You are on page 1of 15

1

Mat. 8, 1-12 preek VB 06-10-2013


(Isralzondag) Isral?

Isral? Isralzondag, wat moeten we er mee vandaag? Gaan we het hebben over het Isral van vroeger? De vertrouwde verhalen die we van jongsaf kennen? Over Avraam, Ischak, Jakov. Mosje en Dawid? Ja, dat zijn hun echte Joodse namen: wij gebruiken de vertaalde! Dat gaat nog wel, denk ik! En over Isral als land willen we het ook wel hebben. Er zijn heel wat onder ons die de wens koesteren om het land ooit nog eens te bezoeken. Om als bijbeltoerist met eigen ogen te zien waar de Heer Jezus gelopen heeft, waar de tempel gestaan heeft

Maar als het gaat over Isral als moderne staat? Moeten we het daar vandaag in de krk over hebben? Ik weet dat sommigen ongemakkelijk worden van de Isralische vlag in een kerkdienst. Doe me dan maar de kandelaar, schreef iemand van de week. Met dat symbool van Isral voel ik me meer verbonden. De staat Isral is me te politiek! Dat hoort niet in de kerk. Laat staan als ze me vragen de staat Isral politiek en financieel te steunen, zou je er achteraan kunnne denken. Goed vooruit, eerst die Menorah nu maar even, ja zo heet die kandelaar natuurlijk. Kandelaar is de ertaling er van. Schok In deze weken ben ik voor mezelf het evangelie van Mattes aan het lezen. Een aantal verzen uit het begin van Hoofdstuk 8, troffen me! Lees eens met me mee Ik zeg jullie dat velen uit het oosten en uit het westen zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk van de hemel,

Maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden.' (Mat 8:11-12) Twee dingen vallen op: (velen uit het oosten en uit het westen zullen komen en met Abraham, Isaak en Jakob zullen aanliggen in het koninkrijk van de hemel) 1. Isral zal in de toekomst groeien door buitenlanders die overal vandaan komen. Ook uit het Westen! En die niet-Joden krijgen een paspoort binnen het volk Isral en komen met de anderen uit het volk: Avraam, Itschak en Jaakov aan dezelfde tafel te zitten. (Maar de erfgenamen van het koninkrijk zullen worden verbannen naar de uiterste duisternis; daar zullen zij jammeren en knarsetanden.' (Mat 8:11-12)) Maar geboren Isralieten, allen die uit een Joodse moeder geboren zijn, zullen buiten de grenzen van het volk terecht komen. Buiten Isral terecht komen. Broers en zussen, je hrt het in de kerk over Isral te hebben. Niet alleen over dat van vroeger maar ook over dan van nu, want de kerk, onze gemeente, deelt in

Israls beloften. Wij, gelovigen uit het Westen, hebben een plaats gekregen binnen het volk Isral. Je mag jezelf met recht een Israliet van het nieuwe verbond noemen. Isral is immers niet alleen een volk van de afstammelingen van de familie van Avraham, maar ook van de erfgenamen van het geloof van Avraham.1 Het mag een schok voor je zijn, maar als je het over Isral hebt, heb je het over jezelf! Hebben wj het over onszelf: het volk van God. Dus moet het in de kerk wel over Isral gaan, anders zouden wij zelf buiten beeld raken.

Gal 3, 6 Van Abraham wordt gezegd: 'Hij vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van gerechtigheid toegerekend.' 7 U ziet dus dat zij die geloven kinderen van Abraham zijn. 8 Nu heeft de Schrift voorzien dat God ook andere volken door geloof zou aannemen en daarom aan Abraham verkondigd: 'In jou zullen alle volken gezegend worden.' 9 En dus wordt iedereen die gelooft samen met Abraham, de gelovige, gezegend.

Maar is het zeker dat de Heer dit bedoeld? Ja kijk maar eens naar de rest van dit gedeelte. In de hoofdstukken hiervoor kun je de Bergrede lezen. Een toespraak van de Heer Jezus waarin Hij de wetgeving voor het komende Koninkrijk scherpstelt. Met groot gezag uitgesproken. Iedere Joodse wetsleraar beroept zich in een betoog altijd op andere wetsleraren. Dat klinkt ongeveer zo: Jehude ben Simon heeft gezegd, en Rabbi Mosj ben Maimon (Rambam) zei en dus Iedere Joodse wetsleraar gaat op de schouders van zijn eerbiedwaardige voorgangers staan. Dat is tot op de dag van vandaag zo. Maar de Heer Jezus spreekt op eigen gezag. Steeds weer herhaalt de Heer Jezus in de Bergrede:er werd gezegd, maar ik zeg jullie Zeven keer, en zelfs in onze tekst vs 11 en dat is niet zonder betekenisspreekt de Heer met dezelfde autoriteit over de toekomst van het volk: Ik zeg jullie Maar Hij spreekt niet alleen zo, nu na de Bergrede. Hij handelt ook zo! Met gezag! Dat zie je in de rest van dit gedeelte. In de eerste verzen (2-4) geeft Hij een Israliet van geboorte zijn positie binnen het volk Isral terug. Door zijn huidziekte was die een outcast geworden, een

