Lineaire algebra en analytische meetkunde

John Val
November 20, 2011
Inhoud
1 Inleiding 1
2 co¨ordinaten in R
2
2
2.1 co¨ ordinatenstelsel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2
2.2 Punt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2
2.3 Vector en vectorruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3
2.4 Lijn . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8
2.5 Snijdende lijnen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12
2.6 Inproduct . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
2.7 Normaalvector van een lijn . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19
2.8 Afstanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23
2.9 Arbeid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 27
3 co¨ordinaten in R
3
en hoger 29
3.1 De voorstelling van een lijn in R
n
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30
3.2 Twee lijnen in R
n
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
3.3 Vlakken in R
3
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
3.4 Vectorvoorstelling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34
3.5 Inproduct, uitproduct en vergelijking voor vlak . . . . . . . . . . . . 36
3.6 snijpunt lijn en vlak in R
3
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 40
i
3.7 Snijlijn twee vlakken in R
3
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44
3.8 Hoeken in 3D . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48
3.9 Afstanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
4 Transformaties: bewerkingen op vectoren 60
4.1 Lineaire transformaties en matrices . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60
4.2 Eigenschappen van een lineaire transformatie: eigenwaarde, eigenvec-
tor en eigenruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71
4.3 Praktische betekenis van eigenwaarden en eigenvectoren . . . . . . . . 87
5 Projectieve meetkunde 96
5.1 Schaduw in 3D . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98
5.2 Tekenen in perspectief . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100
5.3 Rekenen in perspectief . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102
ii
Inhoud
1 Inleiding
De lineaire algebra houdt zich bezig met rekenen aan systemen waarin de variabelen
alleen tot de eerste macht voorkomen. Meetkundig gezien gaat het dan onder andere
over het rekenen met punten, lijnen en vlakken. Je berekent dan snijpunten door het
oplossen van lineaire vergelijkingen. In de analytische meetkunde komt daar nog bij
het bepalen van snijlijnen, hoeken en lengten. Eerst zullen we een aantal bekende
begrippen voor het platte vlak herhalen. Daarna doen we het dunnetjes over in drie
dimensies en hoger.
Vervolgens beschouwen de menselijke waarneming van de ruimte het zogenoemde
perspectief. Echt evenwijdige lijnen zoals bijvoorbeeld een recht stuk treinspoor
neemt ons brein waar als een steeds smaller wordend terwijl de trein er toch echt
overal overal over kan rijden. De wiskunde heeft ook gereedschap ontwikkeld om
hier aan te kunnen rekenen.
Als laatste bekijken we ook niet lineaire verbanden zoals cirkels, parabolen en
hyperbolen die allen een kegelsnede zijn. Termen als raaklijnen en poollijnen worden
behandeld.
1
2 co¨ ordinaten in R
2
2.1 co¨ ordinatenstelsel
In een vlak kunnen we een assenstelsel kiezen. Gewoonlijk wordt een assenstelsel
gekozen waarin de y-as (verticaal) loodrecht op de x-as (horizontaal) wordt gezet.
Het snijpunt van de twee assen noemt men de oorsprong. Op iedere as wordt vervol-
gens een lengte-eenheid gekozen. Een assenstelsel voorzien van eenheden noemt men
een co¨ordinatenstelsel. Staan de assen bovendien loodrecht op elkaar dan noemen
we een dergelijk assenstelsel een cartesisch-assenstelsel. Als bovendien de lengte van
de eenheden gelijk zijn aan ´e´en dan spreekt men van een orthonormaal-assenstelsel.
Figure 1: applets
−1 −0.5 0.5 1 1.5 2 2.5 3 3.5
x
−1
−0.5
0.5
1
1.5
2
2.5
3
3.5
y
0
¯ u = ¯ v + ¯ w =
_
1.5
1.5
_
¯ v =
_
1
0.5
_
¯ w =
_
0.5
1
_
x en y coordinaat van ¯ v
O
v
x
= 1 v
y
= 0.5
−1 1 2 3 4 5
−1
1
2
3
4
5
0
v =
_
∆x
∆y
_
=
_
2
3
_
∆x
∆y
|v| =
_
∆x
2
+ ∆y
2
=

2
2
+ 3
2
=

13
O V
x
V
y
vectoren optellen Open
geogebra/vectoroptellen.ggb
vector en lengte Open
geogebra/assenstelsel2d.ggb
2.2 Punt
Een punt P wordt gedefini¨eerd als een paar getallen (x, y) in het co¨ ordinatenstelsel.
Dit punt bereik je op door vanuit de oorsprong x eenheden over de x-as te bewegen
en vervolgens y eenheden parallel aan de y-as te bewegen.
2
2.3 Vector en vectorruimte
Een vector v wordt gedefini¨eerd als een paar getallen (∆x, ∆y).
Notatie v =
_
∆x
∆y
_
Een vector geeft een verplaatsing aan van een punt A naar een punt B. Zonder
gegeven beginpunt wordt een vector getekend als een pijl vanuit de oorsprong naar
het punt (∆x, ∆y). De vector

AB van een punt A = (x
A
, y
A
) naar B = (x
B
, y
B
)
wordt gegeven door:

AB =
_
∆x
∆y
_
=
_
x
B
−x
A
y
B
−y
A
_
Voorbeeld
Gegeven twee punten A = (1, 2) en B = (3, 1) dan is de vector van A naar B:

AB =
_
3 −1
1 −2
_
=
_
2
−1
_
In de lineaire algebra komt het vaak voor dat een punt ook als vector wordt gegeven.
Men bedoelt dan dat de vector
_
(
_
a
b) met beginpunt in de oorsprong als eindpunt het punt (a, b) heeft. De co¨ ordinaten
zijn voor beiden het zelfde. In deze text zal dat ook regelmatig gebeuren. Echter een
vector geeft in principe een verplaatsing weer terwijl een punt een statisch begrip is.
Als je een vector ziet als proces dat is geweest dan is het proces op het eindpunt van
de vector aangekomen. In het rekenen met co¨ ordinaten is er voor beide begrippen
geen verschil en is het gemakkelijker om de begrippen als elkaars gelijke te hanteren.
2.3.1 optellen vectoren
Gegeven zijn de punten A = (1, 2), B = (3, 1) en C = (4, 4). Teken deze punten in
geogebra en bepaal de vectoren

AB,

BC en

AC. Teken ook deze vectoren. Wat is
de relatie tussen

AB,

BC en

AC?
De som van twee vectoren v =
_
v
x
v
y
_
en u =
_
u
x
u
y
_
is gedefini¨eerd als
v +u =
_
v
x
v
y
_
+
_
u
x
u
y
_
=
_
v
x
+ u
x
v
y
+ u
y
_
. (1)
3
Meetkundig gezien is een vector optelling het plakken van een vector aan een andere
volgens de kop staart methode.
Voorbeeld
Gegeven : v =
_
2
3
_
en u =
_
−1
3
_
dan is v +u =
_
2
3
_
+
_
−1
3
_
=
_
1
6
_
Opgaven:
1. Gegeven: v =
_
−1
8
_
, u =
_
5
−4
_
en w =
_
2
1
2
−2
1
2
_
. Bereken u +v, w +v,
u +v + w (antwoord op http://www.wolframalpha.com)
2. Bewijs de commutatieve eigenschap:Gegeven de vectoren u, v dan is u+v =
v +u.
3. Bewijs de associatieve eigenschap: Gegeven de vectoren u, v, w dan is
(u +v) + w = u + (v + w).
4. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
2.3.2 scalaire vermenigvuldiging vectoren
Opdracht: Gegeven is het punt A = (1, 2) en de vectoren v =
_
1
2
_
en u =
_
4
8
_
.
Bereken A +v +v +v +v en A +u. Wat is de relatie tussen u en v?
Het product van een vector met v een getal a ofwel scalaire vermenigvuldiging
is gedefini¨eerd als
a · v = a
_
v
x
v
y
_
=
_
av
x
av
y
_
Voorbeeld
Gegegeven : v =
_
2
3
_
en a = 2 dan is av = 2
_
2
3
_
=
_
4
6
_
4
Opgaven:
5. Gegeven: u =
_
−1
4
_
, v =
_
1
1
2
−2
1
3
_
. Bereken 2u, 3v, −1u +v, 2u + 2v.
6. Bewijs de identiteit eigenschap: 1 · u = u .
7. Bewijs de distributieve eigenschap: Gegeven de vectoren u, v en getal a dan
is a(u +v) = au + av.
8. Bewijs de commutatieve eigenschap (a · b)u = a(bu) voor willekeurige
getallen a en b.
9. Bewijs de inverse eigenschap optellen: Gegeven de vector u dan bestaat er
een inverse −u waarvoor geldt u −u =

0.
2.3.3 vectorruimte
Het optellen van vectoren samen met scalaire vermenigvuldiging lijken een ruimte
vast te leggen. Het wiskundige begrip vectorruimte wordt gebruikt om dit wiskundige
manier te beschrijven.
Een vectorruimte is een verzameling V van vectoren samen met de bewerkin-
gen optellen van vectoren samen en scalaire vermenigvuldiging die aan de volgende
condities voldoet.
• Als u en v in V zitten, dan zitten u +v en au dat ook voor ieder getal a.
• Er is een nul vector

0 zodanig dat u +

0 = u. Iedere u heeft een inverse
(tegengestelde) −u zodanig dat u −u =

0.
Opgaven:
10. Gegeven is het euclidische vlak met daarin de eenheidsvectoren x
1
=
_
1
0
_
en
y
1
=
_
0
1
_
.
Laat zien dat het euclidische vlak opgespannen door x
1
=
_
1
0
_
en y
1
=
_
0
1
_
een vectorruimte is.
11. Bewijs dat iedere willekeurige vector u in het euclidische vlak kan worden
geschreven als u = ax
1
+ by
1
.
5
12. Het euclidische vlak kunnen we ook opspannen met twee andere vectoren u
en v waarvoor geldt u = a · v. Laat w = au + bv. Gegeven: u =
_
2
4
_
en
v =
_
−1
1
_
.
Figure 2: vectorruimte Open geogebra/vectorruimte.ggb
−2 2 4 6 8
−2
2
4
6
0
0.5u
−1.2v
0.5u +−1.2v =
_
2.2
0.8
_
1.22u +−1.29v =
_
3.73
3.6
_
Sleep a of b om w een andere plaats te geven
Sleep Q om andere a en b te krijgen
u
v
a = 0.5
b = −1.2
w
Q
a Bepaal w voor a = 2 en b = 3.
b Gegeven is w =
_
3
1
2
1
5
6
_
. Bereken exact de waarden voor a en b zodat
w = au + bv.
c Toon aan dat iedere willekeurige vector w in het euclidische vlak kan worden
geschreven als w = au + bv.
2.3.4 lengte en afstand
Opdracht: Gegeven zijn de punten A = (3, 2) en B = (4, 6). Bepaal de lengte van
het lijnstuk AB.
In een orthonormaal-assenstelsel wordt de afstand tussen twee punten A = (x
A
, y
A
)
en B = (x
B
, y
B
) gedefini¨eerd als de lengte van de vector

AB van A naar B. De
lengte ofwel de norm van een vector v =
_
∆x
∆y
_
in een orthonormaal-assenstelsel
6
Figure 3: afstand tussen twee punten Open geogebra/afstandpuntpunt.ggb
−1 1 2 3 4 5 6
−1
1
2
3
4
5
0
Versleep de punten A of B
d(A, B) =
_
(5 −1)
2
+ (4 −1)
2
= 5
A
B
C
is gelijk aan:
|v| =
_
∆x
2
+ ∆y
2
. (2)
Noem het punt C = (x
B
, y
A
). Voor het bepalen van de lengte hebben we dus de
stelling van Pythagoras gebruikt in de rechthoekige driehoek ∆ACB,
Voorbeeld
Gegeven twee punten A = (1, 2) en B = (3, 1). Bereken de afstand van A naar B.
Oplossing: De vector van A naar B is:

AB =
_
3 −1
1 −2
_
=
_
2
−1
_
.
en de norm van deze vector
|

AB| =
_
2
2
+ (−1)
2
=

5.
Opgaven:
13. Bepaal de lengte van de vectoren: v =
_
−1
8
_
, u =
_
5
−4
_
en w =
_
2
1
2
−2
1
2
_
.
(antwoord op http://www.wolframalpha.com)
7
14. Bepaal de lengten van de zijden van de driehoek ∆ABC met punten A = (3, 4),
B = (1, 2) en C = (−2, 3)
15. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
2.4 Lijn
Opdracht: Teken de lijn y = 3x + 5. Gegeven zijn de vectoren s =
_
−1
2
_
en
r =
_
1
3
_
. Teken in dezelfde figuur de eindpunten van de vector p = s + a · r voor
a = −1, 0, 1, 2. Wat valt je op?
Een lijn l in een co¨ ordinatenstelsel is een rechte die door twee punten in het
co¨ ordinatenstelsel wordt vastgelegd. Het geeft een relatie aan tussen een waarde
op de x-as en een waarde op de y-as. De algebra¨ısche vorm van een lijn is een
vergelijking. Er zijn drie algebra¨ısche vormen die we hier tegelijkertijd zullen be-
handelen. De eerste daarvan komt je waarschijnlijk bekend voor:
l : y = ax + b. (3)
In deze vergelijking noemen we a de richtingsco¨efficient van de lijn l. De richt-
ingsco¨efficient geeft aan dat je bij een stap van ´e´en eenheid in de richting van de
x-as er a doet in de richting van de y-as. b is de y-co¨ ordinaat van het snijpunt van
de lijn met de y-as.
2.4.1 opstellen vergelijking van een lijn
Gegeven twee punten A = (x
A
, y
A
) en B = (x
B
, y
B
). Opdracht: Stel een vergelijking
op van de lijn l door A en B in de vorm y = ax + b.
1. Stap 1. Bepaal a.
De vector

AB van een punt A = (x
A
, y
A
) naar B = (x
B
, y
B
) wordt gegeven
door:

AB =
_
∆x
∆y
_
=
_
x
B
−x
A
y
B
−y
A
_
.
Deze vector geeft aan dat in ∆x in de richting van de x-as er ∆y in de richting
van de y-as worden gedaan. Per stap in de richting van de x-as zijn dat dus
∆y
∆x
stappen in de richting van de y-as. Dit geeft dat a =
∆y
∆x
.
8
2. De vergelijking wordt dan: y =
∆y
∆x
x + b
3. Stap 2. Bepaal b.
Zowel A als B liggen op de lijn. We hoeven nog maar ´e´en onbekende te bepalen
(b). Het invullen van een van de punten volstaat dan om b te bereken. Nemen
we A dan krijgen we:
y
A
=
∆y
∆x
x
A
+ b ⇒
b = y
A

∆y
∆x
x
A
De vergelijking voor l is dan:
l : y =
∆y
∆x
x + y
A

∆y
∆x
x
A
. (4)
Voorbeeld
Gegeven twee punten A = (1, 2) en B = (3, 1). Opdracht: Stel een vergelijking op
van de lijn l door A en B in de vorm y = ax + b. Oplossing: De vector van A naar
B is:

AB =
_
3 −1
1 −2
_
=
_
2
−1
_
.
De richtingsco¨efficient van l is a =
−1
2
.
Wat leidt tot l : y = −
1
2
x + b. In vullen A = (1, 2) geeft:
2 = −
1
2
· 1 + b ⇒
b = 2
1
2
De gevraagde lijn is dan y = −
1
2
x + 2
1
2
.
Tweede vorm
De tweede vorm is slechts een herschikking van de bovenstaande vorm (3) namelijk
l : ax + by = c (5)
9
Deze vorm heeft het grote voordeel dat ook verticale lijnen waarvan de richtingsco¨efficient
∞ is eenvoudig kan worden weergegeven. Beschouw de vorm
l : y =
∆y
∆x
x + e.
Links en rechts vermenigvuldigen met ∆x levert:
l : ∆x · y = ∆y · x + ∆x · e.
Herschrijven levert dan:
l : −∆y · x + ∆x · y = ∆x · e.
Definieer nu a = −∆y, b = ∆x en c = ∆xe dan krijgen we de vorm in vergelijking
5. Deze vorm noemen we ook de vergelijking van een lijn.
Figure 4: vector voorstelling lijn Open geogebra/vectorvoorstelling.ggb
−1−0.5 0.5 1 1.5 2 2.5 3 3.5 4 4.5
x
−1
−0.5
0.5
1
1.5
2
2.5
3
3.5
4
4.5
y
0
¯ u = ¯ w + 2¯ v =
_
2.5
2
_
¯ v =
_
1
0.5
_
¯ w =
_
0.5
1
_
λ¯ v
O
λ = 2
p : −0.5x +y = 0.75
p : ¯ u = ¯ w +λ¯ v
Derde vorm
De laatste vorm is de vectorvoorstelling van een lijn. In deze voorstelling nemen
we een punt S op de lijn en beschouwen de vector s van uit de oorsprong naar
dit punt. Deze vector noemen we een steunvector van de lijn. Verder is er een
richting die wordt gegeven door de vector r =
_
∆x
∆y
_
. Deze noemen we de richt-
ingsvector. Een vector vanuit de oorsprong p wijzend naar ander punt P op de lijn
10
verkrijgen we door de vector optelling te doen van de steun vector s en een bepaald
aantal(λ) keer de richtingsvector r.
l : p = s + λr. (6)
Voorbeeld
Gegeven zijn weer de twee punten A = (1, 2) en B = (3, 1). Opdracht: Stel een
vectorvoorstelling op van de lijn l door A en B in de vorm l : p = s + λr.
Oplossing: Als steunvector kiezen we bijvoorbeeld de vector wijzend naar punt A.
s =
_
1
2
_
. Als richtingsvector kiezen we de vector r =

AB =
_
3 −1
1 −2
_
=
_
2
−1
_
die we al eerder hebben gezien. De vector voorstelling van de lijn door A en B is
dan:
l : p =
_
1
2
_
+ λ
_
2
−1
_
.
Opgaven:
16. Bewijs de volgende uitspraak: Een lijn k : ex + fy = g heeft de zelfde richting
als l : ax + by = c wanneer
e
f
=
a
b
17. Gegeven is de driehoek ∆ABC met punten A = (3, 4), B = (1, 4) en C =
(−2, 3). Geef vergelijkingen voor de zijden AB,AC en BC van de driehoek in
de vormen: ax + by = c en p = s + λr
18. Teken de lijnen l : −3x + y = 5, m : x + y = 1, n : x + y = 0, s : p =
_
1
2
_
+ λ
_
2
−1
_
,t : p =
_
−1
−2
_
+ λ
_
3
2
_
.
19. Welke van de volgende lijnen zijn evenwijdig? l : −2x+y = 5, m : −4x+2y = 1,
n : x + y = 0, s : p =
_
1
2
_
+ λ
_
1
−1
_
,t : p =
_
−2
2
_
+ λ
_
−2
2
_
. en
u : p =
_
1
2
_
+ λ
_
3
6
_
.
20. Waarom zijn s : p =
_
1
2
_
+ λ
_
1
−1
_
, t : p =
_
1
2
_
+ µ
_
−2
2
_
. voorstel-
lingen van dezelfde lijn?
21. Waarom zijn l : −2x+y = 5 en m : 4x−2y = −10 vergelijkingen voor dezelfde
lijn?
11
22. Stel een vergelijking op voor de lijn m evenwijdig aan de lijn l : 2x + 3y = 4
die door het punt A(−1, 8) gaat. Geef zowel een vergelijking en een vector-
voorstelling.
23. Bewijs: Een lijn die in het euclidische vlak ligt en door de oorsprong gaat is
een vectorruimte, een lijn die niet door de oorsprong gaat is dat niet.
24. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
2.5 Snijdende lijnen
Lijnen in het ”euclidische” vlak kunnen samenvallen, evenwijdig zijn of snijden. Als
twee lijnen snijden dan is er een snijpunt. De co¨ordinaten van dit snijpunt moet
worden opgelost uit de twee vergelijkingen van de lijnen. De twee lijnen kunnen
door een combinatie van de verschijningsvormen 3, 5 en 6 worden gegeven. We
presenteren de oplossingen per combinatie aan de hand van iedere keer het zelfde
voorbeeld.
_
l : y =
3
4
x + 4
m : y =
1
4
x −1
Gelijkstellen van de vergelijkingen
voor l en m.
3
4
x + 4 =
1
4
x −1 ⇒
1
2
x = −5 ⇒
x = −10 ⇒
y =
1
4
· −10 −1 = −3
1
2
_
l : −3x + 4y = 16
m : −x + 4y = −4
Oplossing: Onderste vergelijking van
de bovenste aftrekken levert
_
−3x + 4y = 16
−2x = 20
Uit de onderste vergelijking volgt weer
x = −10. In vullen in de bovenste vergelijking
geeft −3 · −10 + 4y = 16 ⇒y = −3
1
2
12
_
¸
¸
_
¸
¸
_
l : P =
_
0
4
_

_
4
3
_
m : Q =
_
0
−1
_

_
4
1
_
P moet gelijk worden aan Q. Dus
_
0
4
_
+ λ
_
4
3
_
=
_
0
−1
_
+ µ
_
4
1
_
Opstellen van een stelsel vergelijkingen
voor de x-co¨ ordinaat en de y-co¨ ordinaat
van de snijpunten:
_
0 + 4λ = 0 + 4µ
4 + 3λ = −1 + µ
We moeten nu een λ en µ vinden die aan
dit stelsel voldoet zoals we dat hebben
gedaan in het voorbeeld hierboven.
_
λ = µ
4 + 3λ = −1 +λ

_
λ = µ
2λ = −5

λ = µ = −
5
2
Nu λ of µ invullen in de vergelijkingen
levert:
_
0
4
_

5
2
_
0
4
_
=
_
0
−1
_

5
2
_
4
1
_
=
_
−10
−3
1
2
_
_
_
_
l : P =
_
0
4
_

_
4
3
_
m : −x + 4y = −4
Oplossing: P =
_
x
y
_
=
_
0
4
_
+ λ
_
4
3
_
Ofwel: P =
_
x = 0 + 4λ
y = 4 + 3λ
Substitutie van x en y in de vergelijking
voor m levert:−(4λ) + 4(4 + 3λ) = −4 ⇒
8λ = −20 ⇒λ = −
5
2
Invullen λ levert: P =
_
−10
−3
1
2
λ
_
13
Opgaven:
25. Bepaal de snijpunten van de volgende lijnen: l : 2x −3y = 6, m : y = −4x + 8
26. Bepaal de snijpunten van de volgende lijnen: l : 2x −3y = 6, m : 6x + y = 9
27. Bepaal de snijpunten van de volgende lijnen: l : P =
_
1
1
_
+ λ
_
1
6
_
, m :
6x + y = 9
28. Bepaal de snijpunten van de volgende lijnen: l : P =
_
0
1
_
+ λ
_
2
−3
_
,
m : Q =
_
1
0
_
+ µ
_
3
2
_
29. Bepaal de snijpunten van de volgende lijnen: l : P =
_
6
4
_
+ λ
_
1
−3
_
,
m : Q =
_
2
1
_
+ µ
_
3
2
_
30. Voor welke p en q snijden de lijnen : l : P =
_
6
p
_
+ λ
_
1
1
_
, m : Q =
_
q
1
_
+ µ
_
−1
2
_
elkaar in het punt (0, −1)
31. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
14
2.6 Inproduct
In deze sectie behandelen we het inproduct van twee vectoren u en v. In de lineaire
algebra en analytische meetkunde wordt het inproduct veel gebruikt. Veel reken-
werk wordt eenvoudiger als de rekenregels van het inproduct worden ingezet. Het
is echter wel even wennen aan dit nieuwe concept. Laat je er echter niet door ont-
moedigen. We geven toepassingen van het inproduct zowel in de wiskunde als in de
natuurkunde.
Het inproduct (ook wel inwendig product of dot product (Engels)) van twee vec-
toren u =
_
_
u
x
.
.
.
u
y
_
_
en v =
_
_
v
x
.
.
.
v
y
_
_
in R
n
wordt gedefini´eerd als
< u, v >= u · v = u
x
· v
x
+· · · + u
y
· v
y
(7)
Opgaven:
32. Bewijs met behulp van definitie 7 de volgende eigenschappen van het inproduct:
< u, v + w > = < u, v > + < u, w > (8)
< u, a · v > = a· < u, v > (9)
< u, v > = < v, u > (10)
< u, u > = |u|
2
(11)
Stelling: In een orthonormaal-assenstelsel is het inproduct ook gelijk aan:
< u, v >= u · v = |u||v| cos(θ) (12)
Hierin is |x| de norm (=lengte) van de vector x. En θ de kleinste hoek tussen de
twee vectoren. In de applets hieronder kun je in de bovenste een gevoel voor het
inproduct krijgen. Daaronder staan twee bewijzen van de stelling. Leer de bovenste
van die twee uit je hoofd.
15
|u| =

3
2
+ 4
2
= 5
|v| =

2
2
+ 0
2
= 2
u · v = 3 · 2 + 4 · 0 = 6
θ = cos
−1
_
u·v
|u||v|
_
= 0.93rad
A = (0, 0)
B = (3, 4)
u
C = (2, 0)
v
θ = 0.93rad
In de applet ( Open geoge-
bra/inproduct.ggb ) links zie je
een tekening van twee vectoren.
Versleep het punt B of C en bekijk
de waarde van het inproduct.
Sleep het punt B naar de co¨ ordinaten
(0, 5). Wat neem je waar?
Verplaats het punt B naar het punt
C. Wat kun je zeggen over de uit-
spraak
< u, u >= |u|
2
?
1 2 3
x
−1
1
2
3
4
y
0
u
v
α
A
B
w
O
16
Bewijs met de eigenschappen
van het inproduct 8-11. In
de applet links ( Open geoge-
bra/bewijsinproduct2.ggb ) is de
driehoek ∆OAB getekend. In deze
driehoek geldt de cosinus regel
AB
2
= OA
2
+OB
2
−2OA·OBcos(α)(13)
Nu is OA = |u|, OB = |v| en AB =
|

AB| = |u − v|. Maken we gebruik
van (11) dan is (13) te schrijven als.
< u−v, u−v >=< u, u > + < v, v > −2|u||v| cos(α) ⇒
< u −v, u > − < u −v, v >=
< u, u > + < v, v > −2|u||v| cos(α) ⇒
< u, u > −2 < u, v > + < v, v >=
< u, u > + < v, v > −2|u||v| cos(α) ⇒
−2 < u, v >= −2|u||v| cos(α) ⇒
< u, v >= |u||v| cos(α) ⇒
17
−1 1 2 3 4
x
−1
1
2
3
4
y
0
u
v
α
β
A
B
v
1
u
1
e
2
u
2
v
2
Bewijs voor R
2
: In de applet links (
Open geogebra/bewijsinproduct.ggb
) zijn de vectoren u en v getekend en
is α de hoek tussen die twee vectoren.
Stel dat β de hoek is die v maakt
met de positieve x-as. Dan is v
1
=
|v| cos(β) en v
2
= |v| sin(β).
De hoek die u met de positieve x-
as maakt is α + β, en dus is u
1
=
|u| cos(α + β) en u
2
= |u| sin(α + β).
Dit geeft
< u, v > = |v| cos(β)|u| cos(α + β)
+|v| sin(β)|u| sin(α + β)
= |v||u| (cos(β) cos(α + β)
+ sin(β) sin(α + β))
= |v||u| cos(β −(α + β))
= |v||u| cos(−α)
= |v||u| cos(α)
Voorbeelden:
• Stel u =
_
3
4
_
, |v| = 4 en θ = π/6 dan is het inproduct u · v =

3
2
+ 4
2
· 4 ·
cos(π/6) = 5 · 4 · 1/2 = 10
• Bepaal de hoek tussen de twee vectoren u =
_
5
12
_
en v =
_
24
10
_
in graden
nauwkeurig.
Oplossing: < u, v >= 5 · 24 + 10 · 12 = 240. |u| =

25 + 144 = 13, |v| =

100 + 576 = 26.
< u, v >= 13 · 26 cos(θ) ⇒240 = 13 · 26 cos(θ) ⇒
240
13·26
= cos(θ) ⇒θ = cos
−1
(
120
13·13
) ≈ 45

.
Opgaven:
33. Bepaal de hoek tussen de twee vectoren u =
_
1
2
_
en v =
_
2
1
_
in graden
nauwkeurig.
18
34. Bepaal de hoek tussen de twee vectoren q =
_
4
0
_
en p =
_
2
1
_
in graden
nauwkeurig.
35. Bepaal de hoek tussen de twee vectoren r =
_
−4
1
_
en s =
_
1
4
_
.
36. Bepaal de hoek tussen de twee vectoren u =
_
150
1000
_
en v =
_
−1000
150
_
.
37. Wanneer staan twee vectoren u =
_
a
b
_
en v =
_
c
d
_
loodrecht op elkaar?
38. Bepaal de hoek tussen de lijnen l : P =
_
−4
1
_
+ λ
_
1
1
_
en m : Q = P =
_
0
1
_
+ µ
_
1
4
_
in graden nauwkeurig.
39. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
2.7 Normaalvector van een lijn
Een eerste toepassing van het inproduct is het opstellen van een lijn gegeven twee
punt A en B. We beginnen eerste met het meest eenvoudige geval, een lijn door de
oorsprong. Dus A = (0, 0) en B = (x
B
, y
B
).
Een vergelijking van de lijn is l : y =
y
B
x
B
x ofwel l : −y
B
· x + x
B
· y = 0.
De richtingsvector van deze lijn is r
l
=
_
x
B
y
B
_
. Defini´eren we nu n
l
=
_
−y
B
x
B
_
ofwel we schrijven de co¨efficienten uit de tweede vergelijking ook als een vector dan
is dus het inproduct < r
l
, n
l
>= 0 en dus cos(∠( r
l
, n
l
)) = 0. De twee vectoren staan
dus loodrecht op elkaar. Een vector die loodrecht op een lijn staat noemt men een
normaalvector van die lijn.
Omdat een vector

X =
_
x
y
_
vanuit de oorsprong naar punt X op de lijn l door de
oorsprong altijd een richtingsvector is van de lijn l staat de vector

X ook loodrecht
op de normaalvector n
l
.
<

X, n
l
>= 0 ⇒−y
B
· x + x
B
· y = 0
19
Een vergelijking van een lijn door de oorsprong gegeven een normaalvector n
l
kan
dus worden geschreven als:
l :<

X, n
l
>= 0 (14)
Als de lijn niet door de oorsprong gaat dan krijgen we het volgende te zien: Laat
A = (x
A
, y
A
) en B = (x
B
, y
B
). Dan hebben we volgens vergelijking (4)
l : y =
∆y
∆x
x + y
A

∆y
∆x
x
A
.
ofwel
l : −∆y · x + ∆x · y = −∆y · x
A
+ ∆x · y
A
. ⇔
l :<
_
x
y
_
,
_
−∆y
∆x
_
>=<
_
x
A
y
A
_
,
_
−∆y
∆x
_
>
De richtingsvector van deze lijn is r
l
=
_
x
B
−x
A
y
B
−y
A
_
=
_
∆x
∆y
_
. Defini¨eren
we weer n
l
=
_
−∆y
∆x
_
. Dan is het inproduct < r
l
, n
l
>= 0 waaruit volgt dat
cos(∠( r
l
, n
l
)) = 0. De vectoren r
l
en n
l
staan dus loodrecht op elkaar staan. Boven-
staande vergelijking kan nu worden herschreven tot:
l :<

X, n
l
>=<

A, n
l
>
De constanten in vergelijking (5) l : ax+by = c kunnen we nu bepalen met behulp
van de normaal vector en een punt.
Voorbeeld
Gegeven zijn de punten A(1, 3) en B(2, 5). Bepaal een vergelijking van de lijn l door
A en B in de vorm ax + by = e.
Oplossing: r
l
=
_
1
2
_
. Een normaalvector van de lijn n
l
=
_
−2
1
_
. De vergelijk-
ing van de lijn wordt nu:
l : −2x + y =< n
l
,

A >⇒−2x + y = −2 · 1 + 1 · 3 ⇒l : −2x + y = 1.
Controleer dat ook B aan deze vergelijking voldoet.
20
De vergelijking van een lijn in R
2
kan nu ook volledig als inproduct worden gedefinieerd.
Gegeven de punten A en B Laat

X =
_
x
y
_
en n =
_
−(y
B
−y
A
)
x
B
−x
A
_
, dan is de
vergelijking van de lijn gelijk aan:
l :< n,

X >=< n,

A > (15)
Voorbeelden
• Gegeven is de lijn l : P =
_
1
2
_
+ λ
_
4
−1
_
= s + λr
l
. Geef een vergelijking
van de lijn in de vorm l : ax + by = c. Oplossing: Een normaalvector van de
lijn is n
l
=
_
1
4
_
. De vergelijking krijgen we dan eenvoudig via het inproduct
l :< n
l
,

X >=< n
l
, s > ofwel
l :<
_
1
4
_
,
_
x
y
_
>=<
_
1
4
_
,
_
1
2
_
>
l : x + 4y = 9
• Gegeven is de lijn l : x + 4y = 9. Geef een vectorvoorstelling van de lijn.
Oplossing: De normaalvector van de lijn is n
l
=
_
1
4
_
. Een richtingsvector
van de lijn is dan r
l
=
_
4
−1
_
. Een steun vector krijgen we door een x en y
te kiezen die aan de vergelijking voldoen. Kiezen we y = 0 dan is x = 9 Een
vectorvoorstelling van de lijn is dan
l =
_
0
9
_
+ λ
_
4
−1
_
Met behulp van het inproduct is het ook mogelijk om een snijpunt van twee lijnen
te berekenen als ´e´en van de lijnen als vectorvoorstelling is gegeven en de andere als
vergelijking. Laat l : ax + by = c ofwel l :< n
l
,

X >= c en m : P = s
m
+ λr
m
. Voor
snijpunt S geldt nu: < n
l
,

S >= c en S = s + λr
l
voor een zekere λ.
Invullen levert:
< n
l
, s
m
+ λr
m
>= c
21
Gebruiken we de rekenregels voor het inproduct dan kunnen we deze vergelijking
herschrijven tot
< n
l
, s
m
> +λ < n
l
, r
m
>= c ⇒
λ =
c− < n
l
, s
m
>
< n
l
, r
m
>
(16)
Het invullen van deze waarde voor λ in de vectorvoorstelling van m levert het
gevraagde snijpunt.
Voorbeeld
• Gegeven is de lijn l : 2x − 3y = 1 en de lijn m : P =
_
1
−2
_
+ λ
_
−1
4
_
=
s + λr
l
.
Bereken de co¨ordinaten van het snijpunt S van l en m.
Oplossing: n
l
=
_
2
−3
_
, s
m
=
_
1
−2
_
, r
m
=
_
−1
4
_
.
Invullen in λ =
c−<n
l
,s
m
>
<n
l
,r
m
>
levert:
λ =
1− <
_
2
−3
_
,
_
1
−2
_
>
<
_
2
−3
_
,
_
−1
4
_
>
=
1 −(2 + 6)
−2 −12
=
1
2
.
Het snijpunt S is nu S =
_
1
−2
_
+
1
2
_
−1
4
_
=
_
1
2
0
_
. Controle door invullen
in de vergelijking van l geeft 2 ·
1
2
−3 · 0 = 1. Dit klopt dus de berekening was
goed.
Opgaven:
40. Gegeven is de lijn l =
_
−1
3
_
+ λ
_
1
1
_
. Geef een vergelijking van de lijn in
de vorm l : ax + by = c.
41. Gegeven is de lijn l =
_
1
0
_

_
0
1
_
. Geef een vergelijking van de lijn in de
vorm l : ax + by = c.
22
42. Gegeven is de lijn l : 2x + 4y = 8. Geef een vectorvoorstelling van de lijn.
43. Gegeven is de lijn l : −x + y = 10. Geef een vectorvoorstelling van de lijn.
44. Gegeven is de lijn l : −x+y = 10 en de lijn m : P =
_
−2
−3
_

_
1
6
_
Bereken
de co¨ordinaten van het snijpunt S van l en m.
45. Gegeven is de lijn k : 2x + 4y = 8 en de lijn n : Q =
_
1
−1
_
+ µ
_
−2
6
_
Bereken de co¨ordinaten van het snijpunt S van k en n.
46. Gegeven is een driehoek ∆ABC.
Bewijs de stelling: De hoogtelijnen van een driehoek gaan door 1 punt.
47. Gegeven is een driehoek ∆ABC.
Bewijs de stelling: De zwaartelijnen van een driehoek gaan door 1 punt.
48. Gegeven is een driehoek ∆ABC.
Bewijs de stelling: De middelloodlijnen van een driehoek gaan door 1 punt.
49. Gegeven is een driehoek ∆ABC met S
h
het snijpunt van de hoogtelijnen, S
z
het snijpunt van de zwaartelijnen en S
b
het snijpunt van de middelloodlijnen.
Bewijs de stelling: S
h
, S
z
en S
b
liggen op ´e´en lijn.
50. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
2.8 Afstanden
2.8.1 afstand tussen twee punten
In sectie 2.3.4 is de afstand d(A, B) tussen twee punten A en B in een orthonormaal-
assenstelsel gedefinieerd als de lengte van de vector van A naar B:
|v
AB
| = |

B −

A| =
_
∆x
2
+ ∆y
2
=
_
<

B −

A,

B −

A >. (17)
2.8.2 afstand tussen een lijn en een punt
Opdracht: Gegeven is de lijn l : −x + y = 1 en het punt A(0, 2). Bereken exact de
kortste afstand van A naar de lijn. Hint: maak een tekening.
Zou je recept ook snel werken voor de lijn l : −3x + 19y = 9 en het punt A(
1
3
,
7
19
)
23
Naast de afstand tussen twee punten is er in de lineaire algebra ook de afstand
tussen een punt en een lijn. De afstand d(P, l) tussen een punt P en een lijn l is
gedefinieerd als de kortste weg van een punt naar de lijn. De kortste weg is over de
loodlijn op de lijn l door het punt P. (Bewijs dit).
Hier zullen we een formule afleiden waarmee snel de afstand van een punt tot een
lijn kan worden berekend. Het begrip van de afleiding is belangrijker dan het kunnen
toepassen. We zullen gebruik gaan maken van de inproduct notatie van een lijn,
de normaalvector en een vectorvoorstelling van een lijn. Laat de lijn l gegeven zijn
door de vergelijking
l :< n
l
, x >= c,
waarin n
l
de normaalvector van lijn l. De normaalvector staat loodrecht op de lijn l
en is dus de richtingsvector voor de loodlijn m op l. Op m moet het punt P liggen.
Een vectorvoorstelling voor m is dan:
m :

Q =

P + λn
l
.
De afstand van P tot l is gelijk aan de afstand tussen P en het snijpunt S van de
lijnen l en m. Om het snijpunt te vinden bepalen we λ door formule 16 te gebruiken
λ =
c− < n
l
,

P >
< n
l
, n
l
>
(18)
Het punt snijpunt S wordt dan:

S =

P +
c− < n
l
,

P >
< n
l
, n
l
>
n
l
(19)
De afstand d(P, l) is gelijk aan de afstand d(P, S):
d(P, S) = |

S−

P| = |
c− < n
l
,

P >
< n
l
, n
l
>
n
l
| = |
c− < n
l
,

P >
< n
l
, n
l
>
|·|n
l
| =
|c− < n
l
,

P > |
|n
l
|
(20)
Voorbeeld
• Gegeven is de lijn l : −3x + 19y = 9 en het punt A(
1
3
,
7
19
) bereken de afstand
van A tot l.
Oplossing: d(A, l) =
|9−(−3·
1
3
+19·
7
19
)|

(−3)
2
+(19)
2
=
|3|

270
=
1

30
=
1
30

30
24
• Gegeven is de lijn l : 3x +4y = 10 en het punt P(3, 5). Bereken de afstand van
P tot l.
Oplossing: d(P, l) =
|10−(3·3+4·5)|

3
2
+4
2
=
|−19|
5
= 3
4
5
• Gegeven zijn de lijnen l : x − 3y = 12 en m : 9x + 3y = 2. Stel vergelijkingen
op voor de bissectrices van de lijnen l en m Punten op de bissectrices van lijnen
hebben gelijke afstand tot beide lijnen. Open geogebra/opgave bissectrice.ggb
Oplossing:
|12−x+3y|

