurocognitie. zodat een keuze kan worden gemaakt voor de latere specialisatie. de fysiologie. gebaseerd op literatuuronderzoek en/of analyse van een praktijkprobleem. een overzicht hebben van de verschillende domeinen waar psychologen werken en waar psychologische kennis relevant is. 5. dient hij of zij: 1. inzicht en vaardigheden te hebben in de systematiek die nodig is om een individueel-psychologische diagnose te kunnen stellen (als voorbereiding op de BAPD in de masterfase). de evolutionaire en genetische aspecten waar van belang voor gedrag en ervaring). diagnosestelling. zelfstandig wetenschappelijk psychologisch onderzoek kunnen uitvoeren (probleem ver116 QANU / Psychologie / OUNL .en organisatiepsychologie en onderwijs. nieuwe problemen te kunnen signaleren en daarbij een plan van aanpak te kunnen genereren. 5. persoonlijkheidsleer en klinische psychologie met inbegrip van psychopathologie. gedragsanalyse. 6. functieleer en cognitieve psychologie.Bijlage­1:­­ Eindkwalificaties­ bacheloropleiding­ Psychologie. diagnostische technieken en interventiestrategieën in de toepassingsgebieden geestelijke gezondheidszorg.­ masteropleiding­ Psychology­ en­ masteropleiding­ Psychological­ Research­ van­ de­ Open­ Universiteit­ Nederland Nadat een student de bacheloropleiding Psychologie heeft afgerond. De afgestudeerde master Psychology moet: 1. onder toezicht een eenvoudig wetenschappelijk psychologisch onderzoek te kunnen uitvoeren (probleem verhelderen. sociale psychologie. over kennis te beschikken van theoretische modellen. zelfstandig rapportages te kunnen samenstellen en presenteren. . gebruik weten te maken van recente inzichten uit de wetenschapsfilosofie. 7. geschiedenis van de psychologie. 9. 3. 8. de fysiologie. ontwikkelingspsychologie. gebruik weten te maken van recente inzichten uit de wetenschapsfilosofie. 4. de ontwikkelingspsychologie.en ontwikkelingspsychologie. arbeids. over grondige kennis beschikken van de theoretische modellen. ontwerp en methoden opstellen. 11. implementatie. (inter)culturele psychologie en sociologie zodat de psychologie in relatie tot deze aspecten kan worden geplaatst. bediscussiëren en hierover communiceren) om te kunnen voldoen aan het ingangsniveau van de (‘doorstroom-‘) masteropleidingen Psychologie in Nederland. sociale psychologie.

7. QANU / Psychologie / OUNL 117 . helderen. 8. een studie zelfstandig kunnen uitvoeren (met daarbinnen kwantitatief en/of kwalitatief onderzoek) en daarvan wetenschappelijk verslag te doen in een onderzoeksrapport. zelfstandig nieuwe problemen kunnen signaleren en daarbij een plan van aanpak kunnen genereren in het gekozen specialisatiedomein. onderzoeksresultaten wetenschappelijk en vakgericht kunnen rapporteren. een wetenschappelijk onderzoeksvoorstel kunnen opstellen met daarin de maatschappelijke. vraagstelling en hypothesen formuleren. bediscussiëren en hierover communiceren). zelfstandig een individueel psychologische diagnose kunnen stellen en hierover kunnen rapporteren en adviseren. blijkend uit het schrijven van een wetenschappelijk artikel (internationaal). diagnosestelling. 3.6. 10. psychologisch-theoretische. 4. 9. een vakpublicatie (nationaal) en eventueel een presentatie op een (nationaal) wetenschappelijk congres. 5. er blijk van geven over de benodigde methodologische en statistische vaardigheden te beschikken of die vaardigheden op korte termijn zelfstandig te kunnen aanvullen om een onderzoeksvoorstel zelfstandig te kunnen uitvoeren. Bij afsluiting van de masteropleiding Psychological Research moet de student: 1. er blijk van hebben gegeven de ethische en maatschappelijke verantwoordelijkheden te kennen en waar nodig te hebben gebruikt. gefundeerde adviezen kunnen opstellen waarin blijk wordt gegeven van zowel kennis van het toepassingsdomein als van relevante theorieën en modellen. ontwerp en methoden opstellen. daarmee moet worden voldaan aan de eisen van de Basisaantekening Psychodiagnostiek van het NIP. . implementatie. de grondige analyse van een praktijkprobleem of eigen empirisch onderzoek. zelfstandig en systematisch kunnen interveniëren bij verschillende soorten problemen volgens de interventiecyclus: probleemanalyse. gedragsdeterminantenanalyse. data verzamelen en analyseren. onderzoekstechnische en financiële onderbouwing voor het onderzoeksproject. resultaten interpreteren. ontwerpen van de interventie. effectevaluatie en procesevaluatie. zelfstandig rapportages kunnen samenstellen en kunnen presenteren aan zowel een nietwetenschappelijk als aan een wetenschappelijk forum. gedragsanalyse. kennis hebben van en kunnen handelen naar de beroepsethische regels voor psychologen (volgens beroepsethische regels opgesteld door het NIP). gebaseerd op literatuuronderzoek. 11. Dit voorstel kan de vorm hebben van een dissertatievoorstel.

118 QANU / Psychologie / OUNL .

prof. dr.W. Schell.M.Ph.J.en masteropleiding Psychologie worden verzorgd vanuit het onderwijsinstituut Psychologie en Kunstmatige Intelligentie.M.­ De bachelor. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Masteropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. secretaris QANU. Structuur­en­organisatie­van­de­faculteit 3. van Ophem. Gordijn. Verder zijn aan de faculteit gelieerd: het Max Planck Institut für Psycholinguistik en het F.­ ­ ­ De­bachelor-­en­masteropleiding­Psychologie­van­de­ Faculteit­Sociale­Wetenschappen­aan­de­Radboud­ Universiteit­Nijmegen Administratieve­gegevens Bacheloropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. Donders Centre for Cognitive Neuroimaging. studentlid. Klip.0. I. Born. W. lid. prof.3. J.C. voorzitter. het Behavioural Science Institute (BSI) en het Nijmeegs Instituut voor Sociaal Cultureel Onderzoek (NISCO). De faculteit QANU / Psychologie / RU 119 .H. de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd. Wagemans. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Psychologie 66604 Master wo 60 Voltijd Nijmegen 31 december 007 Psychologie 56604 Bachelor wo 180 Voltijd Nijmegen 31 december 007 Het bezoek van de visitatiecommissie Psychologie vond plaats op 15 en 16 mei 006. E. Dit instituut is een van de drie onderwijsinstituten van de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen. Tot slot vormt het Academisch Centrum Sociale Wetenschappen een onderdeel van de faculteit. lid. de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd. prof. lid. Samenstelling visitatiecommissie: • • • • • • • prof. E. drs. dr. E. dr. lid.­Wijnen. De faculteit kent ook drie onderzoeksinstituten: het Nijmeegs Instituut voor Cognitie en Informatie (NICI). dr.C. M.F. dr.

Per september 00 startte het eerste jaar van de bacheloropleiding. geldt daarbij de overgangsregeling die is opgenomen in de Onderwijsen Examenregeling (OER). 10 QANU / Psychologie / RU . Tot september 00 konden studenten instromen in deze ongedeelde opleiding. De Faculteit Sociale Wetenschappen heeft de bachelor-masterstructuur gefaseerd ingevoerd.en masteropleiding komen voort uit de ongedeelde opleiding Psychologie. voor de uitvoering van de onderwijs.en examenregeling en het te voeren onderwijsbeleid. Zij zitten veelal in de afstudeerfase. Deze raad van advies bestaat uit vertegenwoordigers van de drie hoofdstromen binnen de Psychologie (Psychonomie.en examenregeling en voor de kwaliteit van de opleidingen. Vanuit het onderwijsinstituut Psychologie en Kunstmatige Intelligentie worden de opleidingen Psychologie en Kunstmatige Intelligentie verzorgd. Maatschappelijk gedrag). De onderwijsdirecteur wordt geadviseerd door de opleidingscommissies en een raad van advies.staat onder leiding van de decaan. Per 1 december 005 zijn nog 470 studenten actief in de ongedeelde opleiding. De commissie heeft de overgangsregeling zoals opgenomen in de OER ingezien en vindt deze toereikend. Er is voor gekozen de meeste onderdelen van de ongedeelde opleiding in de nieuwe programma’s van de bachelor. Indien zij nog vakken moeten behalen. in september 003 het tweede bachelorjaar. in september 004 het derde bachelorjaar en in september 005 ging de masteropleiding van start. De directeur van het onderwijsinstituut (onderwijsdirecteur) is primair verantwoordelijk voor de dagelijkse gang van zaken betreffende het onderwijs.1. De decaan is de uiteindelijke verantwoordelijke voor het onderwijs van alle opleidingen binnen de faculteit en legt verantwoording af aan het College van Bestuur. de voorzitter van de examencommissie en een vertegenwoordiger van Kunstmatige Intelligentie. 3.en de masteropleiding te handhaven.­ Invoering­ bachelor-masterstructuur­ en­ afbouw­ ongedeelde­ opleidingen:­ stand­ van­zaken De bachelor. De onderwijsdirecteur adviseert de decaan van de faculteit over de vaststelling van de onderwijs. De afbouw van de ongedeelde opleiding levert naar het oordeel van de commissie dan ook weinig problemen voor studenten op. Gezondheid en levensloop. Op basis van een managementcontract tussen de decaan en onderwijsdirecteur legt de onderwijsdirecteur halfjaarlijks verantwoording af aan de decaan. Sinds het studiejaar 005-006 is het oude curriculum niet langer operationeel. De commissie stelt vast dat het nieuwe curriculum weinig is veranderd ten opzichte van het ongedeelde curriculum: de inhoud van de vervangende cursussen voor de doctoraalopleiding is niet wezenlijk anders.

op de eisen van het NIP. De eindkwalificaties van de bachelor. De zelfstudie geeft een aantal kenmerken van het specifieke Nijmeegse profiel van de psychologieopleidingen.en revalidatiepsychologie verschilt van andere opleidingen. bibliotheekvaardigheden (. de geschiedenis van de academische en de praktijkpsychologie (1. maar ook context. De doelstellingen zijn gestoeld op criteria van eerdere visitaties. Kenmerkend voor het totale onderwijs is de brede benadering.2.2. In de onderzoeksinstituten van de Nijmeegse faculteit staat het experiment centraal. Dat wil zeggen dat de context waarin het menselijk gedrag zich ontwikkelt eveneens in beschouwing wordt genomen. bij toepassing meer op de praktijk. Actieve basiskennis van en inzicht in: de verschillende benaderingswijzen van de psychologie (1.en persoonlijkheidspsychologie.en samenwerkingsvaardigheden (. schriftelijke en mondelinge vaardigheden (. het produceren en het toepassen van kennis.­ Het­beoordelingskader 3. De Nijmeegse masteropleiding kenmerkt zich volgens de zelfstudie door een sterke nadruk op een gevorderde academische vorming. Beheersing van academische basisvaardigheden: onderzoeksvaardigheden (.1. Tot slot wordt de Nijmeegse psychologieopleiding gekenmerkt door een groot aantal afstudeerrichtingen (negen disciplinaire richtingen).). omdat het aspect revalidatie prominent aanwezig is.3).4). elementaire methoden en technieken van empirisch onderzoek (1. In de bacheloropleiding spelen al deze facetten een rol. QANU / Psychologie / RU 11 .3.).en masteropleiding sluiten volgens de zelfstudie aan bij de domeinspecifieke eisen zoals die zijn verwoord in het domeinspecifiek referentiekader van de Kamer Psychologie. discussie. Vanuit een procesmatige benadering onderscheiden we het verwerven. De afstudeerrichting Neuro. en sluiten aan bij de eisen van het Europees psychologendiploma (EuroPsy) zoals die door de European Federation of Psychologists’ Associations (EFPA) in 005 zijn vastgesteld. In vele gevallen gaat het om een natuurwetenschappelijke benadering. De doelstelling(en) en eindkwalificaties zijn als volgt in de zelfstudie verwoord. bij productie meer op onderzoek.” De opleiding heeft deze doelstelling gespecificeerd in eindkwalificaties voor de propedeuse en voor de bacheloropleiding.1). Zij vat deze als volgt samen: Eindkwalificaties propedeuse 1. maar het accent verschuift geleidelijk naar het steeds meer zelfstandig produceren en/of toepassen van kennis. Bij verwerving ligt het accent meer op theorie.­ Doelstellingen­opleiding F1:­Domeinspecifieke­eisen De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk). Ook de masteropleiding is langs deze specialisaties ingericht. vaardigheden en attitudes te verschaffen die nodig zijn om een masteropleiding aan te vangen en met succes te voltooien. ­­ Bachelor “De bacheloropleiding stelt zich ten doel studenten de kennis. cultuur en levensloop worden bij het onderzoek betrokken.1).3). In het derde jaar van de bacheloropleiding kiest de student voor één van deze specialisaties. . Uniek in Nederland zijn de afstudeerrichtingen Psychogerontologie en Cultuur.

In de Onderwijs. De vaardigheid om onder beperkte supervisie zelfstandig als psycholoog werkzaam te zijn in de werkvelden die passen bij de gekozen afstudeerrichting.7). 3.3).).” De eindkwalificaties van de masteropleiding zijn als volgt omschreven: 1. Specialistische kennis over een nader te kiezen onderdeel van de afstudeerrichting. Oordeel De commissie heeft de doelstellingen en de eindkwalificaties van de opleidingen bestudeerd en gerelateerd aan het domeinspecifiek referentiekader.en Examenregeling heeft de opleiding de volledige lijst van eindkwalificaties opgenomen.en waardeaspecten. actieve kennis betreffende één van de negen afstudeerrichtingen binnen de psychologie (1. zich bewust zijn van de fundamentele onzekerheid in (sociaal)-wetenschappelijke uitspraken. zoals die via de Kamer Psychologie bij alle psychologieopleidingen in Nederland tot stand gekomen is. specialistische. een besef van maatschappelijke verantwoordelijkheid.4). kennis en inzicht in een voor de psychologie relevant filosofisch kader (1. 4. Een gedegen kennis van en inzicht in: belangrijke toepassingsgebieden van de psychologie. De opleiding geeft hierbij aan dat de eindkwalificaties van de bacheloropleiding verondersteld worden als voorwaarde voor het kunnen voltooien van een masteropleiding. kennis en inzicht inzake theorieën betreffende kernthema’s uit de psychologie (1.5). . openheid naar vervolgopleidingen. gedegen kennis en inzicht in de gangbare methoden en technieken en inzicht in het feitelijke verloop van een onderzoek (1. sociaal-communicatieve vaardigheden (. De vaardigheid onder beperkte supervisie zelfstandig een empirisch onderzoek te ontwerpen en uit te voeren en hierover schriftelijk en mondeling te rapporteren. Zij is van oordeel dat de eindkwalificaties voldoen aan de domeinspecifieke eisen die aan een bachelor. Blijk geven van een professionele basisattitude.1 t/m 3. 3. Gevorderde actieve kennis van en inzicht in één der afstudeerrichtingen.1 t/m 3.1) en klinische psychologie (1.3.4): blijk geven van een kritische reflectie op psychologische vraagstukken en van een onderzoekende houding.6). vaardigheden en attitudes te verschaffen die nodig zijn om als psycholoog een actieve bijdrage te leveren aan de body of knowledge van de psychologie (kennisproductie) en/of dit toe te passen en uit te dragen in klinische of therapeutische settings of andere beroepsmatige contexten (kennistoepassing). Master “De masteropleiding stelt zich ten doel studenten de kennis.1). Bijvoorbeeld (3.3). Eindkwalificaties bacheloropleiding 1. en soms de facto ook een onderdeel daarvan vormen. een bewustzijn van waarheids.8): een instelling van wetenschappelijke integriteit.en organisatiepsychologie (1. Bijvoorbeeld (3.en masteropleiding Psychologie worden gesteld. Blijk geven van een professionele attitude. .). te weten arbeids. Dit betreft vooral de eindkwalificaties rondom specialistische kennis die in het derde bachelorjaar binnen de afstudeerrichting worden vergaard. kennis van één extra vak binnen of buiten de psychologie (1. als 1 QANU / Psychologie / RU . onderzoeksvaardigheden (. De commissie ziet de aansluiting van de eindkwalificaties op de eisen van vakgenoten en de beroepspraktijk in het domein van de Psychologie. Daarnaast moet men in staat zijn vervolgopleidingen aan te vangen en die met succes te voltooien. Beheersing van academische vaardigheden: cognitieve vaardigheden (.

6 Master Zie voor nummerverwijzing F1.3. Kennis en inzicht: eindkwalificaties 1 en  Toepassen kennis en inzicht: eindkwalificaties 3 en 4 Oordeelsvorming: eindkwalificaties 3 en 4 Communicatie: eindkwalificaties . B3. QANU / Psychologie / RU 13 . en B3 Communicatie: eindkwalificaties P.best practice voor andere opleidingen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. waarbij P staat voor propedeuse en B voor bachelor. P. 3 en 4 Leervaardigheden: eindkwalificaties 3 en 4 Oordeel De commissie merkt op dat de eindkwalificaties van de bachelor.3. P3.3 en B3. B.4. P. Zij merkt op dat de hoofddoelstelling voor de Nijmeegse bacheloropleiding enerzijds op een algemeen niveau is geformuleerd en de eindkwalificaties anderzijds bijna als een opsomming van de afzonderlijke vakken gelezen kunnen worden.1. P3. Zo beschikken bachelors bijvoorbeeld over kennis van de verschillende benaderingswijzen en toepassingsgebieden in de psychologie en beschikken masters over ‘gevorderde actieve kennis’ en ‘specialistische kennis over een nader te kiezen onderdeel van een specialisatierichting’. mede omwille van mogelijke uitwisseling en mobiliteit van studenten na de bacheloropleiding. B.1. P3. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. De commissie vindt ook de eindkwalificaties van de masteropleiding algemeen geformuleerd.en masteropleiding.1. de facto in elkaar overlopen.8 Leervaardigheden: eindkwalificaties P.4 en B3. De domeinspecifieke eisen worden in het bijzonder ingevuld door de gekozen afstudeerrichting en specialisatie daarbinnen. Kennis en inzicht: eindkwalificaties P1 en B1 Toepassen kennis en inzicht: eindkwalificaties P en B Oordeelsvorming: eindkwalificaties P. internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor of een Master. P3. Bachelor Zie voor nummerverwijzing F1. De opleidingen relateren in de zelfstudie als volgt de eindkwalificaties aan de Dublin-descriptoren. De eindkwalificaties van de master zijn verdiepend en meer specialistisch ten opzichte van die van de bachelor. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed. B. zoals ook door de opleiding wordt vastgesteld.3. De commissie is verder van mening dat de eindkwalificaties zoals die door de opleiding zijn geformuleerd voldoende aansluiten bij het niveau van een bachelor en master volgens de Dublin-descriptoren. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Alle descriptoren zijn in voldoende mate in de eindkwalificaties te herkennen.4. De commissie raadt de opleiding aan die grens toch wat meer discreet te stellen. F2:­Niveau:­Bachelor­en­Master De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene. B3. B..

Dit competentieniveau wordt pas bereikt via een voortgezette masteropleiding. Master Volgens de opleiding komen in alle eindkwalificaties van de masteropleiding wetenschappelijke kwalificaties aan de orde. academische instelling. vaardigheden en attitude zelfstandig te hanteren in de context van een onderzoek en/of een praktijksituatie.en masteropleiding. de internationale wetenschapsbeoefening en voor daarvoor in aanmerking komende opleidingen de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld. Tijdens de masteropleiding leert de student vooral kennis. vanuit een kritische. De opleidingen streven duidelijk naar een hoog wetenschappelijk niveau. Afgestudeerde wo-psychologen moeten in staat zijn de status van deze handreikingen te analyseren en te beoordelen en moeten evidence based adviezen kunnen geven. In dat opzicht onderscheidt de universitair gevormde psycholoog zich volgens de opleiding van hbo-opgeleide psychologen. De scientist practitioner moet in staat zijn onderzoeksresultaten te begrijpen en te beoordelen. De laatsten kunnen een bijdrage leveren aan het welzijn van mensen door te handelen vanuit door de wetenschappelijke psychologie aangeboden handreikingen. • Een WO-bachelor heeft de kwalificaties voor toegang tot tenminste één verdere WO-studie op masterniveau en eventueel voor het betreden van de arbeidsmarkt. is naar haar oordeel te beperkt voor een zelfstandige beroepsuitoefening als academisch gevormd psycholoog. De 14 QANU / Psychologie / RU . Bachelor De opleiding sluit zich aan bij het standpunt van de Kamer Psychologie dat “een driejarige bacheloropleiding geen civiel effect kan hebben”. Het competentieniveau dat na drie jaar bereikt is. De kennisverwerving is met de bacheloropleiding grotendeels voltooid. De opleiding geeft aan dat met het oog op deze wetenschappelijke kwalificatie het zelfstandig kunnen verrichten van wetenschappelijk onderzoek in de eindkwalificaties een belangrijke plaats inneemt.F3:­Oriëntatie­WO: De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de volgende beschrijvingen van een Bachelor en een Master in WO: • De eindkwalificaties zijn ontleend aan eisen vanuit de wetenschappelijke discipline. De afgestudeerde Nijmeegse bachelor Psychologie heeft toegang tot een Nederlandse masteropleiding Psychologie en – onder voorwaarden – toegang tot de tweejarige researchmasteropleidingen Cognitive Neuroscience en Behavioural Science van de Faculteit Sociale Wetenschappen van de RU Nijmegen. Aan afgestudeerden worden volgens de opleiding hoge eisen gesteld. Oordeel De commissie concludeert op basis van het overzicht in de zelfstudie dat er duidelijke correspondentie is tussen wetenschappelijke kwalificaties en de eindkwalificaties van de bachelor.en masteropleiding wetenschappelijke kwalificaties aan bod komen. In principe kunnen studenten ook doorstromen naar de masteropleiding Kunstmatige Intelligentie. • Een WO-master heeft de kwalificaties om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten of multien interdisciplinaire vraagstukken op te lossen in een beroepspraktijk waarvoor een WO-opleiding vereist is of dienstig is. De opleidingen geven in de zelfstudie schematisch aan in welke eindkwalificaties van de bachelor.

In het hoofdstroomonderwijs werkt een aantal afstudeerrichtingen samen. En de laatste drie vormen samen ‘Maatschappelijk gedrag’. te weten (a) actieve kennisverwerving van wetenschappelijke theorieën en onderzoeksresultaten (KV=kennisverwerving).en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. 3. Psychogerontologie.en Persoonlijkheidspsychologie. Voor de masteropleiding blijkt dit uit de beoogde gevorderde en specialistische kennis (eindkwalificaties 1 en ) en de vaardigheid om (zelfstandig) empirisch onderzoek uit te voeren (eindkwalificatie 3). Sociale Psychologie. Cultuur. Dit betekent dat een aantal ‘hoofdstroomvakken’ gezamenlijk voor de studenten binnen die hoofdstroom wordt gegeven. Biologische Psychologie. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. De eindkwalificaties besteden ook aandacht aan de aansluiting bij functies op academisch bachelor. De afstudeerrichtingen Biologische Psychologie en Cognitieve Psychologie behoren tot de hoofdstroom Psychonomie. te weten: • • • • • • • • • Ontwikkelingspsychologie. De eerste vier afstudeerrichtingen vormen samen de hoofdstroom ‘Psychologie van gezondheid en levensloop’. Arbeids. Klinische Psychologie. (b) actieve verwerving van vaardigheden voor het doen van wetenschappelijk onderzoek (KP=kennisproductie) en (c) actieve verwerving van vaardigheden voor QANU / Psychologie / RU 15 . Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed.commissie waardeert dat positief.respectievelijk masterniveau. De commissie vindt de eindkwalificaties van de bacheloren masteropleiding van goed academisch niveau. De commissie meent tot slot dat de keuze voor een breed palet aan specialisaties een aantrekkelijk perspectief voor studenten biedt. De commissie stelt vast dat de afgestudeerde bachelor Psychologie toegang heeft tot ten minste één wetenschappelijke masteropleiding Psychologie.en Revalidatiepsychologie.2.en masteropleiding is op drie pijlers gebaseerd. De afgestudeerde bachelor beschikt over een professionele basisattitude en de afgestudeerde master heeft de vaardigheid om onder beperkte supervisie zelfstandig als psycholoog werkzaam te zijn. Het onderwijsprogramma van de bachelor.­ Programma De bacheloropleiding en masteropleiding kennen negen afstudeerrichtingen. Neuro. Cognitieve Psychologie.2.en Organisatiepsychologie. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Doelstellingen opleiding’ voor de bachelor. Dit blijkt voor de bacheloropleiding uit de vereiste kennis en inzicht (eindkwalificaties 1) en beheersing van academische vaardigheden (eindkwalificaties ).

sociale psychologie Pract. Het programma ziet er als volgt uit. In het derde jaar begint de specialisatiefase.en organisatiepsychologie Klinische psychologie Kernthema’s (keuze 3 uit 19) Filosofie voor psychologen Ethiek voor psychologen Methoden  Statistiek  Werkstuk klinische psychologie Vaardigheden psychologen 1 Vaardigheden psychologen  Derde bachelorjaar Hoofdstroom. Eerste bachelorjaar Biologische psychologie Cognitieve psychologie Cultuurpsychologie Ontwikkelingspsychologie Persoonlijkheidsleer Psychogerontologie Sociale psychologie Geschiedenis psychologie 1 Geschiedenis psychologie  Methoden 1 Statistiek 1 Pract. cognitieve psychologie Pract. literatuurvaardigheden Tweede bachelorjaar Arbeids. ontwikkelingspsychologie Pract. basisvaardigheden Pract. 16 QANU / Psychologie / RU .en theorievakken Bachelorwerkstuk Vaardigheden afstudeerrichting Volledig vrije keuze ECTS-studiepunten 7 4 4 4 4 3 4 3 3  6 3 3 3 3 1 3 4 4 1 4 4 7 6  4 4 36 6 1 6 Onderwijspijler KV KV KV KV KV KV KV KV KV KP KP KP KP KP KP KP KP KV KV KV KV KV KP KP KP KT KT KV KP KP of KT Voor het derde bachelorjaar worden per afstudeerrichting gemiddeld acht cursussen aangeboden waaruit studenten kunnen kiezen (hoofdstroomvakken. persoonlijkheidsleer Pract. In totaal zijn er 71 verschillende vakken. Bachelor Het eerste en tweede bachelorjaar bestaat uit de basisopleiding Psychologie. specialistische theorievakken en vaardigheidscursussen). die alle studenten verplicht volgen.het toepassen van wetenschappelijke kennis en onderzoeksresultaten (KT=kennistoepassing). Per cursusonderdeel is in het overzicht van de programma’s hieronder aangegeven welke pijler het betreft.

. 3. c) de ontwikkeling van wetenschappelijk onderzoeksvaardigheden en d) met de beroepspraktijk. de bachelorfase leidt op tot basispsycholoog die een keuze kan maken uit meerdere mastervarianten (geen vroegtijdige specialisatie). De interactie met onderzoek komt tot stand doordat het docentencorps merendeels werkzaam is als wetenschappelijk onderzoeker. Bachelor De opleiding geeft in de zelfstudie in een tabel en toelichting daarop aan welke programmaonderdelen een relatie hebben met a) het wetenschappelijk onderzoek. specialisatie vindt plaats in de masteropleiding. Cognitieve Psychologie en Neuro. • Het programma sluit aan bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën. F4:­Eisen­WO Het programma sluit aan bij de volgende criteria voor het programma van een WO-opleiding: • Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines. In maart 006 is een task force ingesteld die de opdracht heeft een nieuwe visie op het curriculum als geheel te ontwikkelen en van daaruit een nieuw studieprogramma op te stellen.en Revalidatiepsychologie. b) de actuele wetenschappelijke theorieën. Met uitzondering van de twee vaardighedenvakken in het tweede bachelorjaar. De reeds bestaande interdisciplinaire samenwerking wordt versterkt. • Het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek. Sociale Psychologie en Arbeids. . Cultuur. In dit nieuwe plan worden de afstudeerrichtingen ondergebracht in vier domeinen. zonder dat de breedte verloren gaat. Het College van Bestuur heeft voor de intensieve begeleiding van studenten in de eerste fase van de studie vanaf het studiejaar 006-007 structurele intensiveringsmiddelen beschikbaar gesteld (zie verder F13). De autonomie van de secties wordt daarmee doorbroken.en masterprogramma. intensieve begeleiding van studenten in de eerste fase van de studie.en Persoonlijkheidspsychologie.Master De masteropleiding kent dezelfde negen afstudeerrichtingen als de bacheloropleiding. • Bij daarvoor in aanmerking komende opleidingen heeft het programma aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen. Verdere uitgangspunten zijn 1. Biologische Psychologie. Cursus afstudeerrichting Toegepaste onderzoeksmethoden Scriptie Stage 6 6 4 4 KV KP KP KT Nieuwe ontwikkelingen De commissie heeft begrepen dat de opleidingen zijn gestart met een herziening van het bachelor.en Organisatiepsychologie. te weten 1. Klinische Psychologie. Ontwikkelingspsychologie en Psychogerontologie en 4. blijkt dat alle programmaonderdelen een relatie met onderzoek en met actuele wetenschappelijke theorieën hebben. Hoogleraren worden bijvoorbeeld ingezet voor het verzorgen van de inleidingen in de deelgebieden van de psychologie in het eerste bachelorQANU / Psychologie / RU 17 . en 3. Elke afstudeerrichting heeft de volgende onderdelen.

In het tweede jaar vindt een inleiding in twee toepassingsgerichte vakken plaats en verdere verdieping in de ‘kernthemacursussen’.en statistiekvakken. Zo komen bijvoorbeeld in ‘Vaardigheden voor psychologen 1 en ’ algemene beroepsvaardigheden aan bod.en methodenonderwijs wordt. met name Nijmeegs. van algemene onderzoeksvaardigheden in de propedeuse naar specialistische in het derde bachelorjaar. Tijdens het visitatiebezoek heeft de commissie begrepen dat er plannen in ontwikkeling zijn om in het eerste jaar van de bacheloropleiding twee nieuwe cursussen (per 006-007) te programmeren. bijvoorbeeld bij Psychogerontologie. het vaardigheidsonderwijs en de bachelorscriptie van de afstudeerrichting nauw aansluiten bij de meest recente wetenschappelijke theorieën op het betreffende deelgebied. De relatie met actuele wetenschappelijke theorieën komt volgens de opleiding in het eerste jaar tot uitdrukking in de basiskennis die studenten opdoen. het werkstuk klinische psychologie in het tweede jaar en het bachelorwerkstuk en het vaardighedenonderwijs van de afstudeerrichting in het derde jaar. Een aantal docenten is werkzaam in de praktijk. Een student moet daarnaast zestien proefpersoonuren vervullen. De student kiest uit elk van deze drie groepen één kernthemavak. 5% in het tweede jaar en maximaal 30% in het derde jaar. Aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van relevante beroepen komen in de loop van de opleiding in toenemende mate aan bod. de practica in het eerste jaar. Er zijn in totaal negentien kernthema’s die zijn ingedeeld in drie thematische groepen: ‘Individu en cognitie’. waar studenten een interview afnemen bij een zestigplusser over zijn of haar levensloop. waarin hij of zij als proefpersoon zelf deelneemt aan lopend onderzoek. De ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden komt aan bod in de methoden. In drie vakken in het eerste jaar komen expliciet praktijkaspecten aan bod. kennisproductie en kennistoepassing. de theorievakken. Dit vormt een substantieel deel van de opleiding: 40% in het eerste jaar. De onderzoeksvaardigheden worden volgens de opleiding systematisch opgebouwd. Dit betreft een practicum Academische vaardigheden en een cursus Psychologie in actie. Het statistiek. Deze zijn ofwel meer onderzoeksgericht ofwel meer toepassingsgericht. Daarnaast betoogt de opleiding dat doordat het onderwijs is gebaseerd op de pijlers kennisverwerving. geadstrueerd aan de hand van actuele psychologische theorieën. De bedoeling van de laatste cursus is om studenten bekend te maken met lopend. 18 QANU / Psychologie / RU . die wordt verzorgd door onderzoekers van de verschillende Nijmeegse onderzoeksinstituten en het Academisch Centrum Sociale Wetenschappen. Zo wordt bij de theorievakken gebruikgemaakt van praktijkdemonstraties of wordt een praktijkinstelling bezocht en zijn de vaardigheidscursussen gericht op specialistische beroepsvaardigheden. Ook worden gastdocenten uit de praktijk uitgenodigd. In het derde bachelorjaar hebben nagenoeg alle onderdelen een relatie met de beroepspraktijk. Bij de twee filosofiecursussen in het tweede jaar wordt eveneens aansluiting gezocht bij psychologische theorievorming. zoals in de zelfstudie staat beschreven. Per deelgebied van de psychologie wordt een inleiding verzorgd en daarnaast wordt de geschiedenis van de psychologie behandeld. dit de verwevenheid van onderzoek en onderwijs tot stand brengt. ‘Individu en beleven’ en ‘Individu en gedrag’. In het derde bachelorjaar wordt binnen de afstudeerrichting de basiskennis van wetenschappelijke theorieën verder uitgebreid en verfijnd. Onder kennisproductie wordt het doen van wetenschappelijk onderzoek verstaan. onderzoek. In het tweede bachelorjaar heeft volgens het schema in de zelfstudie meer dan de helft van de vakken een relatie met de beroepspraktijk.jaar. De opleiding vermeldt dat de hoofdstroomvakken.

Wetenschappelijke relevante theorieën komen in het cursusmateriaal naar het oordeel van de commissie goed aan bod. De opleiding biedt onder meer een aantal stageplaatsen in het Academisch Centrum aan. Studenten die een beroep als professional in een maatschappelijke organisatie ambiëren. Het onderwijs in kernthema’s vindt de commissie hiervan een goed voorbeeld.en masteropleiding adequaat opgebouwd. meer en minder intensieve begeleiding bij het statistiek. komen vooral in de praktijkstage in aanmerking met de relevante beroepspraktijk. volgens de opleiding in alle onderdelen gelegd. De specialisatiespecifieke mastercursus en de scriptie hebben een relatie met actuele wetenschappelijke theorieën. De commissie vindt dit een sterk punt. Het scriptieonderzoek sluit in de regel aan bij lopende onderzoeksprogramma’s van docenten en leidt volgens de zelfstudie soms tot een publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift. Oordeel De commissie stelt vast op basis van het beschreven curriculum en het cursusmateriaal dat zij heeft ingezien. De verbanden met de actuele praktijk van relevante beroepen worden voor studenten die een carrière in het wetenschappelijk onderzoek ambiëren. In de masteropleiding komt relevant wetenschappelijk onderzoek in alle onderdelen aan de orde. Voor de scriptie doorloopt de student tamelijk zelfstandig alle fasen van de empirische cyclus. Deze studenten kunnen een onderzoekstage lopen. De relatie met de beroepspraktijk wordt in de stage en afhankelijk van de afstudeerrichting ook in de scriptie gelegd. uitmondend in een zelfstandig uit te voeren empirisch onderzoek voor de masterscriptie. Hieruit is op te maken dat alle programmaonderdelen een relatie met onderzoek leggen. diagnostisch onderzoek en behandeling. Tot slot heeft de commissie een paar aansprekende voorbeelden gezien van een sterker verband naarmate de opleiding vordert met de actuele praktijk van relevante beroepen. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. QANU / Psychologie / RU 19 . afhankelijk van de voorkennis van de student. De interactie met het onderzoek wordt in de masteropleiding eveneens gelegd door het docentencorps dat uit wetenschappelijk onderzoekers bestaat en doordat de student zelfstandig een empirisch onderzoek uitvoert in de scriptie.en methodenonderwijs. waar studenten onder supervisie kennismaken met intakegesprekken. dat studenten in interactie met relevant wetenschappelijk onderzoek onderwijs volgen. De methodencursus is specifiek afgestemd op de afstudeerrichting. Onderzoekvaardigheden worden gedurende de bachelor. De commissie vindt de verwevenheid tussen onderwijs en onderzoek vooral in het eerste jaar van de bacheloropleiding bijzonder goed vormgegeven met de vijf practica waarin studenten hun algemene onderzoeksvaardigheden verspreid over het studiejaar opdoen en zelf een klein empirisch onderzoek uitvoeren.Master Voor de masteropleiding is in de zelfstudie een zelfde overzicht opgenomen als voor de bacheloropleiding. De relatie met wetenschappelijke onderzoeksvaardigheden komt aan bod in de cursus toegepaste onderzoeksmethoden en de scriptie. De commissie ondersteunt de plannen voor de twee nieuwe cursussen in het eerste bachelorjaar. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. De opleiding biedt.

met uitzondering van een aantal inleidende vakken in de propedeuse. De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken.” Een van de subleerdoelen is: “Na afloop van de cursus ben je in staat aan medestudenten van andere studierichtingen uit te leggen waarom het lichaam-geestprobleem een probleem is”. Uit de tabel in de zelfstudie blijkt dat de eindkwalificatie ‘gedegen actieve kennis van en inzicht in een der afstudeerrichtingen’ in praktisch alle onderdelen gerealiseerd wordt. wordt vooral gerealiseerd in de stage. De leerdoelen 130 QANU / Psychologie / RU . In de zelfstudie beargumenteert de opleiding zorgvuldig per eindkwalificatie hoe deze in het onderwijsprogramma gerealiseerd wordt en hoe deze zijn doorvertaald in leerdoelen van de gerelateerde cursussen. De eindkwalificaties betreffende attitudes komen in alle onderdelen aan de orde. kunnen worden samengevat als 1. De laatste eindkwalificatie ‘de vaardigheid om onder beperkte supervisie zelfstandig als psycholoog werkzaam te zijn in de werkvelden die passen bij de gekozen afstudeerrichting’. komt aan bod in de methodologische cursus en in de scriptie. Voor stages in maatschappelijke instellingen geldt dat deze eindkwalificatie in dat onderdeel veelal minder aan de orde is. qua niveau. gespreid over nagenoeg alle andere onderdelen aan bod. Zo wordt bijvoorbeeld de propedeuse-eindkwalificatie 1. Master De masteropleiding kent vier eindkwalificaties (zie F1). Met een kruisje is aangegeven welke eindkwalificaties in welke cursusonderdelen aan bod komen. Het gaat daarbij om de geschiedenis van de academische psychologie. Bachelor De eindkwalificaties. onder andere gerealiseerd in de cursus Geschiedenis van de psychologie 1. De eindkwalificaties op het gebied van kennis en inzicht komen verspreid over nagenoeg alle vakken aan de orde.en masteropleiding een kruistabel opgenomen waarin de eindkwalificaties van de propedeuse en bacheloropleiding worden gerelateerd aan de cursusonderdelen. zoals grotendeels beoefend aan de universiteiten. De eindkwalificatie ‘de vaardigheid onder beperkte supervisie zelfstandig een empirisch onderzoek te ontwerpen en uit te voeren en hierover schriftelijk en mondeling te rapporteren’. De eindkwalificaties zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. kennis en inzicht. is ook de scriptie relevant voor deze eindkwalificatie. vaardigheden en 3. uitgezonderd de practica en vakken Vaardigheden psychologen 1 en . Voor de theoretische en methodologische cursussen in de masteropleiding zijn de leerdoelen per onderdeel op vergelijkbare wijze als in de bacheloropleiding geformuleerd. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. Deze eindkwalificatie is vertaald naar één hoofdleerdoel en verschillende subleerdoelen. De eindkwalificaties op het gebied van vaardigheden komen. zoals bij F1 uiteengezet. In de zelfstudie is voor de bachelor. Voor elke cursus zijn specifieke leerdoelen geformuleerd. Het hoofdleerdoel van de cursus is “Kunnen aangeven welke hoofdthema’s het denken over bewustzijn hebben bepaald en het verband kunnen leggen tussen deze thema’s en onderzoeksgegevens. De eindkwalificatie ‘actieve specialistische kennis over een nader te kiezen onderdeel van de afstudeerrichting’ wordt gerealiseerd in de theoretische cursus en in het scriptieonderzoek. .F5:­Relatie­tussen­doelstellingen­en­inhoud­programma Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties. Daar waar studenten specifiek tot onderzoeker worden opgeleid. attitude. ‘actieve basiskennis van en inzicht in de geschiedenis van de psychologie’.

Deze verschillen per afstudeerrichting.en masteropleiding gezamenlijk. De commissie merkt op dat de eindkwalificaties op het gebied van attitudes in de cursusonderdelen weinig expliciet zijn. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.voor de stage en scriptie zijn opgenomen in de stage. De commissie heeft hiervan een aantal toereikende voorbeelden gezien. Een ander voorbeeld betreft de opeenvolgende moeilijkheidsgraad in bijvoorbeeld de vakken Methoden 1 en Methoden  en Statistiek 1 en Statistiek .en scriptiereglementen. De commissie ondersteunt de instelling van de task force om de masteropleiding als zelfstandige opleiding verder vorm te geven. Specifiek ten aanzien van het programma van de masteropleiding is de commissie van mening dat in de masteropleiding als zelfstandige opleiding weinig vakspecifieke inhoud is geprogrammeerd. maar zij heeft niet de indruk dat hier onvoldoende aandacht aan besteed wordt. Zo worden in de eerste studiejaren basisvakken en toepassingsgebieden ingeleid en komen in het tweede jaar via een multidisciplinaire benadering de thema’s van de psychologie aan de orde. Oordeel De commissie is op basis van de uiteenzetting van de relatie tussen de eindkwalificaties en programmaonderdelen in de zelfstudie van oordeel dat de cursusonderdelen een adequate concretisering zijn van de eindkwalificaties van de bachelor.en organisatiepsychologie niet mogelijk is. met het oog op eindkwalificatie 4 van de masteropleiding (zie voor nummerverwijzing F1) een gemis dat het behalen van de Basisaantekening Psychodiagnostiek (BAPD) van het NIP voor studenten in de specialisatie Arbeids. F6:­Samenhang­programma Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend studieprogramma. Zij geeft hiervan in de zelfstudie een aantal concretiseringen. De opleidingen besteden veel aandacht aan doorvertaling van eindkwalificaties in toetsbare leerdoelen en subleerdoelen van programmaonderdelen. aldus de opleiding. toenemende zelfstandigheid (zie F10) en thematische samenhang. Gerelateerd aan de eindkwalificaties stelt de commissie vast dat die via het bachelor.en masterprogramma wel gerealiseerd worden. De verticale samenhang in thematische zin wordt veelal aan de hand van onderzoeksactiviteiten van de staf vormgegeven. dankzij de vakspecifieke inhoud van de bacheloropleiding. Zo komt bijvoorbeeld de thematiek van ‘cultuur en zelf ’ in verschillende cursussen gradueel aan bod. die verweven zijn in de diverse cursussen. De samenhang komt verticaal tot uitdrukking door een toenemende verdieping en steeds verdere specialisatie en horizontaal door de samenhang tussen de verschillende vakken op elk niveau. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Verticale samenhang bestaat uit toenemende specialisatie. Gezien het feit dat de opleiding bij de invoer van de bachelor-masterstructuur niet voor een herziening van de curricula heeft gekozen. toenemende moeilijkheidsgraad. QANU / Psychologie / RU 131 . De commissie vindt het tot slot. Bachelor In de zelfstudie wordt het onderwijsprogramma verbeeld als een piramide met een brede propedeutische basis die zich geleidelijk toespitst in de specialisaties van de afstudeerrichtingen en met in de top het bachelorwerkstuk. is dit begrijpelijk. maar een technische knip heeft geplaatst in het ongedeelde programma.

voort op de bacheloropleiding. De samenhang in de mix van cursussen op elk niveau wordt volgens de opleiding vooral gegeven door de relatie met onderzoek. De commissie vindt de samenhang voldoende. zoals eerder aangegeven. 13 QANU / Psychologie / RU . De opleiding geeft aan dat de scriptie vaak een uitvloeisel is van de ervaringen en bevindingen opgedaan tijdens de stage. Van deze cursus worden drie varianten aangeboden. De commissie vindt deze samenhang verdedigbaar voor een masteropleiding. te zien binnen elke cursus. maar is ook van mening dat deze nog verder kan worden uitgewerkt. Oordeel De commissie stelt op grond van het bovenstaande vast dat de bacheloropleiding op diverse manieren zowel horizontale als verticale samenhang realiseert in het programma. één voor elk van de hoofdstromen. Studenten bevestigen in het gesprek met de commissie ook dat in het themaonderwijs in het tweede jaar verschillende deeldisciplines samenkomen en docenten onderling goed van elkaar weten wat er behandeld wordt. aldus de opleiding. tussen de cursussen van elk opleidingsjaar of niveau en in de mix van cursussen op elk niveau. In de bacheloropleiding heeft de student zich gespecialiseerd in een bepaalde richting. De twee cursussen staan in het teken van deze keuze. De commissie stelt vast dat de samenhang van de masteropleiding vooral inhoudelijk wordt vormgegeven door de keuze voor een afstudeerrichting en een stage en scriptie daarbinnen. De commissie vindt het bijzonder dat de opleiding al in het tweede jaar van de bacheloropleiding subdiscipline-overschrijdende vakken (kernthema’s) aanbiedt. Aan de andere kant noemen zij het een pluspunt voor de samenhang dat bepaalde onderwerpen in meerdere vakken terugkeren. De cursus ‘Toegepaste onderzoeksmethoden’ biedt studenten methodologische en statistische kennis als voorbereiding op de stage en scriptie. Master De masteropleiding bouwt. Volgens sommige bachelorstudenten met wie de commissie heeft gesproken zit er in de basisvakken in het eerste jaar enige overlap. Tijdens het masterjaar wordt de opleiding langs twee wegen afgerond: de wetenschappelijke afronding staat centraal in de methodencursus en de scriptie en de professionele afronding staat centraal in de stage.Horizontale samenhang is. De theoretische cursus bevat de laatste stand van zaken op het betreffende vakgebied op een gevorderd niveau. In het derde jaar is specialisatie het kenmerkend element. Ook het grote keuzeaanbod in hoofdstroom. De stage en scriptie maken naar het oordeel van de commissie een relatief groot deel uit van de opleiding. In het tweede jaar loopt de integratie van diverse psychologische deelgebieden als rode draad door de opleiding. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. de relatie met theorie en de relatie met onderzoeksvaardigheden. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. In het eerste jaar is vooral het inleidende niveau het kenmerkend element tussen de cursussen. In de studiegids wordt voor elke cursus het verbindend principe aangegeven. Dit geldt vooral voor onderzoeksstages.en theorievakken voor studenten in het derde jaar van de bacheloropleiding vindt de commissie positief.

Uit evaluaties blijkt dat studenten zelden meer tijd besteden dan de geprogrammeerde studielast. In het eerste en tweede jaar is voor elk vak een studiehandleiding beschikbaar waarin de programmering (contacturen en zelfstudie-uren) is aangegeven.F7:­Studielast Het programma is studeerbaar doordat factoren. Zo leren studenten. Volgens een aantal mag het programma best iets moeilijker of intensiever worden aangeboden. IOWO. maar dat ook de studeerbaarheid in latere jaren goed is (3. De examencommissie kan in geval van bijzondere omstandigheden hiervoor uitzonderingen toestaan. De commissie heeft begrepen dat de opleiding van plan is hiervoor de extra investeringsmiddelen (zie ook F13) in te zetten. Om een studeerbaar programma aan te bieden beschrijft de opleiding de volgende maatregelen in de zelfstudie. 1 is negatief. 5 is positief ). waarbij studenten steeds met één vak tegelijk bezig zijn. Uit het universitaire tevredenheidsonderzoek (Studenttevredenheid RU 004-005. Uit een evaluatie gehouden door de studentleden van de opleidingscommissie onder studenten Psychologie in 004 bleek dat de respondenten (N=137) gemiddeld 3. In het programma zijn een aantal doorstroomregelingen opgenomen die belemmerend kunnen werken. De student mag pas aan het tweede jaar beginnen als 75% van de propedeuse is behaald. eerder minder. aldus de opleiding. Bachelor Het eerste jaar is in blokken geprogrammeerd. Daarnaast waarschuwt de opleiding studenten herhaaldelijk om de statistiek. dat een student die hiervan gebruikmaakt. die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen.7). maar dat de student zelf verantwoordelijk is voor de tijd die aan de studie besteed wordt.en methodenvakken niet uit te stellen omdat dit tot grote vertraging leidt. Hierbij vindt de opleiding dat het programma de studenten moet stimuleren en niet te vrijblijvend mag zijn. Zo zijn er onder andere ideeën voor het ontwikkelen van een tutorsysteem en een practicum academische vaardigheden. in het eerste jaar het tentamen. De opleiding concludeert dat vooral de propedeuse goed te doen is in de gestelde tijd (4.55 uur per week aan de studie besteden (SD=9. Voor de stage en scriptie staan ieder vier maanden geprogrammeerd QANU / Psychologie / RU 133 . Studenten bevestigen dat statistiek in het eerste jaar geen struikelblok vormt door de goede begeleiding in de (gedifferentieerde) werkgroepen.). Master In de masteropleiding zijn twee cursussen geprogrammeerd met elk een studielast van een maand (6 studiepunten). In het tweede en derde jaar zijn meerdere vakken tegelijk ingeroosterd. Zij vinden dat het programma geen drempels bevat. de tentamens blijkt te kunnen halen. Bij het samenstellen van de studiegids wordt jaarlijks gecontroleerd of de afstudeerrichtingen een studeerbaar programma aanbieden. Bachelorstudenten met wie de commissie heeft gesproken noemen het bachelorprogramma ook goed te doen. Volgens de opleiding zijn de vakken Statistiek en Methoden voor veel studenten lastige vakken. Bij ‘Statistiek 1’ behaalt 99% van de studenten die de begeleiding optimaal gebruiken. steeds zelfstandiger te plannen. 005) blijkt dat studenten tevreden zijn over de studeerbaarheid (score 3. De opleiding heeft hierbij de begeleiding zodanig georganiseerd. De opleiding stelt zich ten aanzien van de gerealiseerde studielast op het standpunt dat zij de verantwoordelijkheid heeft een studeerbaar programma aan te bieden.4 op een vijfpuntsschaal. Verder moeten studenten de propedeuse hebben afgerond om aan het derde jaar te beginnen.68). De opleiding houdt bij de roostering van tentamens rekening met het feit dat veel studenten in het tweede jaar nog tentamens van eerstejaarsvakken moeten afleggen.

De commissie stelt daarentegen vast dat de gerealiseerde studielast in de bacheloropleiding volgens het onderzoek van de opleidingscommissie (3. Anderen melden dat de omvang van de stage (4 studiepunten) niet past bij de verwachtingen van de stage-instelling. De studielast is evenwichtig over de verschillende jaren gespreid. Echter de gerealiseerde studielast blijkt 134 QANU / Psychologie / RU . Voor de masteropleiding geldt dat de commissie vaststelt dat de eerste mastercohort een aantal logistieke problemen getrotseerd heeft. Om studievertraging bij de scriptie te voorkomen koppelt de opleiding het scriptieonderzoek zo veel mogelijk aan onderzoeksprojecten van de staf en schrijven studenten een scriptieplan waarin de planning is opgenomen. Studenten kunnen op ieder moment in het jaar met de stage en scriptie beginnen. Ook zijn er vanuit de verschillende afstudeerrichtingen groepsbijeenkomsten waarin scriptiestudenten periodiek bij elkaar komen om bevindingen te presenteren. met wie de commissie sprak. De cursus ‘Toegepaste onderzoeksmethoden’ wordt twee keer per jaar aangeboden. Ook van bachelorstudenten met wie de commissie sprak heeft zij begrepen dat het onderwijsprogramma best intensiever zou kunnen. bevestigen dit beeld. Die kunnen los van elkaar staan of gecombineerd worden. De opleiding geeft hiervoor in de zelfstudie een aantal mogelijke redenen. geven aan dat de combinatie van scriptie. De commissie beoordeelt dit facet voor de bacheloropleiding om genoemde redenen als voldoende. Masterstudenten met wie de commissie heeft gesproken. Bij sommige afstudeerrichtingen is de cursus bijvoorbeeld om inhoudelijke redenen later in het jaar geprogrammeerd. komt de gerealiseerde studielast niet overeen met de geprogrammeerde. Voor een aantal afstudeerrichtingen zijn er vanwege sterke toename van studenten wachttijden voor een stageplaats. doen studenten daar vaak langer over dan geprogrammeerd. Dit maakt een flexibele instroom vanuit de bacheloropleiding mogelijk. bijvoorbeeld de wensen van een stage-instelling voor een langere stageperiode of het feit dat de dataverzameling voor de scriptie niet binnen de beperkte tijd mogelijk is. In de zelfstudie geeft de opleiding aan dat deze programmering om verschillende redenen niet altijd realistisch blijkt. De commissie heeft geen struikelbokken geconstateerd. van oordeel dat studeerbaarheid van het bachelorprogramma goed is. Ten aanzien van de gerealiseerde studielast geeft de opleiding aan dat er bij een gecombineerde stage en scriptie in het algemeen weinig vertraging optreedt. omdat die gecombineerd kan worden met cursussen en de scriptie. De opleiding heeft gerealiseerd dat studenten die begeleiding volgen bij het statistiekonderwijs nagenoeg allemaal voor het tentamen slagen. Indien een student voor een langere stage kiest.(4 studiepunten). Vooral bij klinische stages wordt soms een stageomvang van tien maanden verlangd. Wanneer stage en scriptie apart uitgevoerd worden. De meeste studenten hebben volgens de opleiding een voorkeur voor een parttime stage. De stage kan fulltime of parttime worden ingevuld. Oordeel De commissie is op basis van de informatie uit de zelfstudie. Het programma oogt op papier studeerbaar. Dit verschilt volgens de studenten per afstudeerrichting. De studielast is evenwichtig verdeeld en de opbouw is logisch.55 uur per week) laag is. Docenten. De programmering gaat er van uit dat de studenten de eerste twee maanden de twee cursussen volgen en daarna met stage en scriptie beginnen. stage en methodologievak soms lastig is. de gesprekken met delegaties en de bestudering van het cursusmateriaal inclusief studiehandleidingen. Een aantal masterstudenten vindt de hulp bij het vinden van een stage voor verbetering vatbaar. van elkaars werk te leren en problemen te bespreken. Dit vindt de commissie voor een traditioneel struikelvak als statistiek uitzonderlijk. De opleiding treft maatregelen om een actievere studie-inzet te stimuleren.

Ook zij worden pas toegelaten na het Staatsexamen NT of het behalen van de ITN. 41-49 instromers per jaar met hbo-propedeuse). Master Studenten die een bachelordiploma Psychologie in Nijmegen hebben behaald worden ongeconditioneerd toegelaten tot de (corresponderende afstudeerrichting binnen de) masteropleiding Psychologie. Om de aansluiting van de opleiding op de vooropleiding van vwo-instromers te verbeteren bestaan er plannen om in het nieuwe onderwijsprogramma hieraan extra aandacht te besteden in een practicum academische vaardigheden.vanwege uitloop van stage en scriptie veelal niet in overeenstemming met de geprogrammeerde studielast. De rendementen van deze studenten wijken niet af van de rendementen van Nederlandse studenten. De opleiding geeft in de zelfstudie een overzicht van de studenteninstroom over de afgelopen jaren. Uit slagingspercentages in de zelfstudie blijkt dat studenten met een hbo-propedeuse als vooropleiding over het algemeen minder goed presteren dan vwo-studenten. 08-19 instromers per jaar met vwo-vooropleiding. een hbo-propedeuse of een hbo-einddiploma. In 006-007 wordt de numerus fixus landelijk ingevoerd. Voor studenten met een vwo-vooropleiding betreft dit in hetzelfde onderzoek 43-47% (periode 1998-000. Tot slot kunnen studenten van 1 jaar of ouder via een colloquium doctum worden toegelaten. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. kunnen in de masteropleiding instromen. Studenten die elders een universitair bachelordiploma Psychologie hebben behaald. Duitse studenten hebben altijd een ‘Abitur’ met ten minste wiskunde tot en met het laatste jaar. Van de instroom bestaat 10% uit Duitse studenten. HBO-propedeuse of daarmee vergelijkbare kwalificaties. mits zij voldoende kennis hebben QANU / Psychologie / RU 135 . Slechts 14-17% van de instroom met een hbo-propedeuse behaalt na één jaar de propedeuse. Nijmegen heeft in 005-006 een numerus fixus ingesteld met een maximum van 450 studenten. WO-master: bachelor en eventueel (inhoudelijke) selectie. blijkend uit toelatingsonderzoek. Zo is zij een informeel samenwerkingsverband aangegaan met Saxion Hogescholen in Deventer en Enschede om hbo-studenten na de propedeuse beter te kwalificeren voor de bacheloropleiding Psychologie in Nijmegen via een ‘pluspakket’. Bachelor Tot de bacheloropleiding Psychologie worden studenten toegelaten die in het bezit zijn van een vwo-diploma. F8:­Instroom Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten: WO-bachelor: VWO. Het grootste deel van de instromende studenten is in het bezit van een vwo-diploma. Uit de slagingspercentages blijkt volgens de zelfstudie dat zij in het algemeen goed gekwalificeerd zijn voor de opleiding: gemiddeld haalt 45% de propedeuse in één jaar en bijna 75% in twee jaar. De opleiding tracht door een goede voorlichting deze groep studenten ervan te weerhouden zich in te schrijven. Hieruit blijkt dat deze zowel landelijk als in Nijmegen sterk is toegenomen. Studenten met een buitenlandse vooropleiding moeten het Staatsexamen NT of de Interuniversitaire Taaltoets (ITN) hebben behaald. Omdat de effecten hiervan beperkt zijn zoekt de opleiding tevens naar andere oplossingen. De commissie verwijst hiervoor naar het algemeen deel van dit rapport.

Via de website en brochures kunnen studenten informatie verkrijgen over de opleiding. De opleiding heeft in 004 een instroomenquête uitgevoerd.en masteropleiding de juiste toelatingsvereisten worden gehanteerd. De meeste studenten in de masteropleiding hebben de bacheloropleiding Psychologie in Nijmegen gevolgd of zijn hiermee bezig. Individuele vragen worden door de studieadviseurs afgehandeld. meeloopdagen en een herfstvakantiecursus. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed. afhankelijk van de opleiding. gedifferentieerde werkgroepen bij het statistiekonderwijs aangeboden. en is van mening dat dit een realistisch beeld geeft van de opleiding. Zo worden voor instromende studenten.b. 136 QANU / Psychologie / RU . Voor de bacheloropleiding is een diploma op vwoof hbo-niveau vereist en voor de masteropleiding een wo-bachelordiploma Psychologie.van de afstudeerrichting die zij willen volgen. de omvang van het curriculum: WO-bachelor: in de regel 180 studiepunten. De eerste mastercohort (005-006) bestond uit een instroom van 08 studenten. weten zij beter wat de studie inhoudt.t. Hieruit blijkt van de geënquêteerde studenten (N=375) 5% van tevoren (zeer) goed te weten wat de studie inhoudt. De commissie heeft een aantal voorbeelden van het voorlichtingsmateriaal ingezien. zoals voorlichtingsdagen. WO-master: minimaal 60 studiepunten. studiebeurzen. Het masterprogramma omvat 60 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. Nijmeegse bachelorstudenten kunnen met het masteronderwijs beginnen als zij de eerste twee jaar en ten minste 40 studiepunten van het derde jaar van de bacheloropleiding hebben behaald (doorstroomregeling). Voorlichting bachelor en Master De opleidingen participeren in een aantal voorlichtingsactiviteiten. Uit de instroomenquête blijkt ook dat een kleine meerderheid van de studenten (zeer) goed van tevoren op de hoogte is van de inhoud van de opleiding. Verder besteedt de opleiding aandacht aan verbetering van de instroomkwalificaties van instromers met een hbo-propedeuse via de samenwerking met Saxion Hogescholen. afhankelijk van het niveau van wiskundebeheersing. Het bachelorprogramma omvat 180 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. De commissie stelt vast dat de bacheloropleiding op adequate wijze inspeelt op het niveau van de instroom. F9:­Duur De opleiding voldoet aan formele eisen m. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Hiervan was 66% in het bezit van het bachelordiploma en had 34% gebruikgemaakt van de doorstroomregeling vanuit de bacheloropleiding. Naarmate studenten meer voorlichtingsbijeenkomsten bijwonen. Oordeel De commissie stelt vast dat voor de instroom in de bachelor. Met stage en scriptie kan pas begonnen worden als de bachelorthesis is afgerond. Vier afstudeerrichtingen stellen hierbij nadere eisen in de vorm van specifieke bachelorcursussen die moeten zijn gehaald. De commissie waardeert de voorlichting over de masteropleiding voor de Nijmeegse bachelorstudenten als positief (zie verder F16). De commissie vindt dit duidelijke pluspunten en waardeert dit facet voor de bacheloropleiding daarom met een ‘goed’.

Psychologie hanteert bij SAO als norm twaalf contacturen in het eerste jaar en tien contacturen in het tweede jaar. De bacheloropleiding wordt afgesloten met een bachelorwerkstuk van 6 studiepunten. niet gehaald. de werkwijze en de beoordelingscriteria zijn opgenomen. In het derde jaar hanteert de opleiding het didactisch concept van ‘specialistisch onderwijs’. Deze kunnen een kleine compensatie op het tentamen geven. Alle cursussen beschikken over een elektronische leeromgeving (Blackboard) met aanvullende informatie en gelegenheid voor vragen en discussie. leerdoelen kunnen formuleren en de stof op een actieve wijze kunnen verwerken. waarin de doelen. Hierbij wordt niet meer gewerkt met studiehandleidingen omdat nu van studenten wordt verwacht dat zij zelf hoofd. De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept. vanwege ongunstige staf-studentratio. Voor elke cursus in de SAO-opzet zijn in de studiehandleiding de doelstellingen. Hierin staan de leeractiviteiten van studenten centraal.en bijzaken kunnen onderscheiden. de studieplanning en organisatorische informatie voor de cursus opgenomen. De opleiding Psychologie heeft deze norm de afgelopen jaren. In deze fase wordt het onderwijs. Deze kan bestaan uit een reviewartikel. besteedt de opleiding speciale aandacht aan het statistiek. werkgroep. vaak verrijkt met gastcolleges (bijvoorbeeld uit de praktijk). Aansluitend bij deze doelstelling hanteert de opleiding voor de eerste twee jaar het didactisch concept van studentactiverend onderwijs (SAO). De opleiding biedt voor studenten die dit lastige vakken vinden. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Bij het studentactiverend onderwijs worden de volgende werkvormen gehanteerd: hoorcollege. een onderzoeksopzet of het verslag van een empirisch onderzoek. Zoals bij F7 al aangegeven.en methodenonderwijs. Zij geeft aan dat met behulp van nieuwe intensiveringsgelden (zie nieuwe ontwikkelingen onder . Studenten worden in werkgroepen gezamenlijk begeleid bij het schrijven van het bachelorwerkstuk. zelfstudieopdrachten. zelfstudieopdracht. responsiecollege en toetsing. Daarnaast worden zij inhoudelijk individueel begeleid. audiovisuele presentaties en demonstraties. In de zelfstudie geeft de opleiding een overzicht van de contacturen per werkvorm en zelfstudietijd per studiejaar. De opleiding geeft aan dat bij een cursus in SAO-opzet de studiehandleiding centraal staat. QANU / Psychologie / RU 137 .Oordeel Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. In het derde jaar wordt er vaker gewerkt in kleine groepen. practicum. aldus de zelfstudie. waardoor er meer gelegenheid is voor communicatie tussen studenten onderling en tussen student en docent. Bachelor De centrale doelstelling van de bacheloropleiding is dat studenten actieve kennis en vaardigheden verwerven die hen in staat stellen een aansluitende masteropleiding te volgen en hen te trainen in intellectuele en professionele basisvaardigheden. F10:­Afstemming­tussen­vormgeving­en­inhoud Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen.) de contacturen in het eerste jaar zullen worden uitgebreid naar vijftien uur. Voor het bachelorwerkstuk is een leerplan ontwikkeld. Studenten besteden de meeste tijd aan zelfstudie. intensieve werkgroepen met veel zelfstudieopdrachten aan.

gebaseerd op het principe van ‘zelfstandigheid met beperkte begeleiding’. is boven de Psychologie-norm voor SAO. De opleiding biedt begeleiding bij het opstarten van de stage. Zo worden bij ‘toegepaste onderzoeksmethoden’ alleen hoorcolleges en zelfstandige oefeningen aangeboden. Oordeel De commissie vindt de toename in zelfstandigheid gedurende de bachelor. die het grootste gedeelte van het masterjaar vormen. maar heeft in de gesprekken ook gemerkt dat dit concept niet echt geland is bij de docenten van de opleiding. Met de afgeronde scriptie beschikt de student volgens de opleiding over een werkstuk waarmee hij of zij zich op de arbeidsmarkt kan presenteren als wetenschappelijk geschoold psycholoog. Bij de twee cursorische onderdelen van de masteropleiding staat ook zelfstandigheid voorop. Het streven van de opleiding naar vijftien contacturen per week in deze eerste fase. De commissie vindt het didactisch concept van SAO in de basis een aanvaardbare keuze voor de eerste twee jaar van de bacheloropleiding. De opleiding geeft aan dat dit concept vooral tot uiting komt in de stage en de scriptie. In de regel heeft de student één uur per week supervisie. De scriptie vormt de integratieve afsluiting van de masteropleiding. Bij sommige afstudeerrichtingen zijn er nog aanvullende contacturen. en vooral de werkgroepen en practica nemen in de laatste fase van de bacheloropleiding af en de zelfstudie neemt toe.Master Het didactisch concept in de masteropleiding is. 138 QANU / Psychologie / RU . De onderzoeksstages zijn bijna altijd gekoppeld aan de scriptie en worden meestal intern gelopen. De werkvormen die de opleidingen hanteren zijn gevarieerd en sluiten naar het oordeel van de commissie aan bij de didactische uitgangspunten. De praktijkstage is erop gericht dat studenten leren functioneren in een arbeidssetting op het werkterrein van de afstudeerrichting. In de masteropleiding bestaan de werkvormen vooral uit hoorcolleges. In de zelfstudie geeft de opleiding per afstudeerrichting een aantal mogelijke invullingen van een dergelijke stage. door te participeren in onderzoek van de afstudeerrichting. Het aantal contacturen. Via de stage.en aansluitend de masteropleiding adequaat passen bij de doelstellingen van beide opleidingen. De functie van het bachelorwerkstuk in de bacheloropleiding en de stage en scriptie in de masteropleiding is een afsluitende proeve van bekwaamheid. Het studentactiverend onderwijs in de eerste twee jaar van de bacheloropleiding wordt gekenmerkt door meer intensieve sturing van leerprocessen vanuit de opleiding.respectievelijk individuele begeleiding hierbij. aldus de zelfstudie. De begeleiding bij een externe stage vindt voornamelijk op de stageplek plaats. is de kwaliteit naar het oordeel van de commissie toereikend gewaarborgd.en scriptieregelingen en de groeps. zoals het volgen van colloquia of het houden van een referaat over het scriptieonderzoek. Nu biedt de opleiding nog minder contacturen aan dat de Psychologie-norm stelt. het oplossen van eventuele problemen en feedback op het stageverslag. De commissie vindt de keuze voor specialisatie leren in het derde jaar van de bacheloropleiding en het principe van zelfstandigheid met beperkte begeleiding voor de masteropleiding. Zo wordt in de loop van de opleiding een steeds zelfstandiger sturing van de student voor zijn eigen leerprocessen verwacht. onder andere via de studiehandleidingen. De werkvorm bestaat voornamelijk uit individuele begeleiding bij de werkzaamheden. De scriptie is de weerslag van een empirische studie. adequaat aansluiten bij het SAO en passend voor de fase van de opleiding en de doelstellingen die worden nagestreefd. Voor deze onderdelen bestaat de werkvorm voornamelijk uit zelfwerkzaamheid onder individuele begeleiding. De stage kan een praktijk. zelfstudie en individuele begeleiding. Voor stage en scriptie zijn per student vijftig begeleidingsuren voor de docent beschikbaar.of onderzoeksgerichte stage betreffen. Bij een interne stage vindt de begeleiding vanuit de opleiding plaats. De werkvormen van de mastercursussen van de afstudeerrichtingen verschillen. De commissie waardeert het positief dat extra middelen worden ingezet in de eerste fase van de opleiding om de contacturen te intensiveren.

Leerdoelen op het gebied van vaardigheden worden veelal getoetst door middel van verslagen. vaardigheden en attitudevorming gerealiseerd heeft. Verder geeft zij aan dat zij zich bezint op een meer expliciete toetsing van de academische attitude van een student. werkstukken en referaten. eisen en beoordelingscriteria zijn omschreven. De opleiding legt in de zelfstudie een relatie tussen de leerdoelen en toetsvormen. Het bachelorwerkstuk heeft de vorm van een individueel werkstuk. De opleiding legt in de zelfstudie een relatie tussen de leerdoelen en toetsvormen.Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Bachelor In de zelfstudie heeft de opleiding per cursusonderdeel de toetsvormen aangegeven. opdracht en casusbeschrijving. opdrachten en casusbeschrijvingen. Er is een scriptiereglement waarin de leerdoelen. referaat. verslag. Per afstudeerrichting verschilt de variant die de student voor het werkstuk kan kiezen (een reviewartikel. referaten en verslagen vindt volgens de opleiding impliciet de toetsing van leerdoelen met betrekking tot de academische attitudevorming plaats. werkstuk. Zij geeft aan dat zij deze zal meenemen in de plannen om vooral explicieter de wetenschappelijke attitude te toetsen. De stage wordt getoetst aan de hand van een lijst van toetsingscriteria en via het stageverslag. De docent beoordeelt het eindproduct en de wijze waarop de student heeft getoond om zelfstandig vanuit een theoretisch kader een onderzoeksvraag te formuleren en te operationaliseren. Bij een aantal onderdelen worden toetsvormen gecombineerd. Dit betreft de toetsvormen: afsluitend schriftelijk tentamen. De vaardigheid om zelfstandig een empirisch onderzoek uit te voeren (eindkwalificatie 3) wordt via de methodencursus en via de scriptie getoetst. Het bachelorwerkstuk wordt door de begeleider beoordeeld op basis van het proces. zie F1) geschiedt met behulp van een tentamen bij de theoretische mastercursus en in de scriptie. In de eerste twee jaar betreffen dit voornamelijk groepsproducten en in het derde jaar meestal individuele verslagen en opdrachten. een onderzoeksopzet of het verslag van een empirisch onderzoek). QANU / Psychologie / RU 139 . Bij de beoordeling van werkstukken. Dit betreft voor de bacheloropleiding Psychologie de toetsvormen: afsluitend schriftelijk tentamen (open vragen of multiple choice). F11:­Beoordeling­en­toetsing Door de beoordelingen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Vanwege de grote studenten aantallen in de propedeuse wordt hier vooral gebruikgemaakt van multiplechoicetentamens. Met de onderwijsinvesteringsgelden van het College van Bestuur wil de opleiding in het eerste jaar meer gebruikmaken van openvragententamens voor de toetsing van kennis en inzicht en van individuele verslagen en individuele opdrachten voor de toetsing van de vaardigheden. Toetsing van de afstudeerrichtingspecifieke kennis (eindkwalificaties 1 en . toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd. opdracht en scriptie. de inhoud en de vorm. Voor alledrie de onderdelen zijn criteria ontwikkeld die zijn neergelegd in een beoordelingsformulier. Master Ook voor de masteropleiding heeft de opleiding in de zelfstudie per onderdeel aangegeven hoe getoetst wordt. waarin getoetst wordt of een student de beoogde eindkwalificaties qua kennis en inzicht. Leerdoelen op het gebied van kennis en inzicht worden veelal getoetst via tentamens. De opleiding heeft een inventarisatie uitgevoerd van de toetsingsprocedures rondom stages en scripties bij de afstudeerrichtingen.

Bij verschil van mening over de beoordeling tussen student en docent. dat studenten in de regel redelijk tevreden zijn over de informatie over de toetsing. toelating van studenten tot tentamens. Oordeel De commissie is van oordeel dat in de zelfstudie op zorgvuldige en adequate wijze aannemelijk is gemaakt dat de toetsing qua vorm aansluit bij de leerdoelen van de opleidingen. Deze vergadert vijf à zes keer per jaar. waarna studenten de resultaten ook online kunnen raadplegen. De examencommissie treedt hierbij proactief op. De commissie heeft een selectie van toetsen en beoordelingen ingezien en vindt dat deze voldoende aansluiten bij de inhoud van het programma. Ten aanzien van het toetsbeleid houdt de examencommissie zich onder andere bezig met het aanpassen van de OER. kan de student in beroep gaan bij de examencommissie en het college van beroep voor de examens (CBE). Bij de beoordeling van de scriptie en stage wordt gebruikgemaakt van beoordelingsformulieren die geënt zijn op de criteria die in het scriptie. Tentamenuitslagen worden bekendgemaakt via ad-valvasborden en verwerkt in het studievoortgangsregistratiesysteem. De bachelor. Zo wordt de uitslag van een schriftelijk tentamen binnen vijftien werkdagen na de tentamendatum bekendgemaakt en geldt voor werkstukken en tentamens met open vragen bij meer dan honderd deelnemers een maximale nakijktermijn van twintig werkdagen. behandeling van bezwaarschriften. deze wordt vanwege grote studentenaantallen wel eens overschreden. De herkansing vindt bij voorkeur plaats na de onderwijsvrije periode. Bachelor en Master De regelingen betreffende de organisatie van de toetsing zijn opgenomen in de OER. De wijze van beoordeling is zo veel mogelijk geëxpliciteerd en controleerbaar voor studenten. Er zijn nakijktermijnen vastgelegd voor de verschillende toetsvormen. Studenten hebben recht op inzage van toetsen en beoordelingen. het vaststellen van een regeling voor de gang van zaken tijdens een tentamen en het vaststellen van de uitslag van een tentamen. De opleidingen evalueren de toetsing en de beoordeling via vragenlijsten en panelgesprekken met studenten.c.De scriptie wordt beoordeeld door de begeleidende docent en een tweede beoordelaar. Bij werkstukken. Indien een cursus door meerdere docenten wordt verzorgd. De examencommissie is belast met de aanwijzing van examinatoren. Zo wordt bijvoorbeeld de gehanteerde normering voor multiplechoicetentamens bekend gemaakt en vindt bij openvragententamens beoordeling plaats aan de hand van een antwoordstramien.en masteropleiding hebben één gezamenlijke examencommissie. aldus de zelfstudie. formuleren van criteria voor de judicia ‘met lof ’ en ‘met genoegen’ bij examens. Uit de panelgesprekken blijkt enige onvrede over de termijn van de bekendmaking van de toetsresultaten. stagereglement zijn vastgelegd. verslagen en opdrachten zijn beoordelingscriteria geformuleerd waaraan het eindproduct moet voldoen. de formulering van de tentamenvragen en de relatie tussen de tentamenvragen en de leerdoelen van de cursus. bijvoorbeeld door de antwoordstramienen en normeringen bij tentamens en door de beoordelingsprotocollen en 140 QANU / Psychologie / RU . Hieruit blijkt. De toetsing vindt in de regel direct na afloop van de cursus plaats.q. en het formuleren van plannen voor de kwaliteitsborging van tentamens. De opleiding beschrijft in de zelfstudie een aantal maatregelen om de consistentie van beoordeling te borgen. wordt de toetsing gezamenlijk ontwikkeld en is er sprake van intercollegiale afstemming. Professionele vaardigheden en attitude (eindkwalificatie 4) worden vooral in de stage getoetst. De commissie stelt vast dat op verschillende wijze wordt zorggedragen voor consistentie in de toetsing.

7 fte voor onderwijs). Volgens de zelfstudie zijn er twaalf hoogleraren (4.1 fte) en  ud’s (9. Zij verzorgen met name het vaardighedenonderwijs in de opleiding. Tot slot zijn elf promovendi (1. van hen is 40% gepromoveerd en zijn er 6 docenten (6.en masteropleiding Psychologie te verzorgen.1 fte) betrokken bij het verzorgen van onderwijs. QANU / Psychologie / RU 141 .1 fte).en toetsbeleid aan het verbeteren is. Het NICI is in de laatste onderzoeksvisitatie goed beoordeeld. In de zelfstudie wordt een overzicht gegeven van het aantal personen en fte’s die zijn aangesteld om het onderwijs in bachelor. Daarnaast zijn er tien docenten in vaste dienst (5.4 fte) met een tijdelijke aanstelling.­ Inzet­van­personeel F12:­Eisen­WO De opleiding sluit aan bij de volgende criteria voor de inzet van personeel van een WO-opleiding: Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied. In de zelfstudie is eveneens een overzicht opgenomen van de onderzoekspecialismen en praktijkrelaties van elke docent. De commissie heeft in de gesprekken begrepen dat ten tijde van het visitatiebezoek bij alle afstudeerrichtingen in de masteropleiding met een tweede beoordelaar wordt gewerkt. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De opleiding geeft aan dat ook het BSI positief is geëvalueerd. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Programma’ voor de bachelor. van hen is 7. De commissie ondersteunt deze bevinding. ofwel bij het KNAW-erkende onderzoekinstituut Nijmeegs Instituut voor Cognitie en Informatie (NICI) of bij de facultaire onderzoekschool Behavioural Science Institute (BSI).2.3. Zij zijn allen gepromoveerd en hebben naast hun onderwijsaanstelling een onderzoeksaanstelling. Dit betreft dit totaal 95 medewerkers (3. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. veertien uhd’s (6. Op basis van dit gesprek stelt de commissie vast dat de examencommissie volgens haar wettelijke taak functioneert en zich daarbij proactief opstelt.tweede beoordelaar bij de scripties.7% gepromoveerd. In december 005 is voor het BSI KNAW-erkenning aangevraagd.3 fte). Zij zijn eveneens werkzaam bij de genoemde onderzoeksinstituten. De commissie heeft gesproken met een afvaardiging van de examencommissie. Alle beoordelingen lagen tussen de 4 en de 5 (op een vijfpuntsschaal). Zij beoordeelt dat positief. Een aantal van deze docenten is eveneens werkzaam in de professionele praktijk. 3. Van studenten heeft de commissie begrepen dat het verschaffen van tijdige feedback een verbeterpunt betreft. De examencommissie richt zich hierbij vooral op het meer structureren van de heterogene situatie die in de afgelopen jaren is ontstaan door relatief grote autonomie van de individuele docent. De visitatiecommissie waardeert het positief dat de examencommissie bijvoorbeeld het examen. De organisatie van de toetsing is naar het oordeel van de commissie op adequate wijze vastgelegd in de OER.7 fte).en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende.

en gammafaculteiten. Sinds het gereedkomen van de zelfstudie is er ongeveer 4.5) voor één jaar aangesteld. Deze middelen zijn vooral bedoeld voor de intensivering van het onderwijs in het eerste jaar en zullen een structureel karakter krijgen. De opleiding heeft er bewust voor gekozen een aantal docenten aan te stellen die eveneens werkzaam zijn in de psychologische beroepspraktijk. in totaal 3. Zoals gezegd is er. De opleiding heeft de commissie laten weten dat voor het derde jaar van de bacheloropleiding en het masterjaar in de komende twee studiejaren telkens 6 fte extra worden ingezet vanuit de beschikbare reserves. 14 QANU / Psychologie / RU .5 fte). Met de structurele middelen van het College van Bestuur kan de staf met 11. De commissie concludeert dat de opleidingen goed voldoen aan de criteria die gelden voor dit facet. Oordeel De commissie heeft het overzicht van de medewerkers bestudeerd en concludeert ten eerste dat het merendeel van de docenten is gepromoveerd en onderzoek verricht in een programma van een erkende onderzoeksschool of van een goed beoordeeld onderzoeksinstituut. Voor de organisatie van het onderwijs zijn naast de onderwijsdirecteur (0. twee studieadviseurs Psychologie (. een managementassistent (0. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed.en practicumbegeleiders. volgens de zelfstudie. reeds uitgebreid met zeven medewerkers met een gecombineerde onderwijs-onderzoeksaanstelling. Tevens is er vanuit de faculteit een ambtelijk secretaris aan het onderwijsinstituut toegevoegd.5 fte uitgebreid worden.0 fte aan de onderwijsformatie toegevoegd.0 fte). op basis van de extra investeringsmiddelen (zie F13).Ten tijde van het bezoek was dit aantal. Vanaf januari 006 is aanvullend een medewerker kwaliteitszorg en intensivering (0. Deze ratio betrof (met de inzet van 5 fte studentassistenten en 0.7 fte beschikbaar voor het verzorgen van het onderwijs in de bachelor. aldus de zelfstudie. een assistente onderwijs (1. Ten tijde van het visitatiebezoek was voor intensivering van het onderwijs in het eerste en tweede jaar van de bacheloropleiding € 916. Studenten krijgen via deze docent-onderzoekers onderwijs van wetenschappelijke rolmodellen.000 toegekend.5 fte vanuit Kunstmatige Intelligentie en Wijsbegeerte) in de periode 00-005 gemiddeld 1:55 en voor het studiejaar 005-006 1:5.0 fte). Het is volgens de opleiding uitdrukkelijk beleid de beschikbaar gekomen structurele extra middelen in te zetten voor aanstellingen van hoge kwaliteit. F13:­Kwantiteit­personeel Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen. Dit betreft een tijdelijke maatregel vanwege de sterk gegroeide studentaantallen in de betreffende cohorten. Dit betekent een toekomstige staf-studentratio van 1:40. en enkele docenten.4 fte). en een coördinator eerste en tweede jaar (0.en masteropleiding Psychologie.5 fte) aangesteld. Het college van bestuur van de RU heeft in juli 005 extra financiële middelen toegezegd aan de alpha. De commissie heeft begrepen dat het overige deel van de intensiveringmiddelen zal worden ingezet voor het aanstellen van extra werkgroep. Anderzijds zijn er ook professionele rolmodellen in het onderwijs aanwezig. Als gevolg van deze maatregelen zal de ongunstige staf-studentratio op korte termijn verbeteren. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed.

