TIPP VISIE LIMBURG

2000-2004
Tender Investeringsprogramma’s Provincies

Maastricht, december 2000

Inhoudsopgave
Voorwoord 1 SAMENVATTING 1.1 Bedrijventerreinen 1.2 Revitalisering 1.3 Duurzaamheid 1.4 Organisatie bedrijventerreinenbeleid BEDRIJVENTERREINENBELEID 2.1 Bedrijventerreinenvisie 1996 2.2 Resultaten marktverkenningen en vertaling naar beleid 2.3 Vertaling naar locatiebeleid 2.4 Bedrijfslocatie monitor 2.5 Aanverwant ruimtelijk beleid: toeristisch beleid KWALITATIEVE AANBODSITUATIE 3.1 Revitalisering bedrijventerreinen 3.2 Bereikbaarheid bedrijventerreinen 3.3 Extensief ruimtegebruik 3.4 Bedrijfsverzamelgebouwen DUURZAAMHEID 4.1 Duurzaamheid: beleid en beheer 4.1.1 Beheer 4.2 Industriële ecologie 4.3 Collectief ruimtegebruik (zie ook § 3.3 en 3.4) 4.4 Multimodaliteit (zie ook § 3.2) 4.5 Personen vervoer INVESTERINGSKLIMAAT 5.1 Ligging en bereikbaarheid 5.2 Productiestructuur 5.2.1 Landbouw 5.2.2 Nijverheid (industrie en bouw) 5.2.3 Commerciële diensten 5.2.4 Niet-commerciële diensten 5.3 Bestuurlijke samenwerking 5.4 Ondernemerschap 5.5 Arbeidsmarktsituatie 5.6 Technologische ontwikkeling 5.7 Woonmilieu ORGANISATIE BEDRIJVENTERREINENBELEID 6.1 Plannen, uitvoeren en monitoren van het ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen 6.1.1 Planning 6.1.2 Uitvoering 6.1.3 Monitoren 6.1.4 Rapporteren 6.1.5 Bijstellen activiteiten en beleid 6.2 Plannen, uitvoeren en monitoren van revitalisering 6.3 Regionale samenwerking 6.4 Selectiviteit in uitgifte 6.5 Grondverwerving 6.6 Subsidies / Financiering 5 5 7 7 7 9 9 9 12 14 15 17 17 18 20 21 23 23 25 25 25 25 26 27 27 27 29 29 30 30 31 31 32 33 34 37 37 37 37 38 38 39 39 40 41 41 41

2

3

4

5

6

Provincie Limburg

BIJLAGE 1: Projecten TIPP in het kader van bedrijventerreinenbeleid BIJLAGE 2: Uitvoeringsprogramma Provincie 2000/2004

inhoudsopgave

Voorwoord

In 1999 heeft het Ministerie van EZ de ‘Nota Ruimtelijk Economisch Beleid’ uitgebracht. In deze nota is onder andere het beleid ten aanzien van bedrijventerreinen opgenomen. Er wordt geconstateerd dat de discrepantie tussen vraag en aanbod van bedrijventerreinen en de dreigende schaarste nog steeds een fors probleem vormen bij het behouden en aantrekken van bedrijvigheid. Bovendien worden kansen gemist om economische ontwikkeling te combineren met een verbetering van het milieu. Het ministerie van Economische Zaken heeft daarom een aantal instrumenten ontwikkeld om ervoor te zorgen dat het aanbod van bedrijventerreinen toeneemt en beter aansluit op de kwalitatieve vraag van het bedrijfsleven. Dit beleid en de instrumenten zijn vervolgens vastgelegd c.q. uitgewerkt in de convenant EZ-IPO-VNG-V&W ”Samenwerking in de Regio”. Een van deze instrumenten is de ‘Tender Investeringsprogramma’s Provincies’ (TIPP). TIPP is een subsidieregeling en bouwt voort op de StiREA, de tenderregeling van de afgelopen jaren van het ministerie van Economische Zaken. TIPP heeft een looptijd van 2000-2003 met een totaal budget van ƒ 300 mln.. Met de TIPP regeling beoogt het ministerie van Economische Zaken ”een stimulans te geven aan (in potentie) haalbare projecten gericht op het tijdig voorzien in bedrijfsterreinen en/of bedrijfsruimte waarnaar in de regio vraag is.” De uitvoering van de regeling is in handen gelegd van de provincies. De provincies kunnen bij het ministerie van Economische Zaken programma’s indienen met projecten. Jaarlijks honoreert het ministerie de vijf beste programma’s met een subsidie (ƒ 10 – 15 mln.). Vervolgens moet de provincie de bijdrage verdelen over de projecten. Om in aanmerking te komen als provincie voor subsidie uit de TIPP regeling dient een visie geschreven te worden met een beschrijving van de huidige en toekomstig gewenste situatie voor het regionaal economisch investeringsklimaat, de daaruit voortvloeiende kansen en knelpunten en de gekozen oplossingsrichtingen om de gewenste situatie te bereiken. Het gaat daarbij primair om de ruimtelijke-economische knelpunten ten aanzien van bedrijventerreinen maar ook om een beschrijving van het investeringsklimaat. De in te dienen programma’s dienen rechtstreeks aan te sluiten bij de provinciale visie. De provincie zal jaarlijks in overleg met gemeenten het programma vaststellen. De voorliggende visie wordt in het kader van de uitvoering van de TIPP regeling geschreven en geeft een beeld van het bedrijventerreinenbeleid zoals dat door de provincie Limburg wordt gevoerd. Deze visie is dan ook een directe afgeleide van het beleid zoals dat in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) is vastgelegd. Wel is aan de doorwerking van beleid verder inhoud gegeven. Het POL wordt door Provinciale Staten vastgesteld medio 2001. Deze visie heeft formeel enkel werking in het kader van de uitvoering van de TIPP regeling. Evenzeer als in de voorbereiding van het POL, hecht de Provincie grote waarde aan samenwerking met de regionale partners; gemeenten en intermediaire organisaties. Het ruimtelijk-economisch beleid voor bedrijventerreinen is in het kader van het POL in nauwe samenwerking met de regionale partners tot stand gekomen. De Provincie ziet deze visie tevens als een mogelijkheid om te communiceren met de regionale partners over de wijze van samenwerking voor de uitvoering van het beleid.
Voorwoord
voorwoord

Provincie Limburg

SAMENVATTING

1

relaties met andere bedrijven, de aanwezigheid van voorzieningen (kennisinstellingen, infrastructuur e.d.) en de beschikbaarheid van het personeel. In Limburg is sprake van een gedifferentieerd patroon van marktgebieden waarbinnen de bedrijventerreinen hun ”klanten” hebben. Door het werken met marktgebieden wordt een koppeling gelegd tussen geografische deelgebieden en de gehanteerde segmentering. De volgende marktgebieden worden onderscheiden. 1. Bedrijventerreinen in de stedelijke gebieden: stedelijke terreinen. 2a. Bedrijventerreinen met een marktgebied op de schaal van de COROP-regio: logistieke/industriële terreinen. 2b. Bedrijventerreinen met een marktgebied op de schaal van de COROP-regio: specifieke vraagsegmenten. 3. Bedrijventerreinen voor de opvang van (kleinschalige) verplaatsers in de plattelandsregio’s: regionaal verzorgende terreinen en lokale terreinen. 4. Locale terreinen met vaarwatergebonden bedrijvigheid, Regionale Overslag Centra (ROC’s) en solitaire bedrijven: Overige terreinen. De marktgebieden zijn in beeld gebracht in de toegevoegde kaart ”Marktgebieden bedrijvigheid”. In de marktverkenningen is gewerkt met twee scenario’s om de behoefte aan bedrijventerreinen voor de periode 1997-2015 vast te stellen. • Een basisscenario waarin de behoefte berekend is op basis van autonome ontwikkelingen met een economische groei van 2,75% (ECscenario). • Een taakstellend scenario waarbij rekening is gehouden met beleidsintensiveringen op basis van provinciaal beleid en regiospecifieke omstandigheden die niet zijn opgenomen in het model voor het basisscenario. Op basis van feitelijke ontwikkelingen hebben wij een deel van het taakstellend scenario toegevoegd aan het basisscenario. Het betreft de behoefte aan regiospecifieke terreinen in de automotiveen chemiesector in de Westelijke Mijnstreek en de clustering van activiteiten rondom de veiling ZON. In het vervolg zullen wij dan ook spreken van het basis+-scenario. Voor zowel het basis+-scenario en het taakstellend scenario is de behoefte aan bedrijventerreinen verdeeld over de te onderscheiden marktgebieden met hun specifieke

1

De TIPP visie beoogt een afwegingskader te zijn voor de investeringsprogramma’s in het kader van de subsidieregeling TIPP. Op basis van een beschrijving van de kansen en knelpunten op het gebied van te ontwikkelen bedrijventerreinen, revitalisering van bedrijventerreinen, duurzaamheid en investeringsklimaat in Limburg wordt een kader gecreëerd voor projecten die in aanmerking kunnen komen voor de investeringsprogramma’s. De essentie van dit kader is vastgelegd in bijlage 1 welke als kapstok fungeert voor de samenstelling van de investeringsprogramma’s. In deze samenvatting wordt een korte beschrijving gegeven van het beleid waarop bijlage 1 is gebaseerd.

1.1

Bedrijventerreinen

Marktverkenningen hebben de basis gevormd voor het bedrijventerreinenbeleid van de provincie Limburg zoals dat nu wordt vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL). Het POL is het beleidsplan van de Provincie waarin het fysieke omgevingsbeleid voor Limburg voor de periode tot 2008 wordt vastgelegd. Het POL zal in de loop van 2001 door Provinciale Staten vastgesteld worden. De marktverkenningen zijn vertaald in segmenten en vervolgens in marktgebieden. De segmenten betreffen; bedrijvenparken, modern gemengde terreinen, gemengd-plus terreinen, transport- & distributieterreinen. Door te segmenteren krijgt het bedrijventerrein een bepaald profiel en is bestemd voor bepaalde doelgroepen. Daarnaast is de herkomst van bedrijven van belang bij de planning van het aanbod aan bedrijventerreinen. In zijn algemeenheid geldt dat 90% van het bedrijventerreinenareaal uitgegeven wordt aan bedrijven uit de regio vanwege verplaatsing of uitbreiding van de huidige vestiging. De bedrijven die verplaatsen en uitbreiden zijn gebonden aan geografische (deel)gebieden vanwege afzetmarkt,

hoofdstuk 1 • pagina 5

Samenvatting

segmenten. Vervolgens is voor beide scenario’s per marktgebied de behoefte gesaldeerd met de het aanbod (per 1-1-1997). Door de saldering ontstaan er voor de beide scenario’s tekorten. Deze tekorten noemen wij de planningsopgave. Uitgangspunt voor de planningsopgave is het basis+-scenario. Het surplus van het taakstellend scenario wordt aangehouden als strategische reserve. Mocht blijken dat de feitelijke uitgifte hoger is dan het basis+-scenario dan kan de strategische reserve ingezet worden. De planningsopgave is in beeld gebracht in de toegevoegde kaart ”Bedrijventerreinen, kantoren en retail”. Vanuit de planningsopgave kunnen de volgende conclusies worden getrokken voor NoordLimburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg. Daarbij worden hier enkel de knelpunten weergegeven. Noord-Limburg Stedelijk gebied Venlo; Korte termijn knelpunt omdat de harde plannen niet tijdig op de markt komen. Stedelijk gebied Venray; Voor de periode tot 2010 heeft Venray nog een planningsopgave van 3570 ha voor respectievelijk stedelijke terreinen aan transport en distributie. In overleg met de Provincie zal een locatiekeuze gemaakt worden. Naar verwachting zal deze locatie in 2004 gereed zijn. Midden-Limburg Stedelijk gebied Weert; Voor de korte termijn kan een probleem ontstaan omdat Weert geen harde plannen heeft. Weert heeft nog een planningsopgave van 50 tot 70 ha netto voor de behoefte aan stedelijke terreinen en transport en distributie. De Provincie opteert voor een locatie binnen de grenzen van het stedelijk gebied. Naar verwachting kan deze locatie in 2002 gereed zijn. Indien deze locatie dus snel ontwikkeld wordt, kan een korte termijn probleem voorkomen worden. Stedelijk gebied Roermond; Spoedige realisatie Keulsebaan-Zuid noodzakelijk. Roermond heeft nog een planningsopgave van 15-20 ha netto voor de behoefte aan stedelijke terreinen. Voor deze opgave is voldoende ruimte binnen het stedelijk gebied Roermond. Naar verwachting zullen de locaties in 2004 op de markt komen.

Logistieke en industriële terreinen; In Midden-Limburg is naast Weert geen ruimte beschikbaar voor het segment gemengd plus. Spoedige realisatie Zevenellen (gem. Haelen) is noodzakelijk. Na realisatie van Zevenellen is er voor gemengd plus geen planningsopgave in Midden-Limburg. Voor transport en distributie meer in MiddenLimburg zal voor de middel- en lange termijn de locatie St.Joost (gem. Echt) met een omvang van 55-75 ha netto worden ontwikkeld. Naast de planningsopgave voor Midden-Limburg zal deze locatie ook een functie gaan vervullen voor de overloop van het Logistiek knooppunt Born. Zuid-Limburg In Zuid-Limburg is de toekomstige bedrijventerreinensituatie problematischer vanwege beperkte ruimtelijke mogelijkheden. Dit vereist een zorgvuldige afweging. De localisering van een deel van de planningsopgave en strategische reserve wordt nog uitgewerkt in een POL aanvulling Bedrijventerreinen Zuid-Limburg. Stedelijk gebied Westelijke Mijnstreek; Voor de planningsopgave voor stedelijke terreinen 1540 ha netto zijn nog maar beperkte mogelijkheden in deze regio. Oplossingen zullen gezocht moet worden in de sfeer van optimale benutting van restcapaciteiten, invulling van restlocaties en herstructurering. Stedelijk gebied Parkstad; Een mogelijk knelpunt kan ontstaan voor het segment bedrijvenparken als Avantis niet spoedig gerealiseerd wordt. De planningsopgave in Parkstad van 50-80 ha netto voor stedelijke terreinen zal in overleg tussen Provincie en de regiogemeenten uitgewerkt worden in locaties. De verwachting is dat voor deze opgave voldoende locaties beschikbaar zijn. Stedelijk gebied Maastricht; Spoedige realisatie Maastricht/Eijsden noodzakelijk. Maastricht heeft een planningsopgave van 5075 ha netto voor de behoefte aan stedelijke terreinen. De localisering vindt plaats in de POL aanvulling. Logistieke- en industriële terreinen; Voor het segment gemengd plus is nog slechts 15 ha beschikbaar. Spoedige realisatie van Trilandis met 45 ha is noodzakelijk. Voor het segment gemengd plus in Zuid-Limburg is de planningsopgave 10-20 ha en voor transport en distributie 25-45ha. De localisering vindt plaats in de POL aanvulling.

Provincie Limburg

hoofdstuk 1 • pagina 6

Functiespecifieke terreinen De locatie luchthaven Maastricht-Aachen Airport en omgeving zal in ieder geval de opgave van 42 ha netto voor platformgebonden en luchthavengerelateerde bedrijven moeten huisvesten. Deze planningsopgave wordt ook uitgewerkt in de POL aanvulling. Eén van de criteria waarop de TIPP aanvraag getoetst wordt is de vergelijking van de provinciale prognoses c.q. tekorten met de landelijk gehanteerde cijfers van de Bedrijfslocatiemonitor (BLM) van het CPB; en wel het GC-scenario (Global Competition dat uitgaat van 3,25% economische groei) voor de periode tot 2010. In de weging van de provinciale cijfers binnen de TIPP regeling moet echter wel verdisconteerd worden dat de planningsopgave c.q. tekorten sec als criterium de regionale bedrijventerreinen problematiek onvoldoende tot uiting brengen. Immers in het tekort komt niet tot uitdrukking dat een groot aantal plannen in de vorm van harde plannen nog gerealiseerd moet worden. Terwijl deze plannen wel in het aanbod zijn meegenomen. Dit betekent dat de BLM cijfers (tekort in 2010, 160 ha) gecorrigeerd dienen te worden met 790 ha, waardoor het tekort voor Limburg op 950 ha komt. Met betrekking tot toerisme worden landschapspark Gravenrode/Strijthagen en (mogelijk) ‘kwaliteitsslag toerisme’ als knelpunten aangemerkt.

nieuwe bedrijventerreinen duurzaamheid als uitgangspunt te worden gehanteerd. De Provincie zal in eerste instantie inzetten op spoor 1: oudere terreinen die gelegen zijn binnen stedelijke gebieden, aangezien in de stedelijke gebieden de schaarste het grootst is. Onder de stedelijke gebieden in deze worden verstaan Venlo, Roermond, Westelijke Mijnstreek, Heerlen en Maastricht. Met betrekking tot bedrijfsverzamelgebouwen wordt in de komende jaren niet zozeer ingezet op bedrijfsverzamelgebouwen voor een brede economische doelgroep (behoudens locale ”verversing” van de huidige portefeuille en invulling van een enkele witte vlek) maar meer om bedrijfsverzamelgebouwen voor specifieke groeisectoren als ICT, life sciences en logistieke services. Met name ten behoeve van de startende bedrijven in deze sector is een gerichte ontwikkeling gewenst.

1

1.3

Duurzaamheid

1.2

Revitalisering

De provincie Limburg heeft de revitaliseringbehoefte van bedrijventerreinen in de laatste jaren opnieuw in kaart gebracht. Op basis van het door de provincie Limburg uitgevoerde onderzoek naar de behoefte van de te revitaliseren bedrijventerreinen, zijn de volgende soorten bedrijventerreinen te onderscheiden: 1. Oudere terreinen die gelegen zijn binnen stedelijke gebieden (spoor 1) 2. Terreinen die eind ‘70- en ‘80-er jaren zijn ontwikkeld aan de rand van de stedelijke gebieden (spoor 2) 3. Terreinen gelegen in het buitengebied van Parkstad Limburg en Venlo (spoor 3) Projecten worden geselecteerd op basis van hun functie binnen het provinciaal bedrijventerreinenbeleid, de omvang van de problematiek en het draagvlak bij de gemeenten en bedrijven. Bij revitalisering dient evenals bij de aanleg van

De Provincie wil dat alle bedrijventerreinen zich duurzaam ontwikkelen en ziet dat als een integrale opgave, gericht op het versterken van de concurrentiekracht, het behoud van een aantrekkelijk vestigingsklimaat in combinatie met milieu- en terreinwinst. De provincie ziet het functioneren van een vorm van bedrijventerreinmanagement als voorwaarde voor de duurzame ontwikkeling van een bedrijventerrein. Zij zet in het kader van het duurzaamheidbeleid primair in op industriële ecologie, collectief ruimtegebruik en multimodaliteit. Zij ontwikkelt een scan waarmee de concrete mogelijkheden per terrein in beeld kunnen worden gebracht en op hun praktijkwaarde onderzocht. Het gaat daarbij ondermeer om energie-uitwisseling, hergebruik van afval, meerlaags bouwen, gedeelde parkeeren opslagfaciliteiten, efficiënt woon-werkverkeer en bundeling van goederenstromen. Een nieuwe ontwikkeling is het vastleggen van de maximale milieubelasting op bedrijventerreinniveau. De provincie is voornemens deze aanpak in een experiment toe te passen.