1+9
=
|2−9x−3y|

81+9

|12 −x + 3y| =

10
|2−9x−3y|

90
=
|2−9x−3y|
3

12 −x + 3y =
2
3
−3x −y of 12 −x + 3y = −
2
3
+ 3x + y ⇒
2x + 4y = −11
1
3
of −3x + 2y = −12
2
3
.
Opgaven:
Tip: Gebruik in deze opdrachten geogebra om onderzoek te doen.
51. Gegeven is de lijn l : x −4y = 2 en het punt P(1, 4). Bereken exact de afstand
van P tot l.
52. Gegeven is de lijn k : 12x − 9y = 12 en het punt Q(2, 0). Bereken exact de
afstand van Q tot k.
53. Gegeven is de lijn m : x = 2 en het punt P(3, 4). Bereken exact de afstand van
P tot m.
54. Gegeven is de driehoek ∆ABC met A =
_
3
4
_
, B =
_
7
7
_
en C =
_
1
1
_
.
(a) Bereken exact de lengte van de hoogtelijnen in de driehoek.
(b) Bewijs dat voor iedere driehoek ∆ABC geldt: De lengte l
hC
van de hoogtelijn
van uit C op AB is gegeven door de formule:
l
hC
=
| < n
AB
,

C −

A > |
|n
AB
|
(21)
Hierin is n
AB
de normaalvector van de zijde AB.
(c) Bereken exact de oppervlakte van de driehoek ∆ABC
(d) Bewijs dat voor iedere driehoek ∆ABC geldt: De oppervlakte O
ABC
van
een ∆ABC is gegeven door de formule:
O
ABC
=
| < n
AB
,

AC > |
2
(22)
25
Hierin is n
AB
=
_
y
B
−y
A
−(y
B
−y
A
)
_
de normaalvector van de zijde AB met
dezelfde lengte als

AB.
55. Gegeven zijn de lijnen l : x − 4y = 10, k : 4x + 4y = 10, m : x = 2. Bereken
exact de lengten van de hoogtelijnen in de driehoek die wordt gevormd door
de snijpunten van de drie lijnen. Bereken ook de hoeken van de driehoek in
graden nauwkeurig.
56. Gegeven is de lijn m :

P =
_
1
1
_

_
3
1
_
en het punt P(4, 6). Bereken exact
de afstand van P tot m.
57. Gegeven is de lijn n : 2x+3y = 1 en het punt P(a, 4). Bereken exact de waarde
van a waarvoor de afstand van P tot m gelijk is aan
5
13

13.
58. Gegeven is de lijn n : 2x+py = 2 en het punt P(1, 4). Bereken exact de waarde
van p waarvoor de afstand van P tot m gelijk is aan 2.
59. Bewijs: De oppervlakte van een vierhoek O
ABCD
is gegeven door de formule:
O
ABCD
=
| < n
AC
,

BD > |
2
(23)
60. Gegeven is de vierhoek ABCD met A =
_
1
1
_
, B =
_
1
3
_
, C =
_
3
3
_
en
D =
_
3
1
_
. Bereken met de formule uit de vorige opgave de oppervlakte van
de vierhoek. Bereken de oppervlakte ook op een andere manier.
61. Gegeven is de vierhoek ABCD met A =
_
1
1
_
, B =
_
3
3
_
, C =
_
4
−5
_
en D =
_
2
1
_
. Bereken exact de oppervlakte van de vierhoek. Open geoge-
bra/opgave vierhoek.ggb
62. Verzin een algoritme om voor een willekeurige vijfhoek ABCDE de oppervlakte
te berekenen. Kun je ook een formule leveren?
63. Gegeven zijn de lijnen l : 3x −4y = 12 en m : 4x −3y = 24. Stel vergelijkingen
op voor de bissectrices van de lijnen l en m Punten op de bissectrices van lijnen
hebben gelijke afstand tot beide lijnen. Open geogebra/opgave bissectrice.ggb
64. Gegeven zijn de lijnen l : x − 2y = 7 en m : 4x + 2y = 10. Stel vergelijkingen
op voor de bissectrices van de lijnen l en m.
26
65. Gegeven is een driehoek ∆ABC.
Bewijs de stelling: De bissectrices van een driehoek gaan door 1 punt.
66. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
2.9 Arbeid
Een voorbeeld uit de natuurkunde is het begrip arbeid in de klassieke mechanica.
De hoeveelheid arbeid die door een kracht F over een afstand s op een deeltje/voorwerp
wordt verricht is gegeven door de formule W = F · s. Een voorwaarde voor deze
formule is dat F en s in dezelfde richting wijzen. Dit is echter niet altijd het geval.
Om de arbeid op het voorwerp voor een willekeurig gerichte kracht

F over een af-
stand s te berekenen moet

F dus worden ontbonden in een kracht langs s en een
kracht loodrecht op s.
Figure 5: Arbeid Open geogebra/arbeid.ggb
−1 1 2 3 4 5 6 7
−1
1
2
3
4
5
0
F =
_
−1.5
1
_
W =<

F, s >= −1.5 · 4 + 1 · 2 = −4
|

F| = 1.8
s =
_
4
2
_
|s| = 4.47
W = |

F| · |s| · cos α = 1.8 · 4.47 · −0.5 = −4
A
B
α
Opdracht: Toon aan dat de component langs s aan lengte gelijk is aan |

F| · cos α,
waarin α de hoek tussen s en F en dat W = |s||

F| cos α
De formule voor de arbeid gevonden in de opdracht is gelijk aan stelling 12 van het
inproduct. De arbeid is dus ook gelijk aan
W =< s,

F > . (24)
De ontbinding van de kracht is dus niet nodig als je de co¨ ordinaten van de krachtvec-
tor en verplaatsingsvector kent.
27
Opgaven
67. Gegeven is de kracht

F :
_
1
3
_
. Een voorwerp dat beweegt van A(4, 6) naar
B(1, 2) ondervindt deze kracht. Bereken de arbeid die door de kracht is geleverd
als het voorwerp in B is aangekomen.
68. Gegeven is de lijn l : x − 4y = 2 en de kracht

F :
_
−1
−1
_
. Een voorwerp dat
beweegt van punt A op de lijn met x
A
= 1 naar punt B op die lijn met y
B
= 4
ondervindt deze kracht. Bereken de arbeid die door de kracht is geleverd als
het voorwerp in B is aangekomen.
69. Bereken in de bovenstaande opgaven de grootte van de kracht langs de ver-
plaatsing.
70. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
28
3 co¨ ordinaten in R
3
en hoger
In drie dimensie of hoger (n) verandert er niet heel veel in de lineaire algebra. Een
punt heeft nu drie of n co¨ ordinaten. Een vector bestaat uit een verplaatsing in drie
of n richtingen.
In R
n
, n = 3, 4, · · · is een vector gegeven door
v =
_
_
_
_
_
_
v
1
v
2
v
3
.
.
.
v
n
_
_
_
_
_
_
De lengte (of norm) van een n-dimensionale vector v is gelijk aan
|v| =
_
v
2
1
+ v
2
2
+· · · + v
2
n
=
¸
¸
¸
_
n

i=1
v
2
i
(25)
Voorbeeld: Gegeven is de drie dimensionale vector v =
_
_
5
3
4
_
_
. De lengte van deze
vector is |v| =

5
2
+ 3
2
+ 4
2
=

50 = 5

2
Opdracht: Teken deze vector in een 3-dimensionaal assenstelsel toon aan met behulp
van de stelling van Pythagoras dat deze aanpak juist is.
Het inproduct tussen twee vectoren in R
n
blijft hetzelfde als vergelijking 7:
< u, v >= u · v =
n

i
u
i
· v
i
(26)
Opgaven:
1. Bewijs de stelling: In een orthonormaal-assenstelsel in R
n
is het inproduct gelijk
aan
< u, v >= u · v = |u||v| cos(θ) (27)
29
3.1 De voorstelling van een lijn in R
n
In R
n
met n > 2 kan een lijn niet meer worden weergegeven als vergelijking van de
vorm ax+by = c. In R
3
is dit een voorbeeld van een vergelijking voor een vlak. We
zullen daar later op terugkomen.
De vectorvoorstelling l : P = s + λr
l
blijft echter mogelijk. De steunvector s en
richtingsvector r
l
zijn nu vectoren in R
n
. Een lijn wordt bepaalt door deze twee
vectoren, door twee punten A en B of door een combinatie van een van de vectoren
en een punt.
Voorbeeld
• Gegeven zijn de punten A = (1, 2, 3) en B = (3, 2, 1). Geef een vector-
voorstelling van de lijn l door A en B.
Oplossing: Kies als steunvector s de vector vanuit de oorsprong naar A of B.
Bepaal de richtingsvector uit de verschilvector
r
l
=

B −

A =
_
_
3
2
1
_
_

_
_
1
2
3
_
_
=
_
_
2
0
−2
_
_
.
Een vectorvoorstelling van de lijn l is dan bijvoorbeeld.
l : P =
_
_
3
2
1
_
_
+ λ
_
_
2
0
−2
_
_
• Gegeven is het punt A = (1, 2, 3) en steunvector s =
_
_
3
2
1
_
_
. Geef een vector-
voorstelling van de lijn m door A met steunvector s.
Oplossing: Bepaal de richtingsvector uit de verschilvector
r
m
=

A −s =
_
_
1
2
3
_
_

_
_
3
2
1
_
_
=
_
_
−2
0
2
_
_
.
Een vectorvoorstelling van de lijn l is dan bijvoorbeeld.
m : P =
_
_
3
2
1
_
_
+ λ
_
_
−2
0
2
_
_
30
Opgaven:
2. Gegeven zijn de punten A = (4, 5, 1) en B = (3, 2, 1). Geef een vector-
voorstelling van de lijn l door A en B.
3. Gegeven is het punt A = (2, 2, 2) en steunvector s =
_
_
3
2
1
_
_
. Geef een vector-
voorstelling van de lijn m door A met steunvector s.
4. Gegeven zijn de punten A = (1, 1, 1) en B = (3, 3, 3). Waarom is de vector-
voorstelling n : P = λ
_
_
1
1
1
_
_
een goede voorstelling voor de lijn door A en
B?
5. Gegeven zijn de punten A = (4, 5, 1, 0, 9, 11) en B = (3, 2, 1, 1, 2, 3). Geef een
vectorvoorstelling van de lijn l door A en B.
6. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
3.2 Twee lijnen in R
n
In dimensie drie en hoger kunnen twee lijnen l en m net als in twee dimensies
elkaar snijden, evenwijdig zijn of samenvallen. Er is echter een derde optie namelijk
dat ze elkaar kruisen. Twee kruisende lijnen zijn niet evenwijdig, ofwel ze hebben
niet dezelfde richting, en snijden elkaar niet ofwel de vergelijking l = m heeft geen
oplossing. We zullen aan de hand van een aantal voorbeelden bepalen of twee lijnen
elkaar snijden, kruisen of evenwijdig dan wel samenvallend zijn.
• Gegeven zijn de lijnen l : P = λ
_
_
−2
1
2
_
_
en m : Q =
_
_
5
2
1
_
_
+ µ
_
_
1
1
1
_
_
. De
lijnen zijn niet samenvallend of evenwijdig want de r
l
en r
m
zijn geen veelvoud
van elkaar en hebben dus niet de zelfde richting. Een eventueel snijpunt wordt
bepaald door het oplossen van de vergelijking:
λ
_
_
−2
1
2
_
_
=
_
_
5
2
1
_
_
+ µ
_
_
1
1
1
_
_
31
We zoeken dus een λ en µ. Dit levert het stelsel van drie vergelijkingen met
twee onbekenden.
_
_
_
−2λ = 5 + µ
λ = 2 + µ
2λ = 2 + µ
Uit de eerste twee vergelijkingen lossen we op λ = −1 en µ = −3. Er is sprake
van een snijpunt als deze twee waarden voor λ en µ ook voldoen in de laatste
vergelijking. Echter 2·−1 = 2+−3. De conclusie is dat de lijnen elkaar kruisen.
• Gegeven zijn de lijnen l : P =
_
_
0
2
0
_
_
+ λ
_
_
1
−2
0
_
_
en m : Q =
_
_
0
0
2
_
_
+
µ
_
_
1
−1
−1
_
_
.
De lijnen zijn niet samenvallend of evenwijdig want de r
l
en r
m
zijn geen
veelvoud van elkaar en hebben dus niet de zelfde richting. Een eventueel snij-
punt wordt bepaald door het oplossen van de vergelijking:
_
_
0
2
0
_
_
+ λ
_
_
1
−2
0
_
_
=
_
_
0
0
2
_
_
+ µ
_
_
1
−1
−1
_
_
We zoeken dus een λ en µ. Dit levert het stelsel van drie vergelijkingen met
twee onbekenden.
_
_
_
λ = µ
2 −2λ = −µ
0 = 2 −µ
De laatste vergelijking levert µ = 2. De eerste geeft dan λ = 2. Vullen we deze
twee waarden in in de tweede vergelijking dan zien we dat de waarden ook aan
deze vergelijking voldoen. Het snijpunt S is dus S =
_
_
0
0
2
_
_
+ 2
_
_
1
−1
−1
_
_
=
_
_
2
−2
0
_
_
32
• Gegeven zijn de lijnen l : P =
_
_
0
2
0
_
_
+ λ
_
_
2
−6
14
_
_
en
m : Q =
_
_
0
0
2
_
_
+ µ
_
_
−1
3
−7
_
_
.
Omdat r
l
= −2r
m
hebben de lijnen eenzelfde richting en zijn de lijnen in ieder
geval evenwijdig. Als ze een punt gemeenschappelijk hebben vallen ze samen.
Om dit te ontdekken gaan we een λ zoeken die de steunvector van m levert.
We moeten dus oplossen:
_
_
0
2
0
_
_
+ λ
_
_
2
−6
14
_
_
=
_
_
0
0
2
_
_
. Dit levert het stelsel:
_
_
_
2λ = 0
2 −6λ = 0
14λ = 2
De eerste vergelijking levert λ = 0. Deze waarde voldoet niet in de andere
vergelijkingen. De lijnen zijn dus niet samenvallend maar evenwijdig.
Opgaven:
Bepaal de ligging van de volgende lijnen paren (snijden,kruisen,evenwijdig of samen-
vallend). Geef waar mogelijk de co¨ ordinaten van het snijpunt.
7. l : P =
_
_
3
0
0
_
_
+ λ
_
_
3
−3
0
_
_
en m : Q =
_
_
−1
1
6
_
_
+ µ
_
_
1
0
−2
_
_
8. l : P =
_
_
1
1
2
_
_
+ λ
_
_
2
−1
−2
_
_
en m : Q =
_
_
0
1
4
_
_
+ µ
_
_
2
0
−4
_
_
9. l : P =
_
_
2
2
−2
_
_
+ λ
_
_
1
−1
1
_
_
en m : Q =
_
_
3
1
−1
_
_
+ µ
_
_
−3
3
−3
_
_
33
10. l : P =
_
_
1
1
−1
_
_
+ λ
_
_
1
−1
1
_
_
en m : Q =
_
_
0
2
0
_
_
+ µ
_
_
2
1
1
_
_
11. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
3.3 Vlakken in R
3
In een drie dimensionale ruimte is er naast het punt en de lijn een derde lineaire
figuur, het vlak. Een vlak wordt bepaald door drie punten, die begrijpelijkerwijs
niet op ´e´en lijn mogen liggen. Een vlak kan daarom ook worden bepaald door een
lijn en een punt niet op de lijn, of door een paar snijdende lijnen. Het vlak in R
3
heeft net als de lijn in R
2
meerdere verschijningsvormen: de vectorvoorstelling, de
vergelijking en de definitie als inproduct.
3.4 Vectorvoorstelling
We beginnen met de vector voorstelling. Gegeven zijn de punten A = (x
A
, y
A
, z
A
),
B = (x
B
, y
B
, z
B
) en C = (x
C
, y
C
, z
C
) die vlak v bepalen. Een vectorvoorstelling
voor een vlak v heeft een steunvector s nodig en twee richtingsvectoren r
1
en r
2
en
wordt gegeven door:
v : P = s + λr
1
+ µr
2
(28)
Voor de steunvector kunnen we een vector vanuit de oorsprong naar ´e´en van de
drie punten A, B of C kiezen. Voor de richtingsvectoren kunnen net als bij de
vectorvoorstelling voor een lijn de verschilvectoren nemen tussen twee punten paren.
Een voorstelling kan bijvoorbeeld zijn:
v : P =
_
_
x
A
y
A
z
A
_
_
+ λ
_
_
_
_
x
B
y
B
z
B
_
_

_
_
x
A
y
A
z
A
_
_
_
_
+ µ
_
_
_
_
x
C
y
C
z
C
_
_

_
_
x
A
y
A
z
A
_
_
_
_
34
Voorbeeld
Gegeven zijn de punten A = (1, 2, 3), B = (3, 2, 1) en C = (0, 1, 0). Een vector-
voorstelling voor het vlak v door deze punten is:
v : P =
_
_
1
2
3
_
_
+ λ
_
_
_
_
3
2
1
_
_

_
_
1
2
3
_
_
_
_
+ µ
_
_
_
_
0
1
0
_
_

_
_
1
2
3
_
_
_
_
=
_
_
1
2
3
_
_
+ λ
_
_
2
0
−2
_
_
+ µ
_
_
−1
−1
−3
_
_
Opgaven
Geef vectorvoorstellingen voor het vlak door:
12. de punten A = (1, 0, 0), B = (0, 1, 0) en C = (0, 0, 1).
13. de punten A = (1, 1, 0), B = (0, 2, 2) en C = (3, 0, 3).
14. het punt A = (1, 1, 1) en de lijn l : P =
_
_
0
2
0
_
_
+ λ
_
_
2
−6
14
_
_
.
15. de lijnen l : P =
_
_
0
2
0
_
_

_
_
2
−6
14
_
_
en m : q =
_
_
6
5
0
_
_

_
_
2
1
0
_
_
. Laat eerst
zien dat de lijnen ook werkelijk snijden.
16. Waarom is de vectorvoorstelling
v : P =
_
_
1
2
3
_
_
+ λ
_
_
3
1
1
_
_
+ µ
_
_
1
1
3
_
_
ook een vectorvoorstelling voor het vlak uit het voorbeeld?
17. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
35
3.5 Inproduct, uitproduct en vergelijking voor vlak
Een vlak in R
3
kan ook worden gegeven in de vorm van de vergelijking:
v : ax + by + cz = d (29)
We kunnen net als bij het opstellen van een vergelijking in R
2
met behulp van drie
gegeven punten een stelsel van vergelijkingen opstellen waaruit we een combinatie
van a, b, c en d oplossen.
Voorbeeld
Gegeven zijn de punten A = (1, 2, 3), B = (3, 2, 1) en C = (0, 1, 0). Voor we aan de
slag gaan delen we eerst in vergelijking 29 door d om ´e´en onbekende weg te werken
v : a/dx+b/dy +c/dz = 1. Vervolgens hernoemen we de breuken tot respectievelijk
r, s en t, dit levert: v : rx +sy +tz = 1. Het stelsel vergelijkingen waarmee we aan
de slag moeten krijgen we door ieder punt in te vullen:
_
_
_
r + 2s + 3t = 1
3r + 2s + t = 1
s = 1

_
_
_
r + 3t = −1
3r + t = −1
s = 1

_
_
_
r = −1 −3t
3(−1 −3t) + t = −1
s = 1

_
_
_
r = −1 −3t
−8t = 2
s = 1

_
_
_
r = −1/4
t = −1/4
s = 1

v : −1/4x + y −1/4z = 1 ⇔
36
v : −x + 4y −z = 4.
In het voorbeeld van de vectorvoorstelling hebben we dezelfde punten genomen.
Bovenstaande vergelijking en de vectorvoorstelling:
v : P =
_
_
1
2
3
_
_
+ λ
_
_
2
0
−2
_
_
+ µ
_
_
−1
−1
−3
_
_
Zijn dus twee verschillende voorstellingen voor het zelfde vlak.
Bij een lijn in konden we overstappen van de vectorvoorstelling gebruikmakend
van de vergelijking in de vorm van het inproduct 15 l :< n
l
,

X >=< n
l
,

A >. De
normaalvector van de lijn n
l
stond daar loodrecht op de richtingsvector r
l
.
Opdracht: Noem n
v
=
_
_
−1
4
−1
_
_
de vector van de co¨efficienten a, b en c uit het
voorbeeld. Laat zien dat < n
v
, r
1
>= 0 en < n
v
, r
2
>= 0 en < n
v
, s >= 4, waarin r
1
,r
2
en s respectievelijk de richtingsvectoren en de steunvector zijn uit het voorbeeld.
De vector van co¨efficienten staat dus loodrecht op de richtingsvectoren van het vlak.
Een vector loodrecht op een vlak noemen we de normaalvector van een vlak.
Ook hier lijkt het dus mogelijk een vlak met behulp van het inproduct van vectoren
te defini´eren:
v :< n
v
,

X >=< n
v
,

A > (30)
De vraag rest hoe je gegeven twee richtingsvectoren van een vlak een normaalvec-
tor van het vlak berekent. We presenteren hier een afleiding met behulp van de
definitie van het inproduct. Laten r
1
=
_
_
a
b
c
_
_
en r
2
=
_
_
d
e
f
_
_
twee gegeven richt-
ingsvectoren van een vlak v zijn en laat n
v
=
_
_
n
x
n
y
n
z
_
_
de normaalvector van het vlak
zijn. Omdat de normaalvector loodrecht op het vlak staat moet de normaalvector
ook loodrecht op iedere richtingsvector in het vlak staan (waarom?). Er moet dus
gelden:
< n
v
, r
1
>= 0 ∧ < n
v
, r
2
>= 0.
37
Dit leidt tot een stelsel van twee vergelijkingen met de drie onbekenden n
x
, n
y
en n
z
.
Omdat een normaalvector verschillende lengten kan hebben is het niet nodig n
x
, n
y
en n
z
precies te bepalen. Het stelsel is:
_
an
x
+ bn
y
+ cn
z
= 0
dn
x
+ en
y
+ fn
z
= 0

_
afn
x
+ bfn
y
+ cfn
z
= 0
cdn
x
+ cen
y
+ cfn
z
= 0

_
afn
x
+ bfn
y
+ cfn
z
= 0
(af −cd)n
x
+ (bf −ce)n
y
= 0

_
n
z
= −
afn
x
+bfn
y
cf
n
y
= −
af−cd
bf−ce
n
x
Kies nu n
x
= bf −ce dan is n
y
= −af + cd en
n
z
= −
af(bf−ce)+bf(−af+cd)
cf
= −
afbf−afce−bfaf+bfcd
cf
= −(−ae + bd) = ae −bd.
Een normaalvector van een vlak met richtingsvectoren r
1
=
_
_
a
b
c
_
_
en r
2
=
_
_
d
e
f
_
_
is dus de vector
n
v
=
_
_
bf −ce
−(af −cd)
ae −bd
_
_
(31)
Dit resultaat noemt men het uitproduct van de twee vectoren r
1
en r
2
. De
wiskundige notatie voor het uitproduct van twee vectoren u en v is:
w = u ×v (32)
Voorbeelden
• Gegeven zijn de vectoren u =
_
_
1
2
3
_
_
en v =
_
_
−1
2
−3
_
_
. Bepaal het uitproduct
w = u ×v. Oplossing:
w =
_
_
bf −ce
−af + cd
ae −bd
_
_
=
_
_
2 · (−3) −3 · 2
−1 · (−3) + 3 · (−1)
1 · 2 −2 · (−1)
_
_
=
_
_
−12
0
4
_
_
.
38
• Gegeven zijn weer de punten A = (1, 2, 3), B = (3, 2, 1) en C = (0, 1, 0). Geef
een vergelijking van het vlak in de vorm v : ax + by + cz = d. Oplossing: We
gebruiken de inproduct notatie v :< n
v
,

X >=< n
v
,

A >. Daartoe moeten we
eerst de normaalvector bepalen met behulp van twee richtingsvectoren. Kies bij-
voorbeeld de richtingsvectoren r
1
=

B−

A =
_
_
2
0
−2
_
_
en r
2
=

C−

A =
_
_
−1
−1
−3
_
_
. Een normaalvector is dan het uitproduct
n
v
= r
1
×r
2
=
_
_
bf −ce
−af + cd
ae −bd
_
_
=
_
_
0 · (−3) −(−2) · (−1)
−2 · (−3) + (−2) · (−1)
2 · (−1) −0 · (−1)
_
_
=
_
_
−2
8
−2
_
_
.
Een vergelijking voor het vlak is nu v :<
_
_
−2
8
−2
_
_
,
_
_
x
y
z
_
_
>=<
_
_
−2
8
−2
_
_
,
_
_
1
2
3
_
_
>
of wel v : −2x+8y −2z = −2+16−6 = 8. Beide zijden door twee delen levert:
v : −x + 4y −z = 4.
De vergelijking van het vlak die we al eerder hebben gevonden.
Opgaven:
18. Gegeven zijn de vectoren u =
_
_
2
−1
3
_
_
en v =
_
_
4
0
1
_
_
. Bepaal de uitproducten
w = u ×v en

t = v ×u. Wat is de relatie tussen w en

t.
19. Gegeven zijn de punten A = (1, 0, 1), B = (0, 1, 1) en C = (2, 1, 0). Geef een
vergelijking van het vlak in de vorm v : ax + by + cz = d.
20. Gegeven zijn de punten A = (−1, 2, 1), B = (0, 1, 1) en C = (0, 0, 0). Geef een
vergelijking van het vlak in de vorm w : ax + by + cz = d.
21. Gegeven zijn de punten A = (−1, 2, 1), B = (0, 1, 1) en C = (−1, −1, −1).
Geef zowel een vergelijking van het vlak in de vorm v : ax +by +cz = d en een
vectorvoorstelling van v.
22. Gegeven is het vlak w : P =
_
_
1
0
1
_
_

_
_
1
2
1
_
_

_
_
−1
1
2
_
_
. Geef een vergelijk-
ing van het vlak in de vorm w : ax + by + cz = d
23. Bewijs u ×v = −v ×u.
39
24. Zoek uit wat het uitproduct heeft te maken met de kurkentrekker- of rechter-
handregel.
25. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
3.6 snijpunt lijn en vlak in R
3
In R
3
zijn er 3 mogelijkheden voor de ligging van een lijn ten opzichte van een vlak.
Een lijn snijdt een vlak. Een lijn ligt in een vlak of een lijn is evenwijdig met een
vlak. Hieronder geven we aan hoe je dit bepaalt.
Gegeven is de lijn l : P = s
l
+ λr
l
en het vlak v : Q = s
v
+ µr
v1
+ γr
v2
. Probleem:
Bepaal het (eventuele)snijpunt S van lijn l met het vlak v.
Oplossing:
We moeten een λ, µ en γ door het volgende systeem van drie vergelijkingen met
drie onbekenden op te lossen:
_
_
_
s
lx
+ λr
lx
= s
vx
+ µr
v1x
+ γr
v2x
s
ly
+ λr
ly
= s
vy
+ µr
v1y
+ γr
v2y
s
lz
+ λr
lz
= s
vz
+ µr
v1z
+ γr
v2z
Voorbeelden:
• Gegeven is de lijn l : P =
_
_
3
2
1
_
_
+ λ
_
_
−1
1
1
_
_
en het vlak v : Q =
_
_
2
1
1
_
_
+
µ
_
_
0
1
1
_
_
+ γ
_
_
1
−1
1
_
_
.
Oplossing:
Het stelsel dat we moeten oplossen is:
_
_
_
3 −1λ = 2 +γ
2 + λ = 1 +µ −γ
1 + λ = 1 +µ + γ

_
_
_
1 −1λ = γ
1 + λ = µ −γ
λ = µ + γ

_
_
_
1 −1λ = γ
1 + λ = µ −(1 −1λ)
λ = µ + (1 −1λ)

_
_
_
γ = 1 −1λ
2 = µ
2λ = µ + 1

_
_
_
γ = 1 −1λ
µ = 2
2λ = 3

_
_
_
γ = −
1
2
µ = 2
λ =
3
2

40

S =
_
_
3
2
1
_
_
+
3
2
_
_
−1
1
1
_
_
=
_
_
2
1
1
_
_
+ 2
_
_
0
1
1
_
_

1
2
_
_
1
−1
1
_
_
=
_
_
1
1
2
3
1
2
2
1
2
_
_
• Gegeven is de lijn l : P =
_
_
3
2
1
_
_
+ λ
_
_
−1
1
−1
_
_
en het vlak v : Q =
_
_
2
1
1
_
_
+
µ
_
_
0
1
1
_
_
+ γ
_
_
1
−1
1
_
_
.
Oplossing:
Het stelsel dat we moeten oplossen is:
_
_
_
3 −1λ = 2 +γ
2 + λ = 1 +µ −γ
1 −λ = 1 +µ + γ

_
_
_
1 −1λ = γ
1 + λ = µ −γ
−λ = µ + γ

_
_
_
1 −1λ = γ
1 + λ = µ −(1 −1λ)
−λ = µ + (1 −1λ)

_
_
_
γ = 1 −1λ
2 = µ
0 = µ + 1
µ heeft nu twee oplossingen hetgeen niet mogelijk is. Het stelsel is niet oplos-
baar. Mogelijkerwijs ligt l in v. Dan moet de steunvector s
l
van l ook in dit
vlak liggen. Dit is alleen mogelijk als het volgende systeem een oplossing heeft
_
_
_
3 = 2 + γ
2 = 1 + µ −γ
1 = 1 + µ + γ
_
_
_
3 = 2 + γ
2 = 1 + µ −γ
1 = 1 + µ + γ

_
_
_
1 = γ
2 = 1 + µ −1
1 = 1 + µ + 1

_
_
_
1 = γ
2 = µ
−1 = µ
Ook dit klopt niet dus lijn l is evenwijdig met v.
• Gegeven is de lijn l : P = s
l
+ λr
l
en het vlak w : ax + by + cz = d. Probleem:
Bepaal het (eventuele)snijpunt S van lijn l met het vlak w.
Oplossing:
We maken gebruik van de inproduct notatie 30 voor het vlak w. w :< n
w
,

X >=
41
d. Omdat de lijn moet snijden kunnen we de vector

X vervangen door s
l
+λr
l
.
Dit geeft de vergelijking:
< n
w
, (s
l
+ λr
l
) >= d
Hieruit moeten we λ oplossen. We gebruiken daartoe de eigenschappen van het
inproduct (< u, (v + w) >=< u, v > + < u, w > en < u, av >= a < u, v >) om
bovenstaande vergelijking te herschrijven:
< n
w
, s
l
+ λr
l
>=
< n
w
, s
l
> +λ < n
w
, r
l
>= d ⇒
λ =
d− < n
w
, s
l
>
< n
w
, r
l
>
(33)
Een unieke oplossing bestaat alleen als < n
w
, r
l
>= 0. Is < n
w
, r
l
>= 0, dan
staat de normaalvector van w loodrecht op de richtingsvector van l, ofwel de
richting van l is bevat in de richtingen van het vlak w. De lijn ligt volledig
in het vlak als en < n
w
, r
l
>= 0 en bovendien geldt < n
w
, s
l
>= d ofwel de
steunvector s
l
van l wijst naar een punt in het vlak.
Voorbeelden
• Gegeven is de lijn l : P =
_
_
3
2
1
_
_
+ λ
_
_
−1
1
1
_
_
en het vlak v : 2x + y − z = 4.
Bereken de co¨ordinaten van het snijpunt van l met v.
Oplossing:
Normaalvector vlak v is n
v
=
_
_
2
1
−1
_
_
. λ vinden we uit
λ =
d− < n
v
, s
l
>
< n
v
, r
l
>
=
4 −(2 · 3 + 1 · 2 + (−1) · 1)
2 · (−1) + 1 · 1 + (−1) · 1
=
4 −7
−2
=
3
2
.
Het snijpunt S krijgen we uit

S =
_
_
3
2
1
_
_
+
3
2
_
_
−1
1
1
_
_
=
_
_
1
1
2
3
1
2
2
1
2
_
_
.
Dus S = (1
1
2
, 3
1
2
, 2
1
2
). Controleer dit door S in de vergelijking voor w in te
vullen.
42
• Gegeven is de lijn l : P =
_
_
3
2
1
_
_
+ λ
_
_
−1
1
−1
_
_
en het vlak v : 2x + y − z = 4.
Bereken de co¨ordinaten van het snijpunt van l met v.
Oplossing:
Normaalvector vlak v is n
v
=
_
_
2
1
−1
_
_
. λ vinden we uit
λ =
d− < n
v
, s
l
>
< n
v
, r
l
>
=
4 −(2 · 3 + 1 · 2 + (−1) · 1)
2 · (−1) + 1 · 1 + (−1) · (−1)
=
4 −7
0
.
Oeps: Delen door nul is flauwekul. Ligt de lijn in het vlak?
< n
v
, s
l
>= 7 = 4.
De lijn ligt niet in het vlak maar is evenwijdig.
Welke methode je kiest mag natuurlijk niet uitmaken voor het resultaat. Bepaal
zelf welke strategie je het prettigst vindt.
Opgaven:
Bepaal de ligging van de lijn t.o.v het vlak. Geef waar mogelijk de co¨ ordinaten van
het snijpunt.
26. Lijn l : P =
_
_
7
5
1
_
_
+ λ
_
_
2
1
2
_
_
en vlak v : x + y −z = 9.
27. Lijn l : P =
_
_
−4
4
−6
_
_
+ λ
_
_
1
0
1
_
_
en vlak v : −x + 2y −z = 8.
28. Lijn l : P =
_
_
−1
4
4
_
_
+ λ
_
_
−2
2
4
_
_
en vlak v : Q =
_
_
0
0
4
_
_
+ µ
_
_
−1
0
7
_
_
+
γ
_
_
−1
1
0
_
_
.
43
29. Lijn l : P =
_
_
1
1
1
_
_
+ λ
_
_
1
−2
1
_
_
en vlak v : Q =
_
_
1
3
1
_
_
+ µ
_
_
1
−6
−1
_
_
+
γ
_
_
1
−2
1
_
_
.
30. Lijn l : P =
_
_
0
9
2
_
_
+ λ
_
_
−2
8
0
_
_
en vlak v : 4x + y −2z = 5.
31. Gegeven zijn de punten A = (0, 0, 2),B = (1, 1, 2),C = (2, 1, 1),D = (6, 3, 8),E =
(2, 1, 2). Bepaal de co¨ ordinaten van het snijpunt van het vlak door de punten
A, B en C met de lijn door de punten D en E.
32. Gegeven zijn de lijn l : P =
_
_
4
b
0
_
_
+ λ
_
_
a
2
0
_
_
en vlak v : 2x − y − 2z = 2.
Voor welke a en b ligt lijn l in vlak v.
33. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
3.7 Snijlijn twee vlakken in R
3
In R
3
zijn er 3 mogelijkheden voor de ligging van een vlak ten opzichte van een
ander vlak. De vlakken snijden volgens een lijn. De vlakken zijn evenwijdig of
vallen samen. Hieronder geven we aan hoe je dit bepaalt.
Gegeven de vlakken v : ax + by + cz = d en w : ex + fy + gz = h. Probleem:
Bepaal de ligging van de vlak v t.o.v vlak w. Als de vlakken snijden geef dan een
vectorvoorstelling van de lijn.
Oplossing:
Eerst merken we op dat als de vlakken evenwijdig zijn de normaalvectoren van v en
w op ´e´en lijn liggen, ofwel n
v
= αn
w
voor een bepaalde constante α. Als dat het
geval is kies dan een punt in v en kijk of dit voldoet aan de vergelijking voor w. Als
dat waar is dan vallen de vlakken samen zo niet dan zijn ze evenwijdig.
Als n
v
= αn
w
dan vinden we een vergelijking voor de lijn uit het stelsel:
_
ax + by + cz = d
ex + fy + gz = h

_
aex + bey + cez = de
aex + afy + agz = ah
44

_
aex + bey + cez = de
(be −af)y + (ce −ag)z = de −ah
Kies nu bijvoorbeeld z = λ, dan is y =
de−ah−λ(ce−ag)
be−af
=
de−ah
be−af

λ(ce−ag)
be−af
. Invullen
in de bovenste vergelijking levert:
aex + be(
de −ah
be −af

λ(ce −ag)
be −af
) + ceλ = de
aex = −be
de −ah
be −af
+ be
λ(ce −ag)
be −af
−ceλ + de ⇔
= de −be
de −ah
be −af
+ λ(be
ce −ag
be −af
−ce) ⇔
=
de(be −af) −be(de −ah)
be −af
+ λ
be(ce −ag) −ce(be −af)
be −af

=
−deaf + beah
be −af
+ λ
−beag + ceaf
be −af

x =
−df + bh
be −af
+ λ
−bg + cf
be −af
Een vectorvoorstelling voor de snijlijn s is nu:
s : P =
_
_
−df+bh
be−af
de−ah
be−af
0
_
_
+ λ
_
_
−bg+cf
be−af
−ce+ag
be−af
1
_
_
Voorbeelden:
• Gegeven zijn de vlakken v : 2x − y − z = 4 en w : x + y + z = 5. Bepaal
de ligging van de vlak v t.o.v vlak w. Als de vlakken snijden geef dan een
vectorvoorstelling van de lijn.
Oplossing:
De vlakken zijn niet evenwijdig want er is geen constante α te vinden zodanig
dat
_
_
2
−1
−1
_
_
= α
_
_
1
1
1
_
_
.
Snijlijn:
_
2x −y −z = 4
x + y + z = 5

_
2x −y −z = 4
3x = 9

_
6 −y −z = 4
x = 3
45
Kies z = λ dan is y = 2 −λ. Een vergelijking voor de snijlijn is dan:
s : P =
_
_
3
2
0
_
_
+ λ
_
_
0
−1
1
_
_
• Gegeven zijn de vlakken v : 2x − y − z = 4 en w : −4x + 2y + 2z = −10.
Bepaal de ligging van de vlak v t.o.v vlak w. Als de vlakken snijden geef dan
een vectorvoorstelling van de lijn.
Oplossing:
De vlakken zijn evenwijdig want
_
_
2
−1
−1
_
_
= −
1
2
_
_
−4
2
2
_
_
.
Kies x = 0 en y = 0, dan ligt voor z = −4 het punt P = (0, 0, −4) in v. Invullen
in w levert −8 = −10, hetgeen niet waar is. De vlakken zijn dus evenwijdig.
In het geval van vlakken gegeven als vectorvoorstelling kun je de vlakken eerst
omzetten als vergelijking en dan het bovenstaande recept afwerken. Je kunt ook de
vectorvoorstellingen aan elkaar gelijkstellen zoals dat is gedaan bij het vinden van
een snijpunt van een lijn en een vlak, maar dat is zeker niet sneller.
Voorbeeld:
Gegeven zijn de vlakken v : P =
_
_
3
0
0
_
_
+ µ
_
_
1
2
3
_
_
+ γ
_
_
1
−2
−3
_
_
en
w : Q =
_
_
1
1
1
_
_
+ α
_
_
1
0
2
_
_
+ β
_
_
0
1
−2
_
_
Bepaal een vectorvoorstelling van de snijlijn s.
Oplossing:
Eerst stappen we over op vergelijkingen van de vlakken. Daar moeten de nor-
46
maalvectoren n
v
en n
w
van de vlakken v en w voor worden bepaald:
n
v
=
_
_
1
2
3
_
_
×
_
_
1
−2
−3
_
_
=
_
_
bf −ce
−af + cd
ae −bd
_
_
=
_
_
2 · (−3) −3 · (−2)
−1 · (−3) + 3 · 1
1 · (−2) −2 · 1
_
_
=
_
_
0
6
−4
_
_
De vergelijking voor vlak v wordt dan:
v : <
_
_
0
6
−4
_
_
,
_
_
x
y
z
_
_
>=<
_
_
0
6
−4
_
_
,
_
_
3
0
0
_
_
>⇒
v : 6y −4z = 0
n
w
=
_
_
1
0
2
_
_
×
_
_
0
1
−2
_
_
=
_
_
0 · (−2) −2 · (1)
−1 · (−2) + 2 · 0
1 · (1) −0 · (1)
_
_
=
_
_
−2
2
1
_
_
De vergelijking voor vlak w wordt dan:
w : <
_
_
−2
2
1
_
_
,
_
_
x
y
z
_
_
>=<
_
_
−2
2
1
_
_
,
_
_
1
1
1
_
_
>⇒
w : −2x + 2y + z = 1
Vervolgens lossen we het stelsel vergelijkingen op:
_
6y −4z = 0
−2x + 2y + z = 1

