Samenvatting: Interpretatie van cultuuruitingen Poëzie (van Boven en Dorleijn) 1.

Lyriek Lyrische teksten worden gekenmerkt door een monologische taalsituatie (of communicatieve situatie). Er is een woordvoerder: een ik dat zich uit. Vaak spreekt die woordvoerder een jij of gij aan. Maar die jij zegt niks terug. We krijgen alleen de monoloog van de ik te horen. Een lyrische tekst moet aan de volgende punten voldoen om een lyrische tekst te zijn: • Ze moet een aanroep bevatten: apostrofe – een aanspreekvorm waar niet de lezer of het publiek wordt aangesproken maar een persoon of instantie die in de taalsituatie word opgeroepen. • Of ze moet een uitroep bevatten: exclamatio – vaak herkenbaar aan de tussenwerpselen als ‘O’, oh of ach. (in een lyrische tekst kunnen beide punten voorkomen) • Lyriek mag geen geschiedenis presenteren, zij geeft slechts uiting aan een momentane ervaring. In de lyriek kunnen we echter een onderscheid maken tussen subjectieve en objectieve lyriek. De subjectieve lyriek hebben we hierboven besproken. De objectieve lyriek zien we meer bij moderne gedichten en deze zijn meer observerend. In feite is er een observerend ik (soms niet tekstueel uitgedrukt) dat niet aanroept en uitroept maar registreert en constateert. Om er achter te komen of het over een lyrische tekst gaat kunnen we de truc toepassen door er een lyrisch ik geuite uit- en aanroep van te maken. Lyriek is niet hetzelfde als poëzie. Een gedicht kan een geschiedenis bevatten en daardoor kunnen we dit dan niet tot de lyriek rekenen. Dan spreken we van verhalende of dramatische poëzie. Poëzie is sowieso moeilijk of niet te definiëren. Toch is er één kenmerk dat heel typerend is voor poëzie en die is van typografische aard. Proza is doorlopende tekst (poëzie niet), waar de ene regel ophoudt begint de volgende. Bij poëzie echter maakt de regelscheiding deel uit van de tekst. Deze verplichte regelscheiding zet aan de tekst poëtisch te lezen. Toch is er ook poëzie waar dit niet het geval is. Poëzie en literatuur kunnen we dan het beste omschrijven als concepten gekoppeld aan opvattingen van mensen, leden van een culturele gemeenschap. 2. Verhalende teksten (epiek en dramatiek) Dramatische teksten (toneel) worden gekenmerkt door een dialogische taalsituatie. Er zijn minimaal twee woordvoerder die ieder op hun beurt wat zeggen. Ze reageren op elkaar. Epische of verhalende teksten worden gekenmerkt door een ingebedde taalsituatie. We hebben net als bij dramatische teksten te maken met woordvoerders (personages) die met elkaar in dialoog zijn. Maar deze dialogische situatie is ingebed in een kader van tekst die door een vertellende instantie wordt geproduceerd. De vertellende instantie bevindt zich dus op een hoger tekstniveau, hij staat boven de wereld van de personages, hij heeft inzicht in die wereld en hij deelt in de tekst informatie over die wereld mee. De inbedding zit hem dus op twee niveau: • Dat van de verteller (die tekst produceert) • Dat van de door hem vertelde wereld. Verhalende teksten bevatten dus twee centrale bestanddelen: de verteller/vertelinstantie en het verhaal. De kern van de verhalende tekst is het verhaal, een reeks met elkaar verbonden

1

gebeurtenissen die door de verteller worden gepresenteerd. Parallel aan deze twee centrale elementen ‘verhaal’ en ‘verteller’ worden de vertaaltheorie en de verteltheorie onderscheiden. Beide houden zich bezig met de systematische beschrijving van verhalende teksten. Deze hebben we nodig voor de analyse en interpretatie van een verhaal. Deze twee terreinen worden samen ook wel narratologie genoemd. De verhaaltheorie is vooral gericht op de opbouw van verhalen: personages, handeling verloop, ruimte, tijd en motieven. De verteltheorie onderzoekt hoe verhalen worden verteld en gepresenteerd, de vertelstandpunten kunnen worden onderscheiden en beschreven. 3. De poëtische functie van taalgebruik Proza is ongebonden taalgebruik, poëzie is taalgebruik dat gebonden is door extra ordeningen (zoals rijm, metrum, herhalingsfiguren, beeldspraak). We kunnen dus niet op grond van het taalgebruik een waterdicht onderscheid maken tussen proza en poëzie. Wel kunnen we op dit niveau belangrijke verschijnselen vinden die in belangrijke mate bijdragen aan het speciale effect van (veel) literaire teksten. We gaan hier dan uit van de poëtische functie (Roman Jacobsen) van het taalgebruik, die zoals in poëzie als in proza voorkomt. Hierbij gaan we weer uit van de communicatieve situatie (taalsituatie), waarbinnen de tekst als vorm van taalgebruik functioneert en in de verschillende functies die taalgebruik daarbinnen kan vervullen. We gaan uit van het volgende communicatieschema: Zender – Boodschap – Ontvanger De zender produceert een boodschap en brengt dat over naar de ontvanger. De boodschap kent twee aspecten: 1. de vorm waarin zij is verpakt; 2. de betekenis: datgene waarnaar wordt verwezen. We kunnen dit in semiotische termen ook wel: de betekenaar (signifiant) en het betekende (signifié) noemen. Om de boodschap over te kunnen brengen van zender naar ontvanger is een kanaal nodig (via een medium of door middel van rechtstreeks contact). Tenslotte moet de inhoud van de boodschap in een bepaalde taal (ook wel code) gecodeerd worden en die code moeten beide partners delen. Men noemt dit ook wel dat de zender de boodschap encodeert en dat de ontvanger na via het kanaal de boodschap in het Nederlands ontvangen te hebben, de boodschap ontcijfert of decodeert met behulp van zijn kennis van de regels van het Nederlands. Taalgebruik kan gekarakteriseerd worden naar zijn functie en wel door middel van de accenten die men legt op de hierboven genoemde grootheden: • Informatieve of referentiële functie, de informatieve inhoud van de boodschap • Emotieve of expressieve functie, de zender wil zich alleen maar uiten • Fatische functie, het kanaal openhouden, de communicatielijn in stand houden • Appelatieve of directieve functie, een appèl doen op de ontvanger (hé luisteren jij) • Metalinguale functie, de zender reflecteert op de taal of het taalgebruik en de taalregels zelf • Poëtische functie, de taaluiting oriënteert zich op de vorm van de boodschapper. Het teken vraagt aandacht voor zichzelf. Niet voor wat het mededeelt, niet voor de zender noch voor de ontvanger, en evenmin voor de andere communicatiefuncties. Men zegt dat er in poëtische taalgebruik foregrouding optreedt. De taaluiting zelf, of een aspect ervan komt op de voorgrond te staan, de taaluiting valt op omdat er word afgeweken van wat normaal is. De poëtische functie kunnen daarom opvatten als een vorm van

2

• Het teken dat qua vorm een overeenkomst vertoont met waar het voor staat: de icoon of icon. Deze kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op syntactische regels (de zinsstructuur) of op een semantische regel (de betekenis van een taaluiting) Equivanlentie heeft te maken met herhalingen. maar drukt iets van de inhoud uit – het teken weerspiegelt qua vorm iets van de inhoud. Maar in 3 . bijvoorbeeld fonische herhalingen (klank en metrum) of klankherhaling zoals rijm. Er is echter geen natuurlijk relatie tussen beide. Deviatie betekent letterlijk afwijking. De klankleer. Taaltekens zijn in principe arbitrair en conventioneel. De secundaire orde of het secundair systeem noemen we dan ook wel de poëtische orde. Bij die verbinding tussen twee systemen. ook wel symbool genoemd. We spreken dan wel van semantisering van een vormkenmerk of van iconiciteit. De vorm van het teken is dan niet arbitrair (willekeurig). beschrijft de regels voor accenttoekenning. accent krijgen. Dit teken word gekenmerkt doo een arbitraire relatie tussen betekenaar en betekende.foregrouding. klank. verdeelt met het oog op de verhouding tussen betekenaar en betekende de tekens in drie typen: • het gewone teken. Een taaluiting valt op omdat er iets met de taalordening is gebeurt. We hebben hier altijd te maken met een afwijking van een taalregel. de discipline die de werking van tekens bestudeert. juist omdat het teken aandacht vraagt voor zichzelf. en wel de syllabe of lettergreep. Ritme ontstaat doordat onderdelen van de taaluiting. De taalkunde onderscheidt verschillende niveaus van taalregels. Deze poëtische iconiciteit is op alle talige niveaus waar te nemen. Metrum Ritme en metrum hebben te maken met een fundamentele vorm van herhaling. Elke natuurlijke taal kent. de taalorde en de poëtische orde treedt altijd een soort intensivering op. De semiotiek. maar slechts een conventionele. stijlfiguren en beeldspraak. Het normale taalgebruik vertegenwoordigt de primaire orde of het primair systeem. We onderscheiden hier twee principes die door middel van foregrouding die poëtische orde tot stand brengen: deviatie en equivalentie. de klank of letterreeks BOOM staat voor ‘boom’. fonetiek en fonologie. dat niet bijzonder maar gewoon is. • Het teken dat voortkomt uit of grenst aan datgene wat het betekent heet index: we zien rook en dat is het teken voor vuur. De normen ontlenen we dan aan wat we normaal gesproken in taalgebruik verwachten: het normale taalgebruik. norm. De poëtische functie va taalgebruik wordt vaak gerealiseerd door van een arbitrair (taal)teken een zinvol iconisch teken te maken. Belangrijke foregrouding verschijnselen zijn: metrum. 4. In z’n geval kan er zin gegeven worden aan het specifieke foregrouding verschijnsel. in de ‘normale’ uitingen. waar op elk niveau foregrouding kan optreden door middel van zoals deviatie of equivalentie: • Het klankniveau (met fonologische en fonetische regels) • Het woord en woordvormingniveau (met lexicale en morfologische regels) • Het zinsniveau (met syntactische regels) • Het betekenisniveau (met semantische regels) • (Het macrotekstuele niveau heeft betrekking op regels die de zinsgrens overschrijden) • (Het typografische niveau) Foregrouding komt dus tot stand als een overschrijdende of versterkende werking op taalregels. een patroon van accenttoekenning.

