Verklarende woordenlijst van Franse Geologische en Speleologische termen

ponoor (=Chantoir). Hoogtemeter. Ik ben aangekomen en heb al mijn apparaten van het koord verwijderd Grotkunst. lnstabiele kristalvorm van calciumcarbonaat (><Calcite). 1. Naar boven gebogen deel van een plooi waarbij de oudste lagen in de kern liggen (><Synclinal). Loodrecht. Anastomose.N. 2. Ontsluiting. zadel. Toestromend (> <Effluent). Assurance: Autorisalion: Avalz Aval !: . Natuurlijk ankerpunt. Watenvoerende laag. Plaats waar de rots onbedekt aan de oppervlakte zichtbaar is. halfgrot. Aanslibbing. ponoor (=Chantoir). Escalade artificielle: Artificiëel klimmen. Klei. Verdwijngat. Boogvormig restant van een voormalige grot (=Pont naturel). Natuurlijke brug. rotsnis. Op topo's wordt dit aangegeven met “A. Kunstmatig (><Varappe). Réseau actif: Grotsysteem dat nog steeds doorstroomd wordt (door de rivier die haar heeft gevormd). karstpijp (=Aven). Verdwijngat.". schachtgrot. toelating. plooirug. Stroomopwaarts (> <Aval). Het opvullen van grotruimtes door slib. Stroomafwaarts (> <Amont).VERKLARENDE WOORDENlIJST VAN FRANSE GEOLOGISCHE EN SPELEOLOGISCHE TERMEN ln de lijst worden de volgende tekens gebruikt: = Synoniem > < Tegenstelling Abîme: Abri(-sous-roche): Actif: Adugeoir: Affleurement : Affluent: Aiguigeois: Alluvionnement: Altimètre: Altitude: Amarrage naturel: Amont: Anastomose: Anneau: Anticlinal : Aplomb: Aquifère: Aragonite: Arche naturel: Argile : Arrivée !: Art pariétal: Artificiel: Afgrond. Hijs het koord op. Holte. Abri. Zijrivier. Antlclinaal. Hoogte (boven de zeespiegel). Aragoniet. Réseau anastomosé: Vlechtend netwerk van meestal zeer kleine grotgangen Spitring. rotshaken en laddertjes. Aktief (> <Fossile). Stelsel van koorden en andere materialen die de eventuele val van een speleoloog moet stuiten. Zekering. karstbrug. Vergunning. Klimtechniek waarbij gebruik gemaakt wordt van spits.

Ondergronds kamp. kalkspaat. Calciet. Vaak slingerend kanaal in het plafond van een gang. Biospeleologie. 2. dat men kruipend moet passeren. Pas op. ln grotten levend. Verhard sediment van hoekige stukken steen. Silex. Grot (=Cavité). Verticale gang. Kiezelgesteente met zeer fijne kristallen. karstpijp (=Aven). schachtgrot. Kattegat. 1. Grot.Aven: Bassin d'alimentation: Baudrier : Bétoire: Biospéléologie: Bivouac: Bloqueur: Botte: Bouche: Boussole: Boyau: Brèche: Caillou !: Caillou roulé: Calcaire: Calcite: Calcite flottante: Canot: Cascade (pétrifiée): Casque: Caverne: Cavernement total: Cavernicole: Cavité : Chantoir: Chatière: Chaussette: Chauve-souris: Chemin: Cheminée: Afgrond. Zeer dunne laag druipsteen die dankzij de oppervlaktespanning op stilstaand water kan drijven. Stabiele kristalvorm van calciumcarbonaat (> <Aragonite). Verdwijngat. Laars. pad. schachtgrot. Kompas. Apparaat dat slechts in één richting langs een koord kan schuiven (=Frein). ponoor. Slanke en hoge stalagmiet met een constante diameter van basis tot top. hoornsteen. daglichtput. vallende stenen ! Rolsteen. Boot. Lichtschacht. Druipsteenvorming op een wand die lijkt op een versteende waterval (=Coulée stalagmitique). Sok. ingangsopening van een schachtgrot. Afgrond. Vleermuis. Bivak. Mond. Zeer smal gedeelte van een gang. karstpijp. Voedingsgebied van een rivier of grotstelsel. Versteende waterval. Borstgordel. groot genoeg om een mens toe te laten (=Caverne). Rem. Clinometer. Natuurlijke ruimte ineen rotsmassief. Apparaat om bij het topograferen hellingen te meten. Chenal de voûte: Chert: Cierge: Clisimètre: . Kalksteen. Druipsteenkaars. Helm. Wetenschap die zich bezighoudt met ondergronds levende wezens. die men met spantechniek of artificiële klimtechniek kan beklimmen. Totaal volume van alle voor mensen toegankelijke holtes en ruimtes in een kalkmassief. horizontale grotgang (=Couloir). Weg. Kleine. Breccie.