_
3y = 2z
−2x + 2y +
3
2
y = 1

_
3y = 2z
−2x = 1 −3
1
2
y
Kies y = 4λ , dan is z = 6λ en x = −
1
2
+ 7λ. Een vectorvoorstelling voor de lijn s
is dan:
s : P =
_
_

1
2
+ 7λ


_
_
=
_
_

1
2
0
0
_
_
+ λ
_
_
7
4
6
_
_
47
Opgaven:
Geef een vectorvoorstelling van de snijlijn van de volgende vlakken:
34. v : −x + 3y + 2z = −2 en w : 2x + 6y −z = 3
35. t : −3x + y −3z = 1 en u : y + z = 3
36. a : −
x
2
+
y
4
−z = 1 en b : x + 4y + z = 2
37. c : x + 2y + 3z = 4 en d : 5x + 6y + 7z = 8
38. v : P =
_
_
2
1
1
_
_
+ µ
_
_
3
1
1
_
_
+ γ
_
_
1
0
−1
_
_
en
w : Q =
_
_
1
0
0
_
_
+ α
_
_
1
2
2
_
_
+ β
_
_
−1
1
−2
_
_
39. v : P =
_
_
0
2
4
_
_
+ µ
_
_
1
1
8
_
_
+ γ
_
_
1
8
1
_
_
en
w : Q =
_
_
4
2
0
_
_
+ α
_
_
4
2
2
_
_
+ β
_
_
1
1
2
_
_
40. v : P =
_
_
−1
−1
−1
_
_
+ µ
_
_
0
1
0
_
_
+ γ
_
_
1
0
0
_
_
en
w : Q =
_
_
0
0
0
_
_
+ α
_
_
1
1
1
_
_
+ β
_
_
−1
1
1
_
_
41. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
3.8 Hoeken in 3D
Definitie:De hoek tussen twee snijdende lijnen of twee kruisende lijnen is gelijk aan
aan de scherpe hoek tussen de twee richtingsvectoren van die lijnen.
Definitie:Onder de hoek tussen twee vlakken verstaan we de kleinste hoek tussen de
twee vlakken.
48
Opdracht: Maak aannemelijk dat deze hoek is gelijk aan de scherpe hoek tussen de
lijnen waarop de normaalvectoren van die vlakken liggen.
Definitie:Onder de hoek tussen een lijn en een vlak verstaan we de kleinste hoek
tussen die lijn en het vlak.
Opdracht: Maak aannemelijk dat deze hoek is gelijk aan 90 graden min de scherpe
hoek tussen de richtingsvector van de lijn en de normaalvectoren van het vlak.
Voorbeelden:
• Gegeven zijn de vlakken v : 2x−y −z = 4 en w : −4x+2y +4z = −10. Bepaal
de hoek tussen deze twee vlakken in graden nauwkeurig.
Oplossing: We gebruiken de eigenschap van het inproduct van twee vectoren in
een orthonormaal-assenstelsel 12.
< u, v >= u · v = |u||v| cos(θ)
We kunnen dit herschrijven tot
cos(θ) =
< u, v >
|u||v|
De normaalvectoren van v en w zijn respectievelijk
n
v
=
_
_
2
−1
−1
_
_
en n
w
=
_
_
−4
2
4
_
_
.
Invullen in bovenstaande vergelijking geeft:
cos(θ) =
2 · (−4) −1 · 2 −1 · 4

4 + 1 + 1

16 + 4 + 16
=
−14
6

6

θ = cos
−1
(
−7
3

6
) ≈ 119


Deze hoek is groter dan 90

. De scherpe hoek tussen de twee vlakken is dus
180 −119 = 61

.
• Gegeven is het vlak v : 2x − y − z = 4 en de lijn l : P =
_
_
−1
1
1
_
_
+ λ
_
_
3
2
1
_
_
.
Bepaal de hoek tussen de lijn en het vlak in graden nauwkeurig.
Oplossing: De hoek tussen een lijn en een vlak is 90

min de scherpe hoek
49
tussen de richtingsvector van de lijn r
l
=
_
_
3
2
1
_
_
en de normaalvector van het
vlak n
v
=
_
_
2
−1
−1
_
_
.
θ = 90 −cos
−1
(
< r
l
, n
v
>
|r
l
||n
v
|
) = 90 −cos
−1
(
3 · 2 + 2 · (−1) + 1 · (−1)

9 + 4 + 1

4 + 1 + 1
) =
90 −cos
−1
(
3

14

6
) ≈ 90 −71 = 19

.
Opgaven:
42. Gegeven zijn de lijnen l :

P =
_
_
1
0
0
_
_

_
_
1
2
3
_
_
en m :

Q =
_
_
0
1
0
_
_

_
_
1
0
1
_
_
.
Bereken in graden nauwkeurig de hoek tussen l en m.
43. Gegeven zijn de lijn l :

P =
_
_
1
1
1
_
_

_
_
−1
2
1
_
_
en het vlak v : 2x+3y −z = 5.
Bereken in graden nauwkeurig de hoek tussen l en v.
44. Gegeven zijn de vlakken v : 2x +3y −z = 5 en w : −x +y −z = 1. Bereken in
graden nauwkeurig de hoek tussen l en m.
45. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
3.9 Afstanden
In 3D zijn er de volgende afstand begrippen: de afstand tussen twee punten, de
afstand tussen een punt en een vlak, de afstand tussen een punt en een lijn en de
afstand tussen 2 kruisende lijnen.
3.9.1 afstand tussen twee punten
Evenals in 2D is de afstand d(A, B) tussen twee punten A en B in een orthonormaal-
assenstelsel van 3 dimensies (of hoger) gedefinieerd als de lengte van de vector van
50
A naar B:
|v
AB
| = |

B −

A| =
_
<

B −

A,

B −

A >. (34)
In drie dimensies is dit gelijk aan
|v
AB
| = |

B −

A| =
_
∆x
2
+ ∆y
2
+ ∆z
2
. (35)
3.9.2 afstand tussen een vlak en een punt
De afstand d(P, v) tussen een vlak v en een punt P in 3D (zie linker plaatje in figuur
6 )is gedefinieerd als de kortste weg van een punt naar het vlak. Deze kortste weg
is over de loodlijn op de lijn v door het punt P.
Opdracht: Leg dit uit!
Figure 6: afstanden in R3
−3 −2 −1 1 2 3
−1
1
2
0
α = 0.63
x
1
z
1
y
1
z
P
S
h
−3 −2 −1 1 2
−3
−2
−1
1
2
0
α = 0.31
v
2
v
1
r
l
s
l
l
P
Q
S
afstand punt vlak Open
geogebra/afstandpuntvlak.ggb
afstand punt lijn Open
geogebra/afstandpuntlijn.ggb
Hier zullen we een formule afleiden waarmee direct de afstand van een punt tot
een vlak kan worden berekend. Deze afleiding is analoog (gelijke redenering) aan de
afleiding in 2D. We maken weer gebruik van de inprodukt notatie dit maal een voor
vlak, de normaalvector van het vlak en een vectorvoorstelling van een lijn. Laat het
vlak v gegeven zijn door de vergelijking
v :< n
v
, x >= d,
waarin n
v
de normaalvector van lijn v. De normaalvector staat loodrecht op het
vlak v en is dus de richtingsvector voor de loodlijn m op v. Op m moet het punt P
liggen. Een vectorvoorstelling voor m is dan:
m :

Q =

P + λn
l
.
51
De afstand van P tot v is gelijk aan de afstand tussen P en het snijpunt S van vlak
v en lijn m. Om het snijpunt te vinden bepalen we λ door formule ?? te gebruiken
λ =
d− < n
l
,

P >
< n
v
, n
v
>
(36)
Het punt snijpunt S wordt dan:

S =

P +
d− < n
v
,

P >
< n
v
, n
v
>
n
v
(37)
De afstand d(P, v) is gelijk aan de afstand d(P, S):
d(P, S) = |

S−

P| = |
d− < n
v
,

P >
< n
v
, n
v
>
n
v
| = |
d− < n
v
,

P >
< n
v
, n
v
>
|·|n
v
| =
|d− < n
v
,

P > |
|n
v
|
(38)
Voorbeeld
• Gegeven het vlak v : 3x + 4y + 5z = 10 en het punt P(2, 6, −2). Bereken de
afstand van P tot v.
Oplossing: d(P, v) =
|10−(3·2+4·6+5·(−2))|

3
2
+4
2
+5
2
=
|−10|
5

2
=
2

2
=

2
Opgaven
46. Gegeven zijn de punten P(1, 2, 3) en Q(1, 2, −2). Bereken exact de afstand van
P tot Q.
47. Gegeven zijn het vlak v : x +y +z = 3 en het punt P(1, 2, −2). Bereken exact
de afstand van P tot v.
48. Gegeven zijn het vlak v : 2x + z = 1 en het punt P(1, 100, −2). Bereken exact
de afstand van P tot v.
49. Gegeven zijn het vlak v : −x +2y +z = c en de punten P(3, 1, 2) en Q(5, 6, 6).
Bereken exact de waarde(n) voor c waarvoor d(P, v) = d(P, Q).
50. Gegeven zijn het vlak v : ax + y + z = 2 en het punt P(1, 1, 1). Bereken exact
de waarde(n) voor a waarvoor d(P, v) =
1
3
.
51. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
52
3.9.3 afstand tussen een punt en een lijn
De afstand d(P, l) tussen een lijn l en een punt P in 3D is gedefinieerd als de kortste
weg van een punt naar de lijn. De kortste weg is over het vlak v door het punt P
loodrecht op l.
Hier zullen we een formule afleiden waarmee direct de afstand van een punt tot
een lijn kan worden berekend. We maken weer gebruik van de inproduct notatie
ditmaal voor het vlak v door P loodrecht op l. Laat de lijn l gegeven zijn door de
vectorvoorstelling
l :

Q = s
l
+ λr
l
De richtingsvector van l is de normaalvector van het vlak v door P. De vergelijking
voor v is (verklaar waarom!)
v :< r
l
, x >=< r
l
,

P > .
Het snijpunt S van v en l krijgen we weer door λ uit te rekenen met het in vullen
van l in v:
< r
l
, (s
l
+ λr
l
) > = < r
l
,

P >⇔
< r
l
, s
l
> +λ < r
l
, r
l
> = < r
l
,

P >⇔
λ < r
l
, r
l
> = < r
l
,

P > − < r
l
, s
l
>
λ =
< r
l
,

P > − < r
l
, s
l
>
< r
l
, r
l
>
=
< r
l
,

P −s
l
>
< r
l
, r
l
>
Het snijpunt S wordt dan:

S = s
l
+
< r
l
,

P > − < r
l
, s
l
>
< r
l
, r
l
>
r
l
(39)
De afstand d(P, l) is weer gelijk aan de afstand d(P, S):
d(P, l) = d(P, S) = |

P −

S| =
_
< (

P −

S), (

P −

S) > (40)
We berekenen nu eerst het inproduct < (

P −

S), (

P −

S) >.
< (

P −

S), (

P −

S) > = < (

P −

S), (

P −s
l
−λr
l
) >
= < (

P −

S), (

P −s
l
) > (want(

P −

S) ⊥ r
l
)
53
= < (

P −s
l
−λr
l
), (

P −s
l
) >
= < (

P −s
l
), (

P −s
l
) >
−λ < r
l
, (

P −s
l
) >
= < (

P −s
l
), (

P −s
l
) >

(< r
l
,

P −s
l
>)
2
< r
l
, r
l
>
De afstand d(P, l) is nu:
d(P, l) =
¸
< (

P −s
l
), (

P −s
l
) > −
(< r
l
,

P −s
l
>)
2
< r
l
, r
l
>
(41)
Merk op dat dit gelijk is aan
_
OP
2
−QP
2
=
_
|

P − s
l
|
2
−d(

P − s
l
, v)
2
in figuur
6.
Voorbeeld
• Gegeven is de lijn l :

Q =
_
_
1
0
1
_
_
+ λ
_
_
1
4
2
_
_
en het punt P(3, 1, 2). Bereken
exact de afstand van P tot l.
Oplossing: d(P, l) =
¸
¸
¸
¸
_
¸
¸
¸
¸
¸
¸
_
_
2
1
1
_
_
¸
¸
¸
¸
¸
¸
2

(1·2+4·1+2·1)
2
1+16+4
=
_
6 −
64
21
=
_
2
20
21
=
_
62
21
Opgaven
52. Gegeven is de lijn l :

Q =
_
_
1
1
1
_
_
+ λ
_
_
−1
−1
1
_
_
en het punt P(1, 0, 0). Bereken
exact de afstand van P tot l.
53. Gegeven is de lijn l :

Q =
_
_
1
1
1
_
_
+ λ
_
_
−3
8
2
_
_
en het punt P(2, 5, 0). Bereken
exact de afstand van P tot l.
54. Gegeven zijn de punten P(2, 5, −3), Q(1, 0, 0) en R(1, 3, 4). Bereken exact de
oppervlakte van de driehoek PQR
54
55. Gegeven is de lijn l :

Q =
_
_
1
1
1
_
_
+ λ
_
_
a
−1
1
_
_
en het punt P(0, 4, 0). Bereken
exact de waarde voor a waarvoor afstand d(P, l) = 3.
56. Gegeven is het viervlak ABCD. Definieer r
1
=

B−

A, r
2
=

C −

A, r
3
=

D−

A
en n = r
1
×r
2
Stelling: Op basis van het inproduct is de formule voor de inhoud
I
ABCD
van het viervlak gelijk aan:
I
ABCD
=
1
6
_
< r
2
, r
2
>< r
1
, r
1
> −(< r
1
, r
2
>)
2
| < n, r
3
> |
|n|
(42)
Bewijs deze stelling (Tip: zie opgaven bij afstand tussen een lijn en een punt (
2.8.2)
57. Gegeven zijn de punten A(1, 0, 0), B(0, 1, 0), C(0, 0, 1) en D(1, 1, 1). Bereken
de inhoud van het viervlak ABCD
58. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
3.9.4 afstand tussen twee kruisende lijnen
De afstand d(l, m) tussen twee kruisende lijnen l en m in 3D is gedefinieerd als de
lengte van het kortste lijnstuk dat l met m verbindt. Laat Q het eindpunt van dit
lijnstuk zijn op l en P het eindpunt van dit lijnstuk op m.
In de vorige sectie, de afstand van een punt P tot een lijn l, maakten we een vlak
vloodrecht op l door P. Als snijpunt S van l en v dan moet ook

P −

S loodrecht
op l staan. Het punt S dat we zoeken moet dan gelijk zijn aan het punt Q, zodat

P −

Q loodrecht op l staat. Evenzo moet gelden dat

P −

Q loodrecht op m moet
staan.
Laat l :

Q = s
l
+λr
l
en m :

P = s
m
+µr
m
de vectorvoorstellingen voor de lijnen l
en m. De opdracht is nu het vinden van λ en µ waarvoor de verschilvector

P −

Q
loodrecht op beide lijnen staat ofwel
<

P −

Q, r
l
>= 0 ∧ <

P −

Q, r
m
>= 0
We beginnen met <

P −

Q, r
l
>= 0 op te lossen door het invullen van de vergelijk-
ingen voor

P en

Q.
<

P −

Q, r
l
> = 0 ⇒
55
< s
m
+ µr
m
−s
l
−λr
l
, r
l
> = 0 ⇒
< s
m
−s
l
+ µr
m
, r
l
> −λ < r
l
, r
l
> = 0 ⇒
λ =
< s
m
−s
l
+ µr
m
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
=
< s
m
−s
l
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
+ µ
< r
m
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
(43)
Hetzelfde doen we voor <

P −

Q, r
m
>= 0.
0 = <

P −

Q, r
m
>
= < s
m
+ µr
m
−s
l
−λr
l
, r
m
>
= < s
m
−s
l
+ µr
m

_
< s
m
−s
l
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
+ µ
< r
m
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
_
r
l
, r
m
>
= < s
m
−s
l

_
< s
m
−s
l
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
_
r
l
+ µ
_
r
m

< r
m
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
r
l
_
, r
m
>
= < s
m
−s
l
, r
m
> −
_
< s
m
−s
l
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
_
< r
l
, r
m
>

_
< r
m
, r
m
> −
< r
m
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
< r
l
, r
m
>
_

µ = −
< s
m
−s
l
, r
m
> −
_
<s
m
−s
l
,r
l
>
<r
l
,r
l
>
_
< r
l
, r
m
>
< r
m
, r
m
> −
<r
m
,r
l
>
<r
l
,r
l
>
< r
l
, r
m
>
=
< s
m
−s
l
, r
l
>< r
l
, r
m
> − < s
m
−s
l
, r
m
>< r
l
, r
l
>
< r
m
, r
m
>< r
l
, r
l
> − < r
m
, r
l
>
2
(44)
De afstand d(l, m) is gelijk aan de afstand d(P, Q):
d(l, m) = d(P, Q) = |

P −

Q| =
_
< (

P −

Q), (

P −

Q) > (45)
We berekenen nu eerst weer het inproduct < (

P −

Q), (

P −

Q) >.
< (

P −

Q), (

P −

Q) >
= < (

P −

Q), (s
m
+ µr
m
−s
l
−λr
l
) >
56
= < (

P −

Q), (s
m
−s
l
) > (want(

P −

Q) ⊥ r
l
enr
m
)
= < (s
m
+ µr
m
−s
l
−λr
l
), (s
m
−s
l
) >
= < (s
m
−s
l
), (s
m
−s
l
) >
+µ < r
m
, (s
m
−s
l
) >
−λ < r
l
, (s
m
−s
l
) >
= < (s
m
−s
l
), (s
m
−s
l
) >
+µ < r
m
, (s
m
−s
l
) >

_
< s
m
−s
l
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
+ µ
< r
m
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
_
< r
l
, (s
m
−s
l
) >
= < (s
m
−s
l
), (s
m
−s
l
) >

< s
m
−s
l
, r
l
>
2
< r
l
, r
l
>

_
< r
m
, (s
m
−s
l
) > −
< r
m
, r
l
>
< r
l
, r
l
>
< r
l
, (s
m
−s
l
) >
_
= < (s
m
−s
l
), (s
m
−s
l
) >

< s
m
−s
l
, r
l
>
2
< r
l
, r
l
>

_
< r
m
, (s
m
−s
l
) >< r
l
, r
l
> − < r
m
, r
l
>< r
l
, (s
m
−s
l
) >
< r
l
, r
l
>
_
= < (s
m
−s
l
), (s
m
−s
l
) >

< s
m
−s
l
, r
l
>
2
< r
l
, r
l
>
+
(< r
m
, (s
m
−s
l
) >< r
l
, r
l
>)
2
−(< r
m
, r
l
>< r
l
, (s
m
−s
l
) >)
2
< r
l
, r
l
> (< r
m
, r
m
>< r
l
, r
l
> − < r
m
, r
l
>
2
)
De afstand d(l, m) tussen twee lijnen l :

Q = s
l
+ λr
l
en m :

P = s
m
+ µr
m
is dus
gelijk aan:
d(l, m) =
¸
¸
¸
_
< (s
m
−s
l
), (s
m
−s
l
) > −
<s
m
−s
l
,r
l
>
2
<r
l
,r
l
>
+
(<r
m
,(s
m
−s
l
)><r
l
,r
l
>)
2
−(<r
m
,r
l
><r
l
,(s
m
−s
l
)>)
2
<r
l
,r
l
>(<r
m
,r
m
><r
l
,r
l
>−<r
m
,r
l
>
2
)
(46)
Bovenstaande formule geldt in alle dimensies groter dan 2. In 3D kan er ook nog een
andere eenvoudigere formule worden afgeleid. De afleiding gaat als volgt. Stel een
vergelijking op van het vlak v door een van de lijnen evenwijdig aan de andere lijn.
Het vlak dus door b.v, het eindpunt van s
l
en opgespannen door de richtingsvectoren
57
r
l
en r
m
van de twee lijnen. De gevraagde afstand tussen de twee lijnen is de afstand
tussen het vlak en de lijn m, ofwel de aftand van het eindpunt van s
m
tot v.
Opdracht: Leg uit waarom de afstand op deze manier kan worden berekend.
In formule vorm is dit:
d(l, m) = d(P, v) =
| < n
v
, s
m
−s
l
> |
|n
v
|
(47)
Voorbeeld
• Gegeven zijn de lijnen l :

P =
_
_
1
0
1
_
_

_
_
1
2
1
_
_
en m :

Q =
_
_
1
1
1
_
_

_
_
0
0
1
_
_
.
Bereken exact de afstand van l tot m.
Oplossing methode 1 s
l
−s
m
=
_
_
0
1
0
_
_
.
d(l, m) =
¸
¸
¸
_
< (s
m
−s
l
), (s
m
−s
l
) > −
<s
m
−s
l
,r
l
>
2
<r
l
,r
l
>
+
(<r
m
,(s
m
−s
l
)><r
l
,r
l
>)
2
−(<r
m
,r
l
><r
l
,(s
m
−s
l
)>)
2
<r
l
,r
l
>(<r
m
,r
m
><r
l
,r
l
>−<r
m
,r
l
>
2
)
=
¸
1 −
2
2
6
+
0
2
−2
2
6 (6 −1
2
)
=
_
1
5
Oplossing methode 2: Vectorvoorstelling vlak v door O is
v : S = λ
_
_
1
2
1
_
_
+ +µ
_
_
0
0
1
_
_
. normaalvector van v is n
v
=
_
_
−2
1
0
_
_
. s
m
−s
m
=
_
_
0
1
0
_
_
d(l, m) = d(P, v) =
| < n
v
, s
l
−s
m
> |
|n
v
|
=
|1|

5
=
1
5

5
58
Opgaven
59. Gegeven zijn de lijnen l :

P =
_
_
1
0
0
_
_

_
_
1
2
3
_
_
en m :

Q =
_
_
0
1
0
_
_

_
_
1
0
1
_
_
.
Bereken exact de afstand van l tot m.
60. Gegeven is de lijn l :

P =
_
_
1
0
0
_
_

_
_
1
2
3
_
_
en de punten Q(0, 0, 1) en R(1, 3, 4).
Bereken exact de afstand van l tot de lijn door Q en R.
61. Gegeven zijn de lijnen l :

P =
_
_
_
_
1
0
0
1
_
_
_
_

_
_
_
_
1
2
3
4
_
_
_
_
en m :

Q =
_
_
_
_
0
0
0
0
_
_
_
_

_
_
_
_
1
0
1
0
_
_
_
_
.
Bereken exact de afstand van l tot m.
62. gebruik methode 2 voor deze opgave. Gegeven zijn de lijnen l :

P =
_
_
2
0
0
_
_
+
λ
_
_
1
2
a
_
_
en m :

Q =
_
_
0
1
0
_
_
+ µ
_
_
1
0
1
_
_
. Bereken exact de waarden van a
waarvoor d(l, m) = 1
63. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
59
4 Transformaties: bewerkingen op vectoren
Je hebt eerder gezien dat het optellen van vectoren en het vermenigvuldigen van een
vector met een getal leiden tot een andere vector. Ook kunnen we een willekeurig
punt in een co¨ ordinatenstelsel weergeven als een vector waarin de elementen gelijk
zijn aan de co¨ordinaten van dat punt. In de meetkunde wil men vaak meer din-
gen met punten(en lijnstukken). Men wil puntenverzamelingen(tekeningen) kunnen
spiegelen, roteren, vergroten en strekken. Kortom men wil tekeningen (originelen)
kunnen veranderen in andere tekeningen (beelden). Dit proces noemen we een af-
beelding of transformatie. Afbeeldingen waarbij rechte lijnen recht blijven noemt
men lineaire afbeeldingen of lineaire transformaties.
De twee in de vorige alinea aangehaalde bewerkingen (optellen van een vector of
scalaire vermenigvuldiging) zijn twee lineaire transformaties. Er is echter nog een
andere klasse van lineaire afbeeldingen die we in de volgende sectie gaan behandelen.
4.1 Lineaire transformaties en matrices
Ook voor deze klasse lineaire afbeeldingen is er een algebra¨ısche aanpak ontwikkeld.
Voordat we op betekenis ingaan defini¨eren we eerst een matrix.
Een matrix (meervoud: matrices)
A =
_
_
_
_
a
11
a
12
· · · a
1n
a
21
a
22
· · · a
2n
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
a
m1
a
m2
· · · a
mn
_
_
_
_
is een korte notatie voor een een rij getallen geordend in m rijen (horizontaal) en
n kolommen (verticaal). Het getal dat zich in de i-de rij en de j-de kolom bevindt
wordt genoteerd als a
ij
. Een matrix A noemen we een vierkante matrix als m = n.
De dimensie van een matrix A met m rijen en n kolommen defini¨eren we als
m×n.
Hoewel er veel te zeggen is over niet vierkante matrices ligt het accent in deze tekst
op vierkante matrices.
Opgaven:
1. Geef de dimensies van de volgende matrices A en geef de waarde van A
31
60
A =
_
_
_
_
1 2 3
2 2 4
3 2 5
4 2 6
_
_
_
_
(antwoord op http://www.wolframalpha.com)
A =
_
_
_
_
_
_
_
_
1 2
2 2
3 2
4 2
5 2
6 2
_
_
_
_
_
_
_
_
A =
_
1 2 2 2 3 2
4 2 5 2 6 2
_
2. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
4.1.1 optellen van twee matrices
Als twee matrices A en B even groot zijn dat wil zeggen, beiden hebben m rijen
en n kolommen, dan kunnen twee matrices bij elkaar worden opgeteld. Net als bij
de vector optelling worden de overeenkomstige elementen bij elkaar opgeteld. Het
resultaat is een matrix C met de zelfde dimensie als A en B.
voorbeeld:
• Laat A =
_
1 2 3
4 5 6
_
en B =
_
2 3 4
6 8 10
_
, dan is
C = A+B =
_
1 2 3
4 5 6
_
+
_
2 3 4
6 8 10
_
=
_
3 5 7
10 13 16
_
Opgaven:
Bereken waar mogelijk:
3.
_
1 2
2 2
_
+
_
3 2
5 2
_
(antwoord op http://www.wolframalpha.com)
4.
_
_
1 2 3
2 2 2
3 2 1
_
_
+
_
_
6 2 4
1 1 1
4 2 2
_
_
61
5.
_
1 2
2 2
_
+
_
_
3 2
5 2
5 2
_
_
6. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
4.1.2 scalaire vermenigvuldiging van een matrix
Net als bij de scalaire vermenigvuldiging van een vector kan een matrix met een
getal worden vermenigvuldigd door alle elementen van de matrix met dat getal te
vermenigvuldigen.
voorbeeld:
• Laat A =
_
1 2 3
4 5 6
_
en c = 3, dan is
C = 3 · A = 3 ·
_
1 2 3
4 5 6
_
=
_
3 6 9
12 15 18
_
Opgaven:
Bereken:
7.
_
3 2
5 2
_
+ 2 ·
_
1 2
2 2
_
8.
_
_
6 2 4
1 1 1
4 2 2
_
_
−3 ·
_
_
1 2 3
2 2 2
3 2 1
_
_
9. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
62
4.1.3 vermenigvuldiging van een matrix met een vector
Een matrix A met dimensie m × n kun je met een vector x met n elementen als
volgt vermenigvuldigen:
Av =
_
_
_
_
a
11
a
12
· · · a
1n
a
21
a
22
· · · a
2n
.
.
.
.
.
.
.
.
.
a
m1
a
m2
· · · a
mn
_
_
_
_
_
_
_
_
v
1
v
2
.
.
.
v
n
_
_
_
_
=
_
_
_
_
a
11
v
1
+ a
12
v
2
+· · · + a
1n
v
n
a
21
v
1
+ a
22
v
2
+· · · + a
2n
v
n
.
.
.
a
m1
v
1
+ a
m2
v
2
+· · · + a
mn
v
n
_
_
_
_
(48)
Deze vermenigvuldiging noemen we een martixvermenigvuldiging van vector
v. Het resultaat is een vector met m elementen. De volgorde in de schrijfwijze
is belangrijk Av is niet gelijk aan vA. Merk op dat de vermenigvuldiging alleen
mogelijk is als het aantal kolommen in A gelijk is aan het aantal elementen ofwel
de dimensie van de vector v.
voorbeeld:
• Laat A =
_
_
2 3
5 6
7 8
_
_
en v =
_
−1
2
_
, dan is
Av =
_
_
2 3
5 6
7 8
_
_
=
_
−1
2
_
=
_
_
2 · (−1) + 3 · 2
5 · (−1) + 6 · 2
7 · (−1) + 8 · 2
_
_
=
_
_
4
7
9
_
_
Eigenschappen matrices 1
Voor de verzameling van m × n matrices gelden voor de tot nu toe behandelde
algebr¨ısche bewerkingen de volgende eigenschappen:
a) A+B = B+A (commutatieve eigenschap)
b) A+ (B+C) = (A+B) +C (associatieve eigenschap)
c) Er is een unieke m×n matrix die we de nulmatrix 0 noemen met de eigenschap
A+0 = A. De 0 matrix is volledig gevuld met nullen.
63
d) Voor elke matrix A is er een unieke m × n matrix weergegeven als −A uit
gesproken als min A zodat A+ (−A) = 0
e) 1 · A = A voor iedere matrix
f) (a · b)A = a(bA) voor willekeurige getallen a en b en iedere matrix.
g) a(A+B) = aA+ bB
h) (a + b)A = aA+ bA
i) A(u +v) = Au +Av als u, v beiden n dimensionale vectoren zijn.
j) (A+B)(u) = Au +Bu als u een n dimensionale vector is.
Opdracht: Bewijs deze eigenschappen
Binnen de verzameling van vierkante n ×n matrices bestaat er een unieke matrix
die we de eenheidsmatrix I noemen waarvoor geldt:
Iu = u
als u een n dimensionale vector is. De eenheidsmatrix heeft de volgende vorm:
I =
_
_
_
_
1 0 · · · 0
0 1 · · · 0
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
0 0 · · · 1
_
_
_
_
Opgaven:
Bereken:
10.
_
1 2
2 2
__
3
5
_
11.
_
_
1 2 3
2 2 2
3 2 1
_
_
_
_
6
1
4
_
_
12.
_
−1 3 3
0 1 2
_
_
_
6
1
1
_
_
64
13.
_
−1 3 3
_
_
_
3
1
1
_
_
14. Wat is het verband tussen het inproduct van de vectoren <
_
_
−1
3
3
_
_
,
_
_
3
1
1
_
_
>
en de matrixvermenigvuldiging uit de vorige opgave?
15. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
4.1.4 een interpretatie van lineaire transformaties
Eerder hebben we gezegd dat er een algebra¨ısche aanpak is om puntenverzamelin-
gen te kunnen spiegelen, roteren, vergroten en strekken om tot een beeld van die
puntenverzameling te komen. Algebra¨ısch wordt een lineaire afbeelding binnen ´e´en
vectorruimte van dimensie n (dat wil zeggen origineel en beeld hebben beide dimen-
sie n) gedefinieerd door een vierkante n ×n matrix. We zullen aan de hand van een
aantal geogebra applets laten zien wat je in twee dimensies zoal kunt verwachten.
4.1.5 spiegelen:
Er zijn twee elementaire vormen van spiegelen: puntspiegelen in de oorsprong en
lijnspiegelen in een lijn door de oorsprong. In de applet spiegelen (7) zijn matrices
gegeven voor spiegeling in de oorsprong A, spiegeling in de in x-as B en spiegeling
in de y-as C:
Au =
_
−1 0
0 −1
__
u
x
u
y
_
=
_
−u
x
−u
y
_
(49)
Bu =
_
1 0
0 −1
__
u
x
u
y
_
=
_
u
x
−u
y
_
(50)
Cu =
_
−1 0
0 1
__
u
x
u
y
_
=
_
−u
x
u
y
_
(51)
Opdracht: Wat is het resultaat van deze spiegelingen op het orgineel
_
3
4
_
Opdracht: In de applets kun je de co¨ ordinaten van de vector v veranderen. Doe
dat en analyseer de resultaten.
65
Figure 7: vectoren spiegelen Open geogebra/vectorspiegelen.ggb
−5 −4 −3 −2 −1 1 2 3 4
x
−3
−2
−1
1
2
3
4
y
0
¯ v =
_
1
1
_
¯ u = A¯ v =
_
−1 0
0 −1
__
1
1
_
=
_
−1
−1
_
Spiegelen: Matrices A,B,C voor spiegelen in
oorsprong (A), x-as(B) en y-as(C).
A =
_
−1 0
0 −1
_
B = C =
_
−1 0
0 1
_
¯ u ¯ w
¯ w = B¯ v =
_
1 0
0 −1
__
1
1
_
=
_
1
−1
_
¯ z
¯ z = C¯ v =
_
−1 0
0 1
__
1
1
_
=
_
−1
1
_
O
v
x
= 1
v
y
= 1
4.1.6 schalen:
De grootte van een vector veranderen kan op veel manieren. De meest eenvoudige
schaling is alleen een vergroting van de x en de y co¨ ordinaten van een vector met
respectievelijk de factoren a
11
en a
11
. De bijbehorende matrixvermenigvuldiging met
schalings matrix D is:
Du =
_
a
11
0
0 a
22
__
u
x
u
y
_
=
_
a
11
u
x
a
22
u
y
_
(52)
De applet schalen (8) biedt de mogelijkheid om de co¨ ordinaten van v in de x-richting
en y-richting afzonderlijk met een constante te vermenigvuldigen.
Verander de co¨efficienten a
11
en a
22
en analyseer de resultaten.
4.1.7 roteren:
Opdracht: In de applet eenheidscirkel (9) wordt het punt A over een hoek α gedraaid
naar punt E. Lijnstuk OA maakt een hoek β met lijnstuk OB. De co¨ ordinaten van A
zijn A = (cos(β), sin(β)). Laat met goniometrische formules zien dat de co¨ ordinaten
van E gelijk zijn aan E = (cos(α) cos(β)−sin(α) sin(β), sin(α) cos(β)+cos(α) sin(β))
66
Figure 8: vectoren schalen Open geogebra/vectorschalen.ggb
1 2 3 4 5 6
x
1
2
3
4
y
0
¯ v =
_
1
2
_
A =
_
a
11
0
0 a
22
_
=
_
2 0
0 0.5
_
¯ u = A¯ v =
_
2 0
0 0.5
__
1
2
_
=
_
2
1
_
Schalen: Lineaire afbeelding gedefinieerd door de matrix
O
a
11
= 2 a
22
= 0.5
Figure 9: rotatie om oorsprong op eenheidscirkel Open geogebra/eenheidscirkel.ggb
−1.5 −1 −0.5 0.5 1
−1.5
−1
−0.5
0.5
1
0
O
A
B β
C
D
E
α
Een rotatie in om de oorsprong over een hoek α radialen is weergegeven tegen de
klok in wordt beschreven door de matrix R:
R =
_
cos(α) −sin(α)
sin(α) cos(α)
_
Opdracht: Laat zien dat punt A uit de vorige opdracht inderdaad met deze ver-
menigvuldiging op E terecht komt.
Opdracht: In de applet roteren (10) kun je de hoek α voor de transformatie veran-
deren en je kunt de lengte van de beeldvector met de constante c schalen. Doe dit
en analyseer de resultaten.
Opdracht: Op wikipedia worden nog een aantal speciale transformaties geboden.
Probeer deze eens uit in applet alles te samen (11). Lees eerst onderstaande tekst
over samenvoegen van lineaire combinaties. Probeer daarna eens zelf samengestelde
transformaties uit te rekenen en te testen in applet 11 vrij uitgaande van de voor-
67
Figure 10: vectoren roteren Open geogebra/vectorroteren.ggb
1 2 3 4 5 6
x
−2
−1
1
2
3
4
y
0
¯ v =
_
1
−1
_
A = c
_
cos(α) −sin(α)
sin(α) cos(α)
_
=
_
0 −1
1 0
_
¯ u = A¯ v =
_
0 −1
1 0
__
1
−1
_
=
_
1
1
_
Roteren en vergroten:
O
α = 1.57 c = 1
beelden in de bovenstaande applets.
Figure 11: alles te samen Open geogebra/vectorvrij.ggb
1 2 3 4 5 6
x
−1
1
2
3
4
y
0
¯ v =
_
1
2
_
¯ v

= A¯ v =
_
0.5 0.87
−0.87 0.5
__
1
2
_
=
_
2.23
0.13
_
Vrij:
A =
_
a
11
a
12
a
21
a
22
_
=
_
0.5 0.87
−0.87 0.5
_
a
21
= −0.87
a
12
= 0.87
a
22
= 0.5
a
11
= 0.5
O
origineel
beeld
4.1.8 samenvoegen lineaire transformaties
Lineaire transformaties kunnen ook gecombineerd worden. Je kan bijvoorbeeld een
vector u eerst roteren met een matrix A. Dit levert beeldvector v. Daarna zou je v
kunnen spiegelen met een matrix B met als resultaat vector w. Dus
_
v = Au
w = Bv
68
Als we nu in de laatste vergelijking v vervangen door de berekening van v uit u
dan krijgen we
w = BAu.
Als we iets als C = BA zouden kunnen uitrekenen dan zouden we de afbeelding
van u naar w als ´e´en lineaire transformatie weergegeven door de matrix C kunnen
zien. Laten we eens in twee dimensies kijken hoe dat werkt.
Laat u =
_
x
y
_
, A =
_
a b
c d
_
en B =
_
e f
g h
_
Dan is
w = BAu
=
_
e f
g h
__
a b
c d
__
x
y
_
=
_
e f
g h
__
ax + by
cx + dy
_
=
_
e(ax + by) + f(cx + dy)
g(ax + by) + h(cx + dy)
_
=
_
(ea + fc)x + (eb + fd)y
(ga + hc)x + (gb + hd)y
_
=
_
ea + fc eb + fd
ga + hc gb + hd
__
x
y
_
= Cu
Je ziet dat er inderdaad een matrix C gevonden kan worden. Als je in het product
BA iedere kolom in A als een vector beschouwt, observeer dan dat iedere kolom
in C verkregen kan worden door B met de corresponderende kolom in A te ver-
menigvuldigen alsof het een matrixvermenigvuldiging met een vector is. Deze obser-
vatie geeft dan weer het volgende resultaat: Een matrixvermenigvuldiging C = AB
met A een m× n matrix en B een s × t matrix is alleen mogelijk als n = s ofwel
het aantal kolommen in A moet gelijk zijn aan het aantal rijen in B. De matrix C
heeft dan de dimensie m×t.
69
voorbeeld:
• Laat A =
_
3 1
0 2
_
en B =
_
2 1
4 3
_
dan is
C = BA =
_
2 1
4 3
__
3 1
0 2
_
=
_
2 · 3 + 1 · 0 2 · 1 + 1 · 2
4 · 3 + 3 · 0 4 · 1 + 3 · 2
_
=
_
6 4
12 10
_
Hier is de volgorde belangrijk, uitzonderingen daar gelaten geldt meestal: BA =
AB.
In ons voorbeeld geldt ook dat BA = AB:
• AB =
_
3 1
0 2
__
2 1
4 3
_
=
_
3 · 2 + 1 · 4 3 · 1 + 1 · 3
0 · 2 + 2 · 4 0 · 1 + 2 · 3
_
=
_
10 6
8 6
_
Opgaven:
Bereken indien mogelijk:
16.
_
−1 2
2 −2
__
1
4
_
17.
_
−1 2
2 −2
__
1 3
4 2
_
18.
_
1 2 3
2 2 2
_
_
_
6 1 3 2
1 2 1 −1
4 −1 −2 1
_
_
19.
_
_
6
1
1
_
_
_
−1 3 3
0 1 2
_
20. Het punt P =
_
3
4
_
wordt eerst gedraaid over een hoek van α =
π
6
. Ver-
volgens wordt de y-co¨ ordinaat met een factor 2

3 vergroot. Bepaal eerst de
samengestelde matrix en bereken daarna het beeld van P. Is het beeld van P
anders als er eerst vergroot wordt en daarna pas gedraaid?
21. Het punt P =
_
−1
3
_
wordt eerst gespiegeld in de x−as vervolgens wordt de y-
co¨ ordinaat met een factor −1 vermenigvuldigd. Bepaal eerst de samengestelde
matrix en bereken daarna het beeld van P. Aan welke twee andere transfor-
maties is deze samengestelde vergelijking identiek?
70
22. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
4.2 Eigenschappen van een lineaire transformatie: eigenwaarde, eigen-
vector en eigenruimte
Opdracht: Gegeven is de matrix M =
_
1 0
0 −2
_
en de puntenverzamelingen:
A =
__
−2
0
_
,
_
−1
0
_
,
_
1
0
_
,
_
2
0
__
B =
__
0
−2
_
,
_
0
−1
_
,
_
0
1
_
,
_
0
2
__
C =
__
−2
−2
_
,
_
−1
−1
_
,
_
1
1
_
,
_
2
2
__
Bepaal de beeldpunten van alle punten in de verzamelingen: Wat is het verschil
tussen de verzamelingen A of B en C?
Als A een lineaire transformatie is en v een element uit een vectorruimte V dan is
er iets speciaals met de vergelijking:
Av = λv, (53)
waarin λ een getal is.
Deze vergelijking heeft altijd de oplossing v =