Er zit een gat tussen twee klinkers. deze moet aan het volgende woord geplakt woorden als een onbeklemtoonde lettergreep.V V (zes dactyli = hexameter) VVV-V In het Nederlands spreken we echter niet van lange of korte lettergrepen maar van hard en zacht dus beklemtoonde en onklemtoonde lettergrepen. De lange lettergrepen worden weergegeven met een streepje: . Zo’n extra regelmaat hoort dan tot de secundaire. Metrische verschijnselen kunnen zich in zowel proza als poëzie voordoen. Tussen twee accenten. De meest geordende vorm treedt op als er eenheden zijn te onderscheiden die zowel qua accent als qua lettergrepen in regelmatige patronen zijn te verdelen. of in het kort voet. Er zijn verschillende soorten versvoeten. die ook wel heffingen worden genoemd. Deze vorm noemen we metrum (in engere zin). Op dit niveau kan dus extra regelmaat worden geschapen. binnen een woord: syncope. poëtische orde en kan worden opgevat als een equivalentieverschijnsel. Een plek waar twee volle klinkers stoten op elkaar is geen elisie maar word een hiatus of een hiaat genoemd. Wordt lang en kort in een bepaalde regelmaat afgewisseld dan ontstaat er een metrisch patroon. Beklemtoonde lettergrepen volgen elkaar op gelijke afstand in de tijd op (ong na elke 0. Dit is de kleinste regelmaat die we aan kunnen treffen. genoemd. Hieronder worden deze uiteengezet: Jambe Trochee Dactylus Anapest Amfibrachus Een spondeus is twee lange lettergrepen: . De korte lettergreep word met een boogje aangegeven: V.poëtische taaluiting kan er een extra orde worden gelegd op de normale patroontoekenning. ook wel arsis. aan het woordeinde: apocope. kan echter een wisselend aantal onbeklemtoonde syllaben (dalingen) optreden. Er zijn ook regelmatige patronen die echter niet gemetriseerd – letterlijk afgemeten of in maten verdeeld – zijn.75 seconde). Binnen de elisie zijn ook weer verschillende termen voor de plek van de weggelaten klinker: aan het begin van een woord: encope. Het metrum is in het Latijn berust op een accenttoekenning die voornamelijk door de factor duur word bepaald. We spreken van een antimetrie als er een accent komt op een positie waar we volgens het normpatroon een nonaccent verwachten. Gaan we een regel dan op metrische wijze voorlezen of afbeelden noemen we dit scanderen. Binnen de extra regelmaat treden graden van regelmatigheden op. De lettergrepen zijn dus te verdelen in lange (met duuraccent) en korte (zonder duuraccent) lettergrepen. Een klemtoon tegen het metrum in noemen we een antimetrie. Muzikale structuren leggen dan automatisch regelmaat op. ook wel thesis. In de Nederlandse taal kunnen we dan stellen dat een metrische vers. Tijdens het scanderen moeten we ons echter aan een paar regels houden. Maar traditioneel is voornamelijk poëzie gekenmerkt door metrische regelmaat. een vers is waarin de beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen in regelmatige patronen zijn te verdelen. deze valt dan niet onder metrum in engere zin.V(zes jambes = alexandrijn) -V . 4 . Als er een gelijke duur tussen twee heffingen is noemen we dit een isometrie. De eerste is die van een stomme klinker (sjwa = een stomme e): ‘k of achtloos (-achteloos).. Er zijn verschillende soorten accenten. Deze uitstoting van een klinker noemen we elisie. We moeten vooral niet vergeten dat veel lyriek en poëzie oorspronkelijk werd gezongen.

De derde vorm heet glijdend rijm. Dit kunnen we dan weergeven in een rijmschema.voorlaatste lettergreep. 5. Bij een combinatie van beide hebben we het over gewoon rijm of volrijm. De eerste vorm – rijmende slotlettergreep – heet staand rijm of mannelijk rijm. hier hebben de te maken met een rijmende voor. Komt de letter vaker terug zijn het rijmpartners. Rijmsystemiek geven we weer door middel van letters. deze beginlettergreep moet dan ook nog accent hebben. een bijzondere vorm hiervan is het Perzisch kwatrijn met als rijmschema aaba en een zesregelige strofe een sextet. Zo’n tweeregelige strofe heet een distichon. gekruist rijm (abab). ook wel stafrijm genoemd. bestaande uit twee of meer versregels die meestal gescheiden worden door witregels. Een kwatrijn is een vierregelige strofe. middenrijm. ook wel schakelrijm (wanneer de laatste letter geen partner heeft spreken we over weesrijm). die een verwachtingspatroon creëert kunnen dan weer deviaties optreden. waar bij de herhaalde medeklinkers aan het begin van een woord staan of aan het begin van lid van een samenstelling. Een drieregelige strofe noemde we een terzet of een terzine. omarmend rijm (abba). Er zijn daarnaast ook nog verschillende rijmsoorten te onderscheiden. ze rijmen op elkaar. Dan spreken we van dubbelrijm. Een strofe is een afgerond geheel. Wanneer er wel sprake is van rijm van woorden die niet dezelfde accentstructuur hebben heet dit schrikkelrijm. Klankherhaling en strofische vormen Net als bij het metrum werkt ook bij klankherhaling het principe van de foregrouding en wel via equivalentie. gepaard rijm (aa bb cc). Pauzerijm is rijm van het eerste en laatste woord van dezelfde regel. Binnen een op gang gezette secundaire ordening. dit noemen we dan oogrijm. Andere vormen zijn nog kettingrijm of overlooprijm in dit geval rijmt het laatste woord van de versregel op de eerste van de volgende regel. Als we te maken hebben met klinkers die rijmen noemen we dit assonantie of klinkerrijm. Het rijm dat aan het eind van de regel staat noemen we hierbij eindrijm. Daarnaast kan het nog voorkomen dat het lijkt of iets rijmt maar dat het dat in werkelijkheid niet doet (ham – jam). In al deze gevallen moet de rijmende lettergreep accent krijgen. De tweede – rijmende slotlettergreep gevolgd door een lettergreep met sjwa – slepend rijm of vrouwelijk rijm. medeklinkers of een combinatie van beide. Maar rijm kan net zo goed in het begin van de regel – voorrijm of in het midden van de regel staan. Klanken betekenen afzonderlijk eigenlijk niks. Is aan al deze voorwaarden voldaan dan hebben we een geval van alliteratie. We kunnen dan te maken hebben met verschillende soorten schema’s.Er bestaan metrische schema’s die bepalen dat oneven regels anders zijn even regels en zelfs schema’s die een patroon voor een hele strofe voorschrijven. Uit de term volrijm volgt dat als er alleen een klinker of een medeklinker wordt herhaald dat een geval van halfrijm is. Ze gaan pas wat betekenen als ze woorden zijn en als die woorden in een context staan. Er zijn echter gevallen waarin twee beklemtoonde lettergrepen in de buurt van elkaar beide als deel van een rijmpaar fungeren. elke letter staat voor een rijmwoord. Deze laatste noemen we een sapphische strofe. Klankherhaling kan betrekking hebben op klinkers. Dan is er nog een speciale vorm van medeklinkerrijm. deze bevat vaak het rijmschema aba. Bij rijmende medeklinkers spreken we van acconsonatie of medeklinkerrijm. 5 . Rijm is in te delen naar positie in het vers.