waarbij sommige gangen korter lijken dan ze zijn en "Coupe développée"= ontwikkelde doorsnede. kanaal. Doodlopende gang. Reddingsdeken. ontstaan ter hoogte van het wateroppervlak. Koepelvormige holte in het plafond. Gesteente dat bestaat uit samengekitte afgeronde stenen. waaraan men de stroomrichting van het water dat haar heeft gevormd. 2. Coproliet. Buis.t.t. gevormd door onder druk stromend water. Mengcorrosie. Corrosie. maximaal debiet van een waterstroom (> <Etiage). Ondergrondse hoofdstroom. Collecteur. Zitgordel. Puinkegel. scallop. Aaneengesinterde stalactiet en stalagmiet (=Pilier). verval. ik gooi het koord naar beneden !. Hoogteverschil. Loslaten van plafondplaten in grotgangen en vooral -zalen. Versteende waterval. Druipsteenvorming op een wand die lijkt op een versteende waterval (=Cascade pétrifiée). sinter. Druipsteenafzetting. Onderscheiden worden: "Coupe projetée"= meetkundige projectie. Opvulling met grotklei. . kan bepalen (=Cupule d'érosion). waarbij alle gangen in hun ware lengte worden afgebeeld. concretie. Klimkoord. horizontale grotgang (=Boyau). Zuil. Pas op. Het plotseling wegvoeren van het sediment uit een karstgang door een watermassa (=Décolmatage). Versteend uitwerpsel. Coupole: Courant d'air: Couverture de survie: Crue: Cuissard: Cul-de-sac: Cupule: Débourrage: Décollement: Dénivellation: 1. Extreem hoge waterstand. Luchtstroming. Conglomeraat. Chemisch oplossen van rots (> <Érosion). i Uitschulping. Halfbolvormige holte in de wand. Verticale doorsnede door een grot of gang. maar de richtingen van de gangen op papier niet overeenkomt met de werkelijke richtingen. broekje. Ronde of ovale gang op de grens van twee gesteentelagen. Koepel. enkele dm tot enkele m groot. Overall. goot. Drukgang. pijp. Afbeelding van een grot op een verticaal vlak (> <Plan). I.Cloche d'air: Collecteur : Colmatage argileux: Colonne: Combinaison: Concrétion: Conduit: Conduite forcée: Cône d'éboulis: Conglomérat: Coprolithe: Corde !: Corde lisse: Corrosion: Corrosion par mélange des eaux: Coulée (stalagmitique): Couloir: Coup de gouge: Coupe: Luchtkamer in het plafond van een gang die verder geheel met water gevuld is. Kleine. Het verschijnsel dat twee met kalk verzadigde oplossingen bij menging vaak weer kalk kunnen oplossen. die alle neerslag uit een bepaald gebied afvoert. een "Coup de gouge" kan men aan een "Cupule' de stroomrichting van het water niet bepalen. Asymmetrische corrosieholte in vloer wand of plafond.

