You are on page 1of 34

ÍIET

W\

MUNTSTELSEL
GEWIJZIGD

NAAR DE

ì

BESTAANDE BEHOEFTE.

-íá_<‚I/:ìrf‘c "Á’4

- ’zwä” «é:»a ’

—‘>”z{z‚ tlv1 r/ 1_

’ / î‘

(_/ 71’-(/7’1//L /

/[/(

(á‚ ’

/‚ZM’ÄV‘14
7

,

»//"‚‚‘ /z‚

v

3/

(”’ ’/ /'("‘

(é -L'û r

(, ‚

/ C"A ‚<7 /

’ ‚

/

‚_

‚‚

//

‚Á

—‚
;.

3/

J‘Áw7’ÔÁ‘Ä/e/yì’ aû‚n Za/‘Ïò’ìî’lefiîîpí árf/mm/ íá.’ c/Àí/

Ì /‘/”ûw;4‘ Ú’5‘ûó-f‘îfl" /à—’vé‚lijá M‚3
úf/ÍA/N/JÌÜÎMÎ
C‚’

áwn
‚‘-’

i
\
Ï

_.-_‘

_

_

M.‚‚‚ ;árfù„e/Ä‘,

é1
/‚

.

‘/

44‚„ /á« „/7////"’/2124/
,

”‚

,‚‚‚’

‚‘,

“/ ’/ /
Î//Á"//Ó

LEYDEN,

’ ’ H. W. HAZENBERG IJ COMP.
1845

_

"/

îj„
/f ‚’‚/‚‚‚‚.‚/-‚’;á;‚.‚
’ ‘Á’/Í
/’
‘.L

.

,

» .‚\

.‚

"

‚.

.

‘.

._

1

I

.._.I

_‚

_

.1‚‘ .“„‚ \íì.'„ s.‚IJ‘ù'".'s

t

“1\"

vòókijïóûgm

‘. '‚‚\ ‘
.
.‚
(„‘

‚.

>"I“'J

«.‘\

.

..

\

\.„‘._'

‘.

.

“.‚‘

‘_

.‘..

n

‚1,

. ‚‘‚.

‘‚

\

nietDeze
alleenbldden
geld moeten
zijn gewijd
besteden
aavn’het‘
aan. de
betoog,
vernieuwing
dat

van onze schandelijke ‚ in harè gevolgen onregtvaar
dige, en door hare aanleiding hoogst onzedelg'jhe,
verouderde, versletene en besnoeide munt; maar dat

wij inzonderheid een ander stelsel behoeven.

Het doel, waarin men de aanmerkingen op eenige
artikelen in de Tijdgenoot geplaatst, schreef, was,
ze ter opname in genoemd tijdschrift aan te bieden.

De Redactie heeft er de gelegenheid toe benomen,
daar zij in haar laatste NO. verklaard heeft hare ho

lommen niet langer met stuhhen , betrefende dit on
derwerp, te kunnen vullen.
Het is er verre van af, dat men eenigen dank beöog

de, toen het thans aan den Lezer aangeboden ontwerp
van wet, benevens de daarbij behoorende Memorie
van toelichting, opgesteld werden. Aangenaam zoude

—_.

het geweest zijn, indien het had mogen gelukken,
mij, het ontwerp een voorstel bij de wetgevende verga
dering te doen maken. Misschien werden de pogingen

hiertoe aangewend verijdeld ‚door de menigvuldige
werkzaamheden, waarmede thans de 246 Kamer der

Staten Generaal als overkropt is.
Reeds eenigen tijd is er een ontwerp bij de Kamer
ingediend, waarbij de noodige fondse‘n worden ge
vraagd , om de tegenwoordige Wet, in spijt van weten
schap en ondervinding, ten uitvoer te kunnen leggen.

De tijd dringt. Aan omwerken valt niet te denken.
Besef van burgerpligt en liefde voor de waarheid,

verbieden het den Schrijver, ter zijde te leggen het
geen hij in volle overtuiging ter neder heeft gesteld.

Het zoude misdaad in zijne oogen zijn, indien hij
aan de kennis van het publiek had onttrokken , het
geen hij voor waarheid houdt, nopens eene voor het

gemeene welzijn zoo gewigtige zaak , als is " een
goed muntstelsel.

Het anon‘ym is bewaard, om alle verdenking van

bijbedoelingen te voorkomen.
‘- ’26’ Fèb. ‘1845.

AANMERKINGEN
BETREFFENDE HET

MUNTWEZÈN.

De menigte belangrijke stukken in de Tijdgenoot, om-‘
trent het Muntwezen voorkomende , bevatten eenige
denkbeelden, waarop’ ik mij in het belang der zaak‘vèr
pligt acht de volgende aanmerkingen te maken.

10. Het schijnt mij toe , dat er verwarring van denk
beelden bestaat opzigtens de beteekenis der woorden

standpennin‘g en standaard. Een standpenning noem ik
iedere munt , die‘zelve eene munteenheid bevat. Dusda

nig muntstuk, waarvan de eigene waarde overeenkomt
met die der munteenheid, dat is de standaard of de tij

delijke eenheid van waarde , waarin plaatselijk gerekend

wordt. Dit muntstuk moet alzoo, met betrekking tot de
overige goederen, ‚eene op zich zelve staande waarde be
zitten, even als deze wederkeerig eene betrekkelijke
waarde tot het muntstuk of onderling tot elkander heb— ’

1

2
ben. In zoo verre plagt het muntstuk gulden, van ouds
een standpenning te zijn. Niets belet derhalve, dat er
nevens den gulden meerdere standpenningen bestaan.
Hun getal hangt alleen af van dat der in gebruik zijn

de munteenheden. Bij voorbeeld, indien men, zoo als
in Pruissen geschiedt‘, soms in pistolen en soms in tha
lers rekent (1), dan behooren de stukken, die pistolen
en thalers geheeten worden, beide standpenningen te
zijn. Elk hunner behoort dan als zoodanig eene waar
de te hebben, gelijk aan die der munteenheid waarvan
het den naam voert, zOnder dat iets anders_ op deze
zijne waarde eenigen invloed uitoefene, dan zijn meta
lieke inhoud en stempel; Uit de aangehaalde daadzaak
blijkt, dat men alsdan in Pruissen aan geene door de
wet bepaalde betrekkelijke waarde tusschen genoemde
verschillende verwezenlijkte munteenheden of standpen
ningen te denken heeft. Ik acht het alleen op dien
voet dienstig, bij de wet, de twee standpenningen te be

houden. Welligt zal in de verwezenlijking van dit denk
beeld een middel liggen, om de Heeren SUERMONDT en
CROGCKEWII tot elkander te doen toenaderén.
‚2°. Acht ik het noodzakelijk, den muntvoet van den

gulden te brengen op p. 111. 191,1!á’0. De Heer BAKE zal
dit wel het minst niet mij eens zijn. Desniettemin leveren
zijne artikelen in de Tijdgenoot mijns inziens genoegza
me stof, om op grond daarvan de noodwendigheid te be

toogen , dat men den gulden voortaan ongeveer tot ge
noemden inhoud te vervaardigen hebbe.
Munt is eene koopwaar. De waarde der munt moet
alzoo_uitgedrukt worden door een equivalent van ande
re natuur, dat is dOor eene hoeveelheid van eene an
dere koopwaar. De waarde der munt is grooter, dan die
van haren metalieken inhoud, omdat in dien vorm het
(1) Een zic llornusx, die lehre rom gelde. Berlin 1838.

3

metaal eene bijzondere bruikbaarheid bezit.