In 005 waren de scores respectievelijk 3. Volgens de zelfstudie wordt de kwaliteit van het personeel gewaarborgd door een structureel personeelsbeleid. De commissie QANU / Psychologie / RU 143 .1. vanwege sterke groei van de studenten. onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma. Hierdoor is de begeleiding soms weinig uitdagend. Oordeel De commissie stelt vast dat studenten met wie zij heeft gesproken positief oordelen over de docenten.0 op een vijfpuntsschaal.6 en 4.5 en 4. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Zo is bijvoorbeeld de groepsgrootte van de werkgroepen verhoogd van 15 naar 5 studenten. Hiermee kunnen de opleidingen de staf-studentratio op een aanvaardbaar niveau van ongeveer 1:40 brengen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Bij de aanstelling van hoogleraren. De opleiding heeft dit opgevangen door tijdelijke aanpassingen in het programma. In benoemingsrapporten en voordrachten van sollicitatiecommissies worden onderwijskwalificaties altijd expliciet aan de orde gesteld.en masteropleiding vanuit de reserves is volgens de commissie toereikend om grote studentenaantallen in die cohorten te bedienen. Iedere docent kan in principe modulen uit de leergang basiskwalificatie volgen. waarin onder meer aandacht wordt besteed aan de uitvoering van de onderwijstaken. Uit de Tevredenheidsonderzoeken van de RU blijkt dat studenten Psychologie tevreden zijn over de docenten. Ook de tijdelijke investering in de laatste fase van de bachelor. De commissie waardeert het positief dat dit pijnpunt nu daadwerkelijk wordt aangepakt door structurele investeringen. Vakinhoudelijk zijn zij goed onderlegd. onvoldoende onderwijsgevend personeel konden inzetten voor de uitvoering van de onderwijsprogramma’s.Oordeel De commissie stelt vast dat de opleidingen de afgelopen jaren. Indien wenselijk worden afspraken gemaakt over scholing en training. Volgens de zelfstudie wordt er door veel docenten gebruikgemaakt van het scholingsaanbod op het gebied van didactiek en ICT in het onderwijs. Jaarlijks wordt met elk staflid een functioneringsgesprek gevoerd. Studenten beoordelen de didactische kwaliteiten en vakinhoudelijke deskundigheid in 004 met respectievelijk 3. De commissie heeft de specialisaties van de staf bestudeerd en is van oordeel dat de expertises van het docententeam gezamenlijk een voldoende breed domein bestrijken om de onderwijsprogramma’s uit te voeren. maar didactisch hebben zij weinig ervaring. met als doel de onderwijscriteria te actualiseren en voorstellen te doen om de professionalisering van docenten te stimuleren. In januari 006 is een facultaire werkgroep Docentprofessionalisering gestart. uhd’s en ud’s worden – naast onderzoekscriteria – schriftelijk vastgestelde onderwijscriteria gehanteerd. Docenten zijn laagdrempelig benaderbaar en zij geven op hoog niveau onderwijs. Met deze maatregelen is naar het oordeel van de commissie voldoende menskracht beschikbaar voor het verzorgen van beide opleidingen. F14:­Kwaliteit­personeel Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke. aldus de studenten. Kandidaat-hoogleraren moeten een proefvoordracht verzorgen. Over de studentassistenten zijn de studenten met wie de commissie sprak kritischer. Nieuw aangestelde onderzoekers en promovendi met een onderwijstaak zijn verplicht de basiskwalificatie onderwijs te behalen.

Uit tevredenheidsonderzoek blijkt dat studenten de gebruikte onderwijsruimten met 3. De capaciteit varieert van twaalf tot zestig zitplaatsen.3 op een vijfpuntsschaal waarderen. De commissie concludeert dat de opleidingen voldoen aan de criteria voor dit facet.beoordeelt het structurele personeels. telt de bibliotheek twaalf stiltewerkplekken met een pc. Onderwijskwalificaties spelen bij benoeming en beoordeling een expliciete rol en er zijn voldoende mogelijkheden voor ontwikkeling en professionalisering. Er zijn zes computerruimten (totaal negentig pc’s) voor cursussen waarin gebruik wordt gemaakt van computers. Ook volgens de opleiding zijn in het Spinozagebouw nog verbeteringen mogelijk. waarvan twee met een capaciteit van 174 personen en één met een capaciteit van driehonderd personen. In dit gebouw bevinden zich vrijwel alle voorzieningen voor studenten.­ Voorzieningen F15:­Materiële­voorzieningen De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren. kunnen studenten hiervan vrij gebruikmaken. Voor studenten in de afstudeerfase is er een ‘scriptiewerkplaats Psychologie’ met 144 QANU / Psychologie / RU . Het klimaat in de werkkamers en de onderwijsruimten is hierdoor volgens de zelfstudie sterk verbeterd en het gebouw is toegankelijk gemaakt voor medewerkers en studenten met een lichamelijke beperking. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Het Spinozagebouw heeft drie grote collegezalen. De opleidingen zijn gehuisvest in het Spinozagebouw op de campus van de RU. Alle zalen zijn voorzien van een beamer. en zijn er twaalf internetzuilen beschikbaar. Studenten met wie de commissie sprak hebben behoefte aan meer kleine ruimten om in groepjes samen te werken aan opdrachten. waarin de grootste zaal een capaciteit heeft van 43 plaatsen. Verder is er een pc-park met zeventig pc’s. In dat geval werden colleges tweemaal gegeven of via een projectiescherm doorgekoppeld naar een andere zaal. nog niet optimaal en zijn sommige nieuwe onderwijsruimten soms niet zo praktisch ingericht. Het Spinozagebouw heeft tien werkgroepruimten voorzien van overheadprojector en veelal internetaansluiting. Het Spinozagebouw is in 005 grootschalig gerevitaliseerd. Beamers en laptops kunnen geleend worden.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. Zo zijn de onderwijsfaciliteiten op de eerste verdieping.2. Als deze computers niet gereserveerd zijn voor onderwijs. Dit geeft volgens de opleiding weinig problemen. die niet bij revitalisering zijn betrokken. De afgelopen jaren waren er ook grotere groepen studenten dan de grootste zaalcapaciteit. 3. Het aantal pc’s en printers voor studenten is in 004 uitgebreid: in totaal zijn er voor de studenten van de faculteit nu ruim driehonderd pc’s beschikbaar (ten opzichte van tweehonderd in 000) en zes printers. Ook voor kleine zalen wordt geregeld uitgeweken naar andere gebouwen.4. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Inzet van personeel’ voor de bachelor. De opleiding kan bij grotere studentenaantallen uitwijken naar zalen in het Collegezalencomplex.en scholingsbeleid van de opleidingen positief.

vindt de commissie de voorzieningen goed toereikend om het onderwijs te realiseren. lenen en raadplegen van boeken en tijdschriftartikelen. Van het sick building--syndroom is geen sprake meer.4 op een vijfpuntsschaal. De bibliotheek heeft een abonnement op circa vijfhonderd tijdschriften. heeft de commissie een positieve indruk van de onderwijsfaciliteiten gekregen. De bibliotheekcollectie Psychologie is ondergebracht in de bibliotheek Gedragswetenschappen in het Spinozagebouw. Volgens de zelfstudie wordt Blackboard bij ongeveer 80% van de cursussen actief ingezet. Dit betrof begin 004 nog een .000 boeken en 14.000 tijdschriftbanden.en personeelsonderzoek. Ook zijn in de testotheek dertig werkplekken beschikbaar.8 pc’s. waarin de cursusinformatie uit de studiegids en de actuele roosterinformatie te vinden zijn. Eveneens kunnen studenten gebruikmaken van het Ambulatorium van het Academisch Centrum Sociale Wetenschappen. Studenten zijn tevreden over de bibliotheek (gemiddelde score 3. de laboratoria.C.7. De algemene studievereniging (de Psychologenbond) en alle studieverenigingen die verbonden zijn aan een afstudeerrichting. Dit is vooral relevant voor studenten Biologische en Cognitieve Psychologie. De bibliotheek biedt studenten. Voor een aantal practica en voor het onderzoek in de afstudeerfase maken studenten gebruik van diverse laboratoria. Studenten van de medezeggenschapsorganen beschikken over een eigen ruimte waarin zij kunnen vergaderen en een archief kunnen aanleggen. beroepskeuze. De faculteit heeft een professionaliseringsproject uitgevoerd om alle stafleden de noodzakelijke ICT-basisvaardigheden te verschaffen en hen te leren werken met Blackboard.9 op een vijfpuntsschaal). Oordeel Uit de rondleiding langs onder meer de onderwijsruimten. Studenten in andere afstudeerrichtingen kunnen gebruikmaken van experimenteerruimten en het in 005 geopende BSI-lab. Donders Centre for Cognitive Neuroimaging. hebben eveneens de beschikking over een eigen secretariaatsruimte in het Spinozagebouw. Voor iedere cursus wordt standaard een cursusomgeving aangemaakt. en de faciliteiten voor de studieverenigingen. Daarnaast is er een verzameling studieboeken. Er zijn voldoende grote zalen voor hoorcolleges QANU / Psychologie / RU 145 . naast het kunnen zoeken. Een toenemend aantal tijdschriften binnen de RU (inmiddels ruim 6000) is elektronisch full text beschikbaar. Zij kunnen gebruikmaken van geavanceerde apparatuur en laboratoriumruimten. De opleidingen maken gebruik van Blackboard als digitale leeromgeving. De opleiding onderzoekt verder de mogelijkheden voor het ‘podcasten’ van colleges. bijvoorbeeld voor de cursus ‘Klinische psychodiagnostiek’ in het derde bachelorjaar. De collectie is groot en bestaat uit 1000 verschillende tests en naslagwerken en is ter plaatse te raadplegen via een geautomatiseerde catalogus. circa honderd werkplekken om in stilte te studeren. de bibliotheek. De testotheek biedt voor een aantal vaardigheidscursussen ondersteuning. In het Spinozagebouw is een goed geoutilleerde testotheek aanwezig die voorzien is van testmaterialen die gebruikt worden in de praktijk van klinisch-psychologische diagnostiek. De collectie omvat ongeveer 40. waaronder neuropsychologische diagnostiek. naslagwerken en afstudeerscripties raadpleegbaar. Ondanks het feit dat er ten aanzien van een aantal onderwijsruimten nog verbeteringen mogelijk zijn. Voor neuroimaging onderzoek kunnen zij ook gebruikmaken van de faciliteiten van het F. Zij stelt vast dat de onderwijsvoorzieningen met de revitalisering van het Spinozagebouw aanzienlijk zijn verbeterd ten opzichte van de vorige visitatie. Studenten beoordelen de computervoorzieningen in het tevredenheidsonderzoek met een 3.

Dit gebeurt volgens de zelfstudie niet bij alle afstudeerrichtingen op systematische wijze. Met de investeringsgelden (zie . De commissie is van oordeel dat er voldoende studiewerkplekken en pc’s beschikbaar zijn. Studenten wordt na het tussentijdsadvies en het eindadvies de mogelijkheid geboden een afspraak te maken met een studieadviseur. F16:­Studiebegeleiding De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten zijn adequaat met het oog op studievoortgang. De commissie concludeert dat de opleidingen goed aan de criteria voor dit facet voldoen.. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed. Ook de beschikbaarheid van het Ambulatorium voor onderwijsgerelateerde activiteiten vindt de commissie goed. Dit is een elektronisch studievoortgangssysteem waarin studenten online hun eigen resultaten kunnen raadplegen en uitprinten. In het tweede jaar worden studenten nog niet systematisch geïnformeerd over hun studievoortgang. aldus de zelfstudie. De opleiding ervaart dit als zeer zinvol om tijdig bij te sturen. Deze reeks begint met een algemene voorlichting 146 QANU / Psychologie / RU . In het eerste jaar krijgen de studenten twee keer een studieadvies: in januari een tussentijds advies en aan het eind van het jaar een dringend (niet bindend) advies. dat alle studieresultaten worden geregistreerd in ISIS. Ten behoeve van de keuze van de afstudeerrichting organiseert de opleiding van januari tot juli een serie voorlichtingsbijeenkomsten. krijgt deze een negatief advies. De commissie heeft gehoord dat de opleidingen in beraad zijn voor mogelijke uitbreiding van kleine onderwijsruimten. De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten sluiten aan bij de behoefte van studenten. Bachelor Vóór aanvang van de bacheloropleiding is er een introductieperiode van anderhalve week. De opleiding meldt dat een actieplan voor monitoring in het derde jaar gereed is en in het voorjaar van 006 wordt besproken in de opleidingscommissie.) wil de opleiding een monitoringsysteem voor het tweede jaar ontwikkelen. Tijdens de introductie worden studenten geïnformeerd over de taken van het onderwijsinstituut en het aanbod van studiebegeleiding.en masteropleiding geldt. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed. Studenten kunnen voor onderzoeksactiviteiten adequaat gebruikmaken van laboratoria. waarin studenten kennismaken met de universiteit. de opleiding en de stad. Verder vindt de commissie dat de opleidingen over een goede bibliotheek en uitstekende testotheek beschikken. De eerstejaars worden opgevangen in mentorgroepen.beschikbaar. In het derde jaar van de bacheloropleiding wordt het toezicht op de studievoortgang uitgevoerd door een staflid van de afstudeerrichting.en afsprakenspreekuur en kunnen doorverwijzen naar universitaire diensten zoals de studentendecanen en studentenpsychologen. Voor uitvoering kleinschalige werkgroepen en practica kunnen de opleidingen gebruikmaken van goed toegeruste ruimten in het Spinozagebouw en verder op de campus. Als de student aan het einde van het jaar minder dan 50% van de studiepunten heeft gehaald. Studenten van de bacheloropleiding kunnen bij problemen of vragen altijd terecht bij een van de twee studieadviseurs. Zij hebben een inloop. Voor de bachelor. Zij krijgen één keer per jaar een overzicht toegestuurd. De commissie waardeert het bijzonder dat de opleidingen zeer open en toegankelijke ruimten beschikbaar hebben gesteld voor studieverenigingen.

De meeste afstudeerrichtingen hebben verder een stage. Master In de masteropleiding is de studieadviseur het eerste aanspreekpunt voor studenten wanneer er problemen of vragen zijn. Oordeel De commissie stelt vast dat de opleidingen een adequaat systeem hanteren voor studievoortgangsregistratie (ISIS). Via KISS kunnen zij zich inschrijven voor cursussen en tentamens en eigen resultaten raadplegen. Vanaf het studiejaar 006-007 is uitsluitend een digitale versie van de studiegids beschikbaar.over de inrichting van het derde jaar en van de masteropleiding. Ook is het informatiepunt internationalisering ondergebracht in het ODC. Studenten kunnen digitaal 4 uur per dag hun studievoortgang inzien via het systeem KISS. Daarna hebben alle afstudeerrichtingen een middag tot hun beschikking om informatie over hun programma en arbeidsmarktperspectieven te geven. QANU / Psychologie / RU 147 . Hij of zij kan voor vragen of problemen terecht bij de studieadviseur of het onderwijsdienstverleningscentrum. Bij problemen die rechtstreeks te maken hebben met de afstudeerrichting. wordt het initiatief voor meer actieve studiebegeleiding bij de student gelegd. De opleiding geeft aan dat zij naar aanleiding van een discussienota van de facultaire studentenraad de informatievoorziening aan studenten heeft verbeterd. De commissie vindt de voorlichting en voorzieningen die vanuit het onderwijsdienstverleningscentrum aan studenten worden geboden goed centraal geregeld. die ook de voortgang bewaakt. In het eerste bachelorjaar ontvangen studenten feedback op hun studievoortgang via de twee studieadviezen. kunnen studenten terecht bij de coördinator van het afstudeerprogramma.en/of scriptiecoördinator. vrijstellingen en afstuderen. ­ De commissie concludeert dat de studiebegeleiding en informatievoorziening adequaat zijn ingericht met het oog op studievoortgang. Alle studenten beschikken over een eigen e-mailadres en een toegang tot KISS. In lijn hiermee wordt bij de informatievoorziening aan studenten steeds internet gebruikt. KISS. Bachelor en Master De studiegids geeft informatie over de voorzieningen. De opleiding komt naar het oordeel van de commissie tegemoet aan de wensen van de studenten om meer informatie digitaal te verschaffen. Studenten kunnen bij het onderwijsdienstverleningscentrum (ODC) de meest recente roosters ophalen. Jaarlijks worden studenten vanuit de opleiding geïnformeerd over hun studievoortgang. Deze geeft studenten informatie over stage(plaatsen) en scriptie en bemiddelt bij het vinden van een begeleider. In het voorjaar van 006 wordt op de RU voor het eerst een universitaire masterdag georganiseerd. omdat studenten volgens de opleiding de voorkeur hebben voor een digitale uitgave. De commissie beoordeelt het positief dat voor de studiebegeleiding in de nabije toekomst extra middelen worden geïnvesteerd. De commissie is van mening dat de bacheloropleiding opvallend goede voorlichting biedt over de afstudeerrichting in het derde jaar en de aansluitende masteropleiding. Verder kunnen studenten individueel informatie over de opleiding krijgen via de studieadviseurs en de balie van het ODC. Het ODC geeft informatie over onder andere colleges en tentamens. regelingen en programma’s. Ook wordt hierbij voorlichting gegeven over de postdoctorale gezondheidszorgopleidingen en komt een oriëntatie op de arbeidsmarkt aan bod. In de laatste twee jaar van de bacheloropleiding en gedurende de masteropleiding. In de nota stonden de aanbevelingen om informatieborden per studierichting te creëren en meer informatie te verspreiden via de mail en het web. Voor stage en scriptie hebben studenten een individuele begeleider.

Vanwege veranderende eisen aan de kwaliteitzorg met het systeem van accreditatie en enkele problemen rondom implementatie van dit plan. De afstudeerrichtingen in het derde bachelorjaar voeren zelfstandig de evaluatie van het onderwijsproces uit en rapporteren hierover aan de onderwijsdirecteur. Dit plan zal in lijn zijn met de nieuwe richtlijnen van het College van Bestuur van de RU.2. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. heeft het onderwijsinstituut een medewerker aangetrokken om een nieuw kwaliteitszorgplan op te stellen. F17:­Evaluatie­resultaten De opleiding wordt periodiek geëvalueerd. Speciale aandachtspunten vanuit de opleiding Psychologie hierbij zijn: • • de rol van het management in het kwaliteitszorgproces en het waarborgen van het eindniveau van de bachelor. 148 QANU / Psychologie / RU .­ Interne­kwaliteitszorg De opleiding heeft eind jaren negentig een plan voor periodieke kwaliteitszorg ontwikkeld. Nu worden de cursussen geëvalueerd wanneer daar een specifieke aanleiding voor is. Bachelor In het eerste en tweede jaar van de bacheloropleiding worden. ‘In Vivo’ bij Cultuur. cursussen periodiek geëvalueerd via de standaardevaluatieprocedure die is opgesteld na invoering van het SAO-systeem. In de eerste jaren na de invoering van het SAOonderwijs zijn alle cursussen systematisch geëvalueerd.Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. zoals die in 005 in het Handboek Kwaliteitszorg Onderwijs – Radboud Universiteit Nijmegen gepubliceerd zijn. De implementatie van het nieuwe kwaliteitszorgplan start in het studiejaar 006-007. Zij maken hierbij.en Persoonlijkheidspsychologie. zoals in de zelfstudie staat beschreven. De evaluatie bestaat uit een standaardvragenlijst en een panelgesprek met een groep studenten en de docent(en). de inzet van een instrument voor de evaluatie van het SAO-onderwijs. aldus de zelfstudie. 3. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Voorzieningen’ voor de bachelor. In sommige afstudeerrichtingen zijn de studieverenigingen actief bij de evaluatie betrokken. gebruik van vragenlijsten (bijvoorbeeld Arbeids. Sociale Psychologie) en van panelgesprekken met docenten en studenten (bijvoorbeeld Cognitieve Psychologie en Ontwikkelingspsychologie).en Revalidatiepsychologie. Wel wordt iedere cursus standaard één keer in de vijf jaar geëvalueerd en worden de kernthemacursussen ieder jaar of om het jaar geëvalueerd.en Organisatiepsychologie.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. Dit bleek op den duur te weinig nieuwe informatie op te leveren. bijvoorbeeld ‘Homunculus’ bij Neuro. mede aan de hand van toetsbare streefdoelen.5. De onderwijsdirecteur bespreekt deze onderwijsevaluaties jaarlijks met de afstudeerrichtingen in een zogeheten ‘controlegesprek’.

Zij beoordeelt dit positief. Jaarlijks wordt universiteitsbreed een tevredenheidsonderzoek uitgevoerd. De opleidingen brengen tot slot elk jaar een opleidingsjaarverslag uit. Ten aanzien van de evaluatie in de afstudeerrichtingen stelt de commissie vast dat de systematische evaluatie nog te veel sectieQANU / Psychologie / RU 149 . Deze onderzoeken voert zij eens in de zes jaar uit. vastgelegd in zogeheten managementcontracten.en masteropleiding geldt dat bij evaluaties op een vijfpuntsschaal. Arbeids.en Organisatiepsychologie en Ontwikkelingspsychologie via vragenlijsten geëvalueerd. De opleidingen hebben streefdoelen voor de kwaliteit van het onderwijs opgesteld. De cursus ‘Toegepaste onderzoeksmethoden’ valt onder het standaardevaluatieprotocol. Eveneens wordt jaarlijks een alumnionderzoek gehouden onder recent afgestudeerden. Voor de bachelor.en Revalidatiepsychologie is de evaluatie onderdeel van het stagerapport. Voor de evaluatie van de stages gebruiken de afstudeerrichtingen Klinische Psychologie. Master Evenals in de afstudeerrichting van de bacheloropleiding. Een score van lager dan 3 wordt opgevat als een negatief resultaat en is aanleiding tot een verbeteractie. Bachelor en Master Op facultair en universitair niveau worden regelmatig aanvullende kwaliteitsonderzoeken uitgevoerd. Men buigt zich hier over een andere manier van evalueren. zoals dat is beschreven bij de bacheloropleiding. De scripties worden bij de afstudeerrichtingen Arbeids. waarin ook aan de onderdelen stage en scriptie expliciet aandacht zal worden besteed. Bij Neuro. in de jaarlijkse controlegesprekken met de afstudeerrichtingen. echter met weinig respons. minstens een gemiddeld oordeel tussen de 3 en 4 verwacht wordt. Hierin worden onder meer beschikbare resultaten van de onderwijsevaluaties samengevat en wordt er teruggeblikt op het gevoerde onderwijsbeleid. De streefdoelen voor de controlegesprekken zijn kwalitatief van aard.en Organisatiepsychologie en Ontwikkelingspsychologie schriftelijke vragenlijsten. Oordeel De commissie stelt vast dat voor de eerste twee jaar van de bacheloropleiding en voor de cursussen in de masteropleiding systematische periodieke evaluatie volgens het standaardevaluatieprocotol van de RU plaatsvindt. voeren de afstudeerrichtingen in de masteropleiding zelfstandig de monitoring van het onderwijsproces uit en rapporteren hierover aan de onderwijsdirecteur. in de evaluatie van het bachelorwerkstuk via standaardvragenlijst voor studenten en docenten. Interne stages worden informeel geëvalueerd in het contact tussen student en stagebegeleider. Bij de mastercursus van de afstudeerrichting worden afhankelijk van de richting vragenlijsten afgenomen en/of panelgesprekken gehouden.Evaluatie van het bachelorprogramma in zijn geheel vindt plaats: • • • • via het docentenoverleg van het eerste bachelorjaar. Bij Klinische Psychologie werd de scriptie ook via vragenlijsten geëvalueerd. Voor de monitoring van het masterprogramma in zijn geheel ontwikkelt de opleiding een exitenquête. De faculteit heeft in 003 een onderzoek uitgevoerd naar loopbanen van alumni en in 004 naar studie-uitval. Deze managementcontracten vormen de basis voor de halfjaarlijkse controlegesprekken tussen enerzijds faculteit en college van bestuur en anderzijds de faculteit en de onderwijsdirecteuren. aan het einde van de opleiding: hiervoor is een exitenquête in ontwikkeling. Dit opleidingsjaarverslag speelt een belangrijke rol in de jaarlijkse wederzijdse afspraken tussen het onderwijsinstituut en de faculteit.

) werd eerder aangegeven dat een task force is ingesteld om een nieuw studieprogramma op te stellen. Hierbij worden de aanbevelingen van de vorige visitatiecommissie meegenomen. bijvoorbeeld rondom docentenprofessionalisering of studiebegeleiding. Met behulp van de intensiveringsgelden en in de nieuwe opzet zullen ook de discrepantie tussen geprogrammeerde en gerealiseerde studielast worden aange150 QANU / Psychologie / RU . Ook wordt bijvoorbeeld de autonomie van de secties doorbroken door de afstudeerrichtingen onder te brengen in vier domeinen. In de masterfase worden de resultaten van evaluaties besproken in het docentenoverleg van de afstudeerrichtingen. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De opleiding geeft aan dat de cursus op dit moment positief wordt beoordeeld en er geen klachten meer zijn. waarbij studenten en docenten een aantal logistieke en procedurele problemen constateerden. Een voorbeeld vormt de cursus ‘Ethiek’ in de bacheloropleiding. F18:­Maatregelen­tot­verbetering De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan realisatie van de streefdoelen. Een voorbeeld uit de masterfase betreft de cursus ‘Toegepaste onderzoeksmethoden’. De bachelor. Bij sommige afstudeerrichtingen is dit heel goed geregeld en bij andere nog wat minder. Zij is dan ook van mening dat de opleidingen voldoen aan de criteria voor dit facet. Bij gebleken tekorten op basis van de evaluaties of adviezen is de procedure als volgt. besproken in de opleidingscommissie. De vorige visitatiecommissie sprak bijvoorbeeld van een ongewenst ‘zendtijdmodel’ in de propedeuse zonder een geïntegreerde inleiding op de academische psychologie. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De commissie stelt verder vast dat de opleidingen toetsbare streefdoelen hebben gesteld voor de cursusevaluaties en daarmee voor de kwaliteit van het onderwijs. zoals onvoldoende inhoudelijke aansluiting bij psychologie en de matige didactische kwaliteiten van de docenten.en masteropleiding kennen elk een eigen pleidingscommissie. Bij een programmaevaluatie stelt de onderwijsdirecteur het punt aan de orde in het desbetreffende werkverband.afhankelijk plaatsvindt. In de uitgangspunten voor de nieuwe opleidingen wordt dit model verlaten door aan het begin van de studie een algemene inleiding in de psychologie te programmeren. De opleidingscommissie adviseert de onderwijsdirecteur gevraagd en ongevraagd over eventuele maatregelen. zoals een procedure voor de toelating en het verplaatsen van hoorcolleges naar de vrijdag in verband met stage. Studenten uitten verschillende klachten over de vorm en de inhoud van de cursus. Deze werd in september 005 voor het eerst gegeven. Ook de facultaire studentraad geeft advies over mogelijke verbetering in het onderwijs. De onderwijsdirecteur houdt een gesprek met de betrokken docent(en).en andere verplichtingen. Alle uitkomsten van de onderwijsevaluaties die bij F17 zijn beschreven worden. De commissie is van mening dat de afstudeerrichtingen op dit punt veel van elkaar kunnen leren. aldus de zelfstudie. In de zelfstudie geeft de opleiding een aantal voorbeelden van veranderingen die op basis van evaluaties tot stand zijn gekomen. Hiervoor zijn diverse maatregelen genomen. Bij het programma (zie . De opleidingscommissie ziet erop toe of de verbetermaatregelen tot het gewenste resultaat leiden en onderneemt indien nodig actie. waarin mogelijke verbeteringen besproken worden. Na intensief overleg met de faculteit Filosofie (die deze cursus verzorgt) zijn aantoonbare verbeteringen doorgevoerd.

evenals de studieverenigingen van de diverse afstudeerrichtingen. Beide opleidingen kennen een opleidingscommissie. En er is actieve facultaire studentenraad die zich ook richt op het formuleren van verbetervoorstellen voor het onderwijs. In elke opleidingscommissie hebben drie docentleden en drie studentleden zitting. betrokken bij de interne kwaliteitszorg via docentenoverleg waar resultaten van evaluaties en knelpunten in het onderwijs worden besproken. Eveneens zal de instroom aan het begin van het eerste jaar gescreend worden op de vereiste vaardigheden en waar nodig bijgeschoold in een tutorsysteem en/of een practicum academische vaardigheden. Voor de evaluatie van het bachelorwerkstuk wordt een docentvragenlijst gebruikt. Studenten zijn verder via de schriftelijke evaluaties en panelgesprekken betrokken bij de kwaliteitszorg van het onderwijs. ook teacher reports opgenomen worden waarin docenten hun visie op het verloop van de cursus geven. zijn naast hun inbreng in de opleidingscommissies. De opleiding heeft diverse verbetermaatregelen uitgevoerd en is voornemens met de beschikbare investeringsmiddelen deze verder uit te breiden. De opleidingscommissies hebben een adviserende taak naar de directeur van het onderwijsinstituut. Zij is ook van mening dat het systeem van interne kwaliteitszorg adequaat is opgezet om tekortkomingen te constateren en concrete maatregelen te formuleren. De commissie concludeert hiermee dat de opleidingen voldoen aan de criteria voor dit facet. QANU / Psychologie / RU 151 . De commissie vindt het positief dat de opleidingscommissie en ook de facultaire studentenraad hierbij een actieve rol spelen. deze betreffen bijvoorbeeld verbetering van de ICT-voorzieningen. F19:­Betrekken­van­medewerkers. De beide opleidingscommissies hebben een gemeenschappelijke voorzitter en vergaderen maandelijks.­alumni­en­beroepenveld Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers. In de opleidingscommissies worden de onderwijsevaluaties en het conceptopleidingsjaarverslag gevolgd en besproken. de capaciteit voor studiebegeleiding. Docenten. De commissie waardeert dit positief.pakt door meer contacturen. studenten. Oordeel De commissie stelt vast dat er in de periode na de vorige visitatiecommissie en naar aanleiding van de invoering van de bachelor. een aantal inhoudelijke aanpassingen in het curriculum en de realisatie van een meer slagvaardige organisatie. De eindverantwoordelijkheid voor het treffen van maatregelen is helder bij de onderwijsdirecteur belegd. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. meer feedback en strengere toetsing. studenten. Er blijkt veel gebruik van te worden gemaakt. via welke studenten en docenten betrokken zijn bij de kwaliteitszorg.en masterstructuur veel op gang is gekomen. De studenten in de opleidingscommissie hebben een eigen Blackboard community en e-mailadres. De opleiding geeft aan dat in het nieuwe plan voor kwaliteitszorg. die verantwoordelijk is voor de evaluaties en daaruit voortvloeiende acties. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. de zalen voor werkcolleges. Hierop kunnen andere studenten vragen en opmerkingen plaatsen. alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken. De opleiding geeft in de zelfstudie een uitgebreide beschrijving van de maatregelen die naar aanleiding van de aanbevelingen van de vorige visitatiecommissie zijn uitgevoerd.

6. Bachelor De opleiding geeft aan dat de bacheloropleiding is opgezet als een doorstroomfase naar aansluitende masteropleidingen. Zie voor de examenregeling en het toetsbeleid F11. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. Oordeel De commissie heeft gesproken met een afvaardiging van de student. informatie over de kwaliteit van de stagiaires en feedback van afgestudeerden die in de stageplaats een arbeidsplaats hebben gevonden Een aantal docenten is ook zelf werkzaam in de praktijk en op die manier op de hoogte van de eisen vanuit de beroepspraktijk. In de masteropleiding hebben een aantal afstudeerrichtingen via stageplaatsen contact met alumni en verkrijgen zo ook feedback op het opleidingsprogramma. Verder onderhoudt de opleiding contacten met alumni via de reünistenkring Psychologie en via eigen netwerken van een aantal afstudeerrichtingen.en docentleden uit de opleidingscommissie. de alumnivereniging en via stagecontacten.­ Resultaten F20:­Gerealiseerd­niveau De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau. De opleiding toetst in het bachelorwerkstuk de eindkwalificaties van de bacheloropleiding. bijvoorbeeld via de jaarlijkse alumnimonitor. De faculteit heeft in 003 daarnaast een loopbaanonderzoek onder afgestudeerden in de periode 1985-000 afgenomen. Langs deze weg verkrijgt de opleiding.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. naar eigen zeggen. De commissie stelt vast dat het beroepenveld minder structureel is betrokken bij de kwaliteitszorg. Eenmaal per jaar wordt er een alumnidag georganiseerd. Zij is van oordeel dat de opleidingscommissie adequaat functioneert. Voor de kwaliteitszorg in de bacheloropleiding zijn er geen structurele contacten met het afnemend beroepenveld. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Interne kwaliteitszorg’ voor de bachelor. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.2. aldus de zelfstudie. Vooral de studenteninspraak is naar het oordeel van de commissie goed geregeld. 15 QANU / Psychologie / RU . zeer serieus betrokken bij de kwaliteitszorg en noemen een aantal positieve ervaringen met verbeteringen die zijn getroffen naar aanleiding van signalen van de opleidingscommissie. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Studentleden worden.Alumni worden via het jaarlijkse universitaire alumnionderzoek betrokken bij de kwaliteitszorg. Wat betreft de masteropleiding zijn er contacten met het beroepenveld via de stagecontacten. 3. Alumni worden naar het oordeel van de commissie toereikend via diverse formele en informele contacten betrokken bij de kwaliteitszorg.

waren ten tijde van het bezoek (mei 006) nog geen masterscripties afgerond. Oordeel Om het niveau van de afgestudeerden te beoordelen. Wel blijkt dat de voorlichting naar studenten toe en de individuele begeleiding verbeterd kunnen worden. stageplaatsen en werkgevers tevreden zijn over de kwaliteit van hun afgestudeerden. Hiermee.en Revalidatiepsychologie en Psychogerontologie kunnen op grond van hun masteropleiding instromen in de GZ-opleiding en komen als zij een diagnostische stage hebben gelopen. Het viel de commissie op dat de studenten goed op de hoogte zijn van recente literatuur. aldus de zelfstudie. Gezien het feit dat de masteropleiding in het studiejaar 005-006 gestart is. Een kritische kanttekening plaatst de commissie bij het feit dat afgestudeerden in de Arbeids. en met de uitgewerkte beoordelingscriteria in het scriptiereglement. De commissie is van oordeel dat de afstudeerwerken die zij heeft bestudeerd alle van voldoende niveau zijn. Neuro. In deze evaluatie geven studenten en docenten aan dat beoogde leereffecten van het bachelorwerkstuk gerealiseerd zijn. de ervaring dat de bacheloropleiding studenten ook adequaat voorbereidt op de stage in de master. Zij vindt dit positief. Van de respondenten werkt 71% in de eerste baan na het afstuderen op wo-niveau. Dit betrof een aantal hoog.De opleiding heeft een evaluatie uitgevoerd ten aanzien van de bachelorwerkstukken. in aanmerking voor de Basisaantekening Psychodiagnostiek van het NIP. wordt de consistentie in de beoordeling voldoende bewaakt. Op basis van het toereikende niveau van de doctoraalscripties. Ontwikkelings. Volgens de opleiding zijn Nijmeegse afgestudeerden gewild om hun onderzoeksvaardigheden. Bij enkele scripties viel het de commissie op dat de integratie van de literatuur niet zo goed heeft plaatsgevonden of dat methodologische randvoorwaarden niet optimaal zijn ingevuld. In totaal heeft 94% van de respondenten een betaalde baan. Bij de derde baan is dit percentage opgelopen tot 85%. 003) zijn de loopbaangegevens van afgestudeerde psychologen in de periode 1985-000 geanalyseerd. Afstudeerrichtingen hebben. QANU / Psychologie / RU 153 .en Organisatiepsychologie op grond van hun masteropleiding niet in aanmerking komen voor de Basisaantekening Psychodiagnostiek van het NIP. verwacht de commissie dat ook het eindniveau van de masteropleiding voldoende zal zijn. heeft de commissie 6 bachelorwerkstukken en elf doctoraalscripties van de verschillende afstudeerrichtingen geselecteerd en bestudeerd. Twee keer heeft de commissie een scriptie gelezen die zonder meer aangeboden kan worden als artikel voor een wetenschappelijk tijdschrift. Master De zelfstudie geeft aan dat alle afstudeerrichtingen op grond van hun contacten met afgestudeerden. gemiddeld en laag beoordeelde werken. In het onderzoek ‘Loopbanen alumni faculteit sociale wetenschappen’ (IOWO. Alle afstudeerrichtingen zijn tevreden over de kwaliteit en het niveau van de geschreven bachelorwerkstukken en achten het een goede voorbereiding op de masterthesis. Hieruit blijkt dat op het moment van afstuderen 43% een betaalde baan heeft. Afgestudeerden in de Klinische. Het merendeel becijferde de commissie iets lager dan de opleiding deed. Enkele werkstukken heeft de commissie hoger dan de opleiding beoordeeld. en binnen een jaar na afstuderen 89%. De commissie waardeert het verder positief dat voor alle masterscripties een tweede beoordelaar is aangewezen. maar ook om hun praktische vaardigheden. bijvoorbeeld door conclusies te trekken op basis van te kleine steekproeven. Desalniettemin is de commissie van oordeel dat de studenten in de bachelorwerkstukken adequaat demonstreren dat de beoogde eindkwalificaties worden behaald.

Tot slot merkt de commissie op dat ook uit het alumnionderzoek blijkt dat het niveau en de oriëntatie van de afgestudeerde voldoende is: afgestudeerden vinden vlot een baan op academisch niveau. Na de propedeuse heeft vooropleiding geen invloed meer op studiesucces. Dit is in overeenstemming met het streefcijfer van 75%. De opleiding zet in een analyse uiteen dat het postpropedeuserendement inclusief omzwaaiers (studenten die na de propedeuse aan een andere opleiding afstuderen) in Nijmegen hoger ligt (80%) dan het landelijk gemiddelde (75%). De opleiding concludeert op basis hiervan dat de propedeuse de gewenste selecterende functie vervult. waren ten tijde van het visitatiebezoek nog geen masterrendementen beschikbaar. Uit de rendementsgegevens van de eerste bachelorcohort(en) blijkt dat het propedeuserendement na een jaar van het eerste cohort 49%. dient 85% de doctoraalbul/het bachelordiploma te behalen. Het postpropedeuserendement van de ongedeelde opleiding bedraagt na acht jaar 70%. Dit is nagenoeg gelijk aan het landelijk gemiddelde. Na twee jaar had gemiddeld 76% de propedeuse behaald. Verder blijkt uit de analyse dat waar het propedeuserendement van vwo-instromers en overige instromers aan de RU nog verschilde. Oordeel De commissie beoordeelt het positief dat rendementen de nadrukkelijke aandacht hebben van de opleidingen. Streefcijfers De bachelor. Van de studenten die in het bezit zijn van een propedeutisch getuigschrift. Aangezien de eerste lichting masterstudenten in 005-006 is begonnen.en postpropedeuserendementen van de oude doctoraalopleiding en van het eerste cohort van de bacheloropleiding. De overzichten zijn gebaseerd op de KUO-cijfers en aangevuld met cijfers uit de eigen administratie. F21:­Onderwijsrendement­ Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen. De commissie stelt vast dat de opleidingen realistische streefcijfers hebben 154 QANU / Psychologie / RU . In de zelfstudie geven de opleidingen een overzicht van de propedeuse. Het postpropedeuserendement van het eerste cohort betrof na drie jaar 4%. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. van het tweede cohort 40% en van het derde cohort 39% betrof. De RU zit hier ruim boven. Dit is hoger dan het oude doctoraalrendement na vier jaar. Voor de bacheloropleiding geldt dat het propedeuserendement na twee jaar 75% dient te bedragen. Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Landelijk bedraagt het gemiddelde propedeuserendement van vwo’ers na twee jaar 61%. Voor de masteropleiding geldt een streefcijfer voor het studierendement van 85%. Uit de overzichten blijkt dat het gemiddelde propedeuserendement na twee jaar voor de gehele instroom (van 1996 t/m 003) 71% bedraagt. Het streefcijfer van 75% wordt dus niet gehaald. Het gemiddelde propedeuserendement van de vwo’ers na twee jaar bedraagt 77% en voldoet wel aan het streefpercentage van 75%. het postpropedeuserendement voor deze groepen gelijk is.en masteropleiding hanteren streefcijfers die zijn opgesteld door de Faculteit Sociale Wetenschappen.

Hiervoor zijn nog geen streefcijfers door de opleiding opgesteld.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. QANU / Psychologie / RU 155 . gezien de recente start in 005. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Van de eerste lichting. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Wat betreft de masteropleiding kan de commissie nog geen uitspraken doen over het gerealiseerde studierendement. De commissie raadt de opleiding aan onnodige vertraging door uitloop van scripties of stages (zie F7) tegen te gaan. Voor de bacheloropleiding wordt het facultaire streefcijfer van een propedeuserendement van 75% na twee jaar gehaald. gestart in 00. heeft 4% in drie jaar de bacheloropleiding gehaald.opgesteld. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Resultaten’ voor de bachelor. In vergelijking met de overige psychologieopleidingen in Nederland is het propedeuserendement in Nijmegen hoog. De commissie verwacht dat het masterrendement dan beter zal zijn dan de oude doctoraalrendementen.

Afstemming vormgeving en inhoud 11. Domeinspecifieke eisen . Eisen wo 5.Samenvatting­oordelen­Radboud­Universiteit­Nijmegen Bacheloropleiding­Psychologie: ­ Onderwerp Oordeel 1. Eisen wo 13. Materiële voorzieningen 16. Beoordeling en toetsing 1. Voorzieningen 5. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Goed Goed Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Kwantiteit personeel 14. Relatie doelstellingen en programma 6. Interne kwaliteitszorg Voldoende Voldoende Voldoende 6. Resultaten Voldoende Facet­ 1. Instroom 9. Evaluatie resultaten 18. Oriëntatie 4. Doelstellingen van de Voldoende opleiding . Samenhang programma 7. alumni en beroepenveld 0. is de conclusie dat het totaaloordeel over de bacheloropleiding Psychologie voldoende is. Kwaliteit personeel 15. Studiebegeleiding 17. Betrokkenheid van medewerkers. Niveau 3. Studielast 8. Gerealiseerd niveau 1. 156 QANU / Psychologie / RU . Programma Voldoende 3. Duur 10. studenten. Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Maatregelen tot verbetering 19. Inzet van personeel 4.

Niveau 3. QANU / Psychologie / RU 157 . Afstemming vormgeving en inhoud 11. studenten. Instroom 9. Voorzieningen 5. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Goed Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Samenhang programma 7. Maatregelen tot verbetering 19. Beoordeling en toetsing 1. Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Materiële voorzieningen 16. Kwaliteit personeel 15. Interne kwaliteitszorg Voldoende Voldoende Voldoende 6. Relatie doelstellingen en programma 6. Inzet van personeel 4. Studielast 8. Resultaten Voldoende Facet­ 1. is de conclusie dat het totaaloordeel over de masteropleiding Psychologie voldoende is. Doelstellingen van de Voldoende opleiding . alumni en beroepenveld 0. Eisen wo 5. Studiebegeleiding 17. Programma Voldoende 3. Eisen wo 13. Kwantiteit personeel 14. Oriëntatie 4. Betrokkenheid van medewerkers. Gerealiseerd niveau 1. Duur 10. Evaluatie resultaten 18. Domeinspecifieke eisen .Masteropleiding­Psychologie: ­ Onderwerp Oordeel 1.

158 QANU / Psychologie / RU .

lid. Brysbaert. Samenstelling visitatiecommissie: • • • • • • • prof. van Vugt. Born. Indien de deeltijd. gelden zowel voor de voltijd. I.F. dr. prof. dr. drs. M. secretaris QANU. M. dr.­Wijnen.0. V.M.en voltijdvariant van elkaar verschillen. voorzitter. M.H. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Psychologie 56604 Bachelor wo 180 Voltijd en deeltijd Groningen 31 december 007 De voltijd. W.W. prof. de Vries BSc. Structuur­en­organisatie­van­de­faculteit 4. van Ophem. dr. studentlid. QANU / Psychologie / RUG 159 . de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd. Masteropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. dr. Everaerd.J. lid. lid. de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd.M. De oordelen die de commissie geeft.als deelvariant van de bacheloropleiding.Ph.M. lid. W.en masteropleiding Psychologie worden aangeboden binnen de Faculteit der Gedrags. prof.en deeltijdvariant van de bacheloropleiding zijn in principe gelijk: studenten in de deeltijdvariant hebben alleen een langere periode de tijd om de vakken van de opleiding te volgen. prof.­ De bachelor.4. zal dit bij de betreffende facetten worden vermeld.en Maatschappijwetenschappen (GMW) van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Psychologie 66604 Master wo 60 Voltijd Groningen 31 december 007 Het bezoek van de visitatiecommissie Psychologie vond plaats op 9 en 10 november 006.­ ­ ­ De­bachelor-­en­masteropleiding­Psychologie­van­de­ Faculteit­der­Gedrags-­en­Maatschappijwetenschappen­ aan­de­Rijksuniversiteit­Groningen Administratieve­gegevens Bacheloropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp.

een programmacommissie van de bacheloropleiding. Het onderzoek van de afdeling Psychologie is ondergebracht in het Heymans Instituut en valt onder de specifieke verantwoordelijkheid van de onderzoeksdirecteur. de voorzitters van de examencommissies. en Sociale en Organisatiepsychologie (S&O). de onderzoeksdirecteur en een secretaris. De afdeling Psychologie kent voor elke opleiding een aparte examencommissie. een bachelorraad. De afdeling Psychologie kent een directie die verantwoordelijk is voor de organisatie en realisatie van het onderwijs en het onderzoek. De masterraad bestaat uit de programmacoördinatoren van de masteropleiding en wordt voorgezeten door de opleidingsdirecteur. En voor DPMG zijn dit de leerstoelgroepen Differentiële Psychologie. een studieadviseur en de voorzitter van de examencommissie zijn adviserend lid van de masterraad. Voor E&A zijn dit de leerstoelgroepen Functieleer en Fysiologische Psychologie. De bachelorraad wordt voorgezeten door de bachelorcoördinator.De faculteit kent vier afdelingen. de jaarcoördinatoren en de vaardigheidscoördinatoren. Experimentele en Arbeidspsychologie (E&A). Methodologie en Geschiedenis (DPMG). De masterraad adviseert de opleidingdirecteur over de uitvoering van het masterprogramma. te weten Klinische Psychologie en Psychotherapie. De afdeling psychologie kent vier basiseenheden. De opleidingsdirecteur wordt voor het opstellen en realiseren van de onderwijsprogramma’s bijgestaan door het managementteam.en examenregelingen en de kwaliteitszorg. te weten Differentiële Psychologie. Sociologie. Klinische en Ontwikkelingspsychologie (K&O). Organisatiepsychologie. De opleidingscommissie adviseert de opleidingsdirecteur over onderwijszaken en in ieder geval over de onderwijs. Beleid en Ontwerp. Hetzelfde geldt voor de programmacommissie van de masteropleiding. De opleidingsdirecteur. Biopsychologie van de Levensfasen. Het hoofd onderwijsbureau. en Cognitieve Sociale Psychologie. en de voorzitter van de examencommissie zijn adviserend lid. Het faculteitsbestuur draagt de eindverantwoordelijkheid voor het onderwijs en onderzoek binnen de afdelingen. een programmacommissie van de masteropleiding. Voor S&O zijn dit de leerstoelgroepen Sociale Psychologie. de coördinator van de bacheloropleiding en het hoofd onderwijsbureau.en masteropleiding en bestaat uit de opleidingsdirecteur. De andere drie basiseenheden bestaan uit drie leerstoelgroepen. De programmacommissie voor de bacheloropleiding is inhoudelijk verantwoordelijk voor het vaststellen van de eindkwalificaties van de opleiding en van onderscheiden fasen van de opleiding en voor de inrichting van het programma overeenkomstig de eindkwalificaties. een studieadviseur. De opleidingsdirecteur en coördinator bacheloropleiding zijn adviserend lid. en Experimentele Psychopathologie. De basiseenheid Klinische en Ontwikkelingspsychologie bestaat uit vier leerstoelgroepen. en Toegepaste Verrichtingenleer en Ergonomie. Methoden en Technieken van Gegevensverwerking en Theorie en Geschiedenis van de Psychologie. Deze directie bestaat uit de opleidingsdirecteur. De bachelorraad adviseert de opleidingsdirecteur over de uitvoering van het onderwijsprogramma en bestaat uit de bachelorcoördinator. Ontwikkelingspsychologie. te weten Psychologie. een masterraad en de opleidingscommissie. Pedagogische Wetenschappen en Kunstmatige Intelligentie. Deze commissie bestaat uit de gewoon hoogleraren Psychologie die als leerstoelgroephouder betrokken zijn bij het bacheloronderwijs. Het managementteam is verantwoordelijk voor de organisatie van de bachelor. Hierbinnen is de opleidingsdirecteur specifiek verantwoordelijk voor het opstellen en de realisatie van de onderwijsprogramma’s van de opleidingen. 160 QANU / Psychologie / RUG .

de vakken uit het algemeen doctoraal tot september 006. Studenten van de ongedeelde opleiding konden vanaf de start van de bachelor. De opleiding schrijft dit toe aan de complexiteit van de regeling en de grote verschillen in structuur van de ongedeelde en de bacheloropleiding.gezien het behaalde aantal studiepunten – realistisch gezien de doctoraalopleiding QANU / Psychologie / RUG 161 . de website en in studiegidsen geïnformeerd over de afbouw van de ongedeelde opleiding en de overstapmogelijkheden naar de bachelor-masterstructuur. De opleiding heeft deze overgangsregeling in de OER 004-005 van de masteropleiding opgenomen. en de verplichte doctoraalvakken tot september 005 aangeboden. De opleiding verwacht dat ongeveer dertig studenten . In de zelfstudie meldt de opleiding dat hiervan nog geen gebruikgemaakt is. De afbouw is in de OER 00-003 vastgelegd. De opleiding heeft alle studenten per brief en via voorlichtingsbijeenkomsten. Uit een analyse van de opleiding blijkt dat het voor vrijwel alle studenten theoretisch nog mogelijk is de ongedeelde opleiding af te ronden. het verplichte programma en het leeronderzoek tot september 008 en de stage. Voor de deeltijdopleiding geldt dat eerstejaarsvakken tot september 004. Voltijdstudenten die in juli 00 hun propedeuse nog niet hadden behaald is expliciet de gelegenheid geboden over te stappen naar de bacheloropleiding. Vanaf het studiejaar 004-005 konden gevorderde doctoraalstudenten overstappen naar de masteropleiding.en masteropleiding volgens de opleiding zonder noemenswaardige studievertraging overstappen naar de bacheloropleiding en later ook de masteropleiding. De opleiding zal voor de beëindiging van de ongedeelde voltijdopleiding in 007 met de dan studerende deeltijdstudenten een individueel studieplan opstellen.1. De algemeen verplichte doctoraalvakken en tweedejaars keuzevakken werden tot september 004. Studenten die in september 003 hun propedeuse nog niet hadden gehaald zijn uitgenodigd voor een studiegesprek. Specifiek voor de deeltijdopleiding geeft de opleiding aan dat het voor het relatief kleine aantal deeltijdstudenten mogelijk is een aangepast studieprogramma te bieden. De ongedeelde voltijdopleiding zal op 1 september 007 worden beëindigd en de ongedeelde deeltijdopleiding op 1 september 010. Om de overstap te vereenvoudigen heeft de opleiding aanvullende literatuurtentamens georganiseerd indien de omvang van het onderdeel in de doctoraalopleiding verschilde van het overeenkomstige onderdeel in de bacheloropleiding.4. scriptie en afstudeerproject tot september 010 kunnen worden afgerond. Zij konden de doctoraalopleiding niet meer afronden.­ Invoering­ bachelor-masterstructuur­ en­ afbouw­ ongedeelde­ opleidingen:­ stand­ van­zaken De bacheloropleiding is in september 00 van start gegaan en de masteropleiding in september 004. Via een overstapregeling worden de studieonderdelen van de ongedeelde opleiding gewaardeerd als vrijstelling voor onderdelen in de bacheloropleiding. Per september 005 hebben in totaal 540 studenten van de overstapregeling gebruikgemaakt en stonden nog 86 voltijdstudenten en 41 deeltijdstudenten ingeschreven in de ongedeelde opleiding. maar wel overstappen naar de bacheloropleiding. Uit een enquête blijkt dat 61% van de studenten niet tevreden was over de voorlichting. Van de ongedeelde voltijdopleiding werden de eerstejaarsvakken tot september 003 aangeboden.

• Ontwikkelingspsychologie. • Overeenkomsten en verschillen tussen psychologische intuïties en psychologie als wetenschap. De eindkwalificaties zijn geordend volgens vier hoofdlijnen: (1) kennis en inzicht. Zij stelt vast dat de opleiding adequate informatie aan studenten heeft verschaft en de overgangsregelingen helder in de OER heeft opgenomen. Zij oordeelt dat de afbouw van de ongedeelde opleiding zonder problemen voor studenten is verlopen. Gezien de verschillen tussen de ongedeelde en bachelor. (3) vaardigheden.of masteropleiding.” De opleiding heeft deze doelstelling vertaald in doelstellingen per jaar en bijbehorende eindkwalificaties. () attitudes. 16 QANU / Psychologie / RUG . Eindkwalificaties van het eerste jaar 1. en (4) academische vaardigheden.1. De volgende onderdelen van de psychologie behoren tot de actieve kennis van de student: • Geschiedenis van de psychologie. de onderdelen van het vakgebied en hun onderlinge samenhang. beschikt over kennis van en inzicht in de theorieën en bevindingen van de gehele wetenschappelijke psychologie.niet voor de einddatum van de afbouw af zal ronden. De student die het eerste jaar van de bacheloropleiding heeft afgerond. De ongedeelde opleiding in afbouw is inhoudelijk niet veranderd.en masteropleiding kan de commissie zich voorstellen dat de afbouw lastiger was dan elders. De opleiding beoogt de student brede kennis en elementaire vaardigheden bij te brengen op het gebied van de verschillende psychologische disciplines en de student academisch te vormen. Zij kunnen dan alsnog instappen in de bachelor. 4.en masteropleiding inhoudelijk sterk te herzien. Ze vindt de Groningse psychologieopleiding een mooi voorbeeld van een herziening van het curriculum volgens de bachelor-masterstructuur.­ Doelstellingen­opleiding F1:­Domeinspecifieke­eisen De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk). • Crossculturele psychologie. • Sociale psychologie. De student leert de verworven kennis en vaardigheden toe te passen in onderzoek en daarvan verantwoord verslag te doen.2. • Biopsychologie.1.­ Het­beoordelingskader 4.2. De commissie stelt vast dat de opleidingen de invoering van de bachelor-masterstructuur hebben aangegrepen om het programma van de bachelor. Hieronder zijn de eindkwalificaties per jaar gegeven (bron: zelfstudie). Bachelor De opleiding geeft in de zelfstudie de volgende doelstelling voor de bacheloropleiding: “De bacheloropleiding Psychologie heeft tot doel de student voor te bereiden op de beroepsuitoefening als psycholoog en op de masteropleiding Psychologie.

1. uitvoeren (dmv observaties of interviews) en daar van verslag doen.. • Sociale psychologie en haar toepassingen (SPT). • Klinische & gezondheidspsychologie (K&O). De student die het eerste jaar van de bacheloropleiding heeft afgerond: • heeft besef van ethische denk. • omgaan met het data-analyse programma SPSS. • kan de beginselen van professionele gespreksvoering toepassen op een tweegesprek. • Persoonlijkheidspsychologie. • Cognitieve & neuropsychologie. • heeft besef van de mogelijkheden en beperkingen van de wetenschap. • de meest gangbare onderzoeksmethoden. 1.• Differentiële psychologie. De student die het tweede jaar van de bacheloropleiding heeft afgerond. De student die het eerste jaar van de bacheloropleiding heeft afgerond. . • opzoeken van relevante wetenschappelijke informatie (bibliotheekinstructie). • multivariate analysetechnieken. beschikt over kennis van: • Arbeids. testtheorie en testgebruik. De student die het tweede jaar van de bacheloropleiding heeft afgerond: • kan de opgedane kennis uit de verschillende onderdelen toepassen op maatschappelijke/ praktische situaties. uitvoeren en daarvan verslag doen.4. • een trainingsmodule opzetten. Bovendien beschikt de student over kennis van en inzicht in de belangrijkste werkvelden en werkzaamheden van een psycholoog. • kritisch reflecteren op wetenschap en praktijk. • psychologische tests.en handelwijzen. De student die het eerste jaar van de bacheloropleiding heeft afgerond kan: • omgaan met de veelgebruikte ICT-applicaties in de opleiding.3. • Methoden en statistische technieken. opzetten. wordt van de studenten verwacht dat ze na het tweede jaar van de bacheloropleiding aan de volgende eindkwalificaties voldoen: . • wetenschapstheorie. • kan een eenvoudig (quasi-) experimenteel onderzoek ontwerpen. en kennis van mogelijke toepassingsgebieden van de psychologische disciplines.organisatie & personeelspsychologie (AOP). Eindkwalificaties van het tweede jaar Naast het voldoen aan de eindkwalificaties van het eerste jaar. kan: • op professionele wijze een gesprek voeren/ interview houden.. • zich zowel schriftelijk als mondeling goed uitdrukken. • omgaan met wetenschappelijke informatie. 1. QANU / Psychologie / RUG 163 . • een eenvoudig onderzoek opzetten.1..

3. • interventiemethodieken. .b. • Klinische neuropsychologie. • diversiteit in organisaties. • personeelspsychologie. Studenten die de differentiatie Sociale Psychologie en haar Toepassingen (SPT) hebben doorlopen. • directieve en klachtgerichte interventie. d. • cognitieve ergonomie.1. Tevens kunnen zij de opgedane kennis toepassen op relevante praktijksituaties.• kan een trainingsdag in elkaar zetten en uitvoeren. Organisatie. Tevens kunnen zij de opgedane kennis toepassen op relevante praktijksituaties. • Groepsdynamische processen. Eindkwalificaties van het derde jaar Naast het voldoen aan de eindkwalificaties van het eerste en het tweede jaar. 3. • diagnostiek. conflicthanteren en samenwerken. • processen van informatieverwerking en taakverrichting. • psychopathologische beelden. • gerontologie. • Theorieën over ontwikkelingsgebieden. advisering en hulpverlening: de diagnostische vaardigheden worden in een practicum geoefend. Studenten die de differentiatie Arbeids-.1. • kan wetenschappelijke literatuur kritisch lezen en becommentariëren. • cognitieve ergonomie.1. Tevens kunnen zij de opgedane kennis toepassen op relevante praktijksituaties.en Personeelspsychologie (AOP) hebben doorlopen beschikken over kennis van en inzicht in de onderstaande onderdelen. • theorieën over psychopathologie. Studenten die de differentiatie Klinische en Ontwikkelingspsychologie (K&O) hebben doorlopen beschikken over kennis van en inzicht in onderstaande onderdelen. 3. a. Studenten die de differentiatie Hersenen en Gedrag (H&G) hebben doorlopen beschikken over kennis van en inzicht in de onderstaande onderdelen. voorzitten.3. • cognitieve neurowetenschap. Tevens kunnen zij de opgedane kennis toepassen op relevante praktijksituaties.en diagnostische vaardigheden. 164 QANU / Psychologie / RUG . • motivatie en emoties in de arbeid. die men toepast bij het begeleiden van studenten in het practicum Gespreks. 3. • ontwikkelingsneuropsychologie. c. onderhandelen. beschikken over kennis van en inzicht in onderstaande onderdelen. wordt van de studenten verwacht dat ze na het derde jaar van de bacheloropleiding aan de volgende eindkwalificaties voldoen. De student die het tweede jaar van de bacheloropleiding heeft afgerond: • beschikt over gespreks. • de rol van interpersoonlijke processen in de psychotherapie en de menselijke ontwikkeling.en groepsvaardigheden. • beschikt over professionele sociale vaardigheden zoals.1.

EEG-lab op de faculteit) en hierover op wetenschappelijke wijze een verslag schrijven. opzetten en uitvoeren (met behulp van vragenlijsten. 3. • de onderdelen binnen één differentiatie (zie eindkwalificaties per differentiatie).3. Hersenen en gedrag (H&G). massapsychologie. intergroepsprocessen. meldkamer. Klinische en ontwikkelingspsychologie (K&O) en Sociale psychologie en haar toepassingen (SPT). dat het product is van een onderzoek dat men gedurende het derde studiejaar verricht en waarbij men actief betrokken is bij alle fasen van het onderzoek. Daarnaast is er de mogelijkheid af te studeren in een algemene richting. • een aantal keuzevakken binnen de psychologie door de student zelf te kiezen uit een vastgesteld aanbod van keuzevakken. voor te bereiden op de beroepsuitoefening als academisch gevormd psycholoog en voor te bereiden op de opleiding tot onderzoeker op het gebied van de psychologie. • aantal onderdelen van overige differentiatie. organisatie en personeelspsychologie (AOP). 3. • een wetenschappelijke presentatie houden. 3. vaardigheid en inzicht op het gebied van de psychologie bij te brengen. interpersoonlijke processen.. Master De algemene doelstelling van de masteropleiding is in de zelfstudie als volgt geformuleerd.• • • • • • Intragroepsprocessen. • besef van ethische kwesties rond het onderzoek en de praktijk van de psycholoog. De student die het derde jaar heeft afgerond kan (naast de per differentiatie genoemde vaardigheden): • in samenwerking met medestudenten op ethisch verantwoorde wijze een complex onderzoek ontwerpen. • ten minste één vak buiten de psychologie door de student zelf te kiezen uit een vastgesteld aanbod van algemeen vormende vakken. • de motivatie om zich de kennis. zoals vastgelegd in de ‘Beroepscode voor psychologen’ van het NIP. De student die het derde jaar heeft afgerond beschikt over kennis van en inzicht in: • ethische kwesties rondom onderzoek en de praktijk van de psycholoog. De student die het derde jaar heeft afgerond beschikt over: • een voldoende ontwikkeld analytisch vermogen en kritische houding om de reikwijdte en de geldigheid van informatie op academisch verantwoorde manier te beoordelen.4. observaties of van de onderzoeksfaciliteiten zoals de rijsimulator.” Binnen de masteropleiding zijn vier afstudeerrichtingen geformuleerd. “De masteropleiding beoogt specialistische wetenschappelijke kennis. consumentenpsychologie. te weten Arbeids-. De opleiding geeft in de zelfstudie de volgende eindkwalificaties van de masteropleiding: QANU / Psychologie / RUG 165 . inzichten en vaardigheden in de psychologie op een academisch masterniveau eigen te maken. intrapersoonlijke processen.

De masteropleiding biedt een verdere specialisatie in het vakgebied. kennis van gevorderde methoden en technieken van gegevensverzameling en analyse relevant voor de onderscheiden specialisatieprogramma’s. De commissie ziet de aansluiting van de eindkwalificaties op de eisen van vakgenoten en de beroepspraktijk in het domein van de Psychologie. als best practice voor andere opleidingen. Uit een schema in de zelfstudie kan worden afgeleid dat de bacheloropleiding op één aspect na overeenkomstig is met de verplichte onderdelen van Europsy. De masteropleiding verschilt alleen op het punt van de vereiste omvang van 10 studiepunten van het Europsy-kader.en de masteropleiding.1. In dit project zijn onderdelen gedefinieerd die in een bachelor. Zij is van oordeel dat de eindkwalificaties voldoen aan de domeinspecifieke eisen die aan een bachelor. 166 QANU / Psychologie / RUG . Oordeel De commissie heeft de doelstellingen en de eindkwalificaties van de opleidingen bestudeerd en gerelateerd aan het domeinspecifiek referentiekader voor de bachelor. Concluderend is de commissie van oordeel dat de eindkwalificaties goed aansluiten bij de eisen die door vakgenoten aan een bachelor. modellen en empirisch onderzoek op het gebied van een van de onderscheiden specialisatieprogramma’s. De commissie waardeert het positief dat de opleiding een extra internationaal kader heeft gebruikt om aan te tonen dat de opleidingen voldoen aan internationale domeinspecifieke eisen.en professionele vaardigheden. Wel meent de opleiding dat afgestudeerden met een voltooide masteropleiding voldoen aan de instroomeisen van de beroepsopleidingen en de opleiding tot onderzoeker. Alleen het onderdeel Onderwijspsychologie wordt in de Europsy als verplicht vak genoemd en is in de bacheloropleiding Psychologie van de RUG als keuzevak opgenomen. kennis van wetenschappelijke theorieën.en masteropleiding Psychologie aan de orde moeten komen. De bacheloropleiding leidt de student op in de basisdisciplines en toepassingsgebieden van de psychologie en bekwaamt deze in de algemene onderzoeks. Bachelor en Master De opleidingen zetten in de zelfstudie uiteen dat de eindkwalificaties van de bachelor.en masteropleiding overeenkomen met de criteria zoals die zijn vastgesteld in het domeinspecifiek referentiekader van de kamer Psychologie.en masteropleiding sluiten hier naar mening van de commissie gezien de huidige randvoorwaarden voor eenjarige masters voldoende bij aan.en masteropleiding Psychologie mogen worden gesteld. De opleiding onderschrijft in haar zelfstudie het door de Kamer Psychologie ingenomen standpunt dat de masteropleiding Psychologie tweejarig dient te zijn. zoals die via de Kamer Psychologie bij alle psychologieopleidingen in Nederland tot stand gekomen is. 4. . het zelfstandig kunnen uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek gericht op theorieontwikkeling dan wel gericht op de toepassing van theorieën en het kunnen functioneren als academisch gevormd psycholoog in een beroepenveld en het voldoen aan de kwalificaties voor de opleiding tot onderzoeker dan wel voor de opleiding tot de beroepsuitoefening in specifieke beroepsgroepen. De bachelor. Zie hiervoor ook het algemene deel van dit rapport. Ook worden de opleidingsprogramma’s gerelateerd aan het internationaal referentiekader dat is vastgesteld in het kader van het Europese project ‘Europsy’.en masteropleiding in de Psychologie worden gesteld. Dit kader is evenals het door andere opleidingen gebruikte EFPA-kader gesteld op programmaniveau. 3. vaardigheden op het gebied van de wetenschappelijke beroepsuitoefening respectievelijk het wetenschappelijk onderzoek op het gebied van een van de onderscheiden specialisatieprogramma’s.

De opleiding heeft in de zelfstudie de eindkwalificaties van de bachelor. verwerven en gebruiken om systematisch problemen op te lossen. Kan kennisbronnen en wetenschappelijke publicaties beoordelen. De afgestudeerde master Psychologie is in staat om op gevorderd niveau bevindingen van QANU / Psychologie / RUG 167 . zowel mondeling als schriftelijk te communiceren naar vakgenoten en derden.en masteropleiding als volgt geformuleerd en gerelateerd aan de Dublin-descriptoren. Oordeelsvorming De afgestudeerde bachelor Psychologie is in staat om eenvoudig onderzoek op te zetten en uit te voeren. 3. Heeft kennis van en inzicht in het proces van experimenteel en veldonderzoek. is in staat om binnen de specialisatie nieuwe kennis te genereren dan wel nieuwe inzichten voor toepassing van die kennis te genereren.Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. complexe gegevens te interpreteren en een oordeel te vormen over de conclusies van het onderzoek dat gebaseerd is op afwegingen van relevante sociaal-maatschappelijke. internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor of een Master. Is in staat om kennis uit de verschillende gebieden te integreren. Kan wetenschappelijke kennis toepassen bij het opzetten en uitvoeren van eenvoudig onderzoek. 4. de gegevens te interpreteren en een oordeel te vormen over de conclusies van het onderzoek die gebaseerd zijn op afwegingen van relevante sociaal-maatschappelijke. 1. Heeft kennis van en inzicht in de belangrijkste werkvelden en werkzaamheden van een psycholoog. uit te voeren. De afgestudeerde master Psychologie kan kennis inventariseren. De afgestudeerde master Psychologie heeft kennis van en inzicht in het vakgebied psychologie in het algemeen en een specialisatie binnen dit vakgebied in het bijzonder. wetenschappelijke en ethische aspecten. Is in staat eigen gemaakte keuzes te beoordelen en te verantwoorden. F2:­Niveau:­Bachelor­en­Master De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene. hun onderlinge samenhang en hun toepassingen. . De afgestudeerde master Psychologie in staat om onderzoek op te zetten. Communicatie De afgestudeerde bachelor Psychologie is in staat om bevindingen van onderzoek en de conclusies. Is in staat om kennis uit de verschillende gebieden te integreren. Kan gespecialiseerde wetenschappelijke kennis toepassen op maatschappelijke situaties. Kan kennisbronnen en wetenschappelijke publicaties beoordelen. Is in staat eigen gemaakte keuzes te beoordelen en te verantwoorden. wetenschappelijke en ethische aspecten. Kan wetenschappelijke kennis toepassen bij het opzetten en uitvoeren van complex onderzoek. Toepassen kennis en inzicht De afgestudeerde bachelor Psychologie kan kennis inventariseren. verwerven en integreren om complexe probleemstellingen te analyseren. Kan wetenschappelijke kennis uit de verschillende onderdelen toepassen op maatschappelijke situaties. Kennis en inzicht De afgestudeerde bachelor Psychologie heeft kennis van en inzicht in de theorieën en bevindingen van subdisciplines van de psychologie. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed.

de internationale wetenschapsbeoefening en voor daarvoor in aanmerking komende opleidingen de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld. De commissie heeft de bij F in de zelfstudie beschreven eindkwalificaties van de bachelor.en professionele vaardigheden en die de student in de gelegenheid moet stellen zich verder te bekwamen en verdiepen in een of meerdere differentiaties binnen de psychologie met het oog op de toekomstige beroepsuitoefening dan wel het volgen van de masteropleiding Psychologie of het volgen van een daaraan gerelateerde masteropleiding.onderzoek en de conclusies. inzichten en vaardigheden in de psychologie op een academisch masterniveau eigen te maken. F3:­Oriëntatie­WO: De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de volgende beschrijvingen van een Bachelor en een Master in WO: • De eindkwalificaties zijn ontleend aan eisen vanuit de wetenschappelijke discipline. Oordeel De eindkwalificaties van de bacheloropleiding die de opleiding bij dit facet in de zelfstudie heeft geformuleerd zijn naar het oordeel van de commissie een samenvatting van de eindkwalificaties zoals uiteengezet per bachelorjaar bij F1.en de masteropleiding getoetst aan de Dublin-descriptoren. De afgestudeerde master Psychologie is in staat om actief en zelfstandig kennis en inzicht te verwerven en toe te passen in een onderzoekscontext en beschikt over de motivatie om zich de kennis. • Een WO-bachelor heeft de kwalificaties voor toegang tot tenminste één verdere WO-studie op masterniveau en eventueel voor het betreden van de arbeidsmarkt. • Een WO-master heeft de kwalificaties om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten of multien interdisciplinaire vraagstukken op te lossen in een beroepspraktijk waarvoor een WO-opleiding vereist is of dienstig is. Bachelor De bacheloropleiding is. 5. Wel ziet zij graag meer duidelijkheid omtrent welke eindkwalificaties de opleiding precies hanteert voor de afgestudeerde masterstudenten Psychologie. zowel mondeling als schriftelijk te communiceren naar vakgenoten en derden en kan bijdragen leveren aan maatschappelijke vraagstukken de specialisatie betreffende. De eindkwalificaties van de masteropleiding die de opleiding bij F heeft geformuleerd lijken de commissie echter een nadere specificatie van de eindkwalificaties die bij F1 zijn genoemd. Zij is van mening dat deze aansluiten bij het niveau van een afgestudeerde bachelor respectievelijk master zoals gegeven in de algemene internationaal geaccepteerde beschrijving volgens de Dublin-descriptoren. De master is in staat als promovendus een proefschrift voor te bereiden. inzichten en vaardigheden in de psychologie op postacademisch niveau eigen te maken. 168 QANU / Psychologie / RUG . die de student moet bekwamen in de algemene onderzoeks. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. ontwikkeld als een opleiding die de student breed moet opleiden in de basisdisciplines en toepassingsgebieden van de psychologie. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Leervaardigheden De afgestudeerde bachelor Psychologie is in staat om actief en zelfstandig kennis en inzicht te verwerven en toe te passen in een onderzoekscontext en beschikt over de motivatie om zich de kennis. zoals staat beschreven in de zelfstudie.

De vier specialisaties van de masteropleiding zijn ondergebracht in vier programma’s: Arbeids-.Een afgestudeerde bachelor heeft onvoorwaardelijk toegang tot de masteropleiding Psychologie. GZ-psychologie) lijkt volgens de opleiding voor afgestudeerde bachelors nauwelijks aanwezig. het vakgebied hersenen en gedrag en de klinische psychologie aan de orde komt. De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat zij sterk wetenschappelijk georiënteerd is. dat de student de mogelijkheid geeft zich te specialiseren in een programmaoverstijgend onderwerp. en moet voorbereiden op de vervolgopleidingen daartoe. zoals Human Resource Management. Studenten die na de eenjarige masteropleiding een verdere onderzoeksgerichte opleiding ambiëren hebben de mogelijkheid tot ‘zij-instroom’ in de tweejarige researchmasteropleiding Behaviour in Social Contexts. zoals de GZ-opleiding of een positie als promovendus. een systeem van wederzijdse erkenning van de eindkwalificaties van de universitaire bacheloropleidingen gewenst is. De bacheloropleiding geeft in combinatie met de betreffende masterprogramma’s studenten de gelegenheid om aan de vooropleidingseisen van de GZ-opleiding en de BAPD te voldoen. op z’n minst binnen Nederland. Afgestudeerde masters in QANU / Psychologie / RUG 169 . De oriëntatie op de praktijk van het beroepenveld heeft in de bacheloropleiding een inleidend karakter. waarbij een interdisciplinaire oriëntatie van belang is. Studenten die het masterprogramma K&O of H&G hebben afgerond kunnen voldoen aan de eisen voor de BAPD en aan de instroomeisen in de Gezondheidszorg-vervolgopleiding. Organisatie. Zelf biedt zij studenten in het keuzeprogramma de ruimte om desgewenst aan aanvullende eisen te voldoen. Dankzij de breedheid geeft het bachelordiploma volgens de opleiding ook toegang tot enkele aan het vakgebied gerelateerde masteropleidingen. Master De masteropleiding is volgens de zelfstudie ontwikkeld als een opleiding die de student moet voorbereiden op de beroepsuitoefening of op de wetenschapsbeoefening. De afgestudeerde psycholoog moet zich volgens de opleiding voldoende wetenschappelijke kennis en vaardigheden hebben eigen gemaakt om in staat te zijn in zijn professionele loopbaan nieuwe wetenschappelijke kennis te vergaren. Een wetenschappelijke carrière of een professionele carrière in de belangrijkste arbeidsvelden (AOP. bijvoorbeeld ‘stress en performance’ dat in de arbeids. Klinische en Ontwikkelingspsychologie (K&O) en Sociale Psychologie en haar toepassingen (SPT). Hersenen en Gedrag (H&G). Zij sluit een carrièreperspectief in velden als beleidsontwikkeling en maatschappelijke dienstverlening voor bachelors niet uit. of zich te specialiseren in een specifieke toepassing van de psychologie. Dit vooral om er zorg voor te dragen dat studenten een geïnformeerde keuze kunnen maken voor een specialisatie in de masteropleiding met het oog op latere beroepsuitoefening. Voor de masteropleiding geldt volgens de zelfstudie evenals voor de bacheloropleiding dat deze sterk wetenschappelijk georiënteerd is. Ook voor masteropleidingen Psychologie van zusterinstellingen gelden in een aantal gevallen aanvullende toelatingseisen. Hiervoor moet de student aan bepaalde toelatingseisen voldoen.en Personeelspsychologie (AOP). De bacheloropleiding is er volgens de zelfstudie op gericht om studenten kennis te laten maken met de beroepsmogelijkheden van psychologen.en gezondheidspsychologie. De opleiding heeft nog weinig gegevens beschikbaar over het arbeidsmarktperspectief van afgestudeerde bachelorstudenten. Daarnaast kent de masteropleiding een programma Algemene Psychologie. deze kennis op waarde en relevantie te kunnen toetsen en deze kennis in zijn professioneel handelen te integreren. De opleiding meent dat op termijn. bijvoorbeeld de milieupsychologie.

De relatie tot het beroepenveld is naar het oordeel van de commissie in deze masterprogramma’s onderbelicht. In zijn algemeenheid concludeert de commissie op grond van het bovenstaande dat de eindkwalificaties van de bachelor. te voldoen aan de eisen voor het behalen van de BAPD.1 en 3. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Doelstellingen opleiding’ voor de bachelor. is het eveneens mogelijk om combinatie met de bacheloropleiding.en masteropleiding verwijzen hier nadrukkelijk naar. Voor de masteropleiding geldt dat in de eindkwalificaties van de masterprogramma’s de voorbereiding op wetenschappelijke functies voldoende vervat is.het programma AOP of SPT kunnen hun studie meer richten op de praktijk dan wel het onderzoek.1. de internationale wetenschapsbeoefening en de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld. Voor studenten in het masterprogramma AOP. De commissie stelt vast dat de masterprogramma’s K&O en H&G aansluiten bij de eisen die gesteld worden door het beroepenveld voor de BAPD en de GZ-opleiding.3) die studenten voorbereiden op de beroepsuitoefening als psycholoog en op de masteropleiding Psychologie. Mede daardoor missen deze masterprogramma’s naar het oordeel van de commissie een duidelijke identiteit. De doelstellingen van de bachelor. Voor de andere masterprogramma’s is gekozen voor een profilering op onderzoeksgebied. De commissie waardeert het positief dat de opleiding de bachelor als duidelijk eindniveau heeft gedefinieerd. Ook voor de masteropleiding geldt dat de uitstroom volgens de zelfstudie te gering is om iets over het daadwerkelijke beroepsperspectief van afgestudeerde masters mee te delen.en masteropleiding voldoen aan de eisen vanuit de wetenschappelijke discipline. Studenten beschikken over vaardigheden op het gebied van wetenschappelijke beroepsuitoefening respectievelijk het wetenschappelijk onderzoek op het gebied van een van de onderscheiden specialisatieprogramma’s (eindkwalificatie 3) en kunnen zelfstandig wetenschappelijk onderzoek uitvoeren (eindkwalificatie 4).3) en professionele vaardigheden (bijvoorbeeld eindkwalificatie . die bijvoorbeeld een beroep in de adviespraktijk ambiëren. De eindkwalificaties van de bacheloropleiding bevatten naast wetenschappelijke kennis en inzicht (eindkwalificaties 1. 170 QANU / Psychologie / RUG . Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. .1) diverse academische vaardigheden (bijvoorbeeld eindkwalificatie 3. De commissie stelt vast dat afgestudeerden van de bacheloropleiding rechtstreeks toegang hebben tot ten minste één masteropleiding op universitair niveau en dat afgestudeerden van de masteropleiding voldoende in staat zijn zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Oordeel De commissie heeft in de gesprekken met delegaties en uit de documenten die zij heeft bestudeerd duidelijk kennis kunnen nemen van het wetenschappelijke karakter van de opleiding.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende.

10 studiepunten keuzevakken. De studenten dienen in één differentiatie tenminste 15 studiepunten te behalen. 15 studiepunten voor de bachelorthesis. 30 studiepunten masterthesis. Hersenen en Gedrag (H&G). Klinische en Ontwikkelingspsychologie (K&O). De overige 10 studiepunten kunnen vrij aan andere differentiaties worden besteed. Klinische en Ontwikkelingspsychologie (K&O). Sociale Psychologie en haar Toepassingen (SPT). De masterthesis omvat een onderzoeksproject/stage van 30 studiepunten of een onderzoeksproject van 11 studiepunten en een praktijkstage van 19 studiepunten. Elk programma kent eenzelfde opbouw: • • • • • 10 studiepunten basisvakken. Organisatie.2. Organisatie. en Sociale Psychologie en haar toepassingen (SPT). Binnen elke differentiatie worden zes vakken met een gezamenlijke omvang van 30 studiepunten aangeboden. 5 studiepunten voor algemeen vormende vakken. te weten Arbeids-. Hersenen en Gedrag (H&G). Master De masteropleiding kent vijf programma’s: • • • • • Arbeids-. 7 studiepunten psychologische intuïties en geschiedenis van de psychologie. Het tweede en derde jaar van de bacheloropleiding omvat: • • • • • 55 studiepunten voor een algemeen verplicht deel.2.en Personeelspsychologie (AOP). 13 studiepunten oriëntatie op de psychologie in wetenschap en praktijk en gespreks. QANU / Psychologie / RUG 171 . 5 studiepunten voor een differentiatiedeel.en Personeelspsychologie (AOP).­ Programma Bachelor Het eerste jaar van de bacheloropleiding omvat: • • • • 5 studiepunten inleiding in de psychologie en basisdisciplines van de psychologie.4. In het differentiatiedeel worden vier differentiaties onderscheiden. 15 studiepunten methoden en technieken van onderzoek.en groepsvaardigheden. 5 studiepunten methodenvakken. 0 studiepunten voor een keuzedeel. 5 studiepunten vaardigheidsvakken. Algemene Psychologie.

Het onderzoek binnen de afdeling is ondergebracht in het Heymans Instituut en omvat zes werkvelden: (1) informatieverwerking en taakverrichting. (4) theorie en geschiedenis van de psychologie.en methodenvakken worden studenten geoefend in onderzoeksvaardigheden en in evidence-based beroepsuitoefening. In de masteropleiding krijgen deze vaardigheden naar het oordeel van de studenten voldoende aandacht. Studenten kunnen in deze richtingen een praktijkstage en thesis combineren. gespreks. • Bij daarvoor in aanmerking komende opleidingen heeft het programma aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen. • Het programma sluit aan bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën. bijvoorbeeld interviewtechnieken. verbonden aan een onderzoekschool en actief onderzoeker. De zelfstudie beschrijft dat het scientist-practitioner-model uitgangspunt is in de beroepsgerichte programma’s K&O en H&G. In de zelfstudie geeft de opleiding aan dat zowel de bachelor. De leden van de vaste staf zijn vrijwel allemaal gepromoveerd. • Het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek. In de propedeutische fase van de bacheloropleiding worden actuele onderzoeksthema’s behandeld in het kader van de basisdisciplines en nemen studenten als participant deel aan onderzoek. In de vaardigheids. (3) experimentele psychopathologie en psychotherapie. Hierbij treden (promotie)onderzoekers van het Heymans Instituut op als begeleider en dienen de vraagstellingen binnen de werkvelden als onderwerp. De studenten betreuren het dat dit in het tweede en derde jaar van de bacheloropleiding minder aandacht krijgt.als masteropleiding zich kenmerken door een sterke verwevenheid van onderwijs en onderzoek. In de bacheloropleiding is de relatie tussen onderwijs en onderzoek bijvoorbeeld zichtbaar bij de onderzoekpractica en bachelortheses. In het kader van de masterthesis wordt de studenten de mogelijkheid geboden onderzoek uit te voeren binnen een van de werkvelden waar het onderzoek van het Heymans Instituut zich op richt. () interpersoonlijk gedrag. daarop kritisch leren te reflecteren en leren onderzoeksresultaten te rapporteren en presenteren. Het onderzoek voor de masterthesis houdt meestal verband met lopend onderzoek.en presentatievaardigheden. Studenten schrijven hiervoor een eigen (onderzoeks)voorstel dat wordt getoetst door een per programma ingestelde commissie. De 17 QANU / Psychologie / RUG .F4:­Eisen­WO Het programma sluit aan bij de volgende criteria voor het programma van een WO-opleiding: • Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines. Uit de evaluaties die zijn opgenomen bij de zelfstudie blijkt dat studenten en alumni de wetenschappelijke oriëntatie van de opleiding herkennen en waarderen (Enquête 100 over de RUG 005 en Alumni-monitor uitgave 004). Desgevraagd hebben studenten de commissie aangegeven dat algemene professionele vaardigheden in het eerste jaar van de bacheloropleiding aandacht krijgen. De zelfstudie geeft verder aan dat studenten in de mentorgroepen in het eerste bachelorjaar onderzoeksliteratuur te lezen krijgen. (5) ontwikkelingsprocessen en (6) psychometrie en statistiek. De zelfstudie beschrijft voor de masteropleiding dat in het kennisgerichte cursorisch onderwijs van de masteropleiding recente ontwikkelingen in het onderzoek en theorievorming worden gepresenteerd.