De grootste zorg voor de Provincie is de verschillende doelstellingen ook tot uitvoering te laten komen. Daarbij heeft de Provincie op onderdelen zelf een actieve rol bij de uitvoering dan wel dat

hoofdstuk 1 • pagina 7

Samenvatting

1.4

Organisatie bedrijventerreinenbeleid

de Provincie zich (mede) verantwoordelijk voelt om de ontwikkelingen en uitvoering op provinciaal niveau te volgen. De Provincie wil met gemeenten en uitvoerende organisaties tot afspraken komen over de verdeling van verantwoordelijkheden. De volgende activiteiten worden uitgevoerd: • Inrichting van een monitoringcyclus van bedrijventerreinen om de ontwikkeling van bedrijventerreinen nog actiever te volgen en beleid bij te stellen (planning en control). Onderdeel hiervan is een regulier overleg met gemeenten en samenwerkingsverbanden. • Het stimuleren van regionale samenwerking. • Het stimuleren van het toepassen van de selectiviteitgedachte (wenselijkheidformule).

Provincie Limburg

hoofdstuk 1 • pagina 8

BEDRIJVENTERREINEN BELEID

2

• Een basisscenario waarin de behoefte berekend is op basis van autonome ontwikkelingen met een economische groei van 2,75% (ECscenario). • Een taakstellend scenario waarbij rekening is gehouden met beleidsintensiveringen op basis van provinciaal beleid en regiospecifieke omstandigheden die niet zijn opgenomen in het model voor het basisscenario. Segmentering In kwalitatieve zin is in de marktverkenningen de behoefte gesegmenteerd in de typen bedrijventerreinen. Via segmentatie worden bedrijventerreinen bestemd c.q. ingericht voor bedrijven met soortgelijke activiteiten, voor een specifieke functie of een bepaalde verschijningsvorm. De Provincie onderscheid daarbij de volgende segmenten: • Bedrijvenparken: Specifiek bestemd voor bedrijven met hoogwaardige (productie en/of R&D) activiteiten of bedrijven die een representatieve uitstraling behoeven (hindercategorie t/m 3); • Modern gemengde terreinen: Dit zijn terreinen voor alle soorten bedrijvigheid (hindercategorie t/m 4); • Gemengd-plus terreinen: Terreinen waar de vestiging van alle soorten met name grootschalige bedrijvigheid, inclusief milieuhinderlijke bedrijvigheid, is toegestaan (hindercategorie t/m 5); • Transport- & distributieterreinen: Specifiek bestemd voor transport en distributie en groothandel (hindercategorie t/m 4). Marktgebieden Door te segmenteren krijgt het bedrijventerrein een bepaald profiel en is bestemd voor bepaalde doelgroepen. Daarnaast is de herkomst van bedrijven van belang bij de planning van het aanbod aan bedrijventerreinen. In zijn algemeenheid geldt dat 90% van het bedrijventerreinenareaal uitgegeven wordt aan bedrijven uit de regio, vanwege verplaatsing of uitbreiding van de huidige vestiging. De bedrijven die verplaatsen en uitbreiden zijn gebonden aan geografische (deel)gebieden vanwege afzetmarkt, relaties met andere bedrijven, de aanwezigheid van voorzieningen (kennisinstellingen, infrastructuur e.d.) en de beschikbaarheid van het personeel. In Limburg is sprake van een gedifferentieerd patroon van marktgebieden waarbinnen de bedrijventerreinen hun ”klanten” hebben. Door het werken met marktgebieden wordt een koppeling gelegd tussen geografische deelgebieden en de gehanteerde segmentering.

2

2.1

Bedrijventerreinenvisie 1996

In 1996 is door de Provincie in het kader van de StiREA regeling de bedrijventerreinenvisie Limburg 1996 opgesteld. Op basis van de toenmalige planningsystematiek werd er grosso modo van uitgegaan dat tot 2005 voldoende aanbod aan terreinen in Limburg voorhanden was. In deze visie zijn ook de eerste aanzetten gegeven voor een duurzaam beleid voor bedrijventerreinen en de eerste voornemens gepresenteerd voor een andere organisatie van beleid en uitvoering van het bedrijventerreinenbeleid. De bedrijventerreinenvisie is aanleiding geweest om in 1996 te starten met marktverkenningen voor bedrijventerreinen in Limburg. Doel van deze marktverkenningen was een marktconforme planning van bedrijventerreinen met een ruimtelijk-economisch programma van eisen waaraan de bedrijventerreinen dienen te voldoen. Als tijdhorizon is in de marktverkenningen de periode tot 2015 aangehouden. Voor wat betreft de behoefteberekeningen is aangesloten bij de systematiek van het Rijk.

2.2

Resultaten marktverkenningen en vertaling naar beleid

Behoefteramingen In de marktverkenningen is gewerkt met twee scenario’s om de behoefte aan bedrijventerreinen voor de periode 1997-2015 vast te stellen.

hoofdstuk 2 • pagina 9

Bedrijventerreinenbeleid

De marktverkenningen hebben de basis gevormd voor het bedrijventerreinenbeleid van de provincie Limburg zoals dat nu wordt vastgelegd in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL). Het POL is het beleidsplan van de Provincie waarin het fysieke omgevingsbeleid voor Limburg voor de periode tot 2008 wordt vastgelegd. Het POL zal in de loop van 2001 door Provinciale Staten vastgesteld worden.

De volgende marktgebieden worden onderscheiden: 1. Bedrijventerreinen in de stedelijke gebieden: stedelijke terreinen. De segmenten ‘modern gemengd’ en ‘bedrijvenpark’ hebben een apart marktgebied per stedelijk gebied. Het zijn terreinen voor de opvang van kleinschalige en middelgrote bedrijven met een gemengd karakter (modern gemengd) en terreinen voor hoogwaardige bedrijvigheid in de sfeer van lichte productie, R&D en dienstverlening (bedrijvenparken). De bedrijven die zich op deze terreinen vestigen hebben een binding met het betreffende stedelijke gebied. Ieder stedelijk gebied heeft zijn eigen marktgebied aan bedrijven. Voor dit marktgebied wordt een straal aangehouden van 8 à 10 km. 2a. Bedrijventerreinen met een marktgebied op de schaal van de COROP-regio: logistieke/industriële terreinen Voor de bedrijventerreinen ten behoeve van de segmenten ‘gemengd-plus’ en ‘transport & distributie’ is de nabijheid van de stedelijke gebieden niet primair. Voor transport en distributie is de nabijheid van transportassen (met name de directe ontsluiting op het autosnelwegennet) essentieel. Voor gemengd plus is de beschikbaarheid van milieuruimte een eerste vereiste. Multimodale voorzieningen voor vervoer over water en spoor hoeven niet op het terrein zelf aanwezig te zijn. De terreinen dienen te liggen binnen het verzorgingsgebied van de multimodale knooppunten Born en Venlo. Deze knooppunten hebben een verzorgingsgebied in een straal van 30 km. De bedrijven die zich op deze terreinen vestigen zijn grootschalige industriële en transport- en distributiebedrijven. Voor deze bedrijven wordt een maximale verplaatsingsafstand gehanteerd van 15-20 km. De bedrijventerreinen voor deze categorie bedrijven hebben een marktgebied op de schaal van de COROP-regio. Dus ieder COROP-gebied is een apart marktgebied voor deze bedrijventerreinen.

vigheid in de automotive (Industrial Park Swentibold), chemie (DSM/Graetheide), activiteiten rondom de veiling ZON en de overslagactiviteiten van de logistieke knooppunten Venlo, Born en de luchthaven MAA. De automotive sector in Limburg concentreert zich rondom NedCar. Om te kunnen blijven concurreren is uitbreiding voor NedCar essentieel. Tevens is een omslag nodig van een aanbodgerichte naar een vraaggerichte productie met een hoge omloopsnelheid via de keten toeleveranciers –autoproducent– aflevering product. In verband hiermee is het noodzakelijk dat toeleveranciers zich kunnen vestigen in de onmiddellijke nabijheid van de autofabriek, met een directe aansluiting op de assemblagelijn. Om van de groeikansen te kunnen profiteren zet de Provincie in op de operatie ‘Bottleneck’. Dat gebeurt in combinatie met het uitbouwen van de logistieke functie en het bewaken van de balans met groene projecten. Het beleid ten aanzien van de chemische sector in Limburg richt zich op clustering rondom DSM in Geleen. Om te kunnen meegroeien met de markt moet DSM periodiek nieuwe productiecapaciteit bouwen. De huidige locatie Kerensheide biedt hiervoor vooralsnog voldoende plaats. Voor een investering in nieuwe grondstofvoorzieningen met extra bedrijvigheid zijn, vanwege de grote hoeveelheid benodigde ruimte, echter geen mogelijkheden. Daarvoor is de aanpalende locatie Graetheide bestemd. Zo ontstaat ruimtelijk gezien een sterke bundeling van met elkaar samenhangende activiteiten binnen de chemische sector met een hoge regionale toegevoegde waarde. Door de luchthaven MAA zijn plannen ontwikkeld voor een nieuw toekomstperspectief. Uitgangspunt is uitbreiding van de huidige luchthavenactiviteiten. Dit betekent dat afgeleide bedrijfsmatige activiteiten die fysiek gebonden zijn aan de luchthaven ook zullen toenemen. Hiervoor zal ruimte gereserveerd worden aansluitend aan het huidige terrein. 3. Bedrijventerreinen voor de opvang van kleinschalige verplaatsers in de plattelandsregio’s: lokale terreinen De Provincie is, om markttechnische reden als ook om redenen van duurzaamheid en voorkomen aantasting buitengebied, van mening dat er een terughoudend beleid

Provincie Limburg

2b. Bedrijventerreinen met een marktgebied op de schaal van de COROP-regio: specifieke vraagsegmenten Een deel van dit aanbod is geografisch gebonden aan bestaande economische clusters in de regio. Het betreft de clustering van aanverwante c.q. gelijksoortige bedrij-

hoofdstuk 2 • pagina 10

gevoerd moet worden ten aanzien van bedrijventerreinen in het buitengebied. In de regio’s rondom Gennep, Helden en Echt wordt bij gebleken behoefte ruimte geboden voor de ontwikkeling van regionaal verzorgende bedrijventerreinen. In nieuwe terreinen voor lokale bedrijven wordt dan ook niet meer voorzien. 4. Lokale terreinen met vaarwatergebonden bedrijvigheid, Regionale Overslag Centra (ROC’s) en solitaire bedrijven: Overige terreinen Voor terreinen met aan vaarwater gelegen bedrijvigheid en solitair gelegen bedrijven wordt in beginsel ook niet voorzien in uitbreiding. Op basis van aangetoonde behoefte is maatwerk voor uitbreiding mogelijk. De aangegeven ROC’s kunnen enige ruimte krijgen ten behoeve van alleen overslag en aan vaarwater gebonden activiteiten. Om te voorkomen dat versnippering van bedrijvigheid plaats vindt, vormen ROC’s alleen een vervoersverzamelpunt. De marktgebieden zijn in beeld gebracht in de toegevoegde kaart ”Marktgebieden bedrijvigheid”. Planningsopgave Voor wat betreft de behoefteramingen is in eerste instantie uitgegaan van een basis scenario c.q. taakstellend scenario. Op basis van feitelijke ontwikkelingen hebben wij een deel van het taakstellend scenario toegevoegd aan het basisscenario. Het betreft de behoefte aan regiospecifieke terreinen in de automotive- en chemiesector in de Westelijke Mijnstreek en de clustering van activiteiten rondom de veiling ZON. In het vervolg zullen wij dan ook spreken van het basis+-scenario. Voor zowel het basis+-scenario en het taakstellend scenario is de behoefte aan bedrijventerreinen verdeeld over de te onderscheiden marktgebieden met hun specifieke segmenten. Vervolgens is voor beide scenario’s per marktgebied de behoefte gesaldeerd met het aanbod (per 1-1-1997). Het aanbod bestaat uit de courante restcapaciteit plus harde plannen (binnen vijf jaar uitvoerbaar, gerekend vanaf 1997). Deze harde plannen zijn vastgelegd in vigerende streekplannen voor bedrijventerreinen. Voor een overzicht van deze streekplannen en de bovenregionale bedrijventerreinen die nog in ontwikkeling zijn wordt verwezen naar bijlage 1. Door de saldering ontstaan er voor de beide scenario’s tekorten. Deze tekorten noemen wij

de planningsopgave. Uitgangspunt voor de planningsopgave is het basis+-scenario. Het surplus van het taakstellend scenario wordt aangehouden als strategische reserve. Mocht blijken dat de feitelijke uitgifte hoger is dan het basis+-scenario dan kan de strategische reserve ingezet worden. De planningsopgave is in beeld gebracht in de toegevoegde kaart ”Bedrijventerreinen kantoren en retail” (exclusief locale terreinen). De beide scenario’s hebben een tijdhorizon tot 2015. In de planningsystematiek wordt uitgegaan van een ijzeren voorraad van vijf jaar. Aangezien de ontwikkelingstijd van een bedrijventerrein ca. 7 jaar bedraagt, kan het aanbod zich maar in beperkte mate aanpassen aan veranderingen in de vraag. Om te voorkomen dat voor langere tijd tekorten optreden, wordt per marktgebied uitgegaan van de eerder genoemde ijzeren voorraad van vijfmaal de jaarlijkse uitgifte. Om te voorkomen dat de voorraad tot nul terugloopt is een planningsopgave vastgesteld tot 2010 op basis van de behoefte tot 2015. De planningsopgave (netto) voor de diverse marktgebieden in Limburg ziet er als volgt uit.
Opgave stedelijke terreinen

2

Stedelijke terreinen

Plannings opgave 15 0 35 15 15 45 65

Strategische reserve 25 20 5 25 30 25

Venray Venlo Weert Roermond Regio WM Parkstad Maastricht

Opgave logistieke/industriële terreinen

Logistieke/industriële Terreinen Noord-Limburg Midden-Limburg Zuid-Limburg

Plannings opgave 20 50 35

Strategische reserve 10 10 30

hoofdstuk 2 • pagina 11

Bedrijventerreinenbeleid

Opgave voor specifieke vraagsegmenten

Functiespecifieke terreinen BOVO Horst Veiling ZON LK Venlo IPS Nedcar LK Born DSM Luchthaven MAA

Plannings opgave 0 0 0 0 20 0 40

Strategische reserve

10

revitaliseringsbeleid wordt verwezen naar het volgende hoofdstuk van deze visie. In het POL wordt de omvang van de planningsopgave en de strategische reserve van de diverse type terreinen per regio aangeduid. De verantwoordelijke gemeenten zullen binnen hun regio hiervoor de locatiekeuze maken en planologisch vastleggen. Bij het inzetten van de strategische reserve zullen ook de resultaten van revitalisering en van duurzaam c.q. intensief ruimtegebruik worden betrokken. Van groot belang is de monitoring van de feitelijke ontwikkelingen van vraag en aanbod per marktgebied/segment. Momenteel wordt hiervoor een systeem ontwikkeld (meer hierover in hoofdstuk 6). In het POL wordt de planningsopgave vertaald naar de diverse regio’s van Limburg. Grosso modo kan de planningsopgave in 2004/2005 gerealiseerd zijn. Het POL-beleid is gericht op de middel- en lange termijn. Op korte termijn doen zich echter ook nog knelpunten voor. Achtereenvolgens komen de diverse regio’s/ marktgebieden aan de orde voor wat betreft de korte termijn situatie en de planning voor de middel- en lange termijn. Om een beeld te krijgen van de korte termijn (op basis van cijfers per 1-1-2000) vergelijken wij de volgende punten: 1. De uitgeefbare restcapaciteit; 2. Harde plannen en fasering; 3. Gemiddelde uitgifte van de afgelopen vijf jaar. Op basis van deze drie punten trekken wij een conclusie voor de korte termijn situatie.

Opgave landelijk gebied

Regio

Plannings opgave 20 20 5

Noord-Limburg Midden-Limburg Zuid-Limburg

Vanwege terughoudend beleid in het landelijk gebied wordt voor deze marktgebieden geen strategische reserve aangehouden.

2.3

Vertaling naar locatiebeleid

In het kader van het bedrijventerreinbeleid is een marktgericht aanbod van voldoende omvang aan bedrijventerreinen voor de korte en middellange termijn het vertrekpunt. Dat betekent dat bestaande terreinen beter moeten voldoen aan de specifieke kwaliteitseisen waar de markt om vraagt. Daarom zal ook ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van bestaande locaties, waardoor in de toekomst de druk op de schaarser wordende ruimte en de druk op het milieu voorkomen kan worden. Gelet op de verwachte economische ontwikkeling, blijft er nog een substantiële behoefte bestaan aan bedrijventerreinen. Meer differentiatie in het aanbod van bedrijventerreinen is ook noodzakelijk: segmentatie. Dit houdt in dat gelijksoortige bedrijvigheid via clustering zoveel mogelijk bij elkaar op een terrein of in een gebied wordt geplaatst. De Provincie wil de voorwaarden scheppen voor een duurzame ontwikkeling van de regionale welvaartsbronnen, door het selectief aanbieden van voldoende en flexibel gesegmenteerde productieruimten in de vorm van revitalisering en geconcentreerde aanbodvergroting. Voor het

Noord-Limburg Stedelijk gebied Venlo Korte termijn: In de regio Venlo is nog 40 ha netto restcapaciteit voor de behoefte aan stedelijke terreinen voor Venlo en transport en distributie c.q. gemengd plus voor de regio Noord-Limburg. De gemiddelde uitgifte van de afgelopen vijf jaar is 25 ha. Voor ca. 230 ha zijn plannen in ontwikkeling, waaronder het project Tradeport-Noord (185 ha). Gezien de restcapaciteit is de ontwikkeling van Tradeport-Noord essentieel. Dit terrein kan pas in 2003 op de markt komen. Conclusie korte termijn: knelpunt omdat de harde plannen niet tijdig op de markt komen. Middel- en lange termijn: in POL is geen planningsopgave opgenomen. Harde plannen voorzien in voldoende aanbod.

Provincie Limburg

hoofdstuk 2 • pagina 12

Stedelijk gebied Venray Korte termijn: In de regio Venray is nog 40 ha netto restcapaciteit en 15 ha aan harde plannen voor de behoefte aan stedelijke terreinen voor Venray en transport en distributie c.q. gemengd plus voor de regio Noord-Limburg. De gemiddelde uitgifte van de afgelopen vijf jaar is 8 ha. Conclusie korte termijn: geen knelpunt te verwachten. Middel- en lange termijn: Voor de periode tot 2010 heeft Venray nog een planningsopgave van 35-70 ha voor respectievelijk stedelijke terreinen en transport en distributie. In overleg met de Provincie zal een locatiekeuze gemaakt worden. Naar verwachting zal deze locatie in 2004 gereed zijn. Logistieke- en industriële terreinen Aanbod en locaties planningsopgave zijn gesitueerd binnen stedelijke gebieden. Functiespecifieke terreinen De plannen voor de functiespecifieke terreinen voor het BOVO segment in Horst en de veiling ZON zijn in uitvoering.

gekomen door de verkoop van strategische gronden van het bedrijf Solvay aan de gemeente. In de planning zit nog de ontwikkeling van Keulsebaan-Zuid (hard plan) met een omvang van 35 ha netto. Na verwachting zal dit terrein in 2001 op de markt komen. Vanwege een grote inhaalvraag in deze regio is de beschikbaarheid van Keulsebaan-Zuid zeer urgent. Conclusie korte termijn: spoedige realisatie Keulsebaan-Zuid noodzakelijk. Middel- en lange termijn: Roermond heeft nog een planningsopgave van 15-20 ha netto voor de behoefte aan stedelijke terreinen. Voor deze opgave is voldoende ruimte binnen het stedelijk gebied Roermond. Naar verwachting zullen de locaties in 2004 op de markt komen. Logistieke en industriële terreinen Korte termijn: In Midden-Limburg is naast Weert geen ruimte beschikbaar voor het segment gemengd plus. In de regio Roermond is het terrein Zevenellen (gem. Haelen) in ontwikkeling (hard plan) met een omvang van 50 ha ten behoeve van het segment gemengd plus in Midden-Limburg. Naar verwachting zal dit terrein in 2001 op de markt komen. Conclusie korte termijn: spoedige realisatie Zevenellen noodzakelijk. Middel- en lange termijn: Na realisatie van Zevenellen is er voor gemengd plus geen planningsopgave in Midden-Limburg. Voor transport en distributie in Midden-Limburg zal voor de middel- en langetermijn de locatie St.Joost (gem. Echt) met een omvang van 5575 ha netto worden ontwikkeld. Naast de planningsopgave voor Midden-Limburg zal deze locatie ook een functie gaan vervullen voor de overloop van het Logistiek knooppunt Born.