de laatste zes regels. (‘witte’ is opvallender dan het lidwoord ‘het’). kunnen we van parallellie spreken. Deze term betreft allerlei soorten herhalingen. soms kortweg figuren genoemd. Als een regelscheiding op een plaatste valt in de zin waar geen syntactische pauze is spreken we van een enjambement. Bijvoorbeeld: Met handen werkt hij Tot zijn spijt zelden 6. is de ballade. De ballade heeft geen vaste vorm maar is altijd een verhalende dichtsoort met een romantische verhalend karakter. groot + klein. Wanneer elementen in een regelmatige ordening ten opzichte van elkaar zijn geplaatst en op een of andere manier op elkaar kunnen worden betrokken. Dit is een specifieke herhaling van semantische verwante woorden waarbij er steeds van een toename van een betekenis sprake is. en een sextet. Deze veertien regels zijn verdeeld in een octaaf. Parallellisme is een subcategorie van het algemene herhalingsverschijnsel dat parallellie genoemd wordt. deze zorgt voor spanning of ambiguïteit. Een duidelijk stijlfiguur dat hieronder valt is de anakoloet. maar alleen komma’s dit heet asyndeton. hierbij word er steeds een regel enkele keren herhaald. Een andere dichtvorm die veel voorkomt. deze bestaat altijd uit veertien regels. help deze kleine sterveling’) spreken we van kruisstelling of chiasme. Dit kan echter ook sprake zijn van een afname.Een combinatie van een vierregelige en drieregelige strofen is het sonnet. Er is hier herhaling zichtbaar maar deze zit verborgen in het gedicht. Het gaat hier om losse woorden die een (quasi) willekeurig karakter hebben die de vraag oproept wat de systematiek erachter is.en klankherhalingen. Parallellie kunnen we opvatten als algemeen verschijnsel en is nagenoeg synoniem met het principe van equivalentie. zowel deviatie als equivalentie of een combinatie van beide. de grammaticaal 6 . We kunnen ook de blanken verzen onderscheiden voor rijmloze verzen. Een nog oudere dichtvorm uit de middeleeuwen is de rondeel. dus die afwijken van de taalregels. woordgroep. Ze hebben te maken met foregrouding. We besteden hier voornamelijk aandacht aan het woord-. Een andere stijlfiguur is de climax. Wanneer echter de elementen niet parallel staan maar gekruist (‘God zo groot. Vaak komt na het octaaf de chute. Een limerick word er in de eerste regel altijd een plaatsnaam genoemd en heeft een enigszins schuine betekenis. Een andere vorm van herhaling vinden we in het parallellisme. In dit hoofdstuk wordt er geen nieuw theorie genoemd maar eerder een opsomming van de bekendste figuren.en zinsniveau warbij de betekenis overigens ook van belang is. het effect hiervan is dat elk lid maar nadruk krijgt. We moeten hier echter een onderscheid maken tussen gemarkeerde of opvallende herhaling en ongemarkeerde herhaling. De laatste stijlfiguur die met herhaling te maken heeft is de verborgen herhaling. een inhoudelijke wending waarna het tweede deel volgt. De enumeratio of opsomming is hierbij een simpele herhalingsvorm. De term voor herhaling is repetitio. Stijlfiguren Stijlfiguren. een parallel lopende herhaling van woordsoorten en dan ook nog een parallel lopende herhaling van enkele woorden. Elke regel heeft een parallelle structuur. Het omgekeerde kan natuurlijk ook. dat er geen enkel verbindingswoord word gebruikt. inclusief woord. de eerste acht regels. vooral in oudere poëzie. In het laatst genoemde voorbeeld zit echter ook een tegenstelling of antithese. Nu gaan we over op de stijlfiguren die met deviatie te maken hebben. Het extra gebruik van een verbindingswoord heet polysyndeton. duiden bijzondere ordeningen of bewerkingen van het taalmateriaal aan. De figuren of schemata kunnen op alle talige niveaus aantreffen. Allereerst zullen we beginnen met de figuren die met equivalentie te maken hebben.

Het eerst drukt iets zwakker uit dan zij in werkelijkheid is. Dat wil zeggen dat er in de tekst een nieuw woord staat dat niet in het woordenboek te vinden is. hierbij word een element van een woord veranderd (in dat opzicht hetzelfde als de paronomasia) alleen staat het andere woord niet in de tekst. Bij homonymie gaat het om verschillende woorden die een gelijke vorm (klank. Een speciale vorm van deze weglating is het zeugma. Een understatement dat bedoelt iets mooier te benoemen dan het werkelijk is heet eufemisme. Een aantal semantische stijlfiguren heeft te maken met een qua betekenis afwijkende manier van zeggen. We noemen dit anastrofe of inversie. Veel woordspel heeft te maken met lexicale homonymie en met polysemie. De twee zinsdelen zijn als het ware in elkaar gedrukt. Tegenover het understatement staat de hyperbool. Dit is dus een subcategorie van de paradox en hij kan sterk of zwak zijn. die aandacht vraagt voor zichzelf en die dan op een dieper niveau wellicht is op te lossen. spelling) hebben maar een totaal verschillende betekenis: kan (ik kan en een kan waaruit je schenkt). Als een paradox in één woordgroep staat waarbij dan beide woorden aan elkaar tegengesteld zijn. Een veel voorkomende deviatie op syntactisch niveau is de afwijking van gewone woord volgorde. Dit woord dat niet in de tekst staat noemen we ook wel het portmanteauwoord (brunch is hier een goed voorbeeld van). De paradox is een tegenspraak. We kunnen naast homonymie nog homofonen onderscheiden (gelijke klank. verschillende spelling. En daarnaast hebben we ook nog de homografen (gelijke spelling. uit elkaar voortvloeien of in elkaars buurt liggen zoals ‘hoofd’. het tweede overdrijft in de uiting de werkelijke stand van zaken (ik heb mijn laken nat geweend). Een bekend voorbeeld hiervan is: bij het toenemen van je kennis ga je steeds minder weten. dit noemen we ook wel horizontaal woordspel. maar kan ook ironisch worden opgevat. Een voor de hand liggende deviatie op het woordniveau is het neologisme of de nieuwvorming. verschillende betekenis) zoals paart/paard. (Vaak hebben we met deviatie te maken maar deviatie en equivalentie gaan vaak hand in hand samen). maar functioneert op de achtergrond. We noemen dit verschijnsel litotes. Een apokoinou is een stijlfiguur waar twee zinsconstructies iets gemeenschappelijks hebben. Als woorden die maar in een klankelement van elkaar verschillen bij elkaar in de buurt staan vinden we paronomasia. Is feite is er bij apokoinou sprake van syntactische homonymie of ambiguïteit (een zinsdeel heeft meer syntactische functies). verschillende betekenis: négeren/negéren). Vanaf hier kan ik de stijlfiguren gaan scheiden op het woordniveau. in feite een geval van verkeerde samentrekking: er wordt samengetrokken op een woord dat echter in beide leden een andere betekenis of functie heeft. Hier is er eveneens een verschil tussen geïntendeerde betekenis en de uiting zelf. andere klank.ontsporende zin. Van polysemie spreken we als een en hetzelfde woord verschillende betekenissen heeft die echter wel verwant zijn. die we weer ironisch moeten begrijpen. dan spreken we van een oxymoron zoals ‘donker licht’. De laatste stijlfiguur op syntactisch niveau is de hendiadys. In feite zijn al deze stijlfiguren als verbale ironie te beschrijven. zoals in het voorbeeld: ‘Hier zet men koffie en over’. Als er woorden worden weggelaten noemen we dit ellipsen. deze geeft iets dat doorgaans in een onderschikkende woordgroep wordt uitgedrukt in twee woorden weer die met het voegwoord ‘en’ zijn verbonden (een waterlandse maagd zat eens ajuin en schelde – ‘zat eens een ui te schillen’). het syntactisch niveau en het semantisch niveau. alleen vinden we hier geen negatie. (‘waarmee wij leven – maar niet even lang’). De ontkenning houdt in principe een afzwakking in. Als een cd verzamelaar zegt dat hij af en toe een cd koopt is dit een understatement. Een voorbeeld van verticaal woordspel vinden we in de paragram. 7 . Verwant met de litotes is het understatement. In plaat van ‘ik vind haar mooi’ kan ik ook zeggen: ik vind haar niet lelijk.