ponoor (=Chantoir). Descendeur. doodlopende zijgang. Breuk waarbij de gesteentemassa's aan weerszijden van het breukvlak niet of nauwelijks ten opzichte van elkaar zijn verschoven. mijn achtervolger kan nu tot dit punt klimmen/dalen. Koepelzaal. Diaklaas. Instortingsdoline. Oplossingsdoline. Het totaal aan gangen dat ongeveer op hetzelfde niveau ligt. Verdwijngat. Rechte. Aan de oppervlakte Ievend (> <Hypogé). 2. Extreem gering debiet van een waterstroom. kleine. Op topo‘s aangegeven met " E". 1. De plaats waar water uit een karstgebied aan de oppervlakte treedt (=Source karstique). 2. In de bodem Ievend. Dolomiet. lnstorting. Koordje waarmee het klimkoord in een put opzij getrokken wordt. Verlichting. gemeten langs de as van de elementen waaruit deze is opgebouwd. ln zoet water Ievend. Onderwereld. 1. hoge grotgang. Etage. Druipsteengordijn. Ladder. . karstpijp (=Aven). Totale lengte van een gang of grot. Blokkenstort. Beklimming. Mechanische verwering van gesteente (> <Corrosion). Calcium-magnesiumcarbonaat. Carbidlamp (=Lampe a carbure). Korte. Uitstromend (> <Affluent). ' Afgrond. afdaler.Dents de cochon: Depart !: Depart relais !: Descendeur: Développement: Déviateur: Diaclase: Disque: Diverticule: Doline: Doline de dissolution: Doline d'effondrement: Dolomite: Dôme: Draperie: Dulçaquicole : Eboulis: Echelle: Eclairage: Eclairage a acétylène: Effluent: Effondrement: Embut: Emergence karstique: Endogé: Enfers: Entonnoir: Epigé: Equiper: Erosion: Escalade: Etage: Etiage (> <Crue): Varkenstanden. (> <Faille). zodat het beter hangt. schachtgrot. Equiperen. Karstbron. Het uithangen en bevestigen van alle benodigde koorden en ijzerwaren in een grot. lk vertrek ! lk vertrek vanaf een tussen-ankerpunt. corrosiedoline. Laagste waterstand. Grote ronde druipsteenschijf. Trechtervormige depressie in een karstgebied. Erosie. Lange spitse calcietkristallen die ontstaan in druipsteenbekkentjes. gevormd door corrosie en/of instorting van een ondergrondse ruimte.

Karstvenster. lange en dunne stalactiet. Slanke. Uitgang van een ondergrondse beek die gevoed wordt door verspreid infiltrerend water (> <Résurgence). vaak gedraaide of vertakte druipsteen. passage. Draad van Ariadne. Vernauwing. Equipeerfiche. Steile rotswand. barst. Excentriek. Handschoen. Flexuur. Fluoresceïne. dat gebruikt wordt bij artificiëel klimmen. Tektonische breuk in de rots waarlangs gesteentelagen zijn verschoven (> <Diaclase).Étrier: Étroiture: Excentrique: Exploration: Exsurgence: Faille: Falaise: Fenêtre karstique: Fiche d'équipement: Fil d'Ariane: Fissure: Fistuleuse: Fleur de gypse: Flexure : Fluorescéïne: Fluocapteur: Fossile: Fractionnement: Fracture: Franchissement: Frein: Galerie: Galet: Gant: Gaz carbonique: Gélifraction: Stijgladdertje. Rem (=Bloqueur). Gipsbloem. Dubbele knik die een vlakliggend hogere van een vlakliggend lagere geologische laag scheidt. Macaroni. om het schuren van het koord tegen de wand te verhinderen en/of het mogelijk te maken dat meerdere personen tegelijk het koord gebruiken. Kei. Beklimming. Laddertje met slechts enkele treden. Koolzuurgas. scheur. die aan de andere kant weer in een grot verdwijnt. Techniek waarbij het klimkoord in verticale passages ook op een of meerdere tussenliggende punten wordt bevestigd. Verschuiving. Spleet. Réseau fossile: Grotsysteem dat definitief geen stromend water meer bevat. die in alle mogelijke richtingen kan groeien en daarmee lijkt te spotten met de wetten van de zwaartekracht. Fossiel (><Actif). zorgvuldige bestudering. breuk. Klein apparaatje met aktieve kool. . Vorstverwering. heliktiet. waarmee fluoresceine in het water kan worden opgevangen en geconcentreerd. die vanuit een centraal basispunt groeien. Sterke kleurstof die gebruikt wordt voor het traceren van ondergrondse waterlopen. horizontale (Laminoir) en cylindrische (Chatière) vernauwingen. Holle. voor grotduikers in een sifon). Breuk. Lijst van alle obstakels in een grot en van het materiaal dat men nodig heeft om deze te overwinnen. Dunne lijn die in een grot een bepaalde route markeert (bv. fifiladder. Men onderscheidt verticale (Méandre). Het onderzoeken van een nieuw ontdekte grot (> < Prospection). Doorzoeking. in een blokkenstort) of die voorkomt dat men verdwaalt (bv. Grotmineraal in de vorm van gebogen en vertakte bundels van naaldvormige gipskristallen. Dakloos deel van een grotgang waarin men aan de ene kant uit een grot een beek ziet komen. Horizontale grotgang. Tussenvorm tussen plooi en breuk. Gefractionneerde stelling.

