You are on page 1of 4

Solvency II voor pensioenfondsen: hoe erg is dat eigenlijk?

Brussel lijkt vaart te willen maken met de invoering van een Solvency II-raamwerk voor pensioenfondsen binnen de EU. Op 14 februari jl. heeft de Europese Commissie een White Paper gepubliceerd waarin plannen uiteen worden gezet die het Europees pensioentoezicht in lijn moeten brengen met Solvency II, het toezichtskader voor verzekeraars binnen de EU. Dit zou moeten plaatsvinden via een herziening (en flinke uitbreiding) van de IORP directive, die van toepassing is voor pensioenfondsen binnen de EU. Enkele weken eerder kondigde Gabriel Bernardino, de president van EIOPA (koepel van Europese toezichthouders), al een zogenoemde Quantitative Impact Study (QIS) aan, op basis waarvan de gevolgen van een Solvency II voor pensioenfondsen – in termen van financiële buffers – duidelijk moeten worden.

Context Solvency II
De IORP directive omvat veel meer regelgeving voor pensioenen dan alleen toezichtseisen, maar de beweging naar Solvency II lijkt op dit moment het onderwerp te zijn dat veruit de meeste aandacht trekt. Wat is Solvency II eigenlijk? Solvency II is het Europese toezichtskader voor verzekeraars in de EU dat – naar het zich nu laat aanzien – op 1 januari 2014 van kracht zal worden. Het Solvency II-raamwerk rust op 3 pijlers; heel kort gezegd schrijft de eerste pijler de kwantitatieve eisen voor (kapitaalbuffers), de tweede pijler beschrijft de eisen die aan risicomanagement en governance worden gesteld en de rapportage vereisten worden in de derde pijler beschreven. De precieze invulling van de kapitaalseisen bij Solvency II heeft al tot veel discussie geleid, en doet dat nog steeds. Als gevolg van intensief lobbywerk door verzekeraars en zelfs regeringen is de afgelopen jaren al veel gesleuteld aan de parameters die uiteindelijk de hoogte bepalen van de financiële buffers die verzekeraars moeten aanhouden. De impact van de voorstellen op het eigen vermogen van verzekeraars is de afgelopen jaren gevolgd door middel van de zogenoemde Quantitative Impact Studies (QIS). In 2010 heeft de laatste QIS plaatsgevonden (de vijfde), waarna overigens weer een aantal zaken in het aan Solvency II ten grondslag liggende risicomodel is gewijzigd. DNB heeft bepaald dat Nederlandse verzekeraars in 2012 en 2013 een zogenoemde ‘parallel run’ moeten uitvoeren (eigenlijk een QIS 6). EIOPA heeft nu dus een eerste QIS voor pensioenfondsen aangekondigd – de technische specificaties hiervoor zouden in maart jl. worden vastgesteld. Het wachten is nog op de publicatie hiervan, maar het geeft wel aan dat het de EU menens is.

1

Meer buffers aanhouden betekent minder winst, dus er is de verzekeringsmarkt veel aan gelegen dat het toezichtskader er niet toe leidt dat Europese verzekeraars niet meer kunnen concurreren met verzekeraars die niet onder het Solvency II-regime vallen. Binnen de EU concurreren verzekeraars – althans in een aantal landen, waaronder Nederland – ook met pensioenfondsen. De lobby van de verzekeraars is dan ook voor een deel gericht op het bereiken van een gelijk speelveld (‘level playing field’) voor verzekeraars en pensioenfondsen, met andere woorden: het toezicht voor verzekeraars (Solvency II) moet ook voor pensioenfondsen van toepassing zijn.

Solvency II voor pensioenfondsen
Wat zou het betekenen als Solvency II, zoals het er nu ligt voor verzekeraars, op Nederlandse pensioenfondsen wordt toegepast? De publieke discussie concentreert zich vooral op de hogere zekerheidsmaat onder Solvency II (van 99,5% versus 97,5% onder het huidige FTK), en de impact hiervan is inderdaad groot. Maar ook indien Solvency II met een zekerheidsmaat van 97,5% op pensioenfondsen wordt losgelaten zullen de buffereisen toenemen – onder Solvency II wordt namelijk met meer risico’s rekening gehouden dan onder het FTK het geval is en de diversificatievoordelen zijn minder groot. Zelfs met een zekerheidsmaat van ‘slechts’ 97,5% zal voor sommige pensioenfondsen de vereiste buffer al met meer dan 20% kunnen toenemen – e.e.a. kan uiteraard sterk variëren met de specifieke kenmerken van het pensioenfonds. Naast de buffereisen heeft ook een aantal elementen in de onder Solvency II voorgeschreven waardering van de voorzieningen een negatief effect op de pensioenfondsbalans. Zo moeten bijvoorbeeld ook voorwaardelijk elementen (indexatie) worden gewaardeerd en moet in de voorziening rekening worden gehouden met een risicomarge. Anderzijds geeft de rentecurve zoals die onder Solvency II – naar de huidige stand van zaken – moet worden gehanteerd lucht, zeker indien de veelbesproken ‘counter cyclical premium’ (de facto een opslag op de risicovrije rente) overeind blijft. Dit geldt ook voor de zogenoemde ‘equity dampener’ (die zorgt dat in slechte tijden een lagere buffer voor risico op aandelen nodig is en in goede tijden een hogere). Verder zou het waarderen van voorwaardelijke indexatie ook moeten impliceren dat de kortingsmogelijkheid die pensioenfondsen hebben wordt gewaardeerd. Deze beide kanten van dezelfde medaille (positieve en negatieve indexatie) kunnen gewaardeerd worden op basis van optietheorie en hebben een tegengesteld effect op het vermogen van een pensioenfonds. Solvency II is voor verzekeraars geschreven en zowel de Europese Commissie als EIOPA lijken aan te sturen op een separaat, maar wel op Solvency II lijkend, raamwerk voor pensioenfondsen, dat ook rekening houdt met specifieke kenmerken die pensioenfondsen onderscheiden van verzekeraars. Zo wordt bijvoorbeeld gesproken over een ‘tekort absorberend’ vermogen van de sponsor, met andere woorden, pensioenfondsen met een bijstortingsverplichting door de sponsor kunnen dit element meenemen in de waardering.

