You are on page 1of 44

Competentieset Easy360

2002-2011 D. van Zand, ixly

1
A. Persoonlijke gerichtheid

1 Initiatief In staat zijn om zaken te initiren, uit zichzelf


doelmatig actie kunnen ondernemen.
2 Besluitvaardigheid In staat zijn om snel en adequaat beslissingen te
kunnen nemen.
3 Flexibiliteit Kan door te wisselen van gedragsstijl doelgericht en
effectief optreden onder verschillende en
veranderende omstandigheden.
4 Stressbestendigheid In staat zijn onder stressvolle omstandigheden
effectief te blijven functioneren.
5 Ambitie Gedreven zijn, meer dan gemiddeld willen presteren.
6 Zelfstandigheid In staat zijn zelfstandig werkzaamheden te
verrichten, doelen te stellen en daar vorm en inhoud
aan te geven.
7 Doorzettingsvermogen Er op gericht zijn ondanks tegenslagen eenmaal
begonnen zaken te volbrengen.
8 Resultaatgerichtheid Gedreven zijn concrete doelen en resultaten te
bereiken.
9 Leerbereidheid Bereid zijn tot het ontwikkelen en uitbreiden van
kennis en vaardigheden door leren.
10 Inzet In staat zijn gedurende een lange periode een grote
inspanning te willen en kunnen leveren.
11 Nauwkeurigheid In staat zijn secuur te werken en oog te hebben voor
details en verbanden.

B. Organisatiegerichtheid

12 Organisatie sensitiviteit In staat zijn om de invloed en gevolgen van eigen


beslissingen of activiteiten te onderkennen op andere
organisatie-onderdelen.
13 Klantorintatie In staat zijn om zich in te leven in en te reageren op
de behoeften van een klant.
14 Kwaliteitsgerichtheid Er op gericht zijn een hoge kwaliteit te leveren en
zaken te perfectioneren.
15 Ondernemerschap Er op gericht zijn winst te behalen door zakelijke
kansen te signaleren en te benutten en door
gecalculeerde risicos te durven nemen.

C. Benvloedend vermogen

16 Overtuigingskracht In staat zijn anderen mee te krijgen met een bepaald


standpunt, voorstel of idee.
17 Sturing geven aan groepen In staat zijn leiding te geven aan een groep.
18 Sturing geven aan individuen In staat zijn leiding te geven aan een individu.
19 Coachen van medewerkers In staat zijn in de rol van leidinggevende medewerkers
te stimuleren en te begeleiden in hun ontwikkeling.
20 Onderhandelingsvaardigheid In staat zijn wederzijdse belangen en standpunten af
te tasten om tot een voor alle partijen geaccepteerde
overeenkomst te komen.

2
D Conceptueel vermogen

21 Strategie en visie In staat zijn om grote lijnen te zien, te anticiperen


op ontwikkelingen, trends en daarin mogelijkheden
te zien en te benutten.
22 Oordeelsvorming In staat zijn om een weloverwogen en juist oordeel
te vormen op basis van informatie.
23 Probleemanalyse In staat zijn om complexe vraagstukken of moeilijke
situaties te analyseren en oorzaak en gevolg te
onderkennen.
24 Creativiteit In staat zijn om alternatieven te bedenken, buiten de
bestaande kaders te treden.
25 Probleemoplossend vermogen In staat zijn praktische oplossingen voor
concrete vraagstukken te ontwikkelen.
26 Leervermogen In staat zijn om nieuwe informatie te verwerken en
effectief toe te passen.

E. Organisatie vermogen

27 Plannen en organiseren In staat zijn om activiteiten en werkzaamheden te


plannen en te organiseren.
28 Delegeren In staat zijn werkzaamheden op een gerichte manier
aan anderen over te dragen.
29 Voortgangscontrole In staat zijn om eenmaal genitieerde zaken te
volgen, op voortgang te controleren.

F. Communicatief vermogen

30 Schrijfvaardigheid In staat zijn op een correcte, heldere, schriftelijke


manier te communiceren.
31 Gespreksvaardigheid In staat zijn mondeling op een heldere manier met
anderen informatie uit te wisselen, te communiceren.
32 Luistervaardigheid In staat zijn om de essentie uit gesproken woord te
halen en de ander te stimuleren zijn boodschap over
te brengen.
33 Presentatie vaardigheid In staat zijn mondeling, op een heldere,
gestructureerde manier informatie aan een groep
over te brengen.

G. Relationeel vermogen

34 Sensitiviteit In staat zijn signalen van anderen aan te voelen en


daar adequaat op in te spelen.
35 Samenwerking Samen met anderen op constructieve wijze bereiken
van gemeenschappelijke doelen.
36 Optreden Een krachtige, professionele indruk maken op
anderen.
37 Relatiebeheer Het op constructieve wijze aangaan en onderhouden
van relaties.
38 Sociabiliteit Beweegt zich graag en gemakkelijk in groepen
mensen.

3
39 Assertiviteit Komt op voor eigen meningen, ook als er vanuit de
omgeving druk op wordt gelegd.

H. Vakbekwaamheid

40 Technische vaardigheden Beschikt over de benodigde kennis en vaardigheden over en


volgt de ontwikkelingen op het eigen vakgebied.

4
Initiatief: In staat zijn om zaken te initiren, uit zichzelf doelmatig actie kunnen ondernemen.

1. Toont initiatief bij de uitvoering van het werk.

2. Wacht niet op een vraag naar het ondernemen van actie.

3. Neemt verantwoorde risicos bij het ondernemen van actie.

4. Trekt zaken of projecten naar zich toe, zowel intern als bij klanten.

5. Neemt initiatief in het informeren van de klant.

6. Neemt initiatief om informatie te verzamelen.

7. Lanceert voorstellen en ideen om problemen op te lossen.

8. Neemt initiatief om de samenwerking te bevorderen.

9. Is actief betrokken bij discussies en besprekingen en neemt het woord.

10. Neemt initiatief om de kwaliteit van de organisatie te verbeteren.

11. Komt uit zichzelf met nieuwe ideen en voorstellen.

12. Legt externe contacten en onderhoudt deze.

13. Neemt initiatief om de strategie en visie in de organisatie te verhelderen.

14. Trekt werk naar zich toe.

15. Neemt initiatief om de eigen werkzaamheden te structureren.

16. Neemt initiatief om de werkzaamheden voor anderen te structureren.

17. Neemt initiatief om de sfeer in de organisatie te verbeteren.

18. Neemt initiatief om producten te innoveren.

5
Besluitvaardigheid: In staat zijn om snel en adequaat beslissingen te kunnen nemen.

1. Neemt snel en adequaat een besluit.

2. Neemt bij klanten een besluit, zonder dat is overlegd met alle betrokkenen.

3. Neemt een besluit zonder dat alle informatie beschikbaar is.

4. Neemt een besluit zonder dat alle consequenties bekend zijn.

5. Neemt een besluit waarbij een persoonlijk risico wordt gelopen.

6. Durft knopen door te hakken, ook als anderen nog in afwegingen blijven hangen.

7. Neemt besluiten en voert ze uit.

8. Is besluitvaardig in het nemen van beleidsbeslissingen.

9. Is besluitvaardig in het nemen van personele beslissingen.

10. Is besluitvaardig in het nemen van financile beslissingen.

11. Is besluitvaardig in het nemen van beslissingen over visie en strategie.

12. Is bij externe relaties besluitvaardig.

13. Is besluitvaardig in het nemen van inkoopbeslissingen.

14. Is bij complexe problemen besluitvaardig.

15. Is bij meningsverschillen in de groep besluitvaardig.

16. Durft in onzekere situaties knopen door te hakken.

17. Durft in nieuwe situaties knopen door te hakken.

18. Neemt beslissingen bij relatief gelijkwaardige alternatieven.

19. Neemt beslissingen op basis van prioriteiten.

20. Neemt beslissingen op basis van argumenten.

6
Flexibiliteit: Kan door te wisselen van gedragsstijl doelgericht en effectief optreden onder
verschillende en veranderende omstandigheden.

