You are on page 1of 24

EhB!

magazine

per jaar - april 2011 Magazine van de Erasmushogeschool Brussel - verschijnt tweemaal

06

Judokabelofte Amelie Rosseneu over topsport en studeren Joris Lenaerts, radiostudent en toch al volwaardig StuBru-presentator EhB-alumni winnen Gardenaward 2012 Internationalisering en Zuidproblematiek aan de EhB

Onderzoeksevent Meet, Match & Create

EhB!
onderzoek | kort nieuws | alumni | internationalisering |

magazine 06 | april 2011
Interview met de laureaten

Eerste Meet-, Match- en Createprijzen uitgereikt Korte berichten uit de EhB De toekomst? Een tuin op je smartphone.
Interview met laureaten Gardenaward

| 4

| 7 | 8

Internationalisering en Zuidproblematiek

| 10

Interview met de Jean Pierre Roose & Nadine Devooght

onderwijs |

Interview met Adelinda Geerts

25 jaar Haartooi en Bio-esthetiek

| 12

conservatorium |

interview met Anneleen Lenaerts

Harpiste Conservatorium naar de Wiener Philharmonik Topsport en studeren

| 14

onderwijs |

Amelie Rosseneu: "Zonder faciliteiten lukt het nooit"

| 16

kort nieuws | Brussel |

Korte berichten uit de EhB
Studenten werken mee aan ontwikkeling Brusselse Kanaalzone

| 18 | 19

Stedenbouw en Ruimtelijke Planning

beleid |

Van opleidingsvisitatie naar instellingsaudit Joris Lenaerts, radiostudent en toch al volwaardig StuBru-presentator

| 20

rits |

| 22

Colofon Verantwoordelijk uitgever: Luc Van de Velde, Nijverheidskaai 170, 1070 Brussel, www.ehb.be | Contact: ehbmagazine@ehb.be | Redactieteam: Dorien Brouwer, Bart Deseyn, Valéry De Smet, Stijn Janssen | Vormgeving: Sven Versmissen | Fotografie: Bart Deseyn, tenzij anders vermeld | Tekstredactie, fotografie, vormgeving & opmaak: Bonsai publicatiebureau | EhB!magazine wordt verspreid onder de studenten, personeelsleden en relaties van de Erasmushogeschool Brussel.

EhB!magazine 06| 3

EhB!
onderzoek

Eerste Meet-, Match& Createprijzen uitgereikt

vlnr: Chris Goethals, Maarten Bresseleers, Wouter Bervoets, Bart Verheecke Audrey Van Scharen

Tijdens het onderzoeksevent Meet, Match & Create van de Erasmushogeschool Brussel (EhB) werden de eerste EhB-onderzoeksprijzen uitgereikt. Het gaat om drie onderscheidingen - Meetprijs, Matchprijs & Createprijs. Daarmee wil de EhB personeelsleden en studenten in de kijker zetten die met onderzoek of wetenschap in ruime zin uitstraling gegeven hebben aan de hogeschool of die een toonbeeld vormen door onderzoek optimaal te laten doorstromen in het onderwijs.

De Meetprijs
De Meetprijs wordt uitgereikt aan een persoon die zich het afgelopen academiejaar onderscheiden heeft door de uitstraling van de EhB te vergroten door wetenschap en/of onderzoek op een originele manier bekend te maken aan iedereen die er meer over wil weten. De Meetprijs 2011 ging naar Bart Verheecke en Audrey Van

Scharen van het team Wetenschapscommunicatie van de Universitaire Associatie voor het frisse concept van de Science Bar in Brussel. Bart Verheecke: “De Science Bar loopt in samenwerking met de Vrije Universiteit Brussel en de vzw deBuren. We willen studenten, personeel van de onderwijsinstellingen, maar ook het grote publiek de kans geven om in discussie te gaan over een actueel

4 | EhB!magazine 06

EhB!
onderzoek

wetenschappelijk thema. Tijdens vorige bars hebben we thema’s aangesneden zoals de wereldwijde overbevolking en het gebrek aan mobiliteit in Brussel. Op stapel staan nog global warming en de gevaren van gsm-gebruik en hoogspanningslijnen. De bars worden georganiseerd in het Rits-café in hartje Brussel. Die omgeving draagt er zeker toe bij dat het publiek wetenschap kan beleven tussen pot en pint. De voorbije edities waren zeer succesvol. De reden daarvoor is ongetwijfeld het informele karakter. Mensen krijgen echt de kans om in discussie te gaan met de deskundigen en wetenschappers op het podium. Audrey Van Scharen: Dagelijks overspoelen de media ons met allerlei wetenschappelijke berichtjes, soms onheilsberichtjes, waar mensen veel vragen bij hebben. De Science Bar is een soort afterwork wetenschapscafé dat hierop een antwoord kan bieden. De eerste Science Bar Brussel van 2011 ging over diëten en gezonde voeding. In de kranten verschijnen er regelmatig berichten in de trend van: diepvriespizza’s zijn gezonder dan verse, of een glas bier houdt je slank. Dergelijke weetjes kunnen perfect aan bod komen tijdens de Science Bar.”

REcoEP-project rond ecologische evaluatie van de podiumproductie en het OPTiV-project rond opleidingen en competentiemanagement.”

De Createprijs
De Createprijs wordt uitgereikt aan een student die zich het afgelopen academiejaar onderscheiden heeft op het creatieve vlak en daarmee de EhB op een toffe manier in de kijker heeft gezet. De prijs ging naar Wouter Bervoets voor zijn afstudeerwerk Een duurzamer verstedelijkingsmodel voor Ouagadougou - Burkina Faso aan de opleiding Stedenbouw en Ruimtelijke Planning. Wouter werd daarmee laureaat op de Werelddag van de Stedenbouw, georganiseerd door de Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning. Promotoren van dit afstudeerwerk waren Maarten Loopmans en Rob Geys. Wouter Bervoets: “Tijdens de zomer van 2008 heb ik drie maanden veldwerk verricht in Ouagadougou. Door een explosieve groei van dergelijke derdewereldsteden ontstaan aan de rand grote sloppenwijken. Deze slums moeten vaak als eerste wijken voor stadsuitbreidingsprojecten. De oorspronkelijke stadsbewoners worden verplicht de wijk te verlaten met als enig alternatief zich in andere sloppenwijken te gaan vestigen. Het probleem verplaatst zich hierdoor voortdurend. In mijn thesis zoek ik naar een alternatief waarbij de bewoners in hun wijk kunnen blijven wonen. In plaats van de harde aanpak van de overheid, waarbij heel de oorspronkelijke structuur van de wijk wordt vernietigd, pleit ik voor een duurzamere aanpak. Vaak wordt in de sloppenwijken tabula rasa gemaakt met de wirwar van steegjes en de grote diversiteit aan huisjes en koterijen. De straten worden rechtgetrokken, de grond verkaveld en verdeeld in percelen. Dergelijke projecten hebben wel de intentie dat de oorspronkelijke bewoners er kunnen blijven wonen, maar in de praktijk verlaten ze de buurt. Door de harde aanpak wordt hun volledige sociale netwerk vernietigd. De duurzame aanpak die ik bepleit, beperkt zich niet alleen tot het ecologische aspect maar moet ook vertaald worden op het economische en het sociale vlak. Ik wil de informele structuur, die vaak organisch gegroeid is, behouden als fundament om de herinrichting van de wijk aan te pakken.”

De Matchprijs
De Matchprijs wordt uitgereikt aan een of meerdere personen die een eenvoudig contact hebben uitgebouwd tot een voor de hogeschool van wezenlijk belang zijnde partner in onderzoek en onderwijs en daarmee in symbiose leven, waardoor de verwevenheid van onderzoek en onderwijs gemaximaliseerd wordt. De Matchprijs ging naar Chris Van Goethem, oprichter en docent podiumtechnieken aan het Rits en Maarten Bresseleers van het Sociaal Fonds voor Podiumkunsten voor hun partnerschap rond podiumtechniek in onderzoek en onderwijs. Maarten Bresseleers: “De opleiding Podiumtechnieken is het resultaat van een intense samenwerking tussen het Rits en het Sociaal Fonds voor Podiumkunsten om aan de nood aan geschoolde podiumtechnici in de sector te kunnen voldoen. Dit zette zich verder met het uitschrijven van het beroepsprofiel van de podiumtechnicus. Sinds jaar en dag werken we dus al samen met de opleiding zelf én met onderzoek binnen het Rits. Wij zijn trouwens ook zeer verheugd dat resultaten uit deze onderzoeken toegankelijk worden gemaakt voor alle andere vooropleidingen binnen podiumtechniek.” Chris Van Goethem: “Het is voor onze opleiding en het Kenniscentrum Podiumtechnieken essentieel om niet los te staan van de sector maar er deel van uit te maken. Het Sociaal Fonds voor Podiumkunsten, dat werknemers en werkgevers vertegenwoordigt, is voor ons de perfecte partner. Onze onderzoeksprojecten zijn gefocust op de behoeften van de sector; het sociaal fonds draagt bij tot de inbedding van de resultaten in de praktijk. De samenwerking voedt ook het onderzoek: door de contacten met de sector houden we voeling met de actuele noden van de professionelen en de vooropleidingen. Mooie voorbeelden van deze win-winrelatie zijn het Testcentrum voor het ervaringsbewijs, het

Elke tweede donderdag van de maand is er een nieuwe Science Bar Brussel in het Rits-café. Het debat begint telkens om 18u. De toegang is gratis en alle bezoekers krijgen een drankje en hapjes. Wie het debat mist, kan de hoogtepunten herbeluisteren via een podcast op de website. Deze podcast is een realisatie van studenten van XLair, de onlinestudentenradio van de EhB en VUB. Voor deze podcast en een volledig overzicht van de volgende edities kan je terecht op www.sciencebarbrussel.be

EhB!magazine 06| 5

EhB!
evenement

Onderzoeksevent en uitreiking EhB-prijzen op Meet, Match & Create

De onderzoekspresentaties in Cinema Rits

Annick Dhooghe

Op vrijdag 4 februari organiseerde de Erasmushogeschool Brussel het onderzoeksevent ‘Meet, Match and Create’. De opkomst in het Rits Café in hartje Brussel was meer dan bevredigend. In totaal kreeg het event 115 bezoekers over de vloer: 65 van EhB, 35 van VUB en 15 van externe organisaties, waaronder bedrijven en intermediaire organisaties als UNIZO en VDAB. Het opzet van de middag was het aanbieden van kansen op interne en externe netwerking en het voeren van promotie voor onderzoeksprojecten. ‘Meet, Match and Create’ startte met een posterbeurs met demo’s van diverse onderzoeksprojecten en dienstverleningsactiviteiten. In de namiddag kregen 12 onderzoekers – 9 EhB, 2 VUB en 1 alumnus EhB – de kans om hun onderzoek te presenteren. Dat gebeurde in ware ‘Pecha Kuchastijl’: in maximum 20 slides met telkens niet meer dan 20 seconden per slide. Tot slot werden de eerste EhB-onderzoekstrofeeën uitgereikt.
Lieselotte Goessens Marc Goldchstein

6 | EhB!magazine 06

EhB!
kort nieuws

Nieuwe televisiestudio voor Rits
Het Rits krijgt een nieuwe film- en televisiestudio in het bestaande gebouw van de EhB-campus aan de Nijverheidskaai in Anderlecht. “De studio wordt met zijn 435 m2 een van de grootste van België”, zegt EhB-algemeen directeur Luk Van de Velde. “De nieuwe studio is nodig omdat de huidige niet meer aan de noden voldoet. ‘Studio Sonart’, de historische filmstudio in Sint-Pieters-Woluwe, is totaal verouderd. Vandaar dat we een nieuwe studio bouwen in ons eigen gebouw.” “Het wordt een zeer moderne televisiestudio op het vlak van beeld en geluid”, zo benadrukt ook Jan Verbeeck, diensthoofd Infrastructuur. “We voorzien ook een mobiele montagestudio. Tevens willen we voldoende technische ruimten ter beschikking hebben voor het maken en stockeren van de televisiedecors. De studio zal zeker de vergelijking met de huidige VRT-televisiestudio’s kunnen doorstaan”. De werkzaamheden zullen twee tot drie jaar duren. Behalve de studio komen er ook meer faciliteiten voor de opleiding Musical en een nieuwe refter.