Tot dus

verre verwacht ik van Zijn Hooggel. geene tegenspraak;
daar deze stellingen in genoemde art. opgesloten liggen.
En nogtans geeft de meening van den Hoogleeraar

(Tijdgenoot bl. 75) dat de gulden 200 azen lijn zilver
zal moeten houden, aanleiding om.te denken , dat Zijn
Hooggel. het besluit zoude wraken; » dus een íÊ fijn

» zilver tot guldens vervaardigd moet meer waard zijn
» dan een íí.‘ zilver in baren;” of omgekeerd, »uit een

»@ fijn zilver moet men meer muntstukken ter waar
» de der munteenheid slaan , dan het getal guldens, dat
» vereischt wordt, om een íË fijn zilver te koopen: Dat

» is meer dan 106 stuks, daar het zilver thans pl. m.
»f106 kost.”
Volkomen te regt zegt Prof. BAKE . dat de eerlijkheid
in het stuk der munt de eenige hem bekende voorzig
tigheid is (Tijdgenoot bl. 109). Bedrieg ik mij niet, dan
geeft Zijn Hooggel. daarmede te kennen, dat men even
zoo min'de waarde van den standaard en van den stand
peùning verzwakken als verhoogen mag; want het eene
is slechts in eenen tegenovergestelden zin, . maar daar

om niet minder onregtmardig, dan het andere.
- Ùp grond van het gezegde, zal ik dan nog niet be
weren , dat de tegenwoordige Waarde van. het fijn zilver ,._

geheel juist de hoeveelheid van dit metaal aanduidt,
die de Gulden moet bevatten , om even veel waard te

zijn , als de inunteenh’eid; maar ik ben geregtigd er van
af te leiden, dat de standaard thans geen’e waarde heeft;
en ‚derhalve dat de standpenning er ook geene moet

bezitten, gelijk aan 200 azen fijn zilver: omdat 200
azen of. 9613 mil. 61‘. X 106 bedragen 1 íË 01,8, 978

alz‘oobijkans 2’/0 te veel. Straks nader over den inhoud
van den standpenning-gulden, zal hij eene waarde bezit

ten , gelijk aan die der munteenheid of standaard.
Vooraf valt te onderzoeken, wat de waarde bepaalt

4

van de munteenheid

Is het uitsluitend de meta

-lieke inhoud van het stuk , dat eertijds standpenning was ,
in casu van den gulden , met inbegrip van de meer

dere waarde die het metaal door zijne oorspronkelijke
munt-hoedanigheid erlangde? Het zij verre. Dan voor
zeker kostte thans 1 ílì fijn zilver Veel meer dan f106;
Want nimmer kan tusschen de waarde van den gulden
in zijnen ellendigen tegenwoordigen toestand, en tus
schen die —van zijnen inhoud fijn zilver in baren, een
groot onderscheid ontstaan, dat enkel Op den waar—
borgvan zijnen inhoud fijn zoude berusten. Immers
aan dien door besnoeijing en afslijting te loor geraakten
waarborg valt thans, uit den aard der zaken, niet meer

te denken.

'

’De oorzaken zijn buiten het muntstuk te zoeken. Het

uitwerksel is eensdeels aan de enorme hoeveelheid goud
(de Heer’Sunamoivnr zegt f 150,000,000) die geslagen

is , anderdeels aan het vooruitzigt van de invoering van
nieuWe’ zilveren muntte danken. Vandaar dat men
thans in’ de onzekerheid, of men goede of gesnbeide
munt zal ontvangen, tijdelijk de munteenheid waard

schat pl.—m. film—van 1 Q fijn zilver.
Mo‘gt het der Begefinggelieven de aanmunting van
goud Αte staken , spoedig verdween al het gouden geld,
of het bereikte eenen hoogèren cours. Wie zoude hier
aan kunnen twijfelen?
Dan 'werd enkel in zilver betaald, ofschoon mis

schien met goud tegen den bours , en eerst dan zoude de
zilveren specie alleen invloed uitoefenen op de waarde
bepaling van de munt-eenheid.

. ’ ‘

Kwam hierbij, dat de Staat van de verbetering van
onze zilveren munt afzag, dan werd de waarde van den
standaard, die dan uitsluitend gebezigd wierd, enkel
(1) Homnmv op. land. blz. 44 et seq. inzonderheid bl. 47.‚

v5
door de zilveren munt, in zijnen ellendigen tégenwoor-

digen toestand, bepaald. Het zoude nog de vraag zijn ,
of de gulden , zoo als hij omloopt , in doorsnede gelijk
van waarde zoude wezen met de munteenheid? Immers
hiertoe zoude noodig zijn, dat geene‘andere zilveren
muntspecien meerderen invloed, dan de‘ guldens in
massa op de waarde bepaling der munteenheid uitoefen
den , of, dat de invloed van de onderscheidene andere

muntspecien zich onderling neutraliseerde.. De gulden

en de standaard of munteenheid hebben slechts dan
door henzelven eene gelijke waarde, wanneer de waar‘
borg van den inhoud, dien het stemPel oplevert, het
ontbrekende der waarde van den metalieken inhoud
aanvult. De tegenwoordige zilveren specie is geworden

piéce de cohfiance.
_
’ ‘ Î ‘”
‘ Zoo even gewaagde ik van het geval, waarin de stand
penning gulden evenveel waard is als de munteenheid
of standaard van dien naam. Dit leidt mij van zelf tot
het betoog, dat de gulden te dien einde thans werke

lijk pl. m. 190%0g fijn moet houden.

"1 1“‘

Ik zal den Heer BAKE slechts behoeven te herinneren,

dat boven de reden reeds aangewezen is_, waarom’de‘ gul
den‘minder moet houden dan film. van 1 Q zilver. De
vraag komt dus hierop‘neder: hoeveel minder“? ’
‘“
Het zal wel geen betoog behoeven, dat de Staat dWaas
doet munt te slaan, wanneer er aan edele metalen in

dezen vorm gee1ie genoegzame behoefte bestaat, dat is
geene, die de muntspecien minstens zooveel meer waard
doet schatten, als de muntkosten bedragen. Dit betwij

felt geene zaakkundige. ’Opdat de Staat zich dus aan
deze dwaqsheid niet schuldig make , moet de metallieke

inhoud van den gulden met 'zooveel percent vermin
derd worden, als de muntloonen bedragen. Maar aan

de andere zijde, opdat de Staat nimmer trachte door meer
dere aanmunting, dan noodig is , eene winst te behalen ,.

6
die, bij te groote uitgave van te ligte munt , noodwendig
op de waarde van de munteenheid invloed moet hebben,
daarom is het wederom noodig bij de wet vast te stellen,

dat de inhoud niet minder mag wezen, dan zoo even is
bepaald. Nu rekent men , dat de gulden en de grovere
specie dooréén lä°/o van aanmunting kosten; stel

‚dus pl. m. 106 -|- 1‘} is pl. m. 107%, dat is: 1 gulden
moet pl. m. houden “15%? van 1 9? fijn zilver of
pl. m. 191,3U%.
Ik zie tot bevestiging van mijn gevoelen in de Tijdgl.
dat de Heer SUERMONDT tot gelijke uitkomst is geraakt.
3°. Verklaar ik mij voor zilver, indien men slechts
eene munteenheid hebben wil. Waarom in het alge
meen geen goud voor grootere betalingen, en zilver
voor kleinere te bezigen zouden zijn , betuig ik niet te
begrijpen. De bewering, dat dit tot ongerijf van der;
handel zoude leiden, verliest genoegzaam al hare kracht,
wanneer wettelijk wordt bepaald, dat telken laatsten

dag der,week , door de Staats-Courant, op grond van
de handelstaxatie, de betrekkelijke waarde kennelijk zal
worden gemaakt, die de schatkist gedurende de ‚vol
gende week aan de onderscheidene munteenheden zal
toekennen. Men bewere ook niet, dat meer dan e’éne
munteenheid iets nieuws, iets onbekends hier te lande
zoude zijn; voortijds werd in guldens, bank en cas
geld, in goudguldens, in ponden vlaamsch gerekend.
Indien men de keuze heeft tusschen beide metalen , om

daarvan muntspecien te vervaardigen, en daardoor
munteenheden te bepalen , kan men , vooral opzigtens
0Vereenkomsten, op langen tijd, de eene of de andere
munteenheid aanwenden, naar gelang men het voor
deeligste acht. Dat de wet hier niets in den weg legge ,
daar zij de keuze geheel aan de particulieren overlaten
kan ‚ omtrent het metaal, waaraan zij eene meer stand
vastige ruilingswaarde vermeenen te moeten toekennen.