buitenstaander, totaal gesoleerd van de rest van het volk. Hij hoorde er niet meer bij. De Heer Jezus geeft hem met gezag zijn plek binnen het volk terug, door hem te genezen. Hij moet er de officile bevestiging van halen bij de priesters, zoals dit in de in de wet voorgeschreven was. Zo wordt hij in ere hersteld binnen Isral. Dit is een interne kwestie. In het vervolg krijgt hij te maken met een centurion, een Romeinse officier. Een spreekwoordelijke heiden, die beslist niet bij het volk Isral hoort. Maar deze heiden blijkt veel meer dan de Isralieten van geboorte oog te hebben voor het gezag van Jezus. Hij gelooft op het eerste gezicht en verwacht veel van Jezus autoriteit. Als de Heer dat geloof ziet, trekt Hij opnieuw met gezag (ik zeg jullie) de conclusie: heidenen zoals hij, waar ze ook vandaan komen (van Oost en West), zullen straks bij Isral horen. Hier verlegt Hij de grenzen van het volk Isral. Ja hoor, het gaat hier in dit tekstgedeelte beslist over de grenzen van het volk Isral. En als wij hetzelfde vertrouwen tonen als die centurion, zijn wij uit het Westen, net zoals hij, bij Isral gaan horen.

Wij zijn Isral, hoe kunnen we het er niet over hebben, hier!

Lotgenoten in Gods genade Ai, denken sommigen nu misschien. Dat hebben we eens eerder zo gehoord. Zoiets als de kerk is in de plaats van Isral gekomen. De vervangingstheologie heet dat dan met een technische term. De kerk is in plaats van Isral gekomen! Nou, denken anderen misschien, dat komt goed uit, dan hoeven we het hier in de dienst niet meer over de moderne staat Isral te hebben. Want dat zat me toch al niet zo lekker. Broers en zussen, dat kan niet waar zijn: de kerk in plaats van Isral. Het is niet wat de Heer Jezus zei, die zei het ongekeerde: nl. in Isral komt er ruimte voor mensen van buiten de grenzen van de familie. Maar Isral blijft! Zo moet je het zien: dat Isral waar wij bij horen is ook het oude Isral., dat van Avraam, Itschak en Jaakov. Isral is een volk waarvan de grenzen voortdurend veranderen.

En nog eens iets anders: welk recht zouden wij hebben, om dat te zeggen: wij zijn in de plaats van Isral gekomen? Zeker wij hier in Nederland. Kijk eens goed naar deze foto (een foto van president Peres in het Anne Frankhuis), zouden we dat recht in het gezicht van president Peres kunnen zeggen? Uw staat doet er niet meer toe? Kijk eens waar hij staat, in het Anne Frankhuis, een symbool van de Jodenvervolging in Nederland. In ons land konden de Nazis 75% van de Joodse bevolking ombrengen, 104.000 Nederlandse Joden en tragisch genoeg uit het buitenland naar Nederland gevluchte Joden. Het hoogste percentage in WestEuropa. Daar hebben wij als volk ook schuld aan, dat kon toch maar in Nederland. Het is sjiek van president Peres dat hij afgelopen dinsdag in zijn toespraak in de Eerste Kamer het Nederlandse verzet prees, maar hij had ons met hetzelfde recht heel kritische kunnen vragen: waarom in Nederland zoveel Joodse slachtoffers? Maar dat is toch niet beslissend voor wat de staat Isral voor ons betekent? Nee, maar wat er in WO II in ons land kon gebeuren laat wel iets over ons zien. Nl. dat

wij ook genade nodig hebben. Genade van de staat Isral, en die tonen zij ons in de toespraak president Peres, en mr dan dat: genade van God. Sinds WO II weten we het zeker: in ons land kunnen ook de vreselijkste dingen gebeuren. Zaken waarvoor wij als land medeverantwoordelijk zijn.

10

Het is daarom alleen vanwege de genade van God dat wij bij Isral mogen horen. God is ons genadig, om Jezus wil, en als wij ons aan die genade toevertrouwen, mogen wij nu bij Isral horen. Als de geestelijke nakomelingen van Abraham. En als een heel aantal van de oorspronkelijke nakomelingen van Abraham buiten de grenzen van het volk terecht gekomen zijn, is dat alleen maar omdat zich niet hebben toevertrouwd aan God genade. Terwijl zij het evenzeer nodig hebben. Dat zij zich niet toevertrouwen aan Jezus, de Messias, dat is vreemd, want Hij is allereerst hun Messias. Maar God komt niet terug op zijn eerder gedane beloften, zijn hand blijft naar zijn uitverkoren volk, de Joden uitgestrekt. En met spanning zitten wij te kijken of ze

die hand zullen aannemen. Want zij zijn bestemd onze lotgenoten in de genade van God te zijn.