Nacht van de Journalistiek
Op 28 april vindt de eerste Vlaamse Nacht van de Journalistiek plaats. De master Journalistiek organiseert samen met alle Vlaamse opleidingen journalistiek (de zes professionele bachelors en de drie masters) deze feestelijke bijeenkomst voor laatstejaarsstudenten, oud-studenten en jonge journalisten. Ook onze professionele bachelor is een partner, naast de Vlaamse DagbladPers (VDP), de Vlaamse Vereniging van Journalisten (VVJ) en het Fonds Pascal Decroos. Er worden workshops en speeddates met bekende journalisten aangeboden. Alumni kunnen deelnemen aan de wedstrijd De Gouden Gom. Het evenement vindt plaats in The Egg (het Huis van de Communicatie) in de Barastraat in Brussel. Meer info op nachtvandejournalistiek.be

Buitenlandse studenten testen toegankelijkheid
Een delegatie met zes studenten met een functiebeperking uit Cyprus bracht op 15 en 16 februari een bezoek aan de Erasmushogeschool Brussel (EhB). De studenten wilden nagaan of de gebouwen van de hogeschool toegankelijk zijn voor (uitwisselings)studenten met een handicap. Studenten met een functiebeperking nemen namelijk niet of nauwelijks deel aan uitwisselingsprogramma's zoals Erasmus. De reden hiervan is eenvoudig: de student twijfelt of de instelling die hij wilt bezoeken wel aangepast zal zijn aan zijn noden. Uit het bezoek leerden we dat we het blinde studenten niet bepaald gemakkelijk maken. De rolstoelgebruikers meldden dan weer dat de buitenlift wel goed toegankelijk was, maar de sleutel om de liftdeur te openen niet... Ook de stad Brussel kreeg kritiek: nieuw aangelegde straten met kasseien ogen mooi, maar zijn ongeschikt voor rolstoelgebruikers. Dit bezoek is een onderdeel van ExchangeAbility, het sensibiliseringsproject van UNICA (het netwerk van hoger onderwijsinstellingen in Europese hoofdsteden), ESN (European Student Network) en vijf hoger onderwijsinstellingen uit Brussel, Tallinn, Nicosia, Boedapest en Bratislava. Delegaties van studenten met een functiebeperking uit iedere instelling bezoeken de partners om zo het thema onder de aandacht te brengen en te bespreken en de obstakels in kaart te brengen. Twee studenten van de filmopleiding van het departement Rits kregen de opdracht om de bezoeken in de vijf steden op videobeeld vastleggen. De beelden zullen later door UNICA worden verspreid.

EhB!magazine 06| 7

EhB!
alumni

“De toekomst? Een tuin op je smartphone.”

vlnr: Jo De Clerq, Floris Steyaert, Steven Goossens

De alumni van de bachelor Landschaps- en tuinarchitectuur (LTA) doen het goed in internationale ontwerpwedstrijden. Het laatste half jaar sleepten vier van hen prestigieuze selecties in de wacht. “Belangrijk, want LTA moet meer in de kijker. Het is een belangrijke opleiding tot een waardevol beroep,” aldus docent Steven Goossens.

Ter gelegenheid van de wereldtuinbouwtentoonstelling Floriade volgend jaar in Venlo organiseerde de Kubiekeruimte vzw een ontwerpwedstrijd, Gardenaward 2012. Het thema was de Belgische kantoortuin anno 2020 en het spanningsveld tussen werk en verpozing. De vijf laureaten zijn allemaal alumni van de Erasmushogeschool. “Die tuin kan een ontspanningsruimte zijn, of net het verlengde van de werkruimte”, zegt Floris Steyaert één van de laureaten. Jo De Clercq, die de wedstrijd won, begon te fantaseren over hoe onze werkomgeving er in 2020 zou uitzien. Jo De Clercq (deskundige publieke ruimte stad Mechelen, afgestudeerd 1992): “Ik ben gestart met informatie te zoeken over de generatie na ons, de generatie van mijn dochter. Ik probeerde me steeds in te beelden hoe zij in de toekomst zou werken. Welke

uitdagingen zij zal voorgeschoteld krijgen. Ik geloof niet dat ze meer thuis zal werken, daarom is interactie veel te belangrijk. Ik geloof wel in het draadloze verhaal. Ik heb nergens kabels in mijn tuin getekend. Tegen dan verloopt alles, elektriciteit inclusief, zonder kabels.” Steven Goossens (docent aan Erasmushogeschool, afgestudeerd 1999): “We hebben onze Portugese uitwisselingsstudenten dezelfde opdracht voorgeschoteld. Opvallend was dat zij vertrokken vanuit een analyse van het Portugese. Zij begonnen met de relatie tussen hun cultuur en hun relatie met werk en buitenruimte.” Floris Steyaert (zelfstandig tuinarchitect, afgestudeerd in 2003): “Ik ben echt vertrokken vanuit mijn eigen ervaring. Ik werk

8 | EhB!magazine 06

EhB!
alumni

en woon in Brussel en zit vaak achter mijn bureau. Ik ben na gaan denken over wat ik zelf nodig of aangenaam zou vinden. In de stad is ruimte sowieso een belangrijk onderwerp.” Steven Goossens: “De politiek en het bestuur zijn zich hoe langer hoe meer bewust van het belang van de beperkte ruimte die er in een stad is. Steeds vaker gaat men nadenken over hoe de maatschappij bepaalde ruimtes optimaal kan gaan gebruiken. Er ligt een enorme druk op de stad om nieuwe ruimtes te creëren. Dat kunnen kleine en grote ruimtes zijn, of waarom niet, virtuele. Misschien is dat wel de toekomst, een tuin op je smartphone.” Hoe gaat een stad als Mechelen met de stadsdruk om? Jo De Clercq: “Bij renovaties of verbouwingen wordt er steeds gezocht naar ruimtes. Bij elk project dat er in de stad opgezet wordt, denken we na over publieke ruimte. Elke kans die zich aandient moeten we grijpen als we grote steden aangenaam willen houden. Wij kopen bijvoorbeeld vervallen gebouwen op met de bedoeling de ruimte anders te gaan gebruiken. We worden daar via allerlei Europese initiatieven ook toe gestimuleerd.” Floris Steyaert: “Ik merk ook dat die vraagstukken rond ruimte in de stad ook de vraag naar landschaps-en tuinarchitecten stimuleert. Hoe langer hoe meer bureaus worden multidisciplinair. Architecten en ingenieurs gaan zich samen met ons associëren. Onze kennis en ervaring rond het functioneel gebruik van ruimte is daarin essentieel. Er worden ook hoe langer hoe meer kleine bureaus of partnerschappen opgezet om bepaalde projecten aan te pakken.” Steven Goossens: “Architecten zien nu echt de noodzaak van ons beroep in. De wisselwerking groeit de laatste jaren opvallend snel. Ook via de Kubiekeruimte vzw willen we een groter draagvlak creëren voor LTA. We proberen voor Vlaanderen en Brussel een platform te zijn om mensen samen te brengen en samen na te denken over de invulling van de ruimte. We werken elk jaar rond een vast thema zoals bijvoorbeeld water en stad. Dit jaar trekken we trouwens de taalgrens over en gaan we een aantal projecten bezoeken in Wallonië, bij ons geen communautaire discussies. Het spijtige is dat er nog steeds geen officiële erkenning van ons beroep bestaat. Onze beroepsvereniging werkt daar al lang aan. Nochtans bestaat ons beroep al eeuwen lang. Het eerste opleidingsprogramma met tuinbouw, architectuur en tekenvakken dateert bijvoorbeeld al van 1860, toen al in Vilvoorde. Zelfs in die tijd was men al bezig met het ontwerpen van tuinen en parken. Kijk maar naar een aantal grote parken in Brussel.” Jo De Clercq: “En ook internationaal is er veel interesse. Ik heb nog een tijdje in Afrika gewerkt. Wat we daar zouden kunnen doen met het landschap en de ruimte! Het grote probleem in Afrika is echter politieke wil en gebrek aan financiële middelen.” Is de opleiding daar ook mee bezig? Steven Goossens: “Absoluut! Wat Jo vertelt is zeker waar. Voor ons in het westen is LTA essentieel om de beperkte vrije ruimte zinvol te gaan invullen, maar in Afrika zijn we gewoon noodzakelijk. Onze kennis en aanwezigheid daar passen echt binnen ontwik-

kelingssamenwerking. Landschapsontwikkeling, natuurbeheer en -behoud kunnen een echte motor zijn voor economische ontwikkeling, toerisme en de natuur in Afrika. Volgens mij moeten we iets oprichten naar analogie van Artsen Zonder Vakantie: Landschapsarchitecten Zonder Vakantie. Wat wij voor ontwikkelingssamenwerking zouden kunnen doen is zo veel. Ik denk bijvoorbeeld ook aan het helpen bij het opbouwen van nooddorpen zoals in Haïti. Met onze kennis als landschapsarchitect of stedenbouwkundige zouden we daar zeker een plaats kunnen invullen. In februari heb ik nog met master bio-ingenieurs van de KUL een workshop georganiseerd in Tanzania rond landschapsbeheer, natuurbehoud en ecotoerisme. Probleem in Afrika is dat er weinig geld is en dat het niet altijd op de juiste manier gebruikt wordt. Ook buiten Afrika staat de opleiding erg sterk in internationalisering. Van het hoge noorden tot het zuiden, we hebben overal partnerschappen en buitenlandse stageplaatsen.” Jo De Clercq: “Ik herinner me dat toen ik studeerde in 1991 we in Horteco Vilvoorde (vroegere departement LTA) al aan internationale projecten deden nog voor al die Europese samenwerkingsverbanden werden opgestart. Ik ben toen drie weken op uitwisseling naar Lissabon geweest. Hoe die stad er toen uitzag dat zou je vandaag niet meer geloven. In het midden van de stad stonden daar echte sloppenwijken, kleine hutjes met golfplaten. Als je daar nu teruggaat en die prachtige stad ziet, dan is er toch een hele weg afgelegd.” Wat zouden jullie aan de opleiding veranderen? Floris Steyaert: “Je stapt natuurlijk nooit uit de school om dan vol zelfvertrouwen en met alle kennis ter zake als zelfstandige te starten. Je passie en interesse moeten tijdens je opleiding vooral aangewakkerd worden. Waar ik dan ook meer nadruk op zou leggen, is de samenwerking met andere beroepen zoals architecten of bio-ingenieurs. Het multidisciplinaire staat vandaag voorop.” Jo De Clercq: “Architectuur is voor ons beroep erg belangrijk en interessant, maar tuinarchitecten mogen zeker geen ‘wannabee’ architecten zijn. Voor ons speelt het maatschappelijke en het sociale een veel grotere rol. Wat ik in de opleiding zou willen zien, zijn meer korte creatieve projecten. Een opdracht van drie dagen waarbij er na één dag al een goed concept moet zijn. Studenten leren zo werken met snelle ideeën. Toen ik solliciteerde bij de stad Mechelen moest ik op twee uur een plein ontwerpen aan het water.” Steven Goossens: “We werken met onze studenten heel vaak aan projecten, maar het verloop en de opbouw van zo’n project zijn ook belangrijk. Daarom duren die nu vaak wat langer. Dat samenwerken in team wordt voor onze studenten steeds belangrijker. Als ik kijk waar ze allemaal terecht komen; studiebureaus, dienst stedenbouw, groendienst, ontwerpbureaus, ruimtelijke planning,… dan is multidisciplinair werken vanzelfsprekend. Daarom onderzoeken we momenteel de mogelijkheden om met de architectingenieurs van de VUB en de stedenbouwkundigen samen te werken.”