2

Midden-Limburg Stedelijk gebied Weert Korte termijn: In de regio Weert is nog 30 ha restcapaciteit voor de behoefte aan stedelijke terreinen voor Weert en voor het segment gemengd plus. De gemiddelde uitgifte van de afgelopen vijf jaar is 10 ha. Conclusie korte termijn: voor de korte termijn kan een probleem ontstaan omdat Weert geen harde plannen heeft. Middel- en lange termijn: Weert heeft nog een planningsopgave van 50 tot 70 ha netto voor de behoefte aan stedelijke terreinen en transport en distributie. De Provincie opteert voor een locatie binnen de grenzen van het stedelijk gebied. Naar verwachting kan deze locatie in 2002 gereed zijn. Indien deze locatie dus snel ontwikkeld wordt, kan een korte termijn probleem voorkomen worden. Stedelijk gebied Roermond Korte termijn: In de regio Roermond is nog 25 ha restcapaciteit voor de behoefte aan stedelijke terreinen voor Roermond. De gemeente Roermond heeft vele jaren over een geringe voorraad beschikt. De huidige restcapaciteit is in 1999 tot stand

Zuid-Limburg In Zuid-Limburg is de toekomstige bedrijventerreinensituatie problematischer vanwege beperkte ruimtelijke mogelijkheden. Dit vereist een zorgvuldige afweging. De localisering van een deel van de planningsopgave en strategische reserve wordt nog uitgewerkt in een POL aanvulling Bedrijventerreinen Zuid-Limburg. Stedelijk gebied Westelijke Mijnstreek Korte termijn In de Westelijke Mijnstreek is nog 110 ha restcapaciteit voor de behoefte aan stedelijke terreinen. Voor 15 ha is nog een hard plan.

hoofdstuk 2 • pagina 13

Bedrijventerreinenbeleid

De gemiddelde uitgifte van de afgelopen vijf jaar is 20 ha. Conclusie korte termijn: geen knelpunt te verwachten. Middel- en lange termijn: Voor de planningsopgave voor stedelijke terreinen 15-40 ha netto zijn nog maar beperkte mogelijkheden in deze regio. Oplossingen zullen gezocht moet worden in de sfeer van optimale benutting van restcapaciteiten, invulling van restlocaties en herstructurering. Stedelijk gebied Parkstad Korte termijn: In Parkstad is nog 135 ha netto restcapaciteit voor de behoefte aan voor stedelijke terreinen en gemengd plus. Voor 50 ha zijn nog harde plannen in ontwikkeling waaronder Avantis (GOB Aken-Heerlen) voor het segment bedrijvenparken. De gemiddelde uitgifte in deze regio is 20 ha. Conclusie korte termijn: een mogelijk knelpunt kan ontstaan voor het segment bedrijvenparken als Avantis niet spoedig gerealiseerd wordt. Middel- en lange termijn: De planningsopgave in Parkstad van 50-80 ha netto voor stedelijke terreinen zal in overleg tussen Provincie en de regiogemeenten uitgewerkt worden in locaties. De verwachting is dat voor deze opgave voldoende locaties beschikbaar zijn. Stedelijk gebied Maastricht Korte termijn: In de regio Maastricht is nog 15 ha restcapaciteit voor de behoefte aan stedelijke terreinen. De gemiddelde uitgifte is 5 ha. Dit zet grote druk op de realisering van het terrein Maastricht/ Eijsden (hard plan). Dit terrein heeft een omvang van 40 ha netto waarvan 10 ha verdwijnt i.v.m. aanwezige dassenburchten. Conclusie korte termijn: spoedige realisatie Maastricht/Eijsden noodzakelijk. Middel- en lange termijn: Maastricht heeft een planningsopgave van 6590 ha netto voor de behoefte aan stedelijke terreinen. De localisering vindt plaats in de POL aanvulling.

Logistieke- en industriële terreinen Korte termijn: Voor het segment gemengd plus is nog slechts 15 ha beschikbaar. Spoedige realisatie van Trilandis met 45 ha is noodzakelijk. Middel-en lange termijn: Voor het segment gemengd plus in Zuid-Limburg is de planningsopgave 10-20 ha en voor transport en distributie 25-45 ha. De localisering vindt plaats in de POL aanvulling. Functiespecifieke terreinen In de Westelijke Mijnstreek zijn het terrein Graetheide, NedCar en Holtum-Noord als harde plannen voor functiespecifieke terreinen in ontwikkeling. Deze terreinen liggen qua planning op schema. De locatie luchthaven MaastrichtAachen Airport en omgeving zal in ieder geval de opgave van 42 ha netto voor platformgebonden en luchthavengerelateerde bedrijven moeten huisvesten. Deze planningsopgave wordt ook uitgewerkt in de POL aanvulling.

2.4

Bedrijfslocatie monitor

Eén van de criteria waarop de TIPP aanvraag getoetst wordt is de vergelijking van de provinciale prognoses c.q. tekorten met de landelijk gehanteerde cijfers van de Bedrijfslocatiemonitor (BLM) van het CPB; en wel het GC-scenario (Global Competition dat uitgaat van 3,25% economische groei) voor de periode tot 2010. Voordat wij de vergelijking maken met het GCscenario merken wij op dat het onderzoeksinstituut OTB concludeert dat het basis+ scenario van de Provincie en het European Coordination (EC) scenario van BLM wat betreft de behoefte raming gelijk zijn. De provinciale prognose is in eerste aanleg via dezelfde systematiek tot stand gekomen als de BLM. Het basisscenario is gebaseerd op het ECscenario (2,75% economische groei). Echter vervolgens is op basis van regiospecifieke omstandigheden en beleidsintensiveringen van de Provincie het taakstellend scenario tot stand

Provincie Limburg

Provincie Basis+ 385 ha Strategische reserve 170 ha Bandbreedte 385-555 ha

BLM GC-scenario 2015 540 ha

hoofdstuk 2 • pagina 14

gekomen. Ondanks dat er sprake is van verschil in systematiek is een vergelijking van de uitkomsten i.c. de berekende tekorten uiteraard te maken. In de toelichting op de TIPP visie wordt een vergelijking gevraagd voor de periode tot 2010. De provinciale prognoses zijn echter voor de periode tot 2015. In de planningsystematiek van de Provincie wordt immers rekening gehouden met een ijzeren voorraad van vijf jaar. Het ligt dan ook voor de hand om de vergelijking te maken op basis van de behoefte tot 2015. In de BLM systematiek worden prognoses gemaakt voor de periode tot 2010 respectievelijk 2020. Wij hebben zelf de mediaan bepaald van deze cijfers voor de prognose tot 2015. Vergelijking van de planningsopgave met het tekort volgens het GC-scenario levert het volgende beeld op: Conclusie: Provinciale prognoses liggen in lijn met de BLM-prognoses. In de weging van de provinciale cijfers binnen de TIPP regeling moet echter wel verdisconteerd worden dat de planningsopgave c.q. tekorten sec als criterium de regionale bedrijventerreinen problematiek onvoldoende tot uiting brengen. Immers in het tekort komt niet tot uitdrukking dat een groot aantal plannen in de vorm van harde plannen nog gerealiseerd moet worden. Terwijl deze plannen wel in het aanbod zijn meegenomen. Voor wat betreft de knelpunten voor de korte termijn verwijzen wij mede naar de vorige paragraaf en bijlage 1. Dit betekent dat de BLM cijfers (tekort in 2010, 160 ha) gecorrigeerd dienen te worden met 790 ha, waardoor het tekort voor Limburg op 950 ha komt.

2. Ontwikkeling van regionale toeristisch-recreatieve visies als basis voor concrete projecten; 3. Een ruimtelijk beleid dat de noodzakelijke dynamiek mogelijk maakt. De Provincie richt zich op de totstandkoming van een organisatiestructuur waarin partnership tussen bedrijfsleven, VVV’s en overheden centraal staat. Op basis van een duidelijke afbakening van taken en verantwoordelijkheden wordt gezamenlijk gewerkt aan de doelen. De Provincie treedt op als mede-initiator van dit proces. De oprichting van het Limburgs Bureau voor Toerisme (LBT) is hiervan een voorbeeld. Het beleid is gebaseerd op toeristische regiovisies, die per toeristische regio (Zuid-Limburg, het Land van Peel en Maas, Maasplassen/WCL en de Noordelijke Maasvallei) worden opgesteld door Provincie en partners. In de visies wordt het ambitieniveau vastgelegd, en het toeristisch product dat de partners gezamenlijk willen ontwikkelen. De Provincie draagt zorg voor de onderlinge afstemming, onder andere via het LBT. Duurzaamheid is hierin van belang. De visies zijn bepalend voor de investeringsprogramma’s van overheden en vormen de basis voor concrete activiteiten van bedrijven en VVV’s. Gemeenten moeten de keuzen ook ruimtelijk vertalen in hun beleid, zowel in stimulerende als in beperkende zin. De sector heeft fysieke ontwikkelingsruimte nodig om zijn wezenlijke economische en maatschappelijke positie waar te kunnen maken. Als gevolg van markttrends en ontwikkelingen, zoals toenemende kwaliteitseisen bij de consument en wettelijke bepalingen, wordt vanuit de toeristischrecreatieve bedrijven een steeds grotere claim op de ruimte gelegd. Voorbeelden zijn de vraag naar grotere standplaatsen bij campings, en het moeten voldoen aan aangescherpte brandveiligheidsvoorschriften. Basis voor het realiseren van de doelen van de regiovisies vormen de kwalitatieve verbetering van de bestaande bedrijven, en nieuwe innovatieve ontwikkelingen die bijdragen aan het realiseren van het beoogde toeristische product en passen binnen de omgeving. Daarnaast is nu al duidelijk, dat het toeristisch product aanvulling behoeft met een (beperkt) aantal (middel)grote dagattracties (100.000 á 300.000 bezoekers, zoals de Internationale Tuinen van Strijthagen). Binnen de regiovisies wordt een keuze gemaakt voor de ontwikkelingen die passen binnen het regionale toeristische product. Ook de landbouw kan een waardevolle bijdrage

2

2.5

Aanverwant ruimtelijk beleid: toeristisch beleid

hoofdstuk 2 • pagina 15

Bedrijventerreinenbeleid

De Provincie wil een duurzame ontwikkeling en versterking van het maatschappelijk en economisch belang van de sector toerisme en recreatie, op een zodanige wijze dat het regionaal toeristische inkomen wordt vergroot en de waarden van het fysieke milieu en de laagdynamische functies behouden c.q. versterkt worden. Het waarmaken van deze doelstellingen is in grote mate afhankelijk van de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande bedrijven. Het provinciaal beleid voor de sector toerisme en recreatie is op drie pijlers gebaseerd: 1. Versterking van de organisatie van de sector (partnership);

leveren, mits kwalitatief aangepast aan de eisen zoals die door de markt gesteld worden, en het een aanvulling vormt op het bestaande toeristische aanbod. Een voorbeeld is een dagrecreatieve voorziening c.q. activiteit op agrarische bedrijven. Bij de doorgroei van bestaande bedrijven, vooral de verblijfsrecreatieve, treedt spanning op met doelstellingen die voor natuur en landschap zijn vastgesteld. Een belangrijk deel van deze bedrijven is van oudsher namelijk in of tegen ecologische structuren gelegen, en ondervindt substantiële beperkingen bij uitbreidingen ten behoeve van het inspelen op de markt en/of weten regelgeving. Dit staat op gespannen voet met het gegeven dat een bedrijf moet renderen om ook blijvend in staat te zijn te investeren in kwaliteit van het bedrijf èn de omgeving. Te denken valt aan nieuwe voorzieningen, nieuwe vormen van dienstverlening, landschappelijke inpassing, architectuur, gebruikte materialen en milieuzorg. Het hiervoor benodigde financieel draagvlak kan schaalvergroting vereisen. Hierbij is evenzeer aan de orde, dat de sector een wederzijdse afhankelijke relatie met de omgevingskwaliteit heeft. Binnen het bestaand beleid wordt gestreefd naar concretisering van de voorwaarden i.c. criteria waaronder uitbreiding van bestaande voorzieningen mogelijk is. Voorts wordt voorgestaan, om keuzen tussen natuur en toerisme op (sub)regionale schaal te maken, waardoor beide winnen. Dit in tegenstelling tot adhoc lokale afwegingen. Verder wordt via het majeure project ‘kwaliteitsverbetering buitengebied’ onderzocht op welke wijze méér ontwikkelingsruimte voor de sector èn voor natuur en landschap gecreëerd kan worden. Niet alleen door afwegingen te maken op regionale schaal, maar ook actief een betere regionale

verdeling tussen beide ruimtevragers tot stand te brengen, onder andere via sanering en verplaatsing. Naast het buitengebied worden nieuwe grootschalige vormen van stedelijke recreatie steeds belangrijker (vermaakcentra). Hiervoor moet samen met de gemeenten een visie worden ontwikkeld. Hier liggen grote raakvlakken met het Grotestedenbeleid. Momenteel spelen twee knelpunten ten aanzien van toerisme. In de regiovisie voor Parkstad Limburg staat het landschapspark Gravenrode/Strijthagen centraal. In dit gebied van en gesitueerd tussen de gemeenten Kerkrade en Landgraaf worden een aantal grootschalige dagrecreatieve voorzieningen ontwikkeld of zijn er voorzien. Het gebied wordt ontwikkeld als herkenbare eenheid. Om dit mogelijk te maken, moet de algemene ontsluiting drastisch verbeterd worden. In POL is als majeur project opgenomen ‘kwaliteitslag toerisme’. Binnen dit project wordt gewerkt aan het oplossen van de spanning tussen economie/toerisme en natuur & landschap. Wezenlijk onderdeel van dit project vormt het op regionale schaal bezien van het probleem en de oplossingsrichtingen. Zo wordt beoogd om campings in de gevoelige beekdalen te verplaatsen of te saneren, ten gunste van het bieden van extra ruimte aan andere bedrijven, dan wel opvang van nieuwe bedrijven op de plateaus. Het betreft dus een collectieve aanpak, waarbij gebruik wordt gemaakt van een saldoregeling op regionaal niveau. Momenteel wordt nog in IPO verband nagegaan of dit project onder de definitie bedrijventerrein valt. Uitvoering in 2003.

Provincie Limburg

hoofdstuk 2 • pagina 16

KWALITATIEVE AANBODSITUATIE

3

respecteren eigendomsverhoudingen beïnvloeden sterk de mate waarin de bestaande ruimte efficiënter kan worden verdeeld. In 1996 is door Heidemij de aard en omvang van de verouderingsproblematiek van bedrijventerreinen op landelijk en regionaal niveau in kaart gebracht. Dit onderzoek is echter enigszins gedateerd. In het Heidemij rapport wordt nog uitgegaan van forse ruimtewinst. Het blijkt uit onderzoek, landelijk als ook in de provincie Limburg, dat de te verwachten directe ruimtewinst bij revitalisering van bedrijventerreinen beperkt zal zijn. De provincie Limburg heeft de revitaliseringsbehoefte van bedrijventerreinen in de laatste jaren opnieuw in kaart gebracht. In de Nota Uitwerking Revitaliseringsbeleid is als definitie voor revitalisering gehanteerd: het geschikt maken van een terrein dat als gevolg van functionele veroudering niet meer aan de moderne en toekomstige vestigingseisen van de bedrijven voldoet. Doelstelling van het revitaliseringsbeleid is om de komende jaren circa 5 revitaliseringsprojecten te realiseren. Speerpunten voor provinciaal beleid zijn: 1. Efficiënt ruimtegebruik 2. Milieuwinst 3. Profilering/segmentering 4. Beheer 5. Verbetering bereikbaarheid Op basis van het door de provincie Limburg uitgevoerde onderzoek naar de behoefte van de te revitaliseren bedrijventerreinen, zijn de volgende soorten bedrijventerreinen te onderscheiden: 1. Oudere terreinen die gelegen zijn binnen stedelijke gebieden (spoor 1) Voorbeelden hiervan zijn Beatrixhaven, Bosscherveld in Maastricht, de Koumen, de Vrank, In de Cramer in Heerlen, Spekholzerheide in Kerkrade, Borrekuil in Geleen, De Veegtes in Venlo. Deze terreinen zijn over het algemeen verouderd, zeer dicht bebouwd en zullen naar verwachting betrekkelijk weinig ruimtewinst opleveren. Vaak dient de infrastructuur verbeterd te worden, dient uitplaatsing van bedrijvigheid plaats te vinden, dient een oplossing gevonden te worden voor uitbreidingswensen van bedrijven en is er sprake van een geluidszone die geen ruimte meer biedt. In het algemeen is slechts incidenteel sprake van bodemproblematiek. Deze terreinen bieden kansen voor creatieve oplossingen van efficiënt ruimtegebruik. De mogelijkheden voor

