You are on page 1of 135

Stijn Steeman

2e Licentie Vergelijkende
Cultuurwetenschap

Onkruid
Metaforische zelfreflectie binnen een
kunstenaarscollectief

Verhandeling, voorgelegd ter verkrijging van de


graad van Licentiaat in de Vergelijkende
Cultuurwetenschap door Stijn Steeman

Promotor: Prof.dr. Rik Pinxten

Universiteit Gent

Faculteit Letteren en Wijsbegeerte

Academiejaar 2004-2005
Woord vooraf

Onkruid is het verzet van de


natuur tegen het bewind van de
tuinlieden. (O. Kokoschka)

Waarom een scriptie maken over je eigen vrijetijdsbesteding? Ik heb het me


regelmatig afgevraagd en ook de vraag gekregen van anderen. Enerzijds kan het
gemak meespelen, je moet misschien minder ver gaan zoeken, en er zijn minder
dingen die je moet uitvissen, die je zelf al weet. Anderzijds wordt dan net hetgeen je
niet weet boeiender, vooral de zoektocht, de methode. Het gaat er dan ook om
jezelf in vraag te stellen, feiten zijn duidelijk en sprekend voor jezelf, maar in
hoeverre spreken zij de anderen op dezelfde manier aan? Deze en nog vele andere
vragen hebben mij het voorbije anderhalve jaar beziggehouden, terwijl ik mijn scriptie
maakte rond het kunstcollectiefje Onkruid, waar ik zelf vanaf het begin aan
meewerkte, oktober 2001. Enerzijds zou de scriptie een gewone etnografie worden
van de groep, waarin ikzelf door verschillende methodes tot een beeld zou komen
van de specifieke groepswerking. Anderzijds zou mijn plaats hierin dan een
belangrijk aandachtspunt worden, want met de drijfveren van de groep stel ik ook
mijn eigen drijfveren in vraag en hoe die zich verhouden tot die van de groep. Ik heb
geprobeerd enerzijds wel deze complexiteit weer te geven, maar anderzijds ook niet
te ver in deze complexiteit mee te gaan. Sommige delen van deze scriptie zijn
beschrijvend, andere analyserend en tussendoor breng ik voorstellen aan om
bepaalde aspecten op verschillende manieren te zien. De grenzen tussen het
algemeen geldende en mijn eigen interpretatie is vaak zeer klein, als ze al bestaat.
Dit werk is geen vertaling van Onkruid naar een zakelijk woordgebruik. Onkruid is
poëzie en dus op zich onvertaalbaar, ik denk dat onze ervaring dat genoeg getoond
heeft. Wie Onkruid wil zien is steeds welgekomen (zie www.onkruid.tk), maar wat
hier staat is een geheel van beelden die ik van Onkruid heb gemaakt vanuit
bepaalde invalshoeken.
Hetgeen ik heb gezocht, gevonden en hier neergeschreven is het resultaat
van mijn persoonlijke zoektocht doorheen het wondere wereldje van Onkruid. Door
de jaren heen is dit een enorme hoeveelheid aan gedachten en herinneringen
geworden, waardoor het mij lijkt dat wat ik hier neergeschreven heb maar een fractie
is van wat ik zou kunnen en willen vertellen. Wat ik niet heb neergeschreven zullen
anderen wel schrijven. Als ze het niet doen is het blijkbaar niet nodig, of zijn er
andere wegen om het uit te drukken..

Ik wil nog enkele mensen bedanken voor hun hulp bij dit alles. Eerst en vooral
professor Rik Pinxten om mij de kans te geven om dit onderzoek te voeren en mij
erin te ondersteunen. Ook wil ik mijn ouders en zussen bedanken om mij wat bij te
staan en mijn huisgenoten Lynn, Ben en Frederik om mijn energie wat te delen en
om hun enthousiasme voor wat ik doe. De intussen al vele fans van Onkruid wil ik
ook bedanken, zonder hun (glim)lach en applaus zouden we waarschijnlijk tot een
teruggetrokken groepje zonderlingen zijn verworden. Mijn grootste dank gaat uit
naar de onkruideniers en allen die ons op welke manier dan ook geholpen hebben of
met ons meewoekerden doorheen de jaren, om het vele plezier, de inspiratie, het
gewoeker en om hun enthousiasme over dit onderzoek. Eerst en vooral zijn dat
Shany en Floris die het zaad in onze hoofden hebben gestort, en dan ook Wouter,
Yves, Steven, Jan, Bieke en Tom, Frederik, Roel, Sofie, Marjon, Thomas, Suzy,
Sammy, Tom P., Tom H., Marieke, Renée, Daan, Kristien en Iris.
Inhoudsopgave
Woord vooraf............................................................................................................... 3

Inleiding...................................................................................................................... 10
1. De context........................................................................................................ 10
2. Onkruid............................................................................................................. 10
3. De opbouw....................................................................................................... 11

Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje….................................................................... 15


1. De conceptie..................................................................................................... 15
1.1. Hoe het begon…........................................................................................ 15
1.2. Motivaties en motieven............................................................................... 16
1.3. Het eerste jaar............................................................................................ 19
2. De groei............................................................................................................ 21
2.1. En verder: voorbereiding van het tweede jaar............................................ 21
2.2. Het tweede jaar.......................................................................................... 22
3. Een ruwe beschouwing..................................................................................... 25
3.1. Manifestdiscussies en de structuur van Onkruid........................................ 25
3.2. Een aanzet naar verder.............................................................................. 27

Hoofdstuk 2: Grond.................................................................................................... 30
1. Kunst en cultuur: een beschrijving.................................................................... 30
1.1. De beurs van de kunstenaar...................................................................... 30
1.2. Cultuur als een zaak van beleidsmensen................................................... 32
1.3. Het artistieke.............................................................................................. 33
1.4. De nieuwe richting: het sociaal-artistieke................................................... 35
2. Grond: de samenleving als groeibodem........................................................... 36
2.1. De wereld................................................................................................... 36
2.2. Een land..................................................................................................... 37
2.3. Een stad..................................................................................................... 37
2.4. Ruwe grond versus potgrond..................................................................... 38
3. Waarommen: de sociologie en haar antwoorden............................................. 39
3.1. Sociologie van de auteur............................................................................ 40
3.2. Wie heeft het voor het zeggen?................................................................. 41
3.3. De inhoudelijke analyse............................................................................. 41

Hoofdstuk 3: Woekerwoorden................................................................................... 44
1. Het kader: belang van woorden........................................................................ 44
1.1. Collectieve poëzie en het poëtische van het collectief............................... 44
1.2. Spelen met taal.......................................................................................... 45
1.3. Het belang van de onkruidmetafoor........................................................... 46
2. De termimologie............................................................................................... 47
2.1. De onkruidmetafoor.................................................................................... 47
2.2. Andere termen............................................................................................ 48

Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties........................................................ 51


1. De probleemstelling.......................................................................................... 51
1.1. Enkele voorstellen...................................................................................... 51
1.2. Participerende observatie: ja, maar…........................................................ 52
1.3. Van onkruidenier tot onkruidenier-onderzoeker......................................... 53
1.4. De plaats van de onderzoeker................................................................... 55
2. Mogelijke (uit)wegen: spelen met invalshoeken............................................... 56
2.1. 'Participerende observatie' of 'observerende participatie'?.........................56
2.2. Zoals altijd: ethische kwesties.................................................................... 57
2.3. Reflectie is de oplossing…......................................................................... 58
2.4. …in zekere mate........................................................................................ 58

Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken....................................... 61


1. De eerste drie maanden................................................................................... 61
1.1. Het begin.................................................................................................... 61
1.2. De idee van het etnografisch onderzoek.................................................... 62
1.3. Herfstweekend in De Haan........................................................................ 63
1.4. Een onderzoekje naar onze motivaties...................................................... 64
1.5. De poëzieavond......................................................................................... 66
1.6. Na de poëzieavond.................................................................................... 68
2. Het voorjaar: veel ideeën, weinig uitwerking..................................................... 68
2.1. Zoeken naar een vervolg............................................................................ 68
2.2. Het filmprojectje: Tom................................................................................ 70
2.3. De kredactie van een tijdschriftje (en de geboorte van de 'Weekhoorn')... 71
3. Recapituleren................................................................................................... 72
3.1. Frustraties en dingen die niet lukten.......................................................... 72
3.2. Enkele grote lijnen...................................................................................... 74
3.3. ...maar vooral ook kleine............................................................................ 75
3.4. Wat kunnen we hieruit opmaken: mijn evaluatie........................................ 76

Hoofdstuk 6: Even terugkoppelen.............................................................................. 79


1. Wat we hebben................................................................................................ 79
1.1. Het kader.................................................................................................... 79
1.2. Een invulling: wendbaarheid als strategie.................................................. 80
2. Hakim Bey en 'ontologisch anarchisme'........................................................... 81
2.1. De Tijdelijke Autonome Zone..................................................................... 81
2.2. Alternatieven?............................................................................................ 81
3. Officialisering of rebellie................................................................................... 82
3.1. De voordelen van de VZW......................................................................... 82
3.2. Verloochening van de boodschap?............................................................ 83
3.3. Loskoppelen van de elementen als een tussenoplossing.......................... 84

Hoofdstuk 7: Van Onkruid naar OSS......................................................................... 86


1. Het eerste deel van het jaar............................................................................. 86
1.1. Een kleine start........................................................................................... 86
1.2. Plasticinema: een nieuwe bezigheid.......................................................... 87
1.3. De poëzieavond......................................................................................... 87
2. Nieuwe ontwikkelingen na de kerstvakantie..................................................... 88
2.1. Nieuwe wegen tot poëtisch terrorisme....................................................... 88
2.2. Een nieuwe werking: OSS.......................................................................... 88
2.3. Onkruid binnen een band........................................................................... 89
3. De toekomst van Onkruid................................................................................. 90
3.1. Andere doelstellingen?............................................................................... 90
3.2. Wat zal volgen............................................................................................ 90

Hoofdstuk 8: Onkruid, een poëtische benadering...................................................... 93


1. Waarom het Onkruid Woekert…...................................................................... 93
2. De Weekhoorn................................................................................................. 98

Besluit...................................................................................................................... 102

Bronliteratuur........................................................................................................... 104
Inleiding 10

Inleiding
1. De context
Rond kunst vallen vele vragen te stellen. Het is het onderwerp van vele
hedendaagse polemieken en een belangrijk thema in de media. De term is dan ook
uiterst geladen, te meer omdat velen er baat bij hebben, als kunstenaar,
kunstliefhebber of als een van de vele andere actoren binnen deze tak van de
economie. En zoals het in de economie ook gebruikelijk is, kunnen niet alle
deelnemers evenveel winnen, de concurrentie is bikkelhard, en de strijd wordt op
vele punten gevoerd, in kwaliteit zowel als in publiciteit. Kunst overstijgt dan ook het
niveau van louter vrijetijdsbesteding, het is ingebed in wat men noemt de
entertainment-industrie en als dusdanig verbonden met de hele maatschappij.
Het is hier niet mijn bedoeling de vele polemieken te bespreken, aan te
kaarten en eventueel een kant te kiezen. De aanwezigheid ervan is daarentegen wel
van belang en, zoals Paul Virilio het stelt, zelfs de levensvoorwaarde van de kunst,
tot ongelijk van de verzoeners (Baj & Virilio 2003). Maar ik zal de term kunst niet
tussen aanhalingstekens plaatsen, omdat dat ten eerste een praktische
onleesbaarheid teweeg brengt, maar meer nog het praten erover in een onnodige
vaagheid brengt. Ik veronderstel dat iedereen wel zijn idee erbij heeft, mijn
bedoeling is een scriptie te brengen, geen bijbel of zelfs maar een geloofsbrief.

2. Onkruid
Deze scriptie wil ik gebruiken om een klein stukje te laten zien van het gebied der
kunsten. Enerzijds als oefening in het bestuderen van groepen mensen, maar
anderzijds ook om de mogelijkheid te onderzoeken en weer te geven van
alternatieven binnen kunst en maatschappij, of alvast van één alternatief. Hetgeen
ik heb bestudeerd is een groepje mensen met hun doen en laten, hun dromen en
wensen, zowel vanuit intern perspectief als van buiten uit. Binnen een groep zijn
verschillende methodes mogelijk om weer te geven 'wat er leeft'. Een of meerdere
deelnemers kunnen het je vertellen, in groepsgesprekken of diepte-interviews, men
kan een schets van de activiteiten maken, zoeken naar parallellen en verschillen met
andere groepen en verschijnselen.
Inleiding 11

Het beste is dan natuurlijk van een combinatie van deze te maken. Maar het
zo weergeven van de onderzoeksmethodes is te beperkend, het laat namelijk de
plaats van de onderzoeker buiten beschouwing, zijn denken, waarden en wensen.
Met mijn keuze voor participerend onderzoek heb ik gekozen voor een bewust
weergeven van mijzelf in dit verhaal, en er dan ook een geëngageerde beschrijving
van te maken. Het is een keuze voor een bepaalde manier van etnografisch
onderzoek, waarin niet zozeer de juistheid telt, ik wil niet weergeven wat Onkruid is,
maar vooral de eerlijkheid van een verhaal.

3. De opbouw
Mijn bedoeling is doorheen deze scriptie het verhaal uit te werken tussen Onkruid en
de wereld rondom, tussen Onkruid en mijzelf, en tussen Onkruid en onszelf. Dit heb
ik gedaan door af te wisselen tussen hoofdstukken over het collectiefje en over
hetgeen er rond. Op die manier probeer ik stapsgewijs op te bouwen naar meer
informatie, die ik dan zal vernieuwen, aanpassen en herschikken, om duidelijk te
maken wat ik zeggen wil, wat Onkruid zeggen of niet zeggen wil, en wat er over ons
te zeggen valt.
Ik begin het eerste hoofdstuk zoals de beleefdheidsregels het voorschrijven,
met het voorstellen van Onkruid. Dit heeft de vorm aangenomen van een historiekje
van de eerste twee jaren. Het is niet de bedoeling om enkel feiten weer te geven,
hier en daar heb ik ook al opmerkingen gemaakt, klemtonen gelegd en eventuele
voorspellingen.
Het tweede hoofdstuk gaat over onze leefwereld. Het is een poging om
Onkruid te plaatsen binnen een ruimere context, het resultaat van mijn zoektocht in
literatuur en gesprekken naar wat voor ons interessant kan zijn. Alhoewel ik het niet
zo heb opgevat, zit er wel al enige terugkoppeling in vanuit mijn veldwerk en eerdere
ervaringen. Dit hoofdstuk is onderverdeeld in drie delen. Eerst bespreek ik het
denken rond cultuur, de algemene lijnen, onbetwistbaarheden en twistpunten.
Daarna probeer ik een idee van onze lokaliteit te creëren, door in te zoomen van het
grote niveau van de wereld tot ons kleine plaatsje, tegenover en tussen een publiek.
Ten derde probeer ik de vele 'waarommen' uit te zoeken, en de vragen daar achter.
Hiervoor neem ik de literatuursociologie in het vizier en zijn antwoorden. Op die
Inleiding 12

manier zou er een omgeving moeten verschijnen waarbinnen Onkruid zijn plaats kan
krijgen. Welke plaats dat net wel of niet is zou dan in verdere hoofdstukken duidelijk
moeten worden.
In een derde hoofdstuk ga ik in op een bepaald aspect van Onkruid, namelijk
onze omgang met poëzie om eigen betekenissen te scheppen, om als het ware door
metaforen onszelf te zoeken en ook te maken. Doorheen termen als woekeren
definiëren we hetgeen we doen of moeten doen, en creëren we ook een wereld
rondom ons. Het belang van die taalspelletjes wil ik doorheen de hele scriptie
beklemtonen, het is een wezenlijk onderdeel, en net door het metaforische karakter
vaak reden voor discussie. Door een eigen terminologie denken we over onszelf,
maar we werken ook vanuit dit denken. Ik zal hier dan ook geen vastgelegde
betekenissen aanbieden, maar proberen een blik te gunnen op de werking en inhoud
van deze metaforen.
Methodologische kwesties rond het etnografisch onderzoek werk ik uit in het
vierde hoofdstuk. Hierin probeer ik mijzelf te plaatsen binnen de specifieke situatie,
niet als een schuldbekentenis of om mijn keuzes goed te praten, maar om het
interessante van de situatie weer te geven, evenals de nadelen en knelpunten. Hoe
dan ook is mijn visie hierin dat er eigenlijk geen probleem hoeft te zijn, de situatie
blijft die van een onderzoeker die participeert in een groepsgebeuren en naar
bevindingen toe werkt over die groep, de kern van participerend onderzoek. Elke
onderzoeker heeft zijn of haar achtergrond, en in dit geval is mijn plaats in de groep
van belang. Ik probeer hierin ook vragen te beantwoorden die ik kreeg van mensen
zowel binnen als buiten het collectief.
In het vijfde hoofdstuk geef ik het verloop van mijn etnografisch onderzoek
weer. Ik heb hierin geprobeerd verschillende verhaallijnen weer te geven, de
ernstige momenten, de boeiende momenten maar ook de kleine dingen. Vooral ook
dingen die ikzelf maar pas tijdens dat onderzoek heb ontdekt komen aan bod. Hierin
zal ik bij de verwerking van mijn bronnenmateriaal blijven, maar wel al weergeven
wat mij specifiek is opgevallen bij die verwerking en nuttig kan zijn om verder rond te
werken.
Dat voortbouwen doe ik in hoofdstuk zes, waarin ik de bevindingen uit het
vijfde hoofdstuk plaats en die terugkoppel naar vooral het tweede hoofdstuk. Hierin
Inleiding 13

zal ik proberen systematiseren of kijken of er wat te systematiseren valt. Ik zal


enkele relevante ideeën voorstellen en verbinden aan mijn bevindingen rond
Onkruid. De bedoeling is niet om alles in een plooi te krijgen, maar om toch wat
plooien te maken. Dit is ook tot waar ik vorig jaar ben geraakt, met de bedoeling om
dit aan de groep voor te leggen als eindnoot. Het kwam mij echter te onvolledig
voor, daarom nog de volgende twee hoofdstukken.
Intussen zijn we alweer een jaar verder, en de ontwikkelingen in het vierde
woekerjaar zal ik weergeven in het zevende hoofdstuk. Dit heb ik niet als een
veldonderzoek gevoerd, maar ik zal eerder proberen de punten uit te werken die
tijdens dit jaar ter discussie kwamen, de vernieuwing en veranderingen. Het is een
heel boeiend jaar geworden en daarom zeker en vast de moeite om een plaats te
krijgen in deze scriptie. Op bepaalde punten is er zeker een continuïteit te vinden
vanuit de vorige jaren, maar ook breuklijnen.
De eindnoot heb ik in een achtste hoofdstuk verwerkt. Hierin heb ik plaats
gemaakt voor een groepsevaluatie, niet met de bedoeling tot een uitgewerkt geheel
te komen, maar eerder op een poëtische toon. Het is een antwoord op mijn scriptie
vanuit de groep op een eigen Onkruid-manier, namelijk in de vorm van een speciale
editie van 'De Weekhoorn', een schrijfmethode die in het derde woekerjaar ontstond
en waar ik in hoofdstuk 5 op in ga. Ik heb er ook een scheppingsverhaal aan
toegevoegd dat ik enkele jaren geleden schreef en dat mijn ideeën over Onkruid
weergeeft, onder de titel 'Waarom het Onkruid woekert'.
Inleiding 14
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 15

Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje…

In dit deel wil ik proberen uitleggen, of liever aangeven, wat Onkruid is. Vaak stellen
mensen mij die vraag, en even vaak geef ik een ander antwoord. Als ik wil uitdiepen
en verder ingaan op hoe Onkruid werkt, is het belangrijk toch even de verschillende
aspecten aan te stippen, weer te geven hoe het ontstaan is en wat we zoal doen of
deden in onze eerste twee jaar, voor ik mijn veldwerk begon. Ik zal hier niet teveel
analytisch op ingaan, veeleer het als een verhaal proberen brengen, waardoor de
lezer vertrouwd kan geraken met Onkruid, en waar al vragen en lijnen in naar voor
komen. Naast een historiek(je) zal ik dan enkele aspecten van onze werkwijze
nader belichten. Dit deel is gebaseerd op mijn eigen ervaringen en herinneringen,
aangevuld en gecorrigeerd door andere 'onkruideniers'.

1. De conceptie

1.1. Hoe het begon…


Drie jaar geleden, in de zomer van het jaar 2001, broedden Shany Goemaere en
Floris Bernard, twee studenten uit de regio Kortrijk maar op kot in Gent en beide
studerend aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de universiteit, op het idee
om een kunstcollectiefje te beginnen. De naam 'Onkruid' zouden ze bedacht hebben
tijdens een kampeertochtje. De bedoeling was om een groep enthousiaste
studenten bij elkaar te brengen en samen spontane kunst te brengen tussen de
mensen, chaotisch en mooi (niet chaotisch maar mooi). Ik citeer uit het eerste
nummer van het tijdschriftje, ook 'Onkruid' geheten, dat ze maakten met enkele
vrienden en verkochten voor 20 Belgische frank, en waarin een oproep werd
gelanceerd, die ook op affiches verspreid werd:
"Er is geen ontkomen meer aan: het zaad van Onkruid is in de aarde geworpen, nu
hopen wij maar dat het flink woekert. Tussen de zorgvuldig aangeplante bloemen
in de grote cultuurtuin willen wij iets laten groeien dat misschien chaotischer is,
marginaler, en irriterend wellicht ook, maar daarom niet minder mooi. Het zaad dat
wij hebben uitgestrooid heet enthousiasme,..." (Onkruid 1/1, 3)
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 16

Hier is al een bepaald engagement in te lezen, een verzet tegen de gevestigde


cultuur en tegen onverschilligheid. Verder in dit voorwoord hebben Floris en Shany
het hier ook over:
"Kunst (ach, dat idiote misbruikte woord!) mag geen gesubsidieerd plichtnummer
zijn in getapispleiniseerde culturele centra. Hier hoort de kunst thuis, woekerend in
een tijdschrift voor iedereen." (o.c., 3)

De eerste vergadering was gepland voor dinsdag 16 oktober 2001 op het solarium
van studentenhome Fabiola aan het Stalhof te Gent, waar Shany toen woonde en
dat onze vaste stek zou worden dat eerste jaar. Een vijftiental mensen kwam naar
deze samenkomst, waar iedereen zichzelf voorstelde en we probeerden ideeën
samen te leggen om dat jaar uit te werken.

1.2. Motivaties en motieven


Eerst al iets over de naam 'Onkruid'. Floris en Shany beweren dat deze hen toevallig
te binnen is geschoten. Het klonk goed, en dat er ook vele betekenissen aan
kunnen verbonden worden kwam pas later. Toch heeft deze naam een belangrijke
rol gespeeld in het uitbouwen van de idee 'Onkruid'. Zoals we in de citaten
hierboven zien, wilden ze een soort van verzet laten weerklinken tegen de statisch
geworden kunstwereld. De term 'woekeren' kwam er ook al vanaf het begin bij, en
zou ook een belangrijke motivatie weergeven. We zien hier een duidelijke keuze
voor het spontane, maar welbewuste. In datzelfde voorwoord is een pleidooi te
horen tegen onverschilligheid, voor maatschappelijk engagement. Toch is op die
eerste vergadering gezegd dat we ons afzijdig zouden houden van politieke
kwesties, iets dat later nog af en toe ter discussie kwam. De mensen bij 'Onkruid'
vallen te typeren als progressief, en het verzetselement duikt als vanaf het begin op,
maar blijft op het terrein van de kunst. Het onafhankelijk zijn wordt ook al vermeld in
deze inleidingsrede. Enkele andere motivaties zijn de noodzakelijkheid van kunst
("Kunst is niet overbodig, ze is noodzakelijk.", o.c., 3), "De onkruid-kunstenaars
denken niet aan vroegere kunst, wanneer ze zelf kunst maken, en dat bevrijdt hen
van een hoop ballast." (o.c., 3), een vooruitgangsdenken in de kunst zelf dus, of een
breuk met het statisch geworden verleden, het leven als een kunst en kunst door het
leven, openheid en grensoverschrijdend werken ("Of de middelen nu woorden,
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 17

klanken, kleuren, of je eigen lichaam zijn, of een combinatie, dat doet er niet toe.",
o.c., 4). De bedoeling is dat "iedereen zich kan uiten, en ook gezien en gehoord
wordt." (o.c., 4). Voorts komen thema's aan bod als dromen, kinderlijkheid en
naïviteit, die als positief worden ervaren.
Kortweg kunnen we stellen dat deze motivaties bewust utopisch zijn, een
eigenzinnigheid en onafhankelijkheid uitdrukken, dat Floris en Shany een groep
enthousiaste jonge mensen wilden samenbrengen om een eigen kunst uit te werken,
tegen de gevestigde orde in. De naam 'Onkruid' bood daar een extra dynamiek aan.
Op de woordspelletjes en hun betekenis binnen de groep zal ik in het derde
hoofdstuk verder ingaan. Maar belangrijk is ook hoe deze motivaties tot motieven
uitgroeiden, steeds weer uit wat we deden te voorschijn kwamen. Als ik op dit
moment al zou moeten aangeven welke permanente basis er te merken is binnen
Onkruid, denk ik dat vooral het vooruit denken, naar de openbare ruimte toe, en
grensoverschrijdend, naar voor komen. Het vernieuwend denken is steeds
belangrijk gebleven. In het hiervoor geciteerde voorwoord wordt ook al verwezen
naar een publieke ruimte waarbinnen we onze kunst zouden brengen, en ook dit is
een pijler geworden. Toch komt ook steeds het kleine naar voor, al is ook dit ter
discussie gekomen als er ambitie tegenover werd geplaatst. Deze spanning tussen
het kleine, een eerder besloten kring, en ambitie in vele gedaanten kunnen we ook
als een motief beschouwen.
Voorts is er wel vaak gedacht aan het samenbrengen van verschillende
kunstvormen, met minder of meer succes. Poëzie is steeds de basis gebleven, maar
ik zal proberen weergeven hoe ook hiertegen beweging kwam, of toch tegen een
verstarring hierin. Gedichten zijn tegelijk gemakkelijk uit te werken en toegankelijke
uitingen, ze zijn gemakkelijkst naar buiten te brengen (wat we in eerste instantie toch
deden door het tijdschriftje). Het ermee omgaan in een groep vergt misschien wel
meer inzet, maar maakt het ook veel boeiender. Het 'gemak' van poëzie zal wel een
belangrijke reden zijn waarom dit onze drager is gebleven, maar ook het feit dat de
meeste onkruideniers studeren aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte (en we
daar dan ook nieuwe mensen vinden) en de manier waarop we als groep het
omgaan met het woord toch steeds boeiend hebben kunnen houden zullen een rol
hebben gespeeld. Anderzijds mogen we de plaats van theater, tekeningen,
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 18

verhalen, vooral ook muziek en, waarom ook niet, kookkunst niet vergeten. Het
tijdschriftje, dat een eerste uitwerking van het Onkruid-gedachtegoed moest zijn, is
ook steeds een belangrijke pijler geweest, hoewel we ook in de plaatsing ervan een
verandering kunnen zien.
Ik zou nog een punt willen aanstippen dat misschien als een motief zou
kunnen worden gezien, namelijk het gebruik van drugs. De naam 'Onkruid' zou al
kunnen laten uitschijnen dat drugs een belangrijke rol spelen in de groep. Toch
hebben we zelf deze naam enkel al schertsend er soms aan verbonden. Er is ook
de anekdote van de politie-inval bij Shany omdat een papier bij het solarium voor
'Onkruid' doorverwees naar zijn kamer en zij deze associatie legden. Aangezien
binnen studenten- en vooral kunstenaarsmilieu softdrugs een algemeen verschijnsel
zijn, is het ook niet verwonderlijk dat ze ook binnen onze groep een rol speelden.
Maar op geen enkel moment zijn ze aanvaard geworden als een basis voor de
groep, en het gebruik ervan kan ook niet veralgemeend worden naar de hele groep
toe. De rol die ze speelden in onze kunst ligt dan ook vooral op het persoonlijke
vlak. Op bepaalde momenten kwam er zelfs een verzet tegen de aandacht die zij
opeisten tijdens onze samenkomsten en werden ze verwezen tot 'na de vergadering'.
Al bij al kunnen we wel stellen dat ze nooit een probleem hebben gevormd en
aanvaard werden binnen de groep en er ook een rol in speelden, maar nooit tot een
basis zijn geworden. Hetzelfde geld trouwens voor andere spirituele wegen:
sjamanisme en meditatie bijvoorbeeld hebben vaak wel inspirerend gewerkt, maar
zijn voor de groep nooit een sine qua non geworden.
Mijn bedoeling is om verder te werken rond deze basislijnen, die het verhaal
boeiender kunnen maken, omdat zij net weergeven hoe er gedacht wordt, waar
verstarring dreigde, waar er verzet kwam, hoe ze ons mee gevormd hebben, kortom,
wat Onkruid is, was en misschien zal zijn. Zoals ik al aangeef zijn ze zeker niet
statisch op te vatten, Onkruid woekert, daarom is het net belangrijk het verhaal weer
te geven. Slechts als het nodig is zal ik proberen de lijnen te beklemtonen, het lijkt
mij overbodig de tijd in schijfjes te snijden en die stukje voor stukje te analyseren.
Onkruid weergeven kan alleen door het verhaal te brengen, daarom nu het vervolg
daarvan.
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 19