2

Desondanks zal de door EIOPA aangekondigde QIS voor pensioenfondsen naar verwachting toch leiden tot hogere buffereisen voor de Nederlandse pensioenfondsen. Dat kan ook eigenlijk niet anders: de financiële crisis heeft laten zien dat het door de pensioensector gehanteerde FTK-standaardmodel de risico’s van pensioenfondsen onvoldoende reflecteert, wat dus ook betekent dat de gewenste zekerheid van 97,5% er in feite niet was. Er moet dus een fundamentele keuze gemaakt worden tussen het accepteren van minder zekerheid of het vormen van hogere buffers om de gewenste zekerheid ook daadwerkelijk waar te kunnen maken.

Reactie Nederlandse pensioensector en politiek
De Nederlandse pensioenlobby verzet zich al jaren tegen de Europese voorstellen voor een ’Solvency II voor pensioenfondsen’. Nu in de afgelopen periode e.e.a. in een stroomversnelling lijkt te zijn gekomen is inmiddels ook de Haagse politiek in staat van paraatheid en is Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt (CDA) als speciale rapporteur naar Brussel gestuurd om de ontwikkelingen nauwlettend te volgen. Moet inderdaad gevreesd worden voor ons pensioenstelsel? Indien Solvency II onverkort op pensioenfondsen wordt toegepast wordt de (al bereikte) grens van betaalbaarheid inderdaad overschreden. Maar om de vraag of onze pensioenen betaalbaar zijn te beantwoorden moet in eerste instantie naar de toezegging worden gekeken en naar de gewenste zekerheden omtrent het kunnen nakomen van die toezegging. De recente historie heeft duidelijk gemaakt dat de gedane toezeggingen te genereus waren in verhouding tot de betaalde premies, en bovendien dat de door het FTK gesuggereerde zekerheid omtrent die toezeggingen in werkelijkheid lager lag. Een toezichtsmodel dat de daadwerkelijke risico’s, bij een vooraf gekozen mate van zekerheid, beter weerspiegelt dan het FTK is juist noodzakelijk om de ontstane mismatch tussen verwachting en realisatie te verkleinen. Enige nuancering van de onrust over de voorstellen van de Europese Commissie is dus op zijn plaats. Ten eerste zeggen de Europese Commissie noch de EIOPA daadwerkelijk dat Solvency II ook moet gaan gelden voor pensioenfondsen. De voorstellen spreken over een soortgelijk raamwerk. Nederland heeft in feite al zo’n raamwerk: het FTK is conceptueel immers niet wezenlijk anders dan Solvency II (eerste pijler) – de belangrijkste verschillen worden gevormd door de invulling van de risico’s en de gekozen modelparameters. Op basis van de ervaringen met de uitwerking van Solvency II voor verzekeraars mag worden verwacht dat ook over het Europese toezicht voor pensioenfondsen nog veel zal worden onderhandeld voordat de definitieve regelgeving daar is. Ten tweede kan gerust worden gesteld dat het risicomanagement van veel pensioenfondsen voor verbetering vatbaar was, en in een aantal gevallen nog steeds is. De conclusies uit de DNBbeleggingsonderzoeken en het rapport van de Commissie Frijns waren eensluidend over dit punt. De tweede pijler van Solvency II, in het bijzonder de ORSA (Own Risk and Solvency Assessment), kan ook pensioenfondsen helpen met de verankering van het risicobeheer en –beleid.

3

Het te vuur en te zwaard bestrijden van de Brusselse voorstellen kan ertoe leiden dat het kind met het badwater wordt weggegooid. Zou het niet verstandiger zijn om mee te bewegen met de (onvermijdelijke?) ontwikkelingen en onze energie aan te wenden voor het beïnvloeden van de verdere invulling van het raamwerk voor pensioenfondsen? Uiteindelijk zijn de Europese deelnemers aan pensioenregelingen gebaat met een pensioenstelsel dat de verwachtingen kan waarmaken – en ja, dat kan betekenen dat eerst een aantal, wellicht pijnlijke, keuzes moet worden gemaakt. Nederland is een land met een sterk ontwikkelde pensioenmarkt en heeft (als enige EU land) ervaring met een, in conceptuele zin, op Solvency II lijkend toezichtskader. Met deze bagage kan Nederland op pensioengebied een voortrekkersrol in Europa vervullen, en daarmee een belangrijk stempel drukken op de Europese regelgeving voor pensioenfondsen. De inspanningen van de Nederlandse pensioenlobby en onze speciale rapporteur zouden daarop gericht moeten zijn.

Alexander van Stee is als actuaris werkzaam bij KPMG Advisory N.V.

4