0% found this document useful (0 votes)
366 views52 pages

Practicum Psychodiagnostiek: Werkboek

Uploaded by

Britt Thyssen
Copyright
© © All Rights Reserved
We take content rights seriously. If you suspect this is your content, claim it here.
Available Formats
Download as PDF, TXT or read online on Scribd
0% found this document useful (0 votes)
366 views52 pages

Practicum Psychodiagnostiek: Werkboek

Uploaded by

Britt Thyssen
Copyright
© © All Rights Reserved
We take content rights seriously. If you suspect this is your content, claim it here.
Available Formats
Download as PDF, TXT or read online on Scribd

Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

WERKBOEK

Practicum
Psychodiagnostiek

1
Structuur
Open van het werkboek Practicum
Universiteit Psychodiagnostiek
Practicum Psychodiagnostiek

INHOUD WERKBOEK Bladzijde Additioneel materiaal

Practicumhandleiding 3 – Reader
– Digitale leeromgeving yOUlearn
Bijlage 1 Overzicht van de tests in deze cursus 13
Bijlage 2 Berekenen en interpreteren van testscores 45

2
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Practicumhandleiding

Practicumgroepsbijeenkomst 1

(cursusweek 3, plenair op het studiecentrum)

Doel van bijeenkomst


– kennismaking met medestudenten en docent
– eerste ervaring opdoen met het voeren van een intakegesprek

VOORBEREIDING

Lezen
– Instructie simulatiegesprekken (cursussite, week 3)

Meenemen
– digitale werkboek
– opnameapparatuur
– observatieformulieren (cursussite, week 3 onderdeel Observeren en rollenspel)

Simulatiegesprekken voorbereiden
– Bereid de cliëntrol voor op basis van de casus die je van de docent hebt ontvangen.
– Bereid het intakegesprek met je eigen cliënt voor op basis van de Instructie simulatiegesprekken.

PROGRAMMA GROEPSBIJEENKOMST 1

Programmaonderdeel tijdsduur (minuten)


1 Kennismaking en ruimte voor vragen 20
2 Eerste ronde intakegesprek 40
3 Tweede ronde intakegesprek 40
pauze 15
4 Derde ronde intakegesprek 40
5 Plenaire nabespreking en
uitleg bijeenkomst 2 25

totale duur 3 uur

WERKWIJZE

1 Welkom en ruimte voor vragen (20 minuten)


Korte kennismaking. Vervolgens kunnen studenten vragen stellen over de te voeren gesprekken.

2-4 Werkwijze simulatiegesprekken


Er wordt gewerkt in een groepje van drie (of eventueel vier) studenten. Iedere student oefent een intake-
gesprek. De rol van de cliënt wordt gespeeld door een medestudent aan de hand van een casus die door de
docent is toegestuurd. De derde (en eventueel vierde) student vervult de rol van observator. Hieronder geven
we aan wat per onderdeel de bedoeling is.

3
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Tijdsverdeling in de rollenspelen
5 minuten voorbespreking
20 minuten intakegesprek
15 minuten nabespreking
Voorbespreking (5 minuten)
Tijdens deze korte voorbespreking vraagt de observator de psycholoog naar zijn of haar leerpunten, en
spreekt met de psycholoog af wie op de tijd zal letten. Ook bespreekt de observator de mogelijkheid tot een
time-out in het gesprek. Een time-out is een kort tussentijds overleg tussen psycholoog en observator.

Intakegesprek (20 minuten)


De psycholoog begint met het voeren van een intakegesprek van 20 minuten met de cliënt. De observator
observeert het gesprek.

Nabespreking (15 minuten)


De psycholoog mag stoom af blazen; de cliënt vertelt kort hoe hij of zij de hulpverlener in diens rol heeft
ervaren. Vervolgens geeft de observator feedback op de wijze waarop de psycholoog het gesprek heeft
gevoerd. Aan het eind van de terugkoppeling overleggen de psycholoog en observator welke onderzoeks-
vragen en tests hier relevant zijn.

5 Plenair nabespreken en uitleg bijeenkomst 2 (25 minuten)


In deze plenaire nabespreking is er ruimte om de ervaringen met de simulatiegesprekken uit te wisselen en
vragen te stellen. De docent geeft informatie over groepsbijeenkomst 2.

4
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Practicumgroepsbijeenkomst 2

(cursusweek 6, plenair op het studiecentrum)

Doel van bijeenkomst


– ervaring opdoen met het voeren van een terugkoppelingsgesprek,
– het verkrijgen van kennis, inzicht en vaardigheid in het terugkoppelen van de uitkomsten van
het onderzoek naar jouw cliënt,
– ervaring opdoen met het bespreken van de consequentie hiervan voor de vragen van de cliënt

VOORBEREIDING

Lezen
– Instructie simulatiegesprekken (cursussite, week 6, Leesopdracht)

Meenemen
– digitale werkboek
– opnameapparatuur
– stopwatch/timer
– observatieformulieren (cursussite, week 6, Observeren rollenspel)

Simulatiegesprekken voorbereiden
– Bereid de cliëntrol voor op basis van de casus die je van de docent hebt ontvangen.
– Bereid het terugkoppelingsgesprek met je eigen cliënt voor op basis van de Instructie
simulatie-gesprekken en de door de docent nagekeken opdrachten van week 5.

PROGRAMMA GROEPSBIJEENKOMST 2

Programmaonderdeel tijdsduur (minuten)


1 Welkom 15
2 Eerste ronde terugkoppelingsgesprek 40
3 Tweede ronde terugkoppelingsgesprek 40
pauze 15
4 Derde ronde terugkoppelingsgesprek 40
5 Plenaire nabespreking en
uitleg week 7-9 30

totale duur 3 uur

WERKWIJZE

1 Welkom en ruimte voor vragen (15 minuten)


Welkomstwoord door de docent. Vervolgens kunnen studenten vragen stellen over de te voeren gesprekken.

2-4 Werkwijze simulatiegesprekken


Er wordt gewerkt in een groepje van drie (of eventueel vier) studenten. Iedere student oefent een
terugkoppelingsgesprek. De rol van de cliënt wordt gespeeld door een medestudent aan de hand van
een casus die door de docent is toegestuurd. De derde (en eventueel vierde) student vervult de rol van
observator. Hieronder geven we aan wat per onderdeel de bedoeling is.

Tijdsverdeling in de rollenspelen
5 minuten voorbespreking
20 minuten terugkoppelingsgesprek
15 minuten nabespreking

5
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Voorbespreking (5 minuten)
Tijdens deze korte voorbespreking vraagt de observator de psycholoog naar zijn of haar leerpunten, en
spreekt met de psycholoog af wie op de tijd zal letten. Ook bespreekt de observator de mogelijkheid tot een
time-out in het gesprek. Een time-out is een kort tussentijds overleg tussen psycholoog en observator.

Terugkoppelingsgesprek (20 minuten)


De psycholoog begint met het voeren van het terugkoppelingsgesprek van 20 minuten met de cliënt waarin
de testresultaten worden besproken. Op basis van de testuitslagen kijken psycholoog en cliënt naar de con-
sequenties voor de vragen van de cliënt. De observator observeert het gesprek.

Nabespreking (15 minuten)


De psycholoog mag stoom af blazen; de cliënt vertelt kort hoe hij of zij de hulpverlener in diens rol heeft
ervaren. Vervolgens geeft de observator feedback op het terugkoppelingsgesprek.

5 Plenair nabespreken en uitleg van de bijeenkomsten 2 en 3 (30 minuten)


In deze plenaire nabespreking is er ruimte om de ervaringen met de simulatiegesprekken uit te wisselen en
vragen te stellen.
De docent geeft uitleg over de bijeenkomsten van week 7 tot en met 9 waarin studenten in subgroepjes
nogmaals oefenen met behulp van simulatiegesprekken, ditmaal inclusief het afnemen, scoren en normeren
van psychologische tests. De studenten dienen zelf een geluidsopname te maken van het rollenspel in die
bijeenkomsten. De docent geeft de studenten een instructie voor de rol van cliënt, voor het gebruik van de
tests en overlegt hoe de geluidsopname zal plaatsvinden.

6
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Rollenspel 1: intake en testafname

(cursusweek 7 of 8, in drietallen op studiecentrum naar keuze)

Deze week oefen je nogmaals met het psychodiagnostisch proces, dit keer inclusief het intakegesprek en
het afnemen, scoren en normeren van de tests. De practicumbijeenkomst vindt zonder docent plaats in
subgroepjes van drie of vier studenten die zijn gevormd bij de bijeenkomst in week 6. Je maakt hiervoor
onderling afspraken over de tijd en de plaats van de bijeenkomst. In verband met het benodigde
testmateriaal moet de bijeenkomst plaatsvinden in een studiecentrum van de Open Universiteit. Houd
rekening met een bijeenkomst van circa 5 uur.

In de groepjes oefent steeds weer één persoon de rol van psycholoog, een tweede persoon vervult de rol
van cliënt en de derde (en eventueel vierde persoon) neemt de rol van observator en feedbackgever voor
zijn rekening. Iedere student oefent het intakegesprek één keer. Je maakt een video- of audio-opname van
het simulatiegesprek waarin je de rol van psycholoog hebt geoefend. Na afloop van de gesprekken maakt,
scoort en normeert iedere student op het studiecentrum één of twee paper-and-pencil-tests. Na afloop
van de bijeenkomst maak je thuis digitaal nog twee tests. Ten slotte schrijf je het eerste gedeelte van het
eindverslag.

Doel van de bijeenkomst


– het leren voeren van het intakegesprek
– het leren afnemen, scoren en normeren van tests.

VOORBEREIDING

Lezen
– bijlage 1: Overzicht van de tests in deze cursus
– bijlage 2: Berekenen en interpreteren van testscores
– Instructie simulatiegesprekken (cursussite, week 7-9)
– Instructie rapportage (cursussite, week 7-9)

Meenemen
– digitale werkboek
– opnameapparatuur
– stopwatch/timer
– observatieformulieren (cursussite, week 7-9)

Simulatiegesprekken voorbereiden
– Reserveer een ruimte in een studiecentrum.
– Bereid een cliëntrol voor op basis van de feedback van jouw docent.
– Bereid het gesprek voor op basis van de Instructie simulatiegesprekken.

Ruimte reserveren
Je kunt de bijeenkomst van deze week uitvoeren op het tijdstip dat jullie als groepje het beste uitkomt in
week 7 of 8. Het oefenen van de intakegesprekken en een deel van de testafnames dient plaats te vinden
op een OU-studiecentrum waar een testkast aanwezig is. Je kunt hiervoor terecht bij de studiecentra
Amsterdam, Eindhoven, Heerlen, Nijmegen, Rotterdam, Utrecht of Zwolle. Reserveer hiervoor een
gespreksruimte, houd daarbij rekening met een bijeenkomst van circa 5 uur en de openingstijden van
het studiecentrum!

Testafnames
Je gaat deze week daadwerkelijk tests afnemen bij jouw cliënt. Deze afname gebeurt deels digitaal via
internet en deels handmatig via een paper-and-pencil-test. Bij de paper-and-pencil-test moet je de door de
cliënt ingevulde formulieren zelf handmatig scoren en normeren. Je gaat daarvoor gebruikmaken van de
testkast die aanwezig is op het studiecentrum waar je met je groepje hebt afgesproken.

7
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Op dit psychologisch testmateriaal rust een speciale auteursrechtelijke bescherming. Vaak heeft het
ontwikkelen van een test met normgroepen vele jaren werk gekost en het is niet de bedoeling dat de inhoud
van testitems of normeringssleutels publiek bekend wordt. Veel tests zouden daardoor onbruikbaar worden.
Daarom mag het testmateriaal alleen onder toezicht binnen het studiecentrum worden gebruikt.
De handleidingen en normeringssleutels mogen niet mee naar huis genomen of gekopieerd worden.
In totaal heb je tijd om drie of vier tests af te nemen. Neem één of twee tests handmatig af en twee tests
digitaal. Het staat je vrij om desgewenst meer paper-and-penciltests (dus niet online) af te nemen of zelf te
maken buiten de uren van het practicum. De testkast is gedurende het hele practicum beschikbaar voor de
studenten.

Opnameapparatuur
Het is de bedoeling dat je de gesprekken, die je voert als psycholoog, opneemt. Deze opname gebruik je
later bij het schrijven van het eindverslag. Voor het maken van de opname dien je een digitale voice- of
videorecorder mee te nemen (zit soms ingebouwd in bijvoorbeeld een iPad of een mobiele telefoon).
Controleer vooraf goed of je hiermee lange gesprekken (circa 45 minuten) kunt opnemen.

Timer/stopwatch
Bij de afname van sommige tests (intelligentietests, neuropsychologische tests) dien je gebruik te maken van
een timer/stopwatch. Ook deze is vaak te vinden op een mobiele telefoon of iPad. Ga vooraf na of je hierover
kunt beschikken.

PROGRAMMA ROLLENSPEL 1: INTAKE EN TESTAFNAME

Programmaonderdeel tijdsduur (minuten)


1 Eerste ronde intakegesprek (cliënt 1) 60
2 Tweede ronde intakegesprek (cliënt 2) 60
3 Derde ronde intakegesprek (cliënt 3) 60
4 Testafname, scoring en normering 30

totale duur 3 uur

WERKWIJZE

Je werkt in een groepje van drie (of eventueel vier) studenten. Iedere student oefent een intakegesprek
met een cliënt. De werkwijze zal dezelfde zijn als in de eerste bijeenkomst, echter de tijd voor het gesprek
is ditmaal langer. Het intakegesprek zal 40 minuten duren. De rol van de cliënt wordt gespeeld door een
medestudent. De derde (en eventueel vierde) student vervult de rol van observator. Iedere student neemt de
gesprekken op waarin hij of zij de rol van psycholoog oefent. De observator zal aan het einde van het gesprek
feedback geven en eventueel met de cliënt suggesties doen voor geschikte onderzoeksvragen en tests.
Hieronder geven we nogmaals kort aan wat de bedoeling per onderdeel is.

Tijdsverdeling in de rollenspelen
5 minuten voorbespreking
40 minuten intakegesprek
15 minuten nabespreking

Voorbespreking (5 minuten)
Tijdens deze korte voorbespreking vraagt de observator de psycholoog naar zijn of haar leerpunten, en
spreekt met de psycholoog af wie op de tijd zal letten. Ook bespreekt de observator de mogelijkheid tot een
time-out in het gesprek. Een time-out is een kort tussentijds overleg tussen psycholoog en observator. De
observator controleert de apparatuur en start de opname (NB: Neem het gesprek op met de apparatuur van
de psycholoog).

Intakegesprek (40 minuten)


De psycholoog begint met het voeren van het intakegesprek van 40 minuten met de cliënt. De observator
observeert het gesprek.

8
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Nabespreking (15 minuten)


De psycholoog mag stoom af blazen; de cliënt vertelt kort hoe hij of zij de hulpverlener in diens rol heeft
ervaren. Vervolgens geeft de observator feedback op de wijze waarop de psycholoog het gesprek heeft
gevoerd. Als tijdens het gesprek nog geen duidelijkheid is ontstaan over de onderzoeksvragen en de te
gebruiken tests, overleggen de psycholoog en de observator welke onderzoeksvragen relevant zijn en welke
tests als hulpmiddel in het onderzoek kunnen worden gebruikt. Binnen de gestelde tijd kun je drie à vier
tests afnemen en terugkoppelen. Kies daarom alleen de meest relevante tests.

Keuze van afnamewijze


Van de drie à vier tests die je voor je cliënt kiest, neem je één of twee tests handmatig af op het studie-
centrum aansluitend aan de intakegesprekken. De overige twee tests kun je op een later moment digitaal
afnemen, zie daarvoor de uitleg op de cursussite. Niet alle tests uit de cursus zijn digitaal beschikbaar dus ga
eerst na welke van de af te nemen tests digitaal beschikbaar zijn en kies op grond daarvan de test(s) die je
handmatig af wilt nemen.

Tests die zowel online als op papier afgenomen kunnen worden:


– PMT (prestatie Motivate Test)
– SCL-90-R (Sympton Checklist -90-R)
– UCL-93 (Utrechtse Coping Lijst)
– IOA (Inventarsatielijst Omgaan met Anderen)
– NPV-2-R (Nederlandse Persoonlijkheids Vragenlijst 2 Revised)

Tests die alleen op papier (in een studiecentrum) afgenomen kunnen worden:
– Neuropsychologische tests (MMSI, 15WL, STROOP, d2)
– Intelligentietests (DAT en DTHN)
– BDI-II-NL-R (Beck’s Depression Inventory – II – Nederlands – Revised)
– SIG (Schaal voor Interpersoonlijk Gedrag)
– PANAS (Positief en Negatief Affect Schaal)
– HEXACO

Tests die alleen online afgenomen kunnen worden:


– NRV (Nederlandse Relatie Vragenlijst)

TESTAFNAMES OP STUDIECENTRA

Voorbereiden van de testafname


Bij de balie van het studiecentrum kun je informeren naar de testkast. Bekijk de handleidingen bij de test(s)
die je voor jouw cliënt hebt gekozen. Zoek in de handleidingen naar de instructies voor afname, scoring
en normering van de desbetreffende test en ga na of je je cliënt nog specifieke instructies moet geven.
Bekijk ook het testmateriaal voor iedere test want dit kan per test sterk verschillen (soms testboekjes,
doordrukvellen, mallen).

Invullen van de tests


Iedere student vult de test in die zijn of haar psycholoog heeft uitgekozen. Bij intelligentietests of
neuropsychologische tests moet de psycholoog de afname begeleiden (denk aan de stopwatch/timer voor
de vastge- stelde tijdsduur van de test). Bij de overige tests is begeleiding niet nodig.