0. Ofwel de oorsprong

0 wordt altijd
weer op de oorsprong afgebeeld.
Wat als we de vergelijking niet in v willen oplossen maar in λ voor v =

0?
Het blijkt dat voor een willekeurig gekozen v dit niet mogelijk is. Maar er zijn wel
combinaties van λ en v te vinden die aan de vergelijking voldoen. De meetkundige
interpretatie bij het oplossen van een dergelijke vergelijking is dat we op zoek zijn
naar deelruimten V
d
(lijnen,vlakken,...) van V die zelf ook weer een vectorruimte
zijn en die door de transformatie A onveranderd blijven. De deelruimten gaan dus
altijd door de oorsprong. bijvoorbeeld ligt v op de lijn m door de oorsprong en ligt
hethet beeld Av ook op de lijn m dan zal iedere andere u op die lijn ook weer op die
lijn worden afgebeeld. Daarnaast zal ieder beeld op die lijn een ”vergroting” met
factor λ van zijn origineel zijn.
71
voorbeeld:
• Een voorbeeld in twee dimensies: Gegeven is de transformatie
A =
_
1 0
0 −2
_
Deze transformatie is een spiegeling in de x-as waarbij het spiegelbeeld twee
keer vergroot wordt. De combinatie λ
1
= 1 samen met vectoren van de vorm
v
1
=
_
x
0
_
(=x-as) voldoen aan de vergelijking evenals de combinatie λ
2
= −2
en vectoren van de vorm v
2
=
_
0
y
_
(=y-as). De x-as en de y-as worden dus
op zichzelf afgebeeld.
Opdracht: Overtuig jezelf door de vector v in de applet schalen 12 te veranderen.
Zijn er voor A uit het voorbeeld nog andere lijnen die door de oorsprong gaan en
waarvan het beeld van een vector op die lijn weer op die lijn ligt?
Opdracht: Onderzoek met de applet 12 welke twee lijnen onveranderlijk zijn en
hoe groot de schalingsfactoren voor die lijnen zijn voor de transformatie
A =
_
−3 0
0 2
_
Opdracht: Onderzoek met de applet 12 welke twee lijnen onveranderlijk zijn en
hoe groot de schalingsfactoren voor die lijnen zijn voor de transformatie
A =
_
2 2
−2 −3
_
De waarden λ
1
= 1 en λ
2
= −2 bij het bovengenoemde voorbeeld noemt men
de eigenwaarden (karakteristieke waarde) van de matrix uit het voorbeeld ofwel
lineaire transformatie. In de deelruimte die op zichzelf wordt afgebeeld noemt men
een willekeurige vector een eigenvector. De eigenvectoren die bij verschillende
eigenwaarden horen zijn lineair onafhankelijk. Dat wil zeggen dat ze niet in de
zelfde onveranderlijke deelruimte liggen. Als bijvoorbeeld twee deelruimten lijnen
zijn dan betekent dit dat er geen constante c te vinden is zodanig dat v
1
= c · v
2
,
ofwel de lijnen vallen niet samen, maar snijden in de oorsprong (

0).
Als in een twee (of n) dimensionale ruimte twee (of n) vectoren onderling onafhanke-
lijk zijn dan kan iedere andere vector in die ruimte worden geschreven als een unieke
lineaire combinatie van die twee( of n) vectoren, ofwel
u = c
1
v
1
+ c
2
v
2
; u = c
1
v
1
+ c
2
v
2
+ . . . + c
n
v
n
(54)
72
Figure 12: Eigenwaarden en eigenruimten Open geogebra/vectorEigen.ggb
−1 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
x
−2
−1
1
2
3
4
y
0
v

= Av =
_
1 0
0 −2
__
1
1
_
=
_
1
−2
_
A =
_
a
11
a
12
a
21
a
22
_
=
_
1 0
0 −2
_
v =
_
v
x
v
y
_
=
_
1
1
_
v
y
= 1
v
x
= 1
a
21
= 0
a
12
= 0
a
22
= −2
a
11
= 1
O
Opdracht: Bewijs deze eigenschap in 2D door a en b op te lossen uit de volgende
vergelijking
a
_
v
1x
v
1y
_
+ b
_
v
2x
v
2y
_
= a
_
u
x
u
y
_
Voor het beeld van u geldt dan
Au = A(c
1
v
1
+ c
2
v
2
) = c
1
Av
1
+ c
2
Av
2
= c
1
λ
1
v
1
+ c
2
λ
2
v
2
Ofwel het beeld van u gaat met de zelfde co¨efficienten c
1
en c
2
over in een lineaire
combinatie van de beelden van de eigenvectoren. Let wel dit gaat alleen op als
er alleen net zoveel verschillende eigenwaarden zijn als het aantal rijen
van de vierkante matrix. Later gaan we in op het geval dat er minder
eigenwaarden zijn.
4.2.1 eigenwaarde en de karakteristieke vergelijking
Hoe bepaal je nu alle eigenwaarden λ voor een vierkante matrix A en de bijbehorende
eigenvectoren? Beschouw weer de vergelijking:
Av = λv
waarin λ een getal is.
Deze kan worden herschreven tot
Av −λv = (A−λI) v = 0,
73
hierin is I de eenheidsmatrix.
Omdat we op zoek zijn naar oplossingen waarvoor v =

0 moeten we opzoek naar
combinaties λ en v waarvoor de vergelijking geldt. Zonder bewijs geven we hier
de methode om tot een karakteristieke vergelijking te komen waaruit λ kan worden
berekend. Daarvoor moeten we eerst de determinant van een vierkante matrix
introduceren. We geven eerst een rekenrecept voor twee dimensies. Daarna geven
we het recept voor drie dimensies.
Gegeven is de vierkante 2 ×2 matrix:
A =
_
a
11
a
12
a
21
a
22
_
De determinant det(A) van een 2 × 2 matrix A is een getal verkregen door het
volgende recept
det(A) =
¸
¸
¸
¸
a
11
a
12
a
21
a
22
¸
¸
¸
¸
= a
11
· a
22
−a
12
· a
21
. (55)
voorbeeld:
• Bepaal de determinant van de matrix A =
_
2 1
4 3
_
.
det(A) = 2 · 3 −4 · 1 = 2.
Gegeven is de vierkante 3 ×3 matrix
A =
_
_
a
11
a
12
a
13
a
21
a
22
a
23
a
31
a
32
a
33
_
_
De determinant det(A) van A matrix kan als volgt worden berekend:
det(A) = a
11
det
_
a
22
a
23
a
32
a
33
_
−a
12
det
_
a
21
a
23
a
31
a
33
_
+a
13
det
_
a
21
a
22
a
31
a
32
_
.(56)
74
voorbeeld:
• Bepaal de determinant van de matrix B =
_
_
1 2 3
0 0 1
1 0 1
_
_
det(B) = 1 det
_
0 1
0 1
_
−2 det
_
0 1
1 1
_
+ 3 det
_
0 0
1 0
_
= 1 · 0 −2 · (−1) + 3 · 0 = 2
Opgaven:
Bepaal de exacte waarde van de determinant van de volgende matrices:
23. A =
_
2 3
5 8
_
(antwoord op http://www.wolframalpha.com/input/?i={{2,3},{5,8}})
24. B =
_
−4 1
−5 2
_
25. C =
_
1
2

1
8
1
9
1
3
_
26. D =
_
_
2 3 1
1 5 8
−1 1 2
_
_
27. E =
_
_
1
2
3
4
1
2
3
2
3
2
1
6
−1
1
2
4
9
_
_
28. F =
_
_
2

2 3
_
(3)
2

3 5

2 8

2
−1

2 1 2
_
_
29. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent
Opdracht: Voor het berekenen voor de determinant van vierkant matrices in hogere
dimensie verwijzen we je naar wikipedia of Wolfram Mathworld. Daar vind je ook
nog andere eigenschappen van determinanten die we hier niet behandelen. Probeer
eens de determinant te vinden voor de matrix
_
_
_
_
1 1 −1 −1
2 1 −2 −1
1 3 −3 −1
0 1 0 −1
_
_
_
_
75
Nu terug naar het vinden van de eigenwaarden en eigenvectoren uit de vergelijking
(A−λI) v = 0.
Ook hier beginnen we weer in twee dimensies. Laat
A =
_
a
11
a
12
a
21
a
22
_
,
dan is
(A−λI) v = 0.
te schrijven als
__
a
11
a
12
a
21
a
22
_
−λ
_
1 0
0 1
__
v =
_
a
11
−λ a
12
a
21
a
22
−λ
_
v = 0
Er blijkt nu te gelden dat we λ kunnen bepalen door de determinant van (A−λI)
gelijk te stellen aan 0. Dit leidt tot de karakteristieke vergelijking:
det (A−λI) =
¸
¸
¸
¸
a
11
−λ a
12
a
21
a
22
−λ
¸
¸
¸
¸
= (a
11
−λ)(a
22
−λ) −a
12
a
21
= 0
Dit is een kwadratische vergelijking in λ. Een kwadratische vergelijking heeft niet
altijd een oplossing als λ een re¨eel getal zou moeten zijn. Die beperking hoeven
we ons echter niet op te leggen. Sterker nog die beperking is zelfs ongewenst. Bin-
nen de verzameling van complexe getallen (zie complexe getallen door Jan van de
Craats voor een introductie ) heeft een kwadratische vergelijking altijd twee (mo-
gelijk samenvallende) oplossingen λ
1
en λ
2
. Hebben we twee eigenwaarden gevonden
dan kunnen de bijbehorende eigenvectoren worden verkregen door v
1
en v
2
op te
lossen uit: (A−λ
1
I)) v
1
=

0 en (A−λ
2
I)) v
2
=

0.
4.2.2 twee re¨ele eigenwaarden
voorbeeld:
• Bepaal de eigenwaarden en de eigenvectoren van de matrix A =
_
4 −2
3 −1
_
.
det(A−λI) =
¸
¸
¸
¸
4 −λ −2
3 −1 −λ
¸
¸
¸
¸
= (4 −λ)(−1 −λ) + 6
= λ
2
−3λ + 2 = (λ −1)(λ −2) = 0
76
Hier uit volgt dat λ
1
= 1 en λ
2
= 2 de gevraagde eigenvectoren berekenen we
nu per eigenwaarde:
λ
1
= 1: Los op (A−1I) v
1
=

0
_
3 −2
3 −2
__
v
1x
v
1y
_
=
_
0
0
_

_
3v
1x
−2v
1y
= 0
3v
1x
−2v
1y
= 0
Beide vergelijkingen geven 3v
1x
= 2v
1y
ofwel 3v
1x
/2 = v
1y
. We kunnen nu een
willekeurige x co¨ ordinaat kiezen b.v v
1x
= 2 ⇒v
1y
= 3. Een eigenvector is dan
v
1
=
_
2
3
_
λ
2
= 2: Los nu op (A−2I) v
2
=

0
_
2 −2
3 −3
__
v
2x
v
2y
_
=
_
0
0
_

_
2v
2x
−2v
2y
= 0
3v
1x
−3v
2y
= 0
Beide vergelijkingen geven v
2x
= v
2y
. We kunnen nu een willekeurige x co¨ ordinaat
kiezen b.v v
2x
= 1 ⇒v
2y
= 1. Een eigenvector is dan
v
2
=
_
1
1
_
Vectoren op de lijn y = x worden dus met een factor 2 verlengd en vectoren op
de lijn y = 3x/2 worden precies op de zelfde plek afgebeeld.
Opdracht: Controleer dit in de applet eigenwaarden en eigenruimte 12.
Laat met een berekening zien dat het beeld van u = 2 · v
1
− 2 · v
2
=
_
2
4
_
gelijk
is aan u

= 2 · 1 · v
1
−2 · 2 · v
2
=
_
0
2
_
= Au.
Opgaven:
Bepaal de eigenwaarden en eigenvectoren voor de volgende matrices:
30. A =
_
2 1
−5 8
_
(antwoord op http://www.wolframalpha.com/input/?i={{2,1},{-5,8}})
77
31. B =
_
−4 1
−5 2
_
32. C =
_
−5 2
2 1
_
33. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent
4.2.3 twee complexe eigenwaarden
In bovenstaand voorbeeld waren de eigenwaarden re¨ele getallen. Het kan ook zijn
dat er twee complexe eigenwaarden zijn. De eigenvectoren zijn dan ook complex.
Complexe eigenwaarden horen bij matrices waarin een rotatie aanwezig is. We bek-
ijken weer een voorbeeld.
voorbeeld:
• Bepaal de eigenwaarden en eigenvectoren voor de matrix A =
_
1 −1
2 3
_
.
det(A−λI) =
¸
¸
¸
¸
1 −λ −1
2 3 −λ
¸
¸
¸
¸
= (1 −λ)(3 −λ) + 2
= λ
2
−4λ + 3 + 2 = (λ −2)
2
+ 1 = 0
Hier uit volgt dat λ
1
= 2 + i en λ
2
= 2 −i de gevraagde eigenwaarden zijn De
gevraagde eigenvectoren berekenen we weer per eigenwaarde.
λ
1
= 2 +i: Los nu op (A−(2 + i)I) v
1
=

0
_
−1 −i −1
2 1 −i
__
v
1x
v
1y
_
=
_
0
0
_

_
−(1 + i)v
1x
−v
1y
= 0
2v
1x
+ (1 −i)iv
1y
= 0
Beide vergelijkingen geven (−1−i)v
1x
= v
1y
. We kunnen nu weer een willekeurige
y co¨ ordinaat kiezen b.v v
1y
= 1 ⇒v
1x
= −1 −i. Een eigenvector is dan
v
1
=
_
−1 −i
1
_
λ
2
= 2 −i: Los nu op (A−(2 −i)I) v
2
=

0
_
−1 + i −1
2 1 +i
__
v
2x
v
2y
_
=
_
0
0
_

_
(−1 + i)v
2x
−v
2y
= 0
2v
1x
+ (i + 1)v
2y
= 0
78
Beide vergelijkingen geven (−1 +i)v
2x
= v
2y
. We kunnen nu een willekeurige y
co¨ ordinaat kiezen b.v v
2x
= 1 ⇒v
2y
= −1 + i. Een eigenvector is dan
v
2
=
_
−1 + i
1
_
Opgaven:
Bepaal de eigenwaarden en eigenvectoren voor de volgende matrices:
34. A =
_
1 5
−1 3
_
(antwoord op http://www.wolframalpha.com/input/?i={{1,5},{-1,3}})
35. B =
_
−2 6
−1 2
_
36. C =
_
1
2

1
8
1
9
1
3
_
37. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent
4.2.4 twee samenvallende eigenwaarden
Als laatste is er nog het geval van twee samenvallende eigenwaarden ofwel ´e´en re¨ele
eigenwaarde met multipliciteit twee. Het vinden van twee verschillende onafhanke-
lijke eigenvectoren behoeft dan wat extra uitleg. Bij ´e´en re¨ele eigenwaarde kun-
nen we direct ´e´en eigevector v
1
bepalen. Voor deze eigenvector geldt natuurlijk
(A−λI)v =

0. Het blijkt nu dat voor een eigenwaarde met mutlipliciteit twee een
tweede eigenvector gevonden kan worden door de vergelijking (A−λI)
2
v
2
=

0 op te
lossen die lineair onahankelijk is van v
1
. (A− λI)
2
v
2
=

0 is ook te schrijven is als
(A−λI) ((A−λI)v
2
) =

0 ligt v
2
of in de zelfde deelruimte als v
1
, maar dan zijn de
twee eigenvectoren niet onafhankelijk, of v
2
ligt in de deelruimte die door de matrix
(A−λI) wordt afgebeeld op de deelruimte die door v
1
wordt opgespannen ofwel we
kunnen v
2
oplossen uit:
(A−λI)v
2
= µv
1
(57)
Omdat µ slechts een schalings factor en we slechts in een richting zijn ge¨ınteresseerd
kan µ = 1 owrden gekozen.
79
Het is nu niet meer zo dat u = a · v
1
+ b · v
2
door A wordt afgebeeld op u

=
a · λv
1
+ b · λv
2
maar op
u

= a · λv
1
+ b · Av
2
= a · λv
1
+ b · (λv
2
+v
1
) =
(a · λ + b)v
1
+ b · λv
2
(58)
voorbeeld:
• Bepaal de eigenwaarden en eigenvectoren voor de matrix A =
_
1 −1
1 3
_
.
det(A−λI) =
¸
¸
¸
¸
1 −λ −1
1 3 −λ
¸
¸
¸
¸
= (1 −λ)(3 −λ) + 1
= λ
2
−4λ + 3 + 1 = (λ −2)
2
= 0
Hier uit volgt dat λ = 2 is een eigenwaarde met mutlipliciteit twee.
λ = 2: Los nu op (A−2I) v
1
=

0
_
−1 −1
1 1
__
v
1x
v
1y
_
=
_
0
0
_

_
−v
1x
−v
1y
= 0
v
1x
+ v
1y
= 0
Beide vergelijkingen geven v
1x
= −v
1y
. We kunnen nu weer een willekeurige y
co¨ ordinaat kiezen b.v v
1y
= 1 ⇒v
1x
= −1. Een eigenvector is dan
v
1
=
_
−1
1
_
Voor de tweede eigenvector lossen we op: (A−2I) v
2
= v
1
_
−1 −1
1 1
__
v
2x
v
2y
_
=
_
−1
1
_

_
−v
2x
−v
2y
= −1
v
2x
+ v
2y
= 1
Kies v
2x
= 1 dan is v
2y
= 0 dan is v
2
=
_
1
0
_
.
Merk op dat inderdaad v
2
en v
1
onderling onafhankelijk zijn.
80
Opgaven:
Bepaal de eigenwaarden en de bijbehorende eigenvectoren voor de volgende matrices:
38. A =
_
−1 −4
1 −5
_
.
39. B =
_
−1
3
2

3
2
2
_
.
40. C =
_
−3

2 −3
2

2
_
.
41. D =
_
3

2 −3
2

2
_
.
42. E =
_
−3

2 3
2

2
_
.
43. Voor welke waarden van a heeft de matrix Are¨ele eigenwaarden A =
_
−3 1
a 2
_
.
44. Voor welke waarden van a heeft de matrix A twee re¨ele eigenwaarden A =
_
−1 −2
a 3a
_
.
45. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
4.2.5 hogere dimensie
In drie dimensies kunnen we net als in twee dimensies een karakteristieke vergelijking
opstellen. Namelijk door de determinant van (A−λI) gelijk aan nul te stellen.
|A−λI| =
¸
¸
¸
¸
¸
¸
a
11
−λ a
12
a
13
a
21
a
22
−λ a
23
a
31
a
32
a
33
−λ
¸
¸
¸
¸
¸
¸
= (a
11
−λ)(a
22
−λ)(a
33
−λ)
+a
12
a
23
a
31
+ a
13
a
21
a
32
−a
13
(a
22
−λ)a
31
−(a
11
−λ)a
23
a
32
−a
12
a
21
(a
33
−λ)
= 0 (59)
81
Dit is een derdegraadsvergelijking die drie, mogelijk samenvallende, oplossingen
heeft. Hieronder is het algemene recept te vinden voor het algebra¨ısch oplossen van
een derdegraadsvergelijking. Voor hogeregraadsvergelijkingen zijn er geen algemene
oplossingsformules. Sterker nog het is bewezen dat die er ook niet kunnen zijn.
Omdat de theorie uit deze sectie veel wordt in de analyse van continue dynamische
systemen die in de praktijk vaker in hogere dimensies worden toegepast is het nut van
het recept voor derdegraadsvergelijking vrij klein en worden vergelijkingen numeriek
opgelost.
Intermezzo:
De oplossingen voor een vergelijking λ
3
+ aλ
2
+ bλ + c = 0 in C zijn
λ = −
1
3
a + T

λ = −
1
3
a +
−T+i

3T
2
+4p
2

λ = −
1
3
a +
−T−i

3T
2
+4p
2
Hierbij is T =
3

T
1
+
3

T
2
,
T
1
=
1
2
q +

r ;
T
2
=
1
2
q −

r;
p = b −
1
3
a
2
;
q = −
2
27
a
3
+
1
3
ab −c ;
r =
_
1
2
q
_
2
+
_
1
3
p
_
3
.
voorbeeld:
• Bepaal de eigenwaarden en eigenvectoren voor de matrix A =
_
_
1 0 0
0 1 −1
0 1 1
_
_
.
De karakteristieke vergelijking voor de matrix A is:
det(A−I) =
¸
¸
¸
¸
¸
¸
1 −λ 0 0
0 1 −λ −1
0 1 1 −λ
¸
¸
¸
¸
¸
¸
= (1 −λ)(1 −λ)(1 −λ) −(1 −λ)(−1)1 =
(1 −λ)((1 −λ)
2
+ 1) = 0
Deze vergelijking heeft als oplossingen:
(1 −λ) = 0 ⇔ λ = 1

(1 −λ)
2
+ 1 = 0 ⇒ λ = 1 + i ∨ λ = 1 −i
λ
1
= 1: De eigenvector v
1
voor deze eigenwaarde lossen we op uit
(A−λI)v
1
=
_
_
0 0 0
0 0 −1
0 1 0
_
_
_
_
v
1x
v
1y
v
1z
_
_
=

0 =
_
_
0
0
0
_
_

_
_
_
0 = 0
−v
1z
= 0
v
1y
= 0
.
We mogen v
1x
vrij kiezen. De vector v
1
=
_
_
1
0
0
_
_
is dus een eigenvector.
λ
1
= 1 + i: De eigenvector v
2
voor deze eigenwaarde lossen we op uit
82
(A−(1+i)I)v
2
=
_
_
−i 0 0
0 −i −1
0 1 −i
_
_
_
_
v
2x
v
2y
v
2z
_
_
=

0 =
_
_
0
0
0
_
_

_
_
_
−iv
2x
= 0
−iv
2y
−v
2z
= 0
v
2y
−iv
2z
= 0
.
Dus v
2x
= 0 en de laatste twee vergelijkingen leveren v
2y
= iv
2z
. Kiezen we
v
2z
= 1 dan is de vector v
2
=
_
_
0
i
1
_
_
een eigenvector.
λ
1
= 1 −i: De eigenvector v
2
voor deze eigenwaarde lossen we op uit
(A−(1+i)I)v
2
=
_
_
i 0 0
0 i −1
0 1 i
_
_
_
_
v
3x
v
3y
v
3z
_
_
=

0 =
_
_
0
0
0
_
_

_
_
_
iv
3x
= 0
iv
3y
−v
3z
= 0
v
3y
+ iv
3z
= 0
.
Dus v
3x
= 0 en de laatste twee vergelijkingen leveren v
3y
= −iv
3z
. Kiezen we
v
3z
= 1 dan is de vector v
2
=
_
_
0
−i
1
_
_
een eigenvector.
Opgaven:
Bepaal de eigenwaarden en de bijbehorende eigenvectoren voor de volgende matrices:
46. A =
_
_
1 0 1
0 2 0
0 0 −1
_
_
.
47. B =
_
_
1 0 1
0 2 −1
0 1 −1
_
_
.
4.2.6 inverse matrix
Gegeven is de twee dimensionale transformatie A =
_
a b
c d
_
. Passen we deze
tansformatie toe op x dan krijgen we het beeld x

= Ax. Nemen we als startpunt x

dan is er meestal ook een transformatie die als beeld x oplevert. Deze transformatie
noemen we de inverse van A en wordt aangegeven met A
−1
. Pas je eerst A toe
op x en vervolgens A
−1
dan ben je weer terug in de oorspronkelijke toestand dus:
A
−1
Ax = x, zodat A
−1
A gelijk moet zijn aan de eenheidsmatrix I.
83
De inverse matrix A
−1
kun je uit A als volgt bepalen.
A
−1
=
1
det(A)
_
d −b
−c a
_
(60)
Het mag nu duidelijk zijn dat de voorwaarde van het bestaan van A
−1
is dat det(A)
niet gelijk aan 0 mag zijn.
Opdracht: Toon met een berekening aan dat inderdaad geldt A
−1
A = I.
Opdracht: Geef een meetkundige betekenis aan de voorwaarde det(A) = 0.
voorbeeld:
• Bepaal de inverse van de matrix A =
_
1 −1
2 3
_
.
Antwoord: A
−1
=
1
1·3−2·(−1)
_
3 1
−2 1
_
=
_
3
5
1
5

2
5
1
5
_
Opgaven:
48. Bepaal exact de inverse (indien mogelijk) van de matrices:
(a) A =
_
4 5
1 2
_
.
(b) B =
_
3 2
−6 −4
_
.
(c) C =
_
2 −1
−2 3
_
.
49. Voor welke exacte waarden van a hebben de volgende matrices geen inverse?
(a) A =
_
a a
8 a
_
.
(b) B =
_
4 a
a
2
a
_
.
(c) C =
_
3 a
a 9
_
.
50. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
84
In hogere dimensies is het berekenen van de inverse (hoewel in essentie het zelfde
recept geldt) een stuk ingewikkelder. We zullen het algemene recept voor een n ×n
matrix geven en het voor een 3 ×3 matrix handmatig doen. Computers kunnen dit
echt veel sneller (niet noodzakelijkerwijs beter!)
Gegeven is de n ×n (n ≥ 2) matrix A
A =
_
_
a
11
. . . a
.
.
.
.
.
.
.
.
.
a
n1
. . . a
n,n
_
_
De inverse van deze matrix is gegeven als
A
−1
=
1
det(A)
adj(A)
adj(A) noemt men de geadjugeerde matrix van A. Dit is ook een n ×n matrix
waarvan de elementen adj(A)
ij
als volgt worden berekend:
adj(A)
ij
= (−1)
i+j
M
ji
M
ji
noemt men een minor van de matrix A. Dit is de determinant van een
(n−1)×(n−1) matrix die men krijgt door de j-de rij en i-de kolom uit Aweg te laten.
voorbeeld:
• Tijd voor een voorbeeld. Bepaal de inverse van de matrix A =
_
_
1 −1 2
1 2 3
−1 2 5
_
_
.
Antwoord: Gebruik de definities voor de determinant van de 2D (55) en 3D
(56) matrices.
det(A) = 1 det
_
2 3
2 5
_
−(−1) det
_
1 3
−1 5
_
+ 2 det
_
1 2
−1 2
_
= 1 · 4 + 1 · 8 + 2 · 4 = 20
De volgende stap is het berekenen van alle minoren en de daaruitvolgende
elementen van adj(A). In de bovenstaande berekening hebben we al de minoren
85
M
11
= 4, M
12
= 8 en M
13
= 4. Op de zelfde wijze berekenen we de overige
minoren:
M
11
= 4 ⇒adj(A)
11
= (−1)
(1+1)
(4) = 4
M
12
= 8 ⇒adj(A)
21
= (−1)
(2+1)
(8) = −8
M
13
= 4 ⇒adj(A)
31
= (−1)
(3+1)
(4) = 4
M
21
= det
_
−1 2
2 5
_
= −9 ⇒adj(A)
12
= (−1)
(1+2)
(−9) = 9
M
22
= det
_
1 2
−1 5
_
= 7 ⇒adj(A)
22
= (−1)
(2+2)
(7) = 7
M
23
= det
_
1 −1
−1 2
_
= 1 ⇒adj(A)
32
= (−1)
(3+2)
(1) = −1
M
31
= det
_
−1 2
2 3
_
= −7 ⇒adj(A)
13
= (−1)
(1+3)
(−7) = −7
M
32
= det
_
1 2
1 3
_
= 1 ⇒adj(A)
23
= (−1)
(2+3)
(1) = −1
M
33
= det
_
1 −1
1 2
_
= 3 ⇒adj(A)
33
= (−1)
(3+3)
(3) = 3
Zodat A
−1
gelijk is aan
A
−1
=
1
20
_
_
4 9 −7
−8 7 −1
4 −1 3
_
_
Laat zien dat inderdaad A
−1
A = I
Opgaven:
51. Bepaal exact de inverse (indien mogelijk) van de matrices:
(a) A =
_
_
4 9 −7
−8 7 −1
4 −1 3
_
_
.
(b) B =
_
_
1 1 1
0 0 1
1 −1 −1
_
_
.
86
(c) C =
_
_
1 2 1
1 0 1
0 1 0
_
_
.
(d) C =
_
_
1 0 0
0 1 0
0 0 1
_
_
.
52. Voor welke exacte waarden van a heeft de volgende matrix geen inverse? B =
_
_
a 1 1
0 0 1
1 a −1
_
_
53. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
54. Analyseer het oppervlak van het beeld V

= AV van vierkant
V =
__
0
0
_
,
_
0
1
_
,
_
1
0
_
,
_
1
1
__
in combinatie met de waarde van de determinant van de matrix
A =
_
a 0
0 b
_
55. Beschouw de inhoud van het beeld K

= AK vanvan kubus
K =
_
_
_
_
_
0
0
0
_
_
,
_
_
1
0
0
_
_
,
_
_
1
1
0
_
_
,
_
_
0
1
0
_
_
,
_
_
0
0
1
_
_
,
_
_
1
0
1
_
_
,
_
_
1
1
1
_
_
,
_
_
0
1
1
_
_
_
_
_
in combinatie met de waarde van de determinant van de matrix
C =
_
_
a 0 0
0 b 0
0 0 c
_
_
87
4.3 Praktische betekenis van eigenwaarden en eigenvectoren
We hebben eerder gezien dat vector x in een twee dimensionale ruimte kan worden
geschreven als een unieke combinatie van twee willekeurige onafhankelijke vectoren
u en v (u = a · v).
x = a · u + b · v
In een n-dimensionale ruimte kan iedere vector x in als een combinatie van n
willekeurige onafhankelijke vectoren.
voorbeeld:
• Gegeven zijn de vectoren x =
_
4
5
_
, u =
_
1
2
_
en v =
_
−1
1
_
. Bepaal de
waarden a en b zodat x = a · u + b · v.
Oplossing:
_
4
5
_
= a
_
1
2
_
+ b ·
_
−1
1
_

_
4 = a −b
5 = 2a + b
_

_
4 = a −b
9 = 3a
_

_
1 = b
3 = a
_
Dus x = 3 · u + 1 · v
Als een transformatie in n dimensies weergegeven door matrix A n verschillende
eigenwaarden λ
1
, λ
2
, · · · , λ
n
, dan zijn er n bijbehorende onafhankelijke eigenvectoren
v
1
, v
2
, · · · , v
n
. Een vector x in deze ruimte kan dan worden geschreven als een com-
binatie van deze eigenvectoren:
x = c
1
v
1
+ c
2
v
2
+· · · c
n
v
n
Stelling: Zonder bewijs: Als je herhaald (n keer) de zelfde matrix A toepast op
een beginpunt x waarvoor geldt dat x = a · v waarin v een eigenvector is, dan is het
eindresultaat de vector

Q = A
n

P = A· · · A

P = aλ
n

P.
Opdracht: Bewijs deze stelling.
88
Conclusie: Omdat iedere vector x in een n dimensionale ruimte kan worden
geschreven als een combinatie van de eigenvectoren x = x = c
1
v
1
+ c
2
v
2
+ · · · c
n
v
n
van een matrix A is eindresultaat de vector x
m
= A
m
x = A· · · Ax = Σ
n
i=1
c
i
λ
m
i
v
i
.
Opdracht: Bewijs deze conclusie.
Voorbeeld:
• Bepaal de directe formule

Q
n
voor de reeks

Q
n
= A

Q
n−1
met

Q
0
=

P waarin
A =
_
4 −2
3 −1
_
en

P =
_
3
4
_
.
Oplossing: Merk eerst op dat het hier om een meetkundige reeks gaat. Dus

Q
n
= A
n

P
De matrix is in een eerder voorbeeld geanalyseerd en heeft eigenwaarden λ
1
= 1
en λ
2
= 2 met eigenvectoren v
1
=
_
2
3
_
en v
2
=
_
1
1
_
In dit geval is het eenvoudig in te zien dat

P = 1 · v
1
+ 1 · v
2
De gevraagde directe formule is dus

Q
n
= 1 · 1
n
v
1
+1 · 2
n
v
2
=
_
2
3
_
+2
n
_
1
1
_
Conclusie: Voor n naar oneindig komt

Q voor willekeurige

P steeds dichter bij de
ruimte te liggen die wordt opgespannen door de eigenvector waarvoor |λ| het grootst
is. Als voor alle eigenwaarden van matrix A geldt |λ| ≤ 1. Dan gaat A
n

P →

0 voor
n →∞
Opdracht: Bewijs deze conclusie.
4.3.1 lineaire recurrente betrekking van de eerste orde
Gegeven is reeks u
n
= Au
n−1
+

b. Het evenwicht van deze reeks wordt als volgt
verkregen:
u = Au +

b ⇒
u −Au =

b ⇒
(I −A)u =

b ⇒
u = (I −A)
−1

b.
Dit evenwicht kan alleen bestaan als det(I − A) = 0. Het evenwicht is stabiel als
voor alle eigenwaarden van matrix A geldt |λ| ≤ 1. Als dit niet het geval is dan is
het evenwicht niet stabiel.
89
Figure 13: Lineaire recurrente betrekking van de eerste orde Open ejs/Trans2dandverp.html
voorbeeld:
• Gegeven is de reeks u gegeven door de recursieve formule u
n
= Au
n−1
+

b met
u
0
=
_
0
2
_
,

b =
_
3
4
_
en A =
_
3
4
1
2

1
2

1
2
_
. Bepaal exact het evenwicht en
de stabiliteit van dit evenwicht.
Oplossing:
De eigenwaarden voor A komen uit det(A − λI) = 0. Dit geeft de karak-
teristieke vergelijking:
λ
2

1
4
λ −
1
8
= 0.
Deze heeft als oplossingen λ
1
=
1
2
en λ
2
= −
1
4
. De absolute waarden van deze
eigenwaarden zijn kleiner dan 1 dus een eventueel evenwicht is stabiel.
I −A =
_
1
4

1
2
1
2
1
4
_
90
(I −A)
−1
=
1
1
4
·
1
4
−−
1
2
· −
1
2
_
3
2
1
2

1
2
1
4
_
=
_
−12 −4
4 2
_
Het evenwicht is dan
u =
_
−12 −4
4 2
__
3
4
_
=
_
−52
20
_
De lineaire eerste orde differentie vergelijking in een dimensie
u
n
= a · u
n−1
+ b met u
0
= u
0
is om te zetten tot de directe formule
u
n
= u
0
· a
n
+
b
1−a
(1 −a
n
)
(zie o.a. math4all voor een afleiding). Dit zelfde kunnen we doen voor lineaire eerste
orde differentie vergelijking in hogere dimensie.
Opdracht: Druk de eerste 5 termen van de reeks uit in u
0
, A en

b
We herhalen de opdracht met een willekeurige u
0
, A en

b voor de reeks u
n
=
Au
n−1
+

b in een m dimensionale ruimte. De m eigenwaarden bij matrix A noemen
we λ
i
; i = 1, 2, · · · m met de bijbehorende eigenvectoren v
i
; i = 1, 2, · · · m’. De
vectoren

b en u
0
kunnen we schrijven als de lineaire combinaties

b = c
1
v
1
+ c
2
v
2
+· · · + c
m
v
m
(61)
en
u
0
= d
1
v
1
+ d
2
v
2
+· · · + d
m
v
m
(62)
lineaire eerste orde differentie vergelijking in een dimensie is dan:
u
0
= u
0
u
1
= Au
0
+

b
u
2
= Au
1
+

b = A
2
u
0
+A

b +

b
u
3
= Au
2
+

b = A
3
u
0
+A
2

b +A

b +

b
.
.
.
u
n
= A
n
u
0
+A
n−1

b +A

b +

b = A
n
u
0
+ Σ
n−1
i=0
A
i

b (63)
De som Σ
n−1
i=0
A
i

b is de som van de eerste n termen van de meetkundige rij
v
n
= Av
n−1
met v
0
=

b.
91
Laat
S
n
=

b +A

b +· · · A
n

b
en
AS
n
= A

b +A
2

b +· · · +A
n+1

b
Dan is (gebruik ook 61)
S
n
−AS
n
=

b −A
n+1

b ⇒
(I −A)S
n
=

b −A
n+1

b ⇒
S
n
= (I −A)
−1
(

b −A
n+1

b) =
S
n
= (I −A)
−1
(c
1
(1 −λ
n+1
1
)v
1
+ c
2
(1 −λ
n+1
2
)v
2
) +· · · c
m
(1 −λ
n+1
m
)v
m
)
Maken we gebruik van dit resultaat en van (62) dan wordt vergelijking 63
u
n
= A
n
u
0
+
(I −A)
−1
(c
1
(1 −λ
n
1
)v
1
+ c
2
(1 −λ
n
2
)v
2
) +· · · + c
m
(1 −λ
n
m
)v
m
)
= d
1
λ
n
1
v
1
+ d
2
λ
n
2
v
2
+· · · d
m
λ
n
m
v
m
+
(I −A)
−1
(c
1
(1 −λ
n
1
)v
1
+ c
2
(1 −λ
n
2
)v
2
) +· · · + c
m
(1 −λ
n
m
)v
m
)
=
m

i=1
d
i
λ
n
i
v
i
+ (I −A)
−1
(c
i
(1 −λ
n
i
)v
i
) (64)
voorbeeld:
• Bepaal het evenwicht en de stabiliteit van dit evenwicht en geef de directe
formule voor de volgende reeks:
u
n
=
_
3
4
3
2
1
8
5
4
_
u
n−1
+
_
2
2
_
met
u
0
=
_
3
10
_
Eerst rekenen we het evenwicht ˜ u uit:
˜ u = (I −A)
−1
_
2
2
_
92
=
_
1
4

3
2

1
8

1
4
_
−1
_
2
2
_
=
1

1
4
·
1
4
−−
1
8
· −
3
2
_

1
4
3
2
1
8
1
4
__
2
2
_
=
_
1 −6

1
2
−1
__
2
2
_
=
_
−10
−3
_
Vervolgens bepalen we de eigenwaarden van A:
0 = det(A −λI) ⇒
=
¸
¸
¸
¸
3
4
−λ
3
2
1
8
5
4
−λ
¸
¸
¸
¸
=
_
3
4
−λ
__
5
4
−λ
_

3
16
= λ
2
−2λ +
12
16
= (λ −1)
2
−1 +
12
16
= (λ −1)
2

1
4

λ
1
−1 =
1
2
∧ λ
2
−1 = −
1
2

λ
1
= 1
1
2
∧ λ
2
=
1
2
Er is ´e´en eigenwaarde ¿ 1. Dit systeem is dus instabiel.
Eigenvectoren:
λ
1
=
3
2
:
(A −
3
2
· I)v
1
=
_

3
4
3
2
1
8

1
4
_
v
1
=

0 ⇒
1
8
v
1x

1
4
v
1y
= 0 ⇒
v
1x
= 2v
1y
= 0 ⇒
v
1
=
_
2
1
_
93
λ
2
=
1
2
:
(A −
1
2
· I)v
2
=
_
1
4
3
2
1
8
3
4
_
v
2
=

0 ⇒
1
8
v
2x
+
3
4
v
2y
= 0 ⇒
v
2x
= 6v
2y
= 0 ⇒
v
2
=
_
6
1
_
Nu is
u
0
=
_
3
10
_
= d
1
_
2
1
_
+ d
2
_
6
1
_
= 2v
1
+ 1v
2
en

b =
_
2
2
_
= c
1
_
2
1
_
+ c
2
_
6
1
_
=
_
2c
1
+ 6c
2
c
1
+ c
2
_
Dit systeem oplossen levert:
c
1
=
5
2
∧ c
2
= −
1
2
Invullen in (64) geeft de directe formule:
u
n
=
2

i=1
d
i
λ
n
i
v
i
+ (I −A)
−1
(c
i
(1 −λ
n
i
)v
i
)
= 2
_
3
2
_
n
_
2
1
_
+
_
1 −6

