Mens en

Economie

Programma
Les 1


Introductie blauwe boek: verdieping economie
Uitleg cursus 1 (deel 1)
Maken opdrachten cursus 1

Les 2
 Uitleg cursus 1 (deel 2)

Maken opdrachten cursus 1

Introductie economie
 Lezen
 Waar

inleiding H1 (blz. 5 en 6)

denk jij aan bij het woord ‘economie’?

Uitleg cursus 1
Wat maken we?
1. Arbeid en loon
Brutoloon
( wat je totaal verdient )
Inhoudingen
- (loonbelasting en sociale premies, dit gaat naar de
overheid)
Nettoloon
(rest van de loon, dit gaat in je zak )

2. Stap voor stap
Bedrijfskolom = Alle bedrijven die meewerken aan de productie van grondstof
tot eindproduct.
Toegevoegde waarde = Elk bedrijf zorgt voor een volgende bewerking van het
product, waardoor het product meer waard wordt.

Waar komen onze producten
vandaan?

http://www.schooltv.nl/video/herkomst-van-producten-waar-komen-onze-prod
ucten-vandaan/#q=categorie%3A%22Economie%22

Opdrachten maken
 Wat? Opdracht 1 t/m 11

Hoe? Lees de leerstof en beantwoord de vragen. Schrijf de
antwoorden in je werkboek.

Hoe lang? 20-30 min.

Hulp? Docent

Wat als je klaar bent? Krant / stripverhaal uit de kast lezen

Wat doen we met de opdrachten? Nakijken

3 en 4 Produceren en dienstverlening
Verschillende bedrijven:

Agrarische bedrijven  tuinbouw,
(grondstoffen)

bosbouw,

landbouw,

Industriële bedrijven  fabrieken
(grondstoffen bewerken tot producten in fabrieken)

Dienstverlenende bedrijven  dienst verlenen
(bv. de producten verkopen, repareren)

veeteelt

5, 6 en 7
Productieweg = De stappen dat een product doorloopt van grondstof tot
eindproduct.
Bv. hout hakken  schuren en mooi lakken  onderdelen maken  stoel in
elkaar zetten
Het eindproduct wordt vaak niet direct aan de klanten of winkels (detailhandel)
verkocht.
Eerst gaat het naar de groothandel. De bedrijven kopen hun producten in bij een
groothandel.
Vervolgens kunnen klanten producten in de detailhandel, dus in winkels kopen.
Arbeidsproductiviteit = Aantal producten die je kan maken in een bepaalde tijd.
Laag  als je alles met de handen doet
Hoog  met bv. machines en

Welk soort bedrijf?

Huiswerk
 Wat?

Opdrachten 1 t/m 11 van cursus 1

 Wanneer

af? Dinsdag 16 december

Programma
Les 1

Nakijken cursus 1
Herhalen cursus 1

Les 2
 Uitleg cursus 2

Maken cursus 2

Herhalen cursus 1
http://www.onlinequizcreator.com/herhaling-cursus-1/quiz-56281

Uitleg cursus 2

Van gereedschap tot robot
Handwerk
Handwerk: werk dat met de hand en met gereedschap
gedaan wordt.
1.

Produceren:

van grondstof  naar eindproduct.

Wat heb je nodig voor productie?
Productiefactoren:
3. Natuur  grondstoffen die uit de natuur komen
2. Kapitaal  geld en hulpmiddelen
3. Arbeid  werk
2.

Kapitaalgoederen:
produceren.

hulpmiddelen om te kunnen

Mechanisatie en automatisering
Mechanisatie:
machines gebruiken bij productie.
Bv. Weefmachine
3.

Automatisering: computers gebruiken bij productie.
Bv. een computer die een robot aanstuurt. (robot maakt auto)

Kapitaalintensief bedrijf: bedrijf waarin veel werk door machines
wordt
gedaan.
Arbeidsintensief bedrijf: bedrijf waar werknemers veel met hun
handen
werken.