EhB!magazine 06| 9

EhB!
internationaal

Internationalisering en Zuidproblematiek aan de EhB

Jean Pierre Roose: Het mag nooit eenrichtingsverkeer zijn.

De internationaliseringopdracht aan de EhB heeft al jaren oog voor de ‘Zuidproblematiek’. Studenten en docenten trekken naar de zogenaamde "derde landen" om er goed omlijnde opdrachten uit te voeren. “Een onderwijsinstelling in het westen heeft als opdracht bij te dragen tot de ontwikkeling van alle instellingen wereldwijd, ook instellingen die in het zuiden gelegen zijn. Dat mag echter niet gebeuren via een typische kolonialistische manier van copy-paste”, zo benadrukt Jean Pierre Roose, diensthoofd bureau Internationale Betrekkingen.

Jaarlijks trekken docenten en studenten – al dan niet met externe steun van Europese programma’s of VLIR – UOS - naar derde landen. “’Zuid’ betekent niet noodzakelijk landen die helemaal in het zuiden gelegen zijn”, zo verduidelijkt Jean Pierre Roose. “Onder ‘Zuid’ verstaan we landen die in volle ontwikkeling zijn. Zo zijn voor de EhB bij de Zuidproblematiek de landen betrokken van het zuidelijke mediterrane bekken, maar ook landen in het oosten: centraal Azië en Zuid-Oost-Europa.”

Wederzijds respect
Het is primordiaal dat de internationalisering in het kader van de Zuidproblematiek bij de EhB gebeurt op basis van wederzijds respect. “Men interpreteert erg vaak de samenwerking met der-

gelijke landen als eenrichtingsverkeer: een eenzijdige transfer van technologie, kennis en expertise zonder dat er een retour is naar het westen.”, stelt Jean Pierre Roose. “Dat is niet correct. Ook voor de EhB is er een duidelijke meerwaarde. Het is niet alleen een verdere opbouw van onze internationale contacten in de vorm van bijkomende partnerschappen. Die contacten laten ons ook toe om onze eigen strategieën, werking en visie af te toetsen in die landen. Een mooi voorbeeld daarvan is het project van de opleiding Vroedkunde in Rwanda. Hier is de opbrengst voor de EhB heel duidelijk. In Afrika weten de vroedvrouwen nog zeer goed hoe ze tijdens de bevalling met de handen moeten werken. Bij ons is de wereld van de vroedkunde zo technisch geworden dat het zuiver gevoelsmatig werken niet meer aangeleerd wordt en verloren dreigt te gaan. Stage lopen in derde landen maakt

10 | EhB!magazine 06

EhB!
internationaal

de student gevoelig voor de Zuidproblematiek en ondersteunt de ontplooiing van vaardigheden zoals oplossend en individueel denken.”

opgedaan om als fotograaf andere culturen in beeld te brengen en het Westen van hun bestaan en problemen op de hoogte te brengen. Voor hem is het zelfs een levensvisie geworden.”

Interculturaliteit
Volgens Roose is er nog een zeer belangrijke toegevoegde waarde op het vlak van ‘interculturaliteit. “We leven in een multiculturele samenleving en moeten leren om culturen anders te benaderen dan op de typisch Belgische wijze. Alle studenten die stage lopen binnen de Zuidproblematiek krijgen extra skills op het vlak van interculturaliteit en interculturele dialoog. Neem nu heel concreet de samenwerking van onze Lerarenopleiding in Gambia. De studenten die daar stage lopen, verwerven heel duidelijk interculturele competenties. Ze moeten hun bestaande onderwijspakketten in Gambia aanpassen aan de lokale noden. Ze praten ginder met de studenten en docenten van de secundaire scholen over de methodieken en didactieken die ze hier aangeleerd krijgen. Die uitwisseling van ideeën zal beide partijen verrijken. Door die communicatie dragen ze hun kennis over en leveren ze een bijdrage aan de capaciteitsopbouw van de landen in het zuiden.”

Docenten vroedkunde geven les in Rwanda
Nadine Devooght, praktijklector aan de opleiding Vroedkunde van de Erasmushogeschool, is een van de bezielers van een samenwerkingsverband tussen zes Vlaamse hogescholen en hun zusteropleidingen voor vroedvrouwen in Rwanda. Het betreft een zogenaamd NOVVR-project – Netwerk Opleidingen Vlaamse Vroedvrouwen Rwanda - dat op zijn beurt een onderdeel is van het grotere IMPORE-project, wat staat voor Improving Maternal and Paediatric Outcome: the Rwandan Experience. “IMPORE is van start gegaan naar aanleiding van de slotverklaring van de UNO – in 2000 - om tegen 2015 de armoede in de wereld met de helft terug te dringen”, zegt Nadine Devooght. “Voor ons waren het verminderen van de moeder- en kindersterfte belangrijke doelstellingen. We hebben daarop een bezoek gebracht aan een vroedvrouwenschool in Rwanda. Toen hebben we kunnen vaststellen dat er vooral nood was aan gekwalificeerd personeel in de eerste en tweede lijn. Tot op vandaag krijgen de studenten er les van verpleegkundigen en niet van gediplomeerde vroedvrouwen.” “Op dit moment telt Rwanda zes vroedvrouwenscholen. Ons NOVVR-project wil deze zes scholen linken aan de zes vroedvrouwenscholen in Vlaanderen. Als EhB hebben we een samenwerkingsakkoord met de vroedvrouwenschool in Byumba. Het voorstel bestaat erin Vlaamse docenten Vroedkunde tijdens de vakantie te laten lesgeven in de scholen in Rwanda. De overeenkomst is ondertussen getekend. Ook de financiering om in juli dit jaar zes docenten naar Rwanda te sturen, is rond” “Daarnaast is er nood aan het opstarten van een zogenaamd skills lab”, zegt Nadine Devooght nog. “Het gaat om materialen voor ervaringsonderwijs waarmee op de scholen praktijklessen kunnen worden gegeven. Elk van de zes Vlaamse scholen gaat eenzelfde pakket aanbieden aan de Rwandese instellingen. Op langere termijn willen we ook studenten Vroedkunde naar Rwanda op stage sturen. Ik heb onze tweedejaarsstudenten al aangesproken over die mogelijkheid. Ten slotte zijn we ook bezig met een dossier om Rwandese studenten naar hier te laten komen.” Nadine Devooght heeft dit jaar de Mobility Award voor Docenten gewonnen, uitgereikt door de VVS, de Vlaamse Vereniging van Studenten. Het juryrapport prijst de EhB-docente voor de bezielende wijze waarop ze studenten weet te overtuigen van de meerwaarde van een stage in Afrika. Nadine is bijzonder blij met deze onderscheiding: “Ik vind een periode in het buitenland cruciaal voor de vorming van onze studenten en ik moedig daarom iedereen aan om de stap te zetten.”

Industrieel ingenieurs
De Zuidproblematiek leeft binnen de EhB niet uitsluitend bij de zogenaamde humane opleidingen als Verpleegkunde of Lerarenopleiding. “Dankzij de VLIR-UOS-projecten hebben de opleidingen Industrieel Ingenieur’ en Toegepaste Informatica een samenwerking opgezet met de ‘Hanoi University of Technology’ (HUT) in Vietnam”, zegt Roose. “Een ingenieur kan later ook tewerkgesteld worden buiten de Vlaamse grenzen. Als hij dan niet weet om te gaan met andere culturen, staat hij voor serieuze problemen. Maar al gaat die afgestudeerde niet naar Afrika of Azië, hij kan ook in België terechtkomen in een multinationaal en/of multicultureel bedrijf. Heeft hij dan een verantwoordelijke functie, dan moet hij kunnen omgaan met andere culturen. Die interculturalisering is het grote pluspunt, daarom bestaat internationalisering in Vlaanderen en wereldwijd.”

Unieke ervaring
Voor studenten die deelnemen aan een noord-zuiduitwisseling betekent het vaak een ervaring die ze voor de rest van hun leven meedragen. “Ze komen terug met een bijzondere positieve ervaring”, zegt Jean Pierre Roose. “Van sommige afgestudeerden weet ik dat ze zich verder geëngageerd hebben voor de Zuidproblematiek. Bepaalde afgestudeerden van de Lerarenopleiding zijn achteraf terug naar Gambia gegaan om er verder te gaan werken. Soms gaat het nog verder dan die positieve ervaring. Studenten van het Rits, afdeling Audiovisuele Kunsten, hebben in Egypte via beurzen contacten kunnen leggen en er daarna documentaires gemaakt. Of neem Pieter-Jan De Pue die aan het Rits is afgestudeerd met een eindwerk gemaakt in het Amazonegebied. Daar heeft hij zijn passie

EhB!magazine 06| 11

EhB!
onderwijs

Bio-esthetiek en Haartooi, een unieke opleiding in Europa

Adelinda Geerts: “Studenten leren lesgeven en bovendien nog een vak aanleren, is erg complex.”

vlnr: Dennis De Hoey, Adelinda Geerts, Wendy Van Den Bossche

De opties Bio-esthetiek en Haartooi - die deel uitmaken van de Lerarenopleiding Secundair Onderwijs (bacheleropleiding LSO) van de Erasmushogeschool - bestaan dit jaar 25 jaar. “Wij zijn de enige hogeschool binnen het gemeenschapsonderwijs, en met de collega's van de Arteveldehogeschool zelfs de enige in Europa, die deze opties aanbieden”, zegt een trotse Adelinda Geerts, vaklector Haartooi en Didactiek.