– waarna het verwijst. Het type beeldspraak heet een metafoor of metafora. maar uiteindelijk lijkt het er toch op dat de spreker wel degelijk a bedoelde. Bij het op elkaar betrekken van vehicle en tenor vragen we ons af wat beide elementen met elkaar gemeen hebben en waarin ze van elkaar verschillen. Beeldspraak Er zijn twee soorten taalgebruik: letterlijk taalgebruik en figuurlijk taalgebruik. 8 . de relatie tussen het gezegde en het bedoelde is hier duidelijk. De stijlfiguur tautologie is slecht een deel van een uitgebreider probleemgebied te pakken hebben. Datgene waar het beeld voor staat.Een andere semantische mogelijkheid is de uiting vreemd te maken door extra informatie te geven die in feite niks toevoegt. het lijkt of de spreker a zegt maar b bedoeld. De tautologiserende formulering is bovendien ook iconisch op te vatten. echter wanneer we ironie als stijlfiguur benaderen noemen we dit verbale ironie. de zogenoemde woord of betekenisvelden die isotopieen worden genoemd. het wordt vaak aangeduid met: vehicle (voertuig). Het belangrijkste kenmerk van beeldspraak is dat het woord dat in de tekst staat gedeeltelijk of geheel iets anders betekent dan wat het letterlijk betekent. Het epitheton ornans ligt in de buurt van het pleonasme. Daarnaast kan er nog een onderscheid gemaakt worden tussen enkelvoudige ironie. de spreker zegt a maar bedoelt b. Daarnaast hebben we ook nog dubbele ironie. dit noemen we tautologie zoals. We spraken hiervoor al over ironie. vaak eigennaam. want zij illustreert het geleidelijk opdoemende begrip. die meestal niet in de tekst gegeven is. Het is een moeilijk te vatten stijlfiguur. 7. Een speciale vorm van tautologie is pleonasme dit is een vorm waar adjectief en substantief zeggen hetzelfde zoals ‘de witte schimmel’. In de klassieke retorica worden beeldspraakverschijnselen wel aangeduid met het begrip troop. Vervolgens moeten we onze lezing bijstellen en ons afvragen wat de tenor van onze vehicle is. Een uiting is ironisch als er een afstand bestaat tussen wat er gezegd wordt en war er bedoeld wordt. Figuurlijk taalgebruik kunnen we opvatten als beeldspraak. Bv: het ‘fantoom’ (= vehicle) scoorde een doelpunt. de rode roos is rood. Het type beeldspraak noemen we dan metonymie of metonymia. Een beeld is een beeld als er op letterlijk niveau een interpretatieprobleem optreedt. dat al dan niet in de tekst is uitgedrukt: het vergelekene of tenor (strekking). Beeldspraak behoort tot de tropen. Bij beeldspraak moeten we altijd twee elementen kunnen onderscheiden: • • Het beeld in de tekst. Bv: de bijna onzichtbare voetballer scoorde een doelpunt. Het betreft een sierend adjectief dat automatisch een substantief. omdat het bedoelde onduidelijk is. begeleidt. Bv: ‘Roy Makaay’ (= tenor) scoorde een doelpunt. ook wel ground genoemd. er bestaat afstand tussen het gezegde en bedoelde. Het is duidelijk dat we tropen als semantische deviaties kunnen opvatten. Als laatste hebben we ook nog zwevende ironie. De gedeeltelijke relatie tussen letterlijk en figuurlijk taalgebruik heet metonymisch. De waarnemer heeft bij het bepalen of er sprake is van figuurlijk taalgebruik en hoe dit te interpreteren steun aan de context en moet deze daarbij dan ook gebruiken. Daarin zit het derde element: • De motivatie van de relatie vehicle – tenor. namelijk dat van de herhaling van identieke betekeniskenmerken. Als de relatie tussen letterlijke en figuurlijke betekenis er een is van overeenkomst in eigenschappen noemen we dit metaforisch. we weten dan dat we met figuurlijk taalgebruik te maken hebben. de andere vorm: situationele ironie bespreken we later. maar wat de aard van de afstand is is onduidelijk.

Vehicle = wrak. De homerische vergelijking is een vergelijking die associaties oproept tussen vergelijking en vergelekene. (hij reed in een wrak. Vaak zijn dit vergelijkingen met een verbindingswoord. tenor = oude auto die rijp is voor de sloop. gloeiende akkoorden. schreeuwende kleuren. Z’n metafoor als stoelpoot. stoelpoot. Deze vorm van beeldspraak is ook onder te verdelen in subtypen. omdat ‘als’ een veel gebruikt verbindingswoord is word ook wel de vergelijking met als onderscheiden ook zien we veel de vergelijking met is. het concrete kenmerk wordt overgedragen. 9 . geheel in plaat van deel. zoals: als. Zoals: stoelpoot. wordt aangeduid met de term katachrese. We moeten bijvoorbeeld de stoelpoot weer letterlijk nemen. die iets benoemd waarvoor geen letterlijk woord bestaat. ground = kapot). Wel is er een aantal categorieën van vaak voorkomende overgedragen noties te onderscheiden ook al is er helemaal niet altijd sprake van een bepaalde overdracht: • • • • • Concretisering: een beeld kan iets wat abstract is concretiseren. Synesthesie: hier lopen zintuiglijke gebieden door elkaar zoals. Personificatie: een beeld kan iets wat levenloos is levend maken. onderhandelingsruimte. is tevens een voorbeeld van een dode metafoor of afgesleten metafoor. Bv: ik ben te laat want mijn fiets was lek. Een metafoor in deze meer specifieke betekenis heeft betrekking op beeldspraak waar de ground die vehicle en tenor met elkaar verbindt wordt bepaald door analogie of ‘gelijkheid op een of meer punten’. Bv: zullen we een slokje nemen? De mogelijke verhouding van beeld en vergelekene is in principe eindeloos. dierlijk. Hierbij moeten we echter niet alleen uitgaan van de metafoor maar ook van de metonymia. Pars pro toto. We hebben hier mee te maken wanneer we een proces aantreffen waar dode metaforen. Beeldspraak heet ook wel metaforisch taalgebruik. Dat zijn metaforen waarvan we normaal gesproken niet beseffen dat ze metaforen zijn. beide gevallen worden overigens ook wel aangeduid met de term. zoals. menselijk. Metafoor in engere zin zijn metaforen die geen vergelijkingen zijn. (deze overdracht lijkt uiteraard erg veel op de animalisering). In een metoniem zijn de vehicle en tenor aan elkaar verbonden door een andere relatie dan gelijkheid of analogie. warme melodie of bittere blik. deel in plaats van geheel. gelijk. Animalisering: een beeld kan iets wat levenloos is (een ding) levend maken. Het is overigens erg moeilijk de ground te verschrijven aangezien we geneigd zijn deze met kenmerken van de tenor te laten samenvallen. synecdoche: • • Totum pro parte. Hier wordt het kenmerk levend overgedragen. (deze is het moeilijkst te interpreteren). De tenor en ground staan dus niet in de tekst. Het al eerder genoemde metafoor. dit zijn metaforen waarin behalve het vehicle ook de tenor en soms zelfs de ground expliciet wordt genoemd. van etc. Als er wel een vergelijking is maar geen verbindingswoord word gebruikt noemen we dit een asyndetische vergelijking.De ground verbind dus de hele genoemde elementen met elkaar. Veel gevallen van metonymia berusten op een deel-geheel-relatie van vehicle en tenor. De ground word ook wel tertium comparationis of punt van overeenkomst genoemd. De metafoor is onder te verdelen in verschillende subgroepen: • • • De vergelijkingen. De laatste overdracht kunnen we hier dan revitalisering noemen. revitaliseren.

de verteller word door deze woorden zichtbaar gemaakt. het ikvertelstandpunt en het personale. deze twee zullen constant door elkaar heen lopen. Passages waarin de verteller een neutrale beschrijving geeft. oordeel of ‘algemeen geldende waarheid’ uitspreekt met de bedoeling de lezer te sturen. omdat we te maken hebben met twee tekstniveaus. Hun tekst is dus ingekaderd in die van de verteller. De auctoriale verteller staat boven het verhaal en heeft alle touwtjes ervan in handen. In die verhaalwereld communiceren de personages met elkaar. de gedachten en gevoelens van alle personages. In z’n geval spreken we van gedramatiseerde vertellers. Wat altijd erg belangrijk is in verhalende teksten is om de auteur en de verteller van het verhaal van elkaar te onderscheiden. De belangrijkste is de vraag of de verteller op de een of andere manier de gestalte aanneemt van een persoon. zij presenteren zichzelf in de ik-vorm of met een variant ervan. het auctoriale. concrete auteur dan de verteller. Uit zijn gedramatiseerde verteller kunnen we twee typen naar voren halen de ik-verteller en de auctoriale verteller. De ik-verteller vertelt zijn eigen lotgevallen. Onderstaand zal ik drie typen vertelstandpunten beschreven. Veel begrippen en onderscheidingen die hier voorgesteld worden zijn ontwikkeld in tekstgerichte literatuurbenaderingen als formalisme en structuralisme. maar omgekeerd geldt dit niet. hij wordt ook wel omgeschreven als de visie of intentie van de auteur zoals die uit de tekst spreekt en dat onderscheidt hem van de verteller die wel vaak. Om erachter te komen met welke we te maken hebben moeten we een aantal aandachtspunten nalopen. waarin personages optreden. In dit boek is er voornamelijk uitgegaan van Stanzels typologie van ‘vertelsituaties’. hij neemt zelf geen deel aan de handelingen. Als het commentaar gaat over het gedrag of de 10 . Het gaat hierbij met name om tekstpassages waarin de verteller een mening. De verteller heeft onbeperkt toegang tot de wereld van de personages. Hij presenteert als het ware twee werelden: de wereld waarin hij zichzelf beweegt en de wereld van het verhaal dat hij vertelt. een in het verhaal aanwijsbare gestalte. Hij word ook wel ‘alwetend’ genoemd. Ook in het geval dat een verhalende tekst een autobiografische aard is. maar niet altijd betrouwbaar is en niet per se het wereldbeeld van de auteur uitdraagt. Hij kan ingrijpen in het verhaal en heeft inzicht in het innerlijk. Vertellerscommentaar is een verschijnsel wat zowel bij de auctoriale als de ik-vertelsituatie voorkomt. Het hoogste niveau is dat van de vertellende instantie die de woorden van de tekst produceert en de verhaalwereld presenteert.Verhalende teksten (van Boven en Dorleijn) 8. De abstracte auteur staat dichter bij de werkelijke. een instantie die evenals de verteller deel uitmaakt van de tekst maar zich op een hoger niveau bevindt. ‘wij’ of ‘ons’. of een samenvatting van gebeurtenissen noemen we geen commentaar maar vertellerstekst. we spreken van deze verteller wanneer een ‘ik’ (of wij) een verhaal vertelt waaraan hij zelf niet deelneemt. de auctoriale verteller is de ‘ik’ die over anderen vertelt. Termen die in dit verband veel naar voren komen zijn vertellertekst en persoontekst. Hieronder de drie typen vertellers: • Auctoriale vertelsituatie. we spreken daarom van een ingebedde taalsituatie. Het is een belangrijk middel om de lezer te manipuleren en te sturen. Dit gebeurt vaak door woorden als ‘ik’. Vertellen Verhalende of epische teksten (hiermee worden ook verhalende gedichten bedoelt) kennen een complexere taalsituatie dan lyrische. Sommige verteltheorieën onderscheiden nog een extra instantie tussen de schrijver en de verteller: de abstracte auteur of de implied author.