Opdrachten maken
 Wat? Opdracht 1 t/m 10

Hoe? Lees de leerstof en beantwoord de vragen. Schrijf de
antwoorden in je werkboek.

Hoe lang? 20-30 min.

Hulp? Docent

Wat als je klaar bent? Krant / stripverhaal uit de kast lezen

Wat doen we met de opdrachten? Nakijken

Huiswerk

Wat? Maken opdracht 1 t/m 10 cursus
2
Wanneer? Woe. 17 dec.

Programma

Herhalen ’Verdieping economie’
H1: cursus 1 en 2

Socrative-opdracht
Samenwerkingsopdracht

Afsluiting

Herhalen cursus 1 en 2
Socrative-opdracht
 Wat? Quiz Socrative: cursus 1 en 2

Hoe? Beantwoord de vragen op je werkblad. Dit doe je alleen.

Hoe lang? 10 min.

Hulp? Aantekeningenschrift

Wat als je klaar bent? Antwoordenblad bij de juf ophalen en de
quiz nakijken.

Wat doen we met de opdrachten? Gebruiken als oefening
voor de toets. - bewaar je quiz ! -

Herhalen cursus 1 en 2
Samenwerkingsopdracht

Wat? Beantwoord de vragen op het werkblad. Gebruik je rekenmachine.

Hoe?
 Maak
 Lees

groepjes van 4.

de opdracht en beantwoordt de vragen met elkaar.

 Schrijf

allemaal de berekening + antwoorden op het blad op.

Hoe lang? 20 min.

Hulp? Docent.

Wat als je klaar bent? Met je groep afspreken hoe jullie de som en
berekening aan de klas gaan uitleggen.
 Rest

nog niet klaar? Maak de extra opdracht.

Wat doen we met de opdrachten? De som en berekening van de
groep uitleggen aan de klas op het bord.

Afsluiting

Goed gewerkt!

Bewaar de werkbladen!

Morgen: Long walk to freedom

Mens en
Economie

Programma


Herhalen cursus 1 en 2 (1.1. en 1.2.)
Aantekeningen cursus 3 (1.3.)
Opdrachten cursus 3 (1.3.)

Herhalen 1.1. en
1.2.

Aantekeningen 1.3.

Begrippen 1.1.
 Brutoloon
 Inhoudingen
 Nettoloon
 Bedrijfskolom
 Productieweg
 Toegevoegde waarde
 Arbeidsproductiviteit
 Soorten bedrijven:


Agrarisch
Industrieel
Dienstverlenend

Opdrachten 1.3.

Begrippen 1.2.
 Productiefactoren:







Arbeid
Kapitaal
Natuur

Kapitaalgoederen
Handwerk
Arbeidsintensief
Kapitaalintensief
Mechanisatie
Automatisering

Afsluitin
g

Herhalen 1.1. en
1.2.

Aantekeningen 1.3.

Opdrachten 1.3.

Afsluitin
g

Vraag 1: Hoe bereken je het nettoloon?
Vraag 2: Een bakkerij is een voorbeeld van een …………
bedrijf. (agrarisch, industrieel of dienstverlenend)
Vraag 3: Wat zijn de drie productiefactoren?
Vraag 4: Wat is mechanisatie?
Vraag 5: Een bedrijf waarin veel werk door machines
wordt gedaan, noemen we een ………….. bedrijf
(kapitaalintensief of arbeidsintensief?)

Herhalen 1.1. en
1.2.

Aantekeningen 1.3.

Opdrachten 1.3.