De opleiding tot leraar Bio-esthetiek en Haartooi neemt in het hele pakket Lerarenopleiding van de EhB ook een bijzondere plaats in. “Onze studenten worden opgeleid tot kapster of schoonheidsspecialiste maar moeten ook alle bekwaamheden van een lesgeefster aanleren. Het is die combinatie van leren lesgeven en tegelijkertijd een vak aanleren die de opleiding zeer complex en erg intensief maakt”, zegt Adelinda Geerts. “Maar als de student gemotiveerd is, kan het perfect.” Studenten die kiezen voor de opties Bio-esthetiek en Haartooi hebben vaak nog geen enkele ervaring als kapster of schoonheidsspecialiste. Adelinda Geerts: Dat klopt. We starten altijd van nul en dat is niet logisch. Kies je bijvoorbeeld voor een lerarenopleiding Frans, dan word je verondersteld Frans te kennen. Je gaat toch mensen opleiden om Frans te leren geven en niet om de Franse taal aan te

leren. Veel van onze studenten komen rechtstreeks uit het ASO. Ze hebben altijd al kapper of kapster willen worden, maar dat mocht meestal niet van hun ouders omdat deze het niveau van technisch onderwijs voor hen ‘te laag’ vonden. Ze krijgen op hun 18 jaar bij ons dan toch nog de kans op bachelorniveau. Maar dat betekent dat onze studenten een zeer serieuze achterstand hebben en op korte tijd erg veel moeten leren. Ze hebben zeer veel uren praktische vaardigheden in te halen. We trachten dat vanaf dit het jaar op te vangen door zomercursussen te organiseren. In augustus kunnen de studenten al de basisvaardigheden aanleren voor ze starten. Hoe bent u zelf in het onderwijs terechtgekomen? Adelinda Geerts: Ik heb eerst een TSO-opleiding Bio-esthetiek en nadien een regentaat gevolgd. Toen ik als docente begon, had ik zelfs geen specifieke opleiding Haartooi genoten. Binnen Bio-

12 | EhB!magazine 06

EhB!
onderwijs
esthetiek en Haartooi bestaan ook geen masteropleidingen. Hierdoor is iedereen die aan de EhB lessen Bio-esthetiek en Haartooi geeft zelf ook regent of bachelor. Je hebt dus met een professioneel diploma een heel uitgebreid werkveld waarnaar je kan doorgroeien. Als lerares in een praktijkvak moet je allicht voeling blijven houden met de praktijkwereld. Adelinda Geerts: We houden voortdurende contact met bedrijven, volgen cursussen, gaan shows bekijken of bezoeken beurzen. Je moet zeker bijblijven want het gaat steeds sneller in de sector. De vernieuwingen en trends volgen elkaar razendsnel op. De vaardigheden die men van een kapper of kapster vraagt, zijn ook enorm geëvolueerd. Onze opleiding gaat ook verder dan enkel het aanleren van de kappersstiel: er wordt geleerd hoe de studenten presentaties moeten geven, reclamefolders maken of evenementen organiseren. Vandaag hebben onze afgestudeerden veel meer competenties dan enkel die van kapper of kapster. Ze krijgen lessen in salonorganisatie of -beheer, over omgang met de klanten, over ergonomie en zo verder. Daarom is het ook zo’n boeiende opleiding met erg veel mogelijkheden. Kiezen de studenten meestal voor beide opties Bio-esthetiek en Haartooi? Adelinda Geerts: Bio-esthetiek en Haartooi zijn twee verschillende opleidingen. Vroeger waren beide gekoppeld en spraken we van een lerarenopleiding Schoonheidsverzorging. Sinds vijf jaar zijn de twee opleidingen ontkoppeld en kan je voor een van beide specialisaties kiezen. Je bent niet meer verplicht ze samen te volgen. Het is zeker niet zo dat beide altijd samen genomen worden. We hebben dit jaar toevallig iemand die Aardrijkskunde en Haartooi heeft gekozen. Bio-esthetiek is dan weer gemakkelijker te combineren met Biologie. De opties worden ook vaak gecombineerd met Handel, Informatica en Burotica. Waar komen jullie afgestudeerden terecht? Adelinda Geerts: Ik zeg altijd: 30, 30, 30. Dat betekent: 30 % in het onderwijs, 30 % start een eigen zaak en 30 % kiest voor een job in een bedrijf. Het zijn vaak cosmetische bedrijven waar de studenten in alle afdelingen terecht kunnen komen. Ze kunnen er als technicus gaan werken maar evenzeer als administratief medewerker of organisator. Met het diploma kunnen ze erg veel kanten op. Tijdens de opleiding mogen ze ook van alles proeven. Ze krijgen de kans een stage te lopen in een bedrijf of mee te draaien in een kapsalon. Als je voor het onderwijs kiest, kom je dan automatisch in technische en beroepsrichtingen terecht? Adelinda Geerts: Niet altijd. Iemand die de combinatie maakt met aardrijkskunde kan dat vak ook gaan geven in het ASO. Maar inderdaad: Haartooi wordt nog steeds enkel op technisch en beroepsniveau gegeven. Toch is men vanuit vakverenigingen bezig om de schotten weg te halen met als doel de opleiding Haartooi op te krikken. Waarom zou je vanuit een ASO-opleiding geen kapper of kapster kunnen worden? En hoe zijn de vooruitzichten op werk? Adelinda Geerts: Die zijn zeer goed. Bekwame kappers of kapsters en schoonheidsspecialisten zullen altijd wel aan de bak komen. Aan goede vakmensen is er altijd gebrek. Maar van onze studenten zijn er toch maar weinig die kapper of kapster worden. Vaak kiezen ze voor een keten van kapsalons en groeien door tot bedrijfsleider. We merken vandaag ook dat jongeren meer en meer kiezen voor een gevarieerde loopbaan. Vroeger koos men voor het onderwijs en bleef men er 20 jaar werken. Nu gaan ze een aantal jaren lesgeven en starten dan met een eigen salon of gaan als freelancer in een bedrijf werken. Ze proeven van de verschillende mogelijkheden. U maakt zich zorgen over het feit dat de opleiding enkel meisjes aantrekt. Adelinda Geerts: Jammer genoeg wel. Op dit ogenblik is er bij de vijftig studenten zelfs geen enkele jongen. Ze starten soms, maar haken snel af. Het is een speciaal beroep en de sector is nog steeds een vrouwenwereld met nog veel vooroordelen tegenover mannen. Maar opvallend is dan weer dat veel van de leidinggevers of trendsetters in bedrijven wel mannen zijn. We hebben gelukkig aan de EhB een mannelijke collega: onze optieverantwoordelijke. Daar zijn we erg blij mee.

Onlangs organiseerden jullie een opgemerkt ‘verwensalon’: mensen met een handicap werden door jullie studenten in de watten gelegd. Wat is het doel van een dergelijk initiatief? Adelinda Geerts: Het is een praktijkervaring die deel uitmaakt van de opleiding. Onze studenten zullen later met een breed publiek in aanraking komen. Ze moeten die sociale vaardigheden dan ook aanleren We doen dit niet enkel voor mensen met een handicap, we gaan met de studenten ook naar kleuterklassen of bejaardentehuizen. De verzorging van bejaarden vraagt om zeer specifieke technieken. Het is niet alleen een markt die open ligt; op die manier voelen ze ook aan of een dergelijk publiek hen ligt of niet en kunnen ze die ervaring weer doorgeven aan hun Naar aanleiding van 25 jaar Bio-esthetiek en Haartooi worden op 29 april een 280-tal afgestudeerden en alle oudcollega’s en directieleden uitgenodigd voor een walking dinner en een gezellig samenzijn.

EhB!magazine 06| 13

EhB!
conservatorium

Harpiste Conservatorium naar de Wiener Philharmoniker

Anneleen Lenaerts: “Ik zal elk concert moeten bewijzen dat ik die plaats verdien.”
Anneleen Lenaerts schrijft zonder meer Belgische muziekgeschiedenis. Op haar 23ste heeft de harpiste een vaste plaats verworven bij de Wiener Philharmoniker, een van de beste, zoniet hét beste orkest van de wereld. Verander de naam ‘Anneleen Lenaerts’ in ‘Romelu Lukaku’ en de naam van het orkest in ‘FC Barcelona’, en voor eenieder wordt de omvang van haar transfer wel duidelijk. “Wat we doen als muzikant kan je ook vergelijken met topsport”, beweert de studente Muziekschriftuur aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel.

Anneleen Lenaerts ging voluit voor haar once in a lifetime-kans. In december vorig jaar stuurde ze haar - al indrukwekkend - cv naar Wenen om te postuleren voor de vacante plaats van eerste soliste voor harp bij de Wiener Philharmoniker. Daarop viel in Peer – haar woonplaats - een uitnodiging in de bus voor de audities. “Alles samen duurden die proeven twee dagen”, vertelt Anneleen. “Vooraf hadden we een lijst gekregen van opgelegde werken die eventueel tijdens de verschillende rondes gespeeld moesten worden. Het was een vreemde ervaring. Een selectie van zevenentwintig muzikanten uit het orkest vormde de jury en zat aan de andere kant van een scherm. Niemand van de juryleden wist wie er speelde. Ze hoorden enkel het nummer waardoor de beoordeling zuiver auditief gebeurde. Je look of uitstraling was niet belangrijk. Per slot van rekening komen er muzikanten uit heel de wereld op af. We waren met tachtig kandidaten voor één plaats. Het moet ook allemaal meezitten: je spel moet hen aanstaan en ook passen bij het orkest.” Het is een soort afvallingskoers. Anneleen: Eerst moest ik deelnemen aan een voorronde, bestemd voor mensen die nog geen vast orkestzitje hebben. Voor

de hoofdauditie komen alleen mensen in aanmerking die al ergens een vaste orkestplaats hebben. Via de voorauditie moet je een plaats verwerven in de hoofdauditie. Die bestaat dan nog eens uit drie verschillende rondes. Tijdens de laatste ronde waren we nog maar met twee. Ze hebben nadien meteen de beslissing bekendgemaakt. Gelukkig maar, want het was een erg stresserende ervaring. Je komt nu op je 23ste al in het toporkest van de wereld terecht. Hoger kan gewoon niet. Anneleen: Ja, dat klopt. Ze werken met de beste dirigenten ter wereld. Het orkest kan ook bogen op een enorme traditie. Het voelt echt onwezenlijk aan. Maar ik besef maar al te goed dat ik het nog altijd moet gaan waarmaken. Ik zal elk concert moeten bewijzen dat ik die plaats verdien. Het is dus zeker niet zo dat ik op mijn lauweren kan gaan rusten. Ik maak nu deel uit van zowel de ‘Philharmoniker’ als van het orkest van de Weense Staatsopera. Zowel symfonisch als operawerk vertolken, is nieuw voor mij. Ik heb uiteraard wel veel podiumervaring: ik treed nu al vaak op als soliste. Maar het is wel een nieuw gegeven om met een orkest mee te spelen.