Deze leerlijn mondt op adequate wijze uit in de bachelorthesis. Oordeel De commissie heeft het onderwijsmateriaal van de diverse cursussen van de bacheloropleiding en de masterprogramma’s bestudeerd en concludeert dat de opleiding op adequate wijze gebruikmaakt van recente en relevante literatuur en klassieke artikelen. Studenten worden bij diverse onderdelen in de bachelor. bijvoorbeeld door het lezen van onderzoeksartikelen in de mentorgroepen en het zelfstandig uitvoeren van onderzoek in de bachelor. Idealiter voeren studenten op hun stageplek ook onderzoek uit. is zij van mening dat ook in dit geval de ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden.en masterthesis dat aansluit bij onderzoek dat binnen het departement Psychologie wordt uitgevoerd in het Heymans Instituut. resteren 11 studiepunten die aan (het onderzoek voor) de masterthesis kunnen worden besteed. De opleiding besteedt naar het oordeel van de commissie relatief veel aandacht aan de bachelorthesis waarbij studenten individueel een empirisch onderzoek uitvoeren. onder meer door het inhuren van gastdocenten uit de relevante beroepspraktijk.en masteropleiding komen op deze wijze de actuele wetenschappelijke theorieën aan de orde. voldoende is. De commissie heeft geconstateerd dat de actuele praktijk van relevante beroepen minder expliciet aan bod komt in de bacheloropleiding. In het onderzoekspracticum in het tweede jaar voeren studenten in een klein groepje een onderzoek uit. In de masteropleiding worden vaardigheden voor wetenschappelijk onderzoek verder verdiept in de methodenvakken (5 studiepunten) en de masterthesis (30 studiepunten). De commissie is van mening dat de ontwikkeling van vaardigheden voor wetenschappelijk onderzoek op masterniveau hiermee voldoende in het masterprogramma aan bod komt.en masteropleiding in aanraking gebracht met recent onderzoek. De commissie is van mening dat de bacheloropleiding een mooie opbouw van onderzoeksvaardigheden kent. mede doordat deze in de bacheloropleiding gedegen aan bod komen. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. waardoor feitelijk meer tijd aan het doen van onderzoek besteed kan worden.commissie heeft uit gesprekken met studenten begrepen dat via gastcolleges van docenten uit het beroepenveld verbanden worden gelegd met de actuele praktijk van relevante beroepen. Indien studenten in de programma’s H&G en K&O kiezen voor een praktijkstage (19 studiepunten). Hoewel de commissie deze 11 studiepunten voor masterthesisonderzoek aan de lage kant vindt. QANU / Psychologie / RUG 173 . De commissie vindt deze individuele verslaglegging bij de bachelorthesis een best practice op dit gebied. In het onderwijs van de bachelor. De commissie heeft op basis van de gesprekken ook begrepen dat binnen deze masterprogramma’s gestreefd wordt naar een combinatie van onderzoek en praktijkstage. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Deze programma’s voorzien verder naar het oordeel van de commissie in een oriëntatie op de relevante beroepspraktijk. door de praktijkstage en door aandacht voor beroepsvaardigheden het programma.

en Gespreks. Cognitie. Ontwikkelingspsychologie. Controverses sociale psychologie. Werkvelden. Onderzoeksmethoden: theorie en ethiek. modellen en empirisch onderzoek kunnen studenten verwerven via (een keuze uit) de volgende vakken per masterprogramma: AOP: Conflict. en de vaardigheden in het ontwerpen. Sociaal-culturele determinanten van gedrag. Diagnostische modellen. Ib. K&O. II. Onderzoeksmethoden: practicum. Skill Acquisition. leiderschap. Statistiek Ia. Ontwikkelingsmodellen. De eindkwalificaties op het gebied van kennis van. K&O: Evidence-based interventies. III. en Therapie. inzicht in de theorieën van. qua niveau. en de bachelorthesis. 174 QANU / Psychologie / RUG . Gespreks. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. De eindkwalificaties op het gebied van kennis van. Organisatieverandering. en Skill Acquisition. organisatie. en Hersenen en bewustzijn. stress en motivatie. Ontwikkelingspsychologie.F5:­Relatie­tussen­doelstellingen­en­inhoud­programma Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties. Prestatie. Ontwikkelingspathologie. en de vaardigheden in de methoden en technieken van de psychologie als academische professie komen aan bod in de cursusonderdelen Gegevensverzameling. Wetenschapstheorie. Milieupsychologie. H&G. H&G: Integratie vakgebieden. Persoonlijkheid en individuele verschillen. propedeuseproef en de algemeen vormende vakken. Attituden en gedrag. Arbeids-. De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken. Biopsychologie. Testtheorie en -gebruik. Master Ook voor de masteropleiding worden de eindkwalificaties in de zelfstudie gerelateerd aan cursusonderdelen. De eindkwalificatie op het gebied van kennis van wetenschappelijke theorieën. macht. en Sociale omgeving en gedrag. De eindkwalificaties op het gebied van kennis van en inzicht in de grondbeginselen van de psychologie en de belangrijkste toepassingsgebieden komen aan bod in de cursusonderdelen: Overzicht psychologie. SPT en de keuzevakken. Capita selecta. Cognitieve revalidatie.en groepsvaardigheden. opzetten en uitvoeren van psychologisch onderzoek komen aan bod in de cursusonderdelen: Psychologische intuïties. De eindkwalificaties betreffende de algemeen academische vaardigheden krijgen aandacht in de mentorgroep. motivatie. Klinische en gezondheidspsychologie.en diagnostische vaardigheden. Cognitieve modellen. Motoriek. Hersenen en gedrag. emotie. Sociale psychologie van verkeersgedrag en Cross-culturele psychologie. Sociale psychologie van agressie. inzicht in de theorieën van. SPT: Sociale Psychologie van de gezondheid. Experimentele psychopathologie. De eindkwalificaties zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. Klinische en ontwikkelingsneurologie. Bachelor De opleiding geeft in de zelfstudie een tabel waarin de eindkwalificaties van de opleiding worden gerelateerd aan onderwijsonderdelen. Geschiedenis v/d psychologie. De eindkwalificaties betreffende verdiepende kennis van en inzicht in een specialistisch domein binnen de psychologie komen aan bod in de differentiatievakken AOP. Hieruit blijkt volgens de opleiding dat de eindkwalificaties door de onderwijsonderdelen worden gedekt.en personeelspsychologie.

De commissie waardeert dit negatief. Tot slot vindt de commissie dat de algemene variant van de masteropleiding de student unieke mogelijkheden om zich te specialiseren in psychometrie en statistiek of geschiedenis van de psychologie. Theorieën ontwikkelen. Een door de examencommissie goedgekeurd opleidingplan is voorwaarde om een deze variant te kunnen volgen. H&G: Experimentele vaardigheden. Door de groei van het aantal studenten in deze programma’s en door een kortere stageperiode dan in de doctoraalopleiding gebruikelijk was. De commissie constateert in dit licht dat het programma geen expliciete mogelijkheid biedt een praktijkstage te lopen.en vragenlijstconstructie. Selectie en ontwikkeling van individuen. Dit geldt zowel voor de bachelor. en Causale inferentie. Zij spreekt eveneens haar vertrouwen uit over het feit dat de opleiding op dit punt adequate maatregelen treft: de opleiding is actief op zoek naar stageplaatsen. De commissie vindt deze leerdoelen per onderdeel een adequate vertaling van de eindkwalificaties. Zij sluit zich aan bij de beschrijving die in de zelfstudie is opgenomen (zie hierboven).De eindkwalificatie betreffende kennis van gevorderde methoden en technieken van gegevensverzameling en analyse kunnen studenten verwerven via (een keuze uit) de vakken Experimentele designs. Herhaalde metingen. De commissie acht dit een belangrijk onderdeel van deze masterprogramma’s en spreekt haar zorg uit indien er voor de huidige studenten te weinig stageplaatsen zijn. In de studiegids wordt per cursusonderdeel een beschrijving van de inhoud en de doelstelling van het betreffende onderwijsonderdeel gegeven. De commissie heeft uit de gesprekken met studenten en staf begrepen dat de organisatie en het aanbod van de praktijkstage in de masterprogramma’s H&G en K&O een tijdelijke zorg vormt. is het stageaanbod momenteel niet groot genoeg. De praktijkstage vormt wel een onderdeel van de meer beroepsgeoriënteerde programma’s K&O en H&G. studiegids en cursusmateriaal bestudeerd en is van oordeel dat de inhoud van het programma een adequate concretisering is van de eindkwalificaties. Neuro-psychologische diagnostiek. Het opleidingsmanagement heeft de commissie laten weten dat zij zich niet herkent in de uitspraak dat het stageaanbod in de masteropleiding niet voldoende zou zijn. Deze biedt studenten de mogelijkheid om zich te specialiseren in een deelgebied dat buiten de aangeboden programma’s valt of een combinatie van de masterprogramma’s vormt. Test. Zij merkt hierbij terzijde op dat de naamgeving ‘algemene psychologie’ dit helaas onvoldoende tot uitdrukking brengt. QANU / Psychologie / RUG 175 . K&O: Vaardigheden voor diagnostiek en interventie. Oordeel De commissie heeft de informatie uit de zelfstudie.als de masteropleiding. SPT: Theorieën toetsen. Modellen en simulaties. De eindkwalificatie betreffende het zelfstandig kunnen uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek gericht op theorieontwikkeling/toepassing van theorieën en het functioneren als academisch gevormd psycholoog kan de student via de masterthesis verwerven. De masteropleiding kent tot slot nog een variant die ‘Algemene Psychologie’ wordt genoemd. Zoals bij F3 aangegeven is de commissie van mening dat ook voor het masterprogramma AOP een oriëntatie op de relevante beroepspraktijk onderdeel zou moeten zijn van de eindkwalificaties van dit masterprogramma. Vaardigheden op het gebied van de wetenschappelijke beroepsuitoefening respectievelijk het wetenschappelijk onderzoek kunnen studenten verwerven via AOP: Cognitieve werkanalyse.

Tot slot is recentelijk een coördinator voor de hele bacheloropleiding aangesteld om integratie van onderdelen te bevorderen en de samenhang te bewaken. onderzoekspracticum en bachelorthesis. 176 QANU / Psychologie / RUG .Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. presentatie en rapportage toegepast in opdrachten. In het tweede jaar komen de toepassingsgebieden aan de orde. ingesteld. algemene academische vaardigheden. Bachelor De opleiding geeft aan dat langs diverse lijnen een logische opbouw met een sequentiële samenhang over de drie jaren wordt beoogd. Het vak ‘Klinische en gezondheidspsychologie’ vormt in het tweede jaar de theoretische basis voor het onderdeel Gespreksvoering. Zo ligt bijvoorbeeld voor het eerste thema in het eerste jaar. De samenhang tussen de hierboven genoemde thema’s en binnen de verschillende jaren van de bacheloropleiding is volgens de zelfstudie op verschillende manieren geborgd. leren studenten in het tweede jaar eenvoudige statistische analyses en komen vervolgens meer geavanceerde (multivariate) technieken aan bod. In het onderzoekspracticum in het tweede jaar worden methodologische en statistische onderdelen toegepast. De differentiatievakken zijn volgens de opleiding op elkaar afgestemd om een overzicht van de differentiaties te geven. Hierin worden die onderwerpen voor discussie. Deze gelden voor de aansluiting tussen de onderdelen statistiek. Deze sequentiële opvolging in toenemende moeilijkheidsgraad en/of complexiteit geldt ook voor het aanleren van de onderzoeksaardigheden. methodische en statistische vaardigheden. oriëntatie op het werkveld en beroepsvaardigheden. onderzoeksvaardigheden. F6:­Samenhang­programma Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend studieprogramma. De zelfstudie geeft aan dat de samenhang binnen de studiejaren wordt bewaakt door de jaarcoördinatoren en de samenhang tussen de studiejaren door daartoe aangewezen coördinatoren statistiek en vaardigheidsonderwijs en door de opleidingsraad van de bachelor. in de gesprekken ook wel blokkaderegelingen genoemd. na een algemene inleiding. Zij onderscheidt daarbij de volgende thema’s waartussen en waarbinnen samenhang wordt gecreëerd: • • • • • basisdisciplines en toepassingsgebieden. de nadruk op de basisdisciplines. Deze bouwen voort op de basisdisciplines. Onderwerpen van disciplinaire en methodologische vakken komen terug in het vak ‘Wetenschap en praktijk’ in het eerste jaar. Het derde jaar bevat de differentiatiefase die gericht is op verdieping in samenhangende specialisaties binnen de psychologie. De opleiding heeft voor de sequentiële samenhang enkele volgorderegelingen. In de zelfstudie geeft de opleiding aan hoe binnen deze onderdelen samenhang wordt bewerkstelligd. Wat betreft de methodische en statistische vaardigheden (tweede thema) komen in het eerste jaar de basisprincipes van de statistiek aan de orde. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. de oriëntatie op het beroepenveld en de algemene academische vaardigheden. Een student mag pas deelnemen als eerst een eerder onderdeel met goed gevolg is afgerond.

zoals de opleiding aangeeft. studieplan op. Bepaalde methodenvakken zijn meer relevant voor studenten in een bepaalde differentiatie. waardoor een overstap relatief eenvoudig is. Bij de invoer van de bachelor-masterstructuur zijn. De commissie waardeert het positief dat ook de masterprogramma’s studenten in vergelijking tot andere masterprogramma’s behoorlijke keuzeruimte bieden. De opleiding geeft aan dat de basisvakken verdiepen in een aantal gerelateerde specialistische gebieden. Daarnaast waardeert de commissie het positief dat de bacheloropleiding studenten een relatief grote keuzevrijheid biedt. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. F7:­Studielast Het programma is studeerbaar doordat factoren. De procedure rond de keuzevakken biedt voldoende garanties voor een samenhangend pakket. afgestemd op de in de verschillende programma’s voorkomende onderzoeksbenaderingen. inzicht en vaardigheden die de studenten in de bacheloropleiding hebben opgedaan. vaardigheidsvakken. zoals in de oude situatie gebruikelijk was. Voor de verdeling van de studielast hanteren de opleidingen het uitgangspunt dat studenten gemiddeld veertig uur per week aan de studie besteden. via de opleidingsraden.Master Elk masterprogramma bestaat uit basisvakken. Keuzevakken die buiten de opleiding gevolgd worden. de bijpassende volgorderegelingen. Studenten stellen aan het begin van de masteropleiding met de coördinator van het masterprogramma een inhoudelijk samenhangend. De commissie stelt vast dat de masterprogramma’s op adequate wijze voortbouwen op de kennis. methodenvakken. Door het opstellen van het studieplan wordt de samenhang goed bewaakt en gerealiseerd. afhankelijk van het programma. is deze samenhang goed vormgegeven. alleen bij het onderdeel dat door de betreffende leerstoelgroep werd verzorgd. In de bacheloropleiding zijn onderdelen QANU / Psychologie / RUG 177 . keuzevakken en de masterthesis. In de masterthesis wordt van studenten verwacht dat zij opgedane kennis en vaardigheden op integratieve wijze toepassen. Vaardigheidsvakken zijn. Dit heeft naar het oordeel van de commissie een zeer goede invloed gehad op een samenhangend programma met weinig fragmentatie vanuit de verschillende leerstoelgroepen. aan het onderwerp van de masterthesis gerelateerd. gericht op de toepassing daarvan in onderzoek of professioneel handelen. die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen. docenten van verschillende disciplinegroepen bij de opzet van de hele bacheloropleiding betrokken. Door de sequentiële opbouw binnen de verschillende onderdelen van de studie. Binnen de programma’s biedt de inhoudelijke thematiek goede samenhang. en de toepassing van kennis en vaardigheden in meer integratieve onderdelen van de opleiding zoals het onderzoekspracticum. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. En niet. Dit studieplan wordt door het onderwijsbureau getoetst op de formele voorwaarden. De commissie is positief over het feit dat de masterprogramma’s een gelijke structuur kennen. Oordeel De commissie vindt de opzet van de bacheloropleiding zeer samenhangend. moeten door de examencommissie worden goedgekeurd. De methodenvakken zijn.

De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat ongeveer 60% van de instromende studenten binnen de gestelde periode het propedeutisch examen haalt.met de nadruk op kennis en inzicht en vaardigheidsonderdelen zo veel mogelijk gelijkelijk over het studiejaar verdeeld. De studievoortgang is volgens de opleiding met name aan het begin van de propedeuse een punt van zorg. Studenten die nog niet alle propedeusevakken hebben gehaald krijgen. De programma’s Hersenen en Gedrag en Klinische en Ontwikkelingspsychologie van de masteropleiding kennen één volgorderegeling: studenten moeten het diagnostiek vaardigheidsonderdeel afgerond hebben voordat zij aan de masterthesis/klinische stage mogen beginnen.en statistiekonderwijs en het onderzoekspracticum zijn afgerond. De commissie heeft van studenten gehoord dat het vak Overzicht van de psychologie enige overlap kent met het vak Biopsychologie. Bij het vak ‘Psychologie: wetenschap en praktijk’ zijn mentorgroepen ingevoerd om de studievoortgang in de propedeuse te bevorderen. De opleiding heeft daarom besloten de mogelijkheid tot zij-instroom in het tweede en derde jaar van de bacheloropleiding met ingang van het studiejaar 005-006 te beëindigen. mits alle vakken van het eerste semester zijn gehaald. zoals de introductie van deeltentamens bij het vak ‘Overzicht van de psychologie’. De opleidingen kennen enkele volgorderegelingen. voor zes maanden een toelating tot de postpropedeutische fase. ­ Uit de gesprekken heeft de commissie begrepen dat het facultair beleid voor het volgend studiejaar (006-007) voorschrijft dat in plaats van de eerste vijf vakken van de propedeuse. Deze onderdelen worden tweemaal per jaar aangeboden. Door referaten en opdrachten in de mentorgroepen te koppelen aan inhoudelijke thema’s van de disciplinaire vakken worden studenten aangemoedigd om zich tijdig in de stof verdiepen. omdat studenten zich nog niet de studievaardigheden hebben eigen gemaakt. nog maar twee vakken verplicht mogen worden gesteld om door te gaan naar de postpropedeutische fase. Na afloop van deze periode wordt de toegang tot het postpropedeutisch onderwijs ontzegd totdat de propedeuse is gehaald. beide worden in het eerste bachelorjaar gegeven. 178 QANU / Psychologie / RUG . achterblijft bij reguliere studenten. Hierin komen studievaardigheden aan bod. Voor de bacheloropleiding geldt dat het propedeutisch examen moet zijn behaald voordat met de postpropedeutische fase kan worden begonnen. Daarnaast zijn er in de bacheloropleiding enkele vakgebonden volgorderegelingen met betrekking tot statistiek en moet voor aanvang van de bachelorthesis het methoden. Dit wordt verlengd tot twaalf maanden zodra de student deze vakken en ten minste 45 studiepunten van de propedeutische fase heeft gehaald. De zelfstudie meldt dat de masteropleiding twee instroommomenten kent om de overstap van de bacheloropleiding naar de masteropleiding zonder vertraging te laten verlopen. In de bacheloropleiding zijn in het studiejaar 004-005 enkele maatregelen getroffen om de studievoortgang te bevorderen. Deze volgorderegeling is gekoppeld aan het systeem van studiebegeleiding (zie F16). De opleiding geeft aan dat analyses hebben uitgewezen dat de studievoortgang van zij-instromers met een hbo-bachelordiploma in het tweede of derde jaar van de bacheloropleiding Psychologie.

Studenten met wie de commissie heeft gesproken vonden dat de opleiding wel enige blokkades kent die de studeerbaarheid belemmeren. Dit betreft met name de doorstroombeperkingen naar het tweede jaar van de bacheloropleiding en het afschaffen van de derde tentamenkans in het tweede en derde studiejaar van de bacheloropleiding. Oordeel De commissie is van oordeel dat de geprogrammeerde studielast evenwichtig over de bacheloren masteropleiding is gespreid. Over de gerealiseerde studielast van studenten heeft de commissie weinig cijfermateriaal gezien. Uit de gesprekken met studenten maakt zij op dat de studielast in de masteropleiding hoog is, maar de studie wel in een jaar is af te ronden. De commissie vindt dit passend voor een masteropleiding. De commissie vindt de inhoudelijke volgorderegelingen, zoals de voorwaarde dat studenten eerst Statistiek 1a en 1b met goed gevolg hebben afgerond voordat aan Statistiek  begonnen mag worden en de voorwaarden voor de start van de bachelorthesis, inhoudelijk goed onderbouwd en adequaat met het oog op studeerbaarheid. De commissie vindt het zorgelijk dat studenten nu vertraging oplopen omdat zij niet alle eerste vijf vakken van de propedeuse hebben gehaald en om die reden niet kunnen doorstromen naar de postpropedeutische fase. De commissie ondersteunt van harte de implementatie van het facultaire beleid om nog maar twee vakken van de propedeuse verplicht te stellen voor doorstroom naar het tweede en derde jaar van de bachelor. Tot slot merkt de commissie nog op dat de opleiding in het kader van de studeerbaarheid bij de groepsgewijze uitvoering van de bachelorthesis er waakzaam voor moet zijn dat het groepsgewijze karakter niet tot belemmeringen voor de voortgang van de individuele student leidt. Wat betreft de masteropleiding is de commissie positief over het feit dat alle masterprogramma’s door de keuze voor een klinische stage gecombineerd met een kleiner masterthesisonderzoek dan wel een groot masterthesisonderzoek zonder praktijkstage in een jaar studeerbaar zijn. De commissie vindt dit een realistische oplossing voor het gegeven dat masteropleidingen in Nederland vooralsnog een eenjarig programma kennen. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.
F8:­Instroom Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten: WO-bachelor: VWO, HBO-propedeuse of daarmee vergelijkbare kwalificaties, blijkend uit toelatingsonderzoek. WO-master: bachelor en eventueel (inhoudelijke) selectie.

Bachelor In de zelfstudie geeft de opleiding een overzicht van de instroom in de propedeutische fase. Hieruit blijkt dat de instroom de afgelopen tien jaar sterk is gegroeid: van 08 in 1995-1996 tot 473 in 004-005 (eerstejaars opleiding instellig). Per studiejaar 005-006 geldt een fixus met als limiet 480 voltijds- en twintig deeltijdstudenten. Dit heeft geleid tot een daling van het totaal aantal ingeschreven studenten tot 384 in het studiejaar 005-006. Hiervan zijn zeventien studenten in de deeltijdvariant ingeschreven. De faculteit heeft besloten de numerus fixus te continueren. Studenten met een vwo-diploma en hbo-(propedeuse)diploma worden toegelaten tot de bacheloropleiding. Volgens de opleiding bereiden de verschillende vwo-profielen en hbo-diploQANU / Psychologie / RUG 179

ma’s niet even goed voor op de opleiding Psychologie. De opleiding biedt studenten aan het begin van de propedeuse een wiskundetoets aan. Studenten die hierop een onvoldoende scoren wordt een wiskundecursus aangeraden. De opleiding geeft aan de invloed van de invoering van het studiehuis te volgen en de bacheloropleiding daar op aan te sluiten. Zo lijken studenten uit het studiehuis volgens de opleiding bijvoorbeeld minder geneigd tot kritische wetenschappelijke analyse. In de mentorgroepen wordt daaraan extra aandacht besteed. Voor de voorlichting aan aankomende studenten volgt de opleiding het universitaire voorlichtingsbeleid. Dit is erop gericht zo veel mogelijk potentieel succesvolle studenten te interesseren voor een studie aan de RUG en over de studie een zo reëel mogelijk beeld te geven. De opleiding participeert in universitaire voorlichtingsdagen, geeft voorlichting op studiebeurzen en op middelbare scholen in de noordelijke provincies, en is vertegenwoordigd op de jaarlijkse decanendag, participeert in de ‘ouderdag’ en het Gamma-steunpunt. Verder verschaft de opleiding via de website en brochures informatie. De voorlichting op niveau van de opleiding wordt verzorgd door het onderwijsbureau, in overleg met de studieadviseurs. Daarnaast is een facultaire werkgroep voorlichting belast met het voorlichtingsbeleid en de praktische organisatie van de voorlichting. Master De masteropleiding is voor het eerst aangeboden in het studiejaar 004-005 en kent twee instroommomenten per jaar. In september 004 zijn vijf studenten ingestroomd, in februari 005 vijftien studenten en in september 005 45 studenten. Per september 005 stonden 6 studenten ingeschreven. Studenten met een bachelordiploma psychologie van de RUG of een andere universiteit worden toegelaten tot de masteropleiding Psychologie. Studenten met een ander universitair bachelordiploma moeten aantonen over een aantal competenties te beschikken, bijvoorbeeld kennis van de wetenschappelijke discipline psychologie: zowel van haar belangrijkste theoretische subdisciplines als van haar belangrijkste professionele toepassingen. Naast deze algemene toelatingseisen stellen de verschillende programma’s nadere toelatingsvoorwaarden, bestaande uit een voorgaande specialisatie op het gebied van het programma. Een toelatingscommissie die door de examencommissie is aangewezen beoordeelt twee maal per jaar de toelatingsaanvragen. In de toelatingscommissie hebben de programmacoördinatoren zitting. De studieadviseur adviseert de toelatingscommissie. Studenten die de bacheloropleiding Psychologie volgen en nog niet volledig aan de bachelorexameneisen hebben voldaan worden voorlopig toegelaten, mits zij de bachelorthesis hebben afgerond en niet meer dan 15 studiepunten van het bachelorexamen verwijderd zijn. Zij moeten uiterlijk een half jaar na toelating het bachelorexamen hebben afgelegd. Ook voor de masteropleiding wordt het centrale voorlichtingsbeleid gevolgd. De opleiding is vertegenwoordigd op een aantal geselecteerde evenementen en beurzen. De opleiding verzorgt tweemaal per jaar een voorlichtingsbijeenkomst voor studenten van de bacheloropleiding Psychologie. De voorlichting wordt gecoördineerd door het onderwijsbureau en inhoudelijk verzorgd door de programmacoördinatoren. Oordeel De commissie stelt vast dat de opleidingen de juiste toelatingsvereisten voor de instroom hanteren. Voor de bacheloropleiding betreft dit een vwo-diploma, hbo-propedeuse en hbo-einddiploma of vergelijkbare competenties en voor de masteropleiding een wo-bachelordiploma
180 QANU / Psychologie / RUG

Psychologie met een specialisatie in het betreffende masterprogramma. De toelatingscommissie beoordeelt voor de masteropleiding of studenten over de juiste competenties beschikken. De commissie heeft niet gehoord dat instromende studenten problemen hebben met de aansluiting. Zij is op grond van het bestudeerde voorlichtingsmateriaal van mening dat de voorlichting adequaat is en een realistisch beeld schetst van de opleidingen. De commissie concludeert dat de bachelor- en de masteropleiding qua vorm en inhoud voldoende bij de kwalificaties van instromende studenten aansluiten. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.
F9:­Duur De opleiding voldoet aan formele eisen m.b.t. de omvang van het curriculum: WO-bachelor: in de regel 180 studiepunten. WO-master: minimaal 60 studiepunten, afhankelijk van de opleiding.

Het bachelorprogramma omvat 180 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. Het masterprogramma omvat 60 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. Oordeel Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.
F10:­Afstemming­tussen­vormgeving­en­inhoud Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen. De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept.

De bachelor- en masteropleiding kennen de werkvormen colleges, werkgroepen, practica en zelfstudie. In de zelfstudie is een overzicht opgenomen van de studielast van de werkvorm per studiejaar. De opleiding geeft aan dat de werkvormen zijn afgestemd op de doelstellingen van de onderwijsonderdelen en de eindkwalificaties. In de bachelor- en masteropleiding wordt in practica en werkgroepen nadruk gelegd op oefening van professionele, onderzoeks- en cognitieve vaardigheden. Colleges en zelfstudie zijn gericht op kennisvermeerdering en ontwikkeling van inzichten. De bachelor- respectievelijk masterthesis betreffen de afsluitende proeve van bekwaamheid binnen de opleiding. Hierin worden de inhoudelijke kennis en inzichten en de verkregen vaardigheden in het opzetten van onderzoek, het verzamelen en de analyse van gegevens alsmede de vaardigheden in het mondeling en schriftelijk rapporteren en verantwoorden van werkzaamheden gecombineerd. Oordeel De commissie stelt vast dat de opleidingen heel bewust niet voor één bepaald didactisch concept kiezen. De commissie is van mening dat de opzet van het bachelorprogramma zorgvuldig is verantwoord vanuit de inhoudelijke opbouw van het programma en minder was gericht op vernieuwing van de werkvormen. Desalniettemin kennen de werkvormen in de bacheloropleiding voldoende variatie en sluiten deze naar het oordeel van de commissie aan
QANU / Psychologie / RUG 181

bij de eindkwalificaties van de opleiding en de leerdoelen van de onderwijsonderdelen. Voor de bachelorthesis wordt een contract tussen student en begeleider afgesloten. Hiermee wordt naar mening van de commissie adequaat gewaarborgd dat de thesis een integrerende proeve van bekwaamheid is. De werkvormen in de masteropleiding variëren afhankelijk van het gekozen masterprogramma en keuzevakken. Gemiddeld genomen wordt veruit de meeste studielast besteed aan practica (700 uur) en zelfstudie (890 uur). De commissie vindt deze verdeling en de variatie passend bij de doelstelling van de masteropleiding. De randvoorwaarden voor de stages in de programma’s K&O en H&G kunnen naar het oordeel van de commissie verbeterd worden. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.
F11:­Beoordeling­en­toetsing Door de beoordelingen, toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd.

De bachelor- en masteropleiding kennen diverse vormen van toetsing en beoordeling van de studievoortgang. De opleidingen geven aan dat deze afhankelijk zijn van de werkvorm en inhoud van het onderwijs. Voor de bachelor- en masteropleiding geldt dat de onderdelen die gericht zijn op de vermeerdering van kennis en inzicht worden getoetst door middel van schriftelijke tentamens. Onderdelen die gericht zijn op de vermeerdering van vaardigheden (practica) worden getoetst door middel van verscheidene, op de inhoud van het onderwijs afgestemde, toetsvormen, zoals voortgangstoetsen, referaten, opdrachten en practicumverslagen. Ook een afsluitend tentamen kan deel uitmaken van deze toetsing. Studenten bevestigen in de gesprekken met de commissie dat de toetsing gevarieerd is en de toetsvormen en eisen duidelijk vooraf worden gecommuniceerd. Het schriftelijk tentamen in de bacheloropleiding kan uit meerkeuzevragen en/of open vragen bestaan. In de masteropleiding bevatten de tentamens in meerderheid open vragen (zogenoemde essaytentamens). Tentamens waarvoor een groot aantal deelnemers wordt verwacht kunnen in de vorm van meerkeuzevragen worden afgenomen. In de masteropleiding kunnen presentaties, referaten en werkstukken deel uit maken van het tentamen. De opleiding heeft een docentengids waarin richtlijnen rondom toetsing zijn opgenomen. Zo moeten voor openvraagtentamens de standaard antwoordprotocollen beschikbaar worden gesteld aan de toetscommissie. Deze toetscommissie bestaat uit door de examencommissie aangewezen examinatoren en een lid van de examencommissie. Ook moet de wijze van beoordeling van de antwoorden vastgesteld zijn. De tentamens worden op psychometrische aspecten getoetst en wanneer daartoe aanleiding is bijgesteld. In de propedeuse werkt de opleiding met deeltentamens die studenten vroegtijdig feedback geven over het gerealiseerde kennisniveau. De uiteindelijke tentamenuitslag wordt berekend op grond van het totaal van de drie deeltentamens te samen. Voor de beoordeling van de tentamens hanteert de opleiding een absoluut kenniscriterium van 56% van de aangeboden stof. Na invoering van dit absoluut criterium is, zoals de opleiding aangeeft, niet gebleken dat dit leidt tot systematisch onacceptabel lage slaagpercentages.

18

QANU / Psychologie / RUG

Ook de procedures rondom de toetsing van vaardigheden in practica zijn beschreven in de docentengids. Voor elk van de toetsvormen geldt dat éénmalig een herhaaltoets of vervangende opdracht wordt aangeboden. Indien één of meer van de toetsvormen van het practicum niet met een voldoende is afgesloten, moet de student het hele practicum opnieuw volgen. In de zelfstudie wordt de procedure voor de bewaking van de kwaliteit van de masterthesis uiteengezet. De student stelt met de begeleider een overeenkomst op waarin de frequentie van de voortgangsgesprekken, de beoordeling en de einddatum worden vastgelegd. Het onderzoeksvoorstel voor de masterthesis wordt beoordeeld door een per programma vastgestelde masterthesiscommissie. Deze commissie wijst ook een tweede beoordelaar aan. Het onderzoeksvoorstel wordt ook voorgelegd aan de ethische commissie psychologie. De beoordeling van het eindproduct wordt door de eerste (interne) begeleider vastgesteld. Eventuele externe stagebegeleider(s) wordt om advies gevraagd. De tweede begeleider beoordeelt eveneens de masterthesis. Bij discrepanties in de beoordeling vindt opnieuw beoordeling plaats. Van de examencommissie heeft de commissie gehoord dat er ook voor de bachelorthesis altijd een tweede beoordelaar is. De opleiding maakt gebruik van het programma Ephorus, waarmee fraude kan worden opgespoord. Ephorus wordt ingezet bij de propedeuseproeven. De opleiding maakt voor overige onderdelen geen gebruik van Ephorus. Uit de gesprekken bleek dat docenten fraude bij het onderzoekspracticum en de bachelorthesis niet waarschijnlijk achten gezien de intensieve begeleiding. De bachelor- en masteropleiding kennen, met uitzondering van de propedeuse, een tentamen en één herkansing per jaar. De propedeuse kent twee herkansingsmogelijkheden vanwege de volgorderegeling (zie F7). De tentamens en hertentamens worden binnen hetzelfde semester afgenomen. Zonder inschrijving hebben studenten geen toegang tot het tentamen. De examencommissie heeft regels en richtlijnen uitgebracht die de gang van zaken rondom de tentamens regelen. Deze zijn, evenals de toetsvormen per studieonderdeel, opgenomen in de studiegids. Van studenten heeft de commissie begrepen dat vooral in de bacheloropleiding veel gebruik wordt gemaakt van meerkeuzevragen bij tentamens. Studenten waarderen dit negatief en noemen een aantal voorbeelden van toetsen waarvan tentamenvragen circuleren. De bachelor- en masteropleiding kennen elk een eigen examencommissie. Tussen beide commissies is wel enige personele overlap om de afstemming te bewaken. De commissie heeft tijdens het bezoek gesproken met een afvaardiging van deze examencommissies. Naast de formele taken van de examencommissie spelen beide examencommissies ook een rol in de organisatie en bewaking van de kwaliteit van de tentamens. De toetscommissie werkt voor de examencommissie. Beide commissies kennen dezelfde voorzitter. Oordeel De commissie stelt vast dat de opleidingen een variatie aan toetsvormen hanteren. Tijdens het visitatiebezoek heeft de commissie een aantal toetsvormen van verschillende studieonderdelen bestudeerd. Naar oordeel van de commissie wordt in de bacheloropleiding relatief veel gebruikgemaakt van meerkeuzevragen bij tentamens. De commissie waardeert het positief dat de opleiding naast de meerkeuzetoetsen steeds meer gebruik gaat maken van andere toetsvorQANU / Psychologie / RUG 183

men. De commissie onderschrijft het belang van toetsing via open vragen in de eerste twee jaar van de bacheloropleiding, ook om de schrijfvaardigheden van studenten aan te scherpen. De toetsvormen die worden ingezet bij de beoordeling van vaardigheden vindt de commissie adequaat passen bij de leerdoelen en de inhoud van de practica. Wel heeft zij de indruk dat vaardigheden nog weinig in het beoordelingsproces worden betrokken. In de masteropleiding wordt naast tentamens meer gebruikgemaakt van opdrachten voor de beoordeling van studenten. De commissie vindt de gehanteerde toetsvormen in de masteropleiding passend bij de leerdoelen. De opleidingen maken naar het oordeel van de commissie veel werk van de consistentie en kwaliteitsbewaking van de toetsing. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de regels en richtlijnen van de examencommissie, de bewaking van de kwaliteit van de toetsen door de toetscommissie door onder meer het vooraf en achteraf laten toetsen van items uit de tentamens. De commissie waardeert dit positief. Tot slot oordeelt de commissie positief over de organisatie van de toetsing en het functioneren van de examencommissie. Deze neemt een proactieve houding in. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.

Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Programma’ voor de bachelor- en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende.

4.2.3.­ Inzet­van­personeel
F12:­Eisen­WO De opleiding sluit aan bij de volgende criteria voor de inzet van personeel van een WO-opleiding: Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied.

In de zelfstudie geeft de opleiding voor de bachelor- en masteropleiding per leerstoelgroep een overzicht van de functies, onderwijstaken en onderzoeksspecialisaties van het wetenschappelijk personeel. Hieruit blijkt dat bijna het gehele wetenschappelijke personeel in vaste dienst is gepromoveerd en verbonden aan een onderzoeksschool. Hoogleraren en uhd’s zijn in alle jaren van de bacheloropleiding en de masteropleiding betrokken. Volgens de zelfstudie hechten de opleidingen sterk aan de betrokkenheid van alle stafleden bij het projectmatige onderwijs, bijvoorbeeld de mentorgroepen in het eerste jaar, omdat zij het van belang acht dat studenten vanaf de propedeuse in contact komen met wetenschapsbeoefenaars in de verschillende fasen van de ontwikkeling. De opleidingen geven aan dat zij voor onderdelen die gericht zijn op de beroepsuitoefening mede personeel inzetten dat een deeltijdse aanstelling heeft in de praktijk en gebruikmaken gebruik van ‘gastdocenten’ uit de praktijk, bijvoorbeeld in het propedeuseonderdeel Werkvelden.

184

QANU / Psychologie / RUG

Oordeel De commissie stelt vast dat het merendeel van de docentonderzoekers is gepromoveerd en is aangesloten bij een onderzoeksprogramma van erkende kwaliteit. Deze onderzoeksprogramma’s zijn onlangs positief beoordeeld in de onderzoeksvisitatie Psychologie. De commissie vindt het goed dat gedurende alle jaren van de bacheloropleiding en in de masteropleiding wetenschappelijke en professionele rolmodellen worden ingezet in het programma. Afgaande op het oordeel van studenten en alumni met wie de commissie heeft gesproken, zouden professionele rolmodellen een meer zichtbare plaats in het onderwijs verdienen. De commissie is positief over het feit dat voor de mentorgroepen de gehele academische staf tot hoogleraren aan toe worden ingezet. Zij concludeert op basis hiervan dat het onderwijs voor een belangrijk deel wordt verzorgd door goede onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed.
F13:­Kwantiteit­personeel Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen.

In de zelfstudie is een overzicht van de personeelsinzet naar functiecategorie opgenomen. In totaal worden 184 personen (38 fte, peildatum 1 december 004) ingezet in de bachelor- en masteropleiding. Er wordt een vaste verdeling van inzet over het bachelor- en masteronderwijs gehanteerd: twee derde in het bacheloronderwijs en een derde in het masteronderwijs. Voor de toewijzing van personeel hanteren de opleidingen een nominaal onderwijsinzetmodel. De benodigde inzet wordt aan de hand van een aantal parameters berekend. De belangrijkste parameters in dit model zijn de omvang van het onderdeel in studiepunten, het aantal studenten, de onderwijsvorm (college, practicum, individueel onderwijs) en de tentamenvorm (meerkeuze of open vragen). Aan de hand van dit model wordt ook bewaakt dat de inzet van het personeel overeenkomstig de vastgelegde verdeling wordt gerealiseerd. In overleg met de voorzitters van de basiseenheden (Differentiële Psychologie, Methodologie en Geschiedenis; Experimentele en Arbeidspsychologie; Klinische en Ontwikkelingspsychologie, en Sociale en Organisatiepsychologie) stellen de opleidings- en onderzoeksdirecteur jaarlijks de individuele inzet van de medewerkers in onderwijs en onderzoek vast. De staf is bij de invoering van de bacheloropleiding in het najaar van 003 gevraagd tijdelijk een gemiddeld 0,1 fte hogere onderwijsinzet te leveren dan in de meerjarenafspraken was vastgelegd. Dit gebeurde met instemming van de voorzitters van de basiseenheden en het faculteitsbestuur. Met ingang van het studiejaar 005-006 heeft de afdeling toestemming gekregen om de personeelsinzet ten behoeve van het onderwijs uit te breiden met 4 fte tijdelijk toegevoegd docenten met een volledige onderwijstaak. Deze toegevoegd docenten worden in het vaardigheidsonderwijs ingezet. In de bacheloropleiding wordt een staf-studentratio van ongeveer 1:41 gerealiseerd en voor de masteropleiding verwacht de opleiding bij een uiteindelijke omvang van tweehonderd studenten een staf-studentratio van 1:16 te realiseren.

QANU / Psychologie / RUG

185

Voor de algemene onderwijsondersteuning is 1, fte beschikbaar via de facultaire dienst onderwijs. Deze dienst formuleert het facultaire onderwijsbeleid, draagt zorg voor de ondersteuning van de onderwijsactiviteiten en is verantwoordelijk voor de onderwijsbalie. De opleidingspecifieke onderwijsondersteuning wordt op afdelingsniveau uitgevoerd door het onderwijsbureau. Dit bureau, waarbij 6,7 fte betrokken is, verzorgt de studievoortgangsregistratie, voorlichting, studiebegeleiding en -advisering, en de uitvoering van de kwaliteitsbewaking. Oordeel De commissie is van oordeel dat via het nominaal belastingsmodel keurig is geregeld en gewaarborgd dat voldoende personeel voor beide opleidingen wordt ingezet. De verdeling over de bachelor- en masteropleiding oogt naar het oordeel van de commissie eerlijk. De tijdelijke extra inzet die van het personeel is gevraagd vanwege de hoge onderwijsbelasting door de invoering van de bachelor-masterstructuur en (tijdelijke) stijging van de studentenaantallen vindt de commissie een verstandige maatregel. De commissie heeft van de docenten geen klachten gehoord over te hoge onderwijsbelasting. De student-stafratio is volgens de commissie vergelijkbaar met andere opleidingen Psychologie. Het aantal studentassistenten dat op peildatum 1 december 004 bestond uit 81 personen (,74 fte), vindt de commissie aan de hoge kant en een punt van zorg in het kader van de gewenste kwaliteit. Zij juicht het toe dat deze hoeveelheid wordt gehalveerd door de inzet van uiteindelijk 6 fte toegevoegd docenten. Op het moment van het bezoek betrof dit reeds  fte toegevoegd docenten. De commissie concludeert dat de opleidingen voldoende personeel inzetten om het onderwijs met de gewenste kwaliteit te verzorgen. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.
F14:­Kwaliteit­personeel Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke, onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma.

De faculteit voert volgens de zelfstudie voor het wetenschappelijk personeel een actief op kwaliteit gericht wervings-, loopbaan- en scholingsbeleid. Zo worden aantoonbare didactische kwaliteiten en ervaring met het geven van onderwijs op wetenschappelijk niveau expliciet als taakcomponent vermeld bij de werving van docenten-onderzoekers. Verder kent de faculteit een stimuleringsfonds voor didactische scholing van het wetenschappelijk personeel en organiseert zij cursussen voor beginnende promovendi. De commissie heeft uit de zelfstudie en de gesprekken begrepen dat docenten bijvoorbeeld zijn geschoold in het gebruik van de elektronische leeromgeving. Van docenten vernam de commissie dat sommige door invoering van Nestor geconfronteerd worden met een overdaad aan e-mails. Alle bij het Engelstalige onderwijs betrokken docenten zijn door de faculteit uitgenodigd tot het afleggen van een door het Talencentrum georganiseerde mondelinge en schriftelijke toets op de beheersing van de Engelse taal. Het met voldoende resultaat voldoen aan deze toets is een noodzakelijke voorwaarde om bij het Engelstalig onderwijs betrokken te kunnen zijn. De zelfstudie geeft aan dat onderwijsprestaties van docenten worden besproken in de jaarlijkse functioneringsgesprekken, onder meer op basis van de onderwijsevaluaties. De faculteit heeft recentelijk een tenure-track-systeem ingevoerd, waarbij veelbelovend jong wetenschappelijk
186 QANU / Psychologie / RUG

personeel gefaseerd kan doorstromen naar een senior positie. De kwaliteit van het onderwijs is expliciet een beoordelingscriterium bij de toewijzing van een tenure-track. Oordeel De commissie heeft in de gesprekken veel enthousiasme bij de wetenschappelijke staf geconstateerd. Zij toonde zich trots op de eigen opleiding en op de verantwoordelijkheid voor de realisatie hiervan. De commissie is van mening dat de staf met de invoering van de bachelormasterstructuur een bijzondere inzet heeft getoond, welke tot een goed resultaat heeft geleid. Zij vindt het opvallen hoe de opleidingen er in geslaagd zijn in korte tijd een verjonging van het personeelsbestand te realiseren. De opleiding is in haar ogen op een verstandige manier omgegaan met de inzet van kwalitatief goed personeel om het programma te realiseren. Zij heeft in de ogen van de commissie veel lef getoond om een 10% extra inzet te vragen van de wetenschappelijke staf. Het scholingsbeleid en de functioneringsgesprekken vindt de commissie goed werken. Docenten zijn bijvoorbeeld goed geschoold in de omgang met de elektronische leeromgeving. De commissie is van mening dat de kwalificaties van de docenten worden bewaakt die nodig zijn voor de inhoudelijke en onderwijskundige realisatie van het onderwijs. De specialisaties van de docententeam zijn voldoende breed om de eindkwalificaties te realiseren. De commissie is concluderend van mening dat de staf de afgelopen periode met elkaar een mooie prestatie heeft neergezet en goed gekwalificeerd is voor de inhoudelijke, onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma. De commissie noemt het feit dat een gepromoveerd staflid volledig voor de coördinatie voor het bacheloronderwijs is aangezocht een best practice. De commissie heeft gezien dat met de verjonging van het personeelsbestand en meer centrale aansturing het is gelukt om minder fragmentering tussen de subdisciplines te realiseren, wat de samenhang tussen het personeel en de opleidingen als geheel zeer ten goede is gekomen. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed.

Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Inzet van personeel’ voor de bachelor- en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende.

4.2.4.­ Voorzieningen
F15:­Materiële­voorzieningen De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren.

De opleidingen beschrijven in de zelfstudie de voorzieningen waarover zij beschikken voor de uitvoering van het onderwijs. Dit betreft de onderwijsruimten, de onderzoeksfaciliteiten voor studenten, ICT-faciliteiten, de elektronische leeromgeving Nestor, de onderwijsbalie, en de bibliotheek. Specifiek voor de bacheloropleiding wordt de facultaire Methodologiewinkel genoemd. Hier kunnen studenten terecht voor advies over methodologische problemen. Voor het onderwijs in de bachelor- en masteropleiding zijn grote collegezalen en veel kleine werkgroepruimten nodig. In de zelfstudie wordt een overzicht gegeven van het aantal ruimten
QANU / Psychologie / RUG 187

waarover de opleidingen op het eigen complex (Heymans Instituut) kunnen beschikken en de bezettingsgraad hiervan. Dit betreft ruimten voor groepen tot 148 personen. Deze ruimten zijn volgens de opleidingen absoluut gezien voldoende, maar druk bezet. Grotere groepen kunnen terecht in de verschillende zalen van het Academiegebouw, het Zernikecomplex of bioscoopzaal Camera. Studenten kunnen voor het onderzoekspracticum en onderzoek voor de bachelor- en masterthesis gebruikmaken van de onderzoeksruimten van het Heymans Instituut en het Universitair Medisch Centrum Groningen. Dit betreffen onderzoeksruimten op het gebied van de biopsychologie en cognitieve psychologie (onder andere EEG voorzieningen); de sociale psychologie; de ergonomie en arbeidspsychologie (onder andere een meldkamer voor experimenten naar taakverrichting) en de experimentele psychopathologie. De opleiding vermeldt dat deze in 003 zijn gerenoveerd en uitgebreid. Voor studenten zijn er diverse ICT-werkplekken binnen de faculteit. Er zijn 7 pc’s beschikbaar voor cursorisch gebruik, die buiten de college-uren voor individueel gebruik door studenten beschikbaar zijn. Daarnaast zijn er 71 pc’s voor uitsluitend individueel gebruik en zes voor werkgroepjes (skillslabs). De skillslabs worden gebruikt bij de practica gespreksvoering en gegevensverzameling en zijn uitgerust met een pc en videoapparatuur. De faculteit beschikt verder over vier mobiele ‘laptopkarren’ (4x16 pc’s). Deze worden onder meer gebruikt bij Statistiek 1a en 1b, waarbij iedere student een eigen laptop tot zijn of haar beschikking heeft en voor het practicum Gespreksvoering indien er niet genoeg skillslabs beschikbaar zijn. Uit de enquête ‘100 over de RUG 005’, blijkt dat 47% van de studenten het aantal beschikbare computers met een voldoende beoordeelt. Uit de bezettingsgraad (gemiddeld 60%) van de pc’s concludeert de opleiding dat er absoluut gezien voldoende pc’s beschikbaar zijn. Wel zijn er piektijden. Studenten kunnen via een informatiemonitor zien waar en hoeveel pc’s beschikbaar zijn. De faculteit beschikt over negen draagbare laptop/lcd-projector-combinaties die worden gebruikt voor het geven van presentaties bij verschillende cursussen. De zelfstudie meldt dat de faculteit onlangs vijftien digitale camera’s, inclusief statief en televisie, heeft aangeschaft die worden ingezet bij de practica gespreks- en groepsvaardigheden en gespreks- en diagnostische vaardigheden. De opleidingen gebruiken Blackboard (Nestor genoemd) als elektronische leeromgeving. Via Nestor wordt informatie over de studie en studieondersteuning gegeven. Uit de evaluatie blijkt volgens de opleiding dat Nestor primair een rol speelt in de informatievoorziening. De didactische functie omvat vooral het aanleveren en begeleiden van opdrachten, het geven van feedback, het aanleveren van literatuur, documentuitwisseling tussen studenten, en het verstrekken van collegepresentaties (PowerPoint). Uit de 100 over de RUG-enquête blijkt dat Nestor volgens de studenten een geschikt medium is om feedback te geven aan studenten en de communicatiemogelijkheden worden als een belangrijke meerwaarde gezien. Alle vakken van de bacheloropleiding maken gebruik van de elektronische leeromgeving. Studenten kunnen voor bibliotheekvoorzieningen terecht bij de Bibliotheek Sociale Wetenschappen. Deze heeft een collectie van 75.000 banden, waarvan 40% de psychologie betreft. Studenten hebben toegang tot de digitale versie van alle tijdschriften door licentiecontracten in consortiumverband. De bibliotheek biedt honderd stiltewerkplekken en 4 computerwerkplekken. Voor laptopgebruikers is er een draadloos netwerk aanwezig. De bibliotheek verzorgt onderwijs in het introductiepracticum waarin studenten van het begin van de bacheloropleiding informatie krijgen over (digitale) literatuurontsluiting en verzorgt een training in literatuurontsluiting voor aanvang van de bachelorthesis. Op verzoek kunnen bachelor- en masterstudenten een training krijgen in het gebruik van Reference Manager.
188 QANU / Psychologie / RUG

F16:­Studiebegeleiding De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten zijn adequaat met het oog op studievoortgang. Schriftelijke feedback over de studieresultaten en het daaraan gekoppelde advies vindt plaats na het eerste en het tweede semester.en masteronderwijs toereikend. Voor QANU / Psychologie / RUG 189 .en masteropleiding geldt. Studenten kunnen op elk moment hun studieresultaten via Progress inzien. de gesprekken met studenten en docenten en de informatie uit de zelfstudie is de commissie van mening dat de voorzieningen toereikend zijn voor de uitvoering van het bachelor. Studenten die voor een tijdelijke toelating voor het tweede jaar in aanmerking komen wordt geadviseerd contact op te nemen met de studieadviseur. In het tweede bachelorjaar worden studenten die na het eerste semester nog niet voldoen aan de propedeuse-eisen met betrekking tot het eerste semester uitgenodigd voor een studieadviesgesprek. heeft zij van studenten noch docenten negatieve geluiden hierover gehoord. worden uitgenodigd voor een studieadviesgesprek. Studenten van de bacheloropleiding met wie de commissie heeft gesproken zijn van mening dat zij voldoende informatie krijgen over de keuzemogelijkheden voor een masteropleiding. Voor de bachelor. Studenten die na het tweede semester nog niet aan de criteria voor een tijdelijke toelating tot het tweede jaar voldoen en dus uitgesloten zijn van het postpropedeutisch onderwijs. Er is volgens hen adequate aandacht voor de studievoortgang van de zwakkere studenten. De studiebegeleiding is in eerste jaar van de bacheloropleiding geïmplementeerd. zoals staat beschreven in de zelfstudie. Bachelor Voor de bacheloropleiding meldt de zelfstudie dat de opleiding geleidelijk is overgegaan van een systeem van vraaggestuurde studieadvisering naar een systeem van studiebegeleiding. De bibliotheekvoorzieningen. Op basis van haar eigen indrukken. werkgroepruimten en onderzoeksvoorzieningen vindt de commissie voor de diverse werkvormen van het bachelor. Na het tweede semester van het tweede jaar worden alle studenten die het propedeutisch examen nog niet gehaald hebben opgeroepen voor een studieadviesgesprek. Hoewel er op het eerste oog. Deze is onderbracht in Progress. Deze zagen er verzorgd uit. studiewerkplekken voor studenten en ICT-voorzieningen zoals hierboven beschreven zijn naar mening van de commissie voldoende. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. te weinig grote collegezalen beschikbaar lijken te zijn.Oordeel De commissie heeft een rondleiding langs de diverse onderwijsvoorzieningen gehad.en masterprogramma. dat de basis voor de studiebegeleiding de studievoortgangsregistratie vormt. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. blijkend uit het gebruik van een bioscoopzaal. De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten sluiten aan bij de behoefte van studenten. Voor studieadvisering kunnen studenten die problemen ondervinden in de voortgang van de studie een afspraak maken met een van de studieadviseurs of gebruikmaken van het inloopspreekuur. De studiebegeleiding is proactief en houdt in dat alle studenten in elke fase van de opleiding feedback krijgen over hun studievoortgang en dat advies gegeven wordt over de verder te volgen strategie. De collegezalen. In de zelfstudie beschrijft de opleiding de begeleidingsmomenten.

190 QANU / Psychologie / RUG . Een half jaar na de start van de masteropleiding wordt de studievoortgang van studenten aan het studieplan en het masterthesiscontract getoetst. Ondanks dit verbeterpunt concludeert de commissie dat de opleidingen voldoende studiebegeleiding en informatie bieden met het oog op de studievoortgang. Betere studenten mogen pas na het eerste jaar extra vakken volgen. zoals een honourstraject of het apart noemen van cum laudes bij het propedeutisch examen.de betere studenten zou in hun ogen meer gedaan kunnen worden.en masteropleiding zorgvuldig geregistreerd. De studievoortgang wordt gedurende de bachelor. Indien studenten dan nog niet het bachelordiploma hebben behaald. Oordeel De commissie heeft op basis van de informatie uit de zelfstudie en de aanvullende gesprekken vastgesteld dat gekoppeld aan de mentorgroepen en aansluitend bij de volgorderegelingen in het eerste jaar van de bacheloropleiding adequate studiebegeleiding plaatsvindt. Bachelorstudenten worden adequaat over hun keuzemogelijkheden in en na de bacheloropleiding geïnformeerd. In het studieplan is opgenomen welke vakken in samenhang met de masterthesis en indien relevant de praktijkstage gevolgd gaan worden. De commissie constateert dat er incidenteel bij enkele masterprogramma’s te weinig of voor de student te laat masterthesisbegeleiders beschikbaar zijn. De coördinatoren wijzen voor studieadvies door naar de studieadviseurs. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Master De studievoortgang van studenten in de masteropleiding wordt volgens de opleiding getoetst aan de hand van twee documenten die de student bij aanvang van de opleiding respectievelijk de masterthesis opstelt: het studieplan en het masterthesiscontract. In het tweede en derde jaar van de bacheloropleiding is de begeleiding gericht op vraaggestuurde studieadvisering. Elk masterprogramma heeft een masterthesiscoördinator. Zo wordt er bijvoorbeeld te weinig aandacht gegeven aan het belang van het kunnen behalen van de Basisaantekening Psychodiagnostiek in het masterprogramma AOP. volgt beëindiging van de masterstudie totdat alsnog aan de eisen is voldaan. Zij ziet dit als een verbetering ten opzichte van het oude uitsluitend vraaggestuurde begeleidingssysteem. Dit studieplan wordt door een studieadviseur op de formele voorwaarden getoetst en na goedkeuring aan het studentdossier toegevoegd. Alumni en studenten met wie de commissie heeft gesproken geven aan dat de informatie over vervolgopleidingen en beroepsmogelijkheden na de opleiding in hun ogen wat mager is. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De commissie stelt vast dat studenten voldoende informatie krijgen met het oog op studievoortgang. Masterstudenten melden dat er in sommige programma’s te weinig begeleiders zijn voor de masterthesis. vorm en frequentie van begeleiding en van het verwachte eindproduct vastgelegd. De opleiding geeft aan dat problemen in de voortgang van de masterthesis door de begeleider worden gesignaleerd. De informatievoorziening over de studie en de mogelijke vervolgopleidingen sluit in de ogen van de commissie niet op alle punten voldoende aan bij de behoefte van studenten. De programma’s Hersenen en Gedrag en Klinische en Ontwikkelingspsychologie beschikken ook over een stagecoordinator. In het masterthesiscontract worden de tijdsduur. Na afloop van het eerste semester wordt getoetst of studenten die voorlopig zijn toegelaten tot de masteropleiding hebben voldaan aan de eisen van het bachelorexamen.

4. Het kwalitatief deel biedt de mogelijkheid detailopmerkingen en aanbevelingen tot verbetering te geven. Dit deel wordt door het onderwijsbureau geanalyseerd. herzien. In de QANU / Psychologie / RUG 191 . Het faculteitsbestuur ziet toe op de continuïteit van het proces van kwaliteitszorg en beoordeelt de resultaten. do. Het systeem heeft een cyclisch karakter en beschrijft achtereenvolgens de volgende fasen. waarin opeenvolgend de kwaliteit op grond van vooraf bepaalde criteria (doelen) gemeten wordt.en examenregeling en voor het beoordelen van de uitvoering van de onderwijs. Eerst wordt er een doel gesteld en worden er maatregelen geformuleerd om dit doel te bereiken.2. In het facultaire kwaliteitszorgsysteem worden vier niveaus van kwaliteitsborging onderscheiden: 1.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. In de zelfstudie wordt dit omschreven als een op inhoud gerichte managementcyclus. Eventueel worden er nieuwe doelen gesteld. Het kwaliteitszorgsysteem moet ervoor zorgen dat de gewenste kwaliteit behaald en behouden blijft. waarmee het cyclisch karakter voltooid is. onderwijsondersteuning en -facilteiten. onderwijsonderdeel. geëvalueerd. De opleidingen geven in de zelfstudie aan dat de opleidingsdirecteur verantwoordelijk is voor de kwaliteitszorg van de opleiding. Hierna is het van belang te controleren of de bereikte resultaten in overeenstemming zijn met eerder vastgestelde doelstellingen.en examenregeling. verbeterplannen worden gemaakt en uitgevoerd. Voor de bacheloropleiding is met ingang van studiejaar 00-003 gefaseerd per bachelorjaar de evaluatieprocedure. De faculteit heeft in haar Strategisch Plan 004-010 een systeem voor kwaliteitszorg geïntroduceerd. check en act.5. 3. De opleidingscommissie is verantwoordelijk voor het adviseren over de onderwijs. curriculum. de onderwijsvoorzieningen en ondersteuning. Het kwalitatief deel wordt door een jaarvertegenwoordiging van de studenten samengevat en gerapporteerd. Op grond van de resultaten moeten de plannen worden gefinaliseerd of bijgesteld. mede op grond van de bevindingen van de voorgaande visitatie. F17:­Evaluatie­resultaten De opleiding wordt periodiek geëvalueerd. . mede aan de hand van toetsbare streefdoelen. Het kwantitatieve deel bevat standaardvragen over het onderwijsproces. De organisatie. Elke cursus wordt via een standaard evaluatieformulier dat bestaat uit een kwantitatief en een kwalitatief deel.Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Voorzieningen’ voor de bachelor. de werkvormen. de toetsing en de studielast en een algemeen eindoordeel. plan. uitvoering en rapportage van de evaluaties wordt door het onderwijsbureau verzorgd. de literatuur en de beschikbaarheid ervan. toetsing en 4. Vervolgens worden deze maatregelen uitgevoerd.­ Interne­kwaliteitszorg De interne kwaliteitszorg van de opleidingen Psychologie wordt volgens de zelfstudie vormgegeven binnen de kaders die door de RUG-nota ‘Integrale kwaliteitszorg voor het RUGOnderwijs’ en de notitie ‘Kwaliteitszorg PPSW’ zijn gegeven.

Ook het algemeen oordeel moet ten minste een voldoende scoren. ICT/ELO. In de enquête ‘100 over de RUG’ wordt het oordeel van studenten gevraagd over de inhoud. Naast de cursusevaluaties en de semester. gezien het feit dat de opleiding bij de vorige visitatie een achterstand op dit gebied kende. De streefdoelen. zoals de externe enquête ‘100 over de RUG’. organisatie. De commissie heeft de evaluatieformulieren. De opleidingen hebben streefdoelen voor de kwaliteit van het onderwijs gesteld.en jaarbesprekingen ingezien en beoordeelt deze als adequaat. Ook de samenhang tussen de vakken komt hierbij volgens de opleiding aan de orde. docenten en begeleiding. De opleidingscommissie bewaakt de realisatie van eerder afgesproken verbeterpunten in haar bespreking van de evaluaties. Voor de hoofdonderdelen van de kwantitatieve evaluatie geldt het streefdoel dat op alle punten ten minste een voldoende (6 op tienpuntsschaal) gescoord wordt. Ook het onderwijsbureau bewaakt de implementatie van de afgesproken verbeterpunten. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.respectievelijk jaarbesprekingen hanteert de opleiding nog een aantal andere periodieke evaluatie-instrumenten. De laatste Alumnimonitor is in 004 door de RUG afgenomen. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. In dit overleg worden ook de samenhang en eventuele knelpunten besproken.en masteropleiding systematisch geëvalueerd worden aan de hand van toetsbare streefdoelen. werkvormen. Voor de masteropleiding geldt dat de resultaten jaarlijks besproken worden met de betrokken docenten en een studentvertegenwoordiging. Dit wordt eveneens gepubliceerd in het blad van de studievereniging en naar de opleidingscommissie gezonden.en masterthesis worden afgenomen. die jaarlijks door het Universitair Onderwijscentrum Groningen (UOCG) wordt uitgevoerd en de Alumnimonitor. beoordeling. minimaal een voldoende (6) op een tienpuntsschaal. en een aantal algemene punten van de opleiding. De commissie stelt vast dat de afgelopen periode sterk is geïnvesteerd in de kwaliteitszorg.bacheloropleiding worden elk semester de resultaten van de evaluaties besproken met de studenten en docenten. De faculteit heeft in de ogen van de commissie een adequaat beleid rondom de kwaliteitszorg geformuleerd. De programmacoördinator bewaakt het proces en stelt een verslag op met daarin de verbeterpunten. maar heeft begrepen dat dit in de steigers staat. Oordeel De commissie stelt vast dat de cursussen in de bachelor. Gestreefd wordt naar een evenredige studielast per studiepunten voor elk onderwijsonderdeel. De leidinggevenden ontvangen de evaluatieverslagen van de bachelor. Zij vindt het jammer dat er nog geen evaluaties inzake de bachelor. Voor de masteropleiding is met ingang van het studiejaar 005-006 de herziene evaluatiesystematiek zoals hierboven beschreven voor de bacheloropleiding ingevoerd.en masteropleiding om de verbeterpunten in de functioneringsgesprekken aan de orde te stellen. Zij vindt het positief dat deze commissie de kwaliteit van de toetsen monitort. Het onderwijsbureau maakt verslag van deze besprekingen waarin de afgesproken verbeterpunten zijn opgenomen. de resultaten hiervan en de verslagen van de semester. Deze verslagen worden gepubliceerd in het blad van de studievereniging en besproken in de opleidingscommissie. De commissie vindt de rol van de toetscommissie bij de kwaliteitszorg redelijk uniek. 19 QANU / Psychologie / RUG . vindt de commissie wat karig.

als de masteropleiding een enorme verbeterslag heeft gemaakt ten opzichte van de vorige visitatie. De bacheloropleiding geeft in de zelfstudie een aantal voorbeelden van verbeteringen die op grond van evaluaties tot stand zijn gekomen. Evaluaties lieten zien dat tussen de werkgroepen soms grote verschillen bestonden. Gekozen is voor een nieuwe structuur. zoals de invoering van mentorgroepen. De commissie is dan ook van mening dat de opleidingen op basis van de evaluatie van de ongedeelde opleiding. De rolverdeling en verantwoordelijkheden bij de kwaliteitszorg zijn naar mening van de commissie helder vastgelegd en bij de functioneringsgesprekken worden de uitkomsten van evaluaties betrokken. Ten derde is de door de vorige visitatiecommissie geconstateerde anonimiteit en massaliteit van de opleiding aanleiding geweest tot een aantal verbetermaatregelen.F18:­Maatregelen­tot­verbetering De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan realisatie van de streefdoelen. Dit betreft bijvoorbeeld de verbetering van het begeleiding door studentassistenten bij practica van het statistiekonderwijs. Naar aanleiding hiervan is de selectie en training van studentassistenten voor het statistiekonderwijs verbeterd en is ervoor gekozen om de uitleg en uitwerking van huiswerkopdrachten niet meer in de practicumgroepjes te laten plaatsvinden. beperking van de instroom en gerichte studiebegeleiding. De commissie heeft in de gesprekken met de delegaties en uit de zelfstudie een aantal concrete verbetermaatregelen kunnen constateren. maar bij de hoorcolleges te behandelen. Het meest in het oog springt hierbij het feit dat er geen versnippering meer is tussen de disciplinerichtingen. Naar aanleiding van de vorige visitatiecommissie. de aanbevelingen van de vorige visitatiecommissie en de eerste evaluaties van de bacheloropleiding en masteropleiding QANU / Psychologie / RUG 193 . meldt de opleiding in de zelfstudie dat zij heeft besloten de opzet van de bacheloropleiding grondig te herzien ten opzichte van de ongedeelde opleiding. en verbetering van de voorlichting over de differentiatievakken in de bacheloropleiding met het oog op de keuze van een masteropleiding. kleine werkgroepen. die oordeelde dat de opleiding met name op de punten opbouw en samenhang en organisatie van de opleiding voor verbetering vatbaar was. een andere opzet van de cursus ‘Sociale omgeving en gedrag’. De commissie is van mening dat zowel de bachelor. Voorbeelden hiervan zijn hierboven genoemd.en curriculumevaluaties beschikbaar waren. is de voorlichting over deze procedures verbeterd. De commissie is erg positief over de wijze waarop de opleiding actief aan de slag is gegaan met de aanbevelingen van de vorige visitatiecommissie. Een verbetermaatregel betreft de structurering en professionalisering van de organisatie van de opleiding. Zo zijn de toelatingsprocedures voor de masteropleiding aangepast. De opleiding noemt wel verbetermaatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van gesignaleerde knelpunten in de opleidingsraad van de masteropleiding. die studenten breed opleidt in de basisdisciplines en toepassingsgebieden van de psychologie. Andere voorbeelden van verbetermaatregelen naar aanleiding van de evaluaties betreffen een aanpassing van de practica bij het eerstejaarsvak ‘Overzicht van de psychologie’. Voor de masteropleiding geldt dat er ten tijde van het schrijven van de zelfstudie nog weinig resultaten van de cursus. Oordeel De commissie is van oordeel dat het cyclische karakter van de evaluatiesystematiek zoals beschreven in de inleiding van dit onderwerp en bij F17 zodanig is opgezet dat de uitkomsten van evaluaties ook daadwerkelijk leiden tot het formuleren van concrete verbeteringen. en is een stagecoördinator aangesteld om de aanmelding voor en toewijzing van praktijkstages te optimaliseren.

Volgens de zelfstudie richt de opleidingscommissie zich nu op haar kerntaak.inmiddels een goed bachelor. studenten. De opleidingscommissie bestaat uit vier docenten en vier studenten. op grond daarvan waar nodig. De bachelor. De zelfstudie meldt verder dat docenten bij de kwaliteitszorg zijn betrokken door middel van de per semester uitgevoerde evaluatiebesprekingen. voorlichting en internationalisering. de facultaire werkgroepen onderwijs. De examencommissie bewaakt de kwaliteitscriteria met betrekking tot de tentamens. het doen van aanbevelingen voor verbetertrajecten naar aanleiding van de evaluaties en het bewaken van de implementatie van de verbetertrajecten. Bij de studenten is ook weinig animo voor lidmaatschap van de opleidingscommissie. Wel zijn alumni betrokken bij het onderwijs. Wat betreft de betrokkenheid van het beroepenveld melden de opleidingen dat zij binnen de Kamer Psychologie van de VSNU waarin het NIP is vertegenwoordigd.en cursusevaluaties. studenten.en cursusevaluaties. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. de toetscommissie en de examinator aanwijzingen.en masteropleiding kennen één gezamenlijke opleidingscommissie en per opleiding een aparte examencommissie. deze ontvangen ook elk semester verslag van de resultaten van de semester.en masterprogramma heeft ingericht. Om de twee jaar wordt de alumnimonitor van de RUG afgenomen. Hiertoe ontvangt de opleidingscommissie elk semester verslag van de resultaten van de semester. Studenten zijn betrokken bij de kwaliteitszorg door het invullen van de evaluaties en deelname aan de evaluatiebesprekingen per semester. Zij beoordeelt dit facet om die reden met een goed. de bewaking van het evaluatieproces. de Faculteitsraad. De zelfstudie geeft aan dat de alumni niet actief betrokken zijn bij de kwaliteitszorg. Zij geeft. alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken. geven aan dat bewaking van de kwaliteit van het onderwijs het belangrijkste agendapunt van de opleidingscommissie is. waarbij zij zich beschikbaar stellen voor een of meer interviews door eerstejaarsstudenten. Verder zijn studenten vertegenwoordigd in het Faculteitsbestuur. Een aantal docenten heeft zitting in de examencommissies. met name bij het propedeutisch onderwijsonderdeel ‘werkvelden’. regelmatig overleggen 194 QANU / Psychologie / RUG . De commissie heeft uit de gesprekken met een vertegenwoordiging van de opleidingscommissie en de studenten van de opleidingen begrepen dat de opleidingscommissie nog niet zo zichtbaar is in de opleiding.­alumni­en­beroepenveld Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. De studenten en docenten van de opleidingscommissie met wie de commissie heeft gesproken. De verbetering van de zichtbaarheid en informatievoorziening van de opleidingscommissie naar studenten en docenten vormt een aandachtspunt voor de komende periode. Deze klachtencommissie informeert de opleidingsdirecteur en de opleidingscommissie over gesignaleerde probleempunten. F19:­Betrekken­van­medewerkers. De studievereniging VIP kent een klachtencommissie (Klaxon) die open staat voor alle studenten. De leden van de opleidingscommissie hebben bewust gekozen om niet in andere commissies te participeren om zo onafhankelijk mogelijk naar de evaluaties en de kwaliteitsbewaking te blijven kijken.

en masteropleiding staat naar het oordeel van de commissie nog in de kinderschoenen. de semester. De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat het merendeel van de studenten na het bachelorexamen kiest voor de doorstroommaster als vervolgopleiding. Docenten zijn eveneens via de opleidingscommissie en deelname aan semester. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Voor masterprogramma’s H&G en K&O geldt daarnaast dat de stagecoördinator contacten met het beroepenveld onderhoudt. jaarevaluatiegesprekken betrokken bij de kwaliteitszorg. De opleiding heeft daarom als eis gesteld dat de bachelorthesis een individueel product van de student moet QANU / Psychologie / RUG 195 . zoals de programmacommissies en opleidingsraden.c. Zie voor de examenregeling en het toetsbeleid F11.­ Resultaten F20:­Gerealiseerd­niveau De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau. 4. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Hiermee verwachten de opleidingen een intensieve wisselwerking tussen beroepenveld en eindkwalificaties van de opleiding te kunnen bewerkstelligen.over het beroepenveld voor psychologen.q. Daarnaast stelt de commissie vast dat in het verbetertraject zoals genoemd bij F18 binnen de opleidingen allerlei commissies zijn ingesteld om de betrokkenheid van docenten bij de vormgeving en kwaliteit van het onderwijs te vergroten. De commissie is van mening dat de zichtbaarheid van de opleidingscommissie verder vergroot moet worden. jaarevaluatiegesprekken.q. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. de vertegenwoordiging van studenten in diverse gremia zoals de faculteitsraad en vooral in de opleidingscommissie. De opleidingen onderhouden contacten met werkvelden door werkcontacten met onderzoeksinstellingen zoals TNO en door het aantrekken van gastdocenten en docenten die deeltijds betrokken zijn bij een van de beroepenvelden. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Interne kwaliteitszorg’ voor de bachelor.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. Oordeel De commissie stelt vast dat studenten bij de kwaliteitszorg worden betrokken door het invullen van de evaluaties. De commissie stelt daarmee vast dat docenten en medewerkers goed bij de kwaliteitszorg van het onderwijs zijn betrokken. Actieve betrokkenheid van alumni en het beroepenveld bij de kwaliteitszorg van de bachelor.2.c. De bachelorthesis is volgens de opleiding het tastbare eindproduct van de studie.6. beoordeelt de commissie dit facet als voldoende. Wegende de betrokkenheid van de verschillende actoren. Hiervan waren ten tijde van de zelfstudie en het bezoek nog geen resultaten beschikbaar. De opleiding heeft met ingang van het studiejaar 005-006 een monitoringsysteem opgezet om na te gaan tot welke opleidingen afgestudeerden worden toegelaten (en waarvoor ze worden afgewezen).

onderzoeken en rapporteren. Gezien de recente start van de masteropleiding was in de zelfstudie nog geen overzicht van afgeronde mastertheses opgenomen. Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers. Studenten werken in groepjes rond een zelfde thema waarbij zij een eigen subvraagstelling uitwerken. Zij stelt vast dat de opleidingen geen concrete formulieren hanteren voor de beoordeling van de theses. Gezien het kleine aantal masterstudenten dat de opleiding ten tijde van het schrijven van de zelfstudie had afgerond (drie). Zij waardeert het positief dat elke bachelorthesis een individueel uitgevoerde empirische studie omvat. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. De commissie heeft vastgesteld dat voor de beoordeling van de bachelor. Tijdens het visitatiebezoek zijn aanvullende gegevens beschikbaar gesteld. maar wel als voldoende.en mastertheses altijd een tweede beoordelaar wordt ingezet. eens met de beoordeling door de opleiding. De commissie heeft tijdens het bezoek aanvullend enkele recente mastertheses ingezien. in samenwerking met de facultaire bibliotheek. een systeem opgezet waarin alle bachelortheses elektronisch in de vorm van een pdf beschikbaar zijn. Deze waren tijdens het visitatiebezoek wel beschikbaar. De commissie waardeert het zeer positief dat de bachelorthesis aan de RUG duidelijk als een visitekaartje voor de student kan dienen bij sollicitatie voor een vervolgopleiding of arbeidsplaats. De commissie vond de bachelortheses die zij heeft bestudeerd alle ten minste voldoende en oordeelde over het algemeen overeenkomstig het cijfer dat de opleiding aan de bachelorthesis had toegekend. Oordeel De commissie heeft een aantal hoog. De commissie beoordeelt het gerealiseerde eindniveau van de bacheloropleiding concluderend als goed. laag en gemiddeld beoordeelde bachelortheses en doctoraalwerken voorafgaand aan het bezoek geselecteerd en bestudeerd. Bachelor In de zelfstudie wordt een overzicht van de propedeuserendementen gegeven. Zij vindt dit positief. Wel zijn er in de handleidingen criteria voor beoordeling geformuleerd. op twee uitzonderingen na. De commissie kan vaststellen dat de opleiding en nagenoeg alle studenten veel werk hebben gemaakt van de bachelorthesis. Enkele doctoraalscripties beoordeelde zij iets lager. Op basis van de bestudeerde doctoraaltheses komt de commissie tot de conclusie dat het gerealiseerde eindniveau van de doctoraalopleiding voldoende is. De commissie is onder de indruk van de kwaliteit van de bachelortheses. Hierin demonstreert de student dat de eindkwalificaties op het beoogde niveau worden beheerst.zijn en heeft. Op basis hiervan verwacht zij dat dit evenzeer geldt voor het gerealiseerde niveau voor de masteropleiding. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. F21:­Onderwijsrendement­ Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen. Het eerste jaar van de bacheloroplei196 QANU / Psychologie / RUG . is in de zelfstudie nog geen informatie opgenomen over het gerealiseerde niveau. De commissie was het. De eerste indruk van de recent gefinaliseerde mastertheses duidt er volgens de commissie op dat het gerealiseerde niveau van de masteropleiding voldoende is.

Hiermee onderschrijft de opleiding het selectieve karakter van de propedeuse. maar stelt vast dat verdere verbeteringen mogelijk en wenselijk zijn. Daarvan heeft 41% binnen een jaar het masterdiploma behaald.ding (00-003) kende een zeer laag propedeuserendement (13%). In de volgende propedeusejaren is dit effect niet meer te vinden en laten de propedeuserendementen na één jaar een stijgende lijn zien: 7% in 003-004. Dit betrof 17 studenten. Voor de masteropleiding zijn nog weinig gegevens beschikbaar om een definitief oordeel te geven. 31% in 004-005 en 37% in 005-006. Uit de gesprekken heeft de commissie begrepen dat de streefcijfers voor de rendementen facultair zijn vastgelegd op 80% en dat de verantwoordelijken voor de masteropleiding de huidige rendementscijfers te laag vinden. De opleiding heeft het rendement berekend van alle studenten die ten minste een jaar in de masteropleiding zijn ingeschreven. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De commissie beoordeelt het rendement van de bachelor. mentorgroepen. De eerste rendementsgegevens (41% na één jaar) benaderen nog niet het facultaire streefcijfer van 80%. Exclusief studiestakers ligt dit percentage op 46%. De commissie acht dit gezien de recente start van de masteropleiding nog niet zorgwekkend. dat volgens de opleiding te wijten was aan één propedeuseonderdeel met een laag slagingspercentage. Een rendement van 37% na één jaar is vergelijkbaar met andere verwante opleidingen. De commissie waardeert dit positief. De opleiding geeft hierbij aan dat studenten veelal zelf voor een langere studieduur kiezen.en masteropleiding voldoende. De opleiding acht het niet haar taak om ervoor te zorgen dat de rendementen met de huidige studie-inspanning van studenten (gemiddeld 75% van de studielast) worden verbeterd. De commissie vindt de aandacht die de opleiding schenkt aan het verbeteren van rendement in de bacheloropleiding positief. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. toont aan dat zij ook in navolgende studiejaren bovengemiddelde studieresultaten halen. Dit lag in de voorgaande bachelorcohorten iets lager op respectievelijk 59% en 58%. QANU / Psychologie / RUG 197 . Het propedeuserendement na twee jaar voor de cohort 004-005 is 61%. omdat de derde kanstentamens in de propedeuse worden afgenomen nadat deze cijfers tot stand komen. Een nadere analyse van studenten die de propedeuse in een jaar hebben gehaald. Voor de masteropleiding geldt dat in het studiejaar 005-006 41 masterdiploma’s zijn uitgereikt. Dit is aanzienlijk hoger dan de propedeuserendementen in de voorgaande jaren van de doctoraalopleiding. kleinschalige werkvormen en actieve studiebegeleiding. Wel neemt zij maatregelen die de studie-inspanning van studenten verbeteren om zodoende de rendementen te verbeteren. De opleiding meldt hierbij dat de werkelijke rendementen voor het eerste studiejaar hoger liggen. zoals de invoering van deeltentamens. Oordeel De commissie stelt vast dat het propedeuserendement in de bacheloropleiding een stijgende lijn laat zien en sterk is verbeterd ten opzichte van de oude doctoraalopleiding. De opleiding geeft in de zelfstudie met een analyse aan dat op grond van de voortgangsgegevens een werkelijke studieduur van vier jaar realistisch is.

Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Resultaten’ voor de bachelor.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. 198 QANU / Psychologie / RUG .

Materiële voorzieningen 16. Studiebegeleiding 17. Afstemming vormgeving en inhoud 11. Resultaten Voldoende Facet­ 1. Interne kwaliteitszorg Voldoende Voldoende Voldoende 6. Samenhang programma 7. Niveau 3. is de conclusie dat het totaaloordeel over de bacheloropleiding Psychologie voldoende is. Beoordeling en toetsing 1. studenten. Domeinspecifieke eisen . Duur 10. Maatregelen tot verbetering 19. Relatie doelstellingen en programma 6. Doelstellingen van de Voldoende opleiding . Programma Voldoende 3. Oriëntatie 4. Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Goed Voldoende Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Kwaliteit personeel 15. Kwantiteit personeel 14. Gerealiseerd niveau 1. Eisen wo 5. QANU / Psychologie / RUG 199 . Voorzieningen 5. Evaluatie resultaten 18.Samenvatting­oordelen­Rijksuniversiteit­Groningen Bacheloropleiding­Psychologie: ­ Onderwerp Oordeel 1. Inzet van personeel 4. Instroom 9. Studielast 8. Betrokkenheid van medewerkers. alumni en beroepenveld 0. Eisen wo 13.

Beoordeling en toetsing 1. Duur 10. Instroom 9. studenten. Oriëntatie 4. Maatregelen tot verbetering 19. Niveau 3. Eisen wo 5. Resultaten Voldoende Facet­ 1. Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Samenhang programma 7. Eisen wo 13. Programma Voldoende 3. Betrokkenheid van medewerkers. Relatie doelstellingen en programma 6. 00 QANU / Psychologie / RUG . Interne kwaliteitszorg Voldoende 6. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Gerealiseerd niveau 1. Kwantiteit personeel 14. Afstemming vormgeving en inhoud 11. is de conclusie dat het totaaloordeel over de masteropleiding Psychologie voldoende is. alumni en beroepenveld 0.Masteropleiding­Psychologie: ­ Onderwerp Oordeel 1. Kwaliteit personeel 15. Evaluatie resultaten 18. Voorzieningen Voldoende Voldoende 5. Studielast 8. Doelstellingen van de Voldoende opleiding . Domeinspecifieke eisen . Studiebegeleiding 17. Inzet van personeel 4. Materiële voorzieningen 16.