• Ik-vertelsituatie. In het laatste geval spreken we van een meervoudige vertelsituatie. Een vertelwijze die niet vaak voorkomt. Het ik-verhaal heeft vaak een vorm van terugblik.ingebedde communicatie. waarin de gedachten en gevoelswereld van verschillende personages aan bod komen. In z’n geval spreken we van een niet-gedramatiseerde vertelinstantie. We hebben te maken met het ik dat vertelt. twee ik-figuren. maar we toch noemen is het verhaal in de tweede persoon. Deze hebben met auctoriale verhalen gemeen dat de verteller gedramatiseerd is. dan spreken we van een enkelvoudig personaal verhaal. Het gaat om teksten waarin de verteller niet gedramatiseerd is. dus een aanwijsbare gestalte in de tekst is. waarin de vertelinstantie niet gedramatiseerd is. soms lijkt het zelfs alsof het verhaal helemaal niet vertelt word maar alsof de handeling zich vanzelf ontrolt. we spreken in z’n geval over metavertellen. Het vertellen zelf valt minder op.handelswijze van personages spreken we van verhaalhandeling. Het kan ook betrekking hebben op het vertellen zelf. Wanneer er slechts in een personage inzicht word gegeven. Het kan bij z’n verhaal zo zijn dat de verteller zichzelf toespreekt. Er bestaat een categorie teksten die met Stanzels terminologie niet goed te benoemen valt. dit type vinden we in ik-verhalen. De technieken waarmee in een tekst de aandacht wordt gevestigd op het eigen tekstuele. De personale vertelinstantie: de verteller heeft zich teruggetrokken en presenteert alleen datgene wat de personages denken. In veel verhalen valt geen concrete verteller aan te wijzen. ervaren en meemaken. • De drie vertelsituaties vormen samen Stanzels typologie. een instantie die de zinnen van de tekst uit. het zogenaamde jij-verhaal. Naast het enkelvoudig personaal onderscheiden we het meervoudig personaal. we volgen het verhaal vanuit dat ene personage. We noemen deze afgezwakte vormen van auctoriaal vertellen. noch op het verhaal is gericht. Die presenteert de gebeurtenissen echter vanuit het personage en houdt zichzelf op de achtergrond. Dit word ook wel verhuld-ik-verhaal genoemd. een anoniem instantie die zich schuil houdt achter het verhaal. gezichtpunten Het is kenmerkend voor verhalende teksten dat personages sprekend en denkend worden ingevoerd. Het gaat hier dus om een verhaal in de derde persoon. en met een ik over wie verteld wordt. Een tweede mogelijkheid is dat de verteller een personage toespreekt. deze is van algemene aard. . wiens handelen plaatsgevonden heeft in een periode voor het moment van vertellen: het belevend ik. Er is echter wel degelijk een woordvoerder aanwezig. een categorie die het gebied bestrijkt tussen auctoriaal en personaal vertellen. ik. Ten slotte is er nog het commentaar dat noch op het vertellen. maar toch veel inbreng heeft. hij is verteller en personage tegelijk. vanuit het heden: het vertellend ik. Het word dan goed zichtbaar dat er twee niveau zijn. maar wel commentaar geeft. 9. zien. Zo noemen we teksten die in de derde persoon worden verteld. gesprekken. De ik verteller kan niet zoals de auctoriale in de hoofden van andere personages. Het gaat dan ook om twee tijdsniveaus omdat het vertellen na het handelen plaatsvindt.of personale verhalen gaat steeds treden personages op aan wie de verteller of vertelinstantie tijdelijk het woord 11 . Het kan ook voorkomen dat in een tekst meerdere vertellers optreden. voelen. Gedachten. Of het nu om auctoriale. fictieve karakter worden ook wel samengevat onder de termen autoreflexiviteit of metafictie. Het verschil is echter dat de ik-verteller vertelt wat hij zelf heeft beleefd of ervaren. Personale vertelsituatie. de verteller spreekt hier over zijn eigen vertelactiviteit. de hij of zij vorm.

is in veel 19e eeuwse romans te vinden. de erlebte rede. De indirecte innerlijk monoloog is een mengvorm waarin de verteller dicht aansluit bij de gedachten van het personage. Het ‘zien’ gaat erom vanuit welk standpunt er in het verhaal wordt waargenomen. Het is daarom van belang. de vertellertekst overheerst dus maar hij maakt ook gebruik van de woorden van het personage. twee keer twee is vier. Monologen en dialogen kunnen letterlijk worden weergegeven. We krijgen geen rechtstreekse blik in het innerlijk van het personage maar de verteller kan zich aansluiten bij wat het personage letterlijk gedacht zou kunnen hebben. De verteller kan hiermee de lezer in een bepaalde richting sturen. In gevallen waarin de personages (deels) zelf hun gedachten verwoorden. Voor ‘zien’ kunnen we hier het woord perspectief gebruiken. Die worden dan uitsluitend van buitenaf waargenomen in hun uiterlijke gedragingen. Het is dan de verteller die in de indirecte rede verwoordt wat de personages denken. Niet de verteller. kun je niet in de verleden tijd zeggen).afstaat. Ook kan de verteller de woorden van de personages in zijn eigen woorden weergegeven. De directe innerlijke monoloog is een letterlijke weergave van wat een personage op dat moment denkt. een camera die alleen maar waarneemt. we hebben te maken met vertellerstekst. de ‘onmogelijke’ combinaties van bijwoorden van tijd en van de o. De gedachteweergave is steeds in de directe rede. In zulke gevallen. Er is echter nog een ander vorm van denken en dat is het hardop denken. beide aspecten werken mee in het manipuleren van de lezer. Deze vroege vorm van gedachteweergave. in de praktijk verwijst dit het echter vaak ook naar het vertellen. maar we lezen toch zijn verwoording. de verteller staat dan het woord geheel aan de personages af zodat we te maken hebben met persoonstekst in de directe rede. Het gebruik van de derde persoon geeft aan dat de verteller aan het woord is. daarbij we dan te maken hebben met vertellerstekst in de indirecte rede. Er ook natuurlijk ook weer een mengvorm van vertellerstekst en persoonstekst mogelijk. Weergave van gedachten en gesprekken kan de vorm hebben van persoontekst. De vorm van gedachteweergave bevind zich tussen de directe en de indirecte rede in en wordt vrije indirecte rede of erlebte rede genoemd. We onderscheiden daarin twee soorten: de directe en de indirecte. De verteller heeft veel invloed op het beeld dat de lezer van een verhaal opbouwt. spreken we van innerlijke monoloog. maar het personage is aan het woord. auctoriale en de ik vertelinstantie. gelden de besproken vormen net zo goed voor de weergave van gesprekken. vertellertekst of een mengvorm van beide. Aan de andere kant kan de verteller er ook voor kiezen dichter bij de gedachten van de personages aan te sluiten door meer rechtstreeks inzicht te bieden in hun innerlijk. maar is daarin niet de allesbepalende factor. maar in die van hemzelf. De verteller kan personages sprekend en denkend invoeren zodat ook hun visie aan bod komt en de lezer zal sturen.v. In dit verband kunnen we dit ook objectief vertellen noemen. Betere benamingen 12 . wanneer vertellerstekst en persoonstekst gemengd zijn. In alle soorten vertelsituaties kunnen innerlijke monologen voorkomen: de personale. Aan drie taalkundige kenmerken kunnen we deze erlebte rede herkennen: de spreektaalelementen. Een heel enkele keer komt ook het andere uiterste voor: verhalen waarin in geen enkele personage inzicht wordt gebonden. ter onderscheid van de personale. vertelperspectief. er is dus sprake van persoontekst. maar toch ook zelf bijdraagt aan de formulering daarvan. Voor de weergave van gedachten kan de verteller of vertelinstantie gebruikmaken van de volgende vormen. Deze is te vergelijken met een film. het soliloquium. Hoewel we tot nu toe alleen voorbeelden van gedachteweergave hebben gegeven. spreken we van tekstinterferentie.t. en het tijdloze praeteritum (bepaalde waarheden zoals. Ten eerste is er de mogelijkheid dat hij de uitingen en gedachten van personages niet in hun woorden weergeeft. onderscheid te maken tussen vertellen en zien. Stanzel sprak in zulke gevallen van neutrale vertelsituatie.