1. Speelt soepel en effectief in op veranderingen.

2. Zoekt onder wisselende omstandigheden actief naar manieren om effectief te kunnen


blijven presteren.

3. Laat bestaande patronen los als deze inadequaat blijken.

4. Hanteert verschillende methoden en strategien om anderen te benvloeden.

5. Probeert verschillende strategien uit om het doel te bereiken.

6. Vat afwijking van de normale situatie op als een uitdaging.

7. Vangt zaken voor anderen op.

8. Improviseert, bij onverwachte situaties.

9. Verricht werkzaamheden van uiteenlopende aard.

10. Speelt flexibel in op vragen van klanten en collegae.

11. Speelt flexibel in op organisatie-ontwikkelingen.

12. Is bereid ook buiten normale werktijden en s avonds te werken.

13. Is bereid over te werken.

14. Is bereid tijdelijke oplossingen te bieden, om later de permanente oplossing te bieden.

15. Is in staat effectief te functioneren onder wisselende, onverwachte omstandigheden.

16. Is flexibel in afwijkende omstandigheden.

17. Is ook in drukke, hectische situaties flexibel.

18. Is flexibel in nieuwe situaties.

19. Past op basis van nieuwe informatie voorstellen aan.

20. Stemt stijl van leidinggeven af op de situatie en op de verschillende personen.

21. Ziet mogelijkheden in nieuwe situaties.

22. Regelt zaken snel en goed tussendoor.

23. Wijkt gemakkelijk van een voorgenomen plan of methode af, indien doel dat nodig maakt.

24. Past zich gemakkelijk aan aan andere culturen.

7
Stressbestendigheid: In staat zijn onder stressvolle omstandigheden effectief te blijven
functioneren.

1. Bewaart het overzicht en blijft effectief functioneren in complexe situaties.

2. Is in staat weloverwogen en met zicht op risico te handelen onder wisselende,


onverwachte omstandigheden.

3. Is in staat om constructief en soepel om te gaan met teleurstellingen of persoonlijke


tegenslagen.

4. Kan zich makkelijk instellen op onverwachte omstandigheden.

5. Behandelt op kalme wijze vraag voor vraag, bij veel vragen tegelijk.

6. Stelt prioriteiten, durft minder hoge prioriteiten uit te stellen.

7. Creert rust en duidelijkheid bij hectische omstandigheden.

8. Delegeert tijdig werkzaamheden.

9. Geeft beperkingen aan, durft te zeggen dat hij / zij geen tijd heeft.

10. Doorbreekt spanning in team door relativeren en humor.

11. Kan sterke emoties van zichzelf en anderen hanteerbaar maken door ze in de juiste
context te plaatsen.

12. Creert in een onduidelijke situatie eerst overzicht.

13. Verhoogt onder druk persoonlijke productiviteit en lost problemen snel op.

14. Blijft kalm en efficint functioneren onder tijdsdruk.

15. Haalt deadlines door onverstoorbaar door te werken.

16. Voorziet werkdruk, regelt tijdig extra ondersteuning of faciliteiten.

8
Ambitie: Gedreven zijn, meer dan gemiddeld willen presteren.

1. Wordt gestimuleerd door concurrentie, wil beter zijn dan anderen.

2. Stelt hoge eisen aan de kwaliteit van het werk.

3. Stelt hoge eisen aan zichzelf.

4. Zoekt extra taken naast de huidige taken.

5. Wil uitblinken, wil beter zijn dan anderen.

6. Doet meer dan gemiddeld.

7. Wil telkens beter presteren, zichzelf verbeteren.

8. Vraagt feedback om van te leren.

9. Is zelf kritisch ten aanzien van eigen prestaties.

10. Toont enthousiasme en gedrevenheid.

11. Stelt uitdagende doelen voor de organisatie.

12. Stijgt boven zichzelf uit, door de wil te presteren.

13. Doet kennis en ervaring op om beter te kunnen presteren.

14. Zorgt ervoor het werk beter en sneller af te leveren dan gevraagd wordt.

15. Probeert gestelde targets te overtreffen.

9
Zelfstandigheid: In staat zijn zelfstandig werkzaamheden te verrichten, doelen te stellen en
daar vorm en inhoud aan te geven.

1. Heeft zelfdiscipline in situaties zonder duidelijk leiderschap.

2. Is in staat in situaties met weinig richtlijnen en weinig structuur, zelfstandig te werken.

3. Neemt als er weinig overlegmogelijkheden zijn zelfstandig beslissingen.

4. Werkt ook als er weinig controle is geordend en gedisciplineerd door.

5. Is in staat de verantwoordelijkheid te dragen.

6. Komt voor zichzelf op bij veel tegenwicht.

7. Kan, als enige met een bepaalde expertise, goed zelfstandig werken.

8. Neemt bij klanten zelfstandig beslissingen.

9. Houdt zelf de voortgang in de gaten.

10. Signaleert fouten en neemt zelf maatregelen.

11. Is in staat de eigen werkzaamheden te structureren.

12. Bewaakt zelf de kwaliteit van de output.

13. Vraagt niet teveel om bevestiging en feedback ten aanzien van eigen functioneren.

14. Reageert alert op kansen, pakt zaken zelf op, zonder aansturing.

15. Straalt vertrouwen uit door een volwaardige gesprekspartner te zijn.

16. Houdt voor zichzelf bij wat er nog gedaan moet worden, stelt zelf prioriteiten.

10
Doorzettingsvermogen: Er op gericht zijn ondanks tegenslagen eenmaal begonnen zaken
te volbrengen.

1. Gaat in moeilijke situaties niet bij de pakken neer zitten.

2. Blijft in ogenschijnlijk uitzichtloze situaties positief.

3. Is in staat bij tegenslagen en teleurstellingen naar de toekomst te kijken.

4. Is in staat een kritische klant of omgeving te overtuigen.

5. Toont vasthoudendheid bij het benaderen van klanten.

6. Laat zich bij weerstand niet uit het veld slaan.

7. Toont doorzettingsvermogen als het anderen teveel wordt.

8. Is in staat in moeilijke situaties anderen te stimuleren, en te motiveren.

9. Blijft kansen zien ondanks tegenslagen.

10. Toont gelooft in het behalen van het einddoel.

11. Haalt motivatie ook uit kleine successen.

12. Zorgt voor positivisme in de organisatie door collegas aan te moedigen door te zetten.

13. Is in staat gedisciplineerd door te werken ook in minder uitdagende situaties .

14. Is in staat ook na onderbrekingen zaken af te ronden.

15. Volhard bij het uitzoeken van de achtergrond van een probleem.

11
Resultaatgerichtheid: Gedreven zijn concrete doelen en resultaten te bereiken.

1. Toont gedrevenheid om resultaat te bereiken.

2. Bereikt, ook bij tegenslag en onverwachte moeilijkheden resultaten.

3. Rondt zaken af naar een concreet resultaat.

4. Doet voorstellen voor verbetering van het gezamenlijke resultaat.

5. Werkt actief met de werkgroep om alle afspraken en doelstellingen en verwachtingen te


realiseren.