11

En dat maakt dat velen binnen de staat Isral nog altijd bij het uitverkoren volk van God horen en de beloften ook nog altijd voor hen gelden. Zullen ze ooit weer onze lotgenoten in de genade worden? Paulus geeft hoopt als hij zijn verwachting voor de toekomst beschrijft! Vervreemd en toch verwant Vandaag nemen we ook afscheid van een hele groep gemeenteleden. Sommigen vertrekken naar andere kerkelijke gemeenten. Dat vinden we jammer. Zij horen nu niet meer bij ons maar wel bij anderen. Maar anderen vertrekken zonder dat wij weten waarheen -en dat geeft zorgen, Horen ze nu niet meer bij ons? Nou, ze staan niet meer in het boekje, en we vragen ze niet meer om een bijdrage. En in de praktijk betekent dat helaas vaak ook: uit het oog, uit het hart. En dat zou niet moeten, want wie bidt er dan nog voor hen?

We zouden een lijst met namen moeten maken voor allen die met onbekende bestemming uit ons midden vertrekken. En die namen over de kringen en groeigroepen moeten verdelen, zodat wij voor ze kunnen blijven bidden.

12

Met de staat Isral is het net zo. Ze zijn als onze ongelovig geworden familie. Ze zijn verwant, maar ze zijn van God en van ons vervreemd. Die vervreemding staat nogal eens voorop als wij het over de staat Isral hebben. En we hebben er moeite mee als arme Palestijnse olijfboeren in het nauw komen door de bouw van de muur in Beit Jala (Bethlehem). En onze Palestijnse, christelijke, broeders en zusters, met lede ogen moeten aanzien hoe Joodse kolonisten een wijk op hun grondgebied bouwen. En zo is er nog wel meer te noemen Maar de verwantschap is k nog aan alles te voelen. Het zijn de Isralisch die hun gewonde Syrische vijanden behandelen in een ziekenhuis in Safad. En Isral is de enige democratische staat in het Midden-Oosten. Dat hebben wij gemerkt toen we afgelopen voorjaar in de Knesset bezochten. Dat is parlement zoals het onze.

Broers en zussen, wat we met geen enkele staat in het Midden Oosten kunnen, kunnen we wel met Isral. Hen kritisch aanspreken op hun gedrag! Hen herinneren aan hun waarden. Want dat is gewoon binnen een democratie. Veel van dezelfde waarden en normen vind je terug in de staat Isral. In veel andere staten daaromheen zul je er vergeefs naar zoeken. We zijn verwant.

13

Opdracht Broers en zussen, Isralzondag is op zijn plaats. Zo en nu en dan mag die vlag van de staat hier van mij hier ook hangen. Want het is de woonplaats van onze broers en zussen die van ons die eigenlijk wel bij het volk horen, maar zich niet aan de Messias hebben toevertrouwd. En die vlag herinnert ons aan de opdracht die we hebben t.o.v. de Joden in de staat Isral en daarbuiten. Een opdracht die we in de praktijk gemakkelijk vergeten. Paulus schrijft:

28

De Joden zijn Gods vijanden geworden opdat het evangelie aan de christenen kon worden verkondigd, maar God blijft de Joden liefhebben omdat hij de aartsvaders heeft uitgekozen. Ze blijven het uitverkoren volk 29 De genade die God schenkt neemt hij nooit terug, wanneer hij iemand roept maakt hij dat niet ongedaan. God blijft ook hen roepen 30 Zoals jullie ex-heidenen God eens ongehoorzaam waren, maar door ongehoorzaamheid van de Joden Gods barmhartigheid hebt ondervonden, 31 Zo zijn de Joden nu ongehoorzaam om door de barmhartigheid die wij ondervonden hebben, ook zelf barmhartigheid te ondervinden (Rom 11:28-31) Nu zijn wij aan zet broers en zussen Net zoals wij zouden moeten blijven bidden voor de broers en zussen die ons met onbekende bestemming verlaten. Zo zouden we moeten blijven bidden voor onze Joodse broers en zussen, die vervreemd zijn van het volk Isral. Waarvan er meer dan vijf miljoen binnen de staat Isral wonen. We hebben een opdracht, broers en zussen.

14

Zoals zij ooit het licht voor ons waren, moeten wij het nu voor hen zijn. Kritisch, maar wel als verwanten. Isral hoort op onze gebedslijstjes thuis. In de kerk en thuis En de politiek van Isral hoort onder ons besproken te worden. Kritisch Want de zaak van de staat Isral is ook onze zaak, want zij horen bij ons thuis. Gekozen en geroepenen zoals wij. De genade die God schenkt neemt hij immers nooit terug, wanneer hij iemand roept maakt hij dat niet ongedaan. Ze zijn bestemd om onze lotgenoten in de genade te zijn. En wij hebben de roeping voor hen te bidden. Amen.

15