1.3. Het eerste jaar


Na de startvergadering kwam er algauw een tweede bijeenkomst op het solarium.
Enkele mensen van de eerste avond kwamen terug, anderen zagen we niet meer,
maar er kwamen ook enkele nieuwe mensen bij. De ideeën waarrond gewerkt zou
worden, waren vooral een nieuw nummer van het tijdschriftje, een
straattheaterproject en een poëzieavond. Ook de organisatie kwam ter sprake, er
werd al besloten te werken met een website en via e-mail te communiceren (beide
werden pas in het tweede jaar effectief uitgewerkt), een VZW-structuur uitbouwen
werd uitgesteld, maar kwam later nog regelmatig ter sprake.
Op het einde van oktober zijn we dan met negen mensen een nachtje naar de
Ardennen getrokken, waar we de tenten opsloegen in een veld net buiten Bertrix. Dit
is zeer belangrijk geworden voor het uitgroeien van een kerngroep, en sindsdien is er
steeds ook dat gevoel geweest dat een tiental mensen samen de ideeën uitwerkten
(met wisselende bezetting en soms meer of minder). Deze idee van een kerngroep
is altijd vaag geweest. Vooral voor de omgang met elkaar en het elkaar leren
kennen door quasi-rituele uitspattingen heeft dit allereerste 'Onkruidweekend'
inspirerend gewerkt, niet enkel naar de volgende weekends toe, maar ook naar de
gewone bijeenkomsten, die tot 'woekeravonden' waren omgedoopt.
Het tweede nummer van Onkruid (toen met de ondertitel 'Tijdschrift voor
gekken, verwarden, dromers en kunstenaars') kwam er gauw, en ook het derde
nummer zou nog voor de kerstvakantie uitkomen. In totaal maakten we in dat eerste
jaar vijf nummers, waarbij het vlot lukte om aan genoeg materiaal te komen. Het
tweede en derde nummer werden vormgegeven door Cédric, maar toen die het te
druk kreeg braken we met de strakke lay-out en heb ik samen met Frederik een
spontanere zetting gegeven aan het vierde nummer, waarna Floris een laatste
nummer in elkaar stak dat eerste werkjaar. De werkwijze bleef vrijwel onveranderd,
steeds kwamen we samen en brachten eigen werk mee, waarbij we samen
overlegden wat er in het tijdschrift zou verschijnen. De volgorde en stijl werd dan
uitgewerkt door de persoon die zich opwierp als eindredacteur. Een vraagstuk dat
aan bod kwam was de omgang met inzendingen: wat mocht er verschijnen in de
beperkte ruimte die we hadden. We hebben er nooit een bindend antwoord op
gevonden, vooral omdat de noodzaak om te selecteren zich nooit heeft gesteld, we
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 20

hadden nooit veel meer materiaal dan nodig om een twintigtal bladzijden te vullen.
Bij inzendingen van ons onbekende personen trachtten we die nauwer bij Onkruid te
betrekken. Slechts eenmaal hebben we iets toegestuurd gekregen van een zekere
'Anonymus Bosch' en gepubliceerd, meer om het komische ervan dan uit respect
misschien. De oplages varieerden van 250 exemplaren tot 100 (voor het eerste,
zeldzame nummer en het vijfde, dat laat op het jaar uitkwam), waarbij de helft vlot
verkocht werd, de andere helft moeizamer, vooral door een gebrek aan eigen
inspanningen. Georganiseerde verkoop kwam later pas aan bod. De prijs van het
tijdschrift kwam in dit eerste jaar niet ter discussie te staan, twintig Belgische frank,
later een halve euro, was een haalbare minimale prijs, en meer middelen hadden we
niet nodig. Het tijdschriftje werd en wordt nog steeds aan de man gebracht via
persoonlijke verkoop. Er is wel sprake geweest van andere kanalen aan te spreken
(krantenwinkeltjes, boekhandels, het Poëziecentrum), maar inspanningen daarvoor
zijn nooit nodig geacht of gevoerd.
Al vanaf het begin hadden we het plan iets uit te werken om de straat mee op
te trekken, vooral met theater en daarbij wat muziek eventueel (percussie dan, op
djembé). Eigenlijk werd in het eerste nummer een ambitieus theaterproject
voorgesteld ("We willen er een kunstwerk van maken in vele gedaanten dat een
avond kan vullen (…) en onze eerste voorstelling nog voor de kerstvakantie kunnen
houden.", Onkruid 1/1, 15), maar daar is weinig verder op in gegaan, omdat we eerst
onszelf wat wilden verkennen. In het begin zijn we hiervoor regelmatig
samengekomen op het solarium, waar we kleine zelfgeschreven stukjes
uitprobeerden of oefeningen deden om op elkaar ingespeeld te raken. Later zijn we
op een avond ook buiten gaan oefenen. Een concrete uitwerking is er niet aan
gegeven en het project werd op de lange baan geschoven, maar ik denk dat de
ervaring van het uitwerken van straattheater wel een invloed zal hebben nagelaten,
al hebben we ook de jaren erna dit niet meer concreet kunnen uitwerken. Op het
groepsgevoel heeft dit ook sterk ingewerkt: het schept een band om met de
onkruideniers van het eerste uur te lachen met wat we toen deden, als een soort van
mythevorming, en het is op die manier zeker belangrijk geweest voor alles wat we
daarna deden.
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 21

Hetzelfde geldt voor onze eerste poëzieavond. Deze was gepland voor net na
de kerstvakantie, maandag 14 januari op het solarium, en werd aangekondigd in het
derde nummer van het tijdschriftje. De verspreiding daarvan was echter te laat op
gang gekomen, waardoor we slechts weinig mensen hadden bereikt. Uiteindelijk
brachten we met zes mensen enkele gedichten, weinig voorbereid. Er waren maar
drie toeschouwers aanwezig, waardoor het eigenlijk slechts een veredelde
onkruidbijeenkomst was. Van een echt naar buiten treden was hierbij niet echt
sprake, maar als het erom gaat elkaar te leren kennen, kan zelfs dit als legendarisch
worden bestempeld.
In het begin volgden de bijeenkomsten elkaar vlug op. Pas in februari
verminderde dit, om rond de paasvakantie stil te vallen. Ons werkjaar situeert zich
ook nu nog vanaf het begin van oktober, om dan af te remmen wanneer de drukkere
periodes voor studenten aanbreken, in maart of april. Dit is te wijten aan het feit dat
het merendeel van de onkruideniers student was en nog steeds is. Dat deze
periodeverschuivingen invloed hadden op de groep is evident, sommige mensen
moesten al vroeger afhaken, anderen konden blijven ideeën uitwerken. Naar het
einde van het eerste jaar toe zaten we meestal met enkele mensen wat muziek te
spelen en ideeën te bedenken om nog met Onkruid uit te werken, voor het volgende
jaar dan.

2. De groei

2.1. En verder: voorbereiding van het tweede jaar


Het is met deze mensen dat we een volgend woekerjaar voorbereidden. Floris was
op dat moment voor een jaar naar Griekenland vertrokken om daar te studeren.
Shany was verhuisd naar een appartement, waar we een startvergadering hielden
met de overblijvenden en enkele enthousiaste vrienden. De zomervakantie bleef vrij
van Onkruidactiviteiten, aangezien het onmogelijk bleek om met iedereen nog eens
samen te komen. Daarvoor moesten we wachten tot begin oktober. Er werd
besloten affiches te maken en te verspreiden om nieuwe mensen aan te spreken en
samen te roepen voor een startbijeenkomst op dinsdag 15 oktober 2002 in de
citéwoning van Yves, aan de Bijlokevest, die vanaf dan onze vaste stek zou worden.
De invloed van deze nieuwe ruimte was dat we tegelijk een huiselijkere en
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 22

vertrouwdere sfeer verkregen, maar ook meer een zittende vergaderstijl, omdat de
ruimte er beperkter was dan op het solarium, een grote ontspanningsruimte met
dakterras. Het was de bedoeling om voort te werken op basis van wat we hadden
opgebouwd. De vraag was alleen: wat hadden we dan al. De klemtoon was
gekomen op eigen creatie ('kreaktiviteit' werd dat later), maar Rogier stelde voor om
meer filosofische inhoud te geven, in samenwerking met anderen die een uitweg
zochten voor filosofische kronkels naar het publiek toe (o.m. de 'Cultus van de
Lintworm', een anoniem groepje mensen dat tekstjes verspreidde via de
uithangborden op de faculteit Letteren en Wijsbegeerte). Dit idee werd echter
afgeblazen en Rogier verliet de groep. Wat betreft structuur besloten we om in twee
groepjes te werken, niet officieel, maar voor het gemak. Er zou de redactie zijn en
'Onkruid aktief', waardoor de activiteiten meer gepland zouden kunnen worden.
Voorts zou een website worden gemaakt om ons bereikbaar te maken en e-mail
beter worden gebruikt voor het doorsturen van ideeën, oproepen en verslagen (later
zou er voor snelle boodschappen een sms-ketting komen). Een VZW-structuur werd
ook nu onnodig geacht.

2.2. Het tweede jaar


Op de startbijeenkomst waren we weer met een vijftiental mensen, later zouden er
nog enkele nieuwe mensen bijkomen, zodat we toch met een grotere groep waren
dan het eerste jaar. Allereerst werd een nieuw nummer van het tijdschriftje gepland
tegen november. Voor het samenbrengen spraken we een namiddag af, om dan
met enkele mensen samen het te knippen en plakken en van nog extra versiering te
voorzien, een iets andere werkwijze dan de vorige nummers dus. De ondertitel werd
nu "Mooi denken in beeld", om de frisse identiteit te beklemtonen. Ook de covers
werden geheel anders van stijl. Vanaf nu werden de boekjes ook op kringlooppapier
gedrukt, zowel om het esthetische effect als om het milieubewuste. Nog twee
volgende nummers werden uitgebracht dat jaar, een 'winternummer' in januari en
een laatste op het einde van maart. De werkwijze zou enigszins veranderen, door
met enkele mensen rond de pc van Jan samen te zitten en het tijdschrift via scannen
volledig digitaal te maken. Er kwam ook een vaste structuur in het boekje, met
'colofonkruid' en contactpagina en achteraan een 'dada', een soort van
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 23

afscheidsgroet of –beeld. Voor het laatste nummer hebben we in groep al het


'materiaal' grondig doorgenomen om te bepalen wat gepubliceerd zou worden,
omdat enkele onkruideniers zich nog te weinig betrokken voelden bij de
samenstelling. Ook kwam er verzet tegen het inbrengen van interne humor en
verwijzingen, het mocht geen clubboekje worden. Door het boekje, op aangeven van
Thomas, in te sturen naar het Wettelijk Depot zouden auteursrechten gegarandeerd
worden en zou het tijdschrift een officiële kant krijgen. Tijdens dit jaar kwam ook de
verkoopprijs ter discussie te staan, maar omdat 50 eurocent voldoende was om de
productiekosten te dekken hielden we dit, als minimumprijs weliswaar, daar we het
nu uitdrukten als 'vrije bijdrage van minstens 50 cent'. De financiën werden
overigens tijdens het jaar overgenomen door Thomas, die deze overzichtelijker zou
maken.
Eind oktober zouden we er ook samen weer op uit trekken, deze keer voor
een weekend. Daarvoor konden we terecht bij Sofie thuis in de garage, in het West-
Vlaamse dorpje Hertsberge. Tijdens dit weekend probeerden we op een speelse
wijze creatief te zijn, zowel door gewone groepsspelletjes als door gedichten voor te
dragen voor elkaar, theaterstukjes te spelen, muziek te maken en een muur te
beschilderen. Ook de idee van een poëzieavond in december kwam hier tot stand.
Die werd in de daaropvolgende weken uitgewerkt, onder de titel 'Illuminatie'.1 De
voorstelling vond plaats op dinsdag 17 december, vlak voor de kerstvakantie, in café
Sjapo, dat we gratis konden gebruiken omdat Yves als vrijwilliger werkte voor VZW
Kompas.2 Yves en Roel zouden clowneske stukjes brengen tussendoor, soms
verwijzend naar de gedichten, om deze aan elkaar te binden. De bedoeling was dus
een visuele spektakeltint te geven aan het geheel. De gedichten werden zodanig
geplaatst dat ze tot hun recht zouden komen en mensen geboeid konden blijven.
Het overleg hierover nam niet veel tijd in beslag, zodat we in twee vergaderingen de
concrete inhoud bij elkaar hadden gebracht. De grootste discussie ging over de
inkomprijs, die we uiteindelijk op 2 euro vastlegden, als compromis tussen degenen

1
De twee betekenissen ervan spraken ons aan, ten eerste 'feestverlichting' en ook 'het verkrijgen
van geestelijk inzicht van persoonlijke aard'.
2
VZW Kompas zet zich in voor gehandicapten. Sjapo, gelegen op de Hoogpoort, is een plaats waar
(mentaal) gehandicapten in een vertrouwde omgeving elkaar kunnen ontmoeten. De ruimte is
voldoende voor ongeveer zeventig mensen en er is een klein podiumgedeelte, ideaal voor onze
voorstelling en gemakkelijk bereikbaar.
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 24

die volhielden dat kunst zijn prijs mag hebben en anderen die voor een zo laag
mogelijke prijs gingen. Op de avond zelf waren een vijftigtal mensen gekomen om
zeven mensen te horen voordragen. De voorstelling verliep vlot en iedereen was er
tevreden over, zoals blijkt uit de evaluatie, waarin vooral de intieme sfeer
beklemtoond wordt. Het geheel werd afgesloten met een fuifje, dat vooral in onze
eigen kring bleef.
De energie die we geput hadden uit de poëzieavond probeerden we voort te
dragen naar volgende acties (of 'kreakties'). Intussen waren we ook al eens met drie
mensen poëzie gaan plakken op muren en aanplakborden in de stad, vooral in de
studentenbuurten tussen de Overpoort en het Zuid. Nog twee keer planden we een
plaktocht (onder meer voor Valentijnsdag), maar het uitwerken hiervan mislukte door
tijdsgebrek.3 Wel zouden we twee keer poëzie gaan verspreiden op A6-flyers:
eenmaal aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte en ook op het gratis
minifestivalletje Kutúnka.4 Het tweede nummer van het tijdschrift was duidelijk
voortgevloeid uit de poëzieavond, we hebben zelfs een bewerking van de
afficheafbeelding gebruikt als cover. Nog iets wat eruit voortkwam was een nieuw
straattheaterproject, waarvoor enkelen van ons een paar keer zijn samengekomen.
De organisatie daarvan zou echter niet tot concrete resultaten leiden, al maakt dit
wel duidelijk dat de drang om er iets mee te doen aanwezig bleef.
Van 7 tot 9 maart gingen we voor een tweede keer op weekend, naar
Raversijde aan zee. We zouden er het thema 'sprookjes' aan geven. Ook hier
bestond onze invulling vooral uit spelletjes, muziek maken en gedichten en verhalen
voorlezen aan elkaar. Het workshopelement zou erbij komen, iets waar we tijdens
het jaar ook al aan gedacht hadden, maar waar we nooit een concrete invulling aan
hadden kunnen geven. Het zou ook een soort van evaluatie worden van het voorbije
werkjaar. Hierna zou er niets meer concreet worden uitgewerkt, vooral doordat het
academiejaar alweer in de drukste periode kwam.

3
Op voorstel van Wouter gaven we hieraan de benaming 'poëtisch terrorisme'. Hier zal ik verder op
ingaan in het zesde hoofdstuk.
4
Kutúnka wordt georganiseerd door enkele studentenverenigingen en brengt vlak voor de
paasvakantie gratis enkele multiculturele optredens. Er was enige discussie binnen de groep,
omdat we door daar iets te doen een politieke kant kozen (duidelijk aan de linkerzijde). Maar omdat
we, in het klimaat van de Irak-oorlog voor het thema 'vrede' kozen, zou er zich niemand tegen
verzetten en sloeg onze actie aan bij dit publiek.
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 25

Het viel op in dit tweede jaar dat er meer en meer kleine projecten werden
uitgewerkt door kleinere groepjes, dat er een soort structuur groeide binnen Onkruid.
Enkele mensen informeerden naar samenwerking met anderen, we kregen
voorstellen. Toch moeten we opmerken dat er van de meeste van deze ideeën niets
terechtkwam. Een filmproject van Tobias, waarvoor al een scenario voorbereid was,
zou tot niets leiden, omdat een concreet uitwerkingsplan er niet kwam. Yves, Roel
en ik bereidden een mysterieuze tocht voor, de 'Troubadourstocht', maar bij de
uitvoering ervan speelden het weer en het gebrek aan mensen ons parten. Ik
vermeldde ook al de mislukte plakacties. Op het einde van dit werkjaar lukte het
toch nog om iets uit te werken, toen enkele onkruideniers het podium betraden van
de 'Citéparade', een zomers barbecuefeest op 5 juli 2003 in het cité van Yves,
georganiseerd door enkele buren en Onkruid. De vele ideeën en in vergelijking
daarmee weinige concrete uitwerkingen leidden tot enkele frustraties en discussies.
Deze zal ik in een apart stukje plaatsen.

3. Een ruwe beschouwing

3.1. Manifestdiscussies en de structuur van Onkruid


Ik heb al de discussie besproken rond het tijdschriftje en de beslissingsmethodes
voor wat we zouden publiceren. Deze kaderden binnen een grotere discussie die
losbarstte op de bijeenkomst van 5 februari 2003, waar Yves, Roel, Shany, Thomas
en ik aanwezig waren. Met deze beperkte kring bespraken we de gang van zaken,
en er bleken heel wat opmerkingen te zijn. Eerst en vooral wilde Thomas de
financiën overzichtelijker kunnen maken, maar dan moest hij wel duidelijke gegevens
krijgen. Dit zou niet zo moeilijk op te lossen zijn en later zou de groep er ook mee
akkoord gaan. Belangrijker was de vraag rond democratie. Er leefde een gevoel dat
enkelen alles beslisten boven de hoofden van de groep om. Door de verslagen
overzichtelijker te maken zou iedereen van alles op de hoogte moeten zijn, en op die
manier zich kunnen verzetten tegen bepaalde beslissingen. Initiatieven op naam
van Onkruid zouden dan enkel kunnen als de groep er achter stond. Door algemene
vergaderingen in te lassen zouden deze beslissingsmomenten georganiseerd
kunnen worden. De idee van een kerngroep kwam daar ook bij, zij zouden de
concrete uitwerking doen, maar moesten het fiat krijgen van de groep. Als de
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 26

vergaderingen meer gestructureerd zouden verlopen zou dit alles praktisch meer tot
zijn recht komen, nu lukte het niet om effectief een lijn te volgen. Daarom zou er zich
elke keer iemand als moderator moeten opwerpen en dit in de hand houden, met
overzicht over de te bespreken kwesties. De communicatiekanalen zouden ook
overzichtelijker en meer openbaar moeten worden. Dit waren de voorstellen die op
een vergadering de volgende week zouden besproken worden. Ze brachten met
zich mee dat er een soort van draaiboek zou komen voor onze werking, en er was
ook vraag naar een manifest, om Onkruid duidelijker naar buiten te laten komen en
een gezicht te geven. Waar dit zoeken naar een manifest eerder cynisch werd
benaderd voordien, werd dit nu ernstig overwogen.
In de daaropvolgende vergadering, met meer mensen, werden deze kritieken
enigszins getemperd. Voor het tijdschriftje werd een tussenweg gevonden in het
beter overleggen over het materiaal en het uitwerken van een proefdruk, waardoor
iedereen zijn inbreng zou hebben en kritiek kon leveren voordat een grotere oplage
gedrukt zou worden. De vraag was of het allemaal zo verkeerd liep, of we gewoon
moesten aanvaarden dat op bepaalde momenten mensen teveel werk hebben voor
initiatieven en de werking dan even stil kan vallen, zonder daarom te moeten treuren.
Tegen het uitwerken van een manifest op papier kwam veel verzet, maar we
besloten het toch een kans te geven en te zien hoe ver we kwamen. Enkelen wilden
op langere termijn plannen om de uitwerkingen concreter te maken, maar het
tegenargument was dat dit enkel tot meer gepraat zou leiden en iedereen het al zo
druk had. Hier kwam dus het 'streven naar meer' tegenover het 'tevreden zijn met
wat we doen' te staan. Een compromis bestond erin ideeën samen te brengen op
langere termijn, maar voor de concrete uitwerking afwachten tot daar genoeg
mensen klaar voor staan. Tenslotte zou voor de communicatie op dit moment een
sms-ketting worden uitgewerkt, waarbij iemand een bericht in de groep kon brengen
door het naar de volgende persoon in de lijst te sturen, en het zo de hele lijst rond
kon gaan. Al bij al lukte het dus toch een soort van compromis te vinden over de
verschillende kritieken, door een bepaalde structuur af te spreken om overzichtelijker
te werken, zonder een strakke vereniging te moeten worden, een structuur dus om
het spontane een plaats te kunnen geven.
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 27

Op het sprookjesweekend in Raversijde deden we een eerste poging om een


manifest uit te werken. Enkele teksten van onkruideniers (Wouter, Shany en ik, en
ook het voorwoord van het allereerste nummer) zouden als basis of inspiratie
dienen. Omdat er nog steeds verzet kwam tegen het op papier uitwerken van dat
manifest, zouden we nog eens samen komen en via verschillende wegen onze
ideeën proberen vast te leggen. Uiteindelijk kwam hieruit op dat moment geen
resultaat, en is er dat jaar geen manifest uitgebracht. De vraag ernaar zou in het
volgende jaar terugkomen, daarom dat ik dit punt en deze discussie even aanstipte.

3.2. Een aanzet naar verder


Dit hoofdstuk diende als een voorstelling van Onkruid. Het verhaal is zeker niet
volledig, en op veel punten zou ik dieper hebben kunnen ingaan. De bedoeling was
echter om een soort overzicht te bieden, een verhaal en tegelijk enkele lijnen weer te
geven om op verder te werken. De motivaties en motieven die ik aanstipte bij het
begin van Onkruid zien we aangevuld worden, geïnterpreteerd en bekritiseerd.
Tegelijk zien we in de loop van deze twee jaren ideeën opduiken, vaak in dezelfde
lijn als vorige ideeën, maar waarvan vele tot niets concreets zullen leiden. Toch
zullen deze ideeën en de ervaringen ermee hun sporen nalaten in de groep, naar het
volgende jaar toe en in de houding naar elkaar toe. We zien dat er tegelijk een
drang is naar spontane en kleinschalige expressie en dat anderzijds enkelen willen
dat Onkruid groeit, woekeren heeft dus vele betekenissen hier. Er is een vraag naar
duidelijkheid, maar ook een besef van de beperkingen van die duidelijkheid. Al bij al
zijn er oplossingen voor deze vraagstukken uitgewerkt tijdens deze twee jaren, maar
duiken dezelfde vragen ook weer onder een andere vorm op. De vraag over wat we
zijn en hoe we naar buiten willen komen heeft hier nog geen sluitend antwoord
gekregen. Er is sprake van een zekere theorievorming over onszelf, maar tegelijk
een onvrede met de praktische gang van zaken. Binnen de groep zien we ook hoe
verschillende posities worden ingenomen en hoe daarmee wordt omgegaan. Ik zal
in verdere hoofdstukken daar dieper op kunnen ingaan, vooral wanneer ik ons derde
werkjaar bespreek aan de hand van een etnografische studie en zo een meer
menselijk beeld van 'de groep' zal kunnen bieden. Daarin kunnen dan de
verwijzingen naar het verhaal dat ik hierboven heb gebracht een belangrijke rol
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 28

kunnen spelen. In het derde hoofdstuk zal ik eerst al eens nadenken over het
proces van groepsvorming, meer concreet aan de hand van ons poëtisch omgaan
met de naam Onkruid en aanverwante termen, wat ik dan ook later, samen met onze
geschiedenis, kan gebruiken in een reflectie over Onkruid, kunst en maatschappij,
om het eenvoudig te stellen.
Hoofdstuk 1: Er was eens een plantje… 29
Hoofdstuk 2: Grond 30

Hoofdstuk 2: Grond
Onkruid wordt gewoonlijk voorgesteld als een 'kunstenaarscollectiefje'. In dit
hoofdstuk wil ik dit even vanuit een extern perspectief belichten en vooral de
omgeving van het 'culturele veld' weergeven, zoals die er uitziet of er zou kunnen
uitzien. Het gaat mij hier vooral om het inhoudelijke beeld dat ervan bestaat, maar
ook de werkwijze waarop men aan dit beeld komt geniet mijn aandacht, omdat het
net die werkwijze is die het beeld heeft gecreëerd en de omgang ermee bepaalt.