Lijn die punten van gelijke hoogte met elkaar verbindt. IJskelder Grot of put waarin binnenkomende sneeuw zich verdicht tot ijs.of vleermuisuitwerpselen. schachtgrot. 2. Guano. karstpijp (=Aven). Het geheel van riem. 1. hoogtelijn. Geode. schachtgrot. Laagvoeg. Diaklaas. ponoor (=Chantoir).en zitgordel. Rotsmassa die tussen twee evenwijdige breuken is omlaaggeschoven als gevolg van het zijdelings uit elkaar schuiven van de aan weerskanten liggende schollen (> <Horst). Afgrond. Periode met gematigd of warm klimaat tussen twee ijstijden in. IJstijd Geologische periode met een koud klimaat waarin de ijsbedekking van de aarde belangrijk is uitgebreid. onderaardse ruimte. Organisch sediment ontstaan uit vogel. Wetenschap die zich bezighoudt met ondergronds water in karstgebieden. spelonk. Toeristengrot. Hangmat. Zeer fragiel grotmineraal. Vaak zijn het delen van grote slenksystemen. Horizontale grot (> <Aven). Klimmer. Sinterdam. Rotsmassa die tussen twee evenwijdige breuken ten opzichte van zijn omgeving relatief is omhooggeschoven. lsohypse. Zandsteen. 2. Horst.Géode: Glaciation: Glacière: Glaise: Gonfler: Gouffre: Gouffre absorbant: Goule: Gour: Graben: Grès: Grimpeur: Grotte: Grotte aménagées: Grotte glacée: Guano: Gypse: Hamac: Harnais: Horst: Hydrogéologie karstique: Hypogé: lgue: lmpénétrable: lmperméable: lnterglaciaire: lsohypse: lsotherme: Jama: Joint: Joint de stratification: 1. kloof. Karstpijp of (rivier-) verdwijnpunt. Goed isolerende waterdichte speleo-overall. 1. . waterdicht. Slenk. Grot. Leem. Ondoorlaatbaar. borst. ljsgrot. 2. Grot die is opengesteld voor het grote publiek (=Grotte touristique). Ondergronds levend (><Épigé) Afgrond. Afgrond. karstpijp (=Aven). Sinterbekken. die minder zijn gedaald dan de schollen aan weerskanten (> <Graben). schachtgrot. Opblazen. Grotzaal met veel druipsteen. Verdwijngat. Flotsholte bekleed met kristalleig. calciumsulfaat. Natuurlijke. Gips. Vlak of spleet tussen twee geologische lagen. voor mensen toegankelijke. Ontoegankelijk.