6. Stelt zich duidelijk en assertief op om belangrijke zaken te realiseren.

7. Verliest gedurende het proces het einddoel niet uit het oog.

8. Denkt van te voren na over het eindresultaat, stelt doelen.

9. Werkt hard door om deadlines te halen.

10. Blijft zoeken naar oplossingen om deadlines te kunnen halen.

11. Werkt efficint.

12. Werkt toe naar het resultaat dat de klant voor ogen heeft.

13. Zorgt voor voortgang in het proces.

14. Is in staat korte, gestructureerde vergaderingen te houden.

15. Is krachtig en volhardend in het streven een bepaald doel te bereiken.

12
Leerbereidheid: Bereid zijn tot het ontwikkelen en uitbreiden van kennis en vaardigheden
door leren.

1. Toont bereidheid in een dynamische, veranderlijke omgeving kennis en vaardigheden te


blijven ontwikkelen.

2. Heeft een open houding bij het binnenkomen van een nieuwe situatie.

3. Is nieuwsgierig, informeert en wil genformeerd worden.

4. Reageert niet defensief, als iemand erop wijst dat een bepaalde aanpak niet werkt.

5. Zoekt nieuwe situaties op, wil zich persoonlijk ontwikkelen.

6. Staat open voor het experimenteren met nieuw gedrag.

7. Staat open voor positieve en negatieve feedback.

8. Weet op constructieve wijze om te gaan met kritiek.

9. Kan eigen standpunten en ideen desgewenst bijstellen op basis van nieuwe informatie.

10. Staat open voor suggesties van anderen bij het bedenken van alternatieven.

11. Volgt zonodig opleidingen en cursussen om zich te ontwikkelen.

12. Neemt initiatieven om nieuwe leersituaties voor zichzelf te creren.

13. Staat open voor nieuwe werkwijzen en methodes.

14. Beziet het eigen functioneren regelmatig kritisch.

15. Betrekt, als zelf niet tot een oplossing komt, anderen erbij.

13
Inzet: In staat zijn gedurende een lange periode een grote inspanning te kunnen en willen
leveren.

1. Heeft een hoog werktempo, is energiek.

2. Is bereid over te werken en zo nodig thuis te werken.

3. Begint enthousiast aan een taak en geeft niet snel op.

4. Werkt hard en met veel enthousiasme.

5. Pakt extra werk aan en levert zo een positieve bijdrage aan het geheel.

6. Komt op tijd en verdoet weinig tijd.

7. Spant zich graag in en is actief bezig in het werk.

8. Heeft een hoge output, produceert veel.

9. Steekt anderen aan met enthousiasme.

10. Is kordaat, komt snel tot actie.

11. Staat klaar om extra inspanning te leveren als die gevraagd wordt.

12. Heeft extra opdrachten op tijd af.

13. Toont een alerte houding op het moment dat dat nodig is.

14. Toont het werk aan te kunnen, is onvermoeibaar.

14
Nauwkeurigheid: In staat zijn secuur te werken en oog te hebben voor details en
verbanden.

1. Documenteert eigen administratie op dusdanige wijze dat het overzichtelijk en


gemakkelijk te vinden is.

2. Legt veel schriftelijk vast, waardoor het overdraagbaar wordt.

3. Zorgt ervoor dat gemaakte afspraken gemakkelijk terug te vinden zijn.

4. Behoudt ook bij routinematig werk zorgvuldigheid, nauwkeurigheid.

5. Behoudt ook in een stressvolle omgeving zorgvuldigheid, nauwkeurigheid.

6. Is accuraat en werkt foutloos.

7. Kan zich langdurig concentreren op details.

15
Organisatie sensitiviteit: in staat zijn om de invloed en gevolgen van eigen beslissingen of
activiteiten te onderkennen op andere organisatie-onderdelen.

1. Staat open voor bijsturing door de manager en collegas.

2. Komt tegemoet aan de prioriteiten van het management, speelt in op organisatiebelangen

3. Informeert managers tijdig over relevante ontwikkelingen en problemen.

4. Past regels, (budgettaire) richtlijnen en procedures op de juiste manier toe.

5. Houdt rekening met de doelstellingen van de organisatie bij het nemen van beslissingen.

6. Benut managementinformatie bij het nemen van beslissingen en maatregelen.

7. Stemt actief af met andere afdelingen bij beslissingen die hen aangaan.

8. Houdt rekening met de politieke verhoudingen.

9. Blijft ook in een conflictsituatie achter de organisatie staan.

10. Houdt rekening met consequenties van eigen gedrag op andere organisatie-onderdelen.

11. Overstijgt eigen discipline, creert kansen voor andere organisatie-onderdelen.

12. Is bij zelfstandig werk in staat te werken volgens de visie en strategie van de organisatie.

13. Is zich bewust van de ontwikkelingen die de organisatie doormaakt.

14. Gaat discreet om met vertrouwelijke informatie.

15. Gedraagt zich naar de normen en waarden van de organisatie.

16. Weet waar de organisatie voor staat en draagt dit naar binnen en buiten toe uit.

17. Accepteert, ondersteunt en helpt bij invoeren van organisatie veranderingen.

16
Klantorintatie: In staat zijn om zich in te leven in en te reageren op de behoeften van een
klant.

1. Komt afspraken tijdig en accuraat na.

2. Gaat snel, alert en op een goede manier met klachten om van (interne) klanten.

3. Stelt zich open op bij evaluatiegesprekken met klanten.

4. Toont een service gerichte instelling, is hulpvaardig voorkomend en vriendelijk naar


klanten.

5. Verleent snelle en grondige service.

6. Toont begrip voor (interne) klanten.

7. Zoekt intensief contact met de klant, onderhoudt dat contact.

8. Ontwikkelt op informele wijze een persoonlijke relatie met de klant, voelt aan hoe deze
reageert.

9. Zorgt voor een follow-up naar de klant en evalueert klant-leverancier relatie.

10. Onderzoekt systematisch wat de wensen en problemen zijn van klanten.

11. Speelt actief in op vragen van klanten.

12. Laat zich door de klant informeren, speelt vervolgens in op de behoefte van de klant.

13. Beschikt over voldoende kennis van producten en diensten om deze te vertalen naar voor
klanten bruikbare toepassingen.