Klip. prof. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Psychologie 56604 Bachelor wo 180 Voltijd en deeltijd Leiden 31 december 007 De deeltijdopleiding is inhoudelijk gelijk aan de voltijdopleiding.J. E. De samenstelling van de visitatiecommissie is als volgt: • • • • • • • prof. E. De oordelen in dit rapport gelden zowel voor de voltijd. J.W. lid. Deze faculteit omvat daarnaast de departementen Pedagogische Wetenschappen. Structuur­en­organisatie­van­de­faculteit 5.en deeltijdopleiding zal de commissie hiervan melding maken. Masteropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. Gordijn.5. studentlid.als deeltijdvariant van de bacheloropleiding.F. de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd.H.0. lid.H. voorzitter. von Grumbkow. Daar waar verschillen zijn geconstateerd tussen de voltijd. I. Schell.dr.dr. drs.C. dr. J. prof. E. W.dr. van Ophem. prof.­Wijnen. alleen is het programma over een langere periode gespreid. student Psychologie. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Psychology 66604 Master wo 60 Voltijd Leiden 31 december 007 Het bezoek van de visitatiecommissie Psychologie vond plaats op 9 en 10 oktober 006.M.­ De bachelor. Culturele Antropologie. lid.­ De­bacheloropleiding­Psychologie­en­de­masteropleiding­ Psychology­van­de­Faculteit­der­Sociale­Wetenschappen­aan­ de­Universiteit­Leiden­ Administratieve­gegevens Bacheloropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. QANU / Psychologie / UL 01 .en masteropleiding worden verzorgd door het departement Psychologie van de Faculteit der Sociale Wetenschappen (FSW). lid.dr. secretaris QANU. Wagemans. Bestuurskunde en Politieke Wetenschappen.M. de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd.

wijst de examencommissie onderdelen uit het nieuwe programma aan die hiervoor in de plaats komen. nauwlettend. het doctoraaldiploma zullen behalen. Vanuit de docenten is volgens hen veel moeite gedaan om de overgang van de ongedeelde naar de gedeelde structuur te vergemakkelijken. Het departement kent een departementsbestuur. In vergelijking met zusteropleidingen hebben studenten in Leiden relatief lang de tijd de ongedeelde opleiding af te ronden. In mei 006 zijn alle studenten opgeroepen die minder dan 190 studiepunten hebben behaald. De examencommissie beoordeelt of het gevolgde programma voldoet aan de gestelde eindkwalificaties en het beoogde civiel effect van het bachelordiploma.­ Invoering­ bachelor-masterstructuur­ en­ afbouw­ ongedeelde­ opleidingen:­ stand­ van­zaken De psychologieopleiding in Leiden heeft de introductie van de bachelor-masterstructuur aangegrepen om de opleidingen te herstructureren.Binnen het departement Psychologie bestaan vijf secties die een programmatische eenheid op het terrein van onderwijs en onderzoek vormen. 5. De opleiding geeft aan dat op basis van deze gesprekken wordt bepaald of er verdere ondersteuning kan worden geboden. zoals staat beschreven in de zelfstudie. Dit betreffen de secties: Cognitieve psychologie. Tot uiterlijk 1 september 010 hebben studenten de tijd om het oude doctoraalexamen af te leggen. Van studenten en alumni heeft zij gehoord dat het niet meer aanbieden van vakken van de ongedeelde opleiding tot extra rompslomp heeft geleid. De bacheloropleiding is gestart in september 00 en de masteropleiding in september 005. In januari 006 zijn deze studenten door de studieadviseurs voor een gesprek opgeroepen. Klinische en Gezondheidspsychologie en Ontwikkelingspsychologie. Op 1 december 005 waren in totaal 51 studenten ‘oude stijl’ bezig met de afronding van hun psychologieopleiding. 0 QANU / Psychologie / UL . gezien de vergevorderde status van hun studie. Er worden verslagen gemaakt van de gesprekken en deze worden gecodeerd opgenomen in het studentvolgsysteem van de Universiteit Leiden. Het departementsbestuur is verantwoordelijk voor het departement als geheel. Sociale en Organisatiepsychologie. en het instituutsbestuur is verantwoordelijk voor het onderzoek binnen het onderzoeksinstituut psychologie. Het opleidingsbestuur is verantwoordelijk voor het onderwijs. een opleidingsbestuur en een instituutsbestuur. De commissie stelt vast dat er adequate overstapregelingen zijn vastgelegd en dat de opleiding actief studenten in de doctoraalopleiding benadert die volgens haar het risico lopen het doctoraaldiploma niet (meer) te halen. De departementale studieadviseurs volgen de doctoraalstudenten.1. Deze studenten kunnen overstappen naar de bacheloropleiding. maar dat dit nu naar tevredenheid is opgelost. Indien bepaalde onderdelen van het oude programma niet meer worden aangeboden. Methoden en Technieken. De commissie is concluderend van mening dat de afbouw van de ongedeelde opleiding zonder grote problemen voor studenten verloopt. Een klein aantal (9 studenten) is nog niet aan een afstudeerrichting begonnen. Het departementsbestuur wordt ondersteund door het departementsbureau. In de OER zijn de overstapregels vastgelegd. De opleiding verwacht dat de meeste studenten ‘oude stijl’. Dit betreft ook enkele studenten die zich bij Psychologie als tweede studie hebben ingeschreven.

volgens de zelfstudie. een zekere mate van voorbereiding op een maatschappelijke loopbaan. vaardigheid en inzicht op het gebied van de psychologie. De opleidingen betogen dat zij voldoen aan de eisen aan psychologieopleidingen die in Europees verband zijn gesteld. De afgestudeerde bachelorstudent: QANU / Psychologie / UL 03 . Bachelor Het doel van de bacheloropleiding is als volgt geformuleerd in de Onderwijs. Deze doelstelling heeft de opleiding als volgt geoperationaliseerd in eindkwalificaties. heeft de opleiding ervoor gekozen om een facultatieve uitbreidingsmogelijkheid met een half jaar in de masteropleiding aan te bieden. Leiden heeft gekozen voor een brede bacheloropleiding van drie jaar. en een internationaal karakter. Vanuit de overtuiging dat een volledige opleiding in de psychologie ook een stageperiode van een half jaar moet omvatten. voorbereiding voor een verdere studieloopbaan. zoals de gezondheidszorgopleiding. Ten aanzien van de eisen die worden gesteld door het professionele en wetenschappelijke veld.5. De masteropleiding wordt geheel in het Engels verzorgd. melden de opleidingen dat studenten die de masteropleiding hebben afgerond in aanmerking komen voor vervolgopleidingen. de domeinspecifieke eisen zoals die binnen Nederland zijn opgesteld door de Kamer Psychologie en ten derde de vragen vanuit de praktijk en de ontwikkeling van het vak. kwaliteit en selectiviteit. en de Basisaantekening Psychodiagnostiek (BAPD). in het bijzonder in de masteropleiding(en) psychologie. Deze tussenoplossing zal worden beëindigd indien een tweejarige masteropleiding kan worden aangeboden. waarbij in het derde jaar de mogelijkheid wordt geboden een eerste specialisatie ter voorbereiding van een masteropleiding te kiezen. De psychologieopleidingen in Leiden profileren zich.1. door de keuze voor een sterk wetenschappelijk profiel. De zelfstudie beschrijft de drie vakinhoudelijke eisen waaraan de bachelor. academische vorming.2. met uitzondering van de eenjarige masteropleidingen in Nederland ten opzichte van de voorgeschreven tweejarige masteropleidingen in het EFPA-kader.2.en examenregeling: • • • • het verwerven van kennis.en masteropleiding Psychologie in Leiden beogen te voldoen. Dit betreft het Europees raamwerk voor psychologieopleidingen (EFPA).­ Het­beoordelingskader 5.­ Doelstellingen­opleiding F1:­Domeinspecifieke­eisen De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk).

5. beheersing Engels. d. beschikt over een algemene oriëntatie in de psychologie en haar deelgebieden. Cognitive Psychology. academische vorming: QANU / Psychologie / UL . Het onderwijs in de masteropleiding is. Clinical Neuropsychology. inzicht. alsmede over de globale historische en filosofische achtergronden en grondslagen van het vak. beschikt over voldoende kennis en vaardigheden van (een) deelgebied(en) om ofwel in principe toegelaten te kunnen worden tot een masteropleiding binnen de psychologie. Health Psychology. observeren. zoals staat beschreven in de zelfstudie. problemen stellen en (mee helpen) oplossen. academische vaardigheden: analyseren. daarover mondeling en schriftelijk te rapporteren. algemene professionele vaardigheden: discussiëren. zowel aan vakgenoten als aan een breder publiek. Methods and Statistics. beschikt over een academisch denk. redeneren.1. beoordelen van eigen en andermans werk. Occupational Health Psychology.en handelwijze op het terrein waar psychologen werkzaam zijn. samenwerken. beschikt over elementair inzicht in en overzicht over (een) andere deelgebied(en) van de psychologie dan de gekozen hoofdrichting. De volgende acht specialisaties worden aangeboden (de voertaal is Engels): • • • • • • • • Child and Adolescent Psychology. reflecteren op het vak en het werk van beoefenaars. ofwel om een beroep te kunnen uitoefenen op een breed terrein waarop mensen met een bachelordiploma in de psychologie werkzaam kunnen zijn. 3. uit te voeren. gespreksvoering. conceptualiseren. 6.en handelwijze behorend bij een wetenschappelijke attitude en heeft kennis van de ethische denk. projectmatig werken. Master Studenten kiezen bij aanvang van de masteropleiding Psychologie voor een bepaald vakgebied. 9. Social and Organisational Psychology. 8. b. beschikt over methodologische kennis. argumenteren. en te verslaan. ICT-gebruik. is in staat eenvoudig psychologisch onderzoek begeleid op te zetten.en werkniveau. Clinical Psychology. is in staat psychologisch onderzoek en vakliteratuur van gemiddeld niveau te begrijpen en te beoordelen. . c. gericht op: • • 04 het verwerven van wetenschappelijke kennis. 4. vaardigheden en het gebruik van wetenschappelijke methoden op het gebied van de psychologie. studeervaardigheden: planmatig werken. bestuderen van teksten. systematisch zoeken en selecteren van literatuur. en beschikt hiertoe over de onderzoeksmethodische en -technische vaar digheden die in de psychologie gemiddeld gebruikelijk zijn. heeft besef van de ethische denk. op academisch niveau mondeling en schriftelijk presenteren. de student die de bachelorfase heeft afgerond beschikt over de volgende vaardigheden: a. is in staat problemen op het terrein te analyseren en te conceptualiseren. 7.

het hanteren van vakwetenschappelijke competenties in wijsgerige en maatschappelijke context. De afgestudeerde masterstudent psychologie: 1.en voor de masteropleiding. als best practice voor andere opleidingen. Voor de masteropleiding zijn in de Onderwijs. De commissie stelt vast dat de Leidse bacheloropleiding getuige eindkwalificatie 9. het wetenschappelijk rapporteren. Zij vindt het in dit kader positief dat de masteropleiding in het Engels wordt gegeven. het onderzoek uit te voeren en conclusies en aanbevelingen te verbinden aan de resultaten van het onderzoek. 4. is in staat een verslag te schrijven over het zelf uitgevoerde onderzoek. De opleiding geeft aan dat in het academisch jaar 006-007 de eindkwalificaties per specialisatie nader zullen worden uitgewerkt. sluiten naar oordeel van de commissie wel aan bij internationale ontwikkelingen. vaardigheden en attitudes vragen. deze literatuur kritisch te bespreken. In de zelfstudie heeft de opleiding hiervoor een eerste aanzet gegeven (zie F). . is bij afronding in staat zelfstandig een overzicht van de recente internationale literatuur met betrekking tot een specifieke psychologische vraagstelling te vervaardigen. QANU / Psychologie / UL 05 . heeft inhoudelijke kennis op het terrein van de psychologie en de toepassing van die kennis bij het maken van een wetenschappelijke analyse. voorbereiding op een maatschappelijke loopbaan: het kunnen gaan werken als zelfstandig psycholoog op verscheidene professionele werkvelden. waar het domeinspecifiek referentiekader geen rekening mee houdt. én voor de professionele praktijk waar studenten later zullen werken.en examenregeling de volgende eindkwalificaties vastgesteld. De geformuleerde eindkwalificaties zijn naar het oordeel van de commissie adequaat afgestemd op zowel Nederlandse als Europese kaders op dit domein. een beroepsuitgang verwoordt. Zij is van oordeel dat de eindkwalificaties voldoen aan de domeinspecifieke eisen die voor deze opleidingen gelden. voor zover de te behalen eindkwalificaties met een eenjarige masteropleiding dat toelaten. het kunnen gaan werken in functies op academisch niveau die kritisch wetenschappelijke kennis. 3. een onderzoeksopzet te ontwerpen die geschikt is om de vraagstelling te toetsen. Binnen alle specialisaties worden studenten domeinspecifieke kennis en vaardigheden bijgebracht die nodig zijn voor het onderzoek op het betreffende deelterrein. Deze eindkwalificaties gelden voor alle specialisaties die worden aangeboden. De commissie ziet de aansluiting van de eindkwalificaties op de eisen van vakgenoten en de beroepspraktijk in het domein van de Psychologie. De keuze voor een brede bachelor. heeft competenties met betrekking tot het doen van psychologisch onderzoek. het analyseren van complexe problemen. dat aan de normen voor wetenschappelijk verslaggeving voldoet.• • • • • • • • het zelfstandig wetenschappelijk denken en handelen. voorbereiding voor een wetenschappelijke loopbaan en vervolgonderwijs. Oordeel De commissie heeft de doelstellingen en de eindkwalificaties van de opleidingen bestudeerd en gerelateerd aan het domeinspecifiek referentiekader voor de bachelor. zoals die via de Kamer Psychologie bij alle psychologieopleidingen in Nederland tot stand gekomen is.

Deze niveau-indeling wordt verder bij F6 behandeld. 8. Dit loopt voor de bacheloropleiding van niveau 100 tot 400 en voor de masteropleiding van niveau 400 tot niveau 600. internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor of een Master. Heeft kennis opgedaan over juridische en ethische aspecten van de praktische toepassingen en de organisaties waarbinnen afgestudeerden van de specialisatie werkzaam zijn. F2:­Niveau:­Bachelor­en­Master De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene. Zij relateert de eindkwalificaties in de zelfstudie als volgt aan de Dublin-descriptoren (zie voor nummerverwijzing F1). Kan wetenschappelijk onderzoek uitvoeren op het terrein van de specialisatie en de merites van onderzoek op dit gebied kritisch waarderen. 3. Toepassen kennis en inzicht 7. 06 QANU / Psychologie / UL . Heeft kennis van onderzoeksmethoden op het gebied van de specialisatie.Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Heeft grondige kennis van onderwerpen (binnen of buiten die specialisatie) die voor het gebruik van deze theorieën van belang kunnen zijn. 9. Deze corresponderen in zijn algemeenheid als volgt met de Dublin-descriptoren. 6. . Heeft specialistische kennis met betrekking tot de werkwijze binnen de specialisatie. Bachelor De opleiding stelt vast dat de eindkwalificaties aan de Dublin-descriptoren voldoen en op sommige punten verder gaan. Kan op basaal niveau gebruikmaken van de instrumenten die binnen de specialisatie gangbaar zijn. Heeft specialistische kennis van theorievorming binnen de specialisatierichting. Bezit basale professionele vaardigheden om in de specialistische praktijk werkzaam te zijn. De Universiteit Leiden hanteert een niveau-indeling voor de programmaonderdelen van elke opleiding. Kennis en inzicht: eindkwalificaties  en 8 Toepassen kennis en inzicht en Oordeelsvorming: eindkwalificatie 1 Communicatie: eindkwalificatie 3 Leervaardigheden: eindkwalificatie 9 Master In de zelfstudie zijn voor elke specialisatie van de masteropleiding de algemene eindkwalificaties aan de hand van de Dublin-descriptoren nader uitgewerkt. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. De opleidingen hebben in de zelfstudie de eindkwalificaties gerelateerd aan de Dublin-descriptoren. Kennis en inzicht 1. 5. 4. Heeft toegespitste kennis ten aanzien van de instrumenten die binnen de specialisatie worden gebruikt.

Zij sluit zich op dit punt aan bij de relatie die de opleiding heeft gelegd tussen de Dublin-descriptoren en de hierboven uiteengezette corresponderende eindkwalificaties. Bezit specialistische vaardigheden. wordt van studenten in de masteropleiding verwacht dat zij beschikken over specialistische kennis van theorievorming binnen de specialisatierichting en grondige kennis van onderwerpen (binnen of buiten die specialisatie) die voor het gebruik van deze theorieën van belang kunnen zijn. Bezit het vermogen om de resultaten van een zelf uitgevoerd psychologisch onderzoek op een heldere wijze te rapporteren. Oordeel De commissie heeft de eindkwalificaties van de bachelor. 16. clienten proefpersonen en collega’s. 14. QANU / Psychologie / UL 07 . Is in staat om te reflecteren over de gevolgen van zijn eigen handelen voor patiënten. Bezit de leervaardigheden nodig voor het kunnen volgen van een postdoctorale beroepsopleiding of een PhD-training met een grotendeels zelfgestuurd of autonoom karakter. 13.en masteropleiding bestudeerd vanuit het perspectief van de Dublin-descriptoren. Bezit vaardigheden om op een niveau passend bij de genoten opleiding evidence-based te werken.en masteropleiding een duidelijk verschil in niveau kennen. Waar studenten in de bacheloropleiding bijvoorbeeld beschikken over een algemene oriënterende kennis en inzicht in de psychologie en haar deelgebieden. Oordeelsvorming 1. 11. Is in staat om kritisch na te denken over de ethische aspecten van beroepsmatig handelen alsmede in wetenschappelijke onderzoekssituaties. Heeft een besef van de eigen beperkingen en zal zich op het juiste moment onthouden van handelen of een beroep doen op de deskundigheid van beroepsgenoten.als masteropleiding expliciet en op het passende niveau aan de orde komen.10. Communicatie 15. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Bezit het vermogen om de resultaten van het professioneel handelen op een voor collega’s duidelijke wijze te communiceren. De commissie stelt aansluitend vast dat alle Dublin-descriptoren in de eindkwalificaties van zowel de bachelor. Zij stelt vast dat de eindkwalificaties van de bachelor. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Leervaardigheden 17. die voldoet aan de normen van wetenschappelijke verslaglegging. Deze verschillen in niveau zijn bij alle onderdelen van de Dublin-descriptoren te onderscheiden.

en masteropleiding Psychologie zijn opgenomen in dit Leids Register. Master Aansluitend bij het Leidse profiel. de internationale wetenschapsbeoefening en voor daarvoor in aanmerking komende opleidingen de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld. De opleiding denkt hierbij aan een functie als junior onderzoeker of junior posities waarin elementaire academische vaardigheden zijn vereist. Hierin is vastgelegd of een opleiding voldoende academische signatuur heeft. kent de masteropleiding. zijn bevoegd om specifieke diagnostische en assessment functies te bekleden. Verder kunnen afgestudeerden onder supervisie een jaar werkervaring als psycholoog opdoen om zich als psycholoog NIP te laten registreren. Uit de eindkwalificaties van de bacheloropleiding blijkt dat afgestudeerde bachelorstudenten over voldoende niveau beschikken om in te stromen op de arbeidsmarkt naar functies waarbij gevraagd wordt naar basale kennis en vaardigheden op het terrein van de psychologie. zoals op het terrein van arbeid en organisatie en het klinisch werkveld. Om als zelfstandig psycholoog of onderzoeker te werken is het volgens de zelfstudie echter noodzakelijk een masterprogramma te volgen. Uit de niveaubeschrijvingen die door de UL worden gehanteerd (zie F6) en de voorwaarden voor registratie in het Leids Universitair Register. Diegenen die binnen de specialisatie een Basisaantekening Psychodiagnostiek (BAPD) hebben behaald. gekozen voor een sterk onderzoeksgericht profiel voor alle studenten. Afgestudeerde masters hebben toegang tot een PhD-opleiding. kunnen zij worden toegelaten tot de vervolgopleidingen voor gezondheidszorgpsycholoog of tot psychotherapeut.F3:­Oriëntatie­WO: De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de volgende beschrijvingen van een Bachelor en een Master in WO: • De eindkwalificaties zijn ontleend aan eisen vanuit de wetenschappelijke discipline. Enkel studenten die de facultatieve stage hebben gevolgd. blijkt naar het oordeel van de opleidingen de wetenschappelijke signatuur. De bachelor. Bachelor Afgestudeerde bachelors Psychologie hebben onvoorwaardelijke toegang tot de doorstroommasteropleiding Psychologie aan de UL en kunnen worden toegelaten tot de selectieve onderzoeksmasteropleiding Psychologie. • Een WO-master heeft de kwalificaties om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten of multien interdisciplinaire vraagstukken op te lossen in een beroepspraktijk waarvoor een WO-opleiding vereist is of dienstig is. een sterke wetenschappelijke oriëntatie. Vanuit de Universiteit Leiden is een Leids Universitair Register Opleidingen opgesteld. Daarnaast ligt volgens de opleiding een sterk accent op het aanleren en toepassen van professionele vaardigheden als zelfstandig beroepsuitoefenaar vanuit een kritisch wetenschappelijke beroepsattitude. zoals zij vermeldt in de zelfstudie. De opleiding geeft aan dat afgestudeerden afhankelijk van het gekozen programma een functie kunnen gaan vervullen in de verschillende werkvelden waarin psychologen werkzaam zijn. De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat het civiele effect van het bachelordiploma beperkt is. De psychologieopleiding in Leiden heeft. 08 QANU / Psychologie / UL . • Een WO-bachelor heeft de kwalificaties voor toegang tot tenminste één verdere WO-studie op masterniveau en eventueel voor het betreden van de arbeidsmarkt. zoals staat omschreven in de zelfstudie.

het wetenschappelijk rapporteren. vervolgonderwijs en een maatschappelijke loopbaan. QANU / Psychologie / UL 09 . De aansluiting van de doelstellingen bij de beroepspraktijk vindt zij voor de masteropleiding minder goed uitgewerkt. De commissie is hiermee van oordeel dat in de eindkwalificaties van de masteropleiding voldoende aandacht wordt besteed aan het zelfstandig verrichten van wetenschappelijk onderzoek. ofwel om een beroep te kunnen uitoefenen op een breed terrein waarop mensen met een bachelordiploma in de psychologie werkzaam kunnen zijn. uit te voeren. Zij vindt dat de eindkwalificaties van de bachelor. Voor de masteropleiding blijkt het wetenschappelijk karakter van de opleiding bijvoorbeeld uit de academische vorming waarop het onderwijs gericht is (zie F1). De afgestudeerde kan zelfstandig de hele empirische cyclus uitvoeren (eindkwalificaties 3 en 4). De commissie stelt vast dat bacheloropleiding Psychologie toegang biedt tot ten minste één masteropleiding.en werkniveau dat vervolgens wordt uitgesplitst naar onder meer academische vaardigheden. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Voor de bacheloropleiding blijkt dit bijvoorbeeld uit eindkwalificatie 1 (zie voor nummerverwijzing F1). De eindkwalificaties expliciteren dat de opleiding voorbereidt op een wetenschappelijke loopbaan. Uit eindkwalificatie 4 blijkt dat de afgestudeerde bachelor in staat is eenvoudig psychologisch onderzoek begeleid op te zetten. Hiermee sluiten de eindkwalificaties van de bacheloropleiding naar het oordeel van de commissie goed aan bij de criteria voor wetenschappelijke oriëntatie van de bachelor. De commissie heeft kennisgenomen van de voorwaarden tot registratie in het Leids register. en het hanteren van vakwetenschappelijke competenties in wijsgerige en maatschappelijke context. onderzoeksvaardigheden en algemeen professionele vaardigheden. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Eindkwalificatie 9 expliciteert dat de afgestudeerde over voldoende kennis en vaardigheden van (een) deelgebied(en) beschikt om ofwel toegelaten te kunnen worden tot een masteropleiding binnen de psychologie. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Doelstellingen opleiding’ voor de bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychology luidt: voldoende. Deze is volgens de commissie in Leiden sterk.Oordeel Zie ook F1 waarin de commissie beargumenteert dat de eindkwalificaties voldoende aansluiten bij de Nederlandse en Europese eisen die door vakgenoten aan een psychologiediploma worden gesteld. en te verslaan. het analyseren van complexe problemen. waarin is omschreven dat de student beschikt over een academisch denk. waaronder het zelfstandig wetenschappelijk denken en handelen.en masteropleiding het wetenschappelijk karakter van de opleiding sterk tot uitdrukking brengen.

Het bachelorproject bestaat uit 0 studiepunten.­ Programma Bachelor De bacheloropleiding bestaat uit een programma van 131 studiepunten verplichte onderdelen en 49 studiepunten keuzeonderdelen. waarbij de major 70% van het programma op een vakgebied omvat en de minor 30% van het programma op een ander vakgebied omvat. gezondheid en ziekte Aandacht Ontwikkelingspsychopathologie Keuzevak Derde bachelorjaar Keuze van vier vakken uit volgende lijst: • Coöperatie en conflict • Beoordeling en beïnvloeding • Cognitieve en intellectuele ontwikkeling • Sociaal emotionele ontwikkeling • Cognitieve ergonomie • Cognitieve neurowetenschap • Psychopathologie.en onderwijspsychologie Tweede bachelorjaar Wetenschapsleer Psychometrie en psychodiagnostiek Multivariate data-analyse Interpersoonlijke beroepsvaardigheden Groepsdynamica Stress. In het tweede jaar worden 9 studiepunten besteed aan keuzevakken en in het derde jaar kiest de student verplicht vier cursussen van elk 10 studiepunten uit een aanbod van negen cursussen. Ten minste 40 studiepunten van de keuzeonderdelen moeten binnen de opleiding Psychologie worden ingevuld. diagnostiek en behandeling • Gezondheidspsychologie 5 studiepunten 7 studiepunten 6 studiepunten 6 studiepunten 4 studiepunten 4 studiepunten 7 studiepunten 7 studiepunten 7 studiepunten 7 studiepunten 6 studiepunten 9 studiepunten 6 studiepunten 6 studiepunten 6 studiepunten 6 studiepunten 6 studiepunten 6 studiepunten 9 studiepunten 10 studiepunten 10 studiepunten 10 studiepunten 10 studiepunten 10 studiepunten 10 studiepunten 10 studiepunten 10 studiepunten 10 QANU / Psychologie / UL . Eerste bachelorjaar Tutoraat Inleiding in de psychologie Inleiding in de methoden en technieken Toetsende statistiek Experimentele proefopzettenleer Geschiedenis van de psychologie Sociale en organisatiepsychologie Persoonlijkheids.2. Het is mogelijk een major-minorvariant te volgen. De monodisciplinaire bacheloropleiding Psychologie bestaat uit de volgende vakken.5. klinische en gezondheidspsychologie Cognitieve en biopsychologie Ontwikkelings.2.

Hiervoor zijn gemiddeld per jaar twintig plaatsen beschikbaar. Hiervoor zijn in het tweede semester van het eerste jaar 10 plaatsen beschikbaar. Selectie geschiedt door de studieadviseurs. Elk programma kent 30 studiepunten toe aan verplichte cursussen. Verder bevat het bachelorprogramma vakken op het terrein van methoden en technieken. • Bij daarvoor in aanmerking komende opleidingen heeft het programma aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen. Dit komt onder meer tot uitdrukking bij de bachelorprojecten. brengt het honoursprogramma studenten in contact met onderzoek van de eigen medewerkers en toonaangevende onderzoekers in de psychologie uit binnen. Naast de theoretische kennis die in de reguliere opleiding wordt aangeboden.en buitenland. Studenten met wie de commissie heeft gesproken zijn erg enthousiast over de vorming van wetenschappelijke vaardigheden in kleine groepjes via het tutoraat. en facultatief een stage van een half jaar. Elk masterprogramma heeft dezelfde structuur. Deze sluiten zo veel mogelijk aan bij lopend onderzoek binnen het onderzoeksinstituut Psychologie. Het bestaat uit specialistische theoretische en methodologische cursussen. Dit wordt volgens hen goed begeleid. 10 studiepunten aan keuzecursus(sen) en 0 studiepunten voor de masterthesis. Bachelor De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat binnen de bacheloropleiding onderwijs en onderzoek nauw verweven zijn. volgens de opleiding versterken. F4:­Eisen­WO Het programma sluit aan bij de volgende criteria voor het programma van een WO-opleiding: • Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines. Studenten kunnen zich hiervoor per jaar aanmelden en worden geselecteerd op basis van motivatie en studieprestaties.• • Klinische neuropsychologie Bachelorproject 10 studiepunten 0 studiepunten Master De masteropleiding kent zoals gezegd acht specialisatieprogramma’s. geschiedenis van de psychologie en wetenschapsleer die het wetenschappelijk karakter van de opleiding. • Het programma sluit aan bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën. het aanleren van specialistische vaardigheden. In het tutoraat wordt aandacht besteed aan de vorming van academische vaardigheden. De doelstelling van het honoursprogramma is erop gericht tegemoet te komen aan de interesse van studenten in de psychologie als wetenschap. naast de domeinspecifieke vakken. De facultatieve stage heeft een omvang van 30 studiepunten. Uit de bachelorenquête (005) blijkt dat afgestudeerde bachelors vinden dat er voldoende aandacht wordt besteed aan theorievorming en aan onderzoeksvaardigheden en schriftelijke QANU / Psychologie / UL 11 . een masterthesis gebaseerd op een empirisch onderzoek. Voor bijzonder getalenteerde studenten biedt de opleiding in alle drie jaren van de bacheloropleiding een honoursprogramma aan. • Het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek. Aan studenten die meer moeite hebben met het wetenschappelijke gehalte van de opleiding wordt vanaf begin 006 extra onderwijs aangeboden in de vorm van intensieve studeergroepen.

Samenwerken en het ontwikkelen van een wetenschappelijke attitude krijgen ook voldoende aandacht volgens de meeste studenten (bron: zelfstudie). Tot slot spreekt de commissie haar waardering uit voor het honoursprogramma dat studenten met specifieke interesse in de psychologie als wetenschap extra uitdaagt. De commissie waardeert het positief dat hierbij de hele empirische cyclus wordt doorlopen. Studenten lezen bijvoorbeeld al vroeg in de studie researchpapers en leren allerlei academische vaardigheden in het tutoraat en onderzoeksvaardigheden in onder meer het methodenleer. Eveneens vindt de commissie het positief dat het bacheloronderzoek aansluit bij de onderzoekstopics van de wetenschappelijke staf. Voor de bacheloropleiding concludeert de commissie. Master Voor de masteropleiding geldt. Dit specialistische vaardighedenonderwijs wordt soms verzorgd door professionals vanuit de praktijk. De commissie heeft uit de gesprekken begrepen dat het aanleren van praktijkgeoriënteerde vaardigheden in het Nederlands mag. Ook worden binnen de specialisaties methodologische cursusonderdelen gegeven waarin specifieke kennis voor het onderzoek op het deelterrein wordt behandeld. Zo sluit het onderzoek dat studenten voor de masterthesis verrichten veelal aan bij het onderzoek dat door de begeleidende docenten van het onderzoeksinstituut psychologie wordt gedaan. volgens de opleiding. onder meer op basis van het programma en cursusmateriaal dat zij heeft ingezien. De opleiding geeft hiervan in de zelfstudie een aantal voorbeelden. Zodra studenten stage lopen is hier wel aandacht voor. Volgens de studenten met wie de commissie sprak. Voor de masteropleiding geldt volgens de commissie eveneens dat kennisontwikkeling in interactie met het wetenschappelijk onderzoek binnen de Psychologie plaatsvindt.en statistiekonderwijs.en de masteropleiding bestudeerd. Dit komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in de masterthesis die aansluit bij wetenschappelijk onderzoek van 1 QANU / Psychologie / UL . Dit omvat een onderzoeksproject waarin studenten inhoudelijke en methodologische vaardigheden moeten toepassen (0 studiepunten). Met genoemde punten waarborgt het bachelorprogramma goed de ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden op wetenschappelijk gebied. Oordeel De commissie heeft het programma van de bachelor. Wat betreft de disciplinaire kennis worden voldoende uitgebreide inleidingen gegeven in de psychologie en de belangrijkste deelgebieden hiervan. Het bachelorproject waarmee de bacheloropleiding wordt afgesloten is bij de Leidse bacheloropleiding relatief omvangrijk. dat er een sterke verbinding is tussen het onderwijs en het onderzoek dat binnen de sectie plaatsvindt. Meer theoretisch georiënteerde vaardigheden worden net als de rest van de masteropleiding in het Engels aangeboden. dat studenten kennis verwerven aan de hand van interactie met relevant wetenschappelijk onderzoek. De commissie beoordeelt dit facet voor de bacheloropleiding om bovengenoemde argumenten met een goed. In de theoretische onderdelen van de masteropleiding worden de meest recente ontwikkelingen besproken op het specifieke deelterrein van de psychologie. Daarnaast is een aantal stafleden ook incidenteel of permanent werkzaam in de professionele psychologische praktijk en zijn er raamovereenkomsten tussen het departement Psychologie en verschillende professionele instanties.en mondelinge vaardigheden. In de stage en het specialistische vaardighedenonderwijs wordt aandacht besteed aan de professionele praktijk waar studenten later zullen werken. was er gedurende de masteropleiding weinig aandacht voor de eisen die worden gesteld aan het halen van de Basisaantekening Psychodiagnostiek en de mogelijkheden voor de gezondheidszorgvervolgopleiding.

De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken. Deze zijn door de bachelor-mastercommissie en de jaarcommissies met de bijbehorende vaardigheden bij de start van het bachelorprogramma in samenhang besproken. De commissie beoordeelt daarom dit facet voor de masteropleiding met een voldoende. Kortweg start de bacheloropleiding.de staf. De cursusmaterialen die de commissie van de verschillende masterprogramma’s heeft ingezien. waarmee de eindkwalificaties van de masteropleiding corresponderen. De commissie is concluderend erg positief over de wetenschappelijke inhoud van het programma. F5:­Relatie­tussen­doelstellingen­en­inhoud­programma Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties.en organisatiepsychologie. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Master In de zelfstudie betoogt de opleiding dat het programma van de masteropleiding voldoet aan de Dublin-descriptoren. Zo is de commissie bijvoorbeeld in een scriptie buitengewoon geavanceerde statistische analyses tegengekomen. en wordt door studenten individueel een masterthesis geschreven die is gebaseerd op empirisch onderzoek. en combineert dit met onderwijs op het gebied van methoden en technieken van onderzoek en enkele steunvakken. qua niveau. Een deel van het bachelorprogramma wordt besteed aan wetenschappelijk onderzoek en er wordt een basis gelegd om in de masterfase te voldoen aan de eisen voor de basisaantekening psychodiagnostiek. sluiten naar het oordeel van de commissie aan bij actuele wetenschappelijke theorieën in het betreffende deelgebied. De commissie vindt het gepast dat praktische vaardigheden altijd in de eigen moedertaal worden aangeleerd. waarmee het kunnen toepassen van zowel inhoudelijke als methodologische kennis en vaardigheden wordt getoetst. gezien de eindkwalificaties zoals geformuleerd in de OER (zie F1). De opleiding heeft per jaar in kaart gebracht welke vaardigheden in de verschillende studieonderdelen worden bijgebracht. zoals bij klinische richtingen en arbeids. Dit geldt vooral voor interventies met mensen. Ook binnen de vakken wordt een adequate relatie met wetenschappelijk onderzoek gelegd en in de methodologische onderdelen komen specialistische onderzoeksvaardigheden aan bod. maar zou gezien de aard van de masteropleiding meer aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen verwachten. In de zelfstudie geeft de opleiding gedetailleerd aan welke kennis en welke vaardigheden in elke cursus behandeld worden. De eindkwalificaties zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. Bachelor Voor het bachelorprogramma is per studieonderdeel vastgesteld wat de operationele leerdoelen zijn. Het contact met en voorlichting over de actuele praktijk is naar het oordeel van de commissie minimalistisch ingevuld indien studenten niet kiezen voor de facultatieve stage van een half jaar. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De bacheloropleiding wordt afgerond met een onderzoeksproject. Zo is er in alle programma’s sprake van verdergaande specialisatie en verdieping van een bepaald onderwerp. met inleidingen in de psychologie en de belangrijkste deelgebieden van de psychologie. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. waarbij van studenten wordt verwacht dat zij een eigen QANU / Psychologie / UL 13 .

Oordeel De commissie heeft de tabel waarin de eindkwalificaties op het gebied van kennis en de nader uitgewerkte eindkwalificaties betreffende de vaardigheden gerelateerd worden aan de cursussen bestudeerd en op hoofdlijnen vergeleken met het cursusmateriaal dat wordt gebruikt en de omschrijving van de inhoud van de cursus in de studiegids. Zij stelt vast dat de eindkwalificaties van de bacheloropleiding adequaat zijn vertaald in de programmaonderdelen. De opleiding verwacht in de loop van de masteropleiding van studenten steeds meer zelfstandigheid. De commissie heeft specifiek naar het aanleren van ethische aspecten gekeken. Elk programma omvat onderdelen waarbij studenten referaten moeten houden of papers moeten schrijven.bijdrage leveren aan het ontwikkelen en toepassen van de bestaande theoretische kennis. In de masterthesis dienen zij geheel zelfstandig een onderzoek op te zetten en te voltooien. Dit sluit aan bij de filosofie van de Leidse bacheloropleiding dat een te vroege en sterke specialisatie ongewenst is. Zij stelt hierbij vast dat de opleiding een facultatieve stage van een half jaar aanbiedt in aansluiting op de eenjarige masteropleiding. Indien de student niet kiest voor een facultatieve stage. Het is de commissie bekend dat de opleiding haar oordeel deelt. Clinical Neuropsychology. Clinical Psychology. Indien dat voorstel de Toets nieuwe opleidingen doorstaat. maar zonder het volgen van een facultatieve stage voldoen studenten niet aan de toegangseisen die daarvoor zijn gesteld. dan zullen 14 QANU / Psychologie / UL . gelden naar het oordeel van de commissie grote deficiënties met betrekking tot de eindkwalificaties van de specialisaties Child and Adolescent Psychology. Zij heeft de eindkwalificaties van elke specialisatie in de zelfstudie nader uitgewerkt aan de hand van de Dublin-descriptoren en vervolgens per specialisatie van elke onderwijsonderdeel aangegeven aan welke eindkwalificaties dit onderdeel aandacht besteedt. Alhoewel docenten van de psychologieopleiding vaak betrokken zijn bij de praktijk en andersom praktijkbeoefenaars vaak als gastdocent bij het vaardigheidsonderwijs betrokken zijn. en Health Psychology. De commissie heeft het programma van de masteropleiding bestudeerd in het licht van de beoogde eindkwalificaties. Deze opzet van het programma geeft volgens de opleiding een adequate concretisering van de eindkwalificaties. Professionele vaardigheden die aan bod komen variëren van diagnostische en therapeutische vaardigheden tot laboratoriumvaardigheden. zoals die per specialisatie zijn uitgewerkt. is het volgen van een stage voor studenten uit deze vier specialisaties noodzakelijk voor aansluiting bij postdoctorale beroepsopleidingen. Dit roept de vraag op in hoeverre het volgen van een dergelijke facultatieve stage nodig is om de eindkwalificaties op het gebied van vereiste professionele vaardigheden te behalen en de aansluiting bij een postdoctorale beroepsopleiding te verkrijgen. Doordat studenten in het derde bachelorjaar verplicht zijn om vier van de negen specialisatievakken te volgen. Studenten krijgen hier feedback op de wijze van communiceren. waardoor in de eenjarige masteropleiding studenten reeds professionele vaardigheden leren die hen voorbereiden op de later beroepspraktijk (zie verder F1). daarom is een voorstel voor de inrichting van een tweejarige masteropleiding op het gebied van de Health Care Psychology ingediend bij de NVAO. De commissie waardeert de breedheid van de bacheloropleiding positief. De commissie vindt de inhoud en opbouw van het bachelorprogramma zoals hierboven uiteengezet een adequate concretisering van de eindkwalificaties. Deze vier specialisaties beogen aansluiting bij een van de vervolgopleidingen in de gezondheidszorg. Het programma biedt studenten voldoende de mogelijkheid deze eindkwalificaties te verkrijgen. oriënteren zij zich breder dan alleen op de specialisatie die zij mogelijkerwijs willen gaan volgen.

53 studiepunten op niveau 00. maar niet strikt noodzakelijk is om de huidige eindkwalificaties van de overige vier specialisaties te behalen. In het derde jaar kiest een student vier cursussen uit een aanbod van negen cursussen. QANU / Psychologie / UL 15 . omdat de stage geen onderdeel uitmaakt van die specialisaties die aansluiting op postdoctoraal onderwijs beogen (te weten de specialisaties Child and Adolescent Psychology. Voor de bacheloropleiding gelden de niveaus 100 t/m 400 en voor de masteropleiding 400 t/m 600. De resterende 9 studiepunten worden besteed aan een keuzevak waarvan het niveau kan wisselen. Social and Organisational Psychology. De commissie oordeelt dat. De commissie is van oordeel dat de masteropleiding Psychologie in haar huidige vorm niet voldoet aan de criteria die gelden voor dit facet. Deze keuzevakken bereiden de student voor op een specialisatie in de masteropleiding. F6:­Samenhang­programma Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend studieprogramma. Bachelor De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat de cursusonderdelen van de bacheloropleiding voor een deel een noodzakelijke volgorde kennen. 8 studiepunten op niveau 100. De eisen aan de niveaus zijn vastgelegd in het Leids Universitair Register Opleidingen (zie ook F3). en Health Psychology). gradueel opgebouwd over de drie jaren. 30 studiepunten op niveau 300 en 60 studiepunten op niveau 400.en masteropleiding Psychologie hebben elk programmaonderdeel in onderstaande abstracte niveaucategorieën beschreven. door het inbouwen van een korte stage in de masteropleiding. lijkt wenselijk om een betere aansluiting aan de eindkwalificaties te realiseren. Clinical Neuropsychology. Bachelor en Master De Universiteit Leiden hanteert een model waarin aan elk curriculumonderdeel een niveau (van 100 tot 600) wordt toegekend. Een aanpassing van het programma waarbij de specialisaties in de Leidse opleiding op dit punt gelijkwaardig worden aan de andere opleidingen in Nederland. De specialisaties van de masteropleiding bestaan voornamelijk uit cursussen op 500-niveau en worden afgesloten met een masterthesis op 600-niveau. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Methods and Statistics. Clinical Psychology. and Occupational Health Psychology.de eerder genoemde vier specialisaties met civiel effect niet meer worden aangeboden binnen de éénjarige aansluitende masteropleiding. Per opleiding stelt zij een minimum aantal studiepunten per niveau. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is onvoldoende. Het tweede jaar omvat nog een groot aantal verplichte vakken. te weten Cognitive Psychology. De bachelor. In het eerste jaar wordt een algemeen inleidend programma gegeven. het volgen van een facultatieve stage wel gewenst. naast het volgen van onderwijs gericht op het aanleren van professionele vaardigheden. Zij meent evenwel dat dat wel het geval zal zijn zodra deze specialisaties uit deze opleiding zijn verwijderd en zijn ondergebracht in een tweejarige masteropleiding en het programma van de resterende specialisaties zal zijn aangepast op de wijze die hierboven is aangegeven. De bacheloropleiding omvat. waarmee de basis wordt gelegd voor de volgende twee jaren.

In de zelfstudie geeft de opleiding een overzicht van de sequentiële opbouw die in het curriculum op grond van de ingangsvoorwaarden bestaat. waardoor de geleerde kennis en vaardigheden op zelfstandige wijze kunnen worden toegepast. waarbij steeds aandacht wordt besteed aan wetenschappelijke theorievorming. Ook stelt zij vast dat de negen vakken waaruit de student in het derde bachelorjaar kan kiezen enerzijds brede domeinvakken bevatten. De commissie vindt de onderlinge samenhang van de vakken in de bacheloropleiding voldoende. De meeste onderdelen kunnen als op zichzelf staande onderdelen gevolgd worden. tweede. culminerend in een empirisch onderzoek dat wordt afgerond met een thesis. De commissie heeft begrepen dat hieraan door het opleidingsmanagement gewerkt wordt. Voor de bacheloropleiding vindt de commissie de opbouw van meer algemeen inleidend naar meer specifiek voorbereidend op een specialisatie in een masterprogramma logisch. In de vragenlijsten. De jaarcommissies bewaken de samenhang per jaar. Master Voor de masteropleiding is voorafgaand aan de invulling van het programma door het departementsbestuur vastgesteld wat de samenhang binnen elke specialisatie moet zijn. na raadpleging van de secties. De zelfstudie vermeldt dat de samenhang van het masterprogramma binnen de specialisaties én de samenhang van het programma tussen de specialisaties. wordt onder meer naar overlap in het curriculum gevraagd. zoals Gezondheidspsychologie en Klinische neurospychologie.en masteropleiding bestudeerd op samenhang. ontwikkeld en per jaar verder uitgewerkt door de eerste-. heeft zij begrepen dat er een relatief grote overgang van het tweede naar het derde jaar bestaat. in de eerste plaats wordt bewaakt door de opleidingscommissie. Besloten is een inhoudelijk samenhangend programma op te stellen. methodologie en professionele en academische vaardigheden. De opleidingscommissie bewaakt de samenhang van de bacheloropleiding als geheel. Van studenten met wie de commissie heeft gesproken. De zelfstudie meldt dat hierbij rekening is gehouden met problemen en ervaringen uit het verleden.en techniekenvakken. Enkele onderdelen kennen een ingangseis.en derdejaarscommissie. Deze zijn inhoudelijk gemotiveerd: het vak bouwt inhoudelijk voort op het geleerde in een eerder vak. De masterthesis en facultatieve stage volgen altijd aan het eind van het programma. Zij stelt vast dat de gehanteerde niveau-indeling samenhang bevordert. In het derde jaar moeten studenten bijvoorbeeld ‘opeens’ veel schrijven. De masteropleiding kent twee instapmomenten en is modulair opgezet. Oordeel De commissie heeft het programma van de bachelor. waarvan de resultaten door de opleidingscommissie worden besproken. Deze opbouw van het programma is door de bachelor-mastercommissie.Voor verschillende cursussen gelden ingangsvoorwaarden. maar niet zo sterk. maar aan de andere kant ook meer ‘topic’-vakken als Beoordeling en 16 QANU / Psychologie / UL . zo moet bijvoorbeeld het onderdeel Basic Therapeutic Skills met goed gevolg zijn afgelegd voordat het onderdeel Cognitive-Behavioural Interventions in de specialisaties Health Psychology en Clinical Psychology kan worden gevolgd. bijvoorbeeld ten aanzien van de moeilijkheden met methoden.

wellicht selecte groep bachelorstudenten. Uit de enquête blijkt dat een meerderheid van de studenten het onderwijsrooster evenwichtig vindt. bijvoorbeeld door de specifieke taak van beide opleidingscommissies (voor de bachelor. Bachelor De opleiding geeft aan dat de studielast evenwichtig over het programma van de bacheloropleiding is verdeeld.en masteropleiding) en door de jaarcommissies in de bacheloropleiding. terwijl de commissie zou verwachten dat vervolgvakken rondom een thema meer verdieping zouden brengen.als masteropleiding voldoende waarborgen heeft ingebouwd om een samenhangend studieprogramma te realiseren. De commissie is van mening dat zowel de bachelor. De commissie vindt dat de specialisaties in de masteropleiding op goede wijze over de secties heen worden aangeboden. De opleiding heeft een aantal punten omtrent de studielast en studeerbaarheid van de bacheloropleiding in een eerste enquête onder de afgestudeerde bachelorstudenten bevraagd. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. een groep studenten die het programma binnen de geprogrammeerde tijd heeft afgerond. Bachelorstudenten met wie de commissie heeft gesproken bevestigen dit beeld. Ook blijkt dat studenten minder tijd besteden aan hun studie dan er voor staat geprogrammeerd: een derde van de studenten besteedt meer dan dertig uur aan de studie. Zij is van mening dat de verschillende specialisaties homogene pakketten vormen. De commissie vindt de samenhang van de masteropleiding goed. Om te zorgen dat studenten meer studievoortgang boeken heeft de opleiding de eisen op grond waarvan een bindend studieadvies wordt gegeven verzwaard. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. die elk worden gevolgd door een periode van vier weken waarin opdrachten kunnen worden gemaakt en tentamens en herkansingen worden afgenomen. Zij geven aan bijna nooit veertig uur per week te studeren. ongeveer een derde tussen de 5 en de dertig uur en een derde minder dan 5 uur.beïnvloeding. het aantal herkansingen voor tentamens beperkt en een harde cesuur tussen het bachelorprogramma en het masterprogramma ingesteld. Een minderheid van de studenten (14%) noemt de studieprogrammering als een mogelijke factor voor studievertraging. kan de bachelorstudie wel zwaarder. Naar aanleiding van evaluaties zal de onderwijslast beter verdeeld worden over de onderwijsluwe periode van vier weken. Dit betrof. gezien het tijdstip van de enquête. gericht op een specifiek thema. meer volgorde-eisen geformuleerd ten aanzien van het volgen van de verschillende cursussen. QANU / Psychologie / UL 17 . De programmaonderdelen per specialisatie hangen inhoudelijk goed samen en vormen een heldere leerlijn die opbouwt naar de masterthesis. Door de universitair brede invoering van een semestersysteem per 005-006 is het onderwijs geconcentreerd in twee perioden van zestien weken. F7:­Studielast Het programma is studeerbaar doordat factoren. die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen. Ook zijn studenten positief over de spreiding van de studielast in de eerste twee jaren. Deze vakken worden alle op hetzelfde niveau gegeven (400). Uit deze enquête blijkt dat 94% van de respondenten vindt dat het programma in drie jaar voltooid kan worden. dit ligt eerder op de helft. Volgens deze.

zoals bijvoorbeeld het niveau van de stof en het aantal pagina’s dat moet worden bestudeerd. Tijdens de gesprekken kwam naar voren dat de opleiding een taakgroep heeft ingesteld om onder meer het statistiekonderwijs te verbeteren. waarbij de vier keuzevakken in de praktijk niet altijd even goed te combineren zijn. met name in het eerste jaar. waarbij in de programmering te weinig rekening is gehouden met een onderwijsluwe periode na beide zestien weken. Dit past bij een masteropleiding. De opleiding meldt dat zij. en ten tweede het feit dat de masteropleiding een zeer intensief programma kent. De commissie is van mening dat de houding van de opleiding ten aanzien van dit punt verbeterd kan worden. De opleiding meldt hierbij dat dit waarschijnlijk een consequentie is van de keuze die studenten in het derde jaar moeten maken. het uitgangspunt dat de opleiding in één jaar dient te worden afgerond. zoals wordt vermeld in de zelfstudie. studeerbaar is binnen de geprogrammeerde studietijd. Oordeel Volgens de studenten met wie de commissie heeft gesproken en blijkens de evaluatiegegevens van de bacheloropleiding is de gerealiseerde studielast van de bacheloropleiding lager dan de geprogrammeerde studielast. Ook van studenten heeft zij geen factoren 18 QANU / Psychologie / UL . Uit de enquête die is gehouden onder de eerste afgestudeerde bachelorstudenten blijkt over het algemeen dat de studielast evenwichtig is verdeeld over het programma en het programma in drie jaar goed is te voltooien.In het derde jaar vindt ongeveer de helft van de studenten dat de spreiding goed is en vindt iets meer dan 30% dat het onderwijs niet op een goede wijze is verdeeld over het derde jaar. als voldoende. De studielast is hoog. De opleiding geeft aan dat het programma strak is geprogrammeerd en weinig keuzemogelijkheden heeft. De commissie vindt deze gerealiseerde studielast aan de lage kant. waarbij de student door plaatsing in een jaargroep en door meer individuele begeleiding dan in de bacheloropleiding meer zichtbaar wordt. De zelfstudie vermeldt dat indien uit onderwijsevaluaties blijkt dat de zwaarte van het programma een structureel probleem betreft. Uit evaluaties en gesprekken met delegaties blijkt dat statistiek. Het programma op papier vertoont naar het oordeel van de commissie geen onnodige struikelblokken. De opleiding geeft hiervoor als mogelijke verklaring ten eerste de invoering van het semestersysteem. maar ziet eveneens dat de opleiding gerichte maatregelen neemt om de studie-inzet van studenten te verhogen. een struikelvak vormt. Voor het argument van de opleiding dat de bacheloropleiding Psychologie in Leiden moeilijker is dan elders en daardoor statistiek een groter struikelblok vormt. nu duidelijk is welke vakken vaak in combinatie worden gekozen. spreiding van de onderwijslast door meer gerichte opdrachten tijdens de onderwijsluwe perioden een verbetermaatregel zou kunnen betreffen. heeft de commissie geen bewijzen kunnen vinden. hiermee bij de programmering van het onderwijs rekening zal houden. De commissie beoordeelt dan ook de studeerbaarheid van het bachelorprogramma. Voor de masteropleiding geldt naar het oordeel van de commissie dat het programma. Master Voor de masteropleiding geldt. Binnen het departement zijn afspraken gemaakt over de zwaarte van de cursussen. zonder een facultatieve stage. met genoemde kanttekeningen. Uit de eerste ervaringen met het programma blijkt dat studenten het programma relatief zwaar vinden. Gezien de recente start van de masteropleiding zijn nog geen evaluatiegegevens beschikbaar over de gerealiseerde studielast. De commissie stelt vast dat het onderwijs in statistiek in met name het eerste jaar van de bacheloropleiding een struikelblok vormt.

als zij beschikken over een opleiding op bachelorniveau. Verder kunnen aspirant studenten een dag meelopen met een psychologiestudent. Master Studenten met een wo-bachelordiploma Psychologie worden toegelaten tot de masteropleiding Psychologie. en zijn er verschillende mogelijkheden om kortdurend onderwijs te volgen. worden toegelaten tot de masteropleiding. In de zelfstudie zet de opleiding de instroom in de masteropleiding per september 005 en februari 006 QANU / Psychologie / UL 19 . Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. het studiefestival dat twee keer per jaar wordt georganiseerd. De opleiding hanteert diverse voorlichtingsinstrumenten en sluit hierbij voor een deel aan bij universitair georganiseerde activiteiten. Zij oordeelt dat de masteropleiding voldoet aan de criteria die gelden voor dit facet. Bij een wiskundedeficiëntie wordt de cursus ‘Inleiding in de methoden en technieken’ uitgebreid met aanvullend wiskundeonderwijs en toetsing hiervan. Aanvullend geldt de eis voor wiskunde op vwo-niveau. Deze wordt jaarlijks vastgesteld en ligt op 500 à 550 studenten per jaar. De instroom steeg van 000 tot 003 sterk van 435 naar 656 (eerstejaars opleiding-instelling volgens de KUO-definitie). een propedeusediploma van een hbo-instelling behaald in of na 1986.of doctoraaldiploma van een andere universitaire opleiding hebben toegang tot de bacheloropleiding Psychologie. De bacheloropleiding hanteert sinds 004 een numerus fixus voor de instroom. en een ‘last minute Leiden’ in juni. Studenten met minder dan 9 studiepunten aan deficiënties kunnen. F8:­Instroom Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten: WO-bachelor: VWO. blijkend uit toelatingsonderzoek. In 004 en 005 betrof de instroom iets minder dan vierhonderd studenten. een hbo-einddiploma of een propedeuse. een ouderdag. de open dagen op locatie. De criteria voor toelating tot de masteropleiding Psychologie zijn in de zelfstudie geëxpliciteerd. Studenten van 1 jaar en ouder kunnen op basis van een colloquium doctum worden toegelaten. In de zelfstudieis een overzicht gegeven van de instroomcijfers. zoals de studielijn van de universiteit voor informatievragen en brochures.gehoord die de studielast onnodig belemmeren. HBO-propedeuse of daarmee vergelijkbare kwalificaties. De mastertoelatingscommissie volgt een toelatingsprocedure waarbinnen zij onder meer vaststelt of de aspirant-masterstudent voldoet aan de gestelde eisen. De mastertoelatingscommissie kan eveneens op verzoek van de student eventuele vrijstellingen verlenen. in september en in februari. WO-master: bachelor en eventueel (inhoudelijke) selectie. De masteropleiding kent twee instroommomenten. wordt een aparte voorlichtingsbijeenkomst voor deeltijdstudenten georganiseerd. Bachelor Studenten met een vwo-diploma. Voor toelating tot een specifiek specialisatieprogramma geldt de eis dat studenten ten minste 10 studiepunten (één keuzevak in het derde bachelorjaar) op het gebied van de specialisatie hebben gevolgd. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.

Oordeel De commissie stelt vast dat voor de instroom in de bachelor. WO-master: minimaal 60 studiepunten.t.b. In 005 zijn in totaal 194 studenten aan de masteropleiding Psychology begonnen. Daarnaast kunnen aankomende masterstudenten voor informatie terecht op de website of bij de onderwijsbalie Psychologie. Dit wordt vastgesteld door de examencommissie. De commissie is van mening dat de mastertoelatingscommissie via heldere criteria en procedures studenten adequaat toelating verschaft tot de masteropleiding Psychology. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De commissie heeft het voorlichtingsmateriaal dat beschikbaar was ingezien en stelt vast dat dit een realistisch beeld geeft van de opleidingen. Oordeel Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.uiteen. Hiervoor worden verschillende voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd die door de verschillende specialisaties worden verzorgd. De commissie waardeert het positief dat in de bacheloropleiding voor goede studenten en studenten die in het begin nog moeite hebben met studeren. Uit de gesprekken met de delegaties en evaluatiegegevens blijkt dat instromende studenten over het algemeen geen problemen hebben met de aansluiting op hun vooropleiding. Voor de bacheloropleiding betreft dit een vwo-diploma. Van studenten heeft de commissie geen klachten gehoord over de aansluiting met de vooropleiding. 0 QANU / Psychologie / UL . extra maatregelen worden getroffen. De specialisaties Clinical Psychology en Child and Adolescent Psychologie trekken relatief de meeste studenten. Studenten worden in het tweede en derde jaar van de bacheloropleiding voorgelicht over het masterprogramma. uitgesplitst naar specialisatie. hbo-propedeuse of hbo-einddiploma met aanvullende wiskunde-eis en voor de masteropleiding een bacheloropleiding Psychologie of een gelijkwaardige bacheloropleiding. F9:­Duur De opleiding voldoet aan formele eisen m. de omvang van het curriculum: WO-bachelor: in de regel 180 studiepunten. Het bachelorprogramma omvat 180 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. De commissie concludeert dat de bachelor. afhankelijk van de opleiding. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Het masterprogramma omvat minimaal 60 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. De opleiding participeert in diverse voorlichtingsactiviteiten voor aankomende studenten. In februari 006 zijn 8 studenten gestart. zoals het honoursprogramma respectievelijk de intensieve studeergroepen.en masteropleiding toelatingsvereisten worden gehanteerd op het juiste niveau.en masteropleiding Psychologie voldoen aan de criteria die gelden voor dit facet.

het onderwijs in het eerste studiejaar van de bacheloropleiding willen intensiveren in de vorm van meer kleinschalig onderwijs voor alle studenten. wordt gebruikt ter ondersteuning van colleges en werkgroepen en wordt ingezet om de interactie van studenten onderling en met de docent te vergroten. Blackboard. Hoewel dit natuurlijk een kleine steekproef betreft. In het tweede en derde jaar van de bacheloropleiding blijft de student gekoppeld aan dezelfde tutor. In het tutoraat in het eerste jaar worden academische vaardigheden aangeleerd (tutorrol) en wordt ondersteuning bij de studie geboden (mentorrol). de ontwikkeling van kritische reflectie en het vermogen problemen te formuleren. in de beginfase van de studie de werkvorm om kennis over te dragen. heeft zij van hen begrepen dat het gebruik van Blackboard een groot voordeel voor de deeltijdstudenten betreft. practica. door uit te leggen. De opleiding stelt als uitgangspunt dat in het onderwijs wordt gewerkt in teams van docenten. ‘een voordracht houden’ en ‘een experiment opzetten’. In de practica worden vaardigheden geoefend. In het bachelorprogramma wordt gestreefd naar 350 contacturen per academisch jaar. In de bachelorenquête (bron: zelfstudie) geven studenten aan een voorkeur te hebben voor minder hoorcolleges en meer intensieve werkvormen. de hoorcolleges in de loop van de studie afnemen en de werkgroepen toenemen. te structureren. indien de financiële situatie het toelaat. Uit een overzicht in de zelfstudie blijkt dat overeenkomstig het streven. alleen in een lager tempo. Het didactisch uitgangspunt is dat individuele begeleiding de vorm van coaching heeft. Het aantal begeleide contacturen varieert tussen de 300 en 360 uur per jaar. De hoorcolleges vormen. Een tutorgroep bestaat uit twaalf à veertien studenten. te enthousiasmeren en vragen te beantwoorden en te stellen. Deeltijdstudenten bevestigen dat zij exact hetzelfde programma volgen als de voltijdstudenten. Ook het departementsbestuur zou. In het eerste studiejaar worden twaalf groepsbijeenkomsten gehouden waarin onder meer drie opdrachten worden uitgevoerd: ‘een kort artikel schrijven’. werkgroepen. Het didactische uitgangspunt hierbij is dat docenten bijdragen aan de zelfstandige verwerking en opbouw van kennis door studenten. Hierdoor vindt volgens de opleiding continu intercollegiale toetsing van het onderwijs plaats. de digitale leeromgeving. De commissie heeft gesproken met een aantal deeltijdstudenten van de bacheloropleiding. Blackboard. Dit betreft de werkvormen: hoorcolleges. zoals staat omschreven in de zelfstudie. naar meer kleinschalig en intensief onderwijs in de vorm van met name werkgroepen en practica. Bachelor In de zelfstudie zet de opleiding de zes werkvormen die in de bacheloropleiding worden gehanteerd uiteen en licht daarbij de functie van elke werkvorm toe. tutoraat en individuele begeleiding. Het didactisch uitgangspunt is dat practica gelegenheid bieden tot het leren gebruiken van instrumenten in een probleemgeoriënteerde context.F10:­Afstemming­tussen­vormgeving­en­inhoud Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen. Tot slot hanteert de bacheloropleiding individuele begeleiding als werkvorm. Voor de werkgroepen geldt het didactisch uitgangspunt dat door middel van extra uitleg en oefening van vaardigheden. analyseren en oplossen verder worden ontwikkeld. QANU / Psychologie / UL 1 . bijvoorbeeld bij de bachelorthesis. waarbij er in de loop van de jaren een verschuiving optreedt van meer grootschalig en extensief onderwijs in de vorm van hoorcolleges. Door een aanvullende financiële bijdrage van het faculteitsbestuur voor het studiejaar 005006 heeft de opleiding extra studiebegeleiding kunnen realiseren voor studenten die studievertraging dreigen op te lopen. die dan met name een mentorrol vervult. De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept.

Zo kent het eerste jaar van de bacheloropleiding relatief de meeste hoorcolleges. Wat betreft de masteropleiding waardeert zij het dat de diverse specialisaties goed bij elkaar in de keuken kijken en op die manier van elkaar leren. Het departementsbestuur streeft er naar om in de masterfase rond de driehonderd contacturen te realiseren. Zij stelt dit vast op grond van de gesprekken met de studenten en het bestudeerde cursusmateriaal. 535 uur aan de thesis en 845 uur aan zelfstudie. Uit een nadere analyse in de zelfstudie blijkt dat de werkelijke en normatieve contacturen bij zes van de acht specialisaties overeenkomen. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De commissie vindt dit een positief punt. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Er wordt door de opleiding actief ingezet op onderlinge afstemming van contacturen en verdeling van studie-uren over de onderwijsvormen. het derde jaar van de bacheloropleiding de meeste werkgroepen en bestaat het contactgebonden onderwijs in de masteropleiding voor het overgrote deel uit werkgroepen en practica. Bepaalde secties bieden meer intensief onderwijs dan andere secties.  QANU / Psychologie / UL .en masteropleiding daadwerkelijk activerend zijn. terwijl binnen de specialisatie Social and Organisational Psychology een minder sterke nadruk ligt op contactgebonden vaardigheidsonderwijs. De functie en didactische uitgangspunten van elk van deze werkvormen zijn vergelijkbaar met die zoals hierboven voor de bacheloropleiding uiteengezet zijn. De opleiding schat dat een student gemiddeld tussen de 160 en 40 uur besteedt aan werkgroepen en practica. Zo worden binnen de specialisatie Child and Adolescent Psychology bijvoorbeeld onderwijsintensieve trainingen aangeboden.en masteropleiding een veelheid van werkvormen wordt gehanteerd. Zo valt de masterspecialisatie Occupational Health bijvoorbeeld onder drie secties. Oordeel De commissie stelt vast dat in de bachelor. In de zelfstudie geeft de opleiding aan dat zij op grond van de ervaringen en de onderwijsevaluaties van de masteropleiding. de beoogde onderwijsintensiteit binnen het masterprogramma Psychologie zal proberen te realiseren en zich in zal spannen om de verdeling van de studie-uren over onderwijsvormen binnen de verschillende specialisaties meer op elkaar af te stemmen. werkgroepen. is de commissie van mening dat deze adequaat zijn afgestemd op de leerdoelen van het programmaonderdeel. adequaat in het curriculum is geconcretiseerd. Het totaal aantal studie-uren is afhankelijk van de keuzes van de individuele student. De commissie heeft uit de gesprekken begrepen dat de opleidingscommissie een voorstel heeft ontwikkeld om docenten elkaar te laten observeren om op die manier van elkaar te leren. zestig uur aan individuele begeleiding. waarvan 40 in de vorm van cursorisch onderwijs en zestig in de vorm van individuele begeleiding. practica en individuele begeleiding. te faciliteren. Op grond van de beschreven functies van de werkvormen en voorbeelden die de opleiding hierbij geeft in de zelfstudie. De commissie vindt de beoogde lijn in de loop van het curriculum van meer extensief onderwijs naar meer intensief onderwijs en steeds meer zelfstandigheid van de student. Volgens studenten is er gekeken naar elkaars roosters om ook studenten die twee richtingen willen doen.Master In de masteropleiding worden vier werkvormen gehanteerd: colleges. De commissie vindt het positief dat de werkgroepen in de bachelor. Masterstudenten merken in de gesprekken met de commissie op dat zij de samenwerking tussen de secties de afgelopen jaren hebben zien verbeteren. tussen de nul en tachtig uur aan colleges. Zo zijn er plannen om ook voor de specialisatie Social and Organisational Psychology extra practica en aanvullende vaardigheidstrainingen aan te bieden.

Master De masteropleiding kent een drietal toetsvormen die zij naar functie en inhoud onderscheidt: (1) toetsing van kennis door middel van tentamens. Het toetsen van onderzoeksvaardigheden gebeurt vooral door het uitvoeren van opdrachten. al is dit bij het ene vak wat uitgebreider dan bij het andere vak. Bij het bachelorproject wordt als afsluiting van de bacheloropleiding getoetst of studenten opgedane kennis en vaardigheden op een goede wijze kunnen toepassen en integreren. In de loop van de studie vindt de opleiding het belangrijker worden om kennis en vaardigheden geïntegreerd te toetsen en meer feedback te geven op het proces dat heeft geleid tot een bepaald product. problemen te kunnen analyseren en mondeling en schriftelijk over inhoudelijke aspecten van het specialisatiegebied te kunnen communiceren. Zij krijgen altijd feedback op de toetsen. geavanceerde literatuur te kunnen verwerken. Bij het bachelorproject wordt ter bewaking van de interne consistentie door een tweede onafhankelijke beoordelaar een steekproef van afgeronde bachelorwerkstukken beoordeeld. De opleiding geeft in de zelfstudie een paar voorbeelden van cursussen waar dit zo plaatsvindt. In het derde jaar worden kennis en vaardigheden geïntegreerd getoetst. QANU / Psychologie / UL 3 . Bachelor De opleiding hanteert bij de toetsing van kennis en vaardigheden als uitgangspunt dat toetsing in het eerste jaar van de bacheloropleiding vooral een selecterende functie en in de loop van het tweede en derde jaar steeds meer een formatieve functie vervult.F11:­Beoordeling­en­toetsing Door de beoordelingen. toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd. en (3) toetsing van academische vaardigheden op grond van het vermogen van de student om kritisch te kunnen reflecteren over het eigen denken en handelen. Op basis van deze uitgangspunten kiest de opleiding in de eerste twee jaren van de bacheloropleiding voor het toetsen van kennis door middel van multiplechoicetentamens. Per 1 januari 006 is het plagiaatdetectiesysteem Ephorus ingevoerd. Een vijfde van de respondenten is hierover ontevreden. Toetsing van zelfstandige toepassing van kennis en (academische) vaardigheden vindt vooral plaats in de masterthesis en in de stage. Gaandeweg wordt er meer gebruikgemaakt van toetsing door middel van open vragen en schrijven van papers. () toetsing van vaardigheden op grond van het toepassen van deze vaardigheden in bijvoorbeeld het schrijven van een onderzoeksopzet of practica met patiëntsimulaties of het schrijven van een onderzoeksopzet. waarmee elektronisch ingeleverde opdrachten en het bachelorwerkstuk op plagiaat kunnen worden gecontroleerd. Uit de bachelorenquête (bron: zelfstudie) blijkt dat een kleine meerderheid van de studenten de toetsingen en beoordelingen goed vindt. Van studenten en docenten heeft de commissie begrepen dat zij allen de relatief grote omvang van het bachelorproject (thesis) positief waarderen. Een kleine meerderheid vindt de toetsing en beoordeling aansluiten bij de leerdoelen. bijvoorbeeld door een combinatie van een tentamen over de hoorcolleges en een werkstuk waarin studenten kennis en bijvoorbeeld analytische vaardigheden moeten toepassen. Bachelorstudenten noemen in het gesprek met de commissie dat er relatief veel multiplechoicetentamens zijn. Kennis en academische vaardigheden worden in de masteropleiding vooral getoetst op basis van opdrachten en bijdragen aan werkgroepbijeenkomsten.

Vanwege het belang dat zij hecht aan een uitgebreide stage heeft zij ervoor gekozen deze als een optionele uitbreiding na het eerste jaar van de masteropleiding aan te bieden. Na goedkeuring van de sectie kan de student starten aan het onderzoek voor de thesis. de vraagstelling en de methode geaccepteerd zijn. Uit de gesprekken met delegaties. De examencommissie beoordeelt verder vooral aanvragen voor examens. 4 QANU / Psychologie / UL . kan alleen aan het tentamen worden deelgenomen als het practicum met goed gevolg is voltooid. De opleiding acht een eenjarig masterprogramma te kort voor een substantiële stage. noemen deeltijdstudenten in het gesprek met de commissie extra lastig. De student moet bij het begin van de thesis een voorstel inleveren bij de sectie. Bachelor en Master De wijze van toetsing en beoordeling is vastgesteld in de Onderwijs. voorzien van een handtekening van de begeleider. Ook in de studiegids is voor de bachelor. Zo wordt in evaluaties de mening van studenten over toetsing en beoordeling gevraagd. Masterstudenten met wie de commissie sprak. heeft de commissie begrepen dat de examencommissie een actieve rol speelt bij de bewaking van het niveau van de curriculumonderdelen en het daadwerkelijk behalen van de leerdoelen. De opleidingen geven in de zelfstudie aan dat zij diverse manieren hanteren om de kwaliteit van de toetsing en beoordeling te borgen. ongeacht onverhoopt tegenvallende resultaten. maar voelen zich bij klinische specialisaties verplicht deze te doen. De voorzitter van de examencommissie is toehoorder in het opleidingsbestuur. De opleiding heeft voor de stage nadere richtlijnen en regels geformuleerd.en Examenregeling. noemen de stage weliswaar optioneel. Facultatief kan de student een stage lopen. De opleiding geeft aan dat dit de garantie geeft dat het onderwerp. Ontwikkeling van toetsbeleid ziet de examencommissie niet als haar primaire taak. Bij de examencommissie kunnen individuele problemen aan de orde worden gesteld. aanvragen voor keuzevakken. Leden van de examencommissie maken bijvoorbeeld ook deel uit van de leden van de jaarcommissies. Door de examencommissie zijn regels en richtlijnen opgesteld voor de beoordeling van de thesis. Ook bij programmawijzigingen speelt de examencommissie een rol. Een stage van ongeveer zes maanden is conform de Europese richtlijnen voor een stage van minimaal 30 studiepunten. Bij meer structurele problemen wordt op het niveau van de opleidingscommissie naar oplossingen gezocht. Deze vormt volgens de opleiding een essentiële voorbereiding op de latere beroepsuitoefening en is bij enkele specialisaties een eis voor het volgen van een aansluitende beroepsopleiding. De student kan kiezen voor een externe praktijk. en stageverslag en beoordeling van de stage. zoals criteria omtrent begeleiding. Elk tentamen wordt ten minste twee keer per jaar aangeboden. Het feit dat er in de regel slechts één herkansing is. en bepaalt sancties bij fraude. vooral omdat zij geen problemen op dat gebied constateert. door laagdrempeligheid en weinig bureaucratie. Het individuele verslag van de masterthesis wordt standaard door een tweede onafhankelijke docent beoordeeld.of veelal interne onderzoeksstage. uitzonderingen bij een negatief bindend studieadvies. Deze zijn opgenomen in de studiegids. De uitslag van schriftelijke tentamens wordt als regel binnen vijftien werkdagen bekend gemaakt en studenten hebben inzagerecht en een recht op nabespreking. Indien een onderwijsonderdeel een practicum bevat. zoals zij in het gesprek met de commissie aangaf.De criteria voor de masterthesis zijn in de zelfstudie opgenomen. De examencommissie kenmerkt zich. stagecontract.en masteropleiding per onderdeel vermeld hoe getoetst wordt.

­ Inzet­van­personeel F12:­Eisen­WO De opleiding sluit aan bij de volgende criteria voor de inzet van personeel van een WO-opleiding: Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied. Ongeveer 75% van de leden van de vaste wetenschappelijke staf is lid van een onderzoekschool binnen de psychologie. De wetenschappelijke kernstaf bestaat uit hoogleraren. 5.3. Feitelijk kiezen de meeste studenten voor een stage en daarmee worden de eindkwalificaties van de masteropleiding Psychologie ruimschoots behaald. Voor bijna al deze docenten geldt dat ze gepromoveerd zijn en actief participeren in het onderzoeksinstituut Psychologie. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De inhoud van de toetsen sluit naar mening van de commissie voldoende aan bij de leerdoelen van het onderwijs.en masteropleiding voldoet aan de gestelde criteria. Zij beoordeelt dat dit facet voor de bachelor. De ‘onvoldoende’ voor facet 5 ‘Relatie doelstelling – programma’ van de masteropleiding Psychology is naar oordeel van de commissie het gevolg van een specifieke keuze in de structuur van de opleiding. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Programma’ voor de bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychology luidt: voldoende. In principe heeft iedere medewerker van de wetenschappelijke kernstaf een duale taakstelling met betrekking tot onderwijs en onderzoek. concludeert zij dat toetsing. Uit een tabel over de onderwijsinzet van het personeel blijkt dat ongeveer eenderde van het onderwijs door overig wetenschappelijk personeel. De examencommissie vat haar rol ruim op en functioneert naar het oordeel van de commissie volgens haar wettelijke taken. Dit relatief grote aandeel tijdelijk personeel is ingezet toen de studentenaantallen sterk stegen. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De organisatie van de toetsing is in orde. die actief bijdragen aan de ontwikkeling van de psychologie. studenten en examencommissie en een steekproef van toetsen die de commissie heeft ingezien. Daarbij is facet 6 ‘Samenhang’ door de commissie met een ‘goed’ beoordeeld. promovendi en studentassistenten wordt verzorgd. beoordeling en het geven van feedback over het algemeen adequaat zijn. QANU / Psychologie / UL 5 . maar heeft op dit gebied ook geen problemen geconstateerd. Bachelor en Master Het departement Psychologie acht het van belang. de gesprekken met de docenten. uhd’s en ud’s. dat het meeste onderwijs wordt verzorgd door onderzoekers.Oordeel Op grond van de evaluaties van de toetsing in de bachelorenquête. De commissie stelt vast dat er geen expliciet toetsbeleid is. Dit wegende komt de commissie tot de conclusie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp Programma voor de masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. zoals staat geschreven in de zelfstudie.2.

Zo komen er verzoeken uit het veld om onderzoek uit te voeren of stagiaires te mogen aanstellen en zijn met een aantal instellingen in de regio Leiden raamovereenkomsten opgesteld. extra middelen worden ingezet om meer vast wetenschappelijk personeel aan te trekken. F13:­Kwantiteit­personeel Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen. Oordeel De commissie heeft vastgesteld dat het merendeel van docenten is gepromoveerd en lid is van een erkende onderzoeksschool. De commissie heeft gezien dat er de afgelopen jaren veel is gewerkt met tijdelijk personeel. in de bacheloropleiding vooral op theoretisch niveau gelegd. Een verbinding met de praktijk wordt. Promovendi besteden in principe 10% van hun aanstelling aan het geven van onderwijs. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. In de masteropleiding wordt het onderwijs voornamelijk verzorgd door de kernstaf en de promovendi. De onderwijstijd kan minder dan 55% bedragen indien een medewerker bestuurlijke of maatschappelijke taken verricht. De onderzoeksprogramma’s Psychologie van de UM zijn onlangs positief beoordeeld in de onderzoeksvisitatie Psychologie. volgens de opleiding. In de masteropleiding wordt het vaardigheidsonderwijs bij sommige onderdelen verzorgd door beroepsbeoefenaren vanuit de praktijk. Zij waardeert het positief dat een aantal docenten van de psychologieopleiding betrokken is bij de praktijk en andersom praktijkbeoefenaars als gastdocent voor onder meer het vaardighedenonderwijs in de masteropleiding worden ingezet. zoals zij beschrijft in de zelfstudie. De opleidingen geven aan dat op basis van deze uitgangspunten en de beschikbare middelen. Voor de specialisaties in de masteropleiding geldt dat er vanuit de verschillende secties contact met het beroepenveld is. 40% aan wetenschappelijk onderzoek en 5% aan bestuurs. er de afgelopen jaren een goed 6 QANU / Psychologie / UL .als onderzoekskwaliteiten meewegen als selectiecriterium bij de aanstelling van nieuw wetenschappelijk personeel. een gedifferentieerde allocatiesystematiek voor de inzet van het personeel. De onderzoekstijd per individuele medewerker kan afhankelijk van kwantitatieve outputcriteria variëren tussen 0% en 40% van de aanstelling. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Van het overig wetenschappelijk personeel wordt verwacht dat zij 100% van hun aanstelling aan het onderwijs besteden. De commissie vindt het positief dat de opleidingen zowel onderwijs.Zij verzorgen met name werkgroepen en practica binnen de bacheloropleiding. Het departement hanteert. onder verantwoordelijkheid van een lid van de vaste wetenschappelijke kernstaf. Zij krijgen uitsluitend een tijdelijke aanstelling. De opleiding streeft er naar studenten vanaf de start van de bacheloropleiding in contact te brengen met wetenschappelijke rolmodellen. Hoorcolleges in de inleidende vakken van de bacheloropleiding worden bijvoorbeeld meestal verzorgd door de kernstaf.en beheerstaken. Dit werd met name ingegeven door de financiële situatie en fluctuerende studentenaantallen. Alleen bij de vaardigheidsonderdelen van de masteropleiding wordt een bijdrage geleverd door de andere personeelsleden onder verantwoordelijkheid van een hoogleraar. Van de wetenschappelijke staf wordt normatief verwacht dat ze ongeveer 55% van haar aanstelling aan het ontwikkelen en verzorgen van onderwijs besteedt. uhd of ud. De commissie heeft uit de gesprekken begrepen dat nu de financiële situatie gunstiger wordt. Zij heeft uit de gesprekken begrepen dat het departement ernaar streeft om voor al het personeel een gedeelde onderwijsen onderzoekstaakstelling te realiseren.

In de zelfstudie geeft de opleiding een overzicht van het aantal beschikbare fte’s voor de realisatie van het onderwijsprogramma. onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma. De student-stafratio is na een verslechtering in de afgelopen periode naar het oordeel van de commissie nu weer acceptabel (1:40) en vergelijkbaar met zusteropleidingen. Dit zal een gunstig effect hebben op de staf-studentratio. Deze functioneringsgesprekken zijn sinds 005 gestructureerd in de vorm van een Resultaten. De werkdruk was hierdoor de afgelopen jaren vrij hoog. Van het faculteitsbestuur heeft zij begrepen dat er op korte termijn meer financiële middelen voor de opleidingen Psychologie beschikbaar komen voor de aanstelling van docent-onderzoekers. Uit de bachelorenquête (bron: zelfstudie) blijkt dat de meerderheid van de respondenten zich kan vinden in de stelling dat docenten in het algemeen goed en gemotiveerd onderwijs geven. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Daarbij wordt een uitbreiding van de financiële middelen voor de aanstelling van meer vast wetenschappelijk personeel ingezet.evenwicht was tussen de beschikbare formatie en de omvang van het onderwijsprogramma. Het aantal studenten is in dezelfde periode sterker gegroeid. Aangezien de masteropleiding in het Engels wordt verzorgd. De staf-studentratio bedraagt ongeveer 1:40. Uit het overzicht blijkt dat met name de omvang van het overige wetenschappelijk personeel in tijdelijke dienst is toegenomen (van 1. In 003 was de ratio het ongunstigst. zijn door het Expertisecentrum Academisch Engels en het Talencentrum van de Faculteit Letteren taaltoetsdagen en cursussen voor docenten als ondersteunend personeel georganiseerd.7 naar 0. te weten 1:49. Ook wordt jaarlijks de beste Blackboard-ondersteuning verkozen om het gebruik van ICT in het onderwijs verder te bevorderen. Oordeel De commissie stelt vast dat de docenten een zware werkdruk hebben gekend. docenten didactische scholing kunnen volgen bij het ICLON. reiken de opleidingen jaarlijks een aantal prijzen uit. De commissie stelt vast dat de opleidingen voldoende menskracht inzetten om de onderwijsprogramma’s te realiseren. F14:­Kwaliteit­personeel Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke.0 fte). college geven. zoals een cursus tentamineren. maar anderzijds ook veel van de staf heeft gevraagd.en Ontwikkelingsgesprek (R&O-gesprek). Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Dit is iets ongunstiger dan de ratio van 1:34 ten tijde van de vorige visitatie. De commissie heeft van docenten met wie zij heeft gesproken gehoord dat de invoering van de bachelor-masterstructuur enerzijds veel positieve elementen heeft meegebracht. Volgens de opleiding is onderwijservaring een belangrijk selectiecriterium bij het aannemen van nieuw personeel. werkgroepen begeleiden. De menskracht beschikbaar voor onderwijs is tussen 000 en 005 met ongeveer 10% gegroeid van 46 naar 5 fte. Meer dan de helft van de respondenten vindt dat zij met vragen of problemen goed bij de QANU / Psychologie / UL 7 . De opleiding meldt dat als er aanleiding toe is. en doelmatig stemgebruik. Om het docentencorps te stimuleren om inspirerend onderwijs te geven. De resultaten van onderwijsevaluaties vormen een vast onderdeel van de functioneringsgesprekken die de leidinggevende hoogleraar met de docent houdt.