Jonction: Jumar: Karst: Karst noyé: Kit-bag: Labyrinthe: Laisse d'eau: Laminoir: Lapiaz (=Lapiés): Lapiaz de voûte: Limon: Longe: Maillon italien : Maillon rapide: Main-courante: Mardelle: Marmite (de géant): Marne: Méandre: Méridional : Méthode de dégagement: Microgour: Mond-milch : Mou !: Mousqueton: Nappe karstique: Niveau hydrostatique: Noeud de cabestan: Noeud de chaise: Noeud papiilon: Noeud de pécheur: Noeud en huit: Noyé: Verbinding. Druipsteenbekkentje van slechts enkele cm. Bergmelk. Dat deel van een hydrogeologisch systeem waarin alle holtes zijn gevuld met water. Karren. Gewelfkarren. waarvan de rots sterk is bewerkt door corrosie en erosie. doolhof. Paalsteek. Complex stelsel van grotgangen.". Bovenvlak van de met water verzadigde zone in een karstgebied (=Nappe phréatique). schachtgrot. Kolkgat. Sleepzak. Mastworp. Rem met handvat. C-vormige ring. karabijnhaak. C-vormige ring. smalle. hadesring. doorgroefd met scheuren.C. Achtknoop. Vlinderknoop. samenvoeging. kloven en karren. Overstroomd. C-ring. doorzeefd met dolines en schachten. Hoge. Ondiepe waterplas in een grot. Vaak onbegroeide kalksteenvlakte. Metalen ring met verende sluiting. Pletgang. Labyrinth. Zuidelijk (> <Septentrionai). Kalksteenoppervlak met groeven en sleuven die meestal van elkaar zijn gescheiden door scherpe richels. met een Iangwerpige moer die de twee uiteinden stevig met elkaar kan verbinden. met meestal een ondergrondse afwatering en aan de oppervlakte typerende oplossingsverschijnselen. 2. freatisch oppervIak. Kalksteen met een hoog gehaite aan klei. ondergelopen . Bijna gesloten. Looplijn. 1. Laagvoeg die slechts tijgerend bezocht kan worden. Afgrond. Meander. Visserssteek. karstpijp (=Aven). zonder waarneembare stroming. Reddingstechniek. meestal in groepjes in een versteende waterval of op een hellende vloer. Cylindrische holte in de bodem. karabiner. Karrenveld. Groeven en sleuven in het plafond van een grotgang. Koord aangeven of vieren ! Musketon. Grottenleem. Zandige klei die overblijft nadat de oplosbare delen van kalksteen zijn verdwenen. Gebied met een dik pakket aan oplosbare gesteenten als calciet of dolomiet. Verzadigde zone. voor de bevestiging van staaldraadladders (=Mailion brisé). Zacht mengsel van calciet en water (=Lait de Iune). Mergel. Grondwaterspiegel. Leeflijn. sterk slingerende grotgang. Op topo's aangegeven met "M. ontstaan door in stromend water bewegende stenen.

Prospectie. Orogenese. Pendule. Spittasje. Natuuriijke brug. vrijwel horizontale vloer. voetlus. Oostelijk (> <Occidental). onderzoek. ontstaan door Iaagsgewijze afzetting van calciet rond een kleine kern. Paragénétique (> <Syngénétique). Boogvormig restant van een voormalige grot (=Arche naturel). Diepte. Pilier: Zuil. . Gesteente bestaande uit zandkorrels. Aaneengesinterde stalactiet en stalagmiet (=CoIonne). Het zoeken naar nieuwe ingangen (> < Exploration). 2. waarin een polje afwatert (=Chantoir). Grotparel. gebergtevorming. ontstaan door het aaneengroeien van twee of meer dolines. rotshaak. Verdwijngat. ponoor. Waterdichte overall tot aan de borst. Langgerekte tot ovale depressie. karstbrug. Partie phréatique d'un reseau souterrain: Dat deel van een grotsysteem dat in de verzadigde zone Iigt en daardoor gevuld is met grondwater. Spantechniek. Put. Conglomeraat waarin het volume cement dat van de kiezels overheerst. Piton. Galerie aragénétique Horizontale gang. 1. Freatisch (> <Vadose). Puddingsteen. Plaltegrond van een grot. Duiken. Rivierverdwijnpunt. Pedaal. Psammiet. Vlakte in een karstgebied dat uitsluitend via ondergrondse kanalen afwatert. Korte gang die twee belangrijke delen van een grot met elkaar verbindt. Bolronde druipsteenvorm. Waadpak.Occidental: Opposition: Oriental: Orogénèse: Ouvala: Paroi: Passage: Pédale: Pendage: Pendant: Pendule: Percée hydrogéologique: Perle: Phréatique: Pisolithe: Piton: Plan: Plancher stalagmitique: Plaquette: Plonger: Pochette: Polje: Ponor: Pont naturel Pontonniere: Porche: Poudingue: Profondeur: Prospection Psammite: Westelijk (> <OrientaI). Helling van de geologische lagen. voor het doorwaden van niet te diepe meertjes. Spitplaatje. waardoor de corrosie alleen aan de bovenzijde werkte. projectie van een grot op een horizontaal vlak (> <Coupe). Uit druipsteen gevormde. Wand. slinger. Grote grotingang. Hanger. gevolgd door een grotgang van meestal geringere afmetingen. gevormd door Iangzaam stromend water en tegelijk sedimentatie van onoplosbare afzettingen.Uvala. Het voor mensen toegankelijke deel van een waterloop tussen een rivierverdwijnpunt en de resurgentie. Grote rotsuitstulping aan het plafond van een grot.