14 | EhB!magazine 06

EhB!
conservatorium
Ga je nu fulltime met de Wiener Philharmoniker de baan op? Anneleen: Ik heb nog maar net hun kalender doorgekregen. We zijn inderdaad vrijwel constant op tournee. Dit jaar toeren we onder meer in Australië en Japan en trekken we naar New York. Het is dus zeker niet zo dat het orkest altijd in Wenen verblijft. Dat rondreizen wordt ook een grote verandering. Ik was als muzikante al veel op reis maar hoofdzakelijk in Europa. Thuis is dan niet zo ver weg. Nu zal ik voortdurend van de ene naar andere plaats reizen zonder tussendoor thuis te komen. Ik zal ook in Wenen moeten gaan wonen; dat kan niet anders met een fulltimejob. Had je met al die praktische consequenties vooraf rekening gehouden? Anneleen: Je kan al die veranderingen vooraf niet incalculeren. Maar het is zo’n unieke kans, een die je maar eenmaal in je leven krijgt. Je kan er wel van dromen maar je gaat er niet van uit dat het jou te beurt kan vallen. Ik dacht bij de sollicitatie: we gaan zeker proberen en we zien wel waar we uitkomen. Het is voor mij nu ook nog afwachten hoe het verder gaat verlopen. Maar ik heb wel het gevoel dat ik die kans nu moet grijpen. Het is een ideaal moment: ik heb nog geen vaste relatie of kinderen. Na een paar jaren zie ik wel wat de toekomst brengt. U hebt zeer jong, op 9-jarige leeftijd, gekozen voor harp. Het ligt niet voor hand dat een kind voor harp kiest. Anneleen: Dat is zeker zo: het is een onbekend instrument. Als klein meisje had ik nog nooit een harp van dichtbij gezien. Ik ben met piano begonnen en wou absoluut nog een tweede instrument kiezen. Het liefst wilde ik een blaasinstrument, maar op aanraden van mijn leraar notenleer heb ik gekozen voor harp. Hij wou per se een harp bij de harmonie waar hij dirigeerde. Ik ben nu wel blij dat ik de keuze gemaakt heb. Er is vandaag ook een stijgende belangstelling voor harp: er komen meer en meer harpspelers bij. Vraagt het bespelen van een harp specifieke vaardigheden? Anneleen: Je kan het een beetje vergelijken met piano: je hebt ook je twee handen nodig om te spelen. De technische moeilijkheid zit hem vooral in het bedienen van nog eens zeven voetpedalen. Dat vergt een perfecte handen-voetencoördinatie. De toeschouwers zien vaak alleen maar onze handen, want het pedalenwerk mag eigenlijk niet gehoord of gezien worden. De harp wordt op oude schilderijen ook altijd afgebeeld als een instrument voor engelen. Anneleen: Dat is inderdaad het clichébeeld. Wat vreemd is, want in de zeventiende eeuw was de harp vooral een manneninstrument. Toch heeft de harp zoveel mogelijkheden. We hebben een zeer breed repertoire dat te vergelijken is met dat van de piano. Je was assistente Harp en bent nog steeds studente Muziekschriftuur aan het Koninklijk Conservatorium in Brussel (KCB). Hoe beoordeel je die opleiding? Anneleen: Ik heb zeer goede ervaringen als studente. De opleiding focust op de essentie en concentreert zich op de algemene vakken die echt nodig zijn. Je programma zit niet volgepropt met lessen. Ik was vaak onderweg en kon niet steeds aanwezig zijn tijdens de lessen. Er is voldoende flexibiliteit ingebouwd. Voor muzikanten is dat noodzakelijk want terwijl je een opleiding volgt, ben je al bezig met het uitbouwen van je carrière als beroepsmuzikant. Als je daar na je opleiding nog aan moet beginnen, is het te laat. Je kan jouw positie aan de KCB vergelijken met het statuut dat ook topsporters krijgen. Anneleen: Inderdaad. Wat we doen is ook te vergelijken met topsport. Ik oefen gemiddeld enkele uren per dag, afhankelijk van de tijd die ik heb. Het conservatorium is enkel een bijkomende vorming om je verder te ontplooien. Je opleiding is al veel vroeger gestart. Maar het is zeker een hoogstaande vorming. Ik studeer nu nog muziekschriftuur aan het conservatorium. Ook dat is zeer degelijk, absoluut. Topvoetballers laten hun benen verzekeren. Zijn jouw handen verzekerd? Anneleen: Ik ben daar niet overdreven mee bezig. Natuurlijk moet ik wel voorzichtig zijn. Ik nam op school meestal niet deel aan balsporten en kijk uit bij het snijden van groenten. Een extra verzekering kost stukken van mensen. En dan nog: mocht ik al verzekerd zijn en een vinger verliezen, dan is het toch gedaan met wat ik nu wil doen. Het aankopen van een harp moet ook een hele investering zijn. Anneleen: Dat klopt. Je start wel met een kleine harp die goedkoper is. Maar een grote concertharp begint vanaf 20.000 euro. De Wiener Philharmoniker heeft gelukkig harpen ter beschikking zodat ik mijn eigen harp niet overal op reis moet meesleuren. We gaan je nu allicht nog alleen kunnen zien tijdens het traditionele nieuwjaarsconcert van de Wiener Philharmoniker, dat wereldwijd via televisie wordt uitgezonden. Anneleen: Ik vrees het. Maar dat nieuwjaarconcert is dan weer niet echt representatief voor het repertoire waar het orkest voor staat. Het is een mainstreamprogramma met vooral de nadruk op het lichtere genre. Voor de orkestleden is het natuurlijk wel leuk om te doen. Maar voor ik bij de Wiener Philharmoniker begin, heb ik nog wel een aantal concerten gepland. Nadien zal ik uiteraard rekening moeten houden met de kalender van het orkest en daar mijn andere optredens op moeten afstemmen. Erg veel succes toegewenst

Steun de renovatie van het Conservatorium. In een eerdere editie van EhB!magazine las u al dat de gebouwen van het Koninklijk Conservatorium Brussel steun kunnen gebruiken. Voor het grootse renovatieproject van Conservamus zijn giften welkom, dat kan rechtstreeks op rekeningnummer 000-0000004-04 van de Koning Boudewijnstichting met de vermelding “L82220Conservamus”. Giften vanaf €40 fiscaal aftrekbaar. Ontdek Conservamus tijdens het galaconcert op 09/11/2011. Alle info op: www.conservamus.be

EhB!magazine 06| 15

EhB!
onderwijs

Topsport en studeren

Judoka Amelie Rosseneu: “Zonder faciliteiten lukt het nooit.”

Amelie Rosseneu (23) is een van de grote beloften van het Belgische judo. In het verleden werd Amelie al verscheidene malen Belgisch kampioene. Vandaag heeft ze het statuut van topsportster bij Bloso afgedwongen en kan ze zich volledig concentreren op haar verdere internationale judocarrière. De voorbije jaren moest ze die passie delen met haar studies Dieet- en Voedingskunde aan de EhB.

“Dat was niet altijd even makkelijk”, vertelt Amelie. “Het statuut van topsportster krijg je niet zomaar. Ik moest wel degelijk aantonen dat ik op topniveau presteerde en regelmatig mijn uitslagen doorgeven aan de school. Maar zonder het statuut is de combinatie studeren en topsport gewoon onmogelijk. Examens afleggen was al vaak lastig omdat ik tijdens de examenperiodes op judostage was.

Ouders
“Als je jong bent, wil je gewoon kiezen voor je topsport. Dat is je passie en daarvoor wil je alles opgeven. Daarom is het belangrijk dat er mensen in je omgeving zijn die je erop wijzen dat er naast sport nog andere zaken in het leven zijn. In mijn geval waren dat vooral mijn ouders. Ze hebben me steeds gewezen op het belang van een diploma voor mijn toekomst. Ik kan niet eeuwig aan judo blijven doen. Bovendien is het geen sport waar het grote geld mee te verdienen valt. Voor voetballers ligt dat mogelijk al anders. Mijn ogen zijn ook opengegaan toen een judoka van onze club zwaar op haar hoofd terechtkwam tijdens een jeugdwedstrijd. Zij is onmiddellijk moeten stoppen met judo. Toen besefte ik dat het echt wel nodig was om verder te studeren. Het behalen van een diploma levert nu al een voordeel op: Bloso betaalt zijn topsporters uit naar rato van het diploma dat ze behaald hebben.”

Faciliteiten
“Door het statuut kreeg ik faciliteiten waardoor ik de examens kon verplaatsen. De praktijklessen in het labo mocht ik ook uitvoeren met een andere groep dan die waarin ik was ingedeeld. Ook stages van zes weken waren onmogelijk te combineren met trainingen of buitenlandse tornooien. Ik kon die dan spreiden over hier en daar een week. De eerste twee jaar heb ik volledig afgewerkt. Alleen het laatste jaar heb ik uit noodzaak moeten verdelen over twee jaar omdat we erg veel stages hadden. Op het Bloso is nu een verantwoordelijke aangesteld die met de scholen onderhandelt over de combinatie topsport en studie.”

Geprivilegieerd
“Ik heb van medestudenten nooit kritiek gekregen op het feit dat ik een apart statuut had. Integendeel, ze hebben me steeds ge-

16 | EhB!magazine 06

EhB!
onderwijs
steund. Ik mocht altijd notities kopiëren van lessen die ik gemist had. Ik voelde me dan ook geen geprivilegieerde studente. Maar je mag niet vergeten dat je het vooral zelf moet aanpakken. Je mag absoluut niet verwachten dat de school je bij het handje neemt en je doorheen je de studies loodst tot je je diploma hebt behaald. Jij moet zelf het initiatief nemen om lessen te verplaatsen, examens uit te stellen of aan andere stageregelingen te bepleiten. Ik kreeg geen speciale examens hoor! (lacht)

Geen studentenleven
“Mijn studiekeuze had geen rechtsreeks verband met mijn sport. Ik was altijd al geïnteresseerd in voeding. Maar de kennis komt me nu toch al goed van pas. Ik judo in de categorie min 48 kg. Normaal weeg ik 50 kg; die 2 kg moet ik er dus af krijgen door onder andere mijn voeding aan te passen.” Als topsportster gaat het studentenleven wel aan je voorbij. Maar uitgaan en feestjes waren toch niet aan mij besteed. Spijt heb ik er dus niet van. Ik heb als topsportster andere mooie momenten mogen beleven. Ondertussen heb ik al een flink deel van de wereld gezien. We zijn op tornooien geweest in China en Japan. Die ervaringen compenseren ruimschoots het gemis aan het studentenleven. Ik heb niet het gevoel dat mijn studies mijn sportcarrière in de weg hebben gestaan. Ik had allicht niet verder gestaan indien ik alles op mijn sport had gezet. Die studies waren bovendien een welkome afleiding zodat ik niet constant gefocust was op het judo.”

echter niet verleend omdat het om een fitnessclub ging. Indien de opleiding akkoord gaat, kan in dergelijke gevallen wel een eenmalige afwezigheid toegestaan worden.”

Faciliteiten
Studenten die hun studie willen combineren met het beoefenen van een sport op topniveau hebben vooral nood aan studie- en examenflexibiliteit. Deze zogenaamde redelijke voorzieningen moeten het de student mogelijk maken met gelijke kansen aan de opleiding te beginnen. “De school laat toe dat ze afwezig zijn tijdens colleges of praktische oefeningen”; legt Annemie De Rouck uit. “Het kan zijn dat ze daarvoor een vervangtaak krijgen of bij een andere groep kunnen aansluiten. De trajectbegeleiders leggen de faciliteiten vast en volgen de topsportstudenten gedurende het academiejaar op. Het is niet altijd realistisch om als topsporter een voltijds programma op te nemen. Als je bijvoorbeeld in eerste nationale voetbalt, kan ik me voorstellen dat het beter is te kiezen voor een halftijds programma met faciliteiten.