Een auteur kan de verteller een bepaalde stijl meegeven en ook de personages mede karakteriseren door een typerend taaleigen. vergelijk het woord ‘visie’ dat beide aspecten omvat. presenteren en waarnemen.voor het ‘zien’ in een verhaal zijn visie of focalisatie. die we idiolect noemen en waarin sociale. De lezer kijkt door de ogen van de focalisator naar de personages en de gebeurtenissen. Dat taaleigen wordt door een aantal factoren bepaald. focalisaties kunnen in een verhaal echter vermengd zijn. dus de duur van de geschiedenis. en vanzelfsprekend aan de aard van de verschillende visies. een jaar of een heel leven. zonder duur. opvattingen spreken. de wijze dus waarop de geschiedenis is geordend. Een verhaal kunnen we dus omschrijven als een reeks van gebeurtenissen. Die zijn wel met elkaar verbonden. de poëtische functie van taalgebruik. Het verhaal kent de volgende tijdsaspecten: • De volgorde waarin de gebeurtenissen worden gepresenteerd. dat persoonstekst en vertellerstekst gemengd worden. Focaliseren duidt niet alleen op ‘zien’ in de betekenis van visuele waarnemingen. bijvoorbeeld Nederland in de jaren vijftig. de inhoud van de verhalende tekst: het verhaal. 10. terwijl de epische taalsituatie zich kenmerkt door de presentatie van een handelingsverloop dat zich ontrolt in de tijd. 13 . Dat is dan ook het verschil met de lyrische taalsituatie: in de lyrische taalsituatie wordt een ervaring nu uitgedrukt. Dan gaat het niet om tekstinterferentie. Bij een analyse van de focalisatie moet ook aandacht besteed worden aan de objecten van waarneming ofwel de gefocaliseerde objecten. Aan de geschiedenis zijn de volgende aspecten van tijd te onderscheiden: • De historische tijd: de tijd waarin de geschiedenis of handeling zich afspeelt. gepresenteerd en waargenomen wordt. gezichtspunt(en). de context waarin de taalgebruiker zich bevindt en door persoonlijke eigenaardigheden. • De tijd die de handeling in beslag neemt. ook gezichtspunten. Tijd In de vorige hoofdstukken hebben we aandacht besteed aan de verschillende vormen van vertellen. Een verhaal kan worden beschreven als een op een bepaalde wijze gepresenteerde geschiedenis. We hebben hier te maken met door wiens ogen we het verhaal zien. maar om interferentie van visies. In verhalende teksten wordt van allerlei stijlmiddelen gebruikgemaakt. focalisaties. zonder tijdsverloop. vinden we ook hier. zoals dat voor ieder taalgebruik geldt: door de situatie. • De tijd die het vertellen van het verhaal in beslag neemt. deze stammen uit de verteltheorie. In de volgende hoofdstukken gaan we ons bezig houden met wat er verteld. Vooral bij historische romans is dit tijdsaspect natuurlijk een essentieel punt (meestal krijgt deze vorm door middel van ruimtelijke beschrijvingen). deze stamt uit de verhaaltheorie. en krijgt met dat gezichtpunt vanzelfsprekend meningen en oordelen mee die zijn blik op het verhaal bepalen. maar omvat ook gedachten en gevoelens waaruit bepaalde meningen. maar niet per se volgens een chronologische lijn. dus de duur van het verhaal • De wijze waarop het tijdsverloop (de voortgang van de vertelde tijd) in het verhaal wordt weergegeven met behulp van bepaalde signaalwoorden. regionale en persoonlijke factoren meespelen. Niet alleen bij het vertellen kan er interferentie optreden. Een verhaal is een reeks gebeurtenissen die zich in de tijd voltrekken. bijvoorbeeld een dag.

Een bijzondere niet-successieve verhaalvorm doet zich voor wanneer na elkaar beschreven wordt wat zich op een zelfde tijdstip heeft afgespeeld. In het eerste geval is de volgorde van de gebeurtenissen is het sujet dezelfde als in de fabel. Tot slot nog een punt: bij de analyse moeten we ons ook rekenschap geven van het vertel-nu. De tweede presentatiewijze komt echter vaker voor. de logisch chronologische loop der gebeurtenissen. Daarmee word een bepaald effect beoogd: spanning creëren. – middelen om de lezer te manipuleren. Daarbij kunnen de begrippen ‘verhaal’ en ‘geschiedenis’ worden gebruikt. Die geconstrueerde tijdlijn is de fabel terwijl het sujet datgene is wat de lezer leest. er is daarbij nog wel sprake van een fabel. Anders ligt het bij romans waar twee verhalen naast elkaar worden verteld die niet dezelfde fabel. Onder de niet-successieve presentatievormen moeten we ook de gevallen rekenen waarin verschillende verhalen worden gecombineerd. mediis in rubus of in medias res wordt begonnen en er in de loop van het verhaal episodes uit het verleden worden gegeven. de ordening dus waarvan de lezer kennisneemt en die als gezegd lang niet altijd chronologisch is. Vooruit verwijzingen of anticipaties vormen natuurlijk evenzeer een inbreuk op de chronologie. Deze manier van vertellen noemen we ook wel ab ovo (van het begin). We hebben de ordening waarbij midden in de handeling. Wordt er achteraf verteld? (vision par derrière?). We hebben nu verschillende fabelsujetverhoudingen besproken. We spreken van flashbacks wanneer iets van vroeger door een personage opnieuw wordt gezien of beleefd. We kunnen dan de gebeurtenissen zoals ze elkaar in het sujet opvolgen identificeren. maar dan op een andere plaats. of vanuit een andere visie. dus in hoeverre de stukken in elkaar passen en waar er gaten zijn. daarvan spreken we wanneer een situatie verandert in een andere situatie. Het laatste word ook wel simultaan vertellen genoemd. De fabel is dat ‘wat er daadwerkelijk is gebeurt’. geschiedenis presenteren. maar gangbaar is om deze aan te duiden met fabel (geschiedenis) en sujet (verhaal).De werkwoordtijden die de temporele verhouding uitdrukken tussen het vertelmoment en het gebeurmoment. De eerste onderscheiding die we kunnen aanbrengen is die tussen een chronologischsuccessieve en een niet-chronologisch-successieve presentatiewijze. vaak is er sprake van een herinnering. informatie doseren etc. Daarvan zijn verschillende vormen. De constructie van de fabel door de lezer maakt daarbij ook zichtbaar in hoeverre er continu dan wel discontinu wordt verteld. Sujet en fabel lopen parallel. In een auctoriale vertelsituatie kan het de verteller zijn die teruggrijpt naar het verleden en vroegere gebeurtenissen vertelt. Onder sujet verstaan we de volgorde van de gebeurtenissen zoals die in het verhaal worden beschreven. In beknopte vorm noemen we dit regressies. In een personale vertelwijze zullen vroegere gebeurtenissen meestal via de personages worden weergegeven. De verteller kan ook op de zaken vooruit lopen. • 14 . wordt er met het verhaal mee verteld? (vision avec?). in gedachten of ook wel in een droom. ze in chronologische volgorde plaatsen en de beide reeksen vergelijken. Episodes uit het verleden die in het verhaalheden zijn verwerkt noemen we retroversies. Als dit in een verhaal consequent wordt volgehouden spreken we van simultaneïsme. In een verhaal worden de gebeurtenissen lang niet altijd chronologisch gepresenteerd. de in stukjes gehakte en in een bepaalde volgorde over het verhaal verspreide presentatie is de fabel. Om de verhouding tussen fabel en sujet te kunnen beschrijven hebben we een omschrijving nodig van gebeurtenissen. De manier waarop de gebeurtenissen worden geordend kunnen we beschouwen als kunstgrepen die zijn toegepast bij de presentatie van de geschiedenis.