Afsluitin
g

Antwoorden
Vraag 1: Hoe bereken je het nettoloon?
Antwoord: Brutoloon – inhoudingen.
Vraag 2: Een bakkerij is een voorbeeld van een ………… bedrijf. (agrarisch,
industrieel of dienstverlenend)
Antwoord: Industrieel bedrijf.
Vraag 3: Wat zijn de drie productiefactoren?
Antwoord: Arbeid, kapitaal en natuur.
Vraag 4: Wat is mechanisatie?
Antwoord: Het gebruiken van machines bij productie.
Vraag 5: Een bedrijf waarin veel werk door machines wordt gedaan,
noemen we een ………….. bedrijf (kapitaalintensief of arbeidsintensief?)
Antwoord: Kapitaalintensief bedrijf.

Herhalen 1.1. en
1.2.

Aantekeningen
1.3.

Opdrachten 1.3.

1.3. Voor welke prijs?

1. Afzet en omzet
Afzet: Het aantal producten dat wordt verkocht.
Omzet: De waarde van de verkochte producten.

Afsluitin
g

Bijv. 500
Bijv. €1200

Omzet = afzet x verkoopprijs = 500 x 1200 = €600000
2. Van inkoop naar verkoop
Verkoopwaarde = prijs voor je verkoop
Bv. € 2500
Inkoopwaarde
= prijs voor je inkoop
Bv. €
1000 Brutowinst
= wat je overhoudt ( verkoop – inkoop )
Bv. €
1500
Bedrijfskosten
- = extra kosten (loon van personeel, huur, etc.)
Bv. € 750 Nettowinst = wat uiteindelijk in je zak gaat! Wat overblijft.
Bv. € 750

Positief saldo = winst
Negatief saldo = verlies

Als dat lang duurt  failliet

Herhalen 1.1. en
1.2.

Aantekeningen
1.3.

Opdrachten 1.3.

Afsluitin
g

3. Meer omzet door reclame
Door reclame proberen bedrijven aandacht te trekken van bepaalde
doelgroepen, bijv. kinderen.
Voorbeelden reclame: advertenties, in folders, tijdschriften, op tv, radio en
internet. Dit zijn media.
Actiereclame: Reclame die wijst op een speciale actie.
Informatieve reclame: Reclame met veel informatie/uitleg.
http://www.youtube.com/watch?v=ATJ-DqKyRxQ&feature=related

4. BTW
Bij het kopen van producten betaal je belasting: de btw.
BTW: Belasting over de toegevoegde waarde.
Dit moet de verkoper aan de overheid geven.
21% BTW op luxe producten
6% BTW op o.a. geneesmiddelen, water, etenswaren, kapper en sport

Herhalen 1.1. en
1.2.

Aantekeningen 1.3.

Opdrachten
1.3.

 Wat? Opdracht 1 t/m 9

Hoe? Lees de leerstof en beantwoord de vragen. Schrijf de
antwoorden in je werkboek.

Hoe lang? 30 min.

Hulp? Docent

Wat als je klaar bent? Krant / stripverhaal uit de kast
lezen
Wat doen we met de opdrachten? Nakijken

Afsluitin
g

Herhalen 1.1. en
1.2.
Huiswerk:
woe. 7 januari:

Aantekeningen 1.3.

Opdrachten 1.3.

Maken opdrachten 1 t/m 9 cursus 3

Let op!! REKENMACHINE MEE!
PO sectorkeuze:
Inleveren uiterlijk di. 13 januari
Inleveren tijdens de les of mailen naar AMolendijk@lmc-vo.nl
Toets:
woe. 14 januari: TOETS HOOFDSTUK 1 (cursus 1 t/m 4)
Het laatste uur M&E is de toets.

Afsluiti
ng

Mens en
Economie

Programma


Nakijken cursus 2 en 3 (1.2 en 1.3.)
Aantekeningen cursus 4(1.4.)
Opdrachten cursus 4 (1.4.)

Nakijken 1.2 en 1.3

Aantekeningen
1.4.

Opdrachten 1.4.