Topsport en studeren
De Erasmushogeschool Brussel biedt jonge topsporters een apart statuut aan waardoor ze hun passie voor hun sport kunnen combineren met het behalen van een diploma. “We rollen de rode loper niet uit, maar topsporters hebben nood aan de nodige flexibiliteit tijdens hun studies’, zegt Annemie De Rouck, EhB-coördinator van het topsportstatuut. Vorig jaar telde de EhB veertien studenten met een topsportstatuut. Dit academiejaar zijn er dat zes. Het statuut ‘topsport en studeren’ wordt echter niet onvoorwaardelijk aan elke sportieve EhB-student verleend. “Je moet wel degelijk met sportresultaten bewijzen effectief aan topsport te doen” zegt Annemie De Rouck. “De aanvragen worden beoordeeld door een topsportcommissie samengesteld uit leden van de EhB en de VUB. We onderscheiden drie statuten. Sporters die in België sport beoefenen op topniveau, krijgen veelal een A-statuut. Zo tellen we een aantal voetballers bij FC Brussels. Daarnaast zijn er sporters die internationaal hoog scoren. Zij bekomen een A-internationaal statuut met de nodige faciliteiten om te kunnen deelnemen aan Europese of wereldkampioenschappen. Een bekend voorbeeld is turnster Aagje Vanwalleghem. Zij studeerde 2 jaar aan de hogeschool met een topsportstatuut. Niet elke aanvraag wordt goedgekeurd. Zo vroeg een studente het statuut aan om met een gym- en dansclub aan een wedstrijd in het buitenland te kunnen deelnemen. Het statuut werd haar

Drie criteria
Het statuut ‘topsport en studeren’ rolt voor topsporters de rode loper niet uit. “Topsporters moeten dezelfde competenties verwerven als hun medestudenten; ze doen het enkel op een andere manier”, zo benadrukt Annemie De Rouck. “De redelijkheid van de voorzieningen wordt afgetoetst aan de drie criteria: haalbaarheid, aanvaardbaarheid en verdedigbaarheid. Haalbaarheid wil zeggen dat een voorziening primair dient om het volgen van lessen of doen van examens meer haalbaar te maken voor de student(e) gezien zijn of haar specifieke belemmerende situatie. De student(e) moet, met zijn of haar specifieke situatie in acht genomen, gelijke kans op slagen kunnen hebben. Aanvaardbaarheid betekent dat de standaard van het vak niet mag verlagen door de faciliteiten. Verdedigbaarheid houdt in dat andere studenten niet het gevoel mogen krijgen achteruitgesteld te worden. Maar als iemand op een topniveau aan sport doet, begrijpen de medestudenten maar al te goed dat hij of zij uitzonderingen krijgt. Afgunst heb ik nog nooit gemerkt.”

EhB!magazine 06| 17

EhB!
kort nieuws

Studenten lopen 20 km door Brussel Hoort een kunstenaar ook een activist te zijn?
Is het maken van activistische kunst een belangrijke taak of een pseudo-activiteit in de marge van de echte politiek? Drie docenten van het Rits braken er zich het hoofd over. Cultuurfilosoof Lieven de Cauter onderzoekt samen met kunst- en theaterwetenschappers Karel Vanhaesebrouck en Ruben De Roo dit thema in het recent verschenen boek Art and Activism in the Age of Globalization. In een tijdperk van globalisering, populisme, hyperkapitalisme, migratie, de oorlog tegen terreur en de opwarming van de aarde, is het engagement van de kunstenaar broodnodig. Het boek neemt de maat van de hedendaagse activistische kunst. Wat is de positie van kunst en activisme in de gepolariseerde, populistische spektakelmaatschappij? Art & Activism analyseert de kritiek op het engagement als pose, maar ook voor de noodzaak van cultureel activisme in de huidige maatschappij. Ook stadsactivisme en het activisme van anonieme netwerken worden onderzocht. Speciale aandacht gaat naar de effecten van de War on Terror op de activistische praktijk. Het boek besluit met een theoretisch kader voor hedendaags activisme en een vurig pleidooi voor een werkelijk politieke kunst. Uitgeven bij Nai Publishers i.s.m. IDeA, de interdisciplinaire onderzoeksgroep van de het Rits en de Universitaire associatie Brussel.

Op zondag 29 mei is het weer zover! De mooiste loopwedstrijd van België doorkruist het hart van Europa: de 20 km door Brussel. De start aan de Cinquantenaire met 30.000 zenuwachtige lopers, de Bolero, het volkslied, kanonschot, de massa in de Wetstraat, de kasseien aan het Paleis, de tramsporen aan het Gerechtshof, de supporters, de tunnels, de fanfares, de brede lanen van Ter Kameren voor een rush voorwaarts, om uiteindelijk zachtjes met de eindmeet in zicht te sterven op de moordende Tervurenlaan... de 20 km door Brussel is dé sportieve belevenis van het jaar voor elke recreant die de uitdaging aandurft. In plaats van elkaar in de vernieling te lopen, bundelen de Brusselse hogeronderwijsinstellingen de krachten in een prestigieus team: Brussels Students United. Ondanks de moeilijke timing eind mei, gaan ze er vanuit dat iemand die fysiek klaar is voor de 20 km, dat ook is voor de eindexamens. Want zegt men niet: een gezonde geest in een gezond lichaam? Brussels Students United is een initiatief van de studentenvoorzieningen. Voor de Erasmushogeschool Brussel is dat SOVEhB, die ook tussenkomt in het inschrijvingsgeld.

Bachelor Journalistiek haalt banden aan met Brusselse media
De professionele bachelor Journalistiek (Campus Dansaert) wil nog nauwer gaan samenwerken met de Brusselse “Flageymedia”: tvbrussel, fmbrussel, Brussel Deze Week en brusselnieuws.be. Aanleiding daartoe is de nieuwe, dynamische opleidingswebsite www.erasmix.be, die momenteel proefdraait en over enkele weken officieel wordt voorgesteld. “We werken al jaren uitstekend samen met de Brusselse media”, vertelt opleidingshoofd Patrick Pelgrims. “Zij leveren ons gastlectoren, publicatiegelegenheid en o.m. via de resonantiecommissie suggesties om de kloof tussen opleiding en werkveld steeds weer te dichten. Wij leveren hen stagestudenten. Behoorlijk wat ex-JT’ers gingen intussen op de Flageyredacties aan de slag. Die samenwerking willen we nu graag structureel verder uitbouwen.” Een delegatie van Campus Dansaert ging daartoe eind februari op bezoek in het oude NIR-BRT-omroepgebouw en praatte er met de Flagey-webmasters. Geert De Wael, directeur van tvbrussel, lanceerde het idee van een ‘digitaal-multimediaal teletextkanaal’, aangestuurd door de Brusselse media en mee gevoed door de bachelorstudenten Journalistiek. Dit zou betekenen dat de tv-producten op www.erasmix.be straks zonder enige tussenkomst van mens of computer op de tv zullen te zien zijn. Voor het zover is zendt tvbrussel al diverse Europareportages uit die de laatstejaars produceerden en verschijnen in de stadskrant Brussel Deze Week wekelijks reportagestukken van de tweedejaarsstudenten.

18 | EhB!magazine 06

EhB!
Brussel
Ons terrein beperkt zich tot het centrale gedeelte dat loopt van de Brusselse haven tot aan onze campus aan de Nijverheidskaai in Anderlecht. Ik wens ook te benadrukken dat Platform Kanal een meertalig Brussels initiatief is.”

Spanningsvelden Studenten STeR* Stedenbouw en Ruimtelijke Planning werken mee aan de ontwikkeling van de Brusselse Kanaalzone.
Volgens Stefan De Corte biedt de deelname van studenten aan Platform Kanal tal van interessante kansen om in het beroepsveld al veel nuttige ervaringen op te doen. “De Kanaalzone is erg belangrijk voor Brussel omwille van zijn ligging dicht bij het centrum”, zegt hij. “Het is een stadsdeel waar je een aantal sociale problemen hebt, met lage-inkomensgroepen, en het is ook een belangrijk multicultureel deel van de stad. Tezelfdertijd woont in dit gebied de toekomst van de stad: een groot gedeelte van de bewoners is jonger dan 20 jaar. Tot nu werd de zone geanalyseerd vanuit de bril van achterstelling en verloedering. Dat was niet onbelangrijk omdat hierdoor ontwikkelingsgelden konden worden aangetrokken. Maar het gaat wat voorbij aan de potentiële mogelijkheden. Er wordt volgens ons ook te veel gefocust op grote projecten. Hierdoor ontstaat het gevaar van sociale verdringing omdat de prijzen op de huizenmarkt te fel gaan stijgen. Al die spanningsvelden worden mee opgenomen in de analyses en het onderzoek van de planners en zijn zeer interessant voor onze studenten als studie- en onderzoeksobjecten.”

EhB-studenten van de opleiding STeR*-Stedenbouw & Ruimtelijke Planning worden actief betrokken bij de ontwikkeling van de cruciale toekomstplannen voor de Brusselse Kanaalzone. De aankomende stedenbouwers werken mee aan de voorbereiding van het zogenaamde Café Kanal: een reeks workshops die visie en inhoud moeten geven aan dit veelomvattende urbanisatieproject. “Het Brusselse Kanaalproject is voor onze studenten bijzonder interessant omdat het veel stedenbouwkundige aspecten samenbrengt waarmee ze later tijdens het uitoefenen van hun baan als stedenbouwkundig of ruimtelijk planner ongetwijfeld te maken zullen krijgen”, zegt Stefan De Corte, opleidingshoofd STeR*-Stedenbouw & Ruimtelijke Planning.

Café Kanal
De EhB-studenten worden momenteel mee ingeschakeld in de voorbereidingen van ‘Café Kanal’. “Dat zijn workshops voor een breed publiek, het Brusselse middenveld, ondernemers en politici”, zegt Stefan De Corte. “Op de bijeenkomsten wordt de toekomst van de Kanaalzone besproken. De inbreng van onze studenten situeert zich op twee vlakken. Ze voeren projectwerking uit rond twee thema’s 'Industrie in de stad’ en ‘Architectuur en stedenbouw in de stad’. Daarnaast moeten ze rond die thema’s op zoek gaan naar goede voorbeelden in Vlaanderen en in het buitenland. Hun ervaringen en presentaties worden mee ingebracht in de discussie tijdens het Café Kanal. Op die manier zijn ze actief op het werkveld én werken ze mee aan een diagnose van de Kanaalzone. Daarnaast laten we met die inbreng ook duidelijk aanvoelen dat onze opleiding maatschappelijk geëngageerd is in heel het debat over de Kanaalzone.”