1. Kunst en cultuur: een beschrijving


Als we het over kunst hebben zijn er vele betekenissen daaraan verbonden. Evenzo
is het met de term cultuur gesteld, in de betekenis van een element van de
samenleving, dat deel waarin kunstenaars en artiesten zich uitleven en in contact
komen met andere mensen. Meestal worden deze betekenissen impliciet gegeven,
waarbij uitgegaan wordt van enkele conventies omtrent het gebruik. In de
gevestigde discussies ontstaan hier geen problemen rond, omdat het deze onnodig
zou afleiden als ze steeds op de beginselen zouden terugkomen om deze in vraag te
stellen. Anderzijds zijn er ook wel ellenlange publicaties rond deze beginselen, die
zich er specifiek op richten om deze steeds weer opnieuw te expliciteren, met de
nodige haakjes en aanhalingstekens. Door deze erkenning van hun vaagheid krijgen
de termen dan een zekere onbepaaldheid, die men dan probeert op te vullen vanuit
de psychologie, esthetica of andere disciplines. Op dat moment richt de aandacht
zich meestal tot het inhoudelijke, hoewel een combinatie met externe analyse
tegenwoordig onontbeerlijk is geworden. Het is niet mijn bedoeling deze discussie
hier uit te breiden of te rekken. Onze eigen omgang met terminologie zal ik in het
volgende hoofdstuk uit de doeken doen. Hier wil ik alvast enkele interessante
hedendaagse uitgangspunten weergeven, die dus de basis vormen van de idee van
het 'culturele veld', het terrein waarop Onkruid zich dus ook begeeft.

1.1. De beurs van de kunstenaar


Om met de deur in huis te vallen kom ik hier meteen op een heikel punt, namelijk de
financiële kant van het kunstenaars- en artiestenbestaan. Wie zich op het culturele
veld begeeft produceert namelijk iets dat geen direct nut vertoont, het zijn geen
Hoofdstuk 2: Grond 31

gebruiksvoorwerpen of hun meerwaarde is niet in materiële zin waar te nemen. Een


groot deel van de mensen hebben wel iets wat we zouden kunnen beschouwen als
een echte job, namelijk de cultuurwerkers en het administratieve personeel, kortom
de hele ploeg die rond het kunstgebeuren concreet werk levert, maar hun
resultaatgerichte werk staat dan nog rechtstreeks ten dienste van het ietwat vage
begrip cultuur, waar we het nut niet in die zin van kunnen waarnemen. Daarentegen
is het creëren van een cultuuraanbod niet alleen materieel een dure
aangelegenheid, maar kruipt er veel tijd in en mankracht van de hele entourage.
Cultuur is dus een dure investering, waarbij er alleen al veel middelen nodig zijn om
de productie technisch gezien mogelijk te maken. Nog complexer wordt het als we
dan in rekening brengen dat voor cultuurproductie een zekere inspiratie nodig is, of
creativiteit. Het voorrecht hiervan ligt bij de kunstenaar of, anders uitgedrukt, wie dat
kan bieden en naar buiten kan brengen kan zich als kunstenaar vestigen. Het
eigene hieraan nu is dat die creativiteit een meerwaarde krijgt toebedeeld, die in geld
wordt uitgedrukt. Naast de middelen die nodig zijn voor de concrete verwezenlijking
is de inspiratie, die de vorm bepaalt van die verwezenlijkingen, ook een deel van de
investering waard. Zonder haar wordt er niets bedacht en dus ook niets gecreëerd.
Dit is de idee die schuil gaat achter het professionele kunstenaarschap.
Tot zover is er niets nieuws aan wat ik hier heb gesteld. Het recht van de
kunstenaar en zijn entourage op een loon is een uiting van goedkeuring tegenover
hetgeen zij produceren. Het is net over deze goedkeuring dat ik het wil hebben.
Een goedkeuring die omgezet wordt in het schenken van middelen betekent dat men
aan kunst een meerwaarde toekent, hoewel die zoals reeds gesteld gewoonlijk niet
in materiële zin waar te nemen is. Als we nu in de geschiedenis kijken kunnen we
ruwweg stellen dat het overgrote deel van deze middelen steeds van de gegoede
groepen uit de samenleving kwam: adel en clerus en later vooral de welgestelde
burgerij. Kunstenaars leefden zo onder de financiële bescherming van mecenassen,
mensen die sterk konden en wilden investeren hierin. Dit beeld is heel eenvoudig
gesteld, want in werkelijkheid leefde kunst ook onder het gewone volk, zij het dan
kleinschaliger maar zeer wijd verspreid. Ook heeft er steeds een spel bestaan
tussen gevestigde vormen en vernieuwingsbewegingen, die niet onmiddellijk de
erkenning kregen die later zou komen en daardoor ook niet zomaar beloond werden
Hoofdstuk 2: Grond 32

om wat ze maakten. Hoe dan ook kunnen we zonder op deze details in te moeten
gaan stellen dat kunst altijd gevoed werd door financiële middelen van het rijkere
deel van de samenleving.

1.2. Cultuur als een zaak van beleidsmensen


Een belangrijk aandeel daarin hebben ook machtshebbers steeds gehad. Op die
manier heeft de staatskas steeds overtuigend het kunstenaarsambacht gesteund,
met de nodige verantwoordingen hiervoor. Dit is vooral voor hier en nu ook
interessant. Hoewel de inkomsten van moderne mecenassen nog steeds een
belangrijke inkomstenbron vormen, vooral voor bepaalde delen van het culturele
veld, is het aanbod in de twintigste eeuw enorm uitgebreid naar de gewone mens
toe. Dit staat in schril contrast tot de enorme sommen die binnen de kunstwereld
omgaan, die nooit rechtstreeks door het gewone volk kunnen voorgelegd zijn. Wat
hierachter schuilgaat is de idee van een cultuurbeleid, zoals dat in de tweede helft
van de twintigste eeuw groeide. De staat zou er op die manier voor instaan dat het
cultuuraanbod toegankelijk werd voor iedereen. Deze idee is gestaag gegroeid in
zowat alle westerse landen tegelijk, maar overal op een zeer eigen manier. Er is in
verschillende werken uitgebreid ingegaan op de redenen hierachter, en op de
evolutie van de concrete uitwerking (zie voor de Vlaamse situatie onder meer
Laermans 2001, Laermans 2002, Pinxten 2003, en Reynebeau 1988 voor een
interessant beeld van de vraagstukken van de jaren '80).
Hoe deze redenen ook worden verwoord, uiteindelijk komt het er op neer een
manier te vinden om een vastgesteld budget te spreiden over een groep actoren,
zodanig dat op een verantwoorde manier zoveel mogelijk mensen worden gelukkig
gemaakt. Het werk van Marc Reynebeau kan beschouwd worden als een bron van
het hoogtepunt van de eerste groeischeut van een Vlaams cultuurbeleid. Dat kwam
er immers tegelijk met de federalisering van België, waarbij de klemtoon op een
volkseigenheid kwam te liggen, op een wil van de Vlaamse kunst om onder die
noemer naar buiten te treden. Toch zien we hier al waarschuwingen naar de jaren
'90 toe. Het boek biedt een pessimistische kijk, met de gevaren van de cultuur als
een stiefzusje van de economie voorop. De werken van Laermans, in 2001 een
onderzoeksrapport in opdracht van de Vlaamse Minister van Cultuur Bert Anciaux
Hoofdstuk 2: Grond 33

en een jaar later een meer vloeiende herwerking hiervan in een boek tonen de
situatie ruim tien jaar later, onder de nieuwe politieke situatie. Door een uitgebreid
onderzoek van het culturele landschap of, zoals Laermans het benoemt, het
cultureel regiem (om de dynamiek ervan duidelijk te maken) probeert hij zo richtingen
uit te stippelen die het beleid zou kunnen volgen. Hierbij vallen enkele
veranderingen waar te nemen die voor ons interessant zouden kunnen zijn en waar
ik daarom even kort zal op ingaan.

1.3. Het artistieke


Zoals ik al gesteld heb is kunst iets zonder een direct materieel waarneembaar nut.
Toch heerst er een groot ontzag voor hetgeen geproduceerd wordt door kunstenaars
en artiesten. Ondanks de vage benoeming, die wijst op een mentale dimensie
rondom het materiële, wordt de idee van kunst in het algemeen zeer zelden
aangevallen. Als er dan toch disputen ontstaan gaat het meestal over het
inhoudelijke van specifieke groepen kunstwerken of opvoeringen. We kunnen dus
stellen dat een kunstwerk zijn recht van bestaan verkrijgt door een artistieke
dimensie, een creativiteit die het zijn vorm gegeven heeft en emotionele of
intellectuele reacties oproept bij het publiek, buiten het direct waarneembare om.
Deze reacties komen dan weer voort uit een geheel van symbolische conventies in
de maatschappij of in een groep. Rudi Laermans heeft in zijn onderzoeksrapport de
raakpunten tussen verschillende cultuurbegrippen aangegeven, waarop deze
conventies dan zouden berusten (Laermans 2001, 1-5 en ook in verdere delen).
De basisidee achter het artistieke blijft hierbij echter onveranderd: een
kunstenaar produceert vanuit zijn creativiteit dingen die door toeschouwers
geïnterpreteerd en geapprecieerd worden en aldus beloond. De maatschappelijke
werkelijkheid achter deze idee is daarentegen wel sterk veranderd, zoals ook
duidelijk blijkt uit Laermans' richtlijnen voor de toekomst van het cultuurbeleid.
Enerzijds is er de noodzaak gekomen voor kunstenaars om efficiënter te werken,
aangezien een cultuurbeleid zijn middelen streng gereguleerd moet aanwenden. Dit
heeft tot een grote professionalisering geleid binnen het culturele werk, waarbij de
kunstenaar in dienst komt te staan van cultuurhuizen, musea, theaters, projecten.
De grote klacht van de kunstenaar heden ten dage is dan ook dat hijzelf afhankelijk
Hoofdstuk 2: Grond 34

is van deze verschillende instellingen en hun financiële situatie. Hoewel in veel van
deze instellingen kunstenaars zelf het woord voeren, zijn ze op die manier binnen
een marktmechanisme terechtgekomen, dat niet rechtstreeks meer hun artistieke
inspanningen beloont, maar eerder de omkapseling. In alle werken rond het
cultuurbeleid zien we ook een vrees voor de inmenging van de reclamewereld,
waarvan het cultureel engagement schraal afsteekt tegen de drang naar hoge
winstcijfers. Vele van deze werken betreuren dan ook het verbleken van dat
artistieke engagement.
Daarentegen komen er ook kritieken op de artistieke wereld zelf, op de
eerlijke en enthousiaste professionele solokunstenaar. Deze gaan dan vooral over
de elitevorming. Enerzijds is er de band tussen een elite kunstenaars en een te
kleine groep hoger opgeleid publiek, die zich zouden afsluiten voor een verbreding
van het veld. Daarentegen gebeuren er wel degelijk inspanningen om deze kunst
voor een breed publiek toegankelijk te maken. Dit is ook de essentie achter het
cultuurbeleid, en deze discussie richt zich op dit moment vooral nog op een paar
heilige huisjes, zoals bijvoorbeeld de opera. Een sterkere en meer actuele kritiek
komt er op het monopoliseren van het kunstenaarschap door een elite van
professionelen. De amateurkunst is steeds binnen het volkse, lokale geplaatst, als
zijnde licht-artistiek. Dit wil niet zeggen dat er geen plaats en middelen voor
beschikbaar waren, op het gemeentelijk en provinciaal niveau zijn er wel degelijk
subsidiëring en lokalen voorzien voor verenigingen. Maar de huidige werkelijkheid
wil dat er op een meer actieve manier aan cultuurparticipatie wordt gewerkt. Sociale
problemen, vervreemding, verzuring en moeilijkheden rond de multiculturele
samenleving zouden om oplossingen vragen van een niet enkel materieel niveau,
maar ook een symbolische, mentale verwerking. Hierbij gaat het dan niet enkel om
het passief opnemen van die verwerkingen, maar vooral ook door actief zelf te
creëren een herschepping van die werkelijkheid krijgen. Het mensbeeld hierachter is
dat van een creativiteit als werkelijkheidsvormende kracht die in elke mens schuilt,
en waarmee iedereen kan leren werken om zijn situatie te veranderen.
Hoofdstuk 2: Grond 35

1.4. De nieuwe richting: het sociaal-artistieke


Deze nieuwe denkrichting in het culturele veld heeft de laatste jaren voor een nieuwe
omgang met kunst gezorgd, het sociaal-artistiek werk. Op die manier tracht men het
al te praktische vertoog van het sociaal werk uit te breiden naar het mentale, niet
alleen de materiële situatie van de mensen te verbeteren, maar vooral ook hen in
staat te stellen problemen te zien en er samen rond te denken en werken op een
symbolisch niveau. De ideeën achter het socio-artistieke werken zijn door Rik
Pinxten uitgewerkt in zijn boek 'De artistieke samenleving', waarin het belang wordt
vooropgesteld van diversiteit en van de eigen vormentaal van de doelgroep (Pinxten
2003). Volgens Pinxten kan dit zo een belangrijke bijdrage vormen aan de
democratie, omdat het mensen betrekt bij de uitbouw van de samenleving. Met deze
ideeën zijn in de voorbije jaren al verschillende sociaal-artistieke projecten gestart,
vooral in de grootsteden, waar sociale problemen en vervreemding het grootst zijn.
De werking is gewoonlijk zeer lokaal gericht, op wijkniveau, waarbij autochtonen en
allochtonen door infrastructurele ondersteuning en in samenwerking met sociaal-
werkers en kunstenaars in staat worden gesteld samen kunstwerken en
voorstellingen te creëren naar hun omgeving en zelfs naar een groter publiek toe.
Deze nieuwe werkrichting in het culturele veld is zeer interessant om verder
op in te gaan, maar ik zal mij hier beperken tot enkele kritieken. De grote vrees
binnen de gevestigde kunstwereld is dat deze nieuwe werkrichting in haar
enthousiasme beperkt zal blijven qua artistiek niveau. Daarom lijkt het opportuun
genoeg kunstenaars zelf erbij te betrekken, vooral omdat een deel van de
werkingsruimte en -middelen van de traditionelere cultuurproductie zal ingenomen
worden door de nieuwere richting. De vrees voor een artistieke verwatering hangt
ook samen met het sterke sociaal engagement, dat zorgt dat de klemtoon meer op
de boodschap kan komen te liggen dan op de uitwerking. Daarentegen heeft
geëngageerde kunst al een lange geschiedenis, die aantoont dat het verwerken van
sociale problemen zelfs een katalysator kan zijn voor een verruiming van de kunst.
Een andere vrees is dan weer dat het sociale in de verdrukking kan komen, enerzijds
door een goedbedoelde maar verkeerde uitwerking, maar anderzijds ook door een te
sterke klemtoon op het artistieke, en dus weer een drempelvorming. Het sociale
aspect zou dan niet meer dan een publiciteitsargument worden, waarbij enkele
Hoofdstuk 2: Grond 36

creatieve zielen wel kunnen geholpen worden in hun weg hogerop, maar
daarentegen een heleboel werkingsmiddelen hun doel zouden missen. Hoe dan ook
blijft er een getouwtrek mogelijk tussen het sociale en het artistieke gedeelte, dat bij
elke instelling op een andere manier wordt opgelost. Van overheidswege krijgt op dit
moment de diversiteit van projecten het voordeel van de twijfel, zoals dat in het
ganse culturele veld het geval is.

2. Grond: de samenleving als groeibodem


In het vorige deel ben ik ingegaan op de veranderingen binnen het culturele veld,
een benaming die uitermate past in de terminologie rondom de naam Onkruid. Op
onze omgang met taalspelletjes kom ik in het volgende hoofdstuk terug. Hier wil ik
eerst de analyse van onze bodem uitbreiden buiten een enge categorisering in de
samenleving, omdat Onkruid, ondanks een vrij gerichte doelstelling, wel binnen een
specifieke context hangt en ook op een eigen manier naar die context kijkt. Ik zal
hier enkele verschillende niveaus schetsen, als een geografische situering
voorgesteld, zeker niet bedoeld om ons voor te stellen als een stipje op de
wereldbol, maar als een specifiek gelokaliseerde groep mensen.

2.1. De wereld
Elke mens bevindt zich binnen de wereld. Op zich kan dat als een plaats worden
beschouwd, op de aarde, en vallen alleen enkele ruimtereizigers hier tijdelijk buiten,
hoewel ze door hun contact met hun thuisplaneet ook niet geïsoleerd zitten. Dat
contact wijst op een soort groepsvorming, en dat is een andere betekenis van het
begrip wereld. Als we het dan over die groep hebben, gaat het niet enkel om de
mensen, maar ook en vooral om de communicatie tussen hen. De idee van een
wereld wijst op een verbondenheid, op elk moment zouden we met elke levende
mens hier in contact kunnen komen. Des te meer is dit het geval met de huidige
communicatietechnologie. Maar dat contact hoeft daarom niet rechtstreeks te zijn.
De ideeën van globalisering stellen dat, naast een economische eenheid ook een
eenheid van denken groeit over de hele wereld. Denkcategorieën verspreiden zich
en vermengen zich. Naast de idee van diversiteit groeit dan ook de hoop op, voor
anderen vrees van, een eengemaakt denken, of dat nu begrip zal brengen of
vervlakking. Om aan te stippen wat interessant is voor Onkruid, kan ik deze
Hoofdstuk 2: Grond 37

discussie aanwijzen. Hierbij stelt zich immers de vraag of die vervlakking zich ook op
het domein van een wereldbeeld afspeelt, of dat een groep mensen door een ander
wereldbeeld aan te nemen net buiten die vervlakking kan treden. Hiermee bedoel ik
dat als er een eenduidige idee is die stelt dat er slechts een eenduidige idee is, er
ook ruimte blijft voor ideeën die deze stelling achterwege laten. In hoeverre deze
andere ideeën succesvol zullen blijken doet er dan niet toe, en hun juistheid kan
betwist worden, maar iets als een wereldbeeld kan, zelfs zonder rekening te moeten
houden met de eigenschappen daarvan, gecreëerd worden zonder dat iemand het
bestaan van dat beeld kan ontkennen, noch van de wereld die zo geschapen wordt.

2.2. Een land


Hetzelfde als met het wereldbeeld kunnen we op kleinere schaal toepassen als het
op een land aankomt, een geopolitieke eenheid met een eigen situatie om het
eenvoudig te stellen qua inwoners, taal, economie, uitzicht. Hoe sterk er ook een
algemeen beeld kan ontstaan van dat land, in hun omgang ermee kan een groep zijn
eigen weg gaan, zijn eigen uitzicht scheppen, zonder dat daar iets op af te dingen
valt. Binnen een land zijn er wetten en regels waar een mens zich aan moet houden
en gebruik van kan maken. Deze zijn duidelijk opgesteld, maar hoe ermee om te
gaan zoekt een mens of een groep zelf uit. Ook met de denkcategorieën die in dat
land heersen heeft een groep zijn eigen omgang, zijn eigen denken hierrond.
Onkruid binnen België en Vlaanderen plaatsen kan dus een interessante manier zijn
om onze ideeën een plaats te geven.

2.3. Een stad


Een kleiner niveau dat interessant kan zijn is de stad. Ik kies hier nu specifiek deze
samenlevingsstructuur omdat Onkruid ontstaan is en nog steeds zijn speelterrein
heeft in Gent. Binnen een stad gelden op dezelfde manier enkele
samenlevingsregels als in een land, natuurlijk op kleinere schaal. Het is hier dat
mensen rechtstreeks en dagelijks contact hebben. Elke stad heeft zeer sterk zijn
eigenheid, door de opbouw en bevolking en ook door zijn eigen economische positie.
Als we dan specifiek naar Gent gaan kijken kunnen we enkele opmerkelijke
eigenschappen vaststellen. Gent is een combinatie van inwoners van veel
verschillende culturen met een studentenpopulatie. Met zijn universiteit en
Hoofdstuk 2: Grond 38

hogescholen biedt Gent zo plaats aan een groot aantal jonge inwoners. Daarnaast
heeft de stad de laatste decennia er naartoe gewerkt om cultuur een prominente
plaats te geven. Door de uitbouw van verschillende musea en theaterzalen biedt ze
plaats aan zowel hedendaagse als klassiekere kunstuitingen. Een
studentenbevolking is dan naast een ideaal hoger opgeleid publiek nog een ideale
kweekbodem voor nieuwe kunstenaars. In het cultuurbeleidsplan 2002-2007 kunnen
we zien hoe men probeert gebruik te maken van deze combinatie van factoren, het
samenbrengen van kunstproductie en kunsteducatie en -onderzoek, de
multiculturele invloeden en de toeristische en commerciële aantrekkingskracht (Van
Rouveroij et al. 2002). Dit alles heeft zeker een invloed gehad op hetgeen Onkruid is
geworden, maar ook hier is de stad niet zomaar wat ze is, en heeft de interpretatie
die we er zelf van maken ook een belangrijke plaats. Net als bij de vorige niveaus
wil ik hier dus ook de klemtoon leggen op de interpreteerbaarheid van de omgeving,
op de mogelijkheid om ze zelf te herscheppen in ons denken.

2.4. Ruwe grond versus potgrond


Het is niet voor niets dat ik er steeds op wees hoe de mens zelf een scheppende
kracht heeft tegenover zijn werkelijkheid. Ik wil hier namelijk een New-Yorkse
filosoof voorstellen die hierrond zeer interessante ideeën heeft uitgebracht. Hakim
Bey heeft het in zijn werk over de Tijdelijke Autonome Zone (Bey 1994). Daarmee
wil hij de ruimte aangeven die, binnen een zo gestructureerde en gereguleerde
maatschappij als de onze, toch steeds aanwezig is. De idee is dat er binnen deze
ruimte autonomie mogelijk is, zij het tijdelijk en gelokaliseerd. Dat wil zeggen dat er
niet een permanente vrijstaat is, maar dat de gereguleerde samenleving steeds
ergens leegtes vertoont, waarin mensen echt autonoom kunnen zijn. Het gaat er
dan om deze ruimtes in te nemen, rekening houdend met hun tijdelijk en plaatselijk
karakter. Zoals gesteld: “De TAZ is een opstand die zich niet direct met de Staat
inlaat, een guerrilla-operatie die een gebied (geografisch, in de tijd, of van de geest)
bevrijdt en zich dan ontbindt om elders/ooit weer te verschijnen, voordat de Staat
haar kan verpletteren.” (Bey 1994, 12).
Dit denken komt uit anarchistische milieus, maar hoeft daarom niet beperkt te
blijven tot het politiek anarchisme, wat Bey zelf ook niet doet. Deze idee kan zeer
Hoofdstuk 2: Grond 39

interessant zijn voor mensen die zich creatief willen uitleven, zoals Onkruid
bijvoorbeeld. Het creatieve is trouwens een belangrijke factor bij het uitwerken van
Tijdelijk Autonome Zones: zowel qua inspiratie als wat betreft de uitwerking ligt de
klemtoon op spontaneïteit. Het biedt een alternatief voor het reguliere circuit,
zonder dat alternatief ook regulier en dus tijdloos te moeten maken. Een diepere
uitwerking hiervan en het belang voor Onkruid van deze ideeën zal ik geven in het
zesde hoofdstuk.

3. Waarommen: de sociologie en haar antwoorden


Het kan een vreemde werkwijze lijken om vertrekkende vanuit conclusies tenslotte bij
de methode aan te belanden. Anderzijds kan dit ook goed zijn, omdat we dan niet
steeds moeten blijven hangen bij de methode. Toch wil ik de basis van het huidige
kunstenaarsonderzoek niet uit de weg gaan. Ik zal hier dan ook kort op de
methodes van de kunstsociologie ingaan en haar basisbevindingen voorstellen en in
vraag stellen. De kunstsociologie probeert de plaats van kunst in de maatschappij te
vinden door een brede studie, zowel van de makers en verspreiders als van het
publiek. Zij zoekt een antwoord op de probleemstellingen die vooral door de
betrokkenen zelf worden gesteld, met het oog op een efficiënte werking, of om
hunzelf en het hele veld te situeren binnen een ruimere maatschappelijke context.
Met haar specifieke methodes geeft zij alle elementen een specifieke plaats en
interactie, een soort wetmatigheid dus. Dit geeft haar enerzijds wel een sterke
positie in discussies rond het culturele veld, maar anderzijds maakt het haar ook
kwetsbaar, want wie niets voorstelt kan niets verkeerds voorstellen, en daarom vaak
redelijk teruggetrokken. Niet dat er rond deze wetmatigheden een algemene
consensus bestaat, of dat ze door iedereen even exact worden voorgesteld, maar op
sommige punten is er wel een praktisch algemene aanvaarding, die weinig in vraag
wordt gesteld.
Ik zal hier werken rond de literatuursociologie, vooral omdat het mengen van
de verschillende disciplines zeer verwarrend zou kunnen werken. In bepaalde
punten wijken ze namelijk sterk van elkaar af en hier is geen plaats is om daar dieper
op in te gaan, dus is onze zoektocht verfijnen de beste oplossing. Onkruid valt dan
best te plaatsen binnen de literaire wereld, aangezien de poëzie vanaf het begin de
Hoofdstuk 2: Grond 40

drijvende kracht is geweest achter de groep en we ook het meest gekend zijn om
onze poëzie en ons tijdschriftje en op poëzieavonden, zonder de andere
expressievormen daarbij te miskennen natuurlijk.

3.1. Sociologie van de auteur


Als ik dan de groep Onkruid bekijk, ben ik vooral geïnteresseerd in stukken over het
auteurschap. De auteur wordt binnen het literaire landschap vooral gezien als de
persoon waar alles van vertrekt, zonder zijn geschriften zou het literaire niet bestaan.
Over de literaire dimensie zijn vrijwel alle bronnen het eens dat het iets is dat de
zakelijke communicatie overschrijdt. Toch blijven zij zich vasthechten aan de idee
van de overdracht van een boodschap, het systeem van een zender, een boodschap
via een drager en een ontvanger (zie bijvoorbeeld Vanheste 1981, 115-117). Op die
manier wijkt literaire communicatie dan ook in de vorm niet af van zakelijke. In zijn
inleiding tot de literatuursociologie stelt Vanheste dat literatuur een overdracht is van
ervaringen van een literator naar zijn publiek toe. De literaire overdracht is dan een
bijzondere vorm van gegevensoverdracht. Meer nog, hij verbindt het ontstaan van
het literaire aan specifieke situaties. Iemand die de literaire vorm dan kan
loskoppelen van die situaties, wordt een literator, anders is het een
gelegenheidsdichter (Vanheste 1981, 111). Hier schuilt duidelijk een bepaald beeld
in van de auteur, dat in niets verschilt van dat in andere werken. De auteur is een
individu met een werkelijkheidsvisie, die hij in een bepaalde vorm overdraagt naar
zijn publiek.
Het is niet toevallig dat poëzie dan wordt beschouwd als de meest primitieve
vorm van literaire communicatie, dat de situatiedichter een soort proto-literator is.
Poëzie is de meest compacte vorm, de meest directe literaire uitwerking. Een roman
is completer en complexer en treedt los van een concrete, directe situatie. Het beeld
dat ik in alle werken vond was dat van de communicatie vanuit een individuele
schrijver. Er wordt wel gewag gemaakt van een groepsniveau, maar met heel veel
omzichtigheid (o.c., 115-119). De kern blijft het individu met zijn werkelijkheidsvisie.
Ook bij Bourdieu wordt het collectief slechts gezien als een fase, die vooral om
praktische redenen wordt doorgemaakt (Bourdieu 1992). Volgens hem komen
beginnende literatoren samen in groepen om krachtdadig naar buiten te kunnen
Hoofdstuk 2: Grond 41

treden, maar hebben ze verder weinig met elkaar gemeen. De groepsvorming is dan
een tactiek binnen het literaire veld om machtsoverwicht te verkrijgen (Bourdieu
1992, 171-175).