_7
‘Maar is’de wet zoo verstandig niet, dan komt mij het

goud, ‘ niettegenstaande al het geen de Heer SUERMONDT .
en inzonderheid HOFFMANN , Ûp. land., ter aanprijzing

daarvan, en veelal met regt zeggen, minder tot het doel

geschikt voor , dan het zilver. Niet allèen.steunt dit gevoe
len op de redenen, die ik aa‘ntref in het, bij den aanvang
van het jaar 1839 uitgegeven vlugschrift : Gedachten 0m—
trent het Muntwezen; maar ter ondersteuning van het

geen de Heer CROOCKEWIT.dÍenaangaande in ‘de Tijdge
‚noot zegt, kan men nog aanvoeren, dat , ofschoon scheide

munt, (zoo als door den Heer SUERMONDT mede in de Tijd
genaot voorgesteld wordt), heden slechts 5°/0 beneden

den gevorderden metalieken inhoud geslagen is, zij
over een of meer jaren wederom bevonden kan wor

den 10°/0 en meer onder den inhoud te bevatten.
Ik bedoel niet door de sleet of door de mu‘ntvermin

king, neen. maar door de betrekkelijke rijzing van
het goud.
dacht 5°/0 is nog al een lokaasje. De
Heer SUEKMONDT schijnt altans nu te erkennen, dat
10°/0 daarvoor door mag gaan. Welnu, die tijd kan
komen. Wat meer is, de Heer SUERMONDI‘ ziet dien

spoedig te gemoet. (Tijdgenoot bl. 28.)
Ofschoon ik meen, dat er nog meer voor het ves‘
tigen der keuze op het goud te zeggen zoude zijn,
dan is aangevoerd, desniettemin hecht ik zoo veel„aan
het argument, dat zilver een metaal is, waarvan de

deelen zoodanig afgepast kunnen worden, dat zij bruik
baar zijn in de telkens terugkeerende en oneindige ge
vallen, waarin men munt behoeft, terwijl goud dik—
werf alsdan minder te bezigen zonde zijn , —- dat dit ar-‘
gument alleen bij mij alle de overige overweegt. Daar
in ligt immers: de grondoorzaak, waarom men geen goud
alleen als munteenheid kan gebruiken, zonder eene
groote hoeveelheid zilver tevens als scheidemunt in

omloop te houden. Van daar dat het nadeelige der ge‘

8
volgen ten slotte het goede overtreft, dat in' het ge‘
bruik van den uitsluitenden gouden standaard ligt.’
In de daad, als men goud, als het eenige, de munt

eenheid bepalende metaal, wil bezigen, zal het vroeg
of laat blijken, dat men tracht naar het geen in de
Wetenschap genoegzaam erkend is onbereikbaar te zijn.
Dezelfde invloed, dien te groote uitgifte van het koper
thans soms zoo lang Op de bepaling van de waarde
der munteenheid uitoefent, tot dat die scheidemunt

eindelijk niet meer als zoodanig aangenomen wordt,
die zelfde invloed zal zich ook wederom en tot even
zoo lang omtrent te ligt geslagen zilver openbaren,
dat‘als scheidemunt nevens het goud behoefd wordt.
‘Dit‘ gevolg is immers gemakkelijk te voorzien, omdat
-de winst, die aanvankelijk op te ligt geslagen munt te
—behalen is, door de ondervinding, die‘wij er reeds
hier van gehad hebben, en door het geen in Pruissen
mede plaats heeft gehad, blijkens het geen men bij
meergenoemden HOFFMANN vindt aangeteekend, geble
ken is eene genoegzame beweegreden te zijn, het zij
‘vo’or de Regering om eene te groote hoeveelheid in om
loop te brengen, het zij voor particulieren, voorna
melijk voor buitenlanders, om nagemaakte munten in
-te Voeren. Zoo lang deze overtollige aanvoer duurt,
zoo lang heeft hij invloed op de daling van de Waarde
1der scheidemum. En eerst met de beweegreden neemt
de schadelijke handeling een einde: met anderewoor
den, de oVeraanvoer duurt, tot dat de waarde der

scheidemunt zoo laag zal gedaald zijn, dat de beoogde
winst daarop niet meer te behalen is. Dan is er tevens
buiten den wil van den wetgever , enkel door de kracht
der dingen, eene daadwerkelijke zilveren munteenheid

‘neVens de gouden ontstaan. De wettelijke bepaling van
twee munteenheden missende, en alleen de gouden
’munteenheid aannemende, bereidt men alzoo de in

9
voering van eene zilveren munteenheid buiten‘ de
Wet.

De overigens nuttige bepaling, dat men niet gehon—
dan zal zijn, grootere sommen te ontvangen in stukken
Van mindere waarde dan de munteenheid, zal de uit—
komst, die ik meen te kunnen voorspellen, slechts
verhaasten, zoo dikwerf te ligt geslagen scheidemunt
in omloop gebragt wordt nevens de gouden munt. Im
mers, hoe moeij’elijker de wet het maakt, de eenmaal

te groote in omloop zijnde hoeveelheid scheidemunt

uit te geven, zoo veel te eerder besluit de houder zij
-nen eisch in te krimpen, en zich eenig verlies op de
betaling met zulk zilver te getroosten. Heeft de daling

eenmaal haar laagste punt bereikt , en is daadwerkelijk
de zilveren munteenheid ontstaan, dan is tevens het
stelsel zelf door de kracht der dingen te zoek geraakt.

Nog mag ik niet met stilzwijgen voorbijgaan, dat de
voorstanders van goud, als het eenige metaal, waarin
wij bij gebrek aan beter de betrekkelijke waarde der

rijkdommen afmeten, niet vrij schijnen van het oude
denkbeeld omtrent eene bepaalde eenheid van waarde;
ofschoon het genoegzaam erkend is , dat er geene stel
lige maat bestaan kan van zaken, die geene andere dan
eene betrekkelijke grootte hebben, zoo als deugd, regt
vaardigheid, genot, geluk, nut, waarde en meer andere.

schijnt toe, dat de argumenten, die aangevoerd
worden, ten betooge van de geringere waardevermin
dering, waaraan het goud bloot zoude staan, tot een

beweren leidt, dat op zich zelve niets tegen de »aan

neming van twee afzonderlijke ‘munteenheden bewijst.
Maar gesteld, dat dit nog het geval eens was, dan
vraag ik, of de ondervinding, die men heeft van de

vorderingen in den lateren tijd, omtrent de bewerking
der zilvermijnen gemaakt, eenen genoegzamen grond
oplevert, om daarop te besluiten, dat men ook in het

10
vervolg minder groote bezuinigingen in de verzameling

van gouddeeltjes zal weten in te voeren, dan nog op
nieuw in de zilver-bergwerken'? Verder zal het wel bui

ten kijf wezen, dat de welvaart, die thans over den
geheelen aardbodem verspreid is, tot een veel grooter
verbruik van zilver dan weleer leidt, en dat uit den
aard der zake het verbruik van goud in verhouding min
der toeneemt. Waaruit wederom voort zoude kunnen

vloeijen, dat de vraag, doordat zij toenemende is in
verhouding tot de toename der productie, de betrek
]ijke waarde van het zilver nagenoeg stationair dede
blijven , en dat de bezuinigingen der bewerking hoofd
zakelijk ten profijte zouden strekken van de eigenaren
van de zilvermijnen zelven.