4. Enkelen hebben een cursus gevolgd bij het ICLON. De commissie is hierover positief en ondersteunt eveneens het voorstel van de opleidingscommissie (zie F10) om intercollegiale beoordeling van colleges te organiseren. Docenten leggen uit dat zij onderwijs in teams verzorgen.2. Docenten bevestigen in de gesprekken met de commissie dat er op diverse manieren aandacht wordt besteed aan hun didactische kwalificaties. Alumni met wie de commissie sprak. Daarnaast maakt de opleiding vanwege grote studentenaantallen. goed toegankelijk. Zij waardeert het positief dat er diverse mogelijkheden zijn voor bijscholing en heeft uit de gesprekken ook begrepen dat docenten samen cursussen geven en elkaar daarbij indien nodig ondersteunen. Docenten zijn volgens studenten met wie de commissie sprak. De commissie heeft de indruk dat er relatief veel e-mailcommunicatie tussen studenten en docenten plaatsvindt. voldoende gewaarborgd worden.docenten terechtkan en volgens de helft van de studenten is er voldoende ruimte voor discussie. In een bijlage bij de zelfstudie hebben de opleidingen een overzicht opgenomen van de functie en subdiscipline van elke wetenschappelijke medewerker. De bachelor. De commissie is dan ook van mening dat het personeel voldoet aan de criteria die gelden voor dit facet. Verder worden er vaste bijeenkomsten voor tutoren georganiseerd om ervaringen uit te wisselen en gezamenlijk problemen op te lossen. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Promovendi wordt op deze manier bijvoorbeeld de mogelijkheid geboden te groeien in het docentschap. De Faculteit Sociale Wetenschappen is gehuisvest in het Pieter de la Court gebouw van de Universiteit Leiden. Op basis hiervan concludeert de commissie dat de specialisaties in het docententeam voldoende breed zijn gezien de doelstellingen. gebruik van collegezalen op andere locaties. Oordeel De commissie stelt vast dat de didactische kwaliteiten van docenten door de systematische inzet van Resultaat. Ook aan het begin van de onderwijsloopbaan wordt hieraan aandacht besteed. onder meer door feedback van meer ervaren collega’s uit het onderwijsteam. vooral voor cursussen in het eerste en tweede jaar. gaven aan onder de indruk te zijn van de kwaliteit van de docenten. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.& Ontwikkelingsgesprekken en de evaluatieresultaten die hierbij een rol spelen. Zij vindt het jammer dat de opleidingen geen basiskwalificaties voor docenten hebben geformuleerd. 8 QANU / Psychologie / UL . 5. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Inzet van personeel’ voor de bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychology luidt: voldoende. waarbij beginnende docenten worden ingewerkt door de coördinator van het blok.en masteropleiding delen de onderwijsfaciliteiten met de andere opleidingen van de faculteit.­ Voorzieningen F15:­Materiële­voorzieningen De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren.

maar ontevreden blijven over de hoeveelheid studieplekken. Uit de bachelorenquête (bron: zelfstudie) blijkt dat de meeste studenten tevreden zijn over de beschikbare zaalruimte. de laboratoria. De bibliotheek van de faculteit. Onderwijsruimten.De faciliteiten voor het onderwijs in het Pieter de la Court gebouw zijn de afgelopen periode. De opleidingen geven aan dat hiervoor in de loop van 006 een aparte voorziening zal worden gecreëerd. Zij heeft tijdens de gesprekken begrepen dat de financiële middelen voor de collectievorming van Psychologie zijn toegenomen en juicht dit toe. is verbouwd. In het scriptieatelier is een scriptieateliermedewerker aanwezig die studenten kan helpen met methodologische kwesties. De commissie oordeelt verder positief over de uitbreiding van de bibliotheek en het feit dat de testotheek verder gemoderniseerd wordt. gecreëerd. De commissie is van oordeel dat de materiële voorzieningen recent sterk verbeterd zijn. zoals collegezalen en werkgroepruimten zijn toereikend voor de uitvoering van de gekozen werkvormen door de opleidingen. De commissie waardeert het positief dat het aantal pc-werkplekken voor studenten aanzienlijk is uitgebreid. Oordeel De commissie heeft een rondleiding gehad langs de onderwijsruimten. echter in deze periode vond de verbouwing plaats en was er alleen een noodvoorziening beschikbaar. In het propedeusejaar worden studenten vertrouwd gemaakt met bibliotheekgebruik door medewerkers van de bibliotheek. uitgebreid en kent een nieuw automatiseringssysteem. verbeterd.en masteropleiding toereikend zijn om het onderwijsprogramma te realiseren. De commissie stelt vast dat er weinig printfaciliteiten voor studenten zijn. Een aanzienlijk deel van de studenten vindt dat er nog steeds onvoldoende pc’s en printers beschikbaar zijn. de testotheek en de computerzalen. Tijdens de rondleiding heeft de commissie kennisgenomen van het scriptieatelier waarin studenten aan hun scriptie kunnen werken. waarin de meest gangbare vragenlijsten en tests met bijbehorende handleidingen zowel in hardcopy. Er zijn voldoende kleine werkgroepruimten beschikbaar en voor grote collegegroepen kan de opleiding uitwijken naar collegezalen elders. Concluderend is de commissie van mening dat de huisvesting en materiële voorzieningen van de bachelor. Studenten met wie de commissie sprak noemen de vooruitgang in vooral voorzieningen als Blackboard en de computervoorzieningen een pluspunt. als in elektronische vorm toegankelijk zijn voor studenten en docenten. de bibliotheek. Deeltijdstudenten met wie de commissie sprak noemen het een pluspunt dat de bibliotheek nu geheel via het internet te raadplegen is. De commissie is positief over deze nieuwe voorziening. waarin de collectie voor psychologie is ondergebracht. In de bachelorenquête noemen de studenten de restauratieve voorzieningen onvoldoende. Ten tijde van het visitatiebezoek was de verbouwing net afgerond en rook het gebouw als nieuw. Een inhaalslag op dit gebied is wat haar betreft wenselijk. De testotheek werd ten tijde van het visitatiebezoek gemoderniseerd. Binnen de faculteit zijn na de verbouwing zes pc-zalen met in totaal 150 plaatsen beschikbaar en zijn in de kelder 103 werkplekken met pc’s ingericht voor zelfstudie van studenten. QANU / Psychologie / UL 9 . studieplekken en een werkeiland waar studenten bibliotheekbestanden digitaal kunnen raadplegen. Met de verbouwing van het Pieter de la Court gebouw zijn ook de restauratieve voorzieningen sinds begin 006 verbeterd. De onderwijsruimten zijn adequaat toegerust met moderne onderwijsondersteunende middelen. onder meer door een verbouwing. In de bibliotheek zijn studieboxen.

en wanneer één van de cursussen ‘Inleiding in de methoden en technieken’. De onderwijsbalie is verantwoordelijk voor de voorlichting aan studenten.en masteropleiding zelf een beroep doen op de studieadviseurs of studentenpsychologen voor persoonlijke of studiebegeleiding. Op drie momenten in het eerste jaar zijn er adviesgesprekken met studenten door tutoren en studieadviseurs. Deeltijdstudenten ontvangen ook drie schriftelijke adviezen. dat wordt uitgebracht voor 1 september. Dit sluit aan bij hetgeen studenten hadden aangegeven in de bachelorenquête. De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten sluiten aan bij de behoefte van studenten. Zo vond 46% van de respondenten de voorlichting in het derde jaar niet voldoende. bindend is. Studieresultaten van studenten worden geregistreerd met behulp van het universitaire systeem ISIS/S&S. De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat de voorlichting over het derde jaar (in het tweede jaar). Ook deeltijdstudenten krijgen een tutor/mentor toegewezen. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. 30 QANU / Psychologie / UL . F16:­Studiebegeleiding De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten zijn adequaat met het oog op studievoortgang. over het tweede jaar (in het eerste jaar) en de voorlichting over de masteropleiding (in het tweede en derde jaar) de afgelopen periode is uitgebreid en verbeterd. Studenten die al in het eerste semester van het eerste jaar studievertraging oplopen.Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Bachelor De bacheloropleiding werkt met een bindend studieadvies na het eerste jaar. Studenten kunnen in dit systeem hun eigen studievoortgang inzien en zich aanmelden voor werkgroepen en tentamens. ‘Toetsende statistiek’ of ‘Experimentele proefopzettenleer’ niet met een voldoende is afgerond. Deze bijeenkomsten hebben tot doel om studenten te stimuleren actiever en efficiënter te studeren. De docent/tutor treedt op als vraagbaak voor de student en is het aanspreekpunt bij studieproblemen. Bachelor en Master Studenten kunnen gedurende de bachelor. Studenten komen ten minste twaalf keer per jaar bijeen in de tutorgroep die bestaat uit ongeveer twaalf personen. De verschillende specialisaties in de masteropleiding verzorgen hiervoor voorlichtingsbijeenkomsten. Voor het tutoraat kunnen deeltijdstudenten vrijstelling aanvragen indien zij dat wensen. Bij een negatief bindend studieadvies kan de student zich niet meer inschrijven voor de bacheloropleiding Psychologie. Een docent vervult de rol van tutor. worden door de studieadviseur geadviseerd om aan de intensieve studeergroepen (zie ook F10) deel te nemen. Jaarlijks ontvangen studenten een overzicht van de door hen behaalde studiepunten. Hier kunnen studenten terecht met vragen over de studie of een afspraak maken met de studieadviseurs. alleen zijn deze over de eerste twee jaar van de opleiding gespreid. waarvan het derde advies. In de loop van het bachelorprogramma worden studenten voorgelicht over de keuze van een masterprogramma en arbeidsmarktperspectieven. De studieadviezen worden uitgebracht onder verantwoordelijkheid van de examencommissie. De bacheloropleiding kent in het eerste jaar een tutoraat om onder meer de studievoortgang van studenten te stimuleren (zie ook F4 en F10). Een bindend negatief advies wordt gegeven als de student minder dan tweederde van de studiepunten van de propedeuse behaalt (40 studiepunten). Gedurende het eerste bachelorjaar ontvangt de voltijdstudent drie schriftelijke studieadviezen.

maar ontvangen hiervoor geen studiepunten. Elke masterstudent krijgt een mentor toegewezen. worden opgeroepen om een studieplan op te stellen en vast te leggen. . Studenten worden begeleid bij oriëntatie op beroepsloopbaan. Binnen de afzonderlijke specialisaties. Deze resultaten worden twee keer per jaar aan de mentor teruggekoppeld. De betrokkenheid van de student bij specialisatie wordt vergroot. 3. Het opleidingsbestuur stelt vast waaraan de secties bij het mentoraatsysteem minimaal moeten voldoen. 6. De zelfstudie vermeldt dat op facultair niveau een loopbaanloket wordt ingericht waar studenten advies kunnen inwinnen. Studenten oordelen gemiddeld neutraal over de toegankelijkheid van de studieadviseurs en de begeleiding. Er zijn twee plenaire bijeenkomsten en verder individuele gesprekken. Studenten die aan het eind van het tweede jaar minder dan 90 studiepunten hebben behaald.In de zelfstudie geeft de opleiding aan dat zij afgelopen periode vooral heeft geprobeerd om de studiebegeleiding in het tweede en derde jaar te intensiveren. 4. Dit wordt in het studievoortgangssysteem geregistreerd. Uit de bachelorenquête (bron: zelfstudie) blijkt dat studenten gemiddeld positief oordelen over de studiebegeleiding (voldoet de studiebegeleiding aan de behoefte). kan men een meer uitgebreide invulling geven aan het mentoraat. Studenten nemen verplicht deel aan het mentoraat. Master Voor de masteropleiding is een uniform mentoraatsysteem ingevoerd. loopbaanbegeleiding kunnen krijgen en kunnen worden verwezen naar onderdelen binnen de universiteit waar sollicitatietrainingen en dergelijke worden gegeven. 5. maar dat studenten gedurende alle studiejaren actief begeleid worden in een vorm die naar het oordeel QANU / Psychologie / UL 31 . stageen scriptiemogelijkheden. Studenten die qua studieprestaties achterblijven dienen actief benaderd te worden. uhd of ud van de betreffende specialisatie. Knelpunten in het studieprogramma worden informeel gesignaleerd. Dit systeem van oproepen wordt voortgezet tot het afsluiten van de bacheloropleiding. Mentoren kunnen studenten zo nodig doorverwijzen naar de studiecoördinator van de specialisatie. De mentor rapporteert over deze gesprekken. Oordeel De commissie stelt vast dat de bachelor. dit is een hoogleraar. de studieadviseur of de studentenpsycholoog. De mentor voert minimaal drie gesprekken per academisch jaar met de student. In het tweede jaar vervult de docent/tutor uit het eerste jaar de rol van mentor voor de studiebegeleiding. en wordt het studieplan bijgesteld. Het mentorsysteem is in januari 006 gestart. Een meerderheid van de respondenten blijkt tevreden te zijn over het werk van de onderwijsbalie. In de periode december-januari van het derde jaar worden de studenten weer opgeroepen. Tweedejaarstudenten worden in november en april opgeroepen voor een individueel gesprek met de mentor. Daarnaast kunnen studenten de mentor zelf benaderen met vragen.en masteropleiding een intensief systeem van studiebegeleiding gericht op bevordering van de studievoortgang kennen. De commissie vindt het bijzonder dat deze zich niet alleen richt op het begin of het einde van de studie. De studiebegeleiding is op de student toegesneden in samenhang met het studieprogramma. In het derde jaar worden studenten door de studieadviseurs begeleid. De mentor kan de studievoortgang van de student via het ISIS-systeem inzien. De minimumvoorwaarden voor het mentoraatsysteem zijn de volgende: 1. De studieadvisering is op de student toegesneden met betrekking tot keuzevakken.

De opleiding zet hiervoor gedifferentieerde instrumenten in. Bij sommige specialisaties vindt dit enigszins rommelig plaats en bij andere specialisaties is het goed georganiseerd. zoals de tutoren in het eerste jaar. Door het faculteitsbestuur is de wijze van evalueren en procedures rondom de follow-up van evaluaties vastgelegd. Een voorbeeld hiervan zijn de intensieve studeergroepen die studenten die dat nodig hebben in het eerste jaar stimuleren effectiever te studeren. mentoren in het tweede jaar en studieadviseurs in het derde jaar van de bacheloropleiding. De commissie heeft de meest recente notitie over dit kwaliteitszorgsysteem ingezien. De verantwoordelijkheid voor de kwaliteitszorg heeft het faculteitsbestuur gedelegeerd aan het departement Psychologie. Ook gedurende de masteropleiding heeft de student een mentor die hem of haar minimaal twee keer per jaar oproept voor een gesprek over de studievoortgang en verder als vraagbaak dient bij persoonlijke of studiegerelateerde kwesties. Zij vindt dit een goed initiatief dat naar haar indruk tegemoetkomt aan de wensen van de studenten.2.5. Het geheel overziend. Via periodiek overleg binnen het departement en tussen departement en faculteit wordt toegezien op een goede uitvoering van de kwaliteitszorg en wordt hierover jaarlijks gerapporteerd aan het College van Bestuur. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Voor de opleidingen psychologie is een ‘Plan-Do-Ccheck-Act’ cyclus vastgesteld. inzet van personeel en voorzieningenniveau. doelstellingen van de opleiding en het programma.van de commissie goed aansluit bij de behoefte van studenten. alsmede het waarborgen van de resultaten. De commissie vindt het verder zeer positief dat de bacheloropleiding voor zowel zwakkere studenten als zeer goede studenten extra voorzieningen aanbiedt. De commissie heeft tijdens de rondleiding het loopbaanloket van de faculteit in functie gezien en hierover uitleg gekregen. Studenten worden daarnaast door de opleiding ten minste jaarlijks geïnformeerd over de voortgang. De commissie stelt vast dat de studievoortgang via het systeem ISIS op adequate wijze wordt geregistreerd en inzichtelijk is voor studenten en begeleiders. Ten aanzien van de volgende onderwerpen worden normen en doelstellingen vastgelegd waarmee op de kwaliteit van het onderwijs kan worden gestuurd: • • • • bestuur en beheer van de onderwijsorganisatie. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Voorzieningen’ voor de bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychology luidt: voldoende. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. 5. bijzondere kwaliteitskenmerken van het onderwijs zoals excellentie en internationalisering. oordeelt de commissie dat de opleidingen goed voldoen aan de criteria die gelden voor dit facet. De commissie heeft vastgesteld dat de organisatie van de scriptiebegeleiding per masterspecialisatie verschilt. waarin is aangegeven 3 QANU / Psychologie / UL .­ Interne­kwaliteitszorg De Faculteit der Sociale Wetenschappen is recent gestart met het ontwikkelen van een onderwijskwaliteitszorgsysteem.

Per studieonderdeel mondt dit uit in een advies waarvoor drie categorieën worden gebruikt.en masteropleiding hebben elk een eigen evaluatiecommissie. In de praktijk wordt vooral gestreefd naar het vermijden van C-kwalificaties en naar minimaal 50% A-kwalificaties. F17:­Evaluatie­resultaten De opleiding wordt periodiek geëvalueerd. Deze evaluaties worden in opdracht van de opleidingscommissie uitgevoerd en gecoördineerd door de evaluatiecommissie. Alle studieonderdelen van de bachelor. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De commissie concludeert op basis hiervan dat de opleidingen voldoen aan de criteria die gelden voor dit facet. In de bachelorenquête (bron: zelfstudie) beantwoordt een grote meerderheid van de studenten de vraag of de onderwijsevaluaties voldoende zijn. Bij een Cadvies laten de schriftelijke uitkomsten en paneloordelen te wensen over (schriftelijke oordelen deels lager dan een 3 en in de paneldiscussie veel negatieve opmerkingen).en de masteropleiding en het gehele curriculum systematisch geëvalueerd worden. Ten aanzien van streefcijfers geeft de opleiding aan dat het wenselijk zou zijn dat alle studieonderdelen een A-kwalificatie halen. Vanaf september 006 zal jaarlijks een masterenquête worden gehouden onder alle afgestudeerde masterstudenten. De standaardvragenlijst wordt meestal na afloop van het tentamen van het betreffende studieonderdeel afgenomen. De opleidingen hanteren hiervoor schriftelijke evaluaties en panelgesprekken. Het hele curriculum van de bacheloropleiding wordt vanaf 005 via de bachelorenquête door afgestudeerde bachelorstudenten geëvalueerd. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.en de voltijdstudenten). Ter aanvulling worden studieonderdelen geëvalueerd via panelevaluaties door studenten (separaat voor de deeltijd. waarin ook studenten vertegenwoordigd zijn. Een B-advies houdt in dat de schriftelijke en de paneloordelen redelijk tot goed zijn (schriftelijk grotendeels beoordeeld tussen de 3 en 4 en in paneldiscussie positieve en enkele kritische oordelen). met het neutrale niet eens/niet oneens. eventueel voorzien van een advies voor aanpassing en verbetering. mede aan de hand van toetsbare streefdoelen. Er zijn toetsbare streefdoelen geformuleerd. waarin het gehele masteronderwijs wordt geëvalueerd.en masteropleiding worden door middel van een standaardvragenlijst en jaarlijkse panelevaluaties geëvalueerd.op welke wijze en door wie de verschillende kwaliteitsvoorwaarden en de kwaliteit zelf worden gewaarborgd. Oordeel De commissie stelt vast dat alle studieonderdelen van de bachelor. Een A-advies houdt in dat de schriftelijke evaluatie en de paneldiscussies positief zijn (oordelen ongeveer 4 of hoger op een vijfpuntsschaal en geen negatieve opmerkingen in de paneldiscussie). Daarbij is een kwalificatiesystematiek ontwikkeld waarmee de verantwoordelijken van de opleidingen kunnen toetsen of het onderwijs aan de streefcijfers voldoet. QANU / Psychologie / UL 33 . De bachelor. De evaluatiecommissies stellen op grond van de uitkomsten van de enquêtes en panelgesprekken voor elk studieonderdeel een rapport met de belangrijkste bevindingen op. Zij ziet dit echter niet als realistisch.

De commissie heeft kennisgenomen van een aantal concrete verbetermaatregelen. 34 QANU / Psychologie / UL . Oordeel De commissie vindt het positief dat er voor de bacheloropleiding en masteropleiding een aparte opleidingscommissie en evaluatiecommissie is. In de zelfstudie geven de opleidingen een aantal voorbeelden van verbetermaatregelen die op basis van de eerste ervaringen met het bachelorprogramma zijn genomen.F18:­Maatregelen­tot­verbetering De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan realisatie van de streefdoelen. De opleidingen hebben op diverse punten aangetoond dat zij een aantal aanbevelingen van de vorige visitatiecommissie hebben opgevolgd. Hieruit bleek dat studenten niet tevreden waren met de literatuur.en masteropleiding samengenomen. In het gesprek met de studenten en de docenten uit de opleidingscommissie werd deze werkwijze bevestigd. Bij een C-kwalificatie (zie F17) neemt het opleidingsbestuur contact op met de betrokken docenten om te overleggen welke stappen kunnen worden genomen ter verbetering. Uit de bachelorenquête (bron: zelfstudie) blijkt dat de meeste studenten niet goed weten wat er in de opleidingscommissie behandeld wordt. De opleiding geeft in de zelfstudie een terugblik op de onderwijsvisitatie van 000 en geeft bij elke aanbeveling van de vorige visitatiecommissie aan welke maatregelen zij op het betreffende punt heeft getroffen. Bij de meeste zusteropleidingen zijn deze voor de bachelor. het thema te heterogeen vonden en de implicaties hiervan voor toepassingen niet helder vonden. Door splitsing kan naar mening van de commissie meer toegespitst de kwaliteit van de eigen opleiding bewaakt worden. Op basis van de rapportage van de evaluatiecommissie en het commentaar van de betrokken docent(en) brengt zij een advies uit aan het opleidingsbestuur en informeert de docenten en hun leidinggevenden hierover. De commissie is van oordeel dat de uitkomsten van de evaluaties ook daadwerkelijk tot het constateren van tekortkomingen en formuleren van verbeteringen leiden. Zo zijn bijvoorbeeld nieuwe tweedejaars keuzevakken op het gebied van psychologie ontwikkeld. In de zelfstudie wordt aangegeven dat indien er geen verbeteringen optreden. omdat studenten deze ruimte graag bleken te besteden aan keuzevakken binnen het psychologiedomein. De resultaten van de evaluaties worden besproken in de opleidingscommissie van de bachelorrespectievelijk in de opleidingscommissie van de masteropleiding. Via een Plan-Do-Check-Act-cyclus wordt bewerkstelligd dat het kwaliteitszorgstelsel ook cyclisch is. Uit de gesprekken heeft de commissie begrepen dat ook de deeltijdopleiding specifiek in de opleidingscommissie wordt besproken. Zo is bijvoorbeeld vanuit de (studenten van de) opleidingscommissie het idee voortgekomen om collegiale toetsing van colleges in te voeren. kan worden besloten het onderwijs te laten verzorgen door een andere docent. Een ander voorbeeld betreft de vervanging van de cursus ‘Van perceptie naar actie’ door de cursus ‘Aandacht van theorie naar praktijk’ op basis van de evaluaties. De betreffende opleidingscommissie vraagt een reactie van de betrokken docent op de uitkomsten. bijvoorbeeld ten aanzien van de verbetering van de studieadvisering en -begeleiding in de latere jaren van de opleiding (zie F16) en bevordering van de coördinatie tussen de secties (zie F6). Het systeem is hiervoor adequaat ingericht en verantwoordelijkheden van verschillende partijen en procedures zijn helder vastgelegd.

Daarnaast kennen de opleidingen diverse commissies waarin de kwaliteit van het onderwijs onderwerp van gesprek is. studenten. Daarnaast was de commissie onder de indruk van de vele commissies die rondom het onderwijs actief zijn. de ICT-commissie en de examencommissie.Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Zo worden onder meer via de bachelor. studenten. waarin studenten hun ideeën naar voren kunnen brengen. Het departement Psychologie wil ook zelf haar alumniactiviteiten uitbreiden en alumni vooral inzetten bij de voorlichting aan studenten. In de zelfstudie geeft de opleiding aan dat vanuit verschillende secties contact met het beroepenveld wordt onderhouden. Op universitair niveau worden door het Leids Universitair Fonds (LUF) activiteiten georganiseerd voor Leidse alumni. Ook medewerkers hebben zitting in genoemde commissies. In het gesprek met de commissie gaven de leden van deze commissie aan dat dit goed blijkt te werken. alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken. Een vast agendapunt van de bacheloropleidingscommissie betreft de ‘punten van studenten’. Dit maakt dat de masteropleidingscommissie bestaat uit twintig leden en een secretaris. Alumni worden op verschillende manieren bij de (kwaliteit van de) opleidingen betrokken. Oordeel De commissie stelt vast dat studenten en medewerkers adequaat betrokken zijn bij de kwaliteitszorg van het onderwijs. In de masteropleidingscommissie zijn van elke specialisatie een student en docent vertegenwoordigd. Hieruit kwam naar voren dat ongeveer tweederde van de alumni geen contact meer heeft met de universiteit. Studenten hebben zitting in de opleidingscommissie en evaluatiecommissie van de bachelor. onder meer de participatie in de opleidings. QANU / Psychologie / UL 35 . In 005 is een enquête onder afgestudeerde doctoraalalumni Psychologie gehouden.en evaluatiecommissies.­alumni­en­beroepenveld Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers. De contacten met het beroepenveld zouden naar het oordeel van de commissie meer systematisch kunnen worden ingezet bij de kwaliteitszorg van het onderwijs. zoals de jaarcommissies in de bacheloropleiding. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Labyrint. in de eerste plaats in verband met stage.en masteropleiding. naar voren hoe zij beter kunnen inspelen op (nieuwe) ontwikkelingen in het veld. volgens de opleidingen.en masterenquête afgestudeerden gevraagd naar hun oordeel over de respectievelijke opleiding en is in 005 een enquête gehouden onder afgestudeerde doctoraalstudenten Psychologie. Uit die contacten komt. Vele docenten participeren hierin. de masterjaarcommissie. Jaarlijks organiseert de studievereniging van Psychologie. een alumnidag en twee keer per jaar een congres met lezingen en workshops door deskundigen uit verschillende beroepenvelden. De commissie waardeert het positief dat er op diverse manieren contact wordt onderhouden met het beroepenveld en alumni. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Studenten zijn bij de kwaliteitszorg betrokken via hun deelname aan de paneldiscussies en schriftelijke evaluaties van elk onderwijsonderdeel.en scriptieonderdelen. F19:­Betrekken­van­medewerkers.

Liever zou zij.6. De opleiding geeft aan dat gezien de recente start van de bacheloropleiding (00-003) en masteropleiding (005-006) het gerealiseerde niveau nog moeilijk te beoordelen is. Zij vindt het jammer dat slechts een steekproef van bachelortheses door een tweede docent worden beoordeeld. zien dat dit voor alle bachelortheses zou gebeuren. Gezien het goede niveau van de bachelortheses en de randvoorwaarden die hiervoor zijn ingebouwd. bijvoorbeeld ten aanzien van de begeleiding. De commissie vindt het adequaat dat de 36 QANU / Psychologie / UL . De commissie vindt het positief dat de criteria die gelden voor de bachelorthesis nauwgezet zijn vastgelegd. Het oordeel van de commissie met betrekking tot de doctoraalscripties die zij heeft bestudeerd. beter mogelijk zijn om uitspraken te doen over het niveau op basis van de uitkomsten van de arbeidsmarktmonitor. De commissie was het in de meeste gevallen eens met het cijfer dat door de opleiding aan de bachelorthesis is gegeven. 5. De selectie betrof een aantal laag. De commissie stelt mede op basis van de bachelortheses vast dat de bachelor-opleiding in Leiden daadwerkelijk een brede opleiding betreft. beoordeelt de commissie het gerealiseerde niveau van de bacheloropleiding als goed. Zie voor de examenregeling en het toetsbeleid F11. Zij waardeert het positief dat de opleiding een relatief groot aandeel toekent aan de bachelorthesis (0 studiepunten) en dat de studenten binnen het bachelorproject de hele empirische cyclus doorlopen. Rond de 1% meent dat het onderwijs niet voldoet aan de gestelde eindkwalificaties. opgevraagd en bestudeerd. ten behoeve van de consistentie in beoordeling. Deze waren alle voldoende. Oordeel De commissie heeft van de 5 meest recente bachelortheses en 5 laatste doctoraalscripties. In de komende jaren zal het. correspondeert in grote lijnen met die van de opleiding. negen bachelortheses en negen doctoraalscripties geselecteerd. De opleiding heeft in de bachelorenquête (november 005) afgestudeerde bachelorstudenten gevraagd de eindkwalificaties zoals beschreven bij F1 door te nemen en aan te geven of ze op basis van de door hen gevolgde onderwijsonderdelen naar hun mening voldoen aan dit eindniveau. die minder dan elders in Nederland is gericht op specialisatie (ter voorbereiding op de master). Driekwart van de studenten is van mening dat ze voldoen aan de gestelde eisen.­ Resultaten F20:­Gerealiseerd­niveau De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. De commissie was onder de indruk van het hoge niveau de bachelortheses die zij heeft bestudeerd.2. gemiddeld en hoog beoordeelde eindwerkstukken en voor zover mogelijk een afspiegeling van de verschillende specialisaties. naar het oordeel van de opleidingen.Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Interne kwaliteitszorg’ voor de bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychology luidt: voldoende.

Gezien de recente start van de masteropleiding (september 005) waren er ten tijde van het visitatiebezoek (oktober 006) nog geen rendementsgegevens beschikbaar. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De cijfers zijn vergelijkbaar met de gemiddelde rendementcijfers van de Universiteit Leiden (64% haalt na drie jaar de propedeuse). Indien veel studenten ervoor kiezen om naast het eenjarige programma een stage van een half jaar te volgen. Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers. Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. zal dit consequenties hebben voor de officiële rendementscijfers. Het rendement van het eerste jaar van de bacheloropleiding ligt na twee jaar rond de 5% (cohort 003-004) en na drie jaar rond de 63% (cohort 00-003). De opleiding geeft wel aan dat de studiebegeleiding in de masterfase is versterkt om vertraging in de studie te voorkomen. Dit rendement is iets hoger dan bij de invoering van de bachelor-masterstructuur. opdat de selectieve functie van de propedeuse verder zou worden versterkt. In de meerjaren bestuursafspraken 006-009 zijn tussen de faculteit en het CvB de volgende afspraken omtrent de streefcijfers betreffende de rendementen van de bachelor. Zij heeft eveneens de criteria voor de masterthesis ingezien en vindt deze voldoen aan de eisen die aan een masterthesis moeten worden gesteld. en de doctoraalstudenten die het doctoraal volgens de norm in vier jaar hebben behaald. Het propedeuserendement na één jaar van de cohort 004-005 betrof 9% (voltijdopleiding).en masteropleiding vastgelegd: • • een postpropedeutisch rendement (voor voltijdse studenten) in 009 van 70% na drie jaar. De opleiding verklaart dit door de keuze voor een inhoudelijke verzwaring met zowel basisvakken als methodologische vakken. In de zelfstudie wordt een vergelijking gemaakt tussen de bachelorstudenten die het programma volgens de norm in drie jaar hebben behaald. Op basis van de bestudeerde doctoraalscripties en eisen die worden gesteld aan een masterthesis beoordeelt zij dit facet voor de masteropleiding als voldoende. 80% na vier jaar en 90% na vijf jaar. Dit houdt in dat studenten alle onderdelen van de bacheloropleiding moeten hebben afgerond alvorens zij aan de masteropleiding kunnen beginnen. F21:­Onderwijsrendement­ Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen.mastertheses onafhankelijk van elkaar door twee docenten worden beoordeeld. instroom 00) dan het doctoraal (gemiddeld 8%. maar lager dan in de jaren daarvoor. een masterrendement van 95% na twee jaar. Hieruit blijkt dat een substantieel groter aandeel de bacheloropleiding volgens de norm haalt (33%. Het College van Bestuur heeft besloten tot een zogeheten harde cesuur tussen de bachelor. QANU / Psychologie / UL 37 .en masteropleiding. Daarnaast streeft het departementsbestuur naar een propedeuserendement van minimaal 30% na een jaar en minimaal 60% na twee jaar. Het management van de opleiding vermoedt dat deze cesuur het rendement van de bacheloropleiding positief beïnvloedt. instroom 1998-001). twee en drie jaar vanzelfsprekend lager. Voor de deeltijdopleiding ligt het rendement na een.

ook in vergelijking met verwante opleidingen.Oordeel De commissie stelt vast dat de opleidingen realistische streefcijfers hebben opgesteld voor de onderwijsrendementen. De eerste propedeuse. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Resultaten’ voor de bacheloropleiding Psychologie en de masteropleiding Psychology luidt: voldoende. Gezien de maatregelen die de opleiding heeft genomen om de studievoortgang te stimuleren (zie F16) en de adequate studeerbaarheid van de programma’s verwacht de commissie dat de onderwijsrendementen voor de masteropleiding voldoende zullen zijn. Eerste analyses laten zien dat het bachelorrendement na de nominale studieduur aanzienlijk verbeterd is ten aanzien van het oude doctoraalrendement na de nominale studieduur. Gezien de recente start van de bachelor.en postpropedeutische rendementen benaderen de streefcijfers al redelijk. 38 QANU / Psychologie / UL . Bachelor Psychologie: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Master Psychology: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.en masteropleiding vindt de commissie het nog vroeg om uitspraken te doen over de gerealiseerde onderwijsrendementen.

Maatregelen tot verbetering 19. Afstemming vormgeving en inhoud 11. Resultaten Voldoende Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Kwantiteit personeel 14. Studiebegeleiding 17. is de conclusie dat het totaaloordeel over de bacheloropleiding voldoende is. Inzet van personeel 4. Duur 10. Gerealiseerd niveau 1. Betrokkenheid van medewerkers. Relatie doelstellingen en programma 6. Studielast 8. Beoordeling en toetsing 1. Materiële voorzieningen 16. Niveau 3.Samenvatting­oordelen­Universiteit­leiden Bacheloropleiding­Psychologie:­ Onderwerp 1. studenten. Instroom 9. Domeinspecifieke eisen . QANU / Psychologie / UL 39 . Eisen wo 13. Doelstellingen van de opleiding . Evaluatie resultaten 18. Samenhang programma 7. alumni en beroepenveld 0. Voorzieningen 5. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Goed Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende 3. Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Interne kwaliteitszorg Voldoende Voldoende Voldoende 6. Programma Oordeel Voldoende Voldoende Facet­ 1. Eisen wo 5. Kwaliteit personeel 15. Oriëntatie 4.

Evaluatie resultaten 18. is de conclusie dat het totaaloordeel over de masteropleiding voldoende is. Studielast 8. Maatregelen tot verbetering 19. Gerealiseerd niveau 1. Programma Oordeel Voldoende Voldoende Facet­ 1. Studiebegeleiding 17. Doelstellingen van de opleiding . Samenhang programma 7. Inzet van personeel 4. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Voldoende Voldoende Onvoldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende 3. Interne kwaliteitszorg Voldoende Voldoende Voldoende 6. Niveau 3. Domeinspecifieke eisen . Relatie doelstellingen en programma 6. Duur 10. studenten. Voorzieningen 5. Instroom 9.Masteropleiding­Psychology:­ Onderwerp 1. Beoordeling en toetsing 1. Eisen wo 13. Oriëntatie 4. Afstemming vormgeving en inhoud 11. Betrokkenheid van medewerkers. Eisen wo 5. Kwaliteit personeel 15. Resultaten Voldoende Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan. Materiële voorzieningen 16. Kwantiteit personeel 14. 40 QANU / Psychologie / UL . alumni en beroepenveld 0. waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort.

studentlid. dr. prof. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Psychologie 66604 Master wo 60 Voltijd Maastricht 31 december 007 Psychologie 56604 Bachelor wo 180 Voltijd Maastricht 31 december 007 Het bezoek van de visitatiecommissie Psychologie vond plaats op 15 en 16 juni 006. I. dr. de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd. Everaerd. J.6. lid. De decaan is verantwoordelijk voor het bestuur en beheer van de faculteit. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Masteropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp.J.F.J.en buitenland. lid. M. Samenstelling visitatiecommissie: • • • • • • • prof. De faculteit kent een faculteitsbestuur (FB) welk wordt voorgezeten door de decaan. dr. vice-voorzitter. secretaris QANU. prof.0. drs. prof. In het FB hebben verder zitting de portefeuillehouder onderzoek en de portefeuillehouder onderwijs. van Ophem. prof.en masQANU / Psychologie / UM 41 . Structuur­en­organisatie­van­de­faculteit 6. De opleidingsdirecteur is verantwoordelijk voor de organisatie en coördinatie van de bachelor.M. van Vugt. von Grumbkow. W. dr. De portefeuillehouder onderwijs richt zich vooral op de externe relaties betreffende het onderwijs.­ De bachelor.M. J. van Hout. dr. de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd. bijvoorbeeld de contacten met het centrale beleidsniveau van de UM en zusteropleidingen in binnen.­ ­ De­bachelor-­en­masteropleiding­Psychologie­van­de­ Faculteit­der­Psychologie­aan­de­Universiteit­Maastricht Administratieve­gegevens Bacheloropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. Brysbaert.en masteropleiding Psychologie valt onder de verantwoordelijkheid van de Faculteit der Psychologie (FdP) van de Universiteit Maastricht (UM). lid. de Vries.M. onderwijskundige. V. M.M.

In de zelfstudie geeft de opleiding een overzicht van de wijzigingen die zijn doorgevoerd bij de invoering van de bachelor-masterstructuur. Hiertegen is door geen van de studenten beroep aangetekend. waardoor studenten oude stijl de bacheloronderdelen konden volgen.teropleiding en geeft leiding aan het bureau onderwijs. Door de invoering van de UM-brede uniforme jaarkalender gelijktijdig met de invoering van de gedeelde opleidingen. Voor studenten ‘oude stijl’ is tijdens de overgangsperiode speciaal onderwijs georganiseerd.of masteropleiding aangeboden. De faculteit heeft een bachelor-mastercoördinator aangesteld om de afbouw in goede banen te leiden. De faculteit beschikt over twee capaciteitsgroepen. post en via voorlichtingsbijeenkomsten. De afbouw van de afstudeerrichtingen is begeleid met voorlichtingsbijeenkomsten voor studenten en overgangsregelingen. Langs diverse kanalen. Stafleden die het onderwijs verzorgen zijn verbonden aan een van deze twee capaciteitsgroepen. 6. ook vanwege de nieuwe afstudeertracks. Experimentele Psychologie en Neurocognitie. te weten Experimental Health Psychology. De examenonderdelen van de eerste twee jaar van de ongedeelde opleiding wijken weinig af van de onderdelen in de bachelor. onder meer per mail. de beëindiging van de afstudeervariant Psychopathologie en de afstudeerrichtingen Onderwijspsychologie en Cognitieve Ergonomie.1. heeft de opleiding Psychologie haar curriculum omgezet naar blokgebonden onderwijs. De bachelor. Elk semester bestaat uit twee perioden van acht weken waarin twee blokken parallel worden aangeboden. De bachelor.en masteropleiding Psychologie komen voort uit de ongedeelde opleiding Psychologie. De overgangs- 4 QANU / Psychologie / UM .en masteropleiding kennen een examencommissie en een opleidingscommissie. de studieadviseurs en de medewerker training en evaluatie. De faculteit heeft overgangscriteria vastgesteld op grond waarvan is gekeken voor welke studenten het zinvol was nog in de ongedeelde structuur verder te studeren en welke studenten beter de overstap konden maken naar de gedeelde structuur. Psychology and Law. In plaats van de afstudeerrichtingen Onderwijspsychologie en Cognitieve Ergonomie zijn vier nieuwe afstudeerrichtingen (tracks) in de masteropleiding gerealiseerd. Studenten met interesse voor Psychopathologie konden zonder studievertraging overstappen naar de bacheloropleiding Algemene Gezondheidswetenschappen en de aansluitende masteropleiding Mental Health van de Faculteit der Gezondheidswetenschappen. De meeste examenonderdelen van het derde en vierde jaar werden niet in de bachelor. en Cognitive Neuroscience.en masteropleiding zijn cohortsgewijs ingevoerd. Work and Organisational Psychology met de nadruk op luchtvaartpsychologie. De examencommissie heeft hierin een beslissing genomen en studenten geïnformeerd dat ze in de gedeelde dan wel ongedeelde structuur verder konden studeren. Dit betrof onder meer de invoering van de uniforme academische jaarkalender.­ Invoering­ bachelor-masterstructuur­ en­ afbouw­ ongedeelde­ opleidingen:­ stand­ van­zaken De bachelor. Met de invoering van de bachelor-masterstructuur is de inhoud en organisatie van het onderwijs veranderd. zijn studenten geïnformeerd over de overgang naar de bachelor-masterstructuur. gevolgd door een blok van vier weken. De ongedeelde opleiding is tot 1 september 006 aangeboden. De aanpak hierbij was gericht op maatwerk voor de student en persoonlijke begeleiding.

De commissie heeft van studenten geen problemen rondom de afbouw van de ongedeelde opleiding gehoord.2. het inhoudelijke profiel gericht op cognitieve en biologische psychologie en het concept van probleemgestuurd leren zijn de volgende eindkwalificaties voor de afgestudeerde bachelor. Deze zijn mede afgeleid van de eisen die gelden voor het Europees Psychologie Diploma zoals geformuleerd door de European Federation of Professional Psychologists Associations (005).2. De Maastrichtse bachelor.en beroepsvaardigheden. algemene beroepsvaardigheden en specialistische beroepsvaardigheden. Deze vervolgopleiding bestaat uit een verdere specialisatie. 6. Op basis van de eisen van de Kamer Psychologie voor de bachelor. De student die de bachelorfase heeft afgerond: 1.regeling. inclusief onderzoeks.en masteropleiding Psychologie leggen een accent op cognitieve en biologische psychologie. uit de eisen die door het disciplineoverlegorgaan Psychologie van de VSNU (Kamer Psychologie) zijn opgesteld. De masteropleiding beoogt studenten met een bachelordiploma Psychologie of een gelijkwaardig diploma een degelijke vervolgopleiding te geven in het wetenschapsgebied Psychologie.en werkniveau.en masterstudent geformuleerd (bron: zelfstudie). de overgangscriteria.­ Het­beoordelingskader 6. inclusief de volgende vaardigheden: studeervaardigheden. De introductie is breed en volgt. is opgenomen in de OER en vermeld in de studiegids. Een ander profilerend kenmerk van de opleidingen aan de Universiteit Maastricht is het didactische concept van probleemgestuurd onderwijs. in het bijzonder in de biologische psychologie en cognitieve psychologie. De commissie waardeert het dat hiervoor een speciale coördinator is aangesteld waar studenten terechtkunnen en die vanaf het derde jaar van de overgangsregeling van elke doctoraalstudent een persoonlijk dossier bijhoudt. beschikt over een academisch denk. De opleiding formuleert in haar zelfstudie dat de bacheloropleiding Psychologie beoogt studenten een degelijke introductie te geven in het wetenschapsgebied Psychologie. die met ingang van het academisch jaar 00-003 van kracht is. alsmede in de globale historische en filosofische achtergronden en grondslagen van het vak. Zij is van mening dat de faculteit veel aandacht heeft besteed aan de overgangsregelingen.­ Doelstellingen­opleiding F1:­Domeinspecifieke­eisen De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk). De commissie oordeelt dat de afbouw van de ongedeelde opleiding zonder problemen voor studenten verloopt. beschikt over een algemene oriëntatie in de psychologie en haar deelgebieden. De opleiding zelf is trots op de systematische afbouw van de ongedeelde opleiding. het informeren van studenten en het soepel laten verlopen van de afbouw van de ongedeelde opleiding. academische vaardigheden.1. QANU / Psychologie / UM 43 . . aldus de opleiding.respectievelijk de masteropleiding.

De commissie ziet de aansluiting van de eindkwalificaties op de eisen van vakgenoten en de beroepspraktijk in het domein van de Psychologie. b. Zij is van oordeel dat de eindkwalificaties voldoen aan de domeinspecifieke eisen die aan een bachelor. In combination with the Bachelor Degree in Psychology. in particular with regard to: a. 1. c. De commissie constateert dat het profiel van de Maastrichtse psychologieopleidingen. d. applying specialized scientific knowledge in a broader social context. 4.3. preparation for a possible further programme of study in scientific research. 44 QANU / Psychologie / UM . e. the preparation of a career in the field of Cognitive or Biological Psychology. en beschikt hiertoe over de onderzoeksmethodische en -technische vaardigheden die in de psychologie gemiddeld gebruikelijk zijn. acquisition of specialized knowledge. beschikt over voldoende kennis en vaardigheden van (een) deelgebied(en) om: ofwel in principe toegelaten te kunnen worden tot een masteropleiding binnen de psychologie. . 3. daarover mondeling en schriftelijk te rapporteren. zoals die via de Kamer Psychologie bij alle psychologieopleidingen in Nederland tot stand gekomen is. 7. De commissie vindt de doelstellingen voor de bachelor. particularly in the fields of Cognitive or Biological Psychology.respectievelijk de masteropleiding Psychologie. deepening of a student’s specific choice for a particular field of study. academic education within the context of the Maastricht University educational con cept and its distinct profile. Voor de masteropleiding zijn in de zelfstudie de volgende eindkwalificaties geformuleerd. gericht op cognitieve en biologische psychologie. Oordeel De commissie heeft de doelstellingen en de eindkwalificaties van de opleidingen bestudeerd en gerelateerd aan het domeinspecifiek referentiekader voor de bachelor. beschikt over methodologische kennis. op een mooie wijze in de eindkwalificaties is uitgewerkt en is van mening dat dit profiel past bij een opleiding Psychologie. thinking and acting independently and scientifically. possibility to broaden one’s knowledge in other disciplines. Het perspectief voor bachelorstudenten binnen de beroepspraktijk (zoals verwoord in eindkwalificatie 7 van de bachelor) is in de ogen van de commissie nog niet genoeg concreet gemaakt.en masteropleiding helder beschreven. communicating scientifically in English. ofwel een beroep te kunnen uitoefenen op een breed terrein waarop bachelors in de psychologie werkzaam kunnen zijn. 5. the study programme must see to: a. is in staat eenvoudig psychologisch onderzoek op te zetten. Concluderend is de commissie van oordeel dat de eindkwalificaties in voldoende mate aansluiten op de eisen van vakgenoten en dat de opleidingen voldoen aan het criterium dat geldt voor dit facet. zowel aan vakgenoten als aan een breder publiek. b. 6. uit te voeren en te verslaan in de eigen of ten minste één vreemde taal. als best practice voor andere opleidingen. c. is in staat psychologisch onderzoek en vakliteratuur van gemiddeld niveau te begrijpen en te beoordelen. skills and insight in the field of psychology.en masteropleiding Psychologie mogen worden gesteld. is in staat problemen op het gekozen terrein te analyseren en te conceptualiseren. The purpose of the study programme is as following: a. There are sufficient elements in the study programme to enhance the further development of the academic formation of the student.

De commissie stelt vast dat alle Dublin-descriptoren expliciet in de eindkwalificaties van de bacheloropleiding aan de orde komen. internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor of een Master. terwijl de masteropleiding een verdere specialisatie op dit gebied. is een afgestudeerde masterstudent in staat tot onafhankelijk denken en handelen en tot het toepassen van specifieke wetenschappelijke kennis in een bredere sociale context. Verder kunnen afgestudeerde masters wetenschappelijk communiceren in het Engels (Communicatie: eindkwalificatie 3. Zij stelt vast dat de domeinspecifieke en algemene academische eindkwalificaties een duidelijk verschil in niveau tussen de opleidingen tot uitdrukking brengen. Eindkwalificatie 6 besteedt aandacht aan oordeelsvorming op bachelorniveau.b) en kunnen zij onafhankelijk en wetenschappelijk denken en handelen QANU / Psychologie / UM 45 . Afgestudeerden kunnen kennis en inzicht toepassen op masterniveau.en beroepsvaardigheden tot doel heeft. verwerft de masterstudent specifieke kennis op het terrein van de psychologie en in het bijzonder op het gebied van cognitieve of biologische psychologie. F2:­Niveau:­Bachelor­en­Master De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene. vaardigheden en inzichten. Dit sluit aan bij de Leervaardigheden overeenkomstig de Dublin-descriptoren voor een bachelor.Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Uit eindkwalificatie 3 blijkt dat afgestudeerden in staat zijn mondeling en schriftelijk te rapporteren aan vakgenoten en aan een breder publiek. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. In eindkwalificaties 1 en 7 wordt geëxpliciteerd dat studenten beschikken over studeervaardigheden. in het bijzonder de biologische psychologie en cognitieve psychologie. Oordeel De commissie heeft de eindkwalificaties van de bacheloropleiding en de masteropleiding bestudeerd vanuit het perspectief van de Dublin-descriptoren. Zoals hierboven vermeld. inclusief onderzoeks.en de masteropleiding en de Dublin-descriptoren. En waar een afgestudeerde bachelorstudent in staat is een eenvoudig psychologisch onderzoek op te zetten en uit te voeren. beschikt een student die de masteropleiding heeft afgerond over gespecialiseerde kennis. algemene en specialistische beroepsvaardigheden en voldoende kennis en vaardigheden om te worden toegelaten tot een masteropleiding binnen de psychologie of een beroep te kunnen uitoefenen op bachelorniveau.c. Zo beschrijven eindkwalificaties  en 5 van de bachelorfase de methodologische kennis en de kennis en het inzicht die studenten verwerven op het domein van de psychologie en haar deelgebieden. zoals blijkt uit eindkwalificatie 3. In de zelfstudies wordt aan de hand van het programma van de opleidingen inzicht geboden in de aansluiting tussen de onderwijsonderdelen van de bachelor. zij het iets minder expliciet dan bij de bacheloropleiding. Voor de masteropleiding geldt eveneens dat alle Dublin-descriptoren in de eindkwalificaties gedefinieerd zijn. In eindkwalificaties 3 en 4 staat geformuleerd dat afgestudeerde bachelors in staat zijn deze kennis toe te passen. De bacheloropleiding beoogt de student een brede introductie in het wetenschapsgebied psychologie te geven. dit correspondeert met de Dublin-descriptor Communicatie. afgestudeerde bachelors zijn in staat “psychologisch onderzoek en psychologische vakliteratuur van gemiddeld niveau te begrijpen en te beoordelen”. Waar een student aan het einde van de bacheloropleiding beschikt over een algemene oriëntatie in de psychologie en haar deelgebieden.

Deze worden in een bijlage bij de zelfstudie nader gespecificeerd.en werkniveau en beschikken over academische vaardigheden. De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat de eindkwalificaties van de bacheloropleiding zonder meer voldoen aan het landelijk vastgestelde disciplineprotocol voor Psychologie. Verder heeft elke afgestudeerde bachelorstudent onvoorwaardelijke toegang tot Master of Psychology van de Universiteit Maastricht. Algemene beroepsvaardigheden betreffen bijvoorbeeld argumenteren. Deze zijn in veelvuldig overleg met de Kamer Psychologie tot stand gekomen. via vakgenoten binnen het disciplineoverlegorgaan Psychologie. De commissie vindt de specificering getuigen van een behoorlijk academisch niveau en aansluiten bij het relevante 46 QANU / Psychologie / UM . De eindkwalificaties van de bacheloropleiding drukken uit dat afgestudeerden beschikken over een academisch denk. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Zie het algemene deel voor de discussie rondom de tweejarige masteropleidingen wat betreft de internationale vergelijking van de eindkwalificaties van de bachelor. het toepassen van modellering. stelt aan bachelor.a). projectmatig werken. Dit stemt overeen met wat in de Dublin-descriptoren wordt gedefinieerd onder Leervaardigheden voor een master. de internationale wetenschapsbeoefening en voor daarvoor in aanmerking komende opleidingen de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld. De commissie is dan ook van oordeel dat de opleidingen voldoen aan het criterium dat betrekking heeft op het niveau.(Oordeelsvorming: eindkwalificatie 3.en masteropleidingen. De opleiding is van mening dat uiteindelijk hetzelfde eindniveau in vier jaar (bachelor. • Een WO-master heeft de kwalificaties om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten of multien interdisciplinaire vraagstukken op te lossen in een beroepspraktijk waarvoor een WO-opleiding vereist is of dienstig is. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.en masteropleiding. Specifieke beroepsvaardigheden die worden genoemd zijn bijvoorbeeld systematisch kunnen interveniëren. observeren en programmeren. Oordeel De commissie heeft de eindkwalificaties van de opleidingen bestudeerd om te bepalen of zij voldoen aan de eisen die gelden voor wetenschappelijke bachelor.e aan dat de afgestudeerde master is voorbereid op een vervolgstudie in het wetenschappelijk onderwijs.en masteropleiding) wordt gehaald ten opzichte van de vijfjarige varianten in het buitenland. • Een WO-bachelor heeft de kwalificaties voor toegang tot tenminste één verdere WO-studie op masterniveau en eventueel voor het betreden van de arbeidsmarkt. Tot slot geeft eindkwalificatie 1.en masteropleidingen Psychologie. algemene en specialistische beroepsvaardigheden.en simulatietechnieken en psychologische gespreksvoering. Bij F1 is al beschreven dat de commissie van oordeel is dat de eindkwalificaties van de opleidingen in voldoende mate aansluiten op de eisen die de discipline. F3:­Oriëntatie­WO: De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de volgende beschrijvingen van een Bachelor en een Master in WO: • De eindkwalificaties zijn ontleend aan eisen vanuit de wetenschappelijke discipline.

Ook de eindkwalificaties van de masteropleiding besteden zowel aandacht aan de eisen die vanuit de wetenschap als vanuit de beroepspraktijk worden gesteld. De commissie is van mening dat afgestudeerde masters sterk ontwikkelde onderzoekskwalificaties hebben. QANU / Psychologie / UM 47 . Elke variant bestaat uit drie basisblokken van 15 studiepunten. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Doelstellingen opleiding’ over de bachelor. Daarnaast is er in het derde jaar ruimte voor keuzeonderwijs (0 studiepunten). In het derde jaar kiezen de studenten voor de variant Cognitieve Psychologie of Biologische Psychologie. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. in het bijzonder gericht op wetenschappelijk onderzoek binnen de cognitieve en biologische psychologie. Statistiek 3 en Psychodiagnostiek en schrijven zij de bachelorthesis. De commissie vindt de wetenschappelijke oriëntatie. De inhoud van het bachelorprogramma is hieronder opgenomen (bron: zelfstudie). Naast het blokgebonden onderwijs bevat elk jaar een voortgangstoets (4 studiepunten per jaar) en jaar 3 de proefpersoonverplichting (1 studiepunt).2. Concluderend vindt de commissie dat eindkwalificaties van beide opleidingen het wetenschappelijk karakter op een goede manier tot uitdrukking brengen.­ Programma Bachelor De bacheloropleiding bestaat de eerste twee jaar uit een algemeen programma dat voor alle studenten gelijk en verplicht is (10 studiepunten). De commissie is dan ook van oordeel dat de eindkwalificaties van de opleidingen goed aansluiten bij de eisen die gelden voor een wetenschappelijke opleiding. bijvoorbeeld een promotieplaats. De commissie constateert dat studenten die de bacheloropleiding Psychologie hebben afgerond rechtstreeks en zonder voorwaarden toegang hebben tot de masteropleiding Psychology. bijzonder goed tot uitdrukking gebracht in de eindkwalificaties van zowel de bachelor.en de masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. 6. in het wetenschappelijk domein. uit te voeren en te verslaan. De commissie heeft onder meer van alumni gehoord dat afgestudeerden bijzonder gewild zijn op onderzoeksplaatsen. Tevens wordt in de eindkwalificaties van de bacheloropleiding geëxpliciteerd dat afgestudeerden een beroep kunnen uitoefenen op een breed terrein waarop bachelors in de psychologie werkzaam kunnen zijn.beroepenveld. Zo drukken de eindkwalificaties van de masteropleiding uit dat afgestudeerden worden voorbereid op een carrière op het gebied van cognitieve of biologische psychologie en op een vervolgstudie.als de masteropleiding.2. volgen de studenten de verplichte onderdelen: Portfolio jaar 3. Daarnaast heeft de commissie vastgesteld dat afgestudeerde bachelors volgens de eindkwalificaties in staat zijn een eenvoudig psychologisch onderzoek op te zetten.

3 Methoden & Technieken (6 studiepunten) Blok 1.1b Persoonlijkheid en verschillen tussen mensen (5 studiepunten) Blok .0 Academische en beroepsvaardigheden: portfolio jaar 3 ( studiepunten) Blok 3.5x Keuzeonderwijs (0 studiepunten) Voortgangstoets jaar 3 (4 studiepunten) Proefpersoonverplichting (1 studiepunt) 48 QANU / Psychologie / UM .b Academische en beroepsvaardigheden: Kritisch denken (5 studiepunten) Blok .5b Statistiek  (7 studiepunten) Voortgangstoets jaar  (4 studiepunten) Derde bachelorjaar Variant Cognitieve Psychologie Blok 3.4b Statistiek I (7 studiepunten) Blok 1.5a Onderzoekspracticum (11 studiepunten) Blok .5b Complexe cognitie (5 studiepunten) Blok 1.a.1b.0 Academische en beroepsvaardigheden: portfolio jaar  ( studiepunten) Blok .0 Academische en beroepsvaardigheden: introductie probleemgestuurd onderwijs ( studiepunten) Blok 1.4x/3.6a Psychodiagnostiek (5 studiepunten) Blok 3.5a Geschiedenis en grondslagen van de psychologie (5 studiepunten) Blok 1.3 Academische en beroepsvaardigheden: Programmeren (6 studiepunten) Blok .b Waarnemen (5 studiepunten) Blok 1.6 Academische en beroepsvaardigheden: Communicatievaardigheden (6 studiepunten) Voortgangstoets jaar 1 (4 studiepunten) Tweede bachelorjaar Blok .a Ontwikkeling en Leren (5 studiepunten) Blok 1.3b/3.1b Lichaam en Gedrag (5 studiepunten) Blok 1.1a Sociaal gedrag (5 studiepunten) Blok 1. B Basale neurowetenschap (5 studiepunten) Blok 3.1b.4b Rekenen (5 studiepunten) Blok .1a.4a Academische en beroepsvaardigheden: een artikel schrijven (5 studiepunten) Blok 1.a Psychopathologie (5 studiepunten) Blok . C Beslissen (5 studiepunten) Blok 3.b Statistiek 3 (7 studiepunten) Blok 3. C Paradigma’s in het lab (5 studiepunten) Blok 3. B Biologische psychologie: theoretische perspectieven (5 studiepunten) Voor beide varianten Blok 3. C Leren (5 studiepunten) Variant Biologische Psychologie Blok 3.3a/3.1a Geheugen (5 studiepunten) Blok .1a.4a Bewustzijn (5 studiepunten) Blok .Eerste bachelorjaar Blok 1.a.6b Bachelorthesis (6 studiepunten) Blok 3. B Biologische psychologie: onderzoeksmethoden (5 studiepunten) Blok 3.

Bachelor De opleiding geeft in de zelfstudie een aantal voorbeelden van programmaonderdelen van de bacheloropleiding waarin de interactie tussen het wetenschappelijk onderzoek en de kennisontwikkeling van studenten centraal staat. De specialisatie Biological Psychology kent de tracks: . het uitvoeren van een onderzoeksstage (5 studiepunten) en het schrijven van een masterthesis (10 studiepunten). • Het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek. 1. Het onderwijs van elk van deze tracks bestaat uit 0 studiepunten aan onderwijsonderdelen die specifiek voor de betreffende track worden aangeboden.b Cognitive Neuroscience.en onderzoeksaanstelling. organisatie en uitvoering van het blok.a Developmental Psychology.c Work and Organizational Psychology. van het formuleren en operationaliseren van een werkbare hypothese. 1. Het programma van de masteropleiding wordt uitsluitend ontwikkeld en verzorgd door gepromoveerde wetenschappelijk medewerkers met – in principe – een onderwijs. Zowel in de bachelor. De specifieke onderwijsblokken per track zijn in de zelfstudie opgenomen.b Psychology and Law. QANU / Psychologie / UM 49 . Beide specialisaties hebben drie tracks. . In het onderzoekspracticum in het tweede studiejaar doorlopen studenten in groepen van vijf of zes personen onder begeleiding van een staflid de hele onderzoekcyclus. Zij dragen samen met de zogeheten blokplanningsgroep zorg voor invulling.c Neuropsychology. • Bij daarvoor in aanmerking komende opleidingen heeft het programma aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen.Master Het masterprogramma van 60 studiepunten wordt aangeboden in het Engels en kent twee specialisaties. Daarnaast kent elke track de volgende onderdelen: het schrijven van een onderzoeksvoorstel (5 studiepunten). Voor Applied Cognitive Psychology zijn dit de tracks: 1. F4:­Eisen­WO Het programma sluit aan bij de volgende criteria voor het programma van een WO-opleiding: • Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines. te weten Applied Cognitive Psychology en Biological Psychology.als masteropleiding wordt het programma jaarlijks geëvalueerd en gereviseerd. . • Het programma sluit aan bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën. Zo nodig wordt de inhoud van het onderwijsonderdeel en de gebruikte literatuur geactualiseerd. In het programma vindt volgens de zelfstudie interactie tussen onderwijs en onderzoek plaats vanwege de aard van de aanstellingen van de wetenschappelijke staf en de aard van de organisatie van het onderwijs. In de bacheloropleiding zijn nagenoeg alle blokcoördinatoren gepromoveerde wetenschappelijke medewerkers met een gedeelde aanstelling.a Experimental Health Psychology.

De practica besteden aandacht aan de ontwikkeling van relevante onderzoeks. Master De opleiding vermeldt dat de studenten in elke mastertrack in aanraking komen met gespecialiseerde leerboeken en recente wetenschappelijke literatuur. De opleiding geeft aan dat binnen alle mastertracks aandacht wordt besteed aan de praktijk van de relevante beroepen. Een ander moment waarop interactie tussen onderwijs en onderzoek expliciet in het programma aan de orde komt is tijdens het schrijven van de bachelorthesis. In de zelfstudie geeft zij hiervan per track een overzicht. Presentaties houden zij gemiddeld drie keer per jaar en deze zijn van oplopende moeilijkheidsgraad. dataverzameling en -analyse. Enkele 50 QANU / Psychologie / UM . zoals het geven van presentaties. Het blok ‘Paradigma’s in het lab’ besteedt aandacht aan onderzoeksvaardigheden binnen de Cognitieve Psychologie en het blok ‘Onderzoeksmethoden’ aan die binnen Biologische Psychologie. zoals tijdens het onderwijs in statistiek en methoden (ieder jaar 7 studiepunten Statistiek en in het eerste jaar 6 studiepunten Methoden & Technieken) en diverse practica waarin onderzoeksvaardigheden worden getraind. Deze stage kan intern bij de Faculteit der Psychologie of extern gelopen worden. De resultaten worden gepresenteerd in de vorm van een lezing of poster tijdens een wetenschappelijk symposium waar alle deelnemende studenten en vele stafleden aanwezig zijn. en bij externe stages een deskundige op de stageplek en een staflid van de faculteit.het vaststellen van het onderzoeksdesign. en een toets over communicatievaardigheden. Bij interne stages zijn twee stafleden van de faculteit betrokken. het gebruik van PowerPoint. Binnen deze onderdelen vindt volgens de opleiding het meest duidelijk de interactie plaats tussen onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Deze worden verder toegepast bij het schrijven van een onderzoeksvoorstel. het geven en ontvangen van feedback. Fundamenteel onderzoek wordt meestal intern aan de UM uitgevoerd en meer toegepast onderzoek meestal extern.en beroepsvaardigheden. de onderzoeksstage en de masterthesis. bijvoorbeeld in een gevangenis of patiëntgebonden onderzoek in een ziekenhuis. waarbij studenten onder begeleiding van een staflid op basis van relevante en recente literatuur een vraagstelling formuleren en beantwoorden. In de zelfstudie meldt de opleiding dat bachelorstudenten colloquia kunnen bijwonen waarin sprekers ‘uit het veld’ vertellen over hun werkervaring. Ook is er bijvoorbeeld een toets SPSS-uitdraaien interpreteren. interpretatie van resultaten en het schrijven van een onderzoeksverslag. Wel is het zo dat onderling de taken worden verdeeld en bijvoorbeeld een student alle statistische analyses kan uitvoeren. In het derde jaar worden in beide bachelorvarianten de specifieke onderzoeksvaardigheden voor het betreffende deelgebied belicht. De opleiding geeft aan dat op diverse momenten in het curriculum aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden. In een SPSSpracticum moeten studenten zelf data invoeren en analyses uitvoeren. Tijdens de onderzoeksstage komen studenten in aanraking met het onderzoek van psychologen en moeten zij de hele empirische cyclus doorlopen. Studenten gaven de commissie in de gesprekken enkele voorbeelden van professionele vaardigheden die zij leren. Deze practica zijn zowel gericht op de ontwikkeling van het meten van psychologische functies als op algemene academische vaardigheden zoals ‘een artikel schrijven’. Masterstudenten spreken in aanwezigheid van de commissie waardering uit voor het feit dat er zo veel mogelijkheden voor stages zijn. Daarnaast biedt het programma in diverse practica aandacht aan beroepsvaardigheden. Studenten bevestigen dat in het onderzoekspracticum de hele werkgroep betrokken wordt bij interpretaties van statistische analyses.

of het schrijven van patiëntenverslagen. De commissie heeft begrepen dat de opleiding de bachelorthesis in dit licht niet ziet als dé kroon op de QANU / Psychologie / UM 51 . Binnen elke track lopen studenten een onderzoeksstage. Het masterprogramma staat met de omvangrijke aandacht voor het schrijven van een onderzoeksopzet. Hierover wordt in de masterthesis gerapporteerd. Dit mede om aansluiting te houden met de GZ-vervolgopleiding die als voorwaarde voor toelating een praktijkstage stelt. Het bachelor. een TBS-kliniek. Andere voorbeelden van relaties met de praktijk van relevante beroepen in de masteropleiding zijn het tonen en bespreken van casussen uit de praktijk van een psychiater of het opdoen van beroepsvaardigheden via ‘de oefenrechtbank’ waarin studenten Psychologie als getuigendeskundigen en studenten rechtsgeleerdheid als advocaat of officier van justitie optreden. Op basis van de door haar bestudeerde blokboeken stelt zij vast dat in de onderwijsonderdelen gebruik wordt gemaakt van actuele theorieën. Studenten die voor een aanvullende praktijkstage kiezen. kritisch denken en programmeren. Vooral de aandacht die in het programma wordt besteed aan de ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden vindt de commissie een sterk punt van het Maastrichtse bachelorprogramma. De commissie vindt het jammer dat deze lijn gericht op de ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden niet cumuleert in de bachelorthesis (zie verder F0). De commissie constateert verder dat de interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek op diverse manieren in het programma van de bachelor. zoals een artikel schrijven. De commissie heeft gesproken met een selectie van masterstudenten. Daarnaast is er een opbouw in het statistiekonderwijs dat in ieder studiejaar is geprogrammeerd. Het onderwijs gericht op methoden en technieken van onderzoek is geprogrammeerd in het eerste en derde studiejaar. Alumni geven aan dat er in het derde jaar praktijkdocenten zijn die vertellen over het beroep dat zij uitoefenen. luchtverkeersleidingcentrum.en masteropleiding aan bod komt. Zij zijn over het algemeen echter van mening dat de opleiding vanaf het derde jaar vooral op onderzoek gericht is. Voor de Basisaantekening Psychodiagnostiek is tweehonderd uur praktijkstage nodig en moet de student drie casussen schrijven. waarin een empirisch onderzoek wordt opgezet en uitgevoerd.voorbeelden zijn excursies naar een rechtbank.en masteropleiding bestudeerd en stelt vast dat de onderwijsonderdelen aansluiten bij relevante onderwikkelingen binnen de Psychologie en meer specifiek de deelgebieden cognitieve en biologische psychologie. Alle drie jaren van de bacheloropleiding kennen een onderdeel gericht op academische en beroepsvaardigheden. afdeling neonatologie van een ziekenhuis of onderzoekslaboratoria van psychofarmacologische industrie en practica zoals het leren afnemen en construeren van psychologische tests. Een aantal van hen wil naast de onderzoekstage ook nog een praktijkstage volgen. Oordeel De commissie heeft het programma van de bachelor. het doen van de onderzoeksstage en het schrijven van de masterthesis (in totaal 40 studiepunten) grotendeels in het licht van het zelf doen van onderzoek. Wat betreft de bacheloropleiding is het onderzoekspracticum in het tweede jaar daarvan een mooi voorbeeld. het portfolio.en masterprogramma kenmerken zich volgens de commissie door een duidelijke lijn in de opbouw van academische vaardigheden. het zelf leren uitvoeren van neuropsychologische tests. communicatievaardigheden. Zij stellen theoretische aspecten vanuit een meer praktisch perspectief aan de orde. lopen vertraging op. In de zelfstudie is opgenomen dat uit evaluaties blijkt dat slechts 8% van de alumni tevreden is over beroepsvoorlichting. In zijn algemeenheid geldt dat in elke track gastcolleges worden gegeven door mensen uit de beroepspraktijk.

Binnen de onderwijsonderdelen worden wel op adequate wijze verbanden gelegd met de actuele praktijk van relevante beroepen. De commissie merkt tot slot op dat zij het ethische element bij wetenschappelijk onderzoek op een aantrekkelijke en verantwoorde wijze in het programma aan de orde vindt komen. maar als één van de parels in de kroon. via dit studieonderdeel hoofdzakelijk worden geconcretiseerd. Studenten waarderen het feit dat deze verdieping al in de bacheloropleiding is geprogrammeerd.. Naast het statistiekonderwijs bereiden drie 5 QANU / Psychologie / UM . Voor de masteropleiding worden de specifieke onderwijsonderdelen van elke mastertrack omschreven.en de masteropleiding.opleiding. F5:­Relatie­tussen­doelstellingen­en­inhoud­programma Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties. De commissie oordeelt verder dat de masteropleiding voldoet aan de eisen die gesteld worden voor dit facet. De opleiding geeft in de zelfstudies een omschrijving van alle onderwijsonderdelen van de bachelor. Zij geeft bij elk onderwijsonderdeel van de bacheloropleiding aan welke eindkwalificaties. is de commissie vanwege de kleine aantekening betreffende het wetenschappelijke karakter van de bachelorthesis van oordeel dat het programma van de bacheloropleiding voldoende is. De commissie stelt vast dat binnen alle mastertracks aandacht wordt besteed aan de specifieke onderzoeksmethoden van het betreffende deelgebied. Zie verder voor de hoofdlijnen van het bachelor. In een aantal gevallen krijgt de bachelorthesis door het gebruik van de individuele keuzeruimte de contouren van een volwaardig empirisch onderzoek. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. De commissie stelt vast dat de UM bewust geen klinische specialisatie aanbiedt. In het masterprogramma wordt op de onderzoeksvaardigheden die in de bacheloropleiding zijn opgedaan voortgebouwd. De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken. zoals omschreven bij F1. In het onderzoekspracticum (11 studiepunten) doorlopen studenten wel de hele empirische cyclus. vindt dit buiten het curriculum van de masteropleiding plaats. qua niveau. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Indien studenten toch een praktijkstage of beroepsvaardigheden voor klinische vervolgopleidingen willen opdoen.en masterprogramma de inleiding bij paragraaf . De eindkwalificaties zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. De opleiding relateert deze in de zelfstudie verder niet aan de eindkwalificaties. Hoewel de commissie neigt dit facet voor de bacheloropleiding door de sterke gerichtheid op onderzoek en de goede interactie van het wetenschappelijk onderzoek in het onderwijs als goed te beoordelen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. In het derde jaar ontdekken zij of cognitieve of biologische psychologie iets voor hen is. maar in de meeste gevallen is de bachelorthesis (6 studiepunten) een proeve van bekwaamheid in een wetenschappelijk schrijven en literatuuronderzoek. Er blijken meer onderzoeksstageplaatsen beschikbaar te zijn dan er studenten zijn. en F4. In de gesprekken met de commissie hebben studenten aangegeven dat zij in de eerste twee jaar aan alle kanten van de psychologie snuffelen.

QANU / Psychologie / UM 53 . Zoals ook uit de namen van de onderwijsonderdelen moge blijken (paragraaf . Zo worden aangeboden practica zo veel mogelijk gerelateerd aan de inhoud van het blok en vindt de ontwikkeling van academische en beroepsvaardigheden gespreid plaats. Zij stelt op basis daarvan vast dat het programma van het bachelor.inhoudelijke blokken op het gebied van cognitieve of biologische psychologie hen voor op de masteropleiding. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. F6:­Samenhang­programma Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend studieprogramma. waardoor geleerde vaardigheden in blokken die volgen kunnen worden toegepast. zoals kritisch denken en bewustzijn. De (impliciete) leerdoelen maken het de commissie inzichtelijk dat het programma van de bacheloropleiding en van de diverse mastertracks voor studenten doeltreffend is om de beoogde eindkwalificaties ook daadwerkelijk te verwerven. Het programma daarna bestaat uit vakken met een hoger abstractieniveau. Daarbij kent het derde jaar 0 studiepunten vrije keuzeruimte.en masteropleiding bestudeerd en vergeleken met de eindkwalificaties. Oordeel De commissie heeft de omschrijvingen van de verschillende onderwijsonderdelen van de bachelor. Verder wordt er in opeenvolgende onderdelen aandacht besteed aan methoden. Een aantal omschrijvingen omvat wel expliciet het leerdoel van het betreffende onderwijsonderdeel. het derde jaar bestaat uit de keuze voor een van de twee specialisaties. In de diverse mastertracks worden specifieke onderwijsonderdelen aangeboden die relevant zijn voor het betreffende wetenschappelijke deelgebied van de psychologie. Deze worden. Een aantal anderen is meer impliciet gegeven in de omschrijving van het onderwijsonderdeel. Dit past bij het visitekaartje van de bacheloropleiding gericht op de biologische psychologie en cognitieve psychologie (en dus niet op toegepaste onderdelen). Zij begrijpt van studenten dat zij het geen gemis vinden dat het curriculum niet meer toegepaste psychologische onderdelen kent.en masterprogramma een adequate concretisering betreft van de respectievelijke eindkwalificaties. De relatie die de opleiding legt tussen de studieonderdelen van de bacheloropleiding en de eindkwalificaties is volgens de commissie adequaat. zoals gezegd. De commissie constateert dat de omschrijvingen van de studieonderdelen in de zelfstudie niet op systematische wijze aandacht besteden aan de leerdoelen per studieonderdeel. gevolgd door een onderzoeksvoorstel. In het eerste anderhalf jaar komen inleidingen in deelgebieden van de psychologie aan de orde. De commissie constateert dat het bachelorprogramma weinig toegepaste psychologische onderdelen kent.als masteropleiding geldt dat de commissie het biologische en cognitieve profiel keurig uitgewerkt vindt naar de richtingen in het programma. onderzoeksstage en masterthesis. technieken en statistiek en daarnaast aan relevante academische en beroepsvaardigheden. Bachelor De eerste twee jaar van de bacheloropleiding zijn voor elke student gelijk. Daarnaast is er een opbouw qua moeilijkheidsgraad in de bachelor. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De opleiding geeft in de zelfstudie een aantal voorbeelden waarmee samenhang wordt gecreëerd.) bevatten de eerste twee jaar een introductie in de deelgebieden van het wetenschapsgebied psychologie en de historische en filosofische achtergronden hiervan en wordt deze kennis en dit inzicht in het derde jaar verder gespecialiseerd binnen het deelgebied biologische of cognitieve psychologie. Voor zowel de bachelor.

Voor de invulling van het keuzeonderwijs is toestemming van de examencommissie nodig. De commissie heeft geen onnodige overlap geconstateerd. voert deze vervolgens uit in de onderzoeksstage en rapporteert tot slot hierover in de masterthesis. Naar aanleiding van de onderzoeksstage schrijft de student een masterthesis. Oordeel De commissie is van oordeel dat het programma van de bacheloropleiding coherent is. De commissie heeft begrepen dat studenten toch vooral facultaire keuzeblokken kiezen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Elke mastertrack kent eerst een aantal specialiserende blokken op het betreffende deelgebied. De commissie is van mening dat elke track afzonderlijk voldoende inhoudelijke samenhang heeft. zijn van mening dat er genoeg keuzeruimte is in de bachelor. Deze samenhang wordt vooral gegeven door het onderwerp van studie in het betreffende wetenschappelijke deelgebied van de psychologie. dragen zorg voor de afstemming tussen de verschillende blokken binnen een jaar. Voor het specialisatietraject in het derde jaar van de bacheloropleiding worden inleidingen in de cognitieve en biologische psychologie aangeboden. De commissie kan zich voorstellen dat dit de onderlinge samenhang voor de beleving van studenten kan vergroten. bestaande uit de blokcoördinatoren van een bepaald studiejaar. Verder ziet de commissie een duidelijke opbouw in de algemene en beroepsvaardigheden en methodenleer en statistiek. De commissie is van mening dat er adequaat wordt voortgebouwd op verworven kennis en vaardigheden. Ook mag de student vakken kiezen van een andere faculteit of universiteit. Vervolgens bereidt een student zich voor op een stage binnen de specialisatie en voert deze uit onder begeleiding van een deskundige vanuit de opleiding en een deskundige van de stageverlenende instelling (dat kan ook een interne deskundige betreffen bij een interne stage). Uit de studiegids maakt zij op dat enkele blokken expliciete voorkenniseisen stellen. zowel qua niveau startend met algemene introducties oplopend naar meer gespecialiseerde en abstracte theorieën als inhoudelijk via de opbouw langs de thema’s cognitieve en biologische psychologie. Master De samenhang van het masterprogramma wordt binnen de diverse mastertracks vormgegeven. Studenten die de commissie heeft gesproken. Voor de invulling van de keuzeruimte in het derde jaar kunnen studenten kiezen uit een aanbod van (facultaire) keuzeblokken die in de studiegids zijn opgenomen. Deze samenhang wordt langs verschillende lijnen vormgegeven. 54 QANU / Psychologie / UM . De curriculumjaargroepen. De commissie heeft van de studenten gehoord dat zij het betreuren dat er geen terugkomdag op de universiteit is als zij eenmaal een (externe) stage lopen. Het traject na de eerste 0 studiepunten kent een inhoudelijke verbondenheid met dit deelgebied en bouwt op een adequate wijze hierop voort. De commissie is dan ook van mening dat de masterstudenten een inhoudelijk samenhangend studieprogramma volgen. zodat deze kunnen worden geïntegreerd in het onderzoekspracticum aan het einde van het tweede jaar. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.De kennis en vaardigheden die nodig zijn voor het opzetten en uitvoeren van onderzoek worden in de eerste twee jaren aangeboden. Een student schrijft eerst een onderzoeksopzet.

Deze worden jaarlijks door de opleidingscommissie getoetst. 80% à 90% verantwoord kan worden. Verder heeft de commissie geen factoren geconstateerd die het programma van QANU / Psychologie / UM 55 . De opleidingscommissie kijkt ieder jaar naar de knelpunten die mogelijk de doorstroom belemmeren. maar heeft eveneens vastgesteld dat studenten indien zij kiezen voor een extracurriculair praktijkdeel. Een voorbeeld hiervan vormen de doorstroomeisen binnen de bachelor.en masteropleiding bekeken en is van oordeel dat de geprogrammeerde studielast evenwichtig over de verschillende jaren en semesters is verdeeld. Gezien het feit dat de masteropleiding gestart is in september 005 waren er ten tijde van het bezoek nog geen gegevens beschikbaar over gerealiseerde studielast van masterstudenten. De afspraak is dat toetsuitslagen binnen vijftien werkdagen bekend worden gemaakt. bijvoorbeeld om in aanmerking te komen voor een basisaantekening psychodiagnostiek of om toegang mogelijk te maken voor de GZ-vervolgopleiding. De commissie heeft uit gesprekken met studenten begrepen dat het onderdeel statistiek in het eerste jaar van de bacheloropleiding zwaar is. Zij heeft begrepen dat op de driehonderd studenten slecht drie of vier studenten de aanwezigheidsplicht niet halen. Het concept van probleemgestuurd leren kent een aanwezigheidsplicht bij de onderwijsonderdelen. onderwijsgroepen.F7:­Studielast Het programma is studeerbaar doordat factoren. De commissie is van mening dat de studielast voor de masteropleiding voldoet. Bij de opzet van het programma van de bacheloropleiding is volgens de zelfstudie de studiebelasting zo gelijk mogelijk over het hele studiejaar verdeeld. practica. die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen. bijvoorbeeld voor de voorbereiding van voortgangstoetsen. Oordeel De commissie heeft het programma van de bachelor. zodat studenten zich tijdig kunnen voorbereiden op een eventuele herkansing. Indien masterstudenten aanvullend (buiten het curriculum) een praktijkstage willen lopen. In de zelfstudie is de gerealiseerde studielast van de masteropleiding opgenomen. Het programma van de bachelor. lopen zij studievertraging op. De commissie heeft niet kunnen constateren dat dit tot vertraging leidt. Het blokgebonden onderwijs van de masteropleiding wordt in de periode september-december aangeboden en is per track zo gelijk mogelijk over deze periode verspreid. Deze is berekend aan de hand van onderwijsroosters. de geschatte zelfstudie-uren van studenten uit evaluaties en schattingen gebaseerd op het aantal studiepunten dat voor het onderdeel wordt gegeven. Studenten vinden het praktijkdeel vaak zo interessant dat zij het zelf niet als probleem ervaren dat zij langer dan een jaar studeren.en masteropleiding kent een herkansingsweek waarin geen ander onderwijs is geprogrammeerd. langer dan een jaar over hun masteropleiding doen. zelfstudie en schatting van overige uren. opdat deze zo min mogelijk samenvallen. Masterstudenten hebben de commissie laten weten dit geen probleem te vinden. Hieruit blijkt dat van de geprogrammeerde 1680 uur per jaar. Als blokken parallel zijn geprogrammeerd stemmen de blokcoördinatoren vooraf de pieken in de belasting af. uitgesplitst naar hoorcolleges. Eventuele ingangseisen die vertraging zouden kunnen opleveren worden vooraf in de studiegids en het blokboek opgenomen. Het is mogelijk via IB-Groep aanvullende studiefinanciering te lenen.

Het honoursprogramma bestaat uit een aanvullend programma waar geen studiepunten voor worden gegeven. tot ongeveer 4% in 004. 56 QANU / Psychologie / UM . Studenten die de commissie heeft gesproken. een wo-diploma en het colloquium doctum opgenomen. Studenten uit het hbo met een havo-diploma oude stijl hebben een wiskundedeficiëntie. blijkend uit toelatingsonderzoek. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Studenten met een diploma van een buitenlandse middelbare school worden toegelaten als het diploma gelijkwaardig is aan het vwo-diploma inclusief wiskunde. Met het havodiploma nieuwe stijl is deze groep wettelijk gezien vrij toelaatbaar.of van de masteropleiding nodeloos belemmeren. In de zelfstudie heeft de opleiding de instroomcijfers van de afgelopen tien jaar opgenomen. De man-vrouw verhouding is vanaf 1998-1999 ongeveer 5-75. De opleiding meldt dat het aandeel vwo-instroom in de loop van de tijd is gedaald. Het aandeel studenten met een hbo-achtergrond is in de loop van de tijd min of meer stabiel. Een succesvolle afronding wordt op het bachelordiploma vermeld en er wordt een apart honoursdiploma uitgereikt. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. een hbo-propedeuse of hbo-bachelordiploma. In de zelfstudie besteedt de opleiding aandacht aan het honoursprogramma dat is ingesteld voor de beste studenten in de bacheloropleiding Psychologie. Het totaal aantal ingeschreven studenten is sinds de start van de opleiding in 1995 gestegen van 151 studenten tot 109 studenten in 004-005. Zij is dan ook van mening dat de opleidingen voldoen aan de criteria zoals die gelden voor dit facet. De ervaring is dat gedurende het traject een paar studenten afvallen omdat het te veel is naast de reguliere studie. HBO-propedeuse of daarmee vergelijkbare kwalificaties. De ervaring van de staf is dat buitenlandse studenten elkaar tijdens de taallessen leren kennen en na de zomer als clubje binnenkomen. Zij krijgen van de opleiding een dringend advies wiskunde tot op vwo-niveau bij te spijkeren. De beste twintig studenten kunnen hier na hun eerste jaar aan deelnemen. Het aantal ingeschreven eerstejaars is in de loop van de jaren gestegen van 151 in 1995-1996 tot 74 in 004-005. Dit bevordert de integratie met Nederlandse studenten niet.de bachelor. De instroom uit het buitenland is toegenomen tot 46% in 004. Zij moeten deze wegwerken voor aanvang van de bacheloropleiding Psychologie. zijn van mening dat het honoursprogramma interessante blokken biedt. De opleiding kijkt nu of zij via de verroostering deze studenten meer kunnen laten mengen. Deze studenten zijn voornamelijk afkomstig uit Duitsland of België. Bachelor In de zelfstudie zijn de toelatingsvereisten voor de bacheloropleiding voor studenten met een huidig of oud vwo-diploma. Met uitzondering van de Vlaamse studenten moeten buitenlandse studenten daarnaast een taaltoets Nederlands met goed gevolg afleggen. WO-master: bachelor en eventueel (inhoudelijke) selectie. F8:­Instroom Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten: WO-bachelor: VWO.