3.2. Wie heeft het voor het zeggen?


Waarom gaat de literatuursociologie van deze basisprincipes uit? Om op deze vraag
een antwoord te vinden moeten we kijken naar de mensen van wie deze ideeën
uitgaan. Volgens Paul De Man is er hierbij een soort machtsstrijd te vinden tussen
de literatoren zelf en externe theoretici (De Man 1986). De literatuur zou zich van
theoretische analyse willen ontdoen, maar tegelijk zien we dat een groot deel van de
literatuurtheorie in handen is van literatoren zelf. Het is op dit moment dat zij
effectief een boodschap naar buiten brengen. Deze boodschap mengt zich met hun
literaire werk, zij wordt eraan doorgegeven, waardoor literatuur net binnen het
systeem van zender, boodschap en ontvanger komt en dus gelijkaardig wordt aan
zakelijke communicatie. Dit is volgens mij de kern van de huidige
literatuursociologie. Zij heeft zich gelijkgeschakeld met de ideeën van literatoren
zelf, maar is daardoor ook zich grotendeels gaan baseren op het inhoudelijke van
literaire werken en essays van literatoren. Op die manier bekijkt men vanuit de
boodschap de literator en zijn ontvangers, zijn publiek.

3.3. De inhoudelijke analyse


Het zich richten op de boodschap binnen een literair werk en van daaruit een beeld
vormen over het literaire veld brengt bepaalde beperkingen met zich mee. Ik heb al
gesteld dat het net hierdoor is dat er een eenzijdig beeld bestaat van de ontwikkeling
tot literator, die van het stadium van gelegenheidsdichter zou overgaan tot
professioneel romanschrijver, van een concrete boodschap naar een complexe,
losgeweekt van de werkelijkheid. Het is op die manier dat Pierre Bourdieu tot zijn
ideeën in 'Les Règles de l'Art' komt, waarin hij stelt dat avant-gardes een
inhoudelijke vernieuwing brengen om een machtsovername te bewerkstelligen
(Bourdieu 1992). Zijn korte stukje over literaire collectieven brengt dan weer naar
voor dat een groepering enkel een tactisch voordeel oplevert. Het probleem met
deze studies is dat zij enkel kijken naar de grote stromingen en vaak dan nog naar
de interessantste periode hiervan, van het midden van de negentiende eeuw tot
Hoofdstuk 2: Grond 42

ongeveer halfweg de twintigste eeuw. Nergens is er een duidelijke studie te vinden


van hedendaagse collectiefjes, en zeker niet lokaal gericht. Als we dan nog eens
kijken naar de unanieme gerichtheid op het inhoudelijke binnen de kunstsociologie,
dreigt het gevaar dat net de specifieke werking verwaarloosd wordt.
Wat ik hiermee wil zeggen is dat wij als specifiek kunstenaarscollectiefje onze
eigen theoretisering ook kunnen voorstellen. Ik wil daarom nog geen revolutie
binnen de sociale wetenschappen poneren, maar wel een mogelijkheid scheppen
voor een andere kijk. Onkruid hoeft zich niet te schikken naar de
vooruitgangsgedachte van de literaire sociologie. Mijn studie en theoretisering zijn
lokaal gericht. Dat wil zeggen dat ik naar een specifieke groep kijk in een specifieke
context. Ik zie dat de literatuursociologie vele facetten van deze specifieke groep
verwaarloost en geen mogelijkheden biedt om daar buiten te treden. Ik wil mij op de
werking van ons collectiefje richten, maar de literatuursociologie zou mij naar het
inhoudelijke trekken, naar onze omgang met traditie en vernieuwing, terwijl de
groepsvorming mij meer interesseert. Daarom net heb ik voor een andere methode
gekozen dan de hare. Misschien laten wij ons binnen de groep wel verleiden om ons
naar haar conclusies te richten, maar dat wil ik net via mijn onderzoek trachten te
ontdekken. Daarmee wordt dus een van mijn richtpunten de verhouding tussen
Onkruid en de literatuursociologie.
Hoofdstuk 2: Grond 43
Hoofdstuk 3: Woekerwoorden 44

Hoofdstuk 3: Woekerwoorden
In dit deel wil ik het hebben over een specifiek kenmerk van Onkruid, namelijk de
omgang met poëzie als groepsvormend spel. Wanneer over groepen binnen de
literatuur wordt gesproken, heeft men het meestal over avant-gardebewegingen en
de publicitaire en economische voordelen van het als groep naar buiten treden. Het
is niet mijn bedoeling om Onkruid te gebruiken als een tegenvoorbeeld, maar om
een kleine analyse te maken van specifieke groepsmechanismen bij ons, die we
altijd als belangrijk hebben beschouwd. Over het collectief en de poëzie.

1. Het kader: belang van woorden

1.1. Collectieve poëzie en het poëtische van het collectief


De kunsttak poëzie heeft bij Onkruid steeds een belangrijke plaats ingenomen.
Hoewel het aandeel dichters binnen de groep met de jaren daalde, bleef en blijft het
nog steeds de basis van hetgeen we doen. Poëzie kan dan begrepen worden in de
technische zin van het woord (een conglomeraat van literaire uitingsvormen dus),
maar ook in de ruimere betekenis van een omgaan met de dingen, poëzie als een
meerdere gelaagdheid, tegen het expliciete en eendimensionele. Het spreekt
vanzelf dat mensen die samen poëzie uitbrengen elkaar beïnvloeden, qua stijl en
inhoud, of alleen al door te motiveren, uit te dagen en te inspireren. De weinige
werken die te vinden zijn over literaire collectieven leggen hier dan ook de klemtoon
op, zeer zelden inhoudelijk, maar wel gericht op de groepsstructuur, hetzij de
speelsheid, wat ik hierboven aangaf, hetzij de economische en publicitaire belangen,
een blik op de groep in zijn omgeving dus. Dat laatste zal ik in verdere hoofdstukken
uitwerken, wanneer ik ons collectiefje plaats binnen en tegenover de omgeving. Hier
wil ik het interne bekijken, maar dan op een zeer specifieke manier.
De poëzie is bij Onkruid immers niet enkel gebruikt als kunstuiting naar de
buitenwereld en komt niet enkel uit de groep naar buiten, het collectief en zijn
structuur zijn gestoeld op een poëtisch denken rond onszelf. Al vanaf het begin
groeide een eigen terminologie vanuit de benaming Onkruid. De hoofdactiviteit, het
woekeren, was al onmiddellijk een aanzet naar meer termen en metaforen. Het is
niet toevallig dat ik deze in mijn scriptie ook gebruik, omdat enkel deze termen voor
Hoofdstuk 3: Woekerwoorden 45

onszelf een adequate beschrijving vormen van het collectief. Zelf hebben we nooit
een officiële vertaling gemaakt1. Ik zal hier evenwel proberen toch een deel van de
termen duidelijk te maken, om net hun poëtische karakter naar voor te brengen. Het
belang van die woordspelletjes mag echter niet onderschat worden. Zij zijn in
discussies omtrent onze missie steeds belangrijk geweest, door
interpretatieverschillen of door het in vraag stellen van hun plaats binnen de groep.
Bij het zoeken naar werken rond het omgaan met metaforen in groepsvorming
kwam ik vooral terecht bij studies over bedrijfsvorming. Deze parallel mag
bevreemdend of zelfs beangstigend lijken, maar is op zich niet zo vreemd, omdat
ook binnen een bedrijf de interne communicatie belangrijk is en een eigen
terminologie deze net mogelijk maakt. Het gaat om een boeiende dialoog tussen het
uitwerken van een beeld naar de buitenwereld en het interne raderwerk, die maken
dat achter een enkele naam een efficiënte structuur schuilt, beschreven in
metaforen. Een tweede wisselwerking is er tussen de werking zelf en die metaforen,
er worden metaforen gezocht voor de structuur, maar de structuur zal zich ook
aanpassen aan de specifieke inhoud van die metaforen. Vandaar dat ik het belang
ervan wil beklemtonen.

1.2. Spelen met taal


Anderzijds is het spelen met taal ook net door het spel een intieme groepsbezigheid.
Het poëtische omgaan met elkaar stimuleert de sfeer, omdat het verder gaat dan de
vlakke taal. Het spel brengt een extra dimensie erbij. Taal wordt zo een esthetisch
iets, waar een groep mensen zich rond kan scharen. Zo ook is het taalspel met de
onkruidmetafoor slechts een van de vele binnen ons collectiefje, en mogen we de
spelfactor ervan niet verwaarlozen. Te meer is het spelen binnen Onkruid steeds
ook een belangrijk iets geweest. Op de weekendjes maakten we plaats voor
spelletjes en ook op de bijeenkomsten kwam het spelen vaak aan bod. Onze
omgang met de groepsnaam en zijn betekenissen is dus wel meer dan een spel,
maar het spel is een belangrijke werkmethode die op zich ook betekenisvol is.
Over de esthetische dimensie binnen een groep hebben drie onderzoekers
van het Imagination Lab een onderzoekspaper gemaakt (Marotto, Roos & Victor
1
Er zijn wel pogingen hiertoe gedaan, zoals blijkt uit de manifestdiscussies, maar deze zijn nooit tot
een sluitend einde gebracht. Zie hoofdstuk 5 en 7.
Hoofdstuk 3: Woekerwoorden 46

2002). Zij stellen dat deze ervaring en zijn betekenis vooral te wijten zijn aan een
vinden van authenticiteit en virtuositeit. Een groep kan door esthetische ervaring zijn
eigenheid vinden en daaruit zijn werking opbouwen. Zij koppelen dit aan de
organisatie binnen bedrijven, waardoor we de gevoelsdimensie dus evenzeer een
belangrijke plaats kunnen toedichten in het structureringsproces van een
werkomgeving, los van de concrete inhoud van het object van de esthetische
ervaring. Ook hier kunnen we dus parallellen trekken tussen het bedrijfsdenken en
het denken binnen ons collectiefje.

1.3. Het belang van de onkruidmetafoor


Hoe belangrijk is nu die poëtische zelfreflectie voor ons (geweest)? Ik heb al
vermeld dat de benaming 'Onkruid' zonder bijbetekenissen is gekomen. De
aanvaardbaarheid ervan werd wel ondersteund door de betekenissen, die vrij vlug
kwamen. In het allereerste voorwoord (Onkruid 1/1) kunnen we zien dat woekeren
onmiddellijk een rebelse inhoud kreeg toegedicht en zo al een beeld werd gecreëerd
in samenhang met de benaming. Later werden in de manifestdiscussies ook de
onkruidtermen gebruikt en discussieerden we vaak over hun interpretatie. Op die
momenten bleek al hoe diepgeworteld zij waren in het denken van en over de groep.
In de laatste twee jaar zien we dat deze discussies vanaf een bepaald moment
verdwenen, maar de termen bleven daarna ook nog steeds onze belangrijkste
manier om onze activiteiten te benoemen (zie hoofdstuk 5). Zoals ik het zelf zie zijn
onze meest geslaagde en bijblijvende ideeën net diegene waarvoor we een eigen
term hebben bedacht. Zelfs wanneer de terminologie niet of nauwelijks aan bod
kwam bleven de basisideeën van de groep vrijwel ongewijzigd. De terminologie blijkt
iets te zijn waar niet aan kan geraakt worden en die op elk moment een belangrijke
plaats kan innemen in een discussie. Dit gold vanaf het moment waarop we een
denken hadden geconstrueerd rond de naam en geldt nog steeds, zeker en vast
zolang de benaming Onkruid blijft. Zolang we tevreden zijn met hetgeen we doen zal
er dan ook geen reden zijn om ze af te zweren. Deze zelfreflectie in metaforen lijkt
mij dan ook een belangrijk sturend element geweest te zijn in de evolutie van het
collectiefje.
Hoofdstuk 3: Woekerwoorden 47

2. De termimologie

2.1. De onkruidmetafoor
Volgens het woordenboek is onkruid “alle planten die de mens op de een of andere
wijze schade of last bezorgen”2. In het voorwoord van het allereerste nummer van
het tijdschrift Onkruid is er sprake van “ongewenste planten”. Toch blijken hieraan
positieve betekenissen verbonden te zijn. Onkruid is namelijk iets dat niet onder
controle te krijgen is, het gaat zijn eigen gang en zal er altijd zijn. Het komt krachtig
naar boven uit de grond en trekt zich niets aan van de andere planten rondom, die
door de tuinman verzorgd worden. Zelf wordt het bestreden. Als we deze
betekenissen nu binnen het veld van de kunsten plaatsen, zijn wij, Onkruid, een
groepje mensen dat zijn eigen gang gaat, niet onder controle te krijgen is, en zich
niets aantrekt van wat de andere actoren binnen het culturele veld doen. Het is nooit
duidelijk geworden of de naam 'Onkruid' duidde op de groep of op hetgeen we
maken. Het tijdschriftje heet sinds het begin 'Onkruid', maar tegelijk wordt er ook
over de groep gesproken als 'Onkruid'. Dit detail hebben we ons eigenlijk nooit echt
aangetrokken, we gebruikten zowel voor de groep als voor onze 'producten' deze
benaming. Op het gebruik ervan als groepsnaam kwam wel ooit enige kritiek, omdat
het gevaar zou bestaan er een handelsmerk van te maken, maar een breekpunt is
dat nooit geworden. Een leuke oplossing daarvoor is om onszelf als onkruidplantjes
te beschouwen, wat de mogelijkheid schept om mensen buiten de groep toch tot
onze soort te rekenen. Een aantal andere termen kunnen dan aan Onkruid worden
verbonden en dat deden we ook, sommige weliswaar in mindere mate:

 Woekeren: dit is wat onkruid doet, ofwel de activiteit die ervoor zorgt dat er
onkruid groeit. Het is een zeer actieve vorm van groeien, die zich niet houdt aan
regeltjes en buiten de voorziene paden van de mens gaat. Voor onze groep is het
een benaming voor onze activiteiten, om op het dynamische aspect te wijzen, en
tegelijk een gebod dat we onszelf oplegden. In de manifestdiscussies werd er
gezocht naar een verduidelijking van deze term, waarna het naar buiten treden
door het woekeren beklemtoond werd. Als onkruid buiten de paden treedt komt

2
Van Dale Handwoordenboek Hedendaags Nederlands.
Hoofdstuk 3: Woekerwoorden 48

het namelijk binnen het zicht van de mensen, dus zouden wij ook moeten zorgen
dat we zichtbaar werden in wat we deden. Op basis van deze term kwamen er de
woekerjaren, woekeravonden,...
 Kamerplanten: een metafoor voor het reguliere kunstencircuit, dat verzorgd en
gevoed wordt van hogerhand, maar daardoor ook mooi binnen de lijntjes groeit.
 De Onkruidserre: een term die Shany gebruikte om aan te tonen dat we een
omgeving schiepen waarbinnen we de groei van Onkruid stimuleerden, een
broeikas voor onze creativiteit dus.
 Onkruideniers: zij die onkruid verhandelen of (in ruimere zin) verdelen onder de
mensen. Dit werd een benaming om onszelf aan te spreken, waarin het feit wordt
beklemtoond dat we Onkruid willen naar buiten brengen.
 Onkruidverdelgirman: een personage dat in het eerste nummer van ons
tijdschriftje verscheen in een tekening. Later zijn we er weinig op teruggekomen,
vooral bij gebrek aan een vijand om een beeld op te plakken.
 Jongkruid: een benaming voor de nieuwe onkruideniers in het derde woekerjaar.
Ze werd maar heel kort gebruikt en diende meer als een speelse aanduiding van
hen dan dat er echt een betekenis achter schuilde.

2.2. Andere termen


Naast deze metaforen komen ook nog een aantal andere zelf gecreëerde termen
vaak voor die een belangrijke betekenis hebben. Hier geef ik de belangrijkste:

 Kreaktief en kreaktie/-sie/-zie: een samentrekking van 'creatief' en 'actief' met vrije


spelling. Het werd een synoniem voor woekeren, hoewel de dimensie van het
naar buiten treden hier niet echt in voorkomt.
 Poë-zie (en aanverwante samentrekkingen met -zie of -zien): een poging om het
visuele aspect meer aandacht te geven toen dat in het tijdschriftje vrijwel ontbrak.
Om dezelfde reden kreeg het tijdschriftje in het tweede woekerjaar de ondertitel
'Mooi denken in beeld'.
 Poëziek, poëziel en dergelijke: een vermenging van poëzie met muziek, poëzie
met zieleroerselen, ... Ook vaak gebruikt om het poëtische aspect te beklemtonen
op een speelse wijze.
Hoofdstuk 3: Woekerwoorden 49

 Poëtisch terrorisme3: een woekervorm waarbij we door middel van aanslagen


proberen poëzie onder de mensen te brengen. Het poëtische wijst zowel op de
vorm van de aanslagen als op het doel, door middel van en ideologisch gestuurd
vanuit de poëzie werken dus. In praktijk werd het een benaming voor nachtelijke
plaktochten met zelfgemaakte affiches en flyers met tekeningen en gedichten
erop.

3
In het zesde hoofdstuk zal ik ingaan op het gebruik van deze term bij Hakim Bey. Bij ons is hij
weliswaar los van de ideeën van Hakim Bey binnengekomen.
Hoofdstuk 3: Woekerwoorden 50
Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties 51

Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties


Als methode om Onkruid in de diepte te benaderen heb ik gekozen voor een
etnografisch onderzoek. De bedoeling van dit onderzoek is weer te geven wat er
binnen dit specifiek collectief leeft, zeer lokaal dus, en wat hun specifieke manier van
omgaan is en dit enigszins te extrapoleren naar een ruimere context, evenwel ook
nog steeds zeer lokaal, zeg maar wat wij zien als onze omgeving, waar we onszelf
plaatsen. In dit hoofdstuk zou ik enkele methodologische kwesties willen uitwerken
die dit met zich meebrengt.

1. De probleemstelling

1.1. Enkele voorstellen


Handleidingen voor 'participerende observatie' gaan er gewoonlijk van uit dat de
etnograaf in een voor hem enigszins vreemde omgeving komt en dan probeert om
actief lid te worden van een groep en zijn ervaringen vanuit dit perspectief verwerkt
in een studie. Ikzelf ben echter al veel langer onkruidenier, wat mogelijk enkele
voordelen met zich meebrengt (ik kan misschien beter weergeven wat het is om
onkruidenier te zijn), maar ook enkele nadelen, want ik sta niet onbevooroordeeld
tegenover Onkruid en tegenover wat er binnen de groep gebeurt en heb eigen
wensen, ergernissen en dergelijke, die al langer aanwezig zijn dan van bij aanvang
van mijn onderzoek. Het is daarom belangrijk zo omzichtig mogelijk om te gaan met
deze positie.
Dit wist ik van het begin al, en het zal daarbij een grote invloed hebben op de
manier waarop mijn resultaten naar buiten komen, maar net dat lijkt mij een
interessant perspectief. Het vergt een specifiek spelen met methodes, het stellen
van extra vragen en reflectie, maar is ook een manier om bepaalde kwesties die
eigen zijn aan 'participerende observatie' net in vraag te stellen, wanneer het gemak
van de afstand tussen onderzoeker en studieobject wordt opgeheven. In dit
hoofdstuk wil ik deze kwesties aan het licht brengen en proberen een geschikte
omgangswijze voor te stellen, niet als een sluitend antwoord of een algemeen
toepasbaar geheel van regeltjes, maar als een manier om enerzijds zelf een weg te
vinden in de specifieke studie en anderzijds de resultaten die ik zal uitbrengen te
Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties 52

plaatsen en een bepaalde geldigheid en dus wetenschappelijke waarde mee te


geven.1 Er zijn weinig studies te vinden die vergelijkbaar zijn met mijn specifieke
situatie, waarbij de onderzoeker al een lid is van de groep voor hij zijn onderzoek
start2. Een tussenweg, waar meer over te vinden is, is het aansluiten bij een groep
die met iets bezig is waar de onderzoeker ook mee bezig is. Voor de rest heb ik
vooral een zoektocht afgelegd door de gewoonlijke vraagstellingen van
participerende observatie en die op hun relevantie voor mij getoetst. Theoretische
vragen zal ik afwisselen met concrete voorbeelden uit mijn eigen veldwerkstudie.

1.2. Participerende observatie: ja, maar…


Participerende observatie heeft binnen het scala van etnografische methodes
misschien wel de belangrijkste positie bereikt. De tijden dat de onderzoeker als
toeschouwer een groep mensen bestudeerde en zijn bevindingen erover uitbracht
zijn allang voorbij. De klemtoon is komen te liggen op inleving, deelnemen en diep
contact. In plaats van een standpunt in te nemen van bovenuit is de positie van de
onderzoeker belangrijker geworden, wordt zij mee opgenomen in de methode en
wordt zij in rekening gebracht bij het presenteren van de resultaten. De onderzoeker
moet, om de geldigheid van zijn resultaten te verantwoorden, zichzelf situeren,
alleszins naar zijn wetenschappelijk publiek toe. Naar de onderzoeksgroep toe kan
hij, naargelang de situatie, bekend maken dat hij onderzoeker is of niet. Dit is vooral
een ethische kwestie, waarbij het geheimhouden ervan neigt naar spionage, maar
soms de enige manier is om in een groep aanvaard te worden. Bij participerende
observatie gaat het er dus om dat een onderzoeker zich persoonlijk inwerkt in een
groep en zijn ervaringen op een of andere manier vastlegt, meestal door veldnotities,
om die later te verwerken tot een wetenschappelijk relevante tekst. Er is op dit vlak
veel verschenen rond het perspectief dat wordt aangenomen, waarbij veronderstelt
wordt dat de onderzoeker, die een outsiderperspectief heeft, probeert een

1
Deze waarde zal noodzakelijkerwijs gesitueerd zijn binnen een bepaald paradigma, en ook hier
rond zal ik proberen duidelijkheid te verkrijgen in dit hoofdstuk. Ik kan nu al stellen dat ik geen
geloof hecht aan een algemeen toepasbare methodologie, maar dat de onderzoeker zelf moet
proberen een kader te scheppen waarbinnen de studie voor anderen een geldigheid kan verkrijgen,
wat ik dan ook hier wil doen.
2
Een interessant voorbeeld is de doctoraatsscriptie van Stefan Szczelkun, die het collectief
Exploding Cinema vervoegde enkele maanden voor hij er een onderzoek bij startte, maar ook hij
was maar een later bijgekomen lid, zat er niet zo diep in geworteld als ik in Onkruid (Szczelkun
2002)
Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties 53

insiderperspectief in te nemen, maar tegelijk ook de verwachtingen en ervaringen die


zijn oorspronkelijke buitenstaanderpositie met zich meebrengt weergeeft en daarmee
kan omgaan.
Een andere vraag die zich stelt is die rond het doen en laten van de groep,
moet de onderzoeker omzichtig zijn en proberen niets te verstoren, of mag hij zijn
eigen invloed hebben en eventueel het onderzoek zelfs openlijk binnen de gang van
zaken inbrengen, bewust manipuleren om met situaties te experimenteren. En
manipuleert hij niet al automatisch, want zijn bevindingen zullen op een manier toch
al invloed hebben op zijn keuzes in de groep, zelfs als hij besluit een rol te spelen en
zich zoveel mogelijk aan de anderen te spiegelen. De onderzoeker is aanwezig, hij
bestudeert geen object dat buiten hem staat en waar hij geen enkele invloed op
heeft, deze invloed moet dan ook in de resultaten verwerkt worden, zowel vanuit
ethisch als methodologisch oogpunt. Participerende observatie vergt oefening en
eigen methodologische inzichten en bijsturing, er bestaat geen kant en klaar recept
voor. De handboeken bieden basisrecepten, maar praktisch gaat het steeds om een
improvisatie erop.

1.3. Van onkruidenier tot onkruidenier-onderzoeker


Voor mijn onderzoek ben ik vertrokken van de methodologische kwesties die
participerende observatie met zich meebrengt. Het is namelijk ook belangrijk goed
voorbereid te zijn, al geloof je in voortdurende bijsturing. Al kan de onderzoeksvraag
invloed ondervinden van of komen uit ervaringen tijdens het onderzoek zelf, het is
zeer riskant om zonder enig idee te vertrekken en mogelijk vele nuttige gegevens te
missen door niet vanaf het begin al enigszins gericht te werk te gaan. Van bij het
begin was mij duidelijk dat ik niet helemaal binnen het typebeeld van participerende
observatie paste, ik ging niet participeren om te observeren, ik participeerde al twee
jaar zeer actief. Wat voor mij dan zeker van belang was, was de vraag hoe ik het
onderzoek zou passen binnen mijn normale activiteit als onkruidenier. Welke invloed
zou het uitoefenen op mijn doen en laten en op mijn positie binnen de groep. Omdat
we een kleine groep zijn verandert er wel gemakkelijk iets, er komen voortdurend
mensen bij, anderen vallen af of hebben gewoon even minder tijd. Ook stond de
Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties 54

groep onmiddellijk open voor het feit dat ik hen zou bestuderen, iedereen geniet een
grote vrijheid en dat gaf mij de mogelijkheid om zonder al teveel beperkingen mijn
weg erdoor te zoeken. Als er problemen zouden rijzen zou ik altijd kunnen ingrijpen.
Voor de invloed van de aanwezigheid van het onderzoek hoefde ik ook niet te
vrezen, het gaf een interessante dimensie, de mede-onkruideniers ervaarden het als
een manier om tot zelfreflectie te komen en vertrouwden mij, waardoor ik ook open
kon zijn in mijn bedoelingen.
Als methode om gegevens te verzamelen heb ik gekozen voor
geluidsopnames op audiocassettes. Er kan veel kritiek bestaan op deze methode,
want hoewel het een schijn van volledigheid en objectiviteit geeft, wordt de ervaring
van de onderzoeker enigszins weggecijferd, die op het moment zelf slechts een
bepaalde stroom kan horen en er zelf eigen gevoelens bij heeft3. Anderzijds, en dit
is vooral de reden waarom ik deze methode heb gekozen, geeft het de mogelijkheid
om, zonder als onderzoeker tussendoor te moeten nadenken (en dit een grote
invloed te laten hebben op het gedrag binnen de groep), een heleboel gegevens
mee te hebben, waardoor het verwerken veel later kan gebeuren en de gesprekken
en andere geluiden (min of meer) permanent opgeslagen zijn. Nadien kunnen
ervaringen ook herinnerd worden aan de hand van geluidsfragmenten en dan nog
verwerkt worden. Bovendien is het ook interessant om jezelf te horen op de tapes,
om ook over de eigen positie na te denken. Hoe dan ook ben ik op geen enkel
moment overgegaan tot het bewust en gestructureerd nemen van veldnotities. Ik
heb wel soms, eerder als onkruidenier dan als onderzoeker, soms wat
opgeschreven, ergernissen, ideeën, opmerkingen, die ik zeker en vast ook als
bronnenmateriaal kan gebruiken, evenals de verslagen van vergaderingen
('woekeravonden') en de e-mails die werden gestuurd binnen onze mailinglist. In het
volgende deel zal ik even ingaan op de plaats die ik mijn ingrijpen in de groep de
voorbije maanden toeken en hoe ik dit in mijn onderzoek kan situeren.