1
2
−1
_
5
2
(1 −
_
3
2
_
n
)
_
2
1
_
+
_
1
2
_
n
_
6
1
_
+
_
1 −6

1
2
−1
_
−1
2
(1 −
_
1
2
_
n
)
_
6
1
_
=
_
3
2
_
n
_
4
1
_
+
5
2
(1 −
_
3
2
_
n
)
_
−3
−2
_
+
_
1
2
_
n
_
6
1
_
+ (1 −
_
1
2
_
n
)
_
0
2
_
94
Opgaven:
Bepaal het evenwicht en de stabiliteit van dit evenwicht en geef de directe formule
voor de volgende reeksen:
56. u
n
=
_
4
5

3
10
3
10
4
5
_
u
n−1
+
_
13
26
_
met u
0
=
_
1
1
_
.
57. u
n
=
_
−4 1
−5 2
_
u
n−1
+
_
1
2
_
met u
0
=
_
1
2
_
.
58. Leslie matrices: Gebruik je docent. Het leven van een fictief insect vatten we
samen in twee stadia: larve en adult. Larven worden gemaakt door adulten
en moeten overleven tot adult. Laat x het aantal larven per vierkante meter
grondoppervlak zijn en y het aantal adulten per vierkante meter grondopper-
vlak. We kijken iedere dag naar de populatie. De kans dat een larve een dag
overleeft en de volgende dag nog larve is is 50% en de kans dat een larve adult
wordt is 10%. Een adult overleeft met een kans van 60% d is het aantal nieuwe
larve per dag per adult.
(a) Leg uit waarom de volgende lineaire recurrente betrekking als dagelijks
model gebruikt zou kunnen worden:
_
x
n
y
n
_
=
_
0.5 d
0.1 0.6
__
x
n−1
y
n−1
_
met begin conditie
_
x
0
y
0
_
.
(b) kies d = 3 en neem
_
x
0
y
0
_
=
_
10
10
_
. Toon algebra¨ısch aan dat de
populatie groeit en bepaal de uiteindelijke verhouding van larven t.o.v.
adulten.
(c) Bereken algebra¨ısch hoe groot het aantal nakomelingen per dag per adult
minstens moet zijn om de populatie te laten groeien?
(d) Neem weer d = 3. Vissers vissen met de larven van dit insect en willen per
dag 10 larven per vierkante meter oogsten. Kies een begin conditie volgens
de in de vorige opgave berekende verhouding? Hoe groot moet de begin
grootte
_
x
0
y
0
_
van de populatie zijn om dit mogelijk te maken?
59. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleer-
lingen.
95
5 Projectieve meetkunde
Figure 14: De blik op oneindig
Snijden de spoorstaven? Een vloer van gelijke tegels Open
geogebra/tegelvloer.ggb
In de euclidische ruimte zoals we die in de vorige hoofdstukken hebben beschouwd
snijden evenwijdige lijnen elkaar nooit. Kijken wij als mens naar twee evenwijdige
lijnen, bijvoorbeeld de spoorbaan in de foto in figuur 14, dan lijken de rails elkaar
op de horizon te snijden Het spoor lijkt steeds te smaller worden terwijl de trein er
toch echt overal over kan rijden.
De term projectieve meetkunde (projective geometry) is het vakgebied binnen de
wiskunde dat zich met deze problematiek bezighoud. Aan de hand van figuur 15
defini¨eren we een aantal begrippen. In de rechter foto zien we hoe de opname in
de linker foto is gemaakt. De tafel met de cd’s er op noemen we het origineel . De
lens van de camera noemen we het kijkpunt of oog. Het beeldscherm toont ons
het beeld ofwel tafereel zoals dat door de lens is geprojecteerd op de beeldchip in
de camera. De projectie van uit het kijkpunt op het beeldscherm noemt men een
centrale projectie
Opgaven:
1. Figuur 16 refereert naar opgave ”horizon 1” in projectievemeetkunde geogebra.html.
Maak deze opgave.
2. Maak daar ook opgave ”horizon 2” en ”horizon 3”.
In de opgaven heb je de volgende eigenschappen van centrale projecties in een
driedimensionale gevonden:
1. Evenwijdige lijnen in het orgineel vormen snijdende lijnen in het tafereel.
96
Figure 15: Het beeld van het beeld
Het tafereel De making off.
Figure 16: Evenwijdige lijnen in het beeld
Geogebra applet Open
geogebra/opg horizon1.ggb
2. De snijpunten van verschillende paren evenwijdige lijnen binnen ´e´en vlak in het
orgineel liggen op ´e´en lijn in het tafereel.
Het snijpunt van twee evenwijdige lijnen afgebeeld in perspectief noemt men het
verdwijnpunt. De verdwijnpunten van alle paren evenwijdige lijnen in ´e´en vlak in
het orgineel liggen in de weergave in perpectief allen op ´e´en lijn, de zogenaamde
horizon voor dit vlak. Verschillende vlakken kunnen verschillende horizons hebben.
97
Figure 17: Schaduw in parallelle projectie
4
2
5
7
D
A
C
H
B
E
G
F
L
M
N
4
2
5
7
D
A
C
H
B
E
G
F
L
M
N
I
J
K
S
5.1 Schaduw in 3D
In de voorbeelden hierboven is er een oog dat waarneemt. We gaan nu even aan
de slag met een licht dat schijnt in een drie dimensionale ruimte. We maken een
afbeelding waarin alle evenwijdige lijnen elkaar niet snijden. Dit noemt men een
paralelle projectie. Dus bij paralelle projecties zijn evenwijdige lijnen in het origineel
ook evenwijdig in de projectie.
Opgaven:
3. Maak de opgaven schaduw 1 t/m 4 in projectievemeetkunde geogebra.html.
Lukt het niet gelijk bekijk eerst het voorbeeld in ”Uitleg Schaduw” en de
uitwerking van de opgave hieronder.
Voorbeeld
Gegeven is de balk ABCD EFGH met AB = 2, AD = 4 en AE = 7 liggend op de
grond (zie linker tekening in figuur 17).
De lichtbron bevindt zich op afstand 5 van het bovenvlak recht boven het midden
van HE. Bereken algebra¨ısch de oppervlakte van de schaduw.
Geogebra applet Open geogebra/voorbeeld schaduw.ggb
98
Oplossing:
Noem N midden van AD en teken de lijn NC. Teken vervolgens de lijn LG. Een
hoekpunt van de schaduw is nu het snijpunt I van deze twee lijnen. Herhaal dit voor
de punten A, B en D om de punten S,J en K te construren. De oppervlakte van de
schaduw is de som van de oppervlakten van de trapezia DKIC, CIJB en BJSA.
De oppervlakte kun je op meerder manieren berekenen. De methode hieronder is
ook voor minder door zichtelijke figuren te gebruiken.
Algemene methode: Eerst defini¨eren we een co¨ordinaten systeem in 3D. Voor het
gemak (waarom?) kiezen het punt N als oorsprong de x-as leggen we langs AN,de
y-as langs N en het midden van BC en de z-as langs NL. We vinden dan de
volgende co¨ ordinaten voor alle punten:
N =
_
_
0
0
0
_
_
, A =
_
_
2
0
0
_
_
, B =
_
_
2
2
0
_
_
, C =
_
_
−2
2
0
_
_
, D =
_
_
−2
0
0
_
_
,
E =
_
_
2
0
7
_
_
, F =
_
_
2
2
7
_
_
, G =
_
_
−2
2
7
_
_
, H =
_
_
−2
0
7
_
_
, L =
_
_
0
0
12
_
_
.
Om de schaduw in het grondvlak v = ABCD te vinden moeten we de snijpunten
van de lijnen l
1
= LE, l
2
= LF, l
3
= LG, l
4
= LH met het grondvlak berekenen.
Voor het grondvlak maken we met behulp van het uitprodukt (31) de normaalvector
n
v
=

AD ×

AB =
_
_
4
0
0
_
_
×
_
_
0
2
0
_
_
=
_
_
0
0
8
_
_
de in dit geval simpele vergelijking
v : 0 · x + 0 · y + 8 · z = 0
ofwel
v : z = 0
De vectorvoortelling voor de lijn l
1
is
l
1
: P = L + λ(E −L) =
_
_
0
0
12
_
_
+ λ
_
_
_
_
2
0
7
_
_

_
_
0
0
12
_
_
_
_
=
_
_
0
0
12
_
_
+ λ
_
_
2
0
−5
_
_
99
Invullen van l
1
in v geeft 12 −5λ = 0 ofwel λ =
12
5
.
Het snijpunt S van l
1
en v is dan:
S =
_
_
0
0
12
_
_
+
12
5
_
_
2
0
−5
_
_
=
_
_
24
5
0
0
_
_
Op gelijke wijze vinden we:
J =
_
_
24
5
24
5
0
_
_
, I =
_
_

24
5

24
5
0
_
_
, K =
_
_

24
5
0
0
_
_
Vervolgens delen we de schaduw op in de driehoeken ASJ, ABJ , BJI, BCI, CIK,
CDK en berekenen we met de lengte van een vector (25) en de afstand van een
punt tot een lijn (41) de oppervlakte van iedere driehoek, bijvoorbeeld in driehoek
ASJ is O
ASJ
=
1
2
· d(A, SJ) · |

SJ|. De lijn SJ is SJ :

Q =
_
_
24
5
0
0
_
_
+ λ
_
_
0
24
5
0
_
_
,
d(P, l) =
¸
¸
¸
¸
_
¸
¸
¸
¸
¸
¸
_
_
14
5
0
0
_
_
¸
¸
¸
¸
¸
¸
2

(0·
14
5
+
24
5
·0+0·0)
2
24
2
5
2
=
14
5
.
Ook is |

SJ| =
24
5
.
Zodat de oppervlakte van ASJ gelijk is aan O
ASJ
=
1
2
14
5
24
5
=
168
25
.
Herhaal dit proces en vind dat de oppervlakte van de schaduw gelijk is aan 76
2
25
5.2 Tekenen in perspectief
Deze sectie staan constuctie in perspectief centraal. Eerst (5.2.1) wordt uitgelegd
hoe een vloer van gelijke parallellogrammen in perspectief kan worden getekend. In
het vervolg (5.2.2) leer je hoe je een willekeurige vergroting kan maken.
5.2.1 Verdubbelen
In figuur 18 is links een tegelvloer van vierkante tegels getekend die recht van
boven wordt bekeken. Het vierkant ABCD is in de rechterfiguur in perspectief
weergegeven. Waarom zijn de lijnen paren AB,CD en AD,BC niet gelijk en evewi-
jdig? Het doel is ook de overige drie tegels in perspectief te tekenen.
100
Figure 18: Verdubbelen in perspectief
A
B
C
D
E
F
G
H
I
A
B
D
C
S
r
S
l S
F
E
G
H
I
Een vloer van gelijke tegels Open
geogebra/verdubbelenperspectief.ggb
Dit doel wordt als volgt bereikt. Teken eerst de verdwijnpunten S
l
en S
r
van
repectievelijk de evenwijdige lijnen AD, BC en AB, DC. De verbindingslijn van S
l
en S
r
vormt de horizon voor het vlak waarin de tegels liggen. Ook alle diagonalen
in de linker tekening zijn evenwijdige lijnen in dit vlak en hebben dus ook een
verdwijnpunt op dezelfde horizon. Het snijpunt van de lijn AC met de horizon is
dit verwijnpunt. Vanuit S kunnen we een lijn door B tekenen die de diagonaal is
van tegel BEFC. Het snijpunt van de lijn AB met CD is dan het hoekpunt F van
de tegel. De lijn door S
l
en F snijdt dan de lijnen AB en AC in respectievelijk de
punten E en G. Als laatste levert het snijden van de lijn door S
r
en G met AD en
BC de punten I en H.
Opgaven:
4. Maak de opgaven perspectief 1 t/m 7 in projectievemeetkunde geogebra.html.
5.2.2 Schalen
Opgaven:
5. Maak de opgaven perspectief 8 t/m .. in projectievemeetkunde geogebra.html.
101
5.3 Rekenen in perspectief
5.3.1 De projectieve lijn
5.3.2 Het projetieve vlak
5.3.3 De projetieve ruimte
102

3.7 3.8 3.9

Snijlijn twee vlakken in R3 . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44 Hoeken in 3D . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48 Afstanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50 60

4 Transformaties: bewerkingen op vectoren 4.1 4.2 4.3

Lineaire transformaties en matrices . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60 Eigenschappen van een lineaire transformatie: eigenwaarde, eigenvector en eigenruimte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 71 Praktische betekenis van eigenwaarden en eigenvectoren . . . . . . . . 87 96

5 Projectieve meetkunde 5.1 5.2 5.3

Schaduw in 3D . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98 Tekenen in perspectief . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 100 Rekenen in perspectief . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102

ii

Inhoud 1 Inleiding

De lineaire algebra houdt zich bezig met rekenen aan systemen waarin de variabelen alleen tot de eerste macht voorkomen. Meetkundig gezien gaat het dan onder andere over het rekenen met punten, lijnen en vlakken. Je berekent dan snijpunten door het oplossen van lineaire vergelijkingen. In de analytische meetkunde komt daar nog bij het bepalen van snijlijnen, hoeken en lengten. Eerst zullen we een aantal bekende begrippen voor het platte vlak herhalen. Daarna doen we het dunnetjes over in drie dimensies en hoger. Vervolgens beschouwen de menselijke waarneming van de ruimte het zogenoemde perspectief. Echt evenwijdige lijnen zoals bijvoorbeeld een recht stuk treinspoor neemt ons brein waar als een steeds smaller wordend terwijl de trein er toch echt overal overal over kan rijden. De wiskunde heeft ook gereedschap ontwikkeld om hier aan te kunnen rekenen. Als laatste bekijken we ook niet lineaire verbanden zoals cirkels, parabolen en hyperbolen die allen een kegelsnede zijn. Termen als raaklijnen en poollijnen worden behandeld.

1

5 −0.5 2 2.5 2 1.5 ¯ 1 w= 0. 2 .5 2 1 5 v= Vy ∆y vx = 1 vy = 0. Als bovendien de lengte van de eenheden gelijk zijn aan ´´n dan spreekt men van een orthonormaal-assenstelsel.ggb vector en lengte Open geogebra/assenstelsel2d.5 x 3 3.1 co¨rdinaten in R2 o co¨rdinatenstelsel o In een vlak kunnen we een assenstelsel kiezen. Op iedere as wordt vervolgens een lengte-eenheid gekozen.5 −1 −0. Gewoonlijk wordt een assenstelsel gekozen waarin de y-as (verticaal) loodrecht op de x-as (horizontaal) wordt gezet.5O 0 0.5 1. Een assenstelsel voorzien van eenheden noemt men een co¨rdinatenstelsel. Staan de assen bovendien loodrecht op elkaar dan noemen o we een dergelijk assenstelsel een cartesisch-assenstelsel. ee Figure 1: applets y 3.ggb 2. y) in het co¨rdinatenstelsel.5 ∆x 2 = ∆y 3 2 + ∆y 2 |v| = √ ∆x = √22 + 32 = 13 1 0.5 −1 1 0.5 −1 O 0 −1 1 ∆x Vx 2 3 4 5 vectoren optellen Open geogebra/vectoroptellen.5 1 v= ¯ x en y coordinaat van v ¯ 4 3 u=v+w = ¯ ¯ ¯ 1.2 Punt Een punt P wordt gedefini¨erd als een paar getallen (x. e o Dit punt bereik je op door vanuit de oorsprong x eenheden over de x-as te bewegen en vervolgens y eenheden parallel aan de y-as te bewegen.5 3 2.5 1. Het snijpunt van de twee assen noemt men de oorsprong.2 2.

Wat is de relatie tussen AB. ∆y).1 optellen vectoren Gegeven zijn de punten A = (1.3 Vector en vectorruimte Een vector v wordt gedefini¨erd als een paar getallen (∆x. Teken deze punten in geogebra en bepaal de vectoren AB. 4). ∆y). De vector AB van een punt A = (xA . 1) dan is de vector van A naar B: AB = 3−1 1−2 = 2 −1 In de lineaire algebra komt het vaak voor dat een punt ook als vector wordt gegeven. yA ) naar B = (xB . BC en AC. 2) en B = (3. Echter een vector geeft in principe een verplaatsing weer terwijl een punt een statisch begrip is. b) heeft. BC en AC? De som van twee vectoren v = vx vy ux uy vx vy en u = ux uy is gedefini¨erd als e v+u= + = vx + ux vy + uy 3 . Teken ook deze vectoren. Zonder gegeven beginpunt wordt een vector getekend als een pijl vanuit de oorsprong naar het punt (∆x. B = (3. In deze text zal dat ook regelmatig gebeuren.3. Men bedoelt dan dat de vector ( a b) met beginpunt in de oorsprong als eindpunt het punt (a. 2). De co¨rdinaten o zijn voor beiden het zelfde. e ∆x Notatie v = ∆y Een vector geeft een verplaatsing aan van een punt A naar een punt B. (1) . yB ) wordt gegeven door: AB = ∆x ∆y = xB − xA yB − yA Voorbeeld Gegeven twee punten A = (1.2. Als je een vector ziet als proces dat is geweest dan is het proces op het eindpunt van de vector aangekomen. 2. 1) en C = (4. In het rekenen met co¨rdinaten is er voor beide begrippen o geen verschil en is het gemakkelijker om de begrippen als elkaars gelijke te hanteren.

3. Het product van een vector met v een getal a ofwel scalaire vermenigvuldiging is gedefini¨erd als e a·v =a vx vy = avx avy Voorbeeld Gegegeven : v = 2 3 en a = 2 dan is av = 2 2 3 = 4 6 4 . w + v. 4. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen.2 scalaire vermenigvuldiging vectoren 1 en u = 2 Bereken A + v + v + v + v en A + u. Voorbeeld Gegeven : v = 2 3 en u = −1 3 dan is v + u = 2 3 + −1 3 = 1 6 Opgaven: −1 5 21 2 1. Bewijs de associatieve eigenschap: Gegeven de vectoren u.3.wolframalpha. Bewijs de commutatieve eigenschap:Gegeven de vectoren u.com) 2. w dan is (u + v) + w = u + (v + w). Bereken u + v.Meetkundig gezien is een vector optelling het plakken van een vector aan een andere volgens de kop staart methode. v. Gegeven: v = . 2.u= en w = . 1 8 −4 −2 2 u + v + w (antwoord op http://www. 2) en de vectoren v = 4 8 . v dan is u+v = v + u. Wat is de relatie tussen u en v? Opdracht: Gegeven is het punt A = (1.

2. Bewijs de inverse eigenschap optellen: Gegeven de vector u dan bestaat er een inverse −u waarvoor geldt u − u = 0.3 vectorruimte Het optellen van vectoren samen met scalaire vermenigvuldiging lijken een ruimte vast te leggen.3. Een vectorruimte is een verzameling V van vectoren samen met de bewerkingen optellen van vectoren samen en scalaire vermenigvuldiging die aan de volgende condities voldoet. Bewijs de identiteit eigenschap: 1 · u = u . 7. Het wiskundige begrip vectorruimte wordt gebruikt om dit wiskundige manier te beschrijven. Bewijs de commutatieve eigenschap (a · b)u = a(bu) voor willekeurige getallen a en b. dan zitten u + v en au dat ook voor ieder getal a. v en getal a dan is a(u + v) = au + av. • Als u en v in V zitten. Iedere u heeft een inverse (tegengestelde) −u zodanig dat u − u = 0. 6. 1 0 en y1 = 1 0 en Laat zien dat het euclidische vlak opgespannen door x1 = een vectorruimte is. 9. • Er is een nul vector 0 zodanig dat u + 0 = u. Bewijs dat iedere willekeurige vector u in het euclidische vlak kan worden geschreven als u = ax1 + by1 . Bewijs de distributieve eigenschap: Gegeven de vectoren u. 8. −1u + v.v= 1 12 −2 1 3 .Opgaven: 5. 0 1 11. 5 . Gegeven: u = −1 4 . 3v. Gegeven is het euclidische vlak met daarin de eenheidsvectoren x1 = y1 = 0 1 . Bereken 2u. 2u + 2v. Opgaven: 10.

5u 3.2 4 6 Sleep a of b om w een andere plaats te geven Sleep Q om andere a en b te krijgen Q 1.6 2 v −2 0 w 2 0.73 3. yA ) en B = (xB . yB ) gedefini¨erd als de lengte van de vector AB van A naar B. De e ∆x lengte ofwel de norm van een vector v = in een orthonormaal-assenstelsel ∆y 6 . 2.8 6 8 −1.22u + −1.5u + −1. Het euclidische vlak kunnen we ook opspannen met twee andere vectoren u 2 en v waarvoor geldt u = a · v. Laat w = au + bv.2 0.29v = u 0. 1 Figure 2: vectorruimte Open geogebra/vectorruimte.2v = 4 2. 6). In een orthonormaal-assenstelsel wordt de afstand tussen twee punten A = (xA .4 lengte en afstand Opdracht: Gegeven zijn de punten A = (3. Bepaal de lengte van het lijnstuk AB. c Toon aan dat iedere willekeurige vector w in het euclidische vlak kan worden geschreven als w = au + bv.5 b = −1.2v −2 a Bepaal w voor a = 2 en b = 3. Bereken exact de waarden voor a en b zodat b Gegeven is w = 15 6 w = au + bv.ggb a = 0. 2) en B = (4. 1 32 . Gegeven: u = en 4 −1 v= .3.12.

Bepaal de lengte van de vectoren: v = 8 (antwoord op http://www.com) 7 5 −4 en w = 1 22 −2 1 2 . −1 . yA ). Voorbeeld Gegeven twee punten A = (1. Oplossing: De vector van A naar B is: AB = 3−1 1−2 = 2 −1 .ggb d(A. (2) Noem het punt C = (xB . 1).u= 13. . Bereken de afstand van A naar B. 2) en B = (3. B) = 5 (5 − 1)2 + (4 − 1)2 = 5 B 4 3 2 1 A 0 1 2 3 4 5 C 6 −1 −1 Versleep de punten A of B is gelijk aan: |v| = ∆x2 + ∆y 2 .wolframalpha. Voor het bepalen van de lengte hebben we dus de stelling van Pythagoras gebruikt in de rechthoekige driehoek ∆ACB.Figure 3: afstand tussen twee punten Open geogebra/afstandpuntpunt. en de norm van deze vector |AB| = Opgaven: 22 + (−1)2 = √ 5.

b is de y-co¨rdinaat van het snijpunt van o de lijn met de y-as. Per stap in de richting van de x-as zijn dat dus ∆x ∆y stappen in de richting van de y-as. 2. De richte ingsco¨fficient geeft aan dat je bij een stap van ´´n eenheid in de richting van de e ee x-as er a doet in de richting van de y-as. 2) en C = (−2. 4).1 opstellen vergelijking van een lijn Gegeven twee punten A = (xA . 8 . 2. Bepaal de lengten van de zijden van de driehoek ∆ABC met punten A = (3. yB ). Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. Deze vector geeft aan dat in ∆x in de richting van de x-as er ∆y in de richting ∆y van de y-as worden gedaan. De algebra¨ ısche vorm van een lijn is een vergelijking. 2. 1. Opdracht: Stel een vergelijking op van de lijn l door A en B in de vorm y = ax + b. Gegeven zijn de vectoren s = r= 1 . B = (1. Teken in dezelfde figuur de eindpunten van de vector p = s + a · r voor 3 a = −1.14. yA ) en B = (xB . Wat valt je op? Een lijn l in een co¨rdinatenstelsel is een rechte die door twee punten in het o co¨rdinatenstelsel wordt vastgelegd. yB ) wordt gegeven door: AB = ∆x ∆y = xB − xA yB − yA . De eerste daarvan komt je waarschijnlijk bekend voor: l : y = ax + b. 1. Er zijn drie algebra¨ ısche vormen die we hier tegelijkertijd zullen behandelen. (3) In deze vergelijking noemen we a de richtingsco¨fficient van de lijn l.4 Lijn −1 2 en Opdracht: Teken de lijn y = 3x + 5. Het geeft een relatie aan tussen een waarde o op de x-as en een waarde op de y-as. De vector AB van een punt A = (xA . 0. yA ) naar B = (xB . Dit geeft dat a = ∆x . Bepaal a.4. Stap 1. 3) 15.

Stap 2. In vullen A = (1. Bepaal b. ∆x ∆x (4) Gegeven twee punten A = (1. 1). 2) en B = (3. 2) geeft: 2 1 2 = − ·1+b⇒ 2 1 b = 2 2 1 De gevraagde lijn is dan y = − 1 x + 2 2 . Zowel A als B liggen op de lijn. 2 Tweede vorm De tweede vorm is slechts een herschikking van de bovenstaande vorm (3) namelijk l : ax + by = c 9 (5) .2. We hoeven nog maar ´´n onbekende te bepalen ee (b). e 2 Wat leidt tot l : y = − 1 x + b. Opdracht: Stel een vergelijking op van de lijn l door A en B in de vorm y = ax + b. Nemen we A dan krijgen we: yA = ∆y xA + b ⇒ ∆x ∆y xA b = yA − ∆x De vergelijking voor l is dan: l:y= Voorbeeld ∆y ∆y x + yA − xA . Het invullen van een van de punten volstaat dan om b te bereken. De richtingsco¨fficient van l is a = −1 . De vergelijking wordt dan: y = ∆y ∆x x +b 3. Oplossing: De vector van A naar B is: AB = 3−1 1−2 = 2 −1 .

5 2 x O −1−0.5 2 1. Figure 4: vector voorstelling lijn Open geogebra/vectorvoorstelling.5 1 1. Beschouw de vorm l:y= ∆y x + e. Deze noemen we de richt∆y ingsvector. Een vector vanuit de oorsprong p wijzend naar ander punt P op de lijn 10 .5 4 4. Herschrijven levert dan: l : −∆y · x + ∆x · y = ∆x · e.5 p : −0.5 1 v= ¯ λ¯ v 1 0.Deze vorm heeft het grote voordeel dat ook verticale lijnen waarvan de richtingsco¨fficient e ∞ is eenvoudig kan worden weergegeven.5 2 2. In deze voorstelling nemen we een punt S op de lijn en beschouwen de vector s van uit de oorsprong naar dit punt.5 1 0. b = ∆x en c = ∆xe dan krijgen we de vorm in vergelijking 5.5x + y = 0.75 p : u = w + λ¯ ¯ ¯ v λ=2 u = w + 2¯ = ¯ ¯ v w= ¯ 0.5 3 2.5 0 0.5 −1 Derde vorm De laatste vorm is de vectorvoorstelling van een lijn.5 2. Deze vorm noemen we ook de vergelijking van een lijn.5 3 3. Definieer nu a = −∆y. ∆x Links en rechts vermenigvuldigen met ∆x levert: l : ∆x · y = ∆y · x + ∆x · e. Verder is er een ∆x richting die wordt gegeven door de vector r = .5 −0.5 4 3.ggb y 4. Deze vector noemen we een steunvector van de lijn.

Oplossing: Als steunvector kiezen we bijvoorbeeld de vector wijzend naar punt A. 1). Teken de lijnen l : −3x + y = 5. De vector voorstelling van de lijn door A en B is dan: l:p= 1 2 +λ 2 −1 . Opgaven: 16. Welke van de volgende lijnen zijn evenwijdig? l : −2x+y = 5. Voorbeeld (6) Gegeven zijn weer de twee punten A = (1. 2 −1 −2 2 19.t:p= 1 2 +µ −2 2 . 4). Opdracht: Stel een vectorvoorstelling op van de lijn l door A en B in de vorm l : p = s + λr. 3). 2) en B = (3.t : p = +λ . m : x + y = 1.AC en BC van de driehoek in de vormen: ax + by = c en p = s + λr 18. 1 1 −2 −2 n : x + y = 0. voorstel- 21. 1 3−1 2 s= . Waarom zijn s : p = 1 2 lingen van dezelfde lijn? +λ 1 −1 . Als richtingsvector kiezen we de vector r = AB = = −1 2 1−2 die we al eerder hebben gezien. n : x + y = 0. m : −4x+2y = 1. Waarom zijn l : −2x + y = 5 en m : 4x − 2y = −10 vergelijkingen voor dezelfde lijn? 11 . 4) en C = (−2. s : p = 1 2 −1 3 +λ . u:p= 2 6 20. s : p = +λ . B = (1.verkrijgen we door de vector optelling te doen van de steun vector s en een bepaald aantal(λ) keer de richtingsvector r. Gegeven is de driehoek ∆ABC met punten A = (3. en 2 −1 2 2 1 3 +λ . l : p = s + λr. Bewijs de volgende uitspraak: Een lijn k : ex + f y = g heeft de zelfde richting e als l : ax + by = c wanneer f = a b 17. Geef vergelijkingen voor de zijden AB.t : p = +λ .

8) gaat. Gelijkstellen van de vergelijkingen voor l en m. 24. Geef zowel een vergelijking en een vectorvoorstelling. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. evenwijdig zijn of snijden. We presenteren de oplossingen per combinatie aan de hand van iedere keer het zelfde voorbeeld. 1 3 3 l : y = 4x + 4 4x + 4 = 4x − 1 ⇒ 1 = −5 ⇒ m : y = 1x − 1 2x 4 x = −10 ⇒ 1 y = 1 · −10 − 1 = −3 2 4 Oplossing: Onderste vergelijking van de bovenste aftrekken levert −3x + 4y = 16 l : −3x + 4y = 16 −2x = 20 m : −x + 4y = −4 Uit de onderste vergelijking volgt weer x = −10. De twee lijnen kunnen door een combinatie van de verschijningsvormen 3. een lijn die niet door de oorsprong gaat is dat niet. Bewijs: Een lijn die in het euclidische vlak ligt en door de oorsprong gaat is een vectorruimte. Stel een vergelijking op voor de lijn m evenwijdig aan de lijn l : 2x + 3y = 4 die door het punt A(−1.22. 2. 23.5 Snijdende lijnen Lijnen in het ”euclidische” vlak kunnen samenvallen. 5 en 6 worden gegeven. De co¨rdinaten van dit snijpunt moet o worden opgelost uit de twee vergelijkingen van de lijnen. Als twee lijnen snijden dan is er een snijpunt. In vullen in de bovenste vergelijking 1 geeft −3 · −10 + 4y = 16 ⇒ y = −3 2 12 .

   l:P  =   m:Q =  0 4 +λ 4 3 0 4 +µ −1 1 P moet gelijk worden aan Q. λ = µ ⇒ 4 + 3λ = −1 + λ λ = µ ⇒ 2λ = −5 λ = µ = −5 2 Nu λ of µ invullen in de vergelijkingen levert: 0 4 − 5 2 0 4 = 0 −1 − 5 2 4 1 = −10 −3 1 2   0 4  m : −x + 4y = −4 l:P = +λ 4 3 x 0 4 = +λ y 4 3 x = 0 + 4λ Ofwel: P = y = 4 + 3λ Substitutie van x en y in de vergelijking voor m levert:−(4λ) + 4(4 + 3λ) = −4 ⇒ 5 8λ = −20 ⇒ λ = − 2 −10 Invullen λ levert: P = −3 1 λ Oplossing: P = 2 13 . Dus 0 4 0 4 +λ = +µ 4 3 −1 1 Opstellen van een stelsel vergelijkingen voor de x-co¨rdinaat en de y-co¨rdinaat o o van de snijpunten: 0 + 4λ = 0 + 4µ 4 + 3λ = −1 + µ We moeten nu een λ en µ vinden die aan dit stelsel voldoet zoals we dat hebben gedaan in het voorbeeld hierboven.

0 1 +λ 2 −3 . m : y = −4x + 8 26. Bepaal de snijpunten van de volgende lijnen: l : P = m:Q= 1 0 +µ 3 2 6 4 +λ 1 −3 . Bepaal de snijpunten van de volgende lijnen: l : P = 6x + y = 9 28.Opgaven: 25. Bepaal de snijpunten van de volgende lijnen: l : P = m:Q= 2 1 +µ 3 2 6 p +λ 30. m : 6x + y = 9 27. m : 29. m : Q = 31. Bepaal de snijpunten van de volgende lijnen: l : 2x − 3y = 6. 14 . Bepaal de snijpunten van de volgende lijnen: l : 2x − 3y = 6. 1 1 +λ 1 6 . Voor welke p en q snijden de lijnen : l : P = q 1 +µ −1 2 elkaar in het punt (0. −1) 1 1 . Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen.

toren u =  . In de applets hieronder kun je in de bovenste een gevoel voor het inproduct krijgen. v + w > < u. a · v > < u. Bewijs met behulp van definitie 7 de volgende eigenschappen van het inproduct: < u. w > a· < u. Laat je er echter niet door ontmoedigen. . En θ de kleinste hoek tussen de twee vectoren.  in Rn wordt gedefini´erd als e .  en v =  . Leer de bovenste van die twee uit je hoofd. v > < u.6 Inproduct In deze sectie behandelen we het inproduct van twee vectoren u en v. In de lineaire algebra en analytische meetkunde wordt het inproduct veel gebruikt. v > + < u. u > |u|2 (8) (9) (10) (11) Stelling: In een orthonormaal-assenstelsel is het inproduct ook gelijk aan: < u. v > < v. v >= u · v = |u||v| cos(θ) (12) Hierin is |x| de norm (=lengte) van de vector x. 15 .2. Veel rekenwerk wordt eenvoudiger als de rekenregels van het inproduct worden ingezet. v >= u · v = ux · vx + · · · + uy · vy Opgaven: (7) 32. Het inproduct (ook wel inwendig product of dot product (Engels)) van twee vec    ux vx . Daaronder staan twee bewijzen van de stelling. u > = = = = < u. uy vy < u. Het is echter wel even wennen aan dit nieuwe concept. We geven toepassingen van het inproduct zowel in de wiskunde als in de natuurkunde. .

ggb ) links zie je een tekening van twee vectoren. Wat kun je zeggen over de uitspraak < u. 4) √ 22 + 0 2 = 2 u u·v =3·2+4·0=6 θ = cos−1 u·v |u||v| = 0. Versleep het punt B of C en bekijk de waarde van het inproduct. 0) In de applet ( Open geogebra/inproduct. u >= |u|2 ? y 4 3 A w u B v 2 1 α O 0 −1 1 2 3 x 16 . 0) C = (2.|u| = |v| = √ 32 + 4 2 = 5 B = (3. 5).93rad v A = (0. Sleep het punt B naar de co¨rdinaten o (0.93rad θ = 0. Wat neem je waar? Verplaats het punt B naar het punt C.

v > −2|u||v| cos(α) ⇒ < u. In deze driehoek geldt de cosinus regel AB 2 = OA2 +OB 2 −2OA·OB cos(α)(13) Nu is OA = |u|. v >= < u. v > + < v. v >= |u||v| cos(α) ⇒ 17 .Bewijs met de eigenschappen van het inproduct 8-11. u > + < v. u > + < v.ggb ) is de driehoek ∆OAB getekend. u−v >=< u. u > + < v. In de applet links ( Open geogebra/bewijsinproduct2. v >= < u. < u−v. u > −2 < u. v >= −2|u||v| cos(α) ⇒ < u. OB = |v| en AB = |AB| = |u − v|. u > − < u − v. Maken we gebruik van (11) dan is (13) te schrijven als. v > −2|u||v| cos(α) ⇒ < u − v. v > −2|u||v| cos(α) ⇒ −2 < u.

< u. √ Oplossing: < u. |v| = √ 100 + 576 = 26. Dan is v1 = |v| cos(β) en v2 = |v| sin(β). 1 2 en v = 2 1 in graden 18 . De hoek die u met de positieve xas maakt is α + β.e2 4 3 2 1 y u2 A v2 u B v Bewijs voor R2 : In de applet links ( Open geogebra/bewijsinproduct.ggb ) zijn de vectoren u en v getekend en is α de hoek tussen die twee vectoren. Stel dat β de hoek is die v maakt met de positieve x-as. Bepaal de hoek tussen de twee vectoren u = nauwkeurig. v >= 13 · 26 cos(θ) ⇒ 240 = 13 · 26 cos(θ) ⇒ 240 13·26 120 = cos(θ) ⇒ θ = cos−1 ( 13·13 ) ≈ 45◦ . Dit geeft x 4 α −1 −1 0 β u1 1 2 v1 3 < u. v > = |v| cos(β)|u| cos(α + β) +|v| sin(β)|u| sin(α + β) = |v||u| (cos(β) cos(α + β) + sin(β) sin(α + β)) = |v||u| cos(β − (α + β)) = |v||u| cos(−α) = |v||u| cos(α) Voorbeelden: • Stel u = √ 3 . en dus is u1 = |u| cos(α + β) en u2 = |u| sin(α + β). |v| = 4 en θ = π/6 dan is het inproduct u · v = 32 + 42 · 4 · 4 cos(π/6) = 5 · 4 · 1/2 = 10 5 12 en v = 24 10 in graden • Bepaal de hoek tussen de twee vectoren u = nauwkeurig. v >= 5 · 24 + 10 · 12 = 240. Opgaven: 33. |u| = 25 + 144 = 13.

B xB −yB De richtingsvector van deze lijn is rl = . 2. Wanneer staan twee vectoren u = a b 4 0 −4 1 150 1000 c d en p = 2 1 1 4 in graden en s = en v = . −1000 150 . We beginnen eerste met het meest eenvoudige geval. nl >= 0 en dus cos(∠(rl . +λ 39. Bepaal de hoek tussen de twee vectoren r = 36. nl >= 0 ⇒ −yB · x + xB · y = 0 19 . Bepaal de hoek tussen de lijnen l : P = 0 1 +µ 1 4 in graden nauwkeurig. Bepaal de hoek tussen de twee vectoren u = 37. en v = −4 1 loodrecht op elkaar? 1 1 en m : Q = P = 38. 0) en B = (xB . Defini´ren we nu nl = e yB xB ofwel we schrijven de co¨fficienten uit de tweede vergelijking ook als een vector dan e is dus het inproduct < rl . De twee vectoren staan dus loodrecht op elkaar.7 Normaalvector van een lijn Een eerste toepassing van het inproduct is het opstellen van een lijn gegeven twee punt A en B. Een vector die loodrecht op een lijn staat noemt men een normaalvector van die lijn. Bepaal de hoek tussen de twee vectoren q = nauwkeurig. yB ). Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. x vanuit de oorsprong naar punt X op de lijn l door de y oorsprong altijd een richtingsvector is van de lijn l staat de vector X ook loodrecht op de normaalvector nl . Dus A = (0. een lijn door de oorsprong. nl )) = 0.34. Omdat een vector X = < X. 35. y Een vergelijking van de lijn is l : y = xB x ofwel l : −yB · x + xB · y = 0.

Bepaal een vergelijking van de lijn l door A en B in de vorm ax + by = e. nl >= 0 (14) Als de lijn niet door de oorsprong gaat dan krijgen we het volgende te zien: Laat A = (xA . A >⇒ −2x + y = −2 · 1 + 1 · 3 ⇒ l : −2x + y = 1. ∆x ∆x De richtingsvector van deze lijn is rl = we weer nl = xB − xA yB − y A = . yB ). Dan hebben we volgens vergelijking (4) l:y= ofwel l : −∆y · x + ∆x · y = −∆y · xA + ∆x · yA . 1 −2 Oplossing: rl = . Een normaalvector van de lijn nl = . 3) en B(2. 5). Defini¨ren e −∆y . Bovenstaande vergelijking kan nu worden herschreven tot: l :< X. nl )) = 0. Voorbeeld Gegeven zijn de punten A(1. yA ) en B = (xB . −∆y ∆x >=< xA yA . Dan is het inproduct < rl . nl >= 0 waaruit volgt dat ∆x cos(∠(rl . −∆y ∆x > ∆x ∆y ∆y ∆y x + yA − xA . De vectoren rl en nl staan dus loodrecht op elkaar staan. ⇔ l :< x y .Een vergelijking van een lijn door de oorsprong gegeven een normaalvector nl kan dus worden geschreven als: l :< X. nl >=< A. Controleer dat ook B aan deze vergelijking voldoet. 20 . nl > De constanten in vergelijking (5) l : ax + by = c kunnen we nu bepalen met behulp van de normaal vector en een punt. De vergelijk2 1 ing van de lijn wordt nu: l : −2x + y =< nl .