Scoring en normering van de tests


Iedere cliënt geeft het ingevulde testmateriaal aan diens psycholoog. Als psycholoog bereken je de ruwe
scores van jouw cliënt volgens de instructie in de desbetreffende testhandleiding. Vervolgens normeer je
deze ruwe score zoals in de testhandleiding staat aangegeven. De genormeerde scores van je cliënt neem je
mee naar huis ter voorbereiding van het terugkoppelingsgesprek.

Het is raadzaam om thuis alvast een eerste versie van het eindverslag te schrijven tot aan het
terugkoppelingsgesprek. Dit helpt je om de informatie uit het intakegesprek en de testonderzoeken
gestructureerd op een rij te zetten en vormt zo een goede voorbereiding voor het terugkoppelingsgesprek.

9
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Rollenspel 2: interpretatie en terugkoppeling

(cursusweek 8 of 9, in drietallen op studiecentrum of eigen locatie)

Deze week oefen je nogmaals het terugkoppelingsgesprek, deze keer met je cliënt van vorige week.
De practicumbijeenkomst vindt zonder docent plaats in hetzelfde subgroepje. Je maakt hiervoor
onderling afspraken over de tijd en de plaats van de bijeenkomst. De bijeenkomst hoeft niet plaats te
vinden op een studiecentrum. Houd rekening met een bijeenkomst van circa 3 uur.

Iedere student oefent het terugkoppelingsgesprek één keer. Je maakt weer een audio-of vidoe-opname van
het simulatiegesprek waarin je de rol van psycholoog hebt geoefend. Na afloop maak je het eindverslag af
en stuurt dit via de cursussite voor de door jouw docent gegeven deadline in.

Doel van de bijeenkomst


– het nogmaals oefenen met het terugkoppelen van de onderzoeksuitkomsten in het terugkoppelings-
gesprek

VOORBEREIDING

Doorlezen
– Instructie simulatiegesprekken
– Instructie rapportage

Meenemen
– digitale werkboek
– testuitslagen en conclusies
– opnameapparatuur
– observatieformulieren (cursussite, week 7-9)

Simulatiegesprekken voorbereiden
– Ter voorbereiding van de simulatiegesprekken lees je de Instructie simulatiegesprekken door.
– Daarnaast bereid je je vanuit je rol als cliënt voor op het terugkoppelingsgesprek (leef je in, hoe zou de
cliënt zich voelen als die de uitslagen van de tests te horen gaat krijgen?)
– Voor je rol als psycholoog interpreteer je de testuitslagen van je cliënt. Op basis van deze resultaten en de
gegevens uit het intakegesprek kom je tot voorlopige conclusies en een voorlopig advies. Bereid je voor
op het terugkoppelingsgesprek: hoe ga je de testresultaten terugkoppelen; welke vragen wil je bespre-
ken met je cliënt, wat is jouw advies op grond van het onderzoek?

PROGRAMMA ROLLENSPEL 2: INTERPRETATIE EN TERUGKOPPELING

Programmaonderdeel tijdsduur (minuten)


1 Eerste ronde terugkoppelingsgesprek 60
2 Tweede ronde terugkoppelingsgesprek 60
2 Derde ronde terugkoppelingsgesprek 60

totale duur 3 uur

WERKWIJZE

Je werkt weer in hetzelfde groepje van drie (of eventueel vier) studenten waar je de vorige keer mee hebt
gewerkt. Iedere student oefent een terugkoppelingsgesprek. De werkwijze zal dezelfde zijn als in de tweede
bijeenkomst, echter de tijd voor het gesprek is ditmaal langer. Het gesprek zal 40 minuten duren. De derde
(en eventueel vierde) student vervult de rol van observator. Iedere student neemt de gesprekken waarin hij
of zij de rol van psycholoog oefent op. De observator zal aan het einde van het gesprek feedback geven.
Hieronder geven we nogmaals kort aan wat de bedoeling per onderdeel is.

10
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Tijdsverdeling in de rollenspelen
5 minuten voorbespreking
40 minuten gesprek
15 minuten nabespreking

Voorbespreking (5 minuten)
Bij de voorbespreking van het terugkoppelingsgesprek bespreekt de psycholoog diens plannen voor
het terugkoppelingsgesprek met de observator. De observator geeft waar nodig aanvullende adviezen.
De observator vraagt de psycholoog naar zijn of haar leerpunten en spreekt met de psycholoog af wie
op de tijd zal letten. Ook bespreekt de observator de mogelijkheid tot een time-out in het gesprek.
De observator controleert de apparatuur en start de opname.

Gesprek (40 minuten)


De psycholoog begint met het voeren van het terugkoppelingsgesprek met de cliënt. De observator
observeert het gesprek.

Nabespreking (15 minuten)


De psycholoog mag stoom af blazen; de cliënt vertelt kort hoe hij of zij de hulpverlener in diens rol heeft
ervaren. Vervolgens geeft de observator feedback op het gesprek.

VERSLAGLEGGING

Iedere student heeft na afloop van de bijeenkomst een opname van het intake- en terugkoppelingsgesprek
waarin hij of zij de rol van psycholoog vervult. Schrijf in week 10 en 11 het eindverslag op basis van de
onderzoeksuitkomsten, de twee opnames (intake- en terugkoppelingsgesprek) en de gegeven feedback.
Zie voor de richtlijnen van verslaggeving de Instructie rapportage. Stuur het eindverslag via de cursussite
voor de door jouw docent gegeven deadline in.

Het eindverslag wordt met een cijfer beoordeeld door de docent.


Het eindcijfer van de cursus wordt bepaald door de cijfers van het tentamen en het eindverslag.

11
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Practicumgroepsbijeenkomst 3

(cursusweek 10, op het studiecentrum)

Tijdens deze laatste bijeenkomst wordt teruggekeken op de simulatiegesprekken van week 7 tot en
met 9 en wordt stilgestaan bij de beroepsethische aspecten van psychodiagnostiek. Iedere student
heeft door de simulatiegesprekken inmiddels aan den lijve kunnen ondervinden hoe het is om als
cliënt gediagnosticeerd te worden. Vanuit die ervaring en mogelijke andere ervaringen uit het verleden
of jouw omgeving staan we stil bij wat de ethische richtlijnen van de beroepsvereniging te melden
hebben over ethisch verantwoord handelen.
De bijeenkomst vindt plaats op het studiecentrum onder begeleiding van de docent.

Doel van de bijeenkomst


– het leren van elkaars ervaringen door het bespreken van de bevindingen in de subgroepen
– het verkrijgen van kennis, inzicht en bewustwording ten aanzien van ethische aspecten van
psychodiagnostiek

VOORBEREIDING

Nabespreken simulatiegesprekken
Bedenk op basis van de gesprekken en het eindverslag welke punten je hierover wilt bespreken. Het kan
hierbij zowel gaan om vragen, problemen en onduidelijkheden als om positieve ervaringen of nieuwe
inzichten die je tijdens de gesprekken hebt opgedaan. Zoek hierbij eventueel een corresponderend
fragment uit je gespreksopnames.

Bedenk op basis van de Beroepscode/Standaard en op basis van je eigen ervaringen bij de simulatie-
gesprekken en/of op basis van eigen ervaringen of van bekenden uit het verleden, tenminste drie
concrete beroepsethische dilemma's bij psychodiagnostiek. Geef een korte beschrijving van de situatie.
Geef aan wat de ethische richtlijnen in deze gevallen zouden voorschrijven en hoe je hier zelf tegenover
staat. Stuur deze dilemma's via de instuuropdracht naar je docent.

PROGRAMMA GROEPSBIJEENKOMST 3

Programmaonderdeel tijdsduur (minuten)


1 Welkom 5
2 Bespreken van ervaringen simulatiegesprekken 55
pauze 15
3 Discussie over ethische aspecten 90
4 Cursusevaluatie 15

totale duur 3 uur

WERKWIJZE

1 Welkom (5 minuten)
De docent heet iedereen welkom en bespreekt de opzet van de bijeenkomst.

2 Bespreken van ervaringen simulatiegesprekken (55 minuten)


Studenten bespreken hun ervaringen met de simulatiegesprekken in de groep. Hierbij gaat het vooral om
de toepassing van diagnostische vaardigheden. Eventuele ethische aspecten van de simulatiegesprekken
komen na de pauze aan bod.

3 Discussie over ethische aspecten (90 minuten)


Tijdens de simulatiegesprekken heeft iedere student ervaren hoe het is om als cliënt psychodiagnostiek
te ‘ondergaan’. Ook heeft iedere student kennisgenomen van de Beroepscode en Algemene Standaard
Testgebruik van het NIP. Aan de hand van de eigen ervaringen en van casussen uit de beroepspraktijk
discussieert de groep over verschillende ethische aspecten bij psychodiagnostiek.

12
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Bijlage 1

Overzicht van de tests in deze cursus

INLEIDING

In deze bijlage vind je een overzicht van de tests die in deze cursus worden gebruikt. Het doel van de bijlage
is het bieden van een naslagwerk bij de casussen waarmee je in de cursus gaat werken.
Je dient de inhoud van deze bijlage voorafgaand aan de eerste practicumbijeenkomst één keer door te lezen.
Daarna kun je deze gebruiken om snel gegevens over een specifieke test op te zoeken.

De diagnosticus kan voor het beoordelen van de kwaliteit van de test gebruikmaken van het oordeel over
de test van de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN). Dit is een commissie die in 1959 is
ingesteld door het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP). Eén van de belangrijkste taken van de
commissie is het publiceren van een overzicht van in Nederland gebruikte tests, die de commissie heeft
onderzocht op zeven belangrijke criteria. Deze criteria zijn uitgangspunten testconstructie, kwaliteit van het
testmateriaal, kwaliteit van de handleiding, normen, betrouwbaarheid, begripsvaliditeit en criteriumvaliditeit.
De COTAN geeft voor elk van deze punten een oordeel op een driepuntsschaal: onvoldoende, voldoende of
goed. Voor verdere uitleg over deze kwalificaties en de manier waarop tot de oordelen is gekomen, wordt
verwezen naar Documentatie van Tests en Testresearch in Nederland (1992)1.

In het volgende gedeelte van deze bijlage wordt voor elke test die in deze cursus aan bod komt, een
samenvatting van de desbetreffende testhandleiding gegeven en het COTAN-oordeel. Per test wordt
informatie gegeven over:

− wat de test bedoelt te meten (Meetpretentie)


− wat voor schalen de test gebruikt, wat de betekenis van die schalen is en hoe de scores op die schalen
worden berekend (Schalen en scores)
− op wat voor manier de test moet worden afgenomen en hoe de tests gescoord moeten worden
(Afname en scoring)
− welke normgroepen voor de test beschikbaar zijn (Normgroepen)
− in hoeverre de test aan de criteria van de Commissie Testaangelegenheden Nederland voldoet
(COTAN-oordeel).

Op de volgende pagina tref je een inhoudsopgave aan, waarin staat aangegeven waar je een test kunt
vinden.

1 Via de computers in de studiecentra kun je de beoordelingen van de COTAN raadplegen,


[Link]

13
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Overzicht van de tests in deze cursus


Test blz.

Intelligentietests

• THN: Testserie voor Hoger Niveau (Drenth-serie) 15


• VAT: Verbale Aanleg Testserie 15
• NAT: Numerieke Aanleg Testserie 16
• TNVA: Test voor Niet-Verbale Abstractie 17
• DAT voor HRM: Differentiële Aanleg Testserie 19

Neuropsychologische vragenlijsten

• MMSE: Mini Mental State Examination 21


• Vijftien-woordenleertest 21
• Stroop-test 22
• d2: Aandachts- en concentratietest 23

Persoonlijkheidsvragenlijsten

• NPV-2-R: Nederlandse Persoonlijkheids Vragenlijst 25


• HEXACO PI-R: Persoonlijkheidsvragenlijst 28

Probleemgerichte vragenlijsten

• PMT: Prestatie Motivatie Test 34


• SCL-90-R: Symptom Checklist 35
• BDI-II-NL: Becks Depression Inventory 37
• IOA: Inventarisatielijst Omgaan met Anderen 39
• UCL: Utrechtse Copinglijst 40
• PANAS: Positive and Negative Affect Schedule 42

Contextgerichte vragenlijst

• NRV: Nederlandse Relatie Vragenlijst 43

14
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Intelligentietests
THN: Testserie voor Hoger Niveau (Drenth-serie)

• VAT: Verbale Aanleg Testserie


• NAT: Numerieke Aanleg Testserie
• TNVA: Test Voor Niet-Verbale Abstractie
• DAT voor HRM: Differentiële Aanleg Testserie

Auteurs: P.J.D. Drenth en P.C.W. van Wieringen 1969 (VAT), 1970 (NAT), 1965 (TNVA)
Hernormering 2001
Uitgever: Pearson Assessment

De THN is een testbatterij die verschillende aspecten van intelligentie meet. Hieronder zal per test verder
worden ingegaan op welke aspecten van intelligentie worden gemeten. De THN bestaat uit zes tests, drie
voor de VAT, twee voor de NAT en één voor de TNVA. In deze volgorde zullen ze hieronder worden behandeld.

COTAN-oordeel (2010)
Uitgangspunten testconstructie: voldoende kwaliteit van het testmateriaal: goed
Uitvoering van handleiding: onvoldoende1
Normen: onvoldoende2
Betrouwbaarheid: voldoende
Begripsvaliditeit: voldoende
Criteriumvaliditeit: onvoldoende³

1 Op een aantal belangrijke punten verschaft de handleiding te weinig of geen informatie.


2 Normen zijn niet representatief en/of representativiteit is niet goed te beoordelen of normen verouderd (voor havo-
gediplomeerden).
3 Te weinig onderzoek

VAT: Verbale Aanleg Testserie

Meetpretentie
De VAT meet de verbale aanleg van een persoon. De VAT bestaat uit drie tests. Deze drie zijn de test Verbale
analogieën, de test Woordenschat en de test Functies van woorden.
De eerste test wordt omschreven als een reasoning-test, waarbij redeneeroperaties dienen te geschieden
met semantisch materiaal. Eenvoudiger gezegd: deze test meet in hoeverre iemand in staat is te redeneren
met woorden.
Over de tweede test kunnen we kort zijn, die meet iemands woordenschat.
Met de derde test wordt iemands sensitiviteit voor grammaticale structuren gemeten. Simpel gezegd komt
het erop neer hoe goed iemand kan ontleden. Alleen hoeft men bij deze test de zinsdelen niet te benoemen,
zodat er geen beroep wordt gedaan op iemands grammaticale terminologie (zie ook het kopje Afname en
scoring).

Schalen en scores
Per test krijgt de persoon één score. De indicatie van iemands verbale aanleg bestaat dus uit drie testscores.
Deze scores worden omgezet in vigintielen. Dit zijn standaardscores die een frequentieverdeling in twintig
gelijke groepen verdelen.

Afname en scoring
De VAT wordt schriftelijk of per computer afgenomen. Dit kan zowel individueel als groepsgewijs. De
afnameduur van de test Verbale analogieën is 40 minuten, die van de test Woordenschat 15 minuten en de
test Functies van woorden duurt 25 minuten.

15
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

De test Verbale analogieën bevat 40 opgaven. De opgaven bestaan uit het vinden van twee paren woorden
waartussen een identieke relatie bestaat: a : b = c : d. Bijvoorbeeld:
..... : kort = breed : .....

Oplossing: lang staat tot kort als breed staat tot smal; het juiste antwoord is dus 2-E.
De test Woordenschat bevat 64 opgaven. De opgaven bestaan uit het aangeven van de betekenis van een
(moeilijk) woord. Bijvoorbeeld:

Vete betekent:
1 verwijt 2 familie 3 twist 4 kortsluiting 5 feest.

Oplossing: vete betekent twist; het juiste antwoord is 3.

De test Functies van woorden bevat 40 opgaven. De opgaven bestaan uit twee zinnen, waarbij in de eerste
zin een woord (of een woordcombinatie) is onderstreept. In de tweede zin zijn vijf woorden (of woordcom-
binaties) onderstreept en aangegeven met de letters A tot en met E. Het is de bedoeling dat uit de tweede
zin dat woord (of die woordcombinatie) wordt gekozen dat (die) dezelfde of de meest gelijke grammaticaal-
functionele betekenis heeft als het onderstreepte woord (of woordcombinatie) in de eerste zin.

Bijvoorbeeld:
Londen is de hoofdstad van Engeland.
Hij wilde in Scheveningen gaan logeren.
a b c d e

Oplossing: in de eerste zin, de zogenaamde sleutelzin, is Londen onderstreept. In de tweede zin vervult ‘hij’
dezelfde functie. Het juiste antwoord is dus A.

De VAT kan gescoord worden met behulp van sleutels. Elektronische scoring is ook mogelijk.

NB: Timer/Stopwatch nodig bij afname

Normgroepen
In de testhandleiding zijn voor de VAT de volgende normgroepen opgenomen: havo, vwo/hbo/wo, vwo/hbo
en wo.

NAT: Numerieke Aanleg Testserie

Meetpretentie
De NAT meet de numerieke aanleg van iemand. De NAT bestaat uit twee tests, de test Cijferreeksen en de
test Rekenvaardigheid. Meestal wordt de meetpretentie van de test Cijferreeksen beschreven als een
subcomponent van het bredere concept ‘abstracte intelligentie’.
Volgens Guilford (1965) wordt met dit type tests het vermogen om systemen in symbolisch materiaal te
ontdekken en te herkennen gemeten. Deze test wordt ook wel als een soort reasoning-test gezien. Deze
test meet dan in hoeverre iemand kan redeneren in cijfers en cijferreeksen.
De tweede test wordt meer als een numerical speedtest gezien. Hij meet rekenvaardigheid, opgevat als het
tempo waarin men eenvoudige rekenkundige bewerkingen kan uitvoeren.

