You are on page 1of 2

Hoofdstuk 6: afweer en immuniteit Aspecifieke of aangeboren afweer Mechanische afweer Huid en slijmvliezen vormen een uitstekende barrire tegen

gen binnendringen Micro-organismen Enkele soorten kunnen opperhuid penetreren, slijmvliezen houden MO vast Talg en transpiratievocht bevatten bacterie- en schimmelwerende stoffen Haartjes in neus werken als filter Uitstroom urine verkleint kans dat MO via urinebuis opstijgen humorale afweer zoutzuur o hoge conc in maagsap, hiermee worden meeste MO vernietigd lysozym o klein eiwit met antibacterile eigenschappen o aanwezig in granulocyten, traanvocht antilichamen o aanwezig in neusvocht en speeksel o in staat om MO te inactiveren speeksel o spoekt voedselresten in mondholte weg; kans op bacteriegroei wordt zo verkleint o zure milieu gaat bacteriegroei tegen interferonen o worden geproduceerd door T-lymfocyten o voorkomen dat virussen in genfecteerde cel vermeerden en verspreieden complement o systeem van ongeveer twintig eiwitten in bloed en weefsels o wordt geactiveerd door immuuncomplexen ( aan elkaar gehechte antigeen-antilichamen) en vreemde suikers o hecht vast aan celwand bacterin en beschadigt deze o hecht vast aan celwand bacterin en bevordert fagocytose o stimuleert chemotaxis: trekt vanuit een ontstoken gebied fagocytosen aan cellulaire afweer stap 1: oorzaak en symptomen van een ontsteking o oorzaak: MO, fysische invloeden ( hitte, koude, stralingen), chemische agentia ( organische: toxinen MO, anorganische: zuren, basen) mechanische trauma (beschadiging weefsel door overbelasting of slagen op de huid waardoor builen ontstaan o symptomen

roodheid warmte pijn zwelling functieverlies stap 2: verandering van de weefseleigenschappen o macrofagen en mestcellen produceren histamine en serotonines vasodilatatie: zorgt voor warmte en roodheid permeabiliteit bloedvaten wordt groter: meer vocht in weefsel: zwelling meer eiwitten in bloedbaan: osmotische druk stijgt: meer vocht in weefsel: fibinogenen (inkapselen ontsteking) stap 3: aantrekken van fagocyten o aantrekking van neutrofielen en monocyten door chemische stoffen onstoken weefsel o neutrofielen naar infectieplaats met veel signaalstoffen chemotaxis o diapedesis: migratie van bloedbaan naar weefsel; bijkomende witte bloedcellen helpen bij verwijdering beschadigde weefselcellen o neutrofielen zorgen voor fagocytose stap 4: bijkomende symptomen o koorts, pijn en ettervorming o koorts wordt veroorzaakt door pyrogene stoffen (signaalstoffen) worden vrijgemaakt door infectie gaat naat hypothalamus (warmteregelaar) o pijn: plaatselijke zwelling kan sensorische zenuwuiteinden prikkelen o pus: dode fagocyten, dode cellen, fibrine,... stap 5: einde van de ontsteking o oorzaak volledig verdwenen: vorming granulatieweefsel; beschadigd weefsel wordt vervangen door bindweefsel (littekenweefsel) o oorzaak niet volledig verdwenen: kan evolueren naar chronische ontsteking Verworven of specifieke immuniteit