14. Luistert goed naar een klant, stelt open vragen.

15. Past zich in de communicatiestijl aan aan de klant.

16. Legt technische zaken geduldig en duidelijk uit aan klanten.

17. Behartigt intern de belangen voor de klant.

18. Toetst eigen ideen aan de ideen van de klant.

19. Is in staat ontevredenheid bij de klant te signaleren.

20. Houdt bij productontwikkelingen rekening met de wensen van de klant.

21. Vertaalt ideen en diensten naar concrete mogelijkheden voor klanten.

22. Laat bij alle werkzaamheden het belang voor de klant meespelen.

23. Creert duidelijkheid in een voor de klant onduidelijke situatie.

24. Zorgt voor een goede uiterlijke verzorging (van producten) (lay-out offertes).

17
Kwaliteitsgerichtheid: Er op gericht zijn een hoge kwaliteit te leveren en zaken te
perfectioneren.

1. Komt met ideen en voorstellen voor verbetering van werkwijzen en systemen.

2. Bewerkstelligt verbeteringen in bedrijfsprocessen en werkwijzen.

3. Herkent zwakke punten van systemen en verbetert deze.

4. Onderzoekt verscheidene actieplannen en experimenteert met nieuwe methodes en


benaderingen.

5. Evalueert oplossingen op korte en lange termijn voordelen.

6. Zoekt actief naar informatie om de kwaliteit van het werk te verbeteren.

7. Creert duidelijkheid voor nieuwe medewerkers, door documenteren van werkprocessen.

8. Analyseert fouten, leert van fouten, staat kritisch ten opzichte van eigen handelen.

9. Werkt volgens de procedures, werkt gestandaardiseerd.

10. Controleert uitgaande zaken op fouten.

11. Levert een constante kwaliteit.

18
Ondernemerschap: Er op gericht zijn winst te behalen door zakelijke kansen te signaleren
en te benutten en door gecalculeerde risicos te durven nemen.

1. Speelt direct in op signalen uit de markt.

2. Neemt initiatief om als organisatie meer resultaat te boeken.

3. Onderneemt zakelijke initiatieven, anticipeert op kansen en mogelijkheden.

4. Is besluitvaardig bij het nemen van investeringsbeslissingen.

5. Neemt gecalculeerde risicos, probeert nieuwe benaderingen uit.

6. Signaleert kansen ontstaan door marktontwikkelingen.

7. Zoekt voortdurend naar manieren om waarde toe te voegen aan de producten en


diensten van de organisatie.

8. Stimuleert eigen organisatie tot verbetering van resultaten en realiseert dit.

9. Speelt in op veranderingen in de wensen van de klant.

10. Verbetert de bedrijfsresultaten door het bewaken van de kosten.

19
Overtuigingskracht: In staat zijn anderen mee te krijgen met een bepaald standpunt,
voorstel of idee.

1. Gebruikt goede en relevante argumenten om ander te overtuigen.

2. Onderbouwt voorstellen vooral door argumenten en voordelen waar de ander gevoelig


voor is.

3. Verwerkt argumenten en belangen van de anderen in eigen argumentatie.

4. Zet voor- en nadelen op gedoseerde wijze naast elkaar.

5. Weerlegt de bezwaren van de ander door rustig argumenten naar voren te brengen.

6. Luistert op een geduldige wijze naar tegenargumenten, stelt daar rustig eigen
argumenten tegenover.

7. Brengt in discussie op gedoseerde wijze argumenten naar voren, zonder weerstand op te


roepen.

8. Toont enthousiasme over eigen standpunt, producten, diensten en voorstellen.

9. Gebruikt diverse gespreksvaardigheden en stijlen om ander te overtuigen.

10. Maakt een eerlijke, betrouwbare indruk.

11. Ziet oplossingen voor de nadelen die de ander naar voren brengt.

12. Toont vasthoudendheid bij argumentatie, blijft reel argumenteren.

13. Legt duidelijk uit waarom een bepaalde zaak prioriteit heeft.

14. Zorgt voor een goede sfeer tijdens het gesprek, wint daardoor vertrouwen.

15. Overtuigt vanuit eigen vakgebied door helder uit te leggen aan niet-vakgenoten.

16. Doet bij tegenspel geen concessies, maar houdt vast.

17. Vraagt bij concessies tegen-concessies van de andere kant.

18. Laat op juiste moment stiltes vallen in gesprek.

19. Laat zich niet te snel overtuigen, is kritisch naar argumenten van de ander.

20. Brengt argumenten op een expressieve wijze naar voren.

21. Verpakt nadelen van eigen voorstel in voordelen, wint daarmee aan vertrouwen.

20
Sturing geven aan groepen: In staat zijn leiding te geven aan een groep.

1. Verdeelt het werk op een eerlijke, realistische wijze over medewerkers.

2. Cordineert de activiteiten binnen de afdeling.

3. Houdt rekening met de interesses van de teamleden.

4. Verkrijgt benodigde faciliteiten en randvoorwaarden zodat het team effectief kan


functioneren.

5. Bewaakt de effectiviteit van het team, onderneemt daar zonodig acties op.

6. Geeft vertrouwen aan teamleden om nieuwe taken te verrichten.

7. Betrekt teamleden in het verkennen van problemen en bedenken van oplossingen.

8. Betrekt teamleden bij het nemen van besluiten.

9. Deelt management-informatie met de groep en de groepsleden

10. Houdt regelmatig n op n overleg met teamleden.

11. Communiceert visie, maakt teamleden duidelijk wat het doel is.

12. Creert teamgeest door teamleden te binden aan het doel.

13. Weet de groep te motiveren door zelf enthousiasme te tonen.

14. Bespreekt op open wijze meningsverschillen, bemiddelt indien de situatie daarom vraagt.

15. Maakt zich sterk voor de groep, verdedigt de belangen van het team naar hoger
management en naar buiten.

16. Geeft waardering voor de prestaties van het team.

17. Gaat op een rechtvaardige wijze om met de belangen van de teamleden.

18. Verduidelijkt de verantwoordelijkheden en rollen van teamleden.

19. Houdt effectieve vergaderingen, heeft een sturende rol.

20. Moedigt groepsleden aan hun bijdrage te realiseren.

21
Sturing geven aan individuen: In staat leiding te geven aan een individu.

1. Geeft duidelijke instructies en aanwijzingen bij de uitvoering van werkzaamheden.

2. Geeft begeleiding en ondersteuning bij de uitvoering van werkzaamheden.

3. Schat op juiste wijze in wanneer de andere steun, begeleiding of instructie nodig heeft.

4. Overlegt regelmatig met medewerkers bij het invullen van taken.

5. Volgt de voortgang van opdrachten en grijpt tijdig in wanneer doelen niet bereikt worden.

6. Is ontvankelijk voor ideen en suggesties van anderen.

7. Biedt medewerkers ruimte om zelf initiatief te nemen en hun standpunt weer te geven.

8. Betrekt medewerkers bij de besluitvorming wanneer dit functioneel is.

9. Is rechtvaardig en kritisch in de beoordeling van medewerkers.

10. Erkent geleverde prestaties openlijk.

11. Geeft erkenning en waardering voor inspanningen en geboekte resultaten.

12. Corrigeert medewerkers bij onvoldoende prestaties, houdt functioneringsgesprekken.

13. Maakt duidelijk welke activiteiten en resultaten verwacht worden van medewerkers.

14. Communiceert aan diegenen die het betreft.

15. Creert een werkomgeving die bijdraagt tot plezierig werk en goede productiviteit.

16. Past leiderschapsstijl aan aan de persoonlijkheid, kennis en ervaring van de medewerker.

17. Geeft anderen vertrouwen.

18. Geeft het voorbeeld, toont gedrag dat van medewerkers verwacht wordt.

22
Coachen van medewerkers: In staat zijn in de rol van leidinggevende medewerkers te
stimuleren en te begeleiden in hun ontwikkeling.

