You are on page 1of 2

Instructieblad solar-i

Vwo Hoofdstuk 5 paragraaf 5.2
Keuzeopdracht: ‘Zit het in de familie’.

Naam:__Luuk de Waal Malefijt___________ klas: _53__ datum:_______

Instructie:
1. Kies een erfelijke ziekte, waar je wat meer over wilt weten en waarvoor een
DNA test bestaat. Bekijk hiervoor een (digitale) medische encylopedie. Zoek
op hoe de ziekte overerft, wat de ziekteverschijnselen zijn en wat de
levensverwachting is:
Ziekte: Riley-Day-syndroom
Verschijnselen: De aantasting van het perifere zenuwstelsel vermindert
de waarneming van pijn. Andere verschijnselen zijn weinig traanvocht,
overmatig zweten, het ontbreken van reflexen, koorts en aanvallen van
buikpijn. Kleine kinderen die aan dit syndroom lijden, kunnen hun
bewegingen slecht coördineren: zij hebben moeite voedsel naar hun
mond te brengen en lopen onvast.

Overerving: Als één van de ouders de afwijking doorgeeft, dan is het
kind wel drager, maar lijdt het niet aan de aandoening. Als beide ouders
drager zijn, dan is er een kans van 25 procent dat het kind van beide
ouders het afwijkende gen erft en ziek wordt.

Levensverwachting: Geen terminale ziekte

2. Je weet, dat de genoemde ziekte in jouw familie (van vaders kant) voorkomt.
Door deze kennis sta je voor een aantal dilemma’s. Maak op een apart blaadje
een schema waarin je de dilemma’s aangeeft en de mogelijke keuzes die daaruit
voortvloeien.

Dit is bij de door mij gekozen aandoening niet van toepassing. Als het slechts
van één kant komt uit de familie is er geen dilemma. Je bent dan wel drager
Van de ziekte, maar je lijdt er niet aan.
3. Vermeld bij elk dilemma in je schema welke keuze jij denkt te maken en geef
argumenten waarom je deze keuze maakt.

N.V.T, omdat de ziekte niet schadelijk is als maar één ouder het zou
hebben.

4. Schrijf van de punten 2 en 3 een beknopt verslag met daarin de dilemma’s,
mogelijke keuzes en argumenten voor die keuzes.

Reflectie:
1. Op welke gronden heb je voor deze ziekte gekozen?

1. Ik kwam de aandoening tegen in een digitale medische encyclopedie en
deze leek mij wel interessant. Verder komt deze niet voor in mijn kleine
familie. Mijn familie lijdt ook niet aan erfelijke ziekten (voorzover ik weet) dus
had ik mijn keus niet daarop kunnen baseren.

2.

3.

2. Met wie zou je in ieder geval willen praten, als je dergelijke keuzes zou
moeten maken. Met wie juist niet en waarom?

Ik zou met mijn directe familie praten omdat die het dichtst bij me staan. Ik
zou niet praten met ooms, tantes, of mijn opa en oma omdat ik geen waarde
zou hechten aan hun oordeel.

3. Hoe zwaar zou je de mening van een deskundige arts mee laten wegen?
Waarom?

Ik zou het laten meewegen, maar niet zwaarder dan mijn eigen morele
waarden. Ik heb gene vol vertrouwen in artsen en geloof sterk in quantum-
fysica en zelfheling.