Ten slotte schaadt eene trapsgewijze langzame afname
Van hetgeen men de positieve waarde van het zilver
zoude kunnen noemen, ten gevolge van de vorderin—

gen, die men te eeniger tijd in kunsten en wetenschap
pen zal hebben gemaakt, geenszins aan de meening van
zilver als ruilingsmiddel te bezigen. Immers, in zoo verre

dit metaal alzoo voor het gemeene en dadelijke gebruik
zal dienen, doet genoemde omstandigheid niets af. En
wil men er een oorzaak van latere schadelijke gevol
gen in gezien hebben, wat belet dan, dat men, indien
tevens de gouden munteenheid aangenomen wordt, in
‘leze overeenkome , zoo dikwerf het transactien geldt van
langeren duur?
‚‚

Voeg hier nog bij, ‘ dat er iets billijks in schijnt te
zijn, dat, wanneer de vorderingen in alle de kunsten
‚en wetenschappen het verkrijgen van alle producten
gemakkelijker en onkostbaarder hebben gemaakt, de
Uitdrukking der schulden ook plaats hebbe in zaken,

die ten deze in het gemeene lot der dingen deelen, en

niet in eene zaak, die even als men het omtrent het
goud tracht te doen voorkomen, in een exceptioneel

11

geval ‚van stilstand zoude verkeeren. Deze stilstand zoude
op eene betrekkelijke rijzing van waarde uitlooiìen. En
door die rijzing zoude het omgekeerde plaats hebben
van hetgeen thans geschiedt. Immers in plaats van door
de'verzwakking der munteenheid te verliezen, zoude
dan niemand gevoeliger door de meerdere Ontwikkeling
des menschdoms bevoordeeld worden, dan hij, die
schuldvorderingen op langen tijd bezitten zoude.
Ook wil men de groote hoeveelheid goud, sedert. 1816
gemunt, ten faveure van het aannemen van dit metaal

als eenigen standpenning doen gelden.‚ De vraag dient
eerstens opgelost te worden , of de hoeveelheid , ‚die daar
van thans nog in wezen is, werkelijk zoo groot zonde

zijn. Hier schijnt de Heer CROOCKEWIT te regt aan te
twijfelen (Tijdgenoot bl. 60). Gesteld echter, het ware
‚zoo , dan zoude vervolgens onderzocht moeten worden,
hoeveel daarvan, of hier te lande in voorraad is, of

gemakkelijk wederom naar hier te lokken? Als men nu
eens bevond, dat de hoeveelheid voor de binnenland—

sche circulatie noodig, in goud reeds disponibel was ,
waarom dan nog meer te vervaardigen? Maar indien
wij deze, ; zeker niet ongunstige onderstelling voor de
voorstanders van de uitsluitende gouden munteenheid
aannemen, zal zij dan ook niet gunstig voor het stelsel
pleiten van twee munteenheden, eene zilveren en eene

gouden , doch waaraan niet dwazelijk door de wet ge—
last wordt eene bepaalde betrekkelijke waarde onderling
toe te kennen?
In beide gevallen zal het noodig zijn te voorzien in

de behoefte aan een nieuw, van zilver vervaardigd cir—
.culatie-middel.
Ik zal niet ontkennen, dat in het eerste geval mis

schien eene _eenigzins mindere hoeveelheid benoodigd

kan zijn. Daarentegen houd ik mij stellig overtuigd,
dat het nadeel van meer zilver in omloop te houden,

12

veel geringer is, dan het niet ruiterlijk afschaffen Van
de overblijfsels van het oude stelsel, waarop thans nog
berust hetgeen de voorstanders van den gouden, als
eenigen standpenning, verdedigen.
Het schijnt uiterst moeijelijk te zijn geheel van het
begrip terug te komen, dat de wat de betrekkelijke
waarde zoude kunnen bepalen tusschen goud en zilver.

’(Zie
14°.Gedachten
Een woord
omtrent
over het
het muntwezen
kaspapier van
bl. den Heer
SUERMONDT. In het algemeen kan men zich van een
schuld kwijten,. door een equivalent aan den schuld

eischer over te dragen. Zoo’ bereikt men zijn oogmerk
door overgifte eener zaak, wanneer daarmede tevens
het eigendomsregt overgaat; door overgifte en afstand
van eene schuldvordering op eenen derden, ten be—
hoeve van den schuldeischer; door aanwijzing op eenen
derden, ten behoeve van wien men zich tevens schul
denaar stelt, in geval deze er genoegen mede neemt
en aan deaanWijzing beantwoordt; door overgifte van
de bewijsstukken van depot.of door toestemming tot

overboeken, al naar de wijze, waarop bewezen wordt
hetgeen wij bij anderen gedeponeerd hebben: dat is -b.
v. 10. door overdragt van geld; 20. door overgifte en

afstand vanbankpapier of wissels op iemand getrokken,
die ons schuldig is; 30. door overgave van wissels door
ons op iemand getrokken, die ze zalhonoreren, of‘

schoon

ons niets schuldig is; 49. door afstand van

Entrepohceduls, of van aanwijzingen op "boeken van
de voormalige Amsterdamsche Bank.
Doch eene uitdelging vanschuld, zonder overdragt

van eene waardij , noch van eenig regt , is eene duperie.

Aan zulk een voorwerp, dat noch innerlijke waarde be
zit, noch eenig regt op waardijen verschaft, wordt
nooit langer waarde toegekend, dan de dwaling omtrent
zijne eigenschappen bestaat.

Dit moge dan Heer SUER

13

MONDT van zijne meening omtrent oninvorderbaar kas
Papier doen terug komen.
Het is zonderling genoeg, dat deze Heer ten dezen

opzìgte juist door den bekenden voorstander van eene
te Amsterdam op te rigten Giro-bank is teregt gewezen.
Immers, de grondslag, waarop deze bank zoude heb‘
ben berust, streed op eene gelijksoortige Wijze tegen
dan loop der dingen.

PROEVE
VAN

ONTWERP VAN WET TOT REGELING VAN HET
NEDERLANDSCHE MUNTWEZEN.

WIJ WILLEM enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut!
doen te weten:
Alzoo wij in overweging genomen hebben den afge
sleten en gesnoeiden toestand der in het Rijk in om‘
loop zijnde muntspeciën, bare onnoodige verscheiden
heid, de nadeelen en ongelegenheden, welke daaruit
voortsPruiten‚ en er in het vervolg al meer en meer
uit zullen ontstaan; gelet op de behoefte, die in elke
geördende maatschappij bestaat aan ruilingsmiddelen,
waarvan de bestanddeelen door waarmerken, zoowel
wat aangaat hunne hoedanigheid als hun wigt, ligte
lijk te onderkennen zijn; in aanmerking nemende, dat
de zorg voor de invoering, en voor de instandhouding
Van zoodanige muntspeciën bij Art. 198 ,‘ in verband
beschouwd met Art. 4 en 162, door de grondwet aan
den Staat is opgedragen, en overwegende de gebreken
der wetten van 28 Sept. 1816, 22 Dec. 1825 en 22

Maart 1839:

15

Zoo is het, dat wij den Raad van Staten gehoord, en
met gemeen overleg van de Staten Generaal, met wij‘

zigíng der wet van 28 Sept. 1816 en intrekking van die
van 22 Dec. 1825 en van 22 Maart 1839 (Staatsblad
NO. 50, 80, 6.) hebben goedgevonden en verstaan , gelijk
goed vinden en‘verstaan bij deze:
Art. 1. ’s Bijks muntspeciën zullen voortaan bestaan
uit zilveren en goude standpenningen, uit koperen
stukken , en uit zilveren en gouden negotiepenningen.