Schalen en scores
Per test krijgt de persoon één score. De indicatie van iemands numerieke aanleg bestaat dus uit twee
test-scores. Deze scores worden omgezet in vigintielen. Dit zijn standaardscores die een frequentieverdeling
in twintig gelijke groepen verdelen.

16
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Afname en scoring
De NAT wordt schriftelijk of per computer afgenomen. Dit kan zowel individueel als groepsgewijs. De
afnameduur van de test Cijferreeksen is 30 minuten en die van de test Rekenvaardigheid is 8 minuten.
De test Cijferreeksen bestaat uit 26 items, waarbij een reeks telkens met één getal moet worden voortgezet.
Om dit goed te doen moet worden nagegaan volgens welk principe de reeks is opgezet. Bijvoorbeeld:

1, 3, 6, 10, 15, 21, ... Alternatieven: 26, 27, 28, 29, 30.

Oplossing: het principe van deze reeks is dat de verschillen tussen twee termen steeds met 1 toenemen.
Het juiste antwoord is dus 28.

De test Rekenvaardigheid bevat 80 rekensommen, waarbij steeds een keuze kan worden gemaakt uit vier
antwoordmogelijkheden. De test bevat drie typen rekensommen:
− rekenkundige operaties (optellen, aftrekken, delen en vermenigvuldigen)
− aard van de getallen (hele getallen, breuken, decimalen)
− plaats van het juiste antwoord (a − b = .., a − .. = c, .. − b = c).

De NAT kan gescoord worden met behulp van sleutels.

NB: Timer/Stopwatch nodig bij afname

Normgroepen
In de testhandleiding zijn voor de NAT de volgende normgroepen opgenomen: havo, vwo/hbo/wo, vwo/hbo
en wo

TNVA: Test voor Niet-Verbale Abstractie

Meetpretentie
De TNVA meet de niet-verbale intelligentie. Met behulp van één test die een appel doet op de bekwaamheid
om te kunnen abstraheren, waarbij het gaat om het waarnemen van relaties in abstracte figuurpatronen. In
de testliteratuur wordt dit soort tests gewoonlijk als een goede indicator voor het begrip ‘algemene intel-
ligentie’ beschouwd. Een voordeel van het niet-verbale karakter van de test is dat de scores weinig worden
beïnvloed door wat voor opleiding iemand heeft gehad.

Schalen en scores
Iedere geteste persoon krijgt één score. Deze score wordt omgezet in vigintielen. Dit zijn standaardscores die
een frequentieverdeling in twintig gelijke groepen verdelen.

Afname en scoring
De TNVA wordt schriftelijk of per computer afgenomen. Dit kan zowel individueel als groepsgewijs. De test
bestaat uit 40 opgaven en de afnameduur is 20 minuten. De test heeft een snelheidskarakter, dat wil zeggen
dat de test zo is gemaakt dat weinig personen de test af krijgen in de tijd die daarvoor staat.
De TNVA kan gescoord worden met behulp van sleutels. Elektronische scoring is ook mogelijk.
NB: Timer/Stopwatch nodig bij afname.

Normgroepen
In de testhandleiding zijn voor de TNVA de volgende normgroepen opgenomen: havo, vwo/hbo/wo, vwo/
hbo en wo.

17
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

DAT voor HRM

Nederlandse bewerking van de Differentiële Aanleg Test-NL-A van J. De Wit en E. Compaan (2005)
Uitgever: Pearson Assessement

Meetpretentie
De Differentiële Aanleg Testserie voor Human Resource Management (DAT voor HRM) is een volledig
herziene versie van de DAT’83, die gericht is op de HRM-markt. De DAT voor HRM meet intellectuele
capaciteiten, zoals intelligentiefactoren en vaardigheden. Deze kunnen worden gebruikt als hulpmiddel
bij het maken van keuzes op het gebied van loopbaan, reïntegratie en selectie.
De DAT bestaat uit 8 subtests, die ook elk afzonderlijk kunnen worden afgenomen. De subtests meten de
volgende capaciteiten:

WB: Woordbeeld
Deze subtest betreft de vaardigheid om woorden op de juiste wijze te kunnen schrijven en, voor een deel,
om de regels van de grammatica te kunnen toepassen. Deze test is van belang voor de schriftelijke
beheersing van alle talen.

Voorbeeldvraag:
Zijn viets is gisteren gestolen.
Geef aan of het onderstreepte woord goed of fout is geschreven.

TG: Taalgebruik
Bij deze subtest gaat het om gevoel voor zinsbouw, aanvoelen van wat juist en onjuist taalgebruik is. Dit is
van belang voor het Nederlands en de moderne talen, met name bij het maken van opstellen, verslagen,
spreekbeurten en dergelijke.

Voorbeeldvraag:
Ik nodig jullie uit aan mijn verjaardag
A B C D

In welk deel van deze zin staat een fout?

AN: Analogieën
Deze subtest meet het redeneren in taal en het vermogen om samenhangen te doorzien in schriftelijke en
mondeling aangeboden leerstof. Bij alle vakken heeft men dit vermogen nodig. De subtest bestaat uit 50
items.

Voorbeeldvraag:
.... staat tot zoet als citroen staat tot ........
a school − auto
b werk − hotel
c suiker − zuur
d hout − vork
e eten − ontbijt

Van deze vijf mogelijkheden moet het eerste woord passen op de open plaats aan het begin van de zin, het
tweede woord moet passen op de open plaats aan het einde van de zin. Welke mogelijkheid zou je kiezen?

FR: Figurenreeksen
In alle exacte vakken (bijvoorbeeld wiskunde, natuurkunde en scheikunde) zit een systeem. Om deze vakken
goed te kunnen begrijpen is inzicht in dergelijke systemen vereist. Deze subtest meet het exacte denken.
De subtest bestaat uit reeksen van vier figuren. Aan elke reeks ligt een bepaald principe ten grondslag dat
de cliënt moet zien te ontdekken. Op basis hiervan kiest de cliënt uit vijf alternatieven het figuur dat een
logische voortzetting van de gegeven reeks is.

18
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

RI: Ruimtelijk inzicht


Deze subtest betreft het vermogen om zich een voorstelling te kunnen maken hoe figuren, die in een plat
vlak zijn getekend, er als een ruimtelijk voorwerp uitzien en omgekeerd. Dit is van belang in de meetkunde,
de natuurkunde en de tekenvakken, in het bijzonder bij het vervaardigen en lezen van patronen en techni-
sche tekeningen. Deze subtest bestaat uit opgaven met vier alternatieven. Elke opgave bestaat uit een af-
gebeelde uitslag, waarbij de cliënt moet uitzoeken welk van de vier alternatieve objecten men door ‘vouwen’
van de gegeven uitslag kan maken.

RV: Rekenvaardigheid
Bij deze subtest gaat het om de vaardigheid die nodig is bij alle vakken waarvoor berekeningen gemaakt
moeten worden. Dit geldt niet alleen voor wiskunde of natuurkunde, maar ook voor boekhouden en eco-
nomie.

Voorbeeldvraag:
Tel op: Antwoord:
13 a) 14
12 b) 25
----+ c) 16
d) 59
e) geen van deze

Welk antwoord is goed?


In deze subtest komen geen vragen op verhaalbasis of zogenaamde verhaaltjessommen voor.

PI: Praktisch Inzicht


Deze subtest meet praktisch technisch inzicht en gevoel voor mechanische principes. Dit is vooral van belang
in technische opleidingen en beroepen. Het kan ook een rol spelen in de prestaties bij natuurkunde en
mechanica. De subtest bestaat uit min of meer technische af beeldingen, elk met drie alternatieven. De
vragen die bij de afbeeldingen worden gesteld, hebben betrekking op de werking van mechanische appa-
ratuur of op eenvoudige natuurkundige principes. De cliënt moet ofwel uit drie plaatjes dat plaatje kiezen
waarop de juiste oplossing is afgebeeld, ofwel bij een gegeven plaatje de juiste van drie verklaringen kiezen.

SN: Snelheid en nauwkeurigheid


Deze subtest heeft te maken met het verrichten van eenvoudige en routinematige administratieve handelin-
gen gedurende een korte tijd.

Voorbeeldvraag:
Opgaveboekje: Antwoordformulier:
BA AC AD AE AF AC AE AF AB AD

Welke combinatie op het antwoordformulier komt niet in de opgave voor?

Schalen en scores
De DAT voor HRM heeft acht schalen, namelijk de hierboven beschreven subtests. Per subtest krijgt de cliënt
een score (in totaal dus 8). De ruwe scores worden omgerekend naar stanines. Iedere geteste persoon krijgt
per test één ruwe score die wordt omgezet in een staninescore. Bij staninescores wordt de normaalverdeling
in negen eenheden (stanines) verdeeld. In het midden van de vijfde stanine ligt het gemiddelde van de ver-
deling. In de eerste en de negende stanines liggen de uitschieters. De scores zijn niet gelijk verdeeld over de
stanines (zie ook bijlage 2).

Afname en scoring
De tests van de DAT kunnen groepsgewijs of individueel worden afgenomen. De afnameduur varieert per
subtest van 6 tot 20 minuten, maar is in totaal ongeveer twee en een half uur.
De scoring gebeurt met behulp van plastic sleutels.
NB: Timer/Stopwatch nodig bij afname

19
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Normgroepen
De handleiding van de DAT voor HRM bevat normtabellen voor de volgende opleidingsniveaus: laag, midden
(algemeen, vmbo/mavo, mbo, havo) en hoog (hbo, vwo/wo).

COTAN-oordeel over de DAT voor HRM 2008


Uitgangspunten testconstructie: goed
Kwaliteit van het testmateriaal: goed
Kwaliteit van de handleiding goed
Normen onvoldoende1
Betrouwbaarheid voldoende
Begripsvaliditeit voldoende
Criteriumvaliditeit onvoldoende2

1 Normen niet representatief en/of de representativiteit is niet te beoordelen; de aantallen per normgroep zijn te klein.
2 geen onderzoek

20
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Neuropsychologische vragenlijsten
MMSE: Mini Mental State Examination

Auteurs: Folstein en Folstein (1975) vertaald door Kempen, Brilman en Ormel (1995)

Meetpretentie
Met behulp van deze screeningstest kan een globaal beeld worden gevormd van het cognitief functioneren.
De test wordt zowel gebruikt binnen klinisch als ook epidemiologisch onderzoek. Deze screeningstest wordt
voornamelijk gebruikt bij personen ouder dan 57 jaar, in de geriatrie en bij verouderingsonderzoek.

Schalen en scores
Dit meetinstrument bevat in totaal 20 vragen, die kunnen worden onderverdeeld in de subschalen oriëntatie
(10 vragen), registratie (1 vraag), geheugen (1 vraag), aandacht (1 vraag), taal (6 vragen) en constructie (1
vraag).

Afname en scoring
De test wordt individueel afgenomen en kan indien nodig ook worden afgenomen bij bedlegerige mensen.
De afname duurt circa 5 tot 15 minuten. De scoring vindt plaatst door de scores per subschaal op te tellen.
De totaalscore kan variëren van 0 tot 30, waarbij een hogere score een beter cognitief functioneren weer-
spiegeld.

Normering
Onderzoek heeft verschillende drempelscores bepaald, waarbij 24 staat voor een milde cognitieve achter-
uitgang en 17 of 18 voor een ernstige cognitieve achteruitgang.

COTAN-oordeel (2000)
Uitgangspunten testconstructie: voldoende
Kwaliteit van het testmateriaal: goed
Kwaliteit van de handleiding: onvoldoende1
Normen: onvoldoende2
Betrouwbaarheid: onvoldoende3
Begripsvaliditeit onvoldoende4
Criteriumvaliditeit: voldoende

1 Er is geen handleiding.
2 Wegens veroudering zijn de normen niet meer bruikbaar.
3 geen onderzoek
4 te weinig onderzoek

Vijftien-woordenleertest
(ook wel Auditieve verbale leeren geheugentest genoemd)

Auteur: Lezak (2004)

Meetpretentie
Deze test meet intentioneel leren en middellangetermijngeheugen.

Schalen en scores
Met behulp van deze test kunnen uitspraken worden gedaan over het verbale kortetermijngeheugen, de
leercurve, de uitgestelde reproductie en de herkenning.

21
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Afname en scoring
Tijdens deze test worden tweelettergrepige woorden één voor één twee seconden gepresenteerd aan de
onderzochte. Na presentatie van alle woorden wordt gevraagd om zo veel mogelijk woorden te noemen die
de onderzochte nog weet. Deze procedure wordt drie keer herhaald.
De eerste reproductie kan gezien worden als een maat voor het kortetermijngeheugen. Het totaal aan-
tal gereproduceerde woorden over de drie trials is een maat voor het middellange-termijngeheugen. Na
een interval van 15 minuten wordt de uitgestelde reproductie gemeten door te vragen welke woorden de
persoon nog weet. Vervolgens vindt er een herkenningsonderdeel plaats. Hierbij worden targetwoorden
en distractorwoorden getoond. De persoon moet telkens aangeven of het woord al dan niet behoort tot de
targetwoorden.

Normering
Er bestaat geen handleiding van deze taak, echter wetenschappelijk onderzoek heeft normen opgeleverd
vanuit een omvangrijke groep gezonde personen tussen 24 en 81 jaar. De normen zijn onderverdeeld per
leeftijds- en opleidingscategorie en voor mannen en vrouwen afzonderlijk.

COTAN-oordeel (2000)
op basis van de nieuwe vijftien-woordenleertest; Rey (1964), en Kalverboer en Deelman (1964)

Uitgangspunten testconstructie: voldoende


Kwaliteit van het testmateriaal: voldoende
Kwaliteit van de handleiding: voldoende
Normen: onvoldoende1
Betrouwbaarheid: goed
Begripsvaliditeit: goed
Criteriumvaliditeit: onvoldoende2

1 wegens veroudering zijn de normen niet meer bruikbaar


2 te weinig onderzoek

Stroop-test

Auteur: Hammes (1978)

Meetpretentie
Deze test meet interferentie in het cognitief functioneren. Met behulp van deze test kunnen uitspraken wor-
den gedaan over de mate waarin geautomatiseerd gedrag onderdrukt kan worden ten opzichte van minder
geautomatiseerd gedrag. Daarnaast kan ook een beeld worden verkregen van de algemene snelheid van
informatieverwerking (leesvlotheid en benoemen).

Schalen en scores
De test bestaat uit drie kaarten (A4) met 100 stimuli. De stimuli zijn op de kaart geordend in tien rijen met op
elke rij tien stimuli. Op de eerste kaart staan namen van kleuren in zwarte inkt gedrukt. Op de tweede kaart
staan gekleurde vakken. Op de derde kaart staan namen van kleuren gedrukt in een andere kleur.
De test bevat een antwoordformulier waarop de tijden en het aantal fouten genoteerd kunnen worden.

Afname en scoring
Tijdens deze test worden de kaarten een voor een voorgelegd aan de onderzochte. Bij de eerste kaart wordt
verzocht om de woorden zo snel mogelijk regel voor regel op te lezen. Bij de tweede kaart dient de onder-
zochte de vakjes met kleuren zo snel mogelijk te benoemen. En bij de derde kaart is het de bedoeling dat
de onderzochte zo snel mogelijk de kleur benoemt waarin de woorden zijn gedrukt. Bij elke kaart dient de
onderzoeker de benodigde tijd in secondes te noteren. Gedurende de taak worden ook eventuele fouten
bijgehouden.

22
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Een interferentiescore kan berekend worden door de benodigde tijd voor kaart twee af te trekken van de
benodigde tijd voor kaart drie. Er bestaan echter ook andere formules om de interferentiescore te bereke-
nen.
NB: Timer/Stopwatch nodig bij afname

Normering
De normen in de handleiding betreffen enkel personen tussen 8 en 12 jaar. Door Schmand, Houx en De
Koning is echter een normeringsprogramma opgesteld voor een brede leeftijdsgroep. Na normering worden
de scores uitgedrukt in T-scores en percentielen.

COTAN-oordeel (2003)
Uitgangspunten testconstructie: goed
Kwaliteit van het testmateriaal: goed
Kwaliteit van de handleiding: voldoende
Normen: voldoende
Betrouwbaarheid: goed
Begripsvaliditeit: voldoende
Criteriumvaliditeit: onvoldoende1

1 geen onderzoek

d2: aandachts- en concentratietest

Auteurs: Rolf Brickenkamp en Paul Oosterveld (2007) Uitgever: Hogrefe

Meetpretentie
De d2 is een instrument voor het meten van de visuele selectieve aandacht, snelheid van informatieverwer-
king en concentratievermogen. De test bestaat uit een eenvoudige testopgave, waarbij in een reeks letters
met verticale streepjes binnen korte tijd zo veel mogelijk letters 'd' met exact twee streepjes moeten worden
weggestreept.
De test kan worden afgenomen bij kinderen (vanaf 9 jaar) en volwassenen. De resultaten geven informatie
over het niveau en verloop van aandacht en concentratie tijdens de test, door te kijken naar:
– snelheid (totaal aantal verwerkte tekens)
– nauwkeurigheid (aantal en soort fouten)
– foutenpercentage
– totaal aantal verwerkte tekens gecorrigeerd voor het aantal fouten
– concentratie prestatie (het aantal correct doorgestreepte tekens minus het aantal foutief aangestreepte)
– variatie in tempo.

In het resulterende profiel wordt snelheid afgezet tegen nauwkeurigheid. Zo kan men, na normering in
T-scores, zien of iemand vergeleken met anderen concentratieproblemen heeft of juist hoog geconcentreerd
is, zorgvuldig en traag of juist snel en impulsief werkt, of één van de varianten daar tussenin. De score op
concentratie prestatie geeft een goede indicatie van het concentratievermogen.

