You are on page 1of 34

DENKONTWIKKELING

COGO1, CorA

Begrippen, p. 1
Wat is cognitief functioneren?
Voorbeeld Silke en de ananas. Zet in de juiste
volgorde.

Cognitief functioneren gaat over hoe mensen kennis

1. Verwerven of opnemen (C)


2. Verwerken of een plaats geven in het
kennisnetwerk (D)
3. Opslaan of onthouden (B)
4. Toepassen of terug oproepen (A)

Doel = succesvol denken, p.


3

Probeer je n kleuter uit de stageklas


voor te stellen die jij intelligent vindt.
Geef hierbij drie argumenten (3 situaties
waarin jij hem/haar als intelligent hebt
ervaren)

=> Brede waaier aan


denkvaardigheden!

Robert J. Sternberg introduceerde het concept succesvolle


intelligentie

= brede kijk op intelligentie


Hoe worden kinderen succesvolle
denkers?
Opdracht: Mijn leven als Dombo, p. 4-5.

Slechte score op IQ-test => geen


succesvol denker?
Nee!
IQ-test meet het vermogen om te
redeneren, analyseren, het klassieke
schoolse denken
In het echte leven spelen ook andere
denkvaardigheden een rol !

Goede score op IQ-test=> succesvol


denker?
Nee!
IQ-test meet het klassieke schoolse
denken
Er is meer nodig om succesvol
problemen in het dagdagelijks leven aan
te pakken.

Kleuters succesvol helpen


denken?

Ga kleuters niet etikketeren als dom.

Alexa

Verwacht veel van alle kleuters in de klas.


Moedig aan en daag uit!
Zoek steeds de zone van naaste ontwikkeling op:
wat kind nog net niet alleen kan, maar wel met wat
hulp.

Beschrijf het gevaar van etikketering


voor de cognitieve ontwikkeling

S. is dom (etiket)
S. zal het wel niet kunnen. (verwachting)
Juf gaat S. minder uitdagen, minder stimuleren, meer
pamperen (omgang met het kind)
S. krijgt minder ontwikkelingskansen door het etiket
dom. Sternberg ontwikkelt faalangst.

=negatieve spiraal

Het etiket kan onze interactie met het kind in


negatieve zin benvloeden (omgang met het
kind).

Alice (volmaakt) en Ben


(geniaal)
Hoge scores op IQ-tests of
schooltoetsen is slechts n aspect van
succesvol denken.
Succesvol denken: doelen in het leven
bereiken.
Succesvol denken betekent ook
creatief kunnen denken
je kunnen aanpassen aan de situatie

Succesvol denken (Sternberg)


= evenwicht behouden tussen

Analytisch denken (schoolse denken)


Creatief denken (zelf ideen
genereren)
Praktisch denken (je aanpassen aan
een situatie)

Analytisch denken:
onthouden, analyseren, schoolse denken

Blokken sorteren op vorm

In welke zak zitten de meeste schelpen?

Silke heeft uit de waarneming onthouden


dat ananassen groeien in warme landen.
Ze weet dat de schil prikt,

Creatief denken:
op nieuwe ideen, oplossingen komen

Wat kunnen we allemaal doen met de


lege brikken?

Hoe kan Jules het warm krijgen?

Hoe kunnen we een dierentuin bouwen?

Praktisch denken:
gezond verstand, je aanpassen aan je omgeving, gezond verstand,
materiaalbegrip

Voorbeeld Celia
Voorbeeld defecte horloge
Voorbeeld Kaatje
-> tot uitvoer kunnen brengen,
overtuigen, juiste mensen, juiste
stap op juiste moment,

Stimuleren succesvol
denken
= werken aan
analytisch denken n
creatief denken n
praktisch denken
Opdrachten p.9

Cognitieve ontwikkeling volgens


Jean Piaget
p. 10

Soorten kennis
Kennis = verzamelnaam voor alles wat mensen leren en weten.

A. De poppen van groot naar klein ordenen.


B. Weten dat sneeuw opnieuw in water
verandert
C. Als ik mijn groenten opeet, dan is mama
blij.
D.Vier is meer dan drie.
E. Als mijn vriend valt, dan ga ik hem helpen
en troosten
F. Weten dat hitte het pannenkoekendeeg
doet opstijven

Fysische kennis

Bron: in de wereld
Fysisch-materile eigenschappen van de
dingen in de wereld
B, F
Verwerf je door

te exploreren met zintuigen & motoriek


door wat anderen vertellen
prentenboeken, tv

Fysische kennis
Bootje Water
Kennis over relaties tussen
objecten
Knijpen koekje -> .
Kennis over effecten van een
handeling op een object
Schuurpapier is
Kennis over de aard der dingen