Art. 2. ’sBijks muntspeciën zullen zijn:
De-Gulden als munteenheid. De 2151,. De T5ij. De 131%.
De î‘ij°ij. De T%—U. De Tij5m, gulden. De gouden eenheid.
Art. 3. De gulden zal wegen 10 wigtjes houdende
191,31?“ fijn. De 2,“îî gulden zal naar verhouding wegen
en inhouden. De onderdeelen van den gulden tot en
met den 11„— gulden zullen wegen in verhouding; doch
inhouden 19ij26% fijn. De “1,—0- gulden of cent zal hou
den 3 gr. 845 miligr. zuiver koper: de „5171,- gulden of‘î5îî
cent zal houden 1 gr. 922 miligr. zuiver koper. De gou
den standpenning zal wegen 6 gr. 729 miligr. houdende
19ij fijn goud.

Art. 4. In het gehalte der standpenningen wordt
eene ruimte toegestaan van een duizendste voor de gou
den en van drie duizendsten voor de zilveren, in beide

gevallen ter helfte van deze ruimte boven en ter helfte
beneden de bepaling der wet.
De ruimte in het gewigt der standpenningen, bij den
muntslag veroorloofd, zal hoogstens mogen bedragen:

Voor het 2150— gulden stuk tWee duizendste gedeelten,
Voor
Voor
Voor
Voor

den
den
den
den

gulden drie duizendste gedeelten,
I5u- gulden vier duizendste gedeelten ,
T%5U’gulden zes duizendste gedeelten,
11„ gulden tien duizendste gedeelten van

het gewigt van ieder stuk, zoowel boven als ben’eden

16

dat gewigt. Op de koperen stukken van één en van
een halve cent, zal deze ruimte hoogstens mogen be
dragen twee hondersten van het gewigt van ieder stuk ,
mede zoowel boven als beneden dat gewigt.
De gouden standpenning zal hoogstens ter ruimte van
vijftien tienduizendsten van zijn gewigt geslagen mogen
worden, mede zoowel boven als beneden.
Art. 5. De heeldenaar des standpennings zal zijn als '

volgt: Op de voorzijde ’s Konings borstheeld, met het
randschrift‘Willem (of andere voornaam des Konings,
met uitdrukking van den hoeveelsten Van _dien naam)
Koning der Nederlanden, Hertog van Limburg, met
zoodanige verkorting in de woorden, als de grootte der
stukken zal vereischen.
.
De stukken beneden de 151,- gulden voeren in plaats
van borstbeeld, eene gekroonde W, (of andere eerste
letter van ’s Konings voornaam).

OpOp
de 2,50de keerzijde
gulden het
tusschen
‚wapen2r56.
des . .
» » 1
» » 15,;
» » 121,50-

gulden
gulden ‚
gulden

» » 111; gulden
. » » —1%—0— gulden
» » 1-05n— gulden

G.

»
» ‘
»

1 ....

G.

50 . . . .

Ct.

25 . . . .

Ct.

»
»
»

10 . . . .
1....
15„— . . . .

Ot.
Ct.
Ct.

Het randschrift: Munt voor het Kaningrij/t der Ne

derlanden, en het jaartal metde noodige verkorting in
de woorden.
De munting in den ring zullende geschieden, zal
de rand van ingedrukte letters de wo0rden bevatten:

God

met ons.

De‚bepalingen, vervat in de twee laatst voorgaande
alineas zijn van geene toepassing voor alle de stukken
beneden de ,5ij gulden.

Art. 6.’ De Staats-Courant zal telken laatsten werk

17

dag der week de betrekkelijke waarde vermelden,
waarvoor de gouden standpenning, gedurende de vol
gende week, in ’s Bijks schatkist zal worden aange

nomen.
Art. 7. Geene der bij deze wet vastgestelde Rijks
munten zullen in ’s Rijks schatkist aangenomen wor
den, wanneer dezelve eenigzins verminkt of besnoeid

mogten zijn, en niemand behoeft haar te ontvangen.
Art. 8.

Niemand is verpligt het aanbod van beta

ling als geldig te beschouwen, dat geschiedt in onder
deelen van den'gulden, ten bedrage van meer dan
100 stuks van elk dier muntspecien.
Art. 9. De tweede volzin van Art. 11 en de Art.
13, 14 en 18 van de Wet van 28 Sept. 1816 en de
Wetten van 22 Dec. 1825 en 22 Maart 1839 worden
buiten kracht gesteld.
Art. 10.

De muntspecien, voorheen in de onder

scheidene Provincien, als Provinciale- of Generali
teits-munten vervaardigd, zullen op denzelfden voet,
en de 15„ gouden standpenning tegen de halve waarde
van den geheelen in omloop blijven en in ’s Bijks
schatkist aangenomen worden, tot dat het den Koning
zal gelieven een tijdsbestek van 30 dagen te bepalen,
binnen hetwelk zij bij de Landskantoren der directe be
lastingen en elders, verwisseld zullen kunnen worden.

Ar1. 11. Aan den Koning blijft voorbehouden, tot
daarstelling en uitgifte der volgens deze wet verbeter
de zilveren muntspecien, zoodanige’ maatregelen te
nemen, als noodig zullen worden bevonden.
\.

Lasten en bevelen enz.

MEMORIE VAN TOELICHTING ,
van het proef-ontwerp van wel tot regeling

van het Nederlandse/ze Munlwezen.

Het zal wel geen betoog behoeven, dat de toestand,

waarin zich de Nederlandsche munt bevindt , zeer
slecht is, noch dat de soorten van in omloop zijnde
muntstukken te menigvuldig zijn. Ziedaar voorname
motiven, om door eene wet de nadeelen te stuiten en te
voorkomen, die buiten allen kyf uit dezen stand van

zaken, nu reeds voor de Natie, zoo wel in bare al
gemeenheid als voor de particulieren geboren worden,
en die even zeker hoe langer zoo meer zullen ontstaan,

naar gelang een deel onzedelijke personen de gelegen
heid zullen bezigen, die de gesnoeide staat van meest
al de zilveren muntstukken aanbiedt, om het handwerk

van muntverminking te kunnen voortzetten , zonder
groot gevaar te loopen van in handen der justitie te ge—
raken. Men schijnt echter het kwaad niet geheel te
overzien, dat uit deze kwade praktijk voortvloeit. Men

dwaalt als men oordeelt, dat het nadeel zich bepaalt bij
het verlies aan muntmateriaal. Hoezeer dit wel niet ge
ring is en de muntsnoeijing , in zoo verre als de Staat

zich verpligt, de verminkte stukken, even als en zon
der onderscheid met de volwigtige te blijven aanne
men, inderdaad eene ontvreemding daarstelt, die ten
laste komt van alle de schatpligtigen van Nederland, zoo

19
brengt deze daad nog een ander veel verderfelijker ge

’ Volg te weeg , hetwelk de volgende opzettelijke ont
wikkeling schijnt te vereischen.