Afname en scoring
Het invullen van de d2 duurt 8 minuten, inclusief instructie. Het verwerken van de scores met het
bijgeleverde scoringsprogramma duurt hooguit 10 minuten.
De d2 wordt geleverd met zelfscorende formulieren. De testnemer vult de d2 op papier in. Daarna wordt
het bovenste deel van het formulier erafgehaald en kan men op het ondervel de ruwe scores berekenen.
Deze worden vervolgens ingevoerd in het scoringsprogramma, waarmee de genormeerde scores en het
profiel berekend worden. Voor Vlaamse kinderen zijn aparte normscores beschikbaar; deze kunnen worden
verwerkt op los te bestellen profielformulieren. Bij Vlaamse volwassenen kan gewoon het scorings-
programma worden gebruikt.

23
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Normgroepen
De d2 is genormeerd voor volwassenen en voor kinderen volgens een continu normeringsmodel. De kinder-
versie heeft aparte normen voor Nederlandse en Vlaamse kinderen.
De normering in T-scores verloopt voor volwassenen en Nederlandse kinderen met behulp van het scorings-
programma. Voor Vlaamse kinderen zijn in de handleiding aparte tabellen opgenomen. Voor Vlaamse volwas-
senen zijn er geen aparte normen beschikbaar.

COTAN-oordeel (2008)
Uitgangspunten testconstructie: Goed
Kwaliteit van testmateriaal: Goed
Kwaliteit van handleiding: Goed
Normen: Onvoldoende1
Betrouwbaarheid: Onvoldoende2
Begripsvaliditeit: Onvoldoende³
Criteriumvaliditeit: Onvoldoende4

1 normen niet representatief en/of representativiteit is niet te beoordelen


2 geen onderzoek
3 geen onderzoek
4 geen onderzoek

24
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Persoonlijkheidsvragenlijsten
NPV-2-R: Nederlandse Persoonlijkheids Vragenlijst

Auteurs: D.P.H. Barelds, F. Luteijn en H. van Dijk (2007). Uitgever: Boom

Meetpretentie
De NPV-2-R is een zelfrapportagevragenlijst voor het meten van persoonlijkheidskenmerken bij adolescenten
en volwassen.

Schalen en scores
De NPV-2-R bestaat uit zeven schalen. Bij vier van deze schalen worden nog twee subschalen onderscheiden.
Hieronder worden de schalen en subschalen beschreven.

Inadequatie (IN)
Deze schaal is vergelijkbaar met de Big-5-factor Neuroticisme. Personen die hoog scoren op deze schaal
geven daarmee te kennen dat ze zich vaak gespannen, depressief en emotioneel instabiel voelen. Hiermee
gaan vaak gevoelens van onzekerheid, somberheid en machteloosheid gepaard. Ze geven aan vaak te pieke-
ren en slecht met stress en tegenslag om te kunnen gaan. Ze raken snel in paniek, zijn kwetsbaar en hebben
een lage frustratietolerantie.
Personen die laag scoren op deze schaal zeggen geen last te hebben van bovenstaande gevoelens en wor-
den gekenmerkt door het goed kunnen incasseren van tegenslagen en zijn relatief evenwichtig en stabiel.
Ze geven aan over het algemeen optimistisch, stressbestendig en tamelijk onbezorgd te zijn.

Inadequatie bevat nog twee subschalen, Depressiviteit en Angst.

Depressiviteit (DEP)
Hoogscoorders geven aan zich vaak somber en lusteloos te voelen en weinig energie te hebben. Laagscoor-
ders voelen zich opgewekt, en vrolijk en hebben behoorlijk veel energie.

Angst (ANG)
Personen die op deze subschaal hoog scoren geven aan vaak (over)bezorgd te zijn, raken snel in paniek en
zijn snel uit het veld geslagen. Mensen die laag scoren geven aan tamelijk onbezorgd te zijn en negatieve
gevoelens goed van zich af te kunnen zetten.

Sociale inadequatie (SI)


Deze schaal is vergelijkbaar met de Big-5-factor Extraversie.
Personen die op deze schaal hoog scoren, beschouwen zich als introvert en incompetent in contacten met
anderen. Ze geven aan dat ze zich in gezelschap ongemakkelijk, geremd en verlegen voelen. Personen die
laag scoren op deze schaal beschouwen zich als extravert, zeggen goed met anderen overweg te kunnen en
voelen zich vlot, open en sociaal.

Sociale Inadequatie bevat nog twee subschalen, Verlegenheid en Sociale vermijding.

Verlegenheid (VER)
Hoogscoorders geven aan het moeilijk te vinden om contact met anderen te leggen, zich afwachtend op te
stellen en zich sociaal angstig te voelen. Laagscoorders geven aan makkelijk met anderen contacten te leg-
gen, zijn daarin actief en voelen zich lekker in sociale contacten.

Sociale vermijding (SOC)


Personen die op deze subschaal hoog scoren geven aan koel en afstandelijk te zijn en gaan het liefst hun
eigen gang; volgens de testmakers zijn deze personen te typeren als einzelgänger. Laagscoorders geven aan
graag in gezelschap te zijn, liever samen te werken dan alleen en zich voor anderen open te stellen.

25
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Rigiditeit (RG)
Deze schaal is vergelijkbaar met de Big-5-factor Consciëntieusheid. Mensen met een hoge score op deze
schaal geven aan van een systematische aanpak te houden en graag controle over dingen te hebben. Ze
hanteren graag vaste gewoonten en vinden het moeilijk daarvan af te wijken.
Mensen met lage scores op deze schaal worden meer gekenmerkt door een flexibele instelling en het zoe-
ken naar nieuwe oplossingsmethoden. Ze geven aan graag te improviseren, vaak slordig te zijn en dingen
meestal ongestructureerd aan te pakken.

Rigiditeit bevat nog twee subschalen, Ordelijkheid en Inflexibiliteit.

Ordelijkheid (ORD)
Hoogscoorders geven aan gewetensvol, zorgvuldig, georganiseerd en voorzichtig te zijn. Laagscoorders
geven aan slordig, ongestructureerd en niet zo voorzichtig te zijn.

Inflexibiliteit (FLE)
Personen die op deze subschaal hoog scoren geven aan star te zijn in hun opvattingen, behoefte te hebben
aan veel zekerheid en niet van veranderingen te houden. Laagscoorders geven aan een flexibele houding te
hebben, zich gemakkelijk aan nieuwe omstandigheden aan te passen en ervan te houden nieuwe kennis op
te doen.

Verongelijktheid (VE)
Personen met een hoge score op deze schaal geven te kennen achterdochtig en vijandig tegenover anderen
te staan. Ze geven aan vaak en snel kritiek te geven, onvriendelijk, intolerant en ongeduldig te zijn.
Personen met een lage score op deze schaal geven aan in het algemeen goed naar anderen te kunnen luiste-
ren, tolerant, geduldig, vriendelijk en begrijpend te zijn.

Zelfgenoegzaamheid (ZE)
Mensen die op deze schaal hoog scoren, zeggen tevreden over zichzelf te zijn en weinig behoefte aan con-
tact met andere mensen te hebben . Ze geven aan egoïstisch, egocentrisch en niet geïnteresseerd in de pro-
blemen van anderen te zijn. Ze hebben weinig respect voor en houden weinig rekening met andere mensen.
Mensen die op deze schaal laag scoren, vinden van zichzelf dat ze geïnteresseerd zijn in anderen, hen willen
begrijpen en helpen. Ze geven aan empathisch en respectvol te zijn
NB: Personen die hoog scoren op zowel de RG-, VE− als de ZE-schaal, geven blijk van een dogmatische instel-
ling, dat wil zeggen dat ze geneigd zijn meningen die afwijken van hun eigen opvattingen, als bedreigend te
ervaren.

Dominantie (DO)
Personen met een hoge score op deze schaal geven aan graag leiding te geven, graag te organiseren en
overwicht op anderen te hebben. Ze vinden zichzelf doortastend, energiek en houden van aanpakken.
Personen met een lage score op deze schaal geven aan zich vaak afhankelijk, passief en afwachtend op te
stellen in een groep. Ze houden niet van leiding geven en doen vaak wat anderen zeggen.

Dominantie bevat nog twee subschalen, leiding geven en autonomie

Leiding geven (LEI)


Hoogscoorders geven aan graag leiding te geven, graag op de voorgrond te staan en ervan te houden ande-
ren te vertellen wat ze moeten doen. Laagscoorders geven aan er niet van te houden leiding te geven, niet
belangrijk te hoeven zijn en weinig behoefte te hebben anderen te vertellen wat ze moeten doen.

Autonomie (AUT)
Mensen die hoog scoren op deze subschaal geven aan goed zelfstandig beslissingen te kunnen nemen, hun
eigen mening over dingen te vormen en zich niet gauw op andere gedachten te laten brengen door ande-
ren. Laagscoorders geven aan zich makkelijk te laten overtuigen door anderen, zich afwachtend op te stellen
en een zekere besluiteloosheid te kennen.

26
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Zelfwaardering (ZW)
Mensen die op deze schaal hoog scoren, geven aan tevreden met zichzelf en het leven te zijn, een positief
zelfbeeld en veel vertrouwen te hebben en optimistisch van aard te zijn.
Mensen die op deze schaal laag scoren, geven aan ontevreden met zichzelf en hun leven te zijn, een negatief
zelfbeeld en weinig vertrouwen te hebben en gekenmerkt te worden door pessimisme, passiviteit en gebrek
aan vitaliteit.

De NPV-2-R is toe te passen in klinische, beroepskeuze-, onderwijs- en selectiesituaties.

Afname en scoring
DeNPV-2-R wordt schriftelijk of per computer afgenomen. Dit kan zowel individueel als groepsgewijs. De
NPV-2-R bestaat uit 140 items met drie antwoordmogelijkheden: juist, ? en onjuist. De afnameduur is 20 à
30 minuten. Iedere geteste persoon krijgt zeven schaalscores en acht subschaalscores. Per schaal worden de
scores onderverdeeld in de volgende zeven klassen, zeer laag, laag, beneden gemiddeld, gemiddeld, boven
gemiddeld, hoog en zeer hoog.

Omdat er per subschaal minder items zijn dan per schaal, worden de scores van de subschalen minder
gedifferentieerd en met meer voorzichtigheid gelabeld. Bij de subschalen worden de scores verdeeld in drie
klassen in plaats van zeven, namelijk beneden gemiddeld, gemiddeld en boven gemiddeld. Hierbij krijgen
alle scores binnen 1 standaardmeetfout van het gemiddelde het label ‘gemiddeld’ en de scores die minstens
1 standaardmeetfout onder en 1 standaardmeetfout boven het gemiddelde liggen krijgen respectievelijk de
labels ‘beneden gemiddeld’ (i.p.v. laag) en ‘bovengemiddeld’ (i.p.v. hoog). De scores op de subschalen kunnen
vooral worden gebruikt om de score op de hoofdschaal meer te kunnen duiden. Stel dat iemand een hoge
score heeft op Inadequatie en dat die persoon op bijbehorende subschalen Depressiviteit en Angst,
respectievelijk gemiddeld en bovengemiddeld scoort. Dan laten de scores op deze subschalen zien dat
de hoge score op Inadequatie meer geassocieerd is met de angstgerelateerde aspecten van deze schaal,
dan met de depressiegerelateerde aspecten.

De NPV-2-R kan gescoord worden met behulp van een zelfscorend antwoordformulier. Er bestaat ook een
computerprogramma voor de berekening van de (sub)schaalscores.

Normgroepen
In de testhandleiding zijn de volgende normgroepen opgenomen:
− algemeen
− selectie
− psychiatrische patiënten
− somatische patiënten
− eerstelijnscliënten.

COTAN-oordeel over de NPV-2-R (2015)


Uitgangspunten bij testconstructie: goed
Uitvoering van testmateriaal: goed
Uitvoering van handleiding: goed
Normen: goed
Betrouwbaarheid: goed
Begripsvaliditeit: goed
Criteriumvaliditeit: voldoende

27
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

HEXACO PI-R: Persoonlijkheidvragenlijsten1

Auteurs: M. Ashton & K. Lee


Bewerking Nederlandse versie: R.E. De Vries.

Meetpretentie
De HEXACO PI-R is een persoonlijkheidsvragenlijst, geconstrueerd door Ashton en Lee (2001), die 6 brede
dimensies van gedrag in kaart brengt, de bekende Big Five aangevuld met Integriteit. Daarmee is de HEXACO
PI-R dus een soort Big Five+, oftewel een Big Six. Integriteit is toegevoegd op basis van (internationaal)
empirisch onderzoek, vooral omdat deze dimensie extra variantie verklaart in bijvoorbeeld arbeidsprestaties
(De Vries, R. E., Ashton, M. C., & Lee, K., 2009). De Nederlandse versie is bewerkt door R. de Vries, die ook veel
onderzoek doet naar de HEXACO PI-R.

Er zijn drie versies van de HEXACO PI-R: een 60 item, een 100 item en een 200 item versie. De HEXACO PI-R
vragenlijsten zijn in zeer veel talen beschikbaar.

In dit practicum gebruiken we de 200 item versie, vooral omdat deze een meer betrouwbare (consistente)
weergave geeft van de facetscores. Bovendien kun je het meeste leren van het werken met deze uitgebreide
versie.

Er is een uitgebreide HEXACO website, waar zeer veel informatie over de


HEXACO PI-R te vinden is: [Link]

Hier staan ook de 60 en 100 itemversies die vrij beschikbaar zijn voor onderzoeksdoeleinden. Ook kun je hier
de 100 itemversie maken.

Schalen en scores
De HEXACO PI-R 200 inventariseert je positie op de 6 belangrijkste persoonlijkheids eigenschappen, te
weten:

• Honesty-Humility (H) / Integriteit


• Emotionality (E) / Emotionaliteit
• eXtraversion (X) / Extraversie
• Agreeableness (A) / Verdraagzaamheid
• Conscientiousness (C) / Consciëntieusheid
• Openness to Experience (O) / Openheid voor ervaringen

Naast de zes hoofddimensies, die elk bestaan uit 4 facetten, zijn er in deze Nederlandse versie twee
zogenaamde interstitionele facetten toegevoegd, te weten altruïsme en pro-activiteit.
In totaal omvat de HEXACO PI-R 200 dus 26 gedragsfacetten.

De HEXACO PI-R is een lexicaal gebaseerd instrument, dat wil zeggen er wordt vanuit gegaan dat persoonlijk-
heidseigenschappen hun neerslag vinden in de taal, en dat belangrijke eigenschappen uiteindelijk met een
enkel bijvoeglijk naamwoord worden aangeduid. De eigenschappen die in de HEXACO PI-R gebruikt worden,
zijn dus gebaseerd op hoe mensen elkaar en zichzelf in het sociale verkeer omschrijven.

Je scoort de items van de HEXACO PI-R door op een 5-puntsschaal aan te geven in hoeverre je het eens/
oneens bent met een bepaalde uitspraak, bijvoorbeeld:

Ik maak vaak een wandeling


 Helemaal niet mee eens
 mee eens
 neutraal
 mee oneens
 helemaal mee eens

De HEXACO PI-R is zowel beschikbaar in een zelfbeoordelings- als in een ander beoordelingsvariant.

28
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

HEXACO PI-R schalen en facetten


Hieronder vind je omschrijvingen van de zes hoofddimensies van de HEXACO PI-R.

Integriteit (H): Personen die hoog scoren op Integriteit zijn niet geneigd anderen te manipuleren voor per-
soonlijk gewin en regels te overtreden, en zijn relatief ongeïnteresseerd in weelde, luxe, sociale status en
privileges. Personen die laag op deze schaal scoren zetten zichzelf op de eerste plaats, zijn gehecht aan
materiële zaken, kunnen de verleiding moeilijker weerstaan om regels te overtreden als ze er zelf beter van
worden, en zullen eerder vleien als dit helpt om persoonlijke doelen te realiseren.

Emotionaliteit (E): Personen die hoog scoren op Emotionaliteit zijn eerder ongerust, bezorgd en bang als
er gevaar dreigt of als er druk op ze wordt uitgeoefend. Daarnaast hebben ze een relatief grotere behoefte
aan emotionele steun van anderen en zijn in relaties met anderen eerder geneigd mee te leven met ander-
mans zorgen. Personen die laag op deze schaal scoren voelen zich minder emotioneel, meer afstandelijk en
onafhankelijk in persoonlijke relaties. Zij hebben de neiging om weinig angst te voelen in stresserende of
gevaarlijke situaties.

Extraversie (X): Personen die hoog scoren op Extraversie voelen zich relatief op hun gemak als ze leiding moe-
ten geven aan of moeten presenteren voor een groep mensen. Zij voelen zichzelf over het algemeen positief
en enthousiast bij sociale bijeenkomsten en interacties en kunnen zichzelf gemakkelijk en vlot uitdrukken.
Personen die laag op deze schaal scoren zijn minder expressief en geneigd zich gereserveerd op te stellen
tijdens sociale bijeenkomsten. Ze voelen zich minder levendig en enthousiast en niet op hun gemak als ze
in het middelpunt van de aandacht staan; ze lopen over het algemeen niet erg warm voor sociale activiteiten.

Verdraagzaamheid (A): Personen die hoog scoren op Verdraagzaamheid hebben de neiging om compromis-
sen te sluiten en samen te werken met anderen, anderen mild te beoordelen, naar anderen toe rustig te
blijven, boosheid onder controle te houden, en onrecht dat is aangedaan te vergeven. Personen die laag op
deze schaal scoren worden eerder boos als ze zich benadeeld voelen en houden vaker een wrok tegen men-
sen die hen beledigd of bedrogen hebben. Ze zijn vaker kritisch ten aanzien van andermans beperkingen en
hebben de neiging hun eigen mening koppig te verdedigen.