weer aan de oppervlakte komt. Put. Vuursteen. schlinge. Gezonken Calcite flottante. Op topo's wordt een put aangegeven met “P”. Metamorf gesteente. Resurgentie. verschijningspunt. Kijkgat. Dat deel van een Réseau karstique dat toegankelijk is voor mensen (=Réseau souterrain). Ondergrondse ruimte met een groot horizontaal oppervlak. Techniek om na het afdalen het gebruikte koord mee te kunnen nemen dieper de grot in. die eerder via een verdwijnpunt ondergronds is gaan stromen. Noordelijk (><Méridional). schacht. lntermltterende bron. Schacht die vanaf zijn toegang zowel naar boven als naar beneden verloopt. valse bron. Plotseling niveauverschil in een gang die verder vrijwel horizontaal loopt. slijkgat. Koord aanhalen of strak trekken ! Voetpad. Zaal. Verticaal afwateringskanaal. Punt waarop een beek. gangen en resurgenties dat een ondergrondse beek doorstroomt. permanent gevuld met water. simpele herberg. Netwerk van grotgangen. 2. schacht. Dal met steile wanden aan een van de uiteinden. Kleiboompje. Zand. waar een rivier ondergronds verdwijnt of juist tevoorschijn komt. heelt gestroomd of zou kunnen stromen. Put. Put met waterval. waarvan de dimensies beduidend groter zijn dan die van de toegangswegen. Ondergrondse beek of rivier (=Ruisseau souterrain). Schist. Op topo's wordt een ressaut aangegeven met "R". Rotsplaat die met een vernauwing aan het plafond vastzit. Blind dal.Puisard: Puits: Puits arrosés: Puits remontant: Rappel : Reculée: Refuge: Regard: Relais !: Remplissage: Réseau (souterrain): Réseau karstique: Réseau spéléologique: Ressaut: Résurgence: Rivière souterraine: Roche pédonculaire: Sable: Sable de calcite: Salle: Sangle : Sapin d'argile: Schiste: Sec !: Sentier: Septentrional: Silex de la craie: Siphon: Source: Source intermittente: Zinkput. Bron. Verticaal. putten. Sifon. naar beneden verlopend deel van een grotgang. 1. Schuilhut. U-vormige grotgang. . Het totaal van verdwijngaten. Totaal van alle met elkaar verbonden buizen en spleten in een karstgebied waarin water stroomt. Bron waarvan het debiet grote ritmische variaties vertoont. waarin het water door infiltratie in de grond verdwijnt. Koord strak trekken l lk wil uitrusten of ik wil mijn apparaten verplaatsen. periodieke bron. bandschlinge. Band. meestal ontstaan uit een kleiig sediment en opgebouwd uit makkelijk van elkaar te scheiden laagjes. Opvulling. Hydrogeologisch systeem.