Afsluitin
g

1.4. Bedrijven zoeken elkaar op.
1. Drie soorten werkgebieden
Drie soorten werkgebieden:
 Stadscentrum= Hier werken mensen uit
dienstverlenende sector in de stad.
bv: winkels, restaurants, café

Werkgebieden= Bij toegangswegen en stations.
Hier werken ook mensen uit de
dienstverlenende sector.

bv: kantoren, banken etc. langs de

wegen of stations

Bedrijventerrein= Bedrijven aan de rand van de stad.
bv. Fabrieken, grote bedrijven, kantoren etc.

Nakijken 1.2 en 1.3

Aantekeningen 1.4.

Opdrachten 1.4.

Afsluitin
g

2. Vestigingsvoordelen
Een ondernemer vestigt zijn bedrijf op een werkgebied
met veel voordelen = vestigingsvoordelen
1.

Bereikbaarheid
( is het makkelijk te bereiken?)

2.

Aanwezigheid van klanten
(is het een drukke plek met veel mensen?)

3.

Hoeveelheid ruimte
(heeft het een grote ruimte?)

Prijs van de grond
(lage huur is beter )
5. Zichtbaarheid
(klanten moeten je bedrijf kunnen zien)
4.

Nakijken 1.2 en 1.3

Aantekeningen 1.4.

Opdrachten
1.4.

Afsluitin
g

 Wat? Opdracht 1 t/m 10 (8 niet!)

Hoe? Lees de leerstof en beantwoord de vragen. Schrijf de
antwoorden in je werkboek.

Hoe lang? 30 min.

Hulp? Docent

Wat als je klaar bent? Krant / stripverhaal uit de kast lezen

Wat doen we met de opdrachten? Nakijken

Nakijken 1.2. en 1.3.

Aantekeningen 1.4

Opdrachten 1.4.

Huiswerk:
di. 13 januari:
Maken opdrachten 1 t/m 10 cursus 4
let op! Opdracht 8 niet!
Let op!! REKENMACHINE MEE!
PO sectorkeuze:
Inleveren uiterlijk di. 13 januari
Inleveren tijdens de les of mailen naar AMolendijk@lmc-vo.nl
Toets:
woe. 14 januari: TOETS HOOFDSTUK 1 (cursus 1 t/m 4)
Het laatste uur M&E is de toets.

Afsluiti
ng

Mens en
Economie

Programma

Nakijken cursus 1 en 4 (1.1 en 1.4.)

Belangrijke sommen samen bespreken

 Test

jezelf maken en nakijken

Test jezelf maken

Wat? Opdracht 1 t/m 12

Hoe? Beantwoord de vragen. Je werkt alleen en in stilte.

Hoe lang? 50 min.

Hulp? Boek, aantekeningen en docent. Maar, probeer het eerst
zelf!

Wat als je klaar bent? Leren voor de toets. Maak bijv. een
begrippenlijst of samenvatting.

Wat doen we met de opdrachten? Kijk je Test Jezelf na en
bereken je cijfer.

Afsluiting

Goed gewerkt!

Morgen de toets, veel succes met leren.

Programma woensdag 1e lesuur M&E:
met klas stof herhalen en leren voor
toets.

Mens en
Economie

Programma

Stof cursus 1 t/m 4 herhalen

Herhalen cursus 1
1)

Wat is seizoensarbeid?

2)

Hoe bereken je het nettoloon?

3)

Wat is ‘toegevoegde waarde’?

4)

Welke drie soorten bedrijven kennen
we?

Herhalen cursus 2
1)

Wat zijn de drie productiefactoren?

2)

Wat is een kapitaalintensief bedrijf?

3)

Wat is een arbeidsintensief bedrijf?

Herhalen cursus 3
1)

Wat is afzet?

2)

Hoe bereken je de omzet?

3)

Hoe bereken je brutowinst?

4)

Hoe bereken je nettowinst?

5)

Welke twee soorten reclame zijn er?

Herhalen cursus 4
1)

Welke drie soorten werkgebieden
kennen we?

2)

Wat zijn de vijf vestigingsvoordelen?

VRAGEN?
Alvast veel succes met de toets!