3

3.1

Revitalisering bedrijventerreinen

De directe en indirecte potenties van revitalisering worden ook onderkend door de provincie Limburg. Binnen het beleid, gericht op het creëren van kwalitatief hoogwaardige bedrijventerreinen wordt dan ook door de Provincie, naast uitbouw van bestaande c.q. ontwikkeling van nieuwe terreinen (zie hoofdstuk 2), ingezet op revitalisering van bestaande terreinen. Door de Provincie is in 1999 de nota Uitwerking Revitaliseringsbeleid vastgesteld. De kwaliteit van bedrijventerreinen is een belangrijke factor in het kader van het streven naar een optimaal vestigingsklimaat. Helaas is functionele veroudering van terreinen niet altijd te voorkomen. Revitalisering is dan noodzakelijk. Na een geslaagde revitalisering en daaraan gekoppeld een nieuwe beheerconstructie dient er een zodanig vestigingsklimaat op een terrein te ontstaan dat bedrijven minder snel verhuizen. Ideaaltypisch zou er nog maar één verhuismotief mogen overblijven voor bedrijven: alleen verplaatsen wanneer de groei van het bedrijf niet meer op de huidige locatie is te ondersteunen. Op deze wijze kan via revitalisering indirect ruimtewinst worden geboekt. Een winst die op termijn onmisbaar lijkt te worden, gezien de verwachting dat de druk op de bedrijventerreinenmarkt zal blijven bestaan. Naast de indirecte ruimtewinst op termijn heeft revitalisering ook directe voordelen. Deze hebben meer betrekking op de kwalitatieve upgrading van een terrein, het delen van gemeenschappelijke voorzieningen door bedrijven en kostenreductie door gezamenlijke inkoop (energie, water, beveiliging, vervoersmanagement, et cetera). Daarnaast is er in beperkte mate misschien nog directe ruimtewinst te boeken door herschikking van individuele locaties op te revitaliseren terreinen. Echter de bestaande infrastructuur en verkaveling in combinatie met te

hoofdstuk 3 • pagina 17

Kwalitatieve aanbodsituatie

duurzaamheidsprojecten op het gebied van afval, water en energie zijn meestal wel aanwezig. 2. Terreinen die eind ‘70- en ‘80-er jaren zijn ontwikkeld aan de rand van de stedelijke gebieden (spoor 2) Voorbeelden van dergelijke terreinen zijn Dentgenbach en De Beitel. In deze tijd was er nog geen sprake van schaarste, de grond was relatief aantrekkelijk geprijsd. Bedrijven die zich vestigden (met name grootschalige industriële bedrijven) wilden beschikken over een strategische grondreserve. Op deze terreinen is ruimtewinst te boeken, indien de huidige eigenaren bereid zouden zijn een deel van hun gronden af te stoten. Op deze locaties is echter geen sprake van revitaliseringsproblematiek. De terreinen voldoen nog steeds aan de eisen van de huidige tijd. Tengevolge van de ruime opzet doen zich weinig problemen voor met betrekking tot de infrastructuur, parkeren, e.d. Gezien het feit dat het relatief jonge terreinen betreft is er meestal ook geen sprake van bodem- of geluidproblematiek. 3. Terreinen gelegen in het buitengebied van Parkstad Limburg en Venlo (spoor 3) Voorbeelden van deze terreinen zijn Haenrade Worm, Bouwberg, Hendrik e.o., Ora et Labora, Keulse Barrière etc. Op en om deze terreinen is zeer veel ruimtewinst (>50 ha) te boeken. Indien echter prioriteit wordt gegeven aan de omliggende natuurfunctie kan deze ruimtewinst sterk beperkt worden. Groot probleem bij deze locaties is, dat ze zeer perifeer gelegen zijn, slecht ontsloten zijn, een groot imagoprobleem hebben en een ernstige bodemproblematiek kennen. Vanuit de markt is gebleken dat onder de huidige omstandigheden deze terreinen niet aantrekkelijk zijn voor bedrijfsvestiging. Absolute voorwaarde voor het revitaliseren van deze locaties is dan ook dat de externe bereikbaarheid middels aanleg van de zgn. Buitenring, dan wel Rijksweg 74, verzekerd is. Tot op heden is dat niet het geval. Uitgaande van de reguliere exploitatietechniek is het nog steeds goedkoper om een geheel nieuw bedrijventerrein te ontwikkelen. Revitalisering is duur en vergt onrendabele investeringen. Naast bijdragen door het bedrijfsleven, zal ook de overheid meebetalen. De maatschappelijke opbrengsten (wegwerken milieuhygiënische problemen, duurzaam ruimtegebruik) rechtvaardigen een dergelijke bijdrage. Gelet op het belang

van revitalisering zal ook de Provincie bereid moeten zijn tot het leveren van een bijdrage in het tekort. In de periode 1999-2003 zal hiervoor in het kader van het Basisakkoord (ca. 5 miljoen euro tot 2003) ingezet worden in geselecteerde majeure projecten. Deze projecten worden geselecteerd op basis van hun functie binnen het provinciaal bedrijventerreinenbeleid, de omvang van de problematiek en het draagvlak bij de gemeenten en bedrijven. Bij revitalisering dient evenals bij de aanleg van nieuwe bedrijventerreinen duurzaamheid als uitgangspunt te worden gehanteerd. De Provincie zal in eerste instantie inzetten op spoor 1: oudere terreinen die gelegen zijn binnen stedelijke gebieden, aangezien in de stedelijke gebieden de schaarste het grootst is. Onder de stedelijke gebieden in deze wordt verstaan Venlo, Roermond, Westelijke Mijnstreek, Heerlen en Maastricht. Het beleid is erop gericht de komende jaren ca. vijf bedrijventerreinen in de stedelijke gebieden te revitaliseren. In overleg met de gemeenten is op dit moment prioriteit gegeven aan de volgende projecten: • Beatrixhaven in Maastricht; • Wijngaardsweg in Heerlen; • Spekholzerheide in Kerkrade; • De Veegtes in Venlo; • Willem-Alexander in Roermond. Afhankelijk van de snelheid waarmee andere revitaliseringsprojecten in de stedelijke gebieden uitvoeringsrijp worden kan deze lijst worden uitgebreid. In de Westelijke Mijnstreek zijn nog geen initiatieven om te komen tot een revitaliseringsproject. Gezien de tekorten voor de middellange en de lange termijn in deze regio en de beperkte ruimtelijke mogelijkheden in deze regio vindt de Provincie het belangrijk om samen met de gemeenten een revitaliseringstraject in de regio op te zetten.

3.2

Bereikbaarheid bedrijventerreinen

Provincie Limburg

Belangrijke vestigingsplaatsfactoren voor ondernemers zijn de bereikbaarheid en ontsluiting van bedrijventerreinen. Naast een goede ontsluiting via het wegennet (bijvoorbeeld ligging aan autosnelweg) is voor bepaalde bedrijven ook ontsluiting via vaarwater en/of spoor van belang. Op basis van de inventarisatie uitgevoerd in het kader van de revitaliseringsnota van de Provincie kunnen een aantal conclusies worden getrokken.

hoofdstuk 3 • pagina 18

Over het algemeen is de aansluiting met rijkswegen en regionale wegen goed. Wel zijn er een aantal capaciteitsproblemen waardoor filevorming ontstaat. Om op termijn deze capaciteitsproblemen op te lossen dienen de infrastructurele projecten, zoals deze in § 5.1 zijn benoemd, uitgevoerd te worden. Ten aanzien van de bestaande ontsluiting via water zal met name bij de Beatrixhaven (Maastricht) en Willem Alexander (Roermond) aandacht worden gegeven aan het intensiveren van het gebruik van de aanwezige haven. Voor de Beatrixhaven geldt verder dat de verbetering van de spoorontsluiting aangepakt zal worden. Vanuit de visies welke momenteel voor diverse revitaliseringsprojecten worden gemaakt zullen naar alle waarschijnlijkheid nog aanvullende infrastructurele knelpunten naar voren komen. Het feit dat een bedrijventerrein over een of twee ontsluitingsmodaliteiten beschikt, houdt niet automatisch in dat er ook nog kavels beschikbaar zijn met directe aansluiting op spoor en/of water. Het belangrijkste bij bedrijventerreinen aan spoor of water is dat er faciliteiten zijn voor overslag van de ene naar de andere modaliteit, zonder dat die gebonden zijn aan een bedrijf. Daardoor wordt de noodzaak om per bedrijf een directe aansluiting op het spoor en/of het water te hebben minder. In Noord- en Midden-Limburg zijn drie bedrijventerreinen met restcapaciteit gelegen alleen aan vaarwater, namelijk Haven Wanssum te MeerloWanssum, Beringe in Helden en Aan Veertien te Nederweert. Echter, het is voor bedrijven praktisch niet meer mogelijk gebruik te maken van de vaarwegen op deze twee laatste terreinen.

Eén bedrijventerrein is gelegen aan spoor, namelijk Industriepark Roerstreek te Roermond. Twee bedrijventerreinen zijn gelegen aan spoor èn vaarwater, dit zijn Venlo Trade Port in Venlo en De Kempen in Weert. Wel is het terrein Zevenellen (EPZ Buggenum) momenteel in ontwikkeling, waarbij zowel aansluiting op spoor als op water is gepland. In Zuid-Limburg zijn er minder bedrijventerreinen met restcapaciteit met diverse ontsluitingsmogelijkheden. Feitelijk zijn alleen het terrein Julia in Kerkrade en Holtum-Noord, naast de ontsluiting via de weg op een andere wijze ontsloten, respectievelijk via spoor en water. Ook zal in de nabije toekomst door een gedeeltelijke herontwikkeling van de Haven Stein nog extra voorraad aan water beschikbaar kunnen komen in Zuid-Limburg. In het provinciaal beleid is geen planningsopgave benoemd voor bedrijven die een directe aansluiting aan het spoor c.q. water nodig hebben. Uitgangspunt van beleid is dat ruimte gezocht wordt op basis van concrete behoefte. Naast de hierboven genoemde categorie bedrijven wordt door de Provincie wel een actief beleid gevoerd voor de vestiging van multimodale voorzieningen met een verzorgingsfunctie op regionale schaal. Inzake multimodaliteit en beleid wordt verwezen naar § 4.4.

3

Figuur 3.2 Voorraad bedrijventerrein naar ontsluitingswijze, per 1 januari 2000

…zowel gelegen aan vaarwater als spoor 8 8

Noord- en Midden-Limburg Zuid-Limburg Limburg

373 503 876

28 30 58

17 17

Bron: ETIL, Bedrijventerreinen aan bod in Limburg, 2000

hoofdstuk 3 • pagina 19

Kwalitatieve aanbodsituatie

Voorraad aan bedrijventerreinen in ha

Waarvan hectares … …uitsluitend …uitsluitend gelegen aan gelegen aan vaarwater spoor

3.3

Extensief ruimtegebruik

Bij de planning van bedrijventerreinen doet zich ook het NIMBY verschijnsel voor. Maatschappelijk gezien is het draagvlak groter voor de vestiging van “schone” bedrijven dan voor grote ruimte vragende bedrijven in de hogere milieucategorieën. Uiteraard speelt dit item ook in Limburg en manifesteert zich met name in de segmenten transport en distributie en gemengd plus. In de planningsopgave zijn er voor beide segmenten nog tekorten voor ca 40% van de planningsopgave. Inzet van het provinciaal beleid is dat ook voor deze segmenten locaties ingevuld worden. Voor wat betreft de behoefte c.q. planningsopgave verwijzen wij naar het vorige hoofdstuk. Ruimte voor transport en distributie Binnen dit segment gaat het om de volgende bedrijvigheid: • Transportbedrijven, distributieve bedrijven, groothandelsbedrijven en logistieke dienstverleners; • Distributieactiviteiten van productiebedrijven. Het belang van logistiek in de voortbrengingsketen neemt steeds meer toe. Productiebedrijven besteden in toenemende mate hun logistieke activiteiten uit aan logistieke dienstverleners. De logistieke bedrijven zijn ook doende om via logistieke innovatie en nieuwe logistieke concepten extra toegevoegde waarde te genereren. Aangezien Limburg een aanzienlijke industriële productiesector heeft met een behoorlijke toegevoegde waarde dient de regio ook over goede logistieke bedrijven te beschikken. In de gehele logistieke sector zijn ca 3.700 bedrijven actief met 38.000 werkzame personen (8,4% van de werkgelegenheid). In zijn algemeenheid geldt dat deze sectoren ruimte-extensief zijn in relatie tot werkgelegenheid en toegevoegde waarde. Via het uitgiftebeleid bestaan uiteraard mogelijkheden om de bedrijven er toe te brengen hun beschikbare ruimte zo intensief mogelijk te gebruiken (zie ook hoofdstuk 6, selectiviteit). De segmentering en clustering heeft ook als doelstelling om de ruimte intensiever te gebruiken. Door clustering van soortgelijke activiteiten ontstaat er draagvlak voor gezamenlijke voorzieningen c.q. gezamenlijk ruimtegebruik. Ruimte voor de hogere milieucategorieën De discussie over deze ruimtevraag wordt vaak gevoerd op basis van de VNG publicatie

Provincie Limburg

“Bedrijven en milieuzorg”. Voor een deel is het een theoretische discussie; de indeling van de VNG blijkt in de praktijk anders uit te pakken. Bij de afgifte van de milieuvergunning blijkt in veel gevallen dat het betreffende bedrijf feitelijk minder milieuoverlast veroorzaakt dan wordt verondersteld op basis van de VNG indeling. Door technologische innovatie is in de afgelopen jaren veel milieuoverlast teruggedrongen. De verwachting is dat deze tendens zich ook in de toekomst zal doorzetten. Uit gesprekken met gemeentelijke vertegenwoordigers blijkt dat er wel nog behoefte bestaat aan ruimte voor de hogere milieucategorieën. De laatste jaren doet de uitgifte zich met name voor in de volgende branches: afvalverwerking, recycling, grindbedrijven, betonfabrieken en de chemie. Op basis van de VNG indeling heeft ETIL een inventarisatie gemaakt van het aantal bedrijven en de werkzame personen verbonden aan de bedrijven in de betrokken bedrijfsgroepen conform de standaard bedrijfsindeling (SBI). In totaliteit betreft het ca. 1800 vestigingen met 52.000 werkzame personen. Op grond van het voorgaande moeten deze cijfers gehanteerd worden als maximum. Immers veel bedrijven komen in de praktijk in de lagere milieucategorieën terecht. Voor wat betreft het aantal werkzame personen lijkt een bandbreedte van 25.000- 50.000 een betere indicatie te geven. Verder is het van belang om een beeld te krijgen van de samenstelling van deze categorie bedrijven. In de Limburgse economie is binnen deze categorie sprake van enkele zeer grote bedrijven zoals: DSM en Ned Car ( samen goed voor 14.000 werkzame personen), energie bedrijven (ca. 2.500 werkzame personen). Deze groep bedrijven hebben een zodanige omvang dat een verplaatsing naar een ander bedrijventerrein niet aan de orde is. Daarnaast bestaat de indruk dat het merendeel van de overige bedrijven reeds goed geaccommodeerd is op een bedrijventerrein en beschikt over de benodigde milieuruimte. Voor wat betreft de beschikbare ruimte voor verplaatsers en nieuwvestigingen binnen het segment gemengd plus is binnen de harde plannen voor de drie regio’s in Limburg totaal ca. 120 ha gereserveerd buiten de extra ruimte voor DSM. Verder bestaat er in Zuid-Limburg aanvullend nog een planningsopgave van maximaal 20 ha. De verwachting is dat met deze beschikbare ruimte het segment gemengd plus voor de middellange en lange termijn voldoende bediend kan worden.

hoofdstuk 3 • pagina 20

3.4

Bedrijfsverzamelgebouwen

In Limburg beheert en exploiteert LIOF Bedrijven Centra B.V. de bedrijfsverzamelgebouwen c.q. de huisvesting voor starters/doorstarters. LIOF beheert over heel Limburg 14 bedrijfsverzamelgebouwen met een totale bruto vloeroppervlakte (bvo) van 29.209 m2. (7.169 m2 kantoorruimte en 22.040 m2 bedrijfsruimte). Deze centra zijn gevestigd in de gemeenten Maastricht, Valkenburg aan de Geul, Meerssen, Beek, Vaals, Heerlen, Sittard, Weert, Helden, Venlo, Venray en Gennep. De gebouwen bestaan veelal uit kantoren en/of hallen, al of niet met inpandig kantoor. De grootte van de kantoren varieert van 25 tot 50 m2 en de hallen van 100 tot 250 m2. Sommige gebouwen hebben gezamenlijke faciliteiten zoals kopieermachines, vergader- en presentatieruimtes, telefooncentrale en receptie. Op het gebied van huisvesting voor startende ondernemers werd in Heerlen in 1999 Technohouse I gerealiseerd. Dit gebouw is specifiek gericht op starters in de ICT-sector. Inmiddels wordt Technohouse II gebouwd.

De realisatie van dit Technohouse is in drie fasen verdeeld met een totale oppervlakte van 7.000 m2. De realisatie van de drie fasen kunnen niet los van elkaar worden gezien, omdat het bijeenbrengen van starters/doorstarters en reeds gevestigde bedrijven een belangrijke wederzijdse meerwaarde kan betekenen. Daarnaast is ook nog een bedrijfsverzamelgebouw pal op de grens met Duitsland in Kerkrade-Herzogenrath in ontwikkeling. Op basis van de behoefte in de markt bepaalt LIOF in overleg met gemeenten en de Provincie waar ontwikkelingen van bedrijfsverzamelgebouwen plaatsvinden. Daarbij zal in de komende jaren niet zozeer gaan om bedrijfsverzamelgebouwen voor een brede economische doelgroep (behoudens locale ”verversing” van de huidige portefeuille en invulling van een enkele witte vlek) maar meer om bedrijfsverzamelgebouwen voor specifieke groeisectoren als ICT, life sciences en logistieke services. Met name ten behoeve van de startende bedrijven in deze sector is een gerichte ontwikkeling gewenst.

3

hoofdstuk 3 • pagina 21

Kwalitatieve aanbodsituatie

Provincie Limburg

DUURZAAMHEID

4

Bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen staat duurzaamheid steeds meer centraal. Om nu en in de toekomst te voldoen aan de vraag naar bedrijventerreinen is het van groot belang om kwalitatief hoogwaardige (duurzame) bedrijventerreinen te ontwikkelen. Dit draagt bij aan een ontwikkelingsperspectief waarin de verbetering van het (bedrijfs-)economisch resultaat samengaat met een vermindering van de milieubelasting en een optimaal ruimtegebruik. Ten aanzien van nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen zullen er dan ook randvoorwaarden gesteld moeten worden, gericht op duurzame bedrijfsprocessen en op een duurzame inrichting van bedrijventerreinen. Voor wat betreft het ruimtebeslag van nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen zal bezien moeten worden welke ruimtebesparingen mogelijk zijn. Ook zal de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen gekoppeld worden aan optimalisering van het bestaande ruimtegebruik door revitalisering en door in te zetten op adequaat beheer van terreinen om verouderingsproblemen in de toekomst te voorkomen. In het kader van het bedrijventerreinenbeleid en bij het bevorderen van een duurzame ontwikkeling richt de Provincie zich op een aantal al in ontwikkeling zijnde terreinen, grotere nieuwe terreinen en revitaliseringslocaties. Het betreft de projecten zoals deze in bijlage 1 zijn benoemd.

kenen. Bovendien maken de vele belanghebbenden en de noodzaak van een breed draagvlak het proces er niet eenvoudiger op. Het proces dat de betrokken partijen samen moeten doorlopen moet dan ook worden beschouwd als kritische succesfactor. De Provincie verwacht dat bedrijven de benodigde samenwerking zoeken en zal dit stimuleren. De Provincie ziet het tot stand brengen van duurzame bedrijventerreinen als een integrale opgave, gericht op het versterken van de concurrentiekracht, het behoud van een aantrekkelijk vestigingsklimaat in combinatie met milieu- en terreinwinst. De Provincie zet in het kader van het duurzaamheidsbeleid primair in op de volgende duurzaamheidsaspecten zoals opgenomen in figuur 4.1. De Provincie zal er op inzetten dat de aspecten uit bovenstaande tabel op hun toepasbaarheid worden onderzocht voor de terreinen waar zij actief bij betrokken is. Daartoe ontwikkelt de Provincie momenteel een duurzaamheidsscan. De scan geeft een oriëntatie op de kansen voor een duurzaam bedrijventerrein. Het invullen van aspecten is maatwerk. Welke inspanningen het duurzaam ideaal dichterbij brengen, verschilt per terrein en is ondermeer afhankelijk van de omvang en ligging van het terrein en het type bedrijven. Op nieuwe terreinen kan weliswaar (veel) meer dan op bestaande, maar de weg om tot duurzame ontwikkeling te komen is in grote lijnen hetzelfde. De scan dient als instrument om per terrein de in figuur 4.1 genoemde aspecten op hun praktijkwaarde te onderzoeken. Een nieuwe ontwikkeling op milieugebied is het vastleggen van de maximale milieubelasting (emissies, hinder, externe veiligheid, evt. ook grondstoffengebruik) op bedrijventerreinenniveau. Voordelen hiervan zijn: zekerheid aan bedrijven en omgeving over de milieuruimte en –belasting, en ondernemers hebben de mogelijkheid om in onderling overleg te bepalen welke milieumaatregelen genomen moeten worden. Hierbij zijn kosten te besparen. De stolpbenadering of een andere gebiedsgerichte aanpak van de milieuvergunningverlening lijkt daar goede mogelijkheden voor te bieden. Die benadering zou kunnen resulteren in een koepelvergunning, waaronder alle bedrijven vallen die op hetzelfde bedrijventerrein zijn gevestigd. Wij hebben met deze benadering nog geen ervaring en zullen daarom een experiment hiermee uitvoeren. Het nieuwe logistieke/industriële bedrijventerrein in Midden-Limburg lijkt hiervoor een goede keuze. Wij sluiten echter niet

4

4.1

Duurzaamheid: beleid en beheer

hoofdstuk 4 • pagina 23

Duurzaamheid

De Provincie wil dat alle bedrijventerreinen zich duurzaam ontwikkelen. Duurzaamheid moet een krachtige impuls krijgen bij de ontwikkeling van nieuwe terreinen en bij de revitalisering van bestaande terreinen. Samenwerking organiseren is een belangrijke factor bij de ontwikkeling van duurzame bedrijventerreinen. Het gaat meestal om een complex proces. Dit komt doordat profijtelijke oplossingen vaak raken aan de core business van betrokken partijen. Basisvoorwaarde voor succes is dan ook een sterk onderling vertrouwen tussen alle betrok-