3
Geluidsopnames nemen wel de setting op, maar cijferen de onderzoeker weg en hebben op zich
geen enkele waarde voor het onderzoek, enkel als ze verwerkt worden door de onderzoeker.
Veldnotities hebben van het begin af aan waarde omdat ze zeer persoonlijk zijn. (zie Emerson et al.
1995, 9-11)
Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties 55

1.4. De plaats van de onderzoeker


Ingrijpen in de groep: als participant
Een belangrijke vraag in participerende observatie is de plaats van de onderzoeker,
op welke manier heeft hij invloed op de groep en hoe moet hij daarmee omgaan,
zowel in de groep als in zijn verwerking van de gegevens. Bij mij stelde zich dan de
vraag hoe mijn taak als onderzoeker mijn onkruidenierschap zou beïnvloeden. Ik
kon niet zomaar zoveel mogelijk afzijdig blijven, na twee jaar vervulde ik een
belangrijke plaats in de groep en had van daaruit veel invloed op wat er gebeurde.
Het zou dan onnatuurlijk zijn plots die invloed weg te nemen en mij afzijdig te
houden. Dit leek mij meer ongeoorloofde verstoring dan blijven mijzelf uiten en op
die manier sterk in te grijpen in de groep. Wanneer de band zo sterk is, is het
evenwel onmogelijk om enigszins objectief waar te nemen wat er gebeurt. Ik ken het
reilen en zeilen binnen Onkruid en heb een eigen visie erop, ik beoordeel nieuwe
ideeën als goed of slecht en het is daarom noodzakelijk dit in rekening te brengen,
mijzelf op te nemen in het verhaal. Het feit dat ik mij steeds heb afgehouden van
bewuste manipulatie (zonder medeweten van anderen, bedoel ik dan) kan mij niet
vrijpleiten. Dat ik dit gedaan heb kan ik trouwens niet eens bewijzen. Het lijkt me
daarom beter bewust om te gaan met het eigen ingrijpen in de groep, eerder dan
een niet controleerbare belofte af te leggen over ethische principes.

Ingrijpen in de groep: als onderzoeker


Op bepaalde momenten heb ik bewust het onderzoek wel ter sprake gebracht. Op
ons eerste weekendje van dit 'woekerjaar'4, heb ik, in de vorm van een workshop, de
andere onkruideniers een lijst voorgelegd met verschillende thema's en de vraag om
aan te geven welke ze belangrijk vonden en waar ze Onkruid plaatsten. De
volgende dag hielden we dan een groepsdiscussie over deze antwoordbladen, zowel
over de gegeven antwoorden als over het onderzoek zelf en hoe de verschillende
mensen ermee omgingen. Dit is het enige moment waarop ik het onderzoek zelf ter
sprake bracht. Natuurlijk was het steeds aanwezig op een duidelijke manier, vooral
door het taperecordertje dat steeds in het midden stond en waar andere
onkruideniers af en toe ironisch naar verwezen. Opvallend is dat altijd wel spontaan

4
Van 7 tot en met 9 november 2003 in de Haan.
Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties 56

iemand de cassette omdraaide als dat nodig was. Soms vroeg ook iemand hoe het
met mijn onderzoek gesteld was. Ik heb dan steeds eerlijk geantwoord, ook als mijn
onderzoeksvraag enigszins gewijzigd was, onder invloed van mijn waarnemingen
vooral.
Bij dit alles lijkt het ingrijpen van het onderzoek op de groep gering en
onschuldig. Toch is het belangrijk dit alles in rekening te brengen bij de verwerking
van de resultaten, methodologische duidelijkheid is nodig om de conclusies binnen
het geheel te kunnen plaatsen, zwevende conclusies zijn waardeloos. De manier
waarop het onderzoek aanwezig is moet in het verhaal ingebracht worden. Ook hier
lijkt een objectiverend perspectief verlaten te worden, maar geeft het weergeven van
het onderzoek en de reacties erop net een eigen dimensie, het vertelt ook iets over
de groep en is als dusdanig zelfs heel nuttig. Het is belangrijk te reflecteren over de
invloed op de setting, wat meer betrouwbare informatie oplevert dan het wegcijferen
van de ingrepen die het onderzoek erop heeft.

2. Mogelijke (uit)wegen: spelen met invalshoeken

2.1. 'Participerende observatie' of 'observerende participatie'?


Als ik zou moeten antwoorden hoe ik mijn onderzoek zie, zou ik het eerder als
observerende participatie beschouwen dan als participerende observatie. Mijn
engagement dat ik in de groep heb dringt door tot het onderzoek, is er zelfs de basis
van. In mijn participatie zat al een zekere routine, het observeren en reflecteren
kwam erbij. Dit noopte mij tot een creatief omgaan met methodes. Mijn participatie
werd niet gebaseerd op een onderzoek, waardoor mijn methodische zoektocht zich
vooral heeft toegespitst op het vinden van een gepaste manier om het onderzoek in
mijn gewone doen in te brengen. Het vergt misschien nog meer bijsturing dan
wanneer de onderzoeker in een nieuwe setting komt en vooraf zijn methode kan
bepalen. Anderzijds betwijfel ik of de verschillen wel zo groot zijn. Het feit of de
onderzoeker in de setting komt of er al in zat maakt wel iets uit voor het verhaal zelf,
maar dezelfde reflecties zijn altijd nodig, om een waardevolle studie uit te brengen
moet de onderzoeker zichzelf steeds kunnen positioneren en dan maakt het voor het
methodologisch denken niet zoveel uit welke beginpositie hij dan wel heeft. De
verschillen situeren zich vooral op het vlak van persoonlijke betrokkenheid, maar als
Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties 57

deze ook in het verhaal wordt opgenomen maakt dit ook niet zoveel meer uit. Een
verschil dat er dan wel kan zijn is de omgang met de subjecten, een afstandelijke
etnograaf kan genadelozer optreden, maar dit optreden zal minder impact hebben
op zijn echte leven. Daarom…

2.2. Zoals altijd: ethische kwesties


Bij etnografisch veldwerk ben je niet alleen betrokken. De onderzoeker brengt een
studie uit over andere mensen en heeft daarbij een bepaalde macht. Daarom is
binnen een methodologische reflectie het nadenken over ethische kwesties
onontbeerlijk, de onderzoeker moet duidelijk maken hoe hij met de anderen omgaat,
anders kunnen zij met een woord zijn studie genadeloos omverwerpen. De
subjecten moeten in rekening worden gebracht, zij worden weergegeven binnen de
studie en hebben het recht een eigen inspraak te hebben. Die hebben ze al door
wat ze doen binnen de groep, en daar moeten ze achter durven staan, maar de
onderzoeker heeft tegenover dit alles een eigen positie, en moet ook dat duidelijk
maken, anders dreigt hij vanuit een bijna goddelijk perspectief te oordelen (en
veroordelen) over anderen en selectief het onderzoek te gebruiken om een eigen
individuele opinie kracht bij te zetten. Mijn bedoeling was van in het begin de
anderen zoveel mogelijk te betrekken bij het onderzoek en open te zijn naar hen toe.
Het vormt bijvoorbeeld geen enkel probleem om de echte namen te vermelden. Dit
kan ik echter enkel maar aantonen op mijn erewoord en dit heeft maar weinig
wetenschappelijke waarde. Het maakt wel het onderzoek een stuk gemakkelijker en
zegt tegelijk iets over de groep. Hoe zij tegenover het onderzoek staan en hoe de
onderzoeker met hen omgaat, zowel in het veldwerk als in de verwerking ervan, kan
op zich al interessant studiemateriaal zijn en dit is dan ook een belangrijke reflectie.
Deze ethische kwesties hebben invloed op heel het onderzoek, maar blijven tegelijk
ook vaag en zeer persoonlijk. De manier van ermee om te gaan ligt binnen een
ruimere visie van de onderzoeker op hoe hij tot kennis kan komen, zijn ontologische
en epistemologische vooronderstellingen, en bepaalt mee in welke vorm hij zijn
resultaten naar buiten zal brengen.
Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties 58

2.3. Reflectie is de oplossing…


Ik heb in al het voorgaande de klemtoon gelegd op verschillende reflecties die ikzelf
als onderzoeker wil maken en van waaruit ik wil vertrekken voor de verwerking van
mijn veldonderzoek. Nu zal ik even proberen recapituleren en het proberen in een
geheel te gieten. Ikzelf ben als onkruidenier eind oktober begonnen aan een
participatief onderzoek bij het kunstcollectiefje Onkruid. Mijn beginpositie is dus dat
ik lid ben van de groep en een bepaalde routine mee heb, een insiderperspectief en
ook duidelijke wensen en verwachtingen. Voorts is er mijn ingrijpen in de groep. Het
zou eerst en vooral onnatuurlijk zijn als ik mij plots afzijdig zou houden in de groep
als onkruidenier, maar anderzijds moet ik mijn ingrijpen in de studie in beeld kunnen
brengen om duidelijk te maken welke invloed ik op de setting uitoefen, want de groep
bestaat niet buiten mij om. Ook belangrijk is het in beeld brengen van de plaats van
het onderzoek in de groep, de invloed die voortkomt uit mijn gebruikte methodes en
de reacties van de andere onkruideniers op het onderzoek. Bij dit alles heb ik mij de
vraag gesteld of dit alles ertoe doet. Het blijkt vooral persoonlijk een invloed te
hebben, wat alweer reflectie vraagt om daarmee om te gaan, de onderzoeker moet
kunnen aangeven welke invloed het onderzoek en zijn band met de groep op
hemzelf heeft. Op het vlak van ethische kwesties kan zijn positie wel een invloed
uitoefenen op zijn houding naar de groep toe. Maar bij de verwerking zal dit alles
toch gebaseerd zijn op zijn eigen aanvoelen en vooronderstellingen.

2.4. …in zekere mate


Wat betekent dit nu praktisch? Ik heb de verschillende reflecties al aangebracht en
zelfs al wat aanzetten tot antwoorden voor mijn eigen studie gegeven, om een kader
te scheppen voor de resultaten die ik zal presenteren. Maar hoe moet ik deze
reflecties in de resultaten zelf verwerken? Als ik voortdurend gestructureerd deze
reflecties naar voor zou moeten brengen, dreigt de tekst onleesbaar te worden en
(mede daardoor) irrelevant. Deze reflecties onderbouwen dan wel het onderzoek,
maar als het onderzoek over een onderzoeksgroep gaat en niet over het onderzoek
zelf, dan moeten ze op een welgekozen manier worden ingebracht zodat ze de
leesbaarheid van de relevante resultaten niet verstoren. Een mogelijkheid om dat te
doen is narratieve elementen gebruiken, de studie als een verhaal te brengen,
Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties 59

gelokaliseerd en met de onderzoeker en het onderzoek mee in het verhaal verwerkt.


Eerder in deze tekst heb ik eigenlijk al verwezen naar deze methode, omdat ze voor
mijn situatie en bedoelingen zeer bruikbaar is. Mijn studie is lokaal en geëngageerd
en kan het best worden uitgebouwd in verhaallijnen. Een poëtische uitwerking geeft
trouwens ook in zijn vorm iets weer van ons denken bij Onkruid, we hebben zelf een
eigen taal om over onszelf te spreken.
Een andere manier is gestructureerd werken, de resultaten groeperen en de
reflecties daar een plaats tussen geven. Die zouden dan kunnen dienen om de
resultaten te situeren binnen een sociale context5. In praktijk zal ik een vermenging
van beide gebruiken, op een gestructureerde manier het verhaal brengen en daarin
de reflecties in narratieve stijl verwerken. Op die manier wordt het mogelijk om mijn
eigen engagement naar buiten te brengen op een wijze zodanig dat er een
meerwaarde wordt gegeven aan de studie en ze onderbouwd kan worden vanuit een
aanwezige onderzoeker. Er kunnen andere methodes zijn om dergelijke studies aan
te pakken, maar ik denk op deze manier toch een voor mij bruikbare en voor een
ruimer publiek aanvaardbare en begrijpelijke omgang met participerende observatie
(of observerende participatie) te hebben in elkaar gepuzzeld.

5
Wainwright bespreekt hoe we, door 'validity', geldigheid, te re-conceptualiseren in termen van
reflectie, we elementen van sociale kritie kunnen inbrengen in kwalitatief onderzoek (Wainwright
1997).
Hoofdstuk 4: Enkele methodologische kwesties 60
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 61

Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken


In dit hoofdstuk zal ik de ontwikkelingen van Onkruid in het academiejaar 2003-2004
weergeven. Bijzonder daaraan is dat ik mij niet enkel baseer op herinneringen en
verslagen, maar vooral op notities en opnamen die ik gemaakt heb, met het oog op
een etnografisch onderzoek. Naast een overzicht van de gebeurtenissen zal de
klemtoon dus liggen op hetgeen erachter schuilging in de groep en hoe ik dat zag.

1. De eerste drie maanden

1.1. Het begin


Zoals ook het jaar ervoor het geval was geweest kwamen we eind september
(maandag 29 september) bij Shany samen met enkele onkruideniers om een
strategie op te stellen om nieuwe geïnteresseerden te lokken.1 We besloten van
deze gelegenheid gebruik te maken om de knelpunten van het voorbije jaar al wat te
overzien. Enkele mensen hadden hun visie al wat uitgewerkt, waarbij we
probeerden uit te denken hoe we onszelf toekomstgericht aan de nieuwe mensen
zouden kunnen voorstellen. Een opvallend punt hierin was de keuze om de nieuwe
onkruideniers een speciale plaats te geven, omdat zij in de continuïteit zouden
kunnen voorzien in drukke periodes en ook in de opvolging. Al meteen kregen zij
daarom de term 'Jongkruid' toegedicht, waar ergens de gedachte in stak van leerling-
onkruideniers, hoewel de drang om van hen te leren ook expliciet werd vermeld. Uit
problemen van het voorbije jaar waar mensen opstapten uit onvrede met de ideeën
van de groep, naar hen de 'Roel&Rogier-case' genoemd, stelden we vast dat
gelijkschakelen de groepsgeest meer ten goede zou komen dan breken. Dit vroeg
dan wel naar een explicitering van onze bedoelingen, iets wat we op dat moment
toch in een bevredigende mate wilden bereiken. Onder deze bedoelingen kwam dan
naar voor: dingen maken en uitbrengen en daarin efficiënt te werk gaan, door vaste
vergaderstructuren, workshopdagen, een kalender uit te werken, kortom op basis
van onze ervaring en overleg de meest efficiënte tijdsindeling uitwerken. De idee
van werkgroepjes zouden we ook als basis aanvaarden. Individuele onkruideniers
zouden ook zichzelf verantwoordelijk stellen voor een onderdeel, iets waar we uit het
1
Een overzicht van alle vergaderdatums van dit jaar is te vinden in bijlage V achteraan.
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 62

voorbije jaar ook al positieve ervaringen mee hadden. Aan de term woekeren werd
zo ook de operationele definitie gegeven: “elke activiteit die de geest van onkruid in
materie omzet.”
Concreet zouden we een week later met flyers en affiches op zoek gaan naar
'Jongkruid', vooral gericht op nieuwe studenten, door de uren uit te kiezen waarop
deze in de universitaire gebouwen aanwezig zouden zijn. Ook trokken Shany en
Floris naar de studentenradio URGent om daar een aankondiging te doen en ons
kort voor te stellen. Ondanks de intentie om ons werkterrein uit te breiden naar
andere faculteiten beperkten we ons toch weer vooral tot de Letteren en
Wijsbegeerte op de Blandijn. Twee dagen nadien (op woensdag 8 oktober 2003,
weer bij Shany) zouden we dan een startvergadering houden, waarop we voor de
geïnteresseerden onszelf kort zouden voorstellen en ruimte laten voor gesprekken.
Een beperkt manifest werd daar ook aangebracht, hoewel we daar later niet meer op
teruggekomen zijn. Op deze avond kwamen maar liefst tien nieuwe mensen af.
Later kwamen er nog enkelen bij die de startvergadering hadden gemist, en velen
hielden het al na enkele samenkomsten voor bekeken, maar het jaar werd toch
gestart met een sterk uitgebreide groep. De engagementen die de eerste
bijeenkomst werden vastgelegd zouden vanaf de tweede vergadering, een week
later bij Bieke, concreter vorm krijgen.2 Het weekend van 7 tot 9 november werd
afgesproken samen naar het vakantiehuisje van Frederik in De Haan te gaan, een
groepje zou zich met de voorbereiding bezighouden. Op 21 oktober zou er ook al
een redactiebijeenkomst zijn om een eerste nummer van het tijdschriftje te maken.
De dag daarna zouden we ook weer affiches hangen in de Gentse straten onder het
motto poëtisch terrorisme.

1.2. De idee van het etnografisch onderzoek


Het is in het begin van dit nieuwe woekerjaar dat bij mij de idee opkwam om een
etnografisch onderzoek te voeren rond het collectief. De grote aanwinst van nieuwe
onkruideniers gecombineerd met de groeiende ervaring van de anderen zou
interessante observaties kunnen opleveren omtrent de specifieke groepsvorming en

2
De wisseling van locaties was in deze periode een belangrijk punt, omdat we voelden dat de vaste
thuisbasis bij Yves het voorbije jaar ons ook wat in die ruimte deed vastroesten, en omdat het ook
beter leek de taak van gastdame of -heer te spreiden dan die druk op één persoon te leggen.
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 63

activiteit van Onkruid en ideeën die zouden kunnen doorgekoppeld worden naar het
denken rond kunstenaarscollectieven in het algemeen. Logischerwijs zou het een
participatief onderzoek worden. De specifieke methodologische kwesties hierrond
heb ik in het vorige hoofdstuk aangehaald, maar in praktijk kwam het neer op een
combineren van zogenaamde veldnotities met dictafoonopnamen van de
vergaderingen. Ook wilde ik vanaf het begin enkele doelbewuste experimenten
invoegen, in de vorm van vragenlijsten, om aan de hand van de reacties een
bepaald groepsbeeld te kunnen samenstellen en daar ook praatmomenten rond in te
lassen. Later ben ik van dit laatste afgestapt, omdat het de klemtoon te sterk naar
zich zou trekken. De praatmomenten over het onderzoek kwamen dan spontaan
tijdens het gezellig samenzijn en niet meer bewust gepland. Mijn eerste opnames
vonden plaats tijdens de vergadering van woensdag 29 oktober 2003, waarop de
proefdruk van het tijdschriftje werd besproken en vooral het weekendje gepland. In
totaal zou ik eenentwintig tapes van 90 minuten opnemen, een lijst van de opnames
is te vinden in het jaarschema (bijlage VI).

1.3. Herfstweekend in De Haan


Op vrijdag 7 november vertrokken we met zeven onkruideniers naar De Haan voor
een weekendje aan zee. Bieke en Kristien zouden de volgende dag komen. Voor
het eerst hadden we echt activiteiten voorbereid en een ruw tijdschema gemaakt.
Het zou een combinatie worden van spelletjes, meditatie, enkele workshops
(jongleren en creatieve uitwerking van sjamanistische trance-ervaring) en muzikale
jamsessies, maar vooral ook brainstorms en concrete uitwerking voor de
poëzieshow die we zouden geven op woensdag 3 december in zaal Kitsch.
Aangezien daarvoor de plaats en datum al waren vastgelegd hadden we een extra
stimulans om ook achter de invulling vaart te zetten. Een eerste opmerkelijk moment
was een jamsessie aan de tramhalte in Oostende, waar we een klein uur moesten
wachten. Spontaan haalden we onze instrumenten boven (percussie, gitaar,
harmonium en klarinet), tot we allen samen aan het spelen en zingen waren. Ook
voor de voorbijgangers ging dit niet onopgemerkt voorbij. Een Afrikaanse jongeman
kwam zelfs meezingen. Het is op dit moment dat het belang van de jamsessies voor
het ganse weekendje gevestigd werd, als een vrije ruimte die we toch tussen onze
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 64

activiteiten wilden behouden. Op andere momenten daarentegen besloten we een


begonnen jamsessie te onderbreken voor een activiteit, wat het belang beklemtoont
dat we aan de activiteiten wijdden. Al bij al illustreert dit de gestructureerdheid van
ons werken in deze periode, die op dat weekendje wel heel goed werd afgewisseld
met vrije creatieve momenten.
De eerste avond besteedden we naast een kleine maaltijd nog een moment
aan een vrij (plat) podium, waarbij we luisterden naar gedichten, verhalen en liedjes
van elkaar. Onbewust werkten we op die manier al een basis uit voor de
poëzieshow, door al een plaats en omkadering te bedenken voor een deel van de te
brengen stukjes. De volgende dagen zouden onze brainstorms van daaruit
vertrekken. Een strandwandeling sloot de avond af. Hetgeen we op zaterdag en
zondag deden verschilde in wezen niet veel van hoe we het vrijdag deden, waardoor
we ons dit weekend zullen herinneren als een sterk moment van harmonie in de
groep, wat duidelijk in de gesprekken van zondag te horen is, en naar de
poëzieavond toe zeker zou blijven doorwerken. Basisthema's die een belangrijke rol
speelden waren de uitwerking van de poëzieshow, spirituele experimenten en de
jamsessies.
Zeer interessant als opnames zijn de gesprekken bij het ontbijt
zondagmorgen. Via de poëzieavond komen we daar immers bij de toekomst van
Onkruid terecht, op een ludieke manier voorgesteld. Wanneer we het hebben over
de publiciteit rond de poëzieavond lijkt zaal Kitsch immers behoorlijk klein, waardoor
we uitgebreid fantaseren over reuzenschermen op het Sint-Pietersplein,
dranghekken, helicopers en limousines, alsook over een tournee langs grote
concertzalen, kortom het sterrendom. Enerzijds is dit een algemeen moment van
ludieke zelfreflectie, maar tussendoor gaat de discussie over een naam en concept
voor de poëzieshow toch gewoon voort en blijken we die toch ernstig op te vatten.
Dit alles wijst op een groot zelfvertrouwen in de groep en ook de wil om er op kleine
schaal iets groots van te maken, net door het op een grote schaal te projecteren.

1.4. Een onderzoekje naar onze motivaties


Op dit weekendje had ik ook een moment gereserveerd om in het licht van mijn
etnografisch onderzoek een groepsgesprek te houden, op basis van een lijst met
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 65

thema's die ik zou aanreiken. Zaterdagnamiddag hadden we elk op zo'n lijst


aangegeven welke thema's we belangrijk achtten en waarom, en tijdens het gesprek
zou ik dan met de groep samen op zoek gaan naar de algemene lijnen.3
Oorspronkelijk was mijn bedoeling echt rond deze thema's te werken en
discussiëren, om de verschillende posities in de groep te ontdekken. Deze
bedoelingen communiceerde ik dan ook op voorhand naar de anderen toe. Bij de
verwerking van de resultaten bleken echter andere aspecten veel opvallender.
Iedereen had bij zowat elk thema iets aangeduid, of thema's gegroepeerd, maar er
waren opmerkelijke verschillen tussen de oude en nieuwe onkruideniers. Waar de
uitleg bij de nieuwe onkruideniers (Kristien, Daan en Renée) zeer beperkt bleef, had
de oude garde (Yves, Wouter, Shany en Frederik) bij elk thema een uitleg
genoteerd, waardoor hun invulbladen stuk voor stuk volgeschreven waren. Zonder
op het inhoudelijke te moeten ingaan, was er dus op dit vlak al een duidelijk
onderscheid, namelijk de drang tot lange uitweidingen bij de meer ervaren
onkruideniers.
Als we dan naar deze uitleg kijken valt daarin ook een verschil op. Enerzijds
blijkt bij de nieuwere onkruideniers dat zij nog niet echt weten wat de boodschap van
onkruid dan wel moet zijn, maar anderzijds ook een onwil om te theoretiseren, een
klemtoon op de praktijk. Vooral de bondige uitleg van Kristien en Renée biedt
weerstand tegen het verankeren van de gedachte Onkruid, door net het belang van
het creatief bezig zijn te benadrukken. Bij de oudere onkruideniers daarentegen zien
we dat het theoretiseren rond de groep een gezamelijke richting uitgaat, door de
gedeelde ervaringen, en dat de entiteit Onkruid daarbij niet in vraag wordt gesteld.
Hetzelfde viel op in het groepsgesprek zondagmiddag. Hoewel hun relatief recente
komst in de groep ook een rol speelde, beperkten de jongkruideniers zich eerder tot
kleine noten van kritiek, terwijl de 'gevestigde' onkruideniers enthousiast en
diepgravend mee de positie van het collectief probeerden te bepalen.
Ik moet wel stellen dat ik tijdens dit onderzoekje zelf als zogenaamd neutrale
moderator optrad en mijn eigen positie dus niet naar voor bracht. Als ik deze post
facto moet maken kwam bij mij eerder een gevoel van ergernis naar boven
3
Een blanco-exemplaar van het invulblad is te vinden als bijlage VI achteraan. De thema's zijn
hierop willekeurig gerangschikt door middel van loting, om elke beïnvloeding door de plaatsing
tegen te gaan.
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 66

tegenover de lange uitweidingen en een sympathie voor de directheid van de


jongkruideniers, hoewel ik zelf ook gemakkelijk tot een uitgebreide theorievorming
zou gekomen zijn. Dit spanningsveld zou mijn aandacht vestigen en een belangrijk
thema worden voor het verdere verloop van mijn etnografisch onderzoek, met de
hypothese dat de afkeer van theorievorming meer zegt dan “ik heb er nog niet over
nagedacht”, maar eerder een fris enthousiasme om creatief bezig te zijn uitdrukt. De
idee kwam in mij op om te werken rond de beeldvorming van de groep over zichzelf
en de wereld rondom in haar werking als een groepsvormend proces, en de
vraagstelling of nieuwe mensen zich ook onbewust in dit denken zouden inwerken
door een langere periode aan het groepsgebeuren deel te nemen.