Geef een vectorvoorstelling van de lijn. Een richtingsvector 4 4 van de lijn is dan rl = . X >=< nl . s > ofwel l :< 1 4 . Een steun vector krijgen we door een x en y −1 te kiezen die aan de vergelijking voldoen. De vergelijking krijgen we dan eenvoudig via het inproduct 4 l :< nl . X >=< n. sm + λrm >= c 21 . 1 2 > l : x + 4y = 9 • Gegeven is de lijn l : x + 4y = 9. Voor snijpunt S geldt nu: < nl . x y >=< 1 4 . A > Voorbeelden (15) • Gegeven is de lijn l : P = 1 4 +λ = s + λrl . Oplossing: Een normaalvector van de 1 lijn is nl = . S >= c en S = s + λrl voor een zekere λ. dan is de y xB − xA vergelijking van de lijn gelijk aan: l :< n. Laat l : ax + by = c ofwel l :< nl . x −(yB − yA ) Gegeven de punten A en B Laat X = en n = . Kiezen we y = 0 dan is x = 9 Een vectorvoorstelling van de lijn is dan l= 0 9 +λ 4 −1 Met behulp van het inproduct is het ook mogelijk om een snijpunt van twee lijnen te berekenen als ´´n van de lijnen als vectorvoorstelling is gegeven en de andere als ee vergelijking.De vergelijking van een lijn in R2 kan nu ook volledig als inproduct worden gedefinieerd. Geef een vergelijking 2 −1 van de lijn in de vorm l : ax + by = c. X >= c en m : P = sm + λrm . Invullen levert: < nl . 1 Oplossing: De normaalvector van de lijn is nl = .

Controle door invullen +2 −2 4 0 in de vergelijking van l geeft 2 · 1 − 3 · 0 = 1.Gebruiken we de rekenregels voor het inproduct dan kunnen we deze vergelijking herschrijven tot < nl . sm > +λ < nl . rm > (16) Het invullen van deze waarde voor λ in de vectorvoorstelling van m levert het gevraagde snijpunt. Geef een vergelijking van de lijn in +λ . rm = . −3 −2 4 Invullen in λ = c−<nl . . Voorbeeld • Gegeven is de lijn l : 2x − 3y = 1 en de lijn m : P = s + λrl . Het snijpunt S is nu S = Opgaven: 40. sm = . Geef een vergelijking van de lijn in de 22 . 1 −2 −1 4 > > = 1 − (2 + 6) 1 = . Bereken de co¨rdinaten van het snijpunt S van l en m. −1 3 1 0 +λ 1 1 0 1 . −2 − 12 2 1 −2 +λ −1 4 = 1 1 −1 1 = 2 . 41.rm > 1− < λ= < 2 −3 2 −3 . o 2 1 −1 Oplossing: nl = .sm > levert: <nl . rm >= c ⇒ λ= c− < nl . Dit klopt dus de berekening was 2 goed. Gegeven is de lijn l = vorm l : ax + by = c. sm > < nl . Gegeven is de lijn l = de vorm l : ax + by = c.

o 46. (17) afstand tussen een lijn en een punt Opdracht: Gegeven is de lijn l : −x + y = 1 en het punt A(0. Bewijs de stelling: De middelloodlijnen van een driehoek gaan door 1 punt.8. Hint: maak een tekening. 2). Gegeven is de lijn l : −x + y = 10. Gegeven is een driehoek ∆ABC. Sz en Sb liggen op ´´n lijn. 19 ) 3 23 . ee 50. Bewijs de stelling: Sh . 7 Zou je recept ook snel werken voor de lijn l : −3x + 19y = 9 en het punt A( 1 .2 ∆x2 + ∆y 2 = < B − A.1 −2 −3 +λ 1 6 Bereken 1 −1 +µ −2 6 Afstanden afstand tussen twee punten In sectie 2. o 45. Gegeven is de lijn k : 2x + 4y = 8 en de lijn n : Q = Bereken de co¨rdinaten van het snijpunt S van k en n.8. Gegeven is de lijn l : 2x + 4y = 8. 49. 2. Sz het snijpunt van de zwaartelijnen en Sb het snijpunt van de middelloodlijnen. Geef een vectorvoorstelling van de lijn.4 is de afstand d(A. Gegeven is een driehoek ∆ABC met Sh het snijpunt van de hoogtelijnen. B) tussen twee punten A en B in een orthonormaalassenstelsel gedefinieerd als de lengte van de vector van A naar B: |vAB | = |B − A| = 2. Gegeven is de lijn l : −x+y = 10 en de lijn m : P = de co¨rdinaten van het snijpunt S van l en m. Bewijs de stelling: De hoogtelijnen van een driehoek gaan door 1 punt. Bereken exact de kortste afstand van A naar de lijn.8 2. Bewijs de stelling: De zwaartelijnen van een driehoek gaan door 1 punt. 48.3. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. Gegeven is een driehoek ∆ABC. 43. B − A >. 44. Geef een vectorvoorstelling van de lijn.42. 47. Gegeven is een driehoek ∆ABC.

De kortste weg is over de loodlijn op de lijn l door het punt P . nl > (18) Het punt snijpunt S wordt dan: S=P+ c− < nl . waarin nl de normaalvector van lijn l. de normaalvector en een vectorvoorstelling van een lijn. l) = √ 32 192 = √|3| = √1 = 30 30 270 30 (−3) +(19) 24 . nl > |nl | Voorbeeld 1 7 • Gegeven is de lijn l : −3x + 19y = 9 en het punt A( 3 . P > | nl | = | |·|nl | = (20) < n l . Een vectorvoorstelling voor m is dan: m : Q = P + λnl .Naast de afstand tussen twee punten is er in de lineaire algebra ook de afstand tussen een punt en een lijn. √ |9−(−3· 1 +19· 7 )| 1 Oplossing: d(A. P > nl < n l . De normaalvector staat loodrecht op de lijn l en is dus de richtingsvector voor de loodlijn m op l. nl > (19) De afstand d(P. Laat de lijn l gegeven zijn door de vergelijking l :< nl . S): d(P. De afstand d(P. Om het snijpunt te vinden bepalen we λ door formule 16 te gebruiken λ= c− < nl . l) tussen een punt P en een lijn l is gedefinieerd als de kortste weg van een punt naar de lijn. (Bewijs dit). P > |c− < nl . nl > < n l . P > c− < nl . De afstand van P tot l is gelijk aan de afstand tussen P en het snijpunt S van de lijnen l en m. P > < n l . We zullen gebruik gaan maken van de inproduct notatie van een lijn. x >= c. Op m moet het punt P liggen. S) = |S−P | = | c− < nl . l) is gelijk aan de afstand d(P. Het begrip van de afleiding is belangrijker dan het kunnen toepassen. Hier zullen we een formule afleiden waarmee snel de afstand van een punt tot een lijn kan worden berekend. 19 ) bereken de afstand van A tot l.

Bereken exact de afstand van P tot l. l) = |10−(3·3+4·5)| = |−19| = 3 5 5 32 +42 • Gegeven zijn de lijnen l : x − 3y = 12 en m : 9x + 3y = 2.• Gegeven is de lijn l : 3x + 4y = 10 en het punt P (3. 53. Open geogebra/opgave bissectrice. Opgaven: Tip: Gebruik in deze opdrachten geogebra om onderzoek te doen. Bereken de afstand van P tot l. Gegeven is de lijn l : x − 4y = 2 en het punt P (1.ggb √ √ Oplossing: |12−x+3y| = |2−9x−3y| ⇒ 1+9 81+9 √ |2−9x−3y| |2−9x−3y| √ ⇒ |12 − x + 3y| = 10 = 3 90 12 − x + 3y = 2 − 3x − y of 12 − x + 3y = − 2 + 3x + y ⇒ 3 3 1 2 2x + 4y = −11 3 of −3x + 2y = −12 3 . Gegeven is de lijn m : x = 2 en het punt P (3. 4 √ Oplossing: d(P. 0). 4). 5). 4). (a) Bereken exact de lengte van de hoogtelijnen in de driehoek.B= 7 7 en C = 1 1 . C − A > | |nAB | (21) Hierin is nAB de normaalvector van de zijde AB. 54. Bereken exact de afstand van Q tot k. Stel vergelijkingen op voor de bissectrices van de lijnen l en m Punten op de bissectrices van lijnen hebben gelijke afstand tot beide lijnen. Gegeven is de lijn k : 12x − 9y = 12 en het punt Q(2. Bereken exact de afstand van P tot m. AC > | 2 25 (22) . (b) Bewijs dat voor iedere driehoek ∆ABC geldt: De lengte lhC van de hoogtelijn van uit C op AB is gegeven door de formule: lhC = | < nAB . (c) Bereken exact de oppervlakte van de driehoek ∆ABC (d) Bewijs dat voor iedere driehoek ∆ABC geldt: De oppervlakte OABC van een ∆ABC is gegeven door de formule: OABC = | < nAB . 52. Gegeven is de driehoek ∆ABC met A = 3 4 . 51.

Bereken ook de hoeken van de driehoek in graden nauwkeurig. de normaalvector van de zijde AB met 55. Open geogebra/opgave bissectrice. Bereken de oppervlakte ook op een andere manier. Bereken met de formule uit de vorige opgave de oppervlakte van 1 de vierhoek.ggb 64. Kun je ook een formule leveren? 63. 6). Stel vergelijkingen op voor de bissectrices van de lijnen l en m. Gegeven is de lijn n : 2x + 3y = 1 en het punt P (a. Bewijs: De oppervlakte van een vierhoek OABCD is gegeven door de formule: OABCD = | < nAC . 26 .ggb Open geoge- 62. Bereken exact de waarde √ 5 van a waarvoor de afstand van P tot m gelijk is aan 13 13. 58. Bereken exact de waarde van p waarvoor de afstand van P tot m gelijk is aan 2. m : x = 2. B = 3 3 . Gegeven is de lijn n : 2x + py = 2 en het punt P (1. B = 1 3 . Bereken exact 60. Bereken exact de oppervlakte van de vierhoek. Bereken exact de lengten van de hoogtelijnen in de driehoek die wordt gevormd door de snijpunten van de drie lijnen. C = 3 3 (23) en 1 1 +λ 3 1 en het punt P (4. 59. C = 4 −5 61. Gegeven is de lijn m : P = de afstand van P tot m.Hierin is nAB = yB − y A −(yB − yA ) dezelfde lengte als AB. 56. Gegeven zijn de lijnen l : x − 2y = 7 en m : 4x + 2y = 10. Verzin een algoritme om voor een willekeurige vijfhoek ABCDE de oppervlakte te berekenen. Gegeven is de vierhoek ABCD met A = D= 3 . 4). k : 4x + 4y = 10. Gegeven zijn de lijnen l : 3x − 4y = 12 en m : 4x − 3y = 24. Gegeven is de vierhoek ABCD met A = en D = 2 . 1 1 . 1 bra/opgave vierhoek. Stel vergelijkingen op voor de bissectrices van de lijnen l en m Punten op de bissectrices van lijnen hebben gelijke afstand tot beide lijnen. 4). Gegeven zijn de lijnen l : x − 4y = 10. 57. BD > | 2 1 1 .

8 F = −1. waarin α de hoek tussen s en F en dat W = |s||F | cos α De formule voor de arbeid gevonden in de opdracht is gelijk aan stelling 12 van het inproduct. Bewijs de stelling: De bissectrices van een driehoek gaan door 1 punt.9 Arbeid Een voorbeeld uit de natuurkunde is het begrip arbeid in de klassieke mechanica. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. 66. Figure 5: Arbeid Open geogebra/arbeid.65.ggb 5 4 3 2 1 |F | = 1.5 = −4 0 1 2 3 4 5 6 7 −1 −1 Opdracht: Toon aan dat de component langs s aan lengte gelijk is aan |F | · cos α. (24) De ontbinding van de kracht is dus niet nodig als je de co¨rdinaten van de krachtveco tor en verplaatsingsvector kent.5 1 α B 4 2 |s| = 4. 27 .47 s= A W =< F . Een voorwaarde voor deze formule is dat F en s in dezelfde richting wijzen. De arbeid is dus ook gelijk aan W =< s. Om de arbeid op het voorwerp voor een willekeurig gerichte kracht F over een afstand s te berekenen moet F dus worden ontbonden in een kracht langs s en een kracht loodrecht op s.5 · 4 + 1 · 2 = −4 W = |F | · |s| · cos α = 1.47 · −0. Dit is echter niet altijd het geval. F > .8 · 4. Gegeven is een driehoek ∆ABC. 2. De hoeveelheid arbeid die door een kracht F over een afstand s op een deeltje/voorwerp wordt verricht is gegeven door de formule W = F · s. s >= −1.

Bereken de arbeid die door de kracht is geleverd als het voorwerp in B is aangekomen. Een voorwerp dat beweegt van A(4. Gegeven is de kracht F : 1 .Opgaven 67. Een voorwerp dat −1 beweegt van punt A op de lijn met xA = 1 naar punt B op die lijn met yB = 4 ondervindt deze kracht. 28 . 70. Bereken de arbeid die door de kracht is geleverd als het voorwerp in B is aangekomen. 2) ondervindt deze kracht. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. 6) naar 3 B(1. 68. Gegeven is de lijn l : x − 4y = 2 en de kracht F : 69. Bereken in de bovenstaande opgaven de grootte van de kracht langs de verplaatsing. −1 .

Het inproduct tussen twee vectoren in Rn blijft hetzelfde als vergelijking 7: n  < u. Een punt heeft nu drie of n co¨rdinaten. In Rn . v >= u · v = i ui · vi (26) Opgaven: 1. . v >= u · v = |u||v| cos(θ) (27) 29 . Bewijs de stelling: In een orthonormaal-assenstelsel in Rn is het inproduct gelijk aan < u. Een vector bestaat uit een verplaatsing in drie o of n richtingen. · · · is een vector gegeven door    v=   v1 v2 v3 . vn       De lengte (of norm) van een n-dimensionale vector v is gelijk aan n |v| = 2 v1 + 2 v2 + ··· + 2 vn = i=1 2 vi (25)  5 Voorbeeld: Gegeven is de drie dimensionale vector v =  3 .3 co¨rdinaten in R3 en hoger o In drie dimensie of hoger (n) verandert er niet heel veel in de lineaire algebra. . De lengte van deze 4 √ √ √ 2 + 32 + 42 = vector is |v| = 5 50 = 5 2 Opdracht: Teken deze vector in een 3-dimensionaal assenstelsel toon aan met behulp van de stelling van Pythagoras dat deze aanpak juist is. n = 3. 4.

−2 3 1 Een vectorvoorstelling van de lijn l is dan bijvoorbeeld. 2. 3) en steunvector s = 1 voorstelling van de lijn m door A met steunvector s. 1). 3) en B = (3. We zullen daar later op terugkomen. de    3 −2 m : P =  2  + λ 0  1 2 30 . rm = A − s = 1 2 3 Een vectorvoorstelling van  lijn l is dan bijvoorbeeld. 2. De vectorvoorstelling l : P = s + λrl blijft echter mogelijk. De steunvector s en richtingsvector rl zijn nu vectoren in Rn . Geef een vector• Gegeven is het punt A = (1. In R3 is dit een voorbeeld van een vergelijking voor een vlak. door twee punten A en B of door een combinatie van een van de vectoren en een punt. Voorbeeld • Gegeven zijn de punten A = (1.3.1 De voorstelling van een lijn in Rn In Rn met n > 2 kan een lijn niet meer worden weergegeven als vergelijking van de vorm ax + by = c. Oplossing: Kies als steunvector s de vector vanuit de oorsprong naar A of B. 2.     2 3 l : P =  2  + λ 0  −2 1   3  2 . Bepaal de richtingsvector uit verschilvector de      2 1 3 r l = B − A =  2  −  2  =  0 . Geef een vectorvoorstelling van de lijn l door A en B. Een lijn wordt bepaalt door deze twee vectoren. Oplossing: Bepaal de richtingsvector uit  verschilvector de      −2 1 3  2  −  2  =  0 .

1. Gegeven zijn de punten A = (4. 1) en B = (3. 5. We zullen aan de hand van een aantal voorbeelden bepalen of twee lijnen elkaar snijden. 1) en B = (3. 3). Geef een vector1 voorstelling van de lijn m door A met steunvector s. Een eventueel snijpunt wordt bepaald door het oplossen van de vergelijking:       −2 5 1 λ 1  =  2  + µ 1  2 1 1 31 . 1. kruisen of evenwijdig dan wel samenvallend zijn. Gegeven zijn de punten A = (4. 2. Gegeven is het punt A = (2.Opgaven: 2.       5 1 −2  1  en m : Q =  2  + µ  1 . 3. Geef een vectorvoorstelling van de lijn l door A en B. ofwel ze hebben niet dezelfde richting. 6.2 Twee lijnen in Rn In dimensie drie en hoger kunnen twee lijnen l en m net als in twee dimensies elkaar snijden. en snijden elkaar niet ofwel de vergelijking l = m heeft geen oplossing. Waarom is de vectorA  1  1  een goede voorstelling voor de lijn door A en voorstelling n : P = λ 1 B? 5. 1. 2. 2. 0.   3 3. 1. Twee kruisende lijnen zijn niet evenwijdig. 1). Geef een vectorvoorstelling van de lijn l door A en B. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. 2) en steunvector s =  2 . Er is echter een derde optie namelijk dat ze elkaar kruisen. Gegeven zijn de punten = (1. 5. 4. De • Gegeven zijn de lijnen l : P = λ 2 1 1 lijnen zijn niet samenvallend of evenwijdig want de rl en rm zijn geen veelvoud van elkaar en hebben dus niet de zelfde richting. 3). evenwijdig zijn of samenvallen. 3. 2. 11) en B = (3. 9.

−1 De lijnen zijn niet samenvallend of evenwijdig want de rl en rm zijn geen veelvoud van elkaar en hebben dus niet de zelfde richting. Het snijpunt S is dus S =  0  + 2  −1  = 2 −1   2  −2  0 32 .  λ = µ  2 − 2λ = −µ  0 = 2−µ De laatste vergelijking levert µ = 2. Dit levert het stelsel van drie vergelijkingen met twee onbekenden. De eerste geeft dan λ = 2.   −2λ = 5 + µ λ = 2+µ  2λ = 2 + µ Uit de eerste twee vergelijkingen lossen we op λ = −1 en µ = −3. Vullen we deze twee waarden in in de tweede vergelijking dan zien we dat de waarden ook aan    0 1 deze vergelijking voldoen.       0 1 0 • Gegeven zijn de lijnen l : P =  2  + λ  −2  en m : Q =  0  + 0 0 2   1 µ  −1 .We zoeken dus een λ en µ. Dit levert het stelsel van drie vergelijkingen met twee onbekenden. De conclusie is dat de lijnen elkaar kruisen. Echter 2·−1 = 2+−3. Een eventueel snijpunt wordt bepaald door het oplossen van de vergelijking:         1 0 1 0  2  + λ  −2  =  0  + µ  −1  −1 2 0 0 We zoeken dus een λ en µ. Er is sprake van een snijpunt als deze twee waarden voor λ en µ ook voldoen in de laatste vergelijking.

We moeten dus oplossen:       0 2 0  2  + λ  −6  =  0  0 14 2 . l : P =  1  + λ  −1  en m : Q =  1  + µ  0  2 −2 4 −4         2 1 3 −3 9. l : P =  0  + λ  −3  en m : Q =  1  + µ  0  0 0 6 −2         0 2 1 2 8. Deze waarde voldoet niet in de andere vergelijkingen. Geef waar mogelijk de co¨rdinaten van het snijpunt. l : P =  2  + λ  −1  en m : Q =  1  + µ  3  −2 1 −1 −3  33 .evenwijdig of samenvallend).   0 2 • Gegeven zijn de lijnen l : P =  2  + λ  −6  en 0 14     0 −1  0  + µ  3 . m:Q= 2 −7 Omdat rl = −2rm hebben de lijnen eenzelfde richting en zijn de lijnen in ieder geval evenwijdig. Als ze een punt gemeenschappelijk hebben vallen ze samen. Dit levert het stelsel:  2λ = 0  2 − 6λ = 0  14λ = 2 De eerste vergelijking levert λ = 0. De lijnen zijn dus niet samenvallend maar evenwijdig. Om dit te ontdekken gaan we een λ zoeken die de steunvector van m levert.kruisen. Opgaven:  Bepaal de ligging van de volgende lijnen paren (snijden. o        3 3 −1 1 7.

3 Vlakken in R3  In een drie dimensionale ruimte is er naast het punt en de lijn een derde lineaire figuur. of door een paar snijdende lijnen. Een voorstelling kan bijvoorbeeld zijn:           xA xB xA xC xA v : P =  y A  + λ  y B  −  y A  + µ  y C  −  y A  zA zB zA zC zA 34 . 3. Voor de richtingsvectoren kunnen net als bij de vectorvoorstelling voor een lijn de verschilvectoren nemen tussen twee punten paren. 3. B = (xB . Gegeven zijn de punten A = (xA . Het vlak in R3 heeft net als de lijn in R2 meerdere verschijningsvormen: de vectorvoorstelling. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. Een vlak wordt bepaald door drie punten. l : P = −1 1 0 1 11. yA . yC . B of C kiezen. zB ) en C = (xC . die begrijpelijkerwijs niet op ´´n lijn mogen liggen. Een vectorvoorstelling voor een vlak v heeft een steunvector s nodig en twee richtingsvectoren r1 en r2 en wordt gegeven door: v : P = s + λr1 + µr2 (28) Voor de steunvector kunnen we een vector vanuit de oorsprong naar ´´n van de ee drie punten A.       1 1 0 2  1  + λ  −1  en m : Q =  2  + µ  1  10. Een vlak kan daarom ook worden bepaald door een ee lijn en een punt niet op de lijn. yB .4 Vectorvoorstelling We beginnen met de vector voorstelling. het vlak. zA ). de vergelijking en de definitie als inproduct. zC ) die vlak v bepalen.

0. B = (0. 2. 1). 2. B = (0. 3). 0. 14 0         0 2 6 2 15. Een vectorvoorstelling voor het vlak v door deze punten is:           1 0 1 3 1 v : P =  2  + λ  2  −  2  + µ  1  −  2  3 0 3 1 3      −1 2 1 =  2  + λ  0  + µ  −1  −3 −2 3  Opgaven Geef vectorvoorstellingen voor het vlak door: 12. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. 0. de lijnen l : P =  2  + λ  −6  en m : q =  5  + µ  1 . 0). de punten A = (1.Voorbeeld Gegeven zijn de punten A = (1. 1) en de lijn l : P =  2  + λ  −6 . Laat eerst 0 14 0 0 zien dat de lijnen ook werkelijk snijden.     2 0 14. 1. 2. 0). 1. 1) en C = (0. 2) en C = (3. de punten A = (1. Waarom is de vectorvoorstelling       1 3 1 v : P =  2  + λ 1  + µ 1  3 1 3 ook een vectorvoorstelling voor het vlak uit het voorbeeld? 17. 1. 0) en C = (0. 13. 16. 0). 35 . het punt A = (1. 3). B = (3. 1.

1. 2. s en t. Voor we aan de slag gaan delen we eerst in vergelijking 29 door d om ´´n onbekende weg te werken ee v : a/dx + b/dy + c/dz = 1. Het stelsel vergelijkingen waarmee we aan de slag moeten krijgen we door ieder punt in te vullen:   r + 2s + 3t = 1 3r + 2s + t = 1 ⇔  s = 1   r + 3t = −1 3r + t = −1 ⇔  s = 1   r = −1 − 3t 3(−1 − 3t) + t = −1 ⇔  s = 1   r = −1 − 3t −8t = 2 ⇔  s = 1   r = −1/4 t = −1/4 ⇔ s = 1 v : −1/4x + y − 1/4z = 1 ⇔ 36 . 2. b. Voorbeeld Gegeven zijn de punten A = (1. dit levert: v : rx + sy + tz = 1. Vervolgens hernoemen we de breuken tot respectievelijk r.5 Inproduct.3. 0). 3). 1) en C = (0. B = (3. uitproduct en vergelijking voor vlak Een vlak in R3 kan ook worden gegeven in de vorm van de vergelijking: v : ax + by + cz = d (29) We kunnen net als bij het opstellen van een vergelijking in R2 met behulp van drie gegeven punten een stelsel van vergelijkingen opstellen waaruit we een combinatie van a. c en d oplossen.

Laat zien dat < nv . De normaalvector van de lijn nl stond daar loodrecht op de richtingsvector rl . b en c uit het e −1 voorbeeld. r1 >= 0 ∧ < nv .   −1 Opdracht: Noem nv =  4  de vector van de co¨fficienten a. Bij een lijn in konden we overstappen van de vectorvoorstelling gebruikmakend van de vergelijking in de vorm van het inproduct 15 l :< nl . X >=< nv . r2 >= 0. We presenteren  een afleiding met behulp van de  hier   a d definitie van het inproduct. waarin r1 . A > (30) De vraag rest hoe je gegeven twee richtingsvectoren van een vlak een normaalvector van het vlak berekent. Ook hier lijkt het dus mogelijk een vlak met behulp van het inproduct van vectoren te defini´ren: e v :< nv .v : −x + 4y − z = 4. Laten r1 =  b  en r2 =  e  twee gegeven richtc f   nx  ny  de normaalvector van het vlak ingsvectoren van een vlak v zijn en laat nv = nz zijn. Bovenstaande vergelijking en de vectorvoorstelling:       1 2 −1 v : P =  2  + λ  0  + µ  −1  3 −2 −3 Zijn dus twee verschillende voorstellingen voor het zelfde vlak. 37 . In het voorbeeld van de vectorvoorstelling hebben we dezelfde punten genomen. Omdat de normaalvector loodrecht op het vlak staat moet de normaalvector ook loodrecht op iedere richtingsvector in het vlak staan (waarom?).r2 en s respectievelijk de richtingsvectoren en de steunvector zijn uit het voorbeeld. s >= 4. X >=< nl . A >. e Een vector loodrecht op een vlak noemen we de normaalvector van een vlak. r2 >= 0 en < nv . Er moet dus gelden: < nv . r1 >= 0 en < nv . De vector van co¨fficienten staat dus loodrecht op de richtingsvectoren van het vlak.

Oplossing:       bf − ce 2 · (−3) − 3 · 2 −12 w =  −af + cd  =  −1 · (−3) + 3 · (−1)  =  0  .Dit leidt tot een stelsel van twee vergelijkingen met de drie onbekenden nx . cf cf    a Een normaalvector van een vlak met richtingsvectoren r1 =  b  en r2 =  c is dus de vector   bf − ce nv =  −(af − cd)  ae − bd Dit resultaat noemt men het uitproduct van de twee vectoren r1 en r2 . Bepaal het uitproduct 3 −3 w = u × v. ae − bd 1 · 2 − 2 · (−1) 4 38  . wiskundige notatie voor het uitproduct van twee vectoren u en v is: w =u×v Voorbeelden af n +bf n  d e  f (31) De (32)    1 −1 • Gegeven zijn de vectoren u =  2  en v =  2 . ny en nz precies te bepalen. ny en nz . Omdat een normaalvector verschillende lengten kan hebben is het niet nodig nx . Het stelsel is: anx + bny + cnz = 0 ⇔ dnx + eny + f nz = 0 af nx + bf ny + cf nz = 0 ⇔ cdnx + ceny + cf nz = 0 af nx + bf ny + cf nz = 0 ⇔ (af − cd)nx + (bf − ce)ny = 0 nz = − xcf y −cd ny = − af −ce nx bf Kies nu nx = bf − ce dan is ny = −af + cd en nz = − af (bf −ce)+bf (−af +cd) = − af bf −af ce−bf af +bf cd = −(−ae + bd) = ae − bd.

Geef een vergelijk1 1 2 ing van het vlak in de vorm w : ax + by + cz = d 23. Daartoe moeten we eerst de normaalvector bepalen met behulp van twee richtingsvectoren. B = (0. 0. Gegeven zijn de punten A = (1.       1 1 −1 22.  19. Gegeven zijn de punten A = (−1. B = (0. Geef een vergelijking van het vlak in de vorm v : ax + by + cz = d. Gegeven is het vlak w : P =  0  +λ  2  +µ  1 . Gegeven zijn de punten A = (−1. −2 2 · (−1) − 0 · (−1) ae − bd         −2 x −2 1  8  . Geef een vergelijking van het vlak in de vorm v : ax + by + cz = d. 1.  2  > Een vergelijking voor het vlak is nu v :< −2 z −2 3 of wel v : −2x + 8y − 2z = −2 + 16 − 6 = 8. X >=< nv .  bijKies   −1 2 voorbeeld de richtingsvectoren r1 = B−A =  0  en r2 = C−A =  −1  −2 −3 . Geef een vergelijking van het vlak in de vorm w : ax + by + cz = d. 39 . 1) en C = (2. 1.  y  >=<  8  . 1. 2. 2. B = (0. Bepaal de uitproducten 18. 20. Beide zijden door twee delen levert: v : −x + 4y − z = 4. A >. 0. 1) en C = (0. 21. Bewijs u × v = −v × u. 0). 1). 2. 1. Gegeven zijn de vectoren u = 1 3 w = u × v en t = v × u. 0). 2. Een normaalvector is dan het uitproduct       −2 0 · (−3) − (−2) · (−1) bf − ce nv = r1 × r2 =  −af + cd  =  −2 · (−3) + (−2) · (−1)  =  8 . Opgaven:    4 2  −1  en v =  0 . 0). Geef zowel een vergelijking van het vlak in de vorm v : ax + by + cz = d en een vectorvoorstelling van v. −1). 3). Wat is de relatie tussen w en t. 1. B = (3. Oplossing: We gebruiken de inproduct notatie v :< nv . De vergelijking van het vlak die we al eerder hebben gevonden. 1) en C = (−1. 1). −1.• Gegeven zijn weer de punten A = (1. 1). 1) en C = (0.

Probleem: Bepaal het (eventuele)snijpunt S van lijn l met het vlak v. 3.24. Oplossing: We moeten een λ. Een lijn snijdt een vlak. Zoek uit wat het uitproduct heeft te maken met de kurkentrekker. Hieronder geven we aan hoe je dit bepaalt.6 snijpunt lijn en vlak in R3 In R3 zijn er 3 mogelijkheden voor de ligging van een lijn ten opzichte van een vlak. 25. µ en γ door het volgende systeem van drie vergelijkingen met drie onbekenden op te lossen:   slx + λrlx = svx + µrv1x + γrv2x sly + λrly = svy + µrv1y + γrv2y  s + λr = s + µr + γr lz lz vz v1z v2z Voorbeelden:     3 −1 • Gegeven is de lijn l : P =  2  + λ  1  en het vlak v : Q =  1 1     1 0 µ  1  + γ  −1 . Een lijn ligt in een vlak of een lijn is evenwijdig met een vlak. 1 1 Oplossing: Het stelsel dat we moeten oplossen is:     3 − 1λ = 2 + γ  1 − 1λ = γ  1 − 1λ = 2+λ = 1+µ−γ ⇔ 1+λ = µ−γ ⇔ 1+λ =  1+λ = 1+µ+γ   λ = µ+γ λ =     γ = 1 − 1λ  γ = 1 − 1λ  γ = −1 2 µ = 2 2 = µ µ = 2 ⇔ ⇔ ⇔  2λ = µ + 1  2λ = 3  3 λ =2 40   2 1 + 1 γ µ − (1 − 1λ) µ + (1 − 1λ) . Gegeven is de lijn l : P = sl + λrl en het vlak v : Q = sv + µrv1 + γrv2 .of rechterhandregel. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen.

Het stelsel is niet oplosbaar. • Gegeven is de lijn l : P = sl + λrl en het vlak w : ax + by + cz = d. Probleem: Bepaal het (eventuele)snijpunt S van lijn l met het vlak w. Dit is alleen mogelijk als het volgende systeem een oplossing heeft   3 = 2+γ 2 = 1+µ−γ  1 = 1+µ+γ    1 = γ 3 = 2+γ   1 = γ  2 = 1+µ−1 ⇔ 2 = µ 2 = 1+µ−γ ⇔  −1 = µ  1 = 1+µ+γ  1 = 1+µ+1 Ook dit klopt niet dus lijn l is evenwijdig met v. Oplossing: We maken gebruik van de inproduct notatie 30 voor het vlak w. X >=   2 1 + 1 γ µ − (1 − 1λ) µ + (1 − 1λ) 41 .          1  12 3 −1 2 0 1  2  + 3  1  =  1  + 2  1  − 1  −1  =  3 1  S= 2 2 2 1 1 1 1 1 21 2      3 −1 • Gegeven is de lijn l : P =  2  + λ  1  en het vlak v : Q =  1 −1     0 1 µ  1  + γ  −1 . Mogelijkerwijs ligt l in v. w :< nw . Dan moet de steunvector sl van l ook in dit vlak liggen. 1 1 Oplossing: Het stelsel dat we moeten oplossen is:     3 − 1λ = 2 + γ  1 − 1λ = γ  1 − 1λ = 2+λ = 1+µ−γ ⇔ 1+λ = µ−γ ⇔ 1+λ =  1−λ = 1+µ+γ   −λ = µ + γ −λ =   γ = 1 − 1λ 2 = µ  0 = µ+1 µ heeft nu twee oplossingen hetgeen niet mogelijk is.

Omdat de lijn moet snijden kunnen we de vector X vervangen door sl + λrl . λ vinden we uit −1  d− < nv . sl > +λ < nw . av >= a < u. Voorbeelden    −1 3 • Gegeven is de lijn l : P =  2  + λ  1  en het vlak v : 2x + y − z = 4. rl > 2 · (−1) + 1 · 1 + (−1) · 1 −2 2      1  12 3 −1  2  + 3  1  =  3 1 . rl >= 0. rl >= 0 en bovendien geldt < nw . sl + λrl >= < nw . v > + < u. Het snijpunt S krijgen we uit S = 2 2 1 1 1 22 1 1 Dus S = (1 2 . Controleer dit door S in de vergelijking voor w in te 2 vullen.d. ofwel de richting van l is bevat in de richtingen van het vlak w. w > en < u. Is < nw . Dit geeft de vergelijking: < nw . We gebruiken daartoe de eigenschappen van het inproduct (< u. rl >= 0. sl > 4 − (2 · 3 + 1 · 2 + (−1) · 1) 4 − 7 3 = = = . rl > (33) Een unieke oplossing bestaat alleen als < nw . v >) om bovenstaande vergelijking te herschrijven: < nw . sl > < nw . 2 2 ). (sl + λrl ) >= d Hieruit moeten we λ oplossen. λ= 42 . (v + w) >=< u. 3 1 . sl >= d ofwel de steunvector sl van l wijst naar een punt in het vlak. dan staat de normaalvector van w loodrecht op de richtingsvector van l. 1 1 Bereken de co¨rdinaten van het snijpunt van l met v. < nv . rl >= d ⇒ λ= d− < nw . De lijn ligt volledig in het vlak als en < nw . o Oplossing:   2 Normaalvector vlak v is nv =  1 .

1 −1 Bereken de co¨rdinaten van het snijpunt van l met v. 26. De lijn ligt niet in het vlak maar is evenwijdig. Lijn l : P =  4  + λ  0  en vlak v : −x + 2y − z = 8. −6 1         −1 −2 0 −1 28. Ligt de lijn in het vlak? < nv . Bepaal zelf welke strategie je het prettigst vindt. 0 43 . < nv . sl > = = . o Oplossing:   2 Normaalvector vlak v is nv =  1 .   3 −1 • Gegeven is de lijn l : P =  2  + λ  1  en het vlak v : 2x + y − z = 4. Geef waar mogelijk de co¨rdinaten van o het snijpunt. Lijn l : P =  4  + λ  2  en vlak v : Q =  0  + µ  0  + 4 4 4 7   −1 γ  1 .o. Welke methode je kiest mag natuurlijk niet uitmaken voor het resultaat. Opgaven: Bepaal de ligging van de lijn t. sl >= 7 = 4. λ vinden we uit −1 λ= 4 − (2 · 3 + 1 · 2 + (−1) · 1) 4−7 d− < nv .v het vlak.     7 2  5  + λ  1  en vlak v : x + y − z = 9. Lijn l : P = 2 1     −4 1 27. rl > 2 · (−1) + 1 · 1 + (−1) · (−1) 0  Oeps: Delen door nul is flauwekul.

De vlakken zijn evenwijdig of vallen samen.C = (2. 33. Gegeven zijn de lijn l : P = 0 0 Voor welke a en b ligt lijn l in vlak v. 3.v vlak w.7 Snijlijn twee vlakken in R3  In R3 zijn er 3 mogelijkheden voor de ligging van een vlak ten opzichte van een ander vlak. Probleem: Bepaal de ligging van de vlak v t. 1.D = (6. 2). Als nv = αnw dan vinden we een vergelijking voor de lijn uit het stelsel: ax + by + cz = d ex + f y + gz = h ⇔ aex + bey + cez = de aex + af y + agz = ah 44 . Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. Bepaal de co¨rdinaten van het snijpunt van het vlak door de punten o A.     4 a  b  + λ  2  en vlak v : 2x − y − 2z = 2.E = (2. De vlakken snijden volgens een lijn. Gegeven zijn de punten A = (0. Als de vlakken snijden geef dan een vectorvoorstelling van de lijn. Als dat waar is dan vallen de vlakken samen zo niet dan zijn ze evenwijdig. γ 1     0 −2 30. 1. Gegeven de vlakken v : ax + by + cz = d en w : ex + f y + gz = h. Lijn l : P =  9  + λ  8  en vlak v : 4x + y − 2z = 5. 1. Hieronder geven we aan hoe je dit bepaalt. Oplossing: Eerst merken we op dat als de vlakken evenwijdig zijn de normaalvectoren van v en w op ´´n lijn liggen. 3. Lijn l : P =  1  + λ  −2  en vlak v : Q =  3  + µ  −6  + 1 1 1 −1   1  −2 . 8). 2). 0.B = (1. B en C met de lijn door de punten D en E. 2).o. Als dat het ee geval is kies dan een punt in v en kijk of dit voldoet aan de vergelijking voor w.       1 1 1 1 29. 32. 1). 2 0 31. ofwel nv = αnw voor een bepaalde constante α.

Als de vlakken snijden geef dan een vectorvoorstelling van de lijn. dan is y = in de bovenste vergelijking levert: aex + be( = de−ah be−af − λ(ce−ag) be−af .o.⇔ aex + bey + cez = de (be − af )y + (ce − ag)z = de − ah de−ah−λ(ce−ag) be−af Kies nu bijvoorbeeld z = λ. Oplossing: De vlakken zijn niet evenwijdig want er is geen constante α te vinden zodanig     2 1  −1  = α  1 . dat −1 1 Snijlijn: 2x − y − z = 4 ⇔ x+y+z = 5 2x − y − z = 4 ⇔ 3x = 9 45 6−y−z = 4 x = 3 . Bepaal de ligging van de vlak v t.v vlak w. Invullen de − ah λ(ce − ag) − ) + ceλ = de be − af be − af aex = −be = = = x = de − ah λ(ce − ag) + be − ceλ + de ⇔ be − af be − af de − ah ce − ag de − be + λ(be − ce) ⇔ be − af be − af de(be − af ) − be(de − ah) be(ce − ag) − ce(be − af ) +λ ⇔ be − af be − af −beag + ceaf −deaf + beah +λ ⇔ be − af be − af −df + bh −bg + cf +λ be − af be − af Een vectorvoorstelling voor de snijlijn s is nu:  −df +bh   −bg+cf  s:P = be−af de−ah be−af  + λ be−af −ce+ag be−af  0 Voorbeelden: 1 • Gegeven zijn de vlakken v : 2x − y − z = 4 en w : x + y + z = 5.