Figuur 4.1 Prioritaire duurzaamheidsaspecten

Aspect Industriële ecologie (§4.2) Energie (besparing en uitwisseling, duurzame opwekking)

Relatie met bestaand beleid

Voordelen

Landelijke doelstelling Energiebesparing/CO2-reductie; POL, provinciale energienota en energiebureau POL, veerkrachtig watersysteem: waterkwaliteit op maat, beperken gebruik grondwater, stimuleren rioolafkoppeling hemelwater

Besparing op inkoop; inkomsten uit reststroom; nieuwe markt voor nutssector; realiseren energie/CO2doelstelling Besparing op inkoop; inkomsten uit reststroom; nieuwe markt voor nutssector; realiseren doelstellingen veerkrachtig watersysteem door lager grondwaterverbruik Goedkopere collectieve inzameling; inkomsten uit reststroom/besparing op grondstoffen; realiseren afvaldoelstellingen, verbeteren eco-efficiëntie

Waterbeheer (collectieve zuivering, e-water en afkoppelen hemelwater

Afval (preventie, gezamenlijk Limburg beste afvalprovincie inzamelen en verwerken, hergebruik) STIER, grondstoffenbeleid

Collectief ruimtegebruik (§4.3) Intensief ruimtegebruik, w.o. meerlaags bouwen, functiedeling (collectieve parkeer gelegenheden, goederenopslag, afvalopslag of strategische reserve) Ruimtelijke zonering van hinderveroorzakers binnen het terrein teneinde overlast en risico’s daarbuiten te minimaliseren) Duurzame stedebouw (flexibiliteit, kaveloriëntatie) en landschappelijke inpassing, w.o. ecologische zones en medegebruik Multimodaliteit (§4.4) (multimodale) ontsluiting Vervoermanagement Bundeling (retour)goederenstromen Terminalbeleid/Modal shift Terugdringen groei autogebruik in woon-werkverkeer Verminderen congestie. Betere benutting infrastructuur Minder wegvervoer Betere bereikbaarheid; minder parkeerplaatsen nodig Betere bereikbaarheid efficiënter vervoer; betere leverbetrouwbaarheid Bedrijventerreinen strategie Stimuleringsprogramma Intensief Ruimtegebruik (StIR). Toegepast in streekplanuitwerking Venlo Trade Port Noord en Nedcar en omgeving. POL Ruimtebesparing

Hinder- en risicocontouren blijven binnen de grens van het terrein, m.n. voor geurhinder, geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s Uitgifte op maat mogelijk; duurzaam bouwen mogelijk; toename sociale veiligheid; beperkte ecologische schade, beperkte landschappelijke verstoring

Provincie Limburg

hoofdstuk 4 • pagina 24

uit dat ook andere terreinen in aanmerking komen. 4.1.1 Beheer De Provincie ziet het functioneren van een vorm van bedrijventerreinmanagement als voorwaarde voor de duurzame ontwikkeling van een bedrijventerrein. In de praktijk zal een duurzaam bedrijventerrein niet zonder een organisatie kunnen die de specifieke omstandigheden van het betreffende terrein kent, de betrokken partijen aan elkaar bindt, hun onderlinge samenwerking ondersteunt en de kwaliteitszorg vormgeeft. Zo’n beheerorganisatie wordt aangeduid met de term bedrijventerreinmanagement (BTM) of ook wel met parkmanagement. De Provincie zal dan ook het ontstaan van een BTM actief bevorderen voor alle terreinen waar de Provincie actief bij betrokken is.

het ontwerpen, ontwikkelen, beheren en gebruiken van het gebied probeert de Provincie in samenwerking met de belanghebbende partijen te komen tot een inrichting van het terrein die naast een verbetering van het (bedrijfs)economische resultaat en een vermindering van de milieubelasting, een optimaal ruimtegebruik ondersteunt. Meervoudig en collectief ruimtegebruik staan daarbij centraal. Een bedrijfsverzamelgebouw is daarbij een goed voorbeeld.

4

4.4

Multimodaliteit (zie ook § 3.2)

4.2

Industriële ecologie

Bij industriële ecologie gaat het erom dat bedrijven proberen milieubelasting te verminderen door rest- en bijproducten zo te bewerken dat zij als grondstoffen kunnen dienen voor andere productieprocessen. Afval krijgt zo mogelijk een winstgevende bestemming. Bedrijven kunnen er zelfstandig of gezamenlijk naar streven om energie, water en materialen zo min mogelijk verloren te laten gaan. Ondernemingen voorzien elkaar zoveel mogelijk van grondstoffen (voedingstoffen) en benutten elkaars afvalstromen maximaal. Deze methoden worden in vele gevallen al succesvol toegepast binnen individuele bedrijven, maar de toepassing binnen een groepering van bedrijven (een bedrijventerrein) is nog een uitdaging. Deze uitdaging willen wij in Limburg oppakken.

4.3

Collectief ruimtegebruik (zie ook § 3.3 en 3.4)

hoofdstuk 4 • pagina 25

Duurzaamheid

Bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen zal meervoudig en collectief ruimtegebruik in het kader van een duurzame economische ontwikkeling steeds meer centraal te komen staan (zie ook figuur 4.1). Ten aanzien van nieuw te ontwikkelingen bedrijventerreinen zullen er dan ook randvoorwaarden gesteld moeten worden t.a.v. een duurzame inrichting van bedrijventerreinen. Bij deze invalshoek wordt gekeken naar het gebied (bedrijfsruimte, infrastructuur, nutsvoorzieningen, etc.) waarbinnen bedrijfsprocessen zich afspelen. Door samenwerking bij

Om de groei van het goederenvervoer op te vangen zal meer gebruik gemaakt moeten worden van vervoer over water en spoor. In de huidige situatie is de aanvoer en afvoer van goederen in de vorm van gecontaineriseerde ladingpakketten via water of spoor nog maar beperkt. Inzet van het provinciaal beleid voor goederenvervoer is de modal shift om te buigen in de richting van transport over water en spoor. Het overgrote deel van het goederenvervoer zal in ieder geval binnen de regio’s ook in de toekomst via het wegtransport afgehandeld worden. Voor de segmenten transport en distributie en gemengd plus is de koppeling met (multimodale) transportassen van groot belang. Primair is een directe ontsluiting op de autosnelweg. Strategisch zullen een aantal van deze bedrijven binnen deze segmenten in de toekomst over de mogelijkheid willen beschikken van multimodaal transport. De grootste kansen voor multimodaal transport doen zich voor bij bedrijven met zeer omvangrijke internationale goederenstromen. Ook door bundeling van (kleinere) goederenstromen kan op termijn het multimodaal transport verder groeien. Dit vereist voor de planning van bedrijventerreinen een verdere concentratie van toekomstige activiteiten. Multimodale ontsluiting als voorziening hoeft niet op het terrein zelf te liggen. In de huidige praktijk van Limburg bedienen de multimodale knooppunten Venlo en Born een verzorgingsgebied in een straal van ca 30 km. In het goederenvervoerbeleid van de Provincie Limburg wordt ingezet op de versterking van overslagfaciliteiten in de beide genoemde knooppunten. Een derde multimodaal knooppunt is vooralsnog niet aan de orde. Het logistiek knooppunt Born zal in de toekomst ruimtelijk tegen zijn grenzen aanlopen. Dit geldt zowel voor de capaciteit van de aanwezige terminals als voor de vestiging van logistieke bedrijven. Daarnaast zijn er door DSM plannen

geïnitieerd voor de aanleg van een openbare railterminal in aanvulling op de railterminal in Born. Voor wat betreft de toekomstige ruimtebehoefte van het logistiek knooppunt Born wordt uitbreiding gezocht in noordelijke richting op de locatie St. Joost (gem. Echt). Het is wel de bedoeling dat de terminal voorzieningen in afstemming ontwikkeld c.q. beheerd worden, zodat er een netwerk ontstaat van terminalvoorzieningen binnen één logistiek complex. Voor wat betreft de ontwikkeling van het logistiek-industrieel complex Venlo wordt door Provincie en gemeente Venlo een masterplan opgesteld. Dit masterplan zal uitmonden in een lange termijn visie voor een duurzame ontwikkeling van dit complex. De knooppunten Born en Venlo worden aangevuld met een aantal Regionale Overslagcentra (ROC’s) als multimodale scharnierpunten voor overslag en bewerking van bulk- en stukgoederen.

4.5

Personen vervoer

In het kader van personenmobiliteit zet de Provincie in op een beperking van de groei van het aantal kilometers dat jaarlijks met personenauto’s wordt gereden. Daarbij zal prioriteit gegeven worden aan grote bedrijventerreinen om daar het woon-werkverkeer per auto terug te dringen. In het kader van een EFRO-project wordt in Limburg bekeken of en zo ja hoe het openbaar vervoer bedrijventerreinen beter kan ontsluiten, al dan niet via vormen van collectief vraagafhankelijk vervoer. Daarnaast wil de Provincie in het kader van het woon-werkverkeer het carpoolen bevorderen en bedrijven en instellingen stimuleren tot het opstellen en implementeren van bedrijfsvervoerplannen.

Provincie Limburg

hoofdstuk 4 • pagina 26

INVESTERINGSKLIMAAT

5

5.1

Ligging en bereikbaarheid

goederenvervoer nog sterk groeien. De verdere groei van het goederenvervoer zal het hoofdwegennet nog meer onder druk zetten. Met name op verschillende gedeelten van de wegen N271, N273 en N277, de A2 stadstraverse Maastricht en de omgeving Kerensheide hebben een slechte bereikbaarheid. Daarnaast komt de bereikbaarheid van de A2 tussen Roermond en Maastricht en de A76 steeds vaker onder druk te staan. Grote knelpunten dreigen bij de spoorverbindingen, zoals de capaciteitsproblematiek op de Brabantlijn, de Maaslijn en de railverbinding Venlo-Keulen. Ook is er nog steeds onzekerheid over de zuidelijke bypass van de Betuwelijn en de IJzeren Rijn. De komende jaren zullen er dus forse investeringen moeten worden gepleegd om de nationale en internationale (grensoverschrijdende) bereikbaarheid van onder andere bedrijventerreinen te verbeteren. Daarbij zet de Provincie, naast modal shift (zie § 4.4), in op een verbetering van de infrastructuur. Een aantal majeure infrastructurele projecten staan in dat kader centraal: • A73 Venlo-Roermond; • De koppeling van de A74 aan Nederlandse zijde en de BAB61 aan de Duitse kant; • N280-oost, N293 Oosttangent Roermond, N297n, N296; • Buitenring Parkstad Limburg; • A2 Echt-Maastricht (na 2010); • A76 Kerensheide-Ten Esschen (na 2010); • Optimalisering en modernisering van de Maasroute tot vaarweg niveau Vb en 4 laagscontainervaart tot Stein; • Uitbouw containerterminal Born; • Barge-terminal en verplaatsing rail-terminal Venlo; • Maaslijn (verdubbeling en electrificatie); • Light-rail Maastricht-Parkstad; • Op lange termijn eventueel zuidelijke bypass van de Betuwelijn en IJzeren Rijn in combinatie met noordelijke spooromleiding (na 2010). • Op de lange termijn tevens het Ongehinderd Logistiek Systeem (OLS) in de Westelijke Mijnstreek.

5

De ligging van de provincie Limburg in Nederland is uniek te noemen. De provincie Limburg heeft meer buitenlandse grenzen dan binnenlandse, daardoor heeft de Provincie bovengemiddeld te maken met trends zoals internationalisering, globalisering en de verdergaande Europese integratie. Dit komt onder meer tot uiting in de vervlechting en netwerkvorming van economische processen over de grenzen van de Provincie heen, het manifester worden van ruimtelijk-functionele samenhangen en mobiliteitsontwikkeling. Van steeds groter belang wordt de ligging van Limburg centraal tussen de drie grote Europese economische agglomeraties: de Randstad, het Rijn-Ruhrgebied en de Vlaamse Ruit. Deze agglomeraties vormen tezamen het Noordwest Europees Middengebied; het gebied dat vanwege zijn ligging, de hoge ruimtelijk-economische dynamiek en de groeiende ruimtelijk-economische samenhang ook steeds meer aandacht krijgt in het beleid van de Europese Unie. In Nederland ligt Limburg met de provincies Noord-Brabant en Zeeland zeer gunstig in het “Voorland” van de drie agglomeraties. Dit levert bijzondere kansen voor de verdere ontwikkeling van de netwerkeconomie, maar levert ook de nodige bedreigingen op voor zowel de economische ontwikkelingen als voor de ontwikkelingen op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu en mobiliteit c.q. bereikbaarheid. De aanwezige infrastructuur van weg en water is nog redelijk gunstig te noemen. In de laatste jaren heeft er echter al een verslechtering van de bereikbaarheid plaatsgevonden. Het marktaandeel wegvervoer binnen Europa vertoont in de laatste decennia een sterke stijging; van 50% in 1970 naar 72% in 1995. Daartegenover is het marktvervoer per spoor van 32% in 1970 gedaald naar 15% in 1995. De komende jaren zal het

De economische structuur valt onder te verdelen in vier sectoren: landbouw, nijverheid (industrie en bouw), commerciële diensten en niet-commerciële diensten. De economische structuur van Limburg is samengevat in figuur 5.1. Daarbij wordt een globale verkenning uitgevoerd naar

hoofdstuk 5 • pagina 27

Investeringsklimaat

5.2

Productiestructuur

actuele ontwikkelingen en (veranderende) processen binnen de sectoren. In het kader van het provinciaal economisch beleid valt de nadruk op functiegericht beleid; brede, integrale inzet van beleidsmiddelen gericht op de functionele samenhang tussen en binnen sectoren. Het beleid richt zich daarbij niet meer

op sectoren, maar op de 4 productiefactoren; arbeid, kennis, kapitaal en grond/infrastructuur. (Zie de toegevoegde kaart ”Sociaal economische hoofdstructuur”). Daarbij zet de Provincie het volgende functie gerichte beleidsinstrumentarium in: arbeids- en scholingsbeleid, innovatiebeleid, acquisitiebeleid en grond/infrastructuurbeleid.

Figuur 5.1 Productiestructuur Limburg (Vestigings- en werkgelegenheids-structuur)

Niveau 1999 Vestigingen Arbeids plaatsen Vestigingen

Samenstelling Arbeidsplaatsen Procentuele verand. Arbeidsplaatsen % -0,4 0,7 5,1 2,4 2,7 -0,4 0,3 2,4 3,5 5,4 3,3 10,8 2,7 8,4 6,9 2,8 1,9 0,9 2,7 2,3 3,0 2,6 2,0 3,5 2,1 3,5

Gemiddelde verandering per jaar 1996/1999 Absolute verandering Vestigingen -156 108 380 99 431 -156 13 94 110 51 -3 12 -40 250 63 53 -9 -8 431 145 285 82 63 105 65 116 Arbeidsplaatsen -95 913 7.121 2.360 10.300 -95 360 553 1.818 932 552 450 333 3.036 396 1.349 411 205 10.300 4.043 6.257 2.534 1.510 2.051 1.624 2.582

% LIMBURG 1 Landbouw 2 Industrie en bouwnijverheid 3 Commerciële diensten 4 Niet-commerciële diensten TOTAAL 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 7.675 6.029 25.529 6.852 46.085 21.084 128.371 158.133 103.511 411.099 21.084 104.291 24.080 57.278 19.720 18.390 5.336 13.202 44.207 6.767 51.052 22.155 23.537 411.099 183.288 227.811 105.742 77.546 63.649 82.856 81.306 17 13 55 15 100 17 7 6 27 11 3 1 3 11 6 6 3 1 100 49 51 27 22 13 18 20

% 5 31 38 25 100 5 25 6 14 5 4 1 3 11 2 12 5 6 100 45 55 26 19 15 20 20

Landbouw 7.675 Industrie 3.249 Bouwnijverheid 2.780 Handel en reparatie 12.420 Horeca, toerisme en recreatie 4.951 Vervoer en dienstver. t.b.v. vervoer 1.307 Post en telecommunicatie 241 Financiële instellingen 1.352 Zakelijke dienstverlening 5.258 Overige diensten 2.607 Gezondheids- en welzijnszorg 2.671 Onderwijs 1.328 Overheidsbestuur en sociale verz. 246 LIMBURG 46.085 22.776 23.309 12.635 10.141 5.833 8.125 9.351

NOORD- EN MIDDEN-LIMBURG ZUID-LIMBURG

Provincie Limburg

NOORD-LIMBURG MIDDEN-LIMBURG WESTELIJKE MIJNSTREEK PARKSTAD LIMBURG MAASTRICHT EN MERGELLAND

Arbeidsplaatsen van minimaal 12 uur per week. Bron: ETIL, Vestigingenregister Limburg

hoofdstuk 5 • pagina 28

Landbouw De bedrijfstak landbouw is klein in verhouding tot de rest van de sectoren en dit beeld wordt de laatste drie jaar alleen maar versterkt. De groei van zowel het aantal vestigingen als het aantal arbeidsplaatsen is negatief. Naast de economische functie heeft de landbouw vele andere functies, waaronder het beheer van het landelijk gebied en de zorg voor recreatieve aantrekkelijkheid van het buitengebied. De economische functie van de landbouw mag dan wel kleiner zijn dan de andere drie sectoren, het is wel een sector die veel invloed heeft op het Limburgse landschap. Bijvoorbeeld in de vorm van het grote grondgebruik. Om ervoor te zorgen dat de functies en kwaliteit van de Limburgse land- en tuinbouw zichtbaar worden, heeft de Limburgse Land- en Tuinbouwbond (LLTB) zich voorgenomen de ontwikkeling van deze bedrijfstak te versterken.
5.2.1

terreinen met een representatieve uitstraling, aangezien het veelal ”schone” productie betreft. Voor wat betreft de stedelijke gebieden in Limburg bestaan er voor deze terreinen voor de periode tot 2010 nog de nodige tekorten. De speelruimte voor bedrijven wordt mede bepaald door grenzen waar tegenaan wordt gelopen. Grenzen op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, mobiliteit en beschikbaarheid van arbeidskrachten. Daarnaast heeft de grotere verwevenheid tussen industrie en diensten, het vormen van clusters en netwerken alsmede het toepassen van ICT ook invloed op het gebruik van ruimte en infrastructuur. Voor een optimale bedrijfsvoering blijft de (fysieke) locatie echter belangrijk. Het bedrijfsleven stelt dan ook diverse kwaliteitseisen ten aanzien van bedrijventerreinen. Deze moeten ondermeer aantrekkelijk zijn qua ondersteunende (zakelijke en logistieke) diensten en ontsluiting. Een vraaggestuurd voortbrengingsproces, ondersteund door nieuwe technologieën, vraagt aanpassingen in de bedrijfsvoering van industriële ondernemingen. Kennis is daarbij het sleutelwoord. Parallel daaraan zal stevig geïnvesteerd moeten worden in opleiding en scholing van personeel. Ook een verdere intensivering in samenwerkingsrelaties (onder andere in toeleverings- en uitbestedingsclusters) is een noodzakelijkheid. Dit heeft tevens gevolgen voor de fysieke omgeving (industriële complexen van geclusterde bedrijvigheid, kwantiteit en kwaliteit van bedrijventerreinen). De bouwnijverheid –in tegenstelling tot de industrie– is duidelijk geringer in omvang, maar vertoont daarentegen wel een sterkere groei. De bouwnijverheid is een bedrijfstak met specifieke kenmerken. Conjunctuurgevoeligheid bijvoorbeeld. Deze bedrijfstak reageert sterk én als eerste op economische ontwikkelingen. Ander kenmerk van de sectorstructuur is het grote aantal kleine bedrijven en slechts een beperkt aantal grotere spelers. Ruim de helft van de werkgelegenheid in de bouwnijverheid bevindt zich in de burger- en utiliteitsbouw. De grond-, weg- en waterbouw heeft het kleinste aandeel, de bouwinstallatie neemt een middenpositie in. In de bouw zal het gebruik van nieuwe materialen belangrijk worden, mede met het oog op meer duurzame bouwmethodes. Van belang daarbij is professionalisering van het arbeidspotentieel en een sterke oriëntatie op kennis en innovatie. Bouwen op de bouwplaats zal veranderen in monteren van elders geproduceerde elementen op de bouwplaats.