Consciëntieusheid (C): Personen die hoog scoren op Consciëntieusheid zijn eerder geneigd zaken te organise-
ren, gedisciplineerd en doelgericht te werken, perfectie en accuratesse na te streven, en beslissingen grondig
te overdenken. Personen die laag op deze schaal scoren staan relatief onverschillig tegenover de mate waarin
hun omgeving op orde is en houden zich minder sterk aan tijdschema’s. Ze maken zich niet erg druk om
fouten in het werk, streven geen uitdagende of moeilijke doelen na, en nemen impulsief beslissingen.

Openheid voor Ervaringen (O): Personen die hoog scoren op Ervaringsgerichtheid zijn geneigd te genieten
van kunst en de natuur, zijn eerder op velerlei terreinen weetgierig, zijn geïnteresseerd in onconventionele
ideeën en mensen, en zijn eerder geneigd hun fantasie te gebruiken.
Personen die laag op deze schaal scoren zijn niet onder de indruk van kunst en zijn minder geïnteresseerd
in sociale wetenschappen of natuurwetenschappen. Ze zijn niet geneigd creatieve beroepen te kiezen en
voelen zich niet erg aangetrokken tot buitenissige of radicale ideeën en mensen. Openheid voor ervaringen
is de enige persoonlijkheidseigenschap die significant correleert met intelligentie, zo rond de .30.

Definities van de interstitiële facetten


Het facet Altruïsme (versus Antagonisme) meet de mate dat iemand zich sympathiek en zacht opstelt naar
anderen toe. Personen die hoog scoren proberen te vermijden dat ze anderen pijn doen en zijn ruimhartig
in hun steun aan hulpbehoevenden, terwijl personen die laag scoren hard kunnen overkomen en er geen
probleem mee hebben om anderen pijn te doen.

Het facet Proactiviteit meet de mate dat iemand geneigd is actief problemen aan te pakken en verandering,
verbetering en vernieuwing na te streven. Personen die hoog scoren zijn erg betrokken bij nieuwe plannen
en nemen vaak het voortouw om nieuwe ideeën uitgevoerd te krijgen, terwijl personen die laag scoren zich
eerder afwachtend zullen opstellen bij suggesties voor verbetering en niet snel geneigd zijn om initiatieven
voor verandering te nemen of de leiding te nemen om vernieuwingen door te voeren.

29
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Definities van de overige HEXACO PI-R facetten

Facetten van Integriteit (Honesty-Humility):


Het facet Oprechtheid meet de mate van eerlijkheid in interpersoonlijke relaties. Personen die hoog scoren
zijn niet geneigd anderen te manipuleren voor persoonlijk gewin, terwijl personen die laag scoren zullen
vleien of pretenderen dat ze iemand mogen om iets bij anderen voor elkaar te krijgen.

Het facet Rechtvaardigheid meet de mate van vermijding van fraude en corruptie. Personen die hoog scoren
zijn niet geneigd andere personen of de samenleving als geheel te misbruiken, terwijl personen die laag
scoren eerder geneigd zullen zijn anderen op te lichten of te bestelen als zich de gelegenheid voordoet.

Het facet Hebzucht Vermijding meet de mate van desinteresse in overvloedige weelde, luxe goederen
en hoge sociale status. Personen die hoog scoren worden niet gemotiveerd door geldelijk gewin of door
mogelijk-heden om de eigen status te verhogen, terwijl personen die laag scoren graag genieten van weelde
en privileges.

Het facet Bescheidenheid meet de mate van nederigheid en het gebrek aan pretentie. Personen die hoog
scoren zijn niet geneigd zichzelf bijzonder te vinden en vinden niet dat ze recht hebben op een voorkeurs-
behandeling, terwijl personen die laag scoren zichzelf als superieur zien en vinden dat ze recht hebben op
speciale privileges.

Facetten van Emotionaliteit (Emotionality):


Het facet Angstigheid meet de mate van bevreesdheid. Personen die hoog scoren zijn sterk geneigd situaties
te vermijden waarin fysiek gevaar dreigt, terwijl personen die laag scoren relatief moedig en flink zijn, d.w.z.,
weinig angst zullen voelen om gewond te raken en zich relatief weinig zullen aantrekken van fysieke pijn.

Het facet Bezorgdheid meet de mate van ongerustheid in verschillende situaties. Personen die hoog scoren
zijn geneigd zich in beslag te laten nemen door relatief kleine problemen, terwijl personen die laag scoren
weinig stress zullen ervaren als er zich moeilijkheden voordoen.

Het facet Afhankelijkheid meet de mate van behoefte aan emotionele steun. Personen die hoog scoren zijn
geneigd om hun problemen te delen met mensen die troost en ondersteuning kunnen bieden, terwijl per-
sonen die laag scoren zich relatief zelfverzekerd voelen en moeilijkheden zonder hulp of advies van anderen
aankunnen.

Het facet Sentimentaliteit meet de mate van emotionele verbondenheid met anderen. Personen die hoog
scoren voelen een sterke emotionele betrokkenheid bij - en empathische sensitiviteit voor - andermans
gevoelens, terwijl personen die laag scoren betrekkelijk weinig emoties ervaren als anderen zich zorgen
maken of als ze afscheid moeten nemen.

Facetten van Extraversie (eXtraversion):


Het facet Sociale Zelfwaardering meet de mate van positief zelfbeeld in sociale situaties. Personen die hoog
scoren zijn over het algemeen tevreden met zichzelf en zijn geneigd zichzelf positieve eigenschappen toe te
schrijven, terwijl personen die laag scoren het gevoel hebben dat ze waardeloos en niet populair zijn.

Het facet Sociale Bravoure meet de mate van gemak en zelfvertrouwen in verschillende sociale situaties. Per-
sonen die hoog scoren hebben er geen probleem om vreemden aan te klampen en het woord te voeren in
een groep, terwijl personen die laag scoren zich verlegen en ongemakkelijk voelen in een leiderschapspositie
of als ze moeten spreken in het openbaar.

Het facet Sociabiliteit meet de mate van plezier in gesprekken, sociale interactie en op feestjes. Personen die
hoog scoren beleven veel plezier aan gesprekken, (onverwachts) bezoek, feestelijkheden en gezelschap van
anderen, terwijl personen die laag scoren over het algemeen solitaire activiteiten prefereren en conversaties
met anderen niet opzoeken.

30
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Het facet Levendigheid meet de mate van enthousiasme en energie. Personen die hoog scoren zijn over het
algemeen optimistisch en positief ingesteld, terwijl personen die laag scoren zich over het algemeen minder
opgewekt en levendig voelen.

Facetten van Verdraagzaamheid (Agreeableness):


Het facet Vergevingsgezindheid meet de mate dat iemand bereid is anderen na een vertrouwensbreuk weer
in vertrouwen te nemen en te mogen. Personen die hoog scoren zijn geneigd mensen die hen gekwetst
hebben spoedig weer te vertrouwen en de vriendschappelijke relatie te herstellen, terwijl personen die laag
scoren langere tijd rancuneus blijven nadat hen iets door iemand is aangedaan.

Het facet Zachtaardigheid meet de mate van mildheid en tolerantie ten opzichte van anderen. Personen die
hoog scoren zijn niet geneigd een hard oordeel over anderen te vellen als er iets fout is gegaan, terwijl per-
sonen die laag scoren de neiging hebben om erg kritisch te zijn als ze anderen moeten evalueren.

Het facet Aanpassingsbereidheid meet de bereidheid om compromissen te sluiten en om samen te werken


met anderen. Personen die hoog scoren zijn geneigd conflicten uit de weg te gaan en zich meegaand op te
stellen, zelfs als er onredelijke eisen worden gesteld, terwijl personen die laag scoren door anderen vaak als
weinig inschikkelijk en koppig in discussies worden gezien.

Het facet Geduld meet de mate dat iemand kalm blijft bij onrechtvaardige behandeling of als iets niet gaat
zoals gewenst. Personen die hoog scoren zullen bij tegenslagen of als hen onrecht is aangedaan niet snel
woede voelen opkomen of daadwerkelijk boos worden, terwijl personen die laag scoren snel kwaad zullen
worden en hun frustraties zullen uiten.

Facetten van Consciëntieusheid (Conscientiousness):


Het facet Ordelijkheid meet de mate dat iemand georganiseerd en netjes omgaat met de fysieke omgeving.
Personen die hoog scoren zijn geneigd spullen te ordenen en taken gestructureerd uit te voeren, terwijl
pesonen die laag scoren slordig en chaotisch met spullen en taken zullen omgaan.

Het facet IJver meet de mate dat iemand bereid is hard te werken. Personen die hoog scoren hebben een
sterke arbeidsmoraal en zullen geneigd zijn zich optimaal in te spannen om taken tot een goed gevolg te
brengen, terwijl personen die laag scoren weinig zelfdiscipline hebben als ze een taak moeten uitvoeren en
niet erg sterk gemotiveerd zijn om goed te presteren.

Het facet Perfectionisme meet de mate van grondigheid en nauwgezetheid in de omgang met details.
Per-sonen die hoog scoren zijn geneigd werk te controleren op fouten en mogelijke verbeteringen, terwijl
personen die laag scoren een hogere tolerantie voor fouten en minder aandacht voor details hebben.

Het facet Bedachtzaamheid meet de mate waarin iemand weloverwogen beslissingen neemt en zich niet laat
leiden door plotselinge ingevingen. Personen die hoog scoren hebben een grote mate van zelfcontrole en
zijn geneigd verschillende opties zorgvuldig te overwegen, terwijl personen die laag scoren eerder impulsief
reageren en in mindere mate de consequenties van hun handelingen overzien.

Facetten van Openheid voor Ervaringen (Openness to Experience):


Het facet Esthetische Waardering meet de mate dat iemand geniet van kunst en van de natuur. Personen die
hoog scoren kunnen helemaal opgaan in verschillende vormen van kunst of de schoonheid van de natuur,
terwijl personen die laag scoren niet geneigd zijn onder de indruk te zijn van de natuur of van kunstuitingen.

Het facet Weetgierigheid meet de mate dat iemand informatie inwint over, en ervaringen probeert op te
doen met, de natuurlijke en sociale omgeving. Personen die hoog scoren zijn geïnteresseerd in reizen en zijn
geneigd veel te lezen en op te zoeken over de wereld om hen heen, terwijl personen die laag scoren niet
geneigd zijn moeite te doen om kennis op te doen over de natuur en de sociale omgeving.

Het facet Creativiteit meet de mate van voorkeur voor innovatie en experimenten. Personen die hoog scoren
zijn geneigd actief op zoek te gaan naar nieuwe oplossingen voor problemen en willen zich graag kunstzin-
nig uiten, terwijl personen die laag scoren niet geneigd zijn zich creatief of origineel te uiten.

31
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Het facet Onconventionaliteit meet de mate van acceptatie voor het ongebruikelijke. Personen die hoog
scoren zijn ontvankelijk voor radicale of vreemde ideeën, terwijl personen die laag scoren geneigd zijn
excentrieke of nonconformistische mensen te vermijden.

Afname en scoring
De HEXACO PI-R kan individueel of groepsgewijs worden afgenomen, zowel web based, als met paper and
pencil. Afname duurt ongeveer een half uur.

De ruwe scores worden ingevuld in een Excel formulier, verkrijgbaar op het studiecentrum en te vinden
op de cursussite. De totaalscores worden automatisch uitgerekend, en voor gespiegelde items wordt
automatisch gecorrigeerd. Met behulp van de normtabellen kun je dan de normscores per (facet)eigenschap
bepalen.

Wat betekent je HEXACO PI-R score?

Je score op elk van de persoonlijkheidsschalen wordt bepaald door het gemiddelde te berekenen over alle
vragen die betrekking hebben op de betreffende persoonlijkheidsdimensie of -facet. Sommige vragen
beschrijven het tegenovergestelde van een persoonlijkheidstype; de scores op deze vragen zijn al in de
Excel-invulsheet omgecodeerd voordat het gemiddelde berekend is. Op elk van de zes persoonlijkheids-
schalen is je score niet lager dan 1.00 en niet hoger dan 5.00.

Normgroepen
Bij het interpreteren van de scores wordt gebruik gemaakt van twee normgroepen. Uitgezonderd het facet
Proactiviteit is de eerste groep, bestaande uit 1.352 personen, verkregen op basis van een representatieve
steekproef uit de Nederlandse bevolking. De normgroep voor Proactiviteit bestaat uit 913 personen; deze
groep is ook verkregen op basis van een representatieve steekproef uit de Nederlandse bevolking.
In de studiecentra zijn de normgroepoverzichten aanwezig. Je moet handmatig alle ruwe scores omzetten
in normscores. De twee normgroepen die gebruikt zijn hebben allebei als referentie de Algemene Neder-
landse bevolking.

Let op: Hogere scores zijn niet per definitie betere scores en lagere scores zijn niet perse slechtere scores!
Sommige mensen vinden het beter als ze een hoge score op een persoonlijkheidsschaal hebben, terwijl
anderen het juist wenselijker vinden als ze een lage score op deze zelfde schaal krijgen. Wees daarnaast ook
voorzichtig met het interpreteren van de scores op basis van de naamgeving van de persoonlijkheidsdimen-
sies. Gebruik bij de interpretatie de definities, zoals die hierboven beschreven staan; deze geven een betere
inhoudelijke weergave van wat de persoonlijkheidsschalen meten.

Cotan oordeel
De HEXACO PI-R is (nog) niet beoordeeld door de Cotan. Er is echter een overweldigende hoeveelheid onder-
zoek naar de validiteit en toepasbaarheid van de HEXACO PI-R gedaan, zie voor een overzicht van de onder-
zoeksliteratuur [Link]

32
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Literatuur
Ashton, M.C. & Lee, K., (2001). A theoretical basis for the major dimensions of personality, European Journal of
Personality, vol. 15, p.327 – 353.
De Vries, R. E., Ashton, M. C., & Lee, K. (2009). The six most important personality dimensions and the HEXACO
PI-R Personality Inventory. Gedrag & Organisatie, 22, 232-274. (In Dutch)

1 Dit hoofdstuk is een bewerking van het document Het HEXACO PI-R persoonlijkheidsrapport (R. De Vries).

33
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Probleemgerichte vragenlijsten
PMT: Prestatie Motivatie Test

Auteur: H.J.M. Hermans (1968)


Uitgever: Pearson Assessment (hernormering 2004)

Meetpretentie
De PMT meet de negatieve faalangst, de positieve faalangst en het prestatiemotief.
Met negatieve faalangst wordt een eigenschap bedoeld die leidt tot disfunctioneren in situaties die een
relatief ongestructureerd karakter hebben (dat wil zeggen: situaties die weinig overzicht bieden, dus com-
plexe of onbekende situaties). Een negatief faalangstig persoon functioneert optimaal in situaties die relatief
gestructureerd zijn, situaties met een hoge mate van duidelijkheid, vertrouwdheid en overzicht.
De positieve faalangst wordt gezien als een eigenschap die juist leidt tot goed functioneren in relatief on-
gestructureerde situaties. Een positief faalangstig persoon functioneert optimaal in situaties die complex zijn.
Met prestatiemotief wordt een eigenschap bedoeld die in bepaalde situaties leidt tot presteren. Iemand wil
in bepaalde situaties uitblinken, zowel in de ogen van anderen als in de ogen van zichzelf. Het gaat hier om
situaties die een uitdaging vormen voor de persoon.
Deze test kan nuttige informatie opleveren wanneer een cliënt geen zicht heeft op zijn eigen functioneren in
onduidelijke en stressvolle situaties (positieve of negatieve faalangst) of wanneer de vraag gerezen is of de
cliënt wel wil uitblinken in bepaalde situaties (prestatiemotief ). Een cliënt ambieert bijvoorbeeld een functie
waarin daadkrachtig optreden in ongestructureerde situaties vereist is en de cliënt weet niet of hij/zij dat aan
zou kunnen.
Positieve en negatieve faalangst sluiten elkaar overigens niet uit. Heel sporadisch scoort een persoon zowel
hoog op negatieve als op positieve faalangst. Volgens de handleiding kan dit verklaard worden doordat
de persoon op sommige momenten meer behoefte heeft aan structuur dan op andere momenten of doordat
de behoefte aan structuur bij die persoon sterk situatieafhankelijk is.

Schalen en scores
De PMT is onder te verdelen in de volgende drie schalen:

1 P-schaal: prestatiemotief
2 F--schaal: negatieve faalangst
3 F+-schaal: positieve faalangst.

De scores worden omgezet in decielen, lopend van 1 tot 10. Het zijn standaardscores die een frequentiever-
deling in tien gelijke groepen verdelen.

Afname en scoring
De PMT wordt schriftelijk of per computer afgenomen. Dit kan zowel individueel als groepsgewijs. De duur
van de test is 20 à 30 minuten. De test bestaat uit 90 uitspraken. Iedere uitspraak kan beantwoord worden op
een driepuntsschaal of op een vierpuntsschaal. Bijvoorbeeld:

P-schaal: ‘Ik vind dat mijn leeftijdgenoten …’ te hard werken


hard genoeg werken
harder zouden kunnen werken.

F--schaal: ‘Als ik een keer gefaald hebt dan hindert dat mij …’
1 zeer sterk
2 sterk
3 tamelijk sterk
4 nauwelijks.

34
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

F+-schaal: ‘Als ik een licht gevoel van angstige spanning heb, kan ik …’
1 minder goed denken dan normaal
2 even goed denken als normaal
3 beter denken dan normaal.

De PMT kan gescoord worden met behulp van sleutels. Per schaal is er een sleutel. Elektronische scoring is
ook mogelijk.

Normgroepen
Voor de PMT geldt een normgroep van 813 respondenten.