Daar moeten de nor- 46 . De vlakken zijn dus evenwijdig. Als de vlakken snijden geef dan een vectorvoorstelling van de lijn. 0. Een vergelijking voor de snijlijn is dan:     3 0 s : P =  2  + λ  −1  0 1 • Gegeven zijn de vlakken v : 2x − y − z = 4 en w : −4x + 2y + 2z = −10. hetgeen niet waar is. Je kunt ook de vectorvoorstellingen aan elkaar gelijkstellen zoals dat is gedaan bij het vinden van een snijpunt van een lijn en een vlak. Oplossing:     −4 2 De vlakken zijn evenwijdig want  −1  = − 1  2 .Kies z = λ dan is y = 2 − λ.o. Voorbeeld:   3 Gegeven zijn de vlakken v : P =  0  + µ  0       1 1 0 w : Q =  1 +α 0 +β 1  1 2 −2 Bepaal een vectorvoorstelling van de snijlijn s. Bepaal de ligging van de vlak v t. maar dat is zeker niet sneller. Oplossing: Eerst stappen we over op vergelijkingen van     1 1 2  + γ  −2  en 3 −3 de vlakken. Invullen in w levert −8 = −10. −4) in v.v vlak w. dan ligt voor z = −4 het punt P = (0. 2 2 −1 Kies x = 0 en y = 0. In het geval van vlakken gegeven als vectorvoorstelling kun je de vlakken eerst omzetten als vergelijking en dan het bovenstaande recept afwerken.

dan is z = 6λ en x = − 1 + 7λ.  1  >⇒ 1 1 1 z w : −2x + 2y + z = 1 Vervolgens lossen we het stelsel vergelijkingen op: 6y − 4z = 0 ⇔ −2x + 2y + z = 1 3y = 2z ⇔ −2x + 2y + 3 y = 1 2 3y = 2z −2x = 1 − 3 1 y 2 Kies y = 4λ . Een vectorvoorstelling voor de lijn s 2 is dan:  1   1    7 − 2 + 7λ −2   =  0  + λ 4  4λ s:P = 6 6λ 0 47 .  0  >⇒ 0 −4 z −4 v : 6y − 4z = 0     0 1 nw =  0  ×  1  −2  2   −2 0 · (−2) − 2 · (1) =  −1 · (−2) + 2 · 0  =  2  1 1 · (1) − 0 · (1) De vergelijking voor vlak w wordt dan:         x −2 1 −2 w : <  2  .  y  >=<  6  .  y  >=<  2  .maalvectoren nv en nw van de vlakken v en w voor worden bepaald:     1 1 nv =  2  ×  −2  −3 3  bf − ce =  −af + cd   ae − bd    2 · (−3) − 3 · (−2) 0 =  −1 · (−3) + 3 · 1  =  6  1 · (−2) − 2 · 1 −4 De vergelijking voor vlak v wordt dan:         3 0 x 0 v : <  6  .

Definitie:Onder de hoek tussen twee vlakken verstaan we de kleinste hoek tussen de twee vlakken.Opgaven: Geef een vectorvoorstelling van de snijlijn van de volgende vlakken: 34. t : −3x + y − 3z = 1 en u : y + z = 3 36. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. v : P =  1  + µ  1  + γ  0  en −1 1 1       −1 1 1 w : Q =  0 +α 2 +β 1  −2 2 0       1 1 0  2  + µ  1  + γ  8  en 39. v : −x + 3y + 2z = −2 en w : 2x + 6y − z = 3 35.8 Hoeken in 3D Definitie:De hoek tussen twee snijdende lijnen of twee kruisende lijnen is gelijk aan aan de scherpe hoek tussen de twee richtingsvectoren van die lijnen. 48 . 3. v : P = 1 8 4       1 4 4  2 +α 2 +β 1  w:Q= 2 2 0       1 0 −1 40. c : x + 2y + 3z = 4 en d : 5x + 6y + 7z = 8       1 3 2 38. a : − x + y − z = 1 en b : x + 4y + z = 2 2 4 37. v : P =  −1  + µ  1  + γ  0  en 0 0 −1       0 1 −1 w : Q =  0 +α 1 +β 1  1 1 0 41.

v >= u · v = |u||v| cos(θ) We kunnen dit herschrijven tot cos(θ) = < u. Oplossing: We gebruiken de eigenschap van het inproduct van twee vectoren in een orthonormaal-assenstelsel 12. Definitie:Onder de hoek tussen een lijn en een vlak verstaan we de kleinste hoek tussen die lijn en het vlak. 4 −1 Invullen in bovenstaande vergelijking geeft: 2 · (−4) − 1 · 2 − 1 · 4 −14 √ cos(θ) = √ = √ ⇒ 4 + 1 + 1 16 + 4 + 16 6 6 −7 θ = cos−1 ( √ ) ≈ 119◦ ⇒ 3 6 Deze hoek is groter dan 90◦ .Opdracht: Maak aannemelijk dat deze hoek is gelijk aan de scherpe hoek tussen de lijnen waarop de normaalvectoren van die vlakken liggen. Voorbeelden: • Gegeven zijn de vlakken v : 2x − y − z = 4 en w : −4x + 2y + 4z = −10. < u.     −1 3  1  + λ  2 . • Gegeven is het vlak v : 2x − y − z = 4 en de lijn l : P = 1 1 Bepaal de hoek tussen de lijn en het vlak in graden nauwkeurig. Oplossing: De hoek tussen een lijn en een vlak is 90◦ min de scherpe hoek 49 . De scherpe hoek tussen de twee vlakken is dus 180 − 119 = 61◦ . Bepaal de hoek tussen deze twee vlakken in graden nauwkeurig. v > |u||v| De normaalvectoren van v en w zijn respectievelijk     −4 2 nv =  −1  en nw =  2 . Opdracht: Maak aannemelijk dat deze hoek is gelijk aan 90 graden min de scherpe hoek tussen de richtingsvector van de lijn en de normaalvectoren van het vlak.

Bereken in graden nauwkeurig de hoek tussen l en m.1 afstand tussen twee punten Evenals in 2D is de afstand d(A. nv > 3 · 2 + 2 · (−1) + 1 · (−1) √ ) = 90 − cos−1 ( √ )= |rl ||nv | 9+4+1 4+1+1  3 90 − cos−1 ( √ √ ) ≈ 90 − 71 = 19◦ . vlak nv = −1 θ = 90 − cos−1 ( < r l . 1 1 Bereken in graden nauwkeurig de hoek tussen l en v. de afstand tussen een punt en een vlak. Gegeven zijn de lijn l : P =  1  + λ  2  en het vlak v : 2x + 3y − z = 5. Gegeven zijn de vlakken v : 2x + 3y − z = 5 en w : −x + y − z = 1. 45. Gegeven zijn de lijnen l : P =  0  + λ  2  en m : Q =  1  + µ  0 . 3 tussen de richtingsvector van de lijn rl =  2  en de normaalvector van het 1   2  −1 . 3. B) tussen twee punten A en B in een orthonormaalassenstelsel van 3 dimensies (of hoger) gedefinieerd als de lengte van de vector van 50 . 0 3 0 1 Bereken in graden nauwkeurig de hoek tussen l en m. 14 6 Opgaven:        1 1 0 1 42.     −1 1 43. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen.9. de afstand tussen een punt en een lijn en de afstand tussen 2 kruisende lijnen. 44.9 Afstanden  In 3D zijn er de volgende afstand begrippen: de afstand tussen twee punten. 3.

De normaalvector staat loodrecht op het vlak v en is dus de richtingsvector voor de loodlijn m op v. Opdracht: Leg dit uit! Figure 6: afstanden in R3 l P S rl 2 1 −3 −2 −1 −1 1 x1 −2 2 3 −3 2 h P α = 0. 51 . Deze afleiding is analoog (gelijke redenering) aan de afleiding in 2D. (34) In drie dimensies is dit gelijk aan |vAB | = |B − A| = 3. v) tussen een vlak v en een punt P in 3D (zie linker plaatje in figuur 6 )is gedefinieerd als de kortste weg van een punt naar het vlak.31 is over de loodlijn op de lijn v door het punt P . We maken weer gebruik van de inprodukt notatie dit maal een voor vlak.9.2 ∆x2 + ∆y 2 + ∆z 2 .A naar B: |vAB | = |B − A| = < B − A. Laat het vlak v gegeven zijn door de vergelijking v :< nv . Een vectorvoorstelling voor m is dan: m : Q = P + λnl . Op m moet het punt P liggen. B − A >. waarin nv de normaalvector van lijn v. (35) afstand tussen een vlak en een punt De afstand d(P.ggb afstand punt lijn Open geogebra/afstandpuntlijn.ggb Hier zullen we een formule afleiden waarmee direct de afstand van een punt tot een vlak kan worden berekend. de normaalvector van het vlak en een vectorvoorstelling van een lijn.α Deze kortste weg = 0. x >= d.63 Q 1 v2 sl 0 v1 1 2 S −3 −2 −1 −1 z1 y1 0 z afstand punt vlak Open geogebra/afstandpuntvlak.

P > < n v . Bereken exact de afstand van P tot v. 1. Gegeven zijn het vlak v : −x + 2y + z = c en de punten P (3. 2. Gegeven zijn het vlak v : x + y + z = 3 en het punt P (1. nv > |nv | Voorbeeld • Gegeven het vlak v : 3x + 4y + 5z = 10 en het punt P (2. Bereken exact de afstand van P tot Q. v) = |10−(3·2+4·6+5·(−2))| = |−10| = √2 = 2 5 2 32 +42 +52 Opgaven 46. 100. 2. 47. S): d(P. Q). −2). nv > (36) Het punt snijpunt S wordt dan: S=P+ d− < nv . Gegeven zijn de punten P (1. P > |d− < nv . nv > < n v . Bereken exact de afstand van P tot v. v) is gelijk aan de afstand d(P. P > | nv | = | |·|nv | = (38) < n v . S) = |S−P | = | d− < nv . Bereken de afstand van P tot v. v) = d(P. −2). 6. 52 . Bereken exact de waarde(n) voor c waarvoor d(P. 48. −2). 1. P > nv < n v . 49. v) = 3 .De afstand van P tot v is gelijk aan de afstand tussen P en het snijpunt S van vlak v en lijn m. 6. 3) en Q(1. Gegeven zijn het vlak v : ax + y + z = 2 en het punt P (1. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. √ 2 √ √ Oplossing: d(P. 50. 6). −2). 51. 2. 1). nv > (37) De afstand d(P. Bereken exact 1 de waarde(n) voor a waarvoor d(P. Gegeven zijn het vlak v : 2x + z = 1 en het punt P (1. Om het snijpunt te vinden bepalen we λ door formule ?? te gebruiken λ= d− < nl . P > d− < nv . 2) en Q(5.

(P − S) > (40) We berekenen nu eerst het inproduct < (P − S). < (P − S). rl > Het snijpunt S wordt dan: S = sl + < rl . P >⇔ λ < rl . P >⇔ < rl . P > − < rl . rl > < rl . (P − sl − λrl ) > = < (P − S). P > − < rl . (P − S) > = < (P − S). S) = |P − S| = < (P − S). l) is weer gelijk aan de afstand d(P.3 afstand tussen een punt en een lijn De afstand d(P. rl > = < rl . Hier zullen we een formule afleiden waarmee direct de afstand van een punt tot een lijn kan worden berekend. Laat de lijn l gegeven zijn door de vectorvoorstelling l : Q = sl + λrl De richtingsvector van l is de normaalvector van het vlak v door P . De kortste weg is over het vlak v door het punt P loodrecht op l. We maken weer gebruik van de inproduct notatie ditmaal voor het vlak v door P loodrecht op l. (P − sl ) > (want(P − S) ⊥ rl ) 53 . sl > +λ < rl . x >=< rl . Het snijpunt S van v en l krijgen we weer door λ uit te rekenen met het in vullen van l in v: < rl . rl > = < rl .3.9. (P − S) >. sl > < rl . rl > (39) De afstand d(P. l) tussen een lijn l en een punt P in 3D is gedefinieerd als de kortste weg van een punt naar de lijn. P > − < rl . (sl + λrl ) > = < rl . P > . S): d(P. P − sl > = λ = < rl . sl > rl < rl . sl > < rl . De vergelijking voor v is (verklaar waarom!) v :< rl . l) = d(P.

  −1 −1  en het punt P (1. (P − sl ) > (< rl . 5. −3). Bereken 2 54. 4). 0) en R(1. Gegeven zijn de punten P (2. rl > De afstand d(P. 1. l) = 1+16+4 21 21 21 1  Opgaven   1 52. (P − sl ) > −λ < rl .  2 2  1  − (1·2+4·1+2·1)2 = 6 − 64 = 2 20 = 62 Oplossing: d(P. 2). 5. (P − sl ) > = < (P − sl ). (P − sl ) > = < (P − sl ). l) = < (P − sl ). rl > d(P. 0. v)2 in figuur    1 1  0  + λ  4  en het punt P (3. Gegeven is de lijn l : Q =  1  + λ  1 exact de afstand van P tot l. Bereken 1  −3 8  en het punt P (2. 0. P − sl >)2 − < rl . l) is nu: (< rl . Bereken exact de oppervlakte van de driehoek P QR 54 .    1 53.= < (P − sl − λrl ). (P − sl ) > − (41) Merk op dat dit gelijk is aan 6. Voorbeeld OP 2 − QP 2 = |P − sl |2 − d(P − sl . Q(1. P − sl >)2 < rl . Gegeven is de lijn l : Q =  1  + λ  1 exact de afstand van P tot l. Bereken • Gegeven is de lijn l : Q = 2 1 exact de afstand van P tot l. 0). 0). 3.

9. Gegeven is de lijn l : Q =  1  + λ  −1  en het punt P (0. 4. Als snijpunt S van l en v dan moet ook P − S loodrecht op l staan. B(0. 1). 0. 56. Het punt S dat we zoeken moet dan gelijk zijn aan het punt Q. rl >= 0 ∧ < P − Q.4 afstand tussen twee kruisende lijnen De afstand d(l. maakten we een vlak vloodrecht op l door P . Bereken 1 1 exact de waarde voor a waarvoor afstand d(P. 1) en D(1. r2 >< r1 . m) tussen twee kruisende lijnen l en m in 3D is gedefinieerd als de lengte van het kortste lijnstuk dat l met m verbindt. Bereken de inhoud van het viervlak ABCD 58. Evenzo moet gelden dat P − Q loodrecht op m moet staan. 3. < P − Q. Gegeven zijn de punten A(1. zodat P − Q loodrecht op l staat. Definieer r1 = B − A. rm >= 0 We beginnen met < P − Q.8. 0). r2 = C − A. 0). r3 = D − A en n = r1 ×r2 Stelling: Op basis van het inproduct is de formule voor de inhoud IABCD van het viervlak gelijk aan: IABCD = 1 6 < r2 . 1. 0). l) = 3. 0.2) 57. rl > = 0 ⇒ 55 . Laat l : Q = sl + λrl en m : P = sm + µrm de vectorvoorstellingen voor de lijnen l en m. de afstand van een punt P tot een lijn l. 1. De opdracht is nu het vinden van λ en µ waarvoor de verschilvector P − Q loodrecht op beide lijnen staat ofwel < P − Q. C(0. Laat Q het eindpunt van dit lijnstuk zijn op l en P het eindpunt van dit lijnstuk op m.   1 a 55. In de vorige sectie. r1 > −(< r1 . Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. Gegeven is het viervlak ABCD. rl >= 0 op te lossen door het invullen van de vergelijkingen voor P en Q. r2 >)2 | < n. r3 > | |n| (42)  Bewijs deze stelling (Tip: zie opgaven bij afstand tussen een lijn en een punt ( 2.

rl > < sm − sl . rm > ⇒ < rl . m) is gelijk aan de afstand d(P. rl > < s m − s l . < (P − Q). rl > +µ < rm .rl > < rl . 0 = < P − Q. rm >< rl . rm > = < s m − sl − < rl . (P − Q) >. Q): d(l. m) = d(P. rm > − < rl . rm >< rl . rm > . rl > rl + µ rm − rl . rl > < rm .rl > <rl . rm > = < sm − sl . Q) = |P − Q| = < (P − Q). rl > < rl . rl > = +µ < rl . rl > < sm − sl . rl > = 0 ⇒ λ= < sm − sl + µrm . rl > < rl . (sm + µrm − sl − λrl ) > 56 . rm > < sm − sl . rl > − < rm . rl > −λ < rl .< sm + µrm − sl − λrl . rm > − µ = − <sm −sl . rl > = < sm − sl + µrm − +µ rl . rm >= 0. (P − Q) > (45) We berekenen nu eerst weer het inproduct < (P − Q). rm > <rl < sm − sl . rl > < sm − sl . rl > = 0 ⇒ < sm − sl + µrm . rl > = < rm .r > < rm .rll> < rl . rl > < r l . rl >2 (44) De afstand d(l. rl > (43) Hetzelfde doen we voor < P − Q. rl > < rl . rl > < r m . rm > − < sm − sl . rm > − < rl . rl >< rl . rl > < rm . (P − Q) > = < (P − Q). rm > − <rm. rm > = < sm + µrm − sl − λrl . rl > < rl . rl > < rm . rm > < r l .

r >−<rm (46) Bovenstaande formule geldt in alle dimensies groter dan 2. (sm − sl ) > < rl . rl > (< rm . rl >2 − < rl . (sm − sl ) > +µ < rm . rl > − < rm .v. De afleiding gaat als volgt.rl ><r. (sm − sl ) >)2 + < rl .(sm −s + (<rm . (sm − sl ) > +µ < rm . (sm − sl ) > +µ < rl . rl > < r m . rl > = < (sm − sl ).rl > > 2 2 2 d(l. rl >< rl .rl l . rl >2 − < rl . (sm − sl ) >< rl .r>) −(<rlm . (sm − sl ) > = < (sm − sl ). rl > − +µ < rl .rl >2 ) l )>) <rl . rl > − < rm . rl >)2 − (< rm . (sm − sl ) >< rl . (sm − sl ) > − <s<rl .= < (P − Q). (sm − sl ) > (want(P − Q) ⊥ rl enrm ) = < (sm + µrm − sl − λrl ).rll. (sm − sl ) > = < (sm − sl ). rl > < rm . (sm − sl ) > − < rl . rl > +µ < rm . (sm − sl ) > < sm − sl . rl > < rm . m) = )><rl . rl >2 − < rl . In 3D kan er ook nog een andere eenvoudigere formule worden afgeleid. r l > < rl . Stel een vergelijking op van het vlak v door een van de lijnen evenwijdig aan de andere lijn. (sm − sl ) > < sm − sl . (sm − sl ) > −λ < rl . m) tussen twee lijnen l : Q = sl + λrl en m : P = sm + µrm is dus gelijk aan: m −s < (sm − sl ). rl >2 ) De afstand d(l. rl >< rl . rl > = < (sm − sl ). rm >< rl .(sm −sll>(<rm . Het vlak dus door b. het eindpunt van sl en opgespannen door de richtingsvectoren 57 . (sm − sl ) > < rl . (sm − sl ) > < sm − sl .r m ><rl . rl > = < (sm − sl ). rl > (< rm . (sm − sl ) > < sm − sl .

sm − sl > | |nv | (47) Voorbeeld        1 1 1 0  0  + λ  2  en m : Q =  1  + µ  0 . sl − sm > | |1| 1√ =√ = 5 |nv | 5 5  58 . v) = | < n v .rl ><r.rl > > 2 2 2  d(l. ofwel de aftand van het eindpunt van sm tot v.rll.(sm −s + (<rm .rl l .   0  1 .r >−<rm = 1− 02 − 22 22 + = 6 6 (6 − 12 ) 1 5 Oplossing methode 2: Vectorvoorstelling vlak v door O is     1 0 v : S = λ  2  + +µ  0  1 1    −2 0 .rl >2 ) l )>) <rl . In formule vorm is dit: d(l. (sm − sl ) > − <s<rl . m) = )><rl .r m ><rl . • Gegeven zijn de lijnen l : P = 1 1 1 1 Bereken exact de afstand van l tot m. m) = d(P. v) = | < n v . Opdracht: Leg uit waarom de afstand op deze manier kan worden berekend. De gevraagde afstand tussen de twee lijnen is de afstand tussen het vlak en de lijn m. Oplossing methode 1 sl − sm = 0 m −s < (sm − sl ). normaalvector van v is nv =  1 . m) = d(P.(sm −sll>(<rm .rl en rm van de twee lijnen. sm − sm =  1  0 0 d(l.r>) −(<rlm .

1) en R(1. 60.Opgaven 59.   2 gebruik methode 2 voor deze opgave. m) = 1  63. Bereken exact de waarden van a 1 a 0 waarvoor d(l. 59 . 3. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. 0 3 0 1 1 4 0 0 Bereken exact de afstand van l tot m. 0 3 Bereken exact de afstand van l tot de lijn door Q en R. 62.     1 1 Gegeven is de lijn l : P =  0  +λ  2  en de punten Q(0.         1 1 0 1 0 2 0 0 Gegeven zijn de lijnen l : P =   + λ   en m : Q =   + µ  . 0. 61. 1 0 3 0 Bereken exact de afstand van l tot m. 4). Gegeven zijn de lijnen l : P =  0  + 0       1 1 0 λ  2  en m : Q =  1  + µ  0 .        1 0 1 1 Gegeven zijn de lijnen l : P =  0  + λ  2  en m : Q =  1  + µ  0 .

Dit proces noemen we een afbeelding of transformatie. . Opgaven: 1. . .1 Lineaire transformaties en matrices Ook voor deze klasse lineaire afbeeldingen is er een algebra¨ ısche aanpak ontwikkeld.  . In de meetkunde wil men vaak meer dino gen met punten(en lijnstukken). 4. . De twee in de vorige alinea aangehaalde bewerkingen (optellen van een vector of scalaire vermenigvuldiging) zijn twee lineaire transformaties. Geef de dimensies van de volgende matrices A en geef de waarde van A31 60 . Afbeeldingen waarbij rechte lijnen recht blijven noemt men lineaire afbeeldingen of lineaire transformaties. Men wil puntenverzamelingen(tekeningen) kunnen spiegelen. . Er is echter nog een andere klasse van lineaire afbeeldingen die we in de volgende sectie gaan behandelen. Voordat we op betekenis ingaan defini¨ren we eerst een matrix. Het getal dat zich in de i-de rij en de j-de kolom bevindt wordt genoteerd als aij . Ook kunnen we een willekeurig punt in een co¨rdinatenstelsel weergeven als een vector waarin de elementen gelijk o zijn aan de co¨rdinaten van dat punt. roteren. am1 am2   · · · a1n · · · a2n  . vergroten en strekken... Een matrix A noemen we een vierkante matrix als m = n. e Een matrix (meervoud: matrices) a11 a12  a21 a22 A= .  . Hoewel er veel te zeggen is over niet vierkante matrices ligt het accent in deze tekst op vierkante matrices. · · · amn is een korte notatie voor een een rij getallen geordend in m rijen (horizontaal) en n kolommen (verticaal). De dimensie van een matrix A met m rijen en n kolommen defini¨ren we als e m × n. Kortom men wil tekeningen (originelen) kunnen veranderen in andere tekeningen (beelden).4 Transformaties: bewerkingen op vectoren Je hebt eerder gezien dat het optellen van vectoren en het vermenigvuldigen van een vector met een getal leiden tot een andere vector.  .

com) 5 6         1 2 2 2 3 2 4 2 5 2 6 2 2. dan kunnen twee matrices bij elkaar worden opgeteld.wolframalpha. dan is 4 5 6 6 8 10 1 2 3 2 3 4 3 5 7 C=A+B= + = 4 5 6 6 8 10 10 13 16 Opgaven: Bereken waar mogelijk: 3. Net als bij de vector optelling worden de overeenkomstige elementen bij elkaar opgeteld. 3 2 5 2    1 2 3 6  2 2 2 + 1 4.com)  2 4 1 1 2 2 61 . voorbeeld: • Laat A = 1 2 3 2 3 4 en B = .1 2 A= 3 4  1 2  3 A= 4  5 6 A=  2 2 2 2 2 2 2 2 2 2  3 4  (antwoord op http://www.wolframalpha. beiden hebben m rijen en n kolommen.1. 4. 3 2 1 4 + 1 2 2 2 (antwoord op http://www.1 optellen van twee matrices Als twee matrices A en B even groot zijn dat wil zeggen. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. Het resultaat is een matrix C met de zelfde dimensie als A en B.

4.2 scalaire vermenigvuldiging van een matrix Net als bij de scalaire vermenigvuldiging van een vector kan een matrix met een getal worden vermenigvuldigd door alle elementen van de matrix met dat getal te vermenigvuldigen. voorbeeld: • Laat A = 1 2 3 en c = 3. 3 2 5 2 62 . dan is 4 5 6 1 2 3 3 6 9 C=3·A=3· = 4 5 6 12 15 18 Opgaven: Bereken: 1 2 2 2     6 2 4 1 2 3 8.1. +2· 9. 1 2 2 2  3 2 + 5 2  5 2  6.  1 1 1  − 3 ·  2 2 2  3 2 1 4 2 2 7. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen.5.

Merk op dat de vermenigvuldiging alleen mogelijk is als het aantal kolommen in A gelijk is aan het aantal elementen ofwel de dimensie van de vector v.  .1. . .3 vermenigvuldiging van een matrix met een vector Een matrix A met dimensie m × n kun je met een vector x met n elementen als volgt vermenigvuldigen:    a11 a12 · · · a1n v1  a21 a22 · · · a2n   v2  Av =  . voorbeeld:  2 3 −1 • Laat A =  5 6  en v = .  . am1 v1 + am2 v2 + · · · + amn vn (48) Deze vermenigvuldiging noemen we een martixvermenigvuldiging van vector v. Het resultaat is een vector met m elementen. . .   . 63 . De 0 matrix is volledig gevuld met nullen. am1 am2 · · · amn vn   a11 v1 + a12 v2 + · · · + a1n vn  a21 v1 + a22 v2 + · · · + a2n vn    . .  =  . De volgorde in de schrijfwijze is belangrijk Av is niet gelijk aan vA. . .  . dan is 2 7 8       4 2 3 2 · (−1) + 3 · 2 −1 Av =  5 6  = =  5 · (−1) + 6 · 2  =  7  2 7 8 7 · (−1) + 8 · 2 9 Eigenschappen matrices 1  Voor de verzameling van m × n matrices gelden voor de tot nu toe behandelde algebr¨ ısche bewerkingen de volgende eigenschappen: a) A + B = B + A (commutatieve eigenschap) b) A + (B + C) = (A + B) + C (associatieve eigenschap) c) Er is een unieke m × n matrix die we de nulmatrix 0 noemen met de eigenschap A + 0 = A. .4.

... ···  0 0 . .  1 2 2 2 3 5   1 2 3 6 11.  .  . 0 1 2 1 64 . Opdracht: Bewijs deze eigenschappen Binnen de verzameling van vierkante n × n matrices bestaat er een unieke matrix die we de eenheidsmatrix I noemen waarvoor geldt: Iu = u als u een n dimensionale vector is. 0 ··· ··· . . j) (A + B)(u) = Au + Bu als u een n dimensionale vector is. v beiden n dimensionale vectoren zijn. De eenheidsmatrix heeft de volgende vorm: 1 0 I= . 0 Opgaven:  0 1 . g) a(A + B) = aA + bB h) (a + b)A = aA + bA i) A(u + v) = Au + Av als u.  .  2 2 2   1  3 2 1 4   6 −1 3 3   1 12. 1 Bereken: 10.d) Voor elke matrix A is er een unieke m × n matrix weergegeven als −A uit gesproken als min A zodat A + (−A) = 0 e) 1 · A = A voor iedere matrix f) (a · b)A = a(bA) voor willekeurige getallen a en b en iedere matrix.

spiegeling in de in x-as B en spiegeling in de y-as C: Au = −1 0 0 −1 1 0 0 −1 −1 0 0 1 ux uy ux uy ux uy = = −ux −uy ux −uy −ux uy 3 4 (49) Bu = (50) Cu = = (51) Opdracht: Wat is het resultaat van deze spiegelingen op het orgineel Opdracht: In de applets kun je de co¨rdinaten van de vector v veranderen. 1  > 14. We zullen aan de hand van een aantal geogebra applets laten zien wat je in twee dimensies zoal kunt verwachten. 4. 4. roteren. 65 . In de applet spiegelen (7) zijn matrices gegeven voor spiegeling in de oorsprong A.5 spiegelen: Er zijn twee elementaire vormen van spiegelen: puntspiegelen in de oorsprong en lijnspiegelen in een lijn door de oorsprong.13. vergroten en strekken om tot een beeld van die puntenverzameling te komen. Wat is het verband tussen het inproduct van de vectoren < 3 1 en de matrixvermenigvuldiging uit de vorige opgave? 15.1. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen.  3 −1 3 3  1  1      −1 3  3 . Doe o dat en analyseer de resultaten.4 een interpretatie van lineaire transformaties Eerder hebben we gezegd dat er een algebra¨ ısche aanpak is om puntenverzamelingen te kunnen spiegelen. Algebra¨ ısch wordt een lineaire afbeelding binnen ´´n ee vectorruimte van dimensie n (dat wil zeggen origineel en beeld hebben beide dimensie n) gedefinieerd door een vierkante n × n matrix.1.

sin(α) cos(β)+cos(α) sin(β)) 66 . De bijbehorende matrixvermenigvuldiging met schalings matrix D is: Du = a11 0 0 a22 ux uy = a11 ux a22 uy (52) De applet schalen (8) biedt de mogelijkheid om de co¨rdinaten van v in de x-richting o en y-richting afzonderlijk met een constante te vermenigvuldigen.ggb Spiegelen: Matrices A. Verander de co¨fficienten a11 en a22 en analyseer de resultaten. De co¨rdinaten van A o zijn A = (cos(β). x-as(B) en y-as(C).1.1.6 schalen: De grootte van een vector veranderen kan op veel manieren. sin(β)).Figure 7: vectoren spiegelen Open geogebra/vectorspiegelen. Laat met goniometrische formules zien dat de co¨rdinaten o van E gelijk zijn aan E = (cos(α) cos(β)−sin(α) sin(β).7 roteren: Opdracht: In de applet eenheidscirkel (9) wordt het punt A over een hoek α gedraaid naar punt E. e 4.B. Lijnstuk OA maakt een hoek β met lijnstuk OB. 4 −1 0 −1 0 A= B= C= 0 −1 0 1 3 vx = 1 −1 0 1 −1 z = Cv = ¯ ¯ = 0 1 12 1 vy = 1 z ¯ 1 v= ¯ 1 1 x 2 3 4 −5 −4 −3 −2 −1 O 0 −1 1 u = A¯ = ¯ v w = B¯ = ¯ v u ¯ −1 0 0 −1 1 0 0 −1 w ¯ 1 −1 = 1 −1 −2 1 1 = 1 −1 −3 4. De meest eenvoudige schaling is alleen een vergroting van de x en de y co¨rdinaten van een vector met o respectievelijk de factoren a11 en a11 .C voor spiegelen in y oorsprong (A).

Figure 8: vectoren schalen Open geogebra/vectorschalen.ggb
y
4 3 2 1

Schalen: Lineaire afbeelding gedefinieerd door de matrix a11 0 2 0 A= = 0 a22 0 0.5 a11 = 2 a22 = 0.5 1 2 u = A¯ = ¯ v
1 2 3 4

v= ¯

2 0 0 0.5
5 6

1 2 x

=

2 1

O 0

Figure 9: rotatie om oorsprong op eenheidscirkel Open geogebra/eenheidscirkel.ggb
1 0.5

E

C α β

A B

−1.5

−1

−0.5 O 0 −0.5 −1 −1.5

0.5 D 1

Een rotatie in om de oorsprong over een hoek α radialen is weergegeven tegen de klok in wordt beschreven door de matrix R: R= cos(α) − sin(α) sin(α) cos(α)

Opdracht: Laat zien dat punt A uit de vorige opdracht inderdaad met deze vermenigvuldiging op E terecht komt. Opdracht: In de applet roteren (10) kun je de hoek α voor de transformatie veranderen en je kunt de lengte van de beeldvector met de constante c schalen. Doe dit en analyseer de resultaten. Opdracht: Op wikipedia worden nog een aantal speciale transformaties geboden. Probeer deze eens uit in applet alles te samen (11). Lees eerst onderstaande tekst over samenvoegen van lineaire combinaties. Probeer daarna eens zelf samengestelde transformaties uit te rekenen en te testen in applet 11 vrij uitgaande van de voor67

Figure 10: vectoren roteren Open geogebra/vectorroteren.ggb
4 3 2

y Roteren en vergroten: A=c cos(α) −sin(α) sin(α) cos(α) = 0 −1 1 0

α = 1.57
1

u = A¯ = ¯ v
1 2 3

c=1 0 −1 1 0
4 5

1 −1
6

= x

1 1

O 0
−1 −2

v= ¯

1 −1

beelden in de bovenstaande applets.
Figure 11: alles te samen Open geogebra/vectorvrij.ggb
4 3 2 1

y Vrij: A=

a11 a12 a21 a22 a11 = 0.5 a21 = −0.87

= a12

0.5 0.87 −0.87 0.5 = 0.87

a22 = 0.5

1 v= ¯ 2 origineel v = A¯ = ¯ v 0.5 0.87 −0.87 0.5
4 5 6

1 x 2

=

2.23 0.13

O 0
−1

1 beeld 2

3

4.1.8

samenvoegen lineaire transformaties

Lineaire transformaties kunnen ook gecombineerd worden. Je kan bijvoorbeeld een vector u eerst roteren met een matrix A. Dit levert beeldvector v. Daarna zou je v kunnen spiegelen met een matrix B met als resultaat vector w. Dus v = Au w = Bv

68

Als we nu in de laatste vergelijking v vervangen door de berekening van v uit u dan krijgen we w = BAu. Als we iets als C = BA zouden kunnen uitrekenen dan zouden we de afbeelding van u naar w als ´´n lineaire transformatie weergegeven door de matrix C kunnen ee zien. Laten we eens in twee dimensies kijken hoe dat werkt. Laat u = Dan is w = BAu e f = g h = = = = e f g h x y ,A= a b c d en B = e f g h

a b c d ax + by cx + dy

x y

e(ax + by) + f (cx + dy) g(ax + by) + h(cx + dy) (ea + f c)x + (eb + f d)y (ga + hc)x + (gb + hd)y x y

ea + f c eb + f d ga + hc gb + hd = Cu

Je ziet dat er inderdaad een matrix C gevonden kan worden. Als je in het product BA iedere kolom in A als een vector beschouwt, observeer dan dat iedere kolom in C verkregen kan worden door B met de corresponderende kolom in A te vermenigvuldigen alsof het een matrixvermenigvuldiging met een vector is. Deze observatie geeft dan weer het volgende resultaat: Een matrixvermenigvuldiging C = AB met A een m × n matrix en B een s × t matrix is alleen mogelijk als n = s ofwel het aantal kolommen in A moet gelijk zijn aan het aantal rijen in B. De matrix C heeft dan de dimensie m × t.

69

Bepaal eerst de o samengestelde matrix en bereken daarna het beeld van P .  1 2 3 2 2 2 1 4 1 3 4 2  6 1 3 2  1 2 1 −1  4 −1 −2 1 −1 3 3 0 1 2  6 19. Bepaal eerst de samengestelde o matrix en bereken daarna het beeld van P . 17. Het punt P = . Aan welke twee andere transformaties is deze samengestelde vergelijking identiek? 70 21. uitzonderingen daar gelaten geldt meestal: BA = AB. −1 2 2 −2 −1 2 2 −2  18.  1  1 20. Het punt P = 3 wordt eerst gedraaid over een hoek van α = π . Ver6 4 √ volgens wordt de y-co¨rdinaat met een factor 2 3 vergroot. Is het beeld van P anders als er eerst vergroot wordt en daarna pas gedraaid? −1 wordt eerst gespiegeld in de x−as vervolgens wordt de y3 co¨rdinaat met een factor −1 vermenigvuldigd. In ons voorbeeld geldt ook dat BA = AB: • AB = 3 1 0 2 2 1 4 3 = 3·2+1·4 0·2+2·4 3·1+1·3 0·1+2·3 = 10 6 8 6 Opgaven: Bereken indien mogelijk: 16.voorbeeld: • Laat A = 3 1 en B = 0 2 2 1 3 1 C = BA = 4 3 0 2 2 1 4 3 = dan is 2·3+1·0 4·3+3·0 2·1+1·2 4·1+3·2 = 6 4 12 10 Hier is de volgorde belangrijk.

22. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. 4.2 Eigenschappen van een lineaire transformatie: eigenwaarde, eigenvector en eigenruimte 1 0 0 −2 , , , 2 0 0 2 2 2 en de puntenverzamelingen:

Opdracht: Gegeven is de matrix M = −2 0 0 −2 −2 −2 −1 0 0 −1 −1 −1 1 0 0 1 1 1

A = B = C =

, , ,

, , ,

Bepaal de beeldpunten van alle punten in de verzamelingen: Wat is het verschil tussen de verzamelingen A of B en C? Als A een lineaire transformatie is en v een element uit een vectorruimte V dan is er iets speciaals met de vergelijking: Av = λv, waarin λ een getal is. Deze vergelijking heeft altijd de oplossing v = 0. Ofwel de oorsprong 0 wordt altijd weer op de oorsprong afgebeeld. Wat als we de vergelijking niet in v willen oplossen maar in λ voor v = 0? Het blijkt dat voor een willekeurig gekozen v dit niet mogelijk is. Maar er zijn wel combinaties van λ en v te vinden die aan de vergelijking voldoen. De meetkundige interpretatie bij het oplossen van een dergelijke vergelijking is dat we op zoek zijn naar deelruimten Vd (lijnen,vlakken,...) van V die zelf ook weer een vectorruimte zijn en die door de transformatie A onveranderd blijven. De deelruimten gaan dus altijd door de oorsprong. bijvoorbeeld ligt v op de lijn m door de oorsprong en ligt hethet beeld Av ook op de lijn m dan zal iedere andere u op die lijn ook weer op die lijn worden afgebeeld. Daarnaast zal ieder beeld op die lijn een ”vergroting” met factor λ van zijn origineel zijn. (53)

71

voorbeeld:

• Een voorbeeld in twee dimensies: Gegeven is de transformatie A= 1 0 0 −2

Deze transformatie is een spiegeling in de x-as waarbij het spiegelbeeld twee keer vergroot wordt. De combinatie λ1 = 1 samen met vectoren van de vorm x v1 = (=x-as) voldoen aan de vergelijking evenals de combinatie λ2 = −2 0 0 en vectoren van de vorm v2 = (=y-as). De x-as en de y-as worden dus y op zichzelf afgebeeld. Opdracht: Overtuig jezelf door de vector v in de applet schalen 12 te veranderen. Zijn er voor A uit het voorbeeld nog andere lijnen die door de oorsprong gaan en waarvan het beeld van een vector op die lijn weer op die lijn ligt? Opdracht: Onderzoek met de applet 12 welke twee lijnen onveranderlijk zijn en hoe groot de schalingsfactoren voor die lijnen zijn voor de transformatie A= −3 0 0 2

Opdracht: Onderzoek met de applet 12 welke twee lijnen onveranderlijk zijn en hoe groot de schalingsfactoren voor die lijnen zijn voor de transformatie A= 2 2 −2 −3

De waarden λ1 = 1 en λ2 = −2 bij het bovengenoemde voorbeeld noemt men de eigenwaarden (karakteristieke waarde) van de matrix uit het voorbeeld ofwel lineaire transformatie. In de deelruimte die op zichzelf wordt afgebeeld noemt men een willekeurige vector een eigenvector. De eigenvectoren die bij verschillende eigenwaarden horen zijn lineair onafhankelijk. Dat wil zeggen dat ze niet in de zelfde onveranderlijke deelruimte liggen. Als bijvoorbeeld twee deelruimten lijnen zijn dan betekent dit dat er geen constante c te vinden is zodanig dat v1 = c · v2 , ofwel de lijnen vallen niet samen, maar snijden in de oorsprong (0). Als in een twee (of n) dimensionale ruimte twee (of n) vectoren onderling onafhankelijk zijn dan kan iedere andere vector in die ruimte worden geschreven als een unieke lineaire combinatie van die twee( of n) vectoren, ofwel u = c1 v1 + c2 v2 ; u = c1 v1 + c2 v2 + . . . + cn vn
72

(54)

Figure 12: Eigenwaarden en eigenruimten Open geogebra/vectorEigen.ggb
4 3 2 1

y

A=

a11 a12 a21 a22

=

1 0 0 −2 vx = 1 vy = 1

a11 = 1 a21 = 0 v=
1 2

a12 = 0 a22 = −2 =
3 4

vx vy

1 1 x
5 6 7 8 9 10

−1

O 0
−1 −2

v = Av =

1 0 0 −2

1 1

=

1 −2

Opdracht: Bewijs deze eigenschap in 2D door a en b op te lossen uit de volgende vergelijking a v1x v1y +b v2x v2y =a ux uy

Voor het beeld van u geldt dan Au = A(c1 v1 + c2 v2 ) = c1 Av1 + c2 Av2 = c1 λ1 v1 + c2 λ2 v2 Ofwel het beeld van u gaat met de zelfde co¨fficienten c1 en c2 over in een lineaire e combinatie van de beelden van de eigenvectoren. Let wel dit gaat alleen op als er alleen net zoveel verschillende eigenwaarden zijn als het aantal rijen van de vierkante matrix. Later gaan we in op het geval dat er minder eigenwaarden zijn.
4.2.1 eigenwaarde en de karakteristieke vergelijking

Hoe bepaal je nu alle eigenwaarden λ voor een vierkante matrix A en de bijbehorende eigenvectoren? Beschouw weer de vergelijking: Av = λv waarin λ een getal is. Deze kan worden herschreven tot Av − λv = (A − λI) v = 0,
73

We geven eerst een rekenrecept voor twee dimensies.(56) 74 . Daarvoor moeten we eerst de determinant van een vierkante matrix introduceren. Zonder bewijs geven we hier de methode om tot een karakteristieke vergelijking te komen waaruit λ kan worden berekend. Gegeven is de vierkante 2 × 2 matrix: A= a11 a12 a21 a22 De determinant det(A) van een 2 × 2 matrix A is een getal verkregen door het volgende recept det(A) = a11 a12 = a11 · a22 − a12 · a21 .hierin is I de eenheidsmatrix. De determinant det(A) van A matrix kan als volgt worden berekend: det(A) = a11 det a22 a23 a32 a33 − a12 det a21 a23 a31 a33 + a13 det a21 a22 a31 a32 . a21 a22 (55) voorbeeld: • Bepaal de determinant van de matrix A = det(A) = 2 · 3 − 4 · 1 = 2. Gegeven is de vierkante 3 × 3 matrix   a11 a12 a13 A =  a21 a22 a23  a31 a32 a33 2 1 4 3 . Omdat we op zoek zijn naar oplossingen waarvoor v = 0 moeten we opzoek naar combinaties λ en v waarvoor de vergelijking geldt. Daarna geven we het recept voor drie dimensies.