1. Is bereikbaar bij problemen, staat open voor overleg.

2. Stimuleert en daagt medewerkers uit tot betere prestaties.

3. Zet anderen aan nieuwe ideen en bekwaamheden te ontwikkelen.

4. Geeft ruimte en tijd voor ontwikkeling van een medewerker.

5. Motiveert een medewerker op een manier waar deze gevoelig voor is.

6. Enthousiasmeert anderen door hen passende perspectieven te schetsen.

7. Zorgt dat medewerkers de benodigde training ontvangen, doet dat eventueel zelf.

8. Maakt duidelijk wat medewerkers goed doen en beter kunnen doen, geeft opbouwende
feedback.

9. Geeft erkenning en waardering voor persoonlijke ontwikkeling.

10. Complimenteert medewerkers en geeft hen aandacht.

11. Geeft medewerkers voldoende ruimte en middelen om beslissingen en initiatieven te


kunnen nemen.

12. Stelt uitdagende doelen voor individuele medewerkers.

13. Herkent sterktes en zwaktes van anderen en maakt deze bespreekbaar.

14. Voert regelmatig gesprekken met medewerkers, geeft suggesties, bespreekt problemen.

15. Bepaalt samen met de medewerker een ontwikkelingstraject.

16. Geeft ruimte om fouten te maken en daarvan te leren.

17. Geeft vertrouwen om nieuwe taken uit te voeren.

18. Stimuleert zelfvertrouwen van medewerkers door kwaliteiten te benoemen en te laten


benutten.

23
Onderhandelen:In staat zijn wederzijdse belangen en standpunten af te tasten om tot een
voor alle partijen geaccepteerde overeenkomst te komen.

1 Speelt in op de belangen van de ander, benoemt de voordelen voor de ander.

2 Streeft naar een goede afweging van eigen belangen en belangen van de ander.

3 Wijst de ander op zwakke argumenten.

4 Beperkt argumentatie tot belangrijkste argumenten.

5 Neemt het initiatief tot een overlegproces en stuurt het overlegproces tactvol.

6 Gebruikt in een overlegproces verschillende onderhandelingsvormen.

7 Speelt in op situaties die om een actieve onderhandeling vragen.

8 Identificeert en realiseert een acceptabele oplossing voor alle betrokkenen.

9 Creert win/win situaties bij het zoeken naar oplossingen van problemen.

10 Gebruikt sterktes en zwaktes in de verschillende standpunten van de betrokkenen.

11 Stelt vragen alvorens te onderhandelen.

12 Vraagt naar de belangen van de tegenpartij.

13 Geeft op het juiste moment de juiste informatie.

14 Bereikt voor zichzelf een goed resultaat.

15 Gaat niet te diep in op details.

16 Is bereid met een compromis te komen.

17 Houdt vast aan belangrijke standpunten.

24
Strategie en visie: in staat zijn om grote lijnen te zien, te anticiperen op ontwikkelingen,
trends en daarin mogelijkheden te zien en te benutten.

1. Is op de hoogte van externe ontwikkelingen en stemt lange termijn plannen daarop af.

2. Heeft overzicht over de activiteiten van de organisatie en benvloedt deze in de gewenste


richting.

3. Formuleert strategien waarin rekening wordt gehouden met veranderende behoeften en


prioriteiten.

4. Ontwikkelt effectieve verkoopstrategien voor de doelgroep.

5. Gebruikt trends uit het heden en verleden bij het bepalen van lange termijn doelen.

6. Gaat uit van sterktes en zwaktes van de organisatie bij het bepalen van lange termijn
doelen.

7. Houdt bij het ontwikkelen van een strategie rekening met afbreukrisico.

8. Houdt bij het ontwikkelen van een strategie rekening met lange termijn en korte termijn.

9. Maakt keuzes. Houdt daarbij rekening met wat goed is voor de organisatie.

10. Kan hoofdzaken van bijzaken onderscheiden bij het bepalen van een strategie.

11. Zorgt ervoor dat de organisatie onderscheidend is in haar visie.

12. Creert duidelijkheid voor de organisatie en externe relaties.

13. Draagt een inspirerende visie op het werk en de toekomst van de organisatie uit.

14. Onderneemt activiteiten om de medewerkers van de organisatie te informeren over de


organisatie.

15. Formuleert weloverwogen en evenwichtige strategien.

25
Oordeelsvorming: In staat zijn om een weloverwogen en juist oordeel te vormen op basis
van informatie.

1. Baseert oordelen en beslissingen op feiten en niet op veronderstellingen.

2. Maakt een afweging van kosten en baten bij het nemen van besluiten.

3. Houdt rekening met meerdere invalshoeken bij het nemen van besluiten.

4. Houdt bij het nemen van beslissingen rekening met de haalbaarheid.

5. Geeft op basis van observaties sterke en zwakke punten aan.

6. Herkent snel en alert kansen en bedreigingen en speelt hier op in.

7. Pikt signalen op, schat risicos in.

8. Ontwikkelt een onafhankelijk oordeel over mogelijke benaderingen.

9. Benut de capaciteiten van medewerkers door ze op hun waarde te schatten.

10. Zet bij veel alternatieven voor en tegen tegen elkaar af, alvorens een oordeel te vormen.

11. Laat zich niet benvloeden, is kritisch naar informatie.

12. Stelt op basis van informatie prioriteiten.

13. Neemt, ook onder tijdsdruk, geen overhaaste beslissingen, maar laat zich leiden door
prioriteiten.

14. Onderkent alle mogelijke gevolgen van een beslissing en houdt daar rekening mee.

26
Probleemanalyse: In staat zijn om complexe vraagstukken of moeilijke situaties te
analyseren en oorzaak en gevolg te onderkennen.

1. Dringt snel tot de kern van een probleem door.

2. Ziet samenhang in ingewikkelde problemen.

3. Belicht een probleem vanuit meerdere gezichtspunten.

4. Onderscheidt bij veel informatie een probleem scheiden in hoofd en bijzaken.

5. Reageert snel en alert op problemen.

6. Signaleert knelpunten en benoemt ze.

7. Gaat systematisch op zoek naar de oorzaken van problemen.

8. Zoekt actief naar informatie en achtergronden van problemen door het stellen van vragen.

9. Toetst analyse op betrouwbaarheid en volledigheid

10. Geeft advies vanuit goed onderbouwde analyses.

11. Analyseert een probleem door het op te splitsen in deelvragen.

12. Bekijkt bij een groot aantal kleine problemen het als een geheel bekijken en onderkent de
gemeenschappelijke oorzaak.