COTAN-oordeel over de PMT (2007)


Uitgangspunten testconstructie: voldoende
Kwaliteit van het testmateriaal: voldoende
Kwaliteit van de handleiding: goed
Normen: onvoldoende1
Betrouwbaarheid: voldoende
Begripsvaliditeit: onvoldoende2
Criteriumvaliditeit onvoldoende3

1 normen zijn verouderd en geen aparte normen voor selectie en begeleiding


2 te weinig onderzoek
3 te weinig onderzoek

SCL-90-R: Symptom checklist

Auteurs: W.A. Arrindell en J.H.M. Ettema (1981-2003) Uitgever: Pearson Assessment

Meetpretentie
De SCL-90 is een klachtenlijst waarop de cliënt kan aangeven in hoeverre die de afgelopen week last heeft
gehad van enkele psychische en/ of lichamelijke klachten. De SCL-90 meet het psychisch disfunctioneren van
iemand en geeft ook informatie over negen specifieke, klinische dimensies. Hieronder wordt beschreven wat
onder deze dimensies en het psychisch disfunctioneren wordt verstaan.

Agorafobie (AGO)
Onder deze dimensie wordt verstaan, een buitengewone reactie van vrees in open ruimten en in openbare
gelegenheden, waarbij de persoon zich zwak voelt, bang is niet op een ander te kunnen steunen, of bang is
de beheersing over zijn aanwezigheid te verliezen.

Angst (ANG)
De items uit deze dimensie verwijzen naar klachten of symptomen die samenhangen met zenuwachtigheid,
spanning, paniekaanvallen, rusteloosheid, onheilsgevoelens en angstige gedachten en voorstellingen.

Depressie (DEP)
In deze dimensie zijn vooral klachten opgenomen met betrekking tot neerslachtige stemming, onvermogen
om te genieten, verlaagde zelfwaardering, gedachten van schuld, hopeloosheid, dood en zelfmoord. In deze
dimensie is ook een aantal lichamelijke klachten verwerkt zoals verlies van eetlust, gebrek aan energie en
vermindering van seksuele interesses.

Somatische klachten (SOM)


Deze dimensie weerspiegelt klachten die met een algemeen gevoeld lichamelijk disfunctioneren samenhan-
gen. Het zijn klachten die te maken hebben met het autonome systeem (adem, keel, misselijkheid, hart) en
klachten over het spierstelsel (hoofdpijn, spieren, rug). Deze fysieke klachten worden ook geassocieerd met
psychische klachten en ook wel aangeduid als spanningsklachten. Deze klachten kunnen pas als resultaat
van door stress afkomstige problemen worden gezien, als een lichamelijke oorzaak is uitgesloten.

35
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Insufficiëntie van denken en handelen (IN)


Deze dimensie richt zich vooral op gedachten, impulsen en problemen bij het uitvoeren van gedragingen
die als dwingend en buiten de eigen wil worden ervaren. Vooral problemen in het cognitief functioneren
staan centraal, zoals moeilijk dingen kunnen onthouden, veel piekeren, zich moeilijk kunnen concentreren,
vaak dingen moeten controleren (bijvoorbeeld of de deur op slot is).

Wantrouwen en interpersoonlijke sensitiviteit (SEN)


Deze dimensie gaat over klachten die een grondtoon van onvrede met het zelf in relatie tot andere mensen
bevatten. Deze onvrede kan zowel naar buiten worden geprojecteerd, waarbij een paranoïde-vijandige
houding ten opzichte van anderen op de voorgrond staat, als ook worden ervaren als een gevoel van
persoonlijke inadequatie en inefficiëntie in het contact met andere mensen.

Hostiliteit (HOS)
Deze dimensie geeft gedachten, gevoelens of gedragingen weer die kenmerkend zijn voor de negatieve
gemoedstoestand van woede. Ze wordt verder gekenmerkt door aspecten van agressie, geïrriteerdheid,
woede en ressentiment.

Slaapproblemen (SLA)s
Deze dimensie bevat drie items die bij verschillende onderzoeken steeds weer als aparte factor bleken op te
treden. Deze dimensie kan als onafhankelijke aanvulling worden gezien bij klachten waarbij slaapproblemen
een rol spelen.

Psychoneuroticisme (PSEUR)
De totaalscore op de SCL-90 geeft de mate van psychoneuroticisme weer. Hieronder wordt verstaan het
algehele niveau van psychisch dan wel (eventueel daarmee samenhangend) lichamelijk disfunctioneren in
de recente tijdsperiode.

De SCL-90 is toe te passen in klinische en gezondheidspsychologische situaties. Bijvoorbeeld als door een
bedrijfsarts of een klinisch psycholoog vermoed wordt dat iemands hoofdpijn samenhangt met psychische
problemen.

De SCL-90 wordt zeer veel toegepast in de klinische praktijk, waar hij zowel wordt gebruikt als screeningsin-
strument voor de mate van psychische klachten die de cliënt ervaart als ook voor het meten van de effecten
van een behandeling. Daarnaast is de lijst bruikbaar om de mogelijkheid van psychosomatiek bij lichamelijke
klachten te onderzoeken wanneer de cliënt lijdt aan lichamelijke klachten waarvoor geen medische oorzaak
kan worden gevonden. De schaal Somatische klachten geeft een indicatie van lichamelijke klachten die
vaak worden gemeld bij functionele psychische problemen. Het betreft klachten van het autonome systeem
(adem, keel, misselijkheid, hart) en klachten die meer met het spierstelsel te maken hebben (hoofdpijn,
spieren, rug). Bij deze symptomen mag een lichamelijke afwijking nooit worden uitgesloten maar in
combinatie met een uitgebreid medisch onderzoek kan deze schaal wel een indicatie geven over een
mogelijke psychische component bij de klachten.

Schalen en scores
De SCL-90 heeft negen schalen, namelijk de hierboven beschreven negen dimensies. Hierboven is al de
betekenis van de schalen beschreven.
Iedere geteste persoon krijgt per schaal één score en in totaal dus negen scores (de score op de PSEUR-schaal
is dus de totaalscore). Per schaal worden de scores onderverdeeld in de volgende zeven klassen, zeer laag,
laag, beneden gemiddeld, gemiddeld, boven gemiddeld, hoog en zeer hoog.
Op deze manier kan men bij iedere geteste persoon zien hoe hoog hij ten opzichte van anderen op de
verschillende schalen scoort. Hoe hoger iemand op een schaal scoort, hoe meer last deze persoon van de
desbetreffende klachten heeft ten opzichte van anderen.

36
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Afname en scoring
De SCL-90 wordt schriftelijk en per computer afgenomen. Dit kan zowel individueel als groepsgewijs. De SCL-
90 bestaat uit 90 items, die alle beginnen met ‘In welke mate werd je gehinderd door’. De cliënt kan kiezen
uit vijf antwoordmogelijkheden: helemaal niet, een beetje, nogal, tamelijk veel, heel erg. De afnameduur is
ongeveer 20 minuten.
De SCL-90 kan gescoord worden met behulp van sleutels, per schaal is er een sleutel. Er zijn negen items die
niet bij een schaal horen. Deze moeten echter wel bij de totaalscore opgeteld worden om zo de score op de
PSEUR-dimensie te bepalen.

Normgroepen
In de testhandleiding zijn de volgende normgroepen opgenomen:
− poliklinische psychiatrische patiënten
− normalen
− chronische-pijnpatiënten
− klinische verslaafden
− cliënten uit eerstelijns-psychologenpraktijken
− patiënten uit huisartsenpraktijken.

COTAN-oordeel over de SCL-90-R (2004)


Uitgangspunten testconstructie: goed
Kwaliteit van het testmateriaal: goed
Kwaliteit van de handleiding: goed
Normen: voldoende
Betrouwbaarheid: goed1
Begripsvaliditeit: goed
Criteriumvaliditeit: goed

1 De betrouwbaarheid van de HOS-schaal is ‘voldoende’.

BDI-II-NL: Beck Depression Inventory - Second Edition

Auteurs: A.T. Beck, R.A. Steer en G.K. Brown Nederlandse vertaling: A.J.W. van der Does (2002) Uitgever: Pearson
Assessment

Doelgroep
Adolescenten en volwassenen vanaf 13 jaar.

Meetpretentie
De BDI-II-NL is een zelfrapportagevragenlijst bedoeld voor het maken van een inschatting van de ernst van
depressieve klachten. De vragenlijst bestaat uit 21 rijtjes uitspraken van klachten waaruit de onderzochte
persoon de uitspraak moet kiezen die het beste beschrijft hoe men zich ‘de afgelopen twee weken met van-
daag erbij’ voelde. De vragenlijst is ontwikkeld voor het beoordelen van symptomen die overeen komen met
de criteria voor het diagnosticeren van depressieve stoornissen, zoals deze zijn vermeld in de Diagnostic and
Statistical Manual of Mental Disorders – Fourth Edition (DSM-IV; 1994) van de American Psychiatric Associa-
tion.
Hoewel deze vragenlijst dus is ontwikkeld voor het beoordelen van de (ernst van de) symptomen overeen-
komstig met de DSM-IV criteria, geeft hij op zichzelf niet voldoende informatie voor het stellen van een diag-
nose. Daarvoor is een aanvullend onderzoek door een geschoold clinicus nodig.

Schalen
Op grond van onderzoek is de BDI-II-NL onderverdeeld in drie, hoog onderling gecorreleerde, dimensies van
depressie: Cognitief, Somatisch en Affectief. Maar deze 3 dimensies zijn minder betrouwbaar dan de totaal-
score, waardoor in het algemeen vooral met de totaalsscore als maat voor de ernst van de depressie wordt
gewerkt.

37
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Afname
De BDI-II-NL kan zowel schriftelijk als mondeling worden afgenomen. In het tweede geval zullen de uitspra-
ken worden voorgelezen terwijl de cliënt een exemplaar van de vragenlijst voor zich heeft om mee te kunnen
lezen. De afnameduur is tussen de 5 en 10 minuten.

Scoring
Elk item wordt gescoord op een vierpuntsschaal en de score is het nummer dat omcirkeld is. Uitzonderingen
hierop zijn Verandering van slaappatroon en Verandering van eetlust; deze items bestaan uit 7 opties met als
score 0, 1a, 1b, 2a, 2b, 3a, 3b om toe− en afname van gedrag of motivatie te kunnen differentiëren. Indien de
cliënt twee antwoorden omcirkeld heeft, wordt de hoogste in de eindscore gebruikt. De BDI-II-NL is eenvou-
dig te scoren door de antwoorden van de 21 items bij elkaar op te tellen. De hoogste eindscore is 63.

Voorbeeldvragen

Mislukkingen
Ik voel me geen mislukking.
Ik heb te veel dingen laten mislukken.
Als ik terugkijk, zie ik een hoop mislukkingen.
Ik vind dat ik als persoon een totale mislukking ben.

Moeheid
Ik ben niet meer moe of afgemat dan gewoonlijk. Ik word sneller moe of afgemat dan gewoonlijk.
Ik ben te moe of afgemat voor veel dingen die ik vroeger wel deed.
Ik ben te moe of afgemat voor de meeste dingen die ik vroeger wel deed.

Verlies van plezier


Ik beleef net zo veel plezier als altijd aan dingen die ik leuk vind. Ik geniet niet meer zo veel van dingen als
vroeger.
Ik beleef heel weinig plezier aan de dingen die ik vroeger leuk vond. Ik beleef geen enkel plezier aan de
dingen die ik vroeger leuk vond.

Normering
De totaalscore kan een minimale (0-13), lichte (14-19), matig ernstige (20-28) of ernstige (29-63) depressie
indiceren. Daarnaast kan zowel de totaalscore, als de scores op de drie dimensies van depressie in percen-
tielscores voor de normale populatie en een psychiatrische populatie worden weergegeven.
In de testhandleiding zijn de volgende normgroepen opgenomen:
Psychiatrische patiënten (N = 260)
‘Gezonde’ proefpersonen (N = 505)

COTAN-oordeel over de BDI-II-NL (2004)


Uitgangspunten testconstructie: goed Kwaliteit van het testmateriaal: goed
Kwaliteit van de handleiding goed
Normen: onvoldoende1
Betrouwbaarheid: goed
Begripsvaliditeit: voldoende
Criteriumvaliditeit: onvoldoende ²

1 Normen zijn verouderd en niet representatief en/of representativiteit is niet te beoordelen


2 te weinig onderzoek

38
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

IOA: Inventarisatielijst Omgaan met Anderen

Auteurs: C.M.J. Dam-Baggen en F.W. Kraaimaat (2000, 2004) Uitgever: Pearson Assessment

Meetpretentie
De Inventarisatielijst Omgaan met Anderen (IOA) is een zelf beoordelingslijst voor het meten van
assertiviteit1 voor volwassenen en adolescenten vanaf 16 jaar. Er zijn twee schalen die ieder dezelfde 35 items
bevatten. Op een vijfpuntsschaal geeft men eerst aan hoe gespannen men zich voelt (Spanningsschaal) en
daarna hoe vaak men het gedrag uitvoert (Frequentieschaal).
De combinatie van de scores op deze twee schalen geeft informatie over iemands assertiviteit, zo is
iemand die bijvoorbeeld laag scoort op de spanningsschaal en hoog scoort op de frequentieschaal te
typeren als assertief en, omgekeerd, iemand die hoog scoort op de spanningsschaal en laag scoort op de
frequentieschaal te typeren als subassertief.

Schalen en scores
Naast schalen voor spanning en frequentie bevat de IOA vijf subschalen:
1. Kritiek geven (KRIT): Items hebben betrekking op het geven van kritiek op concrete punten en verzoeken
om zaken te wijzigen.
2. Aandacht vragen voor eigen mening (AAND): Items hebben betrekking op het naar voren brengen van
de eigen, eventueel afwijkende, mening tegenover bekenden en onbekenden.
3. Waardering uitspreken voor de ander (WAAR): Items hebben betrekking op het geven van
complimenten over het gedrag of uiterlijk van de ander.
4. Initiatief nemen tot contact (INIT). Items hebben betrekking op het beginnen van een gesprekje met
bekenden of onbekenden, individueel of in een groepje.
5. Jezelf waarderen (ZELF): Items hebben betrekking op het instemmen met waardering over jezelf van
anderen of het uiten van tevredenheid over jezelf.

Afname en scoring
De vragenlijst kan individueel en groepsgewijs worden afgenomen via de pen-en-papiermethode of online.
De afname duurt circa twintig minuten.

De subschalen van de IOA kunnen via pen en papier of automatisch worden gescoord. De ruwe totaalscores
van de subschalen worden met behulp van normtabellen omgezet naar een zevenpuntsschaal, lopend van
‘zeer hoog’ tot ‘zeer laag’.

Normgroepen

Er zijn normtabellen voor vier normgroepen:


− hoog sociaal angstige psychiatrische patiënten (N = 462)
− heterogene groep psychiatrische patiënten (N = 729)
− normale volwassenen (N = 590)
− studenten (N = 425)

COTAN-oordeel over de IOA


Uitgangspunten testconstructie: goed
Kwaliteit van het testmateriaal: goed
Kwaliteit van de handleiding: goed
Normen: onvoldoende2
Betrouwbaarheid: voldoende
Begripsvaliditeit: voldoende
Criteriumvaliditeit: goed

2 Normen zijn verouderd

1 In de handleiding van de IOA worden de termen ‘assertiviteit’ en ‘sociale vaardigheden’ door elkaar gebruikt. Wij preferen de term
‘assertiviteit’, omdat voor het meten van iemands sociale vaardigheden een zelf beoordelingsvragenlijst niet voldoende is, daarvoor zal
er ook een soort gedragsmaat gebruikt moeten worden (bijvoorbeeld een assessmentcenteroefening of webcamtest).

39
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

UCL: Utrechtse Copinglijst

Auteurs: P.J.G. Schreurs, G. v.d. Willige, B. Tellegen en J.F. Brosschot (1988, 1993) Uitgever: Pearson Assessment

Meetpretentie
De UCL meet het copinggedrag van mensen bij confrontatie met uiteenlopende problemen. Uit onderzoek
dat zich bezighoudt met de relaties tussen stress en gezondheid, komen steeds meer aanwijzingen naar
voren dat de vatbaarheid voor en het beloop van ziekten worden beïnvloed door de manier waarop mensen
met moeilijke levensomstandigheden omgaan. Deze reacties op stressvolle gebeurtenissen (variërend van
ingrijpende ‘life events’ tot dagelijks terugkerende problemen en moeilijkheden) worden samengevat onder
de term ‘copinggedrag’.
De UCL is gebaseerd op de opvatting dat copinggedrag een persoonlijkheidsstijl is. Dit betekent niet dat
het copinggedrag als onveranderlijk wordt gezien, maar wel dat mensen een voorkeur hebben voor een
bepaalde manier van copinggedrag. Deze manier van copinggedrag wordt copingstijl genoemd. Er zijn
verschillende copingstijlen. Afhankelijk van de situatie is de ene copingstijl effectiever in het oplossen van
problemen dan andere copingstijlen.
De UCL brengt de verschillende copingstijlen in kaart en is in eerste instantie ontwikkeld om onderzoek te
doen naar de invloed van de copingstijlen op stress en gezondheid.
De UCL is echter ook te gebruiken om inzicht te krijgen in de copingstijl van een cliënt. Zo kan bijvoorbeeld
worden nagegaan of een cliënt op een effectieve manier omgaat met de problemen waarmee hij of zij wordt
geconfronteerd.

Schalen en scores
De UCL meet zeven copingstijlen. Deze stijlen zijn niet vanuit een theorie bedacht, maar geconstrueerd op
basis van factoranalyse. Deze zeven stijlen zijn op te vatten als de volgende schalen.