1.5. De poëzieavond
De maand na het weekendje werkten we de poëzieshow volledig uit. Twee keer
kwamen we daarvoor met de hele groep samen, op 24 november en 2 december.
Vijftien mensen zouden iets brengen op het podium, hetzij poëzie, muziek of
sketches tussendoor (Steven en Yves, net als het jaar ervoor). Rond de indeling van
de avond werd gemakkelijk een consensus gevonden. Iedereen bracht zijn stukje,
waarbij we samen bediscussieerden waar het best zou passen in de show. Ook over
de manier waarop het gebracht zou worden gaven we elkaar constructieve
commentaar. Het enthousiasme over elkanders stukjes was hierbij heel groot,
waardoor onze eigen verwachtingen zeer hoog gespannen waren, iets wat op het
weekendje ook al het geval was, maar nu des te meer. Dit was de eerste keer dat
we met een zo grote groep werkten, met heel wat mensen die voor de eerste keer
meewoekerden, maar vrijwel iedereen stortte zich er volop mee in.
Iets wat we in een kleiner groepje deden, en wat heel wat meer voeten in de
aarde had, was een naam bedenken voor het geheel. Aangezien de praktische
uitwerking zo vlot verliep valt dit gedeelte des te meer op. Deze discussies namen
meer tijd in dan het in elkaar puzzelen van de avond. Het basisidee was eerst
gegroeid tijdens het ontbijt zondagochtend op het weekendje: voortwerken op de
naam van de vorige poëzieavond. Die droeg de naam 'Illuminatie' en een gepast
antwoord daarop zou dan kunnen zijn 'Eliminatie'. Dit was een titel die meteen op
veel bijval kon rekenen. Met de hele groep probeerden we er betekenissen aan te
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 67

verbinden, een verhaal van te maken zodat deze benaming bijna aanvaard werd.
Toch kwam er tegenreactie. Volgens Shany zou hij te bombastisch zijn en te duister.
Daarom stelde hij zelf voor het meer speels te houden met enkele betekenisloze
kernachtige woorden als voorstel. Niet dat de 'Eliminatie' niet speels bedoeld was,
maar het ging er om hoe dit zou overkomen bij het publiek. De speelse voorstellen
kregen veel tegenstand, waardoor de strijd tussen een krachtige en sprekende titel
en kernachtige nonsens onbeslist bleef. Andere werktitels werden voorgesteld
waarna we overgingen tot stemming. Na twee stemrondes bleek geen enkele titel
voldoende bijval te krijgen, want we streefden ernaar een enthousiaste quasi-
unanimiteit te bekomen. Uiteindelijk kwam die er voor 'Onkruid Poëzieavond II', een
voorstel van Steven, waarmee ook abrupt een einde kwam aan de discussie. Het
enthousiasme bij deze keuze voor eenvoud was enorm. In onze verdere werking
hebben we nooit meer gezocht naar bombastische titels, wat volgens mij te danken
is aan dit ene moment. Over de inkomprijs was er dit jaar geen discussie, in
tegenstelling tot het jaar daarvoor. De zaal mochten we gratis gebruiken, waardoor
we met 2 euro per persoon ruimschoots zouden toekomen voor de onkosten.
Over de poëzieavond zelf valt weinig te zeggen. We hadden 50 affiches en
200 flyers gedrukt, wat samen met de mondelinge reclame ongeveer negentig
toeschouwers lokte, afgezien van een aantal mensen die we hebben moeten
weigeren wegens volzet. Ook hadden we weer reclame gemaakt via radio URGent,
maar een noemenswaardig verschil zal dat niet opgeleverd hebben. De voorstelling
verliep prima en de reacties van het publiek en van onszelf waren enthousiast, wat
uitmondde in een aangenaam fuifje achteraf (dit hadden we tot 'aprèspoëski'
gedoopt). De toeschouwers kregen ook een boekje mee met alle gedichten erin,
hoewel we door de massale opkomst ook daarmee niet toekwamen. Op enkele
technische probleempjes met het geluid na konden we dus spreken van een
geslaagde poëzieavond, niet te groots opgevat, maar met de klemtoon op de
gezelligheid of, zoals we dat al het jaar daarvoor noemden, het baarmoedergehalte.
De mankementjes leverden meer nog een extra sympathie op, want ze versterkten
onze uitstraling om met weinig middelen veel te brengen.
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 68

1.6. Na de poëzieavond
De weken erna lasten we een kleine pauze in, om de poëzieavond en alle energie
die er in was gekropen wat te laten bezinken. Wel brachten we enkele stukjes nog
op de poëzieavond van de Kring voor Moraal en Filosofie, een week later in café
Hotsy Totsy, maar daar was geen verdere voorbereiding voor nodig. Op maandag
15 december kwamen we dan bij Yves samen om de poëzieavond kort te evalueren,
maar vooral om de videobeelden te bekijken. Veel meer deden we op deze avond
dan ook niet. Het uitwerken van verdere ideeën zouden we na de kerstvakantie
doen, al waren de ideeën er wel: een muziekgroepje, een theatervoorstelling en een
expositie. Wel kondigde Shany op deze bijeenkomst zijn tijdelijke vertrek bij Onkruid
aan, hij wou zich meer op andere dingen concentreren, die hij met de groep niet zag.
Zijn kritiek op een verstarring in de groep lokte sterke reacties uit, maar niemand
nam het hem kwalijk, waardoor het ook niet als een breuk werd beschouwd, te meer
omdat hij beklemtoonde dat het tijdelijk was. De idee dat Onkruid een bepaalde
richting opging en hij een andere konden we allemaal aanvaarden, al was het wat
zijn geesteskind dat hij verliet. Twee weken later vierden we ook oudejaarsavond bij
Yves met bijna de hele groep. De bedoeling was om een vrij podium te houden,
maar uiteindelijk zou het bij een gezellig kampvuurfeestje blijven. De inspiratie was
tijdelijk opgebruikt en er was ook niet meteen behoefte aan.

2. Het voorjaar: veel ideeën, weinig uitwerking

2.1. Zoeken naar een vervolg


Op donderdag 15 januari 2004 kwamen we voor het eerst in het nieuwe jaar weer
samen om nieuwe afspraken te maken. De bedoeling zou zijn om kleine
werkgroepjes te vormen, alsook een overzicht te krijgen over de financiën van onze
penningmeester Thomas. Door het overhaast bij elkaar roepen van de onkruideniers
waren we maar met een paar mensen, zodat we besloten op 2 februari opnieuw
samen te komen. Wel legden we al punten vast om rond te werken. De financiële
situatie wilden we eens bekijken na de poëzieavond, we zouden een nieuw nummer
van het tijdschriftje maken en een concept bedenken om een expositie te
combineren met een poëzieavond. Met het oog op dit laatste had ik nog enkele
mensen gecontacteerd die geïnteresseerd waren om mee te werken. Er werd ook al
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 69

afgesproken een week eerder specifiek samen te komen om muziek en theater uit te
werken bij Daan op maandag 26 januari, wat op een jamsessie neerkwam en het
engagement om beide in aparte werkgroepjes te stoppen, met de bedoeling dit later
te kunnen samenvoegen. Het enthousiasme voor de muziek was er nog steeds,
maar deze keer wel met een duidelijke bedoeling. Op woensdag 28 januari gingen
we nog eens affiches plakken, 'poëtisch terrorisme' in het kader van Gedichtendag,
maar ondanks het grote aantal affiches dat we gedrukt hadden zouden er maar
enkele opgehangen worden. Door de zware sneeuwval en vriestemperaturen was
de behangerslijm immers bevroren, zeker nadat we hem hadden proberen
verdunnen met sneeuw. Hoe dan ook bleek in deze activiteiten een enthousiasme
om kleine activiteiten te doen, vooral om niet stil te vallen in deze periode. Het
verkopen van tijdschriftjes de volgende dag, 29 februari, liep fout door verkeerde
interpretatie van afspraken.
Op de vergadering van 2 februari kondigde Thomas aan dat hij Onkruid zou
verlaten. Hij kon zich niet vinden in de omgang met initiatief nemen. De werkwijze
zou meer vastgelegd moeten zijn, door een manifest met een duidelijke visie. Op dit
moment waren er teveel losse initiatieven, zonder een doelstelling. Ook in de
omgang met kritiek waren we volgens hem te vrijblijvend, om te groeien zouden we
moeten durven bijschaven waar nodig, harder durven naar een eenduidige weg
timmeren. Dit liep uit in een lange discussie, waarbij vanuit de groep vooral het
enthousiasme werd beklemtoond en de vrijblijvendheid. De algemene tendens was
ook dat Thomas zelf weinig betrokken was geweest bij Onkruid de laatste tijd,
hoewel dat dan weer deels te wijten was aan zijn ontevredenheid. Hoe dan ook
moesten we op zoek naar een andere penningmeester. Wouter werd gauw bereid
gevonden en was een ideale kandidaat gezien zijn constante aanwezigheid bij
Onkruid. Met hem zouden we terugkeren naar een eenvoudiger systeem,
gebaseerd op vertrouwen. We plaatsten ook een deel van de kas op een
zichtrekening, zodat we er indien nodig steeds met een bankkaart aan konden
geraken.
Een ander punt was het tijdschriftje. Eerst en vooral zagen we dat we
doorheen de loop der jaren een grote overschot hadden verzameld van oude
nummers. Daarom besloten we deze verkopen tegen gunstprijzen met een
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 70

straatactie. We zouden op 16 februari 's middags samenkomen bij Yves om met


een winkelkarretje van de plaatselijke Delhaize langs enkele scholen te trekken. De
vekoopsactie bleek een succes. Een heel deel van onze voorraad geraakten we
kwijt tegen prijzen als 2 euro voor vijf nummers. Op de vergadering werd ook al
vastgelegd een nieuw nummer samen te stellen op 23 februari bij Kristien, die zich
met het oog op een meer creatieve lay-out opwierp als 'kredactrice'.
Voor de poëzie- en expositiedag werd een verkenningsgroepje samengesteld
om te zoeken naar een thema en vooral een locatie. Ideeën waren er genoeg, maar
op 17 februari, de volgende bijeenkomst, bleek er nog geen vooruitgang gemaakt te
zijn. Het project stierf een stille dood, vooral door het gebrek aan tijd en praktische
problemen, want een geschikte ruimte bleek zeer moeilijk te vinden binnen ons
budget en binnen de termijn die we stelden, rond 20 maart zou de voorstelling
moeten hebben plaatsgevonden. Maar ook was er niet echt meer de wil om iets
groots uit te werken op die korte termijn. In deze periode waren we immers ook al
druk bezig met de werkgroepjes om samen iets uit te werken op langere termijn,
muziek en theater. Ook hielden we ons bezig met kleine directe activiteiten. Dit
alles eiste meer onze aandacht en vooral ons enthousiasme op. Zelfs ideeën om
een klein stukje uit te werken voor de revue bij de Vieze Gasten en een avond in het
Huis van Alijn draaiden op niets uit, hoewel die alleszins veel kleiner opgevat waren.
De poëzie- en expositiedag zou iets worden om in het volgende woekerjaar naartoe
te werken.

2.2. Het filmprojectje: Tom


Een klein project dat er wel bij kwam was een filmpje dat Daan wilde maken, waarbij
een groepje mensen een weekend zich ergens zou terugtrekken en een rol
aannemen die ieder voor zich zou uitmaken. Dit alles zou gefilmd worden en dan
gemonteerd door hem en Kristien. Hoewel het oorspronkelijk niet de bedoeling was,
deden we dit uiteindelijk met een groep onkruideniers. De locatie werd
Scheldewindeke, waar Suzy woonde, die kort daarvoor de groep had vervoegd, en
Sammy. We vertrokken op vrijdag 2 april en bleven er tot zondags. Op voorhand
had Daan een manifest opgesteld hiervoor met 10 basisregels die ons er doorheen
zouden loodsen. De werktitel werd 'Tom', genoemd naar Tom Pandelaere, die
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 71

meegewerkt had aan de poëzieavond en op iedereen de indruk gaf van een sterk
uitgelijnd personage te zijn, een dandy uit de vroege twintigste eeuw, door zijn
speciale kleding en bezigheden. Het weekendje zelf werd er amper over Onkruid
gesproken. Het werd een heel bizar aftasten van elkaar, maar ook een soort
vervreemding dook op, althans in mijn aanvoelen. Dat hangt ook samen met het feit
dat dit het officieuze einde betekende van dit woekerjaar, want hierna volgde de
paasvakantie en daarna blok en examens, waardoor we net als de twee voorgaande
jaren onze activiteiten staakten. Over de persoonlijke indrukken erbij is er in de
groep weinig gezegd. Iedereen was wel erg nieuwsgierig naar het eindresultaar op
beeld, al moesten we wachten tot begin 2005 om de montage te kunnen zien, die
door Kristien was gemaakt. Anderzijds moeten we hier ook spreken van een semi-
onkruidactiviteit, aangezien het met de mensen van Onkruid werd uitgewerkt, maar
nooit is opgevat als iets wat we onder die noemer zouden uitwerken.

2.3. De kredactie van een tijdschriftje (en de geboorte van de


'Weekhoorn')
Ik ben nog niet verder ingegaan op het maken van het tweede nummer van ons
tijdschriftje van dit woekerjaar. Zoals gepland kwamen we op maandag 23 februari
hiervoor samen bij Kristien. Zoals gewoonlijk werd materiaal samengelegd en
selecteerden we de best geschikte stukken. Maar de bedoeling was ook een frissere
lay-out te bekomen, door te spelen met versierinkjes, zoals dat in het vierde nummer
van de eerste jaargang was gebeurd. Het verschil was dat dit toen door Frederik en
mij was gedaan en dat we er nu met een grotere groep aan werkten en met hogere
standaarden dan toen. De redding en een heel nieuwe expressiebron voor Onkruid
kwam er in de vorm van de 'Weekhoorn'. Dit alles begon met een tekening van een
eekhoorn op wit papier, die ik tot 'bleekhoorn' doopte. Vele eekhoornvarianten
volgden, waarop Wouter een hoofding maakte met een W en daarachter mijn
eekhoorn. Daaronder schreven we elk om beurt een stukje vanuit directe inspiratie,
pseudo-journalistiek of poëtisch. Ook tekeningen, een weerbericht en een
spelletjesrubriek volgden. Op dit eerste moment was dat niet meteen duidelijk, maar
later zou blijken dat de 'Weekhoorn' een sterke onkruidcreatie werd, en op dit
moment viel ook al op dat iedereen zeer enthousiast stond tegenover deze vorm om
creativiteit en speelsheid in groep op papier vast te leggen. Vele 'Weekhoorns'
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 72

volgden in de komende periode, ook op momenten los van Onkruid waarbij we met
onkruideniers samenkwamen. Ondanks het weinige naar buiten treden in de tweede
helft van dit woekerjaar broeiden er vele kleine dingen in de groep. De 'Weekhoorn'
bleek hierbij een heel sterke manier om dat naar buiten te brengen en werd dan ook
in het tijdschriftje geplaatst. Daarnaast kreeg de 'Dada' op de achterflap ook meer
een groepskarakter, maar hier met de klemtoon op het figuratieve. Het praktische
uitwerken van de lay-out vond zoals gewoonlijk weer bij Jan plaats in de herkenbare
stijl, waarna we honderd exemplaren lieten drukken. Alleen op het vlak van de
verkoop lieten we het deze keer wat afweten, omdat het nummer pas kort voor de
paasvakantie klaar was, een probleem dat we de voorbije jaren ook hadden gezien.

3. Recapituleren

3.1. Frustraties en dingen die niet lukten


Uit hetgeen ik hiervoor verteld heb zou het kunnen lijken alsof de onkruideniers op
elk moment het volste enthousiasme toonden, zonder slechte momenten van de
groep. Het mag duidelijk zijn dat een dergelijk beeld volkomen onrealistisch is. We
kenden wel degelijk mindere momenten tijdens dit woekerjaar, waarvan sommige
zelfs uitmondden in slechtere periodes. Soms ontbrak de inspiratie, maar vaak ook
de moed of de energie om met die inspiratie iets daadwerkelijks te doen. De
belangrijkste reden echter waarom deze mindere momenten wat gemaskeerd bleven
is het werken in de breedte. De idee van werkgroepjes zorgde ervoor dat iedereen
zijn engagement wat kon spreiden. Niet iedereen was evenveel betrokken bij elk
project, maar uiteindelijk bleek dezelfde kerngroep bij ongeveer alle projecten mee te
werken. Een belangrijke reden daarvoor was dat de groep langzaamaan uitdunde
na de kerstvakantie. Vooral door een gebrek aan tijd haakten enkele mensen af,
waardoor we met een zevental mensen achterbleven. Over hun vertrek maakte
niemand zich druk, zij hadden een goede reden, maar het dwong ons wel onze
ambities wat bij te schaven en selectief te zijn met onze krachten.
Het uitblijven van een tweede poëzievoorstelling leidde daarbij wel tot enige
frustratie.4 Dit werd anderzijds ook wel goed opgelost door de ambitie naar het
volgende woekerjaar te verschuiven en daarbij ook wel te vergroten, omdat het een
4
Mijn eigen frustratie heb ik toen voor mijzelf naar buiten gebracht in een tekening, te vinden in
bijlage VII.
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 73

enorme voorbereidingstijd zou zijn naar onze normen. Daarmee was onze kans om
nog iets kreaktiefs naar buiten te brengen wel verkeken. Op sommige momenten
was ook hier enige frustratie rond, omdat woekeren zonder zichtbare resultaten al
het jaar ervoor was afgeschreven. Door de werkgroepjes een doel te geven,
namelijk een poëzie-, theater- en muziekspektakel, weliswaar op lange termijn en
nog niet afgelijnd, kregen ook zij een voorwaartse duw. Tussendoor kwamen er wel
kleine ideeën om de termijn te verkorten, maar geen enkel ervan slaagde er in om in
het stadium van concrete planning te komen.
Tegenover deze kleine frustraties staat het plezier dat we in de werkgroepjes
beleefden, ook al dreigden ze soms dood te bloeien. We speelden enkele keren
muziek, zonder een vaste lijn te vinden, maar erg vonden we dat niet, ook omdat we
niet vaak en regelmatig genoeg repeteerden om al drang naar een repertoire te
krijgen. Het theaterwerkgroepje kwam niet echt van de grond, vooral omdat we hier
al genoeg de frustraties van 'oefeningen om te oefenen' hadden gevoeld en dus wel
een vaste basis zochten. De oplossing zou liggen in het zoeken naar die basis, het
uitwerken van een stuk dus. Daarnaast konden praktische probleempjes soms voor
kleine frustraties zorgen, maar die waren dan wel van heel concrete aard, om ons te
wijzen op de kwaal van het amateurisme, die ons minder zorgen baarde dan ze dat
doet bij professionelen. Van de afspraken die in het begin van het jaar gemaakt
waren zouden er vele vervagen. De vergaderingen werden in de loop van het jaar
rommeliger en ook de communicatiestructuur, gebaseerd op een combinatie van
sms, e-mail en mondelinge overdracht, lukte niet echt. Doordat de groep daarbij ook
uitdunde is het storende effect daarvan echter verwaarloosbaar, omdat deze
afspraken vooral gericht waren op het werken met een grote groep. Enkele kleine
uitwerkingen naar buiten toe lukten ook niet. De tweede poëtisch-terroristische
plaktocht lukte niet wegens de sneeuwval en de domme beslissing om behangerslijm
aan te lengen met sneeuw, maar omdat hierbij het plezier primeerde was het enige
antwoord daarop er samen om lachen. Op andere momenten bleek er gewoon geen
behoefte te zijn om te woekeren, bijvoorbeeld op het nieuwjaarsfeestje.
Een gebied waarin hoop en frustratie zeer dicht bij elkaar liggen is de
toekomst. Wanneer je over de toekomst praat kun je des te grotere ideeën
uitdenken, maar kijkend naar het heden kunnen ze dan weer onrealistisch lijken. Het
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 74

is opvallend dat die toekomst tijdens dit woekerjaar zeer weinig aan bod kwam.
Discussies over het vormen van een VZW, het officieel maken van Onkruid, kwamen
eigenlijk alleen voor in het begin van het jaar en kort na de poëzieavond. Hoe meer
we concreet bezig waren, hoe minder dit thema aan de orde kwam. Als het in die
vergaderingen dan toch werd vernoemd is er zelfs geen enkel gesprek te vinden
over onze toekomst dat langer dan twee minuten duurt en waar meer dan drie
personen bij betrokken zijn. Een uitzondering is het ene moment waarop we de
poëzie- en expositiedag uitstelden, maar daarmee ook het concrete denken rond de
VZW-vorming naar de toekomst verschoven en er dus ook hier niet zo diep op in
gingen. Een manifest is na de kerstvakantie niet meer aan de orde geweest. De
toekomst bleek op de speelse momenten vooral speelsheid te zijn, het woekeren als
basis, omdat dat woekeren ons net steeds uit onze frustraties hielp.

3.2. Enkele grote lijnen...


Bij het evalueren van onze activiteiten komen de ideeën bij Onkruid steeds neer op
een groei, wat ook binnen de metafoor past. Door het woekeren zouden we dan
groter worden. Dit jaar was die groei, net als de jaren ervoor, duidelijk merkbaar in
de groeiende hoeveelheid 'kreaktiviteiten' en het aantal onkruideniers. Anderzijds is
er in de loop van het jaar daarin ook een terugval te merken en vanaf april valt alles
stil. Daar tegenover staat dan wel weer de ervaring, die niet meer verdwijnt eens ze
er is geweest. Daaraan kan deze terugval niets veranderen. Ze kan ons eerder de
kans bieden om in de toekomst daarmee om te gaan of er iets tegen te doen. Maar
concreet heb ik in het verhaal al enkele punten aangestipt die ik als ingrijpende
ervaringen beschouw, die volgens mij nog steeds doorwerken en waar we ook nog
over praten.
Eerst en vooral zette de jamsessie ons op weg om op onze eigen manier om
te gaan met muziek. De invloed zou niet alleen op het muzikale doorwerken, het
hele samenzijn op het weekendje maakte ons tot een hechte groep en leerde ons
vooral omgaan met dat groepsgevoel, veel meer dan dat het jaar daarvoor het geval
was. De 'Weekhoorn' is een andere manier om met papier om te gaan die we daar
ook aan kunnen verbinden. Op zich is het een kader voor een poëzie- en
prozajamsessie met de pen of stift. Daarom zie ik de geboorte ervan als een
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 75

belangrijk moment in het laatste deel van het jaar, zeker op het moment waarop het
tijdschriftje wat in de verdrukking dreigde te geraken. Iets waar ik ook veel belang
aan hecht is de titelkeuze van de poëzieavond. Daar is achteraf wel vrij weinig
aandacht aan besteed, maar net doordat het bombastische later niet meer
terugkwam, hoe vaak de kans er ook toe was, valt dit moment toch zeer sterk op.
Ten vierde was er de poëzieavond zelf en de voorbereiding, op het weekendje zelf al
aangevat. Deze poëzieavond was naar buiten toe het orgelpunt van het woekerjaar.
Het gevaar daarvan was dat we dit concept uitbreiden als een ideaal zagen,
waardoor we even stuurloos dreigden te worden door het uitstel van de poëzie- en
expositiedag. Gelukkig wisten we dat op te vangen door het te beschouwen als een
prachtig moment, maar ook als slechts een manier van woekeren tussen de vele
andere.

3.3. ...maar vooral ook kleine


Op die andere woekerwijzen hebben we dan ook onze aandacht gericht. Door hun
ver vooruitgeschoven of net heel directe doelgerichtheid vallen ze minder op en heb
ik er ook minder aandacht aan geschonken, maar de jamsessies in het tweede deel
van het jaar, de theaterexperimentjes, de poëtisch terroristische plaktochten en
andere momenten verdienen vast en zeker ook hun plaats in de opbouw van
Onkruid. Zelfs de doodlopende paden kunnen we enerzijds beschouwen als een
bijdrage tot onze ervaring, wat de algemene tendens in de groep is, maar ook als
momenten waarop we niet minder woekerden dan anders. Vooral na de
kerstvakantie lijkt het geheel wat rommelig te zijn, maar meestal voelden we dat niet
zo aan, geloofden we op dat moment misschien zelfs vaak in de grootsheid van elk
moment. Deze momenten lijken zo klein omdat ze enkel in real-time af te beelden
zijn. Een schets ervan zou de vele uren in beeld moeten brengen, terwijl de grote
momenten gemakkelijker weer te geven zijn door hun directe en blijvende ervaring.
Maar het jaar herleiden tot de enkele memorabele momenten zou de hele opbouw
missen. Daarom heb ik de kleine lijnen langsheen deze kleine woekermomenten
ook geprobeerd de juiste plaats te geven in mijn verhaal.
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 76

3.4. Wat kunnen we hieruit opmaken: mijn evaluatie


Zoals ik hoop al duidelijk gemaakt te hebben was dit een jaar van enorme groei
binnen het collectief, net zoals dat het jaar ervoor ook al het geval was geweest. De
terugval in het aantal mensen viel daardoor misschien dit jaar wel zwaarder. Maar
ondanks die terugval in onze zichtbaarheid voelden we zelf het woekeren steeds nog
aan. Volgens mij is de verbreding van ons werkveld dan ook nog belangrijker dan
die groei. Naar buiten toe zou er dan nog wel geen uitwerking van komen, we wisten
van elkaar dat we met een kerngroep zeer wendbaar konden zijn. Het is van die
wendbaarheid dat ikzelf vooral heb genoten. In het kader van mijn onderzoek ben ik
ook voortdurend bezig geweest met het plaatsen van Onkruid, met de al dan niet
impliciete regels die we onszelf stelden en de weg die we zo op wilden. Op basis
daarvan kwam bij mij ook de idee op om Onkruid meer te gaan beschouwen als een
strategie. Het ging mij er dan om de dynamische factor te beklemtonen. Daarmee
zou ik dan ook meer op onze omgang met kunst gaan letten dan op de groep op
zich.
Onkruid zou in dat opzicht een specifieke, lokale manier zijn om op een eigen
manier met kunst om te gaan, zonder die term 'kunst' te moeten helpen overleven.
Mijn ergernis aan het denken over de groep als zodanig, vooral in de
manifestdiscussies, leidde mij daartoe. Ik weet dat deze mening niet door heel de
groep gedeeld wordt, maar in ieder geval slaagden we er in om met de hele groep
een bepaalde weg te vinden, met onze eigen visie er op. Over die visie werd weinig
gediscussieerd en dat is vooral te danken aan enkele momenten waarop zulke
discussies de groep dreigden te blokkeren maar we een weg vonden om deze
discussies achterwege te kunnen laten. De 'Weekhoorn' en de jamsessies heb ik
daarom zo beklemtoond, omdat zij een kader boden om als groep iets uit te werken,
zowel op grote momenten als wanneer het wat moeilijker ging. Het zijn eigenlijk
technieken die we voor onszelf spontaan ontwikkeld hebben om op elk moment een
weg te kunnen vinden, maar die daarbij ook nog eens de kans bieden om talloze
gelijkaardige technieken te ontwikkelen.
Om deze ideeën anders te formuleren: de groep Onkruid zou niet moeten
overleven om de ideeën ervan te laten werken. Maar hij deed dat wel, net doordat
uit de groep deze ideeën gekomen waren en we ze ook bleven verder uitvoeren, we
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 77

bleven woekeren, hoe vaag gedefinieerd dat ook mag zijn. Een factor die de groep
ook deed overleven is de vriendschap, die door de jaren was gegroeid en zeker de
kerngroep tot een hecht geheel maakte, maar ook met de andere onkruideniers (of
ex-onkruideniers) een veel meer dan louter functionele band schiep. Het is ook in dit
jaar dat cupido voor het eerst zijn pijlen binnen de groep schoot, mede door een
relatieve doorbreking van het mannenbastion. Het informele won hierbij aan belang,
wat een van de hoofdredenen is van het afbrokkelen van de afspraken van de
startvergadering. De combinatie van vriendschap en gelijkgezinde uitwerking van
ideeën zorgde ervoor dat we op een hechte manier konden samen woekeren.
Hoofdstuk 5: Het derde woekerjaar, etnografisch bekeken 78
Hoofdstuk 6: Even terugkoppelen 79

Hoofdstuk 6: Even terugkoppelen


In dit hoofdstuk zal ik de verschillende elementen uit de vorige hoofdstukken terug
naar boven brengen en er enkele algemene ideeën uit halen. Aan de hand van het
werk van Hakim Bey zal ik dan enkele voorstellen doen om een denken over
Onkruid mogelijk te maken.