Muntstukken (de s‘cheidemunt uitgezonderd) zijn zon
der bijkomende omstandigheden , die haar tijdelijk eenig
zins van natuur doen veranderen, bloot gewaarmerkte ,
geessaijeerde en afgewogene afdeelingen muntmateriaal,
die door deze eigenschappen eene bijzondere eigenschap

erlangen , waardoor zij voor ieder gemakkelijk verhan
delbaar worden. Zij zijn alzoo eene koopwaar van al
gemeen gerijf , en in zooverre bezitten zij eigenschappen ,
die aan hen eene meerdere waarde doen toekennen ,

dan aan het muntmateriaal , dat zij bevatten.
In deze k00pwaar zijn wij allen handelaren. Van
daar de gewoonte van eene hoeveelheid muntstukken
aan te bieden Îof te eischen, in geval men door rui
ling begeert zich van zekere dingen te voorzien of te
ontdoen.
Dit gaat gemeenlijk zoo verre dat zelfs wanneer men
twee geheel andere voorwerpen in ruil tegen elkander
verwisselt, de taxatie van beide die voorwerpen in
munteenheden plaats heeft, zoo niet openbaar, dan
toch stilzwijgend bij ons zelven, even als of immer

munt, of eene andere koopwaar’ eene vaste en onver
anderlijke eenheid van waarde koude zijn.
Maar de overeenkomsten hebben niet altijd derzelver
dadelijke en algeheele volvoering ten gevolge. Dikwerf
verpligt de eene partij zich tot de dadelijke overgave van
iets of tot de oogenblikkelijke verrigting van eenig werk,

terwijl de andere, ofschoon schuldenaar wordende van
eene zekere som munteenheden, bedingt de levering
daarvan tot eenen zekeren dag of tot_ eene zekere ge
beurtenis uit te mogen stellen. Bij leening heeft dit
noodwendig plaats. De beweegreden dezer handeling

brengt het mede.

20
in zekeren opzigte kan men bij fictie aannemen, dat
alle schulden uit leening ontstaan. Daartoe behoeft
men zich slechts voor te stellen , dat alle de overeen

komsten, behalve de leening, noodWendig van beide zij

den gelijktijdig volvoerd worden; maar dat tevens ook
wederom eene overeenkomst van leening gesloten wordt

tusschen de partijen, zoo dikwerf als de volvoering in
derdaad slechts ten halve heeft plaats gehad.

Doch onverschillig uit welke oorzaak schulden zijn
ontstaan , haar karakter bestaat in de verpligting, om
eene bepaalde zaak op bepaalde voorwaarden in eens
of-gop onderscheidene tijdstippen in eens anders eigen‘
dom te moeten overdragen. De bewoordingen Van het
contract beoogen altijd te beletten, dat eene of andere
partij bare wederpartij op eene of andere wijze‘wille
keurig' van mindere conditie maken. Zij bedoelen even
zeer aan niemand, wie het ook zij, het regt daartoe

te geven.
Indien het mutuum afwijkt van het commodatum,

doordien het in het eerste geval de eigendoms-overgave
geldt van res fungibiles, terwijl er in het laatste enkel
het bezit door overgedragen en eene bevoegdheid afge
staan wordt om eene bepaalde zaak te gebruiken , zoo
volgt daaruit, dat het mutuum niet even als het com
modatum in specie, maar in genere dezelfde zaken te
ruggegeven wil hebben. En daar muntspecie tot de res

fungibiles behoort, zoo zal het wel aan geen twijfel
onderhevig zijn, dat, ofschoon de teruggave der zelfde
specie niet verschuldigd is, men naar alle regelen van
regt (1) verpligt is zijne schulden in muntspeciën te
voldoen, die eene zakelijke overeenkomst hebben met
die, welke beide partijen voor oogen hadden, toen zij
1tist. L 111 til. XV Wasrsnrras h. t. 5 l. 2 11‘ de reb. cred—
Vin ad inst. p. 81 u". 7.

/‚

21
het contract aangingen. De naam doet niets aan de
eigenschappen der zaak af.
Men moet nogtans door namen en woorden de ui
ting te weeg brengen der denkbeelden van de contrac-“
tenten.

De bewoordingen of benamingen zullen daarom slechts
zoo lang de denkbeelden van de contractanten terugge
ven, en hunne wederzijdsche regten en verpligting'en
getrouw en naar waarheid voorstellen , als zij onveran
derd hunne oude beteekenis hebben behouden en nog
ter onderscheiding derzelfde zaken dienen, die de oom
tractanten, tijdens hunne overeenkomst, door dezelve
bedoelden aan te duiden. Daarom zal de hoegrootheid
eener schuld, in strijd met de regten en de verpligtin

gen der contractanten uitgebreider of geringer worden,
indien gedurende het tijdsverloop, dat plaats heeft tus‘
schen haar ontstaan en afdoening , de munteenheid
eene verandering ondergaat. En het is met het oog
merk om dit te voorkomen, dat de standpenning den in

houd fijn onveranderd zal moeten blijven bevatten, die
in denzelven aanwezig zouden geweest zijn, indien er een
bad bestaan , toen de beide partijen diens naam bezig‘
den, om eene eenheid aan te duiden, door wier dee.
ling of vermenigvuldiging men ten allen tijde in staat

zoude zijn ten naauwste de verschuldigde zaak te be
palen.

Even zoo weinig als een koopman regtens volstaan.
kan door te beweren, dat buiten zijn toedoen het graan,

dat hij tracht af te leveren, ligter is dan hetgeen be
dongen is, even zoo weinig is het buiten het geschre
ven regt te verdedigen, dat men zijne schuld kwijte

met munteenheden, die verwezenlijkt worden door stand
penningen van minderen inhoud. De daad kan wettig
zijn ,‘ zij blijft des niet te min onregtvaardig. Tot deze

onregtvaardige, langzame inkrimping van alle schuld

22

vorderingen , geeft nu de muntvermiuking aanleiding.
In zóó verre worden wel geene rijkdommen vernietigd,
maar verrijkt de’een zich, buiten zijn weten, met het
goed van den anderen, hetgeen in eene geordende

maatschappij altijd toch wel als iets verderfelijks be
schoqu en zoo mogelijk geweerd zal moeten worden.
Het is inzonderheid voor dit gevolg nog meer, dan voor
het verlies van muntmateriaal, dat de Staat eenen vol

doenden waarborg moet leveren , door afsnoeijing tegen
te gaan en door gesletene muntspecien buiten den om‘

loop te brengen.
Uit het voorgaande zal ligtelijk af te leiden zijn , dat
in iedere ontwikkelde maatschappij, waarin noodwendig
vele contracten gesloten worden, ook eene stellige be
behoefte aan eene algemeene koopwaar bestaat, waar
Van de juiste inhoud en eigenschappen zonder ongerijf

te onderkennen zijn. Het ware te wenschen, dat de
grondwet dit karakter aan de munteenheid had weten
te verzekeren. Bij gebreke daarvan houd ik het voor
nuttig, dat zoo iets onder de motiven der wet opgeno
men worde. Bij Art. 198 draagt de grondwet het regt
van de munt bij uitsluiting aan den Staat op. Dit is

noodzakelijk,

niemand betwijfelt het.

Maar laten

de motiven hier dit Art. in Verband stellen met

Art. 4 en 162, opdat daaruit blijke, dat men indach
tig is aan de onregtvaardige en door de grondwet ver

oordeelde gevolgen , die noodwendig voor het geruste
genot van eigendom en regten ontstaan, uit verhooging
of verzwakking van de munteenheid.
Zoowel als de oude schulden thans door het afnemen

der munteenheid reeds ingekrompen zijn, even zoo
zullen de nieuwere willekeurig door den Staat verhoogd
en tot een totaal, dat nooit is bedoeld, gebragt worden,
indien thans de munteenheid eenigermate hersteld wordt.