Actief aanpakken, confronteren (A)


De situatie rustig van alle kanten bekijken, de zaken op een rijtje zetten; doelgericht en met vertrouwen te
werk gaan om het probleem op te lossen.

Palliatieve reactie (P)


Afleiding zoeken en zich met andere dingen bezighouden om niet aan het probleem te hoeven denken;
proberen zich wat prettiger te voelen door te roken, te drinken of zich wat te ontspannen.

Vermijden, afwachten (V)


De zaak op zijn beloop laten, de situatie uit de weg gaan of afwachten wat er gaat gebeuren.

Sociale steun zoeken (S)


Het zoeken van troost en begrip bij anderen; zorgen aan iemand vertellen of hulp vragen.

Passief reactiepatroon (PR)


Zich volledig door de problemen en de situatie in beslag laten nemen, de zaak somber inzien, zich piekerend
in zichzelf terugtrekken, niet in staat om iets aan de situatie te doen; piekeren over het verleden.

Expressie van emoties (E)


Het laten blijken van ergernis of kwaadheid; spanningen afreageren.

Geruststellende en troostende gedachten hanteren (G)


Zichzelf geruststellen met de gedachte dat na regen zonneschijn komt, dat anderen het ook wel eens moei-
lijk hebben of dat er nog wel ergere dingen gebeuren; jezelf moed inspreken.

Per schaal krijgt de cliënt een score en in totaal dus zeven scores. De scores worden dan met behulp van
een normtabel omgezet in percentielen. Een percentielscore geeft het percentage van de normgroep weer
dat lager scoorde dan de geteste persoon. Bij de UCL worden de scores per schaal nog onderverdeeld in de
volgende vijf klassen, zeer laag, laag, gemiddeld, hoog en zeer hoog.

40
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Op deze manier kan men bij iedere geteste persoon zien hoe hoog hij ten opzichte van anderen op de ver-
schillende schalen scoort.

Afname en scoring
De UCL bestaat uit 47 items, die als volgt over de schalen zijn verdeeld:
− de A-schaal 7 items
− de P-schaal 8 items
− de V-schaal 8 items
− de S-schaal 6 items
− de PR-schaal 7 items
− de E-schaal 3 items
− de G-schaal 5 items

Drie items behoren niet tot één van de zeven schalen, maar zijn wel opgenomen in de vragenlijst. In de hand-
leiding wordt verder geen informatie gegeven over deze drie items.

De cliënt moet op een vierpuntsschaal aangeven hoe vaak hij of zij op de in de items beschreven manier
reageert op problemen of onplezierige gebeurtenissen. De vierpuntsschaal loopt van

zelden of nooit soms vaak zeer vaak


1 2 3 4

De UCL kan schriftelijk of met behulp van de computer worden afgenomen. De scoring is respectievelijk met
behulp van een sleutel of met behulp van de computer. De UCL kan individueel of groepsgewijs worden
afgenomen.

Normgroepen
Voor de UCL zijn de volgende normgroepen opgesteld:
− mannen tussen 19 en 65 jaar
− mannen tussen 19 en 35 jaar
− mannen tussen 35 en 45 jaar
− mannen tussen 45 en 55 jaar
− mannen tussen 55 en 65 jaar
− vrouwen tussen 18 en 65 jaar
− vrouwen tussen 18 en 25 jaar
− vrouwen tussen 25 en 35 jaar
− vrouwen tussen 35 en 45 jaar
− vrouwen tussen 45 en 65 jaar
− mannelijke scholieren tussen 14 en 20 jaar
− vrouwelijke scholieren tussen 14 en 20 jaar
− studenten tussen 20 en 30 jaar.

COTAN-oordeel over de UCL (1994)


Uitgangspunten testconstructie: goed
Kwaliteit van het testmateriaal: goed
Kwaliteit van de handleiding: voldoende
Normen: onvoldoende1
Betrouwbaarheid: voldoende
Begripsvaliditeit: voldoende
Criteriumvaliditeit: voldoende

1 Representativiteit van de normgroepen is niet te beoordelen en normen zijn verouderd.

41
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

PANAS: Positive and Negative Affect Schedule

Auteur: Watson, Clark en Tellegen (1988)

Meetpretentie
Deze test meet de mate waarin een aantal positieve en negatieve gevoelens en emoties worden ervaren.

Schalen en scores
De PANAS bestaat uit 20 gevoelens en emoties, waarbij op een vijfpuntsschaal lopend van helemaal weinig
of helemaal niet tot heel veel moet worden aangegeven in hoeverre iemand bepaalde emoties ervaart. Tien
items hebben betrekking op positief affect (items 1, 3, 5, 9, 10, 12, 14, 16, 17 en 19) en tien items hebben
betrekking op negatief affect (2, 4, 6, 7, 8, 11, 13, 15, 18 en 20). De scores worden voor zowel het positief als
negatief affect bij elkaar opgeteld, waardoor er per schaal een totaal score ontstaat tussen de 10 en 50.

Afname en scoring
De PANAS kan schriftelijk of per computer worden afgenomen. Dit kan zowel individueel als groepsgewijs.
De duur van de test is enkele minuten. De test bestaat uit 20 gevoelens en emoties. Of de desbetreffende
emotie op iemand van toepassing is kan worden beantwoord op een vijfpuntsschaal. Bijvoorbeeld:

‘Bedroefd’
heel weinig of helemaal niet
een beetje
matig
veel
heel veel

De PANAS kan gescoord worden door de scores op de vragen per schaal op te tellen, waardoor er een totaal
score ontstaat per schaal tussen de 10 en 50.

Normering
Wetenschappelijk onderzoek heeft normen opgeleverd voor zowel algemene als klinische populaties (Pee-
ters, Ponds en Vermeeren, 1996). Gemiddeld scoort een algemene populatie 32 op positief affect en 18 op
negatief affect.

COTAN-oordeel (1999)
Uitgangspunten testconstructie: goed
Kwaliteit van het testmateriaal: voldoende
Kwaliteit van de handleiding: voldoende
Normen: onvoldoende1
Betrouwbaarheid: voldoende
Begripsvaliditeit: voldoende
Criteriumvaliditeit: onvoldoende2

1 De normen zijn verouderd. Te weinig specifieke normgroepen en normen niet representatief en/of de representativiteit is niet te
beoordelen.
2 geen onderzoek

42
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Contextgerichte vragenlijst
NRV: Nederlandse Relatie Vragenlijst

Auteurs: Barelds, D.P.H., Luteijn, F. & Arrindell, W.A. (2003)

Meetpretentie
De NRV meet de kwaliteit van intieme relaties. De NRV wil de belangrijkste aspecten van intieme relaties in
kaart brengen om zo te kijken of en zo ja waar er zich problemen kunnen voordoen in intieme relaties. De
achtergrond is dat veel huwelijken en langdurige relaties stranden (ongeveer veertig procent) hetgeen veel
psychisch leed met zich meebrengt. Daarom betreft een groot deel van de problematiek die men tegenkomt
in de klinische praktijk relatieproblematiek. Met de NRV kan worden geprobeerd inzicht te krijgen in derge-
lijke problematiek. De vragenlijst is geschikt voor personen vanaf zeventien jaar die een intieme relatie heb-
ben en de Nederlandse taal goed beheersen.

Schalen en scores
De NRV geeft een totaalscore en scores op 5 subschalen.

Onaf hankelijkheid (ON)


Deze schaal geeft aan in welke mate je vindt dat je partner je jezelf laat zijn. Hoogscoorders geven aan dat
ze vinden dat hun partner respect voor hen heeft, hen niet probeert te veranderen, hen accepteert zoals ze
zijn en hen niet controleert. Verder geven ze aan dat alles met de partner besproken kan worden en ze goed
naar hun partner kunnen luisteren. Laagscoorders kenmerken hun relatie als gebrek aan respect, vrijheid en
eerlijkheid.

Emotionele Saamhorigheid (ES)


Deze schaal meet in hoeverre je vindt dat er tussen jou en je partner overeenstemming is met betrekking
tot doelen, activiteiten en opvattingen. Hoogscoorders geven aan dat ze regelmatig laten merken van hun
partner te houden, ze goed op hun partner kunnen bouwen en goed over gevoelens kunnen praten met
hun partner. Laagscoorders geven aan dat ze in hun relatie een gebrek ervaren aan affectie, saamhorigheid,
expressiviteit en compatibiliteit.

Identiteit (ID)
Deze schaal meet hoe je jezelf als partner evalueert. Hoogscoorders geven aan dat ze, mede door de relatie,
een positief zelf beeld en een algemene levenssatisfactie hebben. Laagscoorders hebben, mede door hun
relatie, een negatief zelf beeld en een lage algemene levenssatisfactie.

Conflicthantering (CH)
Deze schaal geeft aan hoe je vindt dat jij en je partner met conflicten omgaan. Hoogscoorders vinden dat zij
en hun partner adequaat met conflicten omgaan door rustig met elkaar te praten en rustig samen naar een
oplossing te werken. Laagscoorders zien in hun relatie een gebrek aan communicatieve vaardigheden om
adequaat met conflicten om te gaan.

Seksualiteit (SE)
In deze schaal geef je aan hoe je denkt over de afstemming tussen jou en je partner over individuele behoef-
ten met betrekking tot seksualiteit. Hoogscoorders zijn tevreden over die afstemming, laagscoorders niet.

NRV-totaalscore (NRV-TOT)
Dit is een maat voor de totale relatiekwaliteit. Hoogscoorders geven aan dat hun relatie wordt gekenmerkt
door een hoge onafhankelijkheid, emotionele saamhorigheid, identiteit, conflicthantering en seksualiteitbe-
leving. Laagscoorders geven aan een gebrek aan (enkele van) deze kenmerken te ervaren.

Afname en scoring
De NRV kan schriftelijk of gecomputeriseerd worden afgenomen. Er is geen tijdslimiet, het invullen duurt
gemiddeld 15 minuten. De test bestaat uit 80 twee-keuze-items (juist/onjuist). Via de computer worden de
totaalscore en de scores per schaal automatisch berekend. Schriftelijk gebeurt dat met behulp van een zelf-
scorend formulier.

43
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Normgroepen
Er is één normgroep: Algemeen

COTAN-oordeel over de NRV (2004)


Uitgangspunten testconstructie: goed
Uitvoering van het testmateriaal: goed
Uitvoering van de handleiding: goed
Normen: voldoende
Betrouwbaarheid: goed
Begripsvaliditeit: goed
Criteriumvaliditeit: voldoende

44
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Bijlage 2

Berekenen en interpreteren van testscores

J. Kuntze

In deze bijlage wordt uitgelegd welke berekeningen kunnen worden gemaakt voor de normering en inter-
pretatie van testscores. Eerst wordt uitgelegd op welke manieren testscores met elkaar worden vergeleken.
Daarna wordt uitgelegd hoe een testscore betrouwbaar kan worden geïnterpreteerd en hoe deze wordt
'vertaald' naar de cliënt. Tot slot zijn er enkele opgaven om het berekenen en interpreteren van testscores te
oefenen.

Bij de afname van prestatietests (bijvoorbeeld intelligentietests) wil men weten hoe goed iemand is in het
oplossen van een bepaalde reeks vragen of problemen. Aan de goede antwoorden worden punten toege-
kend. Door deze punten op te tellen, kan men de testscore van iemand berekenen op de desbetreffende test.
Deze score noemt men de 'ruwe testscore'. Maar wat zegt zo'n ruwe testscore eigenlijk?
Ruwe testscores zeggen ons in het algemeen maar weinig. Als iemand 15 punten heeft gescoord op een test,
zegt dat nog niet veel. We kunnen pas iets van de score zeggen als we deze kunnen vergelijken met scores
van andere personen. Als 75% van de personen die dezelfde test maakten, 30 punten of meer scoorden,
lijkt een score van 15 punten erg laag. Als we erbij vertellen dat degene met 15 punten een zesjarige kleuter
was, terwijl de overige personen allen minimaal een hogere beroepsopleiding hadden, dan zijn we al gauw
geneigd de kleuter als een bolleboos te omschrijven. Kortom, als we iets willen zeggen over een testpresta-
tie, dan moeten we de ruwe score kunnen vergelijken met de scoreverdeling van een groep personen die op
een aantal (zo veel mogelijk) essentiële punten overeenkomsten vertoont met de onderzochte (bijvoorbeeld
qua opleiding, leeftijd, geslacht). Met andere woorden: de score van de onderzochte wordt gerelateerd aan
de scoreverdeling van de groep waarmee de onderzochte naar alle waarschijnlijkheid het best vergeleken
kan worden. Zo'n groep noemt men een referentiegroep of normgroep. Een referentiegroep moet aan een
aantal voorwaarden voldoen. Een belangrijke voorwaarde is dat de groep groot genoeg is om als referen-
tiegroep te kunnen dienen. Een groep van drie adolescenten is natuurlijk niet representatief voor alle ado-
lescenten van Nederland. Algemeen geldt: hoe groter de groep, hoe beter. Een andere voorwaarde is dat de
groep zo homogeen mogelijk is. Dus: '1000 mannelijke leerlingen uit de examenklas van het havo met Engels
in hun pakket' kan goed als referentiegroep dienen voor een test die Engelse woordenkennis moet meten bij
een mannelijke havo-examenkandidaat Engels.

Percentielscore
De eenvoudigste manier om de prestatie van een persoon op een bepaalde test te vergelijken met de scores
van een groep op dezelfde test, is door gebruik te maken van een schaalverdeling. De scores van de groep
worden weergegeven op een schaal die loopt van de laagste score naar de hoogste score. De score van
een individu kan dan vergeleken worden met deze schaal, zodat men kan zeggen: 'In de groep scoren 225
personen lager dan A.' Dit lijkt een goede weergave, ware het niet dat de grootte van de groep nu bepaalt of
de score van A een goede of een slechte is. Bestond de groep uit 230 personen, dan was de score van A heel
goed; er scoorden immers maar vier mensen hoger. Bestond de groep uit 900 personen, dan zou de score
van A niet zo goed zijn. Dit probleem kan men ondervangen door het deel van de groep dat op de test lager
scoorde dan A, in percentages van de hele groep weer te geven. Deze weergave noemt men een percentiel-
score ('per cent' betekent per honderd).
In het eerste voorbeeld, waar de groep bestond uit 230 personen, zou een op vier personen na hoogste score
– met andere woorden: 225 personen scoorden lager – weergegeven kunnen worden als een percentielscore
van 225 : 230 x 100% = 98 (%). In het tweede voorbeeld, waar de groep bestond uit 900 personen, zou een
score waarbij 225 mensen lager scoorden, weergegeven moeten worden als een percentielscore van 225 :
900 x 100% = 25 (%). Een percentielscore van 98, zoals in het eerste voorbeeld, kan als volgt geïnterpreteerd
worden: van elke 100 personen uit de groep scoorden er 98 lager dan A. In het tweede voorbeeld scoorden
van elke honderd personen uit de groep er 25 lager dan A.

45
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Decielscores, vigintielscores
Een kenmerk van percentielscores is dat een individuele score vergeleken wordt met de score per honderdste
deel van de scoreverdeling van de normgroep; de percentielscore geeft het percentage van de normgroep
weer dat lager scoorde dan de geteste persoon. Soms is het handiger om wat grover te meten. Dit kan men
doen door de groep in grotere stukken te delen. Vigintielscores en decielscores zijn voorbeelden hiervan. De
scoreverdeling van de normgroep wordt hier respectievelijk in twintig (vigintielen) en tien (decielen) gelijke
stukken opgedeeld. Een vigintiel bestrijkt dus een twintigste deel of 5% van de scoreverdeling van de norm-
groep, terwijl een deciel een tiende deel of 10% van de scoreverdeling van de normgroep bestrijkt. Een score
in het eerste vigintiel bevindt zich dus ergens in het gebied tussen 0 en 5%, een score in het tweede vigintiel
ergens tussen 5 en 10%, enzovoorts. Analoog hieraan bevindt een score in het eerste deciel zich ergens in
het gebied tussen 0 en 10% en een score in bijvoorbeeld het zevende deciel ergens tussen 60 en 70%.

Standaardscores
Een andere manier om ruwe testscores te vergelijken met de scores van de referentiegroep, is door gebruik
te maken van een zogenoemde standaardscoreverdeling. De score van de onderzochte wordt dan
vergeleken met de scoreverdeling van de referentiegroep en uitgedrukt in het aantal standaardafwijkingen
of standaarddeviaties die de score afwijkt van de gemiddelde groepsscore (M). De standaarddeviatie (Sd)
is een statistische maat voor de spreiding van de verdeling in de referentiegroep.
Normaliter zullen de scores van een groep op een test zo verdeeld zijn dat waarden rond het gemiddelde
het meest frequent voorkomen. Hoe verder de scores van het gemiddelde verwijderd liggen (extreem
hoge of extreem lage scores), hoe minder vaak ze zullen voorkomen. Bovendien zullen 'hoge scores' met
een bepaalde afstand van het gemiddelde ongeveer net zo vaak voorkomen als 'lage scores' met diezelfde
afstand van het gemiddelde. Met andere woorden: de scores zullen symmetrisch verdeeld zijn rond het
gemiddelde. Een verdeling die deze 'normale' kenmerken bezit, noemt men een normaalverdeling.

Grafisch ziet een normaalverdeling er als volgt uit:

Figuur 1
Normaalverdeling met verschillende soorten standaardscores.
Uit: W. Bloemers (2014), De nieuwe assessmentgids, een oefenboek, 2014, Amsterdam, Ambo. Naar: Barrick,
Field & Greenwood (2008).Selection in Human Resource Management. South Western, Cengage Learning, UK.

Op de horizontale as staan de ruwe scores van de groep. Op de verticale as staan de frequenties die bij de
scores horen. De figuur is symmetrisch ten opzichte van de gemiddelde score en is klokvormig.

