Hoofdstuk 5. SOCIALE CONTROLE EN DEVIANTIE 5.

1 Sociale controle Edward Alsworth Ross stelt dat er twee ordes zijn, met elk hun eigen controlemechanismen, die de individualiteit zouden moeten overstijgen. De eerste orde is de ethische controleorde. Het neemt de vorm aan van de publieke opinie, persoonlijke idealen, religie,kunstvormen,.. Sociale gelijkheid gaat hand in hand met een ethisch controlesysteem De tweede orde is de politieke controleorde. Deze vorm zit vervat in het recht, het leger en de politie. Welke soort controle er voorkomt wordt bepaald door de kenmerken van de maatschappelijke structuur Bv. Samenleving homogeen, geen statusverschillen, van iedere groepp gelijke inspanningen? => Ethische controleorde Bv. Samenleving die ongelijk is, overheersing, door exploitatiereacties tussen etnische groepen/ geslachten en klassen => politieke controleorde 5.1.1. de morele orde: het ontstaan en de internzlisatie van moraliteit William Sumner (1840-1910) - zijn theorie bestond eruit dat het voornaamste doel van de mens erin bestaat te (over)leven. - Handelingen werder toegepast wanneer de situatie het vereiste, zouden die handelingen zich dan ontwikkelen tot gebruiken of gewoonten - Folkways: gedragsregels en gebruiken die het leven van elke dag orde en vorm geven waarvan afwijking niet tot formele sancties leidt. - Folkways worden niet bewust door de mensen gecreëerd <-> mores wordt wel bewust door de mensen gecreëerd doordat ze bewust er beginnnen over na te denken. - Folkways o overleven  trial and error  ‘folkways’ o collectieve gewoonten, visies, methodes o betrekking op wat juist, effectief of goed is o wordt niet gesanctioneerd door de gemeenschap - Mores (normen) o bewuste reflectie over folkways, rationalisaties van de gewoonten o dwingend karakter: naleving strikt vereist o niet-naleving leidt tot bestraffing (sociale controle) , wordt gesanctioneerd door de gemeenschap Het is niet mogelijk om een lijn te trekken tussen mores en folkways. Er is sprake van een soort continuüm: de gebruiken waarop geen enkele vorm van sanctie of controle wordt uitgeoefend en gaande naar de gebruiken waarvan de

naleving strikt wordt vereist. Het naleven van de mores wordt door de gemeenschap wel als een essentiële voorwaarde gesteld voor het algemeen welzijn en het adequate functioneren van de gegeven bevolkingsgroep. Mores vormen de basis van de instellingen die zich binnen de maatschappij ontwikkelen. Wetten vormen een weerspiegeling van de mores. Opdat wetten doeltreffend zouden zijn, moeten ze congruent zijn aan de mores. Als dit niet het geval is dan zouden ze vaak overtreden of heel eenvoudig niet nageleefd worden. (volgens Sumner) Kritiek op Sumners theorie: Hij zou de relatie tussen wetten en mores te eenzijdig zien Zie krantenartikel echtscheiding. (voorbeeld) Durkheim (1858-1917) morele regels: verplicht en gewenst mensen willen inspanningen doen om morele regels te realiseren volgens Durkheim 2 soorten moraliteit Objectieve moraliteit gemeenschappelijke en onpersoonlijke standaarden die we gebruiken om menselijk handelen te evalueren bv. De wet Subjectieve moraliteit Elke individu drukt het morele bewustzijn op zijn/haar specifieke wijze uit (eigen moreel bewust zijn)

Men kan morele regels herkennen aan het soort gevolg dat eraan gekoppeld wordt. Een handeling kan twee soorten gevolgen teweeg brengen: Analytisch gevolg Volgt uit de handeling zelf Het is een inherent gevolg van de handeling Bv. Het niet-naleven van een hygiënische regel kan leiden tot infectie. Infectie is een direct gevolg van het niet-naleven van die regel. Infectie is een analytisch gevolg Synthetisch gevolg Sanctie die volgt uit de overtreding van een regel bv. Je hebt gedronken , meer dan is toegestaan. De politie trekt uw rijbewijs in. Rijbewijs intrekken is een synthetisch gevolg.

Volgens Durkheim is het naleven van een regel een positieve sanctionering. Uit het volgen van een regel duikt een gevoel van welbehagen=> resultaat van een socialisatieproces.

Mead(1863-1931) socialisatietheorie hij beschijft het proces waarlangs de internalisering van waarden en normen gebeurt. I en Me vormen samen een geheel, een eenheid. I= handelen van een individu in bepaalde sociale situatie. Vertrekt vanuit het I en het Me: - I = het handelen (niet instinctmatig, we kunnen het eerst toetsen aan het Me) - Evaluatie van handeling volgt uit het Me o wordt aangevuld met de reacties van anderen wordt opgeslagen voor later Vb.: een student wil de dag voor het examen naar de cinema gaan Me: besef dat dat niet hoort - + reacties medestudenten en ouders versteviging van het Me voor later Piaget (1896-1980) - Vertrekpunt: relatie tussen de sociale verhoudingen en rationele bewustzijn Twee soorten relaties: coöperatieve wederkerige relaties o liggen aan de basis van het bewustzijn van ideale en gewenste regels o worden zonder dwang nageleefd relaties gebaseerd op autoriteit: systeem van dwingende regels o leggen het individu een uiterlijk systeem van dwingende regels op Moderne samenlevingen: mensen steeds meer wederzijds afhankelijk - coöperatie noodzakelijk - in functie van complexe arbeidsverdeling - individu dient zichzelf te zien vanuit wederkerige relaties o mag echter individuele perspectief niet belemmeren meer democratisch opgestelde regels? Volgens Piaget bestaat er een zekere parallel tussen de ontwikkeling van het logische denken bij kinderen en de ontwikkeling van het morele bewustzijn:

-

- egocentrisme o kind is het middelpunt, echte moraliteit is onmogelijk o geen onderscheid tussen zichzelf en de wereld o verhoudingen met anderen zijn vaag - dwang o identificatie met volwassene: kind affirmeert wat volwassenen opleggen nog geen rationeel-logisch denken o relatie kind – volwassene gekenmerkt door dwang en affirmiteit - autonome beslissingen o vervangen van de autoritaire relaties door coöperatieve kind moet op eigen kracht morele stelregels beoordelen, hoeft morele kracht niet langer gelijk te stellen met die van de volwassene o als coöperatie ontbreekt moreel realisme: morele stelregels niet abstract maar gebonden aan concrete externe figuren o coöperatie leidt tot kritiek en dialoog kind contrasteer eigen motieven met extern opgelegde regels afbouw van egocentrisme en moreel realisme resultaat: internalisering van regels niet gebonden aan het ik of de andere, ze hebben een autonoom karakter.

5.1.2. De politieke orde Becker ziet de samenleving als een netwerk van interacties waarbij de houdingen en gedragingen van de interactiepartners steeds op elkaar afgestemd zijn Socialisatieproces is geen absolute conditionering mensen wijken af van regels

-

Regels komen tot stand door de beredeneerde actie van crusading reformers. Die vertegenwoordigen een klasse of een maatschappelijke groep en baseren hun maatschappijvisie op een absolute ethiek die geen alternatieve visie mogelijk maakt. Oorzaak: mensen wijken af omdat anderen met meer macht in de samenleving beweren dat ze afwijkend zijn. Twee soorten devianten: o regelovertreders die door de samenleving als dusdanig aangeduid worden o niet-regelovertreders, toch deviant aangeduid het individu is geen deviant, maar het wordt deviant van zodra er bepaalde regels op hem/haar worden toegepast. Deviantie is het resultaat van regeltoepassing. Devianten vormen geen homogene categorie. Gemeenschappelijke kenmerken van deviante personen opzoeken heeft geen zin want het centrale element van deviantie is net het definiëren van iemand als deviant Bijkomende belangrijke vraag: wiens regel wordt overtreden? gedifferentieerde samenleving zorgt voor verschillende groepen (vb. op basis van geslacht, etnie, leeftijd) niet elke maatschappelijke groep heeft voldoende politieke macht om het overtreden van bepaalde regels als afwijkend te beschouwen politieke macht is een belangrijk element/variablele in het wetgevingsproces

-

-

5.2 sociologische verklaringen voor deviantie verklaringen: relatieve en normale karakter ban deviantie anomie vervreemding differentiële associatie de delinquente subcultuur etiktteerperspectief

5.2.1 het relatieve en normale karakter van deviantie deviant of afwijkend gedrag = dat gedrag,dat de normatieve regels van een gegeven groep of maatschappij overschrijdt.overtreedt. het begrip heeft een relatief en een normaal karakter.

-

relatief: gedrag dat in de ene sociale context als afwijkend wordt beschouwd, is dit niet noodzakelijk in een andere context. M.A.W. afwijkend gedrag is een kwestie van sociale definitie op een gegeven plaats en tijdstip bv. De deontologie van de geneesheer =/= die van een advocaat - normaal: een samenleving zonder afwijking is absurd. Een maatschappij waar iedereen op de zelfde manier deelachtig wordt aan de waarden en normen , is onmogelijk. Hoe sterker het waardebesef, hoe groter de kans dan een kleine afwijking van de regels tot een bestraffinf leidt.

5.2.2 ontregeleing of anomie Durkheim’s anomie theorie: Mensen onderscheiden zich juist van dieren doordat ze onafhankelijk zijn geworden van een biologische regeling. Enkel de samenleving heeft de kracht om de aspiraties van mensen onder controle te houden. - mensen moeten individuele aspiraties zelf in toom houden o i.t.t. dieren: aspiraties in toom gehouden door fysische capaciteiten o regels die dit doen moeten van morele aard zijn of hun oorsprong sociaal zijn o enkel de samenleving heeft de morele kracht aspiraties onder controle te krijgen - de samenleving bepaalt een leefstijl overeenkomstig plaats in samenleving o vb. een belangrijke functie wordt goed verloond o de publieke opinie aanvaardt het mechanisme dat dit doet - bij sociale verandering valt de normering weg o als het economisch goed gaat: geen probleem, mechanismen doen hun werk, iedereen heeft een leefstijl toegewezen o plots gaat het economisch slecht: leefstijlen kloppen niet meer (wie het goed had moet nu plots ook besparen, …), niet meer aangepast aan samenleving o individu valt terug op zichzelf om driften in te perken - dus: anomie resulteert in een gebrek aan regeling van driften o mens wordt overgelaten aan zijn passies

o gevolg: afwijkend gedrag (vb. zelfdoding, criminaliteit)