De lust om de reeds bestaande onregtvaardígheid te her‘

23
stellen, mag niet tot het bedrijven van eene nieuwe in

eenen tegenovergestelden zin aansporen. En hetgeen

reeds geleden is, kan niet op zich zelf vergoed worden.
Bovendien, wie hebben geleden? Veelal niet zij, die

thans bezitters der schuldvorderingen zijn.
Eene muntverhooging zal geene kleine zaak zijn , in‘
dien men percentsgewijze berekent hoeveel de Staat en
hoeveel alle de particulieren te gader, daardoor meer
dan thans schuldig zouden Worden. Eene staatsschuld
van 1000 M. vermeerdert in de daad met 20 M. indien
men de munteenheid met 2°/„ verhoogt. Men bedenke
dit, voordat men millioenen aan de ter uitvoerlegging
van de bestaande wetten bestede.
Niets eenvoudiger en natuurlijker, dan in de consi
derans van de wet de bepalingen der vorige wetten op
hetzelfde stuk gebrekkig te noemen en daarin de noodza
kelijkheid te vinden, om tot vernieuwde regeling over
te gaan. Hoe minder wetten gelijktijdig, opzigtens dit

zelfde onderwerp, van kracht zijn , zoo veel te gemakkelij
ker hare naleving, zoo veel te minder vrees voor vraag‘

stukken geput uit niet harmonierende bepalingen in de
Verschillende wetten voorkomende. Daarom zal het best
wezen alle de vorige wetten thans in te trekken, in zoo
verre zij bepalingen omtrent de eigenlijke muntspecien
inhouden. Slechts in zoo verre kan de wet van 28 Sept.

1816, zonder hinder van kracht blijven, als zij han
delt over de negotiepenningen.
Art. 1. Niets belet het behoud van Art. 1 van de
wet van 1816; want ofschoon daarin gehandeld wordt

Van zilveren en gouden standpenningen, zoo vloeit
daar de voortduring niet uit van den onzin der te
genwoordige wet, die het goud eiansdeels , zoo wel
als het zilver ter vervaardiging van standpenningen

wil bezigen, en —anderdeels de wettige cours van het
eene metaal tot het andere bepalen. Het tegenwoor—

ív—w"

‚v—’—1.————m ——‚‚——ww ‚‚ ’-’r"«"="
’ ”I'Y‚ v—————W—a —————r—W‚
_
'
.

‘ ’ .‚‘— ‚——‚‚‚ ,——.r—‘‚__‚_

24
dige ontwerp stelt dan ook niet vast, dat de gouden
standpenningen voortaan, eveneens als thans, in eene

wettelijke verhouding tot de‘zilveren zullen staan. Ook

thans blijft onveranderd , hetgeen destijds omtrent de
negotiepenningen tot confirmatie van het oude werd

vastgesteld. Op deze wijze kan men gebruik maken van
de voordeelen, die gouden munt boven zilveren ople
vert, zonder zich aan de nadeelen bloot te stellen,

die onvermijdelijk zijn _. indien men den uitsluitenden
gouden standaard aanneemt.

Art. 2 bevat de opsomming der Bijks-muntspecien,
die de wet voortaan geslagen wil hebben. De orde wordt
er door bevorderd, dat over geen ander onderwerp in

dit Art. gehandeld worde. De stukken van 115“, zijn ge—
supprimeerd , om de grootere afslijting en muntkosten,
de mindere behoefte en de weinige overeenkomst met het
tientallige stelsel, terwijl zij nog te veel aan den ouden
stuiver herinneren.

En opzigtens den Gouden standpenning. Aange
zien dat uit den aard der zake de vaststelling bij de
wet, dat eene gouden munt [of afdeeling fijn goud
door
wigt stempel
en gehalte]
gewaarmerkt
in ruil tegen
met een
betrekking
of meertot[soort
gelijke en even aan gewaarmerkte] zilveren muntstuk

ken zal moeten gegeven worden, zakelijk geenen in—
vloed op de voorwaarden kan uitoefenen; dat alzoo
zulk eene bepaling tijdens het aangaan der overeen‘
komst ijdel is, zoo lang men het eigendomsregt erkent

en zoo lang de daaruit voortvloeijende vrijheid bestaat,
om in geval van QVereenkomst de voorwaarden onder

ling eigendunkelijk te bepalen; aangemerkt dat zulk
eene wettelijke bepaling, indien zij afwijkt van hetgeen
bij ontstentenis van dezelve pla_ats zoude hebben, aan
leiding geeft om den schuldenaar, die de keuze heeft

in welke mnntspecien hij eene voorheen aangegane schuld

25

zal voldoen, ten koste van den schuldeisehér te verrij—
ken; aangezien

niet beduidend is. indien de vrije

markt dezer koopwaren dezelfde betrekkelijke ruiling
waarde aan de muntspecien toekende , als de wet: —

zoo wordt de gouden standpenning geen 10 guldenstuk

meer genoemd, ter voorkoming, dat men nog langer
een onbereikbaar doel aan de wettelijke bepaling toe
schrijve. Zij
Wilmeri.
Er slijten
schijntmeer
geene
af behoefte
dan de geheele,
te bestaan
omdat
aan zij
eene grootere uitgebreidheid aan de wrijving blootstel
len. Daarom stelt men voor, ze niet meer te doen slaan.
Art. 3. De inhoud van den gulden is voorgesteld
van 10 wigtjes tot ‚963,91, fijn. De reden van vermin
dering van den tegenwoordig bij de wet bepaalden munt
voet bestaat daarin. dat alzoo de munteenheid zal blij
ven op nagenoeg dezelfde hoogte, waarop zij werkelijk
thans staat. Immers indien men bedenkt, dat de munt

specien niet alleen eigenschappen bezitten, die ze nut
tiger maken dan de edele metalen in baren, maar dat
bovendien deze eigenschappen niet, dan met opoffering
van zekere kosten, aan haar gegeven kunnen worden ‚
dan valt er niet meer aan te twijfelen, dat de beweeg
reden aan de eene zijde'bestaat om aan de muntspe
cien eene meerdere waarde toe te kennen, dan aan ha

ren inhoud; terwijl aan dan anderen kant deze meer

nuttige eigenschappen aan de munt niet zonder schade
gegeven kunnen worden , indien men ze niet in evenredig
heid met de kosten van muntslag voor eene hoogere rui
lingwaarde kan doen omloopen. De reden om munt te
slaan houdt inderdaad op , indien men haar niet zoo veel

meer waarde boven het materiaal toekent, als de kosten

van den muntslag bedragen: zoodat men den inhoud fijn
van de stukken , die bestemd zijn tot munteenheid te die

nen , moet bepalen ter waarde van het iì? zilver, gedeeld
door de som munteenheden, die thans 1 Q zilver kost.

26
En omdie waarde te verkrijgen , moet men uit het Ë
zilver zooveel stukken slaan, als er munteenheden ter

aankoop van het íi zilver besteed moeten worden, plus

het getal munteenheden, die ter zijner vermunting ten
koste moeten worden gelegd. Bij voorbeeld indien het íì

zilver thans kost f106 (1) en de kosten van den munt
slag ongeveer 1} 0/‚, beloopen , dan moeten er uit 1 Ê
zilver gemunt worden 107 % gulden.
Ik vermeen, dat de bepaling van ,9U"’U°ij fijn zilver niet
veel te wenschen zal overlaten en vrij juist zal zijn,

indien de berekening van den inhoud op de voorge
stelde wijze wordt opgemaakt. Er is voorgesteld de
onderdeelen van den gulden’ te doen slaan ad î°ijïî?v fijn.
Eensdeels loopen de kosten percentsgewijze hooger naar

gelang de stukken van mindere waarde zijn. Ander
deels heeft men gezorgd, dat de mindere inhoud niet
nadeelig op de waarde der munteenheid zoude kunnen
werken , door bij Art. 8 te bepalen, dat nimmer aan
zienlijke sommen zilver in betaling behoeven ontvangen
te worden, tenzij in guldens of hun meervoud._ Der
dens door den te grooten toevlóed van kleinere munt
stukken te voorkomen, komt men tevens voor 10. de

meerdere afslijting, die deze noodwendig ondervinden,

als boven is gezegd omtrent de ’} Wilmen, en 20. bij
betalingen de lastige telling van een grooter aantal
stukken dan noodig is. Eindelijk ten vierde, hoe min

der fijn de munts-pecien inhouden , zoo veel te min
der schaadt de afslijting, die noodwendig het meest

moet zijn voor de kleinste stukken, zoo wel wegens
hunne veelvuldige verhandeling, die nog te meer ver

(1) Vergelijk het Rapport van Raden en Generaalmeeslers van de
Munt in 1822 uitgebragt, omtrent een voorstel destijds door wijl.
Jhr. D. F. van Anna gedaan.