Ook op dit punt bestaan er verschillende presentatievormen. Hierin zijn natuurlijk weer verschillen technieken te onderscheiden. In z’n geval spreekt men wel van pauze: de geschiedenis ligt even stil. De anticipatie of vooruitverwijzing ligt op het vlak van de tijdsmanipulatie. We zouden spanning kunnen omschrijven als een effect van technieken die erop gericht zijn de aandacht vast te houden. uren. wanneer iets door een personage wordt waargenomen. Tijdvertraging of Dehnung. dagen. Overigens is het niet zo dat een beschrijving per definitie een pauze is. en vanuit die visie beschreven. de duur. We noemen dit ook wel berichtend of samenvattend of ook panoramisch vertellen. waarin de gebeurtenissen exact in de tijd zijn gesitueerd en we de voortgang van de tijd op de voet kunnen volgen. Het gaat hier om de vraag hoe de vertelinstantie de gegevens verdeelt tussen personages en lezer. Om de verhouding tussen verteltijd en vertelde tijd te kunnen bepalen. ze spreken dan van tijddekking of Deckung. Dit is niet eenvoudig want er wordt vaak geen exacte informatie over het verstrijken van tijd gegeven. komt in zuivere vorm minder vaak voor. fabel achterhalen. Het gaat in een analyse natuurlijk om de verhouding tussen deze twee: • • • Vertelde tijd > verteltijd.De verhouding fabel-sujet heeft nog een ander tijdaspect. Vertelde tijd < verteltijd. Een specifieke gemarkeerde presentatie van een verloop dat zich altijd of herhaaldelijk voordoet. de informatiedosering ligt op het vlak van de vertelwijze van focalisatie. Vertelde tijd = verteltijd. De vertelde tijd is uit te drukken in eenheden als minuten. waarin de vertelde tijd kleiner is dan de verteltijd. maanden en jaren. Aan de ene kant heeft de geschiedenis een bepaalde duur. De duur van de geschiedenis wordt de vertelde tijd genoemd. sprookjes zijn hier een goed voorbeeld van. Ook het tempo van vertellen kan als spanningsveld middel worden ingezet. heet iteratief of exemplarisch vertellen. Het verhaal word zo opgerekt dat het lezen ervan langer duurt dan de gebeurtenis zelf. Aan de andere kant hebben we de duur van het verhaal. In het eerste geval ontbreken precieze gegevens over de totale duur van de geschiedenis en de interne tijdsgeleding. Meestal gaat deze scenische presentatie gepaard met veel dialoog. moeten we het tijdsverloop van de geschiedenis. Die treedt op bij een zogeheten scenische presentatie (scène uit een toneelstuk). Wanneer de vertelde tijd zich parallel aan de verteltijd lijkt te ontwikkelen. staat het verhaal niet stil. Op deze opschortingtechniek berust ook de zogeheten cliffhanger. Bij deze verhouding treedt tijdversnelling of Raffung op. de tijd die nodig is om het verhaal te lezen: de verteltijd. Spanning is ook in termen van de verhaalstructuur te beschrijven. Vaak is z’n passage van extra belang of om spanning op te wekken. 15 . Ten eerste hebben we het onderscheid tussen een diffuus en een gemarkeerd tijdsverloop. Dat kan bijvoorbeeld gelden voor beschrijvingen van personages of ruimte. al lijkt dit op het eerste gezicht misschien niet. Er word veel tijd in relatief weinig woorden gepresenteerd. Het gaat hier om opschorting van informatie: de lezer krijgt niet de gegevens waarop hij wacht. Hierin kunnen we twee niveaus onderscheiden. De verteltijd is het gemakkelijkst te hanteren door hem te koppelen aan een aantal bladzijden of aantal woorden. Daartegenover staat het gemarkeerde tijdsverloop. Iedere verhalende tekst kent gedeelten waarin geen gebeurtenissen worden verteld en er dus geen vertelde tijd wordt weergegeven. Een beproefd procédé is de techniek van tijdvertraging juist op het moment dat er een ontknoping te verwachten valt. de gebeurtenissen nemen een hoeveelheid tijd in beslag. Een andere veelgebruikte techniek om spanningseffecten te sorteren . Die technieken liggen vooral op het vlak van de informatiedosering en de tijdstructuur: de volgorde waarin de gebeurtenissen worden gepresenteerd en het tempo waarin ze worden verteld.

Wanneer de lezer meer weet dan het personage spreken we van ironie. Als laatste verhandelen we hier de werkwoordtijden in verhalende teksten. dat we onderscheiden van het zogeheten tekstexterne of cultuur. Oedipus is hier een bekend voorbeeld van. De laatste term duidt op een semantische eenheid uit het arsenaal van de cultuur en literatuurgeschiedenis (bijbel. de beeldspraak. Identificeren houdt niet alleen in dat we elementen aan elkaar gelijkstellen. Niet iedere overgang naar de o. Doorbreking van de o. Naast de situationele of dramatische. door overgang naar de o. de basisvorm.v. en het is dan meteen duidelijk dat ‘motieven’ geen zelfstandige categorie van verhaalelementen vormen. Motieven Het onder woorden brengen van betekenissen noemen we interpreteren. dus over tekstinterne of structurele motief.t. geschiedenis letterkunde) die steeds weer in een of andere vorm in teksten opduikt. bewust of onbewust. We gebruiken de term motief om betekenisdragende eenheden in het verhaal aan te duiden. op alle niveaus kunnen manifesteren.v. Deze vorm wordt praesens historicum genoemd. klassieke mythologie. Het proces van betekenistoekenning berust erop dat we bij het lezen voortdurend. maar ook dat we op grond van bepaalde semantische overeenkomsten gelijkenissen opmerken tussen elementen die op zichzelf verschillen zijn.t. die verband houden met informatieverdeling hebben we de zogeheten ironische gebeurtenissen.Personages en lezer beschikken geen van beide over de genodigde info. Wanneer in een verhaal op het verleden wordt teruggegrepen. het personage beschikt over meer gegevens dan de lezer of omgekeerd.t.t.t betekent echter een overgang naar het praesens historicum.t. Deze voor narratieve teksten karakteristieke o. Die zijn van tweeërlei aard: we identificeren en we differentiëren. duidt men aan als episch preateritum. Een motief is dan te begrijpen als een vorm van isotopie of als een noemer waar bepaalde concrete of abstracte elementen van de tekst worden ondergebracht. In het algemeen geldt. Dit is vaak komisch of juist tragisch. althans van een bepaalde vorm daarvan: situationele of dramatische ironie. 16 . De tegenwoordige tijd komt natuurlijk ook voor in passages waarin niet verteld maar betoogd wordt (vertellerscommentaar). bijvoorbeeld de verloren zoon of de zoektocht van de vader. Bijvoorbeeld de zweminstructeur die thuis verdrinkt als hij een bad neemt. Voor overeenkomstrelaties tussen elementen wordt wel het begrip isotopie gebruikt. De verbale ironie berust in tegenstelling op de hier boven genoemd vormen van ironie niet op personages of gebeurtenissen.t.t. Ironie doet zich ook in andere vormen en op andere niveaus voor. We hebben het nu over betekenisdragende elementen binnen de structuur van de tekst.v. Het is specifiek voor verhalende teksten dat daarin de o.t. maar zich in alle genoemde vertel en verhaalcategorieën. 11. op gebeurtenissen die dus ten opzichte van het verhaalheden vroeger hebben plaatsgevonden wordt vaak overgeschakeld naar de v.t. domineert. De verbale ironie manifesteert zich op het niveau van de stijl. geeft het verhaal vaak een verhoogde spanning en levendigheid. deze vormen een gecompliceerde aangelegenheid. In niet-verhalend taalgebruik is de o. dat de werkwoordstijd (de door het werkwoord uitgedrukte werking) tot functie heeft het handelen te situeren ten opzichte van het spreekmoment (het moment waarop de zin wordt uitgesproken). verbanden leggen.v.en literatair-historische motief. zowel op het niveau van de taalsituatie – de manier waarop de verteller het verhaal organiseert en structureert – als op het niveau van de taaluitdrukking: de stijl. De ironische werking berust steeds op het principe van contrast.

vormen een verhaalmotief wanneer ze in andere situaties op de een of andere wijze terugkeren. fabel. in beschrijvingen van de ruimte. Het sujet bevat een opeenvolging van situaties waarvan de lezer tijdens het leesproces de concrete betekenis kan vaststellen door datgene wat hij als de essentie van de situatie beschouwt. we spreken dan ook wel van concrete motieven. Concrete motieven zijn ook weer onder te verdelen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om uitweidingen.Het begrip motief stamt uit het Russisch formalisme. Zulke motieven zijn meestal ook statisch. in die zin dat ze niet bijdragen aan de ontwikkeling van het verhaal. uiteenliggende verhaalsituaties en verbindt die aan elkaar. hieronder zal ik deze dan ook uiteenzetten: • Verhaalmotieven. De motieven onderscheidingen zoals we ze hier gepresenteerd 17 . maar een middel om iets abstracters. Dergelijke tekstgedeelten spiegelen als het ware de betekenis van de tekst als geheel. Binnen deze motieven kunnen we motieven onderscheiden. maar maken geen deel uit van de vertelde geschiedenis. die dus de belangrijkste elementen ofwel de ‘betekenis’ van die situaties aangeven. Het gaat om woorden of woordcombinaties waarvan de herhaling in de vormgeving van de tekst gaat opvallen. zodat we ze gaan herkennen en er een bepaalde betekenis aan gaan hechten. deze komen wel in het sujet voor. • • De concrete gebeurtenissen in een verhaal zijn geen doel op zich. Op het abstracter niveau van interpretatie spreken we van abstracte motieven. Meestal zijn ze ook dynamisch in die zin dat ze de ontwikkeling van het verhaal dienen. Wanneer deze notie op het hoogste abstractieniveau alle andere motieven als het ware in zich omvat. is het niet moeilijk een passage in de tekst als ‘kern’ passage aan te wijzen. herhaald worden. Vrije motieven. is natuurlijk van invloed op de verbanden die hij ziet en legt en de accenten die hij aanbrengt. de fabel constitueren. We spreken van een leidmotief wanneer bepaalde woorden of woordcombinaties (die vaak betrekking hebben op een personage) in de tekst geregeld worden herhaald. dat dus een speciale vorm van het hoofdmotief is. dat zijn betekeniselementen die de lezer onderscheidt in het verhaal. Hier geldt dus het principe van de isotopie: de lezer ziet een gemeenschappelijk semantisch kenmerk van verschillende. die op het concrete verhaal of tekstniveau. Het leidmotief behoort tot de concrete motieven omdat het letterlijk. Deze kan als onderbouwing van de interpretatie dienen of juist een eye opener zijn die de lezer op het spoor zet van waar het in de roman om draait. dus onder een noemer te brengen zijn. kunnen we spreken van het grondmotief. Die samenvattingen. Verhaal motieven zijn gebonden motieven omdat ze de geschiedenis. de natuur bijvoorbeeld of in karaktertekening. in enkele woorden samen te vatten. Ze worden daarom wel spiegeltekst genoemd of ook wel mise en abyme. met alle mogelijke factoren van sociale en psychologische aard. We hebben dan geformuleerd wat volgens ons het hoofdmotief van het verhaal is: datgene waar het verhaal om draait. de betekenis die door de tekst als geheel wordt uitgedrukt. De inbreng van de lezer. De lezer zal verband leggen tussen verschillende concrete motieven wanneer hij vindt dat die bepaalde semantische noties gemeenschappelijk hebben. op het niveau van de vertelde gebeurtenissen. Wanneer de lezer zich eenmaal een idee heeft gevormd van de centrale betekenis van de roman. We spreken dan van abstracte motieven: een abstracte notie die naar het oordeel van de lezer verschillende verhaalmotieven met elkaar verbindt. woordelijk in de tekst valt aan te wijzen. een ‘idee’ of visie uit te drukken. Het gaat dan om noties van een hogere abstractiegraad.