In de zelfstudie geeft de opleiding vervolgens een overzicht van de eisen die gelden voor studenten met een andere vooropleiding dan de bacheloropleiding Psychologie van de UM. De studenten zijn niet evenredig over de tracks verdeeld. medewerkers van het bureau onderwijs en studentvoorlichters worden hierbij betrokken. Studenten met een bachelordiploma Psychologie van een andere Nederlandse universiteit moeten een test afleggen op het gebied van de gekozen specialisatie (biologische of cognitieve psychologische kennis en inzicht). De instroom in masteropleiding bestaat voornamelijk uit doorstroomstudenten vanuit de eigen bachelor.5. Het streefcijfer voor instroom in de masters tot 010 ligt op driehonderd studenten. Aansluitend bij de voorlichting van de Universiteit Maastricht worden voor diverse doelgroepen voorlichtingsbijeenkomsten georganiseerd. TOEFL-computer: 30. De overige studenten beschikken over een bachelordiploma Psychologie van de UM. Voorlichting bachelor en master De faculteit heeft  fte in huis om pr en voorlichting voor de bachelor. Oordeel De commissie heeft de toelatingsvereisten bekeken en stelt vast dat de bachelor. de bachelorthesis en ten minste twee van de drie specialisatiecursussen hebben voltooid. Studenten van buitenlandse universiteiten moeten aanvullend met goed gevolg een taaltoets Engels afleggen (minimale score IELTS: 6.en masteropleiding de toelatingsvereisten op het juiste niveau hanteren. TOEFL-papier: 570). De toelatingsexamens worden afgelegd in mei. Studenten met een bacheloropleiding Psychologie van de UM worden zonder aanvullende eisen toegelaten tot een van de mastertracks binnen de specialisatie (Biologische of Cognitieve Psychologie) die zij in de bacheloropleiding hebben gekozen. zoals open dagen voor scholieren en ouders. De verdeling over de twee hoofdspecialisaties Cognitieve psychologie en Biologische Psychologie is wel ongeveer gelijk (53 respectievelijk 57). Wetenschappelijke medewerkers (op alle niveaus). zoals onderwijsbeurzen en scholen. De Board of Admission Masters Programme toetst of studenten voldoen aan de basiseisen en aan welke toelatingsexamens dient te worden deelgenomen.en voor de masteropleiding te verzorgen. Verdiepingsdagen (na de open dag) waarop een inleidend college wordt gegeven en studenten literatuur bespreken. Volgens het faculteitsbestuur is dit realistisch. Slechts vijf studenten zijn ingestroomd met een bachelordiploma van elders. Studenten die maximaal 30 studiepunten hebben openstaan van de bacheloropleiding Psychologie van de UM kunnen worden toegelaten op voorwaarde dat zij het eerste en tweede bachelorjaar. Class Days voor vwo-scholieren uit het vierde jaar.Master De masteropleiding kent in het eerste jaar in totaal 110 ingeschreven studenten (005-006). Verder is er ook voorlichting op locatie. dat betekent dertig tot vijftig studenten per track. Hiervan zijn er tien toegelaten en hebben zich uiteindelijk vijf studenten van elders ingeschreven. Studenten met een vwo-diploma QANU / Psychologie / UM 57 . Studenten met niet-Psychologie-bachelordiploma moeten daarnaast nog een toets Methoden en Statistiek en een toets Algemene Psychologie afleggen. De studentvoorlichters ontvangen een training om beslagen ten ijs te komen. Voor het studiejaar 005-006 hebben twintig studenten van buiten de eigen bacheloropleiding zich aangemeld voor de toelatingstoets. Neuropsychologie heeft met 33 studenten de meeste en Cognitieve Neuroscience met zes studenten de minste ingeschreven studenten. en vindt voorlichting plaats door middel van brochures en de website.

meldden dat zij over het algemeen geen hinder ondervinden bij de overstap naar de bachelor. Dit betekent dat ongeveer de helft van de instroom bestaat uit Nederlandse studenten. Zij waardeert dit zeer. Voor de overige studenten geldt dat hun diploma hiermee vergelijkbaar moet zijn. De opleidingen voldoen hiermee aan de eisen die gelden voor dit facet. ook wat betreft de Nederlandse taal. Buiten de informatie die aan eigen bachelors wordt gegeven over de masters en de voorlichting via de brochures en de website heeft de commissie geen specifieke voorlichtingactiviteiten gericht op bachelors van elders kunnen constateren. De commissie waardeert het eveneens dat tijdens de bacheloropleiding een extra uitdaging wordt geboden aan de beste studenten van de Maastrichtse psychologieopleiding. Dit sluit aan bij de gerealiseerde instroom die voor het overgrote deel afkomstig is van de eigen bacheloropleiding. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.of ten minste een hbo-propedeuse zijn zonder aanvullende eisen toelaatbaar tot de bachelor. Studenten met wie de commissie sprak. maar is van mening dat dit structureel wel onder de eindverantwoordelijkheid van de examencommissie zou moeten vallen. Ook buitenlandse studenten onderschrijven dit. De commissie heeft uit de gesprekken begrepen dat een PGO-cursus wordt aangeboden voor studenten die van elders instromen. 58 QANU / Psychologie / UM . Wiskunde op vwo-niveau wordt dringend geadviseerd voor zover dit buiten de eisen valt. De opleiding besteedt hierbij aandacht aan het feit dat in Maastricht geen klinische variant wordt verzorgd. De commissie heeft begrepen dat dit destijds een te grote tijdsbelasting vormde voor de examencommissie. Op grond van het bovenstaande concludeert de commissie dat het programma qua vorm en inhoud aansluit bij de kwalificaties van de instromende student. De opleiding stemde in het gesprek met de commissie hiermee in.of masteropleiding. De commissie heeft gehoord dat ongeveer 40% van de instroom Duits is en 8% Vlaams. De commissie vindt tot slot de kwantitatieve streefcijfers voor de instroom in de masteropleiding ambitieus. Ook heeft de commissie van hen begrepen dat de opleiding goede voorlichting geeft over de zwaarte van het programma en het systeem van probleemgestuurd onderwijs. De commissie is van mening dat de voorlichting adequaat is en een realistische weergave van de opleiding en de loopbaanperspectieven geeft. De commissie ondersteunt het ingezette beleid om buitenlandse studenten bewust over de groepen te verdelen teneinde een betere integratie te bewerkstelligen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Studenten die de commissie heeft gesproken bevestigen dit beeld. De commissie heeft geconstateerd dat de groep Duitse studenten zich goed redt. De commissie constateert dat de selectie en toelating van ‘externe’ masterstudenten niet onder de verantwoordelijkheid van de examencommissie valt.

schrijf. Ter ondersteuning van de kleinschalige onderwijsgroepen worden hoorcolleges aangeboden. Als doel van het portfolio noemen zij het reflecteren QANU / Psychologie / UM 59 . Studenten merken op dat het portfolio vanaf studiejaar 005-006 door een medewerker van de faculteit wordt gelezen.F9:­Duur De opleiding voldoet aan formele eisen m.b. Discussies in onderwijsgroepen verlopen via een vast protocol en worden geleid door een student. Tijdens de nabespreking van de zelfstudie in de onderwijsgroepen kunnen studenten de bestudeerde stof verder integreren en toepassen op het probleem. Het bachelorprogramma omvat 180 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. De onderwijsgroepen worden begeleid door een tutor die het leerproces faciliteert. Studenten houden gedurende de bacheloropleiding een portfolio bij waarin zij reflecteren op de ontwikkeling van hun competenties en achterhalen op welke gebieden deze nog aandacht behoeven. Zij leren keuzes maken in relevante en minder relevante literatuur voor het beantwoorden van hun vragen. De onderwijsgroepen zijn kleinschalig waardoor studenten in staat zijn om meer algemene academische vaardigheden te verwerven. Oordeel Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. WO-master: minimaal 60 studiepunten. statistiek. Het PGO-systeem zet studenten aan tot het verzamelen en interpreteren van relevante kennis die toegepast moet worden op het probleem of de taak. De ontwikkeling van leervaardigheden wordt gestimuleerd doordat studenten zelf hun leerdoelen moeten formuleren en tijdens zelfstudie nagaan in hoeverre deze bereikt zijn.t. Studenttutoren worden geselecteerd op basis van eerdere prestaties om voldoende inhoudsdeskundigheid te waarborgen. De Universiteit Maastricht hanteert het didactisch concept van Probleem Gestuurd Onderwijs (PGO). Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. programmeren.en presenteervaardigheden. In de eerste jaren van de bacheloropleiding worden ook ouderejaarsstudenten ingezet als tutor. Het masterprogramma omvat 60 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. bijvoorbeeld verworven inzichten te presenteren. De onderwijsgroepen kennen maximaal twaalf studenten. In kleine onderwijsgroepen krijgen studenten relevante (actuele) problemen of taken aangeboden welke aansluiten bij hun voorkennis. Deze worden ingezet voor het onderwijs in methodologie. Dit is studentgecentreerd en heeft tot doel actief leren van studenten te bevorderen. De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept. en psychodiagnostische vaardigheden. Deelname aan de onderwijsgroepsbijeenkomsten en practica is verplicht. afhankelijk van de opleiding. de omvang van het curriculum: WO-bachelor: in de regel 180 studiepunten. Verder kent de opleiding de werkvormen practica en zogeheten vaardigheidsonderwijsblokken. kritisch denken. F10:­Afstemming­tussen­vormgeving­en­inhoud Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen. In de masteropleiding en laatste fase van de bacheloropleiding worden de groepen door wetenschappelijke medewerkers begeleid. Met hem of haar voeren ze een gesprek over het portfolio en krijgen ze feedback op hun portfolio.

de zelfstudie en andere onderwijsactiviteiten is evenwichtig. beschikbaar maken van kennis over het maken van taken en toetsen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. De zelfstudie meldt tot slot dat afgelopen jaren een project is voltooid om aansluiting van het didactisch concept op werkvormen beter te waarborgen. maar ook in de masteropleiding het concept van PGO op gedifferentieerde wijze is ingevuld. Deze toets bevat items die niet bij voorbaat gekoppeld zijn aan de inhoud van specifieke blokken en beloont zo ook studenten die zich op basis van eigen belangstelling hebben verdiept in specifieke deelterreinen van de psychologie. Het valt de commissie tot slot op dat studenten over het algemeen enthousiast over het portfolio zijn. Haar oordeel voor dit facet is dan ook voor beide opleidingen ‘goed’. Het concept is daarmee op adequate wijze vanuit de doelstelling beargumenteerd. Het project had tot doel PGO te revitaliseren. De opleiding interpreteert PGO in de masteropleiding breder dan uitsluitend de zevensprong. De commissie is van mening dat niet alleen in de bachelor-. onder meer door het opnieuw bewustmaken van medewerkers van de doelstelling van PGO. Zij is er gedurende het visitatieproces van overtuigd geraakt dat PGO ook in de masteropleiding goed tot zijn recht komt. maar het verderop in de studie steeds leuker vinden om hun eigen ontwikkeling te zien. het in beeld brengen van hun ontwikkeling aan de hand van een lijst van competenties. maar vindt dit niet erg. Door richtlijnen voor deze werkvorm zou de kwaliteit verder versterkt kunnen worden.op hun sterke en zwakke punten. De verhouding tussen de contacturen. en docenten te wijzen op het belang van literatuurvrijheid. 60 QANU / Psychologie / UM . Zij heeft de indruk dat de borging van de kwaliteit nu vooral in overleg met elkaar gebeurt. De opleiding heeft dit concept vervolgens op een mooie manier uitgewerkt in haar werkvormen. De opleiding beaamt dit. De commissie ziet als enig nadeel dat de individuele vrijheid van studenten de eerste drie maanden kleiner is dan elders. het groepswerk. De commissie waardeert het dat een project is gestart en voltooid om het PGO te revitaliseren en op deze manier de medewerkers sterk betrokken te houden bij dit concept dat naar haar mening zeer in lijn is met de eindkwalificaties van de opleidingen.en masteropleiding. De commissie maakt een aantekening bij het contact met begeleider van de bachelorthesis. omdat alle onderwijsvormen in groepen plaatsvinden. door de onderzoeksgerichtheid. Feitelijk vullen studenten hun portfolio aan het eind van het jaar in. Deze worden periodiek afgenomen en brengen de ontwikkeling van de blijvende kennis in kaart (zie verder F11). Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Studenten die de commissie heeft gesproken geven aan dat participatie in de onderwijsgroepen in de masteropleiding sterk is: studenten doen actief mee en er vinden levendige discussies plaats. Oordeel De commissie is van mening dat het didactisch concept van probleemgestuurd onderwijs. Een onderdeel van het didactisch concept vormen de voortgangstoetsen. omdat het maar drie maanden duurt. verbetering van de tutorbegeleiding. De commissie heeft van studenten begrepen dat zij dit het eerste jaar lastig vonden. goed past bij deze wetenschappelijke bachelor.

toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd. Bachelor en Master Voor de bachelor.en minpunten. zoals het stagevoorstel en de uitvoering van de stage. De toetsdata zijn vastgelegd in de studiegids. QANU / Psychologie / UM 61 . Studenten die de commissie heeft gesproken bevestigen dat voor toetsing in de masteropleiding geen gebruik wordt gemaakt van toetsen met gesloten vragen. gokken sommige studenten veel en andere helemaal niet. het schrijven van een onderzoeksopzet. Ook de inbreng bij bijeenkomsten en het verslag dragen bij aan de uiteindelijke individuele beoordeling. Voor de stage en thesis in de masteropleiding is een traject van beoordelingsmomenten vastgesteld. De bachelorthesis wordt begeleid en beoordeeld door een door de studenten gekozen lid van de wetenschappelijke staf dat inhoudelijk deskundig is op het betreffende gebied. zoals het schrijven van een paper. Zoals gezegd kent de bacheloropleiding naast de blokgebonden toetsing ook een voortgangstoets. opdrachten. Master De bloktoetsen in de masteropleiding bestaan in de regel uit open vragen. De overige toetsen betreffen een combinatie van juist/onjuist en open vragen of alleen open vragen. De verschillende fasen worden door twee begeleiders beoordeeld. De commissie heeft van studenten uiteenlopende geluiden gehoord over de voortgangstoetsen. een direct na het blok en een in de herkansingsperiode (minstens acht weken na de eerste toetskans). Daarnaast kent de masteropleiding veelal authentieke vaardigheidstoetsen. Studenten kunnen de gemaakte toetsen en de normen die zijn gehanteerd bij de beoordeling inzien. In het tweede en derde jaar worden blokken voornamelijk afgesloten met een toets bestaande uit open vragen. Dit is opgenomen in een stagehandleiding. Bachelor In het eerste jaar van de bacheloropleiding worden de onderwijsblokken in meerderheid getoetst door middel van meerkeuzevragen. Anderzijds creëert het onnodige onrust met plus. Gediplomeerde vertalers Engels beoordelen en corrigeren eveneens het verslag. Enerzijds vinden studenten het interessant om te kijken welke kennis zij beheersen en hoeveel stof is blijven hangen.en masteropleiding geldt dat de onderwijsblokken twee toetskansen kennen. of een mondelinge presentatie. De opleiding beschouwt de masterthesis als een eindtoets die de student de ruimte geeft om eerder ontwikkelde kennis en vaardigheden te tonen. Bij onvoldoende resultaat moeten studenten een vervangingsopdracht maken op het vakgebied dat zij vergeleken met jaargroepgenoten het minst goed beheersen.F11:­Beoordeling­en­toetsing Door de beoordelingen. Met een feedbackformulier wordt voor de student aangegeven hoe zijn of haar prestaties zich op de diverse vakgebieden verhouden tot de prestaties van de referentiegroep (bepaald op basis van jaar van inschrijving en afstudeerrichting). een schriftelijk verslag. De afspraak is dat binnen vijftien dagen de toetsuitslag bekend wordt gemaakt. het geven van een presentatie. Deze wordt in elk studiejaar drie keer afgenomen. Het onderzoekspracticum in het tweede jaar wordt afgesloten met een Engelstalige groepsscriptie die wordt nagekeken door de begeleidende docent en een collegastaflid. Practica en vaardigheidsonderwijs worden meestal getoetst met een scriptie. Studenten worden hierdoor periodiek op het eindniveau van hun kennis getoetst. De masterthesis wordt begeleid en beoordeeld door twee inhoudsdeskundige medewerkers.

Zij is van oordeel dat deze qua inhoud en vorm adequaat aansluiten bij de leerdoelen van de onderwijsonderdelen. Ter voorkoming van fraude (plagiaat) is sinds kort een medewerker bij bureau onderwijs aangewezen die zich bezig houdt met het checken van mogelijke fraude bij werkstukken. De toetsingscommissie adviseert docenten over het construeren. Docenten lichten de examencommissie in als het percentage geslaagden op een toets laag is. Oordeel De commissie heeft verschillende toetsen bekeken. De voorzitter van de toetsingscommissie is als toehoorder aanwezig bij de zittingen van de examencommissie. mede door de groei van de studentenaantallen. Bij ziekte is het mogelijk de afwezigheid te compenseren. verder verduidelijkt kunnen worden. Docenten melden verdenkingen van fraude bij de examencommissie. Deze commissie legt het verslag voor aan de examencommissie. Bij het probleemgestuurd onderwijs is niet alleen de toets. De aanleiding tot het instellen van de toetsingscommissie was de invoering van multiplechoicetoetsen in het eerste jaar. Op die manier hoeft niet iedere docent de software te leren kennen.De faculteit kent sinds kort een Commissie Toetsing die de kwaliteit van het toetsingsproces bewaakt. De examencommissie bewaakt verder of de regels rondom examens nageleefd worden. De aanwezigheidsplicht kan een student maar een keer per jaar halen. De commissie ziet hier een taak weggelegd voor de examencommissie. Naast de opleidingsdirecteur hebben deskundigen op het gebied van toetsing hierin zitting. Zij heeft nog niet 6 QANU / Psychologie / UM . Als de itemanalyse geen aanleiding geeft tot actie en het niveau van de toets gelijk was aan eerdere jaren. Indien een student nog een keer plagiaat pleegt wordt deze een jaar uitgesloten van de opleiding. Aan de hand van een itemanalyse kan een docent vervolgens voorstellen items die in de analyse laag scoren niet mee te nemen in de beoordeling. kan worden besloten om genoegen te nemen met het lage slaagpercentage. De opleiding drukt studenten op het hart dat participatie een echt examenonderdeel is. afnemen en analyseren van toetsen. De commissie is van plan de kwaliteit tevens te bewaken door achteraf toetsen te analyseren. Zij vindt de richtlijnen van het afstudeerwerk in de masteropleiding goed vastgelegd. onder meer om duostages goed te keuren. Verder is de commissie van oordeel dat de examencommissie overeenkomstig haar wettelijke taken functioneert. Het is een zelfstandige commissie die wordt voorgezeten door de opleidingsdirecteur. De commissie heeft van de examencommissie begrepen dat de correlatie tussen participatie en toets halen vrij hoog is. Op andere punten constateert de commissie dat de opleiding zich nog in een overgangsfase bevindt van een meer informele naar formele structuur. wordt het werkstuk ongeldig verklaard en moet een nieuw en zwaarder werkstuk worden gemaakt. Een ander aandachtspunt vormt het formaliseren van consistente beoordeling. maar ook de aanwezigheid onderdeel van het eindoordeel over het blok. Die nodigt de betreffende student uit voor een gesprek. De commissie is van mening dat de wetenschappelijke eisen voor de bachelorthesis wanneer deze bestaat uit literatuuronderzoek. Indien fraude is gepleegd. Bij een groot verschil in beoordeling tussen de eerste en tweede beoordelaar is een enkele keer de examencommissie gevraagd de beoordelaars te horen. waaronder ook enkele voortgangstoetsen. In een aantal gevallen wordt bij de afstudeerwerken vooraf de examencommissie geraadpleegd. De commissie heeft van de leden van de examencommissie gehoord dat docenten hen – via de toetsingscommissie – inlichten over de kwaliteit van de tentamens. Zij doelt hierbij bijvoorbeeld op de richtlijnen rondom de bachelorthesis. De toetsingscommissie maakt geen deel uit van de examencommissie. Van de fraude wordt een aantekening gemaakt in het dossier van de student.

5 fte onderwijs) en zeven docenten (1.en de masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. EPP. Euron. 6.8 fte aan studenttutoren begroot.3. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Alle hoogleraren en uhd’s. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Programma’ over de bachelor. Voor de uhd’s is deze verhouding 45-50-5 en voor ud’s 50-500. De commissie vindt het goed dat de opleiding een aparte toetsingscommissie heeft. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. 56 promovendi (5. Docenten hebben een taakstelling van 70% onderwijs en promovendi 10%. Het is de nadrukkelijke bedoeling van de opleiding dat onderwijs-uhd’s gepromoveerd zijn en een onderzoeksinteresse hebben.de tijd gehad een aantal zaken (op papier) te formaliseren. Verder is er jaarlijks 6. De promovendi uitgezonderd is 91% van deze staf gepromoveerd. Tot slot vindt de commissie de organisatie van de toetsing voldoende en oordeelt zij dat er voldoende waarborgen zijn voor het geven van tijdige feedback aan studenten. waaronder EPOS. 40% aan onderzoek en 0% aan bestuur/beheer. Met deze onderwijsuhd’s beoogt de opleiding senior-wp meer zichtbaar te kunnen maken in eerste jaren van de bachelor. veertien uhd’s (5. Wel vindt zij dat deze formeel onder de verantwoordelijkheid van de examencommissie zou moeten vallen.1 fte onderwijs). De menskracht die beschikbaar is voor het verzorgen van het onderwijs bestaat uit 4. 8 ud’s (13.­ Inzet­van­personeel F12:­Eisen­WO De opleiding sluit aan bij de volgende criteria voor de inzet van personeel van een WO-opleiding: Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied. De hoogleraren besteden volgens hun taakstelling 40% aan onderwijs.5 hoogleraar (1.9 fte onderwijs).8 fte onderwijs). Uitgezonderd de onderwijs-uhd’s heeft ieder staflid dat onderwijs geeft ook een onderzoekstaak. 89% van de ud’s en 43% van de docenten zijn gepromoveerd. Psychology and Health.2. Gebleken is dat senior-wp door het verwerven van externe onderzoeksgelden een deel van de onderwijstaakstelling uitkoopt. De docentonderzoekers zijn succesvol in het behalen van onderzoekssubsidies. Oordeel De commissie stelt vast dat het overgrote deel van de docenten die het onderwijs in de bacheloren masteropleiding verzorgen is gepromoveerd.9 fte onderwijs) (bron: zelfstudie). Van de veertien uhd’s zijn drie personen bijzonder hoogleraar. Zij maken deel uit van erkende onderzoeksscholen en zijn daarmee onderzoekers in programma’s waarvan regelmatig de kwaliteit wordt QANU / Psychologie / UM 63 . Een groot gedeelte van de gepromoveerde staf is lid van een erkende onderzoeksschool. De faculteit beschikt over twee onderwijs-uhd’s en zal in 006 een derde werven.

en masteropleiding. Voor alle onderwijstaken zijn normuren gesteld. Indien de capaciteitsgroepen niet voldoende inzet kunnen leveren. Ieder jaar wordt op basis van deze normuren berekend hoeveel onderwijsinzet nodig is. wordt gekeken of extra personeel moet worden aangesteld. opstellen voortgangstoets. De commissie is dan ook van oordeel dat het onderwijs voor een belangrijk deel verzorgd wordt door goede onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied. Op basis van de beleidsstukken die zij heeft ingezien en de gesprekken die zij heeft gevoerd met diverse delegaties. De commissie is gebleken dat mede door groeiende studentenaantallen de onderwijsformatie nog ieder jaar is uitgebreid. Zij realiseren meer onderwijsuren dan de taakstelling vraagt. ­ Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. begeleiden bachelorthesis. Oordeel De commissie heeft de taakstelling onderwijs voor 005 ingezien en concludeert dat de normuren gedetailleerd zijn en realistisch ogen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Concluderend is zij van mening dat de opleiding voldoende menskracht beschikbaar stelt voor de realisatie van het onderwijs in de bachelor. De formatie wordt vervolgens berekend in termen van mensjaarequivalenten (1 mje = 1660 uur). De faculteit hanteert een onderwijstaakstelling gebaseerd op directe en indirecte onderwijstaken. Voorbeelden van taken zijn uitvoeren tutorschap. zoals hoogleraren en gezaghebbende onderzoekers. In de zelfstudie meldt de opleiding dat uit evaluaties blijkt dat voor sommige stafleden de werkdruk hoog is. Zij waardeert het dat de opleiding op zo’n serieuze manier werk maakt van de vaststelling van de inzet die nodig is om het onderwijs te verzorgen en deze vervolgens ook als uitgangspunt hanteert voor de formatie. Deze onderzoeksprogramma’s zijn onlangs positief beoordeeld in de onderzoeksvisitatie Psychologie. is zij van mening dat dit inderdaad het geval is. van hoogleraar tot studenttutoren worden ingezet als tutor voor de begeleiding van de kleine onderwijsgroepen. De commissie stelt vast dat de werkdruk door alle veranderingen tijdelijk hoog is geweest. F13:­Kwantiteit­personeel Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen. aanwezig in het bachelor. 64 QANU / Psychologie / UM . Met deze staf zijn goede wetenschappelijke rolmodellen. De commissie heeft vastgesteld dat alle rangen van de wetenschappelijke staf. De capaciteitsgroepen wordt gevraagd om de aan hen toebedeelde onderwijsuren te vullen.beoordeeld. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.en masterprogramma. De commissie is nagegaan of het normurensysteem voor onderwijstaken en de inzet vanuit de capaciteitsgroepen voldoende kwantiteit van onderwijspersoneel garandeert. deelname aan de examencommissie.

De faculteit hanteert zoals in de zelfstudie uiteengezet. De opleiding heeft ook te kennen gegeven goede docenten te belonen. Andere didactische scholing. medewerkers met PGO-ervaring en studenttutoren. QANU / Psychologie / UM 65 . communicatie. Tenzij evaluaties daar aanleiding toe geven. De opleiding kent verder twee studieadviseurs en een medewerker training en evaluatie. ook om groepsprocessen beter te evalueren. en er wordt expliciet geïnvesteerd in de werving van uhd’s die onderwijs als hoofdtaak hebben (in praktijk 70% van hun taakstelling). In de werving. Zo nodig wordt een scholingstraject. Voor elke categorie tutoren. Docenten die de commissie heeft gesproken bevestigen dat er tutortrainingen zijn. internationalisering en het secretariaat van het bureau. de eisen die het onderwijsprogramma stelt zijn leidend voor het stellen van vacatures. Studenten kiezen daaruit de ‘beste docent’. is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het personeel. verroostering. Alle hoogleraren. onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma. Hiervoor kunnen studenten en medewerkers nominaties aandragen.en tutortraining wordt geen systematische andere docententraining aangeboden. bijvoorbeeld op basis van evaluatiegegevens van studenten en gegevens over de onderwijsrealisatie. Naast PGO. Deze worden ook uitgebreid.en selectieprocedure voor nieuw personeel speelt de affiniteit met PGO een rol. te weten medewerkers zonder PGO-ervaring. Hierin worden ook de ontwikkelingsmogelijkheden besproken. wordt het cursusaanbod niet vanuit de opleiding gestructureerd. gebeurt volgens de opleiding impliciet. Nieuwe medewerkers worden in blokplanningsgroepen ingedeeld waarin zij onder supervisie van ervaren docenten leren hoe bijvoorbeeld taken in PGO geschreven worden. de volgende uitgangspunten voor het personeelsbeleid. De onderwijs-uhd’s (zie F1) hebben onderwijsmanagement als een van hun belangrijkste taken.F14:­Kwaliteit­personeel Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke. Het bureau onderwijs draagt zorg voor de examenadministratie. De zelfstudie maakt duidelijk dat met elk personeelslid jaarlijks een functioneringsgesprek wordt gehouden en om de drie jaar een beoordelingsgesprek. De opleidingsdirecteur is bij de POP-gesprekken met onderwijsgevenden aanwezig. bijvoorbeeld door het volgen van een cursus. deze worden systematisch vanuit centraal UM-niveau aangeboden. voorlichting. bijvoorbeeld rondom het construeren van het onderwijsmateriaal. is een apart scholingstraject ontwikkeld. uhd’s en ud’s moeten zijn gepromoveerd. Bij slechte evaluaties vindt allereerst een gesprek plaats met de opleidingsdirecteur. gestart. zo wordt elk jaar een onderwijsprijs uitgereikt aan de ‘beste docent’. Daarbij wordt expliciet aandacht besteed aan de beoordeling van het onderwijsdeel van de taak. Op UM-niveau wordt overwogen om een beoordeling ‘basiskwaliteit onderwijs’ in te voeren. De portefeuillehouder onderwijs van het faculteitsbestuur en de opleidingsdirecteur stellen de benodigde (extra) onderwijscapaciteit vast en bepalen eveneens op welke deeldiscipline zonodig geworven moet worden. Docenten bevestigen dat bij elk beoordelingsgesprek ook onderwijsevaluaties onderwerp van gesprek zijn. De commissie heeft dit beeld in de gesprekken met delegaties bevestigd gekregen. De leidinggevende. dit is meestal het sectiehoofd. Didactische scholing van medewerkers is voornamelijk gericht op de rol van de tutor. Zij ontvangen e-mails met het cursusaanbod.

bijvoorbeeld op het gebied van cognitieve neuroscience en experimental health psychology. De commissie vindt de staf op basis van haar specialisaties deskundig om het onderwijs te verzorgen. Zij hebben onder meer gekozen voor een Maastrichtse masteropleiding door de kopstukken en expertise in huis. Studenten vinden de universiteit ‘gezellig’ en ze vinden het leuk dat ze docenten persoonlijk kunnen aanspreken. studieadvisering en ondersteuning door het bureau onderwijs voldoende is voor de realisatie van het programma. 66 QANU / Psychologie / UM .en de masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. Docenten zijn volgens hen sterk betrokken bij de verschillende tracks van de masteropleiding en heel enthousiast over een klein gebied. Onlangs is op dit gebied een hoogleraar geworven en een docentonderzoeker met praktijkervaring ter zake. Zij heeft van de docenten begrepen dat dit een verbijzondering van toegepaste cognitieve psychologie is en luchtvaartpsychologie heeft gekozen als thema voor de invulling van het programma. curriculumjaargroep. De commissie is positief over de trainingsmogelijkheden voor en afstemming tussen tutoren. Oordeel De commissie heeft de informatie over de verschillende PGO-scholingstrajecten bestudeerd en is van mening dat deze adequaat is voor de didactische ondersteuning van nieuwe medewerkers en studenttutoren in hun rol van tutor. Dit inspireert en motiveert de studenten. waaronder ook aio’s en studenten. onder meer door goed functionerende blokcoördinatoren. De commissie vindt het positief dat er enkele uhd’s specifiek voor onderwijs zijn aangesteld. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. blokplanningsgroep. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Inzet van personeel’ over de bachelor. De commissie heeft het vertouwen dat ook op dit punt de opleiding voldoet aan de criteria die voor dit facet gesteld zijn. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Concluderend is de commissie van mening dat de opleidingen voldoen aan de criteria die gelden voor dit facet. Alleen de mastertrack Work and Organizational Psychology kon de commissie niet direct plaatsen bij de inhoudelijke specialisaties van de staf.Vooral de masterstudenten die de commissie heeft gesproken waren enthousiast over de kwaliteit van de staf. De commissie stelt vast dat de organisatie van het onderwijs. De commissie heeft de specialisaties van de staf bestudeerd en is van mening dat deze goed aansluiten bij het onderwijs in de bacheloropleiding en de diverse mastertracks. De commissie heeft van studenten veel enthousiasme gehoord over de opleiding en haar docenten.

Deze worden ook voor cursussen en practica gebruikt. een fMRI-opstelling. De faculteit beschik over 1100 m onderzoeksruimte waaronder een alcohollab. De laboratoria zijn indrukwekkend en de commissie is enthousiast over het feit dat studenten hier tijdens de eerste jaren van de bacheloropleiding al gebruik van maken. De zelfstudie meldt dat uit een studentenforum wel naar voren kwam dat studenten meer werkplekken en een uitbreiding van de faciliteiten van het internetcafé gevestigd bij de bibliotheek zouden willen. Het biedt een collectie leermiddelen die in de bachelor. Er zijn volgens de commissie geen belemmeringen om de gekozen werkvormen daadwerkelijk uit te voeren. In totaal zijn er op de locatie Randwijck zeshonderd studieplekken. videobanden en tijdschriften. aan de Universiteitssingel 40. een EEG en in het oogbewegingslab. In diverse onderwijsonderdelen wordt gebruikgemaakt van de onderzoeksfaciliteiten – de laboratoria – van de faculteit. zoals boeken. verdeeld over verschillende ruimten. een oogbewegingslab.­ Voorzieningen F15:­Materiële­voorzieningen De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren. waarvan er 60 zijn voorzien van een computer. In het pand waar de opleiding is gehuisvest.4.en masteropleiding wordt gehanteerd. zijn voor de bacheloren masteropleiding 1 onderwijsruimten beschikbaar waaronder vier vaardigheidsruimten. een eetlab. De onderwijsvoorzieningen zijn meer dan toereikend voor de uitvoering van het programma. De faculteit beschikt over een computerlandschap met 108 multimedia computers. QANU / Psychologie / UM 67 . Dit gebeurt bijvoorbeeld in het eerstejaarsblok Lichaam en Gedrag bij het practicum Psychofysiologie en tijdens het onderzoekspracticum in het tweede jaar. De commissie karakteriseert de voorzieningen als een studiepaleis. EEG-labs en sociaalpsychologische labs. Oordeel De commissie heeft een rondleiding gekregen langs het computerlandschap en de universiteitsbibliotheek en een demonstratie gekregen in enkele onderwijsactiviteiten die in laboratoria plaatsvinden. De bibliotheek en het studielandschap voor Psychologie bevinden zich op loopafstand in de UB-locatie Randwijck en zijn geïntegreerd met de voorzieningen voor de faculteiten Geneeskunde.6. De opleiding is van mening dat de faculteit over voldoende onderwijsvoorzieningen beschikt. waaronder de fMRI. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Daarnaast maakt de opleiding gebruik van de grotere en kleinere collegezalen van het gebouw aan de Universiteitssingel 40. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed.2. Gezondheidswetenschappen en het academisch ziekenhuis Maastricht. Vanaf 1 februari 006 komen er nog elf onderwijsgroepsruimten bij in een gehuurd gebouw in de omgeving. Uit evaluaties gehouden onder studenten blijkt dat Psychologiestudenten de bibliotheekvoorzieningen hoog waarderen. Het studielandschap omvat studieruimten die geschikt zijn om individueel of in groepsverband te studeren. psycholinguïstische labs.

De opbouw van het programma beoogt studenten in een vroeg stadium inzicht te geven in hoeverre zij geschikt zijn voor de bacheloropleiding.F16:­Studiebegeleiding De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten zijn adequaat met het oog op studievoortgang. In het portfolio reflecteren studenten op de ontwikkeling van hun competenties. fte studieadviseur beschikbaar. Specifiek voor het PGO-systeem is de rol van tutoren bij de studiebegeleiding. Iedere student ontvangt verder minimaal een keer per jaar een overzicht van zijn of haar studievoortgang. Zij begeleiden het leerproces van de studenten en kunnen gericht adviezen geven. De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten sluiten aan bij de behoefte van studenten. Voor de bachelor. Bij ziekte hebben studenten een minder grote aanwezigheidsverplichting. In de studiegids en in de blokboeken wordt informatie gegeven over het studieprogramma. In de OER is een studievoortgangsnorm vastgelegd: om door te mogen naar het tweede jaar dient minimaal de helft van het totaal te behalen aantal studiepunten van het eerste jaar te zijn behaald. Studenten ontvangen voorlichting over studiemogelijkheden in en na de bacheloropleiding onder meer van coördinatoren van de mastertracks. De commissie heeft gesproken met de stagecoördinatoren en studieadviseurs. speelt hierbij een rol. Daarvan blijkt het merendeel de studie te staken. Het heeft als uitgangspunt de persoonlijke en professionele doeltreffendheid van studenten te vergroten. dat is ingevoerd in 003-004. Op basis van deze cijfers lijkt invoering van een bindend studieadvies de opleiding niet opportuun. dan proberen zij hen te motiveren. Indien nodig.en masteropleiding is 1. Bij ziekte worden studenten doorverwezen naar de studieadviseur en als tutoren vermoeden dat studenten een motivatieprobleem hebben. De tutor meldt dit eveneens aan de blokcoördinator. Zij 68 QANU / Psychologie / UM . Deze studieadviseurs bewaken de studievoortgang van studenten. de studieadviseur en bureau onderwijs. Studenten ontvangen een schriftelijk studieadvies na afloop van het eerste jaar. Het bureau onderwijs registreert toetsresultaten en behaalde studiepunten. Als een student niet voldoet aan de studievoortgangsnorm ontvangt deze een dringend negatief advies. In het tweede en derde jaar van de bacheloropleiding vinden er informatiebijeenkomsten plaats over de richtingen Biologische Psychologie en Cognitieve Psychologie en de verschillende mastertracks die hierop aansluiten. Zij roepen studenten bij achterblijvende studieresultaten op voor een (adviserend) gesprek. Het wordt eveneens gebruikt als ondersteuning bij het maken van keuzes binnen de opleiding. Zij bekijken tweemaal per jaar de behaalde studieresultaten van alle studenten in het eerste bachelorjaar. De studieadviseur fungeert als eerste aanspreekpunt voor studiekeuze en -planningsbeslissingen en verwijst zo nodig door naar anderen binnen en buiten de faculteit. Docenten melden dat tutoren wekelijks bijeenkomen. Dit om vorm te geven aan de selecterende en verwijzende functie van het eerste jaar. maken studenten zelf een vervolgafspraak met de studieadviseur. In de zelfstudie geeft de opleiding een overzicht van het aantal studenten dat negatief advies ontving. Studenten kunnen deze elektronisch inzien. Het elektronisch portfolio. Eventuele voortgangsproblemen van studenten worden daar gesignaleerd. Voor de opleiding zijn de belangrijkste uitgangspunten bij de studiebegeleiding: zelfselectie en sturing. De monitoring van de studievoortgang vindt vooral in het eerste jaar van de bacheloropleiding plaats.

De commissie heeft de indruk dat de opleiding in de daaropvolgende jaren meer aandacht zou kunnen besteden aan rendementsverhogende maatregelen (zie ook F1). De masteropleiding kent voor elke specialisatie een stagecoördinator. Andere studenten zijn van mening dat voorlichting over mogelijke beroepen wel voldoende is. De commissie heeft de masterstudenten gevraagd of zij voldoende informatie ontvangen over loopbaanperspectieven. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Het grootste deel van de gesprekken met de studieadviseurs vindt plaats op initiatief van de studenten. Op deze dag stond met name de GZ-opleiding centraal. Deze voorzien studenten van informatie over onderzoeksstages. De stagecoördinator houdt een stagespreekuur. De informatie die wordt gegeven over het studieprogramma en de keuzemogelijkheden hierbinnen zijn volgens de commissie voldoende. De stage binnen de masteropleiding Psychologie van de UM houdt het doorlopen van de hele empirische cyclus in. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Voorzieningen’ over de bachelor. bijvoorbeeld door gerichte studiebegeleiding.bevestigen het beeld dat in de zelfstudie is gegeven. stelt een stagehandleiding op en geeft voorlichting over inhoud en procedures rondom de stages. Op deze dag en later ook op een avond ‘Psychologie op de arbeidsmarkt’ vertelden mensen uit de praktijk over beroepsmogelijkheden voor Psychologiestudenten. Oordeel De commissie is van oordeel dat de studiebegeleiding vooral in het eerste jaar adequaat gericht is op het bevorderen van de studievoortgang. Er is een postmasterdag door SPS-NIP georganiseerd voor Maastrichtse Psychologiestudenten.en de masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. Nu vindt deze alleen op initiatief van de student plaats. Zij heeft de indruk dat studenten die intern stage lopen in het bijzonder goed begeleid worden. De voorlichting over mogelijke vervolgopleidingen buiten de UM en over mogelijke loopbaanperspectieven verdient naar mening van de commissie blijvende aandacht. De commissie onderschrijft de rol van de tutoren bij de studiebegeleiding. zoals op het gebied van Experimental Health Psychology of Rechtspsychologie. Verder oordeelt zij de stagebegeleiding in de masteropleiding als voldoende. De commissie heeft van studenten gehoord dat er tijdens de bacheloropleiding weinig voorlichting is geweest over de mogelijkheden voor het volgen van een masteropleiding elders of concrete beroepsperspectieven. Studenten geven aan weinig informatie te hebben ontvangen over andere mogelijkheden. met name door de gestructureerde rol van de studieadviseurs. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. QANU / Psychologie / UM 69 .

2.­ Interne­kwaliteitszorg F17:­Evaluatie­resultaten De opleiding wordt periodiek geëvalueerd. Hiertoe ontwikkelt zij een format voor een rapportage onderwijskwaliteit. Na het bezoek van de visitatiecommissie zijn tijdens de zomermaanden 006 de evaluaties van de bachelor. de probleemtaken en de toetsing. Studenten geven aanvullend een rapportcijfer voor het blok. Uit de zelfstudie blijkt dat studenten na iedere blokperiode (per cohort 005-006 elektronisch) een vragenlijst ter evaluatie krijgen aangeboden. 70 QANU / Psychologie / UM . Deze werkgroep richt zich op gegevens die beschikbaar zouden moeten zijn ter ondersteuning van het interne kwaliteitszorgproces.en masterthesis nog niet worden geëvalueerd en ziet dit – evenals de opleiding – als een aandachtpunt voor de komende tijd.5. De werkgroep heeft ook tot doel het cyclische karakter van het interne kwaliteitszorgproces te faciliteren. Studenten worden bij het inleveren van hun thesis gevraagd een elektronisch evaluatieformulier in te vullen. Getuige de indicatiecijfers (ten minste een 6. de colleges. wordt de blokcoördinator gevraagd een reflectie op de resultaten van de evaluatie voor de opleidingscommissie te schrijven. Oordeel De commissie heeft de standaardvragenlijst die na elk blok wordt afgenomen bestudeerd en stelt vast dat deze adequaat is. mede aan de hand van toetsbare streefdoelen.6. de leden van de opleidingscommissie en de opleidingsdirecteur aangeboden. Zodra de resultaten van de evaluaties beschikbaar zijn. supervisie. de toets en de begeleiding van de tutor.5 voor het rapportcijfer van het blok en een 7 voor de waardering voor de tutor) heeft de opleiding voor ogen wanneer extra actie gewenst is. De vragenlijsten omvatten de algemene indruk van de module. Een waardering voor een tutor van onder de 7 vormt een indicatie voor extra monitoring van zijn of haar functioneren. Zij heeft van de opleidingscommissie begrepen dat de bewaking van de kwaliteit van de scripties een actiepunt van de opleidingscommissie voor collegejaar 006-007 betreft. De blokcoördinator kan specifieke vragen aan deze algemene lijst toevoegen. Op het niveau van de UM bestaat de werkgroep Interne Kwaliteitszorg. beoordeling.en mastertheses voor het eerst uitgevoerd. knelpunten en tijdsmanagement te beoordelen en suggesties voor verbetering te geven. Hierin wordt aangegeven wat de belangrijkste conclusies zijn en wat hij of zij volgend jaar zou willen aanpassen.5. Hierin is onder meer de evaluatie van het leerproces in de groepen. De opleidingscommissie besteedt speciaal aandacht aan blokken waar het rapportcijfer lager ligt dan een 6. In ieder blokboek staat in ieder hoofdstuk voor de studenten vermeld wat er naar aanleiding van de evaluatie van het voorgaande jaar is aangepast. De commissie constateert dat ten tijde van het visitatiebezoek de bachelor. Er is ruimte voor het nader specificeren van ervaringen en oordelen door de student. De commissie heeft hierover desgevraagd in oktober 006 een rapportage ontvangen. Hun wordt gevraagd de voorbereiding. De resultaten van deze evaluaties worden statistisch verwerkt en in een rapportage aan de blokcoördinatoren. De commissie vindt het een sterk punt dat alle blokken worden geëvalueerd en studenten goede feedback ontvangen over wat er met de resultaten van de evaluaties wordt gedaan (zie ook F18). de literatuur en de begeleiding door de tutor verwerkt.

Zoals daar omschreven geeft de blokcoördinator naar aanleiding van de evaluaties aan wat hij of zij volgend jaar in het betreffende blok wil veranderen. Gesproken studenten melden de commissie. Studenten die de commissie heeft gesproken geven aan dat het voor hen duidelijk is wat er met de evaluaties wordt gedaan. meerkeuzetoetsen. Naar aanleiding van een brainstorm over hoe de participatie in de onderwijsgroepen verbeterd kan worden. bijvoorbeeld het gebruik van andere literatuur of het verbeteren of vervangen van taken. veel veranderd. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Bijvoorbeeld in het nieuw ontwikkelde blok Kritisch denken is na de evaluatie van de eerste keer dat het blok is gegeven. De opleidingscommissie kan de blokcoördinator uitnodigen voor een mondelinge toelichting. de OER. Ook werd hun gevraagd vaker met collega’s te overleggen en bij elkaar in de groep te gaan observeren. De commissie heeft enkele stukken van de werkgroep Interne Kwaliteitszorg van de Universiteit Maastricht ingezien. Verder heeft de opleidingscommissie bijvoorbeeld geconstateerd dat bij een andere faculteit de blokboeken op een in hun ogen betere manier worden vormgegeven. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Dit heeft geleid tot aangescherpte instructies voor nieuwe tutoren. Zij bevestigen dat in de blokboeken de veranderingen in het blok naar aanleiding van vorige evaluaties zijn opgenomen. Onderwerpen die in de opleidingscommissie aan de orde komen zijn bijvoorbeeld participatie in onderwijsgroepen. QANU / Psychologie / UM 71 . Ook kunnen verbeteringen op een hoger niveau aan de orde komen. Zie F17 voor een beschrijving van de procedure die wordt gevolgd in vervolg op de resultaten van de evaluaties. De commissie concludeert dat de opleidingen voldoen aan de criteria die gelden voor dit facet. Bepaalde punten hiervan worden nu ook opgenomen in blokboeken van Psychologie. De commissie is hierover positief. F18:­Maatregelen­tot­verbetering De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan realisatie van de streefdoelen. komen bijvoorbeeld kort na het bezoek van de visitatiecommissie de capaciteitsgroepen bijeen voor een uitwerking over deze verbetering.De commissie stelt vast dat voor de interne kwaliteitszorg veel richtlijnen op universitair niveau zijn of worden vastgelegd. Leden van de opleidingscommissie bevestigden in het gesprek met de commissie dat elk blok aan de hand van evaluaties wordt besproken in de opleidingscommissie. De commissie heeft begrepen dat zij dit mede op basis van de cursusevaluaties verstrekt. dat op genoemde punten ook daadwerkelijk verbeteringen zijn doorgevoerd. Volgens de zelfstudie leiden lage cijfers op een evaluatie over het algemeen tot aanpassingen in het blok. Zij geven aan dat de opleidingscommissie als belangrijkste taak heeft gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen aan het faculteitsbestuur. In de zelfstudie geeft de opleiding als voorbeeld dat tutoren hun rol in de loop van de jaren geleidelijk aan minder consequent invulden. Deze rapportages van de evaluatieresultaten en de reactie hierop van de blokcoördinator worden besproken in de opleidingscommissie. De commissie heeft van de faculteit Psychologie begrepen dat zij bezig is met de implementatie van de ideeën die voortkomen uit de werkgroep Interne Kwaliteitszorg.

met de periodieke evaluaties. alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken. Verder zijn de studentleden van de opleidingscommissie ook lid van de Studentenraad. De commissie waardeert zeer de feedback die studenten ontvangen over de maatregelen die na de vorige evaluaties zijn doorgevoerd. het hoofd bureau onderwijs. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Het systeem van interne kwaliteitszorg. 7 QANU / Psychologie / UM .en masterprogramma meer aandacht besteedt aan de training van professionele vaardigheden in het programma. Internationalisering en Onderwijsvernieuwing.De opleiding geeft aan dat zij naar aanleiding van de aanbevelingen van de vorige visitatiecommissie bij de vormgeving van het nieuwe bachelor. Deze raad bestaat in totaal uit dertien geëngageerde studenten. continue een vinger aan de pols wat betreft de kwaliteit van het onderwijs. Studenten en medewerkers zijn allereerst via de evaluaties en follow-up daarvan bij de kwaliteitszorg van het onderwijs betrokken. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Verder zijn studenten en docenten via de opleidingscommissie betrokken bij de kwaliteitszorg. De opleidingscommissie bestaat uit vijf stafleden en vijf studentleden en komt om de drie weken bijeen. studenten. garandeert dat tekortkomingen worden geconstateerd en verbeteringen geformuleerd. aldus de leden van de commissie. Docenten van de opleidingscommissie geven aan dat de faculteit zich kenmerkt door een bijzonder open organisatie. De voorzitter van de opleidingscommissie waakt ervoor dat een onafhankelijk oordeel door toehoorders niet beïnvloed wordt. Concrete veranderingen worden opgenomen in het blokboek voor de volgende cohort. Dit betreft de coördinatoren van de basisopleiding (eerste en tweede jaar van de bachelor). In iedere blokplanningsgroep. blokcoördinatoren en andere docenten. De stafleden van de opleidingscommissie hebben regelmatig contact met curriculumjaargroepen. De stafleden zijn op grond van hun positie binnen het curriculum lid van de opleidingscommissie. studenten.­alumni­en­beroepenveld Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers. Zij geven zelf aan dat zij doordat zij binnen het PGO-systeem elke zeven weken wisselen van onderwijsgroep. De studentleden laten zich informeren door medestudenten. waarin onder meer de onderwijsonderdelen op basis van de evaluaties worden verbeterd. de studieadviseur en de voorzitter van de examencommissie als toehoorders aanwezig. Cognitieve Psychologie en Biologische Psychologie (derde jaar bachelor. De leden van de opleidingscommissie geven aan dat dit heel prettig werkt en dat er daardoor snel afspraken kunnen worden gemaakt over te nemen acties. onder wie de studenten van de faculteitsraad (vijf ) en de studenten uit het faculteitsbestuur (twee). Ook heeft de opleiding op basis van de vorige visitatiecommissie concrete verbetermaatregelen getroffen. De opleidingscommissie houdt. De studentenraad kent een eigen notuliste/voorlichtster. duidelijke rol en verantwoordelijkheden van de opleidingscommissie en open structuur. De opleidingscommissie geeft zoals gezegd advies aan het faculteitsbestuur en de opleidingsdirecteur. streefcijfers. Bij de vergaderingen van de opleidingscommissie zijn vaak de opleidingsdirecteur. F19:­Betrekken­van­medewerkers. na een jaar alle studenten wel kennen. heeft eveneens een student zitting die meedenkt over verbetering van de kwaliteit van het blok.en masteropleiding). Oordeel De commissie oordeelt dat uit de gegeven voorbeelden blijkt dat de opleiding daadwerkelijk verbeteringen naar aanleiding van de evaluaties doorvoert.

voorlichting. De commissie waardeert het positief dat de opleiding een wetenschappelijk medewerker speciaal heeft aangesteld als coördinator Vernieuwing. Zij vergadert wekelijks over actuele studentenzaken. tutorfunctionering. doorstroomeisen binnen de bachelor.De commissie heeft van de studentleden van de opleidingscommissie gehoord dat zij daadwerkelijk het gevoel hebben dat hun stem telt in de opleidingscommissie. Het alumnibeleid en de betrokkenheid van alumni bij de interne kwaliteitszorg staat naar het oordeel van de commissie goed in de steigers. Concluderend is de commissie zeer onder de indruk van de betrokkenheid van de docenten en studenten bij de kwaliteit van de opleiding. maar vooral via de opleidingscommissie. toekenning onderwijsprijs (bron: flyer Studentenraad FdP). Vanuit de UM worden diverse alumniactiviteiten ondernomen. Gespreksonderwerpen zijn bijvoorbeeld de kwaliteit van de practica en het onderwijs. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. De commissie was tijdens het bezoek onder de indruk van de actieve betrokkenheid van de studenten van de studentenraad bij de kwaliteitzorg. Omdat de betrokkenheid van de alumni en het beroepenveld voor de masteropleiding nog belangrijker is dan voor de bacheloropleiding en gezien het feit dat de masteropleiding pas gestart is en de betrokkenheid bij de kwaliteitszorg daardoor nog niet goed vast te stellen is. De commissie vindt het zinvol dat in het bestuur van de faculteit twee studentleden participeren. De commissie heeft de indruk dat de inbreng van studenten daarbij bovengemiddeld is. Studenten geven aan dat er vanuit de faculteit voldoende steun wordt geboden aan studenteninitiatieven. Ook vindt de commissie het een sterk punt dat de opleidingscommissie elke drie weken bijeenkomt en waardeert zij het dat de samenstelling van stafleden in opleidingscommissie zo veel mogelijk een afspiegeling van het programma is. buiten de gastdocenten en stagebegeleiders die worden ingezet in het masterprogramma. Voor bijvoorbeeld het organiseren van de onderwijsprijs ontvangen studenten een financiële tegemoetkoming. Docenten zijn actief betrokken bij het samenstellen van blokboeken en het doorvoeren van verbeteringen in het onderwijsprogramma op basis van evaluaties. Oordeel De commissie heeft veel enthousiasme en betrokkenheid bij het onderwijs gezien bij studenten en docenten. ontvangen alumni het alumniblad ContinuUM en zijn diverse alumnikringen ontstaan. De commissie oordeelt dat de studenten en docenten op meerdere wijzen. De opleiding zet alumni ook in voor voorlichtingsactiviteiten. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) maakt ieder jaar een rapportage over waar alumni terecht zijn gekomen. De betrokkenheid van het beroepenveld verdient naar het oordeel van de commissie nog aandacht. zo is er een alumnidatabase op de UM-website. beoordeelt de commissie dit facet voor de bacheloropleiding als goed en voor de masteropleiding als voldoende. Verdere contacten worden onderhouden via het onlangs nieuw leven ingeblazen faculteitsblad Onder Uns. De commissie heeft geen specifieke informatie ontvangen over hoe het beroepenveld bij de kwaliteitszorg wordt betrokken. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. bij de interne kwaliteitszorg betrokken zijn. Zij ondervragen studenten hierbij ook naar de aansluiting van de opleiding bij het gekozen beroep. waardoor zo veel mogelijk docenten worden bereikt. QANU / Psychologie / UM 73 .

De commissie heeft van de staf begrepen dat indien er een groter verschil dan één punt in de beoordeling tussen de eerste en tweede beoordelaar bestaat. Dit komt omdat België langere vakantieperioden kent.en de masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. dan geldt het punt van de eerste beoordelaar. Voor het afstudeertraject in de masteropleiding is een stagehandleiding beschikbaar voor de onderzoekstage. maar wel voldoende. Wat betreft het extern rendement. 6. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. De commissie heeft enkele studenten gesproken die na hun studie wilden terugkeren naar België of Duitsland. bijvoorbeeld bij een psychiatrisch ziekenhuis of bij de politie. ook in vergelijking tot landelijke cijfers. Zie voor de examenregeling en het toetsbeleid F11. scoort de UM iets onder het landelijk gemiddelde. 74 QANU / Psychologie / UM . Hierin zijn opgenomen de vereisten waaraan de onderzoeksstage moet voldoen.2. Indien het verschil kleiner is dan één punt. Alumni van de doctoraalopleiding die de commissie gesproken heeft. Alumni bevestigen dat er heel veel van hun medestudenten in onderzoek verder willen. zoals gegevens over werkloosheid en het bruto-uurloon en de mate waarin afgestudeerden nogmaals voor dezelfde opleiding zouden kiezen. Een relatief groot aantal alumni uit deze steekproef voert promotieonderzoek uit aan de UM of aan een andere universiteit. zijn met name op het gebied van onderzoek werkzaam. Eveneens zijn UM-alumni Psychologie meer dan landelijk tevreden over de zogeheten allocatiefunctie. de twee beoordelaars in overleg gaan. Uit het laatste alumnionderzoek (ROA. De ervaring van alumni is dat in België dit diploma niet wordt erkend. oktober 005) valt op te maken dat afgestudeerden van de opleiding Psychologie van de UM het niveau van de opleiding hoog vinden. Zij kennen ook studiegenoten die als psycholoog in diverse instellingen of organisaties werkzaam zijn.­ Resultaten F20:­Gerealiseerd­niveau De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau.Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Interne kwaliteitszorg’ over de bachelor. De commissie heeft proberen vast te stellen of dit een representatief beeld geeft van de afgestudeerden. hoe dit beoordeeld wordt en hoe een student een stage kan (en moet) regelen. hoewel uit een door een afgestudeerde opgestelde vergelijking naar voren is gekomen dat in Nederland in vier jaar waarschijnlijk net zo lang wordt gestudeerd als in Belgie in vijf jaar. Verder hanteert de faculteit een standaard beoordelingsformulier. Zij zijn enthousiast over PGO en de onderwijsgroepen.6. Wat betreft de bewaking van de kwaliteit van de afstudeerwerken wordt de bachelorthesis door één begeleider beoordeeld en kent de masterthesis (en oude doctoraalscriptie) twee beoordelaars. waaronder de aansluiting tussen werk en opleiding en de tevredenheid met de functie vallen. Zij geven aan daarin te hebben geleerd om mondig te zijn en met diverse groepen mensen om te gaan.

Dit ligt gezien het programma en de aanwezige wetenschappelijke staf in de lijn der verwachtingen. Wel blijft de commissie van mening dat de opleiding duidelijker eisen aan de criteria voor een literatuurstudie als eindwerkstuk voor de bacheloropleiding kan stellen. Zij stelt vast dat de criteria die gelden voor een bachelor(literatuur)thesis nog niet zijn uitgewerkt en betreurt dit. De commissie volgt in meerderheid de beoordeling die de opleiding heeft gegeven aan de eindwerkstukken. werd getemperd doordat de opleiding aannemelijk heeft gemaakt dat dit op diverse andere plaatsen in het bachelorcurriculum. De commissie plaatst bij enkele bachelortheses die bestonden uit uitsluitend een literatuurstudie de kanttekening dat in deze steekproef niet op systematische manier literatuur is verzameld. gemiddeld en hoog beoordeelde eindwerkstukken en een afspiegeling van de trajecten Biologische Psychologie en Cognitieve Psychologie van de bacheloropleiding en de verschillende mastertracks. Op het moment dat de commissie de opleiding bezocht (juni 005) had de eerste cohort masterstudenten nog net niet het eerste masterjaar afgerond. De commissie vindt dit mede van belang omdat ook de bachelorthesis in toenemende mate een visitekaartje van de student wordt in het kader van de toenemende mobiliteit tussen de bachelor. bijvoorbeeld in het onderzoekspracticum in het tweede jaar. De commissie stelt vast dat deze op adequate wijze zijn verankerd in het programma. De commissie heeft vastgesteld dat de opleidingen voor beoordeling van de eindwerkstukken het beoordelingsformulier op adequate wijze hanteren. Omdat de commissie dit oordeel nog niet met bewijzen kan staven.Oordeel De commissie heeft uit de lijsten van 5 meest recente bachelortheses en doctoraalscripties zestien eindwerkstukken opgevraagd en bestudeerd. Deze was in alle gevallen voldoende. De commissie is van oordeel dat de doctoraalscripties die zij heeft gelezen van uitstekende kwaliteit zijn. De commissie concludeert dat de opleiding voldoet aan de criteria zoals die gelden voor dit facet. zij heeft immers nog geen gerealiseerde masterscripties kunnen bestuderen.en masteropleiding. De commissie heeft naar aanleiding van de bestudeerde scripties bij de opleiding geverifieerd of er ethische richtlijnen zijn bijvoorbeeld ten aanzien van het uitzetten van vragenlijsten. Ook de tweede beoordelaar (bij de masterthesis) vult een afzonderlijk formulier in. De eerste vrees van de commissie dat door een literatuurstudie als eindwerkstuk een student niet de gehele empirische cyclus doorloopt. beoordeelt zij dit facet voor de masteropleiding als voldoende. Hiervoor heeft de commissie het jaarverslag 001-005 van de ethische commissie Psychologie bestudeerd. nog worstelt met het gewenste eindniveau van een bachelorthesis. De commissie waardeert de wijze waarop de opleidingen onder meer via de instelling van deze onafhankelijke ethische commissie Psychologie vorm hebben gegeven aan de implementatie van de Wet Medisch-wetenschappelijk Onderzoek met mensen (WMO) in het onderwijsprogramma. Als dat niveau zich in de masteropleiding voortzet. Studenten zouden dit vervolgens expliciet moeten verantwoorden in de bachelorthesis. zoals ook landelijk het geval is. Zij heeft de indruk dat de opleiding. gebeurt. De selectie betrof een aantal laag. Om die reden waren nog geen masterscripties beschikbaar. QANU / Psychologie / UM 75 . In enkele gevallen hebben de bestudeerde bachelortheses in de ogen van de commissie meer weg van een werkstuk van een blok dan van een echte thesis. Een aantal hiervan was zo geschikt voor publicatie in een wetenschappelijk tijdschrift. dan is de commissie geneigd het gerealiseerd eindniveau van de masteropleiding als goed te beoordelen.

De commissie heeft van de opleiding begrepen dat over het algemeen de Duitse en Vlaamse studenten ten minste net zo goed of beter presteren dan de Nederlandse studenten. De opleiding verklaart dit doordat deze studenten meestal sterker dan Nederlandse studenten. Aangezien de masteropleiding Psychology is gestart in september 005 waren er nog geen rendementscijfers beschikbaar ten tijde van het visitatiebezoek. Van de studenten die zich herinschrijven na een jaar. aan het einde van het tweede studiejaar 10 studiepunten hebben behaald. Van de eerste cohort van de bacheloropleiding hadden na drie jaar (eind studiejaar 004-005) 57 studenten het bachelordiploma behaald. stroomt 90% naar de UM Master of Psychology of de UM Research Master Biopsychology and Psychopathology door. F21:­Onderwijsrendement­ Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen. Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers. behaalt 80% na een jaar het masterdiploma. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Het faculteitsbestuur heeft twee keer per jaar overleg met het College van Bestuur. In 004-005 voldeed 76% van de studenten van het eerste bachelorjaar aan de studievoortgangsnorm (ten minste 30 studiepunten behaald). Het percentage studenten dat alle 60 studiepunten van de bacheloropleiding in een jaar haalt is gestegen van 18% in 00-003 tot 7% in 004-005. Om het rendement onder het tweede liggende streepje te halen. In de zelfstudie heeft de opleiding een overzicht opgenomen van de (post-)propedeuserendementen van de oude doctoraalopleiding (KUO-gegevens) in de periode 1995-00. De faculteit hanteert de volgende streefcijfers aangaande het onderwijsrendement in de bacheloropleiding: • • • 0% van de instroom (eerste inschrijving) stopt gedurende het eerste jaar met de studie. onder meer over het rendement. dient 30% van de studenten die zich herinschrijven na een jaar. Drie jaar eerder waren er 8 gestart. Voor de masteropleiding gelden de volgende streefcijfers: • • Van de studenten die een bachelordiploma halen binnen vier jaar na aanvang studie. dit houdt in een rendement van 5% na de nominale opleidingsduur. Hieruit blijkt dat gemiddeld 60% na drie jaar de propedeuse had behaald en gemiddeld 65% van de studenten na vijf jaar de opleiding had afgerond (postpropedeuserendement). haalt 50% in drie jaar het bachelordiploma. Van de studenten die onvoorwaardelijk instromen in de Master of Psychology.Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. waarin onder meer wordt gesproken over realisatie van de streefcijfers. De opleiding gaf de commissie in de gesprekken aan dit een ‘gewoon’ rendement te vinden in vergelijking met andere bacheloropleidingen in de Psychologie. De werkgroep kwaliteitszorg (zie F17) houdt zich ook bezig met het kunnen meten en de vergelijkbaarheid van streefcijfers. In de zelfstudie wordt vervolgens een rendementsanalyse gegeven van de eerste bachelorcohort. en die geen praktijkstage doen. gemotiveerd gekozen hebben voor 76 QANU / Psychologie / UM .

Voor uitwisselingsstudenten die een deel van het onderwijs aan de UM volgen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. De werving van reguliere buitenlandse studenten neemt toe: van 4% (1995-1999) tot 46% (004).­ Internationalisering­en­externe­contacten Op verzoek van de opleiding heeft de visitatiecommissie gekeken naar het facultatieve onderwerp ‘internationalisering en externe contacten’. zoals vermeld in het QANU-kader (004. Zij nemen voornamelijk deel aan het keuzeonderwijs in het derde jaar van de bacheloropleiding dat in het Engels wordt verzorgd. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Resultaten’ over de bachelor. Uitval in deze groepen is ook lager dan bij Nederlandse studenten.7.de Psychologiestudie in Nederland. zijn uitwisselingsprogramma’s opgezet. Oordeel De commissie vindt de streefcijfers van de faculteit realistisch en vergelijkbaar met verwante opleidingen. Het Bureau Internationalisering (1. voornamelijk afkomstig uit België en Duitsland.2. Zij ontvangen een certificaat. Zij streeft ernaar om 30% van de QANU / Psychologie / UM 77 . Om studenten te motiveren meer studiepunten te halen in het eerste jaar. organiseert de opleiding een feestelijke bijeenkomst voor alle studenten die het eerste bachelorjaar in een jaar hebben gehaald. De commissie heeft de indruk dat de opleiding hier nog niet zo bewust beleid op voert. bijvoorbeeld door het onderwijs steeds meer in het Engels aan te bieden (Engelstalige blokboeken. p. onderwijsgroepen en onderwijsverslagen) en studenten te stimuleren het keuzeonderwijs aan een buitenlandse instelling te volgen. De aandacht voor internationalisering komt. De commissie heeft begrepen dat de UM en daarmee ook de FdP zich wil profileren als internationale universiteit. referaten. tot stand brengen van uitwisselingsprogramma’s met buitenlandse universiteiten. Voor dit laatste is toestemming van de examencommissie nodig. 33) niet mee in het eindoordeel voor accreditatie.en de masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. Voor zover bekend is het onderwijsrendement vergelijkbaar met dat van zusteropleidingen. zoals beschreven in de zelfstudie. literatuur. In de zelfstudie geeft de opleiding een overzicht van de uitwisselingsprogramma’s die zijn opgezet. werven van buitenlandse studenten om onderwijs aan de UM te volgen. Dit oordeel weegt.5 fte) van de faculteit draagt zorg voor de uitvoering van dit beleid. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. tot uitdrukking in drie hoofdactiviteiten: • • • stimuleren van studenten om onderwijsonderdelen buiten Nederland te volgen. 6. Op deze drie punten voert de faculteit gerichte stimuleringsactiviteiten uit.

Eventuele minpunten worden door de internationaliseringmedewerkers gesignaleerd en opgepakt ter verbetering. Daarnaast is er één ondersteunend (niet wp-) medewerker werkzaam op dit vlak. Dit bevreemdt de commissie enigszins. Er is geen gericht beleid op uitwisseling van wetenschappelijke staf. Voor buitenlandse studenten wordt verder een introductieweek georganiseerd.studenten een deel van de studie in het buitenland te laten volgen. Nieuwe mensen die aangesteld worden moeten de Engelse taal beheersen. Centraal beleid van de UM is erop gericht om de UM binnen drie jaar tweetalig te laten zijn. Hieruit blijkt dat PGO als leerzaam wordt ervaren. Zij is van mening dat hiervan adequaat gebruik wordt gemaakt. Dat wil zeggen dat alle (beleids)stukken tweetalig (Nederlands en Engels) zullen moeten worden aangeboden en er zal worden vergaderd in het Engels. Zij bieden informatie aan studenten die naar het buitenland willen en helpen voor allerlei zaken inkomende studenten. Buitenlandse studenten vullen na afloop van hun verblijf een evaluatieformulier in. De commissie mist een beleidsvisie vanuit de faculteit op dit gebied. Docentenmobiliteit blijkt uit het gesprek met de delegaties nog niet van de grond te komen. Medewerkers willen met name onderzoek elders doen. Het aantal docenten dat in het buitenland doceert is volgens de gegevens uit de zelfstudie minder dan 10%. hiervoor zijn ook geen streefcijfers opgesteld. Buitenlandse onderzoekers die aan de FdP onderzoek doen. De UM kent een Guest House voor internationale studenten. Dit percentage is volgens de opleiding de laatste jaren gehaald. De commissie heeft met hen gesproken en van hen begrepen dat zij alleen uitwisselingsovereenkomsten afsluiten als ook daadwerkelijk uitwisseling gegenereerd wordt. worden wel ingezet voor colloquia. Het verbaast de commissie dat er geen gericht beleid is voor het uitwisselen van wetenschappelijk personeel. Oordeel De commissie heeft begrepen dat de faculteit een wetenschappelijk medewerker voor nagenoeg zijn hele onderwijsaanstelling beschikbaar heeft gesteld om partneruniversiteiten van hoge kwaliteit te identificeren en de internationaliseringactiviteiten te verankeren in de faculteit. De commissie waardeert het dat de faculteit zwaar inzet op het ondersteunen van de internationaliseringsactiviteiten. De opleiding hoopt op verdere uitbreiding hiervan: impliciet hanteert het faculteitsbestuur de norm dat de helft van de studenten tijdens de opleiding buitenlandervaring heeft opgedaan. De commissie is positief over het feit dat de opleiding streefcijfers stelt voor de uitwisseling van studenten en stelt vast dat er een uitgebreid netwerk is van uitwisselingspartners en -programma’s. Het onderwijs blijft echter wel in het Nederlands aangeboden worden. Medewerkers kunnen hiervoor cursussen Engels volgen. Zij heeft wel gehoord dat de faculteit denkt aan het opzetten van joint-degree programma’s. De commissie heeft wel de indruk dat Bureau Internationalisering met name een faciliterende rol vervult ten aanzien van deze internationalisering. Beiden zijn werkzaam binnen het Bureau Internationalisering. Zij hebben onder meer een buddysysteem opgezet waarin elke buitenlandse inkomende student een Nederlandse buddy krijgt. De faculteit kent twee medewerkers die internationaliseringsactiviteiten vanuit Bureau Internationalisering ondersteunen. Voor hen zijn wel voorzieningen beschikbaar zoals een cursus Nederlands. Zij heeft wel begrepen dat sinds kort vanuit het Bureau Internationalisering ook stafuitwisseling wordt gestimuleerd en gefaciliteerd. maar niet voor onderwijstaken worden uitgewisseld. De commissie heeft gehoord dat voor de reguliere Duitse en Vlaamse studenten geen gericht beleid vanuit Bureau Internationalisering wordt uitgevoerd. een introductie78 QANU / Psychologie / UM .

Verder valt internationalisering in de masteropleiding buiten het gerichte beleid van het bureau. De Universiteit Maastricht is één van de twee universiteiten in Nederland die een geheel Engelstalig masterprogramma Psychologie aanbieden. QANU / Psychologie / UM 79 . De commissie oordeelt dat het onderwerp internationalisering op vergelijkbare wijze is ingevuld als bij een aantal andere zusteruniversiteiten en -opleidingen die vergelijkbare internationaliseringsdoelstellingen hebben. Wel zijn er naar oordeel van de commissie veel uitwisselingsmogelijkheden. De ervaring is dat dit vaker via de stagecoördinatoren wordt georganiseerd. Zij helpt wel bij het vinden van (onderzoeks)stages in het buitenland. Master: Het oordeel van de commissie over dit facultatieve facet is voldoende.week en gerichte spreiding van buitenlandse studenten over de onderwijsgroepen. Oordeel Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facultatieve facet is voldoende.

Betrokkenheid van medewerkers. 80 QANU / Psychologie / UM . Inzet van personeel 4. Kwaliteit personeel 15. Gerealiseerd niveau 1. Eisen wo 5. Maatregelen tot verbetering 19. Instroom 9. Oriëntatie 4. Afstemming vormgeving en inhoud 11. Kwantiteit personeel 14. Eisen wo 13. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Goed Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende 3. Niveau 3. is de conclusie dat het totaaloordeel over de opleiding voldoende is. Evaluatie resultaten 18. Relatie doelstellingen en programma 6. Voorzieningen 5.Samenvatting­oordelen­Universiteit­Maastricht Bacheloropleiding­Psychologie:­ Onderwerp 1. Studiebegeleiding 17. studenten. Studielast 8. Duur 10. Doelstellingen van de opleiding . Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Interne kwaliteitszorg Voldoende Voldoende Voldoende 6. Domeinspecifieke eisen . Beoordeling en toetsing 1. Samenhang programma 7. Resultaten Voldoende Facultatief onderwerp: Internationalisering en externe contacten Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Programma Oordeel Voldoende Voldoende Facet­ 1. Materiële voorzieningen 16. alumni en beroepenveld 0.

Materiële voorzieningen 16. Voorzieningen 5. Programma Oordeel Voldoende Voldoende Facet­ 1. Studielast 8. Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Goed Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende 3. studenten.Masteropleiding­Psychology:­ Onderwerp 1. Resultaten Voldoende Facultatief onderwerp: Internationalisering en externe contacten Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Oriëntatie 4. is de conclusie dat het totaaloordeel over de opleiding voldoende is. alumni en beroepenveld 0. Gerealiseerd niveau 1. Inzet van personeel 4. Evaluatie resultaten 18. Betrokkenheid van medewerkers. Studiebegeleiding 17. Relatie doelstellingen en programma 6. Beoordeling en toetsing 1. QANU / Psychologie / UM 81 . Maatregelen tot verbetering 19. Niveau 3. Samenhang programma 7. Instroom 9. Domeinspecifieke eisen . Eisen wo 5. Afstemming vormgeving en inhoud 11. Duur 10. Doelstellingen van de opleiding . Interne kwaliteitszorg Voldoende Voldoende Voldoende 6. Kwaliteit personeel 15. Kwantiteit personeel 14. Eisen wo 13.

8 QANU / Psychologie / UM .

Technology & Society. de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd. drs. dr. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Masteropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Psychologie 66604 Master wo 60 Voltijd Twente 31 december 007 Psychologie 56604 Bachelor wo 180 Voltijd Twente 31 december 007 Het bezoek van de visitatiecommissie Psychologie vond plaats op 1 en  juni 006.M. dr. Management & Media en Toegepaste Communicatiewetenschap. dr.en masteropleiding Psychologie nog twee bacheloropleidingen: Educational Design. Samenstelling visitatiecommissie: • • • • • • • prof. dr. en Social Science Education.W. E. von Grumbkow.en masteropleiding Psychologie vallen onder de verantwoordelijkheid van de faculteit Gedragswetenschappen. Social Systems Evaluation and Survey Research. De faculteit verzorgt naast de bachelor.H. Brysbaert.7.M. Klip. Communication Studies en vier tweejarige masteropleidingen: Philosophy of Science. Gordijn. secretaris QANU.­ ­ De­bachelor-­en­masteropleiding­Psychologie­van­de­ Faculteit­Gedragswetenschappen­aan­de­Universiteit­Twente Administratieve­gegevens Bacheloropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. lid. lid.­ De bachelor. prof. studentlid. van Ophem.J. prof.0. W. I.­Wijnen. dr. Science Education. de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd. M. E. E. Schell.F. Structuur­en­organisatie­van­de­faculteit 7. J. QANU / Psychologie / UT 83 . lid.C. prof. twee éénjarige masteropleidingen: Educational Science & Technology. voorzitter. lid.

De bacheloropleiding Psychologie is in september 00 van start gegaan. in combinatie 84 QANU / Psychologie / UT . Er wordt gestreefd naar een academisch basisniveau dat voldoende is om zich in de toekomst in beide rollen verder te ontwikkelen.2.1. voorlichter. Communicatiewetenschap. Per bachelor-mastercombinatie heeft de faculteit een opleidingscommissie ingesteld. Onderzoeksmethodologie.­ Invoering­ bachelor-masterstructuur­ en­ afbouw­ ongedeelde­ opleidingen:­ stand­ van­zaken De opleidingen Psychologie zijn direct gestart met de bachelor.­ Het­beoordelingskader 7. Curriculum. De kamer voor Psychologie functioneert als opleidingsspecifieke examencommissie voor zowel de bacheloropleiding als de masteropleiding. en de onderwijscommissaris van de studievereniging gezamenlijk om onderwijsaangelegenheden te coördineren.2. Psychonomics and Human Performance Technology. In de zelfstudie geeft de opleiding de volgende omschrijving van de doelstelling van de bacheloren masteropleiding Psychologie.­ Doelstellingen­opleiding F1:­Domeinspecifieke­eisen De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk). statistische vaardigheden en instrumenten die zij. 7. De masteropleiding is in september 005 gestart. De opleidingsdirecteur Psychologie wordt voor de dagelijkse gang van zaken ondersteund door de studieadviseur/onderwijscoördinator. 7. De faculteit wordt bestuurd door een decaan. en Wijsbegeerte. Meetmethoden en Data-analyse. De opleidingdirecteur overlegt een keer per zes weken met de decaan en de twee andere opleidingsdirecteuren van de faculteit om zaken op facultair niveau af te stemmen.en masterstructuur. De opleidingdirecteur overlegt iedere twee weken met de studieadviseur/onderwijscoördinator. de medewerkers van Bureau Onderwijszaken. Instructietechnologie.De faculteit kent acht afdelingen: Organisational Psychology en Human Resource. Afgestudeerde bachelors beheersen een basisniveau in de toepassing van voor wetenschapsbeoefening en de beroepspraktijk relevante methoden en technieken. Het onderzoek van de faculteit is grotendeels ondergebracht in het Institute for Behavioural Research. De faculteit kent een gemeenschappelijke examencommissie met kamers voor de afzonderlijke opleidingen. De opleidingen kennen geen ongedeelde voorloper. De bacheloropleiding en de aansluitende masteropleiding worden door één opleidingsdirecteur geleid. Onderwijsorganisatie en management. in de praktijk of in een masteropleiding. “De bacheloropleiding stelt zich ten doel studenten op te leiden tot academisch geschoold professional en tot competent aankomend wetenschapper in de psychologie.1.

ook expliciet de mogelijkheid wordt geboden zich te verdiepen in een ander wetenschapsgebied. Deze betreffen belangrijke toepassingsgebieden van de Psychologie: Veiligheid en Gezondheid. en Arbeid en Organisatie. maar heeft binnen de UT een toegepast karakter. kunnen inzetten in de wetenschap en in diverse kritische beroepssituaties. Zij kunnen na afronding van de opleiding als beginnend. wetenschappelijke competenties.” “De doelstelling van de masteropleiding is het opleiden van studenten in de rol van zelfstandig op academisch niveau functionerende wetenschappers in de psychologie. Zij onderscheidt daarbij: • • • • vakinhoudelijke competenties: domeinspecifieke psychologische kennis en kennis van nauw verwante disciplines. Afgestudeerde masters hebben zich verdiept in minimaal één van de specialisaties die de opleiding aanbiedt tot op het meest actuele wetenschappelijke niveau en beschikken over de basiskennis en -vaardigheden om zelfstandig een bijdrage te leveren aan de internationale onderzoeksliteratuur binnen hun specialisatie. psychologisch adviseur. De opleiding heeft de eindkwalificaties geclusterd in competentiegebieden. QANU / Psychologie / UT 85 . Naast de toegepaste benadering profileren de opleidingen zich op het gebied van de Informatie. Afgestudeerde bachelorstudenten hebben zich tevens op een basisniveau verdiept in één van de specialisaties (thema’s) die de opleiding aanbiedt en beschikken over de kwalificaties om door te stromen naar de masteropleiding Psychologie. Deze laatste behoort wel tot de traditionele disciplines. toegepast-wetenschappelijke competenties. Kennis en Onderwijs. of ontwerper (van gedragsinterventies). beroepsbeoefenaar functioneren in de rol van bijvoorbeeld: ondersteunend onderzoeker.en masteropleiding Psychologie en in het werkveld en beroepsuitoefening van de psycholoog. breed gevormde. Specifiek voor Twente is dat studenten naast de ontwikkeling van het eigen psychologisch domein en nauw verwante disciplines. Zo zijn studenten na afronding van de bachelor. Technologie en Media. ook wel ontwerpbenadering genoemd. ontwikkelingscompetenties en professionele competenties.met wetenschappelijke kennis (op het gebied van de psychologie en nauw verwante disciplines). Het niveau dat hier wordt beoogd is als voorbereiding voldoende voor de start van een promotietraject. beleidsmaker. De regulatieve cyclus voor praktisch wetenschappelijk werk en de empirische cyclus als wetenschappelijke werkwijze staan in de opleidingen als aanvullende werkwijzen naast elkaar centraal.en Communicatietechnologie (ICT). De toegepaste benadering komt ook tot uitdrukking in de specialisaties van de opleidingen.en masteropleiding bekend met de theoretische en methodologische grondslagen van de belangrijkste basisdisciplines van de psychologie en van de thema’s die specifiek zijn voor de opleiding. Zoals de opleiding schrijft in de zelfstudie vervult ICT een steeds belangrijkere rol in de bachelor. Psychologie aan de UT profileert zich volgens de opleiding binnen Nederland door haar toegepaste benadering. zoals onderwijskunde en communicatiewetenschap.” De opleiding geeft in de zelfstudie aan dat zij wat betreft de doelstellingen en eindkwalificaties aansluit bij het domeinspecifiek referentiekader dat door de Kamer Psychologie is opgesteld.

literatuuronderzoek. Veiligheid & Gezondheid. 1.3 vaardigheid in het vertalen van de behoeften. grondige kennis van de wetenschappelijke basis van de psychologie. kennis en inzicht hebben in de methoden van sociaal. Wetenschappelijke competenties . inclusief de ethische en sociale aspecten.3. . Eindkwalificaties master Vakinhoudelijke competenties 1.of testontwerp voor analyse. Eindkwalificaties bachelor Vakinhoudelijke competenties 1. . modellen..1 in staat tot zelfstandige en planmatige uitvoering van de kerntaken van de wetenschapsbeoefenaar: probleemstelling formuleren. rapportage. .8 inzicht in de maatschappelijke impact van nieuwe methoden en technieken op het terrein van de psychologie. Technologie & Media. 1. zij verwerven die door het gekozen vakkenpakket en de masterthesis. en individuele gevolgen van de invoering van oplossingen voor psychologische problemen. 86 QANU / Psychologie / UT .1.De toegepast-wetenschappelijke competenties manifesteren zich vooral in de bacheloropleiding en de wetenschappelijke competenties vooral in de masteropleiding. . inzicht en vaardigheden op ten minste één van de volgende thema’s: Kennis & Onderwijs. inzicht en vaardigheden in analyse van en realisatie van oplossingen voor vraagstukken en problemen op het gebied van de psychologie.als de masteropleiding verworven.4 vaardigheid in het samenstellen van een experimenteel onderzoeks.9 inzicht in de maatschappelijke. . en Arbeid & Organisatie. beleidsmakers. 1. concepten. Toegepast wetenschappelijke competenties . Veiligheid & Gezondheid. Technologie & Media. de grondbegrippen en theorieën van één specialisatie in de masteropleiding. De overige competenties worden zowel in de bachelor. wensen en eisen van cliënten.en niet-vakgenoten en presenteren.1 (voortbouwend op de vakinhoudelijke competenties van de bacheloropleiding) verdiepende kennis en inzicht hebben in de ontwikkeling.1 inzicht in het toepassen van methoden en technieken in de psychologie in het algemeen.6 vaardigheden om een toegepaste onderzoeksopzet te definiëren en te realiseren op ten minste één van de volgende thema’s: Kennis & Onderwijs. technieken) bij het analyseren en oplossen van complexe (onderzoeks. . 1.5 ruime en gedetailleerde toegepaste kennis. onderzoeksopzet. in staat om complexe psychologische problemen onderzoekbaar te maken. . . en Arbeid & Organisatie.3 bekend zijn met de toepassingsmogelijkheden en beperkingen van psychologische onderzoeksinstrumenten. kennis en inzicht in de statistische basis van de (toegepaste) onderzoeksmethodologie in de psychologie.7 vaardigheden in mondeling en schriftelijk communiceren met vak.of ontwerp)problemen. en dienstverleners in specificaties voor interventies. organisatorische. operationele kennis. Afgeleid van de competentiegebieden formuleert zij daarbij de volgende eindkwalificaties (bron: zelfstudie). kennis van en ervaring met het toepassen van psychologie in een aantal relevante maatschappelijke sectoren.wetenschappelijk onderzoek. dataverzameling en -bewerking.3 in staat tot gebruik van wetenschappelijke kennis (theorieën. . . ondersteuning en het functioneren van een individu of organisatie.