13. Gaat dieper op zaken door, is kritisch naar informatie.

14. Gaat bij het analyseren van een probleem eerst na of deze problemen zich al eerder
hebben voorgedaan.

27
Creativiteit: In staat zijn om alternatieven te bedenken, buiten de bestaande kaders te
treden.

1. Vertaalt klantenvragen in nieuwe originele benaderingen of concepten.

2. Vindt innovatieve wegen om resultaten te verkrijgen.

3. Zet nieuwe ontwikkelingen in gang.

4. Ontwikkelt originele creatieve oplossingen voor concrete vraagstukken.

5. Ontwikkelt nieuwe diensten en producten.

6. Speelt met productontwikkelingen in op marktmogelijkheden.

7. Heeft bij een vraag direct vele ideen paraat.

8. Treedt buiten de bestaande kaders, houdt niet vast aan vastgeroeste ideen.

9. Maakt anderen enthousiast voor nieuwe ideen.

10. Zorgt door creativiteit onderscheidend te zijn van concurrenten.

11. Laat zich bij het ontwikkelen van nieuwe producten, in eerste instantie, niet afleiden door
praktische zaken.

12. Komt met verrassende invalshoeken.

13. Komt tijdens een brainstormsessie met nieuwe ideen.

14. Combineert verschillende inzichten tot een nieuw idee.

15. Zet losse ideen van anderen om tot een samenhangend nieuw beeld.

16. Werkt ideen uit tot een eindproduct.

17. Weet door prikkelende inzichten anderen aan te zetten tot meedenken.

28
Probleemoplossend vermogen: In staat zijn praktische oplossingen voor concrete
vraagstukken te ontwikkelen.

1. Is oplossingsgericht.

2. Heeft plezier in het oplossen van problemen.

3. Bedenkt alternatieve plannen en oplossingen voor problemen.

4. Denkt niet in problemen, maar in termen van oplossingen.

5. Bedenkt oplossingen voor herhaaldelijk voorkomende problemen.

6. Combineert gegevens om zo met oplossingen te komen.

7. Denkt logisch na, structureert het werk, zodat het werk makkelijker wordt.

8. Vindt meerdere oplossingen voor problemen.

9. Evalueert oplossingen op korte en lange termijn voordelen.

10. Houdt rekening met praktische haalbaarheid van eigen oplossing.

11. Kiest een oplossing op basis van beschikbare feitelijke informatie.

12. Bedenkt manieren om efficinter en effectiever te werken.

13. Concentreert zich op dat wat echt belangrijk en urgent is.

29
Leervermogen: In staat zijn om nieuwe informatie te verwerken en effectief toe te passen.

1. Is kritisch op eigen functioneren.

2. Past nieuw verworven kennis, inzichten toe in dagelijkse praktijk.

3. Leert als gevolg van het experimenteren met gedrag en eigen ervaringen.

4. Kijkt naar het eigen functioneren en gaat daar een open gesprek over aan.

5. Leert van fouten en past het geleerde toe.

6. Weet gekregen feedback te benutten om beter te functioneren.

7. Laat zich overtuigen door rele argumenten.

8. Zoekt actief naar informatie om van te leren.

9. Kan nieuwe informatie snel in zich opnemen, leert snel.

10. Heeft een groot referentiekader en kan van daaruit zaken onthouden, interpreteren.

11. Kan eigen gedrag veranderen op basis van leerervaringen.

30
Plannen en organiseren: In staat zijn om activiteiten en werkzaamheden te plannen en te
organiseren.

1. Stelt prioriteiten en houdt daarbij rekening met belangrijkheid en urgentie.

2. Maakt een juiste inschatting van de hoeveelheid tijd die activiteiten vragen.

3. Past indien nodig prioriteiten en plannen aan.

4. Werkt analyses uit tot een uitvoerbaar plan van aanpak.

5. Stelt een realistisch, haalbaar en volledig actieplan op.

6. Geeft aan wat nodig is om een actieplan uit te kunnen voeren (budgetten, mensen,
informatie en middelen).

7. Formuleert specifieke en meetbare doelstellingen voor zichzelf en / of anderen.

8. Werkt gestructureerd en planmatig, met duidelijke en concrete doelstellingen.

9. Heeft een gestructureerde en planmatige aanpak, die ook voor anderen inzichtelijk is.

10. Structureert informatie, creert overzicht voor anderen.

11. Brengt een structuur aan in de werkstroom, stelt procedures vast.

12. Signaleert in plannen en overzichten knelpunten en onderneemt daar actie op.

13. Heeft overzicht en kan verschillende taken en verantwoordelijkheden gelijktijdig uitvoeren.

14. Structureert de interne en externe communicatie.

15. Neemt initiatief bij de organisatie van administratieve processen.

16. Geeft snel en tijdig management informatie

17. Kan alles op de werkplek snel terug vinden, heeft overzicht.

18. Controleert overzichten en signaleert fouten.

19. Maakt gebruik van schemas om te plannen en te organiseren.

20. Houdt bij de planning rekening met specifieke eisen en verlangens.

31
Delegeren: In staat zijn werkzaamheden op een gerichte manier aan anderen over te dragen.

1. Draagt taken die anderen kunnen doen zoveel mogelijk over.

2. Geeft aan hoe de opdracht gerealiseerd kan worden door middel van instructies.

3. Draagt werk overzichtelijk over.

4. Draagt alle informatie, betreffende de gedelegeerde opdracht, over.

5. Houdt grip en vraagt om terugkoppeling.

6. Houdt controle op de voortgang en grijpt tijdig in als deadlines niet gehaald worden.

7. Delegeert tijdig, zorgt dat gedelegeerde opdracht haalbaar is.

8. Vraagt om terugkoppeling betreffende de gedelegeerde opdracht.

9. Geeft duidelijk aan hoe ruim de beslissingsbevoegdheid is voor de medewerker.

10. Geeft medewerkers voldoende beslissingsruimte en middelen om eigen doelstellingen te


kunnen realiseren.

11. Draagt zaken aan de juiste personen over, houdt rekening met de capaciteiten en
eigenschappen van de medewerker.

12. Biedt bij delegeren mogelijkheid tot ondersteuning aan.

13. Maakt het belang van de gedelegeerde opdracht duidelijk, motiveert daardoor.

14. Schetst bij delegeren de context waarbinnen de opdracht uitgevoerd moet worden.

32
Voortgangscontrole: In staat zijn eenmaal genitieerde zaken te volgen, op voortgang te
controleren.

1. Heeft overzicht over lopende zaken en zorgt dat deadlines gehaald worden.

2. Controleert de voortgang, onderneemt actie indien de planning niet wordt gerealiseerd.

3. Is alert op signalen over verstoring in de voortgang van zaken.

4. Is actiegericht, houdt initiatief in verband met het continueren van zaken.

5. Houdt het eindresultaat in het oog, verzandt niet in details.

6. Checkt regelmatig of planning gehaald wordt.

7. Bewaakt de koers en grijpt in als dat nodig is.

8. Overlegt regelmatig met anderen over de voortgang van planning.

9. Stelt meetbare kwaliteitsnormen op en controleert in hoeverre deze normen worden


gehaald.