Wanneer de ruimte in een verhaal heel precies te lokaliseren is. Een ruimte kan expliciet of impliciet beschreven worden. De ruimte maakt deel van uit het concrete verhaalniveau en kan verschillende functies vervullen. Wanneer er via de uitbeelding van de ruimte informatie wordt gegeven over de historische tijd of omgeving waarin het verhaal speelt noemen we dit couleur locale. dat tijdsbeeld wordt meestal vormgegeven door middel van ruimtelijke beschrijvingen. • • • • • 18 . In de gevallen die hierboven ter spraken kwamen. Als de plaats van handeling in het vage wordt gelaten. waaronder ook langere verhalende gedichten. dorpen. Hieronder sommen wij een aantal mogelijkheden hiervan op: • In reisverhalen. de bijzondere ruimte de aanleiding tot of de voorwaarde van het handelingsverloop. 12. draagt de ruimte in relatie tot personages bij aan de centrale betekenis van de roman. Een ruimte kan ook de centrale betekenis van de roman duidelijk maken. die een brede lading dekt: niet alleen vallen vertrekken.hebben kunnen hun nut hebben bij het interpretatie van verhalende teksten. De ruimte kan ook in dienst staan van de compositie van een verhaal. spreken we wel van belangenruimte. Bij een impliciete ruimte. maar ook bijvoorbeeld het bredere tijdskader waarin de geschiedenis zich afspeelt. Ruimte Iedere geschiedenis speelt zich af op een bepaalde plaats of op bepaalde plaatsen. Bepaalde ruimtes. heeft de ruimte geen andere functie dan de voor het verhaal noodzakelijke omgeving te suggereren. De ruimte kan echter ook op andere manieren gethematiseerd zijn en bijvoorbeeld meer rechtstreeks het hoofd of grondmotief steunen. steden. Hiervoor wordt de term ruimte gebruikt. De ruimte kan een decor vormen dat bijdraagt tot de sfeer waarin de gebeurtenissen zich voltrekken. Zulke verhalen gaan over de ruimte en kennen over het algemeen een uitvoerende ruimte uitbeelding. zoals bijvoorbeeld een vochtige kelder of een open haardvuur. sciencefictionverhalen. noemen we de ruimte diffuus. de natuur eronder. Het gaat dan om een plaats die de verschillende personages samenbrengt en de handeling op gang zet. welke meteen sfeer op. Het bepalen van de functie van de ruimte voor de betekenis van het verhaal is dus weer in sterke mate een kwestie van interpretatie. maar bevinden zich altijd in een omgeving die zelf een deel van de vertelde geschiedenis vormt. en in elke analyse zal aan het waarnemingspunt aandacht moeten worden besteed. Aan een omschrijving van een kamer kunnen we elementen oppikken die karaktertrekken van een personage hebben. Bij detectiveromans zien we dit veel. historische romans of romans uit de koloniale sfeer. Dit kan op zowel concreet of abstract niveau. De personages handelen immers niet in het luchtledige. De ruimte kan ook in gezet worden voor een nadere karakterisering van een personage. In geval van z’n vaste band tussen ruimte en gebeurtenis spreken we van topos. Wanneer er tussen ruimte en personages een dergelijke opvallende semantische relatie valt te signaleren. Het beeld van de ruimte is altijd iemands beeld. spreken we van een gemarkeerd ruimte. van de verteller of een personage. Voorzover de ruimte bijdraagt aan de betekenis van het verhaal vormt zij onderdeel van de motievenstructuur. zoals in sprookjes heel extreem gebeurt: ergens in een land hier ver vandaan.

maar drukt tevens een diepere betekenis uit. De lezer moet bedacht zijn op een ironische karakterisering. maar het zijn geen ‘personen’. beschrijvingen en commentaren worden de personages ook meer indirect gekarakteriseerd. Het symbool is op het letterlijke niveau aanwezig en fungeert in zijn letterlijke betekenis. weergave van gesprekken en gedachten van en over het personage in kwestie. Ze dragen vanwege hun handelende rol bij aan de verhaalmotieven. Dit geldt natuurlijk ook voor de gevallen waarin een personage zichzelf kwalificeert. Een dergelijke min of meer complete beschrijving noemen we een karakterisering en bloc of blokkarakterisering. het is de lezer die zich op basis daarvan het beeld vormt van een volledige persoon. Daarbij zullen ze meestal ook mede gestalte geven aan de abstracte motieven. bijvoorbeeld door hun handelingen.• Andere voorbeelden van gethematiseerde ruimte vinden we in romans waarin een bepaalde ruimte een diepere. Allereerst kan hij een beschrijving geven van het uiterlijk of het innerlijk. het personage zelf of andere personages. tegenover de zogeheten ontrollende karakterisering waarbij de informatie bij stukjes en beetjes verspreid over het verhaal wordt gegeven. dat wil zeggen personages die zelf al een of meer van de abstracte motieven. Het is daarbij aan de lezer om uit te maken in hoeverre het is dergelijke gevallen om betrouwbare informatie gaat. Personages Naast de factoren tijd en ruimte zijn het de personages die de gebeurtenissen in een verhaal gestalte geven. Personages beschrijven ook elkaar. omdat de verteller hier een mooi middel in handen heeft om de lezer te manipuleren. Personages maken deel uit van het verhaal en dus van de concrete motievenstructuur. het kan ook zijn dat de verteller helemaal niet betrouwbaar is. Die is van allerlei aard: beschrijvingen van zijn of haar uiterlijk en innerlijk. het gaat dan om expliciete informatie. Voor een enigszins systematische beschrijving van al die gegevens tezamen het personagebeeld tot stand brengen. mensen van vlees en bloed. Wanneer er geen expliciete informatie over een personage gegeven word is de lezer aangewezen op zulke impliciete informatie. 13. Meestal geven echter de belangrijkste personages samen. Het beeld van een personage komt tot stand doordat de tekst informatie over het personage biedt. in hun onderlinge relatie. Het is dan zaak na te gaan of de roman gegevens bevat of andere visies presenteert waaraan het zelfbeeld van de ik getoetst kan worden. Dat gebeurt heel direct wanneer er zogeheten spreekbuispersonages optreden. Personages zijn altijd mensen of als min of meer menselijk voorstelde wezens. Personagebeschrijvingen zijn lang niet altijd van de verteller afkomstig. maar meer indirect. De verteller of vertelinstantie kan op verschillende manieren bijdragen aan de opbouw van het personage. moeten we allereerst de verschillende informatiekanalen onderscheiden worden: de verteller. door 19 . Dat geldt overigens ook voor andere verhaalcategorieën. soms zelfs het grondmotief verwoorden. Hierbij worden de abstracte motieven dus letterlijk door de personages geformuleerd. gestalte aan de abstracte motieven en dat gebeurt dan niet door een expliciete verwoording. Vervolgens moeten we vaststellen dat deze bronnen expliciete en impliciete informatie over het personage kunnen bieden. Het personage dat door de tekst wordt geboden bestaat eigenlijk uit niet meer dan een aantal talige kenmerken. symbolische betekenis krijgt die het thema van de roman verbeeldt. Zij zijn degene die door hun handelingen de gebeurtenissen veroorzaken of ondergaan. Behalve door expliciete kwalificaties. weergave van zijn/haar handelingen. In dat verband spraken we al eerder van een onbetrouwbare verteller. en mogelijkerwijs ook een beschrijving van zijn of haar omgeving.

Daarnaast treden in het verhaal bijfiguren op. uitspraken of rol in de handeling van het verhaal.hun karakter. De held heeft niks te maken met dapper maar duidt slechts de hoofdpersoon van het verhaal aan. 20 . die geen belangrijke functie hebben in de abstracte motievenstructuur maar slechts dienen om de handeling op gang te houden. Wanneer een flat character in het teken staat van een menselijke eigenschap. spreken we wel van een type. Deze round en flat characters zijn overigens niet gelijk te stellen aan hoofd en bij figuren. Bekend is de verdeling van personages in round en flat characters. die ook wel protagonist wordt genoemd. Complexe personages die in de loop van het verhaal een zekere ontwikkeling doormaken worden wel round characters genoemd terwijl in het geval van weinig uitgewerkte en statische personages van flat characters wordt gesproken. De zogeheten held zal vanwege zijn centrale rol in het verhaal vaak bij uitstek uitdrukking geven aan de centrale betekenis.

Sign up to vote on this title
UsefulNot useful