De opwaardering van de Brusselse Kanaalzone is de voorbije jaren een hot item geworden in de stedelijke ontwikkeling van de hoofdstad. Om de toekomstige plannen mee inhoud en vorm te geven is een platform opgericht ‘Platform Kanal’ waarin alle betrokken partijen worden samengebracht die aan de Kanaalzone verbonden zijn. Het is een netwerk - burgerplatform - met leden uit de kunsten, onderwijs & vorming, jeugd, architectuur & stedenbouw, cultuur en economische wereld. “De EhB maakt binnen Platform Kanal deel uit van de werkgroep Educatie, waaraan ook de andere Brusselse hogescholen en universiteiten deelnemen”, zegt Stefan De Corte. “De Brusselse Kanaalzone is uiteraard zeer uitgebreid en loopt van Antwerpen over Brussel tot in Charleroi.

De opleiding STeR*-Stedenbouw & Ruimtelijke Planning vormt academisch geschoolde ruimtelijke planners en stedenbouwkundige ontwerpers. Het is een unieke opleiding in Vlaanderen. De opleiding biedt naast de specialisatie Stedenbouw ook de specialisatie Landschapsarchitectuur aan. De academische Master Stedenbouw en Ruimtelijke Planning is een avondopleiding en daardoor zeer toegankelijk voor werkstudenten. Meer info: http:/ /iwt. ehb.be/pagina/master-stedenbouw-en-ruimtelijke-planning Café Kanal 3, op 9 mei om 19.45u over ‘Lokale economie en dynamische wijken in een stad van morgen’, Euclides, Scheikundigestraat 34, Brussel Café Kanal 4, op 24 mei om 19.45u over ‘Gebouwen als motoren voor een duurzame ontwikkeling’, Huis der Culturen - Rue Mommaertsstraat 4, Brussel

EhB!magazine 06| 19

EhB!
kwaliteitszorg

Van opleidingsvisitatie naar instellingsaudit en opleidingbeoordeling

Ignace Van Dingenen: “Integrale kwaliteitszorg vormt de basis van het hele onderwijs- en onderzoeksgebeuren.”
Vanaf 2013 wijzigt het visitatie- en accreditatiestelsel in Vlaanderen in het hoger onderwijs. Worden nu enkel de opleidingen gevisiteerd en geaccrediteerd dan zal in de toekomst een onderscheid gemaakt worden tussen een instellingsaudit en een opleidingsbeoordeling. Een instellingsaudit zal het centrale beleid van een hogeschool doorlichten, daarna volgen de opleidingsbeoordelingen. “Aan de EhB werd het proces van strategisch beleidsplanning top-down en bottom-up geïmplementeerd in de departementen en centrale diensten. De zorg voor kwaliteit is hierdoor zowel op opleidingsniveau als op instellingsniveau een continu aandachtspunt geworden”, zo stelt Ignace Van Dingenen, hoofd van de dienst 'Strategische planning, Integrale kwaliteitszorg en Datamanagement’ aan de EhB.

Alvast nog dit jaar organiseert de dienst Kwaliteitszorg van de EhB een studiedag over de nieuwe ontwikkelingen op het vlak van de accreditatie van hogescholen. “Vroeger was de dienst Kwaliteitszorg vooral gericht op het onderwijsgebeuren”, verduidelijkt Ignace Van Dingenen. “Daar komt nu een aparte instellingsaudit bovenop. Inhoudelijk zullen in grote lijnen dezelfde onderwerpen aan bod komen, maar de visitatie zal anders gebeuren. Met de studiedag willen we de opleidingen en de instelling daarop voorbereiden. We gaan een beeld geven van het nieuwe visitatieprotocol, van de visie erachter en toelichten hoe we dit bij de EhB zullen aanpakken. In een eerste fase zal dit informatief zijn; in een latere fase gaan we diepgaande workshops op alle niveaus organiseren. Kunt u eerst nog even het verschil tussen beide niveau's duiden? Ignace Van Dingenen: Het instellingsniveau gaat over alle beleidsdomeinen die opleidingsoverstijgend zijn, zoals onder meer de visie en de missie van de instelling, het strategisch kader, het management, de hogeschoolbrede voorzieningen voor studenten en personeel en het IT-gebeuren. Zelfs de hogeschoolbrede integrale kwaliteitszorg valt binnen dit pakket. Op opleidingsniveau wordt vooral gefocust op onderwijs en onderzoek. Het zijn de

onderwerpen die echt opleidingsgebonden zijn: de doelstellingen, het programma en het toetsingsbeleid. Waarom wordt bij het accreditatiesysteem vandaag die opsplitsing tussen opleiding en instelling doorgevoerd? Ignace Van Dingenen: “De scheiding is ontstaan doordat men tijdens de opleidingsvisitaties van de voorbije jaren tot de vaststelling kwam dat steeds weer dezelfde instellingsgebonden of opleidingsoverstijgende aspecten in elke opleidingsvisitatie aan bod kwamen. Die hadden vaak te maken met de voorzieningen en het management. In onze campussen van Jette of Dansaert zijn er tal van voorzieningen die gemeenschappelijk zijn voor alle opleidingen die er gevestigd zijn. Vroeger werden die telkens opnieuw gevisiteerd en dat betekende dubbel werk. Vandaag wil men het systeem verlichten door alles wat met de instelling verband houdt het onderwerp te maken van een aparte audit. Op die manier moeten die aspecten maar eenmaal beoordeeld worden voor alle opleidingen die onder die instelling vallen. Tegelijkertijd heeft men bijkomende criteria ingeschreven op het vlak van management. Is er een visie of missie, en hoe worden die opgesteld? Hoe wordt het personeel daarbij betrokken? Hoe vindt dit een weg naar de

EhB!
kwaliteitszorg
opleidingen? De instelling zal veel duidelijker moeten aangeven wat ze doet aan kwaliteitszorg. Als het plaatje klopt zouden de opleidingen en het centraal management van een instelling sterk op elkaar moeten afgestemd zijn. Ignace Van Dingenen: “Dat is juist. Er wordt van uitgegaan dat op het instellingsniveau het brede kader wordt gecreëerd. In het verleden merkte men soms dat op het opleidingsniveau een aantal dingen niet even goed liepen. De reden hiervoor was dat op instellingsniveau of op het niveau van de centrale diensten geen efficiënt beleid werd gevoerd. Nu gaat men de linken bekijken tussen opleidingen en centrale diensten en vaststellen waar er eventuele tekorten zijn. Juist daarom zijn we op de EhB de relatie tussen wat er zich afspeelt op instellingsniveau en opleidingsniveau gaan herbekijken. Vroeger was de aandacht voor strategische planning vooral gecentraliseerd op het niveau van de instelling. In 2008 zijn we gestart met het hogeschoolbreed implementeren van een participatief strategisch beleidsplanningsproces. We hebben daartoe de dienst ‘Strategische planning, Integrale kwaliteitszorg en Datamanagement’ opgericht. Die drie elementen vormen de basis voor een goed strategisch beleid en een integraal kwaliteitszorgbeleid. Hoe gebeurt die implementatie van strategische planning op alle niveaus in de EhB in de praktijk? Ignace Van Dingenen: We zijn gestart met het aansporen van de departementen, de opleidingen en de centrale diensten om een jaaractieplan op te stellen, vertrekkend van de hogeschoolbrede strategische doelstellingen van de EhB. In 2011 focussen we op drie elementen. We gaan vooreerst Sharepoint implementeren. Dit informatie- en documentmanagementsysteem moet ervoor zorgen dat er transparantie is tussen de centrale diensten, de departementen en de opleidingen. In een tweede luik gaan we de strategische plannen van de departementen en centrale diensten op elkaar afstemmen. De centrale diensten zullen hun jaaractieplan ook moeten afstemmen op de aandachtspunten, noden en behoeften van de departementen. Ten slotte gaan we werken aan het uitschrijven van zogenaamde sleutelprocessen of bedrijfsprocessen, hogeschoolbreed. Het wordt een soort kwaliteitshandboek waarin alle processen worden beschreven die belangrijk zijn om een schoolorganisatie goed te laten verlopen. Voelt u dat het invoeren van de strategische beleidsplanning zijn vruchten afwerpt? Ignace Van Dingenen: In het begin was er weerstand. Begrijpelijk: weer bijkomend werk! Nu stellen we echter vast dat de meeste departementen strategische beleidsplanning meer en meer gaan gebruiken als een instrument om effectief te gaan bekijken waar ze mee bezig zijn en waarom ze het doen. Al even belangrijk is dat het proces gehanteerd wordt om hun eigen planning op te volgen en te kaderen in de strategische doelstellingen van de EhB. Waar men vroeger heel vaak met van alles en nog wat bezig was - met de beste bedoelingen - is het beleid vandaag veel meer gekaderd en wordt het ook jaarlijks bijgestuurd. De kwaliteitscultuur van het Plannen, Doen, Controleren en Evalueren – de PDCA cyclus - heeft zijn ingang gevonden. Vanuit het bestuur wordt dit proces gecoacht, opgevolgd en worden accenten gelegd. Dit jaar focussen we op het opstellen van indicatoren, streefcijfers en het uitschrijven van de sleutelprocessen. Hoe kan je immers iets evalueren als je vooraf niet hebt vastgelegd waar je naartoe wil? Ik mag stellen dat aan de EhB vandaag de overtuiging leeft dat kwaliteitszorg de basis is van het hele onderwijs- en onderzoeksgebeuren. Zou het kunnen dat een instelling goed beoordeeld wordt op het vlak van centraal management maar negatief op onderwijsvlak? Ignace Van Dingenen: Ja dat zou kunnen. Je kunt als instelling immers veel grootse plannen hebben maar ze daarom nog niet uitgevoerd hebben. Terwijl het werk bij de opleidingen wel dagelijks moet gebeuren. Hier kan een spanningsveld -een decalageontstaan tussen opleiding en centraal niveau. Ook andersom kan het zijn dat een opleiding goed functioneert maar de instelling op een aantal vlakken een minder goed beleid uitwerkt. Het is juist de taak van de integrale kwaliteitszorg en strategisch planning om de beide niveaus op elkaar af te stemmen. Centraal hebben we een missie geformuleerd: een cluster van 11 strategische doelstellingen die aan elke opleiding de mogelijkheden geeft eigen accenten te leggen. Het Rits en het Conservatorium leggen duidelijk andere accenten dan de Industriële Wetenschappen of Communicatiemanagement, weliswaar binnen dezelfde strategische doelstellingen.

Accreditaties worden uitgereikt door de NederlandsVlaamse Accreditatie Organisatie ( NVAO) en zijn een garantie dat de hogeschool kwalitatieve opleidingen aanbiedt. De hogeschool of universiteit ontvangt pas een accreditatie als het NVAO - na een uitgebreid onderzoek - besluit dat de opleiding over de hele lijn voldoet aan alle gestelde eisen. De accreditatie is ook een voorwaarde voor de financiering van een bachelor- of masteropleiding door de overheid en voor het recht om erkende diploma's af te leveren. De volgende opleidingen hebben ondertussen hun accreditatie ontvangen: Bachelor in de Biomedische laboratoriumtechnologie, Bachelor in de Journalistiek, Bachelor in de Milieuzorg, Bachelor in de Verpleegkunde, Bachelor in de Voedings - en dieetkunde, Bachelor in de Vroedkunde, Bachelor in het Communicatiemanagement, Bachelor in het Drama, Bachelor in het Office management, Bachelor in het Onderwijs: kleuteronderwijs, Bachelor in het Onderwijs: lager onderwijs, Bachelor in het Onderwijs: secundair onderwijs, Bachelor in het Toerisme- en het recreatiemanagement, Bachelor in Musical, Master in het Drama, Master in het Toerisme Betekent dit dat de overige opleidingen van de Erasmushogeschool Brussel geen succesvolle accreditatie ontvingen? Helemaal niet, integendeel zelfs. Het zal nog tot 2013 duren voor het NVAO alle studiedomeinen en hun opleidingen heeft gevisiteerd. En daarna starten ze dus met het nieuwe systeem van de instellingsaudit.