10. Toetst resultaten aan prognoses en plannen

11. Heeft overzicht en houdt voor zichzelf bij wat er nog gedaan moet worden met betrekking
tot eigen acties en / of die van anderen.

12. Vraagt om terugkoppeling en voortgangsrapportages van anderen.

13. Controleert hoeveel tijd er aan zaken wordt besteed en stuurt indien nodig bij.

14. Kijkt kritisch naar uitgevoerde opdrachten en onderzoekt of zaken efficinter uitgevoerd
kunnen worden.

33
Schrijfvaardigheid: In staat zijn op een correcte, heldere manier, schriftelijke te
communiceren.

1. Hanteert een correcte grammatica, woordgebruik en spelling.

2. Schrijft op een leesbare, heldere en duidelijke manier.

3. Schrijft teksten die samenhangend zijn geschreven.

4. Gebruikt correcte omgangsvormen, weet de juiste toon te treffen.

5. De geschreven teksten zijn logisch van opbouw en overzichtelijk.

6. Formuleert bondig, maakt zinnen niet te lang.

7. Geeft in samenvattingen de essentie kernachtig weer.

8. Stemt taalgebruik af op de lezer.

9. Varieert in woordkeus, beschikt over een grote woordenschat.

10. Zet gedachten goed en snel op papier.

11. Schrijft notulen volledig en overzichtelijk.

12. Redigeert op een zelfstandige manier teksten tot een goed eindresultaat.

13. Houdt goed de lijn in een schriftelijk verhaal vast, verzandt niet in details.

14. Weet in een tekst duidelijk een boodschap over te brengen.

15. Hanteert een levendig en beeldend taalgebruik.

16. Gebruikt in geschreven teksten levendige voorbeelden om het verhaal te ondersteunen.

34
Gespreksvaardigheid: In staat zijn mondeling op een heldere manier met anderen
informatie uit te wisselen, te communiceren.

1. Geeft de ruimte om vragen te stellen en gaat op die vragen in.

2. Toont enthousiasme in het gesprek en is ongedwongen.

3. Komt tijdens het gesprek oprecht en geloofwaardig over.

4. Stemt taalgebruik af op de gesprekspartner.

5. Drukt gedachten duidelijk en begrijpelijk uit.

6. Kan ideen goed onder woorden brengen, beschikt over een grote woordenschat.

7. Geeft samenvattingen om misverstanden in de communicatie te voorkomen.

8. Benadert de ander open en heeft geen verborgen agenda.

9. Is in staat tijdens het gesprek hoofd- en bijzaken van elkaar te scheiden.

10. Houdt de grote lijn vast, wijdt niet teveel uit tijdens het gesprek.

11. Maakt gebruik van voorbeelden om het gesprek voor de ander begrijpelijker te maken.

12. Geeft tijdens een gesprek een goede inleiding en afsluiting.

13. Beschikt over een heldere articulatie en een levendige intonatie.

14. Geeft de ander ruimte om te spreken en neemt zelf ruimte om te spreken.

15. Spreekt algemeen beschaafd Nederlands.

16. Geeft duidelijk aan wat men mag verwachten en wat niet.

17. Houdt tijdens het gesprek het doel in de gaten.

18. Maakt tijdens het gesprek gebruik van de juiste gespreksopbouw.

19. Weet tijdens het gesprek vloeiend over te gaan op een ander onderwerp.

20. Weet op passende momenten de relatie ter sprake te brengen.

21. Weet op passende wijze negatieve feedback te geven.

22. Durft te confronteren.

35
Luistervaardigheid: In staat zijn om de essentie uit gesproken woord te halen en de ander
te stimuleren zijn boodschap over te brengen.

1. Onderscheidt feiten van beweringen en opvattingen.

2. Geeft er blijk van actief te luisteren naar de ander en antwoordt zorgvuldig.

3. Geeft er blijk van te luisteren naar de inhoud van het gesprek.

4. Stelt gerichte vragen om iemand zijn verhaal te laten vertellen.

5. Luistert actief naar anderen, haakt in op wat de ander zegt.

6. Stimuleert de ander om door te gaan met het verhaal door hummen, knikjes, korte
bevestigingen.

7. Geeft blijk van interesse in wat de ander te zeggen heeft.

8. Geeft los van de inhoud een samenvatting van het gevoel van de ander.

9. Confronteert de ander bij inconsequenties in het verhaal.

10. Filtert de juiste informatie uit het gesprek.

11. Laat zich in het gesprek leiden door wat de ander zegt, blijft bij het onderwerp.

12. Vraagt door totdat de boodschap duidelijk is.

13. Helpt door op gestructureerde wijze vragen te stellen, de ander zijn verhaal te laten
vertellen.

14. Stelt open vragen.

15. Weet door het stellen van de juiste vragen de gewenste informatie naar voren te halen.

16. Toont geduld, onderbreekt de ander niet.

17. Structureert het gesprek door vragen te stellen en samenvattingen te geven.

18. Brengt helderheid in het verhaal van de ander.

19. Weet wat de ander zegt kernachtig samen te vatten.

36
Presentatievaardigheid: In staat zijn mondeling op een heldere, gestructureerde manier
informatie aan een groep over te brengen.

1. Toont zelf enthousiasme tijdens de presentatie.

2. Bouwt de presentatie gestructureerd en logisch op.

3. Komt tijdens de presentatie voldoende ontspannen over.

4. Maakt tijdens de presentatie contact met toehoorders.

5. Geeft aan het begin van de presentatie het doel en de structuur van het verhaal aan.

6. Put uit eigen ervaringen om presentaties boeiend te maken.

7. Hanteert het juiste tempo en is verstaanbaar.

8. Drukt zich mondeling helder uit, geeft overzichtelijk noodzakelijke informatie.

9. Bereidt zich goed voor op de presentatie, leeft zich in in de toehoorders.

10. Maakt tijdens de presentatie effectief gebruik van hulpmiddelen.

11. Houdt tijdens de presentatie de tijd in de gaten.

12. Toetst tijdens de presentatie of het verhaal duidelijk is en of de toehoorders het kunnen
volgen.

13. Geeft ruimte voor het stellen van vragen tijdens de presentatie.

14. Beantwoordt vragen zorgvuldig en op open wijze.

15. Stemt taalgebruik en inhoud af op het publiek.

16. Hanteert pauzes om spanning op te roepen.

17. Presenteert duidelijk gearticuleerd en levendig.

18. Voelt de sfeer in de groep aan en stemt het gedrag daarop af.

19. Geeft er blijk van signalen uit het publiek op te vangen.

20. Maakt de presentatie boeiend door gebruik te maken van humor.

21. Vindt tijdens de presentatie een goede balans tussen hoofdlijn en details.

37
Sensitiviteit: In staat zijn signalen van anderen aan te voelen en daar adequaat op in te spelen.

1. Is in staat reacties en gevoelens van anderen in te schatten en stemt eigen gedrag


daarop af.