Topograferen. Apparaat waarbij men met een dun draadje. grottenkunde. Tijdelijke bron die boven een permanente bron ligt.Source karstique: Source pérenne: Source temporaire: Source de trop-plein: Source Vauclusien: Souterrain: Spéléogénèse: Spéléologie: Spéléologue : Spéléothérapie : Spit: Spiter: Stalactite: Stalagmite : Strate: Subterrané: Suintement: Surbaissé: Surcreusement: Surplombante: Synclinal : Syngénétique: Thalweg: Tamponnoir: Tectonique: Toboggan: Topographier: Topofil: Traceur: Karstbron. bestaande uit het opstijgende deel van een sifon. Naar beneden gebogen deel van een plooi. Minder hoog dan een halve cirkel. Roetsjbaan. grotonderzoeker. Doorsijpeling. Onderaards. . De plaats waar water uit een karstgebied aan de oppervlakte treedt (=Emergence karstique). plooiingen en breuken van geologische lagen als gevolg van endogene (=inwendige) krachten. Er heeft geen sedimentatie plaatsgevonden. Topofiel. Stalagmiet. Lijn die de laagste punten in een dal met elkaar verbindt. Spitonneren. Tijdelijke bron. plooidal. Stof waarmee de hydrologische verbinding tussen verschillende punten kan worden aangetoond. Apparaat dat gebruikt wordt bij het spitonneren. Speleologie. Het inslaan van spits. Bron die alleen in bepaalde periodes water levert. Overloop-bron. Het gebruiken en uitdiepen van een verlaten rivierbedding door een nieuwe waterstroom. Ondergronds. afstanden in een grot kan meten. Opmeten en karteren van een grot. Slagstempel. (Geo-) tektoniek. Overhangend. Het totaal van vervormingen. boorkroon. Bron die gedurende het gehele jaar water levert. Speleoloog. (Source permanente): Permanente bron. Synclinaal. Een bepaald type van karstbron. dat langs een tellertje getrokken wordt. Langwerpige druipsteen die vanaf de vloer naar boven groeit (> <Stalactite). trog. boorhandvat. Het totaal van alle fysische en chemische verschijnselen die bijdragen aan het ontstaan een grot. (> <Paragénétique). Grotvorming. Galerie syngénétique: Horizontale gang. Behandeling van (vooral ademhalings-) aandoeningen door middel van een verblijf in een grot. Stalactiet. Geologische laag. gevormd door snel stromend water. Uitdieping. Langwerpige druipsteen vanaf het plafond naar beneden groeit (> <Stalagmite). verplaatsingen. Spit. zodat de corrosie op de gehele omtrek van de gang heeft kunnen inwerken. met de jongste lagen in de kern (> <Anticlinal). vanaf de bron van een rivier tot aan zijn monding. Merknaam van een soort van keilbout waaraan via spitplaatjes of -ringen stellingen bevestigd kunnen worden.

Gang die alleen bij hoogwater sifonneert. Smalle richel waarover men langs een verticale wand kan traverseren. Grotingang waarboven door condensatie van water uit de relatief warme en vochtige grotlucht mist ontstaat. Animal troglophile: Trogloxène. Puinverstopping. in soortgelijke milieus. Troglobiont of echte grotbewoner. (> <Artificiel). ouderwetse afdaler die bovenaan een put werd opgesteld. Techniek voor het passeren van een afgrond via een of twee horizontaal gespannen koorden. Escalade en varappe: Vrijklimmen langs een rotswand. 1. Animal troglobie: Troglophile. Ronde of ovale gang. Dal dat is ontstaan na het instorten van een grotsysteem. Relatief kleine ingang van een grot. Partie vadose d'un reseau souterrain: Dat deel van een grotsysteem dat boven de verzadigde zone ligt en waar het water in contact met de lucht stroomt. Grote. Dier dat zijn gehele leven in grotten of karstspleten doorbrengt en optimaal aan dit milieu is aangepast. Afzetting van calciet of aragoniet door het ontwijken van koolzuurgas uit kalkrijk oppervlaktewater. Trogloxeen of grotgast. Troglofiel of grotliefhebber. Klitband. Troglofielen bezitten geen bijzondere aanpassingen aan het grotleven. Kleine opening met een sterke luchtstroom. Animal trogloxène: Trottoir: Trou: Trou fumant: Trou souffleur : Tube: Tyrolienne: Vadose: Vague d'érosion: Vallée d'effondrement: Varappe: Velcro: Vire: Voûte: Voûte mouillante: Travertijn. maar ook buiten. Duck. Gewelf. opening. Vadoos (> <Phréatique). .Travertin: Trémie: Treuil: Troglobie. Gat. plafond. lngestort deel van een gang dat door het puin van vloer tot plafond afgesloten is. Dier dat zijn gehele leven in grotten of karstspleten doorbrengt. 2. kan leven. Erosiegolven. gevormd op het oppervlak van een meertje en vastgehecht aan een verticale wand. Horizontale concretie. instortingskegel. lnstortingsdal. Dier dat toevallig in een grot terechtgekomen is of daarin slechts een deel van zijn leven doorbrengt. Serie van corrosieholtes in een kalkwand ontstaan door turbulent stromend water. Zeer korte sifon.