EhB!
Rits

Radiostudent en toch al volwaardig StuBru-presentator

Joris Lenaerts: “Jonge radiomakers kunnen tegenwoordig alles.’
Joris Lenaerts (21) studeert momenteel nog Radio aan het Rits maar heeft ondertussen al een volwaardig radioprogramma op Studio Brussel kunnen versieren. “Studenten Radio die aan het Rits afstuderen, kennen alle aspecten van radio maken”, zegt Joris. “We kunnen presenteren, regisseren, schuiven en noem maar op. Bij de radiozenders zien ze ons daarom graag komen.”

Je kan Joris Lenaerts op zondagmiddag van 13 tot 16 uur beluisteren op StuBru. De jongeman uit het Kempense Arendonk presenteert dan het muziekprogramma Super Sunday. Joris zit momenteel in zijn laatste masterjaar. “Maar omdat het programma op zondag is, moet ik er niet voor brossen”, zegt Joris. “In het masterjaar zijn de lesuren ook beperkt. De hogeschool is er niet altijd zo tevreden mee dat je als student al presenteert op een grote zender. Ik kan daar wel in komen. Ze vinden dat je jezelf al in een hoekje zet en je je onbevangenheid verliest. Een opleiding moet je juist stimuleren om nieuwe dingen uit te proberen. Maar omdat ik in mijn laatste jaar zit, hadden ze geen bezwaren. Integendeel, ze waren blij dat ik die kans kreeg. Het geeft ook uitstraling aan de opleiding.” Hoe komt een jonge man erbij om ‘radio’ te gaan studeren? Is het medium niet verouderd? Joris: Integendeel: radio is nog superpopulair bij jongeren. Even werd voorspeld dat de podcast (audio op het internet, nvdr.) het einde zou betekenen van de klassieke radiozender. Maar kranten zijn ook blijven bestaan en hebben het internet overleefd. Radio blijft ook bestaan, daar ben ik wel zeker van. Ik ben rechtstreeks van het middelbaar naar het Rits gegaan en was daarmee een uitzondering. Zoals veel 18-jarigen wist ik niet wat te gaan doen na mijn studies. Ik hield wel van muziek maar had te weinig talent om muziek te gaan spelen. Op een dag gin-

gen we met de school naar de VRT. Toen heb ik voor het eerst een echte radiostudio gezien. Ik herinner me nog dat ik toen aan mijn moeder gezegd heb: dat zou ik later willen gaan doen. Je werkt nu al voor Studio Brussel terwijl je nog student bent en nog nergens radio-ervaring hebt opgedaan. Joris: Toch wel: op het Rits hebben we onze eigen radiozender, XL AIR, een internetradio voor Brusselse studenten. Voor de werking krijgen we financiële steun van de Erasmushogeschool. We doen er alles: de techniek, de presentatie, de regie, de productie en zo meer. Het is voor ons een fantastische leerschool en ideaal om nieuwe formats te ontdekken. De voorloper van XL Air was fmbrussel, een zender die ondertussen de Brusselse stadsradio is geworden, maar die in het begin ook een afstudeerproject was van een aantal studenten aan het Rits. Uit fmbrussel zijn toch tal van radiomensen gekomen die nadien vlot hun weg naar de nationale zenders hebben gevonden. En hoe ben jij dan ontdekt door Studio Brussel? Joris: Vorige zomer had ik me ook ingeschreven voor Studio Dada, een soort Idoolwedstrijd voor de radio. Elk jaar geeft Studio Brussel daarmee aan jonge gasten de kans om gedurende twee uren een programma te presenteren. Iedereen mag er zich voor inschrijven. Er waren maar liefst zevenhonderd inschrijvingen. Van dat aantal schrok ik enorm. Er waren maar tien gelukkigen die

22 | EhB!magazine 06

EhB!
Rits

echt mochten presenteren. Ik was erbij. Achteraf zeiden ze dat ze tevreden waren over mijn presentatie. In september kreeg ik dan plots telefoon van Studio Brussel: “Kom als de bliksem naar hier. Er is iemand weggevallen en we hebben onmiddellijk een presentator nodig.” Wat houdt de opleiding Radio eigenlijk in? Joris: Onze opleiding is een zogenaamde polyvalente opleiding. Je leert alles over alle aspecten van radio maken. Vroeger was dat niet het geval. Toen werd nog een rigoureuze opsplitsing gemaakt in opleidingen tot presentator, technicus of regisseur. Maar vandaag wordt in een radiostudio bijna alles door één persoon gedaan. Je moet zowel kunnen presenteren als schuiven met de knoppen. Dat is natuurlijk ook interessant voor de zender. Op die manier kunnen ze serieus besparen op medewerkers. Bij Radio 1 heb je nog wel echte radiotechnici maar dat zijn erfenissen uit het verleden. Bij Studio Brussel schuift tegenwoordig al iedereen. De opleiding zelf bestaat uit drie delen. Er is het puur radio maken dat sterk focust op de technische aspecten. Daarnaast is er het luik Documentaire waarbij we tijdens workshops op het Rits soms documentaires van een halfuur maken. Vandaag hoor je dergelijke radiodocu’s spijtig genoeg nog maar zelden. Tot slot is er nog Audio, dat zaken behandelt als soundscapes en dergelijke. Het Rits is nu eenmaal een kunstschool en geluidskunst hoort daarbij. Soms wordt er wel gediscuteerd over het nut van deze artistieke invalshoek. Mijn interesse zit duidelijk bij radio. Heeft een echte radiomaker een streepje voor op bijvoorbeeld journalisten die in een radiostudio terechtkomen? Joris: Je merkt wel dat je met een pure radio-opleiding erg sterk staat omwille van je polyvalentie. Ik heb als stagiair massa’s reportages gemaakt voor het programma De Ochtend op Radio 1. Dat lukte zeer goed. We hebben niet die echte journalistieke invalshoek. Als we een documentaire maken, zijn we meer bezig met vorm. Journalisten zullen misschien beter interviewen; wij proberen er iets moois van te maken. Je merkt dat de mensen van het Rits daar erg sterk in zijn. Over hun programma’s is duidelijk nagedacht: het zijn meer dan interviews met een voice-over. In principe kan ik alles: presenteren, techniek, regie, montage… Dat is een serieus voordeel. Ik ben zeker tevreden over de opleiding. We dachten dat je vooral een goede warme stem en een vlekkeloze uitspraak nodig had alvorens je toegelaten wordt tot een nationale radiostudio. Joris: Dat is zeker een hoofdvereiste. Vooraleer je aan de radioafdeling van het Rits mag beginnen, moet je ook slagen voor een toelatingsproef. Naast een aantal creatieve proeven nemen ze ook een stemproef af. Vinden ze dat je bijvoorbeeld te veel knobbeltjes op je stembanden hebt of een stem die niet meer goed te krijgen is, mag je het wel vergeten. Ik heb nog maar pas gehoord dat het bij mij toen kantje boord was. Er is dan ook jaren hard aan mijn uitspraak gewerkt. Je krijgt op het Rits vier jaar lang serieuze stemtraining. Maar ik was er niet goed in. Het beterde maar met mondjesmaat. Tot het plotsklaps erg snel ging. Op een halfjaar tijd was mijn Kempens accent volledig weg. Ik heb dan ook mijn

stemattest behaald, een bewijs dat je aan de VRT nodig hebt om het nieuws op Radio 1 te mogen presenteren. Is het ook niet vreemd om je eigen stem te horen? Vaak is dat geen leuke ervaring. Joris: Dat klopt. Ik had het daar vooral in het begin ook erg moeilijk mee. Je denkt dat je het altijd beter doet dan een ander, tot je jezelf bezig hoort. Dan zing je een toontje lager. Op het Rits wordt je presentatiewerk ook tijdens luistersessies voortdurend geëvalueerd en krijg je van de docenten en medestudenten rechtstreekse kritiek. Dat is niet altijd tof maar het hardt je wel. Hoe zit het met kansen op de arbeidsmarkt? Joris: Ik heb de indruk dat het niet makkelijk is. Ik heb in elk geval niet neen durven zeggen op die kans van Studio Brussel, ook al beweren ze op school dat ze wel wachten tot je afgestudeerd bent wanneer je goed ben. Je krijgt zeker geen honderden kansen. Zeker niet als je je ambitie wat hoger legt. Wat zijn je ambities eigenlijk? Joris: Ik wil graag bij Studio Brussel blijven. Ik mag nog zeker tot de zomer het programma blijven presenteren. Het hoogste bij Studio Brussel is natuurlijk het ochtendprogramma. Maar ze zijn wel tevreden, heb ik gehoord. Krijg je eigenlijk veel reacties op je uitzendingen? Joris: Ja, erg veel. Ik heb ook al bij Radio 1 gepresenteerd maar daarop kreeg ik nauwelijks of geen reacties. Maar bij Studio Brussel is dat enorm. Het zal er ook wel mee te maken hebben dat de zender meer aansluit bij mijn leefwereld. Mensen van mijn leeftijd luisteren toch eerder naar Studio Brussel dan naar Radio 1. En hoe zijn de reacties? Joris: Louter positief (lacht). Tijdens de uitzendingen reageren zelfs mensen die ik van haar noch pluim ken. Als we een oproep doen om een sms’je te sturen, komen er ongelooflijk veel binnen. Die onmiddellijke respons maakt radio ook zo enorm tof. Bovendien voel je als radiomaker nauwelijks stress. Je zit alleen in de studio en ziet niemand. Er is geen publiek voor je en je weet niet hoeveel mensen er zitten te luisteren. Ik vermoed dat de stressfactor voor tv-mensen een stuk hoger ligt. Als je dan een flater slaat…. Op de radio worden stommiteiten al wat rapper vergeten. En tot slot: hoe valt het studentenleven in Brussel voor een Kempenaar mee? Joris: Vroeger kwam ik hoogstzelden in Brussel. Ik kende de stad absoluut niet. Maar ik heb wel bewust voor Brussel gekozen omdat ik niet echt in een studentenmilieu zoals in Leuven of Gent wilde terechtkomen. Het studentikoze is niet echt aan me besteed. Brussel heeft nog meer het cachet van een echte stad zonder die kunstmatige studentensfeer. Het voordeel is dat Radio een kleine richting is en je sneller onderling vrienden maakt. Ik zou wel in Brussel willen blijven wonen maar het leven is er spijtig genoeg vrij duur voor jonge mensen.

EhB!magazine 06| 23