2. Schat de gevoelens van de ander juist in.

3. Bouwt vertrouwen op door gevoeligheid en respect voor anderen te tonen.

4. Geeft blijk van waardering voor anderen.

5. Geeft aandacht aan de sfeer en ontwikkelt een goede relatie met anderen.

6. Creert een sfeer van gemeenschappelijkheid ook bij tegenstellingen.

7. Is gevoelig voor hulpvraag van anderen en speelt daarop in.

8. Respecteert gedragingen en ideen die afwijken van eigen normen en waarden.

9. Speelt in op de behoefte van de ander.

10. Laat blijken non-verbale signalen op te vangen.

11. Brengt op de juiste manier en op het juiste moment slecht nieuws.

12. Geeft blijk van interesse in wat anderen te zeggen hebben.

13. Houdt rekening met en verdiept zich in de persoonlijke omstandigheden van de ander.

14. Laat zich niet kwetsend uit over de ander.

38
Samenwerking: Samen met anderen op constructieve wijze bereiken van
gemeenschappelijke doelen.

1. Draagt bij aan een positieve en plezierige sfeer in de groep.

2. Bouwt samenwerkingsrelaties op door sensitiviteit en respect voor anderen te tonen.

3. Stimuleert open communicatie tussen afdelingen en verschillende niveaus.

4. Stimuleert samenwerking tussen groepen.

5. Verkrijgt medewerking van mensen.

6. Bespreekt meningsverschillen op tactvolle en sensitieve wijze.

7. Houdt anderen op de hoogte en betrekt hen bij het werk.

8. Bouwt voort op voorstellen en ideen van anderen.

9. Stelt het groepsbelang boven het eigen belang.

10. Moedigt anderen aan een bijdrage te leveren.

11. Neemt initiatieven om te overleggen met collegas.

12. Is duidelijk naar collegas toe.

13. Is behulpzaam naar collegas.

14. Is bereid taken van anderen zo nodig over te nemen.

15. Geeft bij het ontdekken van een fout dit door aan anderen.

16. Betrekt anderen tijdig, indien resultaat niet gehaald wordt.

17. Draagt gemeenschappelijke taken op een zorgvuldige wijze over aan collegas.

18. Stelt positief kritische vragen.

19. Komt gemaakte afspraken na.

20. Spreekt de ander aan op gemaakte afspraken.

21. Benut de talenten van anderen.

22. Informeert collegas duidelijk en volledig.

23. Denkt actief mee met anderen.

24. Heeft vertrouwen in anderen.

25. Zorgt dat de eigen bijdrage het resultaat van het team ten goede komt.

26. Complimenteert anderen met behaalde resultaten.

39
Optreden: Een krachtige, professionele indruk maken op anderen.

1. Komt over en presenteert zich zoals van iemand van zijn professie verwacht mag worden.

2. Maakt een positieve indruk door een krachtig optreden.

3. Treedt gemakkelijk op de voorgrond.

4. Toont vertrouwen in eigen kwaliteiten.

5. Komt emotioneel evenwichtig over.

6. Reageert zakelijk op persoonlijke aanvallen en verwijten, blijft dan redelijk argumenteren.

7. Presenteert zichzelf en de afdeling op overtuigende wijze.

8. Is prominent en actief aanwezig bij bijeenkomsten.

9. Komt oprecht en geloofwaardig over.

10. Is representatief, kleedt zich naar gelang de situatie.

11. Heeft een verzorgd uiterlijk.

12. Komt professioneel en ter zake kundig over.

13. Is zichzelf, komt natuurlijk over.

14. Maakt een eerlijke, betrouwbare indruk.

40
Relatiebeheer: Het op constructieve wijze aangaan en onderhouden van relaties.

1. Bouwt een extern netwerk van contacten op.

2. Ontwikkelt en onderhoudt goede relaties met collegas in andere werkmaatschappijen.

3. Is attent naar relaties.

4. Houdt bij wat externe relaties interesseert.

5. Steekt energie in het onderhouden van relaties.

6. Toont doorzettingsvermogen in het onderhouden van relaties.

7. Neemt initiatief tot het hebben van regelmatig contact met relaties.

8. Signaleert problemen bij relaties.

9. Voelt zich verantwoordelijk voor relaties.

10. Bouwt een persoonlijke band op met relaties.

11. Zoekt ook zonder directe aanleiding contact met relaties.

12. Is strategisch en doelgericht in het onderhouden van relaties.

13. Verkrijgt informatie en medewerking via netwerk van contacten.

14. Benut nieuwe mogelijkheden dankzij contacten.

15. Heeft een goede verstandhouding met externe partners, door een persoonlijke relatie op
te bouwen en tijdig juist te informeren.

16. Kent de sterke punten van relatie en weet deze op de juiste wijze te benutten.

17. Komt gemaakte afspraken na.

18. Gaat zorgvuldig om met gegevens van relatie.

41
Sociabiliteit: Beweegt zich graag en gemakkelijk in groepen mensen.

1. Spreekt in groepen gemakkelijk mensen aan.

2. Schept sfeer door gebruik te maken van humor.

3. Neemt het initiatief om mensen met gemeenschappelijke interesses aan elkaar voor te
stellen.

4. Neemt actief deel aan een gesprek.

5. Is onderhoudend, zorgt voor wat ontspanning.

6. Toont belangstelling voor anderen.

7. Maakt dat anderen zich op hun gemak voelen.

8. Stelt mensen aan elkaar voor.

9. Voelt zich in alle sociale situaties snel thuis.

10. Beweegt zich graag in groepen.

11. Stapt gemakkelijk op anderen af.

12. Zorgt ervoor dat iedereen betrokken is bij de groep.

13. Organiseert activiteiten om de sociale band in de groep te versterken.

42
Assertiviteit: Komt op voor eigen meningen, ook als er vanuit de omgeving druk op
wordt gelegd.

1. Durft stelling te nemen.

2. Durft nee te zeggen.

3. Durft eigen mening te geven, houdt daaraan vast als de ander geen goede argumenten
geeft.

4. Weet adequaat en snel te reageren op vragen, opmerkingen en kritiek.

5. Blijft kalm bij persoonlijke verwijten.

6. Bewaakt de eigen belangen.

7. Durft anderen te confronteren.

8. Komt op voor eigen rechten.

9. Wijst anderen op hun verplichtingen.

10. Kan, als het nodig is, het verhaal van een ander op constructieve wijze onderbreken.

43
Technische vaardigheden: In staat zijn de ontwikkelingen op het eigen vakgebied bij te
houden.

1. Beschikt over voldoende kennis van producten en diensten om deze te vertalen naar voor
klanten bruikbare toepassingen.

2. Houdt zich op de hoogte van de laatste ontwikkelingen en trends op het vakgebied.

3. Zorgt dat met (product) ontwikkelingen wordt ingespeeld op marktmogelijkheden.

4. Toont kennis van en beheerst de mechanische / technische werking van materieel /


hulpmiddelen.

5. Heeft een goed reactievermogen, is alert, aandachtig, snel en trefzeker in beslissituaties.

6. Beheerst de automatiseringssystemen waarmee gewerkt wordt.

7. Kent de vaktaal; relevante termen, afkortingen en pictogrammen.

8. Geeft heldere uitleg aan niet-vakgenoten.

9. Toont in de diepte kennis en vaardigheden te hebben van het vakgebied.

10. Toont in de breedte kennis en vaardigheden te hebben van het vakgebied.

11. Weet kennis van zaken goed in de organisatie toe te passen.

44