46
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

In de figuur is aangegeven hoe groot één standaarddeviatie is. In een normale verdeling zal ongeveer 34%
van de groepsscores binnen één standaarddeviatie rechts van het gemiddelde (dus boven het gemiddelde)
en 34% binnen één standaarddeviatie links van (onder) het gemiddelde liggen. Dus 68% van de groepsscores
ligt in het gebied M-1Sd tot M+1Sd. In het gebied M-2Sd tot M+2Sd ligt ongeveer 96% van de groepsscores.
Bij benadering ligt 100% van de groepsscores in het gebied M-3Sd tot M+3Sd.
Vaak is een verdeling niet normaal. In dat geval is de figuur niet symmetrisch ten opzichte van zijn middenas.
De z-scores kunnen in zo'n geval waarden aannemen die niet vallen in het gebied tussen -3 en 3, bijvoor-
beeld -5 tot 2. Hierop zullen we echter niet verder ingaan en voor meer informatie hierover verwijzen we naar
de cursus Test- en toets- theorie. In dit practicum gaan we er gemakshalve van uit dat de scores in de norm-
groepen normaal verdeeld zijn.

z-scores
De z-score is een standaardscore die wordt afgeleid van de ruwe scoreverdeling van de groep. Als de ruwe
groepsscores normaal verdeeld zijn, dan zijn de (daarvan afgeleide) z-scores ook normaal verdeeld. Wat men
bij het gebruik van z-scores eigenlijk doet, is dat men de gemiddelde score op 0 stelt en de standaarddeviatie
op 1 (de term 'z-score' is afgeleid van de Engelse term 'zero ± one scale').
In plaats van M-3Sd kan men ook zeggen de z-score is -3. De z-score is dus het aantal standaarddeviaties dat
de score verwijderd ligt vanaf het gemiddelde. Eén standaarddeviatie wordt dan gezien als één eenheid. Ligt
de score onder het gemiddelde, dan is de z-score negatief; ligt de score boven het gemiddelde, dan is de
z-score positief. De z-score kan men berekenen door van de ruwe score (x) het gemiddelde (M) af te trekken
en te delen door de standaarddeviatie (Sd). Dus: z = (x- M)/ Sd

Een voorbeeld:
Piet behaalde op een test een ruwe score van 51. Stel dat voor de referentiegroep geldt dat de scoreverdeling
normaal is en dat: M= 45 en Sd = 8. De z-score van Piet is dan: (51-45)/8 = 6/8 = 0,75.
Ondanks het feit dat z-scores standaardscores zijn, blijft het moeilijk deze te interpreteren. Met behulp van
een (moeilijke) berekening kan men z-scores omrekenen naar percentielscores (tabel 2). Dit mag echter
alleen indien de scores van de referentiegroep normaal verdeeld zijn.

T-scores
T-scores zijn standaardscores, waarbij het gemiddelde op 50 is gezet met een standaarddeviatie van 10. Bij
T-scores geldt dus dat 68% van de scores zich tussen T-score 40 en 60 bevinden. Een T-score ≤ 40 is dus te
interpreteren als een lage score en een T-score ≥ 60 als een hoge score.

Stanines
Een andere manier om genormaliseerde standaardscores weer te geven is in de vorm van stanines. Deze
vorm is in Amerika ontwikkeld en het woord is gevormd van 'sta'ndard score van 'nine' eenheden. Zoals het
woord al aangeeft, worden de genormaliseerde standaardscores in negen eenheden verdeeld en zo'n een-
heid wordt een stanine genoemd. In tabel 1 wordt aangegeven hoeveel procent van de scores per stanine
wordt weergegeven.

TABEL 1
Verdeling van het percentage scores over de stanines

Stanine percentage scores

1 4%
2 7%
3 12%
4 17%
5 20%
6 17%
7 12%
8 7%
9 4%

Het midden van de vijfde stanine komt overeen met het gemiddelde van de verdeling. In de eerste stanine
zitten de 4% laagste scores en in de negende stanine zitten de 4% hoogste scores.

47
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

C-scores
Een andere manier om de scoreverdeling van een referentiegroep weer te geven is door gebruik te maken
van een C-schaalnormalisering. Dit doet men in het geval dat de scores in de referentiegroep niet normaal
verdeeld zijn. Middels een niet-lineaire transformatie wordt de verdeling dan genormaliseerd. Het zou te ver
voeren om deze procedure hier helemaal uit te leggen; dit komt in de cursussen over statistiek en de cursus
Test- en toetstheorie aan bod. Voor dit practicum is het belangrijk om te weten dat een C-schaal bestaat uit
elf scoreklassen die lopen van 0 tot en met 10. De middelste klasse van de C-schaal, klasse 5, loopt van z =
-0,25 tot z = 0,25. De beide uiterste klassen 0 en 10 corresponderen respectievelijk met z ≤ -2,25 en z ≥ 2,25.
De corresponderende z-scores van de overige klassen zijn af te leiden uit tabel 3. Omdat de C-schaal genor-
maliseerd is, mogen de corresponderende z-scores geïnterpreteerd worden met behulp van tabel 2.

Terugrapportage van testscores


Het belang van statistische relativering van ruwe testgegevens mag dan duidelijk zijn, maar bij de terugrap-
portage van testresultaten naar een cliënt moet men vaak nog een stapje verder gaan. De meeste mensen
zegt een z-score van 0,75 of een percentielscore van 46 maar weinig of helemaal niets. En valt de betekenis
van een percentielscore nog wel uit te leggen, voor z-scores valt dat niet mee. De testresultaten moeten
uitgelegd worden in 'lekentaal', zoals 'hoog' of 'laag'.
In tabel 2 is een aantal z-scores met bijbehorende percentielscores weergegeven voor een normale verdeling.
Bovendien is in de gearceerde kolommen een onderverdeling gemaakt van 'zeer laag' tot 'zeer hoog'. Deze
tabel kan gebruikt worden om de percentielscore (of de procentuele score afgeleid van de deciel- of vigintiel-
score) en de z-score (eventueel afgeleid van de C-score) te vertalen in 'lekentaal'. Hierbij moet wel aangete-
kend worden dat deze onderverdeling enigszins arbitrair is; men moet de overgang van het ene gebied naar
het andere niet zien als een plotselinge, maar als een geleidelijke overgang.

TABEL 2
Relatie tussen z-score en percentielscore bij normaal verdeelde ruwe scores


z-score percentiel- z-score percentiel-
score (%) score (%)

zeer laag –3,0 0,1 0,0 50 gemiddeld


–2,5 0,6 0,1 54
–2,0 2 0,2 58
laag –1,5 7 0,3 62
–1,3 10 0,4 66 boven
–1,2 12 0,5 69 gemiddeld
–1,1 14 0,6 73
–1,0 16 0,7 76
beneden –0,9 18 0,8 79
gemiddeld –0,8 21 0,9 82
–0,7 24 1,0 84 hoog
–0,6 27 1,1 86
–0,5 31 1,2 88
–0,4 34 1,3 90
gemiddeld –0,3 38 1,5 93
–0,2 42 2,0 98 zeer hoog
–0,1 46 2,5 99,4
–0,0 50 3,0 99,9

48
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

TABEL 3
C-scoreklassen en corresponderende z-scores

c-klasse z-score

0 –2,25
1 –2,25 - –1,75
2 –1,75 - –1,25
3 –1,25 - –0,75
4 –0,75 - –0,25
5 –0,25 - 0,25
6 0,25 - 0,75
7 0,75 - 1,25
8 1,25 - 1,75
9 1,75 - 2,25
10 2,25

Het betrouwbaarheidsinterval
In het voorgaande deel van deze bijlage is uitgelegd hoe testscores met elkaar vergeleken kunnen worden.
Door de ruwe score van iemand te transformeren naar een relatieve score en door gebruik van een bij de
cliënt passende normgroep geeft de testscore al veel meer informatie dan de ruwe score alleen.
Maar hiermee zijn we er nog niet. Een cliënt kan terecht vragen: 'Wat zegt zo'n testuitslag nou? De volgende
keer kan het best beter (of slechter) gaan.' De ruwe score is en blijft een momentopname, waardoor het de
vraag blijft in hoeverre de ruwe score onderhevig is aan toeval of niet.
Om hier inzicht in te krijgen, wordt gebruikgemaakt van het betrouwbaarheidsinterval. Het betrouwbaar-
heidsinterval geeft de grenzen aan waarbinnen met een bepaald percentage aan zekerheid mag worden
aangenomen dat een cliënt bij een volgende meting dezelfde score zal hebben.
Om het betrouwbaarheidsinterval uit te kunnen rekenen, moeten er enkele formules uit de testtheorie wor-
den gebruikt.

Met de eerste formule reken je de 'ware score' van de cliënt uit (W). De 'ware score' is uit te rekenen met
behulp van:
– de ruwe score van de cliënt (X)
– het gemiddelde van de normgroep (m)
– de betrouwbaarheid van de gebruikte test (rtt).

De formule is:
W = (X - M) rtt + M

Voorbeeld:
X = 34, rtt = . 75, M = 30
W = (34 - 30)* . 75 + 30 = 33

De ware score schuift meer naar het gemiddelde naarmate de test onbetrouwbaarder is. Bij een perfect
betrouwbare test (rtt = 1) vallen W en X samen. Bij een volstrekt onbetrouwbare test (rtt = 0) is alles toeval en
worden alle ware scores gelijk aan het gemiddelde.

Met de tweede formule wordt de standaardmeetfout van de test (Se) uitgerekend. De standaardmeetfout is
uit te rekenen met behulp van:
– de standaarddeviatie van de test (S)
– de betrouwbaarheid van de gebruikte test (rtt).

De formule is:
Se = S √(1 - rtt )

Voorbeeld:
S = 8, rtt = . 75
Se = 8√(1 - . 75) = 8* 0. 5= 4

49
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

Door de standaardmeetfout (Se) bij de ware score (W) op te tellen en af te trekken wordt het betrouwbaar-
heidsinterval (BI) verkregen. In het voorbeeld zou het betrouwbaarheidsinterval dan tussen de 29 en 37
liggen, want:

(W) + en - (Se) = (B I)
33 + en - 4 = 29 en 37

De standaardmeetfout en de ware score hebben een zelfde soort relatie als de standaarddeviatie en het
gemiddelde bij een normaalverdeling. De kans dat een volgende testscore van de cliënt binnen 1(Se) rond de
(W) zal vallen, is 68%.
In het voorbeeld betekent dit dat er 68% kans is dat de cliënt de volgende keer dat hij de test maakt, een
score zal hebben tussen de 29 en 37. De kans dat een volgende testscore van de cliënt binnen 2(Se) rond de
(W) zal vallen, is 96%. Met andere woorden: in het voorbeeld is er 96% zekerheid dat een volgende testscore
van iemand tussen de 25 en 41 zal vallen. Kortom, de cliënt die vraagt: 'Wat zegt zo'n testuitslag nou? De vol-
gende keer kan het best beter (of slechter) gaan' stelt een zeer relevante vraag. De 'ware score' van een cliënt
is alleen binnen een breed gebied aan te duiden. De consequentie hiervan is dat de diagnosticus voorzichtig
moet omspringen met de interpretatie van de testuitslag.

Opdrachten
1 Persoon X behaalde op een test een decielscore van 3. Wat betekent dat?

a Van de tien personen uit de normgroep waarmee X werd vergeleken, behaalden drie personen
dezelfde score.
b Drie van de tien vragen werden door X goed beantwoord.
c X had 3/10 van de in de normgroep maximaal behaalde score op de test gehaald.
d Van het aantal personen uit de normgroep waarmee X werd vergeleken, scoort tussen de 20% en
30% lager dan X.

TABEL 4
Vigintielscores van de Woordenschattest

Vigintiel havo atheneum-A atheneum-B gym-A (n) gym-B(n)


gym-B (n)
N = 306 N = 103 N = 115 N = 70 N = 115

20 ≥ 43 ≥ 45 ≥ 44 ≥ 54 ≥ 52
19 40-42 43-44 42-43 53 50-51
18 38-39 41-42 41 52 48-49
17 37 40 40 51 47
16 36 39 39 50 45-46
15 35 – 38 49 44
14 34 38 37 48 43
13 33 37 36 47 42
12 32 36 35 46 –
11 31 35 34 45 41
10 30 34 32-33 44 40
9 – – 31 43 39
8 29 33 30 42 38
7 28 32 29 41 37
6 27 31 28 40 36
5 26 30 – 38-39 35
4 25 29 27 37 34
3 24 27-28 26 36 32-33
2 22-23 24-26 24-25 34-35 30-31
1 ≤ 21 ≤ 23 ≤ 23 ≤ 33 ≤ 29

50
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

2 Iemand behaalde een score van 50 op de test Woordenschat.

a In welk vigintiel valt deze persoon indien hij wordt vergeleken met de normgroep gym-A? Wat zegt
dat?
b In welk vigintiel valt deze persoon indien hij wordt vergeleken met de normgroep gym-B? Wat zegt
dat?
c Hoe is het verschil tussen de antwoorden op de vragen 2a en 2b te verklaren?

3 Stel dat er van een test een tabel zou bestaan met vigintielscores en een tabel met C-scores, gebaseerd op
dezelfde normgroep. Persoon P behaalde een score in het vierde vigintiel en persoon Q een score in
C-klasse 3. Welke score was relatief gezien de beste? (Denk aan de tabellen 1 en 2 in deze bijlage.)

a de score van persoon P


b de score van persoon Q
c De scores zijn niet te vergelijken.
d De scores zijn gelijkwaardig.

Stel, de score van een referentiegroep op een bepaalde test is normaal verdeeld. Verder geldt dat M = 21 en
Sd = 5,7.

4 a Bereken de z-scores bij de volgende ruwe scores: 32, 17, 24, 9.


b Bepaal de met de z-scores corresponderende percentielscores met behulp van tabel 2 uit deze bijlage.
c Welke T-scores corresponderen bij benadering met deze z-scores (hoeft niet te worden berekend,
gebruik figuur 2 van de T-scores).
d Druk de resultaten uit in 'lekentaal'.

Stel dat voor de test van vraag 4 een betrouwbaarheid (rtt) geldt van 0,75.

5 a Bereken voor dezelfde ruwe scores de betrouwbaarheidsintervallen.


b Wat betekent het betrouwbaarheidsinterval dat je voor de ruwe score van 9 hebt berekend?

Antwoorden bij de opdrachten

1 d

2 a het zestiende vigintiel.


Van het aantal personen uit de normgroep waarmee X werd vergeleken, scoort tussen de 75% en
80% lager dan X.
b het negentiende vigintiel.
Van het aantal personen uit de normgroep waarmee X werd vergeleken, scoort tussen de 90% en
95% lager dan X.
c Het verschil is te verklaren uit het feit dat deze twee normgroepen zich onderscheiden op basis van
vakkenpakket. De groep gym-A bestaat uit personen met een 'talenpakket' en de groep gym-B bestaat
uit personen die vooral exacte vakken hebben. Op de test Woordenschat scoren mensen met een
talenpakket dus vaak hoger dan mensen met een pakket met weinig talen.

3 d Een score in het vierde vigintiel houdt in dat van de normgroep tussen 15-20% lager scoorde dan de
desbetreffende persoon. Een score in C-klasse 3 komt overeen met een z-score die ligt tussen de
-1,25 en -0,75, hetgeen weer ongeveer overeenkomt met een percentielscore tussen de 11 en 22.
Hoewel de score in C-klasse 3 een groter gebied bestrijkt, zijn beide scores gelijkwaardig. Ze zouden
allebei als beneden gemiddeld tot laag geïnterpreteerd kunnen worden.

51
Open Universiteit Practicum Psychodiagnostiek

4 a-c

z = (X - M)/Sd

X = 32 z= (32 - 21)/5,7 ≈ 1. 9 percentielscore = 97 hoog

X = 17 z= (17 - 21)/5,7 ≈ - 0. 7 percentielscore = 24 beneden gemiddeld


X = 24 z= (24 - 21)/5,7 ≈ 0. 5 percentielscore = 69 boven gemiddeld
X = 9 z= ( 9 - 21)/5,7 ≈ - 2. 1 percentielscore = 2 zeer laag

z 1,9 ≈ T-score 69
z -0.7 ≈ T-score 43
z 0.5 ≈ T-score 55
z -2.1 ≈ T-score 29

5 a

W = (X - M) rtt + M
Se = S√(1 - rtt )
BI = W ± Se

X = 32 W = (32 - 21) * 0, 75 + 21= 29,25


Se = 5, 7 *√(1 - 0,75) = 2,85
B I = 29,25 ± 2, 85 ≈ (26 - 32)

X= 17 W = (17 - 21)* 0,75 + 21 = 18


Se = 5, 7 *√(1 - 0,75) = 2, 85
B I = 18 ± 2,85 ≈ (15 - 21)

X = 24 W = (24 - 21) * 0, 75 + 21 = 23,25


Se = 5, 7 *√(1 - 0, 75) = 2, 85
B I = 23,25 ± 2, 85 ≈ (20 - 26)

X = 9 W = (9 - 21) * 0, 75 + 21= 12
Se = 5, 7 *√(1 - 0, 75) = 2, 85
B I = 12 ± 2,85 ≈ (9 - 15)

b Het betrouwbaarheidsinterval van (9 - 15) betekent dat er 68% zekerheid is dat iemand met een score
van 9 op deze test de volgende keer een score tussen de 9 en 15 zal halen. Er is 96% zekerheid dat deze
persoon een volgende keer een score zal halen tussen de 6 en 18 (W ± 2Se).
Met andere woorden: het is redelijk te veronderstellen dat iemand met deze score onder het gemiddelde
van de referentiegroep is te plaatsen.

52

You might also like