1. Wat we hebben

1.1. Het kader


In het eerste hoofdstuk heb ik het collectiefje Onkruid voorgesteld. De bedoeling
was ons eigen ding te doen met onze creativiteit. We zien daarin een groei van
activiteiten en een uitbreiding van de groep. Waar het eerste woekerjaar vooral
bestond uit het maken van plannen zou het tweede vooral een uitwerking van die
eerste plannen worden. Het tijdschriftje, waar we ons nog achter de schermen
konden houden, werd niet meer ons hoofddoel, maar we richtten ons meer op het
actieve, het doen. In deze eerste jaren zien we ook dat de elementen zelforganisatie
en rebellie vanaf het begin steevast aanwezig zouden zijn. Het eerste jaar vooral
zouden we onszelf als een verzetsgroep zien. Het tweede jaar kwam de klemtoon
meer en meer op de schoonheid van wat we maakten te liggen, waardoor de
manifestdiscussies op het einde ervan ook sterk wezen op een inhoudelijke
bekommernis omtrent onze creaties. Tegelijk werd de groepswerking in vraag
gesteld, een herstructurering werd gezocht, zonder succes. Deze rommeligheid en
de ergernissen er rond zouden we voortdragen naar het begin van het derde
woekerjaar.
Het collectiefje valt niet los te denken van zijn maatschappelijke context.
Hiervan heb ik in het tweede hoofdstuk enkele elementen belicht. Hetgeen ik daarbij
al beklemtoond heb is het feit dat alles afhangt van de zienswijze. Ik heb een beetje
geprobeerd van het rechte pad af te wijken daarbij, om te zien welke wegjes ernaast
nog kunnen lopen, eventueel overwoekerd met onkruid. Daarmee wilde ik aangeven
dat een herconceptualisering mogelijk zou kunnen zijn en voor ons collectiefje nuttig
en dat we dat misschien zelfs al soms doen. Anderzijds ik het reguliere denken ons
ook niet vreemd en mogen we de invloed ervan zeker niet minimaliseren. Wanneer
Hoofdstuk 6: Even terugkoppelen 80

we die herconceptualisering doorvoeren komen we dan ook altijd bij dat reguliere
denken terecht. In de beginselen van Onkruid wordt steevast verwezen naar het
culturele veld zoals dat gewoonlijk wordt gezien.
Het metaforische denken, dat ik in het derde hoofdstuk bespreek, kan op dat
moment een sterke rol gaan spelen. Het wordt een organisatorisch raster, zowel
door de betekenis ervan als door de esthetische appreciatie binnen de groep. Dit
raster zou dan ook een vorm van zelfreflectie inhouden. De groep is er enerzijds op
geënt, maar het komt ook voort uit die groep. Onkruid valt niet te denken zonder zijn
metafoor. Alleen al het woord 'woekeren' wordt bij elke bijeenkomst meermaals
vernoemd en het beeld van het onkruid tussen de andere planten spreekt bijna voor
zich. Van dat beeld zijn we nooit losgekomen, net omdat het een basis is geworden.

1.2. Een invulling: wendbaarheid als strategie


Uit mijn onderzoek van het derde woekerjaar heb ik enkele elementen uitgelicht. Het
is met deze elementen dan ook dat ik verder wil gaan. Hetgeen er achter te vinden
is, is namelijk een weg die de groep uitgaat, een strategie, gestuurd door de
omstandigheden enerzijds, maar ook net gericht op die omstandigheden. Het gaat
mij er dan om het concept Onkruid, de ideeën die we in ons metaforische denken
vinden, te zien als een strategie om met de omstandigheden, de wereld rondom, om
te gaan, en dat weer te geven aan de hand van een concreet beeld. Het eenmalige
van Onkruid is net interessant. Ik werk rond een eenmalige strategie, een uitwerking
die parallel kan verlopen aan de analyse van andere collectieven of strategieën,
maar zich richt op de eenmaligheid ervan. Het is net onze wendbaarheid die maakt
dat we eenmalig zijn. Het maakt een beschrijving van de kreaktiviteiten van Onkruid
tot een verhaal met een hele uitbouw van creatieve wegen en verandering van
doelstellingen, niet tot een schema met alleen maar constanten. Anderzijds zijn er
wel enkele constanten te vinden, vooral als we het verloop van een woekerjaar
bekijken of bijvoorbeeld het afnemende belang van het tijdschriftje. Het gaat er dus
ook om in de eenmaligheid toch deze constanten een plaats te geven. Ze zijn niet
algemeen geldend, maar voor ons zijn ze er en dus moeten ze in rekening worden
gebracht.
Hoofdstuk 6: Even terugkoppelen 81

2. Hakim Bey en 'ontologisch anarchisme'

2.1. De Tijdelijke Autonome Zone


In het tweede hoofdstuk ben ik kort ingegaan op de ideeën van de New-Yorkse
filosoof Hakim Bey. Hierbij heb ik zijn concept van de 'Tijdelijke Autonome Zone'
(TAZ) voorgesteld (Bey 1994). Het gaat er daarbij om de omgeving anders te
ervaren. In plaats van een strak en vaststaand systeem komt er dan een bewegend
beeld, waarbij steeds gebieden plaats bieden voor autonomie, omdat ze ontsnappen
aan de controle van bovenaf. Die controle is immers maar een net, dat er nooit in
zal slagen hetgeen tussen de mazen doorglipt te vangen. Op deze manier komen
we ook bij een eenmaligheid terecht: de verschillende TAZ's zijn slechts eenmalig,
de autonomie die er bereikt wordt is gebonden aan een moment en plaats
(geografisch of mentaal). Het organisatorische principe erachter is chaos, het is net
datgene dat buiten de orde valt. Dit is ook wat Bey uitdrukt in het poëtische werk
'Chaos: The Broadsheets of Ontological Anarchism' (Bey 1985). Het is in dit werk
ook dat hij de idee van 'Poëtic Terrorism' uitwerkt1. De link met ons poëtisch
terrorisme is zeer interessant. Wij bedachten het concept zelf, maar het blijkt te
passen binnen wat Bey wil bereiken, een stijd voor en door het poëtische. Het
illegale aspect wordt bij hem wel sterk beklemtoond, terwijl we met Onkruid steeds
geprobeerd hebben die grens niet teveel te overschrijden, al is bijvoorbeeld
wildplakken wel verboden. 'Ontologisch Anarchisme' heeft een zeer belangrijke
plaats bij Hakim Bey. Het gaat erom dat men bij een zoektocht naar autonomie zelf
een wereldbeeld moet scheppen waarin die autonomie mogelijk is, en daarbij ook
het beeld van autonomie zelf moet kunnen aanpassen. De TAZ is niet het utopische
beeld van de vrije mens in zijn terugkeer naar de oorsprong, het is een omgaan met
de huidige situatie in een verstedelijkte samenleving en met het vele dat die ons te
bieden heeft.

2.2. Alternatieven?
Onkruid heeft heel wat ideeën gemeen met het denken rond de TAZ. Anderzijds valt
er heel wat aan de vergelijking op te merken. Enerzijds is Onkruid gestart als een
lokaal en tijdelijk groepje, maar het verloop van de jaren heeft ervoor gezorgd dat er

1
De tekst hiervan is te vinden in bijlage IV.
Hoofdstuk 6: Even terugkoppelen 82

ook een idee van eeuwigheid is ontstaan. Het tijdelijke zit hem in de kreaktiviteiten
zelf, die een grote evolutie hebben doorgemaakt en waarbij we vooral ook nieuwe
paden gingen opzoeken, terwijl we oude verlieten. Maar daarnaast blijft er de idee
van het collectiefje, dat ondanks de veranderingen ergens een kern blijft behouden,
enkele mensen maar vooral een eigen denken, met de eigen metaforen en
woordspelingen, maar ook met de ervaring van de voorbije jaren.
Hakim Bey heeft ook hiervoor een concept bedacht, namelijk de PAZ of
'Permanent Temporary Autonomous Zone' (Bey 1993). Deze zijn blijvend, in die zin
dat ze een deel van hun autonomie inleveren om een blijvend karakter mogelijk te
maken. Het permanente is een intentie, met de bedoeling het plezier van de TAZ op
langere termijn te laten gelden. Dit idee is voor Onkruid zeer interessant, in die zin
dat ook wij met ons collectiefje nog steeds de weg kiezen om Onkruid te laten blijven
bestaan als een koepel voor onze kreaktiviteiten. Op die manier zou Onkruid een
PAZ kunnen zijn die doorheen verschillende TAZ's autonomie kan behouden, maar
die wel enigszins moet afstaan om zijn koepel te kunnen behouden. En inderdaad
zijn er zowel ideeën als reeds concrete uitwerkingen binnen ons collectiefje van
structuren die maken dat we niet in een dolle bevlieging meer zitten, maar een vast
geheel hebben dat we niet zomaar meer zullen laten vallen.

3. Officialisering of rebellie

3.1. De voordelen van de VZW


Een idee dat al sinds het eerste woekerjaar aan de orde is, zelfs op de eerste
bijeenkomst werd vernoemd, is het oprichten van een 'vereniging zonder
winstoogmerk'. Al die jaren zijn de argumenten voor en tegen weinig veranderd. Het
grootste tegenargument is het werk dat er in kruipt. Er komen een heleboel papieren
bij kijken die allemaal in orde moeten zijn. Het beperkt ook de bewegingsvrijheid,
omdat het financiële in een duidelijke boekhouding moet worden gegoten, waarbij
het kleine omspringen met geld dat we nu kennen, gebaseerd op vertrouwen, geen
optie meer is. Anderzijds kan een VZW een sterke basis vormen. De
werkingsmiddelen en het materiaal kunnen verzameld worden binnen de vereniging
zonder dat mensen aansprakelijkheid op zich moeten nemen. De uitbouw van de
Hoofdstuk 6: Even terugkoppelen 83

groep wordt ook veilig gesteld. Het komt er op neer dat de verantwoordelijkheid die
nu elk van ons draagt naar een vereniging als rechtspersoon wordt overgedragen.
Het grootste voordeel echter van een VZW is het feit dat deze vastgestelde structuur
vele deuren opent. Eerst en vooral wordt een VZW makkelijker aanvaard als partner
of huurder wanneer het op samenwerking met andere groepen of het gebruik van
een locatie gaat. Dit alles kan dan ook officiëler gebeuren, waardoor we op het vlak
van financiën meer kunnen wagen en verkrijgen. Als het op die financiën aankomt is
er ook nog het feit dat je zonder VZW nauwelijks subsidies kunt krijgen. Een VZW
daarentegen kan door zijn veilige en controleerbare structuur een partner zijn van de
verschillende subsidiëringsinstituten en zo werkingsmiddelen opleveren die we goed
zouden kunnen gebruiken. Anderzijds brengen de dossiers die hiervoor nodig zijn
dan weer een heleboel meer papierwerk op, waardoor de klemtoon van vele
kunstenaars-VZW's is komen te liggen op het organisatorische aspect en het
artistieke zelf in de verdrukking dreigt te raken.

3.2. Verloochening van de boodschap?


Nog een argument dat bij Onkruid geldt tegen het oprichten van een VZW is dat
zoiets mogelijk onze boodschap zou kunnen tegenspreken. Als dat er namelijk een
moet zijn van verzet tegen de bestaande structuren en het er buiten treden, dan
zouden we in geen geval een VZW mogen oprichten, omdat dat net de basisvorm is
van het reguliere circuit. Er kunnen nog meer argumenten worden aangedragen.
Een VZW heeft een geslotener werking dan we nu hebben, waar iedereen op elk
moment in kan toetreden en mee onkruidenier worden. Een VZW moet namelijk
duidelijke doelstellingen kunnen formuleren, terwijl wij net groeien door bevliegingen.
Er zijn wel wegen om deze een plaats te geven, maar toch maakt een VZW de
werking in ieder geval minder wendbaar dan die van een collectiefje met een gewone
'pot'. Daarbij zouden we nog de boodschap kunnen brengen dat we het met de
weinige eigen middelen ook kunnen redden en net die zelfredzaamheid op handen
dragen. Een VZW neigt ook naar professionalisering, hoewel dat geen must is,
maar het gaat in tegen het welwillende amateurisme dat we van in het begin
uitdroegen. Daarentegen zijn er binnen onze groep ook wel voorstanders van
professioneler werken, die dit toch binnen het onkruideniersdenken willen doen en
Hoofdstuk 6: Even terugkoppelen 84

daar ook recht op hebben. En zoals ik al stelde zouden we de extra


werkingsmiddelen ook wel eens nuttig kunnen aanwenden. Daarnaast is er ook wel
de weerstand om ons als groep te profileren en de klemtoon daarop te leggen,
waarbij die met een VZW-structuur wel extra zwaar zou doorwegen.

3.3. Loskoppelen van de elementen als een tussenoplossing


Hoe dan ook is Onkruid op dit moment nog geen VZW en lijkt het moeilijk de
specifieke werking van nu om te zetten naar een VZW-structuur. Een oplossing
hiervoor is het uitdenken van een samenwerking tussen verschillende elementen
binnen een geheel. Als Onkruid zelf moeilijk een VZW kan worden hoeft het vormen
van een VZW daarom nog niet afgeschreven te worden. De VZW kan gezien
worden als een entiteit los van Onkruid, maar wel eraan verbonden door gedeelde
interesses. Op die manier zou het een hulpstructuur kunnen betekenen van
Onkruid, maar ook daarbuiten dienst doen. Het voordeel is dan ook dat er niet aan
Onkruid zelf geraakt moet worden als de VZW voor een ander project nuttig kan zijn.
Sommige onkruideniers zouden bijvoorbeeld kunnen proberen professioneel iets te
bereiken met hun creativiteit en dan kan een structurele hulp meer dan welkom zijn.
De VZW wordt op dat moment als louter functioneel bezien, maar kan net daaruit
zijn kracht putten. Het zou ons in staat stellen de krachten te spreiden over de VZW
en zijn paperassen en Onkruid, waar kreaktiviteit de plak kan blijven zwaaien.
De vraag blijft hoe het effectief zal evolueren. Intussen zijn we goed
geïnformeerd over de wetgeving rond VZW's en weten we ook wel waar we
ongeveer naartoe zouden willen gaan als we een zouden oprichten. De vraag of het
nodig en nuttig is blijft dan wel nog bestaan, en zolang daar geen eenduidige
'ja'-stem op komt zal ook niemand de moeite nemen om een VZW op te starten. Het
collectiefje en het onkruiddenken lijken voorlopig nog steeds genoeg bevredigend.
Hoofdstuk 6: Even terugkoppelen 85
Hoofdstuk 7: Van Onkruid naar OSS 86

Hoofdstuk 7: Van Onkruid naar OSS


In het begin van het academiejaar 2004-2005 startten we ook een nieuw woekerjaar.
In dit hoofdstuk wil ik het verloop daarvan schetsen en de lijnen van de voorbije
jaren doortrekken.

1. Het eerste deel van het jaar

1.1. Een kleine start


Ook dit woekerjaar startten we met een actie om nieuwe Onkruideniers te zoeken.
Net als de voorbije jaren kwamen we kort voor het begin van het academiejaar
samen, meer bepaald op 28 september 2004. De bedoeling was om de kerngroep
die overgebleven was van het jaar ervoor uit te breiden met enkele nieuwe mensen.
De actie sloeg echter minder aan dan verwacht, zodat op woensdag 6 oktober
slechts twee nieuwe mensen opdaagden, Iris en Floris-Tobias. Iris zou de enige zijn
die ons enige tijd vervoegde, terwijl enkele onkruideniers van het vorige jaar wegens
tijdgebrek moesten afhaken. Op die manier bleven we met een groepje van zes
mensen achter, zijnde Yves, Wouter, Steven, Iris, Jan en ik, wat onze werkwijze wel
sterk veranderde. Een poëzieavond organiseren zoals het jaar daarvoor zou niet
lukken met deze kleine groep. Toch wilden we voortwerken op de ervaringen van
het jaar ervoor en vooral ook onze verschillende kunsten aanwenden om iets naar
buiten te brengen.
Een mogelijkheid om op het podium te staan kwam via Yves, die als vrijwilliger
werkte bij Victoria Deluxe, een sociaal-artistieke organisatie in de Warandestraat,
vlakbij station Dampoort. Daar werd om de twee weken op vrijdag een avond
georganiseerd van en voor 'nieuwkomers' onder de titel 'Soirée Deluxe'. Onkruid
werd gevraagd om op 12 november een poëzieavond te organiseren samen met
enkele vrijwilligers. Het leek ons een ideale gelegenheid om iets te brengen dus
startten we eind oktober de voorbereiding. Hiervoor zouden we het intussen
traditioneel geworden herfstweekendje gebruiken. Door gebrek aan een geschikte
locatie buiten Gent logeerden we in het weekend van 5 tot 7 november bij mij op de
Visserij, wat het voordeel opleverde dat we gemakkelijk konden gaan repeteren in de
Hoofdstuk 7: Van Onkruid naar OSS 87

ruimte van Victoria Deluxe, slechts tien minuten daarvandaan. Het weekendje werd
volledig besteed aan de voorbereiding van de poëzieavond.

1.2. Plasticinema: een nieuwe bezigheid


Kort daarvoor was ikzelf begonnen met een nieuwe hobby: het maken van stop-
motion animatiefilmpjes met plasticine. Het kostte weinig moeite om de andere
onkruideniers hiervoor warm te krijgen, zodat we besloten een filmpje te maken voor
de poëzieavond van 12 november. Omdat het maken van een animatiefilmpje zeer
veel tijd vergde zou het onze hoofdbezigheid worden op het weekendje, hoewel dit
niet voorzien was. De dagen na het weekendje moesten we zelfs nog doorwerken
om drie en een halve minuut beeldmateriaal te bekomen ofwel meer dan
tweeduizend beelden. Het zou een tafereeltje worden waarin verschillende figuurtjes
door het decor paradeerden en met elkaar in interactie traden, terwijl de namen van
de mensen die iets zouden brengen op de poëzieavond om beurt verschenen. De
achtergrondmuziek werd de laatste dag nog opgenomen met de hulp van Ben en
Bart, waarna ik het geheel monteerde. In de maanden erna zouden we nog kleine
experimenten ondernemen met plasticinefilmpjes, meestal door twee personen
gemaakt, maar de drang om meer echte onkruidfilmpjes te maken bleef bestaan.

1.3. De poëzieavond
De samenwerking met de vrijwilligers van Soirée Deluxe verliep zeer vlot, zodat we
gemakkelijk tot een vlot geheel kwamen voor een poëzieavond rond het thema
'(mystieke) liefde'. In de zaal zat vooral het vaste publiek van Soirée Deluxe, omdat
wijzelf enkel op kleine schaal mensen hadden uitgenodigd. Het was immers niet
echt een Onkruidpoëzieavond in de klassieke zin. De reacties op de avond en op
onze inbreng waren lovend, behalve een kleine kritiek op het artistieke niveau, die
we wat als irrelevant beschouwden. Het werd vooral een heel andere ervaring,
omdat we buiten ons gewoonlijke publiek traden en ook door de samenwerking met
een andere groep mensen. Toch haalden we hieruit de overtuiging dat we met ons
kleine groepje zeer veel verschillende dingen zouden aankunnen. Zelf iets
organiseren zat er wel nog niet in, maar door deze kans te hebben gekregen zouden
we daar ook nog geen behoefte aan hebben. In het begin van december stelden we
nog een nieuw nummer van het tijdschriftje samen, dat uiteindelijk slechts zestien
Hoofdstuk 7: Van Onkruid naar OSS 88

bladzijden zou tellen en daarmee het dunste ooit werd1. Tot een verkoopsactie
kwam het niet meer, vooral wegens tijdgebrek.

2. Nieuwe ontwikkelingen na de kerstvakantie

2.1. Nieuwe wegen tot poëtisch terrorisme


In het vorige woekerjaar hadden we al losse ideeën uitgedacht om op straat poëzie
te kunnen brengen op een originele manier. Een daarvan was om het 'poëtisch
terrorisme' uit te breiden naar 'poëtische verkrachtingen'. Hierbij zouden we mensen
ongevraagd en met een aanvaardbare mate van geweld in contact brengen met
poëzie. We werden gevraagd dit in praktijk te brengen in opdracht van het
Poëziecentrum op de openingsavond van hun jubileumjaar. Deze zou plaatsvinden
op zaterdag 15 januari in een zaal van de Opera van Gent en we moesten er tussen
het publiek voor vermaak zorgen. We besloten de uitdaging aan te gaan en
verzamelden een aantal attributen, waaronder handboeien om de mensen 'geboeid'
te laten luisteren, ballonnen om poëziebommen te maken, trekbommetjes om
openslaande poëziebundels te laten knallen en pistooltjes met een vlagje waarop we
een gedicht konden schrijven. Door de korte voorbereiding konden we niet echt
afgewerkte acts brengen, maar we kregen toch wat positieve reacties en besloten op
deze ideeën verder te bouwen.

2.2. Een nieuwe werking: OSS


We zouden de paramilitaire activiteiten van poëtisch terrorisme en poëtische
verkrachtingen uitwerken onder de noemer 'OSS', wat staat voor 'Onkruid
Schoonheidsschrikbewind'. Deze benaming werd eerder al gebruikt door Wouter en
ik toen we gevraagd waren poëzie te brengen tijdens een kunsthappening rond
oorlog en vrede in Beveren eind september 2003 en op de dag van de
kringloopwinkel kort daarna, ook in Beveren, beide georganiseerd door vzw Diafora.
Het werd in het voorjaar 2005 ons belangrijkste project. De bedoeling zou zijn om
het theateraspect eindelijk tot uiting te brengen binnen Onkruid door een volwaardige
straatact te creëren met onze ideeën. Wouter, Steven en ik dachten een concept uit
met een eigen ideologie, gebaseerd op de fictieve levensverhalen van 'Peter Tankh',

1
De andere nummers telden twintig bladzijden, met uitzondering van jaargang 1, nummer 3 en 4, die
elk 24 bladzijden dik waren en jaargang 2, nummer 2, dat zelfs 28 bladzijden telde.
Hoofdstuk 7: Van Onkruid naar OSS 89

wiens initialen staan voor poëtisch terrorisme. Op vrijdag 5 februari 2005 nodigden
we andere onkruideniers en enkele nieuwe mensen uit om hun opleiding tot 'PeTer'
te beginnen. Ondanks het succes van deze startbijeenkomst lukte het niet om de
inspanningen voort te zetten, aangezien we er door tijdgebrek niet in slaagden een
vaste structuur uit te bouwen. Het project zou op dit moment doodlopen, al zouden
we op elk moment nieuwe 'aanslagen' kunnen plegen met de kern van het OSS. Op
het minifestivalletje Kutúnka, op woensdag 30 maart, lieten we bijvoorbeeld enkele
poëzieballonnen los op het publiek, als een spontane kleine kreaktie.

2.3. Onkruid binnen een band


Eind april kregen we een nieuwe uitdaging voorgeschoteld. Saidja, een medewerker
van Victoria Deluxe, vroeg ons om mee een kleinkunstavond in elkaar te steken om
te brengen als Soirée Deluxe. De bedoeling zou zijn dat wij enerzijds mee zouden
spelen in de groep, maar ook sketches en poëzie zouden brengen tussendoor. De
datum werd vrijdag 17 juli. Kort daarna kregen we ook de opdracht om een videoclip
te maken voor een nummer van Saidja, die op deze avond zou vertoond worden.
Het was een ideale gelegenheid om weer met plasticine aan de slag te gaan.
Ondanks de lange voorbereiding zouden we het meeste werk weer pas in de laatste
dagen voor de voorstelling doen, zodat we enkele dagen bijna dag en nacht bezig
waren met stop-motion opnames en elke avond een repetitie. Het filmpje werd een
succes. Op reggaemuziek lieten we een rastamannetje op het ritme van de muziek
enkele lichaamsdelen van vrouwen opeten, waarna een vrouwtje samengesteld uit
verschillende huidskleuren uit zijn buik naar buiten kroop. Door het werken volgens
een afgelijnd scenario slaagden we erin een ritmisch mooi geheel in beeld te
brengen. Tijdens het uitwerken maakten we nog veel foutjes, maar het versterkte
onze drang om meer korte animatiefilmpjes te maken zeker en vast.
Op het muzikale vlak lukte de samenwerking zeer goed. We vonden gauw elk
onze plaats binnen de band, zodat we voor het eerst ook echt muzikaal iets konden
uitwerken, met vooral nummers van Saidja, maar ook twee van Wouter en twee van
de slidegitarist Ben. Qua stijl kwamen we meer bij rock terecht, waardoor de
benaming 'kleinkunstavond' al gauw wegviel. De sketches en poëzie zouden ook
geschrapt worden, zodat we ons meer op de muziek en op de videoclip konden
Hoofdstuk 7: Van Onkruid naar OSS 90

concentreren. Een echte naam kreeg de band niet, omdat we daar ook geen nood
aan hadden. Het optreden zelf kon op veel bijval rekenen en werd voor ons zelf ook
zeker en vast een positieve ervaring. Op de derde Citéparade, op zaterdag 9 juli bij
Yves en zijn buren, deden we een paar nummers nog over, naast een kleine
jamsessie.

3. De toekomst van Onkruid

3.1. Andere doelstellingen?


Door de kleine groep werden onze doelstellingen wat gewijzigd ten opzichte van de
voorbije jaren. Anderzijds bood dit ons de kans om nieuwe terreinen te verkennen.
We hebben zo toch de kans gekregen om iets uit te werken met theater en muziek,
waar we het jaar daarvoor al een aanzet toe wilden geven, en met onze nieuwe
expressievorm, de animatiefilm. Met de huidige groep bleek het op dit moment
weliswaar niet mogelijk zelf iets te organiseren, hoewel we dit op langere termijn wel
zouden gekund hebben. Door de kleine groep verloor het tijdschriftje wel aan
belang, omdat de hoeveelheid publiceerbaar materiaal vrij klein is en we steeds
meer met kreaktieve bezig waren. Het aantal nummers vermindert per jaargang en
onze verkoopsinspanningen dalen ook sterk. In april echter kwam toch weer de
drang om een nieuw nummer te maken op, zodat het zeker en vast niet
afgeschreven kan genoemd worden. Door onze samenwerking met anderen zagen
we tijdens dit jaar ook het belang van de naam Onkruid vervagen. Het OSS werd
gezien als iets wat los kon komen van Onkruid zelf en bij de band op het einde van
het woekerjaar zagen we onszelf ook niet als Onkruid op het podium komen. Mij lijkt
het dat we met vier overblijvende leden geen nood hebben aan een
groepsbenaming, zeker als we niet onder die noemer iets uitwerken. Hij blijft zeker
en vast wel aanwezig, maar weinig uitgesproken dan.

3.2. Wat zal volgen...


Door de positieve ervaringen van het voorbije jaar hebben we zeker en vast nog
plannen naar het volgende jaar toe. Met de andere mensen van de band, Saidja,
Saïd en Ben, zullen we waarschijnlijk voort repeteren en een repertoire uitbouwen,
waarin dan misschien wel plaats komt voor poëzie en sketches. De ideeën van het
OSS zullen mogelijk ook nog een vervolg krijgen en dan zullen we op zoek gaan
Hoofdstuk 7: Van Onkruid naar OSS 91

naar gelegenheden om die te brengen. Op dit moment is er het idee om voor dit
alles een atelier te huren waar we een maandelijks bedrag voor zouden
samenleggen. Dit zou dan ook dienst kunnen doen als expositie- en
voorstellingsruimte. Daaraan gekoppeld bestaat er een grote kans dat we een VZW
zullen proberen oprichten om onze werking te ondersteunen. Een groter evenement
uitwerken, zoals een podium- en expositiedag, behoort nog altijd tot de
mogelijkheden en zou dan meer kansen krijgen. Hiervoor zal het ervan afhangen of
we nog gemakkelijk meer mensen op de been kunnen brengen, bijvoorbeeld
vroegere onkruideniers. Daarnaast hebben we intussen al heel wat contacten met
kleine organisaties binnen het kunstenmilieu, die zeker en vast ook gelegenheden
kunnen aanreiken om te woekeren. We hebben nog niet beslist of we weer actief op
zoek zullen gaan naar nieuwe onkruideniers, maar het staat wel vast dat we ons niet
zullen afsluiten voor enthousiastelingen die ons willen vervoegen. Als de groep
uitbreidt is de kans groter dat we ook weer vroegere ideeën van Onkruid naar boven
zullen halen, maar voorlopig denk ik dat we vooral zullen voortbouwen op hetgeen
we in het vierde woekerjaar hebben uitgewerkt. De wil is er zeker om nog een lange
tijd samen kreaktief bezig te zijn.
Hoofdstuk 7: Van Onkruid naar OSS 92
Hoofdstuk 8: Onkruid, een poëtische benadering 93

Hoofdstuk 8: Onkruid, een poëtische benadering


1. Waarom het Onkruid Woekert…
Geschreven door stijneman in november 2002 en gepubliceerd als vervolgverhaal in
Onkruid jaargang 2,nummer 4 en 5.