Het uitgangspunt van EuroPsy is een driejarige bacheloropleiding en een tweejarige masteropleiding. 3.en professionele competenties zijn voor de bachelor. vorm te geven en (bij) te sturen (levenslang leren) en te komen tot wetenschappelijke en/of professionele groei. zoals bekend.en niet-vakgenoten en presenteren. Hoewel de opleiding in grote lijnen hieraan tegemoet komt. .1 heeft ervaring opgedaan met kennis.5 vaardigheden in mondeling en schriftelijk communiceren met vak.en masteropleiding gelijkluidend: 3.of masterdiploma als beginnend professional in het brede werkveld van de psychologie aan de slag kunnen.3 beschikt over de attitude en vaardigheden om het eigen leerproces te initiëren.en voor de masteropQANU / Psychologie / UT 87 . vocabulaire en cultuur van een andere discipline (via een minor) en heeft daardoor een bredere blik op wetenschapsgebieden ontwikkeld en/of de sociale en culturele horizon verbreed door kennismaking met andere vakgebieden. modelvorming en instrumentvorming) en deze kennis over te dragen aan wetenschappelijke fora en geïnteresseerden uit de beroepspraktijk en de discussie daarover aan te gaan.5 beschikt over de voor genoemde competenties noodzakelijke academische en intellectuele vaardigheden. 3. De ontwikkelings. 3. De opleiding geeft aan dat de studenten met een bachelor. rationeel. Dit raamwerk wordt beschouwd als standaard waartegen psychologiecurricula kunnen worden geëvalueerd. 3. over reflexief vermogen en het vermogen tot abstraheren en generaliseren. Bijvoorbeeld de instelling van een adviesraad van vertegenwoordigers van het werkveld van de psychologie. methoden en technieken. De aansluiting van de opleiding bij de ontwikkelingen in de arbeidsmarkt zijn bij de voorbereiding van de aanvraag voor een indertijd ongedeelde opleiding Psychologie aan de UT in opdracht van de UT onderzocht door het Bureau Research voor Beleid.. Om de eindkwalificaties van de opleiding in internationaal perspectief te plaatsen geeft de opleiding een overzicht van het raamwerk voor het toekomstige Europese psychologiediploma dat is opgesteld binnen het EuroPsy project (1999-001).4 is in staat feedback te ontvangen en daarop adequaat te reageren. Op het niveau van de eindkwalificaties wordt geen internationale vergelijking gegeven. In de zelfstudie is een vergelijking op curriculumniveau opgenomen van de bachelor. over argumenteervaardigheid. consistent. De opleiding geeft tot slot in de zelfstudie een aantal maatregelen aan die in voorbereiding zijn om de aansluiting van de eindkwalificaties van de beide opleiding bij de eisen en wensen vanuit de beroepspraktijk verder te versterken.en masteropleiding met dit raamwerk. zoals de vaardigheid tot kritisch. heeft oog voor wetenschappelijke en maatschappelijke ontwikkelingen. logisch en creatief denken.4 in staat op basis van bestaande kennis. Studenten met een masterdiploma zijn in de gelegenheid de basisaantekening psychodiagnostiek (BAPD) van het NIP te behalen binnen de thema’s Veiligheid & Gezondheid en Arbeid & Organisatie. zelfstandig en in teamverband. een alumni-adviesraad en houden van een alumnionderzoek Oordeel De commissie heeft de doelstellingen en de eindkwalificaties van de opleidingen bestudeerd en gerelateerd aan het domeinspecifiek referentiekader voor de bachelor. een eenjarige masteropleiding. het oprichten van een alumnivereniging. nieuwe kennis te construeren (theorievorming. kent Nederland.

F2:­Niveau:­Bachelor­en­Master De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene. internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor of een Master. De commissie ziet de aansluiting van de eindkwalificaties op de eisen van vakgenoten en de beroepspraktijk in het domein van de Psychologie. de doelstellingen voortdurend onderwerp van overleg zijn. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. bijzonder en verfrissend in de Nederlandse context. als best practice voor andere opleidingen.1 t/m 1. De commissie acht de keuze van de Universiteit Twente echter verdedigbaar. bijvoorbeeld door het feit dat er geen doelstellingen zijn op het gebied van de klinische psychologie.en masteropleiding Psychologie mogen worden gesteld. De commissie waardeert het sterk dat de UT in tegenstelling tot meer klassieke psychologische richtingen de ambitie heeft de eindkwalificaties daadwerkelijk te laten aansluiten bij de eisen van het beroepenveld. oordeelsvorming en communicatie. De commissie heeft er grote waardering voor dat op dit punt eenheid binnen de staf is bereikt en dat de staf zich sterk inzet de doelstellingen ook daadwerkelijk te verwezenlijken (zie verder in dit rapport). Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat studenten de BAPD van het NIP kunnen halen. Zij is van oordeel dat de eindkwalificaties voldoen aan de domeinspecifieke eisen die aan een bachelor.1 t/m . De gerichtheid op ontwerpen vindt zij in dit kader bijzonder. Zij vindt de doelstellingen van de bachelor.1 t/m 3. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. De commissie vindt de gekozen vier thema’s uniek. Ze sluiten voldoende aan bij de eisen die door vakgenoten en de beroepspraktijk aan een gemeenschappelijke opleiding binnen de Psychologie worden gesteld. Deze ontwerpdoelstelling zou naar het oordeel van de commissie verder uitgewerkt kunnen worden. Deze hebben een goede functie gehad bij de verdere ontwikkeling van de opleiding. Eindkwalificaties . zoals die via de Kamer Psychologie bij alle psychologieopleidingen in Nederland tot stand gekomen is.3 representeren de Dublin-descriptor op het gebied van kennis en inzicht. De commissie stelt hierbij wel vast dat de beroepsuitgangen die binnen de doelstelling van de bacheloropleiding worden gespecificeerd. Voor de bacheloropleiding geldt: Eindkwalificaties 1. De commissie vindt het positief dat doordat Psychologie aan de UT een nieuwe opleiding is.leiding. Binnen de Nederlandse randvoorwaarden van een eenjarige masteropleiding is aansluiting gezocht met het Europese kader voor Psychologieopleidingen. in lichte tegenspraak zijn met de stelling in het domeinspecifiek referentiekader dat de bacheloropleiding geen civiel effect kan hebben.5 representeren de Dublin-descriptoren op het gebied van toepassen van kennis en inzicht. In de zelfstudie relateert de opleiding de competentiegebieden en de eindkwalificaties aan de Dublin-descriptoren. Eindkwalificaties 3. Zie F1 voor nummerverwijzing van eindkwalificaties. 88 QANU / Psychologie / UT . De commissie is van oordeel dat de doelstellingen op duidelijke wijze zijn geëxpliciteerd.5 representeren de Dublin-descriptoren op het gebied van Leervaardigheden en Communicatie. Dit overtuigt de commissie van het feit dat de doelstelling sterk wordt gedragen binnen de staf.en masteropleiding van de UT onderscheidend van andere psychologieopleidingen in Nederland.

Door keuzemogelijkheden in de eindfase van de bacheloropleiding worden meerdere kansen geboden om zich te oriënteren op de thema’s in de masteropleiding Psychologie. QANU / Psychologie / UT 89 .en examenregeling (OER).1 t/m 1. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. • Een WO-master heeft de kwalificaties om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten of multien interdisciplinaire vraagstukken op te lossen in een beroepspraktijk waarvoor een WO-opleiding vereist is of dienstig is. Dit is opgenomen in de onderwijs. Dit is echter naar oordeel van de commissie niet geëxpliciteerd in de huidige eindkwalificaties. t/m 1. Voor de toegang tot de masteropleidingen Psychologie van de andere universiteiten is volgens de zelfstudie een bachelorconvenant tussen de opleidingen Psychologie in Nederland in voorbereiding.3 representeren de Dublin-descriptor op het gebied van kennis en inzicht.1 t/m . De eindkwalificaties 1. blijkens de grondige kennis van de wetenschappelijke basis van de psychologie en de statistische basis van de onderzoeksmethodologie. Oordeel De commissie heeft de eindkwalificaties bestudeerd in het licht van de Dublin-desciptoren en is van mening dat deze hier adequaat bij aansluiten.1. Een afgestudeerde bachelor Psychologie heeft directe toegang tot de masteropleiding Psychologie aan de Universiteit Twente. De eindkwalificaties van de masteropleiding bouwen qua niveau voldoende voort op die van de bacheloropleiding. Zo wordt van een master bijvoorbeeld verdiepende kennis en inzicht verwacht in één van de specialisaties en is de master in staat tot zelfstandige uitvoering van de kerntaken van de wetenschapsbeoefenaar. Eindkwalificaties .en masteropleiding aan de Universiteit van Twente twee duidelijk afgeronde gehelen vormen. F3:­Oriëntatie­WO: De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de volgende beschrijvingen van een Bachelor en een Master in WO: • De eindkwalificaties zijn ontleend aan eisen vanuit de wetenschappelijke discipline.3 van de bacheloropleiding besteden bijvoorbeeld voldoende aandacht aan kennis en inzicht op het niveau van een bachelor. De toegang tot andere masteropleidingen van de Universiteit Twente kan vergemakkelijkt worden door te kiezen voor de minor van de desbetreffende opleiding. De commissie beoordeelt het positief dat de bachelor.1 t/m 3. • Een WO-bachelor heeft de kwalificaties voor toegang tot tenminste één verdere WO-studie op masterniveau en eventueel voor het betreden van de arbeidsmarkt. De commissie stelt vast dat professionele vaardigheden voor bachelor en master gelijkluidend zijn.Voor de masteropleiding geldt het volgende: Eindkwalificaties 1. Eindkwalificaties 3. waarmee wordt aangesloten bij de Bologna-verklaring.5 representeren de Dublin-descriptoren op het gebied van oordeelsvorming en communicatie.5 representeren de Dublin-descriptoren op het gebied van Leervaardigheden en Communicatie. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. de internationale wetenschapsbeoefening en voor daarvoor in aanmerking komende opleidingen de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld. Van de opleiding heeft zij wel begrepen dat deze in de masteropleiding op een hoger niveau worden beheerst.

Oordeel De commissie stelt vast dat de afgestudeerde bachelor toegang heeft tot een wetenschappelijke masteropleiding in de Psychologie aan de UT. De commissie vindt de vereiste kennis en inzicht en academische vaardigheden zoals verwoord in de eindkwalificaties van de bachelor. Met het zelfstandig uitvoeren van een masteropdracht.) en beschikken zij over academische en intellectuele vaardigheden zoals argumenteervaardigheid. reflexief vermogen en het vermogen tot abstraheren en generaliseren (eindkwalificatie . ontstaat volgens de opleiding een profiel waarmee afgestudeerden in principe een positie op de arbeidsmarkt kunnen verwerven. Dit in tegenstelling tot het domeinspecifiek referentiekader. ontwerper van gedragsinterventies. Voor de bachelor.5). Uniek aan de geformuleerde doelstelling en eindkwalificaties van de bacheloropleiding Psychologie van de UT vindt de commissie de duidelijke keuze voor een geheel zelfstandige en afgeronde academische bacheloropleiding die zowel toegang biedt tot het beroepenveld als een masteropleiding op academisch niveau. De competenties stellen de studenten volgens de zelfstudie in staat zich te ontwikkelen tot professional. De masteropleiding besteedt volgens de opleiding expliciet aandacht aan professionele competenties die de rol van bijvoorbeeld ontwerper. in de bacheloropleiding en vervolgens tot wetenschappelijk onderzoeker in de masteropleiding. adviseur. beleidsmaker en adviseur versterken. Zo kunnen afgestudeerde masters bijvoorbeeld zelfstandig wetenschap beoefenen (eindkwalificatie . Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Doelstellingen opleiding’ voor de bachelor. is een afgestudeerde master Psychologie voldoende gekwalificeerd voor het zelfstandig uitvoeren van (toegepast) wetenschappelijk onderzoek in praktijksituaties of in een promotietraject. maar wel verdedigbaar. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.­ Programma Het studieprogramma van de bacheloropleiding is als volgt opgebouwd. eventueel 90 QANU / Psychologie / UT . Zo heeft de afgestudeerde bachelor bijvoorbeeld de vaardigheden om een toegepaste onderzoeksopzet te definiëren en te realiseren (eindkwalificatie .en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. beleidsmaker. complexe psychologische problemen onderzoekbaar maken (eindkwalificatie . Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.6).2. De eerste twee jaar van de bacheloropleiding bestaan uit een verplicht programma. in combinatie met een vakinhoudelijke specialisatie.en masteropleiding geldt volgens de commissie dat er in de eindkwalificaties voldoende aandacht wordt besteed aan academische wetenschappelijke kennis en inzicht en onderzoeksvaardigheden.2. bijvoorbeeld ondersteunend onderzoeker. In het derde jaar kiezen studenten een van de vier thema’s van de opleiding en voeren hun bacheloropdracht uit. aldus de commissie. 7.Door de toegepaste benadering van de bacheloropleiding en de uitgebreide afsluitende bacheloropdracht.1).en de masteropleiding van voldoende academisch niveau.

• themavakken (10 studiepunten). masterstudenten moeten echter andere themavakken kiezen dan zij in het bachelor. Communicatieve vaardigheden 5 Kennispsychologie 5 Risicopsychologie en besliskunde 5 Proefpersoonuren 0 Vakken tweede semester ECTS-studiepunten Data-analyse 1 4 Psychologisch ontwerpen 1 opdracht 5 Persoonlijkheidsleer en Klinische psych. Master In de masteropleiding verdiepen studenten zich op een van de vier thema’s van de opleiding.en neuropsychologie 5 Sociale psychologie 5 Functieleer 5 Proefpersoonuren 0 Jaar  Vakken eerste semester ECTS-studiepunten Data-analyse  3 Methoden en technieken 3 3 Psychologisch ontwerpen  5 Testtheorie en psychodiagnostiek 5 Pract. 91 QANU / Psychologie / UT . • beroepsethiek (0 studiepunten). De opbouw van het derde jaar is voor de verschillende thema’s gelijk en is als volgt: Eerste semester • minor (0 studiepunten). themavakken (0 studiepunten). 5 Mediapsychologie 5 Psychologische ergonomie 5 Gezondheidspsychologie 5 Proefpersoonuren 0 Vakken tweede semester ECTS-studiepunten Methoden en technieken  4 Psychologisch ontwerpen  5 Ontwikkelingspsychologie 5 Geschiedenis van de psychologie 5 Filosofie van de psych. 5 Proefpersoonuren 0 Jaar 3 In het derde studiejaar is de inhoud van de vakken afhankelijk van het gekozen thema. en kennisleer 5 Inl.in combinatie met een stage. Het studieprogramma van de masteropleiding kent de volgende structuur: • • masterthesis (30 studiepunten). Arbeids. Per thema worden er twee of drie verdiepingsvakken aangeboden. Het accent in het programma ligt verder op het opzetten en uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. De verdiepingsvakken zijn specifiek voor de masteropleiding ontwikkeld. Jaar 1 Vakken eerste semester ECTS-studiepunten Methoden en technieken 1 3 Inleiding statistiek 3 Psychologisch ontwerpen 1 theorie 5 Inleiding psychologie 5 Bio. Tweede semester • bachelorthesis (0 studiepunten). Zij kiezen in het derde jaar eveneens een minor.of premasterprogramma hebben gevolgd. Zij kunnen deze kiezen binnen de eigen discipline of op een ander wetenschapsgebied.en organisatiepsych. • themavakken (10 studiepunten). De themavakken zijn gelijk aan de themavakken in de bacheloropleiding.

In de masteropleiding verdiepen de studenten zich in één van de specialisaties of thema’s waarbij het accent volgens de opleiding ligt op het opzetten en uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek. De opleiding geeft aan ook in andere vakken te werken met voorbeelden. De vakken Psychologisch ontwerpen 1 (PO1) en  (PO) in respectievelijk het eerste en tweede bachelorjaar bestaan uit een theoretisch deel en een opdrachtdeel. Studenten moeten in hun eerste jaar tien uur in de rol van proefpersoon fungeren en in de rest van de bacheloropleiding nog eens vijf uur. Indien zij meer aandacht aan methoden en techniek zouden willen besteden is dat goed mogelijk binnen het minorprogramma. cases en praktijkopdrachten.en methodologievakken van de bacheloropleiding omvatten in totaal 0 studiepunten. Hierin wordt gewerkt binnen een realistische taakomgeving en met contextrijke opdrachten. Dit geldt ook voor de bachelorthesis in het derde jaar.• • verdiepingsvakken (10 studiepunten). beroepsethiek (0 studiepunten). Data-analyse . F4:­Eisen­WO Het programma sluit aan bij de volgende criteria voor het programma van een WO-opleiding: • Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines. Binnen iedere specialisatie in de masteropleiding wordt vanaf het collegejaar 9 QANU / Psychologie / UT . Meer specifiek vindt deze interactie tussen onderzoek en onderwijs plaats in de studieonderdelen Psychologisch ontwerpen 1 en  (uitleg hieronder) van de bacheloropleiding en in de bachelor. Zelf kunnen studenten ten behoeve van hun eigen onderzoek voor de bachelor. Studenten bevestigen dat nagenoeg alle docenten onderzoekers zijn. • Het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek. In PO1 maken studenten kennis met een systematische aanpak voor de ontwikkeling van interventies voor het oplossen van psychologische problemen. Andersom geeft de opleiding aan studenten te stimuleren om via de resultaten van ontwerp. Deze docenten geven volgens de studenten die de commissie heeft gesproken vanuit hun eigen onderzoek jeu aan de colleges.en onderzoeksopdrachten in het onderwijs een bijdrage te leveren aan de onderzoeksactiviteiten binnen de vier thema’s.of masterthesis gebruikmaken van deze proefpersonen. • Het programma sluit aan bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën. Inleiding statistiek. In de eerste twee jaar van de bacheloropleiding zijn opeenvolgende ‘onderzoeksvakken’ geprogrammeerd: M&T1 inleiding empirische cyclus. observatie en enquête en M&T onderzoeksontwerpen. Onderzoek komt verder expliciet aan de orde tijdens de proefpersoonuren in de bacheloropleiding. De statistiek. Data-analyse 1. Interview. In de zelfstudie zet de opleiding uiteen dat docenten hun eigen onderzoekervaringen en -bevindingen inbrengen in het onderwijs doordat zij nagenoeg allen betrokken zijn bij fundamenteel of toegepast onderzoek binnen een van de thema’s. Hiervan geven de studenten in het gesprek met de commissie een aantal aardige voorbeelden. In PO voeren studenten een onderzoeksopdracht uit die een toegepast karakter heeft. Studenten die de commissie heeft gesproken noemen de verhouding tussen methoden en statistiek in het geheel van het opleidingsprogramma vrij goed. • Bij daarvoor in aanmerking komende opleidingen heeft het programma aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen.en masterthesis. geput uit actuele gebeurtenissen en de actuele beroepspraktijk.

Hier wordt volgens de staf van de opleiding nog niet zo veel gebruik van gemaakt. te ver. De opleiding meldt in de zelfstudie en de gesprekken met de commissie dat georganiseerde contacten met het werkveld. De relatie met de actuele praktijk van relevante beroepen komt volgens de zelfstudie op diverse momenten aan bod in de bachelor. De interactie tussen onderwijs en onderzoek is voldoende. De natuurwetenschappelijke benadering van de psychologie zou volgens de commissie nog verder toegespitst kunnen worden. Zij bevestigen dat de link met het beroepenveld nog moet groeien. Het is mogelijk om gekoppeld aan de thesis in de bachelor. verder ontwikkeld dienen te worden. Oordeel De commissie oordeelt dat de kennisontwikkeling van studenten van de bachelor. zelfstandigheid en de aanspraak die wordt gedaan op de beoogde competenties. De masterthesis kan gecombineerd worden met een stage. de bachelorthesis en de masterthesis zit volgens de opleiding een gradueel verschil in termen van tijd. complexiteit.007-008 een Methoden & technieken-vak aangeboden waarin de link wordt gelegd tussen theoretische modellen die binnen deze specialisatie bestudeerd worden en specifieke Methoden & technieken-onderdelen die veel gebruikt worden binnen de betreffende specialisatie. Tussen PO in de bachelor. maar naar de mening van de commissie nog niet sterk ontwikkeld. de interactie tussen onderwijs en onderzoek in de opleiding zou verbeteren. In de masterthesis (meestal 30 studiepunten) rapporteren zij over onderzoek dat zij zelf uitvoeren onder begeleiding van de docent van de opleiding. De commissie merkt op dat een leerlijn naar de bachelorthesis toe waarin onderwijs en onderzoek aan elkaar gekoppeld worden. Van de masterthesis verwacht de opleiding van studenten dat zij een wetenschappelijke bijdrage leveren aan de body of knowlegde op een bepaald gebied. QANU / Psychologie / UT 93 . bijvoorbeeld in relatie tot stageactiviteiten. Veel onderzoeksprojecten binnen de thema’s worden uitgevoerd in opdracht van een instelling of organisatie buiten de universiteit of zijn geïnspireerd door de praktijk. Zelfgezochte stages worden doorgaans door de opleiding wel goedgekeurd. Zij is van mening dat de opleiding hiervoor meer oog zou moeten hebben. adviseur en beleidsmaker en de onderzoeksvakken aan de rol van onderzoeker. Dit komt onder meer tot uitdrukking in de (onderzoeks)opdrachten die studenten moeten vervullen in diverse vakken.en bewerken en te presenteren. Zo bieden de vakken behorende bij een van de vier thema’s zicht op mogelijke werkvelden voor de toekomstige psychologisch onderzoeker en professional. De commissie stelt vast dat docenten in meerderheid actief betrokken zijn bij de onderzoeksprogramma’s en voorbeelden uit de onderzoekpraktijk ook inzetten in het onderwijs. Masterstudenten die de commissie heeft gesproken vinden het jammer dat het (nog) niet goed mogelijk is om een stage te lopen.en masteropleiding.en masteropleiding in voldoende mate plaatsvindt in interactie tussen het onderwijs en het onderzoek. In de zelfstudie geeft de opleiding aan dat studenten in de masteropleiding te maken krijgen met steeds complexere onderzoeks. zoals de PO1 en PO en de theses.en/of ontwerpproblemen en er hogere eisen worden gesteld ten aanzien van hun kennis en vaardigheden om wetenschappelijke literatuur te verzamelen. Zij sluiten aan bij het onderzoek binnen het gekozen thema en maken op die manier kennis met de toegepaste context. De ontwerpvakken besteden aandacht aan het type werk van een psychologisch ontwerper.en/of de masteropleiding stage te lopen. Verder wordt onder meer via de inzet van gastsprekers en afgestudeerden uit het beroepenveld studenten een beeld gegeven van het mogelijke werkveld en worden in diverse vakken praktijkvoorbeelden gebruikt ter concretisering en ter illustratie.

en neuropsychologie. De commissie is van mening dat het programma van de bachelor.en masteropleiding. zoals in PO1 en PO. zoals studievaardigheden en informatievaardigheden in het eerste jaar van de bacheloropleiding en testtheorie en psychodiagnostiek in het tweede jaar van de bacheloropleiding. De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken. de specialisatievakken in een thema in de masteropleiding en de bachelor. Als positief punt merkt de commissie hierbij op dat de ‘onderzoeksvakken’ bij de UT geen traditioneel struikelvak vormen. In het derde jaar van de bacheloropleiding kiest een student binnen één thema vier themavakken en in de masteropleiding binnen een ander thema vier themavakken. functieleer. nog verder ontwikkeld kunnen worden. onder meer in de hierboven genoemde onderzoeksvakken in de bacheloropleiding. Zij sluit zich aan bij het oordeel van de opleiding dat contacten met het werkveld en dan met name gericht op de stagemogelijkheden.en masteropleiding de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek voldoende waarborgen. De specifieke vaardigheidsvakken zijn gericht op psycho-diagnostische vaardigheden en communicatievaardigheden.en techniekenonderwijs in het bachelorprogramma geprogrammeerd zou kunnen worden. bijvoorbeeld door de inzet van gastsprekers. De eindkwalificaties zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. ontwerpvakken. De themavakken hebben betrekking op de toegepaste disciplines. De opleiding beargumenteert dit doordat statistiek. De opleiding maakt in haar zelfstudie een onderscheid tussen funderende vakken. praktijkvoorbeelden. Het idee achter de minor is dat studenten in het derde bachelorjaar ten minste 0 studiepunten besteden aan vakken buiten het vakgebied van de psychologie 94 QANU / Psychologie / UT .en masterthesis.en methodenleer ook in andere vakken verweven is. sociale psychologie.en masterthesis. themavakken. zeker gezien het toepassingsgerichte karakter dat de opleiding nastreeft. Zij stelt vast dat deze voldoende aansluit bij actuele theorieën. De commissie heeft op basis van de door haar bestudeerde bachelortheses de indruk dat er wel meer methoden. vaardigheidsvakken. De commissie oordeelt dat er diverse verbanden met de relevante beroepspraktijk worden gelegd. de minor en de bachelor. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. en het toegepaste karakter van praktijk. persoonlijkheidsleer en klinische psychologie) en geschiedenis en filosofie van de psychologie.en onderzoeksopdrachten. In de eerste twee jaar van de bacheloropleiding zijn zes verplichte themavakken (verdeeld over de vier thema’s) opgenomen die dienen ter oriëntatie op de specialisatie in de bachelor. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. In vergelijking met andere psychologieopleidingen heeft de UT weinig Methodenleer en Statistiek (0 studiepunten) als aparte vakken in het bachelorcurriculum geprogrammeerd. onderzoeksvakken.en masteropleiding wordt bestudeerd. De funderende vakken behandelen de vijf basisdisciplines van de psychologie (bio. qua niveau.De commissie heeft de literatuur bekeken die bij de verschillende vakken van de bachelor. Het European Framework stelt dat hiervoor 30 studiepunten benodigd is. F5:­Relatie­tussen­doelstellingen­en­inhoud­programma Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties.

De toegepaste wetenschappelijke competenties komen aan bod binnen de ontwerpvakken. Dit mislukte echter doordat voor docenten niet goed duidelijk was wie een bachelor-.en masterthesis zijn bij F4 besproken. de funderende vakken op het gebied van filosofie van psychologie en beroepsethiek en binnen de bachelor.en nevenrichting worden vermeld op een document dat zij krijgen tijdens de diploma-uitreiking. De wetenschappelijke competenties binnen de onderzoeksvakken. Indien studenten ervoor kiezen binnen de master. De onderzoeksvakken. De commissie heeft van studenten en docenten desgevraagd gehoord dat zij graag zouden willen dat de themavakken voor de masteropleiding (die nu samen worden gegeven met de bacheloropleiding) exclusief voor de masteropleiding aangeboden worden.en masterstudent was.ter verbreding van hun competenties. bijvoorbeeld Media en Techniek. Zij ervaren dit alsof zij zich twee keer specialiseren.en professionele competenties. Zij kreeg de indruk dat het ontwerpvak PO. theses. Samengevat worden de vakinhoudelijke competenties vooral verwezenlijkt door de funderende vakken en de themavakken. in het gesprek met de commissie sterke punten van de opleiding. het mogelijk wordt aparte themavakken voor de masteropleiding te ontwikkelen en te verzorgen.en masteropleiding zijn uiteengezet. de themavakken. De commissie heeft echter de overtuiging dat dit binnen het programma nog sterker geprofileerd kan worden. ongeveer hetzelfde behelst als wat bij zusteropleidingen bekend staat als leeronderzoek of onderzoekspracticum. welke specifiek is voor het Twentse curriculum. De opleiding heeft dit in het verleden getracht te realiseren door masterstudenten een extra opdracht te geven. Deze mogen pas gevolgd worden als de themavakken van de bacheloropleiding en de bachelorthesis met goed gevolg zijn afgerond. Dit sluit aan bij de onderwijsfilosofie van de UT. ontwerpvakken (PO1 en PO) en bachelor. Deze hoofd. Testtheorie en psychodiagnostiek. De opleiding licht dit verder toe aan de hand van de inhoud van de vakken. Oordeel De commissie heeft de leerdoelen van de programmaonderdelen zoals opgenomen in de zelfstudie bestudeerd en net als de opleiding gerelateerd aan de competenties en eindkwalificaties van de bachelor. Masterstudenten waarderen de verbreding in de masteropleiding positief in het gesprek met de commissie.en masteropleiding. naast hun hoofdrichting. In de zelfstudie heeft de opleiding een bijlage opgenomen waarin de leerdoelen van de vakken uit de bachelor. In een schema geeft de opleiding in de zelfstudie per competentiegebied aan op welke wijze de vakken in relatie staan tot de beoogde competenties en bijbehorende eindkwalificaties. De opleiding geeft aan dat indien zich meer masterstudenten inschrijven. Docenten geven aan dat de verdieping in de masteropleiding plaatsvindt in de verdiepingsvakken. Het specifieke toegepaste en op ICT-gerichte profiel van de Twentse psychologieopleiding (zie F1) komt naar het oordeel van de commissie voldoende aan bod. Het onderzoek dat in PO wordt uitgevoerd richt zich op het wetenschappelijk onderbouwd ontwerpen van QANU / Psychologie / UT 95 . dan kunnen zij een nevenrichting behalen.en masterthesis. vier vakken te volgen binnen één ander thema. Zij is van mening dat de opleiding de beoogde eindkwalificaties op zeer gedegen wijze heeft uitgewerkt in het programma en het programma een adequate concretisering betreft van deze competenties. themavakken en de specifieke vaardigheidsvakken. Dit geldt eveneens voor de ontwikkelings. premaster. Masterstudenten noemen het toegepaste karakter en de bijzondere specialisaties. ontwerpvakken.

als keerzijde van de breedheid van de bacheloropleiding. Het viel de commissie op dat het opleidingsprogramma van de bachelor. Overeenkomstig de doelstelling heeft de opleiding duidelijk gekozen voor een brede invulling. Dit zou verder versterkt kunnen worden door meer aandacht te besteden aan praktijkervaring. De commissie is bezorgd over hoe het Psychologie-eindniveau wordt bereikt.interventies. De commissie vindt dat het bachelorcurriculum voldoet aan de breedheid die de doelstellingen vereisen. Dit. Bij de meeste andere opleidingen betreft dat tweeënhalf jaar als de student geen aansluitende hbo-vooropleiding heeft gevolgd. volwaardige gewicht voor een bachelorthesis past goed bij de afgeronde opleiding die in de doelstellingen wordt nagestreefd. bijvoorbeeld in de vorm van een stage. onder meer door de minor die studenten kunnen benutten om hun competenties te verbreden in een ander wetenschappelijk domein. Het is echter te vroeg hier een gefundeerd oordeel over te geven. vormt een spanning tussen de doelstelling en de realisatie van de eindkwalificaties via het verplichte programma. De commissie steunt de opleiding in haar verlangen om een korte stage in het bachelorprogramma op te nemen.als binnen de masteropleiding kunnen worden ingezet. De commissie is positief over de ruime omvang die in het programma wordt toegekend aan de bachelorthesis. inzicht en vaardigheden (voor zover van toepassing). Het is wel mogelijk de stage in de minorruimte te programmeren. Het feit dat een (verplichte) stage in de bacheloropleiding ontbreekt. Met ieder hbo-einddiploma is instroom in de masteropleiding mogelijk na een premasteropleiding van een jaar.en masteropleiding tezamen minder aandacht besteedt aan klinische psychologie dan gemiddeld in Nederland. bijvoorbeeld door de programmering van een minor. Dit zou met de groei van studentenaantallen in de masteropleiding volgens de commissie ook realiseerbaar moeten zijn. 96 QANU / Psychologie / UT . enigszins bezorgd over de hoeveelheid verdiepende psychologische kennis en inzicht in de opleiding. De commissie is van mening dat de eindkwalificaties adequaat vertaald zijn in leerdoelen van de vakken. Indien de student zich verder wil specialiseren in de masteropleiding kan hij of zij vervolgens 40 studiepunten aan hetzelfde onderwerp besteden als de specialisatie van de bacheloropleiding. De commissie oordeelt dat deze opzet voldoende mogelijkheden biedt voor verdieping. Zorgpunt van de commissie is de uitwisselbaarheid van de themavakken die zowel binnen de bachelor. De commissie heeft bij F3 vastgesteld dat de bacheloropleiding volgens de opleiding een daadwerkelijk afgeronde opleiding is. De commissie vindt het toegepaste karakter van de doelstelling van de masteropleiding nog mager vertegenwoordigd in het curriculum van de masteropleiding. De voorkeur verdient echter om specifieke masterthemavakken te ontwikkelen. naar de mening van de commissie. waarna de student de arbeidsmarkt kan betreden. De opleiding maakt bij elk vak een onderscheid tussen leerdoelen op het gebied van kennis. De opleiding geeft aan dat dit bij de start van de opleiding ook zo met het Ministerie is afgesproken. Verder is de commissie van mening dat de ambities ten aanzien van het toegepaste ontwerpgerichte karakter in de doelstellingen van de opleiding verder kunnen worden uitgewerkt. Zij begrijpt de overwegingen van de opleiding om dit zo in te vullen en is ook van mening dat de basiskwaliteit voor dit facet voor de masteropleiding gewaarborgd is door de verdiepingsmodulen en masterthesis van samen 40 studiepunten. De opleiding heeft desgevraagd aangegeven dit te bewaken door binnen de bacheloropleiding de thesis (0 studiepunten) te laten aansluiten bij de themavakken (0 studiepunten). De commissie heeft vastgesteld dat de opleidingen voldoen aan de eisen voor de Basisaantekening Psychodiagnostiek. De commissie was vooraf.

Zij weten twee voorbeelden te noemen van enige herhaling in het curriculum die inmiddels zijn aangepast.en masterthesis. vaardigheden binnen de specifieke vaardigheidsvakken.en masteropleiding een goede inhoudelijke samenhang op een bepaald veld wordt bewerkstelligd. Zij vinden de samenhang in het programma goed afgestemd. Uit studenttevredenheidsonderzoek dat door de faculteit is gehouden (juni 005). De punten van kritiek die hierboven zijn genoemd. De kennis uit de funderende vakken kan worden toegepast binnen de ‘toegepaste stroom’ bijvoorbeeld bij Psychologisch ontwerpen  en de bachelorthesis.en masteropleiding op samenhang bestudeerd. blijkt dat studenten Psychologie de opbouw van de voorkennis in het curriculum als goed ervaren. Om die reden heeft de commissie dit facet voor beide opleidingen beoordeeld met een voldoende en niet met een goed. In de masteropleiding ligt het accent inhoudelijk op de disciplinaire basis binnen een bepaald thema en het (toegepast) onderzoek.Het programma in zijn geheel overziend op basis van de inhoud van de vakken en de opbouw binnen de funderende-. QANU / Psychologie / UT 97 . onderzoeksmatig en professioneel handelen worden geleverd door de vaardighedenvakken. De vaardigheden die worden aangeleerd bouwen binnen de verschillende vakken op elkaar voort en er zijn duidelijke clusters van samenhangende vakken. Oordeel De commissie heeft het programma van de bachelor. bijvoorbeeld in het vak Psychologisch ontwerpen 1. thema. Tot slot geeft de opleiding aan dat de vaardigheden voor academisch. vormen een belangrijke plek in de afweging van de commissie. De commissie waardeert dit positief. (toegepast) onderzoek in de ontwerp. Masterstudenten die de commissie heeft gesproken geven desgevraagd aan dat zij nauwelijks onnodige herhalingen of overlap in het programma hebben ervaren. Zij beoordeelt dit facet voor de bacheloren masteropleiding als voldoende. is de commissie concluderend van mening dat dit studenten voldoende de mogelijkheid biedt de eindkwalificaties te behalen. de kennis gebruikt die is geleverd binnen de funderende vakken. De commissie constateert dat door de thema’s in de bachelor. De zelfstudie geeft aan dat binnen de bacheloropleiding drie componenten in samenhang worden aangeboden. F6:­Samenhang­programma Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend studieprogramma. Zo wordt bij de oplossing van psychologische problemen. .en onderzoeksvakken en 3. De commissie is van oordeel dat de bacheloropleiding strak geprogrammeerd is. De commissie heeft geen onnodige overlap geconstateerd in het programma. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. zij van mening zijn dat er nauwelijks overlap is tussen de vakken en dat het onderwijsaanbod voldoende samenhang biedt.en themavakken. de disciplinaire basis in de funderende.en specifieke vaardigheidsvakken en de bachelor. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. onderzoeks-. ontwerp-. In een schema zet de opleiding uiteen hoe de component (toegepast) onderzoek in een relatie van bruikbaarheid en toepasbaarheid staat tot de andere twee componenten. Dit betreft 1.

Uit studenttevredenheidsonderzoek (juni 005) blijkt dat iets meer dan de helft van de bachelorstudenten tussen de 16 en 31 uur per week besteedt aan hun studie. 98 QANU / Psychologie / UT . die betrekking hebben op dat programma en die de studievoortgang belemmeren zoveel mogelijk worden weggenomen. Dit betreft bijvoorbeeld de verroostering van het onderwijs waarbij op basis van zogeheten ‘microplanformulieren’ rekening wordt gehouden met de spreiding van hoorcolleges. Vanwege de beschikbare docentcapaciteit kunnen op deze manier de groepen kleinschalig worden gehouden. Per blok is de studielast ongeveer 15 studiepunten. Uit vakevaluaties blijkt dat studenten aan vakken met veel practica of opdrachten evenveel of meer tijd dan de geplande studielast besteden. Studenten worden vooraf geïnformeerd over de meest studeerbare volgorde van vakken. In de zelfstudie geeft de opleiding een vijftal maatregelen die zij heeft genomen om de studeerbaarheid te maximaliseren. Studenten van de bacheloropleiding geven aan dat Statistiek een zwaar vak is en voor enkele studenten een struikelblok betekent. De commissie heeft de bachelorstudenten die zij heeft gesproken gevraagd hoeveel zij de afgelopen week hebben gestudeerd. Op een aantal overgangen is verplichte voorkennis als eis gesteld. werkcolleges en practica over een blok en het semester.en masteropleiding geldt dat elk studiejaar een geprogrammeerde omvang van 60 studiepunten heeft. omdat het zwaartepunt dan ligt op de afronding van PO1 en PO. Om te starten met de masterthesis is echter een volledig afgeronde bacheloropleiding vereist. Aan vakken die worden afgerond met een tentamen besteden studenten over het algemeen minder studietijd. Naar aanleiding hiervan is het eerste jaar geïntensiveerd door meer contactmomenten in te lassen voor het onderdeel PO1. Verder geven studenten in dit tevredenheidsonderzoek aan dat de opleiding en de propedeuse goed te doen is in de tijd die ervoor staat. Het vak is inmiddels wel in kleinere onderdelen opgedeeld. De opleiding geeft aan evaluatiegegevens over de studeerbaarheid te gebruiken om het curriculum inhoudelijk en logistiek te versterken. Een semester kent twee blokken.Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De onderzoeksvakken in het eerste en tweede bachelorjaar worden twee keer aangeboden. bijvoorbeeld op het gebied van methoden en statistiek. Hieruit komt een zeer uiteenlopend beeld van de studielast: van gemiddeld 8 uur per week tot 60 uur per week. Met uitzondering van 1 ECTS-studiepunt verschil in het eerste bachelorjaar. is dit gelijkmatig over semesters verdeeld. F7:­Studielast Het programma is studeerbaar doordat factoren. Studenten hebben twee tentamenkansen per vak per jaar. Deze studenten halen volgens hen weinig punten. De opleiding houdt hier in de planning rekening mee door werkvormen en toetsvormen te spreiden. Studenten mogen vakken uit de masteropleiding volgen terwijl de bacheloropleiding nog niet is afgerond. Voor de bachelor. Aan het eind van het eerste en tweede bachelorjaar staan minder vakken ingepland. In 006-007 streeft de opleiding naar een verdere uitbreiding van het aantal colleges in het eerste semester van het eerste bachelorjaar. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Studenten geven aan dat de opleiding verder ‘goed te doen’ is en soms wel moeilijker mag. Studenten geven aan geen ‘last’ te hebben van bijvakkers of studenten die de opleiding als tweede studie volgen.

De commissie heeft op basis van de gesprekken met de staf de indruk dat bij groei van de studentenaantallen in de masteropleiding meer persoonlijk toegesneden opleidingsprogramma’s door vergroting van het aantal vakken en dus keuzemogelijkheden mogelijk worden. maar vraagt dat veel organisatietalent van de student. Deze programmering maakt het volgens de commissie moeilijk voor studenten om buiten de nabije omgeving een stage of externe opdracht uit te voeren. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. kunnen zij zich in de eindfase minder focussen op de thesis of externe opdracht. Om die reden heeft de commissie dit facet voor beide opleidingen beoordeeld met een voldoende en niet met een goed. Zij moedigt deze ontwikkeling aan. De gerealiseerde studielast verschilt van student tot student. maar benadert in de ogen van de commissie voldoende de geprogrammeerde studielast. Vanwege de start en de (nog) kleine studentenaantallen is ervoor gekozen nog geen grote hoeveelheid vakken aan te bieden. Als zij de vakken anders willen spreiden over hun masterjaar. blijkend uit toelatingsonderzoek. aldus de masterstudenten. Daarnaast vindt de staf het een voordeel dat studenten door de verdiepingsvakken in het tweede semester. Desgevraagd geeft de staf aan dat voor deze opzet is gekozen vanwege de flexibiliteit om op elk moment in de masteropleiding te kunnen instromen (bij de start van elke periode. Door de goede spreiding hiervan wordt onnodige vertraging voorkomen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De commissie concludeert de positieve punten en de verbeterpunten wegende. dus vier keer per jaar). is dat wel mogelijk. Zij stelt vast dat in de bacheloropleiding het onderdeel beroepsethiek een werkcollege met verplichte deelname betreft. Studenten met een vwo-diploma worden rechtstreeks toegelaten tot de bacheloropleiding. HBO-propedeuse of daarmee vergelijkbare kwalificaties.Ten aanzien van de studeerbaarheid in de masteropleiding geven de masterstudenten die de commissie sprak aan dat zij gedurende de hele masteropleiding vakken volgen en de thesis schrijven. Studenten met een hbo-propedeuse of hbo-einddiploma worden toegelaten mits zij over voldoende QANU / Psychologie / UT 99 . ook contact houden met de opleiding. De studiepunten zijn evenwichtig verdeeld over het programma. De punten van kritiek die hierboven zijn genoemd. De commissie raadt de opleiding aan van dit onderdeel een cursus te maken of hier studiepunten voor te geven. WO-master: bachelor en eventueel (inhoudelijke) selectie. dat het programma in voldoende mate studeerbaar is. omdat het programma anders uitgebreider is dan op grond van het aantal studiepunten verwacht mag worden. Door de programmering van de vakken tot aan het einde van de master. De toelatingsvereisten voor de bacheloropleiding zijn opgenomen in de studiegids. Ook noemen zij de programmering van de vakken in de masteropleiding weinig flexibel. vormen een belangrijke plek in de afweging van de commissie. naast het werken aan de thesis. Oordeel De commissie vindt de opleidingen zeer studeerbaar. De commissie plaatst echter ook enkele kanttekeningen bij dit facet. Zij vindt het positief dat studenten vier keer per jaar kunnen instromen in de masteropleiding. De commissie is verder van oordeel dat masterstudenten een ritme van: eerst vakken dan de thesis. in het studieprogramma missen. De commissie is positief over de wijze van roostering van colleges en tentamens. F8:­Instroom Het programma sluit qua vorm en inhoud aan bij de kwalificaties van de instromende studenten: WO-bachelor: VWO. maar dat de studenten hier geen studiepunten voor ontvangen.

De UT heeft 300 QANU / Psychologie / UT . Voor aankomende studenten die niet aan deze eis voldoen. Besloten is deze cursus aan te bieden aan alle bacheloropleidingen van de faculteit. Minimale eis is wiskunde op havo-niveau in de profielen N&G en N&T of HAVO wiskunde-B (oude stijl). Voor studenten met een hbo-propedeuse Toegepaste Psychologie van de Saxion Hogeschool bestaat een standaard vrijstellingspakket van 15 studiepunten. De bacheloropleiding heeft qua studentenaantallen een sterke groei doorgemaakt. Naast deze specifieke regeling kent de opleiding een standaard vrijstellingsregeling voor studenten met een hbo-bachelordiploma die de bacheloropleiding Psychologie willen volgen.wiskundekennis beschikken. In de zelfstudie wordt voor de bacheloropleiding het systeem van standaardvrijstellingen en individuele vrijstellingen uiteengezet. Voor hen geldt ook de wiskunde-eis. Studenten met een afgeronde bacheloropleiding Psychologie van een Nederlandse of buitenlandse universiteit kunnen instromen in de masteropleiding­Psychologie. Uit de cijfers blijkt dat deze toename is toe te schrijven aan de extra instroom van buitenlandse (Duitse) studenten. Hiervoor biedt de UT een taalcursus aan. Desgevraagd geven de studenten die de commissie heeft gesproken aan dat communicatie met Duitse studenten goed verloopt. Individuele aanvragen voor vrijstellingen worden door de examencommissie beoordeeld. die is ingegeven door de invoering van de numerus clausus in Duitsland. Naast deze standaard vrijstellingsregelingen geldt een individuele vrijstellingsregeling. De instroom was de eerste drie jaar (start in 00) redelijk stabiel (gemiddeld 11 studenten per studiejaar) en steeg in 005 naar 18 instromende studenten. De zelfstudie geeft een overzicht van de instroomaantallen in de bachelor. De Saxion Hogeschool biedt bovendien deze studenten de mogelijkheid om tijdens de hbo-propedeuse wiskunde-onderwijs te volgen waarmee voldaan kan worden aan de wiskunde-eis. Voor niet-Psychologie wo-bachelors en voor hbo-bachelors verschaft een premastertraject (60 studiepunten) toegang tot de masteropleiding Psychologie aan de UT. Wat betreft de aansluiting van het programma op de vooropleiding van Duitse studenten is de opleiding gebleken dat de taalcursus voldoet. De Centrale Studenten Administratie van de UT registreert instromende studenten en controleert in samenwerking met Bureau Onderwijszaken of studenten aan de eisen voor de bacheloropleiding of de masteropleiding voldoen. Daarnaast bestaat voor deze studenten de mogelijkheid om tijdens hun propedeuse al vakken te volgen en tentamen te doen binnen de bacheloropleiding. Zij krijgen een vrijstelling voor de minor (0 studiepunten). Een dergelijke cursus is ook aangeboden en vervolgens goed geëvalueerd (december 004). Ook Duitse studenten zelf vinden de integratie in de groep goed verlopen. Deze wiskunde-eis geldt ook voor studenten die via een ministeriële beschikking of colloquium doctum toegang verkrijgen tot de bacheloropleiding.en masteropleiding. biedt de faculteit driemaal per jaar een wiskundecursus aan die wordt afgesloten met een toets. De UT kent relatief veel studenten die uit Duitsland afkomstig zijn. maar extra aandacht in de vorm van een aanvullende cursus gedurende het eerste jaar wenselijk is. Eveneens moeten zij aantonen het Nederlands op NT- niveau te beheersen. Studenten die deze toets niet voor aanvang van het collegejaar met een voldoende hebben afgerond. Dit is een toename van 80%. worden niet toegelaten tot de bacheloropleiding. Ook voor de masteropleiding geldt dat instromende studenten op NT-niveau de Nederlandse taal moeten beheersen. Dit onderwijs is in samenwerking met de bacheloropleiding Psychologie van de UT opgezet. Zij voldoen aan de wiskunde-eis wanneer zij tot en met de ‘Abitur’ wiskundeonderwijs hebben genoten.

Uit studievoortgangsgegevens die de opleiding heeft vermeld in de zelfstudie maakt de commissie op dat vwo-instromers het over het algemeen goed doen. in het derde jaar kunnen instromen om een klinische richting te volgen. De commissie concludeert dat het programma van de bachelor. Zij waardeert de maatregelen die de opleiding voor de verschillende doelgroepen neemt. Werving en voorlichting aan aankomende studenten vindt langs diverse kanalen plaats: via websites. 11% een hbo-propedeuse en 6% een buitenlands diploma. wel na het tweede jaar bij een andere universiteit. In het premasterprogramma zijn in 004 5 studenten ingestroomd en in 005 33. voorlichtingsdagen. bijvoorbeeld voor de Duitse studenten en het premastertraject voor hbo-studenten. De commissie heeft vastgesteld dat de opleidingen een redelijk gedifferentieerde instroom kennen. Enig punt van aandacht betreft de studiegids.een actief wervingsbeleid gevoerd in Duitsland. De commissie heeft het pr. Van hen hebben elf studenten (31%) de bacheloropleiding Psychologie aan de UT gevolgd en  (63%) het premasterprogramma. meeloopdagen en via de landelijke studiebeurzen en studiebeurzen in Duitsland.(en commissie-) onvriendelijk door bundeling van alle opleidingen van de faculteit in één gids. De commissie is van mening dat het programma adequaat aansluit bij de gevarieerde instroom in de bachelor.en masteropleiding. De aansluiting lijkt geen probleem. Oordeel Sinds de start van de opleiding Psychologie aan de UT in 00 is de bacheloropleiding uitgegroeid tot de opleiding met de grootste instroom van de UT: van 10 studenten in 00 tot 0 studenten in 005. De opleidingen spelen hier adequaat op in. De overige twee masterstudenten (6%) hebben een wo-bacheloropleiding Psychologie aan een andere universiteit gevolgd. De opleiding geeft aan dat dit de komende jaren een punt van aandacht zal worden. De masteropleiding is in 005-006 met 35 ingeschreven studenten van start gegaan. een Carrièreboek waarin beroepsmogelijkheden na een gedragswetenschappelijke bacheloropleiding worden geschetst. De eerste lichting bachelorstudenten was daarvan nog niet goed op de hoogte. Gemiddeld over de afgelopen vier collegejaren heeft 63% van de bachelorstudenten een vwo-vooropleiding. De overige studenten zijn ongeveer gelijk verdeeld over de twee andere thema’s. Bachelorstudenten die de commissie heeft gesproken geven aan dat in de voorlichting nu heel duidelijk wordt gemaakt dat de UT geen klinische richting aanbiedt. Zij melden de commissie dat als zij de klinische richting toch ambiëren. QANU / Psychologie / UT 301 . De verdeling van studenten over de diverse mastervarianten is verschillend. Studenten met een hbo-propedeuse stromen minder snel door. Ongeveer een kwart kiest het thema Arbeid en Organisatie. voorlichting op vwo-scholen. opleidingsbrochures. Iets meer dan de helft van de studenten volgt het thema Veiligheid en Gezondheid. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. bijvoorbeeld de Radboud Universiteit.en masteropleiding qua vorm en inhoud voldoende aansluit op de kwalificaties van instromende studenten.en voorlichtingsmateriaal bekeken en vindt dat deze een goed beeld geven van de opleiding. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De commissie vindt deze student.

F9:­Duur De opleiding voldoet aan formele eisen m. Studenten worden bij de thesis individueel begeleid door de docenten. De masteropleiding bestaat voor een groot deel uit groeps.en werkcolleges zijn gericht op het verwerven van kennis en inzicht. De werkvormen sluiten aan bij het didactisch concept. De hoeveelheid contacturen neemt af in het derde jaar. De eerste twee bachelorjaren kennen relatief veel hoorcolleges. uitgebreide werkcolleges of groeps. Statistiek en methodologie vakken maken ook gebruik van kleinschalige werkcolleges en practica.en werkcolleges. Door de (nog) kleine omvang van de groepen in de masteropleiding is het onderwijs volgens de opleiding interactief en individueel. De opleiding geeft aan deze in te zetten om studenten te laten kennismaken met het vakgebied en de wijze van denken en leren. aanschouwelijk worden gemaakt. De opleidingen hanteren als didactisch uitgangspunt dat studenten in aanraking worden gebracht met een mix aan werkvormen. In de masteropleiding bestaan de werkvormen uit hoor. De specialisatiefase in de bacheloropleiding wordt afgesloten met een thesis (0 studiepunten). De opleiding verwacht van studenten dat zij dan beter in staat zijn zelf hun studieproces vorm te geven.en individuele opdrachten. en studenten te stimuleren tot (regelmatige) zelfstudie. VIP’s zijn uitgebreidere modulen waarmee vaardigheden in de psychologie. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. afhankelijk van de opleiding.b. Oordeel Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. de omvang van het curriculum: WO-bachelor: in de regel 180 studiepunten. Het bachelorprogramma omvat 180 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. Als werkvormen kent de bacheloropleiding het hoorcollege. Voor het verwerven van vaardigheden of oefenen van competenties zet de opleiding practica. Het aantal contactmomenten is in vergelijking tot de bacheloropleiding lager. 30 QANU / Psychologie / UT .en individuele opdrachten en de masterthesis (30 studiepunten) die net als in de bacheloropleiding eventueel gecombineerd kan worden met een stage. werkcolleges. Deze zijn ontwikkeld in door de Stichting SURF en de DU (Digitale Universiteit) gefinancierde projecten. de thesis/ stage en zelfstudie. WO-master: minimaal 60 studiepunten. de thesis/stage en zelfstudie. Het masterprogramma omvat 60 ECTS-studiepunten en voldoet daarmee aan de formele eisen met betrekking tot de omvang van het curriculum. aansluitend bij de beoogde competenties. Hoor. Onderdeel van het didactisch concept is de elektronische leeromgeving TeleTOP en het gebruik van ICTmiddelen zoals ZAP’s (Zeer Actieve Psychologie) en VIP’s (Vaardigheden in de Psychologie).t. F10:­Afstemming­tussen­vormgeving­en­inhoud Het didactisch concept is in lijn met de doelstellingen.of individuele opdrachten in. Zij stuurt dit aan via omvangrijke groeps. practica. deze kan gecombineerd worden met een korte stage. ZAP’s zijn korte interactieve modulen waarin studenten kennismaken met experimenten en fenomenen uit de psychologie. zoals gesprekvaardigheden en diagnostische vaardigheden.

De commissie concludeert dat het gehanteerde didactische uitgangspunt en de invulling hiervan via de diversiteit aan werkvormen aansluiten bij de beoogde eindkwalificaties van de bachelor. In de zelfstudie heeft de opleiding per studieonderdeel van het bachelor. toetsingen en examens wordt adequaat getoetst of de studenten de leerdoelen van (onderdelen van) het programma hebben gerealiseerd. hiervoor geldt verplichte deelname). de opleiding voldoende activerende onderwijsvormen bevat en een goede verhouding tussen individueel en in groepsverband werken heeft.en masterprogramma aangegeven hoe getoetst wordt.en de masteropleiding. De commissie vindt de verhouding tussen de bovengenoemde werkvormen passend bij de inhoud en de beoogde competenties. In een tabel heeft de opleiding in de zelfstudie de verschillende werkvormen over de verschillende studiejaren uiteengezet. De opleidingscommissie adviseerde in 005 het aantal contacturen in het eerste jaar uit te breiden. bijvoorbeeld gericht op integratie van Duitse studenten door hen in kleine groepjes te laten samenwerken met Nederlandse studenten. De commissie is positief over het feit dat er binnen de opleiding aandacht wordt besteed aan de sociale cohesie binnen de werkgroepen.Uit onderwijsevaluaties is naar voren gekomen dat docenten en studenten een voorkeur hebben voor een groter aantal contactmomenten. Zij waardeert het positief dat dit in samenwerking met enkele andere universiteiten tot stand is gekomen en hiervan nu ook bij zusteropleidingen elders gebruik wordt gemaakt. Studenttevredenheidsonderzoek (juni 005) laat zien dat bachelorstudenten de praktijkgerichtheid van de opleiding waarderen. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Studenten wordt hiervoor na afloop van elk vak gevraagd digitaal een vragenlijst in te vullen. Al eerder is aangegeven dat bij de verroostering van het onderwijs de spreiding van de verschillende toetsvormen een rol speelt. De representativiteit. De toetsvormen worden bepaald door de examinator van de vakken. QANU / Psychologie / UT 303 . De commissie heeft enkele ZAP’s en VIP’s bekeken en vindt deze aansluiten bij het didactisch concept. Hieruit blijkt dat elk onderwijsonderdeel wordt afgesloten met een tentamen of opdracht of beide (uitgezonderd de proefpersoonuren en beroepsethiek. Oordeel De commissie is van mening dat de elektronische leeromgeving TeleTOP en het gebruik van ZAP’s en VIP’s in het onderwijs aansluit bij het onderscheidend kenmerk van de Twentse opleidingen zoals verwoord bij F1: de gerichtheid op ICT. F11:­Beoordeling­en­toetsing Door de beoordelingen. het niveau en de aard van de toetsing vormen een vast onderdeel van de vakevaluaties. De commissie vindt dit een belangrijke en interessante vernieuwing en een adequate manier om technologie toe te passen in het onderwijs. Deze afstemming komt ook aan de orde op het semesteroverleg. Studenten worden. aansluitend bij het didactisch uitgangspunt. met een mix aan werkvormen geconfronteerd. Voor het studiejaar 006-007 bereidt de opleiding een verdere uitbreiding van de contacturen in het eerste bachelorjaar voor. De onderwijscoördinator controleert of de aangeboden toetsvormen goed op elkaar afgestemd zijn. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.

bijvoorbeeld ten aanzien van de eisen aan de bachelor. De commissie vindt de organisatie en roostering van 304 QANU / Psychologie / UT . Zij waarderen het dat elk tentamen met het oog op herkansing wordt nabesproken en bevestigen dat er altijd een inzagemoment is. maatregelen in geval van fraude.en masterthesis worden voor de consistentie beoordeeld aan de hand van een lijst met beoordelingsaspecten en kennen een eerste en tweede beoordelaar. De commissie heeft begrepen dat de drie kamers binnen de faculteit het eigenlijke commissiewerk per opleiding verzorgen. Oordeel De commissie heeft enkele toetsen van de bachelor. De opleiding wil met de invoering van dit toetsbeleid waarborgen dat studenten blijvend worden voorzien van betrouwbare feedback over de ontwikkeling van de vereiste competenties. zoals een instructie voor docenten. De commissie vindt het te waarderen dat totnogtoe weinig multiplechoicetentamens zijn afgenomen.en masterthesis en de bouwstenen voor het op te zetten toetsingsbeleid. De examencommissie geeft aan dat de cijfergeving bij beoordelingen de autonomie van de docent betreft. en met procedures. bijvoorbeeld rondom vrijstellingen. Over het algemeen geven docenten van de opleiding studenten meer feedback op opdrachten dan alleen het cijfer. De bachelor. De Kamer Psychologie van de examencommissie houdt zich vooral bezig met het afhandelen van aanvragen van studenten. indien de beoordeling zowel uit een tentamen en één of meerdere opdrachten bestaat. De opleiding geeft aan dat eisen en criteria aan opdrachten vooraf beschikbaar (moeten) worden gesteld via TeleTOP. De Kamer Psychologie van de examencommissie van Gedragswetenschappen bestaat uit vijf leden. Er wordt binnen de faculteit wel gestreefd naar het zo veel mogelijk gelijk houden van de procedure die de drie kamers hanteren.en masteropleiding bestudeerd en is van mening dat deze de stof goed dekken. Gesproken bachelorstudenten bevestigen dat de stof over het algemeen goed wordt behandeld in de tentamens. de toetsvormen gevarieerd zijn en aansluiten bij de leerdoelen van het betreffende onderdeel. Tentamens worden per vak tweemaal per jaar aangeboden (één herkansing aan het einde van het volgende blok of in augustus). verlenen van vrijstellingen. goedkeuring van studieprogramma’s en toetsingsregelingen. Een student kan verzoeken om individuele nabespreking van en feedback op het werk. Zij vergaderen eens per maand. De Kamer Psychologie van de examencommissie vergadert in principe maandelijks. maar vreest dat de opleiding dit bij groei van de studentenaantallen niet kan continueren. In de OER is geregeld dat studenten tentamens en opdrachten in kunnen zien. vaststellen of studenten voldoen aan de gestelde eisen voor het (cum laude) diploma.Studenten worden via de digitale leeromgeving TeleTOP vooraf geïnformeerd over de wijze waarop het eindcijfer wordt bepaald. benoemd door de decaan. De commissie heeft gesproken met leden van de opleidingspecifieke Kamer Psychologie van de facultaire examencommissie. Studenten moeten zich via dit systeem ook aanmelden voor tentamens. Onderwerpen die aan bod komen zijn: de vaststelling en uitvoering van de OER. De examencommissie krijgt binnen dit beleid een nieuwe taak op het gebied van optimalisering van het toetsbeleid. Op facultair niveau is toetsbeleid ontwikkeld. Elk blok heeft een tentamenperiode. klachten over examenprocedures. Organisatorische informatie over tentamens wordt aan studenten verstrekt via het Tentamen Aanmeld Systeem Twente.

Het onderzoek van de faculteit is voor het grootste deel ondergebracht in het onderzoeksinstituut Institute for Behavioural Research. De ud’s. Dit betreft met name docenten communicatieve vaardigheden en docenten met bijzondere technische kennis en vaardigheden die worden ingezet bij practicumonderwijs. De commissie oordeelt dat de opleidingen voldoen aan de eisen die gelden voor dit facet. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Zij leveren daarmee een bijdrage aan de ontwikkeling van het vakgebied. zeven promovendi en elf docenten. eenentwintig ud’s. Bij de bachelor. Oordeel De commissie stelt vast dat een grote meerderheid van de onderwijsgevenden in de opleidingen Psychologie is gepromoveerd en een onderzoekstaak heeft in een programma van erkende kwaliteit. Zij zijn afkomstig uit verschillende afdelingen van de faculteit en een aantal van buiten de faculteit. De commissie stelt vast dat de onderzoeksprogramma’s van de UT nog niet door een onderzoeksvisitatiecommissie Psychologie zijn beoordeeld.de toetsen adequaat.2. namelijk binnen het Institute for Behavioural Research. tien uhd’s. QANU / Psychologie / UT 305 . Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. De commissie oordeelt met het oog op consistentie van de beoordeling positief over het feit dat er beoordelingsformulieren worden gehanteerd bij de beoordeling van de theses en deze door twee beoordelaars behandeld worden. allemaal gepromoveerd en hebben een onderzoekstaak. De commissie heeft geen klachten vernomen over de toetsen. In de zelfstudie wordt aangegeven dat 73% van het wetenschappelijk personeel is gepromoveerd. De commissie is tot slot van mening dat de examencommissie adequaat volgens haar wettelijke taken opereert.en masteropleiding zijn in totaal zestig medewerkers betrokken als docent. De commissie stelt vast dat op opleidingsniveau wordt gewerkt aan het invoeren en implementeren van het facultaire toetsbeleid. met één uitzondering. 7. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Programma’ voor de bachelor.­ Inzet­van­personeel F12:­Eisen­WO De opleiding sluit aan bij de volgende criteria voor de inzet van personeel van een WO-opleiding: Het onderwijs wordt voor een belangrijk deel verzorgd door onderzoekers die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het vakgebied. Dit betreft elf hoogleraren. uhd’s en hoogleraren die zijn betrokken bij het onderwijs in de opleidingen zijn. Meer dan 80% van de docenten van Psychologie zijn ook werkzaam in het onderzoek en leveren daarmee een bijdrage aan de ontwikkeling van het vakgebied.3. Een klein aantal docenten heeft geen onderzoeksaanstelling. Vooral over het feit dat na ieder volgend blok een tweede tentamenkans is geprogrammeerd is zij positief. De commissie waardeert het positief dat het aantal docenten met een onderzoekstaak bij de psychologieopleiding aan de UT groot is. Zij moedigt dit verder aan.

bijvoorbeeld veertig uur voor de begeleiding van een thesis. Deze ondercapaciteit is ontstaan doordat studenten scheef kiezen voor een van de vier thema’s. Binnen de faculteit is in 004-005 een taakurenmodel ontwikkeld om een beter beeld te krijgen van de daadwerkelijke onderwijsinspanningen en om betere kosten-baten afwegingen mogelijk te maken.Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. een hoogleraar en een stage/afstudeercoördinator te kunnen aanstellen. Voor de ondersteuning is specifiek voor de opleidingen psychologie 4. Als de afdeling geen capaciteit beschikbaar heeft. Door bezuinigingsmaatregelen is het echter moeilijk de capaciteit hiervoor uit te breiden. Arbeid en Organisatie en Veiligheid en Gezondheid worden het meest gekozen. De opleidingen beschikken over 1.en masteropleiding aan totaal 56 studenten (peildatum: 1 december 005). De opleidingsdirecteur inventariseert samen met het afdelingshoofd of er voldoende gekwalificeerd personeel beschikbaar is. De commissie heeft uit de gesprekken met de delegaties begrepen dat het thema Veiligheid en Gezondheid op het moment van de visitatie onderbezet is. F13:­Kwantiteit­personeel Er wordt voldoende personeel ingezet om de opleiding met de gewenste kwaliteit te verzorgen.5 fte beschikbaar.6 onderwijs-fte voor het verzorgen van de bachelor. Het facultaire uitgangspunt is een staf-studentratio van 1:35. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De zelfstudie meldt dat de eerste analyses van dit model wijzen op een toekomstig capaciteitsprobleem bij het thema Veiligheid en Gezondheid. Daar zal zich door de toegenomen instroom in 005-006 over twee jaar een knelpunt voordoen bij de begeleiding van bachelor. De staf-studentratio is ongeveer 1:45.en masteropleiding is er reeds een evenwicht tussen de opbrengsten en de kosten. Als er nieuw of extra personeel moet worden ingezet verzoekt de opleidingsdirecteur aan het afdelingshoofd of de afdeling capaciteit kan leveren. suboptimaal is. Gezien de door de opleiding geschetste krappe personele situatie op bepaalde punten. Dit wordt volgens de opleiding gedeeltelijk ondervangen door de komst van een ud en een hoogleraar binnen dit thema. 306 QANU / Psychologie / UT . De opleiding had deze verdeling van studenten over de thema’s gelijkwaardiger ingeschat. bijvoorbeeld bij de start van het collegejaar. onderhandelt de afdelingsdirecteur met de decaan. Docenten bevestigen dat het taakurenmodel geïmplementeerd wordt. Hierbinnen zijn normen voor onderwijstaken opgesteld. Ook in de gesprekken geeft de opleiding aan dat gewerkt wordt aan uitbreiding van de capaciteit binnen het thema Veiligheid en Gezondheid (zie ook F18). Voor 006 verwacht de opleiding twee ud’s. heeft de commissie in het gesprek met het faculteitsbestuur uitgebreid doorgevraagd over hoe de procedure rondom personeelsinzet is vastgelegd en hoe de verantwoordelijkheden verdeeld zijn. Wat betreft de bachelor.en mastertheses. De oorzaak van de hogere ratio bij Psychologie is te wijten aan de onverwacht hoge instroom enerzijds en een ongunstiger uitwerking van de financiële positie van de UT anderzijds. Facultair beleid is gericht op kosteneffectiviteit met behoud van kleinschaligheid en een streven naar kostendekkendheid. De opleiding meldt tot slot dat de ondersteuningscapaciteit in drukke tijden.

De commissie stelt verder vast dat de opleiding zich inspant de kwantiteit van het docentencorps en onderwijsondersteuning te versterken. Indien een docent niet naar behoren functioneert. Een belangrijk uitgangspunt hierbij is dat wetenschappelijke functies zowel een onderwijs. Ook kan de opleidingsdirecteur het initiatief nemen tot het werven van nieuw personeel. De commissie vindt het een positief punt dat zij geen klachten van de staf heeft gehoord over de verhouding onderwijs-onderzoek. bijvoorbeeld door het aantrekken van een stage. Verder heeft de commissie geen geluiden van studenten vernomen over eventuele onderbezetting bij de docenten. Het personeelsbeleid is op instellingsniveau vastgelegd.en afstudeercoördinator. Zij moedigt de opleiding aan deze zo veel als mogelijk te behouden bij stijgende studentenaantallen. geven aan dat door de lage docentenbezetting in een enkel geval de specialisatie van de docent niet helemaal bleek aan te sluiten bij het thema van het vak. houdt de opleidingsdirecteur samen met de onderwijscoördinator/studieadviseur en zonodig de verantwoordelijke hoogleraar een gesprek met de docent. onderzoeksdirecteur en opleidingsdirecteur. Zij vindt het een grote prestatie dat deze zonder financiële middelen (het geld ligt immers bij de afdelingshoofden). voldoende capaciteit heeft bijeengebracht om de opleiding te verzorgen en tegelijkertijd veel studenten heeft weten te werven. bijvoorbeeld over het volgen van een didactische cursus of collegiale advisering. Masterstudenten met wie de commissie heeft gesproken. De commissie constateert dat de staf-studentratio (voorlopig) goed is. Deze komen jaarlijks aan de orde in de functioneringsgesprekken. Oordeel De commissie is van oordeel dat de kwantiteit van de docenten die de opleiding inzet voor het verzorgen van het onderwijs in de bachelor. Het taakurenmodel en de berekening van de benodigde onderwijscapaciteit geeft naar het oordeel van de commissie adequate waarborgen voor de inzet van voldoende medewerkers om het onderwijsprogramma te realiseren. onderwijskundige en organisatorische realisatie van het programma. De commissie constateert verder dat de diversiteit in de staf groot is. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Hierin kunnen afspraken gemaakt worden over de te nemen stappen om te verbeteren.en masteropleiding acceptabel is. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Op basis van de universitaire richtlijnen heeft de faculteit HRM-beleid ontwikkeld waarin expliciete criteria zijn geformuleerd waar docentonderzoekers binnen de faculteit Gedragswetenschappen aan moeten voldoen.als onderzoekstaak omvatten. Zij heeft begrepen dat de opleiding dit niet als bezwaar ervaart. F14:­Kwaliteit­personeel Het personeel is gekwalificeerd voor de inhoudelijke. Relatief heeft een groot aantal medewerkers een kleine onderwijstaak voor Psychologie. afdelingshoofd. Hiervoor levert het Onderwijs Service Centrum de evaluatiegegevens aan. Het initiatief moet door deze vier functionarissen van een positief advies voorzien worden. hij moet dit voorleggen in het vierhoeksoverleg van decaan. De UT biedt docententrainingen en diverse andere professionaliseringsactiviteiten aan waar de QANU / Psychologie / UT 307 .Bij de themavakken is hier een duidelijke rol weggelegd voor de themacoördinator. Ook de onderwijsbijdrage van de docent wordt dan besproken.

Dit is niet verplicht. De commissie betreurt dat voor de bachelor. Een student geeft aan bij vragen duidelijke en uitgebreide uitleg van de docenten te krijgen.docenten gebruik van kunnen maken. De commissie is van mening dat het personeelsbeleid enigszins ondoorzichtig is. veelal wel het didactische inwerktraject volgen. Afgaande op de mening van studenten uit diverse evaluaties is de (didactische) kwaliteit van de docenten voldoende.6 en de bereikbaarheid van docenten met een 7. Ook de masterstudenten bevestigen dit beeld.en masteropleiding nog weinig docenten uit de praktijk worden aangetrokken. Gevraagd naar de sterke punten van de opleiding noemen de bachelorstudenten die de commissie heeft gesproken nagenoeg allemaal de kleinschaligheid en de goede interactie met de docenten. Structuren die een garantie bieden voor de toekomst zouden naar het oordeel van de commissie verhelderd moeten worden. Ook in de Keuzegids Hoger Onderwijs (004) wordt de kwaliteit van docenten door studenten positief gewaardeerd. Bij vragen over de stof zijn docenten makkelijk en goed benaderbaar. Docenten geven aan dat de meeste nieuwe docenten wel gebruikmaken van het didactisch inwerktraject. Wel ziet de commissie de versnippering en kleine stukjes staf die voor het onderwijs worden ingezet als negatief punt. voorlichter.8. Zij benoemen de kwaliteit van de docenten als goed. 005). De opleidingen dragen via de functioneringsgesprekken zorg voor waarborging van onderwijskundige kwaliteiten van de docenten. Als sterk punt van de opleidingen noemen de meeste respondenten spontaan de kleinschaligheid en de goede communicatie met de docenten (Studenttevredenheidsonderzoek. Nieuwe docenten kunnen het Didactisch Universitair Inwerk Traject volgen. ondanks het feit dat een cursus niet verplicht is. Het beleid is echter naar de mening van de commissie nog niet goed uitgewerkt en vastgelegd. een Bureau Onderwijszaken en secretariële ondersteuning (4. Verder heeft de commissie vernomen dat bij de werving van nieuw personeel de onderwijskwalificaties een rol spelen.5 fte). Dit in tegenstelling tot de toepassingsgerichte doelstelling voor beide opleidingen. De zelfstudie meldt dat studenten in de Elsevier-enquête (005) de bekwaamheid en inzet van de docenten beoordelen met een 7. Oordeel De commissie heeft de specialisaties van de staf vergeleken met het studieprogramma en is van mening dat deze voldoende aansluiten om inhoudelijk het programma te verzorgen. Uit het Studenttevredenheidsonderzoek (005) komt hetzelfde beeld naar voren. Het Onderwijs Service Centrum van de faculteit draagt zorg voor de onderwijsondersteuning. De commissie heeft tijdens het visitatiebezoek de evaluatiegegevens ingezien en constateert op basis daarvan dat er geen problemen zijn met de kwaliteit van de 308 QANU / Psychologie / UT . Zij kenmerken de docenten als beschikbaar en behulpzaam en noemen de kwaliteit van de docenten goed. De commissie vindt het een positief punt dat nieuwe docenten. Daarbinnen beschikken de opleidingen Psychologie over een eigen studieadviseur/onderwijscoördinator. Zij heeft de overtuiging dat door de meewerkende instelling van het docentencorps dit vooralsnog niet tot problemen leidt. De commissie stelt vast dat er binnen de UT voldoende mogelijkheden voor docenten zijn om zich didactisch bij te scholen.

­ Voorzieningen F15:­Materiële­voorzieningen De huisvesting en materiële voorzieningen zijn toereikend om het programma te realiseren.4. zoals eerder genoemd. Collegezalen worden vanuit de UT toegewezen op basis van het aantal studenten. Volgens de opleidingen zijn er weinig studiewerkplekken voor studenten die aan het afstuderen zijn. Ook ten aanzien van de onderwijsondersteuning is er naar de mening van de commissie voldoende kwaliteit beschikbaar om het programma organisatorisch te realiseren. Studenttevredenheidsonderzoek (005) wijst uit dat studenten zeer tevreden zijn over de informatievoorziening via TeleTOP. bijvoorbeeld ‘los meubilair’ of bepaalde apparatuur. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. doorgeven. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Inzet van personeel’ voor de bachelor. Ook zelf heeft de commissie tijdens het bezoek een positieve houding van de docenten ten aanzien van het onderwijs geconstateerd. Verder zijn er voorzieningen voor (digitale) mediaproductie. De zelfstudie geeft aan dat er sinds de start van de opleiding gerichte aandacht is geschonken aan de verdere uitbouw van de collectie op de thema’s van de QANU / Psychologie / UT 309 . Deze is UT-breed ingevoerd en wordt door een medewerker binnen de faculteit ondersteund. De opleidingen zijn gevestigd op de campus van de UT in één gebouw met de andere opleidingen van de faculteit Gedragswetenschappen. Deze wordt goed geëvalueerd.2.en werkcolleges specifieke wensen. De faculteit beschikt volgens de zelfstudie over voldoende voorzieningen voor de uitvoering van het onderwijs. Docenten kunnen voor hoor. De staf heeft naar het oordeel van de commissie op enthousiaste wijze het programma in elkaar gezet en hier uitvoering aan gegeven. De bibliotheek voor de psychologieopleidingen is ondergebracht bij de bibliotheek van de faculteit Gedragswetenschappen. Docenten bieden via dit medium informatie aan over het onderwijs. onderzoekt de faculteit de mogelijkheden om dit aantal uit te breiden. Hier wordt momenteel aan gewerkt. De opleiding maakt. 7. Het bovenstaande overwegende is de commissie van oordeel dat het personeel voldoende gekwalificeerd is voor de realisatie van het programma. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.docenten. Gezien de groei van het aantal studenten Psychologie. De faculteit beschikt over drie ruimten met in totaal 71 computers voor studenten (studielandschap). gebruik van de digitale leeromgeving TeleTOP.

De commissie heeft zoals hierboven beschreven meermalen gehoord dat er te weinig computerplekken beschikbaar zijn. In de twee landelijke onderzoeken staat UT op dit punt samen met de UM en EUR in de top 3.en computerplekken en weinig ruimte voor groepswerk ervaren. De faculteit beschikt over een eigen informatiespecialist die medewerkers en studenten kan ondersteunen. de Keuzegids Hoger Onderwijs (005) en het eigen Studenttevredenheidsonderzoek (005) tevreden over de faciliteiten. Oordeel De commissie heeft een rondleiding gekregen langs de voorzieningen van de psychologieopleidingen. de bibliotheek en de computerruimten bezichtigd. geven aan dat zij een gebrek aan individuele studie. zal het aantal kleine onderwijsruimten in het gebouw niet meer volstaan voor de werkgroepen. De staf van de opleiding bevestigt dit. 310 QANU / Psychologie / UT . Er wordt gewerkt aan een collectiemanagementprofiel. Dit wordt ook bevestigd door de resultaten van het gehouden tevredenheidsonderzoek onder studenten. Studenten geven aan dat zij op de campus niet in een ander gebouw kunnen werken. zoals TeleTOP. Concluderend is de commissie van mening dat de kwaliteit en inrichting van de onderwijsvoorzieningen toereikend is voor de uitvoering van het programma. als zeer positief. De commissie heeft dit zelf gedurende haar bezoek echter niet kunnen constateren. Gezien de campusfaciliteiten ziet de commissie hierin geen knelpunt. Wel in de bibliotheek. Dit houdt in dat systematisch in kaart kan worden gebracht op welke gebieden de komende jaren de collectie moet worden uitgebreid of geactualiseerd. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De bibliotheek oogde wat betreft de boekencollectie enigszins beperkt. Indien de opleiding blijft groeien qua studentenaantallen. Zij heeft hierbij onder meer de collegezalen. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Hierbij moet echter opgemerkt worden dat de commissie in verband met verbouwing een tijdelijke vestiging van de bibliotheek heeft bezocht.Twentse psychologie. maar deze wordt op het moment van het visitatiebezoek verbouwd. Gesproken studenten zijn wel enthousiast over de mogelijkheid om overal op de campus wireless te kunnen werken en zij waarderen de middelen voor informatievoorziening. Studenten kunnen via de studievereniging Dimensie de benodigde studieboeken met korting bestellen. De commissie vindt dat de opleiding kan beschikken over mooie collegezalen binnen een mooie campus. Psychologiestudenten zijn volgens de Elsevier-enquête (005). Uit het gesprek met het faculteitsbestuur kwam naar voren dat de faculteit zich inzet voor gebruik van computerfaciliteiten elders op de campus. Studenten met wie de commissie heeft gesproken. De commissie heeft tot slot uit de gesprekken vernomen dat een testotheek in opbouw is.