27
menigvuldigt, naar gelang er minder van in omloop
zullen zijn , als wegens hunne betrekkelijk grootere op—

pervlakte, aan slijting blootgesteld, en eindelijk we
gens het bijzondere gebruik van in de zakken der per
sonen gedragen te worden, waartoe zij bovenal be

stemd zijn.
Omtrent de bepaling van den inhoud der centen en
der halve centen, is zoo min als omtrent die der gou

den standpenningen in het bestaande verandering ge—
h1‘agt, omdat hiertoe geene redenen bestonden. De
koperen munt is voorzeker niet te hoog gesteld;
echter indien men spaarzaam in de uitgifte is, kan
men ze lager brengen, tenzij dat men daarvan door

de vrees terug gehouden mogt worden van namaak
uit te lokken. Waarom men liever de Wilmen zwaar
der of ligter zoude begeeren geslagen te zien dan thans,
indien zij geen vasten cours meer hebben, daarvoor
schijnen geene redenen te bestaan. Door de bestaande
wigt en gehalte te behouden, spaart men de muntkos

ten, die vereischt zouden worden, om de bestaande
gouden penningen door nieuwe te vervangen.

Bij Art. 4 zijn de voorschriften van de Art. 3 en 4
van de wet van 22 Maart 1839 overgenomen in de over
tuiging, dat de praktijk het behoud dier bepalingen
bewezen heeft noodig te zijn.
Art. 5.

In het voormalige randschrift wordt voor

gesteld de woorden: Groothertog van Luxemburg,
door die van Hertog van Limburg te doen vervangen.
De munt eene Nederlandsche rijksmunt zijnde, en de
betrekking tusschen Nederland en Luxemburg, die
weleer bestond, opgehouden hebbende te bestaan, ter

wijl thans Limburg in dezelfde betrekking tot het Rijk
staat, waarin voormaals Luxemburg heeft gestaan, zoo
kon men op geene andere wijze beter getrouw aan de

denkbeelden blijven ‚ die de Wetgever in der tijd heb

28

ben geleid, tot de vroegere bepaling der woorden van
het randschrift.
Ten gevolge daarvan, datvoortáan de gouden stand

penning niet meer eene wettelijke waarde van 10 munt
eenheden zal hebben, vermogt ’s Rijks wapen daarop
voortaan niet meer geslagen te worden tusschen 10 en
G. Beter Ware de wigt en gehalte er op uit te ‘drukken.

Bij de uitvoering ‘van de Wet van 1816 is men in
zoo verre aan bare bepalingen ontrouw geweest, dat

men de stukken van 25, 10 en 5 0. even zoo min ge
rand heeft, als die’van 1 en ä- c. De praktijk schijnt
deze bepaling te zeer te hebben afgekeurd, om haar
behoud voor te durven stellen.

Al. 2. Art. 11. moet mede van toepassing op den
Willem gemaakt worden. De voormalige redenen van
uitsluiting bestaan niet meer bij het tegenwoordige
voorstel van Wet. De intrekking van het verbod, be
trell'ende de gouden munt, sleept na zich de overbo
digheid van Al. 2. Art. 11. Van daar Art. 9.
De artikelen van de wet van 1816 omtrent de nego
tie-penningen, geene betrekking hebbende op de eigen‘

lijke rijks-munt, zijn onaangeroerd gelaten.
Daarentegen de Art. 13, 14, 15 worden voorgesteld
hunne krachten te doen verliezen , daar de redenen niet

meer bestaan, ‚die ze in der tijd hebben doen aannemen.
De Art. 16 en 17 kunnen nimmer schaden, doch

hunne bepalingen behoeven in het tegenwoordige wets
ontwerp niet overgenomen te worden. Het ware nut
tig den Koning bevoegd te verklaren, dit laatste Art.
in te kunnen trekken; in zooverre moet de bepaling
in eene andere vorm voorkomen.
Art. 6 bevat eene nieuwe bepaling, die voor de gang
baarheid van den gouden standpenning en voor het

gerijf der ingezetenen noodig is, van stonden af, dat dit
muntstuk 0phoudt tienguldenstuk te zijn. De bepaling

29

dat de Staats-courant ’s wekelijks de betrekkelijke waarde
zal bevatten, is genoegzaam, daar deze waarde toch in
zoo korten tijd weinig aan verandering onderhevig is.
Zij is voldoende, doordien de Staats-courant, die alge

meen ver5preid zijn moet, alzoo het berigt algemeen
in tijds kennelijk maakt.

De laatste dag der Week is met opzet bepaald, omdat
aangemerkt de weinige uitgebreidheid des Rijks, alzoo
overal des Maandags de wetenschap zal kunnen ver
spreid wezen; terwijl toch des Zondags geene betalin

gen behoeven gedaan te worden.
Omdat het buiten de bevoegdheid van den Wetgever
ligt de voorwaarden te bepalen, waarop ruilingen door
particulieren zullen aangegaan worden,

is blootelijk

gesproken van de betrekkelijke waarde, waarvoor ’s Lands
schatkist den gouden standpenning gedurende elke week
zal aannemen.
Deze betrekkelijke waarde zal noodwendig overeen

moeten komen met die de handelstand bepaalt, ten zij
mogt blijken , dat hier kwade praktijken in gebezigd mog

ten worden
Art. 7 bevat de bepalingen van Art. 19, wet van 28
Sept. 1816 , uitgenomen den overbodigen aanhef van dit
Artikel.

Art. 8 houdt de bepaling waarvan ad Art. 3 reeds
gesproken is. Dit Art. komt voor, dat van Staatswege
te veel zoogenaamd klein geld vervaardigd en uitgege
Ven worde.
Art. 10 behelst de bepalingen van Art. 12 van de
wet in dato 28 Sept. 1816, en breidt deze bepalingen
uit op den thans in omloop zijnde ;Willem‚ doch in

zooverre in overeenstemming met de overige bepalingen
(1) Dit denkbeeld wordt onderanderen goedgekeurd door Horr—
IAI, zie Dio lchre vom Gelde bl. 92.

30
van het tegenwoordig ontwerp.

Overigens brengt de

aard van het in dit Art. bepaalde mede, dat het slechts
tijdelijk werke. Hierin is voorzien, door aan den Ko
ning de bevoegdheid te verzekeren, om het buiten efl‘ect
te stellen; echter ter voorkoming van alle ongerijf voor
particulieren, is tevens en tijdsbestek van 30 dagen be
paald, waar binnen deze zich dekken kunnen voor de

schade, die uit het krachteloos maken der hoofdbepaling
zou kunnen voortspruiten.

Art. 11 bestendigt het laatste Art. van de wet van
22 Maart 1839.

—“èe®6°.o—