Toen de Aarde pas gebold was leefden alle planten nog vrij en gelukkig op de
Reuzerollebolwei en in het Sprokenbos. Elke dag kwam de Grote Man met de
Uitgerokken Kaboutermuts en koos er enkele uit om Oersoep mee te maken. Wat
waren ze trots als zijn grote bruinbemodderde handen zich zacht om hen sloten en
hun steel voorzichtig afknakten. De anderen keken dan vol verlangen en
bewondering, want wie de Oersoep in ging was een Held. Intussen raakte de Aarde
steeds voller bevolkt met Mensen. Er werd meer en meer Oersoep gemaakt en
iedereen dronk en bleef gezond.
Toen kwam echter een zeer ambitieus man op het idee om in zijn tuintje (er
waren toen al zoveel mensen dat er niet genoeg plaats was om iedereen een Tuin te
geven) alle planten uit te trekken en het vol te zetten met slechts één soort, Witlof,
om daar zijn eigen bereidselen mee te maken. Hij trok het land, zelfs de hele wereld
rond om zich overal te laten betalen om te zeggen dat ze slechts één plant moesten
kweken. Hier teelden ze Worteltjes, daar Tarwe, ginds Tomaten, Patatten of
Appelbomen. Tijdens zijn reizen vond hij ook allerlei werktuigen uit met vlijmscherpe
randen, zodat de andere, overbodige planten snel konden worden weggesneden uit
de Aarde. Nu kwamen ze echter niet meer in de Oersoep terecht, maar werden
zonder meer weggemoffeld in vieze plastieken zakken, jaar na jaar.
Terwijl de Granen en Groenten, de Vruchten en Kruiden zich vol trots lieten
oogsten met de meest afschuwelijke machines en verwerkt werden in de flauwste
namaaksels van de Oersoep, lieten de meeste Andere Planten zich wegdringen naar
de donkerste en meest onherbergzame plaatsjes van de Aardbol. Velen stierven
door de ruwe windvlagen die hen aan stukken scheurden of door pakken sneeuw die
hen verpletterden met een ijselijke kou. Enkele van hen weigerden echter te wijken.
Op een dag hielden ze een Ondergrondse Bijeenkomst op de plaats waar ooit de
Reuzerollebolwei was geweest. Ze staken de wortels bij elkaar en kwamen tot het
besluit dat Georganiseerd Verzet nodig was. Voortaan zouden ze zichzelf Onkruid
Hoofdstuk 8: Onkruid, een poëtische benadering 94

noemen. Met tranen in de ogen herinnerde Weegbree hen aan de tijden van de
Oersoep. De Grote Man met de Uitgerokken Kaboutermuts was niet meer, hij was
verscheurd door een veel grotere machine toen hij een heerlijk klein blauw bloempje
wilde plukken tussen de Rogge. Iedereen was het erover eens dat ze een
Knuffelrevolutie op gang zouden brengen. Hun blaadjes trilden van opwinding.
Allen woekerden ze hun weg. De Aarde was nog nooit zo vervuld geweest
van kleuren, geuren, smaken en bewegingsspektakels. Geen oorlog overtrof dit
schouwspel, geen kruitdamp of kanongebulder, geen vuurflits kon er tegen op.
Tingel bezette met zijn familie alle sloten en omgordde zo de weilanden en akkers
met een ondoordringbaar waas van rode brandende pinnetjes. Dovenetel verleidde
iedereen tot het opzuigen van haar zoete nectar, waardoor de argeloze Wandelaars
wegdromend tegen de versufte Landombouwers liepen. Intussen stelde Bereklauw
grote verdedigingstorens op waar zelfs de beste messen niet tegen bestand waren.
Straatgras vrat zich een weg doorheen de stenen paden die de Mensen hadden
aangelegd voor hun ik-weet-niet-waar-maar-ik-moet-ergens-naartoe-machines. Het
potsierlijke Siergras werd tot zijn grootste ongenoegen ontsierd door de
schaamteloze Witte Klaver. Zijn broertje Rode Klaver was iets rustiger van aard. Op
stillere, ruigere plekjes verbaasde hij iedereen met zijn karmozijnrode aanblik, die
jongemannen deed denken aan zoete meisjeslippen, en die meisjes herinnerde aan
de peinzende jongens, die hen aanstaarden in de voor de rest kille en doodse
parkjes. De goedkeurende glimlach van een oud vrouwtje op een bank kon
voldoende zijn om hun handen dan voor altijd te doen versmelten. Dan zouden ze
nooit meer zonder wroeging een stengel nodeloos kunnen knakken. Dan was er nog
de weledele Papaver Somniferum, achter zijn rug vaak Slaapbol genoemd. Hij
bezoedelde de geest van de Mensen met lange diepe dromen die ze nooit zouden
vergeten. Hier en daar lag ook de slome Hennepnetel in de weg. Distel
ondermijnde de weilanden met taaie wortelkluwens en beet iedereen die hem
aanviel onverbiddelijk in de hand. Alles werd overdekt met pluisjes van
Paardebloem, omdat hij zich al te vaak platgetrapt voelde. En zelfs de door Mensen
zo geliefde Klimop wrong zich tot buiten de bedoelde paden en omgordde de bomen
in een innige onontkoombare knuffelspiraal.
Hoofdstuk 8: Onkruid, een poëtische benadering 95

De Mensen wisten zich er geen raad mee. Ook Monokultuurman, die aan de
basis van al het plantaardige ongenoegen lag, sloeg al zijn messen en machines
kapot op dit gigantische fleurige bataljon, waarna ze algauw overwoekerd werden.
Onkruid was Verkeerd, zo vond hij, Heel Verkeerd zelfs. Het waren volgens hem
Foute Planten op de Foute Plaats. Daarbij vergat hij natuurlijk wel dat een plant niet
fout kan zijn, enkel een beetje onbruikbaar soms voor vaak onbelangrijke belangen.
De Grote Man met de Uitgerokken Kaboutermust wist indertijd wel dat alles wat
groeide en bloeide zijn plaatsje had. Monokultuurman dacht echter dat hij de
zogenaamd Onnuttige of Minder Nuttige Planten zomaar ongestraft kon uit de weg
ruimen. Als je iets probeert weg te halen van de Verkeerde Plaats, kan het weleens
terugkomen op een andere, Heel Verkeerde Plaats. Dat was wat het Onkruid deed.
Alle kinderen verbaasden zich over het prachtige vormen- en kleurenspel, maar dat
werd hun gauw afgeleerd. De leraar op school toonde hen hoe ze de natuur
moesten Onderhouden.

Toen kwam Onkruidverdelgirman. Hij leek uit het niets op te duiken, al kan dat
natuurlijk niet. Onkruidverdelgirman was in werkelijkheid de zoon van
Monokultuurman. Gedurende de vele lange jaren waarin hij zijn vader had moeten
missen, had hij met allerlei dingen uit het medicijnkastje en andere chemische
stoffen geëxperimenteerd, terwijl zijn broer de prikkeldraad uitvond. Hij had er
talloze proeven mee gedaan op de planten die zijn vader had opgestuurd als
jachttrofeeën, zoals gigantische slingerplanten uit Oerwouden die Verkeerd Stonden,
tot hij ze volledig kon verdelgen.
Op zijn beurt trok hij de wereld rond om zich nog meer te laten betalen voor
steeds kleine beetjes onkruidbestrijdingsmiddel, Onkruidverdelgir genaamd. Overal
waar hij kwam werden de groengrijze paden weer dof grijs. Door sloten en weiden
trok hij een zwartbruin spoor, overal hing een waas van allerlei vergiften. Op zijn
meest demonische momenten maakte hij de afgrijselijkste mengsels en spoot ze met
een hemeltergende lach (gebulder en gekrijs zelfs) wild om zich heen. Vogels en
vlinders vielen met pakken neer op de hopen kapotgebrande planten. Op die dagen
verdween de zon achter een bruine damp en liep iedereen te hoesten. Maar
Hoofdstuk 8: Onkruid, een poëtische benadering 96

Onkruidverdelgirman bleef zeggen dat het Onkruid weg moest, omdat het Schadelijk
was.
Op een frisse maar zonnige herfstochtend was hij weer bezig als een razende
tekeer te gaan met zijn Supersproeimachine (ontworpen door zijn broer), toen hij
opgeschrikt werd door luid gesnik. Hij nam zijn beschermbril (ook een uitvinding van
zijn broer) af en ging kijken vanwaar het kwam. Achter een moedig Doornstruikje,
dat was blijven staan, vond hij een meisje, huilend en hoestend tussen der
slaphangende Rode Klaver. Telkens een traan van haar op een afgestorven
bloempje viel, lichtte het dofgeworden karmozijnrood heel even op.
Onkruidverdelgirman raakte vertederd door dit schouwspel en stak zijn hand naar
haar uit, maar vervuld van woede beet zij erin. Hij week terug, diep Bedroefd. Hij
was nog nooit Bedroefd geweest, maar vond het iets heerlijks en verschrikkelijks
hebben tegelijkertijd. Plots stond het meisje op en rende weg. Het laatste wat hij
zag was de groene gescheurde Uitgerokken Kaboutermuts van haar grootvader, die
ze in haar linkerhand klemde, terwijl ze verdween over de bruingrijze vlakte, tussen
de gifdampen door. Onkruidverdelgirman bleef verweesd achter. Hij zocht een
boom om tegen te zitten, maar zelfs de grootste en sterkste bomen waren verpulverd
door zijn verschrikkelijke Onkruidverdelgirs.
Hij gooide zijn Sproeipistool en Navulbare Rugzaktank op de barre grond en
legde zich naast het Doornstruikje, op de plaats waar Zij had gezeten. Hij wreef met
zijn hand over het struikje en zag hoe het bloed uit de strepen liep, maar het deed
geen pijn meer. Binnenin hem zaten veel grotere doornen, en die deden hem wel
pijn. Diep gemarteld viel hij in slaap. Hij droomde dat hij neerlag op een kussen van
Weegbree, terwijl de Dovenetel hem zachte bloempjes boordevol nectar aanbood.
De Rode Klaver bloeide en gloeide weer als tevoren. Zijn Supersproeimachine werd
overwoekerd door de sterke Distel en aan stukken gescheurd, en overal om zich
heen hoorde hij de hauwtjes van het fijne Herderstasje rammelen in de wind.
Zo werd hij wakker, nat van de dauw die van het Onkruid droop. Hij rilde van
de kou. Langzaam stond hij op en ging op zoek naar het dichtstbijzijnde huisje. Een
oud vrouwtje deed open en bood hem een kom soep aan. Het was dan wel geen
Oersoep van de Grote Man met de Uitgerokken Kaboutermuts, ze smaakte toch
overheerlijk, heerlijker dan alles wat hij ooit geproefd had. Hij voelde de warmte
Hoofdstuk 8: Onkruid, een poëtische benadering 97

weer die hij eertijds had gevoeld bij de Oersoep, maar die hij zich slechts zeer vaag
herinnerde, omdat hij toen nog heel erg klein was.
Toen hij voldaan was, vertrok Onkruidverdelgirman, nu Roojeklaverman
genaamd, steeds weer zijn gastvrouw bedankend. Hij zou de wereld rondreizen om
het Mooie Meisje met de Uitgerokken Kaboutermuts te zoeken, en genieten, of hij
haar nu vinden zou of niet. Sinds die dag kon overal het Onkruid welig tieren, en de
andere planten Woekerden mee…
Hoofdstuk 8: Onkruid, een poëtische benadering 98

2. De Weekhoorn
Speciale editie naar aanleiding van mijn scriptie, samengesteld op woensdag 27 juli
door Steven, Wout, Daan en Stijn.
Hoofdstuk 8: Onkruid, een poëtische benadering 99
Hoofdstuk 8: Onkruid, een poëtische benadering 100
Hoofdstuk 8: Onkruid, een poëtische benadering 101
Besluit 102

Besluit
Ik heb in deze scriptie geprobeerd een overzicht te geven van mijn bevindingen uit
een studie rond ons kunstenaarscollectiefje Onkruid. De klemtoon heb ik gelegd op
onze groep zelf en zijn specifieke kenmerken, om het lokale en gesitueerde karakter
van mijn onderzoek te onderstrepen. Als ik hier nu enkele conclusies uit moet
trekken, wil ik vooral het belang van het metaforisch denken onderstrepen. We zijn
een groep dichters en andere kreaktievelingen die op een poëtische manier zichzelf
en hun bezigheden omschrijven en daarmee een bepaalde wereldvisie uitwerken,
grotendeels impliciet, maar daarom niet minder krachtig en werkzaam. Het
woekeren is een werkingsprincipe geworden waar nog steeds geen duidelijke en
sluitende definitie van bestaat binnen onze terminologie. Niemand kan ontkennen
dat we het wel degelijk doen. In de latere hoofdstukken heb ik ook geprobeerd een
blik op de toekomst te werpen. Veel zal afhangen van bepaalde keuzes, waardoor ik
enkel een paar mogelijke wegen kon aanduiden. We zijn een collectiefje waarvan
de leden intussen al zeer sterk op elkaar ingesteld zijn en we begrijpen elkaar wel
zeer goed, maar dat wil nog niet zeggen dat we in onze toekomstvisie allemaal
gelijkgeschakeld zijn. Toch lijkt het mij dat we een bepaalde strategie hebben
uitgewerkt die in ons specifieke geval veel heeft gebracht, maar ook nog veel kan
brengen en waarschijnlijk ook veel had kunnen brengen. Ik hoop vooral een
dieptezicht op het werkingsproces binnen onze groep te hebben kunnen weergeven,
dat mogelijk een aanzet kan zijn tot verder uitdiepend onderzoek naar de eigenheid
van kunstenaarscollectieven, want die wordt vaak verwaarloosd in de mengkom van
het culturele veld. Een eigenheid die volgens mijn bevindingen veel dieper moet
liggen dan inhoudelijke of kleine structurele verschillen alleen.
Besluit 103
Bronliteratuur 104

Bronliteratuur
Baj, Enrico & Virilio, Paul 2003. Discours sur l'horreur de l'art. Lyon: Atelier de
Creation Libertaire.

Bey, Hakim 1985. Chaos: The Broadsheets of Ontological Anarchism. Internetsite:


http://www.hermetic.com/bey/taz1.html

Bey, Hakim 1993. Permanent TAZ's. Internetsite:


http://www.hermetic.com/bey/paz.html

Bey, Hakim 1994. TAZ, de Tijdelijke Autonome Zone. Amsterdam: Ravijn.

Bourdieu, Pierre 1992. Les règles de l'art. Genèse et structure du champ littéraire.
Parijs: Seuil.

De Man, Paul 1986. The Resistance to Theory; Theory and History of Literature 33
Minneapolis: University of Minnesota Press.

Emerson, Robert et al. 1995. Writing ethnographic fieldnotes. Chicago: The


University of Chicago Press.

Laermans, Rudi 2001. Het Vlaams Cultureel Regiem. Onderzoeksrapport in


opdracht van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, administratie
Cultuur. Leuven: Katholieke Universiteit Leuven, Centrum voor
Cultuursociologie. Internetsite:
http://www.wvc.vlaanderen.be/cultuurbeleid/onderzoek/cultuursociologische_e
ssays/cultureelregiem.pdf

Laermans, Rudi 2002. Het cultureel regiem. Tielt: Lannoo.

Marotto, Mark; Roos, Johan & Victor, Bart 2002. Collective Virtuosity: The Aesthetic
Experience in Groups. . Lausanne: Imagination Lab. Internetsite:
http://www.imagilab.org

Pinxten, Rik 2003. De artistieke samenleving. De invloed van kunst op de


democratie. Antwerpen: Houtekiet.

Reynebeau, Marc 1988. Apollo's klacht, over cultuur in Vlaanderen en elders.


Leuven: Kritak.

Szczelcun, Stefan 2002. Exploding Cinema 1992 - 1999, culture and democracy.
Doctoraatsverhandeling RCA, London. Internetsite: http://www.stefan-
szczelkun.org.uk

Van Rouveroij, Sas et al. 2002. Cultuur als dwarsligger: Cultuurbeleidsplan Stad
Gent 2002-2007. Stadsbestuur Gent. Internetsite:
Bronliteratuur 105

http://www.gent.be/gent/cultuur_new/beleidsdiensten/pdf/cultuur_als_dwarslig
ger.pdf

Vanheste, Bert 1981. Literatuursociologie: theorie en methode Assen: Van Gorcum.

Wainwright, David 1997. Can sociological research be qualitative, critical and valid?
The Qualitative Report 3/2. Internetsite: http://www.nova.edu/ssss/QR/QR3-
2/wain.html
Bijlagen
Overzicht bijlagen
Bijlage I: Uittreksels uit het tijdschriftje 'Onkruid'
De covers, chronologisch gerangschikt
Voorwoorden
Dada's
De Weekhoorn

Bijlage II: Enkele affiches


Aankondiging startvergadering tweede woekerjaar, eind september 2002 door
Yves
Aankondiging startvergadering derde woekerjaar, eind september 2003 door Sofie
Aankondiging poëzieavond 'Illuminatie' in Sjapo, november 2002 door Yves
Aankondiging 'Poëzieavond II' in Kitsch, november 2003 door Yves

Bijlage III: Enkele visieteksten van de manifestdiscussie in de lente van 2003


(tweede woekerjaar)
Het Shany-mani-fest (door Shany)
Enkele puntjes van Wouter
Een uitgewerkt stukje van Wouter
Een visie van mijzelf

Bijlage IV: 'Poëtic Terrorism' door Hakim Bey (zie Bey 1985)
Poetic Terrorism

Bijlage V: Overzicht derde woekerjaar (2003-2004)

Bijlage VI: Vragenlijst voor Onderzoekje op onkruidweekend in De Haan

Bijlage VII: Twee persoonlijke impressies


Een tekening uit enthousiasme voor poëtisch terrorisme, herfst 2003
Een tekening uit irritatie over het gebrek aan kreaktie en initiatief, voorjaar 2004
Bijlage I: Uittreksels uit het tijdschriftje 'Onkruid'
De covers, chronologisch gerangschikt

Jaargang 1, nummer 1 Jaargang 1, nummer 2 Jaargang 1, nummer 3


Herfst 2001 Herfst 2001* Winter 2002

Jaargang 1, nummer 4 Jaargang 1, nummer 5 Jaargang 2, nummer 1


Lente 2002 Lente 2002** Herfst 2003

*
Deze cover verscheen in drie kleuren: rood, geel en groen.
**
Vanaf dit nummer drukten we alles op kringlooppapier, zowel om het etische als het esthetische
aspect.
Jaargang 2, nummer 2 Jaargang 2, nummer 3 Jaargang 3, nummer 1
Winter 2003 Lente 2003 Herfst 2003

Jaargang 3, nummer 2 Jaargang 4, nummer 1 Jaargang 4, nummer 2


Lente 2004 Herfst 2004 Lente 2005
Voorwoorden

Jaargang 1, nummer 1*

Jaargang 1, nummer 2 Jaargang 1, nummer 3

*
Dit voorwoord zou onze officieuze stichtingsakte worden en zou later ook gebruikt worden in de
manifestdiscussies. Ik citeer er uit in hoofdstuk 1.
Jaargang 1, nummer 4 Jaargang 1, nummer 5

Jaargang 2, nummer 1 Jaargang 2, nummer 2 Jaargang 2, nummer 3


Jaargang 3, nummer 1 Jaargang 3, nummer 2 Jaargang 4, nummer 1

Jaargang 4, nummer 2*

*
Voor de uitzondering kozen we hier voor een nawoord achteraan in plaats van een voorwoord.
Dada's

Jaargang 1, nummer 4 Jaargang 2, nummer 1 Jaargang 2, nummer 2

Jaargang 2, nummer 3* Jaargang 3, nummer 1 Jaargang 3, nummer 2

*
Deze 'Dada' verscheen uitzonderlijk op de binnenkant van de achterflap, omdat we de achterzijde
hadden gebruikt om de naam Onkruid te plaatsen, die niet vooraan op de cover stond.
Jaargang 4, nummer 1* Jaargang 4, nummer 2

*
Vanaf dit nummer werd de 'Dada' een groepswerkje, waar we een voor een wat op aanvulden. Op
de achterflap kwam nu ook de verantwoordelijke uitgever voor het wettelijk depot.
De Weekhoorn

De allereerste 'Weekhoorn',
gepubliceerd in jaargang 3, nummer 2
De tweede gepubliceerde 'Weekhoorn',
in jaargang 4, nummer 2
Bijlage II: Enkele affiches
Aankondiging startvergadering tweede woekerjaar, eind september
2002 door Yves
Aankondiging startvergadering derde woekerjaar, eind september
2003 door Sofie
Aankondiging poëzieavond 'Illuminatie' in Sjapo, november 2002
door Yves
Aankondiging 'Poëzieavond II' in Kitsch, november 2003 door Yves
Bijlage III: Enkele visieteksten van de manifestdiscussie in
de lente van 2003 (tweede woekerjaar)
Het Shany-mani-fest (door Shany)
Enkele puntjes van Wouter
Een uitgewerkt stukje van Wouter
Een visie van mijzelf
Bijlage IV: 'Poëtic Terrorism' door Hakim Bey (zie Bey
1985)
Poetic Terrorism
WEIRD DANCING IN ALL-NIGHT computer-banking lobbies. Unauthorized
pyrotechnic displays. Land-art, earth-works as bizarre alien artifacts strewn in State
Parks. Burglarize houses but instead of stealing, leave Poetic-Terrorist objects.
Kidnap someone & make them happy. Pick someone at random & convince them
they're the heir to an enormous, useless & amazing fortune--say 5000 square miles
of Antarctica, or an aging circus elephant, or an orphanage in Bombay, or a
collection of alchemical mss. Later they will come to realize that for a few moments
they believed in something extraordinary, & will perhaps be driven as a result to seek
out some more intense mode of existence.
Bolt up brass commemorative plaques in places (public or private) where you have
experienced a revelation or had a particularly fulfilling sexual experience, etc.
Go naked for a sign.
Organize a strike in your school or workplace on the grounds that it does not satisfy
your need for indolence & spiritual beauty.
Grafitti-art loaned some grace to ugly subways & rigid public momuments--PT-art
can also be created for public places: poems scrawled in courthouse lavatories,
small fetishes abandoned in parks & restaurants, xerox-art under windshield-wipers
of parked cars, Big Character Slogans pasted on playground walls, anonymous
letters mailed to random or chosen recipients (mail fraud), pirate radio transmissions,
wet cement...
The audience reaction or aesthetic-shock produced by PT ought to be at least as
strong as the emotion of terror-- powerful disgust, sexual arousal, superstitious awe,
sudden intuitive breakthrough, dada-esque angst--no matter whether the PT is aimed
at one person or many, no matter whether it is "signed" or anonymous, if it does not
change someone's life (aside from the artist) it fails.
PT is an act in a Theater of Cruelty which has no stage, no rows of seats, no tickets
& no walls. In order to work at all, PT must categorically be divorced from all
conventional structures for art consumption (galleries, publications, media). Even the
guerilla Situationist tactics of street theater are perhaps too well known & expected
now.
An exquisite seduction carried out not only in the cause of mutual satisfaction but
also as a conscious act in a deliberately beautiful life--may be the ultimate PT. The
PTerrorist behaves like a confidence-trickster whose aim is not money but CHANGE.
Don't do PT for other artists, do it for people who will not realize (at least for a few
moments) that what you have done is art. Avoid recognizable art-categories, avoid
politics, don't stick around to argue, don't be sentimental; be ruthless, take risks,
vandalize only what must be defaced, do something children will remember all their
lives--but don't be spontaneous unless the PT Muse has possessed you.
Dress up. Leave a false name. Be legendary. The best PT is against the law, but
don't get caught. Art as crime; crime as art.
Bijlage V: Overzicht derde woekerjaar (2003-2004)
In deze tabel staat een overzicht van al onze bijeenkomsten van het derde
woekerjaar. De activiteiten naar buiten toe zijn in hoofdletters aangegeven.

Datum Inhoud Tapes


29 september 2003 (maandag) Voorbereiding woekerjaar

6 oktober 2003 (maandag) WERVING VAN NIEUWE ONKRUIDENIERS


8 oktober 2003 (woensdag) Startvergadering woekerjaar en verwelkoming 'Jongkruid'
15 oktober 2003 (woensdag) Tweede bijeenkomst
20 oktober 2003 (maandag) Bijeenkomst communicatiewerkgroepje
21 oktober 2003 (dinsdag) Redactie Onkruid jaargang 3, nummer 1
22 oktober 2003 (woensdag) POËTISCH TERRORISME
29 oktober 2003 (woensdag) Voorbereiding weekendje 1

7 november 2003 (vrijdag) Weekendje in De Haan (eerste avond) 1


8 november 2003 (zaterdag) Weekendje in De Haan 2,5
9 november 2003 (zondag) Weekendje in De Haan 2
17 november 2003 (maandag) Voorbereiding poëzieshow 1
24 november 2003 (maandag) Voorbereiding poëzieshow 2

1 december 2003 (maandag) Voorbereiding poëzieshow (generale repetitie) 2


3 december 2003 (woensdag) ONKRUID POËZIEAVOND II
9 december 2003 (dinsdag) POËZIEAVOND KMF
15 december 2003 (maandag) Video en evaluatie poëzieavond 1
31 december 2003 (woensdag) Oudejaarsavond

15 januari 2004 (donderdag) Heropstartvergadering 1


26 januari 2004 (maandag) Start van theater- en muziekproject 2
28 januari 2004 (woensdag) POËTISCH TERRORISME
29 januari 2004 (donderdag) TIJDSCHRIFTJESVERKOOP (mislukt)

2 februari 2004 (maandag) Vervolg van heropstartvergadering 2


9 februari 2004 (maandag) Repetitie muziekproject
16 februari 2004 (maandag) TIJDSCHRIFTJESVERKOOP
17 februari 2004 (dinsdag) Werkgroepje poëzie- en expositiedag
23 februari 2004 (maandag) Samenstelling Onkruid jaargang 3, nummer 2 1

1 maart 2004 (maandag) Repetitie muziekproject 1


4 maart 2004 (donderdag) Redactie Onkruid jaargang 3, nummer 2
26 maart 2004 (vrijdag) Kleine bijeenkomst in café Damberd

1 april 2005 (vrijdag) Filmweekendje Scheldewindeke


Bijlage VI: Vragenlijst voor Onderzoekje op
onkruidweekend in De Haan
Bijlage VII: Twee persoonlijke impressies
Een tekening uit enthousiasme voor poëtisch terrorisme, herfst
2003
Een tekening uit irritatie over het gebrek aan kreaktie en initiatief,
voorjaar 2004