5

Deze sector krijgt steeds meer te maken met concentratie en scherpe concurrentie. Dit wordt nog eens versterkt door de EU-uitbreiding richting Oost-Europa. Daardoor, maar ook door stringentere milieu-, ruimte- en welzijnseisen, zal uitval van traditionele bedrijvigheid optreden. Kansen liggen er evenwel in nauwere samenwerking in voortbrengingsketens van (primaire) producent tot consument. Dit met het oog op nieuwe, op de vraag afgestemde, producten met een hoge toegevoegde waarde. 5.2.2 Nijverheid (industrie en bouw) De stand van zaken met betrekking tot de bedrijfstakken industrie en bouwnijverheid geeft aan dat de nijverheid (nog steeds) een belangrijke rol vervult in Limburg. De sector nijverheid is onderverdeeld in industrie en bouwnijverheid. Wat opvalt is het grote aandeel van industrie in Limburg. Industrie herbergt een groot aantal vestigingen (ca. 3.200) en arbeidsplaatsen (ca. 104.000). De industrie is verder onder te verdelen in: procesindustrie, metaalelectro en overige industrie. De overige industrie herbergt de meeste vestigingen, de procesindustrie de minste. Anders is het gesteld met de omvang van de bedrijven. Zo bestaat de procesindustrie uit relatief veel grote bedrijven, terwijl de overige industrie veel kleinere bedrijven telt. Het vestigingspatroon van industriesectoren vertoont een gedifferentieerd beeld. Kennisintensieve industrieën vestigen zich voornamelijk in het stedelijke milieu. In de steden bestaat daarom behoefte aan gemengde terreinen voor bedrijven met directe afzetrelaties binnen het stedelijke gebied. Maar ook aan hoogwaardige

hoofdstuk 5 • pagina 29

Investeringsklimaat

5.2.3 Commerciële diensten Enkele bedrijfstakken spelen in de commerciële diensten een belangrijkere rol dan andere; op de eerste plaats de bedrijfstak handel en reparatie. Deze bedrijfstak is onder te verdelen in detailhandel en groothandel. De detailhandel laat het hoogste aantal vestigingen en arbeidsplaatsen van de twee bedrijfsgroepen zien. Deze bedrijfsgroep merkt direct de effecten in het personeelsbestand van vergrijzing en ontgroening van de bevolking. Met de huidige krappe arbeidsmarkt impliceert dit dat deze bedrijfsgroep moeite heeft met het aantrekken van jongere werknemers. Met name de trend van massa-individualisering zal grote gevolgen hebben voor de handelssector. De kans is groot, dat sommige schakels in de distributieketens in belang zullen afnemen of zelfs zullen verdwijnen. De enige kans van overleven is dan ervoor te zorgen, dat er toegevoegde waarde gecreëerd blijft worden (bijvoorbeeld door (logistieke) dienstverlening). Bedrijven in deze sector zullen met name hun personeel daarop moeten voorbereiden (klantgerichtheid). Ten tweede speelt de bedrijfstak horeca, toerisme & recreatie een belangrijke rol. Door de aanhoudende hoogconjunctuur en gewijzigd vrijetijdspatroon heeft deze bedrijfstak een sterke ontwikkeling doorgemaakt. Met name de horeca is de laatste twee jaar sterk gegroeid. In deze bedrijfstak zijn duidelijk de hogere consumptieve bestedingen merkbaar die gepaard gaan met de algehele toename in de welvaart. De markt van toeristische producten en diensten is eveneens onderhevig aan een veranderende en steeds meer individuelere consumentenvraag. De sector zal daarop moeten inspelen via hogere flexibiliteit en kwaliteit van het aanbod. Dit moet gepaard gaan met kennisvergaring en –uitwisseling tussen bedrijven en instellingen en verhoogde inspanningen ten aanzien van opleiding en training (professionalisering). Een verbeterde (aanbod-)structuur kan daarvoor de voorwaarden scheppen. Naast dit alles is aandacht nodig voor een verantwoord ruimtebeslag vanuit de sector, waarbij afstemming met andere functies (natuur, wonen) noodzakelijk is. Een derde belangrijke bedrijfstak binnen de commerciële dienstverlening zijn bedrijfsgroepen als accountancy en administratie, ICT en beveiliging. Bij elk van deze drie bedrijfsgroepen is de werkgelegenheid toegenomen. Vooral in de bedrijfsgroepen ICT en beveiliging is de groei sterk. Naast bedrijven in onder andere systeemontwikkelingprogrammering en automatiseringadvisering zorgt vooral de toevoeging van de call-

centra en telemarketing voor grote werkgelegenheid in deze bedrijfstak. Bij de zakelijke dienstverlening zijn het met name de uitzendkrachten die zorgen voor de groei in de werkgelegenheid. Deze sector zal als gevolg van onder andere verdere ‘outsourcing’ van niet-kernactiviteiten in de industrie blijven groeien. Door de toenemende vraag naar diensten zal de sector ook een sterke autonome groei te zien geven. Aandacht zal daarbij geschonken dienen te worden aan het evenwicht tussen vraag en aanbod van (gekwalificeerd) personeel, waarbij de instroom vanuit de zogenaamde arbeidsreserve kansen biedt. Ook hier is duidelijk sprake van sterke verwevenheid met andere economische sectoren. De groei van deze sector zal gevolgen hebben in de zin van een toenemende vraag naar geschikte kantoorlocaties. 5.2.4 Niet-commerciële diensten De laatste sector, de niet-commerciële diensten, is onderverdeeld in overige diensten, gezondheiden welzijnszorg, onderwijs en overheid. De sector niet-commerciële diensten is qua aantal vestigingen en qua aantal arbeidsplaatsen vergelijkbaar met de industrie. Net als bij de sector nijverheid is ook de procentuele groei van het aantal arbeidsplaatsen binnen de niet-commerciële diensten niet hoog. Alleen de bedrijfstak overige diensten vertoont een hogere procentuele groei. De sector niet-commerciële diensten heeft een tweetal belangrijke kenmerken. Deze bedrijfstak is op de eerste plaats nauwelijks conjunctuurgevoelig. Als de omslag van hoog- naar laagconjunctuur optreedt, is dit niet meteen merkbaar in de gezondheid- en welzijnszorg en de onderwijs- en overheidstructuren. Tweede kenmerk is de hoge mate van budgetafhankelijkheid. Indien de economie zich gunstig ontwikkelt, is het budget hoger en vice versa. Deze afhankelijkheid uit zich in verschillende bedrijfstakken. De provinciale aandacht voor bijvoorbeeld onderwijs is gericht op kwalitatieve aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Dit betekent overigens niet dat andere bedrijfstakken minder door de overheid worden gesteund. Zo wordt voor de gezondheiden welzijnszorg jaarlijks een steeds groter budget uitgetrokken; dit hangt samen met de toenemende zorgvraag mede als gevolg van de vergrijzing en positieve economische ontwikkeling. Verder is het zo dat deze bedrijfstak vorm krijgt door aansturing van de overheid. De toekomstige ommekeer van aanbodgestuurde

Provincie Limburg

hoofdstuk 5 • pagina 30

zorg naar vraaggestuurde zorg zal gevolgen hebben voor de werkgelegenheid. De cliënt gaat uiteindelijk bepalen bij welk soort instelling zorg ingekocht wordt. Kennis van organisatiemethodieken en automatiseringconcepten is daarbij onontbeerlijk. De bestaande bottleneck van voldoende flexibel en gekwalificeerd personeel zal primair aandacht moeten krijgen. Opleiding en training, maar ook verbetering van arbeidscondities en –omstandigheden, is instrumentarium waarvan gebruik gemaakt kan worden. De overheidsbemoeienis in de zin van budgetfinanciering vormt thans (nog) een belemmering in het benodigde transformatieproces van de sector. De (semi-)overheid wordt steeds meer gekenmerkt door privatiseringstendensen, mede als gevolg van liberaliseringsafspraken. Dit kan grote gevolgen hebben voor het personeel. Er is een sterke verwevenheid ontstaan met de sector zakelijke diensten.

In het kader van bestuurlijke samenwerking op provinciaal niveau is nog de ‘Alliantie Zuid’ te noemen; een samenwerkingsverband tussen de drie zuidelijke provincies, de werkgevers- en werknemersorganisaties en de belangrijkste steden in Zuid-Nederland. Ten aanzien van mobiliteit en de bereikbaarheid van bedrijventerreinen worden zaken binnen de alliantie besproken. De Alliantie heeft intussen met de Rijksoverheid overeenstemming bereikt over een aanpak die ertoe zal leiden dat het beleid voor ZuidNederland wordt verankerd met het beleid van de betrokken departementen. Door de grensligging en de EU-ontwikkeling is het evident dat de Provincie steeds meer aangewezen is op grensoverschrijdende samenwerking. Enerzijds heeft Limburg meer dan anderen “last” van de nog altijd sterk en dagelijks voelbare grensweerstanden, anderzijds kan Limburg meer dan anderen profiteren van de kansen die de Europese integratie biedt. Een specifiek aandachtspunt daarbij vormen de grensoverschrijdende bedrijventerreinen zoals Avantis tussen Heerlen en Aken. In het kader van grensoverschrijdende samenwerking zijn de twee Euregio’s te noemen, te weten: Euregio Maas-Rijn en de Euregio Rijn-Maas-Noord. In 1999 hebben de commissies Rijnen en Wöltgens hun rapporten over de knelpunten in de grensoverschrijdende samenwerking aangeboden aan het Kabinet. Het kabinet heeft de aanbevelingen van deze Staatscommissie overgenomen, waarbij de provincie Limburg ervan uitgaat dat het Rijk hierin ook zijn verantwoordelijkheid neemt.

5

5.3

Bestuurlijke samenwerking

De Provincie werkt op tal van terreinen samen met de gemeenten en de regio’s. Zo is in het kader van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL) deze samenwerking zeer intensief. Daarbij hebben de verschillende regio’s met betrekking tot het omgevingsplan eigen visies ontwikkeld voor hun regio. De Provincie wil daarmee een andere positie innemen ten aanzien van de regio’s dan in het verleden. De Provincie meent dat de regio’s zelf meer bewegingsvrijheid en eigen beleidsruimte moeten en kunnen krijgen. Daarnaast werkt de Provincie intensief samen met gemeenten in het kader van talloze projecten. Zo ook op het gebied van bedrijventerreinen. De Provincie heeft het voortouw in de planning van bedrijventerreinen op regionale schaal. Voor de uitvoering in de vorm van ontwikkeling, exploitatie en beheer van bedrijventerreinen ligt het primaat bij gemeenten. De Provincie wil regionale samenwerking stimuleren middels een jaarlijks te organiseren regionaal overleg tussen de gemeenten en de Provincie op gewest-niveau. Tijdens dit overleg kunnen de bedrijventerreinenenquête en de analyses uit het REBIS besproken worden alsmede actuele ontwikkelingen en problemen op het gebied van bedrijventerreinen. De wijze waarop de bestuurlijke samenwerking op het gebied van beleidsontwikkeling, projecten en regionale samenwerking verder invulling krijgt staat uitgebreid beschreven in hoofdstuk 6.

5,4

Ondernemerschap

hoofdstuk 5 • pagina 31

Investeringsklimaat

In het provinciaal economisch beleid neemt het bevorderen van nieuwe bedrijvigheid en meer speciaal het beleid gericht op startende en doorstartende ondernemingen een belangrijke plaats in. De Provincie tracht vanuit een regisserende rol de begeleidingstructuur voor starters binnen de provincie te stroomlijnen en te concentreren. De Provincie onderscheidt daarbij twee groepen starters: • Een relatief kleine groep van, veelal innovatieve, starters in de industrie en zakelijke dienstverlening • Een grote groep van starters in de overige economische sectoren. Onder deze laatste groep is ook de categorie starters vanuit een uitkeringssituatie van belang.

Vanwege het feit, dat beide groepen grote verschillen vertonen in uitgangsituatie, perspectief en vereisten voor wat betreft opleiding, kennis, financieringsbehoefte, is de Provincie van mening dat er twee verschillende (semi-)publieke begeleidingsorganisaties nodig zijn. Desalniettemin dienen deze op elkaar afgestemd te zijn en met elkaar samen te werken c.q. adequaat door te verwijzen. De begeleidingsorganisatie voor de starters in de industrie en zakelijke dienstverlening wordt momenteel vorm gegeven in een samenwerkingsverband van de NV Industriebank LIOF en Syntens Limburg (zie ook § 3.4). De begeleidingsorganisatie voor de overige starters bestaat in Zuid-Limburg al enige jaren in de vorm van het Starterscentrum zuidlimburgse, een samenwerkingsverband van de Kamer van Koophandel Zuid-Limburg en de Zuid-Limburgse gemeenten. De inspanningen van de Provincie zijn er op gericht dit initiatief te verbreden naar Noord- en Midden-Limburg. Beide organisaties (LIOF/Syntens combinatie en het Starterscentrum) zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor advisering en begeleiding van (potentiële) starters. Daarnaast hebben zij een bemiddelende functie naar aanbieders (zowel publiek als privaat) van financiering, huisvesting en andere diensten, bijvoorbeeld op fiscaal gebied, juridisch gebied, etc.

de vraag- als de aanbodkant liggen daaraan ten grondslag. Deze versterken elkaar bovendien. Aan de vraagkant is er de werkgelegenheidsgroei door de aanhoudend hoge economische groei. Aan de aanbodkant wordt de groei van de beroepsbevolking steeds geringer. Dit leidt ertoe dat de werkloosheid snel daalt en de stille arbeidsreserve afneemt. Deze resterende arbeidsreserve is bovendien niet zonder meer inzetbaar. De krapte wordt arbeidsmarktbreed ervaren. Er is momenteel dan ook sprake van een aanbiedersmarkt. In het algemeen blijkt dat sectoren problemen hebben om zich duidelijk te profileren op die markt. Daarnaast is er verschil tussen sectoren voor wat betreft de concurrentiekracht van bedrijven in de werving van personeel. Arbeidsmarktkrapte naar beroepsegment De arbeidsmarktkrapte is met name van kwalitatieve aard. Dat wil zeggen dat er voor een flink aantal beroepssegmenten weliswaar een tekort aan direct inzetbare werkzoekenden is, maar dat in principe voldoende niet direct inzetbare werkzoekenden beschikbaar zijn. Zij zijn door Arbeidsvoorziening ingedeeld in de fasen 2 en 3 van bemiddelbaarheid. Dat betekent dat zij begeleiding en/of aanvullende scholing nodig hebben. Het gaat in veel gevallen om werkzoekenden die te weinig kwalificaties hebben, beperkt inzetbaar zijn door een hogere leeftijd, gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn of die om sociale redenen op afstand van de arbeidsmarkt zijn geraakt. Kwantitatieve tekorten zijn er in de hogere (para-) medische beroepen, de lagere beveiligingsberoepen, de lagere agrarische beroepen, de lagere administratieve, commerciële en economische beroepen, en de lagere verzorgende beroepen. Hier zijn de tekorten zo groot dat zelfs de inzet van niet direct bemiddelbare werkzoekenden (fase 2 en 3) onvoldoende mogelijkheden bieden om alle vacatures op te vullen. Arbeidsmarktkrapte naar opleiding Over het algemeen worden met name de middelbare en hogere opleidingen gekenmerkt door een kwantitatief tekort. De grootste problemen doen zich voor bij de opleidingen HBO Paramedisch, HBO Economie en HBO Techniek. Voor het jaar 2000 worden met name voor de volgende beroepsgroepen in Limburg grote knelpunten verwacht; assembleurs, weg- en waterbouwkundige vakkrachten, verkopers, kantoorhulpen, inpakkers en colporteurs, receptionisten en adm. employees, ziekenverzorgenden, hulpkrachten horeca en verzorging, verzorgend personeel, interieurverzorgsters, asp. politieagenten,

5.5

Arbeidsmarktsituatie

De Limburgse arbeidsmarkt wijkt op een aantal punten af van het landelijke beeld. De participatiegraad is lager dan landelijk. In Limburg werkt 65% van de potentiële beroepsbevolking (ruim 460.000 mensen), in Nederland als geheel is dat 67%. De oorzaak van dit verschil zit in de betrekkelijk hoge non-participatie van ouderen en vrouwen. Daarnaast wordt Limburg gekenmerkt door een geringer percentage flexwerkers dan de rest van Nederland. Andere kenmerken zijn de relatief snelle vergrijzing en het grote aandeel van de industriële arbeid. De werkloosheid is in Limburg, net als elders in Nederland, fors gedaald, en wel van ruim 59.000 begin 1997 naar ruim 37.000 in april 1999. Vooral de direct bemiddelbare werkzoekenden kwamen de afgelopen jaren steeds sneller aan het werk. Na een kwart eeuw van hoge werkloosheid is de krapte op de Limburgse arbeidsmarkt teruggekeerd. Verschillende redenen aan zowel

Provincie Limburg

hoofdstuk 5 • pagina 32

soldaten en beveiligings-hulpkrachten, procesoperators, productieplanners, aannemers en installateurs, bankwerkers en lassers. De grote diversiteit van beroepen geeft aan dat knelpunten in de personeelsvoorziening naar verwachting over de volle breedte van de Limburgse arbeidsmarkt zullen optreden. Arbeidsmarktkrapte naar sector De krapte op de arbeidsmarkt is in steeds meer bedrijfsectoren voelbaar. Met name in de bedrijfstakken handel, onderwijs, gezondheidszorg, horeca, zakelijke dienstenverlening, transport en communicatie is de arbeidsmarktkrapte in Limburg bijzonder groot. Uitgaande van voorzichtige ramingen zal de werkgelegenheidsgroei in Limburg beperkt blijven. De grootste groei is te verwachten in de commerciële dienstverlening. Voor Limburg geldt verder dat het aantal banen in de sectoren als chemie, energie en bouw zal afnemen. Terwijl de verwachte uitbreidingsvraag matig is (0,5% per jaar tussen 1999-2004), zal de hoge uitstroom uit de Limburgse arbeidsmarkt (vergrijzingsproces) evenwel leiden tot een forse vervangingsvraag (4,4%). Met name daardoor zal het totaal aantal baanopeningen met circa 5 procent een half procentpunt boven het landelijk gemiddelde liggen. Daartegenover staat een verwachte instroom van schoolverlaters van 4,2%. Hieruit volgt een jaarlijks gemiddeld vraagoverschot van 3.500, oftewel 0,7%. In Nederland zal dit percentage naar verwachting ca. 0,2% bedragen. Zonder specifieke maatregelen zouden over vijf jaar voor 17.500 banen onvoldoende mensen te vinden zijn in Limburg. Op de middellange termijn blijven dus op de Limburgse arbeidsmarkt op een breed vlak knelpunten in de personeelsvoorziening bestaan. Deze manifesteren zich het scherpst in de handel en in de zakelijke dienstverlening, terwijl ook gewezen dient te worden op de overheid en de gezondheidszorg. Het is duidelijk dat na een lange periode van aanbodoverschot op de arbeidsmarkt (hoge werkloosheid) er nu sprake is van een dubbele problematiek op deze arbeidsmarkt. De krapte op de arbeidsmarkt, in combinatie met het duidelijk zichtbaar worden van de harde kern van de werkloosheid, vraagt om een andere benadering. De Provincie legt daarbij enerzijds de nadruk op het toeleiden van werklozen naar de arbeidsmarkt en anderzijds moet bestudeerd worden in hoeverre het nog onbenut arbeidspotentieel (de zogenoemde ‘stille reserves’) ingezet

kan worden (realisatie van een flexibelere arbeidsmarkt in Limburg). Daarbij is het de uitdaging om voldoende zicht te krijgen op de omvang van deze ‘stille reserves’, om in staat te zijn deze reserves aan te boren en om daarmee een kwantitatief en kwalitatief voldoende arbeidsaanbod te realiseren. In dat kader hebben partners in Limburg (sociale partners, gemeenten, Provincie, uvi’s, arbeidsvoorziening, ROC’s, AOB en Hogeschool Limburg) de krachten gebundeld in het ‘Vertrouwenspact Werkgelegenheid’ om te komen tot een vraaggerichte en flexibele arbeidsmarkt, het zogenaamde ‘Maasmodel’. Dit model zal richtinggevend zijn voor het arbeidsmarkt en werkgelegenheidsbeleid voor de komende jaren. De kern van het Maasmodel is dat bovengenoemde beleidspartijen overeen zijn gekomen de problemen op de arbeidsmarkt niet solistisch op te pakken vanuit de taken en bevoegdheden van de eigen organisatie, maar veeleer vanuit de constatering dat er een gezamenlijk probleem is, waar alleen door een gezamenlijke inspanning een oplossing kan worden bereikt. De Provincie vervult bij het Vertrouwenspact een essentiële, ondersteunende rol. Een eerste belangrijke input van het aan het vertrouwenspact gekoppelde programma is employability (ontwikkelen en uitvoeren scholingsplannen, ontwikkeling van ontbrekende schakels van scholingsinfrastructuur). Een tweede input van het programma is het Human Resources beleid (HRM) van het limburgse bedrijfsleven (ontwikkelingsadviesregeling voor het HRM-beleid voor het MKB, scholing MKB-management op HRM-gebied). Derde en laatste input is het inzichtelijk maken van het totale bestand aan arbeidsreserve en meer specifiek de (re)activering van de stille arbeidsreserves.