De mentor en studieadviseur spelen daarom een rol bij het studieadvies. Van elke student zijn het studieprogramma en behaalde resultaten vastgelegd in het studievoortgangsregistratiesysteem van de UT. De opleiding geeft studenten aan het einde van het eerste jaar een studieadvies. De docentmentor nodigt de student drie keer per jaar uit voor een individueel gesprek. docentmentoren en studieadviseur in gezamenlijk overleg vastgesteld. Het mentoraat heeft onder meer tot doel studenten te informeren. De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten sluiten aan bij de behoefte van studenten. De studieadviseur bewaakt de studievoortgang en nodigt studenten die een studieachterstand hebben minimaal twee keer per jaar uit voor een gesprek. In de loop van het studiejaar wordt er een aantal informatiebijeenkomsten voor de studenten georganiseerd om hen te ondersteunen bij hun keuzes in de studie en voor een eventuele vervolgstudie. Bij een negatief voorlopig advies adviseert de mentor studenten contact op te nemen met de studieadviseur. De adviezen worden in de adviesvergadering van opleidingsdirecteur. De begeleiding wordt verzorgd door de studieadviseur. In dit gesprek wordt gekeken hoe het probleem opgelost kan worden. Dit is gebaseerd op behaalde studiepunten en persoonlijke omstandigheden van de student. QANU / Psychologie / UT 311 . bijvoorbeeld door een studieplanning te maken. De mentor kan studenten doorverwijzen naar de studieadviseur indien problemen de competentie van de mentor te boven gaan. Dit is niet bindend.F16:­Studiebegeleiding De studiebegeleiding en de informatievoorziening aan studenten zijn adequaat met het oog op studievoortgang. Het eerste bachelorjaar kent een mentorsysteem. Na blok 3 (april) wordt er een voorlopig advies uitgebracht. Hij of zij draagt zorg voor de coördinatie van het mentoraat. Elke student krijgt een docentmentor toegewezen en maakt deel uit van een mentorgroep (0-5 studenten). stimuleren tot studeren en eventueel signaleren van knelpunten. Mentoren worden begeleid of aangestuurd door de studieadviseur. Bureau Onderwijszaken stuurt de studenten vier keer per jaar een overzicht van hun studievoortgangsresultaten. te begeleiden bij studiekeuzes en studievoortgang. Dit geldt ook voor de masterstudenten. Dit betreft bijvoorbeeld een voorlichtingsmiddag over het B3-programma en de keuzemogelijkheden daarin voor tweedejaarsstudenten. Studenten in het premasterprogramma krijgen ook een mentor toegewezen: deze rol wordt vervuld door de studieadviseur.en masteropleiding beschreven. Tweede. keuzemogelijkheden. Eind augustus wordt het definitieve advies uitgereikt. twee voorlichtingsmiddagen over het masterprogramma.en derdejaars bachelorstudenten hebben geen mentor meer. een ‘interne mastermarkt’ en een ‘minormarkt’. Studenten worden schriftelijk op de hoogte gesteld van het studieadvies en bij een negatief advies uitgenodigd voor een gesprek met de studieadviseur. vervolgmogelijkheden) is te vinden op de website van de opleidingen en in de studiegids. Studenten kunnen daarnaast zelf via internet (TOST) hun cijfers opvragen. De mentor is tevens docent bij Psychologisch ontwerpen 1. een voorlichtingsbijeenkomst over het uitvoeren van een bachelorthesis voor derdejaarsstudenten. Informatie over het studieprogramma (zoals het rooster. In de zelfstudie wordt de studiebegeleiding in de bachelor. Ouderejaarsstudenten kunnen ook zelf een afspraak maken met de studieadviseur.

zodat de diverse regelingen en informatie beter toegankelijk zijn. Al met al is de commissie onder de indruk van de studiebegeleidingsactiviteiten bij de bacheloren masteropleiding en beoordeelt dit facet dan ook met een goed.­ Interne­kwaliteitszorg De opleiding beschrijft in de zelfstudie dat zij sinds de start van de NAO werkt aan de ontwikkeling van een geïntegreerd systeem voor interne kwaliteitszorg. Daarnaast is door de universiteit de website MyCampus opgezet: een portal dat de student toegang biedt tot relevante informatie over onderwijs. zo blijkt uit de gesprekken van de commissie met de studenten. Zij is van mening dat het studieadvies goed wordt georganiseerd en een duidelijke functie vervult binnen de opleiding. Dit sluit horende de positieve geluiden van de studenten. Oordeel De commissie vindt de studiebegeleiding bij de Psychologieopleidingen van de Universiteit Twente opvallend goed. Studenten met wie de commissie heeft gesproken vinden de begeleiding door de mentor in het eerste jaar zeer goed. goed aan op de behoefte van de studenten. Premasterstudenten zijn ook zeer positief over de begeleiding door de studieadviseur tijdens de premasterroute. 7. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Zij waardeert het feit dat binnen de begeleiding een onderscheid wordt gemaakt naar doelgroepen. Zo worden bijvoorbeeld premasterstudenten op een andere manier begeleid dan eerstejaars bachelorstudenten. De commissie heeft vastgesteld dat door het systeem van mentoren en studieadviseurs studenten actief worden gevolgd. In een notitie (november 003) heeft de faculteit 31 QANU / Psychologie / UT .en roosterwijzigingen en de diverse informatie. Studenten worden hierbij tijdig geïnformeerd over hun studievoortgang.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Voorzieningen’ voor de bachelor. De interne kwaliteitszorg wordt op facultair niveau georganiseerd.2. De opleiding geeft tot slot aan dat de studievoorlichter.De opleiding geeft aan dat uit het studenttevredenheidsonderzoek (005) blijkt dat het merendeel van de ondervraagde studenten tevreden is over de verschillende aspecten van de studiebegeleiding.5. De sfeer bij de opleidingen is begeleidend. De commissie heeft uitsluitend positieve berichten ontvangen over het mentoraat en de studieadviseur.en aanmeldsystemen. Op het gebied van informatievoorziening zijn enkele verbeterpunten gesignaleerd: bepaalde informatie was pas laat toegankelijk. de onderwijscoördinator en studieadviseur gezamenlijk werken aan verbetering van de website van de opleiding. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. Studenten waarderen de persoonlijke sfeer die binnen de opleiding heerst en de informele begeleiding van de docenten.

F17:­Evaluatie­resultaten De opleiding wordt periodiek geëvalueerd. van de toetsing en waardering voor het onderwijs. QANU / Psychologie / UT 313 . De faculteit hanteert vak. door het onderwijsmanagement met de betrokken docenten besproken in semesterbijeenkomsten. met 1 = ‘zeer mee oneens’ tot 5 = ‘zeer mee eens’) geldt als norm voor nader onderzoek vanwege de examencommissie. De commissie begreep uit de gesprekken dat bij de minoren evaluatiegesprekken met studenten worden gehouden. Wel worden resultaten van vakevaluaties. vergezeld van studievoortgangsgegevens per semester. Deze wordt aan het eind van het vak via intranet onder studenten afgenomen. Daarnaast wordt tijdens deze bijeenkomsten nieuw onderwijsbeleid geïntroduceerd en besproken. door het opleidingsmanagement gebruikt om de kwaliteit van deze aspecten te bevorderen. In het systeem is een zevental evaluatieobjecten geformuleerd.en accreditatiecommissie. De evaluatieresultaten worden. De bedoeling is jaarlijks faculteitsbreed één object systematisch te toetsen en vervolgens toe te voegen aan het kwaliteitszorgsysteem. Bij de implementatie van kwaliteitszorg wordt aangesloten bij bestaande structuren in de organisatie. Zo krijgt het resultaat van de bespreking van de eerste drie evaluatieobjecten (doelstellingen. inhoud curriculum en onderwijsproces) een vaste plaats in de jaarcirkel van de opleidingscommissie. De zelfstudie geeft verder aan dat wanneer daar aanleiding toe is.en semesterevaluaties. mede aan de hand van toetsbare streefdoelen. De kwaliteit van het minoronderwijs wordt op instellingsniveau bewaakt door de Validatie. In het toetsbeleid van de opleidingen Psychologie zijn streefcijfers voor het niveau van de vakken opgenomen. Dit zijn evaluatieve bijeenkomsten waarin onderwerpen aan bod komen die betrekking hebben op (verbetering van) de kwaliteit van het onderwijs. Daarnaast besteedt de examencommissie aandacht aan een vak als uit evaluatiegegevens blijkt dat meer dan 50% van de deelnemers minder dan 60% van de tijd die voor het vak staat. De implementatie van dit kwaliteitszorgsysteem gebeurt stapsgewijs. de jaarlijkse planning van personele inzet en voorzieningen en in de toekomst ook evaluaties onder alumni. Alle vakken worden elk jaar geëvalueerd. Jaarlijks wordt een protocol vastgesteld waarin de evaluatieprocedure. Een score van 3 of minder op aspecten die verband houden met toetsing (vijfpuntsschaal. aan het vak besteed hebben. Dit gebeurt door middel van een standaard vragenlijst die aan vakspecifieke omstandigheden is aangepast. Voor de volgende drie evaluatieobjecten (toetsing en beoordeling. zoals beschreven in de zelfstudie. de vakken die geëvalueerd worden en de vragenlijst zijn opgenomen. de onderwijscoördinator met de betrokken docent knelpunten en verbeterpunten inventariseert. zoals kwaliteit van colleges. Het Onderwijs Servicecentrum van de faculteit voert deze evaluatieprocedure uit. Deze behoren. In het toetsbeleid is vastgelegd dat de examencommissie na ieder semester de evaluatiegegevens met betrekking tot de toetsing en het niveau van het vak. tot de kern van het kwaliteitszorgsysteem.het uitgangspunt van een cyclisch intern kwaliteitszorgsysteem met toetsbare streefdoelen en expliciet verbeterbeleid uitgewerkt. De opleiding is van plan om op een TeleTOP-pagina alle evaluaties en informatie over kwaliteitszorg te publiceren. De commissie heeft begrepen dat dit in verband met privacy nog een precair punt is en om die reden nog niet is gerealiseerd. zodat deze openbaar toegankelijk zijn. resultaten en studeerbaarheid) zijn volgens de opleiding nog geen expliciet geformuleerde gesloten kwaliteitscirkels.

Uit het gesprek met de opleidingscommissie bleek de commissie dat de respons op de evaluaties via het intranet bij de start hoog was (ongeveer 80%). De verbetermaatregelen worden door de opleidingsdirecteur of onderwijscoördinator. 314 QANU / Psychologie / UT .en semesterevaluaties wordt jaarlijks de mening van eerstejaarsbachelor. Tijdens deze semesterbijeenkomsten worden afspraken gemaakt over noodzakelijke veranderingen. De vakevaluaties worden eveneens in de opleidingscommissie besproken.Naast de beschreven vak. Een belangrijke functie van het semesteroverleg is het signaleren en oplossen van knelpunten die betrekking hebben op de samenhang van het onderwijs. De opleiding geeft aan dat inhoudelijke aanpassingen worden verwerkt bij het inrichten van de TeleTOP-sites voor het onderwijs in de volgende cyclus. Hiermee voldoen de bachelor. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Verbetermaatregelen worden vastgelegd in een verslag. mist de commissie expliciete toetsbare streefcijfers voor de overige evaluatieresultaten. De commissie toont zich bewust van het risico van ‘evaluatiemoeheid’ indien zij alle vakken blijft evalueren. Concluderend is de commissie van oordeel dat het onderwijs adequaat periodiek wordt geëvalueerd. Zoals gezegd worden vakevaluaties in het semesteroverleg aan de orde gesteld. De opleiding is van plan in de toekomst onder andere gebruik te gaan maken van de WO-monitor om een terugkoppeling uit het werkveld op de kwaliteit van de afgestudeerden te verkrijgen. teruggekoppeld naar de betreffende docent(en). Wel heeft zij geconstateerd dat de opleiding impliciete streefcijfers hanteert doordat maatregelen worden genomen indien evaluaties volgens de opleiding niet aan de maat zijn.en masteropleiding naar oordeel van de commissie aan de eisen die gelden voor dit facet.en semesterevaluaties uitvoeren. Zo is er bijvoorbeeld nog geen openbaarheid van de evaluatieresultaten en behaalde een evaluatie onlangs een zeer lage respons. De opleidingscommissie brengt volgens de zelfstudie conform haar wettelijke taak advies uit aan de opleidingsdirecteur en/of decaan over onderwijszaken. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende.en masterstudenten gevraagd in een breed studenttevredenheidsonderzoek. Zij stelt zich voor in de toekomst een systeem te ontwikkelen waarbij naast een minder intensieve periodieke evaluatiesystematiek. Zij oordeelt positief over de uitwerking van de kwaliteitszorg in deze gestructureerde jaarcyclus. In een aantal gesprekken is het de commissie echter gebleken dat dit nog niet optimaal functioneert. Indien deze betrekking hebben op verroostering of voorzieningen worden ze verwerkt in de microplannen (zie ook F7) voor het onderwijs in de volgende cyclus. aanpassingen of verbeteringen. F18:­Maatregelen­tot­verbetering De uitkomsten van deze evaluatie vormen de basis voor aantoonbare verbetermaatregelen die bijdragen aan realisatie van de streefdoelen. Oordeel De commissie is van oordeel dat de opleidingen op systematische wijze de vak. De opleiding hanteert hierbij vooral impliciete streefdoelen. Hoewel er door de examencommissie voor de items uit vakevaluaties die verband houden met toetsing normen zijn gesteld. vakken geëvalueerd worden die ofwel veranderd zijn ofwel bij vorige evaluaties slecht scoorden. De commissie staat positief tegenover het idee om via het intranet te evalueren. zoals de verdeling van de studielast.

Indien nodig worden daadwerkelijke verbeteringen uitgevoerd. verbetering van de geconstateerde problemen van Duitse studenten met het vak Communicatieve vaardigheden in het tweede jaar. De commissie heeft in de gesprekken vernomen dat de opleidingscommissie zich het afgelopen jaar onder meer heeft beziggehouden met een eventuele invoering van een bindend studieadvies. aldus de studenten. De studentleden van de opleidingscommissie geven aan dat naar aanleiding van evaluaties daadwerkelijk zaken zijn verbeterd. De commissie heeft vastgesteld dat deze gremia verbetervoorstellen formuleren en dat de verantwoordelijken voor de opleiding deze voorstellen serieus overwegen. aldus de docenten. Zo was bijvoorbeeld het eerste masterjaar een beetje rommelig. de vaststelling van de OER en bespreking van de resultaten van het studenttevredenheidsonderzoek. De uitkomsten van het studenttevredenheidsonderzoek worden aan diverse gremia voorgelegd. Duitse studenten hadden aangegeven dat het aanleren van communicatieve vaardigheden beter zou gaan in de eigen taal. zoals de faculteitsraad. Dit onderwijs in het Duits betreft een uitzondering en zal beperkt blijven tot het vaardighedenonderwijs. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. met in de kern de periodieke vakevaluaties en de semesterbijeenkomsten. Het belangrijkste agendapunt voor de opleidingscommissie betreft het monitoren van de kwaliteit van het onderwijs via feedback verkregen door de evaluaties. De evaluaties worden besproken in de geëigende gremia. De commissie heeft begrepen dat het thema Veiligheid en Gezondheid te weinig staf beschikbaar heeft (ook F13). De opleiding geeft aan dat ook langs die weg verkregen adviezen (kunnen) worden verwerkt in verbetermaatregelen. is een Duitse docent voor de Duitse studenten in voor het vaardighedenonderwijs in het tweede jaar aangetrokken. het opleidingsoverleg en de opleidingscommissie. Oordeel De commissie is van oordeel dat het systeem dat de faculteit hanteert ten aanzien van de kwaliteitszorg. bijvoorbeeld de herindeling van het vak Statistiek zoals bij F7 beschreven. Dit uit zich onder meer in het feit dat studenten lang op feedback moeten wachten.waaronder adviezen over de resultaten van evaluaties en mogelijke verbetermaatregelen. Na een advies van de opleidingscommissie. QANU / Psychologie / UT 315 . dit is voor het komend jaar verbeterd. De opleidingscommissie heeft haar bezorgdheid hieromtrent geuit in een brief aan de decaan. maar dat is niet ‘op stel en sprong geregeld’. daadwerkelijk kan leiden tot het signaleren van tekortkomingen en formuleren van concrete verbetermaatregelen. Een andere concrete verbetermaatregel betrof het tweedejaarsvak communicatieve vaardigheden. Daaropvolgend is capaciteit van buiten ingehuurd om een vak binnen dit thema te kunnen blijven verzorgen. Aan de bemensing van dit thema wordt door de opleiding gewerkt. mogelijkheden voor verhoging van het aantal contacturen in het kader van de studeerbaarheid. De commissie komt tot de conclusie dat de opleidingen voldoen aan de criteria die gelden voor dit facet. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De commissie heeft hiervan enkele voorbeelden gezien.

vakevaluaties en semesterbijeenkomst. De commissie waardeert de open houding van de opleiding ten aanzien van de inbreng van studenten bij de kwaliteitszorg. maar wel onder haar eigen naam blijft opereren. is in december 005 afgesproken STOP en Dimensie meer samen te laten doen. alumni en het afnemend beroepenveld van de opleiding actief betrokken. De opleidingsdirecteur en onderwijscoördinator/studieadviseur zijn als adviseur betrokken bij de opleidingscommissie. In de zelfstudie is aangegeven dat het beroepenveld via de ontwerpopdrachten en de theses op bescheiden schaal bij de opleiding is betrokken. Naast de formele structuur zijn studenten georganiseerd in het Studentenoverleg Psychologie (STOP). Verder is een alumnivereniging voor de opleidingen Psychologie in oprichting. waarin allerlei onderwijszaken worden besproken. Studenten zijn allereerst via de vakevaluaties en studenttevredenheidsmonitor betrokken bij de kwaliteitszorg en medewerkers via het semesteroverleg. Op facultair niveau functioneert daarnaast de studievereniging Dimensie. studenten. Oordeel De commissie stelt vast dat studenten en medewerkers zowel formeel. het alumnibeleid en de gedachten rondom een adviescommissiewerkveld. Er zijn volgens de zelfstudie plannen om een werkveldcommissie in te stellen waarmee overlegd kan worden over de wensen en verwachtingen van het beroepenveld. Indien binnen het STOP knelpunten worden gesignaleerd. De commissie wijst de opleiding erop dat er nog een goede kans is om vanaf de 316 QANU / Psychologie / UT . Docent-onderzoekers en hoogleraren onderhouden met betrekking tot hun onderzoek contacten met het werkveld. De faculteit ondersteunt de studievereniging met een budget en fysieke ruimte. De bachelor. als informeel op diverse wijzen betrokken zijn bij de kwaliteitszorg van de opleiding. Alumni zullen zoals eerder genoemd. De opleidingscommissie komt eens in de vier weken bijeen (tien keer per jaar). door middel van de WO-monitor worden betrokken bij de kwaliteitszorg. De zelfstudie geeft aan dat de UT ook voor bachelors die niet doorstromen naar een masteropleiding een instrument als de WO-monitor in de nabije toekomst zal ontwikkelen. maar er zijn voldoende concrete voornemens. Daarnaast zijn medewerkers en studenten via de opleidingscommissie betrokken bij de kwaliteitszorg. Een studentlid van STOP (de onderwijscommissaris) maakt deel uit van het tweewekelijks coördinerend overleg.­alumni­en­beroepenveld Bij de interne kwaliteitszorg zijn medewerkers. worden deze doorgegeven aan het onderwijsmanagement van de opleiding en de opleidingscommissie. Deze bestaat uit vier studentleden en vier docentleden. Systematische betrokkenheid van alumni en het beroepenveld bij de kwaliteitszorg staat naar mening van de commissie nog in de kinderschoenen. zoals lezingen en de boekenverkoop. In de praktijk komt dit er volgens de opleiding op neer dat STOP onder Dimensie valt. via de opleidingscommissie.en masteropleiding hebben een gezamenlijke opleidingscommissie. zoals de WO-monitor. studenten. De opleiding is voornemens de resultaten van deze alumni-enquête jaarlijks te bespreken in de opleidingscommissie. De commissie heeft van een vertegenwoordiging van de studievereniging begrepen dat de opleiding openstaat voor het geluid vanuit de studenten en goed luistert als zaken niet blijken te kloppen of als er klachten zijn. om deze verder uit te bouwen. Omdat STOP en Dimensie zich voor een deel met dezelfde taken bezighouden. zij organiseert studiegerelateerde activiteiten. Dit is al beschreven bij F17 en F18.F19:­Betrekken­van­medewerkers.

Ook voor de masterthesis is een handleiding voor studenten opgesteld.2. Een student kan een bachelorthesisonderwerp kiezen uit een lijst met onderwerpen die door de opleiding wordt aangeboden of zelf een onderzoeksonderwerp kiezen. Evenals bij de bacheloropleiding stellen de begeleider en student een ‘masterthesiscontract’ op. de procedures. Hierin zijn onder meer de doelstelling. Student en begeleider stellen aan het begin van het traject een contract op waarin de belangrijkste gegevens van de thesis opgenomen zijn. Studenten kunnen evenals bij de bachelorthesis een onderwerp kiezen uit een lijst met onderwerpen of zelf een onderzoeksonderwerp kiezen. Voor de laatste is goedkeuring nodig van de masterthesiscoördinator of begeleider. bijvoorbeeld de Raad voor de Rechtspraak. De opdrachten voor de bachelortheses worden meestal intern uitgevoerd.eerste lichting afgestudeerden adequaat alumnibeleid op te zetten. de begeleiders en de tijdsplanning. De masterthesis wordt individueel uitgevoerd. De thesis heeft een toepassings. Voor studenten is een bachelorthesishandleiding voor psychologie beschikbaar. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Interne kwaliteitszorg’ voor de bachelor. Aan de masterthesis worden in totaal 30 studiepunten toegekend. Enkele studenten hebben gekozen voor een externe opdrachtgever. Studenten krijgen via de masterthesiscoördinator een inhoudelijke begeleider toegewezen.­ Resultaten F20:­Gerealiseerd­niveau De gerealiseerde eindkwalificaties zijn in overeenstemming met de nagestreefde eindkwalificaties qua niveau. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Zie voor de examenregeling en het toetsbeleid F11. QANU / Psychologie / UT 317 . In dat laatste geval moet het worden goedgekeurd door de bachelorthesiscoördinator of de begeleider. 7. De bachelorthesis heeft een omvang van 0 studiepunten en is bedoeld als oriëntatie op de beroepspraktijk.en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. De bachelorthesiscoördinator wijst studenten in dit geval een begeleider met expertise op het onderzoeksonderwerp toe. de begeleiding en de eisen aan de bachelorthesis opgenomen. Daar is onder meer vermeld dat de bacheloren mastertheses aan de hand van een lijst met beoordelingsaspecten worden beoordeeld door een eerste en tweede beoordelaar. De commissie ondersteunt deze initiatieven en moedigt de opleiding aan deze verder te implementeren.of ontwerpgericht karakter.6. De commissie beoordeelt dit facet dan ook met een voldoende. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. zoals het onderwerp.

In de gesprekken met diverse delegaties heeft de commissie gehoord dat de opleiding ook zelf de (on)gelijkwaardigheid van de theses op de agenda heeft staan. De commissie is. De commissie heeft geconstateerd dat in enkele gevallen zeer kleine steekproeven (bijvoorbeeld twee proefpersonen) voor het uitvoeren van statistische analyses geaccepteerd worden. De bachelortheses op het gebied van Veiligheid en Gezondheid waren naar oordeel van de commissie van zeer goede kwaliteit.Oordeel In de zelfstudie is een lijst met de 5 meest recente bachelortheses opgenomen. Deze selectie betrof een aantal lager (laagst gegeven oordeel was een 7). De opleiding geeft aan nog enigszins te experimenteren met wat een bachelorthesis moet zijn. De commissie heeft hieruit zestien theses geselecteerd en bestudeerd. De commissie vindt dit een interessante ontwikkeling wanneer het beoogde eindniveau van een mas318 QANU / Psychologie / UT . aangezien de opleiding geen ‘doctoraalvoorloper’ kent. bijvoorbeeld dat een bachelorthesis conform de APA-richtlijnen en als artikel geschreven moet zijn. De commissie vond in enkele gevallen het ‘Psychologie-gehalte’ van de scriptie wat laag. maar is de integratie van de literatuur in de theses voor verbetering vatbaar. Bij de andere afdelingen was de kwaliteit van de scripties. Ook kon de commissie geen doctoraalscripties selecteren. Studenten met een dergelijk diploma hebben andere instroomcompetenties dan studenten met een bachelordiploma Psychologie. Verder is zij van mening dat de begeleider in dergelijke gevallen de student in een vroeg stadium zou moeten attenderen op de haalbaarheid van bepaald onderzoek. De commissie vindt het verschil in opzet en kwaliteit tussen de theses. van mening dat de door haar bestudeerde bachelortheses van voldoende niveau zijn. De commissie spreekt hierover haar zorg uit. De door de commissie bestudeerde scripties hanteerden nog niet consequent de richtlijnen die in de bachelorthesishandleiding staan beschreven. Naar het oordeel van de commissie zijn de theses taalkundig goed verzorgd. maar gaf de commissie over het algemeen een lager cijfer dan de opleiding deed. naar oordeel van de commissie voldoende. De leden van de examencommissie gaan de scripties toetsen op gelijkwaardigheid qua omvang en qua kwaliteit. Vanwege de recente start van de masteropleiding waren er nog geen masterscripties beschikbaar.als ook de masterthesis wordt gehanteerd. met uitzondering van één scriptie die zij zeer mager vond. met name tussen de afdelingen waaruit zij afkomstig zijn. Zij heeft echter de indruk dat dit niet met dezelfde normeringen wordt ingevuld. evenals de opleiding. De commissie waardeert het feit dat er een gemeenschappelijk beoordelingsformulier voor zowel de bachelor. De commissie stelt vast dat in tegenstelling tot bijna alle andere universiteiten studenten in Twente met elk willekeurig hbo-einddiploma in twee jaar (premasterjaar en masterjaar) het masterdiploma Psychologie kunnen verkrijgen. De commissie vermoedt dat de verschillen in opzet en kwaliteit worden ingegeven door het feit dat de opleiding Psychologie aan de UT is voortgekomen uit verschillende onderzoeksdisciplines die al geruime tijd binnen de faculteit Gedragswetenschappen bestaan. Zij is van mening dat de opleiding bij de scripties in de gaten moet houden of het wetenschappelijk onderzoek van voldoende niveau is. opvallend. gemiddeld en hoog beoordeelde werken en tevens een spreiding over de ‘afstudeerrichtingen’. Zij wil op basis van de ervaringen de aard van de theses nader specificeren. De examencommissie herkent de variatie in de theses. zonder dat daarover in de scriptie een kritische passage is opgenomen.

Vanaf 00-003 vond instroom in de bacheloropleiding plaats.en masterthesis en vindt dat door de diverse procedures die de opleiding hanteert. QANU / Psychologie / UT 319 . De commissie heeft dat vanwege het feit dat er op dat gebied nog geen afgestudeerden zijn. Uit een nadere analyse door de opleiding blijkt dit te komen doordat een groot aantal studenten op één vak na het eerste jaar heeft gehaald (55 studiepunten). Concluderend is de commissie van mening dat het eindniveau van de bachelortheses voldoende is. In het bijzonder moet de opleiding ervoor waken dat de methodologische kwaliteit van het onderzoek niet ondergeschikt gemaakt wordt aan de praktische haalbaarheid. de twee beoordelaars en de thesiscontracten tussen student en begeleider. op adequate wijze de kwaliteit van de theses wordt gewaarborgd. In de zelfstudie geeft de opleiding een overzicht van het rendement van het eerste bachelorjaar vanaf de start van de opleiding in 00. Als een onderwerp binnen een thesis niet haalbaar is. bijvoorbeeld het beoordelingsformulier.teropleiding Psychologie wordt bereikt. De commissie is positief over de handleiding voor studenten omtrent de bachelor. blijkt uit de gesprekken die de commissie heeft gevoerd dat tot nu toe alle studenten die de bacheloropleiding hebben afgerond. gestart in september 005. Tijdens het visitatiebezoek had de eerste lichting bachelorstudenten de bacheloropleiding net afgerond.en masteropleiding als zijnde voldoende. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Het onderwijsrendement is daarom slechts beperkt te analyseren. zijn nog geen gerealiseerde rendementsgegevens beschikbaar. Van de studenten met een vwo-vooropleiding betreft dit 81%. De opleiding geeft aan dat het rendement van het eerste bachelorjaar van de vwo-instroom na drie jaar voldoet aan de norm van de opleiding. De opleiding geeft aan dat het rendement gedrukt wordt door studenten die Psychologie als tweede studie kiezen en een grote groep bijvakkers. doorstromen naar een masteropleiding. Zij beoordeelt dit facet voor de bachelor. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. De implementatie van de richtlijnen rondom de theses vraagt op een aantal punten nog aandacht. Het onderwijsrendement voldoet aan deze streefcijfers. hoewel zij de becijfering aan de hoge kant vindt. Voor de master. nog niet kunnen beoordelen. De rendementen na één jaar laten in 004 een sterke daling zien ten opzichte van de eerdere twee jaren (voor de vwo-instroom in 00 en 003 43% en in 004 5%). Zij vindt dat er met betrekking tot de bachelortheses systematisch wordt gewerkt. Na drie jaar heeft 4% van de vwo-instroom de bachelor afgerond en is 57% nog studerend in de bacheloropleiding. Uit de cijfers blijkt dat van de eerste cohort van de bacheloropleiding na drie jaar 6% alle vakken van het eerste jaar heeft behaald. F21:­Onderwijsrendement­ Voor het onderwijsrendement zijn streefcijfers geformuleerd in vergelijking met relevante andere opleidingen. Ondanks het feit dat de bacheloropleiding bij de UT een afgeronde opleiding betreft waarna studenten de arbeidsmarkt kunnen betreden. dan is het beter om dit niet als een mogelijkheid voor afstudeeronderzoek aan te bieden.

bachelorrendement na zes jaar: 65%. Ten aanzien van het masterrendement is de commissie van mening dat het masterprogramma zoals op papier uitgewerkt studeerbaar en haalbaar is.en masteropleiding realistische streefcijfers voor de onderwijsrendementen zijn opgesteld.Docenten van de masteropleiding hebben in het gesprek met de commissie aangegeven dat er nauwelijks studenten in de masteropleiding zijn uitgevallen. de (studie)begeleiding en de procedures die zijn vastgelegd in de handleiding voor de masterthesis. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. 30 QANU / Psychologie / UT . masterrendement na drie jaar: 90%. betreft het propedeuserende ment na drie jaar. gezien het onderwijsprogramma. De commissie heeft er vertouwen in dat. Het enig gerealiseerde rendement dat op dit moment in vergelijking tot de streefcijfers gemeten kan worden. De verschillende richtingen verwachten alle ook in de toekomst weinig uitval van masterstudenten. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Resultaten’ voor de bachelor. Voor de totale populatie studenten ligt dit op 6% en voor de vwo-instroom op 81% (streefcijfer = 75%).en masteropleiding Psychologie luidt: voldoende. De opleiding heeft in haar Jaarplan voor 006 de volgende streefcijfers voor de rendementen opgenomen: • • • propedeuserendement na drie jaar: 75%. het rendement van de masteropleiding voldoende zal zijn. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Oordeel De commissie is van mening dat voor de bachelor.

Resultaten Voldoende Facet­ 1. alumni en beroepenveld 0. Studielast 8. Maatregelen tot verbetering 19. Afstemming vormgeving en inhoud 11. Evaluatie resultaten 18. Materiële voorzieningen 16. Interne kwaliteitszorg Voldoende 6. Voorzieningen Voldoende Voldoende 5. Oriëntatie 4. Programma Voldoende 3. Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Beoordeling en toetsing 1. Relatie doelstellingen en programma 6. studenten. Inzet van personeel 4. Duur 10. Gerealiseerd niveau 1. Kwaliteit personeel 15. Eisen wo 13. Kwantiteit personeel 14. Samenhang programma 7.Samenvatting­oordelen­Universiteit­Twente Bacheloropleiding­Psychologie: ­ Onderwerp Oordeel 1. Instroom 9. Betrokkenheid van medewerkers. is de conclusie dat het totaaloordeel over de bacheloropleiding Psychologie voldoende is. Eisen wo 5. Studiebegeleiding 17. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Niveau 3. Doelstellingen van de Voldoende opleiding . Domeinspecifieke eisen . QANU / Psychologie / UT 31 .

Niveau 3. Onderwijsrendement Oordeel Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Goed Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende Voldoende 3. is de conclusie dat het totaaloordeel over de masteropleiding Psychologie voldoende is. Studiebegeleiding 17. Maatregelen tot verbetering 19. Materiële voorzieningen 16. Resultaten Voldoende Totaaloordeel Op grond van bovenstaande tabel en de inhoudelijke onderbouwing daarvan waaruit blijkt dat de opleiding op alle zes de onderwerpen een voldoende scoort. Eisen wo 13. Oriëntatie 4. Evaluatie resultaten 18.Masteropleiding­Psychologie:­ Onderwerp 1. Gerealiseerd niveau 1. Samenhang programma 7. Doelstellingen van de opleiding . Ze voldoet op alle facetten aan de basiskwaliteit. Programma Oordeel Voldoende Voldoende Facet­ 1. alumni en beroepenveld 0. Domeinspecifieke eisen . studenten. Betrokkenheid van medewerkers. Afstemming vormgeving en inhoud 11. Beoordeling en toetsing 1. Voorzieningen 5. Kwaliteit personeel 15. Relatie doelstellingen en programma 6. Interne kwaliteitszorg Voldoende Voldoende Voldoende 6. Studielast 8. Instroom 9. Kwantiteit personeel 14. 3 QANU / Psychologie / UT . Eisen wo 5. Duur 10. Inzet van personeel 4.

M.W. De faculteit wordt geleid door de decaan die wordt bijgestaan door een facultair managementteam dat naast de decaan bestaat uit een vice-decaan. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Psychologie 66604 Master wo 60 Voltijd Utrecht 31 december 007 Psychologie 56604 Bachelor wo 180 Voltijd Utrecht 31 december 007 Het bezoek van de visitatiecommissie Psychologie vond plaats op 30 november en 1 december 006. Daarnaast kent de faculteit een facultair onderzoeksinstituut met vergelijkbare divisies. dr. J.­Wijnen. dr.en masteropleiding Psychologie vallen onder de verantwoordelijkheid van de Faculteit Sociale Wetenschappen van de Universiteit Utrecht. lid. lid.­ Structuur­en­organisatie­van­de­faculteit De bachelor. van Vugt. Maatschappijwetenschappen. • drs. Schell. I. • prof. Pedagogiek en Onderwijskunde. • E.0. W. een directeur en een student. Wagemans. • prof. de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd. voorzitter. 8. dr. van Ophem.H. de oriëntatie van de opleiding Studielast in studiepunten Varianten (voltijd. W. De faculteit kent vier onderwijsinstituten: Algemene Sociale Wetenschappen. lid. lid. studentlid.­ ­ De­bachelor-­en­masteropleiding­Psychologie­van­de­ Faculteit­Sociale­Wetenschappen­aan­de­Universiteit­ Utrecht Administratieve­gegevens Bacheloropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. M. en Psychologie. J. secretaris QANU.F. deeltijd en/of duaal) De locaties waar de opleiding wordt aangeboden Geaccrediteerd tot Masteropleiding: Naam van de opleiding CROHO-nummer Het niveau resp. • prof. dr. dr. Samenstelling visitatiecommissie: • prof.8. von Grumbkow. • prof. Everaerd. Onderwijsinstituut en onderQANU / Psychologie / UU 33 .M.J.

Dit gold voor studenten die: 34 QANU / Psychologie / UU . Het departement Psychologie beschikt over een eigen ondersteuningsteam. Het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht (UU) heeft besloten dat doctoraalprogramma’s tot uiterlijk 1 september 008 kunnen worden afgerond. De faculteit heeft twee organisatie-eenheden voor maatschappelijke dienstverlening: het Ambulatorium en de Wetenschapswinkel. de directeur bedrijfsvoering Psychologie en een student. Dit bestaat uit een eigen onderzoekssecretariaat. Tot 1 september 007 kan deze groep als deeltijdstudent ingeschreven staan. de Infrastructurele Dienst Centrumgebied (IDC) die onder meer met huisvesting en logistiek is belast. Dit wordt geleid door een departementsmanagementteam dat bestaat uit de directeur van het onderwijsinstituut. In de deeltijdopleiding bevonden zich in november 006 nog vijftig studenten. Studenten kunnen er op elk moment voor kiezen om over te stappen naar het bachelor-masterstelsel. Ten tijde van het schrijven van de zelfstudie lag deze deadline nog op 1 september 009. Het masterprogramma is vanaf studiejaar 005-006 voor de volledige cohort gestart. Per november 006 staan nog 16 studenten ingeschreven in de doctoraalopleiding.of masterprogramma. Psychologische Functieleer (PF). Verdere ondersteuning voor de opleidingen is binnen de Faculteit Sociale Wetenschappen voor een groot deel centraal georganiseerd in facultaire diensten. een afzonderlijk onderwijssecretariaat en twee afzonderlijke secretariaten voor medewerkers en bezoekers. Een aantal groepen studenten moest verplicht overstappen.zoeksdivisie Psychologie (het Linschoten Instituut) vormen samen een departement. Ontwikkelingspsychologie (OWP).1. Deze groep wordt ook door de studieadviseur gevolgd. daarna moeten zij overstappen naar het voltijdse bachelor. De deeltijdvariant van de ongedeelde opleiding is vanaf september 000 in afbouw. De opleiding biedt geen onderwijs meer aan in de avonduren. De ongedeelde opleiding Psychologie wordt sinds 1 september 00 afgebouwd. de directeur van het Linschoten Instituut. en een dienst Personeel & Organisatie en Financiën. Het departement Psychologie kent de volgende disciplinegroepen: • • • • Klinische en Gezondheidspsychologie (KGP). Vanaf het studiejaar 004-005 heeft een aantal studenten een start gemaakt met het masterprogramma.­ Invoering­ bachelor-masterstructuur­ en­ afbouw­ ongedeelde­ opleidingen:­ stand­ van­zaken De bacheloropleiding is met ingang van het studiejaar 00-003 gefaseerd ingevoerd.en Studentenzaken (OSZ) die zich met studievoortgangsadministratie. zoals de facultaire dienst Onderwijs. De zelfstudie meldt dat deeltijdstudenten de afgelopen jaren regelmatig een overzicht van hun studievoortgang is gezonden met een advies over de wijze waarop zij hun studie het beste konden afronden. roostering en studieadvisering bezig houdt. 8. Sociale en Organisatiepsychologie (SOP).

Van studenten noch van de staf heeft de commissie problemen rondom de overgang naar de gedeelde opleiding gehoord.” De opleiding geeft aan dat zij de bacheloropleiding op zichzelf niet primair ziet als een opleiding die leidt tot zelfstandige beroepsuitoefening als psycholoog. waarbij vooral in de masterfase het accent komt te liggen op specifieke voorbereiding voor een bepaald beroep.en masteropleiding op als organisch geheel. Indien de studiebelasting van oude en nieuwe cursussen niet gelijk is.2. eventuele kinderziekten overwonnen konden worden.1. De bacheloropleiding biedt studenten de mogelijkheid om via een minor ook toegang te verwerven tot masterprogramma’s op andere gebieden. Met ingang van het studiejaar 003-004 volgen doctoraalstudenten die nog cursussen moeten afronden via overgangsregelingen de equivalente onderdelen van het bachelorprogramma. De opleiding heeft hier doelbewust voor gekozen. Hierin zijn vrijstellingen in het bachelor. maar ook op een maatschappelijke loopbaan. De commissie vindt het opmerkelijk dat de opleiding voor een beperkte groep studenten een jaar eerder met de masteropleiding is gestart. kunnen studenten ontbrekende studiepunten in principe opvullen met vrijekeuzeruimte.2.en masterprogramma opgenomen op basis van behaalde vakken uit de ongedeelde opleiding. Zij vat de bachelor. De doelstelling is daarin als volgt verwoord: “De bacheloropleiding Psychologie is een wetenschappelijke basisopleiding in de psychologie. Zij is daarom van mening dat deze overgang zonder al te grote problemen voor studenten verloopt. zodat met een kleinschalige pilot voor de eerste ‘echte’ cohort. De overgangsregelingen zijn adequaat opgesteld. De bacheloropleiding Psychologie bereidt weliswaar primair voor op verdere studie.-programma’s in de psychologie en andere wetenschappen. 8.D. In het bijzonder bereidt zij voor op de opleiding tot academische (professionele) master of researchmaster Psychologie aan de Universiteit Utrecht. QANU / Psychologie / UU 35 .• • op 1 september 00 minder dan 5 oude studiepunten hadden behaald (101 studenten).­ Het­beoordelingskader 8. studenten die per 1 september 003 hun propedeuse nog niet hadden behaald (98 studenten). Voor studenten die overstappen is een overgangsregeling vastgesteld. zo ingericht dat de bachelors toegang kunnen verkrijgen tot nationale en internationale masteropleidingen en Ph.­ Doelstellingen­opleiding F1:­Domeinspecifieke­eisen De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de eisen die door (buitenlandse) vakgenoten en de beroepspraktijk gesteld worden aan een opleiding in het betreffende domein (vakgebied/discipline en/of beroepspraktijk). Bachelor In de OER van de bacheloropleiding Psychologie zijn de doelstelling en eindkwalificaties van de bacheloropleiding opgenomen.

houding. Internationaal is in de zelfstudie een vergelijking gemaakt met de EFPA-eisen voor een Europees psychologiediploma. In de zelfstudie zijn deze als volgt samengevat in algemene eindkwalificaties. Master De masteropleiding Psychologie kent acht programma’s: 36 QANU / Psychologie / UU . voldoende kennis van methodologie en statistiek om de psychologische literatuur op haar merites te kunnen beoordelen. Een vergelijking van het bachelorprogramma met dit kader. diepgaande kennis van ten minste één subdiscipline. aldus de opleiding. voldoet de Utrechtse bacheloropleiding volgens de zelfstudie in grote lijnen aan de eisen volgens het EFPA-kader. Een verschil vormt het feit dat studenten in Utrecht meer dan de aangegeven 5 studiepunten aan niet-psychologievakken kunnen besteden (45 studiepunten van de profileringsruimte). De opleiding concludeert dat de Utrechtse bacheloropleiding in grote lijnen goed vergelijkbaar is met andere Nederlandse bacheloropleidingen.en denkniveau. “De afgestudeerde bachelor Psychologie beschikt over een academisch werk. onderzoekservaring en beroepsvoorbereiding. toont als enige verschil dat de Utrechtse bacheloropleiding geen afzonderlijke cursus wetenschapsfilosofie heeft geprogrammeerd.” De Universiteit Utrecht hanteert een uniform systeem voor de inrichting van haar bacheloren masteropleidingen. voldoende oefening in het verrichten van wetenschappelijk onderzoek om eenvoudig onderzoek in de psychologie uit te kunnen voeren. Afgezien van het feit dat dit kader uitgaat van een vijfjarig bacheloren masterprogramma en in Nederland een vierjarig programma wordt bekostigd.De eindkwalificaties van de bacheloropleiding zijn in de OER onderverdeeld naar kennis. voldoende kennis en bekwaamheden om op enig gebied van de psychologie een praktijkof onderzoeksstage te volgen. De Utrechtse onderwijsfilosofie hanteert twee doelstellingen van het wetenschappelijk onderwijs: academische vorming enerzijds en gespecialiseerde academische beroepsvoorbereiding anderzijds. kennis en overzicht van de belangrijkste deelgebieden van de psychologie en hun samenhang. In de zelfstudie meldt de opleiding dat haar eindkwalificaties aansluiten bij de universitaire catalogus van academische vaardigheden. De eindkwalificaties van de bacheloropleiding omvatten: • • • • • • • • een wetenschappelijke houding. De doelstelling en eindkwalificaties voor de bacheloropleiding sluiten volgens de opleiding geheel aan bij het domeinspecifiek referentiekader dat is opgesteld door de Kamer Psychologie. vaardigheden. kennis van de biologische basis en maatschappelijke en interculturele context van het menselijk gedrag en basaal inzicht in de historische en wetenschapstheoretische grondslagen van de psychologie. Zo omvat de bacheloropleiding standaard een major (hoofdvakprogramma) en een profileringsruimte (eventueel een minor). In de praktijk blijken veel studenten deze keuzeruimte (gedeeltelijk) met psychologievakken te vullen.

interventie. Ook studenten in het programma Psychologie van Arbeid en Gezondheid in Organisaties (PAGO) voldoen hieraan indien zij in de stage drie vereiste casusbeschrijvingen opnemen. De opleiding geeft aan dat studenten die het masterprogramma Gezondheidspsychologie (GP). voldoen aan de eisen van de Basisaantekening Psychodiagnostiek van het NIP.en onderzoeksmethoden die in dat beroepenveld worden gehanteerd. Kinder.en Jeugdpsychologie (K&J). Op basis hiervan concludeert zij dat de geformuleerde eindkwalificaties van beide opleidingen voldoen aan de domeinspecifieke eisen die aan Psychologieopleidingen worden gesteld. Psychologie van Arbeid en Gezondheid in Organisaties. Afgestudeerden beschikken over professionele kennis. Het K&J-programma geeft verder toegang tot het opleidingstraject dat leidt tot de NIP-registratie K&J-psycholoog.• • • • • • • • Gezondheidspsychologie. In de OER van de opleiding zijn per masterprogramma de doelstelling en eindkwalificaties gedefinieerd. De opleiding verwacht dat het verschil in cursusduur grote consequenties heeft voor Europese erkenning. De afgestudeerde master is in staat om met de kennis. afhankelijk van het betreffende beroepenveld. mits zij in de bacheloropleiding de juiste vakken hebben afgerond. Organisatiepsychologie. vaardigheden en houding omtrent de gebruikelijke theorievorming. De doelstelling van alle programma’s is junior psychologen af te leveren die als scientist practitioner aan het werk kunnen in het betreffende beroepenveld van de psychologie en/of. De opleiding meldt in de zelfstudie dat de masteropleiding voldoet aan de eisen die zijn gesteld in het domeinspecifiek referentiekader van de Kamer Psychologie. Oordeel De commissie heeft de eindkwalificaties van de opleidingen zoals deze zijn opgenomen in de OER 005-006 bestudeerd en vergeleken met het domeinspecifieke referentiekader. In de zelfstudie worden de doelstelling en eindkwalificaties van deze programma’s als één geheel beschreven. zoals staat omschreven in de zelfstudie. In de OER wordt dit per programma gespecificeerd. De algemene eindkwalificaties veronderstellen. kunnen instromen in de daar gebruikelijke postmasteropleidingen. Toegepaste Cognitieve Psychologie. assessment-. vaardigheden en houding actief om te gaan en daarbij in individuele gevallen de psychologie verantwoord toe te passen in de praktijk en om via onderzoek aan ontwikkeling van het vak bij te dragen. KP en NP bereiden ook voor op de vervolgopleiding tot gezondheidszorgpsycholoog. Neuropsychologie. dat de academische en disciplinaire kennis. De programma’s GP. Kinder. Zij kunnen nationaal en internationaal concurreren met andere masters in de psychologie op de beroepsmarkt en met betrekking tot postmasteronderwijs. inzichten. Internationaal heeft zij de opleiding vergeleken met de eisen van het Europees Psychologendiploma gesteld door de EFPA. inzicht. Het PAGO-programma biedt volgens de opleiding een optimale voorbereiding tot de NIP-registraties Arbeid & Gezondheidspsycholoog en Psycholoog-Trainer. mobiliteit en toelating tot de arbeidsmarkt. Sociale Psychologie. Hetzelfde geldt QANU / Psychologie / UU 37 . Klinische Psychologie (KP) of Neuropsychologie (NP) voltooien. Klinische Psychologie. inzicht. vaardigheden en attitude verder worden toegespitst op één van de deelgebieden van de psychologie en het betreffende beroepenveld. K&J.en Jeugdpsychologie.

respectievelijk masteropleiding geordend via de Dublin-descriptoren. Destijds worstelde de ongedeelde opleiding nog met een algemene propedeuse sociale wetenschappen. heeft een globale kennis van de historische en (wetenschaps)filosofische grondslagen van het vak.ook ten opzichte van internationale wetenschapsbeoefening binnen dit domein. sociale psychologie of toegepaste cognitieve psychologie. De commissie waardeert de aandacht voor academische vaardigheden in de eindkwalificaties van de bacheloropleiding positief. heeft inzicht in de belangrijkste vraagstukken. Zij vindt er een aantal wat betreft de domeinspecifieke eisen duidelijk positief uitspringen. Ten aanzien van de masteropleiding merkt de commissie op dat sommige masterprogramma’s sterker zijn geprofileerd dan andere. kent de methodologische regels. ontwikkelingspsychologie. psychologie van arbeid en gezondheid. Ook is zij van mening dat ten opzichte van de vorige visitatie de domeinspecifieke identiteit van voornamelijk de bacheloropleiding naar voren is gehaald. haar deelgebieden en toepassingsvelden en de samenhang daartussen. organisatiepsychologie.en jeugdpsychologie. heeft inzicht in psychopathologie en de diverse bio-psycho-sociale perspectieven daarop. maatschappelijke en interculturele aspecten van gedrag. QANU / Psychologie / UU 38 . theorieën. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­goed. heeft kennis van de biologische. In vergelijking tot de internationale afspraken over het domein stelt de commissie vast dat in het algemeen verplichte deel van de bacheloropleiding explicietere aandacht zou kunnen worden besteed aan toepassingsgebieden en wetenschapsleer. persoonlijkheidsleer en sociale psychologie. Bachelor Kennis en inzicht Wie de bacheloropleiding Psychologie heeft voltooid: • • • • • • • • heeft inzicht in de structuur van de psychologie. zoals die via de Kamer Psychologie bij alle Psychologieopleidingen in Nederland tot stand gekomen is. F2:­Niveau:­Bachelor­en­Master De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij algemene. klinische psychologie. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is goed. neuropsychologie. Dit komt verder bij het programma (F5) aan bod. heeft op gevorderd niveau kennis van ten minste één subdiscipline: cognitive neuroscience. gezondheidspsychologie. kinder. De commissie ziet de aansluiting van de eindkwalificaties op de eisen van vakgenoten en de beroepspraktijk in het domein van de Psychologie. heeft inzicht in de grondslagen van de psychologische diagnostiek en de belangrijkste psychometrische modellen. als best practice voor andere opleidingen. onderzoeksmethoden en statistische analysetechnieken die in de psychologie algemeen worden gebruikt. internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de kwalificaties van een Bachelor of een Master. De opleidingen hebben in de zelfstudie de eindkwalificaties van de bachelor. bevindingen en procedures binnen de basisdisciplines: psychonomie/functieleer.

• • kent gebruikelijke onderzoeksmethoden en technieken van de gekozen subdiscipline. kritisch te reflecteren op psychologische kennisaanspraken op basis van inhoudelijke overwegingen en methodologische criteria. en neemt zelf verantwoordelijkheid voor de wetenschappelijke/academische/psychologische kwaliteit van het eigen handelen. met gebruikmaking van psychologische kennis. data statistisch te analyseren en conclusies daaruit te trekken. benadert empirische kennisaanspraken wetenschappelijk en verdedigt die benadering tegenover niet-wetenschappelijke benaderingen. ethische en (wetenschaps)filosofische context waarin dat gebeurt. in het Nederlands en in het Engels. wetenschappelijk-psychologische literatuur samen te vatten. heeft een open oog voor de beperkingen van de wetenschap. geeft zich bij de gebruikmaking van wetenschappelijke kennis rekenschap van de bredere. Oordeelsvorming De afgestudeerde bachelorstudent Psychologie is in staat om: • • • • problemen te conceptualiseren en analyseren in wetenschappelijk-psychologische termen. Toepassen van kennis en inzicht De afgestudeerde bachelorstudent Psychologie is in staat om: • • • • • problemen te conceptualiseren en analyseren in wetenschappelijk-psychologische termen. De afgestudeerde bachelorstudent Psychologie: • • • • toont een constructieve houding ten opzichte van de psychologie en de wetenschap in het algemeen. • • Communicatie De afgestudeerde bachelorstudent Psychologie is in staat om: QANU / Psychologie / UU 39 . dat wil zeggen de maatschappelijke. heeft een beeld van een ander wetenschapsgebied of van een thematiek buiten de psychologie (via een minor) en/of kennis verworven van speciale onderwerpen binnen of buiten de psychologie. respecteert de menselijke waardigheid. de onderlinge gelijkwaardigheid van mensen en houdt in zijn academisch/psychologisch handelen rekening met de belangen van anderen. modelmatig en hypothetisch te redeneren. een eenvoudige onderzoeksvraag te stellen. toont een zowel open als kritische houding ten opzichte van theorieën en praktijken in de psychologie en de wetenschap in het algemeen. modelmatig en hypothetisch te redeneren. een eenvoudige onderzoeksvraag te stellen. ter beantwoording van psychologische vraagstellingen relevante literatuur te verzamelen en kritisch te bezien. empirische gegevens te verwerven. data statistisch te analyseren en conclusies daaruit te trekken. in het bijzonder de psychologie en de toepasbaarheid daarvan en is hierover duidelijk tegenover anderen. met gebruikmaking van psychologische kennis. onderscheidt een wetenschappelijke redeneertrant van een niet-wetenschappelijke redeneertrant. empirische gegevens te verwerven. een onderzoeksplan te ontwerpen. een onderzoeksplan te ontwerpen.

een praktijk. assessment die in het beroepenveld wordt gehanteerd en de theorie die aan de assessment ten grondslag ligt. klinische psychologie. sociale psychologie of toegepaste cognitieve psychologie. kan assessment in het betreffende beroepsgebied op basisniveau uitvoeren. voor een publiek met of zonder een wetenschappelijke achtergrond. een zowel open als kritische houding te tonen ten opzichte van theorieën als praktijken in de psychologie en de wetenschap in het algemeen. empirische gegevens te verwerven. inleidend. neuropsychologie. Master Kennis en inzicht Wie de masteropleiding Psychologie heeft voltooid. klinische psychologie.en jeugdpsychologie. een onderzoeksplan te ontwerpen. kinder. heeft op gevorderd niveau inzicht in: • de toepassingen van psychologische kennis binnen één van de volgende gebieden: gezondheidspsychologie. data statistisch te analyseren en conclusies daaruit te trekken. schriftelijk verslag te doen van een onderzoek en daarbij te voldoen aan de gangbare vormvereisten voor een wetenschappelijk artikel. Leervaardigheden De afgestudeerde bachelorstudent Psychologie is in staat om: • • individueel of in samenwerking met anderen planmatig te werken aan de oplossing van wetenschappelijke en/of maatschappelijke vraagstukken en bij deze activiteiten adequaat gebruik te maken van relevante informatie. Hiervoor hanteert de opleiding drie niveaus. psychologie van arbeid en gezondheid. psychologie van arbeid en gezondheid.en communicatietechnologie. klinische psychologie.• • • een eenvoudige onderzoeksvraag te stellen. • • • • Toepassen van kennis en inzicht Wie de masteropleiding Psychologie heeft voltooid: • heeft op gevorderd niveau inzicht in de toepassingen van psychologische kennis binnen één van de volgende gebieden: gezondheidspsychologie. gezondheidspsychologie. psychologie van arbeid en gezondheid. het beroepenveld (of de beroepenvelden) waarbinnen de kennis van dat gebied van de psychologie wordt toegepast. organisatiepsychologie. sociale psychologie of toegepaste cognitieve psychologie. gevorderd. kinder.en jeugdpsychologie. organisatiepsychologie. over eigen onderzoek of een ander psychologisch onderwerp een mondelinge presentatie te houden. gebruikelijke methoden van onderzoek in het betreffend beroepenveld. kinder. . te weten 1. • Verder geeft de opleiding aan dat een verdere indicatie van het niveau van de eindkwalificaties wordt verkregen tot een niveautoekenning aan de cursussen.of onderzoeksstage uit te voeren op het terrein van ten minste één subdiscipline: cognitive neuroscience. neuropsychologie. verdiepend en 3. organisatiepsychologie. neuropsychologie. sociale psychologie of toegepaste cognitieve psychologie. de interventiestrategieën die in dat beroepenveld worden gehanteerd en de theorie die aan deze strategieën ten grondslag ligt. kan de interventiestrategieën die in dat beroepenveld worden gehanteerd op basisniveau QANU / Psychologie / UU • • 330 .en jeugdpsychologie.

een werkrelatie aan te gaan en zich ten opzichte van hen voor beroepsmatige acties en conclusies te verantwoorden.en beoogde masterkwalificaties. uitvoeren en rapporteren. Oordeel De commissie heeft de eindkwalificaties van de bachelor. in het bijzonder in het licht van wetenschappelijke standaarden van redeneren en bewijsvoering. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. in het bijzonder met betrekking tot onderwerpen op het gekozen beroepenveld.en masterkwalificaties. Leervaardigheden Wie de masteropleiding Psychologie heeft voltooid: • • heeft aangetoond te kunnen leren van literatuur. leervaardigheid op zelfsturend en autonoom niveau. kan eenvoudig wetenschappelijk onderzoek op het betreffende gebied opzetten. is in staat om eenvoudig empirisch onderzoek te rapporteren. De commissie is daarmee van mening dat de eindkwalificaties van de opleidingen aansluiten bij algemene. Communicatie Wie de masteropleiding Psychologie heeft voltooid: • • • is in staat om patiënten. Zij sluit zich aan bij bovenstaande uiteenzetting.respectievelijk masteropleiding. cliënten en participanten in onderzoek en hun directe omgeving. mondelinge overdracht van kennis en kunde en van feedback op eigen academische en beroepsactiviteiten. Voor de bachelor. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende.• uitvoeren.en masteropleiding vergeleken met de Dublin-descriptoren. cliënten en/of participanten in onderzoek en collega’s te benaderen. heeft oog voor ethische aspecten van de toepassing van de psychologie in het betreffende beroepenveld met inbegrip van het onderzoek. QANU / Psychologie / UU 331 . Er is een duidelijk verschil in niveau zichtbaar tussen de beoogde bachelor. heeft oog voor/handelt naar het besef van beperkte kennis en vaardigheden. internationaal geaccepteerde beschrijvingen van de bachelor.en masteropleiding wordt in de zelfstudie geconcludeerd dat zij voldoen aan de internationaal erkende Dublin-descriptoren van een bachelor. is in staat om aspecten van het vak over te dragen aan collega’s en aan mensen buiten het vak. Oordeelsvorming Wie de masteropleiding Psychologie heeft voltooid: • • • • is attent op gevolgen van eigen handelen als professional ten opzichte van respectievelijk patiënten. is kritisch ten aanzien van psychologische kennis en praktijk.

De eindkwalificaties betreffende het wetenschappelijk onderzoek nemen daarbij een centrale plaats in. van praktische individuele of groepsaard en theoretische aard bevorderd. De opleiding verwacht dat afgestudeerden ook toegang hebben tot masteropleidingen op het gebied van de Psychologie van andere universiteiten. c) academische vaardigheden en d) houding. Hiervoor moeten studenten wel een bepaald studiepad binnen de bacheloropleiding volgen. de actieve reflectie op en analyse van psychologische problemen. Oordeel De eindkwalificaties van de bachelor. adequaat is doorvertaald in de eindkwalificaties van beide opleidingen. de vereiste wetenschappelijke kennis en academische vaardigheden. de internationale wetenschapsbeoefening en voor daarvoor in aanmerking komende opleidingen de relevante praktijk in het toekomstige beroepenveld. zoals beschreven in de zelfstudie. Het kerndoel van de bacheloropleiding is het opleiden tot een wetenschappelijk gevormd academicus in de psychologie. Afgestudeerde bachelorstudenten hebben ook toegang tot de researchmasters van de Faculteit Sociale Wetenschappen zoals Psychological Health Research. naar voren komt. disciplinaire scholing en voorbereiding op de beroepspraktijk.F3:­Oriëntatie­WO: De eindkwalificaties van de opleiding sluiten aan bij de volgende beschrijvingen van een Bachelor en een Master in WO: • De eindkwalificaties zijn ontleend aan eisen vanuit de wetenschappelijke discipline. Educational Science. inzicht en attitude toespitsten op een specifiek gebied van de beroepspraktijk. Ook wordt bevorderd dat studenten verzamelde kennis en het trekken van conclusies met betrekking tot relevante problemen integreren en de eerder opgedane kennis en kunde. De commissie beoordeelt het positief dat de doelstelling van vooral de masteropleiding beroepsgeoriënteerd is ingevuld. • Een WO-bachelor heeft de kwalificaties voor toegang tot tenminste één verdere WO-studie op masterniveau en eventueel voor het betreden van de arbeidsmarkt. b) kennis van de gebruikelijke onderzoeksmethoden van de psychologie. De bacheloropleiding Psychologie geeft toegang tot de academische masteropleiding Psychologie.en masteropleiding zijn naar het oordeel van de commissie van voldoende academisch niveau. Methodology and Statistics in the Behavioural and Social Sciences. Development and Socialisation in Childhood and Adolescence. Bachelor In de zelfstudie geeft de opleiding aan dat uit de eindkwalificaties van de bacheloropleiding blijkt dat deze aandacht besteden aan academische vorming. of de Cognitive Neuroscience. Master De masteropleiding leidt studenten op tot een scientist-practitioner op een specifiek veld van de beroepspraktijk van de psycholoog. De commissie stelt vast dat er wel een harde 33 QANU / Psychologie / UU . De opleiding geeft aan dat in de eindkwalificaties de gerichtheid op a) kennis en inzicht in de wetenschappelijke discipline psychologie als geheel en op gevorderd niveau van een subdiscipline. zoals onder meer blijkt uit de aandacht voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek. waarin wordt gesteld dat academische masteropleidingen studenten voorbereiden op het uitoefenen van een functie op academisch niveau in de beroepspraktijk. De commissie is van mening dat de filosofie van UU. • Een WO-master heeft de kwalificaties om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te verrichten of multien interdisciplinaire vraagstukken op te lossen in een beroepspraktijk waarvoor een WO-opleiding vereist is of dienstig is. In de opleiding wordt.

maar dat de bacheloropleiding niet wordt beschouwd als afgeronde eenheid waarmee een student in een bepaalde beroepenpraktijk werkzaamheden kan verrichten.5 studiepunten. mits in het studiepad de juiste vakken zijn gevolgd. Elke cursus bestaat uit 7.en de masteropleiding.­ Programma De Universiteit Utrecht kent een uniform systeem voor de inrichting van bachelor.2. naar een van de masterprogramma’s van de masteropleiding Psychologie van de UU kan doorstromen. Oordeel­op­onderwerpniveau Op basis van de beoordelingen per facet concludeert de commissie dat het samenvattend oordeel op het niveau van het onderwerp ‘Doelstellingen opleiding’ voor de bachelor.en masteropleidingen. De laatste kan ingevuld worden met een minor. 8. Bachelor De bacheloropleiding Psychologie omvat een major verplicht van 75 studiepunten.2. in elke blokperiode zijn twee cursussen geprogrammeerd. De commissie stelt vast dat de afgestudeerde bachelor. De opbouw van het bachelor. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Met aanvullende eisen kan hij of zij ook doorstromen naar een aantal researchopleidingen.en masterprogramma Psychologie sluit aan bij deze Utrechtse onderwijsfilosofie. In de profileringsruimte kan de student vrijelijk kiezen uit elk aanbod van de UU of elders. Eerste bachelorjaar Blok 1 • Inleiding in de psychologie: overzicht en geschiedenis • Methodeleer en statistiek 1 Blok  • Biologische grondslagen van het gedrag • Methodeleer en statistiek  Blok 3 • Functieleer • Ontwikkelingspsychologie Blok 4 • Persoonlijkheidsleer • Sociale psychologie QANU / Psychologie / UU 333 . een major keuze van 60 studiepunten en een profileringsruimte van 45 studiepunten. Het merendeel stroomt door naar een masteropleiding. Voor het keuzedeel van de major heeft de opleiding geadviseerde studiepaden vastgesteld.en de masteropleiding Psychologie luidt: voldoende.cesuur wordt gehanteerd tussen de bachelor. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is voldoende. Deze ruimte kan worden ingevuld met ‘losse vakken’ of met een minor welke bestaat uit vier samenhangende cursussen.

Masterprogramma Gezondheidspsychologie Cursussen: • Gedragstherapie en cognitieve therapie • Interventie bij somatische aandoeningen Stage (minimaal 0 studiepunten) Thesis (minimaal 15 studiepunten) Masterprogramma Kinder.5 studiepunten) Masterprogramma Klinische Psychologie Cursussen: • Gedragstherapie en cognitieve therapie • Verlies en psychotrauma of Angst. • een masterthesis (van minimaal 15 en maximaal 30 studiepunten).en stemmingsstoornissen 334 QANU / Psychologie / UU . Elk programma bestaat uit: • cursorisch onderwijs op masterniveau (twee tot drie cursussen van elk 7.5 studiepunten). De opbouw per programma is als volgt. • een stage (van minimaal 15 en maximaal 30 studiepunten). 3 en 4 • Major keuze in studiepad of profileringsruimte • Major keuze in studiepad of profileringsruimte Derde bachelorjaar Blok 1 • Major keuze in studiepad of profileringsruimte • Major keuze in studiepad of profileringsruimte Blok  • Major keuze in studiepad of profileringsruimte • Trainingen professionele vaardigheden Blok 3 • Major keuze in studiepad of profileringsruimte • Bacheloronderzoek Blok 4 • Major keuze in studiepad of profileringsruimte • Bacheloronderzoek Master De masteropleiding Psychologie omvat acht programma’s.5 studiepunten) Thesis (.en Jeugdpsychologie Cursussen: • Ontwikkelingspsychopathologie II • Preventie en interventie Stage (.Tweede bachelorjaar Blok 1 • Biopsychosociale perspectieven op psychopathologie • Grondslagen van de psychologische diagnostiek en testtheorie Blok .

5-30 studiepunten) Masterprogramma Psychologie van Arbeid en Gezondheid in Organisaties Cursussen: • Psychologie van arbeid en gezondheid • Adviesvaardigheden Stage (15-30 studiepunten) Thesis (15-30 studiepunten) Masterprogramma Sociale Psychologie Cursussen: • Attituden en attitudeverandering • Groepsprocessen Stage/Thesis (45 studiepunten) Masterprogramma Toegepaste Cognitieve Psychologie Cursussen: • Toegepaste cognitieve psychologie II • Capita selecta Toegepaste cognitieve psychologie Stage (15-30 studiepunten) Thesis (15-30 studiepunten) QANU / Psychologie / UU 335 .Stage (15-30 studiepunten) Thesis (15-30 studiepunten) Masterprogramma Neuropsychologie Cursussen: • Kinderneuropsychologie • Cognitieve neuropsychiatrie Stage (30 studiepunten) Thesis (15 studiepunten) Masterprogramma Organisatiepsychologie Cursussen: • Adviesvaardigheden • Interventies in groepen • Interventies in organisaties Stage (15-.5 studiepunten) Thesis (.

• Het programma sluit aan bij ontwikkelingen in de relevante wetenschappelijke discipline(s) door aantoonbare verbanden met actuele wetenschappelijke theorieën. Met ingang van het studiejaar 006-007 wordt een aantal studiepaden samengevoegd en het totaal gereduceerd tot zes. 3. een of twee cursussen professionele vaardigheden (niveau  of 3). Met het oog op een bepaald arbeidsmarktprofiel of het kunnen behalen van de Basisaantekening Psychodiagnostiek (BAPD) en de vooropleidingseisen van vervolgopleidingen worden bepaalde aanbevelingen gedaan. pathologisch of problematisch gedrag en de oor zaken daarvan. Bachelor In de zelfstudie geeft de opleiding aan dat het verplichte basisprogramma zich kenmerkt door de volgende curriculumlijnen: 1. een cursus Methodeleer en statistiek 3 (niveau 3). De opleiding geeft aan dat het merendeel van de studenten kiest voor psychologiecursussen. hun samenhang en toepassingen. Deze komen aan bod in de cur sussen Methodeleer en statistiek 1 en . In studiejaar 005-006 werden negen studiepaden aangeboden. en een bacheloronderzoek (15 studiepunten. . • Bij daarvoor in aanmerking komende opleidingen heeft het programma aantoonbare verbanden met de actuele praktijk van de relevante beroepen. twee trainingen onderzoeksvaardigheden (niveau ). Voor elk studiepad geldt dat de cursus Methodeleer en statistiek en het bacheloronderzoek gecontextualiseerd zijn. methodologische en statistische onderzoeksvaardigheden. psychologische diagnostiek. Deze onderdelen worden studiepadspecifiek ingevuld. theoretische perspectieven op afwijkend. Voor het aanleren van academische vaardigheden heeft de opleiding gekozen voor een vaardighedenlijn door alle cursussen van het basisprogramma heen. niveau 3). 336 QANU / Psychologie / UU . Voor de invulling van de profileringsruimte geldt dat studenten deze vrij mogen invullen met cursussen waarvan er minimaal twee (15 studiepunten) op niveau  moeten zijn. Deze komen aan bod in de verplichte cursussen Biopsychosociale perspectieven op psychopathologie en Psychologische diagnostiek en testtheorie in het eerste blok van het tweede jaar. Deze komen aan bod in de zes verplichte psychologiecursussen van het eerste jaar. • Het programma waarborgt de ontwikkeling van vaardigheden op het gebied van wetenschappelijk onderzoek. het Onderzoekspracticum en de cursus Psycholo gische diagnostiek en testtheorie. De opleiding vereist dat het majorkeuzedeel bestaat uit: • • • • • twee of drie theoretische cursussen (niveau 3).F4:­Eisen­WO Het programma sluit aan bij de volgende criteria voor het programma van een WO-opleiding: • Kennisontwikkeling door studenten vindt plaats in interactie tussen het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek binnen relevante disciplines. Zij kunnen kiezen voor een verbreding of verdieping. theorieën en bevindingen van de belangrijkste onderdelen van de wetenschappelijke psychologie.

Bij interne stages. Zij beschikken in het algemeen minimaal over de basisonderzoekskwalificatie zoals bepaald door de UU. die bij voorkeur en in de meeste gevallen extern plaatsvindt. Alumni bevestigen dat in de verschillende richtingen gastcolleges werden verzorgd waarbij voorbeelden uit de relevante beroepenpraktijk werden gegeven. die naar het oordeel van de commissie op adequate wijze waarborgt dat onderzoeksvaardigheden voldoende aan de orde komen. maar ook tijdens de verplichte disciplinaire vakken in het eerste bachelorjaar. De commissie is van oordeel dat studenten op deze manier kennis verwerven in interactie met wetenschappelijk onderzoek. Zij laten het onderwijs zo mogelijk aansluiten bij (lopend) onderzoek. welke in de meeste gevallen wordt uitgevoerd aansluitend bij lopende onderzoeksprogramma’s van het Linschoten instituut. De cursussen in de masterprogramma’s bevatten kennis en kunde die in het betreffende vakgebied als belangrijk gelden. De stagedocent beoordeelt de student. Daarbij worden binnen verschillende studiepaden excursies georganiseerd. bijvoorbeeld naar onderzoekslaboratoria en worden trainingen professionele vaardigheden gegeven. De opleiding beoordeelt de stageplaatsen op de kwaliteit van de organisatie. De commissie heeft hiervoor cursusmateriaal bestudeerd en waardeert positief dat de vaardigheidstrainingen en het methoden en techniekenonderwijs gekoppeld aan de psychologische (sub)discipline wordt aangeboden. Zij waardeert positief dat studenten in het onderzoek voor de masterthesis de hele QANU / Psychologie / UU 337 . Uitgangspunt bij de cursussen en stage is een evidence based karakter. De masterthesis omvat de gehele onderzoekscyclus. Dit wordt vooral in de stage gerealiseerd. De bacheloropleiding kent een curriculumlijn op het gebied van onderzoeksvaardigheden. De kwaliteit van de activiteiten wordt bewaakt door de stagedocent.en masterstudenten heeft de commissie gehoord dat beroepenvoorlichting in het eerste jaar wordt geïntroduceerd en vervolgens per studiepad wordt verzorgd. Dit houdt volgens de opleiding in dat het onderwijs gegeven wordt vanuit een wetenschappelijk gefundeerd perspectief. Dit geldt in de bacheloropleiding bijvoorbeeld voor het onderzoekspracticum in het eerste jaar.als masteropleiding geldt dat het onderwijs wordt verzorgd door docent-onderzoekers. Voor de masteropleiding geldt dit specifiek voor de masterthesis. het bacheloronderzoek in het derde jaar. Oordeel De commissie stelt vast dat voor zowel de bachelor. De commissie vindt dat in de masteropleiding wordt voortgebouwd op de opgedane wetenschappelijke kennis en onderzoeksvaardigheden van de bachelor. na advisering door de praktijkbegeleider voor dit studieonderdeel. de gehanteerde procedures en het professionele handelen van de begeleidend psycholoog. De opleiding geeft aan dat alle masterprogramma’s aansluiten bij de actuele beroepspraktijk van afgestudeerde psychologen in het toepassingsgebied van de programma’s. Dit vindt over het algemeen plaats in het kader van lopende onderzoeksprogramma’s van de disciplinegroep. Het gecontextualiseerd aanbieden van de cursus Methodeleer en statistiek en het bacheloronderzoek is naar de mening van de commissie een vrij unieke aanpak. De student wordt geacht een onderzoeksproject zelfstandig onder supervisie uit te voeren. Van bachelor. ziet de opleiding er op toe dat de ervaring die de student opdoet rechtstreeks te verbinden is met het gekozen beroepenveld.Master Het onderwijs in de masterprogramma’s wordt volgens de opleiding voor het grootste deel verzorgd door de vaste staf van de betrokken disciplinegroepen. die in een enkel geval voorkomen.

De eindkwalificaties zijn adequaat vertaald in leerdoelen van (onderdelen van) het programma. in haar ogen te weinig in het verplichte bachelorprogramma zijn vertegenwoordigd. Het managementteam en de opleidingscommissie toetsen het onderwijsaanbod de opleidingen jaarlijks op consistentie en aansluiting op de eindkwalificaties. Deze eindkwalificaties betreffen vooral een aantal academische vaardigheden die in het programma verweven zijn. omdat de faculteit een zelfstandige opleiding Onderwijskunde aanbiedt waarin de onderwijspsychologie is opgenomen. oriëntatie en domeinspecifieke eisen. F5:­Relatie­tussen­doelstellingen­en­inhoud­programma Het programma is een adequate concretisering van de eindkwalificaties.en organisatiepsychologie of onderwijspsychologie. colleges van gastdocenten en door docenten met een dubbele aanstelling aan de universiteit en in de actuele praktijk van het relevante beroepenveld. De commissie merkt op dat toepassingsgebieden van de psychologie. uitgegaan van de eindkwalificaties. De inhoud van het programma biedt studenten de mogelijkheid om de geformuleerde eindkwalificaties te bereiken. Voor de inrichting van het onderwijsprogramma van de bachelor. De commissie heeft van het opleidingsmanagement begrepen dat er nadrukkelijk voor gekozen is de onderwijspsychologie niet in het programma op te nemen. De commissie is op basis van de beschrijving van de inhoud en opzet van de programma’s en het bestudeerde lesmateriaal van oordeel dat er in de bachelor. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. In een overzicht is voor de bacheloropleiding aangegeven welke cursussen bijdragen aan de onderscheiden eindkwalificaties. zoals omschreven in de zelfstudie.empirische cyclus moeten doorlopen. Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. zoals arbeids.en masteropleiding is. In het verplichte basisprogramma komen de eindkwalificaties ‘kennis en inzicht’ en ‘toepassen van kennis en inzicht’ in alle cursussen aan bod en wordt aandacht besteed aan ‘oordeelsvorming’ en ‘communicatie’. Zij concludeert dat in de masteropleiding onderzoeksvaardigheden voldoende aan bod komen. Verder oordeelt zij positief over het feit dat de eisen aan de omvang van de masterthesis (van 15 tot 30 studiepunten) enige soepelheid toelaten. Uit het overzicht blijkt verder dat in het majorkeuzedeel in de onderdelen die in alle studiepaden zijn opgenomen. al wordt hiervan in de praktijk wel eens afgeweken (zie F5). qua niveau. alle typen eindkwalificaties op verdiepend 338 QANU / Psychologie / UU . De actuele praktijk van relevante beroepen komt naar het oordeel van de commissie op basaal niveau aan bod tijdens de eerste inleidende cursussen over de verschillende psychologische basisdisciplines en verder via de stages in de master. de trainingen en het bacheloronderzoek. gestructureerd volgens de Dublin-descriptoren. te weten Methodeleer en statistiek 3. waardoor differentiatie in accenten tussen de verschillende programma’s mogelijk is. ‘Leervaardigheden’ komen vooral in het tutoraat in het eerste jaar aan de orde. De psychologiestudenten kunnen in hun profileringsruimte gebruikmaken van dit aanbod.en masteropleiding voldoende aandacht wordt besteed aan actuele wetenschappelijke theorieën. de vakken van de negen geadviseerde studiepaden en psychologievakken die worden aangeboden in de profileringsruimte. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt naar de vakken uit de major-verplicht.

Eindkwalificaties ten aanzien van communicatie worden gerealiseerd via het cursorisch onderwijs waarbij het overbrengen van aspecten van het vak een onderdeel vormt. In de stage maken studenten kennis met actuele psychologische vraagstellingen en door verslaglegging in de masterthesis en het stageverslag wordt volgens de opleiding verwerking en verdieping van relevante wetenschappelijke kennis bereikt. Verder vormt de omgang met collega’s en participanten een punt van aandacht bij het onderzoek en de stage. vaardigheden (zoals diagnostiek. De opleiding geeft aan dat studenten zich in de cursussen verdiepen in de belangrijkste theorieën en modellen die in het werkveld vigeren. In het bacheloronderzoek komen volgens de opleiding alle eindkwalificaties samen. Eindkwalificaties ten aanzien van leervaardigheden worden volgens de zelfstudie vooral bereikt door te stimuleren dat studenten de belangrijkste bronnen voor het beroepenveld kennen en daar gebruik van maken. In de masterthesis past de student wetenschappelijke vorming uit de bacheloropleiding en de inhoudelijke toespitsing op het beroepenveld toe in empirisch wetenschappelijk onderzoek. ethische aspecten van het vak en zijn kritische zin bevorderd. Dit vindt bijvoorbeeld plaats via presentaties en papers in bepaalde cursussen en bij de mondelinge verantwoording van het onderzoek voor masterthesis aan de begeleider(s) en aan medestudenten. Dit bewerkstelligt dat volgens de opleiding de student in staat is om zelfsturend te leren en zich leerbaar op te stellen. Volgens de opleiding zijn de studiepaden zo opgebouwd dat de specifieke cursussen samen steeds alle eindkwalificaties omvatten op verdiepend en gevorderd niveau.en masteropleiding toetsbare leerdoelen zijn geformuleerd. Eindkwalificaties betreffende kennis en inzicht komen in de cursussen en aanvullend in de masterthesis en de stage aan de orde. In de stage leren studenten psychologische vraagstellingen te signaleren en te analyseren. Hierbij wordt de student volgens de opleiding bewust (gemaakt) van de eigen beperkingen. Master In de zelfstudie relateert de opleiding de onderwijsonderdelen van de masteropleiding aan de eindkwalificaties geordend volgens de Dublin-descriptoren (zie F voor de eindkwalificaties). Elke student moet tijdens het bacheloronderzoek minimaal tien uur zelf als proefpersoon optreden. Zij stelt vast dat in de studiegids bij de studieonderdelen van de bachelor. De opleiding stimuleert studenten om gebruik te maken van de feedback die aan de resultaten van werk of via participanten. Uit het overzicht van de relatie tussen de cursusonderdelen en de eindkwalificaties zoals in de zelfstudie is opgenomen blijkt dat eindkwalificaties adequaat zijn doorvertaald naar de leerdoelen van het programma. interventie. en mede op basis van eerder verworven theoretische inzichten. Eindkwalificaties op het gebied van het toepassen van kennis en inzicht worden gerealiseerd in de stage en masterthesis. Eindkwalificaties betreffende oordeelsvorming worden gerealiseerd door de confrontatie van elke student met de praktijk van onderzoek en de professionele beroepspraktijk. Voor de masQANU / Psychologie / UU 339 . Oordeel De commissie heeft de cursusbeschrijvingen in de studiegids en het beschikbare cursusmateriaal ingezien. collega’s en begeleiders verkregen kan worden. patiënten.en gevorderd niveau (niveau  en 3) voorkomen. rapportage) in de praktijk toe te passen. cliënten.

professionele toepassingsgebieden en vervolgopleidingen. Ook bij de masterthesis was dit niet het geval. Zo wordt bijvoorbeeld aan het onderdeel interculturele psychologie in alle theoretisch inhoudelijke cursussen aandacht geschonken. In de zelfstudie zet de opleiding uiteen hoe elke curriculumlijn is opgebouwd. inzichten en vaardigheden worden verworven waar het vervolg van het onderwijsprogramma in de studiepaden op voortbouwt. Voor de masteropleiding geldt dat de commissie de concretisering van de eindkwalificaties in de aangeboden cursussen. Bachelor Voor de cursussen in de bacheloropleiding hanteert de opleiding drie niveaus. 340 QANU / Psychologie / UU . Bij F4 zijn al drie curriculumlijnen van het basisprogramma genoemd.teropleiding kan de commissie zich vinden in het overzicht zoals hierboven is gegeven. te omvatten. onder meer aan de hand van een afzonderlijk boek en steeds toegespitst op de betreffende subdiscipline. waarbij ze wel de hele onderzoekscyclus doorlopen (inclusief dataverwerving). een aantal andere komen alleen in keuzeonderdelen aan de orde. EFPA-kader) stelt de commissie vast dat in het algemeen verplichte deel van de bacheloropleiding weinig expliciete aandacht wordt besteed aan wetenschapsfilosofie. de masterthesis behoort de hele empirische cyclus. Tot slot viel het de commissie in het licht van de eindkwalificatie die stelt dat de afgestudeerde bachelor ook in het Engels wetenschappelijk-psychologische literatuur kan samenvatten (F1. inleidend. derde bullet) op. F6:­Samenhang­programma Studenten volgen een inhoudelijk samenhangend studieprogramma. Wel heeft zij enkele mastertheses gezien die bestonden uit een secundaire data-analyse. dat zij geen Engelstalige samenvattingen aantrof bij de bachelorthesis. te weten 1. toepassen van kennis en inzicht. De commissie vindt dit in het kader van de eindkwalificaties niet passend. De commissie heeft van de opleiding begrepen dat studenten in geval van secundaire data-analyse voor de masterthesis het gemiste deel van de empirische cyclus op een andere manier doorlopen tijdens het programma. Een aantal toepassingsvelden wordt behandeld. Deze studenten wordt de mogelijkheid geboden om te participeren in lopend onderzoek van medewerkers. . Bachelor: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. interculturele psychologie en oriëntatie op kerngebieden van de psychologie. inclusief dataverzameling. vindt de commissie dit een wat vreemde oplossing die men beter zou proberen te vermijden. De opleiding geeft aan dat in dit basisprogramma de kennis. De eindkwalificatie die stelt dat de student inzicht heeft in de toepassingsvelden vindt de commissie in het verplichte programma niet evenwichtig terugkeren. Elke cursus in de bacheloropleiding kent een niveauaanduiding. Hoewel de opleiding betoogt dat dit een weloverwogen keuze is. maar data-analyse uitvoeren op eerder door anderen verworven data. Iedere student begint met het verplichte basisprogramma dat het eerste en een deel van het tweede jaar omvat. gevorderd. Daarnaast kent het basisprogramma de curriculumlijnen academische vaardigheden. Ook de eindkwalificaties van de masteropleiding zijn volgens haar voldoende doorvertaald naar leerdoelen van cursusonderdelen. stages en via de thesis voldoende vindt. verdiepend en 3. Master: Het oordeel van de commissie over dit facet is­voldoende. Gezien de eindkwalificaties en de internationale afspraken over het domein (zie F1.

bijvoorbeeld betreffende het niveau van de cursussen. Docenten maken deel uit van het major-verplichtoverleg of van het docententeam op het niveau van de disciplinegroep onder leiding van de studiepadcoördinator. Ook in het majorkeuzedeel besteden alle onderdelen volgens de opleiding aandacht aan academische vaardigheden. waar het de diagnostiek betreft. Het Utrechtse bachelormodel bestaande uit een major en profileringsruimte en QANU / Psychologie / UU 341 . aan bij de cursus Grondslagen van de psychologische diagnostiek en testtheorie. Oordeel De commissie is van oordeel dat het bachelorprogramma een mooie opbouw van meer algemeen naar meer specifiek kent. De samenhang tussen de cursussen wordt in een team bewaakt.De studiepaden die ten behoeve van het keuzedeel van de major worden aangeboden vallen onder de verantwoordelijkheid van een disciplinegroep. een sterke samenhang is gerealiseerd. De onderwijsonderdelen van het studiepad moeten een evenwichtige combinatie van theorie. Zo worden bijvoorbeeld de inhoud van de theoretische cursussen uit de basisfase en de al verworven onderzoeksvaardigheden op elkaar betrokken in het onderzoekspracticum. De samenhang binnen de cursussen wordt namens de hoogleraren bewaakt door de cursuscoördinatoren. De verschillende cursussen zijn inhoudelijk op elkaar afgestemd en op elkaar betrokken. bewaakt door de verantwoordelijke portefeuillehouder in het managementteam e