Sociale kennis

Bron: bij de mensen


Taal, regels, moraal, symbolen,
geschiedenis,
C, E
Verwerf je door

Sociale contacten
Tv, boeken,

Sociale kennis
Als je iets krijgt, zeg je
Kennis van sociale regels en
omgangsvormen
Als je erg ziek bent, moet je naar het
Kennis over de samenleving
Ik heb een mindere dag. Ik ben slecht
gezind vandaag.
Zelfkennis

Logisch-mathematische
kennis

Bron: in het kind zelf. Het kind legt zelf


verbanden.
Getallen, oppervlakte, ordening,
A, D
Verwerf je door

De kennis zelf op te bouwen met je verstand


vanuit het handelend omgaan met de
dingen, zelf relaties leggen met je verstand
= denkconstructie

Logisch-mathematische
kennis

vb: Welke parels horen samen?

vb: Doosjes van licht naar zwaar


rangschikken

Classificeren

Seriren (van naar )

vb: Neem eens twee bekers.

Getalbegrip

Kennis van ruimte en tijd

Kennis van de ruimte

Module Ruimte
en tijd
2 Bako
met pittenzakje

Vb: Orintatie-opdracht
Vb: Vormen leren kennen

Kennis van tijd

Zo lang het liedje duurt, duurt lang/kort


Wat kwam eerst, daarna, als tweede
(volgorde)

Soorten kennis komen vaak samen voor


(vb: exploratie-activiteit schoenen)

Fysische kennis:

Sociale kennis:

Leer is soepel en zacht.


Als je de veters strak knoopt, gaan ze niet los.
Schoenen met hakken zijn voor
Voor je binnen gaat,

Logisch-mathematische kennis:

Pas de schoenen in de juiste doos (grootte)


Veters seriren van kort naar lang
Hoeveel gaatjes heeft deze schoen?

Cognitieve ontwikkeling volgens Piaget


Cursus p. 14
Handboek Groot worden p. 87-89

Hoe verloopt leren?


Uitgangspunten Piaget

Kind construeert zlf kennis vanuit


ervaringen. De omgeving stimuleert en daagt
uit.

Cognitieve ontwikkeling, leren = onze


denkstructuren groeien en worden complexer.

Adaptatie: er moet een afstemming zijn tussen


ons denken en de realiteit (opdracht)

Denkstructuren groeien en worden


complexer door adaptatie tussen
denken en realiteit

Vb: Julie weet Oma heeft een bril, de juf heeft


een bril, om beter te kunnen zien (denken)
Op het strand vraagt ze aan mama: Zoveel
mensen die slecht zien En waarom zijn die
glazen zwart? (realiteit)
Mama legt uit: Zonnebril, om je ogen te
beschermen tegen de zon.
=> Julies denkstructuur wordt complexer:
onderscheid tussen bril en zonnebril.
= Adaptatie: afstemming tussen ons denken
en de realiteit.

Denkstructuren groeien en worden


complexer door adaptatie tussen
denken en realiteit

Het sneeuwt! (denken)


Oh, maar dat is sneeuw die hard
aanvoelt (realiteit)
Juf legt uit dat
Denkstructuren worden complexer:
onderscheid sneeuw - hagel.
= Adaptatie: afstemming tussen ons
denken en de realiteit.

Twee manieren om tot adaptatie te


komen:

Assimilatie
Accommodatie

Nieuwe ervaring (eitje) inpassen in


bestaande denkstructuur = assimilatie
Ik kan al grijpen en voelen
met een blokje
(=bestaande denkstructuur)

Haha, dat kan ik ook


met dat ding (eitje)
Kind leert hoe eierschaal voelt,
dat het eitje rolt,
dat je het kan pakken,

Bestaande denkstructuur veranderen want


het denken moet kloppen met de realiteit!
=accommodatie.

Equilibratie
= evenwicht zoeken tussen
DENKEN EN REALITEIT
Het denken moet kloppen met de realiteit!
(Adaptatie)
Hoe?
Assimilatie: we passen bestaande
denkstructuren toe in nieuwe situaties (vb:
met eitje kan ik ook pakken, voelen, )
Accommodatie: we herzien onze
denkstructuren
(vb: eitje knijpen gaat niet, het breekt)

Assimilatie of accommodatie? Leg uit.


Silke ontdekt voor het eerst een ananas. Een
ananas is ook fruit zoals een appel, een banaan,
vertelt de juf bij de waarneming ervan.
= Assimilatie
= Nieuwe kennis (ananas) inpassen in bestaande
denkstructuur (fruit)
Oner ontdekt na een tijdje spelen met de waterkraan
dat hij de straal met zijn vingers kan richten,
dikker/dunner maken,.
= Accommodatie
= Denkstructuur aanpassen (straal kan je richten!)