5

5.6

Technologische ontwikkeling

hoofdstuk 5 • pagina 33

Investeringsklimaat

In Limburg zorgt de industrie voor de meeste directe arbeidsplaatsen, maar is ook een katalysator voor nieuwe werkgelegenheid in andere sectoren. Een belangrijke beleidsuitdaging ligt dan ook in het vergroten van de kennisintensiteit en innovatiekracht van de industriële MKBbedrijven. Sinds 1996 bestaat er in Limburg het Regionaal Technologie Plan (RTP). In dit plan wordt hoge prioriteit gegeven aan de verdere ontwikkeling en uitvoering van het technologieen innovatiebeleid. Daarbinnen draait alles om de toepassing van (nieuwe) kennis in bedrijven.

Het beleid wordt vormgegeven samen met en uitgevoerd door instanties die het bedrijfsleven ondersteunen bij hun vernieuwingsproces (intermediaire organisaties en kennisinstellingen). In het kader van het RTP is de zogeheten RTPmatrix geconstrueerd. Dit inhoudelijk ontwikkelingskader combineert de vijf stappen van het vernieuwingsproces binnen bedrijven (sensibilisering, kennisontsluiting, verbetering, innovatie en samenwerking) met de vier activiteitenclusters die binnen het RTP zijn te onderscheiden: • kennis in bedrijven; • kennistransfer; • nieuwe bedrijvigheid; • flankerende activiteiten en internationalisering. In het begin lag de nadruk met name op bedrijfsgerichte innovatieprojecten. De laatste jaren zijn instrumenten ontwikkeld die zich met name richten op voorwaardenscheppende acties (sensibilisering, kennisontsluiting) om innovatie binnen het bereik van een groter aantal en minder innovatieve bedrijven te brengen. Er zijn dan ook, naast individuele projecten, een aantal programma’s en regelingen ontwikkeld. Hiermee konden bedrijven op een meer gerichte manier worden benaderd en meer bedrijven dan in het verleden worden bereikt. Daardoor werd het ook makkelijker om met de uitvoerende partijen van het provinciaal innovatiebeleid (met name Syntens en LIOF) afspraken te maken over een gecombineerde inzet van menskracht en middelen op een beperkt aantal programma’s en regelingen. In het kader van het RTP lag de nadruk van de programma’s in 1999 op bewustmaking/activering, kennis/vernieuwing, internationalisering (deelname aan EU-programma’s), nieuwe impulsen, samenwerking en externe kennis. Inspelend op de huidige economische trends en ontwikkelingen en de opkomst van de netwerkeconomie zal het technologie- en innovatiebeleid zich in 2000 e.v. nog nadrukkelijker dan voorheen gaan richten op kennisverankering, netwerkontwikkeling en samenwerking.

individualisering) werkt in Limburg nog steeds door. Tevens treedt er een diversificatie in de leefvormen en woonwensen op afhankelijk van de levensfase. Daarbij wordt de kwaliteit van de woning steeds belangrijker. Mensen wegen aspecten als prijs, ligging, indeling, locatie en omgeving tegen elkaar af. De omstandigheden in een regio bepalen daarbij een groot deel van de tevredenheid met de huidige locatie en eventuele woonwensen. Voor Limburg kunnen de volgende trends worden geformuleerd: • Toename van de aantrekkingskracht van wonen in de directe nabijheid van natuurgebieden en groeiende recreatie in natuur, met goede bereikbare stedelijke hoogwaardige voorzieningen. • Dalend draagvlak voor grote ingrepen in het landelijk en stedelijk gebied. Mede vanuit het streven van mensen naar een gevarieerd en gezond bestaan, ontstaat een toenemende belangstelling voor de natuur en de oude stedelijke structuur en architectuur. In Limburg doet zich als gevolg van de hoge bevolkingsdichtheid en de toenemende economische groei de situatie voor dat een aantrekkelijke woonprovincie ruimtelijk onder druk kan komen te staan. Herstructurering van bestaande woonwijken De Provincie is van mening dat in de toekomst een steeds selectiever gebruik van de ruimte nodig is. Om ruimtegebruik te optimaliseren is een belangrijke opgave voor de komende jaren de herstructurering van naoorlogse wijken in zowel grotere als kleinere steden. Infrastructuur, bodemsanering, groenvoorzieningen, bedrijvigheid en overige voorzieningen zijn daarin belangrijke aandachtspunten. Initiatieven voor verbetering van de sociale en arbeidsmarktpositie van de bewoners van de naoorlogse wijken moeten hier zoveel mogelijk op aansluiten. Niet-storende bedrijvigheid in of nabij deze woonwijken, kan in dit opzicht een positieve impuls opleveren voor de arbeidsparticipatie van de wijkbewoners. Herstructurering is daarmee een wezenlijk onderdeel van een integraal stedelijk vernieuwingsproces. Het provinciale en landelijke Grotestedenbeleid zijn, tezamen met het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing (ISV), belangrijke instrumenten om te komen tot een samenhangend beleid van economische structuurversterking, sociale cohesie en omgevingskwaliteit. De Provincie benadrukt daarbij een integrale benadering.

5.7

Woonmilieu

Provincie Limburg

De kwaliteit van het wonen in Limburg wordt enerzijds beïnvloed door ontwikkelingen op het kwantitatieve vlak en anderzijds spelen kwalitatieve ontwikkelingen een rol. Er komen steeds minder starters op de woningmarkt. De verdunning van de bewoning (als gevolg van echtscheidingen, vergrijzing en

hoofdstuk 5 • pagina 34

Voor de toekomst zal men zich niet zozeer dienen te richten op de kwantitatieve invulling van de woningbehoefte, maar veelmeer op de kwalitatieve invulling daarvan. Daarbij zijn onder meer herstructurering, nieuwbouwdifferentiatie, woonruimteverdeling en duurzaamheid speerpunten. Combinaties van functies Een ander belangrijke opgave om de kwaliteit van het woonmilieu te verbeteren is een verbetering van de milieukwaliteit. De Provincie wil in dat kader de ruimtelijke inpassing van bedrijven, bedrijventerreinen en infrastructuur enerzijds en woningen anderzijds beter afstemmen op de heersende of gewenste milieukwaliteit. Dit betekent soms scheiding van functies, maar soms juist ook een combinatie daarvan. De milieukwaliteit zal afgestemd moeten zijn op de lokale situatie en dat betekent dat deze dus niet overal hetzelfde hoeft te zijn. Hierbij sluit de Provincie aan bij de dereguleringsoperaties. Uitgangspunt is dat de gemeenten de eerste verantwoordelijke bestuurslaag zijn voor het oplossen van de milieuproblemen in de woon

omgeving. In deze lijn zal de Provincie, indien mogelijk en zinvol, een aantal bevoegdheden aan gemeenten overdragen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de vergunningverlening aan bedrijven van lokaal belang met een lokale milieubelasting en het vaststellen van bodemsaneringsplannen voor lokale gevallen van bodemverontreiniging. Groenvoorzieningen Groen in en om de woonomgeving is voor het woonmilieu van groot belang. De ruimte in Limburg vormt een belangrijke reden voor inwoners van Limburg om zich hier te vestigen en te blijven vestigen. Daarom wil de Provincie in aanvulling op de ecologische hoofdstructuur in en nabij de centrumsteden van de vijf stadsregio’s meer ‘mensgerichte’ natuur ontwikkelen. In de periode tot 2010 gaat het dan gemiddeld om 100 ha per jaar. In gebieden met waardevolle landschappen voert de Provincie een open ruimtebeleid met contouren en richtcijfers voor de woningbouw. De uitwerking daarvan doet de Provincie in nauw overleg met de gemeenten in die gebieden.

5

hoofdstuk 5 • pagina 35

Investeringsklimaat

Provincie Limburg

ORGANISATIE BEDRIJVENTERREINENBELEID

6

In de onderstaande paragrafen wordt deze cyclus voor het bedrijventerreinenbeleid uitgewerkt. 6.1.1 Planning De beleidscyclus voor de totstandkoming van de planning staat uitvoerig beschreven in paragraaf § 2.1. Kort gesteld wordt het ruimtelijk economisch beleid ten aanzien van de ontwikkeling van bedrijventerreinen vastgelegd in het POL welke resulteert in een planning van het aantal te ontwikkelen ha bedrijventerreinen. Op basis van een confrontatie tussen vraag en aanbod worden tekorten en overschotten in beeld gebracht. Deze zijn vertaald in een planningsopgave voor de periode tot 2010. Daarbij is niet enkel aandacht aan omvang in hectaren geschonken, maar tevens aan segmentering van terreinen. Op basis van de bestuurlijke gesprekken met gemeenten in het kader van het POL heeft er overleg plaatsgevonden over de planning zoals deze in deze visie is opgenomen. In overleg met de regionale partners zijn de strategische projecten benoemd. De planningsopgave dient voor een belangrijk deel nog te worden vertaald in concrete locaties. In § 6.1.4 onder het kopje Regionaal Overleg geven wij aan op welke wijze in overleg met de betrokken gemeenten de planningsopgave wordt geconcretiseerd. 6.1.2 Uitvoering Het bedrijventerreinbeleid wordt in de vorm van projecten uitgevoerd. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de projecten is in handen van gemeenten, samenwerkingsverbanden van gemeenten (zoals REO Midden-Limburg), en LIOF Bedrijventerreinen. De rol van de Provincie zal per project verschillen. Hierbij maken wij onderscheid in twee categorieën projecten: majeure en overige projecten. Majeure projecten hebben beleidsmatig een zodanige impact dat een directe bemoeienis van Provincie nodig is. Bij de afweging of een project majeur is spelen de volgende aspecten in meer of mindere mate een rol. • grootschalig karakter van het project; • specifieke functie voor de regio; • complexiteit qua inhoud en betrokken partijen; • de projecten liggen op het grondgebied van een kleinere gemeenten; • de projecten een hoog risicoprofiel hebben; Overigens hoeft een project niet aan alle genoemde criteria te voldoen. Naast de majeure projecten zullen projecten ontwikkeld worden in de stedelijke gebieden door

6

De beleidslijnen voor bedrijventerreinen zijn in het voorgaande ruim aan bod gekomen. De grootste zorg voor de Provincie is echter of de verschillende doelstellingen ook tot uitvoering komen. Daarbij heeft de Provincie op delen zelf een actieve rol bij de uitvoering dan wel dat de Provincie zich (mede) verantwoordelijk voelt om de ontwikkelingen en uitvoering op provinciaal niveau te volgen. Naast het onderscheid in organisatie tussen de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en revitalisering wordt aandacht besteed aan regionale samenwerking, selectiviteit in uitgifte, grondverwerving en subsidies en financiering. Ten aanzien van het ontwikkelen van genoemde aspecten en de programmering van de uitvoering verwijzen wij naar bijlage 2.

6.1

Plannen, uitvoeren en monitoren van het ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen

De Provincie voelt zich mede verantwoordelijk voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en het monitoren van de uitvoering. Het geheel van plannen, uitvoeren, monitoren, rapporteren en het bijstellen van plannen wordt aangeduid met de term planning en control.

Uitvoeren

Plannen

Monitoren en rapporteren

hoofdstuk 6 • pagina 37

Organisatie bedrijventerreinenbeleid

de centrumgemeenten en lokale terreinen in het landelijk gebied. De gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de uitvoering van deze projecten. De rol van Provincie is meer op afstand in de vorm van ondersteunen, toetsen en subsidieverlening aan de projecten in de stedelijke gebieden. In 1997 is op initiatief van de Provincie gestart met een nieuwe organisatie voor de ontwikkeling van bovenregionale bedrijventerreinen. Hiervoor is het takenpakket van de Industriebank LIOF uitgebreid en is LIOF Bedrijventerreinen BV (LIOF BT) opgericht. LIOF BT heeft als doelstelling het proces van de ontwikkeling van majeure projecten te ondersteunen en indien nodig financieel te participeren in de exploitatie van terreinen. Voor de Provincie en LIOF is uiteindelijk de inzet een regionaal model waarin gemeenten, LIOF en eventueel private partijen samenwerken. In het traject van ontwikkeling, exploitatie en uitgifte kan de inbreng van marktpartijen voordelen opleveren. Ook op rijksniveau wordt nadrukkelijker ingezet op publiek-private samenwerking van investeringsprojecten. Door de rijksoverheid zal in ieder geval overlegd worden met de EU voor wat betreft de inzet van overheidsmiddelen in PPS-vormen en de mogelijkheden binnen het aanbestedingsbeleid. Als Provincie zijn wij met LIOF BT doende kennis te vergaren omtrent PPS-constructies in relatie tot de projectontwikkeling van bedrijventerreinen. Mogelijk dat LIOF BT hierin een adviserende rol kan gaan vervullen. Daar waar de Provincie samenwerkingsverbanden aangaat met gemeenten eventueel in combinatie met LIOF BT en/of private partijen streeft de Provincie ernaar om de samenwerking en de rol verdeling per project vast te leggen. Hierdoor worden partijen gedwongen een heldere rolverdeling te bepalen alsmede de formele betrokkenheid bij het project vast te leggen. 6.1.3 Monitoren Een goed werkend monitoring-systeem is essentieel om als Provincie sturing te kunnen geven aan de ontwikkeling van bedrijventerreinen binnen Limburg. Inzicht in de actuele situatie is nodig. Daartoe wordt jaarlijks de bedrijventerreinen enquête uitgevoerd door ETIL in samenwerking met LIOF. Daarbij wordt inzicht verkregen in de uitgifte van terreinen, het ter beschikking komen van nieuwe capaciteit alsmede prijzen van uitgeefbare kavels.

Op basis van de enquête wordt inzicht verkregen en worden trends zichtbaar met betrekking tot capaciteit, (ijzeren-)voorraad, uitgiftesnelheden en segmentering. De normering ten aanzien van uitgiftesnelheid en ijzeren-voorraad wordt eveneens in de analyse betrokken. De gegevens van de enquête worden ingebracht in een geautomatiseerd systeem (REBIS) waardoor snel analyses kunnen worden gemaakt. REBIS is momenteel in ontwikkeling en zal in 2001 operationeel worden. REBIS zal ook inzicht geven in de uitgangspunten van het beleid en de validiteit van deze uitgangspunten. Het monitoringssysteem geeft zowel de beleidsmakers als de uitvoerders van dat beleid zicht op ontwikkelingen. 6.1.4 Rapporteren Op basis van de monitoring wordt elk jaar een rapportage samengesteld. Hieronder worden de verschillende doelgroepen van de rapportage beschreven. BLM Jaarlijks dient de Provincie te rapporteren aan de Rijksplanologische Dienst (RPD) van VROM inzake het Integraal Bedrijventerreinen Informatie Systeem (IBIS). Het ministerie van Economische Zaken verwerkt de IBIS cijfers in de Bedrijfs-locatie Monitor (BLM). Op basis van de BLM vormt het Ministerie van Economische Zaken een beeld van de nationale ontwikkelingen waarop zij haar beleid kan inrichten. Regionaal overleg Op basis van de rapportage organiseert de Provincie minimaal een keer per jaar een overleg met de gemeenten over de ontwikkelingen van bedrijventerreinen. Onderwerpen zijn; planning, segmentering, uitgifte, (ijzeren)-voorraad, revitalisering (zie § 6.2) en de daaruit voortvloeiende knelpunten. Het overleg zal minimaal bestaan uit een ambtelijke bijeenkomst en een keer per jaar een bestuurlijke bijeenkomst. De ontwikkeling van bedrijventerreinen dient vanuit een regionaal perspectief te worden bekeken. Knelpunten en oplossingen dienen zich vooral op regionale schaal aan. In dat kader dient ook aan de orde te komen op welke wijze de planningsopgave van het POL wordt vertaald naar concrete locaties. Het regionaal overleg kan de aanleiding zijn dat er een locatie onderzoek wordt opgestart waarin gemeenten en/of samenwerkingsverbanden en de Provincie betrokken zijn.

Provincie Limburg

hoofdstuk 6 • pagina 38

De regionale oriëntatie betekent dat een overleg met gemeenten enkel zin heeft wanneer dat op regionaal niveau vorm krijgt. Daarbij moet een balans worden gevonden tussen enerzijds de schaalgrootte waarop bedrijventerreinen regionaal gepland worden en anderzijds dat er nog inhoudelijk constructief overleg mogelijk is. In lijn met de marktgebieden zoals deze zijn benoemd in hoofdstuk 2 stelt de Provincie voor aan de gemeenten om de gesprekken op COROP gebied te organiseren. COROP is een functionele indeling. Daarbij wordt gesproken met die gemeenten waar zich ontwikkelingen voordoen op het gebied van bedrijventerreinen. Het betreffen de centrumgemeenten, landelijke gemeenten met majeure projecten en landelijke gemeenten met een verzamelfunctie. Indien in een regio een samenwerkingsverband actief is dan ligt het zeer wel in de verwachting dat dit samenwerkingsverband haar gemeenten vertegenwoordigt. Momenteel dient daarbij te worden gedacht aan REO en Parkstad (zie § 6.3). Georganiseerd bedrijfsleven en overige belangen organisaties De rapportage wordt jaarlijks verspreid aan organisaties en instellingen welke belang hebben bij de ontwikkeling en revitalisering van bedrijventerreinen. Naar onze mening dienen de Kamers van Koophandel (Zuid-Limburg en Noord- en MiddenLimburg) en het Regiokantoor Zuid van het Ministerie van Economische Zaken deel te nemen aan de gesprekken op COROP niveau. Vervolgens dienen de Kamers van Koophandel zorg te dragen voor de afstemming met belangenorganisaties zoals LWV en LOZO. 6.1.5 Bijstellen activiteiten en beleid Op basis van de conclusies uit te rapportage en de gesprekken met de gemeenten vinden enerzijds wijzigingen in de geplande activiteiten en anderzijds bijstelling van het gevoerde beleid plaats. 2 Geplande activiteiten ³ Op basis van de geconstateerde ontwikkelingen worden projecten versneld uitgevoerd (of vertraagd). ³ De strategische reserves inzetten voor projecten. ³ Op basis van de geconstateerde ontwikkelingen wordt een ongewenste segmentatie op een terrein tegengegaan door selectiever kavels uit te geven.