E =  −1  √  2√2 3 (3) √ √ 28.wolframalpha. F =  2 √ 5 2 8 2  3 −1 2 1 2 29. B = 25. C =  2 3 5 8 −4 1 −5 2 1 2 1 9 (antwoord op http://www.voorbeeld:  1 2 3 • Bepaal de determinant van de matrix B =  0 0 1  1 0 1  det(B) = 1 det 0 1 0 1 − 2 det 0 1 1 1 = 1 · 0 − 2 · (−1) + 3 · 0 = 2 + 3 det 0 0 1 0 Opgaven: Bepaal de exacte waarde van de determinant van de volgende matrices: 23. A = 24.{5. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent Opdracht: Voor het berekenen voor de determinant van vierkant matrices in hogere dimensie verwijzen we je naar wikipedia of Wolfram Mathworld.8}}) −1 8 1 3  2 3 1 26.com/input/?i={{2. Probeer   1 1 −1 −1  2 1 −2 −1   eens de determinant te vinden voor de matrix   1 3 −3 −1  0 1 0 −1 75 2 3 2 4 3 2 1 2 2 1 6 4 9  .3}. Daar vind je ook nog andere eigenschappen van determinanten die we hier niet behandelen. D =  1 5 8  −1 1 2  1 3 1  27.

Een kwadratische vergelijking heeft niet altijd een oplossing als λ een re¨el getal zou moeten zijn.2 twee re¨le eigenwaarden e voorbeeld: • Bepaal de eigenwaarden en de eigenvectoren van de matrix A = det(A − λI) = 4 − λ −2 3 −1 − λ = (4 − λ)(−1 − λ) + 6 = λ2 − 3λ + 2 = (λ − 1)(λ − 2) = 0 76 4 −2 3 −1 . Dit leidt tot de karakteristieke vergelijking: det (A − λI) = a11 − λ a12 = (a11 − λ)(a22 − λ) − a12 a21 = 0 a21 a22 − λ Dit is een kwadratische vergelijking in λ. Ook hier beginnen we weer in twee dimensies. Er blijkt nu te gelden dat we λ kunnen bepalen door de determinant van (A − λI) gelijk te stellen aan 0. Laat A= dan is (A − λI) v = 0. Binnen de verzameling van complexe getallen (zie complexe getallen door Jan van de Craats voor een introductie ) heeft een kwadratische vergelijking altijd twee (mogelijk samenvallende) oplossingen λ1 en λ2 . te schrijven als a11 a12 a21 a22 −λ 1 0 0 1 v= a11 − λ a12 a21 a22 − λ v=0 a11 a12 a21 a22 . .Nu terug naar het vinden van de eigenwaarden en eigenvectoren uit de vergelijking (A − λI) v = 0. Hebben we twee eigenwaarden gevonden dan kunnen de bijbehorende eigenvectoren worden verkregen door v1 en v2 op te lossen uit: (A − λ1 I)) v1 = 0 en (A − λ2 I)) v2 = 0.2. Die beperking hoeven e we ons echter niet op te leggen. 4. Sterker nog die beperking is zelfs ongewenst.

2 4 gelijk Opgaven: Bepaal de eigenwaarden en eigenvectoren voor de volgende matrices: 30.{-5.1}. Laat met een berekening zien dat het beeld van u = 2 · v1 − 2 · v2 = is aan u = 2 · 1 · v1 − 2 · 2 · v2 = 0 2 = Au. Een eigenvector is dan o v1 = 2 3 λ2 = 2: Los nu op (A − 2I) v2 = 0 2 −2 3 −3 v2x v2y = 0 0 ⇔ 2v2x − 2v2y = 0 3v1x − 3v2y = 0 Beide vergelijkingen geven v2x = v2y .v v1x = 2 ⇒ v1y = 3.Hier uit volgt dat λ1 = 1 en λ2 = 2 de gevraagde eigenvectoren berekenen we nu per eigenwaarde: λ1 = 1: Los op (A − 1I) v1 = 0 3 −2 3 −2 v1x v1y = 0 0 ⇔ 3v1x − 2v1y = 0 3v1x − 2v1y = 0 Beide vergelijkingen geven 3v1x = 2v1y ofwel 3v1x /2 = v1y .wolframalpha. Opdracht: Controleer dit in de applet eigenwaarden en eigenruimte 12.v v2x = 1 ⇒ v2y = 1. A = 2 1 −5 8 (antwoord op http://www.8}}) 77 . Een eigenvector is dan 1 1 v2 = Vectoren op de lijn y = x worden dus met een factor 2 verlengd en vectoren op de lijn y = 3x/2 worden precies op de zelfde plek afgebeeld. We kunnen nu een willekeurige x co¨rdinaat o kiezen b.com/input/?i={{2. We kunnen nu een willekeurige x co¨rdinaat kiezen b.

λ1 = 2 + i: Los nu op (A − (2 + i)I) v1 = 0 −1 − i −1 2 1−i v1x v1y = 0 0 ⇔ −(1 + i)v1x − v1y = 0 2v1x + (1 − i)iv1y = 0 Beide vergelijkingen geven (−1−i)v1x = v1y .2. We kunnen nu weer een willekeurige y co¨rdinaat kiezen b. De eigenvectoren zijn dan ook complex.v v1y = 1 ⇒ v1x = −1 − i. Het kan ook zijn e dat er twee complexe eigenwaarden zijn.31. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent 4. C = −4 1 −5 2 −5 2 2 1 33. Complexe eigenwaarden horen bij matrices waarin een rotatie aanwezig is. We bekijken weer een voorbeeld.3 twee complexe eigenwaarden In bovenstaand voorbeeld waren de eigenwaarden re¨le getallen. voorbeeld: • Bepaal de eigenwaarden en eigenvectoren voor de matrix A = 1 − λ −1 2 3−λ = (1 − λ)(3 − λ) + 2 = λ2 − 4λ + 3 + 2 = (λ − 2)2 + 1 = 0 1 −1 2 3 . det(A − λI) = Hier uit volgt dat λ1 = 2 + i en λ2 = 2 − i de gevraagde eigenwaarden zijn De gevraagde eigenvectoren berekenen we weer per eigenwaarde. Een eigenvector is dan o −1 − i v1 = 1 λ2 = 2 − i: Los nu op (A − (2 − i)I) v2 = 0 −1 + i −1 2 1+i v2x v2y = 0 0 78 ⇔ (−1 + i)v2x − v2y = 0 2v1x + (i + 1)v2y = 0 . B = 32.

com/input/?i={{1. Het blijkt nu dat voor een eigenwaarde met mutlipliciteit twee een tweede eigenvector gevonden kan worden door de vergelijking (A − λI)2 v2 = 0 op te lossen die lineair onahankelijk is van v1 . A = 1 5 −1 3 (antwoord op http://www.v v2x = 1 ⇒ v2y = −1 + i. C = −1 8 1 3 37. B = 36.Beide vergelijkingen geven (−1 + i)v2x = v2y . of v2 ligt in de deelruimte die door de matrix (A − λI) wordt afgebeeld op de deelruimte die door v1 wordt opgespannen ofwel we kunnen v2 oplossen uit: (A − λI)v2 = µv1 (57) Omdat µ slechts een schalings factor en we slechts in een richting zijn ge¨ ınteresseerd kan µ = 1 owrden gekozen.4 twee samenvallende eigenwaarden Als laatste is er nog het geval van twee samenvallende eigenwaarden ofwel ´´n re¨le ee e eigenwaarde met multipliciteit twee. We kunnen nu een willekeurige y co¨rdinaat kiezen b. Een eigenvector is dan o −1 + i v2 = 1 Opgaven: Bepaal de eigenwaarden en eigenvectoren voor de volgende matrices: 34. Bij ´´n re¨le eigenwaarde kunee e nen we direct ´´n eigevector v1 bepalen. Het vinden van twee verschillende onafhankelijke eigenvectoren behoeft dan wat extra uitleg.{-1. 79 . (A − λI)2 v2 = 0 is ook te schrijven is als (A − λI) ((A − λI)v2 ) = 0 ligt v2 of in de zelfde deelruimte als v1 . Voor deze eigenvector geldt natuurlijk ee (A − λI)v = 0.wolframalpha.5}. maar dan zijn de twee eigenvectoren niet onafhankelijk. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent 4.3}}) −2 6 −1 2 1 2 1 9 35.2.

80 . λ = 2: Los nu op (A − 2I) v1 = 0 −1 −1 1 1 v1x v1y = 0 0 ⇔ −v1x − v1y = 0 v1x + v1y = 0 Beide vergelijkingen geven v1x = −v1y . Een eigenvector is dan o −1 v1 = 1 Voor de tweede eigenvector lossen we op: (A − 2I) v2 = v1 −1 −1 1 1 v2x v2y = −1 1 ⇔ −v2x − v2y = −1 v2x + v2y = 1 1 0 . det(A − λI) = Hier uit volgt dat λ = 2 is een eigenwaarde met mutlipliciteit twee.v v1y = 1 ⇒ v1x = −1.Het is nu niet meer zo dat u = a · v1 + b · v2 door A wordt afgebeeld op u = a · λv1 + b · λv2 maar op u = a · λv1 + b · Av2 = a · λv1 + b · (λv2 + v1 ) = (a · λ + b)v1 + b · λv2 voorbeeld: (58) • Bepaal de eigenwaarden en eigenvectoren voor de matrix A = 1 − λ −1 1 3−λ = (1 − λ)(3 − λ) + 1 = λ2 − 4λ + 3 + 1 = (λ − 2)2 = 0 1 −1 1 3 . Kies v2x = 1 dan is v2y = 0 dan is v2 = Merk op dat inderdaad v2 en v1 onderling onafhankelijk zijn. We kunnen nu weer een willekeurige y co¨rdinaat kiezen b.

C = 41. −1 3 2 .5 hogere dimensie In drie dimensies kunnen we net als in twee dimensies een karakteristieke vergelijking opstellen. 2 2 −3 1 a 2 . A = 39. 4. a11 − λ a12 a13 a22 − λ a23 |A − λI| = a21 a31 a32 a33 − λ = (a11 − λ)(a22 − λ)(a33 − λ) +a12 a23 a31 + a13 a21 a32 −a13 (a22 − λ)a31 − (a11 − λ)a23 a32 − a12 a21 (a33 − λ) = 0 81 (59) . B = 40. Namelijk door de determinant van (A − λI) gelijk aan nul te stellen. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. 2 2 √ −3 2 √ 3 .2.Opgaven: Bepaal de eigenwaarden en de bijbehorende eigenvectoren voor de volgende matrices: 38. a 3a 45. E = −1 −4 1 −5 . 43. 3 −2 2 √ −3 −3 2 √ . 2 2 √ 3 2 √ −3 . D = 42. Voor welke waarden van a heeft de matrix A re¨le eigenwaarden A = e 44. Voor welke waarden van a heeft de matrix A twee re¨le eigenwaarden A = e −1 −2 .

√ 2 2 √ −T +i 3T +4p 1 1 T2 = 2 q − r. ∨ √ 2 1 2 −T −i 3T +4p q = − 27 a3 + 3 ab − c . oplossingen heeft. De vector v1 =  0  is dus een eigenvector. 0 λ1 = 1 + i: De eigenvector v2 voor deze eigenwaarde lossen we op uit 82  . 0 1 1 De karakteristieke vergelijking voor de matrix A is: 1−λ 0 0 1 − λ −1 det(A − I) = 0 = (1 − λ)(1 − λ)(1 − λ) − (1 − λ)(−1)1 = 0 1 1−λ 2 (1 − λ)((1 − λ) + 1) = 0 Deze vergelijking heeft als oplossingen: (1 − λ) = 0 ⇔ λ=1 ∨ 2 (1 − λ) + 1 = 0 ⇒ λ = 1 + i ∨ λ = 1 − i λ1 = 1: De eigenvector v1   deze eigenwaarde lossen op uit voor we     0 0 0 v1x 0 = 0 0 −v1z = 0 . Sterker nog het is bewezen dat die er ook niet kunnen zijn. (A − λI)v1 =  0 0 −1   v1y  = 0 =  0  ⇔ v 0 1 0 v1z 0 = 0 1y   1 We mogen v1x vrij kiezen. Omdat de theorie uit deze sectie veel wordt in de analyse van continue dynamische systemen die in de praktijk vaker in hogere dimensies worden toegepast is het nut van het recept voor derdegraadsvergelijking vrij klein en worden vergelijkingen numeriek opgelost.Dit is een derdegraadsvergelijking die drie. Intermezzo: De oplossingen voor een vergelijking λ3 + aλ2 + bλ + c =√ in C zijn 0 √ 3 1 Hierbij is T = T1 + 3 T2 . Voor hogeregraadsvergelijkingen zijn er geen algemene oplossingsformules. Hieronder is het algemene recept te vinden voor het algebra¨ ısch oplossen van een derdegraadsvergelijking. 3 voorbeeld:  1 0 0 • Bepaal de eigenwaarden en eigenvectoren voor de matrix A =  0 1 −1 . λ = −1a + 3 2 3 1 2 r = 2q + 1p . λ = −3a + 2 1 p = b − 3 a2 . λ = −3a + T √ ∨ T1 = 1 q + r . mogelijk samenvallende.

Gegeven is de twee dimensionale transformatie A = 83 . (A−(1+i)I)v2 =  0 i −1   v3y  = 0 =  0  ⇔  v + iv = 0 0 0 1 i v3z 3y 3z Dus v3x = 0 en de laatste twee vergelijkingen leveren v3y = −iv3z . Deze transformatie noemen we de inverse van A en wordt aangegeven met A−1 .2. v2z = 1 dan is de vector v2 = 1 λ1 = 1 − i: De eigenvector v2   deze eigenwaarde  voor   lossen we op uit   = 0 v3x 0 i 0 0  iv3x iv3y − v3z = 0 . 0 0 −1   1 0 1 47. Nemen we als startpunt x dan is er meestal ook een transformatie die als beeld x oplevert. Pas je eerst A toe op x en vervolgens A−1 dan ben je weer terug in de oorspronkelijke toestand dus: A−1 Ax = x. Passen we deze c d tansformatie toe op x dan krijgen we het beeld x = Ax. B =  0 2 −1 . (A−(1+i)I)v2 =  v − iv 0 1 −i v2z 0 = 0 2y 2z Dus v2x = 0 en de laatste twee vergelijkingen leveren v2y = iv2z . Kiezen we   0  i  een eigenvector. 1  Opgaven: Bepaal de eigenwaarden en de bijbehorende eigenvectoren voor de volgende matrices:   1 0 1 46. zodat A−1 A gelijk moet zijn aan de eenheidsmatrix I.     −i 0 0 v2x 0 = 0  −iv2x  0 −i −1   v2y  = 0 =  0  ⇔ −iv2y − v2z = 0 .6 inverse matrix a b . A =  0 2 0 . 0 1 −1 4. Kiezen we   0 v3z = 1 dan is de vector v2 =  −i  een eigenvector.

voorbeeld: • Bepaal de inverse van de matrix A = Antwoord: A−1 = 1 1·3−2·(−1) 1 −1 2 3 = −2 5 3 5 . Bepaal exact de inverse (indien mogelijk) van de matrices: (a) A = (b) B = (c) C = 4 5 1 2 . Voor welke exacte waarden van a hebben de volgende matrices geen inverse? (a) A = (b) B = (c) C = a a 8 a 4 a a2 a 3 a a 9 . 50. 1 5 1 5 3 1 −2 1 Opgaven: 48. . . 84 . Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen.De inverse matrix A−1 kun je uit A als volgt bepalen. Opdracht: Toon met een berekening aan dat inderdaad geldt A−1 A = I. 3 2 −6 −4 2 −1 −2 3 49. . . Opdracht: Geef een meetkundige betekenis aan de voorwaarde det(A) = 0. A−1 = 1 det(A) d −b −c a (60) Het mag nu duidelijk zijn dat de voorwaarde van het bestaan van A−1 is dat det(A) niet gelijk aan 0 mag zijn.

voorbeeld:  1 −1 2 • Tijd voor een voorbeeld.n De inverse van deze matrix is gegeven als A−1 = 1 adj(A) det(A)  adj(A) noemt men de geadjugeerde matrix van A. Computers kunnen dit echt veel sneller (niet noodzakelijkerwijs beter!) Gegeven is de n × n (n ≥ 2) matrix A  a11 . In de bovenstaande berekening hebben we al de minoren 85 . . −1 2 5 Antwoord: Gebruik de definities voor de determinant van de 2D (55) en 3D (56) matrices. an1 . . Dit is ook een n × n matrix waarvan de elementen adj(A)ij als volgt worden berekend: adj(A)ij = (−1)i+j Mji Mji noemt men een minor van de matrix A.In hogere dimensies is het berekenen van de inverse (hoewel in essentie het zelfde recept geldt) een stuk ingewikkelder. . a . .. We zullen het algemene recept voor een n × n matrix geven en het voor een 3 × 3 matrix handmatig doen. Dit is de determinant van een (n−1)×(n−1) matrix die men krijgt door de j-de rij en i-de kolom uit A weg te laten. . . det(A) = 1 det 2 3 − (−1) det 2 5 = 1 · 4 + 1 · 8 + 2 · 4 = 20 1 3 −1 5 + 2 det 1 2 −1 2  De volgende stap is het berekenen van alle minoren en de daaruitvolgende elementen van adj(A). . an.  . . Bepaal de inverse van de matrix A =  1 2 3 .. A =  .

Op de zelfde wijze berekenen we de overige minoren: M11 = 4 ⇒ adj(A)11 M12 = 8 ⇒ adj(A)21 M13 = 4 ⇒ adj(A)31 −1 2 M21 = det 2 5 M22 = det M23 = det M31 = det M32 = det M33 = det Zodat A−1 gelijk  1  A−1 = 20 1 2 −1 5 1 −1 −1 2 −1 2 2 3 1 2 1 3 1 −1 1 2 is aan  4 9 −7 −8 7 −1  4 −1 3 = (−1)(1+1) (4) = 4 = (−1)(2+1) (8) = −8 = (−1)(3+1) (4) = 4 = −9 ⇒ adj(A)12 = (−1)(1+2) (−9) = 9 = 7 ⇒ adj(A)22 = (−1)(2+2) (7) = 7 = 1 ⇒ adj(A)32 = (−1)(3+2) (1) = −1 = −7 ⇒ adj(A)13 = (−1)(1+3) (−7) = −7 = 1 ⇒ adj(A)23 = (−1)(2+3) (1) = −1 = 3 ⇒ adj(A)33 = (−1)(3+3) (3) = 3 Laat zien dat inderdaad A−1 A = I Opgaven: 51.M11 = 4. M12 = 8 en M13 = 4. 1 −1 −1 86 . Bepaal exact de inverse (indien mogelijk) van de matrices:   4 9 −7 (a) A =  −8 7 −1 . 4 −1 3   1 1 1 (b) B =  0 0 1 .

 1   0 1  1 1 1 0 0 0 in combinatie met de waarde van de determinant van de matrix   a 0 0 C=0 b 0 0 0 c 87 . 1 0 .  Voor a 0 1 welke exacte waarden van a heeft de volgende matrix geen inverse? B =  1 1 0 1  a −1  53. 0 . 1 1 in combinatie met de waarde van de determinant van de matrix A= a 0 0 b 55. 54. 0 1 0   1 0 0 (d) C =  0 1 0 . Analyseer het oppervlak van het beeld V = AV van vierkant V = 0 0 . Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. 0 . 1 2 1 (c) C =  1 0 1 . 0 1 . 0 0 1 52. 1 . 1 . 0 . Beschouw de inhoud van het beeld K = AK vanvan kubus                 0  1 1 0 0 1 1  0 K =  0 . 1 .

· · · . λ2 . Oplossing: 4 5 4 5 4 9 1 3 =a = = = = = = 1 +b· 2 a−b ⇔ 2a + b a−b ⇔ 3a b a −1 1 ⇔ 1 2 en v = −1 1 . Opdracht: Bewijs deze stelling. x=a·u+b·v In een n-dimensionale ruimte kan iedere vector x in als een combinatie van n willekeurige onafhankelijke vectoren.4.u= 5 waarden a en b zodat x = a · u + b · v. 88 . Bepaal de Dus x = 3 · u + 1 · v Als een transformatie in n dimensies weergegeven door matrix A n verschillende eigenwaarden λ1 . λn . Een vector x in deze ruimte kan dan worden geschreven als een combinatie van deze eigenvectoren: x = c1 v1 + c2 v2 + · · · cn vn Stelling: Zonder bewijs: Als je herhaald (n keer) de zelfde matrix A toepast op een beginpunt x waarvoor geldt dat x = a · v waarin v een eigenvector is. dan zijn er n bijbehorende onafhankelijke eigenvectoren v1 . · · · . vn . dan is het eindresultaat de vector Q = An P = A · · · AP = aλn P .3 Praktische betekenis van eigenwaarden en eigenvectoren We hebben eerder gezien dat vector x in een twee dimensionale ruimte kan worden geschreven als een unieke combinatie van twee willekeurige onafhankelijke vectoren u en v (u = a · v). v2 . voorbeeld: • Gegeven zijn de vectoren x = 4 .

Het evenwicht is stabiel als voor alle eigenwaarden van matrix A geldt |λ| ≤ 1.Conclusie: Omdat iedere vector x in een n dimensionale ruimte kan worden geschreven als een combinatie van de eigenvectoren x = x = c1 v1 + c2 v2 + · · · cn vn van een matrix A is eindresultaat de vector xm = Am x = A · · · Ax = Σn ci λm vi . Dus Qn = An P De matrix is in een eerder voorbeeld geanalyseerd en heeft eigenwaarden λ1 = 1 2 1 en λ2 = 2 met eigenvectoren v1 = en v2 = 3 1 In dit geval is het eenvoudig in te zien dat P = 1 · v1 + 1 · v2 1 2 De gevraagde directe formule is dus Qn = 1 · 1n v1 + 1 · 2n v2 = + 2n 3 1 Conclusie: Voor n naar oneindig komt Q voor willekeurige P steeds dichter bij de ruimte te liggen die wordt opgespannen door de eigenvector waarvoor |λ| het grootst is. i=1 i Opdracht: Bewijs deze conclusie. Dan gaat An P → 0 voor n→∞ Opdracht: Bewijs deze conclusie. Als voor alle eigenwaarden van matrix A geldt |λ| ≤ 1. Als dit niet het geval is dan is het evenwicht niet stabiel.3. Dit evenwicht kan alleen bestaan als det(I − A) = 0. Het evenwicht van deze reeks wordt als volgt verkregen: u = Au + b ⇒ u − Au = b ⇒ (I − A)u = b ⇒ u = (I − A)−1 b. 89 . Voorbeeld: • Bepaal de directe formule Qn voor de reeks Qn = AQn−1 met Q0 = P waarin 4 −2 3 A= en P = .1 lineaire recurrente betrekking van de eerste orde Gegeven is reeks un = Aun−1 + b. 3 −1 4 Oplossing: Merk eerst op dat het hier om een meetkundige reeks gaat. 4.

Bepaal exact het evenwicht en 1 2 4 −2 −1 2 de stabiliteit van dit evenwicht.html voorbeeld: • Gegeven is de reeks u gegeven door de recursieve formule un = Aun−1 + b met 3 1 0 3 4 2 u0 = . Oplossing: De eigenwaarden voor A komen uit det(A − λI) = 0.b= en A = . De absolute waarden van deze 2 4 eigenwaarden zijn kleiner dan 1 dus een eventueel evenwicht is stabiel. 4 8 Deze heeft als oplossingen λ1 = 1 en λ2 = − 1 . Dit geeft de karakteristieke vergelijking: 1 1 λ2 − λ − = 0. I−A = 1 4 1 2 1 −2 1 4 90 .Figure 13: Lineaire recurrente betrekking van de eerste orde Open ejs/Trans2dandverp.

i = 1.(I − A) −1 = = 1 4 1 · 1 − −1 · −1 4 2 2 −12 −4 4 2 −1 2 3 2 1 2 1 4 Het evenwicht is dan u= −12 −4 4 2 3 4 = −52 20 De lineaire eerste orde differentie vergelijking in een dimensie un = a · un−1 + b met u0 = u0 is om te zetten tot de directe formule b un = u0 · an + 1−a (1 − an ) (zie o.a. i = 1. 2. Opdracht: Druk de eerste 5 termen van de reeks uit in u0 . De m eigenwaarden bij matrix A noemen we λi . . A en b voor de reeks un = Aun−1 + b in een m dimensionale ruimte. A en b We herhalen de opdracht met een willekeurige u0 . · · · m’. · · · m met de bijbehorende eigenvectoren vi . math4all voor een afleiding). 2. = u0 Au0 + b Au1 + b = A2 u0 + Ab + b Au2 + b = A3 u0 + A2 b + Ab + b An u0 + An−1 b + Ab + b = An u0 + Σn−1 Ai b i=0 (63) (62) (61) De som Σn−1 Ai b is de som van de eerste n termen van de meetkundige rij i=0 vn = Avn−1 met v0 = b. De vectoren b en u0 kunnen we schrijven als de lineaire combinaties b = c1 v 1 + c2 v 2 + · · · + cm v m en u0 = d1 v1 + d2 v2 + · · · + dm vm lineaire eerste orde differentie vergelijking in een dimensie is dan: u0 u1 u2 u3 un = = = = . Dit zelfde kunnen we doen voor lineaire eerste orde differentie vergelijking in hogere dimensie. . 91 .

Laat Sn = b + Ab + · · · An b en ASn = Ab + A2 b + · · · + An+1 b Dan is (gebruik ook 61) Sn − ASn = b − An+1 b ⇒ (I − A)Sn = b − An+1 b ⇒ Sn = (I − A)−1 (b − An+1 b) = Sn = (I − A)−1 (c1 (1 − λn+1 )v1 + c2 (1 − λn+1 )v2 ) + · · · cm (1 − λn+1 )vm ) m 1 2 Maken we gebruik van dit resultaat en van (62) dan wordt vergelijking 63 u n = An u 0 + (I − A)−1 (c1 (1 − λn )v1 + c2 (1 − λn )v2 ) + · · · + cm (1 − λn )vm ) 1 2 m n n n = d1 λ1 v1 + d2 λ2 v2 + · · · dm λm vm + (I − A)−1 (c1 (1 − λn )v1 + c2 (1 − λn )v2 ) + · · · + cm (1 − λn )vm ) 1 2 m m = i=1 di λn vi + (I − A)−1 (ci (1 − λn )vi ) i i (64) voorbeeld: • Bepaal het evenwicht en de stabiliteit van dit evenwicht en geef de directe formule voor de volgende reeks: un = met u0 = 3 10 3 4 1 8 3 2 5 4 un−1 + 2 2 Eerst rekenen we het evenwicht u uit: ˜ u = (I − A)−1 ˜ 2 2 92 .

= = = = 2 −3 2 1 1 2 −8 −4 1 −1 4 1 1 1 1 3 −4 · 4 − −8 · −2 8 1 −6 2 1 2 − 2 −1 −10 −3 1 4 −1 3 2 1 4 2 2 Vervolgens bepalen we de eigenwaarden van A: 0 = det(A − λI) ⇒ 3 3 −λ 2 = 4 1 5 −λ 8 4 3 5 3 = −λ −λ − 4 4 16 12 = λ2 − 2λ + 16 12 = (λ − 1)2 − 1 + 16 1 = (λ − 1)2 − ⇒ 4 λ1 − 1 = 1 1 ∧ λ2 − 1 = − ⇒ 2 2 1 1 λ1 = 1 ∧ λ2 = 2 2 Er is ´´n eigenwaarde ¿ 1. Dit systeem is dus instabiel. ee Eigenvectoren: λ1 = 3 : 2 3 (A − · I)v1 = 2 3 −4 1 8 3 2 −1 4 v1 = 0 ⇒ 1 1 8 v1x − 4 v1y = 0 ⇒ v1x = 2v1y = 0 ⇒ v1 = 2 1 93 .

λ2 = 1 : 2 1 (A − · I)v2 = 2 1 4 1 8 3 2 3 4 v2 = 0 ⇒ 1 3 8 v2x + 4 v2y = 0 ⇒ v2x = 6v2y = 0 ⇒ v2 = Nu is u0 = en b= 2 2 6 1 3 10 = d1 2 1 + d2 6 1 = 2v1 + 1v2 = c1 2 1 + c2 6 1 = 2c1 + 6c2 c1 + c2 Dit systeem oplossen levert: c1 = 1 5 ∧ c2 = − 2 2 Invullen in (64) geeft de directe formule: 2 un = i=1 di λn vi + (I − A)−1 (ci (1 − λn )vi ) i i n 3 = 2 2 n 1 2 n 3 = 2 n 1 2 2 1 6 1 4 1 6 1 + 1 −6 1 − 2 −1 1 −6 + − 1 −1 2 5 3 + (1 − 2 2 n 1 + (1 − ) 2 94 5 3 (1 − 2 2 −1 1 (1 − 2 2 n −3 ) + −2 0 2 n ) n 2 1 6 1 + ) .

un = 4 5 3 10 3 − 10 4 5 un−1 + un−1 + 1 2 13 26 met u0 = met u0 = 1 2 1 1 . 95 . Laat x het aantal larven per vierkante meter grondoppervlak zijn en y het aantal adulten per vierkante meter grondoppervlak. (a) Leg uit waarom de volgende lineaire recurrente betrekking als dagelijks model gebruikt zou kunnen worden: xn yn = 0. adulten. un = 57.o. Het leven van een fictief insect vatten we samen in twee stadia: larve en adult.6 x0 y0 . −4 1 −5 2 58.Opgaven: Bepaal het evenwicht en de stabiliteit van dit evenwicht en geef de directe formule voor de volgende reeksen: 56.v. Een adult overleeft met een kans van 60% d is het aantal nieuwe larve per dag per adult. De kans dat een larve een dag overleeft en de volgende dag nog larve is is 50% en de kans dat een larve adult wordt is 10%. Vissers vissen met de larven van dit insect en willen per dag 10 larven per vierkante meter oogsten. Kies een begin conditie volgens de in de vorige opgave berekende verhouding? Hoe groot moet de begin x0 grootte van de populatie zijn om dit mogelijk te maken? y0 59. Verzin een opgave inclusief uitwerking en geef die aan je docent en medeleerlingen. .5 d 0. Larven worden gemaakt door adulten en moeten overleven tot adult. Toon algebra¨ ısch aan dat de y0 10 populatie groeit en bepaal de uiteindelijke verhouding van larven t. (c) Bereken algebra¨ ısch hoe groot het aantal nakomelingen per dag per adult minstens moet zijn om de populatie te laten groeien? (d) Neem weer d = 3. We kijken iedere dag naar de populatie. xn−1 yn−1 met begin conditie (b) kies d = 3 en neem x0 10 = . Leslie matrices: Gebruik je docent.1 0.

In de opgaven heb je de volgende eigenschappen van centrale projecties in een driedimensionale gevonden: 1. Het beeldscherm toont ons het beeld ofwel tafereel zoals dat door de lens is geprojecteerd op de beeldchip in de camera. 2. 96 . bijvoorbeeld de spoorbaan in de foto in figuur 14. De tafel met de cd’s er op noemen we het origineel . Maak daar ook opgave ”horizon 2” en ”horizon 3”.5 Projectieve meetkunde Figure 14: De blik op oneindig Snijden de spoorstaven? Een vloer van gelijke tegels Open geogebra/tegelvloer. De term projectieve meetkunde (projective geometry) is het vakgebied binnen de wiskunde dat zich met deze problematiek bezighoud. dan lijken de rails elkaar op de horizon te snijden Het spoor lijkt steeds te smaller worden terwijl de trein er toch echt overal over kan rijden.ggb In de euclidische ruimte zoals we die in de vorige hoofdstukken hebben beschouwd snijden evenwijdige lijnen elkaar nooit. Maak deze opgave. De lens van de camera noemen we het kijkpunt of oog. In de rechter foto zien we hoe de opname in e de linker foto is gemaakt.html. Evenwijdige lijnen in het orgineel vormen snijdende lijnen in het tafereel. De projectie van uit het kijkpunt op het beeldscherm noemt men een centrale projectie Opgaven: 1. Kijken wij als mens naar twee evenwijdige lijnen. Figuur 16 refereert naar opgave ”horizon 1” in projectievemeetkunde geogebra. Aan de hand van figuur 15 defini¨ren we een aantal begrippen.

de zogenaamde ee horizon voor dit vlak.Figure 15: Het beeld van het beeld Het tafereel De making off.ggb 2. 97 . ee Het snijpunt van twee evenwijdige lijnen afgebeeld in perspectief noemt men het verdwijnpunt. De verdwijnpunten van alle paren evenwijdige lijnen in ´´n vlak in ee het orgineel liggen in de weergave in perpectief allen op ´´n lijn. Figure 16: Evenwijdige lijnen in het beeld Geogebra applet Open geogebra/opg horizon1. Verschillende vlakken kunnen verschillende horizons hebben. De snijpunten van verschillende paren evenwijdige lijnen binnen ´´n vlak in het ee orgineel liggen op ´´n lijn in het tafereel.

Bereken algebra¨ ısch de oppervlakte van de schaduw. Opgaven: 3.ggb 98 . Lukt het niet gelijk bekijk eerst het voorbeeld in ”Uitleg Schaduw” en de uitwerking van de opgave hieronder.1 Schaduw in 3D In de voorbeelden hierboven is er een oog dat waarneemt. Dus bij paralelle projecties zijn evenwijdige lijnen in het origineel ook evenwijdig in de projectie. We gaan nu even aan de slag met een licht dat schijnt in een drie dimensionale ruimte.Figure 17: Schaduw in parallelle projectie L L 5 M E F H G E 5 M F H G 7 N A 2 D B C 4 S 7 K N A B 2 D C 4 J I 5. De lichtbron bevindt zich op afstand 5 van het bovenvlak recht boven het midden van HE. Dit noemt men een paralelle projectie. Geogebra applet Open geogebra/voorbeeld schaduw. AD = 4 en AE = 7 liggend op de grond (zie linker tekening in figuur 17).html. Voorbeeld Gegeven is de balk ABCD EFGH met AB = 2. We maken een afbeelding waarin alle evenwijdige lijnen elkaar niet snijden. Maak de opgaven schaduw 1 t/m 4 in projectievemeetkunde geogebra.

l3 = LG.D =  0 . Een hoekpunt van de schaduw is nu het snijpunt I van deze twee lijnen.H =  0 . l2 = LF . Teken vervolgens de lijn LG. 0 0 0 0 0          0 −2 −2 2 2 E =  0 . Voor het grondvlak maken we met behulp van het uitprodukt (31) de normaalvector       0 0 4  0 × 2 = 0  nv = AD × AB = 8 0 0 de in dit geval simpele vergelijking v :0·x+0·y+8·z =0 ofwel v:z=0 De vectorvoortelling voor de lijn l1 is           0 2 0 0 2 l1 : P = L + λ(E − L) =  0  + λ  0  −  0  =  0  + λ  0  12 7 12 12 −5  99 . De methode hieronder is ook voor minder door zichtelijke figuren te gebruiken. De oppervlakte van de schaduw is de som van de oppervlakten van de trapezia DKIC.L =  0 . l4 = LH met het grondvlak berekenen.C =  2 .B =  2 . Voor het e o gemak (waarom?) kiezen het punt N als oorsprong de x-as leggen we langs AN . B en D om de punten S.Oplossing: Noem N midden van AD en teken de lijn NC. 12 7 7 7 7  Om de schaduw in het grondvlak v = ABCD te vinden moeten we de snijpunten van de lijnen l1 = LE.G =  2 .J en K te construren. We vinden dan de volgende co¨rdinaten voor alle punten: o          0 2 2 −2 −2 N =  0 . Algemene methode: Eerst defini¨ren we een co¨rdinaten systeem in 3D. Herhaal dit voor de punten A.F =  2 .de y-as langs N en het midden van BC en de z-as langs N L.A =  0 . De oppervlakte kun je op meerder manieren berekenen. CIJB en BJSA.

Invullen van l1 in v geeft 12 − 5λ = 0 ofwel λ = Het snijpunt S van l1 en v is dan:    24    2 0 5 12  0 = 0  S = 0 + 5 −5 12 0 12 5.2.2) leer je hoe je een willekeurige vergroting kan maken.BC niet gelijk en evewijdig? Het doel is ook de overige drie tegels in perspectief te tekenen.1 Verdubbelen In figuur 18 is links een tegelvloer van vierkante tegels getekend die recht van boven wordt bekeken. CDK en berekenen we met de lengte van een vector (25) en de afstand van een punt tot een lijn (41) de oppervlakte van iedere driehoek. ABJ . Het vierkant ABCD is in de rechterfiguur in perspectief weergegeven.I =  − 5 . In het vervolg (5.2. 100 . BJI.CD en AD. Ook is |SJ| = 24 .2. Waarom zijn de lijnen paren AB. 5 2 0 0  14  2 d(P. 5 Zodat de oppervlakte van ASJ gelijk is aan OASJ = 1 14 24 = 168 .1) wordt uitgelegd hoe een vloer van gelijke parallellogrammen in perspectief kan worden getekend.2 Tekenen in perspectief Deze sectie staan constuctie in perspectief centraal. bijvoorbeeld in  driehoek  24   0 5 ASJ is OASJ = 1 · d(A.K =  0  0 0 0 Vervolgens delen we de schaduw op in de driehoeken ASJ. Eerst (5. SJ) · |SJ|. BCI. 5. l) =  0  − 0 5 (0· 14 + 24 ·0+0·0)2 5 5 242 52 = 14 5. 2 5 5 25 2 Herhaal dit proces en vind dat de oppervlakte van de schaduw gelijk is aan 76 25 5. Op gelijke wijze vinden we:  24   24   24  −5 −5 5 24  24  J = 5 . De lijn SJ is SJ : Q =  0  + λ  24  . CIK.

DC. Vanuit S kunnen we een lijn door B tekenen die de diagonaal is van tegel BEF C.2. Opgaven: 4. Als laatste levert het snijden van de lijn door Sr en G met AD en BC de punten I en H. 5.. De verbindingslijn van Sl en Sr vormt de horizon voor het vlak waarin de tegels liggen. 101 . Teken eerst de verdwijnpunten Sl en Sr van repectievelijk de evenwijdige lijnen AD. Maak de opgaven perspectief 1 t/m 7 in projectievemeetkunde geogebra. BC en AB. Het snijpunt van de lijn AC met de horizon is dit verwijnpunt. De lijn door Sl en F snijdt dan de lijnen AB en AC in respectievelijk de punten E en G.2 Schalen Opgaven: 5. Maak de opgaven perspectief 8 t/m .Figure 18: Verdubbelen in perspectief Sl S G F C Sr H I D G H I C D A B F A E E B Een vloer van gelijke tegels Open geogebra/verdubbelenperspectief. Ook alle diagonalen in de linker tekening zijn evenwijdige lijnen in dit vlak en hebben dus ook een verdwijnpunt op dezelfde horizon.html.ggb Dit doel wordt als volgt bereikt. in projectievemeetkunde geogebra.html. Het snijpunt van de lijn AB met CD is dan het hoekpunt F van de tegel.

2 5.3.1 5.3.3 Rekenen in perspectief De projectieve lijn Het projetieve vlak De projetieve ruimte 102 .5.3 5.3.