2 Bedrijventerreinen strategie ³ Op basis van gewijzigde inzichten c.q. wijzigingen in de uitgangspunten van de strategie; aanpassingen van vraag en aanbod cijfers, heroverwegen van locaties, heroverweging segmentering. De wijzigingen in uitvoering en beleid worden voorgelegd aan Gedeputeerde Staten en worden verwerkt in het jaarprogramma.

6

6.2

Plannen, uitvoeren en monitoren van revitalisering

De planning en control van revitalisering richt zich op het revitaliseringsbeleid zoals dat in het POL is benoemd. Op dit moment betreffen het de vijf majeure revitaliseringsprojecten zoals deze in POL zijn benoemd. In deze paragraaf wordt de aandacht dan ook beperkt tot de organisatorische inrichting van revitalisering zonder de gehele cyclus te benoemen. Eerdere ervaringen leren dat de rollen van de diverse partijen voor de start van het project zorgvuldig gedefinieerd moeten worden. De gemeente zal onder meer bereid moeten zijn de trekkersrol op zich te nemen. Maar er zullen ook voldoende garanties moeten zijn dat het provinciale revitaliseringsbeleid gestalte krijgt in de geselecteerde pilotprojecten. De Provincie zal daarom intensief betrokken worden in de begeleiding van de projecten: op ambtelijk niveau deelname in de begeleidingscommissie. Op bestuurlijk niveau kan worden aangesloten bij het Grote Steden Beleid (GSB), respectievelijk de Parkstadstructuur. Om hiervoor voldoende zekerheid te verkrijgen wordt hierover een en ander in de bestuursovereenkomsten van GSB en Parkstad vastgelegd. Voor projecten welke niet vallen onder GSB zullen aparte overlegstructuren worden opgezet. Gelijk als bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen wil de Provincie LIOF BT positioneren om namens de Provincie een belangrijke rol te spelen bij majeure revitaliseringsprojecten. Al naar gelang de wensen van de gemeenten kan LIOF BT een rol hebben in de eerste fasen van bedrijvenscans en haalbaarheidsonderzoeken en in het verdere verloop van het project (plannen van aanpak, opstellen van het revitaliseringsplan) zou LIOF BT meer procesmatig betrokken kunnen worden. Deelname in de begeleidingscommissie is dan van belang. Al naar gelang de rol van LIOF BT bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen meer gestalte krijgt, zal ook de

hoofdstuk 6 • pagina 39

Organisatie bedrijventerreinenbeleid

betekenis van LIOF BT voor revitaliseringsprojecten kunnen toenemen.

6.3

Regionale samenwerking

Gezien de regionale betekenis van bedrijventerreinen ligt het voor de hand om op een regionale schaal te kijken naar de planning, ontwikkeling en uitgifte van bedrijventerreinen, alsmede het gezamenlijk uitvoeren van onderwerpen zoals revitalisering en beheer. De provincie Limburg is er voorstander van dat gemeenten zich op het niveau van regio’s organiseren ten aanzien van bedrijventerreinen in bredere zin. Uitgangspunt van samenwerking is om te kijken naar de specifieke situatie binnen de regio en de mogelijke voordelen in beeld te krijgen ten aanzien van: • Gezamenlijk ontwikkelen van terreinen: Is een regionale ontwikkelingsmaatschappij interessant? • Uitgifte beleid; is er sprake van een grote mate van concurrentie tussen terreinen? Kan dat meer gestuurd worden vanuit gezamenlijke planning en segmentatie? • Revitalisering; is kennisuitwisseling of het gezamenlijk opzetten van een revitaliseringorganisatie wenselijk? • Beheer; is het gezamenlijk opzetten van beheerorganisaties nodig of is kennisuitwisseling zinvol? Momenteel zijn er binnen Limburg een drietal initiatieven waarbij regionale samenwerking wordt beoogd. REO In Midden-Limburg is reeds Regionaal Economische Ontwikkeling Midden-Limburg BV (REO) opgericht die op schaal van de regio Roermond actief is voor bestaande en nieuwe bedrijventerreinen. REO is een samenwerkingsverband van de gemeenten Roermond, Roerdalen, Haelen en Maasbracht. Naast de gemeenten is LIOF Bedrijventerreinen BV nog aandeelhouder. De gemeente Echt overweegt eveneens om deel te nemen aan REO. REO is verantwoordelijk voor de exploitatie, verkoop, beheer en onderhoud van bedrijventerreinen in deze gebieden. REO is momenteel actief met een aantal grotere projecten waaronder de Keulsebaan Zuid (ontwikkeling), Zevenellen (ontwikkeling en revitalisering) en Willem Alexander (revitalisering).

Parkstad Limburg In Parkstad Limburg werken acht gemeenten samen op basis van een gezamenlijke bestuursovereenkomst om de diverse knelpunten en problemen in de regio op te lossen. De deelnemende (acht) gemeenten willen zich gezamenlijk inzetten voor een optimale ontwikkeling van de regio op het vlak van economie, leefomgeving en zorg, vanuit de overtuiging dat samenwerking de kracht van de regio versterkt en daarmee ook de positie van de individuele deelnemers. De inzet daarbij is dat het niet meer moet gaan om lokale problemen, maar om een regionale opgave. Momenteel wordt onderzocht op welke wijze het beheer en revitalisering van bedrijventerreinen binnen Parkstad kan worden opgepakt. Westelijke Mijnstreek In de Westelijke Mijnstreek is op basis van een analyse onderzocht welke problemen in de regio spelen op het gebied van bedrijventerreinen en welke van deze problemen het beste kunnen worden opgelost op basis van regionale samenwerking. Vier onderwerpen zijn benoemd waarvoor regionale samenwerking binnen de Westelijke Mijnstreek gewenst is: • planning, segmentering en fasering van terreinen in de regio, inclusief afstemming van de uitgifte; • informatie-uitwisseling en gezamenlijk optrekken bij bedrijfsverplaatsingen; • aanpak van eventuele toekomstige revitaliseringen; • beheer van bedrijventerreinen / bedrijventerreinmanagement. De regio werkt er momenteel aan om het samenwerkingsverband invulling te geven. De Provincie wil regionale samenwerking stimuleren. Het periodiek te organiseren regionaal overleg tussen de gemeenten en de Provincie op COROP niveau (zie paragraaf 6.1.4) heeft een rol om regionale samenwerking te stimuleren. Tijdens dit overleg worden de bedrijventerreinen enquête en de analyses uit REBIS besproken alsmede actuele ontwikkelingen en problemen op het gebied van bedrijventerreinen. Het initiatief om daadwerkelijk tot regionale samenwerking over te gaan ligt primair bij de gemeenten. Indien dat initiatief er is, dan is de Provincie bereid om het proces om te komen tot regionale samenwerking te ondersteunen, mogelijk en indien gewenst in samenwerking met LIOF BT.

Provincie Limburg

hoofdstuk 6 • pagina 40

Momenteel zien wij naast de reeds genoemde regionale initiatieven nog twee regio’s waar een regionale aanpak wenselijk zou zijn. • Maastricht en omliggende gemeenten; vanwege de zeer beperkte ruimtelijke mogelijkheden van Maastricht. • Afstemming op de as Venlo, Horst, Venray; op een relatief klein grondgebied vinden gelijktijdig een aantal grote ontwikkelingen plaats.

benadering per regio zal een onderneming op de ene locatie beter scoren dan op een andere (rangorde). De waardering wordt gehanteerd bij het werven, stimuleren en wellicht ontmoedigen dat een bedrijf zich in een regio zal verplaatsen of vestigen en dient ook als uitgangspunt bij de bepaling of en in welke mate de regio bereid is ‘incentives’ in te zetten of een project anderszins te ondersteunen. Het is niet de bedoeling van de Provincie om gemeenten (voor zover eigenaar van de grond) aan te tasten in hun autonome bevoegdheden omtrent het wel of niet toelaten van bedrijvigheid op enig terrein. Het is echter van belang dat bij de gronduitgifte een integrale afweging wordt gemaakt tussen economische aspecten en grondgebruik c.q. milieu, zodat ook in de toekomst voldoende bedrijventerreinen beschikbaar zijn. De Provincie zal het gebruik van de wenselijkheidsformule stimuleren. In eerste instantie zal daarvoor het regionaal overleg zoals beschreven in § 6.1.4 worden gebruikt. LIOF hanteert in haar activiteiten de wenselijkheidsformule (acquisitie, bedrijventerreinen).

6

6.4

Selectiviteit in uitgifte

Om een duurzame economische ontwikkeling te waarborgen is het belangrijk dat in de behoefte aan ruimte op een verantwoorde manier wordt voorzien. Het optimaal inzetten van de beschikbare ruimte voor economische ontwikkeling wordt van steeds groter belang, waarbij niet meer het maximaliseren van de afzet van hectaren grond (kwantiteit) het uitgangspunt dient te zijn, maar de totale ‘waarde’ van de nieuwe vestiger of verplaatser voor de regio (kwaliteit). Door LIOF is in overleg met de Provincie een instrument ontwikkeld dat gebruikt kan worden bij de afweging voor de uitgifte van kavels aan bedrijven genaamd de wenselijkheidsformule. Deze ‘wenselijkheidsformule’ biedt een handvat om grondeigenaren te ondersteunen bij de besluitvorming over een vestiging van een onderneming op een bedrijventerrein, door de initiële effecten van deze vestiging, maar met name de structurele effecten mee te wegen. Naast economisch effecten, hebben arbeidsmarkten milieueffecten een prominente rol in deze integrale afweging. Ook wanneer er voldoende ruimte voorhanden lijkt te zijn, is het vanuit duurzaamheidoptiek van belang dat de beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk wordt ingezet. Het instrument is opgebouwd uit een aantal criteria en beoogt inzichtelijk te maken wat de betekenis van het bedrijf is c.q. wat het bedrijf toevoegt aan de regio in termen van financiële aspecten, ruimtebeslag, milieu aspecten, arbeidsmarktaspecten en productiestructuur. Hierdoor wordt de integrale, toegevoegde waarde zichtbaar gemaakt, zoveel mogelijk gedifferentieerd naar specifieke kenmerken voor de regio. De methode kan gebruikt worden voor zowel verplaatsers als voor nieuwe vestigers met een substantiële ruimtevraag (ten minste 1 ha). Op basis van het ondernemingsplan van de te vestigen onderneming of instelling wordt een waardering toegekend. Door de gedifferentieerde

6.5

Grondverwerving

6.6

Subsidies / Financiering

In het vervolgtraject zal de Provincie het proces (mede) ondersteunen en waar nodig haar eigen financieel instrumentarium, in de vorm van subsidies, inzetten of als intermediair fungeren

hoofdstuk 6 • pagina 41

Organisatie bedrijventerreinenbeleid

Bij de ontwikkeling van grootschalige ruimtelijke investeringen is de grondverwerving in toenemende mate een knelpunt. Marktpartijen verwerven in een vroegtijdig stadium strategische posities, waardoor de overheidspartijen hun regiefunctie kwijtraken. Het publiekrechtelijk instrumentarium (WVG, onteigening e.d.) is in veel gevallen niet effectief inzetbaar. Door de Provincie worden momenteel de mogelijkheden onderzocht voor een actief grondverwervingsbeleid. Het te ontwikkelen beleid is niet enkel van toepassing op bedrijventerreinen maar heeft voor alle beleidsvelden met een ruimtelijke component betekenis. De Provincie ontwikkeld beleid om als overheidspartijen binnen Limburg beter gecoördineerd en met meer afstemming gronden tijdig beschikbaar te krijgen voor projecten.

bij het verwerven van rijks- c.q. Europese subsidiemiddelen. De inzet van financiële middelen voor majeure projecten is afhankelijk van de bijdrage aan de ontwikkeling van het provinciaal beleid, het exploitatietekort en/of de risico’s die zijn verbonden aan de exploitatie. Onderstaand worden de belangrijkste subsidiemogelijkheden c.q.-regelingen genoemd: 2 Reserve Grote Infrastructurele Werken (GIW) provincie Limburg ten behoeve van cofinanciering TIPP projecten voor ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. 2 Revitaliseringsfonds provincie Limburg. Dit fonds is reeds gecommitteerd voor vijf revitaliseringsprojecten en wordt tevens ingezet als cofinanciering van TIPP projecten. 2 TIPP regeling (aanvragen lopen via de Provincie, hoofdgroep Economie en Gemeentefinanciën, afdeling Economische Infrastructuur en Toerisme) 2 Werken aan duurzame bedrijventerreinen (aanvragen lopen via Novem) 2 Diverse regelingen op deelaspecten van duurzaamheid (informatie via de Provincie Cluster Milieuzorg en Bedrijven) 2 Stichting Intensief Ruimtegebruik (StIR) (aanvragen lopen via de Provincie hoofdgroep Ruimte, Groen en Verkeer) 2 ICES 2 Europees programma doelstelling 2 en 5b phasing out (onder voorbehoud goedkeuring programma begin 2001):

³ Ontwikkeling en revitalisering van bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen. ³ Betreft gedeelte van Noord- en MiddenLimburg; onder andere de gemeenten (of delen van gemeenten) Nederweert, Helden, Horst, Venray, Venlo en Maasbree. ³ Periode betreft 2000 t/m 2006 ³ Aanvragen lopen via de Provincie, hoofdgroep Economie en Gemeente Financiën, unit Programma’s). 2 Europees programma doelstelling 2 phasing out (onder voorbehoud goedkeuring programma begin 2001): ³ Ontwikkeling en revitalisering van bedrijventerreinen en bedrijfsverzamelgebouwen. ³ Betreft gedeelte van Parkstad en Westelijke Mijnstreek; onder andere de gemeenten Heerlen, Kerkrade, Landgraaf, Geleen, Sittard, Beek, Born en Brunssum. ³ Periode betreft 2000 t/m 2005 ³ Aanvragen lopen via de Provincie, hoofdgroep Economie en Gemeente Financiën, unit Programma’s). De cofinanciering door de Provincie ten aanzien van de TIPP regeling wordt geput uit de fondsen Reserve Grote Infrastructurele Werken en het Revitaliseringsfonds. Deze bieden voldoende ruimte om te voorzien in de noodzakelijke cofinanciering.

Provincie Limburg

hoofdstuk 6 • pagina 42

Bijlage 1:

b

Projecten TIPP in het kader van bedrijventerreinenbeleid Voor wat betreft het bedrijventerreinenbeleid wordt voor projecten prioriteit gegeven aan vier categorieën projecten. I. Harde plannen die zijn opgenomen in vigerende streekplannen met een bovenregionale status. Van een aantal projecten is de uitvoering vertraagd. Veelal heeft dit te maken met procedures. Deze vertraging zorgt wel voor een acuut knelpunt in het aanbod van de desbetreffende regio. Project Segment Stand van Zaken Realisatie StiREAbijdrage (*1) 7,5 mln.(*1)

• Avantis (GOB Heerlen-Aachen) • Trilandis (Beitel-Zuid Heerlen) • Zevenellen (EPZ Buggenum) • Maastricht/Eijsden • Keulsebaan-Zuid Roermond 2de fase • Holtum-Noord • Industrial Parc Swentibold (NedCar) • Tradeport-Noord Venlo

Bedrijvenpark Gemengd Plus Gemengd Plus Modern gemengd Modern gemengd Transport en distributie Modern gemengd Transport en distributie Bedrijvenpark Modern gemengd Chemie

Nieuw goedkeuringsbesluit GS Beroep RvSt

2001 2001

2,5 mln. Goedkeuringsbesluit GS Vigerend bestemmingsplan Bestemmingsplan vastgesteld 2001 2001 2003 2003

Graetheide

Streekplan vastgesteld Bestemmingsplan in voorbereiding

2004

(*1) Avantis en Trilandes zijn gezamenlijk ingediend voor StiREA. De projecten die een StiREA bijdrage hebben ontvangen komen niet meer voor TIPP in aanmerking.

bijlage 1 • pagina 43

Bijlage 1

II. De revitaliseringsprojecten Provincie geeft aan de revitaliseringsprojecten in de stedelijke gebieden Venlo, Roermond, Westelijke Mijnstreek, Maastricht en Heerlen/Parkstad prioriteit. III.Projecten die invulling geven aan de planningsopgave voor het POL Het betreft de projecten ten behoeve van de planningsopgave tot 2010 in de stedelijke gebieden en logistieke/industriële c.q. funtiespecifieke terreinen. IV. Toeristische projecten Het betreffen projecten waarbij op grotere schaal ontwikkelingen c.q. locaties worden gecombineerd waarmee algemene infrastructuur wordt gerealiseerd. Het belangrijkste project betreft Landschapspark Gravenrode/Strijthagen. De lokale bedrijventerreinen worden expliciet uitgesloten van de TIPP regeling

Provincie Limburg

bijlage 1 • pagina 44

Bijlage 2:

b
Periode toelichting: 2000-2001 2001-2002 doorlopend 2000-2001 2000-2001 2000-2001 2000-2001 2001-2002 2001 doorlopend doorlopend implementeren geautomatiseerd systeem interne afstemming uitvoering geven aan duurzaamheid

Uitvoeringsprogramma Provincie 2000/2004 Onderwerp ALGEMEEN POL / BT REBIS subsidies Alliantie ZN / Incodelta duurzaamheid handl. bestemmingspl. grondbeleid Goederenvervoer/mobiliteit Venlo Uitwerking segmentering Monitoren bedrijventerreinen Bestemmingsplannen PROJECTEN MAA HN II IPS Ei van St. Joost Graetheide TPN glastuinbouw EPZ Buggenum te ontwikkelen BT Weert te ontwikkelen BT Venray te ontwikkelen BT Roermond te ontwikkelen Hendrik VOF revitalisering Maastricht revitalisering Parkstad revitalisering Venlo revitalisering WM revitalisering Roermond GEBIEDEN Regionaal overleg COROP samenwerking WM samenwerking Parkstad samenwerking M’tricht e.o. samenwerk. as Venray-Venlo POL aanvulling Z.- en M.-Limburg planningsopgave Parkstad verzamelterreinen Gennep verzamelterreinen Helden verzamelterreinen Echt

ROC beleid/multimodaliteit/OLS/masterplan

2000-2003 2000-2002 2000-2002 2001-2003 2001-2004 2000-2003 2000-2003 2001-2002 2001-2004 2001-2004 2001-2004 2001-2004 2000-2004 2000-2004 2000-2004 2000-2004 2000-2004

realisatie van bedrijventerrein realisatie van bedrijventerrein realisatie van bedrijventerrein realisatie van bedrijventerrein realisatie van bedrijventerrein realisatie van bedrijventerrein realisatie van bedrijventerrein realisatie van bedrijventerrein realisatie van bedrijventerrein realisatie van bedrijventerrein realisatie van bedrijventerrein realisatie van bedrijventerrein realisatie van revitalisering realisatie van revitalisering realisatie van revitalisering realisatie van revitalisering realisatie van revitalisering

bijlage 2 • pagina 45

Bijlage 2

2001 2000-2001 2000-2001 2001-2002 2001-2002 2001-2002 2001-2002 2001-2002 2001-2002 2001-2002

organiseren van overleg op COROP niveau totstandkoming van regionale samenwerking totstandkoming van regionale samenwerking totstandkoming van regionale samenwerking totstandkoming van regionale samenwerking opstellen invulling planningsopgave organiseren regionaal overleg organiseren regionaal overleg organiseren regionaal overleg

Provincie Limburg

0

hoofdstuk x • pagina 47

xxxxxxxxxxxxxx